Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
6 DECEMBER 2018. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen voor wat betreft de fysische controle en betreffende Bel V
Titre
6 DECEMBRE 2018. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 20 juillet 2001 portant règlement général de la protection de la population, des travailleurs et de l'environnement contre le danger des rayonnements ionisants en ce qui concerne le contrôle physique et relatif à Bel V
Documentinformatie
Numac: 2018206135
Datum: 2018-12-06
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018206135
Date: 2018-12-06
Moniteur: Voir
Tekst (47)
Texte (47)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van de Richtlijn 2013/59/Euratom van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom.
Article 1er. Cet arrêté vise à transposer partiellement la directive 2013/59/EURATOM du 5 décembre 2013 fixant les normes de base relatives à la protection sanitaire contre les dangers résultant de l'exposition aux rayonnements ionisants et abrogeant les directives 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom et 2003/122/Euratom.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE II. - Dispositions modificatives
Art. 2. In artikel 2,3° van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen worden de volgende definities toegevoegd:
  - "Bel V: de stichting die werd opgericht bij notariële akte van 7 september 2007, bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 9 oktober 2007, of haar rechtsopvolger, die te beschouwen is als een entiteit bedoeld in artikel 14ter van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
  - Reglementering betreffende de ioniserende stralingen: de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle, alsook de koninklijke en ministeriële besluiten en de besluiten van het Agentschap ter uitvoering van deze wet, met uitzondering van deze die betrekking hebben op de fysieke beveiliging van het kernmateriaal en de nucleaire installaties;
  - Gevaarlijke goederen van de klasse 7: de stoffen met inbegrip van oplossingen en mengsels, door een afzender volgens de internationale reglementeringen voor het vervoer van gevaarlijke goederen ingedeeld als radioactieve stof (klasse 7) of ingedeeld in een andere gevarenklasse waarbij de klasse 7 als nevenrisico wordt aangeduid en waaraan een UN-nummer is toegekend;
  - Oplevering (van de installaties of de handelingen): controle van de overeenstemming met de bepalingen van de reglementering betreffende de ioniserende stralingen, met de bepalingen van de oprichtings- en exploitatievergunning van de inrichting en, in voorkomend geval, met het veiligheidsverslag;
  - Agent voor de stralingsbescherming: een persoon die technisch bekwaam is op het gebied van stralingsbescherming voor een bepaalde soort handelingen of installaties om toezicht te houden op de toepassing van de maatregelen voor stralingsbescherming of om deze maatregelen ten uitvoer te leggen;
  - Interventionele radiologie: elke invasieve procedure, chirurgische ingrepen inbegrepen (open procedures, endoscopische procedures, al dan niet percutane endovasculaire procedures) in het kader van diagnose en/of therapie, die gericht worden via beeldvorming met ioniserende stralen, van om het even welk orgaan of lichaamsdeel;"
Art. 2. Dans l'article 2,3° de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 portant règlement général de la protection de la population, des travailleurs et de l'environnement contre le danger des rayonnements ionisants, les définitions suivantes sont ajoutées :
  - " Bel V: la fondation créée par acte notarié du 7 septembre 2007, publié dans les annexes du Moniteur belge du 9 octobre 2007, ou son successeur, devant être considérée comme une entité visée à l'article 14ter de la loi du 15 avril 1994 relative à la protection de la population et de l'environnement contre les dangers résultant des rayonnements ionisants et relative à l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire;
  - Réglementation en matière de rayonnements ionisants : la loi du 15 avril 1994 relative à la protection de la population et de l'environnement contre les dangers résultant des rayonnements ionisants et relative à l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire, ainsi que les arrêtés royaux, ministériels et de l'Agence pris en exécution de cette loi, à l'exception de ceux relatifs à la protection physique des matières et installations nucléaires;
  - Marchandises dangereuses de la classe 7: les matières, y compris les solutions et les mélanges, classées par un expéditeur selon les réglementations internationales pour le transport des marchandises dangereuses comme matières radioactives (classe 7) ou dans une autre classe de danger où la classe 7 est un risque subsidiaire, et auxquelles un numéro UN est attribué;
  - Réception (des installations ou des pratiques) : vérification de la conformité aux dispositions de la règlementation en matière de rayonnements ionisants, aux dispositions de l'autorisation de création et d'exploitation de l'établissement et, le cas échéant, au rapport de sûreté;
  - Agent de radioprotection : une personne techniquement compétente sur des questions de radioprotection liées à un type de pratique ou d'installation déterminé pour superviser ou mettre en oeuvre des dispositions en matière de radioprotection;
  - Radiologie interventionnelle : toute procédure invasive, y compris chirurgicale (procédures à ciel ouvert, procédures endoscopiques, procédures percutanées endovasculaires ou non) à but diagnostique et/ou thérapeutique, guidée par imagerie à base de rayonnements ionisants, quels que soient l'organe ou la région visés; "
Art. 3. In de artikelen 2 en 20.2.3, vierde lid van hetzelfde besluit worden de woorden "deskundige bevoegd in de fysische controle" telkens vervangen door "deskundige erkend in de fysische controle" en de woorden "deskundigen bevoegd in de fysische controle" door "deskundigen erkend in de fysische controle".
Art. 3. Dans les articles 2 et 20.2.3, quatrième alinéa du même arrêté, les mots " expert qualifié en contrôle physique " sont chaque fois remplacés par " expert agréé en contrôle physique " et les mots " experts qualifiés en contrôle physique " sont chaque fois remplacés par " experts agréés en contrôle physique ".
Art. 4. In artikel 3.1, eerste lid, worden de woorden ", ook tijdens hun buitenbedrijfstelling," ingevoegd tussen "worden" en "in één van de volgende klassen ingedeeld".
Art. 4. Dans l'article 3.1, alinéa premier, les mots ", y compris pendant leur déclassement, " sont insérés entre les mots " sont rangés " et " dans l'une des classes suivantes ".
Art. 5. In hetzelfde besluit wordt een artikel 3.3 ingevoegd, luidende:
  "Art. 3.3.
  De inrichtingen van klasse II:
  a) vermeld in artikel 3.1.b), punt 1.;
  b) waar één of meer deeltjesversnellers ondergebracht zijn die voornamelijk worden gebruikt voor onderzoek of de productie van radionucliden of voor hadrontherapie, alsook de inrichtingen waar deze versnellers worden geproduceerd en/of getest;
  c) waar toestellen ondergebracht zijn die röntgenstralen van meer dan 1 MeV voortbrengen en die gebruikt worden voor industriële sterilisatie of polymerisatie;
  d) waar bestralingsinstallaties ondergebracht zijn die gebruik maken van een bron met een activiteit van 100 TBq of meer, met uitzondering van de bestralingsinstallaties voor geneeskundige of diergeneeskundige behandeling en met uitzondering van bronnen die in alle omstandigheden (exploitatie, onderhoud, ontwerpongevallen) in hun afscherming blijven;
  e) die radioactieve stoffen produceren of bronnen fabriceren, met uitzondering van Kr-85, en waarvan de totale maandelijkse geproduceerde activiteit de vrijstellingsniveaus vastgelegd in bijlage IA met een factor 500.000 overschrijdt, rekening houdend met de toepassingscriteria beschreven in diezelfde bijlage, onder meer in het geval van een mengsel van radionucliden;
  worden "inrichtingen van klasse IIA" genoemd.
  Deze inrichtingen maken integraal deel uit van klasse II. De reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op klasse II zijn van toepassing op klasse IIA, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald.
  Het Agentschap kan, via een in het Belgisch staatsblad gemotiveerde beslissing, bepaalde specifieke types van installaties vermeld in de punten a) tot e) uitsluiten van de klasse IIA op basis van een risicoanalyse."
Art. 5. Dans le même arrêté, il est inséré un article 3.3. rédigé comme suit :
  " Art. 3.3
  Les établissements de la classe II:
  a) repris à l'article 3.1 b) point 1.;
  b) où se trouvent un ou plusieurs accélérateurs de particules qui sont utilisés principalement pour la recherche ou pour la production de radionucléides, ou à des fins d'hadronthérapie ainsi que les établissements où ces accélérateurs sont produits et/ou testés;
  c) où se trouvent des appareils générateurs de rayons X de plus de 1 MeV utilisés à des fins de stérilisation ou polymérisation industrielle;
  d) où se trouvent des installations d'irradiation avec une source dont l'activité est égale ou supérieure à 100 TBq, à l'exception des installations d'irradiation de traitement médical ou vétérinaire et à l'exception des sources qui restent dans leur blindage en toutes circonstances (exploitation, maintenance, accidents de conception);
  e) qui produisent des substances radioactives ou fabriquent des sources, à l'exception de Kr-85, et dont l'activité totale produite mensuellement est supérieure à 500.000 fois la valeur d'exemption fixée à l'annexe IA en tenant compte des critères d'application décrits dans cette même annexe, notamment en cas de mélange de radionucléides;
  sont dénommés " établissements de classe IIA ".
  Ces établissements font partie intégrante de la classe II. Les dispositions réglementaires applicables à la classe II sont applicables à la classe IIA, sauf spécification contraire explicite.
  L'Agence peut, par décision motivée publiée au Moniteur belge, exclure de la classe IIA certains types particuliers d'installations reprises aux points a) à e) sur base d'une analyse de risque."
Art. 6. In artikel 5.1 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid van artikel 5.1 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt: "De inrichtingen van klasse I, II en III moeten over een oprichtings- en exploitatievergunning beschikken die is afgeleverd door de hierna bepaalde overheid. De vergunning wordt verleend aan de exploitant. ";
  2° in het tweede lid worden na de woorden "- de verantwoordelijkheden" de woorden "van de exploitant en/of het ondernemingshoofd" ingevoegd;
  3° de opsomming in het tweede lid wordt aangevuld met het volgende punt:
  "- de organisatie van de fysische controle.".
Art. 6. Dans l'article 5.1 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1ier de l'article 5.1 du même arrêté est remplacé par ce qui suit : " Les établissements de classe I, II et III doivent faire l'objet d'une autorisation de création et d'exploitation délivrée par l'autorité définie ci-après. L'autorisation est accordée à l'exploitant. ";
  2° dans l'alinéa 2, les mots " de l'exploitant et/ou du chef d'entreprise " sont ajoutés après les mots " - les responsabilités ";
  3° l'énumération de l'alinéa 2 est complétée par le point suivant :
  " - l'organisation du contrôle physique. ".
Art. 7. Artikel 5.5 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "5.5. Vervanging van hoofd van de inrichting en vervanging van hoofd van de dienst voor fysische controle
  Elke wijziging betreffende de aanstelling van het hoofd van de inrichting en het hoofd van de dienst voor fysische controle dient onverwijld, via een bij de post aangetekend schrijven, ter kennis van het Agentschap te worden gebracht.
Art. 7. L'article 5.5 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " 5.5. Changement de chef d'établissement et changement de chef du service de contrôle physique
  Tout changement qui survient dans la désignation de chef d'établissement et de chef du service de contrôle physique doit être signalé sans retard à l'Agence par lettre recommandée à la poste. "
Art. 8. In het tweede lid van artikel 5.7.1 van hetzelfde besluit worden de woorden "de controle van het Agentschap of van de door haar aangewezen erkende instelling" vervangen door de woorden "het toezicht van de dienst voor fysische controle".
Art. 8. Dans l'article 5.7.1, alinéa 2 du même arrêté les mots " le contrôle de l'Agence ou de l'organisme agréé qu'elle délègue " sont remplacés par les mots " la supervision du service de contrôle physique ".
Art. 9. In het eerste lid van artikel 5.7.3 van hetzelfde besluit worden de woorden "door het Agentschap of door de aangewezen erkende instelling" vervangen door de woorden "door de deskundige erkend in de fysische controle".
Art. 9. Dans l'article 5.7.3, alinéa 1er du même arrêté, les mots " par l'Agence ou l'organisme agréé qu'elle délègue " sont remplacés par les mots " par l'expert agréé en contrôle physique "
Art. 10. In artikel 6.2 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° De eerste zin wordt vervangen door wat volgt:
  "De vergunningsaanvraag wordt in tien exemplaren of in afdrukbare elektronisch vorm gericht aan het Agentschap, nadat ze werd onderzocht en goedgekeurd door een deskundige erkend in de fysische controle van klasse I die een werknemer is van de toekomstige exploitant. Deze omvat : "
  2° punt 2 van de opsomming wordt vervangen door wat volgt:
  "2. De aard en het voorwerp van de inrichting, de aard en de kenmerken van de uitgezonden straling, de kenmerken van de aangewende toestellen, de fysische toestand, de hoeveelheid, de activiteit van de radioactieve stoffen, de bestemming van de toestellen of van de stoffen, de plaats waar de toestellen of stoffen worden gefabriceerd, voortgebracht, in bezit gehouden of aangewend worden, de stralingsbeschermings- of veiligheidsmaatregelen die voorzien worden, zowel wat de toestellen en de stoffen betreft als de lokalen waar ze zich bevinden, de organisatie van de fysische controle van de inrichting en de aanduiding van de erkende arbeidsgeneesheer belast met het gezondheidstoezicht op de werknemers, en in het algemeen alle maatregelen en middelen die zijn voorgesteld om de naleving van de in hoofdstuk III vastgestelde basisnormen te waarborgen, in het bijzonder deze die betrekking hebben op het optimaliseringsprincipe vermeld in artikel 20.1.1.1, punt b);"
Art. 10. Dans l'article 6.2 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1. la première phrase est remplacée par ce qui suit :
  " La demande d'autorisation, qui a été examinée et approuvée par un expert agréé en contrôle physique de classe I appartenant au personnel du futur exploitant, est adressée à l'Agence en dix exemplaires ou sous forme électronique imprimable. Elle comprend : "
  2. le point 2 de l'énumération est remplacé par ce qui suit :
  " 2. la nature et l'objet de l'établissement, le genre et les caractéristiques des rayonnements émis, les caractéristiques des appareils mis en oeuvre, l'état physique, la quantité, l'activité des substances radioactives, la destination des appareils ou des substances, l'endroit où les appareils ou substances seront fabriqués, produits, détenus ou mis en oeuvre, les mesures de radioprotection ou de sûreté préconisées tant en ce qui concerne les appareils et substances qu'en ce qui concerne les locaux où ils se trouvent, l'organisation du contrôle physique de l'établissement et la désignation du médecin du travail agréé chargé de la surveillance de la santé des travailleurs et plus généralement, toutes les mesures et dispositifs préconisés en vue d'assurer le respect des normes de base définies au chapitre III, notamment ceux relatifs au principe d'optimisation visé à l'article 20.1.1.1, point b); "
Art. 11. In artikel 6.3.1 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° Het opschrift van artikel 6.3.1 wordt vervangen als volgt:
  "Veiligheidsevaluatie van het Agentschap, advies van NIRAS en voorafgaand voorlopig advies van de Wetenschappelijke Raad"
  2° Vóór het 1e lid wordt een lid toegevoegd, luidende:
  "Het Agentschap voert een veiligheidsevaluatie uit van het aanvraagdossier."
  3° Het 4e lid, dat het 5e lid is geworden, is vervangen als volgt:
  "Na ontvangst van het gemotiveerde advies van NIRAS, of na het verstrijken van de voorziene termijn en op basis van de veiligheidsevaluatie, onderzoekt het Agentschap de aanvraag en stelt een verslag op voor de Wetenschappelijke Raad.
  Het Agentschap maakt het vergunningsdossier, vergezeld met haar verslag en desgevallend met het gemotiveerde advies van NIRAS en de veiligheidsevaluatie, over aan de Wetenschappelijke Raad."
Art. 11. Dans l'article 6.3.1 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1. Le titre de l'article est remplacé par ce qui suit :
  " Evaluation de sûreté de l'Agence, avis de l'ONDRAF et avis préalable provisoire du Conseil scientifique "
  2. un alinéa rédigé comme suit est inséré avant l'alinéa 1er :
  " L'Agence effectue une évaluation indépendante de sûreté du dossier de la demande."
  3. Le 4ème alinéa devenu 5ème alinéa, est remplacé par ce qui suit :
  " Après réception de l'avis motivé de l'ONDRAF, ou à l'expiration du délai imparti, et sur base de l'évaluation de sûreté, l'Agence instruit la demande et établit un rapport à destination du Conseil scientifique.
  L'Agence transmet au Conseil scientifique le dossier d'autorisation accompagné de son rapport et, le cas échéant, de l'avis motivé de l'ONDRAF et de l'évaluation de sûreté. "
Art. 12. Artikel 6.9 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  "6.9. Bevestigingsbesluit van de oprichtings- en exploitatievergunning van inrichtingen van klasse I
  De krachtens artikel 6.7 verleende vergunning houdt voor de exploitant het recht in om, op eigen verantwoordelijkheid, het bouwen en inrichten van de installaties aan te vatten overeenkomstig de bepalingen van de verleende vergunning.
  Vóór de volledige of gedeeltelijke inbedrijfstelling van een inrichting van klasse I en alvorens het in de installatie radioactieve binnenbrengen van de stoffen die het voorwerp uitmaken van de vergunning, voert het Agentschap een veiligheidsevaluatie uit van de oplevering die plaatsgevonden heeft volgens de bepalingen van artikel 23.1.5, b), punt 4.
  Op basis van de veiligheidsevaluatie stelt het Agentschap een opleveringsverslag op.
  Indien het Agentschap geen volledig gunstig opleveringsverslag kan opstellen, dan stelt het de exploitant daarvan op voorhand in kennis en wijst het hem erop dat hij het recht heeft te worden gehoord binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf voornoemde kennisgeving.
  Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
  Het Agentschap stuurt het gunstig opleveringsverslag onverwijld naar de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken. Deze minister kan dan aan de Koning voorstellen om de oprichtings- en exploitatievergunning te bevestigen.
  De inbedrijfstelling van de inrichting en het binnenbrengen in de installatie van radioactieve stoffen die het voorwerp van de vergunning zijn, kunnen niet plaatsvinden zolang de Koning de oprichtings- en exploitatievergunning niet heeft bevestigd."
Art. 12. L'article 6.9 du même arrêté, est remplacé par ce qui suit :
  " 6.9. Arrêté de confirmation de l'autorisation de création et d'exploitation des établissements de classe I
  L'autorisation accordée, en vertu de l'article 6.7, comporte pour l'exploitant le droit d'entreprendre sous sa responsabilité les constructions et l'aménagement des installations, conformément aux termes de l'autorisation accordée.
  Avant la mise en exploitation totale ou partielle d'un établissement de classe I et l'introduction dans l'installation des substances radioactives faisant l'objet de l'autorisation, l'Agence effectue une évaluation de sûreté de la réception réalisée suivant les dispositions de l'article 23.1.5, b), point 4.
  Sur base de l'évaluation de sûreté, l'Agence établit un rapport de réception.
  Si l'Agence ne peut établir un rapport de réception entièrement favorable, l'Agence en informe au préalable l'exploitant en précisant qu'il a le droit d'être entendu dans les trente jours calendrier à partir de la notification.
  Dans le cas où le demandeur souhaite exercer son droit à être entendu, il en informe l'Agence par écrit, au plus tard le quinzième jour après la notification.
  L'Agence transmet le rapport de réception favorable sans délai au Ministre qui a l'intérieur dans ses attributions. Celui-ci peut alors proposer au Roi de confirmer l'autorisation de création et d'exploitation.
  La mise en exploitation de l'établissement et l'introduction dans l'installation des substances radioactives faisant l'objet de l'autorisation ne peuvent avoir lieu avant que le Roi n'ait confirmé l'autorisation de création et d'exploitation. "
Art. 13. In artikel 7.2 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1. De eerste zin wordt vervangen door wat volgt:
  "De vergunningsaanvraag wordt gericht aan het Agentschap in vijf exemplaren, of in afdrukbare elektronische vorm, nadat ze werd onderzocht en goedgekeurd door een deskundige erkend in de fysische controle van klasse I of II die een werknemer is van de toekomstige exploitant, of van een erkende instelling voor fysische controle. Deze omvat : "
  2. punt 2 van de opsomming wordt vervangen door wat volgt:
  " 2° de aard en het voorwerp van de inrichting, de aard en de kenmerken van de uitgezonden straling, de kenmerken van de aangewende toestellen, de fysische toestand, de hoeveelheid, de activiteit van de radioactieve stoffen, de bestemming van de toestellen of van de stoffen, de plaats waar de toestellen of stoffen worden gefabriceerd, voortgebracht, in bezit gehouden of aangewend, de voorziene stralingsbeschermings- of veiligheidsmaatregelen, zowel wat de toestellen en stoffen als wat de lokalen betreft waar ze zich bevinden, de organisatie van de fysische controle van de inrichting, de aanduiding van de erkende arbeidsgeneesheer belast met het gezondheidstoezicht op de werknemers alsook, in voorkomend geval, de organisatie van de medische stralingsfysica, en in het algemeen alle voorgestelde maatregelen en middelen om de naleving van de in hoofdstuk III vastgestelde basisnormen te waarborgen, in het bijzonder deze die betrekking hebben op het optimaliseringsprincipe vermeld in artikel 20.1.1.1, punt b), en de voorziene datum van inbedrijfstelling;"
  3. punt 7 wordt opgeheven;
  4. punten 8 tot 11 worden hernoemd als punten 7 tot 10.
Art. 13. Dans l'article 7.2. du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1. La première phrase est remplacée par ce qui suit :
  " La demande d'autorisation, qui a été examinée et approuvée par un expert agréé en contrôle physique de classe I ou II appartenant au personnel du futur exploitant ou à un organisme agréé de contrôle physique, est adressée à l'Agence en cinq exemplaires ou sous forme électronique imprimable. Elle comprend : "
  2. le point 2 de l'énumération est remplacé par ce qui suit :
  " 2° la nature et l'objet de l'établissement, le genre et les caractéristiques des rayonnements émis, les caractéristiques des appareils mis en oeuvre, l'état physique, la quantité, l'activité des substances radioactives, la destination des appareils ou des substances, l'endroit où les appareils ou substances seront fabriqués, produits, détenus ou mis en oeuvre, les mesures de radioprotection ou de sûreté préconisées en ce qui concerne tant les appareils et les substances, que les locaux où ils se trouvent, l'organisation du contrôle physique de l'établissement, la désignation du médecin du travail agréé, chargé de la surveillance de la santé des travailleurs, ainsi que, le cas échéant, l'organisation de la radiophysique médicale et, plus généralement, toutes les mesures et dispositifs préconisés en vue d'assurer le respect des normes de base définies au chapitre III, notamment ceux relatifs au principe d'optimisation visé à l'article 20.1.1.1, point b); ainsi que la date prévue de la mise en exploitation;"
  3. le point 7 est abrogé.
  4. les points 8 à 11 sont renommés comme points 7 à 10.
Art. 14. In hetzelfde besluit wordt een artikel 7.2/1 ingevoegd dat als volgt luidt:
  "Art. 7.2/1 Inrichtingen van klasse IIA
  Voor de in artikel 3.3. bedoelde inrichtingen, worden de bovenstaande gevraagde inlichtingen en documenten geïntegreerd in een voorlopig veiligheidsverslag en op de volgende manier gestructureerd:
  a. Inleiding: beschrijving van de onderneming en algemene beschrijving van de inrichting
  b. Karakteristieken van de site (inplanting, bedrijfsomgeving)
  c. Beschrijving van de infrastructuur
  d. Risicoanalyses
  e. Gedetailleerde beschrijving van de veiligheidsfuncties en -systemen
  f. Afval-/lozingsbeheer
  g. Stralingsbescherming
  h. Beschrijving van de organisatie
  i. Technische specificaties
  j. Buitenbedrijfstelling en ontmanteling
  k. Intern noodplan
Art. 14. Dans le même arrêté, il est inséré un article 7.2/1 rédigé comme suit :
  " Art. 7.2/1 Etablissements de classe IIA
  Pour les établissements visés à l'article 3.3, les renseignements et documents demandés ci-dessus sont intégrés dans un rapport préliminaire de sûreté structuré de la manière suivante:
  a. Introduction: description de l'entreprise et description générale de l'établissement
  b. Caractéristiques du site (implantation, environnement de l'entreprise)
  c. Description des infrastructures
  d. Analyses de risques
  e. Description détaillée des fonctions et systèmes de sûreté
  f. Gestion des déchets/rejets
  g. Radioprotection
  h. Description de l'organisation
  i. Spécifications techniques
  j. Déclassement et démantèlement
  k. Plan interne d'urgence "
Art. 15. In artikel 7.3.1. van hetzelfde besluit, wordt vóór het 1e lid een lid ingevoegd, luidende:
  " Voor de in artikel 3.3. bedoelde inrichtingen voert het Agentschap een veiligheidsevaluatie uit van het aanvraagdossier. "
Art. 15. Dans l'article 7.3.1 du même arrêté, un alinéa rédigé comme suit est inséré avant l'alinéa 1er :
  " Pour les établissements visés à l'article 3.3, l'Agence effectue une évaluation de sûreté du dossier de la demande."
Art. 16. In artikel 8.2 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht:
  1° De eerste zin wordt vervangen door wat volgt:
  "De aangifte wordt schriftelijk, of in afdrukbare elektronische vorm aan het Agentschap gericht, nadat ze werd onderzocht en goedgekeurd door een deskundige erkend in de fysische controle van klasse I of II die een werknemer is van de toekomstige exploitant, of van een erkende instelling voor fysische controle. Deze omvat: ";
  2° punt 2 van de opsomming wordt vervangen door wat volgt:
  "2° de aard en het voorwerp van de inrichting, de aard en de kenmerken van de uitgezonden straling, de kenmerken van de aangewende toestellen, de fysische toestand, de hoeveelheid, het radioactiviteitsniveau van de radioactieve stoffen, de bestemming van de toestellen of van de stoffen, de plaats waar de toestellen of stoffen worden gefabriceerd, voortgebracht, in bezit gehouden of aangewend, de voorziene stralingsbeschermings- of veiligheidsmaatregelen, zowel wat de toestellen en stoffen, als wat de lokalen betreft waar ze zich bevinden, de organisatie van de fysische controle van de inrichting, de aanduiding van de erkende arbeidsgeneesheer belast met het gezondheidstoezicht op de werknemers alsook, in voorkomend geval, de organisatie van de medische stralingsfysica, en in het algemeen, alle voorgestelde maatregelen en middelen om de naleving van de in hoofdstuk III vastgestelde basisnormen te waarborgen, in het bijzonder deze die betrekking hebben op het optimaliseringsprincipe vermeld in artikel 20.1.1.1, punt b), en de voorziene datum van inbedrijfstelling;"
Art. 16. Dans l'article 8.2. du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1. La première phrase est remplacée par ce qui suit :
  " La déclaration, qui a été examinée et approuvée par un expert agréé en contrôle physique de classe I ou II appartenant au personnel du futur exploitant ou à un organisme agréé de contrôle physique, est adressée à l'Agence par écrit ou sous forme électronique imprimable. Elle comprend : ";
  2. le point 2 de l'énumération est remplacé par ce qui suit :
  " 2° la nature et l'objet de l'établissement, le genre et les caractéristiques des rayonnements émis, les caractéristiques des appareils mis en oeuvre, l'état physique, la quantité, le niveau de radioactivité des substances radioactives, la destination des appareils ou des substances, l'endroit où les appareils ou substances seront fabriqués, produits, détenus ou mis en oeuvre, les mesures de radioprotection ou de sûreté préconisées, en ce qui concerne tant les appareils et substances, les locaux où ils se trouvent, l'organisation du contrôle physique de l'établissement, la désignation du médecin du travail agréé, chargé de la surveillance de la santé des travailleurs, ainsi que, le cas échéant, l'organisation de la radiophysique médicale et, plus généralement, toutes les mesures et dispositifs préconisés en vue d'assurer le respect des normes de base définies au chapitre III, notamment ceux relatifs au principe d'optimisation visé à l'article 20.1.1.1, point b); ainsi que la date prévue de la mise en exploitation;"
Art. 17. In artikel 12 van hetzelfde besluit wordt het vijfde lid aangevuld met de woorden ", 15 en 15/1."
Art. 17. Dans l'article 12 du même arrêté l'alinéa 5 est complété par les mots, "15 et 15/1. "
Art. 18. Artikel 15 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
  "Art. 15. - Inbedrijfstelling van de vergunde installaties van klasse II, klasse IIA uitgezonderd, en van klasse III
  Ingevolge de vergunning verleend voor de inrichtingen van klasse II, klasse IIA uitgezonderd, en van klasse III heeft de exploitant het recht onder zijn verantwoordelijkheid over te gaan tot het bouwen en het inrichten van de installaties overeenkomstig de bepalingen van de verleende vergunning.
  De inbedrijfstelling van de installaties mag slechts gebeuren indien de oplevering, zoals bedoeld in artikel 23.1.5 b) punt 4, volledig gunstig is en de inbedrijfstelling uitdrukkelijk toestaat.
  Voorafgaand aan de inbedrijfstelling van de installaties maakt de exploitant aan het Agentschap een document over waarin wordt verklaard dat de bepalingen van het vorige lid nageleefd zijn. "
Art. 18. L'article 15 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 15 - Mise en exploitation des installations autorisées de classe II, autres que IIA, et de classe III
  L'autorisation accordée aux établissements de classe II, autres que IIA, et de classe III comporte pour l'exploitant le droit d'entreprendre sous sa responsabilité les constructions et l'aménagement des installations, conformément aux termes de l'autorisation accordée.
  La mise en exploitation des installations ne peut avoir lieu que si la réception, effectuée suivant les dispositions de l'article 23.1.5 b) point 4 est entièrement favorable et autorise formellement cette mise en exploitation.
  Avant la mise en exploitation des installations, l'exploitant transmet à l'Agence un document attestant que les dispositions de l'alinéa précédent sont respectées. "
Art. 19. In hetzelfde besluit wordt een artikel 15/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 15/1. - Inbedrijfstelling van de vergunde installaties van klasse IIA
  Ingevolge de vergunning verleend voor de inrichtingen van klasse IIA heeft de exploitant het recht om onder zijn verantwoordelijkheid over te gaan tot het bouwen en het inrichten van de installaties overeenkomstig de bepalingen van de verleende vergunning.
  Voor de volledige of gedeeltelijke inbedrijfsstelling van een inrichting van klasse IIA, voert het Agentschap, een veiligheidsevaluatie uit van de oplevering die plaatsgevonden heeft overeenkomstig artikel 23.1.5, b), punt 4°.
  Op basis van de veiligheidsevaluatie kan het Agentschap de oprichtings- en exploitatievergunning bevestigen.
  De inbedrijfstelling van de inrichting kan niet plaatsvinden zolang het Agentschap de oprichtings- en exploitatievergunning niet heeft bevestigd.
  Indien het Agentschap de oprichtings- en exploitatievergunning niet kan bevestigen, deelt het dit voorafgaandelijk aan de exploitant mee waarbij het verduidelijkt dat hij het recht heeft om gehoord te worden binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving.
  Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
  Tegen de beslissing van het Agentschap kan binnen de dertig kalenderdagen vanaf ontvangst van de beslissing van het Agentschap bij Ons beroep worden aangetekend. De in de artikelen 7.7 lid 2 tot 7.9 bepaalde procedure is van toepassing op dit beroep."
Art. 19. Dans le même arrêté, il est inséré un article 15/1 rédigé comme suit :
  " Art. 15/1. - Mise en exploitation des installations autorisées de classe IIA
  L'autorisation accordée aux établissements de classe IIA comporte pour l'exploitant le droit d'entreprendre sous sa responsabilité les constructions et l'aménagement des installations, conformément aux termes de l'autorisation accordée.
  Avant la mise en exploitation totale ou partielle d'un établissement de classe IIA, l'Agence effectue une évaluation de sûreté de la réception réalisée suivant les dispositions de l'article 23.1.5, b), point 4°.
  Sur base de l'évaluation de sûreté, l'Agence peut confirmer l'autorisation de création et d'exploitation.
  La mise en exploitation de l'établissement ne peut avoir lieu avant que l'Agence n'ait confirmé l'autorisation de création et d'exploitation
  Si l'Agence ne peut confirmer l'autorisation de création et d'exploitation, elle en informe au préalable l'exploitant en précisant qu'il a le droit d'être entendu dans un délai de trente jours calendrier à partir de la notification.
  Dans le cas où le demandeur souhaite exercer son droit à être entendu, il en informe l'Agence par écrit, au plus tard le quinzième jour après la notification.
  Un recours contre la décision de l'Agence est ouvert auprès de Nous dans un délai de trente jours calendrier à dater du jour de la réception de la décision de l'Agence. La procédure prévue aux articles 7.7 alinéa 2 à 7.9 est d'application pour ce recours. "
Art. 20. In artikel 20.1.6, punt d), van hetzelfde besluit worden de woorden "de erkende deskundige bevoegd in de fysische controle van de dienst voor de fysische controle of, bij ontbreken van een dergelijke dienst, van de erkende instelling" vervangen door de woorden "de deskundige erkend in de fysische controle".
Art. 20. A l'article 20.1.6 point d) du même arrêté les mots " l'expert qualifié en contrôle physique du service de contrôle physique ou, en l'absence d'un tel service, de l'organisme agréé " sont remplacés par les mots " l'expert agréé en contrôle physique".
Art. 21. Artikel 23 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
  "Art. 23. - Fysische controle
  23.1. Fysische controle van de ingedeelde inrichtingen
  De exploitant van een ingedeelde inrichting, heeft de verplichting om een dienst in te richten, die hij belast met de organisatie van en het toezicht op de fysische controle.
  Het aan ioniserende straling verbonden risico moet worden beoordeeld in het kader van het dynamisch risicobeheersingssysteem dat de exploitant of het ondernemingshoofd moet instellen krachtens boek I, titel 2 van de Codex over het welzijn op het werk.
  De opdrachten van de dienst voor fysische controle moeten, in voorkomend geval, worden uitgevoerd in overleg met de preventieadviseur(s), de erkende deskundige(n) in de medische stralingsfysica, de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer en de veiligheidsadviseur klasse 7.
  23.1.1. Gemeenschappelijke diensten voor fysische controle
  Meerdere exploitanten kunnen een gemeenschappelijke dienst voor fysische controle inrichten, mits het Agentschap goedkeuring verleent. Deze goedkeuring kan pas worden afgeleverd indien er is voldaan aan de volgende minimale criteria:
  a) de gemeenschappelijke dienst voor fysische controle heeft minstens twee deskundigen erkend in de fysische controle in dienst die deel uitmaken van het personeel van minstens één van de betrokken exploitanten;
  b) de exploitanten die een gemeenschappelijke dienst voor fysische controle oprichten dienen de toegang tot hun installaties te verlenen aan de deskundigen erkend in de fysische controle verbonden aan deze gemeenschappelijke dienst, zelfs indien deze laatste geen deel uitmaken van hun personeel;
  c) er bestaat een juridische, economische of technische link tussen de betrokken exploitanten;
  d) de inrichtingen bevinden zich op dezelfde locatie of in een beperkte geografische zone, zodat de dienst voor fysische controle voldoende aanwezig kan zijn in de verschillende inrichtingen;
  e) een schriftelijk akkoord tussen de betrokken ondernemingen of organisaties legt de verdeling van de taken, van de verantwoordelijkheden evenals de tijdsverdeling van de erkende deskundigen formeel vast;
  f) de gemeenschappelijke dienst voor fysische controle beschikt over de nodige expertise inzake de stralingsrisico's die de activiteiten in de verschillende inrichtingen met zich meebrengen;
  g) de gemeenschappelijke dienst voor fysische controle biedt één of meerdere voordelen ten opzichte van individuele diensten voor fysische controle bij de betrokken exploitanten.
  De goedkeuring kan in de tijd beperkt worden.
  Wanneer het Agentschap van oordeel is dat het de gevraagde goedkeuring niet zal kunnen verlenen, dan deelt het dit mee aan de aanvrager, met daarbij de vermelding dat deze het recht heeft om binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving te worden gehoord.
  Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
  23.1.2. Fysische controle van de inrichtingen van klasse I
  23.1.2.1. Organisatie van de fysische controle
  § 1 Het hoofd van de dienst voor fysische controle is een deskundige erkend in de fysische controle van klasse I, overeenkomstig de bepalingen van artikel 73. Hij is eveneens de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk.
  § 2 De deskundige erkend in de fysische controle organiseert de goede uitvoering van de taken opgenomen in artikel 23.1.5, punten b) en c). De functie van deskundige erkend in de fysische controle, zijnde een personeelslid van de exploitant, wordt permanent ingevuld binnen de dienst voor fysische controle.
  § 3 De exploitant die verantwoordelijk is voor meerdere inrichtingen van klasse I richt een afdeling van de dienst voor fysische controle op, in elke technische bedrijfseenheid in de zin van de wet van 4 augustus 1996 op het welzijn op het werk, die een inrichting van klasse I bevat. Deze afdeling staat onder leiding van een deskundige erkend in de fysische controle van klasse I, adjunct van het hoofd van de dienst voor fysische controle. Hij is eveneens de preventieadviseur belast met de leiding van de afdeling van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk van de betrokken technische eenheid.
  § 4 De exploitant duidt, in elk van zijn inrichtingen, onder zijn personeelsleden agenten voor de stralingsbescherming aan die de taken van fysische controle opgenomen in artikel 23.1.5 a) uitvoeren. Ze zijn functioneel afhankelijk van de dienst voor fysische controle voor wat betreft hun taken van fysische controle. De exploitant heeft evenwel de mogelijkheid een deel van deze taken, onder zijn verantwoordelijkheid en onder toezicht van zijn dienst voor fysische controle, aan agenten voor de stralingsbescherming van onderaannemers toe te vertrouwen in het kader van de uitvoering van specifieke prestaties die niet tot de gebruikelijke activiteiten van de exploitant behoren.
  § 5 De exploitant documenteert in het veiligheidsverslag van zijn inrichtingen de organisatie van de fysische controle met betrekking tot de opdrachten vermeld in artikel 23.1.5. Hier wordt in het bijzonder een beschrijving gegeven van:
  a) de aanduiding van de agenten voor de stralingsbescherming belast met de taken vermeld in artikel 23.1.5 a), alsook de vereiste basis- en voortgezette opleiding voor deze agenten;
  b) de opgestelde processen voor de verwezenlijking van de taken vermeld in artikel 23.1.5, punten b) en c);
  c) de aanduiding en de verantwoordelijkheden van de deskundigen erkend in de fysische controle.
  23.1.2.2. Toezicht op de fysische controle
  In de inrichtingen van klasse I en de voertuigen met kernaandrijving is het Agentschap belast met :
  1° de controle op de goede uitvoering van de dienst voor fysische controle zijn opdracht. Voor de voertuigen met kernaandrijving heeft de controle slechts plaats wanneer ze zich op Belgische grondgebied of in de territoriale wateren of binnenwateren bevinden;
  2° wat het vervoer betreft, de controle van:
  i. de verpakking, het laden en lossen van radioactieve stoffen en gevaarlijke goederen van klasse 7 in de inrichting;
  ii. het vervoer van radioactieve stoffen in de inrichting.
  3° het controleren en goedkeuren van de gunstige beslissingen van de dienst voor fysische controle betreffende:
  a) de punten 3° en 4° van artikel 23.1.5 b) wanneer er voor deze ontwerpen geen nieuwe vergunning nodig is volgens hoofdstuk II;
  b) punt 5° van artikel 23.1.5 b), uitsluitend voor wat betreft de experimenten, proeven, behandelingen en manipulaties in de kernreactoren of met behulp van splijtstoffen. Deze experimenten, proeven, behandelingen en manipulaties mogen niet plaatsvinden zonder deze goedkeuring.
  23.1.3. Fysische controle van de inrichtingen van klasse II en III
  23.1.3.1. Organisatie van de fysische controle
  § 1 Indien de exploitant een erkend deskundige in de fysische controle van klasse I of II onder zijn personeelsleden heeft, vertrouwt hij hem de leiding van zijn dienst voor fysische controle toe. Indien de exploitant geen dergelijke deskundige onder zijn personeelsleden heeft, vertrouwt hij de leiding van de dienst voor fysische controle toe aan een personeelslid die een vorming zoals bepaald in artikel 30.4 heeft gevolgd die de verschillende stralingsrisico's die de activiteiten waarvoor de exploitant verantwoordelijk is met zich meebrengen behandelt.
  § 2 Het hoofd van de dienst voor fysische controle coördineert en organiseert de goede uitvoering van de taken en opdrachten toegewezen aan zijn dienst. Het hoofd van de dienst voor fysische controle heeft rechtstreeks toegang tot het/de hoofd(en) van de inrichting en tot de exploitant.
  § 3 Een deskundige erkend in de fysische controle van klasse I of II voert de taken vermeld in artikel 23.1.5 b) uit. Indien de exploitant geen dergelijke deskundige onder zijn personeelsleden heeft, moet hij, onder zijn verantwoordelijkheid en op kosten van de onderneming, de in artikel 23.1.5 b) vermelde fysische controletaken toevertrouwen aan een instelling voor fysische controle, hiertoe erkend overeenkomstig de bepalingen van artikel 74. Een contract tussen de exploitant en de erkende instelling voor fysische controle wordt afgesloten voor dit doel.
  § 4 De exploitant duidt, in elk van zijn inrichtingen, onder zijn personeelsleden agenten voor de stralingsbescherming aan die de taken van fysische controle opgenomen in artikel 23.1.5 a) uitvoeren. Ze zijn functioneel afhankelijk van de dienst voor fysische controle voor wat betreft hun taken van fysische controle. Deze agenten hebben een opleiding genoten zoals bepaald in artikel 30.4.
  De exploitant heeft evenwel de mogelijkheid om een deel van deze taken, onder zijn verantwoordelijkheid en onder toezicht van zijn dienst voor fysische controle, aan agenten voor de stralingsbescherming van onderaannemers toe te vertrouwen in het kader van de uitvoering van specifieke prestaties die niet tot de gebruikelijke activiteiten van de exploitant behoren.
  § 5 De exploitant moet de nodige regelingen voorzien teneinde een ondersteuning te kunnen verzekeren door een erkende deskundige ingeval zich in zijn inrichting een incident, een ongeval of elke andere gebeurtenis met een stralingsrisico zou voordoen. Indien nodig, doet hij hiervoor een beroep op de wachtdienst van een erkende instelling voor fysische controle als er geen interne erkende deskundige beschikbaar is.
  23.1.3.2. Bezoeken van de deskundige erkend in de fysische controle
  Overeenkomstig de bepalingen van artikel 23.1.5 b), punt 12, voert een deskundige erkend in de fysische controle een evaluatiebezoek uit om de staat van de stralingsbescherming en, in voorkomend geval, de nucleaire veiligheid van de installaties te beoordelen, en dit minstens:
  a) jaarlijks, met een interval begrepen tussen 10 en 14 maanden tussen de bezoeken, in de inrichtingen van klasse III, met uitzondering van de installaties voor interventionele radiologie en de toestellen die röntgenstralen voortbrengen met een piekspanning van meer dan 100 kV en minder dan 200 kV en die gebruikt worden voor industriële radiografie, welke halfjaarlijks met een interval begrepen tussen 4 en 8 maanden tussen de bezoeken moeten worden bezocht;
  b) trimestrieel, met een interval begrepen tussen 2 en 4 maanden tussen de bezoeken, in de installaties van de inrichtingen van klasse II, met uitzondering van:
  i. de installaties in de inrichtingen van klasse IIA, welke maandelijks moeten worden bezocht;
  ii. de volledig afgeschermde toestellen die röntgenstralen met een piekspanning van meer dan 200 kV voortbrengen, de versnellers die worden gebruikt voor ionenimplantatie, de volledig afgeschermde bestralingsapparaten met een vaste bron en de radioactieve meettoestellen die geen hoogactieve ingekapselde bronnen bevatten, welke halfjaarlijks met een interval begrepen tussen 4 en 8 maanden tussen de bezoeken moeten worden bezocht.
  Een verslag vermeldt duidelijk de vaststellingen en conclusies van het bezoek, alsook de eventuele tekortkomingen die de exploitant in orde moet brengen en de termijn waarover hij beschikt om dit te doen. Het Agentschap kan de minimale inhoud van het verslag bepalen. Dit verslag wordt overgemaakt aan de exploitant, of bij ontstentenis het ondernemingshoofd en aan het hoofd van de dienst voor fysische controle. Dit verslag wordt geregistreerd in het documentatiesysteem voorzien in artikel 23.1.6.
  23.1.3.3. Toezicht op de fysische controle
  § 1 In de inrichtingen van klasse II en III is het Agentschap belast met het toezicht op de goede uitvoering van de dienst voor fysische controle zijn opdracht.
  § 2 In de inrichtingen van klasse IIA is het Agentschap belast met :
  a) de controle en goedkeuring van de gunstige beslissingen van de dienst voor fysische controle betreffende de punten 3° en 4° van artikel 23.1.5 b) wanneer er voor deze ontwerpen geen nieuwe vergunning nodig is volgens hoofdstuk II;
  b) voor wat het vervoer betreft, de controle van:
  i. de verpakking, het laden en lossen van radioactieve stoffen en gevaarlijke goederen van klasse 7 binnen de inrichting;
  ii. het vervoer van radioactieve stoffen in de inrichting.
  23.1.4. Overige inrichtingen en ondernemingen
  De bepalingen van de artikelen 23.1.1 tot 23.1.5 zijn ook van toepassing op de ondernemingen waarvan sprake in artikel 5.7, maar niet op de inrichtingen van klasse IV.
  23.1. 5 Taken met betrekking tot de fysische controle
  In de mate waarin deze relevant zijn voor de betrokken handeling omvat de fysische controle onder meer:
  a) De volgende frequente en systematische taken betreffende stralingsbescherming in de installaties:
  1. controleren of de maatregelen, regels en werkprocedures inzake stralingsbescherming nageleefd worden;
  2. zich ervan vergewissen dat de identificatie en het beheer van de radioactieve besmettingen, de aanduiding van de aard van de radioactieve stoffen die aan de basis liggen van de besmetting, hun activiteit, hun massa-, en/of volumetrische en/of oppervlakteconcentratie en hun fysicochemische toestand overeenkomstig de geldende procedures gebeuren;
  3. bepalen van de intensiteit van de straling en aanduiden van de aard van de straling in de gecontroleerde en bewaakte zones;
  4. controleren of de beschermingsmiddelen en -voorzieningen, de meetinstrumenten en de dosimeters beschikbaar zijn, in goede staat van werking verkeren en correct worden gebruikt;
  5. uitvoeren van periodieke evaluaties van de staat van de relevante veiligheids- en alarmsystemen;
  6. passende informatie verschaffen aan personen die een gecontroleerde zone betreden over de specifieke risico's van de gecontroleerde zone evenals de te volgen richtlijnen in geval van een incident of ongeval;
  7. nemen van de dringende maatregelen in geval van een incident of ongeval, inzonderheid in geval van een onverwachte verspreiding van radioactieve stoffen, en de informatie onmiddellijk overmaken aan het hoofd van de dienst voor fysische controle en de deskundige erkend in de fysische controle;
  8. toezicht uitoefenen op het verpakken, laden en lossen van radioactieve stoffen en gevaarlijke goederen van klasse 7 binnen de inrichting;
  9. regelmatig en ten minste eenmaal per jaar - controleren van de hoogactieve ingekapselde bronnen op hun integriteit en, in voorkomend geval, controleren van de uitrustingen die de bronnen bevatten teneinde na te gaan of deze nog aanwezig zijn op de plaats waar ze gebruikt worden of opgeslagen zijn en kennelijk nog in goede staat zijn;
  10. op de hoogte brengen van het hoofd van de dienst voor fysische controle en de deskundige erkend in de fysische controle van elke abnormale situatie.
  Deze taken worden uitgevoerd op basis van de door een deskundige erkend in de fysische controle goedgekeurde instructies en procedures.
  b) De volgende specifieke taken:
  1. het onderzoek en de goedkeuring van de risicoanalyse gericht op stralingsbescherming en, in voorkomend geval, nucleaire veiligheid die de exploitant of het ondernemingshoofd moet uitvoeren krachtens boek I, titel 2 van de Codex over het welzijn op het werk, die de preventiemaatregelen en de passende beschermingsmiddelen bepaalt voor de bevolking, het milieu en de organisatie in haar geheel, op het niveau van elke groep werkposten en op individueel niveau;
  2. wat de stralingsbescherming en, in voorkomend geval, de nucleaire veiligheid betreft:
  a. het onderzoek en de goedkeuring van de afbakening en de signalisatie van de gecontroleerde zones;
  b. het onderzoek en de goedkeuring van de individuele monitoringsprogramma's en monitoringsprogramma van de werkplaats, alsook de bijhorende persoonlijke dosimetrie;
  c. het onderzoek en de oplevering van de beschermingsmiddelen en -voorzieningen evenals van de meetinstrumenten, en het onderzoek en de goedkeuring van de procedures voor het correcte gebruik ervan;
  d. het onderzoek en de goedkeuring van de procedures voor de periodieke verificatie van de staat van de relevante veiligheids- en alarmsystemen, van de doeltreffendheid van de hulpmiddelen en beschermingstechnieken, en van de ijking van de meetapparatuur;
  e. het voorstellen van aanvullende beschermingsmiddelen en gepaste procedures, rekening houdend met het optimaliseringsprincipe bedoeld in artikel 20.1.1.1 en van de reglementaire, normatieve en technische ontwikkelingen, evenals de herzieningen van de risicoanalyse;
  f. het onderzoek en de goedkeuring van de werkprocedures voor wat de veiligheid en de stralingsbescherming betreft, en van de procedures die de in geval van een incident of ongeval te nemen maatregelen beschrijven;
  g. het onderzoek en de goedkeuring van de basisopleiding en de permanente vorming van de werknemers die kunnen worden blootgesteld aan ioniserende stralingen en van de agenten voor de stralingsbescherming;
  3. het onderzoek en de goedkeuring, in het kader van een vergunningsaanvraag inbegrepen, van de nieuwe installaties en handelingen of van eraan aangebrachte wijzigingen, en meer bepaald:
  a. de ontwerpen voor installaties die een blootstellings- of criticaliteitsgevaar inhouden en de inplanting ervan in de inrichting;
  b. de voorstellen tot vrijgave, met inbegrip van de meetprocedures en -technieken om de overeenstemming met de vrijgaveniveaus te na te gaan, voor zover die niet vroeger werden goedgekeurd voor dezelfde materialen en dezelfde procedures;
  c. de plannen voor het stopzetten of langdurig onderbreken van een of meer activiteiten en voor het ontmantelen van de installaties, en voor het hervatten van de activiteit(en) na een langdurige onderbreking;
  d. de plannen voor het vervoer van radioactieve stoffen in de inrichting, voor zover die niet vroeger in een zelfde vorm werden goedgekeurd;
  4. de oplevering van de nieuwe installaties en handelingen of van wijzigingen hieraan;
  5. het onderzoek en de voorafgaande goedkeuring van de experimenten, proeven, behandelingen en manipulaties die wegens hun aard of de omstandigheden gevaar zouden kunnen opleveren, voor zover die niet vroeger in een zelfde vorm werden goedgekeurd;
  6. het bepalen, in overleg met de erkende arbeidsgeneesheer, externe werkers en hulpverleners in radiologische noodsituaties inbegrepen:
  a. van de individuele doses, met inbegrip van de doses voortvloeiend uit inwendige blootstelling en deze te wijten aan blootstellingen bij ongeval, bewust aanvaarde uitzonderlijke blootstellingen en blootstellingen in een noodsituatie;
  b. van de radioactieve besmettingen van personen die ontsmettingsmaatregelen met medische tussenkomst met zich mee hebben gebracht;
  7. het voorbereiden op noodsituaties en noodinterventies;
  8. de bepaling, in voorkomend geval, in overleg met de erkende deskundige in de medische stralingsfysica, van de omstandigheden waarin de blootstellingen ten gevolge van een ongeval of incident zich hebben voorgedaan en het voorstellen van maatregelen en middelen om herhaling ervan te voorkomen, en, in voorkomend geval, ervoor te zorgen dat deze worden opgenomen in het risicobeheersingssysteem;
  9. wat de hoogactieve ingekapselde bronnen betreft, het onderzoek en de goedkeuring van een testprogramma, zoals dichtheidstesten die voldoen aan de internationale normen, en/of voor controles om de integriteit van elke bron en de uitrustingen die deze bevatten, vast te stellen en te bewaren;
  10. het toezicht op de uitvoering van het programma voor gezondheidstoezicht, voor wat betreft de maatregelen inzake stralingsbescherming;
  11. Het verifiëren van de geschiktheid van de werkpost voor zwangere vrouwen of vrouwen die borstvoeding geven, in overleg met de erkende arbeidsgeneesheer;
  12. het periodieke bezoek ter evaluatie van de staat van de stralingsbescherming en, in voorkomend geval, van de nucleaire veiligheid, in de installaties;
  13. het onderzoek en de voorafgaande goedkeuring van de documenten met betrekking tot de veiligheid van het beheer van het radioactief afval rekening gehouden met de eisen van de beheerder van het radioactief afval, voor het verder beheer ervan in de inrichtingen voor de verwerking, conditionering of berging.
  Deze taken worden uitgevoerd volgens processen die zijn beschreven in gecontroleerde documenten die deel uitmaken van een geïntegreerd managementsysteem dat de vereiste prioriteit toekent aan nucleaire veiligheid en stralingsbescherming.
  c) Voor de inrichtingen bedoeld in artikel 3.1 a):
  Het onderzoek en de goedkeuring van:
  1. het door de exploitant volgens de bepalingen van artikel 3 van het besluit van 30 november 2011 houdende veiligheidsvoorschriften voor de kerninstallaties ingevoerde veiligheidsbeleid;
  2. de veiligheidsevaluaties, zoals voorzien in artikel 4.2 van hetzelfde besluit;
  3. de door de exploitant ingevoerde organisatiestructuur en de bijbehorende kwalificaties en opleidingen, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 4.3 van hetzelfde besluit;
  4. het opleidingsplan dat werd opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.1 van hetzelfde besluit;
  5. de lijst met vooronderstelde initiatorgebeurtenissen van de ontwerpbasis, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 7.4 van hetzelfde besluit;
  6. de wijzigingen aan, of afwijkingen van een van de uitbatingslimieten en -voorwaarden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 9.2 van hetzelfde besluit;
  7. het programma voor het beheer van de ervaringsfeedback, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 11.1 van hetzelfde besluit;
  8. programma's voor het onderhoud, het testen, het controleren en het inspecteren van de structuren, systemen en componenten die belangrijk zijn voor de nucleaire veiligheid, alsook hun impact op de nucleaire veiligheid, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 12.1 van hetzelfde besluit;
  9. de bijwerkingen van het veiligheidsrapport, overeenkomstig de bepalingen van artikel 13.3 van hetzelfde besluit;
  10. de syntheserapporten van de periodieke veiligheidsherzieningen, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 14.2, 2e lid, van hetzelfde besluit;
  11. de wijzigingen met een impact op de nucleaire veiligheid en de bijbehorende analyses, overeenkomstig de bepalingen van de artikels 15.1 en 15.3 van hetzelfde besluit;
  12. het intern noodplan, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 16 van hetzelfde besluit;
  13. de kwalificatie van de ontsmettings- of ontmantelingstechnieken, overeenkomstig de bepalingen van artikel 17/4 van hetzelfde besluit;
  14. het veiligheidsrapport van de ontmanteling, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 17/10 van hetzelfde besluit;
  15. de methodologie voor de karakterisering van de eindtoestand, overeenkomstig de bepalingen van artikel 17/12 van hetzelfde besluit;
  16. het finaal ontmantelingsrapport, opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 17/12 van hetzelfde besluit;
  17. de lijst met de ontwerpbasisvoorvallen van interne oorsprong, zoals voorzien in artikel 20.3, 1e lid van het zelfde besluit;
  18. de lijst met buitenontwerpongevallen, zoals voorzien in artikel 21.2, 1e lid, van hetzelfde besluit;
  19. de probabilistische veiligheidsstudies, zoals voorzien in artikel 29 van hetzelfde besluit.
  23.1.6. De resultaten van de proeven en alle vaststellingen, bepalingen en goedkeuringen van de dienst voor fysische controle worden gedocumenteerd in een duurzaam systeem dat het mogelijk maakt om elke invoering, validatie, wijziging en verwijdering van gegevens te traceren en om de fysieke persoon die de gegevens heeft ingevoerd, gevalideerd, gewijzigd of verwijderd te identificeren. De gegevens vermeld in punten 6° en 11° van artikel 23.1.5 b) dienen evenwel rechtstreeks te worden gemeld aan erkend arbeidsgeneesheer of aan het departement of de afdeling belast met het gezondheidstoezicht van de interne of externe dienst voor preventie en bescherming op het werk. Deze melding vindt onmiddellijk plaats in noodsituaties.
  Dit systeem omvat de inventaris vermeld in artikel 27bis en een inventaris van alle toestellen die ioniserende straling kunnen uitzenden en van andere apparatuur voor radiotherapie en nucleaire geneeskunde die aanwezig is in de inrichting en van de vloeibare en gasvormige radioactieve lozingen, alsook van de radioactieve afvalstoffen die zijn afgevoerd met inbegrip van de afvalstoffen die kunnen worden verwijderd, gerecycleerd of hergebruikt met toepassing van artikel 35.2. Deze inventarissen worden door de exploitant aan het Agentschap, op haar verzoek of volgens de door haar vastgestelde modaliteiten overgemaakt.
  De documentatie wordt gedurende dertig jaar bewaard op de zetel van de onderneming. Bij stopzetting van alle activiteiten maakt de onderneming deze documenten over aan het Agentschap.
  23.2. Fysische controle van de ondernemingen die deelnemen aan het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7
  Het ondernemingshoofd van een vervoerder van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of van een organisatie die betrokken is bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of van een onderbrekingssite heeft de verplichting om een dienst in te richten, die hij belast met de organisatie van en het toezicht op de fysische controle.
  Het aan ioniserende stralingen verbonden risico moet worden beoordeeld :
  - voor wat betreft de ondernemingen of organisaties naar Belgisch recht of gevestigd in België, in het kader van het dynamisch risicobeheersingssysteem dat het ondernemingshoofd moet instellen krachtens boek I, titel 2 van de Codex over het welzijn op het werk;
  - voor de overige bedrijven of ondernemingen, in het beheersysteem dat door het ondernemingshoofd werd opgezet volgens de bepalingen van de van kracht zijnde internationale overeenkomsten en reglementen voor het vervoer van gevaarlijke goederen.
  De opdrachten van de dienst voor fysische controle moeten, in voorkomend geval, worden uitgevoerd in overleg met de preventieadviseur(s), de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer en de veiligheidsadviseur(s) klasse 7.
  23.2.1. Gemeenschappelijke diensten voor fysische controle
  Meerdere vervoerders van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of onderbrekingssites kunnen een gemeenschappelijke dienst voor fysische controle inrichten, mits de goedkeuring van het Agentschap. Deze goedkeuring kan pas worden afgeleverd indien er is voldaan aan de volgende minimale voorwaarden:
  a) de gemeenschappelijke dienst voor fysische controle heeft minstens een of meer deskundigen erkend in de fysische controle in dienst die deel uitmaken van het personeel van minstens één van de betrokken ondernemingen of organisaties;
  b) de ondernemingen of organisaties die een gemeenschappelijke dienst voor fysische controle oprichten dienen de toegang tot hun installaties te verlenen aan de deskundigen erkend in de fysische controle verbonden aan deze gemeenschappelijke dienst, zelfs indien deze laatste geen deel uitmaken van hun personeel;
  c) er bestaat een juridische, economische of technische link tussen de betrokken ondernemingen of organisaties;
  d) de ondernemingen of organisaties bevinden zich op dezelfde locatie of in een beperkte geografische zone, zodat de dienst voor fysische controle voldoende aanwezig kan zijn in de verschillende ondernemingen of organisaties;
  e) een schriftelijk akkoord tussen de betrokken ondernemingen of organisaties legt de verdeling van de taken, van de verantwoordelijkheden evenals de tijdsverdeling van de erkende deskundige(n) formeel vast;
  f) de gemeenschappelijke dienst voor fysische controle beschikt over de nodige expertise inzake de stralingsrisico's die de activiteiten in de ondernemingen of organisaties met zich meebrengen;
  g) de gemeenschappelijke dienst voor fysische controle biedt één of meerdere voordelen ten opzichte van individuele diensten voor fysische controle bij de betrokken ondernemingen of organisaties.
  Indien niet aan de voorwaarde vermeld in punt a) van het eerste lid voedoen kan worden, kan de goedkeuring toch door Agentschap worden afgeleverd, indien:
  - de betrokken ondernemingen of organisaties een interne gemeenschappelijke dienst hebben opgericht krachtens boek II, titel 2 van de Codex over het welzijn op het werk en
  - het hoofd van de dienst voor fysische controle, heeft in elk geval een opleiding in stralingsbescherming gevolgd overeenkomstig artikel 30.4 die de verschillende radiologische risico's dekt die verbonden zijn aan de vervoersactiviteiten en
  - de taken van fysische controle vermeld in artikel 23.2.6, b) worden toevertrouwd aan een erkende instelling voor fysische controle overeenkomstig artikel 74.
  De goedkeuring kan in de tijd beperkt worden.
  Wanneer het Agentschap van oordeel is dat het de gevraagde goedkeuring niet kan verlenen, dan deelt het dit mee aan de aanvrager, met daarbij de vermelding dat deze het recht heeft om binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving te worden gehoord.
  Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
  23.2.2. Organisatie van de fysische controle van de vervoersactiviteiten met gevaarlijke goederen van klasse 7
  § 1 In de ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen en/of een bijkomend corrosiviteitsrisico vertonen volgens de internationale regelgeving inzake het vervoer van gevaarlijke goederen, is het hoofd van de dienst voor fysische controle een deskundige erkend in de fysische controle van klasse T1, overeenkomstig de bepalingen van artikel 73.
  In de ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke niet zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen noch een bijkomend corrosiviteitsrisico vertonen, in de organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 7 en in de ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor een onderbrekingssite, is het hoofd van de dienst voor fysische controle een deskundige erkend in de fysische controle van klasse T1 of T2, overeenkomstig de bepalingen van artikel 73.
  Indien de onderneming of de organisatie geen dergelijke deskundige onder zijn personeelsleden heeft, vertrouwt het ondernemingshoofd de leiding van de dienst voor fysische controle toe aan:
  - voor wat betreft de ondernemingen of organisaties naar Belgisch recht of gevestigd in België, een persoon die een opleiding in stralingsbescherming heeft gevolgd overeenkomstig artikel 30.4 die de verschillende radiologische risico's dekt die verbonden zijn aan de vervoersactiviteiten. Het hoofd van de dienst voor fysische controle heeft rechtstreeks toegang tot het ondernemingshoofd;
  - voor wat betreft de overige ondernemingen of organisaties, het diensthoofd verantwoordelijk voor het vervoer van goederen van de klasse 7 die de opleidingen dient gevolgd te hebben die voorzien zijn in de bepalingen van de van kracht zijnde internationale overeenkomsten en reglementen voor het vervoer van gevaarlijke goederen.
  § 2 In de ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen en/of een bijkomend corrosiviteitsrisico vertonen, worden de in artikel 23.2.6 b) vermelde taken uitgevoerd door een deskundige erkend in de fysische controle van klasse T1.
  In de ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke niet zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen noch een bijkomend corrosiviteitsrisico vertonen, in de organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 en in de ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor een onderbrekingssite worden de in artikel 23.2.6 b) vermelde taken uitgevoerd door een deskundige erkend in de fysische controle van klasse T1 of T2.
  Indien de onderneming of de organisatie geen dergelijke deskundige onder zijn personeelsleden heeft, moet het ondernemingshoofd, onder zijn verantwoordelijkheid en op kosten van de onderneming of de organisatie, de in artikel 23.2.6 b) vermelde fysische controle taken toevertrouwen aan een instelling voor fysische controle, hiertoe erkend overeenkomstig de bepalingen van artikel 74.
  § 3 Het ondernemings- of organisatiehoofd duidt onder zijn personeelsleden agenten voor de stralingsbescherming aan die zich toeleggen op de fysische controle van de vervoersactiviteiten overeenkomstig de bepalingen van artikel 23.2.6 a). Ze zijn verbonden aan de dienst voor fysische controle voor wat betreft hun taken van fysische controle. Deze agenten hebben een opleiding gekregen zoals bepaald in artikel 30.4.
  § 4 Het ondernemings- of organisatiehoofd moet de nodige regelingen voorzien teneinde een ondersteuning te kunnen verzekeren door een erkende deskundige ingeval zich een incident, een ongeval of elke andere gebeurtenis met een stralingsrisico zou voordoen gedurende de vervoersactiviteiten met gevaarlijke goederen van de klasse 7. Indien nodig, doet hij hiervoor een beroep op de wachtdienst van een erkende instelling voor fysische controle als er geen interne erkende deskundige beschikbaar is.
  23.2.3. Organisatie van de fysische controle voor het eenmalige vervoer en de sporadische behandelingen van gevaarlijke goederen van de klasse 7
  In het geval van een eenmalig vervoer of van sporadische behandelingen van gevaarlijke goederen van de klasse 7 zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 22 oktober 2017 betreffende het transport van gevaarlijke goederen van de klasse 7, afwijkend van de bepalingen van artikel 23.2.2, dienen het hoofd van de fysische controle en de agenten voor de stralingsbescherming geen vorming in stralingsbescherming te volgen overeenkomstig de bepaling van artikel 30.4. Echter, de erkende deskundige in de fysische controle van de klasse T1 of T2 bepaalt, verifieert, en, in voorkomend geval, verzorgt de minimale benodigde vorming aan de agenten voor de stralingsbescherming zodat zij de fysische controle van de vervoersactiviteiten kunnen verzekeren volgens de bepalingen van artikel 23.2.6, a).
  23.2.4. Bezoeken van de deskundige erkend in de fysische controle
  Overeenkomstig de bepalingen van artikel 23.2.6, b), punt 9, voert een deskundige erkend in de fysische controle een evaluatiebezoek uit om de staat van de stralingsbescherming en, in voorkomend geval, de veiligheid, van de vervoersactiviteiten die worden verricht door de vervoerder, door de organisatie die betrokken is bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of in een onderbrekingssite te beoordelen:
  a) jaarlijks, met een interval begrepen tussen 10 en 14 maanden tussen de bezoeken, in de ondernemingen die uitsluitend zijn erkend voor het vervoer van vrijgestelde colli;
  b) halfjaarlijks, met een interval begrepen tussen 4 en 8 maanden tussen de bezoeken, in de ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke niet zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen noch een corrosiviteitsrisico vertonen;
  c) driemaandelijks, met een interval begrepen tussen 2 en 4 maanden tussen de bezoeken, in de ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen en/of een corrosiviteitsrisico vertonen;
  d) halfjaarlijks met een interval begrepen tussen 4 en 8 maanden tussen de bezoeken in de organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7;
  e) halfjaarlijks met een interval begrepen tussen 4 en 8 maanden tussen de bezoeken, in de onderbrekingssites.
  Een verslag moet duidelijk de vaststellingen, en de conclusies van het bezoek vermelden, alsook de eventuele tekortkomingen die het ondernemingshoofd in orde moet brengen en de termijnen waarover hij beschikt om dit te doen. Het Agentschap kan de minimale inhoud van het verslag vastleggen. Dit verslag wordt overgemaakt aan het ondernemingshoofd en aan het hoofd van de dienst voor fysische controle, en wordt geregistreerd in het documentatiesysteem bepaald in artikel 23.2.7.
  23.2.5. Toezicht op de fysische controle
  In de ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7, in de organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 en in de ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor een onderbrekingssite is het Agentschap belast met het toezicht op de goede uitvoering van de door de dienst voor fysische controle van zijn opdracht.
  23.2.6. Taken met betrekking tot de fysische controle
  In de mate waarin deze relevant zijn voor de betrokken handeling omvat de fysische controle onder meer:
  a) De volgende frequente en systematische taken betreffende de stralingsbescherming in de ondernemingen of organisaties :
  1. controleren of de maatregelen, regels en werkprocedures inzake veiligheid en stralingsbescherming nageleefd worden;
  2. zich ervan vergewissen dat de identificatie en het beheer van de radioactieve besmettingen, de aanduiding van de aard van de radioactieve stoffen die aan de basis liggen van de besmetting, hun activiteit, hun massa-, en/of volumetrische en/of oppervlakte concentratie, en hun fysisch-chemische toestand overeenkomstig de geldende procedures gebeuren;
  3. controleren of de beschermingsinrichtingen en -middelen, de meetinstrumenten en de dosimeters beschikbaar zijn, in goede staat van werking verkeren en correct worden gebruikt;
  4. uitvoeren van periodieke evaluaties van de staat van de relevante veiligheids- en alarmsystemen;
  5. passende informatie verschaffen aan blootgestelde werknemers over de risico's en over de richtlijnen die ze moeten volgen in geval van een incident of ongeval;
  6. nemen van de dringende maatregelen in geval van een incident of ongeval, en inzonderheid in geval van een onverwachte verspreiding van radioactieve stoffen, en de informatie onmiddellijk overmaken aan het hoofd van de dienst voor fysische controle en de deskundige erkend in de fysische controle;
  7. toezicht uitoefenen op de vervoersactiviteiten die worden verricht door de vervoerder, door de organisatie die betrokken is bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 7 of in een onderbrekingssite;
  8. op de hoogte brengen van het hoofd van de dienst voor fysische controle en de deskundige erkend in de fysische controle van elke abnormale situatie.
  Deze taken worden uitgevoerd op basis van de door een deskundige erkend in de fysische controle goedgekeurde instructies en procedures.
  b) De volgende specifieke taken:
  1. het onderzoek en de goedkeuring van de risicoanalyse gericht op stralingsbescherming en, in voorkomend geval, nucleaire veiligheid die het ondernemingshoofd moet uitvoeren krachtens boek I, titel 2 van de Codex over het welzijn op het werk en die de preventiemaatregelen en de passende beschermingsmiddelen bepaalt voor de bevolking, het milieu en de organisatie in haar geheel, op het niveau van de vervoersactiviteiten die worden verricht door de vervoerder, door de organisatie die betrokken is bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of in een onderbrekingssite;
  2. wat de stralingsbescherming en, in voorkomend geval, de nucleaire veiligheid betreft :
  a. het onderzoek en de goedkeuring van het door de onderneming opgestelde stralingsbeschermingsprogramma en het toezicht op de goede uitvoering ervan, en de werkplekgerelateerde monitoringsprogramma's, alsook de bijhorende persoonlijke dosimetrie;
  b. het onderzoek en de oplevering van de hulpmiddelen en beschermingsmiddelen, evenals van de meetinstrumenten, en het onderzoek en de goedkeuring van de procedures voor het correcte gebruik ervan;
  c. het onderzoek en de goedkeuring van de procedures voor de periodieke verificatie van de staat van de relevante veiligheids- en alarmsystemen, van de doeltreffendheid van de hulpmiddelen en beschermingstechnieken, en van de ijking van de meetapparatuur;
  d. het voorstellen van aanvullende beschermingsmiddelen en gepaste procedures, rekening houdend met de reglementaire, normatieve en technische ontwikkelingen, evenals de herzieningen van de risicoanalyse;
  e. het onderzoek en de goedkeuring van de werkprocedures voor wat de veiligheid en de stralingsbescherming betreft, en van de procedures die de in geval van een incident of ongeval te nemen maatregelen beschrijven;
  f. het onderzoek en de goedkeuring van de basisopleiding en de permanente vorming van de werknemers die kunnen worden blootgesteld aan ioniserende stralingen en van de agenten voor de stralingsbescherming;
  3. het onderzoek en de goedkeuring, in het kader van een erkennings- of vergunningsaanvraag inbegrepen, van de nieuwe handelingen of van wijzigingen eraan, en meer bepaald:
  a. de ontwerpen voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7;
  b. de ontwerpen voor de oprichting van een organisatie die betrokken is bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7;
  c. de ontwerpen voor de inrichting van een onderbrekingssite of van elke onderbreking van transport voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7;
  d. de plannen voor het stopzetten of langdurig onderbreken van een of meer activiteiten of voor het ontmantelen of buiten gebruik stellen van de uitrustingen, voertuigen en/of installaties, en voor het hervatten van de activiteit(en) na een langdurige onderbreking;
  4. het bepalen, in overleg met de erkende arbeidsgeneesheer, externe werkers en hulpverleners in radiologische noodsituaties inbegrepen:
  a. van de individuele doses, met inbegrip van de doses voortvloeiend uit inwendige blootstelling en deze te wijten aan blootstellingen bij ongeval, bewust aanvaarde uitzonderlijke blootstellingen en blootstellingen in een noodsituatie;
  b. van de radioactieve besmettingen van personen die ontsmettingsmaatregelen met medische tussenkomst met zich mee hebben gebracht;
  5. het voorbereiden op blootstellingen en interventies in noodsituaties;
  6. het bepalen van de omstandigheden waarin de blootstellingen ten gevolge van een ongeval of incident zich hebben voorgedaan en het voorstellen van maatregelen en middelen om herhaling ervan te voorkomen en, in voorkomend geval, ervoor te zorgen dat deze worden opgenomen in het risicobeheersingssysteem;
  7. het toezien op de uitvoering van het programma voor gezondheidstoezicht voor wat betreft de maatregelen inzake stralingsbescherming;
  8. het verifiëren van de geschiktheid van de werkpost voor zwangere of vrouwen die borstvoeding geven, in overleg met de erkend geneesheer;
  9. het uitvoeren van periodieke bezoeken ter evaluatie van de staat van de stralingsbescherming, en in voorkomend geval van de nucleaire veiligheid van de vervoersactiviteiten die worden verricht door de vervoerder, door de organisatie die betrokken is bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of in een onderbrekingssite.
  Deze taken worden uitgevoerd volgens processen die zijn beschreven in gecontroleerde documenten die deel uitmaken van een geïntegreerd managementsysteem dat de vereiste prioriteit toekent aan nucleaire veiligheid en stralingsbescherming.
  23.2.7. De resultaten van de proeven en alle vaststellingen, bepalingen en goedkeuringen van de dienst voor fysische controle worden gedocumenteerd in een duurzaam systeem dat het mogelijk maakt om elke invoering, validatie, wijziging en verwijdering van gegevens te traceren en om de fysieke persoon die gegevens heeft ingevoerd, gevalideerd, gewijzigd of verwijderd te identificeren. De gegevens vermeld in punten 4 en 8 van artikel 23.2.6 b) dienen evenwel rechtstreeks te worden gemeld aan de erkende arbeidsgeneesheer en aan het departement of aan de afdeling belast met de bescherming van de gezondheid van de interne of externe dienst voor preventie en bescherming op het werk. Deze melding vindt onmiddellijk plaats in noodsituaties.
  De documentatie wordt gedurende dertig jaar bewaard op de zetel van de onderneming of van de organisatie. Bij stopzetting van alle activiteiten maakt de onderneming of de organisatie deze documenten over aan het Agentschap.
  23.3. Studenten, leerlingen en stagiairs
  Onverminderd de bepalingen van titel 3 en 4 van boek X, van de Codex over het welzijn op het werk, zorgt het radiologisch controlesysteem voor een bescherming van de leerlingen, stagiairs en studenten die minstens equivalent is met deze van de werknemers.
  23.4. Aan de dienst voor fysische controle toegekende middelen
  De exploitant, of het ondernemingshoofd, moet aan zijn dienst voor fysische controle alle menselijke en materiële middelen evenals de informatie en documenten bezorgen die nodig zijn voor de uitvoering van zijn opdracht.
  Onverminderd artikel 30.1 waarborgt de exploitant, of het ondernemingshoofd, dat de deskundigen erkend in de fysische controle, voor de uitvoering van hun opdrachten, toegang krijgen tot de installaties en/of uitrustingen bedoeld in de reglementering betreffende de ioniserende stralingen.
  23.5. Bescherming van het hoofd van de dienst voor fysische controle
  De exploitant of het ondernemingshoofd kan de overeenkomst met het hoofd van de dienst voor fysische controle enkel beëindigen, of hem verwijderen uit deze functie om redenen die vreemd zijn aan de uitoefening hiervan of om redenen waaruit blijkt dat hij niet bekwaam is om zijn opdrachten te vervullen.
  Het akkoord van het Comité voor preventie en bescherming op het werk is vereist wanneer een dergelijk Comité bestaat. In geval van verdeeldheid in zijn Comité voor preventie en bescherming op het werk, geeft het Agentschap een advies dat wordt gemeld aan de werkgever met een aangetekend schrijven."
Art. 21. L'article 23 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Article 23. - Contrôle physique
  23.1 Contrôle physique des établissements classés
  L'exploitant d'un établissement classé a l'obligation de créer un service qu'il charge de l'organisation et de la surveillance du contrôle physique.
  Le risque lié aux rayonnements ionisants doit être considéré dans le système dynamique de gestion des risques que doit mettre en place l'exploitant ou le chef d'entreprise en vertu du titre 2 du livre Ier du code du bien-être au travail.
  Les missions du service de contrôle physique, doivent, le cas échéant, être réalisées en concertation avec le(s) conseiller(s) en prévention, l'(les) expert(s) agréé(s) en radiophysique médicale, le médecin du travail conseiller en prévention et le conseiller à la sécurité classe 7.
  23.1.1. Services communs de contrôle physique
  Plusieurs exploitants peuvent mettre en place un service commun de contrôle physique, sous réserve de l'approbation de l'Agence. Cette approbation peut seulement être délivrée que s'il est satisfait aux critères minimaux suivants:
  a) le service commun de contrôle physique emploie au minimum deux experts agréés en contrôle physique faisant partie du personnel d'au moins un des exploitants concernés;
  b) les exploitants qui créent un service commun de contrôle physique doivent autoriser l'accès à leurs installations aux experts agréés en contrôle physique attachés à ce service commun même si ces derniers ne font pas partie de leur personnel;
  c) il existe un lien juridique, économique ou technique entre les exploitants concernés;
  d) leurs établissements se trouvent sur un même site ou dans une zone géographique limitée permettant au service de contrôle physique d'assurer une présence suffisante dans les différents établissements;
  e) un accord écrit entre les exploitants concernés formalise la répartition des tâches, des responsabilités ainsi que la répartition du temps de travail des experts agréés ;
  f) le service commun de contrôle physique dispose de l'expertise nécessaire des risques radiologiques liés aux activités pratiquées dans leurs différents établissements;
  g) le service de contrôle physique commun offre, par rapport aux services de contrôle physique individuels des exploitants concernés, un ou plusieurs avantages.
  L'approbation peut être limitée dans le temps.
  Si l'Agence estime ne pouvoir accorder l'approbation sollicitée, elle en informe le demandeur en précisant qu'il a le droit d'être entendu, dans un délai de trente jours calendrier à partir de la notification.
  Dans le cas où le demandeur souhaite exercer son droit à être entendu, il en informe l'Agence par écrit, au plus tard le quinzième jour après la notification.
  23.1.2 Contrôle physique des établissements de classe I
  23.1.2.1 Organisation du contrôle physique
  § 1er Le chef du service de contrôle physique est un expert agréé en contrôle physique de classe I, conformément aux dispositions de l'article 73. Il est également le conseiller en prévention chargé de la direction du service interne pour la prévention et la protection au travail.
  § 2 L'expert agréé en contrôle physique organise la bonne exécution des tâches reprises à l'article 23.1.5, points b) et c). La fonction d'expert agréé en contrôle physique, membre du personnel de l'exploitant, est pourvue en permanence au sein du service de contrôle physique.
  § 3 L'exploitant qui est responsable de plusieurs établissements de classe I crée une section du service de contrôle physique dans chaque unité technique d'exploitation au sens de la loi du 4 aout 1996 sur le bien-être au travail, comprenant un établissement de classe I. Cette section est dirigée par un expert agréé en contrôle physique de classe I, adjoint au chef du service de contrôle physique. Il est également le conseiller en prévention chargé de la direction de la section du service interne pour la prévention et la protection au travail de l'unité technique concernée.
  § 4 Dans chacun de ses établissements, l'exploitant désigne, parmi les membres de son personnel des agents de radioprotection qui effectuent les tâches de contrôle physique reprises à l'article 23.1.5 a). Ils dépendent fonctionnellement du service de contrôle physique pour ce qui concerne leurs tâches de contrôle physique. L'exploitant a toutefois la possibilité de confier en partie, sous sa propre responsabilité et sous la supervision de son service de contrôle physique, ces tâches à des agents de radioprotection de sous-traitants, dans le cadre de l'exécution de prestations spécifiques qui ne relèvent pas d'activités habituelles de l'exploitant.
  § 5 L'exploitant documente dans le rapport de sûreté de ses établissements, l'organisation du contrôle physique en relation avec les missions de l'article 23.1.5. En particulier, sont décrits :
  a) les assignations des agents de radioprotection en charge des tâches reprises à l'article 23.1.5 a), ainsi que la formation initiale et continue requise pour ces agents;
  b) les processus mis en place pour la réalisation des tâches reprises à l'article 23.1.5, points b) et c);
  c) les assignations et les responsabilités des experts agréés en contrôle physique.
  23.1.2.2 Supervision du contrôle physique
  Dans les établissements de classe I et les véhicules à propulsion nucléaire, l'Agence est chargée d'effectuer :
  1° le contrôle de la bonne exécution par le service de contrôle physique de sa mission. Pour les véhicules propulsés par l'énergie nucléaire, le contrôle n'a lieu que lorsqu'ils se trouvent sur le territoire belge ou dans les eaux territoriales ou dans les eaux intérieures;
  2° en ce qui concerne le transport, le contrôle :
  i. de l'emballage, du chargement et du déchargement de substances radioactives et de marchandises dangereuses de la classe 7 à l'intérieur de l'établissement;
  ii. du transport de substances radioactives à l'intérieur de l'établissement.
  3° le contrôle et l'approbation des décisions favorables du service de contrôle physique relatives :
  a) aux points 3° et 4° de l'article 23.1.5 b) lorsque ces projets ne nécessitent pas une nouvelle autorisation conformément au chapitre II;
  b) au point 5° de l'article 23.1.5 b) uniquement en ce qui concerne les expériences, essais, traitements et manipulations dans les réacteurs nucléaires ou à l'aide de substances fissiles. Ces expériences, essais, traitements et manipulations ne peuvent avoir lieu sans cette approbation.
  23.1.3 Contrôle physique des établissements de classe II et III
  23.1.3.1 Organisation du contrôle physique
  § 1 Si l'exploitant a un expert agréé en contrôle physique de classe I ou II parmi les membres de son personnel, il lui confie la direction de son service de contrôle physique. Si l'exploitant n'a pas un tel expert à son service, il confie la direction de son service de contrôle physique à un membre de son personnel qui a suivi une formation couvrant les différents risques radiologiques liés aux pratiques dont l'exploitant est responsable, conformément aux dispositions de l'article 30.4.
  § 2 Le chef du service de contrôle physique coordonne et organise la bonne exécution des tâches et missions attribuées à son service. Le chef du service de contrôle physique a un accès direct à au(x) chef(s) d'établissement et à l'exploitant.
  § 3 Un expert agréé en contrôle physique de classe I ou II effectue les tâches reprises au point 23.1.5 b). Si l'exploitant n'a pas un tel expert parmi les membres de son personnel, il doit confier, sous sa responsabilité et aux frais de l'entreprise, les tâches de contrôle physique reprises à l'article 23.1.5 b) à un organisme de contrôle physique agréé à cet effet suivant les dispositions de l'article 74. Un contrat entre l'exploitant et l'organisme de contrôle physique est conclu à cet effet.
  § 4 Dans chacun de ses établissements, l'exploitant désigne parmi les membres de son personnel des agents de radioprotection qui effectuent les tâches de contrôle physique reprises à l'article 23.1.5 a). Ils dépendent fonctionnellement du service de contrôle physique pour ce qui concerne leurs tâches de contrôle physique. Ces agents ont reçu une formation telle que spécifiée à l'article 30.4.
  L'exploitant a toutefois la possibilité de confier en partie, sous sa propre responsabilité et sous la supervision de son service de contrôle physique, ces tâches à des agents de radioprotection de sous-traitants, dans le cadre de l'exécution de prestations spécifiques qui ne relèvent pas d'activités habituelles de l'exploitant.
  § 5 L'exploitant doit prévoir les arrangements nécessaires pour assurer l'assistance par un expert agréé en cas d'incident, d'accident ou de tout autre événement impliquant un risque radiologique qui se produirait au sein de son établissement, si nécessaire en faisant appel au rôle de garde d'un organisme agréé de contrôle physique quand il n'y a pas d'expert agréé interne disponible.
  23.1.3.2 Visites de l'expert agréé en contrôle physique
  Suivant les dispositions de l'article 23.1.5 b) point 12, un expert agréé en contrôle physique effectue une visite d'évaluation de l'état de la radioprotection des installations et, le cas échéant, de la sûreté nucléaire, au minimum :
  a) annuellement, avec un intervalle entre les visites compris entre 10 et 14 mois, dans les installations des établissements de la classe III, à l'exception des installations de radiologie interventionnelle et des générateurs de rayons X d'une tension de crête de plus de 100 kV et de moins de 200 kV utilisés à des fins de radiographie industrielle, où celles-ci sont semestrielles avec un intervalle entre les visites compris entre 4 et 8 mois;
  b) trimestriellement, avec un intervalle entre les visites compris entre 2 et 4 mois, dans les installations des établissements de la classe II à l'exception :
  i. des installations d'établissements de classe IIA où les visites sont mensuelles;
  ii. des appareils générateurs de rayons X auto blindés avec une tension de crête supérieure à 200 kV, des accélérateurs utilisés pour l'implantation d'ions, des irradiateurs auto blindés contenant une source fixe et des jauges radioactives ne contenant pas de sources scellées de haute activité où les visites sont semestrielles avec un intervalle entre les visites compris entre 4 et 8 mois.
  Un rapport mentionne clairement les constatations et les conclusions de la visite ainsi que les éventuels manquements que l'exploitant doit régulariser et les délais dont il dispose pour le faire. L'Agence peut définir le contenu minimal du rapport. Ce rapport est communiqué à l'exploitant, ou à défaut, au chef d'entreprise et au chef du service de contrôle physique. Ce rapport est enregistré dans le système de documentation prévu à l'article 23.1.6.
  23.1.3.3 Supervision du contrôle physique
  § 1 Dans les établissements de la classe II et III, l'Agence est chargée d'effectuer le contrôle de la bonne exécution par le service de contrôle physique de sa mission.
  § 2 Dans les établissements de classe IIA, l'Agence est chargée d'effectuer:
  a) le contrôle et l'approbation des décisions favorables du service de contrôle physique relatives aux points 3° et 4° de l'article 23.1.5 b) lorsque ces projets ne nécessitent pas une nouvelle autorisation conformément au chapitre II;
  b) en ce qui concerne le transport, le contrôle :
  i. de l'emballage, du chargement et du déchargement de substances radioactives et de marchandises dangereuses de la classe 7 à l'intérieur de l'établissement;
  ii. du transport de substances radioactives à l'intérieur de l'établissement.
  23.1.4 Autres établissements et entreprises
  Les dispositions des articles 23.1.1 à 23.1.5 s'appliquent aussi aux entreprises visées à l'article 5.7 mais pas aux établissements de classe IV.
  23.1.5 Tâches relatives au contrôle physique
  Dans la mesure où elles sont pertinentes pour la pratique considérée, le contrôle physique comprend notamment :
  a) Les tâches fréquentes et systématiques suivantes en lien avec la radioprotection au sein des installations :
  1. contrôler le respect des mesures, règles et procédures de travail liées à la radioprotection;
  2. s'assurer que l'identification et la gestion des contaminations radioactives, l'indication de la nature des substances radioactives à l'origine de la contamination, de leur activité, de leur concentration massique et/ou volumétrique et/ou superficielle et de leur état physico-chimique sont effectuées selon les procédures en vigueur;
  3. effectuer la détermination de l'intensité du rayonnement et indiquer la nature des radiations dans les zones contrôlées et surveillées;
  4. contrôler que les moyens et dispositifs de protection, les instruments de mesure et dosimètres sont disponibles, en bon état de fonctionnement et correctement utilisés;
  5. procéder à des évaluations périodiques de l'état des systèmes de sûreté et d'alerte pertinents;
  6. fournir les informations appropriées aux personnes, qui entrent dans une zone contrôlée sur les risques spécifiques inhérents à la zone contrôlée ainsi que les directives à suivre en cas d'incident ou d'accident;
  7. adopter des mesures urgentes en cas d'incident ou d'accident, et en particulier en cas de dissémination inattendue de substances radioactives, et transmettre l'information immédiatement au chef du service de contrôle physique et à l'expert agréé en contrôle physique;
  8. effectuer la surveillance de l'emballage, du chargement et du déchargement de substances radioactives et de marchandises dangereuses de la classe 7 à l'intérieur de l'établissement;
  9. vérifier régulièrement et au moins annuellement les sources scellées de haute activité afin de contrôler leur intégrité et, le cas échéant, les équipements contenant les sources, en vue de vérifier si ceux-ci sont toujours présents à l'endroit où ils sont utilisés ou stockés et s'ils sont encore manifestement en bon état;
  10. informer le chef du service de contrôle physique et l'expert agréé en contrôle physique de toute situation anormale.
  Ces tâches sont exécutées sur base d'instructions et procédures approuvées par un expert agréé en contrôle physique.
  b) Les tâches spécifiques suivantes :
  1. l'examen et l'approbation de l'analyse des risques orientée radioprotection et, le cas échéant, sûreté nucléaire que doit réaliser l'exploitant ou le chef d'entreprise en vertu du titre 2 du livre Ier du code du bien-être au travail, qui définit les mesures de prévention et les moyens de protection adéquats pour la population, l'environnement et l'organisation dans son ensemble, au niveau de chaque groupe de postes de travail et au niveau de l'individu;
  2. en ce qui concerne la radioprotection et, le cas échéant, la sûreté nucléaire:
  a. l'examen et l'approbation de la délimitation et la signalisation des zones contrôlées;
  b. l'examen et l'approbation des programmes de contrôle radiologique individuel et de contrôle radiologique du lieu de travail, ainsi que la dosimétrie individuelle correspondante;
  c. l'examen et la réception des dispositifs et des moyens de protection ainsi que des instruments de mesure, et l'examen et l'approbation des procédures concernant leur emploi correct;
  d. l'examen et l'approbation des procédures de vérification périodique de l'état des systèmes de sûreté et d'alerte pertinents, de l'efficacité des dispositifs et techniques de protection, et de l'étalonnage des appareils de mesure;
  e. la proposition des moyens de protection complémentaires et de procédures appropriées, tenant compte du principe de l'optimisation visé à l'article 20.1.1.1, des évolutions réglementaires, normatives et techniques ainsi que des révisions de l'analyse des risques;
  f. l'examen et approbation des procédures de travail en ce qui concerne la sûreté et la radioprotection ainsi que les procédures décrivant les mesures à prendre en cas d'incident/accident;
  g. l'examen et l'approbation de la formation initiale et de formation continue pour les travailleurs susceptibles d'être exposés et pour les agents de radioprotection;
  3. l'examen et l'approbation, y compris dans le cadre d'une demande d'autorisation, des nouvelles installations et pratiques ou de modifications de celles-ci, notamment:
  a. les projets d'installations comportant un danger d'exposition ou de criticité et de leur implantation dans l'établissement;
  b. les projets de libération, y compris les procédures et les techniques de mesures destinées à vérifier la conformité aux niveaux de libération, pour autant qu'ils n'aient pas été approuvés antérieurement pour les mêmes matériaux et les mêmes procédures;
  c. les projets de cessation d'activité(s) ou de son (leur) interruption de longue durée et de démantèlement des installations, ainsi que de reprise d'activité(s) après une interruption de longue durée;
  d. les projets de transports de substances radioactives à l'intérieur de l'établissement qui n'auraient pas été approuvés antérieurement dans une forme identique;
  4. la réception des nouvelles installations et pratiques ou de modifications de celles-ci;
  5. l'examen et l'approbation préalable des expériences, essais, traitements et manipulations qui, en raison de leur nature ou des circonstances, pourraient présenter du danger et qui n'auraient pas été approuvés antérieurement dans une forme identique;
  6. la détermination, en concertation avec le médecin du travail agréé y compris pour les travailleurs extérieurs et les intervenants en situations d'urgence radiologique:
  a. des doses individuelles, y compris les doses résultant d'expositions internes et celles dues aux expositions accidentelles, aux expositions accidentelles concertées et aux expositions d'urgence;
  b. des contaminations radioactives de personnes ayant entraîné des mesures de décontamination avec intervention médicale;
  7. la préparation aux situations d'exposition d'urgence et aux interventions d'urgence;
  8. la détermination, le cas échéant en concertation avec l'expert agréé en radiophysique médicale, des circonstances dans lesquelles les expositions accidentelles et incidentelles se sont produites, et la proposition des mesures et moyens à prendre pour prévenir leur répétition et, le cas échéant, s'assurer de leur prise en compte dans le système de gestion des risques;
  9. en ce qui concerne les sources scellées de haute activité, l'examen et l'approbation d'un programme d'essais, tels que des essais d'étanchéité répondant aux normes internationales, et/ou de vérifications réalisés afin de contrôler et de conserver l'intégrité de chaque source et des équipements les contenant;
  10. la supervision de la mise en oeuvre du programme de surveillance de la santé en ce qui concerne les mesures relatives à la radioprotection;
  11. la vérification de l'adéquation du poste de travail des travailleuses enceintes ou allaitantes, en concertation avec le médecin du travail agréé;
  12. la visite périodique d'évaluation de l'état de la radioprotection et, le cas échéant, de la sûreté nucléaire dans les installations;
  13. l'examen et l'approbation préalable des documents relatifs à la sûreté de la gestion des déchets radioactifs prenant en compte les exigences du gestionnaire des déchets radioactifs pour leur gestion ultérieure dans les établissements de traitement, de conditionnement ou de dépôt.
  Ces tâches sont exécutées suivant des processus décrits dans des documents contrôlés qui font partie d'un système de gestion intégré qui accorde la priorité requise à la sûreté nucléaire et à la radioprotection.
  c) Pour les établissements visés à l'article 3.1 a) :
  L'examen et l'approbation :
  1. de la politique de sûreté établie par l'exploitant suivant les dispositions de l'article 3 de l'arrêté du 30 novembre 2011 portant prescriptions de sûreté des installations nucléaires;
  2. des évaluations de sûreté telles que prévues à l'article 4.2 du même arrêté;
  3. de la structure organisationnelle mise en place par l'exploitant et les qualifications et formations associées, établies suivant les dispositions de l'article 4.3 du même arrêté;
  4. du plan de formations établi suivant les dispositions de l'article 6.1 du même arrêté;
  5. de la liste d'événements initiateurs postulés de la base de conception, établie suivant les dispositions de l'article 7.4 du même arrêté;
  6. des modifications ou dérogations à une limite et condition d'exploitation, suivant les dispositions de l'article 9.2 du même arrêté;
  7. du programme de gestion du retour d'expérience établi suivant les dispositions de l'article 11.1 du même arrêté;
  8. des programmes de maintenance, d'essais, de surveillance et d'inspection des structures, systèmes et composants importants pour la sûreté nucléaire, ainsi que leur impact sur la sûreté nucléaire, établis suivant les dispositions de l'article 12.1 du même arrêté;
  9. des mises à jour du rapport de sûreté, suivant les dispositions de l'article 13.3 du même arrêté;
  10. des rapports de synthèse des révisions périodiques de sûreté, établis suivant les dispositions de l'article 14.2 alinéa 2 du même arrêté;
  11. des modifications ayant un impact sur la sûreté nucléaire et les analyses associées, suivant les dispositions des articles 15.1 et 15.3 du même arrêté;
  12. du plan interne d'urgence établi suivant les dispositions de l'article 16 du même arrêté;
  13. de la qualification des techniques de décontamination ou de démantèlement, suivant les dispositions de l'article 17/4 du même arrêté;
  14. du rapport de sûreté du démantèlement, établi suivant les dispositions de l'article 17/10 du même arrêté;
  15. de la méthodologie de caractérisation de l'état final, suivant les dispositions de l'article 17/12 du même arrêté;
  16. du rapport final de démantèlement, établi suivant les dispositions de l'article 17/12 du même arrêté;
  17. de la liste d'évènements d'origine interne de base de conception, telle que prévue à l'article 20.3 alinéa 1 du même arrêté;
  18. de la liste des accidents hors dimensionnement, telle que prévue à l'article 21.2 alinéa 1 du même arrêté;
  19. des études probabilistes de sûreté, telles que prévue à l'article 29 du même arrêté.
  23.1.6. Les résultats d'essais ainsi que toutes les constatations, déterminations et approbations du service de contrôle physique sont documentés dans un système durable qui prévoit un traçage de chaque introduction, validation, modification et suppression de données et permet l'identification de la personne physique qui a, introduit, validé, modifié ou supprimé des données. Toutefois, celles reprises aux points 6° et 11° de l'article 23.1.5 b) doivent être fournies directement au médecin du travail agréé et au département ou à la section chargé de la surveillance de la santé du service interne ou externe pour la prévention et la protection au travail. Cette transmission est immédiate en cas d'urgence.
  Ce système comprend l'inventaire défini à l'article 27bis ainsi qu'un inventaire de tous les appareils capables d'émettre des rayonnements ionisants et autres installations de radiothérapie et de médecine nucléaire présents dans l'établissement et des rejets radioactifs liquides et gazeux, ainsi que des déchets radioactifs qui ont été évacués, y compris les déchets pouvant être éliminés, recyclés ou réutilisés en application de l'article 35.2. Ces inventaires sont communiqués par l'exploitant à l'Agence à sa demande ou suivant les modalités fixées par celle-ci.
  La documentation est conservée pendant trente ans au siège de l'entreprise. En cas de cessation de toute activité, l'entreprise transmet ces documents à l'Agence.
  23.2 Contrôle physique des entreprises participant au transport des marchandises dangereuses de la classe 7
  Le chef d'entreprise d'un transporteur de marchandises dangereuses de la classe 7 ou d'une organisation impliquée dans le transport multimodal de marchandises dangereuses de la classe 7 ou d'un site d'interruption a l'obligation de créer un service qu'il charge de l'organisation et de la surveillance du contrôle physique.
  Le risque lié aux rayonnements ionisants doit être considéré :
  - pour les entreprises ou organisations de droit belge ou établie en Belgique, dans le système dynamique de gestion des risques que doit mettre en place le chef d'entreprise en vertu du titre 2 du livre Ier du Code du bien-être au travail;
  - pour les autres entreprises ou organisations, dans le système de gestion que doit mettre en place le chef d'entreprise conformément aux dispositions des conventions et règlements internationaux en vigueur qui règlent le transport des marchandises dangereuses.
  Les missions du service de contrôle physique, doivent, le cas échéant, être réalisées en concertation avec le(s) conseiller(s) en prévention, le médecin du travail conseiller en prévention et le(s) conseiller(s) à la sécurité classe 7.
  23.2.1. Services communs de contrôle physique
  Plusieurs transporteurs de marchandises dangereuses de la classe 7 ou organisations impliquées dans le transport multimodal de marchandises dangereuses de la classe 7 ou sites d'interruption peuvent mettre en place un service commun de contrôle physique, sous réserve de l'approbation de l'Agence. Cette approbation peut seulement être délivrée que s'il est satisfait aux conditions minimales suivantes :
  a) le service commun de contrôle physique emploie au minimum un(des) expert(s) agréé(s) en contrôle physique faisant partie du personnel d'au moins une des entreprises ou organisations concernées;
  b) les entreprises ou organisations qui créent un service commun de contrôle physique doivent autoriser l'accès à leurs installations aux experts agréés en contrôle physique attachés à ce service commun même si ces derniers ne font pas partie de leur personnel;
  c) il existe un lien juridique, économique ou technique entre les entreprises ou organisations concernées;
  d) les entreprises ou organisations se trouvent sur un même site ou dans une zone géographique limitée permettant au service de contrôle physique d'assurer une présence suffisante dans les différentes entreprises ou organisations;
  e) un accord écrit entre les entreprises et organisations concernées formalise la répartition des tâches, des responsabilités ainsi que la répartition du temps de travail de l' (des) expert(s) agréé(s);
  f) le service commun de contrôle physique dispose de l'expertise nécessaire des risques radiologiques liés aux activités pratiquées dans les différents entreprises ou organisations;
  g) le service commun de contrôle physique offre, par rapport aux services de contrôle physique individuels des entreprises ou organisations concernées, un ou plusieurs avantages.
  Si il ne peut être satisfait à la condition du point a), du premier alinéa, l'approbation peut néanmoins être délivrée par l'Agence, si :
  - les entreprises ou organisations concernées ont créé un service interne commun en vertu du titre 2 du livre II du Code du bien-être au travail et
  - le chef du service de contrôle physique a, dans tous les cas, suivi une formation en radioprotection couvrant les différents risques radiologiques liés aux activités de transport, conformément aux dispositions de l'article 30.4 et
  - les tâches de contrôle physique reprises à l'article 23.2.6, b) sont confiées à un organisme de contrôle physique agréé à cet effet suivant les dispositions de l'article 74.
  L'approbation peut être limitée dans le temps.
  Si l'Agence estime ne pouvoir accorder l'approbation sollicitée, elle en informe le demandeur en précisant qu'il a le droit d'être entendu, à sa demande, dans un délai de trente jours calendrier à partir de la notification.
  Dans le cas où le demandeur souhaite exercer son droit à être entendu, il en informe l'Agence par écrit, au plus tard le quinzième jour après la notification.
  23.2.2. Organisation du contrôle physique des activités de transports de marchandises dangereuses de la classe 7
  § 1 Dans les entreprises agréées pour le transport de marchandises dangereuses de la classe 7 caractérisées comme fissiles et/ou présentant un risque subsidiaire de corrosivité selon la réglementation internationale applicable au transport de marchandises dangereuses, le chef du service de contrôle physique est un expert agréé en contrôle physique de classe T1, conformément aux dispositions de l'article 73.
  Dans les entreprises agréées pour le transport de marchandises dangereuses de la classe 7 autres que celles caractérisées comme fissiles ou présentant un risque de corrosivité, dans les organisations impliquées dans le transport multimodal de marchandises dangereuses de la classe 7, dans les entreprises responsables d'un site d'interruption, le chef du service de contrôle physique est un expert agréé en contrôle physique de classe T1 ou T2, conformément aux dispositions de l'article 73.
  Si l'entreprise ou l'organisation n'a pas un tel expert parmi les membres de son personnel, le chef d'entreprise confie la direction du service de contrôle physique :
  - pour les entreprises ou organisations de droit belge ou établie en Belgique, à un membre de son personnel qui a suivi une formation en radioprotection couvrant les différents risques radiologiques liés aux activités de transport, conformément aux dispositions de l'article 30.4. Le chef du service de contrôle physique a un accès direct au chef d'entreprise;
  - pour les autres, au chef du service responsable des transports des marchandises dangereuses de la classe 7 qui doit avoir suivi les formations prévues dans les conventions et règlements internationaux en vigueur qui règlent le transport de marchandises dangereuses.
  § 2 Dans les entreprises agréées pour le transport de marchandises dangereuses de la classe 7 caractérisées comme fissiles et/ou présentant un risque subsidiaire de corrosivité, un expert agréé en contrôle physique de classe T1 effectue les tâches de contrôle physique reprises au point 23.2.6 b).
  Dans les entreprises agréées pour le transport de marchandises dangereuses de la classe 7 autres que celles caractérisées comme fissiles ou présentant un risque de corrosivité, dans les organisations impliquées dans le transport multimodal de marchandises dangereuses de la classe 7, dans les entreprises responsables d'un site d'interruption un expert agréé en contrôle physique de classe T1 ou T2 effectue les tâches de tâches de contrôle physique reprises au point 23.2.6 b).
  Si l'entreprise ou l'organisation n'a pas un tel expert parmi les membres de son personnel, le chef d'entreprise doit confier, sous sa responsabilité et aux frais de l'entreprise ou de l'organisation, les tâches de contrôle physique reprises à l'article 23.2.6 b) à un organisme de contrôle physique agréé à cet effet suivant les dispositions de l'article 74.
  § 3 Le chef d'entreprise ou de l'organisation désigne, parmi les membres de son personnel, des agents de radioprotection qui assurent le contrôle physique des opérations de transport suivant les dispositions de l'article 23.2.6 a). Ils sont attachés au service de contrôle physique pour ce qui concerne leurs tâches de contrôle physique. Ces agents ont reçu une formation telle que spécifiée à l'article 30.4.
  § 4 Le chef d'entreprise ou de l'organisation doit prévoir les arrangements nécessaires pour assurer l'assistance par un expert agréé en cas d'incident, d'accident ou de tout autre événement impliquant un risque radiologique qui se produirait au cours des activités de transports de marchandises dangereuses de la classe 7, si nécessaire en faisant appel au rôle de garde établi par un organisme agréé de contrôle physique quand il n'y a pas d'expert agréé interne disponible.
  23.2.3. Organisation du contrôle physique du transport unique et des manipulations sporadiques de matières dangereuses de la classe 7
  Dans le cas d'un transport unique ou de manipulations sporadiques de matières dangereuses de la classe 7 tels que définis dans l'arrêté royal du 22 octobre 2017 concernant le transport de marchandises dangereuses de la classe 7, en dérogation aux dispositions de l'article 23.2.2, le chef du contrôle physique et les agents de radioprotection ne sont pas tenus de suivre une formation en radioprotection conforme aux dispositions de l'article 30.4. Cependant, l'expert agréé en contrôle physique de classe T1 ou T2 détermine, vérifie et, le cas échéant, dispense la formation minimale requise aux agents de radioprotection afin qu'ils puissent assurer le contrôle physique des opérations de transport suivant les dispositions de l'article 23.2.6, a).
  23.2.4. Visites de l'expert agréé en contrôle physique
  Suivant les dispositions de l'article 23.2.6, b), point 9, un expert agréé en contrôle physique effectue une visite d'évaluation de l'état de la radioprotection et le cas échéant, de la sûreté nucléaire des opérations de transport réalisées par le transporteur, par l'organisation impliquée dans le transport multimodal de marchandises dangereuses de la classe 7 ou au sein du site d'interruption :
  a) annuellement, avec un intervalle entre les visites compris entre 10 et 14 mois, dans les entreprises agréées exclusivement pour des transports de colis exceptés;
  b) semestriellement, avec un intervalle entre les visites compris entre 4 et 8 mois, dans les entreprises agréées pour des transports des marchandises dangereuses de la classe 7 autres que celles caractérisées comme fissiles ou présentant un risque de corrosivité;
  c) trimestriellement, avec un intervalle entre les visites compris entre 2 et 4 mois, dans les entreprises agréées pour des transports des marchandises dangereuses de la classe 7 caractérisées comme fissiles et/ou présentant un risque subsidiaire de corrosivité ;
  d) semestriellement, avec un intervalle entre les visites compris entre 4 et 8 mois, dans les organisations impliquées dans le transport multimodal de marchandises dangereuses de la classe 7;
  e) semestriellement, avec un intervalle entre les visites compris entre 4 et 8 mois, dans les sites d'interruption.
  Un rapport mentionne clairement les constatations et les conclusions de la visite ainsi que les éventuels manquements que le chef d'entreprise doit éventuellement régulariser et les délais dont il dispose pour le faire. L'Agence peut définir le contenu minimal du rapport. Ce rapport est communiqué au chef d'entreprise et au chef du service de contrôle physique, et est enregistré dans le système de documentation prévu à l'article 23.2.7.
  23.2.5. Supervision du contrôle physique
  Dans les entreprises agréées pour le transport de marchandises dangereuses de la classe 7, dans les organisations impliquées dans le transport multimodal de marchandises dangereuses de la classe 7, dans les entreprises responsables d'un site d'interruption, l'Agence est chargée d'effectuer le contrôle de la bonne exécution par le service de contrôle physique de sa mission.
  23.2.6. Tâches relatives au contrôle physique
  Dans la mesure où elles sont pertinentes pour la pratique considérée, le contrôle physique comprend notamment:
  a) Les tâches fréquentes et systématiques suivantes en lien avec la radioprotection au sein des entreprises ou organisations :
  1. contrôler le respect des mesures, règles et procédures de travail liées à la sûreté et à la radioprotection;
  2. s'assurer que l'identification et la gestion des contaminations radioactives, l'indication de la nature des substances radioactives à l'origine de la contamination, de leur activité, de leur concentration massique et/ou volumétrique et/ou superficielle et de leur état physico-chimique sont effectuées selon les procédures en vigueur;
  3. contrôler que les moyens et dispositifs de protection, les instruments de mesure et dosimètres sont disponibles, en bon état de fonctionnement et correctement utilisés;
  4. procéder à des évaluations périodiques de l'état des systèmes de sûreté et d'alerte pertinents;
  5. fournir les informations appropriées aux travailleurs exposés ainsi que les directives à suivre en cas d'incident ou d'accident;
  6. adopter des mesures urgentes en cas d'incident ou d'accident, et en particulier en cas de dissémination inattendue de substances radioactives, et transmettre l'information immédiatement au chef du service de contrôle physique et à l'expert agréé en contrôle physique;
  7. effectuer la surveillance des opérations de transport réalisées par le transporteur, l'organisation impliquée dans le transport multimodal de marchandises dangereuses de la classe 7 ou au sein du site d'interruption;
  8. informer le chef du service de contrôle physique et l'expert agréé en contrôle physique de toute situation anormale.
  Ces tâches sont exécutées sur base d'instructions et procédures approuvées par un expert agréé en contrôle physique.
  b) Les tâches spécifiques suivantes :
  1. l'examen et l'approbation de l'analyse des risques orientée radioprotection et, le cas échéant, sûreté nucléaire que doit réaliser le chef d'entreprise en vertu du titre 2 du Livre Ier du Code du bien-être au travail et qui définit les mesures de prévention et les moyens de protection adéquats pour la population, l'environnement et l'organisation dans son ensemble, au niveau des opérations de transport réalisées par le transporteur, par l'organisation impliquée dans le transport multimodal de marchandises dangereuses de la classe 7 ou au sein du site d'interruption;
  2. en ce qui concerne la radioprotection et, le cas échéant, la sûreté nucléaire :
  a. l'examen et l'approbation du programme de radioprotection établi par l'entreprise et la surveillance de sa bonne exécution, et le contrôle radiologique du lieu de travail, ainsi que la dosimétrie individuelle correspondante;
  b. l'examen et la réception des dispositifs et des moyens de protection ainsi que des instruments de mesure, et l'examen et l'approbation des procédures concernant leur emploi correct;
  c. l'examen et l'approbation des procédures de vérification périodique de l'état des systèmes de sûreté et d'alerte pertinents, de l'efficacité des dispositifs et techniques de protection, et de l'étalonnage des appareils de mesure;
  d. la proposition des moyens de protection complémentaires et de procédures appropriées, tenant compte des évolutions réglementaires, normatives et techniques ainsi que des révisions de l'analyse des risques;
  e. l'examen et l'approbation des procédures de travail en ce qui concerne la sûreté et la radioprotection ainsi que les procédures décrivant les mesures à prendre en cas d'incident/accident;
  f. l'examen et l'approbation de la formation initiale et de formation continue pour les travailleurs susceptibles d'être exposés et pour les agents de radioprotection;
  3. l'examen et l'approbation, y compris dans le cadre d'une demande d'agrément ou d'autorisation, des nouvelles pratiques ou de modifications de celles-ci, notamment :
  a. les projets de transports de marchandises dangereuses de la classe 7;
  b. les projets de création d'une organisation impliquée dans le transport multimodal de marchandises dangereuses de la classe 7;
  c. les projets de création d'un site d'interruption ou de toute interruption de transport de marchandises dangereuses de la classe 7;
  d. les projets de cessation d'activité(s) ou de son (leur) interruption de longue durée et de démantèlement ou la mise hors service des équipements, véhicules et/ou installations, ainsi que de reprise d'activité(s) après une interruption de longue durée;
  4. la détermination, en concertation avec le médecin du travail agréé y compris les travailleurs extérieurs et les intervenants en situations d'urgence radiologique :
  a. des doses individuelles, y compris les doses résultant d'expositions internes et celles dues aux expositions accidentelles, aux expositions accidentelles concertées et aux expositions d'urgence;
  b. des contaminations radioactives de personnes ayant entraîné des mesures de décontamination avec intervention médicale;
  5. la préparation aux situations d'exposition d'urgence et aux interventions d'urgence;
  6. la détermination des circonstances dans lesquelles les expositions accidentelles et incidentelles se sont produites, et la proposition des mesures et moyens à prendre pour prévenir leur répétition, et, le cas échéant, s'assurer de leur prise en compte dans le système de gestion des risques;
  7. la supervision de la mise en oeuvre du programme de surveillance de la santé en ce qui concerne les mesures relatives à la radioprotection;
  8. la vérification de l'adéquation du poste de travail des travailleuses enceintes ou allaitantes, en concertation avec le médecin agréé;
  9. la visite périodique d'évaluation de l'état de la radioprotection et, le cas échéant, de la sûreté nucléaire des opérations de transport réalisées par le transporteur, par l'organisation impliquée dans le transport multimodal de marchandises dangereuses de la classe 7 ou au sein du site d'interruption.
  Ces tâches sont exécutées suivant des processus décrits dans des documents contrôlés qui font partie d'un système de gestion intégré qui accorde la priorité requise à la sûreté nucléaire et à la radioprotection.
  23.2.7. Les résultats d'essais ainsi que toutes les constatations, déterminations et approbations du service de contrôle physique sont documentés dans un système durable qui prévoit un traçage de chaque introduction, validation, modification et suppression de données et permet l'identification de la personne physique qui a, introduit, validé, modifié ou supprimé des données. Toutefois, celles reprises aux points 4 et 8 de l'article 23.2.6 b) doivent être fournies directement au médecin du travail agréé et au département ou à la section chargé de la surveillance de la santé du service interne ou externe pour la prévention et la protection au travail. Cette transmission est immédiate en cas d'urgence.
  La documentation est conservée pendant trente ans au siège de l'entreprise ou de l'organisation. En cas de cessation de toute activité, l'entreprise ou l'organisation transmet ces documents à l'Agence.
  23.3 Etudiants, apprentis et stagiaires
  Sans préjudice des dispositions des titres 3 et 4 du livre X du Code du bien-être au travail, le système de surveillance radiologique assure une protection des apprenti(e)s, stagiaires et étudiant(e)s au moins équivalente à celle des travailleurs.
  23.4. Moyens alloués au service de contrôle physique
  L'exploitant, ou le chef d'entreprise est tenu de fournir à son service de contrôle physique tous les moyens humains et matériels, ainsi que les renseignements et documents nécessaires à l'accomplissement de sa mission.
  Sans préjudice de l'article 30.1, l'exploitant ou le chef d'entreprise garantit aux experts agréés en contrôle physique l'accès aux installations et/ou équipements visés par la réglementation en matière de rayonnements ionisants, pour l'exercice de leurs missions.
  23.5 Protection du chef du service de contrôle physique
  L'exploitant ou le chef d'entreprise peut uniquement terminer le contrat d'emploi avec le chef du service de contrôle physique ou le démettre de cette fonction pour des raisons étrangères à l'exercice de cette dernière ou pour des raisons qui prouvent qu'il n'est plus en mesure de remplir ses missions.
  L'accord du Comité pour la prévention et la protection au travail est requis quand un tel Comité existe. En cas de désaccord au sein du Comité pour la prévention et la protection au travail, ou en l'absence d'un tel Comité, l'Agence donne un avis qui est notifié à l'employeur par lettre recommandée. "
Art. 22. Artikel 30.1 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "30.1. Toegang tot de gecontroleerde zones
  Het is verboden in de gecontroleerde zones te gaan of er te verblijven zonder nominatieve vergunning van het ondernemingshoofd of zijn afgevaardigde. Deze vergunning mag niet worden verleend zonder dienst- of beroepsredenen. De in deze zones toegelaten personen worden ingeschreven in een daartoe bestemd register met vermelding van hun identiteit en, in voorkomend geval, het doel van hun bezoek.
  De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op de gecontroleerde zones waar de handelingen bedoeld in artikel 50.2 worden uitgevoerd.
  Voor de deskundigen erkend in de fysische controle, die belast zijn met de door dit reglement voorgeschreven taken, is slechts eenmalig een nominatieve vergunning van het ondernemingshoofd vereist. Deze vergunning is geldig tijdens en buiten de normale werkuren. Hun inschrijving in het voornoemde register mag in geen geval een belemmering zijn voor het uitvoeren van hun opdracht."
Art. 22. L'article 30.1 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " 30.1 Accès aux zones contrôlées
  Il est interdit de pénétrer ou de séjourner dans les zones contrôlées, sans autorisation nominative du chef d'entreprise ou de son délégué. Cette autorisation ne peut être accordée sans raison de service ou d'ordre professionnel. Les personnes admises, dans ces zones sont inscrites dans un registre dédié avec mention de leur identité, et, le cas échéant, du but de leur visite.
  Les dispositions du premier alinéa ne sont pas applicables aux zones contrôlées où sont exercées des pratiques visées à l'article 50.2.
  Pour les experts agréés en contrôle physique, qui sont en charge des tâches prévues au présent règlement, une seule autorisation nominative du chef d'entreprise est requise. Cette autorisation est valable pendant et hors des heures de travail normales. L'inscription de ceux-ci dans le registre précité ne peut en aucun cas engendrer une entrave à l'accomplissement de leur mission. "
Art. 23. Artikel 30.4 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  "30.4. Opleiding van de agenten voor de stralingsbescherming
  De agenten voor de stralingsbescherming die belast zijn met de taken bedoeld in artikelen 23.1.5 a), 23.2.6 a) of met de leiding van de dienst voor fysische controle overeenkomstig de bepalingen van artikel 23.1.3.1 of 23.2.2 moeten, door middel van een getuigschrift gebaseerd op een geslaagde kennistest, kunnen bewijzen dat ze een theoretische basisopleiding van minstens 8 uur in de stralingsbescherming hebben gevolgd aangevuld met:
  - minimum 8 uur voor de inrichtingen ondergebracht in artikel 3.1.b);
  - 6 uur voor vervoersactiviteiten uitgevoerd door een vervoerder die is erkend voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen en/of een corrosiviteitsrisico vertonen;
  - 4 uur voor vervoersactiviteiten uitgevoerd door een vervoerder die erkend is voor het vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 7 welke niet zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen noch een corrosiviteitsrisico vertonen, door een organisatie die betrokken is bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of door een onderneming die verantwoordelijk is voor een onderbrekingssite;
  - alsook met een relevante praktijkervaring in de uitoefening van de fysische controle specifiek voor een bepaald type installatie of vervoer.
  De exploitant, of het ondernemingshoofd, ziet erop toe dat de agent voor de stralingsbescherming zijn kennis en zijn bekwaamheid op peil houdt en verder ontwikkelt in het kader van een permanente vorming.
  De kosten van de opleiding zijn ten laste van de exploitant, of het ondernemingshoofd. De opleiding wordt gevolgd tijdens de werkuren.
  Het Agentschap legt in een technisch reglement minimumeisen op betreffende de inhoud van de basisopleiding of van de permanente vorming in de stralingsbescherming, de nucleaire veiligheid of het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de handelingen of de installaties waarvoor/waarin de agenten voor de stralingsbescherming opdrachten moet uitvoeren. "
Art. 23. L'article 30.4 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " 30.4 Formation des agents de radioprotection
  Les agents de radioprotection chargés des tâches visées aux articles 23.1.5 a), 23.2.6 a) ou en charge de la direction du service de contrôle physique, suivant les dispositions de l'article 23.1.3.1 ou 23.2.2 doivent pouvoir justifier par un certificat basé sur un test de connaissances réussi, d'une formation théorique de base de minimum 8 heures en radioprotection complétée par :
  - minimum 8 heures pour les établissements repris à l'article 3.1 b);
  - 6 heures pour les opérations de transport relevant d'un transporteur agréé pour les transports de marchandises dangereuses de la classe 7 caractérisées comme fissiles et/ou présentant un risque de corrosivité;
  - 4 heures pour les opérations de transport relevant d'un transporteur agréé pour les transports de marchandises dangereuses de la classe 7 autres que celles caractérisées comme fissiles ou présentant un risque de corrosivité, d'une organisation impliquée dans le transport multimodal de marchandises dangereuses de la classe 7 ou d'une entreprise responsable d'un site d'interruption;
  - ainsi qu'une expérience pratique appropriée de l'exercice du contrôle physique spécifique au type d'installation ou au type de transport.
  L'exploitant ou le chef d'entreprise s'assure que l'agent de radioprotection entretient et développe ses connaissances et sa compétence dans le cadre d'une formation continue.
  Les coûts liés à la formation sont à charge de l'exploitant ou du chef d'entreprise. La formation est suivie pendant les heures de travail.
  L'Agence fixe dans un règlement technique les exigences minimales concernant le contenu de la formation initiale ou continue en radioprotection, sûreté nucléaire ou transport de marchandises dangereuses de la classe 7, tenant compte des spécificités des pratiques ou installations pour/dans lesquelles l'agent de radioprotection sera amené à exercer des missions. "
Art. 24. In artikel 30.5, enig lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " de aangestelde voor de bewaking" vervangen door de woorden "de agent voor de stralingsbescherming".
Art. 24. A l'article 30.5, alinéa unique, du même arrêté les mots " du préposé à la surveillance" sont remplacés par les mots " de l'agent de radioprotection ".
Art. 25. In het enige lid van artikel 35.3 wordt de zin beginnend met de woorden "Dit akkoord dient te worden bevestigd door de erkende instelling" en eindigend met de woorden "voor hetzelfde materiaal en volgens dezelfde procedures." opgeheven.
Art. 25. Dans l'article 35.3, alinéa unique, la phrase commençant par les mots " Cet accord doit être confirmé par l'organisme agréé et se terminant par les mots " pour les mêmes matériaux et les mêmes procédures. " est abrogée.
Art. 26. In hetzelfde besluit wordt de titel van hoofdstuk 4 vervangen als volgt :
  "Hoofdstuk 4
  Bepalingen omtrent de entiteiten die het Agentschap heeft opgericht met als doel aan hen geheel of gedeeltelijk zijn toezichtsopdrachten te delegeren. "
Art. 26. Dans le même arrêté, le titre du chapitre 4 est modifié comme suit :
  " Chapitre 4
  Dispositions relatives aux entités que l'Agence a créées dans le but de leur déléguer en tout ou en partie sa fonction de surveillance "
Art. 27. In hoofdstuk 4 van hetzelfde besluit, wordt een artikel 38 ingevoegd, luidende:
  " Art. 38 Toezichtsfuncties die geheel of gedeeltelijk aan Bel V kunnen worden toevertrouwd
  Art. 38.1. Controles en Veiligheidsevaluaties
  § 1 Voor de toepassing van dit artikel, wordt onder het jaarlijkse plan van controles en veiligheidsevaluaties verstaan: het plan voor de controles van de installaties en de veiligheidsevaluaties, bedoeld om het beheer van de stralingsbescherming en de nucleaire veiligheid door de exploitant te verifiëren. Dit plan omvat onder meer :
  1. in toepassing van de artikelen 23.1.2.2 en 23.1.3.3, de regelmatige controles van de installaties in de in de artikels 3.1 a) en 3.3 bedoelde inrichtingen;
  2. de veiligheidsevaluaties gelinkt aan:
  - de vaststellingen van de controles van de installaties;
  - de goedkeuringen van de beslissingen van de dienst voor fysische controle van de exploitanten, zoals bepaald in de artikels 23 1.2.2 en 23.1.3.3;
  - de studies en analyses uitgevoerd overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 november 2011 houdende veiligheidsvoorschriften voor kerninstallaties;
  - de vergunningsaanvragen vermeld in de artikels 6.2 en 7.2;
  - de oplevering van de installaties bedoeld in de artikels 6.9 en 15/1.
  § 2 Bel V kan, via een beslissing van de raad van bestuur van het Agentschap, genomen op grond van artikel 14ter § 1 van de wet van 15 april 1994, voor een hernieuwbare termijn van minimum zes jaar geheel of gedeeltelijk belast worden met de uitvoering, op kosten van de exploitant of, bij ontstentenis, het ondernemingshoofd of de aanvrager van de vergunning, van het jaarlijkse plan van controles en van veiligheidsevaluaties.
  § 3. Elk kalenderjaar bepaalt de directeur-generaal van het Agentschap, of, bij ontstentenis, zijn vervanger, het plan van controles en veiligheidsevaluaties op basis van het voorstel van Bel V, dat uiterlijk op 31 oktober van dat jaar werd overgemaakt aan het Agentschap.
  In dit plan wordt, per inrichting, voor het volgende kalenderjaar een lijst opgesteld van :
  - de soorten controles (systematische, specifieke en thematische) die moeten worden uitgevoerd;
  - de veiligheidsevaluaties die moeten worden uitgevoerd;
  - een raming van de prestaties (uren) die vereist zijn per type controle of veiligheidsevaluatie (inclusief de voorbereiding, uitvoering, opvolging).
  § 4. Er wordt tegen 15 december van het lopende jaar aan elke exploitant van de betrokken inrichting(en) een kostenraming overgemaakt door Bel V voor de uitvoering van het plan van controles en veiligheidsevaluaties dat werd bepaald door het Agentschap. Het plan van controles en veiligheidsevaluaties met betrekking tot de betrokken inrichting(en) wordt in bijlage bij de door Bel V overgemaakte raming gevoegd.
  Een marge van 15 % per inrichting is toegestaan voor de effectieve uitvoering van het plan, dit om rekening te kunnen houden met specifieke situaties waarvoor bijkomende middelen vereist zijn. Boven deze marge bepaalt de directeur-generaal van het Agentschap, of bij ontstentenis, zijn vervanger, de update van het jaarlijkse plan van controles en veiligheidsevaluaties voor de betrokken inrichting.
  Art. 38.2. - Uitvoeringsmodaliteiten voor de toevertrouwde opdrachten.
  § 1. De directeur-generaal van Bel V is een deskundige in de fysische controle van klasse I, erkend krachtens artikel 73, van wie de erkenning de installaties en handelingen dekt waarvoor Bel V toezichtsopdrachten uitvoert. De directeur-generaal moet ten laatste één jaar na zijn indiensttreding zijn erkenning verworven hebben.
  § 2 De controles uitgevoerd door Bel V in de inrichtingen van klasse I en in de voertuigen met kernaandrijving, moeten worden uitgevoerd door deskundigen in de fysische controle van klasse I, erkend overeenkomstig de bepalingen van artikel 73. De controles uitgevoerd door Bel V in de inrichtingen van klasse IIA moeten worden uitgevoerd door deskundigen in de fysische controle van klasse I of II, erkend overeenkomstig de bepalingen van artikel 73.
  § 3. Noch Bel V, noch haar personeelsleden mogen de ontwerper of de fabrikant zijn van bronnen, toestellen, of installaties die zij controleert en er geen handel in drijven, ze niet vertegenwoordigen, of onderhouden, ze mogen evenmin de agent zijn van personen die er handel in drijven, ze vertegenwoordigen of onderhouden. Deze bepaling sluit niet uit dat er eventueel technische informatie tussen de fabrikant en Bel V kan worden uitgewisseld.
  De personeelsleden van Bel V mogen geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben in de inrichtingen waarvoor ze controles uitvoeren, waardoor hun objectiviteit in opspraak zou kunnen worden gebracht.
  § 4 Het is de personeelsleden van Bel V verboden om, zelfs na de beëindiging van hun functies, feiten te onthullen waarvan ze kennis gehad zouden kunnen hebben naar aanleiding van hun functies en die vanwege hun aard vertrouwelijk zijn of waren.
  § 5 Bel V organiseert een wachtrol waardoor een dringende interventie gegarandeerd kan worden bij een incident, of ongeval, of elke andere gebeurtenis die een radiologisch risico kan inhouden binnen een inrichting waarop ze controle uitoefent.
  § 6 Bel V moet een voldoende aantal gekwalificeerde en ervaren personen in dienst hebben, afgestemd op de aard van en het aantal gecontroleerde inrichtingen en de uitgevoerde activiteiten, om zo ten volle haar opdrachten te kunnen vervullen. De uitbesteding door Bel V van gespecialiseerde ondersteunende studies is onderworpen aan de toestemming van het Agentschap.
  Art. 38.3. - Toezicht van het Agentschap op de uitoefening van de toevertrouwde toezichtsopdrachten
  § 1 Teneinde toezicht te kunnen houden op de uitoefening van de opdrachten van Bel V :
  1. ziet de directeur-generaal van het Agentschap toe op de naleving van de reglementering inzake de bescherming tegen de gevaren van ioniserende straling en de naleving van het beheerscontract dat met het Agentschap wordt opgesteld. Hij ziet er inzonderheid op toe dat het door Bel V gevoerde beleid, de uitvoering van de taken van openbare dienst, vermeld in artikel 38.1, § 1, niet in het gedrang brengt;
  2. voert het Agentschap periodiek inspecties of audits uit op de toezichtsopdrachten die aan Bel V toevertrouwd werden en/of van de werking van Bel V;
  3. brengt de directeur-generaal van Bel V periodiek verslag uit bij het Agentschap over de uitvoering de aan haar overeenkomstig artikel 38.1, § 2 toevertrouwde toezichtsopdrachten.
  § 2 Het in het eerste paragraaf vernoemde beheerscontract regelt minstens de volgende aangelegenheden:
  1. modaliteiten voor de opmaak, goedkeuring, aanpassing en opvolging van het jaarlijks plan van controles en veiligheidsevaluaties;
  2. samenwerking met en ondersteuning van de activiteiten van het Agentschap;
  3. uitwerking van de strategische en de operationele plannen;
  4. het managementsysteem en competentiebeheer;
  5. de praktische modaliteiten voor toezicht van het Agentschap op Bel V.
  § 3 Bel V beschikt over een geïntegreerd managementsysteem, gebaseerd op erkende nationale of internationale normen. Dit systeem wordt effectief toegepast, geëvalueerd en voortdurend verbeterd door Bel V.
  § 4 Bel V is verplicht om vrije toegang tot haar lokalen te verlenen aan de nucleaire inspecteurs van het Agentschap die belast zijn met de uitvoering van een inspectie/audit voor het controleren van de goede uitvoering van de toezichtfuncties die haar door het Agentschap toevertrouwd werden en/of de werking van Bel V. Bel V moet de nucleaire inspecteurs van het Agentschap alle documenten en informatie die noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van hun opdracht ter beschikking houden.
  Art. 38.4. - Financiering van de toevertrouwde toezichtsopdrachten
  § 1. De prestaties voor de aan Bel V overeenkomstig artikel 38.1, § 2 toevertrouwde toezichtsopdrachten worden de exploitanten of, bij ontstentenis, de ondernemingshoofden of de aanvragers van de vergunning, aangerekend aan de gemiddelde uurtarieven van:
  - 190 euro voor de prestaties verricht voor de in artikel 3.1 a) bedoelde inrichtingen (basis 2017);
  - 138 euro voor de prestaties verricht voor de in artikel 3.3 bedoelde inrichtingen (basis 2017).
  § 2 De gemiddelde uurtarieven zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex van de maand november 2017 (105,85, basis 2013). In de loop van de maand december van elk jaar, met als aanvang december 2018, worden de bedragen aan de gezondheidsindex van de maand november van dat jaar aangepast. De aldus aangepaste en tot op de euro afgeronde bedragen zijn dan vanaf 1 januari van het daaropvolgend jaar van toepassing.
  Wanneer het cijfer na de komma 5 of meer bedraagt, dan wordt het totaalbedrag tot de hogere eenheid afgerond, wanneer het cijfer na de komma kleiner is dan 5, dan wordt het totaalbedrag tot de lagere eenheid afgerond.
  Onder gezondheidsindex wordt verstaan het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994. "
Art. 27. Dans le chapitre 4 du même arrêté, il est inséré un article 38, rédigé comme suit :
  " Art. 38 Fonctions de surveillance pouvant être déléguées en tout ou en partie à Bel V
  Art. 38.1. Contrôles et évaluations de sûreté
  § 1 Aux fins du présent article, on entend par plan annuel de contrôles et d'évaluations de sûreté le plan de contrôles des installations et d'évaluations indépendantes de sûreté destiné à vérifier la gestion de la radioprotection et de la sûreté nucléaire par l'exploitant. Ce plan comprend notamment :
  1. les contrôles réguliers dans les installations des établissements visés aux articles 3.1 a) et 3.3, en application des articles 23.1.2.2 et 23.1.3.3;
  2. les évaluations de sûreté liées:
  - aux constats des contrôles dans les installations;
  - aux approbations des décisions du service de contrôle physique des exploitants, telles que prévues aux article 23.1.2.2 et 23.1.3.3;
  - aux études et analyses réalisées en application de à l'arrêté royal du 30 novembre 2011 portant prescriptions de sûreté des installations nucléaires;
  - aux demandes d'autorisation, prévues aux articles 6.2 et 7.2;
  - à la réception des installations, prévues aux articles 6.9 et 15/1.
  § 2 Bel V peut être chargée, par une décision du conseil d'administration de l'Agence prise en vertu de l'article 14ter § 1er de la loi du 15 avril 1994, pour une durée renouvelable de minimum six ans, de l'exécution en tout ou en partie, aux frais de l'exploitant ou à défaut du chef d'entreprise ou du demandeur d'autorisation, du plan annuel de contrôles et d'évaluations de sûreté.
  § 3. Chaque année civile, le directeur général de l'Agence ou, à défaut, son remplaçant fixe le plan de contrôles et d'évaluations de sûreté sur la base de la proposition de Bel V, qui est soumise à l'Agence au plus tard le 31 octobre de cette année.
  Ce plan liste, par établissement, pour l'année civile suivante :
  - les types de contrôles (systématiques, spécifiques et thématiques) à effectuer;
  - les évaluations indépendantes de sûreté à effectuer;
  - une estimation des prestations (heures) requises par type de contrôle ou évaluation de sûreté (y compris préparation, exécution, suivi,...).
  § 4 Une estimation des coûts de l'exécution du plan de contrôles et d'évaluations de sûreté fixé par l'Agence est envoyé par Bel V à chaque exploitant d'établissement(s) concerné(s) pour le 15 décembre de l'année en cours. Le plan de contrôles et d'évaluations de sûreté, relatif à(aux) établissement(s) concerné(s) est annexé au devis envoyé par Bel V.
  Une marge de 15 % par établissement est permise sur la réalisation effective du plan, pour prendre en compte les situations spécifiques requérant des ressources supplémentaires. Au-delà de cette marge, le directeur général de l'Agence ou, à défaut, son remplaçant, fixe la mise à jour du plan annuel de contrôles et d'évaluations de sûreté pour l'établissement considéré.
  Art. 38.2. - Modalités d'exécution des missions déléguées
  § 1. Le directeur général de Bel V est un expert en contrôle physique de classe I, agréé en vertu de l'article 73 et dont l'agrément couvre les installations et pratiques pour lesquelles Bel V effectue des missions de surveillance. Le directeur général doit avoir obtenu son agrément au plus tard un an après sa prise de fonction.
  § 2 Les contrôles, effectués par Bel V dans les établissements de classe I et dans les véhicules à propulsion nucléaire, doivent être effectués par des experts en contrôle physique de classe I, agréés conformément à l'article 73. Les contrôles effectués par Bel V dans les établissements de classe IIA, doivent l'être par des experts en contrôle physique de classe I ou II, agréés conformément à l'article 73.
  § 3. Ni Bel V, ni les membres de son personnel ne peuvent être le concepteur, le fabricant ou ne peuvent faire le commerce, la représentation ou l'entretien des sources, appareils ou installations qu'il contrôle, ni être l'agent des personnes qui en font le commerce, la représentation ou l'entretien. La présente disposition n'exclut pas tout éventuel échange d'informations techniques entre le fabricant et Bel V.
  Les membres du personnel de Bel V ne peuvent avoir un intérêt quelconque, direct ou indirect, avec les établissements pour lesquels ils effectuent des contrôles, susceptible de compromettre leur objectivité.
  § 4 Il est interdit aux membres du personnel de Bel V, même après avoir cessé leurs fonctions, de révéler les faits dont ils auraient eu connaissance en raison de leurs fonctions et qui auraient un caractère confidentiel de par leur nature.
  § 5 Bel V organise un rôle de garde garantissant une intervention en urgence en cas d'incident, d'accident ou de tout autre événement impliquant un risque radiologique qui se produit au sein d'un établissement sur lequel il exerce des missions de contrôle.
  § 6 Bel V doit employer un nombre suffisant de personnes qualifiées et expérimentées, en adéquation avec la nature et le nombre d'établissements contrôlés et d'activités réalisées, afin d'assurer pleinement ses missions. La sous-traitance par Bel V d'études d'appui spécialisées est soumise à autorisation de l'Agence.
  Art. 38.3. - Surveillance de l'Agence sur les fonctions de surveillance déléguées
  § 1 Dans le but de pouvoir exercer la surveillance sur l'exécution des missions de Bel V :
  1. le directeur général de l'Agence surveille l'exécution de la règlementation en matière de protection contre les dangers des rayonnements ionisants et de la réalisation du contrat de gestion conclu avec l'Agence. En particulier, il s'assure que la politique menée par Bel V ne compromet pas l'exécution des tâches de service public visées à l'article 38.1, § 1.;
  2. l'Agence effectue périodiquement des inspections ou audits de l'exécution des fonctions de surveillance qui ont été déléguées à Bel V et/ou du fonctionnement de Bel V;
  3. le directeur général de Bel V adresse à l'Agence des rapports réguliers sur l'exécution de des tâches de surveillance qui lui ont été déléguées en vertu de l'article 38.1, § 2
  § 2 Le contrat de gestion visé au premier paragraphe règle au moins les matières suivantes :
  1. les modalités d'élaboration, d'approbation, de modification et de suivi du plan annuel de contrôles et d'évaluations de sûreté;
  2. les collaborations et support aux activités de l'Agence;
  3. l'élaboration des plans stratégiques et opérationnels;
  4. le système de gestion et la gestion des compétences;
  5. les modalités pratiques de la surveillance de l'Agence sur Bel V.
  § 3 Bel V dispose d'un système de gestion intégré fondé sur des normes nationales ou internationales reconnues. Ce système est effectivement mis en oeuvre, évalué et continuellement amélioré par Bel V.
  § 4 Bel V est tenu d'autoriser le libre accès à ses locaux aux inspecteurs nucléaires de l'Agence qui sont chargés d'exécuter une inspection/audit en vue de vérifier la bonne réalisation des tâches qui lui ont été déléguées par l'Agence et/ou le fonctionnement de Bel V. Bel V est tenu de mettre à la disposition des inspecteurs nucléaires de l'Agence, tous les documents et informations nécessaires à la bonne réalisation de de leur mission.
  Art. 38.4. - Financement des fonctions de surveillance déléguées
  § 1. Les prestations pour les fonctions de surveillances déléguées à Bel V en vertu de l'article 38.1, § 2 sont facturées aux exploitants ou à défaut, aux chefs d'entreprises ou demandeurs d'autorisation, au tarif horaire moyen de :
  - 190 euro pour les prestations accomplies pour les établissements visés à l'article 3.1, a) (base 2017);
  - 138 euro pour les prestations accomplies pour les établissements visés à l'article 3.3 (base 2017);
  § 2 Les tarifs horaires moyens sont liés à l'index de santé du mois de novembre 2017 (105,85 base 2013). Dans le courant du mois de décembre de chaque année en commençant en décembre 2018, les montants sont adaptés à l'index de santé du mois de novembre de cette année. Les montants ainsi adaptés et arrondis à l'Euro sont d'application à partir du 1er janvier de l'année qui suit.
  Si le chiffre après la virgule est égal ou supérieur à 5, le montant total est arrondi à l'unité supérieure; si le chiffre après la virgule est inférieur à 5, le montant total est arrondi à l'unité inférieure.
  Par index de santé, on entend l'indice des prix, calculé et nommé pour l'application de l'article 2, alinéa 1er de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, ratifié par la loi du 30 mars 1994. "
Art. 28. In artikel 50.1 van hetzelfde besluit wordt de definitie " interventionele radiologie " geschrapt.
Art. 28. Dans l'article 50.1 du même arrêté, la définition de " radiologie interventionnelle " est supprimée.
Art. 29. In artikel 51.6.5 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1. in het 2de lid, wordt de zin "In dringende gevallen wordt een kopie van dit verslag onverwijld naar het Agentschap gestuurd" vervangen door de volgende zin: "Deze deskundige in de medische stralingsfysica stuurt onverwijld een kopie van dit verslag naar het Agentschap overeenkomstig de door haar bepaalde modaliteiten en criteria.";
  2. de laatste zin van het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 29. Dans l'article 51.6.5 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1. A l'alinéa 2, la phrase " En cas d'urgence, une copie de ce rapport est transmise sans délai à l'Agence " est remplacée par la phrase suivante : " Cet expert en radiophysique médicale envoie sans délai une copie de ce rapport à l'Agence, suivant les modalités et critères établis par celle-ci. ";
  2. la dernière phrase de l'alinéa 2 est abrogée.
Art. 30. In artikel 54.8.2 van hetzelfde besluit worden in punt e) van de opsomming de woorden "of door het Agentschap of door de door het Agentschap aangewezen erkende instelling" geschrapt.
Art. 30. A l'article 54.8.2 du même arrêté, au point e) de l'énumération, les mots " ou par l'Agence ou par l'organisme agréé qu'elle délègue " sont supprimés.
Art. 31. Artikel 66.3 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 31. L'article 66.3 du même arrêté est abrogé.
Art. 32. In artikel 67.1, vijfde lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "de door het Agentschap aangestelde erkende instelling" vervangen door de woorden "een deskundige erkend in de fysische controle".
Art. 32. Dans l'article 67.1, cinquième alinéa du même arrêté, les mots " l'organisme agréé désigné par l'Agence " sont remplacés par les mots " un expert agréé en contrôle physique ".
Art. 33. In artikel 67.2 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1. de woorden "het hoofd van de inrichting" worden telkens vervangen door de woorden "de exploitant";
  2. het eerste lid wordt aangevuld met de woorden ", in voorkomend geval, in overleg met de deskundige erkend in de fysische controle";
  3. in het derde lid worden de woorden "verricht hij" vervangen door "verricht de deskundige in de fysische controle";
  4. in het derde lid worden de woorden "Hij legt het hoofd van de inrichting" vervangen door "De deskundige erkend in de fysische controle legt de exploitant";
  5. in het vierde lid wordt punt a) van de opsomming aangevuld met de volgende woorden: " en communiceert overeenkomstig de door haar opgestelde modaliteiten en criteria";
  6. het artikel wordt aangevuld met het volgende lid : "Telkens een gebeurtenis zich voordoet die de stralingsbescherming, gezondheid of levenskwaliteit van een patiënt in het kader van een handeling bedoeld in artikel 50.2 in gevaar kan brengen, vergewist de practicus die verantwoordelijk is voor de handeling, zich ervan dat het Agentschap is verwittigd en de communicatie is gebeurd overeenkomstig de door haar bepaalde modaliteiten en criteria. Deze melding aan het Agentschap verleent geen vrijstelling aan de aangifteverplichtingen die krachtens dit reglement en andere regelgeving worden opgelegd. "
Art. 33. Dans l'article 67.2 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
  1. les mots " le chef d'établissement " sont à chaque fois remplacés par les mots " l'exploitant ";
  2. l'alinéa 1 est complété par les mots ", le cas échéant en concertation avec l'expert agréé en contrôle physique ";
  3. dans l'alinéa 3, les mots " Il procède " sont remplacés par " L'expert agréé en contrôle physique procède ";
  4. dans l'alinéa 3, les mots " Il présente au chef d'établissement " sont remplacés par " L'expert agréé en contrôle physique présente à l'exploitant ";
  5. dans l'alinéa 4, le point a) de l'énumération est complété par les mots suivants : ", et communique suivant les modalités et critères établis par celle-ci ";
  6. l'article est complété par l'alinéa suivant : "A chaque fois que survient un événement de nature à compromettre la radioprotection, la santé ou la qualité de vie d'un patient dans le cadre d'une pratique visée à l'article 50.2, le praticien responsable s'assure que l'Agence en est avertie et que la communication est effectuée, selon les modalités et critères définis par celle-ci. Cette déclaration à l'Agence ne dispense pas des obligations de déclaration imposées en vertu du présent règlement et d'autres réglementations. "
Art. 34. In artikel 68.3 van hetzelfde besluit wordt de zin " Die persoon zal, voor zover als mogelijk, de aangestelde voor de bewaking zijn, bedoeld in artikel 30.4. " geschrapt.
Art. 34. Dans l'article 68.3 du même arrêté, la phrase " Cette personne sera, autant que possible, le préposé à la surveillance prévu à l'article 30.4. " est supprimée.
Art. 35. Artikel 73 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
  "Art. 73. - Erkenning van de deskundigen
  73.1. Definities
  Worden deskundigen erkend in de fysische controle van klasse I genoemd: zij die opdrachten van fysische controle in inrichtingen van klasse I, II en III, of in voertuigen met kernaandrijving mogen uitvoeren.
  Worden deskundigen erkend in de fysische controle van klasse II genoemd: zij die opdrachten van fysische controle mogen uitvoeren in inrichtingen van klasse II en III.
  Worden genoemd deskundigen erkend in de fysische controle van klasse T1, zij die opdrachten van fysische controle of controle op de dienst voor fysische controle kunnen uitvoeren in ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7, in organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 en in ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor een onderbrekingssite.
  Worden genoemd deskundigen erkend in de fysische controle van klasse T2, zij die opdrachten van fysische controle of controle op de dienst voor fysische controle kunnen uitvoeren in ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke niet zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen noch een corrosiviteitsrisico vertonen, in organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 en in ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor een onderbrekingssite.
  73.2. Erkenningsvoorwaarden
  Om erkend te kunnen worden, moet elke deskundige voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1. Onderdaan zijn van één van de Lidstaten van de Europese Unie;
  2. Van zijn burgerlijke en politieke rechten genieten;
  3. In het bezit zijn van één van de volgende diploma's:
  - master in de ingenieurswetenschappen
  - master in de industriële wetenschappen
  - master in de industriële ingenieurswetenschappen
  - master in de fysica
  - master in de scheikunde
  of elke andere master in de exacte wetenschappen evenals elk ander diploma dat aan de houder ervan een geschikte vorming verschaft. Voor de kandidaturen voor deskundigen van klasse I wordt het advies van de Wetenschappelijke Raad gevraagd;
  4. In het bezit zijn van een diploma of van getuigschriften van een opleiding in de stralingsbescherming en de nucleaire veiligheid. Deze opleiding omvat ten minste :
  a. voor stralingsbescherming: 12 ECTS;
  b. voor technologie en nucleaire veiligheid:
  i. 24 ECTS voor deskundigen die opdrachten uitvoeren in de inrichtingen van klasse I vermeld in artikel 3.1.a), punt 1°;
  ii. 18 ECTS voor deskundigen die opdrachten uitvoeren in andere inrichtingen van klasse I dan deze vermeld in artikel 3.1.a), punt 1°;
  iii. 100 uur voor deskundigen die opdrachten uitvoeren in inrichtingen van klasse IIA;
  iv. 50 uur voor deskundigen die opdrachten uitvoeren in de overige inrichtingen van klasse II en in inrichtingen van klasse III;
  v. 35 uren voor deskundigen die opdrachten uitvoeren in ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen en/of een corrosiviteitsrisico vertonen, waarvan er 20 uren betrekking hebben op het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 of een opleiding veiligheidsadviseur klasse 7 in België hebben gevolgd en het betreffende getuigschrift hebben behaald, en 15 uren specifiek gewijd zijn aan het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen en/of een corrosiviteitsrisico vertonen;
  vi. 20 uur, of een opleiding veiligheidsadviseur klasse 7 hebben gevolgd in België en het betreffende getuigschrift hebben behaald, voor deskundigen die actief zijn in ondernemingen die erkend zijn voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 welke niet zijn gekarakteriseerd als splijtstoffen noch een corrosiviteitsrisico vertonen, in organisaties die betrokken zijn bij het multimodale vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 en in ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor een onderbrekingssite.
  De deskundige mag voor de punten iii tot vi aantonen dat hij over een gelijkwaardige kennis beschikt.
  5. Afdoende praktische beroepservaring bezitten op het gebied van de stralingsbescherming en de nucleaire veiligheid of, in voorkomend geval, het vervoer van gevaarlijke goederen de van klasse 7;
  6. Voor deskundigen van klasse I, een gunstig advies van de Wetenschappelijke Raad krijgen. Deze Raad kan de aanvrager oproepen en horen. De Raad kan een technische jury samenstellen aan wie de deskundige het bewijs van zijn theoretische en praktische kennis moet leveren.
  Het Agentschap kan minimumeisen opleggen betreffende de inhoud van de vereiste aanvullende opleiding en praktische ervaring in de stralingsbescherming, de nucleaire veiligheid en het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de inrichting of de onderneming waarin de erkende deskundige opdrachten moet uitvoeren.
  73.3. Aanvraag van de erkenning
  De erkenningsaanvragen worden naar het Agentschap gestuurd.
  Ze omvatten:
  1. een curriculum vitae;
  2. elke inlichting of document waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan de eisen inzake diploma, specifieke opleiding en beroepservaring zoals bepaald in artikel 73.2;
  3. een verklaring van de werkgever van de aanvrager dat de erkenning noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn opdrachten en dat hij zich ertoe verbindt om de permanente vorming van de deskundige te zijnen laste te nemen;
  4. een beschrijving van de aard van de toestellen, installaties, handelingen of vervoersactiviteiten met gevaarlijke goederen van de klasse 7 waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;
  5. alle door het Agentschap gevraagde inlichtingen of documenten.
  De erkenningsaanvraag wordt beoordeeld door het Agentschap. Binnen een termijn van dertig kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag laat het Agentschap de aanvrager weten of zijn aanvraag al dan niet volledig is.
  Het Agentschap kan de aanvrager oproepen en horen.
  73.4. Beslissing van het Agentschap
  De erkenning wordt door het Agentschap verleend of geweigerd. Het Agentschap doet uitspraak over de aanvraag binnen een termijn van zestig kalenderdagen of binnen een langere periode die het moet rechtvaardigen. Deze termijn gaat in vanaf de ontvangstdatum van het volledige erkenningsaanvraag of vanaf de datum waarop de Wetenschappelijke Raad advies heeft uitgebracht al naar gelang van het geval. De beslissing van het Agentschap wordt per aangetekend schrijven naar de aanvrager gestuurd.
  Indien het Agentschap van oordeel is dat de gevraagde erkenning niet kan worden verleend, wordt dit vooraf aan de aanvrager meegedeeld waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
  Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
  De erkenning kan territoriaal en/of tot de aard van de toestellen, installaties, handelingen of de activiteiten voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 worden beperkt.
  De eerste erkenning wordt toegekend voor een maximale duurtijd van drie jaar. De erkenning kan toegekend worden voor een kortere periode dan aangevraagd. Deze beperking wordt gemotiveerd.
  De erkenning wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  73.5. Hernieuwing van de erkenning
  De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning moet uiterlijk 6 maanden voor het verstrijken van de lopende erkenning worden ingediend bij het Agentschap.
  Bij de aanvraag tot hernieuwing van de erkenning, moet de deskundige het bewijs leveren dat hij zijn kennis en zijn bekwaamheid op het gebied van de stralingsbescherming, de nucleaire veiligheid en, in voorkomend geval, het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 op peil houdt en verder ontwikkelt in het kader van een permanente vorming.
  De erkende deskundige die een hernieuwing van zijn erkenning aanvraagt moet per erkenningsperiode van 3 jaar een permanente vorming kunnen aantonen van minimum 120 uur voor de deskundigen van klasse I, van minimum 60 uur voor de deskundigen van klasse II, van minimum 24 uur voor de deskundigen van klasse T1 en van minimum 20 uur voor de deskundigen van klasse T2.
  Ten minste de helft van de vereiste uren permanente vorming zijn niet georganiseerd door de werkgever van de erkende deskundige.
  Het Agentschap kan minimumeisen opleggen betreffende de permanente vorming in de stralingsbescherming, de nucleaire veiligheid en het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7.
  De aanvrager toont in zijn aanvraagdossier aan dat hij voldoet aan de eisen inzake permanente vorming, onder andere wat het aantal uren betreft.
  Daartoe worden bij de aanvraag de attesten en documenten gevoegd teneinde de inhoud van de opleidingen te kunnen beoordelen.
  Het Agentschap kan de aanvrager oproepen en horen.
  Voor erkenningen van deskundigen erkend in de fysische controle van klasse I wint het Agentschap het advies van de Wetenschappelijke Raad in.
  Het Agentschap neemt een beslissing over de aanvraag tot hernieuwing van de erkenning overeenkomstig de bepalingen van artikel 73.4.
  De verlenging van de erkenning wordt toegekend voor een maximale duurtijd van zes jaar. De erkenning kan toegekend worden voor een kortere periode dan aangevraagd. Deze beperking wordt gemotiveerd.
  73.6. Aanmaning, opschorting en opheffing van de erkenning
  Indien het Agentschap vaststelt dat een deskundige erkend in de fysische controle zijn opdrachten niet correct uitvoert of zijn verplichtingen niet correct nakomt, kan het Agentschap :
  1. de betreffende deskundige erkend in de fysische controle aanmanen om zijn toestand binnen een gestelde termijn van maximum zes maanden in orde te brengen ;
  2. de erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen;
  3. de erkenning geheel of gedeeltelijk opheffen.
  Indien het Agentschap van oordeel is dat de erkenning geheel of gedeeltelijk moet worden geschorst of opgeheven, wordt dit vooraf aan de houder van de erkenning medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
  Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
  In het geval van de gehele of gedeeltelijke opheffing van de erkenning van een deskundige erkend in de fysische controle van klasse I wint het Agentschap het advies in van de Wetenschappelijke Raad."
Art. 35. L'article 73 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 73. Agrément des experts
  73.1 Définitions
  Sont dénommés experts agréés en contrôle physique de classe I, ceux qui peuvent exercer des missions de contrôle physique dans des établissements de classe I, II, III ou dans des véhicules à propulsion nucléaire.
  Sont dénommés experts agréés en contrôle physique de classe II, ceux qui peuvent exercer des missions de contrôle physique dans les établissements de classe II et III.
  Sont dénommés experts agréés en contrôle physique de classe T1, ceux qui peuvent exercer des missions de contrôle physique dans les entreprises agréées pour le transport de marchandises dangereuses de la classe 7, dans les organisations impliquées dans le transport multimodal de marchandises dangereuses de la classe 7, dans les entreprises responsables d'un site d'interruption.
  Sont dénommés experts agréés en contrôle physique de classe T2, ceux qui peuvent exercer des missions de contrôle physique dans les entreprises agréées pour le transport de marchandises dangereuses de la classe 7 autres que celles caractérisées comme fissiles ou présentant un risque de corrosivité, dans les organisations impliquées dans le transport multimodal de marchandises dangereuses de la classe 7, dans les entreprises responsables d'un site d'interruption.
  73.2 Conditions d'agrément
  Pour pouvoir être agréé, tout expert doit satisfaire aux conditions suivantes :
  1. Etre ressortissant d'un des Etats membres de l'Union européenne;
  2. Jouir de ses droits civils et politiques;
  3. Posséder l'un des diplômes suivants :
  - master en sciences de l'ingénieur
  - master en sciences industrielles
  - master en sciences de l'ingénieur industriel
  - master en sciences physiques
  - master en sciences chimiques
  ou tout autre master en sciences exactes ainsi que tout autre diplôme reconnaissant au porteur une formation appropriée. Pour les candidatures d'experts de classe I l'avis du Conseil scientifique est demandé;
  4. Etre en possession d'un diplôme ou de certificats attestant d'une formation en radioprotection et en sûreté nucléaire. Cette formation comprend au minimum :
  a. en radioprotection : 12 ECTS;
  b. en technologie et sûreté nucléaire :
  i. 24 ECTS pour les experts exerçant des missions dans les établissements de classe I repris à l'article 3.1 a) 1°;
  ii. 18 ECTS pour les experts exerçant des missions dans les établissements de classe I autres que ceux repris à l'article 3.1 a) 1°;
  iii. 100 heures pour les experts exerçant des missions dans les établissements de classe IIA;
  iv. 50 heures pour les experts exerçant des missions dans les autres établissements de classe II et dans les établissements de classe III;
  v. 35 heures, dont 20 heures relatives au transport de marchandises dangereuses de la classe 7 ou avoir suivi la formation en Belgique et être titulaire du certificat de formation de conseiller à la sécurité classe 7, et 15 heures spécifiques au transport des marchandises dangereuses de la classe 7 caractérisées comme fissiles et/ou présentant un risque de corrosivité, pour les experts qui exercent des mission dans les entreprises agréées pour le transport de marchandises dangereuses de la classe 7 caractérisées comme fissiles et/ou présentant un risque de corrosivité;
  vi. 20 heures, ou avoir suivi en Belgique et être titulaire du certificat de formation de conseiller à la sécurité classe 7, pour les experts qui sont actifs dans les entreprises agréées pour le transport de marchandises dangereuses de la classe 7 autres que celles caractérisées comme fissiles ou présentant un risque de corrosivité, dans les organisations impliquées dans le transport multimodal de marchandises dangereuses de la classe 7, dans les entreprises responsables d'un site d'interruption.
  L'expert peut, pour les points iii à vi, justifier de connaissances équivalentes.
  5. Posséder une expérience professionnelle pratique adéquate en radioprotection et sûreté nucléaire ou le cas échéant en transport de marchandises dangereuses de la classe 7;
  6. Pour les experts de classe I, faire l'objet d'un avis favorable du conseil scientifique. Ce conseil peut convoquer et entendre le requérant. Le conseil peut constituer un jury technique devant lequel l'expert est tenu de fournir la preuve de ses connaissances théoriques et pratiques.
  L'Agence peut fixer des exigences minimales concernant le contenu de la formation complémentaire et l'expérience pratique nécessaires en radioprotection, sûreté nucléaire et en transport de marchandises dangereuses de la classe 7, tenant compte des spécificités de l'établissement ou l'entreprise dans lequel l'expert agréé sera amené à exercer des missions.
  73.3 Demande d'agrément
  Les demandes d'agrément sont adressées à l'Agence.
  Elles comprennent:
  1. un curriculum vitae;
  2. tout renseignement ou document attestant que les exigences en matière de diplôme, de formation spécifique et d'expérience professionnelle telles que spécifiées à l'article 73.2, sont satisfaites;
  3. une déclaration de l'employeur du demandeur attestant que l'agrément est nécessaire pour l'exécution de ses missions et s'engageant à prendre à sa charge la formation continue de l'expert;
  4. une description de la nature des appareils, installations, pratiques ou des activités de transport de marchandises dangereuses de la classe 7 pour lesquelles l'agrément est demandé;
  5. tout renseignement ou document demandé par l'Agence.
  La demande d'agrément est instruite par l'Agence. L'Agence informe le demandeur si sa demande est complète ou non dans un délai de 30 jours calendrier à partir de la réception de la demande.
  L'Agence peut convoquer et entendre le demandeur.
  73.4 Décision de l'Agence
  L'agrément est accordé ou refusé par l'Agence. L'Agence statue sur la demande dans un délai de soixante jours calendrier ou dans un délai plus long qu'elle est tenue de justifier. Ce délai commence à courir à partir de la date de réception du dossier complet de demande d'agrément ou de la date de remise d'avis du Conseil Scientifique suivant le cas. La décision de l'Agence est envoyée par lettre recommandée adressée au demandeur.
  Si l'Agence estime ne pouvoir accorder l'agrément sollicité, elle en informe au préalable le demandeur en précisant qu'il a le droit d'être entendu dans les trente jours calendrier à partir de la notification.
  Dans le cas où le demandeur souhaite exercer son droit à être entendu, il en informe l'Agence par écrit, au plus tard le quinzième jour après la notification.
  L'agrément peut être limité territorialement et/ou au point de vue de la nature des appareils, installations, pratiques ou activités de transport de marchandises dangereuses de la classe 7.
  Le premier agrément est accordé pour une durée maximale de trois ans. L'agrément peut être délivré pour une période plus courte que la période sollicitée. Cette restriction est motivée.
  Un extrait de l'agrément est publié au Moniteur belge.
  73.5 Renouvellement d'agrément
  La demande de renouvellement de l'agrément est adressée à l'Agence au plus tard 6 mois avant l'expiration de l'agrément en cours.
  Lors de la demande de renouvellement de son agrément, l'expert doit apporter la preuve qu'il entretient et développe, dans le cadre d'une formation continue, ses connaissances et sa compétence, en sûreté nucléaire, radioprotection, et le cas échéant en transport de marchandises dangereuses de la classe 7.
  L'expert agréé demandant un renouvellement de son agrément doit pouvoir justifier, par période de 3 années d'agrément, d'une formation continue de minimum 120 heures pour les experts de classe I, de minimum 60 heures pour les experts de classe II de minimum 24 heures pour les experts de classe T1 et de minimum 20 heures pour les experts de classe T2.
  Au moins la moitié des heures de formation continue requises ne sont pas organisées par l'employeur de l'expert agréé.
  L'Agence peut fixer des exigences minimales pour le contenu de la formation continue en radioprotection, en sûreté nucléaire et en transport de marchandises dangereuses de la classe 7.
  Le demandeur montre, dans le dossier de la demande, comment il a satisfait aux exigences de formation continue y compris en volume horaire.
  A cette fin, les attestations et documents permettant d'évaluer le contenu des formations sont joints à la demande.
  L'Agence peut convoquer et entendre le demandeur.
  Dans le cas d'agréments d'experts agréés en contrôle physique de classe I, l'Agence recueille l'avis du Conseil Scientifique.
  L'agence prend une décision sur la demande de renouvellement d'agrément suivant les modalités de l'article 73.4.
  La prolongation de l'agrément est accordée pour une durée maximale de six ans. L'agrément peut être délivré pour une période plus courte que la période sollicitée. Cette restriction est motivée.
  73.6 Avertissement, suspension et abrogation d'agrément.
  Si l'Agence constate qu'un expert agréé en contrôle physique n'exécute pas correctement ses missions ou ne remplit pas correctement ses obligations, l'Agence peut :
  1. sommer l'expert agréé en contrôle physique concerné de régulariser sa situation dans un délai imparti ne dépassant pas six mois;
  2. suspendre l'agrément en tout ou en partie;
  3. abroger l'agrément en tout ou en partie.
  Si l'Agence estime devoir abroger ou suspendre l'agrément en tout ou en partie, elle en informe au préalable le titulaire en précisant qu'il a le droit d'être entendu, dans les trente jours calendrier à partir de la notification.
  Dans le cas où le demandeur souhaite exercer son droit à être entendu, il en informe l'Agence par écrit, au plus tard le quinzième jour après la notification.
  Dans le cas de l'abrogation en tout ou en partie de l'agrément d'un expert agréé en contrôle physique de classe I, l'Agence recueille l'avis du Conseil Scientifique."
Art. 36. Artikel 74 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 74. - Instellingen voor fysische controle
  74.1. Benaming
  Alleen de erkende instellingen voor fysische controle mogen de benaming "door het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle erkende instelling voor fysische controle", of een soortgelijke benaming, dragen.
  74.2. Erkenningsvoorwaarden
  74.2.1. Criteria betreffende de organisatie van de instelling voor fysische controle
  Om erkend te kunnen worden, moeten de instellingen volgende voorwaarden vervullen:
  1. De instelling voor fysische controle wordt opgericht volgens het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
  2. De instelling voor fysische controle heeft als maatschappelijk doel om, onder de verantwoordelijkheid van exploitanten of ondernemingshoofden, taken van fysische controle te verrichten zoals bepaald in de artikelen 23.1.5 b) en 23.2.6 b).
  Dit maatschappelijk doel wordt uitdrukkelijk vermeld in de statuten van de instelling voor fysische controle, die geen enkele bepaling mogen bevatten die strijdig is met de bepalingen van de reglementering betreffende de ioniserende stralingen;
  3. De erkende deskundigen van de instelling voor fysische controle die opdrachten van fysische controle uitvoeren zijn onafhankelijk van de exploitanten of de ondernemingshoofden waarvoor ze deze opdrachten uitvoeren. Deze onafhankelijkheid wordt gewaarborgd door de rechtspersoonlijkheid, de statuten, de organisatiestructuur en/of het managementsysteem van de instelling voor fysische controle;
  4. De instelling voor fysische controle stelt een veiligheids- en stralingsbeschermingsbeleid op, evenals een strategie voor de implementatie van dit beleid.
  Het veiligheids- en stralingsbeschermingsbeleid van de instelling voor fysische controle bepaalt en past met name de volgende principes toe :
  a. de erkende instelling werkt aan de continue verbetering van de veiligheid, de stralingsbescherming en de veiligheidscultuur;
  b. de instelling voor fysische controle garandeert haar onafhankelijkheid, onpartijdigheid en integriteit ten aanzien van de inrichtingen en activiteiten waarvoor ze opdrachten en taken van fysische controle uitvoert;
  c. de instelling voor fysische controle spant zich in om de persoon of de organisatie, die voor de inrichting of de activiteit verantwoordelijk is, te overtuigen van het onmisbare karakter van het gebruik van gerechtvaardigde en geoptimaliseerde technieken die hij voortdurend bevordert;
  5. De instelling voor fysische controle moet het bewijs leveren dat zij beschikt over een geïntegreerd managementsysteem en dat dit systeem effectief wordt toegepast, geëvalueerd en continu wordt verbeterd door de instelling. Dit geïntegreerde managementsysteem is gebaseerd op nationale of internationale normen, of op andere door het Agentschap goedgekeurde standaarden.
  De doelstellingen van dit managementsysteem zijn de volgende:
  a. verlenen van de vereiste prioriteit aan de veiligheid en de stralingsbescherming;
  b. erop toezien dat de verantwoordelijkheden van de instelling voor fysische controle correct worden opgenomen;
  c. handhaven en verbeteren van de prestatie van de instelling voor fysische controle via middelen voor de voorbereiding en planning, de ontwikkeling en uitvoering, de controle en verificatie en de aanpassing van haar activiteiten;
  d. garanderen van een homogene uitvoering van hoge kwaliteit van de taken voor fysische controle uitgevoerd door de deskundigen van de instelling;
  e. bevorderen en ondersteunen van de kennisontwikkeling, de opleiding en de veiligheidscultuur van het personeel.
  74.2.2. Criteria betreffende de dagelijkse leiding, de kwalificaties van het personeel en de middelen van de instelling voor fysische controle.
  De erkende instellingen voor fysische controle moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1. In de instelling voor fysische controle wordt een persoon, die de "technisch leidinggevende" wordt genoemd, aangeduid om de opdrachten van fysische controle van de instelling bij de exploitanten en/of bij de ondernemingen die deelnemen aan het vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 7 te leiden en er de operationele verantwoordelijkheid voor te dragen. Deze technisch leidinggevende is een deskundige in de fysische controle van klasse II, T1 of T2, die erkend is overeenkomstig artikel 73 en van wie de erkenning geldig is voor de installaties en handelingen waarvoor de instelling opdrachten van fysische controle uitvoert. De technisch leidinggevende moet ten laatste zes maanden na zijn indiensttreding zijn erkenning verworven hebben.
  2. De instelling voor fysische controle heeft deskundigen in dienst die erkend zijn voor de vergunde installaties/handelingen waarvoor de erkenning wordt aangevraagd. De instelling voor fysische controle moet de permanente vorming van haar deskundigen te haren laste nemen en, in voorkomend geval, de basisopleiding voor het verkrijgen van hun erkenning.
  3. De door de instelling voor fysische controle in dienst genomen erkende deskundigen zijn aan de instelling verbonden door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Hun verloning mag niet afhangen van het aantal prestaties van fysische controle of van de duur of de resultaten hiervan.
  4. De instelling voor fysische controle stelt de meetinstrumenten, dosimetrie, de gepaste individuele beschermingsuitrusting, en alle andere instrumenten of voorzieningen ter beschikking van haar deskundigen erkend in de fysische controle in een voldoende aantal voor de uitvoering van de opdrachten en taken van fysische controle die hen in de inrichtingen of ondernemingen worden toevertrouwd.
  5. De bestuurders, het personeel belast met de leiding, de deskundigen erkend in de fysische controle, evenals alle personeelsleden van de erkende instelling, zijn verplicht:
  a. om onpartijdig te handelen;
  b. om de deontologische en vertrouwelijkheidsregels van de erkende instelling na te leven;
  c. om niet aan de exploitanten of de ondernemingshoofden waarvoor ze opdrachten en taken van fysische controle uitvoert op te leggen om een beroep te doen op een bepaalde derde partij (leverancier, contractant, onderaannemer,...);
  d. om geen geschenken aan te nemen van ondernemingen, of organisaties waarvoor ze opdrachten en taken van fysische controle uitvoert, ongeacht in welke vorm;
  e. om geen enkele andere functie uit te oefenen die onverenigbaar is met hun onafhankelijk oordeel, hun onpartijdigheid en hun integriteit.
  74.2.3.
  De instelling voor fysische controle die voor de eerste keer wordt erkend, mag met haar activiteiten aanvangen voordat ze beschikt over het geheel van haar materiële en menselijke middelen, zoals gespecifieerd in de punten 74.2.2 3° en 74.2.2 4°, en over haar volledig managementsysteem, zoals gespecificeerd in artikel 74.2.1. 5°, op voorwaarde dat ze aangepast zijn aan de haar toevertrouwde opdrachten en taken van fysische controle.
  74.3. Procedure voor de toekenning, wijziging of hernieuwing van de erkenning van de instellingen
  74.3.1. Erkenningsaanvraag
  De aanvraag tot het bekomen, wijzigen of hernieuwen van de erkenning wordt naar het Agentschap gestuurd. De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning moet uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de lopende erkenning naar het Agentschap worden gestuurd.
  De aanvraag tot het bekomen, wijzigen of hernieuwen van de erkenning vermeldt duidelijk de klasse(n) van de inrichting(en), de handelingen, de stoffen, de toestellen, de installaties of de vervoersactiviteiten met gevaarlijke goederen van de klasse 7 waarvoor de instelling opdrachten van fysische controle wil uitvoeren, alsook het gewenste grondgebied.
  De volgende documenten moeten bij de aanvraag tot het bekomen, wijzigen of hernieuwen van de erkenning worden gevoegd :
  1. een organigram van de instelling en een lijst van de personen die in de instelling actief zijn;
  2. een afschrift van de statuten van de instelling voor fysische controle;
  3. een schriftelijke verklaring dat de burgerlijke aansprakelijkheid van de instelling voor fysische controle gedekt wordt door het verzekeringscontract bedoeld in artikel 74.4 lid 1 of, bij een eerste erkenning, een verbintenis om zo'n contract af te sluiten alvorens met haar activiteiten te beginnen;
  4. een beschrijving van het managementsysteem bedoeld in artikel 74.2.1, punt 5, of, bij een eerste erkenning, een intentieverklaring en een actieplan;
  5. een inventaris van de materiële middelen die de instelling gebruikt of nog moet aanschaffen in het kader van haar opdrachten;
  6. alle aanvullende informatie die het Agentschap nuttig acht.
  De aanvraag tot het bekomen, wijzigen of hernieuwen van de erkenning wordt onderzocht door het Agentschap.
  Binnen een termijn van 30 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag laat het Agentschap de instelling weten of haar aanvraag al dan niet volledig is. Deze kennisgeving vermeldt alle onvolledige punten van de aanvraag. De aanvraag wordt onderzocht op basis van de bij het aanvraagdossier gevoegde documenten en van alle inspecties en onderzoeken die het Agentschap nodig acht.
  Zodra de aanvraag volledig is, stuurt het Agentschap het dossier naar de Wetenschappelijke Raad die een advies moet uitbrengen binnen 90 kalenderdagen na ontvangst van het dossier of binnen een langere periode die het moet rechtvaardigen.
  74.3.2. Beslissing van het Agentschap
  De instelling behoudt haar originele erkenning tot het moment dat het Agentschap heeft beslist over de aanvraag tot hernieuwing of wijziging van de erkenning.
  Het Agentschap doet uitspraak over de aanvraag binnen een termijn van 60 kalenderdagen, na het advies van de Wetenschappelijke Raad, of binnen een langere periode die het moet rechtvaardigen.
  Indien het Agentschap van oordeel is dat de gevraagde erkenning niet kan worden verleend, wordt dit vooraf aan de aanvrager medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
  Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
  Het Agentschap stelt de instelling per aangetekend schrijven in kennis van de beslissing, met vermelding van de redenen.
  De erkenning kan territoriaal en/of in functie van de aard van de toestellen, installaties, handelingen of de activiteiten voor het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 worden beperkt.
  De beslissing om de erkenning te verlenen, te wijzigen of te hernieuwen wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  74.4. Verplichtingen en onverenigbaarheden
  De instelling voor fysische controle wordt gedekt door een verzekeringscontract voor burgerlijke aansprakelijkheid, afgesloten bij een verzekeringsonderneming zoals bedoeld in de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.
  De instelling voor fysische controle moet aan de nucleaire inspecteurs van het Agentschap alle documenten en gegevens ter beschikking stellen die zij nodig hebben om hun opdracht goed uit te voeren.
  De instelling voor fysische controle past een reglement van het Agentschap toe, die minstens het volgende bepaalt:
  a) de principes van het type managementsysteem en de processen die het Agentschap voor de instellingen voor fysische controle geschikt acht;
  b) de modaliteiten waarop incidenten en ongevallen door de instelling voor fysische controle moeten worden gemeld;
  c) de inhoud van de verslagen die de instelling voor fysische controle voor het Agentschap opmaakt, evenals de termijn waarbinnen deze aan het Agentschap moeten worden overgemaakt.
  De instelling voor fysische controle bepaalt en respecteert de deontologische regels om elk belangenconflict te vermijden.
  De instelling voor fysische controle past haar organisatiestructuur aan om de naleving van deze deontologische regels te garanderen.
  Behalve in geval van een dringende interventie in het kader van met het Agentschap vastgelegde overeenkomsten, is het verboden voor instelling voor fysische controle om :
  a) bronnen en toestellen die ioniserende straling uitzenden, te gebruiken of te bezitten en
  b) vervoersactiviteiten met gevaarlijke goederen van de klasse 7 te verrichten
  voor rekening van derden.
  Het is de technisch leidinggevende, de erkende deskundigen en de medewerkers van de instelling voor fysische controle verboden, zelfs na het beëindigen van hun functie, om feiten kenbaar te maken waarvan zij door hun functie kennis hebben gekregen en die vanwege hun aard vertrouwelijk, geheim of zeer geheim zijn. Deze bepaling wordt opgenomen in de arbeidsovereenkomst van de betrokkenen.
  De instelling voor fysische controle richt een permanente wachtdienst in om een snelle ondersteuning te kunnen waarborgen in geval van een incident, een ongeval of enige andere gebeurtenis met een stralingsrisico die zich voordoet in een inrichting of tijdens het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 en waarvoor zij de opdrachten van fysische controle uitvoert.
  74.5 Werking
  De erkende deskundige van een instelling voor fysische controle maakt en ondertekent een verslag voor elk bezoek of elke opdracht die hij uitvoert in het kader van de fysische controle. Dit verslag wordt overgemaakt aan het hoofd van de dienst voor fysische controle en aan de exploitant of het ondernemingshoofd.
  Op vraag van de exploitant, sturen de instellingen voor fysische controle, overeenkomstig de door het Agentschap opgestelde modaliteiten, de inventaris vermeld in artikel 27bis en een inventaris van alle toestellen die ioniserende straling kunnen uitzenden en van andere apparatuur voor radiotherapie en nucleaire geneeskunde die aanwezig is in de inrichtingen waarin zij opdrachten van fysische controle uitvoeren, naar het Agentschap.
  De opdrachten, taken en verantwoordelijkheden die door een exploitant of een ondernemingshoofd aan een deskundige erkend in de fysische controle van de erkende instelling worden toevertrouwd in het kader van de artikels 23.1.5 b), 23.2.6 b) van het Algemeen Reglement mogen door de instelling voor fysische controle niet aan een derde partij worden gedelegeerd.
  Het uitbesteden van gespecialiseerde ondersteunende studies is uitsluitend toegestaan in uitzonderlijke gevallen of om bepaalde deeltaken te vervullen waarvoor bijzondere middelen vereist zijn. De identiteit en de kwalificaties van de onderaannemers en de voorwaarden van de onderaanneming worden meegedeeld aan het Agentschap en aan de betreffende exploitant of ondernemingshoofd.
  De instelling voor fysische controle moet onmiddellijk het volgende schriftelijk meedelen aan het Agentschap:
  a) elke wijziging van haar statuten;
  b) elke wijziging in de vertegenwoordiging van haar statutaire organen;
  c) elke vervanging van de technisch leidinggevende;
  d) elke wijziging in het bestand van erkende deskundigen;
  e) elke organisatorische of technische wijziging die een effect kan hebben op de naleving van de erkenningscriteria.
  74.6 Aanmaning, opschorting en opheffing van de erkenning
  Indien het Agentschap vaststelt dat een instelling voor fysische controle haar opdrachten niet correct uitvoert, haar verplichtingen niet nakomt, een inbreuk pleegt op de onverenigbaarheden of de erkenningsvoorwaarden niet naleeft, kan het Agentschap:
  1. de betreffende instelling voor fysische controle aanmanen om haar toestand binnen een gestelde termijn van maximum zes maanden in orde te brengen;
  2. de erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen;
  3. de erkenning geheel of gedeeltelijk opheffen.
  De erkenning kan tevens geheel of gedeeltelijk worden geschorst indien blijkt dat de instelling voor fysische controle gedurende een periode van drie jaar geen enkele of slechts een marginale activiteit heeft verricht op één of meer gebieden waarop haar erkenning betrekking heeft.
  Indien het Agentschap van oordeel is dat de erkenning moet worden opgeheven of geschorst, wordt dit vooraf aan de instelling voor fysische controle medegedeeld, waarbij wordt verduidelijkt dat zij het recht heeft om binnen de dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving gehoord te worden.
  Indien de aanvrager wenst gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden, dient hij dit uiterlijk op de vijftiende dag na de kennisgeving schriftelijk kenbaar te maken aan het Agentschap.
  In het geval van de gehele of gedeeltelijke opheffing van de erkenning wint het Agentschap het advies in van de Wetenschappelijke Raad."
Art. 36. L'article 74 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 74. - Organismes de contrôle physique
  74.1 Dénomination
  Seuls les organismes de contrôle physique agréés sont autorisés à porter la dénomination : " Organisme de contrôle physique agréé par l'Agence fédérale de Contrôle nucléaire " ou toute dénomination analogue.
  74.2. Conditions d'agrément
  74.2.1. Critères relatifs à l'organisation de l'organisme de contrôle physique.
  Pour pouvoir être agréés, les organismes doivent satisfaire aux conditions suivantes :
  1. L'organisme de contrôle physique est créé selon le droit d'un état membre de l'Espace économique européen;
  2. L'organisme de contrôle physique a pour objet social d'exécuter, sous la responsabilité d'exploitants ou de chefs d'entreprises, des tâches de contrôle physique telles que définies aux articles 23.1.5 b) et 23.2.6 b).
  Cet objet social est explicitement repris dans les statuts de l'organisme de contrôle physique, qui ne peuvent contenir aucune disposition contraire aux dispositions de la réglementation en matière de rayonnements ionisants;
  3. Les experts agréés de l'organisme de contrôle physique qui exercent des missions de contrôle physique sont indépendants des exploitants ou des chefs d'entreprises pour lesquels ils effectuent ces missions. Cette indépendance est garantie par la personnalité juridique, les statuts, la structure organisationnelle et/ou le système de gestion de l'organisme de contrôle physique;
  4. L'organisme de contrôle physique établit une politique de sûreté et de radioprotection ainsi qu'une stratégie pour implémenter cette politique.
  La politique de sûreté et de radioprotection de l'organisme de contrôle physique édicte et met en oeuvre notamment les principes suivants :
  a. l'organisme de contrôle physique oeuvre en vue de l'amélioration continue de la sûreté, de la radioprotection et de la culture de sûreté;
  b. l'organisme de contrôle physique garantit son indépendance, son impartialité et son intégrité vis-à-vis des établissements et activités pour lesquels il effectue des missions et tâches de contrôle physique;
  c. l'organisme de contrôle physique s'efforce de convaincre la personne ou l'organisation responsable de l'établissement ou de l'activité du caractère indispensable de l'utilisation de techniques justifiées et optimisées qu'il promeut en permanence;
  5. L'organisme de contrôle physique doit fournir la preuve qu'il dispose d'un système de gestion intégré et que ce système est effectivement mis en oeuvre, évalué et continuellement amélioré par l'organisme. Ce système de gestion intégré est fondé sur des normes nationales ou internationales ou autres standards approuvés par l'Agence.
  Les objectifs de ce système de gestion sont les suivants :
  a. donner la priorité requise à la sûreté et à la radioprotection;
  b. assurer que les responsabilités de l'organisme de contrôle physique sont assumées correctement;
  c. maintenir et améliorer la performance de l'organisme de contrôle physique par des moyens de préparation et planification, de développement et réalisation, de contrôle et vérification, et d'ajustement de ses activités;
  d. garantir une exécution homogène de haute qualité des tâches de contrôle physique effectuées par les experts de l'organisme;
  e. favoriser et supporter le développement des connaissances, la formation et la culture de sûreté de son personnel.
  74.2.2. Critères relatifs à la direction quotidienne, aux qualifications du personnel et aux moyens de l'organisme de contrôle physique.
  Les organismes agréés de contrôle physique satisfont aux conditions suivantes :
  1. Au sein de l'organisme de contrôle physique, une personne, appelée 'dirigeant technique', est désignée pour diriger les activités de contrôle physique de l'organisme auprès des exploitants et/ou des entreprises participant au transport des marchandises dangereuses de la classe 7 et pour en assumer la responsabilité opérationnelle. Ce dirigeant technique est un expert en contrôle physique de classe II ou T1 ou T2, agréé en vertu de l'article 73 et dont l'agrément couvre les installations et pratiques pour lesquelles l'organisme effectue des missions de contrôle physique. Le dirigeant technique doit avoir obtenu son agrément au plus tard six mois après sa prise de fonction.
  2. L'organisme de contrôle physique emploie des experts agréés pour les installations/pratiques autorisées pour lesquelles l'agrément est demandé. L'organisme de contrôle physique doit prendre à sa charge la formation continue de ses experts agréés, et le cas échéant, la formation initiale en vue de l'obtention de leur agrément.
  3. Les experts agréés employés par l'organisme de contrôle physique y sont liés par un contrat de travail à durée indéterminée. Leur rémunération ne peut pas dépendre du nombre de prestations de contrôle physique ou de la durée ou des résultats de celles-ci.
  4. L'organisme de contrôle physique met à disposition de ses experts agréés en contrôle physique les moyens de mesure, de dosimétrie, les équipements de protection individuelle adéquats, et tout autre moyen ou équipement en nombre suffisant, pour l'exécution des missions et tâches de contrôle physique qui leur sont confiées dans les établissements ou entreprises.
  5. Les administrateurs, le personnel chargé de la direction, les experts agréés en contrôle physique, ainsi que l'ensemble du personnel de l'organisme agréé, sont tenus :
  a. d'agir avec impartialité;
  b. de respecter les règles de déontologie et de confidentialité de l'organisme agréé;
  c. de ne pas imposer aux exploitants ou chefs d'entreprise pour lesquels il exerce des missions et tâches de contrôle physique de recourir à une tierce partie donnée (fournisseur, contractant, sous-traitant,...);
  d. de ne pas recevoir de gratifications des entreprises ou organisations pour lesquelles il exerce des missions et tâches de contrôle physique, sous quelque forme que ce soit;
  e. de n'exercer aucune autre fonction incompatible avec leur indépendance de jugement, leur impartialité et leur intégrité.
  74.2.3.
  L'organisme de contrôle physique qui est agréé pour la première fois peut commencer ses activités avant que sa dotation en matériel et en personnel telle que spécifiée aux points 74.2.2 3° et 74.2.2 4°, et que son système de gestion, tel que spécifié à l'article 74.2.1 5° ne soient complets, pour autant qu'ils soient adaptés aux missions et tâches de contrôle physique qui lui sont confiées.
  74.3. Procédure d'octroi, de modification ou de renouvellement de l'agrément des organismes
  74.3.1. Demande d'agrément
  La demande d'agrément, de modification ou de renouvellement de l'agrément est adressée à l'Agence. La demande de renouvellement de l'agrément est adressée à l'Agence au plus tard six mois avant l'expiration de l'agrément en cours.
  La demande d'agrément, de modification ou de renouvellement de l'agrément indique clairement la(les) classe(s) d'établissement, les pratiques, les substances, les appareils, les installations ou les activités de transport de marchandises dangereuses de la classe 7 pour lesquels l'organisme souhaite effectuer des missions de contrôle physique et le territoire souhaité.
  Les documents suivants sont joints à la demande d'agrément, de modification ou de renouvellement de l'agrément :
  1. un organigramme de l'organisme et une liste des personnes actives au sein de l'organisme;
  2. une copie des statuts de l'organisme de contrôle physique;
  3. une déclaration écrite attestant que la responsabilité civile de l'organisme de contrôle physique est couverte par le contrat d'assurance visé au point 74.4 alinéa 1, ou, dans le cas d'un premier agrément, un engagement à conclure un tel contrat avant de commencer ses activités;
  4. une description de son système de gestion visé à l'article 74.2.1 point 5 ou, dans le cas d'un premier agrément, une déclaration d'intention accompagnée d'un plan d'action;
  5. un inventaire des moyens matériels utilisés ou à acquérir dans le cadre de ses missions;
  6. les renseignements complémentaires que l'Agence juge utiles.
  La demande d'agrément, de modification ou de renouvellement de l'agrément est examinée par l'Agence.
  Dans un délai de 30 jours calendrier suivant la réception de la demande, l'Agence indique à l'organisme si sa demande est complète ou non. La notification précise tous les points incomplets de la demande. L'examen de la demande se base sur les documents joints au dossier de demande ainsi que sur chaque inspection et enquête de l'Agence jugée nécessaire.
  Lorsqu'elle reçoit la demande complète, l'Agence transmet le dossier au Conseil scientifique qui doit rendre un avis dans les 90 jours calendrier à dater de la réception du dossier ou dans un délai plus long qu'il doit justifier.
  74.3.2. Décision de l'Agence
  L'organisme conserve son agrément original jusqu'au moment où l'Agence a statué sur la demande de renouvellement ou de modification de l'agrément.
  L'Agence statue sur la demande dans un délai de 60 jours calendrier suivant l'avis du Conseil scientifique ou dans un délai plus long qu'elle doit justifier.
  Si l'Agence estime ne pouvoir accorder l'agrément sollicité, elle en informe au préalable le demandeur en précisant qu'il a le droit d'être entendu dans les trente jours calendrier à partir de la notification.
  Dans le cas où le demandeur souhaite exercer son droit à être entendu, il en informe l'Agence par écrit, au plus tard le quinzième jour après la notification.
  La décision est notifiée à l'organisme, avec indication des motifs, par lettre recommandée à la poste.
  L'agrément peut être limité territorialement et/ou au point de vue de la nature des appareils, installations, pratiques ou activités de transport de marchandises dangereuses de la classe 7.
  La décision d'octroyer, de modifier ou de renouveler l'agrément est publiée au Moniteur belge.
  74.4. Devoirs et incompatibilités.
  L'organisme de contrôle physique est couvert par un contrat d'assurance en responsabilité civile conclu auprès d'une entreprise d'assurances visée dans la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances.
  L'organisme de contrôle physique est tenu de mettre à la disposition des inspecteurs nucléaires de l'Agence tous les documents et données nécessaires pour le bon exercice de leur mission.
  L'organisme de contrôle physique applique un règlement de l'Agence qui fixe au moins:
  a) Les principes du type de système de gestion et les processus que l'Agence estime adaptés aux organismes de contrôle physique;
  b) les modalités de déclaration d'incidents et accidents par l'organisme de contrôle physique;
  c) le contenu des rapports que l'organisme de contrôle physique dresse à destination de l'Agence ainsi que le délai dans lequel ceux-ci doivent être envoyés à l'Agence.
  L'organisme de contrôle physique définit et respecte des règles de déontologie afin d'éviter tout conflit d'intérêt.
  L'organisme de contrôle physique adapte sa structure organisationnelle pour garantir le respect de ces règles déontologiques.
  Sauf en cas d'intervention urgente ou dans le cadre de conventions établies avec l'Agence, il est interdit à l'organisme de contrôle physique :
  a) d'utiliser ou détenir des sources et appareils émettant des rayonnements ionisants et
  b) de réaliser toute activité de transport de marchandises dangereuses de la classe 7
  pour le compte de tiers.
  Il est interdit au dirigeant technique, aux experts agréés et aux employés de l'organisme de contrôle physique, même après avoir cessé leurs fonctions, de révéler les faits dont ils auraient eu connaissance en raison de leur fonction et qui auraient un caractère confidentiel, secret ou très secret de par leur nature. Cette disposition est reprise dans le contrat de travail des intéressés.
  L'organisme de contrôle physique organise un rôle de garde permanent garantissant une assistance rapide en cas d'incident, d'accident ou de tout autre événement impliquant un risque radiologique qui se produit au sein d'un établissement ou lors du transport de marchandises dangereuses de la classe 7 pour lequel il exerce des missions de contrôle physique.
  74.5. Fonctionnement
  L'expert agréé d'un organisme de contrôle physique dresse et signe un rapport pour chaque visite, ou mission qu'il effectue dans le cadre du contrôle physique. Ce rapport est adressé au chef du service de contrôle physique ainsi qu'à l'exploitant ou au chef d'entreprise.
  Sur demande de l'exploitant, les organismes de contrôle physique transmettent à l'Agence, selon les modalités définies par celle-ci, l'inventaire tel que défini à l'article 27bis ainsi que l'inventaire de tous les appareils capables d'émettre des rayonnements ionisants et autres installations de radiothérapie et de médecine nucléaire présents dans les établissements dans lesquels ils effectuent des missions de contrôle physique.
  Les missions, tâches et responsabilités confiées par un exploitant ou un chef d'entreprise à un expert agréé de contrôle physique de l'organisme agréé dans le cadre des articles 23.1.5 b), 23.2.6 b) du Règlement général ne peuvent pas être déléguées par l'organisme de contrôle physique à une tierce partie.
  La délégation d'études d'appui spécialisées est uniquement autorisée en cas exceptionnels ou pour l'accomplissement de certaines tâches partielles qui nécessitent des ressources particulières. L'identité et les qualifications des sous-traitants ainsi que les modalités de la sous-traitance sont communiquées à l'Agence et à l'exploitant ou au chef d'entreprise concerné.
  L'organisme de contrôle physique est tenu de communiquer immédiatement par écrit à l'Agence :
  a) toute modification de ses statuts;
  b) toute modification au niveau de la représentation de ses organes statutaires;
  c) tout remplacement du dirigeant technique;
  d) toute modification de l'effectif des experts agréés;
  e) toute modification de nature organisationnelle ou technique susceptible d'avoir un impact sur le respect des critères d'agrément.
  74.6 Avertissement, suspension et abrogation de l'agrément
  Si l'Agence constate qu'un organisme de contrôle physique n'exécute pas correctement ses missions, ne respecte pas ses devoirs, commet une infraction aux incompatibilités ou que les conditions d'agrément ne sont pas respectées, l'Agence peut :
  1. sommer l'organisme de contrôle physique concerné de régulariser sa situation dans un délai imparti ne dépassant pas six mois;
  2. suspendre l'agrément en tout ou en partie;
  3. abroger l'agrément en tout ou en partie.
  L'agrément de l'organisme de contrôle physique peut aussi être suspendu en tout ou en partie, s'il s' avère que, durant une période de trois ans, l'organisme de contrôle physique n'a exercé aucune activité dans un ou plusieurs domaines concernés par son agrément ou que cette activité est marginale.
  Si l'Agence estime devoir abroger ou suspendre l'agrément, elle en informe au préalable l'organisme de contrôle physique en précisant qu'il a le droit d'être entendu, dans les trente jours calendrier à partir de la notification.
  Dans le cas où le demandeur souhaite exercer son droit à être entendu, il en informe l'Agence par écrit, au plus tard le quinzième jour après la notification.
  Dans le cas de l'abrogation en tout ou en partie de l'agrément, l'Agence recueille l'avis du Conseil Scientifique."
Art. 37. In artikel 5 van het koninklijk besluit van betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7, wordt de definitie van aangestelde voor het vervoer geschrapt.
Art. 37. Dans l'article 5 de l'arrêté royal du 22 octobre 2017 concernant le transport de marchandises dangereuses de la classe 7, la définition de préposé au transport est supprimée.
Art. 38. In artikelen 19, 61, 82 en 137 van het koninklijk besluit van 22 oktober 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7, worden de woorden "aangestelde voor het vervoer" door "agent voor de stralingsbescherming" vervangen.
Art. 38. Dans les articles 19, 61, 82 et 137 de l'arrêté royal du 22 octobre 2017 concernant le transport de marchandises dangereuses de la classe 7, les mots " préposé au transport " sont remplacés par " agent de radioprotection ".
HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen
CHAPITRE III. - Mesures transitoires
Art. 39. Artikel 81.3 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met het volgende lid:
  "Voor de inrichtingen vermeld in de artikelen 3.1.a) en 3.3 die reeds vergund zijn op 1 januari 2019 treden de bepalingen van de artikelen 23.1.2, 23.1.3 en 30.4 in werking op 1 januari 2020. Voor de overige inrichtingen die reeds vergund zijn op 1 januari 2019 treden de bepalingen van de artikelen 23.1.3 en 30.4 in werking op 1 januari 2021.
  De bepalingen van artikel 23.1.1 treden in werking op 1 juli 2019.
  Voor de bij het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 betrokken ondernemingen of organisaties die reeds vergund of erkend zijn op 1 januari 2019 overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VII van dit reglement of van het koninklijke besluit van 22 oktober 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse 7 treden de bepalingen van de artikelen 23.2 en 30.4 in werking op 1 juli 2020.
  Tot aan de inwerkingtreding van voornoemde bepalingen blijft de bestaande regelgeving van kracht."
Art. 39. L'article 81.3 du même arrêté est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Pour les établissements repris aux articles 3.1 a) et 3.3 déjà autorisés au 1er janvier 2019, les dispositions des articles 23.1.2, 23.1.3 et 30.4 entrent en vigueur le 1er janvier 2020. Pour les autres établissements déjà autorisés au 1er janvier 2019, les dispositions des articles 23.1.3 et 30.4 entrent en vigueur le 1er janvier 2021.
  Les dispositions de l'article 23.1.1 entrent en vigueur le 1er juillet 2019.
  Pour les entreprises ou organisations impliquées dans le transport de marchandises dangereuses de la classe 7 déjà autorisées ou agréées au 1er janvier 2019 selon les dispositions chapitre VII de ce règlement ou de l'Arrêté royal du 22 octobre 2017 concernant le transport de marchandises dangereuses de la classe 7, les dispositions des articles 23.2 et 30.4 entrent en vigueur le 1er juillet 2020.
  Jusqu'à l'entrée en vigueur des dispositions susmentionnées, la règlementation existante reste d'application. "
Art. 40. In artikel 81.8 van hetzelfde besluit wordt het laatste lid vervangen door wat volgt:
  "De erkenningen die geldig zijn op 1 januari 2019 en die zijn verleend krachtens artikel 73 blijven geldig tot hun vervaldag.
  Het Agentschap kan voor deskundigen die voor de eerste keer een erkenning aanvragen, een gelijkwaardige kennis in aanmerking nemen voor wat betreft de diploma's en opleidingen bedoeld in de artikelen 73.2 punt 3, 73.2 punt 4.a, 73.2 punten 4.b, i en ii, indien deze werd verworven voor 1 januari 2010.
  De deskundigen in de fysische controle die erkend zijn op 1 januari 2019 worden vrijgesteld van de eisen inzake de basisopleiding bedoeld in artikel 73.2, punten 3 en 4."
Art. 40. Dans l'article 81.8 du même arrêté, le dernier alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Les agréments valables au 1er janvier 2019, délivrés en vertu de l'article 73, restent valides jusqu'à leur échéance.
  L'Agence peut, pour les experts qui sollicitent leur agrément pour la première fois, prendre en compte des connaissances équivalentes aux diplômes et formations prévus aux articles 73.2 point 3, 73.2 point 4.a, 73.2 points 4.b, i et ii, si ceux-ci ont été acquis avant le 1er janvier 2010.
  Les experts en contrôle physique agréés à la date du 1er janvier 2019 sont exonérés des exigences de formation initiale visées à l'article 73.2 points 3 et 4. "
HOOFDSTUK IV. - Inwerkingtreding
CHAPITRE IV. - Entrée en vigueur
Art. 41. Met uitzondering van de artikelen 3 en 6, die reeds in werking zijn getreden, en van artikel 13, treedt de wet van 7 mei 2017 tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het federaal agentschap voor Nucleaire Controle, wat betreft de organisatie van de fysische controle, in werking op de tiende dag na de publicatie van onderhavig besluit in het Belgisch Staatsblad.
  Artikel 13 van de wet van 7 mei 2017 tot wijziging van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het federaal agentschap voor Nucleaire Controle, wat betreft de organisatie van de fysische controle, treedt in werking op 1 januari 2021.
Art. 41. A l'exception des articles 3 et 6, qui sont déjà entrés en vigueur, et de l'article 13, la loi du 7 mai 2017 portant modification de la loi du 15 avril 1994 relative à la protection de la population et de l'environnement contre les dangers résultant des rayonnements ionisants et relative à l'agence fédérale de Contrôle Nucléaire, concernant l'organisation du contrôle physique, entre en vigueur le dixième jour après la publication du présent arrêté au Moniteur Belge.
  L'article 13 de la loi du 7 mai 2017 portant modification de la loi du 15 avril 1994 relative à la protection de la population et de l'environnement contre les dangers résultant des rayonnements ionisants et relative à l'agence fédérale de Contrôle Nucléaire, concernant l'organisation du contrôle physique, entre en vigueur le 1er janvier 2021.
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen
CHAPITRE V. - Dispositions finales
Art. 42. De minister tot wiens bevoegdheid de Binnenlandse Zaken behoren is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 42. Le ministre qui à l'Intérieur dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté