Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
21 SEPTEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de nadere regels voor het toekennen van een sociale toeslag(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-11-2018 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Titre
21 SEPTEMBRE 2018. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand fixant les modalitĂ©s en vue de l'attribution d'un supplĂ©ment social(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 13-11-2018 et mise Ă  jour au 28-11-2025)
Documentinformatie
Numac: 2018040745
Datum: 2018-09-21
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018040745
Date: 2018-09-21
Moniteur: Voir
Tekst (34)
Texte (34)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° [2 ...]2
  2° feitelijk gezin: een leefeenheid waarin twee personen die geen bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad zijn, samenwonen en samen een huishouden regelen, hetzij financieel, hetzij op een andere ondersteunende manier;
  3° kadastraal inkomen, afgekort Ki: het kadastraal inkomen, vermeld in titel IX van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen;
  4° Ki vreemd gebruik: Ki van de onroerende goederen die noch als eigen hoofdverblijfplaats, noch voor eigen beroepsdoeleinden worden gebruikt. [1 In dit besluit wordt het Ki van een onroerend goed niet beschouwd als Ki vreemd gebruik als dat onroerend goed niet als eigen hoofdverblijfplaats wordt gebruikt door de stand van de bouwwerkzaamheden of van de verbouwingswerkzaamheden die het de begunstigden niet toelaten om de woning daadwerkelijk te betrekken, onder de voorwaarden, vermeld in artikel 14538, § 1, van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992]1;
  5° Ki voor eigen beroepsdoeleinden: het Ki van de onroerende goederen die voor eigen beroepsdoeleinden gebruikt worden, vermeld op het aanslagbiljet van de personenbelasting;
  6° toekenningsjaar: de periode van 1 oktober tot en met 30 september van het volgende kalenderjaar.
  
Article 1er. Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
  1° [2 ...]2
  2° famille réelle : une unité de vie dans laquelle deux personnes qui ne sont pas des parents ou alliés jusqu'au troisiÚme degré inclus habitent ensemble et forment un ménage ensemble, soit financiÚrement, soit d'une autre maniÚre solidaire ;
  3° revenu cadastral, en abrégé RC : le revenu cadastral visé au titre IX du Code des ImpÎts sur les Revenus ;
  4° RC affectĂ© Ă  d'autres usages : RC des biens immobiliers qui ne sont affectĂ©s ni Ă  la rĂ©sidence principale, ni Ă  l'exercice des propres activitĂ©s professionnelles. [1 Dans cet arrĂȘtĂ©, le RC d'un bien immobilier n'est pas considĂ©rĂ© comme RC affectĂ© Ă  d'autres usages lorsque ce bien immobilier n'est pas utilisĂ© comme rĂ©sidence principale propre en raison de travaux de construction ou de transformation qui ne permettent pas aux bĂ©nĂ©ficiaires d'occuper effectivement le bien, conformĂ©ment aux conditions prĂ©vues Ă  l'article 14538, § 1er, du Code des impĂŽts sur les revenus 1992]1;
  5° RC utilisé à des propres fins professionnelles : le RC des biens immobiliers utilisés à des propres fins professionnelles, mentionné sur la feuille d'imposition des impÎts des personnes physiques ;
  6° année d'allocation : la période du 1er octobre au 30 septembre inclus de l'année calendaire suivante.
  
Art.1 TOEKOMSTIG RECHT.
   In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° [2 ...]2
  2° feitelijk gezin: een leefeenheid waarin twee personen die geen bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad zijn, samenwonen en samen een huishouden regelen, hetzij financieel, hetzij op een andere ondersteunende manier;
  3° kadastraal inkomen, afgekort Ki: het kadastraal inkomen, vermeld in titel IX van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen;
  4° Ki vreemd gebruik: Ki van de onroerende goederen die noch als eigen hoofdverblijfplaats, noch voor eigen beroepsdoeleinden worden gebruikt. [1 In dit besluit wordt het Ki van een onroerend goed niet beschouwd als Ki vreemd gebruik als dat onroerend goed niet als eigen hoofdverblijfplaats wordt gebruikt door de stand van de bouwwerkzaamheden of van de verbouwingswerkzaamheden die het de begunstigden niet toelaten om de woning daadwerkelijk te betrekken, onder de voorwaarden, vermeld in artikel 14538, § 1, van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992]1;
  5° Ki voor eigen beroepsdoeleinden: het Ki van de onroerende goederen die voor eigen beroepsdoeleinden gebruikt worden, vermeld op het aanslagbiljet van de personenbelasting;
  6° toekenningsjaar: de periode van [3 1 september tot en met 31 augustus]3 van het volgende kalenderjaar.
Art. 1 DROIT FUTUR.    Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
  1° [2 ...]2
  2° famille réelle : une unité de vie dans laquelle deux personnes qui ne sont pas des parents ou alliés jusqu'au troisiÚme degré inclus habitent ensemble et forment un ménage ensemble, soit financiÚrement, soit d'une autre maniÚre solidaire ;
  3° revenu cadastral, en abrégé RC : le revenu cadastral visé au titre IX du Code des ImpÎts sur les Revenus ;
  4° RC affectĂ© Ă  d'autres usages : RC des biens immobiliers qui ne sont affectĂ©s ni Ă  la rĂ©sidence principale, ni Ă  l'exercice des propres activitĂ©s professionnelles. [1 Dans cet arrĂȘtĂ©, le RC d'un bien immobilier n'est pas considĂ©rĂ© comme RC affectĂ© Ă  d'autres usages lorsque ce bien immobilier n'est pas utilisĂ© comme rĂ©sidence principale propre en raison de travaux de construction ou de transformation qui ne permettent pas aux bĂ©nĂ©ficiaires d'occuper effectivement le bien, conformĂ©ment aux conditions prĂ©vues Ă  l'article 14538, § 1er, du Code des impĂŽts sur les revenus 1992]1;
  5° RC utilisé à des propres fins professionnelles : le RC des biens immobiliers utilisés à des propres fins professionnelles, mentionné sur la feuille d'imposition des impÎts des personnes physiques ;
  6° année d'allocation : la période du [3 1er septembre au 31 août inclus]3 de l'année calendaire suivante.
HOOFDSTUK 2. - Gezinsbegrip
CHAPITRE 2. - Notion de famille
Art. 2. § 1. Voor de berekening van de inkomsten van het gezin, vermeld in artikel 18, eerste lid, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, wordt rekening gehouden met de inkomsten van de beide begunstigden voor hetzelfde rechtgevend kind die op hetzelfde adres wonen.
  Er wordt rekening gehouden met de inkomsten van de begunstigde en de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt als er maar een begunstigde is of als de beide begunstigden voor hetzelfde rechtgevend kind, niet op hetzelfde adres wonen.
  § 2. Als de begunstigde samenwoont met meerdere niet-verwante personen, wordt hij geacht een feitelijk gezin te vormen met, in afdalende volgorde van voorrang:
  1° de persoon met wie de begunstigde gehuwd is, als vermeld in artikel 3, § 1, 16°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1;
  2° de andere ouder van het kind;
  3° de persoon met wie hij samen de gezinswoning heeft gekocht of gebouwd;
  4° de persoon met wie de begunstigde verklaart samen de kinderen op te voeden;
  5° de persoon met wie de begunstigde het langst samenwoont.
  In het eerste lid wordt verstaan onder niet-verwante persoon: een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad.
  
Art. 2. § 1er. Pour le calcul des revenus de la famille visĂ©s Ă  l'article 18, alinĂ©a premier, du [1 dĂ©cret relatif au Panier de croissance de 2018]1, il est tenu compte des revenus des deux bĂ©nĂ©ficiaires pour le mĂȘme enfant bĂ©nĂ©ficiaire qui habitent Ă  la mĂȘme adresse.
  Le revenu du bĂ©nĂ©ficiaire et celui de la personne avec laquelle il forme une famille rĂ©elle sont pris en compte s'il n'y a qu'un seul bĂ©nĂ©ficiaire ou si les deux bĂ©nĂ©ficiaires n'habitent pas Ă  la mĂȘme adresse pour le mĂȘme enfant bĂ©nĂ©ficiaire.
  § 2. Si le bénéficiaire cohabite avec plusieurs personnes sans lien de parenté, il est réputé constituer une famille réelle, par ordre décroissant de priorité, avec :
  1° la personne avec laquelle le bénéficiaire est marié, tel que visé à l'article 3, § 1er, 16°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1 ;
  2° l'autre parent de l'enfant ;
  3° la personne avec laquelle il a acheté ou construit le logement familial ;
  4° la personne avec laquelle le bénéficiaire déclare élever les enfants ensemble ;
  5° la personne avec laquelle le bénéficiaire cohabite le plus longtemps.
  Au premier alinéa, il faut entendre par une personne sans lien de parenté : une personne qui n'est pas un parent ou allié jusqu'au troisiÚme degré inclus.
  
Art. 3. § 1. Het samenwonen, vermeld in artikel 2, § 2, blijkt uit een gemeenschappelijk domicilie volgens de gegevens vermeld in het Rijksregister en kan alleen weerlegd worden door een officieel document van een overheid of een overheidsinstelling, dat gebaseerd is op de reële gezinssituatie.
  § 2. De volgende documenten worden aanvaard als een officieel document als vermeld in paragraaf 1:
  1° een ontvangstbewijs van de aangifte, vermeld in artikel 7, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister;
  2° een attest van de politie dat vaststelt dat de toestand, vermeld in het Rijksregister, niet overeenstemt met de reële situatie;
  3° een beschikking, vonnis of arrest van een rechtbank of hof;
  4° een attest van een OCMW dat vaststelt dat de toestand, vermeld in het Rijksregister niet overeenstemt met de reële situatie.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, kan de lijst met officiële documenten die aanvaard worden om de gegevens vermeld in het Rijksregister te weerleggen, aanvullen.
  § 3. Als het samenwonen niet blijkt uit de gegevens van het Rijksregister, kan de vorming van een feitelijk gezin bewezen worden door:
  1° een controle door de gezinsinspecteur;
  2° een vaststelling die gemaakt is door een andere overheidsdienst, waaruit de feitelijke gezinssamenstelling blijkt;
  3° een beschikking, vonnis of arrest van een rechtbank of hof;
  4° een verklaring van feitelijke gezinsvorming van de begunstigde en van de persoon met wie de begunstigde samenwoont.
  § 4. De vorming van een feitelijk gezin kan weerlegd worden door:
  1° een [1 geregistreerde]1 huurovereenkomst tussen de begunstigde en de persoon met wie hij samenwoont;
  2° een arbeidsovereenkomst met recht van inwoon;
  3° een attest van detentie;
  4° een registratieformulier van de mantelzorger, die niet een persoon is als vermeld in artikel 2, § 2, 1° ;
  5° een aanwezigheidsattest van het vluchthuis of sociaal huis;
  6° een verklaring van feitelijke gezinsvorming van de niet-verwante persoon met een rechtgevend kind in het gezin;
  7° een verklaring van feitelijke gezinsvorming van de niet-verwante persoon met een andere persoon dan de begunstigde met dezelfde woonplaats;
  8° een verklaring van geen feitelijke gezinsvorming van de begunstigde en de niet-verwante persoon in zijn gezin;
  9° het feit dat de niet-verwant zelf nog rechtgevend is op gezinsbijslagen op het ogenblik dat hij in het gezin van de begunstigde komt;
  10° een bewijs dat het om een inschrijving op een referentieadres gaat;
  11° een attest van de FOD Binnenlandse Zaken en een attest van immatriculatie dat is afgeleverd aan de asielzoeker tijdens de asielaanvraagprocedure;
  12° een vaststelling die gemaakt is door een andere overheidsdienst waaruit de feitelijke gezinssamenstelling blijkt.
  In het eerste lid wordt verstaan onder niet-verwante persoon: een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad.
  Een gezinsinspecteur staaft de verklaringen, vermeld in het eerste lid, 6° tot en met 8°, altijd door een controle ter plaatse.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, kan de lijst van bewijsmiddelen, om de vorming van een feitelijk gezin te bevestigen of te weerleggen, aanvullen.
  § 5. De vorming van een feitelijk gezin kan niet weerlegd worden als de begunstigde samenwoont met een persoon met wie hij zich in een van de volgende gevallen bevindt:
  1° ze hebben een gemeenschappelijk kind;
  2° ze hebben samen de gezinswoning gekocht of gebouwd.
  
Art. 3. § 1er. La cohabitation visĂ©e Ă  l'article 2, § 2, rĂ©sulte d'un domicile commun d'aprĂšs les donnĂ©es mentionnĂ©es dans le registre national et ne peut ĂȘtre rĂ©futĂ©e que par un document officiel Ă©manant d'une autoritĂ© ou d'une institution publique, qui se fonde sur la situation familiale rĂ©elle.
  § 2. Les documents suivants sont acceptés comme des documents officiels tels que visés au paragraphe 1er :
  1° un accusĂ© de rĂ©ception de la dĂ©claration visĂ©e Ă  l'article 7, § 1er, alinĂ©a premier, de l'arrĂȘtĂ© royal du 16 juillet 1992 relatif aux registres de la population et au registre des Ă©trangers ;
  2° une attestation de la police constatant que la situation visée au Registre national ne correspond pas à la situation réelle ;
  3° une dĂ©cision, un jugement ou arrĂȘt d'un tribunal ou une cour ;
  4° une attestation d'un CPAS dont il ressort que la situation visée au Registre national, ne correspond pas à la situation réelle.
  Le Ministre flamand ayant l'aide aux personnes dans ses attributions peut compléter la liste des documents officiels qui sont acceptés pour réfuter les données visées au Registre national.
  § 3. Si la cohabitation ne ressort pas clairement des donnĂ©es du Registre national, la formation d'une famille rĂ©elle peut ĂȘtre prouvĂ©e par :
  1° un contrÎle par l'inspecteur familial ;
  2° une décision prise par un autre service public, indiquant la composition réelle de la famille ;
  3° une dĂ©cision, un jugement ou arrĂȘt d'un tribunal ou une cour ;
  4° une déclaration relative à la formation réelle de la famille du bénéficiaire et de la personne avec laquelle il cohabite.
  § 4. La formation d'une famille rĂ©elle peut ĂȘtre rĂ©futĂ©e par :
  1° un contrat de location [1 enregistré]1 entre le bénéficiaire et la personne avec laquelle il cohabite ;
  2° un contrat de travail avec le droit de cohabitation ;
  3° une attestation de détention ;
  4° un formulaire d'enregistrement de l'intervenant de proximité, qui n'est pas une personne telle que visée à l'article 2, § 2, 1° ;
  5° une attestation de présence de la maison de refuge ou de la maison sociale ;
  6° une déclaration de la formation réelle de la famille de la personne sans lien de parenté ayant un enfant bénéficiaire dans la famille ;
  7° une dĂ©claration de la formation rĂ©elle de la famille de la personne sans lien de parentĂ© avec une personne autre que le bĂ©nĂ©ficiaire du mĂȘme domicile ;
  8° une déclaration d'absence de formation réelle de la famille du bénéficiaire et la personne sans lien de parenté dans sa famille ;
  9° le fait que la personne sans lien de parentĂ© elle-mĂȘme a toujours droit aux allocations familiales lorsqu'il entre dans la famille du bĂ©nĂ©ficiaire ;
  10° une preuve qu'il s'agit d'un enregistrement à une adresse de référence ;
  11° une attestation du SPF Intérieur et une attestation d'immatriculation qui est délivrée au demandeur d'asile lors de la procédure de demande d'asile ;
  12° un constat fait par un autre service public démontrant la composition réelle de la famille.
  Au premier alinéa, il faut entendre par une personne sans lien de parenté : une personne qui n'est pas un parent ou allié jusqu'au troisiÚme degré inclus.
  Un inspecteur familial justifie toujours les déclarations visées au premier alinéa, 6° à 8°, par un contrÎle sur place.
  Le Ministre flamand ayant l'aide aux personnes dans ses attributions peut compléter la liste des justificatifs utilisés pour confirmer ou infirmer la formation d'une famille réelle.
  § 5. La formation d'une famille rĂ©elle ne peut ĂȘtre rĂ©futĂ©e si le bĂ©nĂ©ficiaire cohabite avec une personne avec laquelle il se trouve dans l'un des cas suivants :
  1° ils ont un enfant commun ;
  2° ils ont acheté ou construit le logement familial ensemble.
  
HOOFDSTUK 3. - Inkomsten van het gezin
CHAPITRE 3. - Revenus de la famille
Art. 4. De inkomsten van het gezin, vermeld in artikel 18, eerste lid, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, bestaan uit:
  1° de volgende belastbare inkomsten, voor aftrek van de aftrekbare bestedingen:
  a) beroepsinkomsten:
  1) wat betreft beroepsinkomsten in loonverband: vóór de aftrek van beroepskosten;
  2) wat betreft beroepsinkomsten als zelfstandige: na de aftrek van beroepskosten, vermenigvuldigd met een factor 100/80;
  b) uitkeringen in het kader van de ziekteverzekering;
  c) werkloosheidsuitkeringen;
  d) pensioenen;
  2° 80 % van de onderhoudsgelden die uitbetaald zijn aan de persoon of personen van wie de inkomsten voor de berekening van de toelage in aanmerking wordt genomen;
  3° driemaal het geïndexeerde Ki vreemd gebruik en eenmaal het geïndexeerde Ki dat voor eigen beroepsdoeleinden wordt aangewend;
  4° de inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend overeenkomstig de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan personen met een handicap;
  5° het leefloon, toegekend overeenkomstig de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
  6° het equivalent van leefloon, toegekend overeenkomstig de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  7° de inkomsten die voortvloeien uit de beroepsactiviteit, toegekend aan de personeelsleden van een Europese of andere internationale instelling, voor hun totaalbedrag, verminderd met de persoonlijke bijdragen voor de door de instelling georganiseerde verzekering voor de dekking van sociale zekerheidsrisico's.
  In afwijking van het eerste lid, 1°, wordt 80 % van de onderhoudsgelden die betaald zijn door de persoon of personen van wie het inkomen van het gezin voor de berekening van de toelage in aanmerking wordt genomen, wel afgetrokken van de belastbare inkomsten.
  Voor de omrekening naar het inkomen van het gezin conform dit artikel, worden in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen geldende regels gevolgd.
  
Art. 4. Les revenus de la famille visés à l'article 18, alinéa premier, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, se composent :
  1° des revenus imposables suivants, avant la déduction des dépenses déductibles :
  a) revenus professionnels :
  1) en ce qui concerne les revenus professionnels à titre salarié : avant la déduction des frais professionnels ;
  2) en ce qui concerne les frais professionnels comme indépendant : aprÚs la déduction des frais professionnels, multiplié par un facteur 100/80 ;
  b) indemnités dans le cadre de l'assurance maladie ;
  c) allocations de chÎmage ;
  d) pensions ;
  2° de 80 % des pensions alimentaires qui sont payées à la personne ou aux personnes dont le revenu est pris en compte pour le calcul de l'allocation ;
  3° de trois fois le revenu cadastral indexé affecté à d'autres usages et d'une fois le revenu cadastral indexé utilisé à des propres fins professionnelles ;
  4° de l'allocation de remplacement de revenus accordée conformément à la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
  5° du revenu d'intégration sociale accordé conformément à la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale ;
  6° de l'équivalent du revenu d'intégration sociale accordé conformément à la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les Centres publics d'aide sociale ;
  7° des revenus provenant de l'activité professionnelle octroyés aux membres du personnel d'une institution européenne ou internationale, pour leur montant total, déduction faite des cotisations personnelles au régime de sécurité sociale organisé par l'institution pour la couverture des risques de sécurité sociale.
  Par dérogation à l'alinéa premier, 1°, 80 % des pensions alimentaires versées par la ou les personnes dont le revenu de la famille est pris en compte pour le calcul de l'allocation sont déduits des revenus imposables.
  Pour la reconversion au revenu de la famille conformément au présent article, les rÚgles du Code des impÎts sur les revenus sont appliquées.
  
Art. 5. Het Ki van het gezin, vermeld in artikel 2 van dit besluit, wordt gewogen conform het tweede lid, om te bepalen of de begunstigde in aanmerking komt voor een sociale toeslag.
  Als het geïndexeerde Ki vreemd gebruik van de personen van wie de inkomsten van het gezin conform artikel 18 van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1 als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van de gezinsinkomsten hoger is dan 1250 euro, heeft de begunstigde geen recht op een sociale toeslag als het verdrievoudigde geïndexeerde Ki vreemd gebruik van de personen van wie inkomsten van het gezin conform artikel 18 van het voormelde decreet als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van de gezinsinkomsten, hoger is dan 20 % van de inkomsten van het gezin, vermeld in artikel 4 van dit besluit, verminderd met driemaal het geïndexeerde Ki vreemd gebruik en eenmaal het geïndexeerde Ki dat voor eigen beroepsdoeleinden wordt aangewend als vermeld in artikel 4, eerste lid, 3°, van dit besluit.
  Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als de inkomsten van het feitelijk gezin geheel of gedeeltelijk zijn samengesteld uit leefloon of het equivalent van leefloon, of voor minstens 70 % bestaan uit alimentatiegelden, vervangingsinkomsten, een overlevingspensioen of een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan personen met een handicap.
  
Art. 5. Le RC de la famille visĂ© Ă  l'article 2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, est pondĂ©rĂ© conformĂ©ment Ă  l'alinĂ©a deux, pour dĂ©terminer si le bĂ©nĂ©ficiaire entre en ligne de compte pour un supplĂ©ment sociale.
  Si le RC indexĂ© affectĂ© Ă  d'autres usages des personnes dont le revenu de la famille sert de point de dĂ©part pour le calcul du revenu de la famille, conformĂ©ment Ă  l'article 18 du [1 dĂ©cret relatif au Panier de croissance de 2018]1, est supĂ©rieure Ă  1250 euros, le bĂ©nĂ©ficiaire n'a pas droit Ă  un supplĂ©ment social lorsque le triple RC affectĂ© Ă  d'autres usages des personnes dont le revenu de la famille sert de base pour le calcul du revenu de la famille, conformĂ©ment Ă  l'article 18 dudit dĂ©cret, est supĂ©rieur Ă  20 % du revenu de la famille visĂ© Ă  l'article 4 du prĂ©sent dĂ©cret, moins trois fois le revenu cadastral indexĂ© affectĂ© Ă  d'autres usages et une fois le RC indexĂ© qui est utilisĂ© Ă  des propres fins professionnelles tel que visĂ© Ă  l'article 4, alinĂ©a premier, 3° du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Les alinéas premier et deux ne sont pas applicables si le revenu de la famille réelle est composé entiÚrement ou partiellement du revenu d'intégration, ou pour au moins 70 % de pensions alimentaires, de revenus de remplacement ou d'une allocation de remplacement de revenus, octroyée dans le cadre de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés.
  
Art. 6. De gezinsgrootte wordt bepaald door het aantal kinderen dat rechtgevend is op gezinsbijslagen conform boek 2, deel 1 van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1 of een andere Belgische, of een buitenlandse of internationale reglementering, en dat deel uitmaakt van het gezin van de begunstigde. Als de uitbetaling van de gezinsbijslagen geschorst is, telt het kind mee voor het bepalen van de gezinsgrootte gedurende de maand van schorsing.
  Het feit dat een kind als vermeld in het eerste lid, deel uitmaakt van hetzelfde gezin als de begunstigde als vermeld in het eerste lid, blijkt uit een gemeenschappelijke woonplaats als vermeld in artikel 3, § 1, 49°, van het voormelde decreet, en kan bewezen worden met de bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3, § 2, 1° tot en met 4°, artikel 3, § 3, 1° tot en met 3°, van dit besluit, en een verklaring van de begunstigde die door de gezinsinspecteur gestaafd wordt door een controle ter plaatse.
  
Art. 6. La taille de la famille est déterminée par le nombre d'enfants qui ont droit aux allocations familiales conformément au livre 2, partie 1re du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1 ou toute autre réglementation belge, étrangÚre ou internationale, et qui font partie de la famille du bénéficiaire. Si le versement des allocations familiales est suspendu, l'enfant compte pour la détermination de la taille de la famille pendant le mois de suspension.
  Le fait qu'un enfant tel que visĂ© au premier alinĂ©a fait partie de la mĂȘme famille que le bĂ©nĂ©ficiaire visĂ© Ă  l'alinĂ©a premier, rĂ©sulte d'un logement commun tel que visĂ© Ă  l'article 3, § 1er, 49°, du dĂ©cret prĂ©citĂ©, et peut ĂȘtre prouvĂ© par les justificatifs visĂ©s Ă  l'article 3, § 2, 1° Ă  4°, l'article 3, § 3, 1° Ă  3°, du prĂ©sent dĂ©cret et une dĂ©claration du bĂ©nĂ©ficiaire, qui est appuyĂ©e par un contrĂŽle sur place par l'inspecteur familial.
  
HOOFDSTUK 4. - Automatische procedure
CHAPITRE 4. - Procédure automatique
Art. 7. § 1. Het inkomen van het gezin, vermeld in artikel 4, wordt vastgesteld vóór het begin van een toekenningsjaar op basis van het aanslagbiljet dat betrekking heeft op de inkomsten van het kalenderjaar, twee jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het toekenningsjaar begint, als die gegevens op dat ogenblik ter beschikking zijn.
  Als de gegevens, vermeld in het eerste lid, op het ogenblik, vermeld in het eerste lid, ontbreken, stelt de uitbetalingsactor het recht op de sociale toeslagen vast zodra hij die gegevens heeft ontvangen.
  Het Ki en de niet-belastbare inkomsten worden vastgesteld op basis van het kalenderjaar, twee jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het toekenningsjaar uit het eerste lid begint.
  § 2. Voor gezinnen die anders waren samengesteld in het jaar waarop het aanslagbiljet betrekking heeft, wordt het inkomen gereconstrueerd, rekening houdend met de gezinssamenstelling aan het begin van het toekenningsjaar.
  § 3. Met het aanslagbiljet, vermeld in paragraaf 1, worden gelijkgesteld: attesten uitgereikt door de buitenlandse belastingdienst, of, als die ontbreken, attesten uitgereikt door de werkgevers, diensten of instellingen als het inkomsten betreft die in het buitenland of bij een Europese of andere internationale instelling verworven zijn, als ze betrekking hebben op dezelfde periode.
Art. 7. § 1er. Le revenu de la famille visé à l'article 4 est déterminé avant le début d'une année d'allocation sur la base de la feuille d'imposition relative au revenu de l'année calendaire, deux ans avant l'année calendaire au cours de laquelle l'année d'allocation commence, si ces informations sont disponibles à ce moment.
  Si les informations visées au premier alinéa font défaut au moment visé au premier alinéa, l'acteur de paiement détermine le droit aux suppléments sociaux dÚs qu'il a reçu ces informations.
  Le RC et les revenus non imposables sont déterminés sur la base de l'année calendaire, deux ans avant l'année calendaire au cours de laquelle commence l'année d'attribution visée au premier alinéa.
  § 2. Pour les familles qui ont été composées différemment au cours de l'année à laquelle se rapporte la feuille d'imposition, le revenu est reconstruit en tenant compte de la composition de la famille au début de l'année d'allocation.
  § 3. Sont assimilĂ©s Ă  la feuille d'imposition visĂ©e au paragraphe 1er : les attestations dĂ©livrĂ©es par les autoritĂ©s fiscales Ă©trangĂšres ou, en l'absence de telles attestations, les attestations dĂ©livrĂ©es par des employeurs, des services ou des institutions dans le cas de revenus acquis Ă  l'Ă©tranger ou dans une institution europĂ©enne ou internationale, s'ils se rapportent Ă  la mĂȘme pĂ©riode.
Art. 8. Het recht op een sociale toeslag wordt toegekend voor het volledige toekenningsjaar, als het inkomen van het gezin dat wordt vastgesteld conform artikel 7, § 1, van dit besluit, voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 18 van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1.
  Als het inkomen van het gezin dat wordt vastgesteld conform artikel 7, § 1, van dit besluit, niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 18 van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, wordt het recht op een sociale toeslag geweigerd voor het toekenningsjaar.
  
Art. 8. Le droit Ă  un supplĂ©ment social est accordĂ© pour toute l'annĂ©e d'allocation si le revenu de la famille dĂ©terminĂ© conformĂ©ment Ă  l'article 7, § 1er, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© remplit les conditions visĂ©es Ă  l'article 18 du [1 dĂ©cret relatif au Panier de croissance de 2018]1.
  Si le revenu de la famille qui est dĂ©terminĂ© conformĂ©ment Ă  l'article 7, § 1er, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne remplit pas les conditions visĂ©es Ă  l'article 18 du [1 dĂ©cret relatif au Panier de croissance de 2018]1, le droit Ă  un supplĂ©ment social est refusĂ© pour l'annĂ©e d'allocation.
  
Art. 9. Tijdens het toekenningsjaar wordt het recht op een sociale toeslag opnieuw geëvalueerd naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen:
  1° de aangroei van de gezinsgrootte, waardoor wordt voldaan aan de voorwaarde, vermeld in artikel 18, tweede lid, 3°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, tenzij het gezin alleen kinderen kent die onder de toepassing vallen van de artikelen 210, § 1, 214, § 2 en 215, § 1 van het voormelde decreet;
  2° een daling van de gezinsgrootte, waardoor niet langer voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 18, tweede lid, 3°, van het voormelde decreet, tenzij het gezin alleen kinderen kent die onder de toepassing vallen van de artikelen 210, § 1, 214, § 2 en 215, § 1 van het voormelde decreet;
  3° een wijziging binnen het feitelijk gezin;
  4° een herziening van het aanslagbiljet [2 of het kadastraal inkomen]2 dat gebruikt is als referentie voor het lopende toekenningsjaar.
  
Art. 9. Lors de l'année d'allocation le droit à un supplément social est réévalué à l'occasion de l'un des événements suivants :
  1° l'augmentation de la taille de la famille, qui répond à la condition visée à l'article 18, alinéa deux, 3°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, sauf si la famille ne connaßt que des enfants qui relÚvent de l'application des articles 210, § 1er, 214, § 2 et 215, § 1er dudit décret ;
  2° une diminution de la taille de la famille, en conséquence de laquelle les conditions visées à l'article 18, alinéa deux, 3°, du décret précité ne sont plus remplies, à moins que la famille n'ait que des enfants qui relÚvent de l'application des articles 210, § 1er, 214, § 2 et 215, § 1er du décret précité ;
  3° une modification au sein de la famille réelle ;
  4° une révision [2 de la feuille d'imposition ou du revenu cadastral utilisé]2 comme référence pour l'année d'allocation en cours.
  
Art.9/1. [1 Van het jaar dat in aanmerking wordt genomen, vermeld in artikel 7, § 1, eerste en derde lid, van dit besluit, wordt afgeweken als er na dat in aanmerking te nemen jaar aan al de volgende voorwaarden samen voldaan wordt:
   1° aan een van de personen, op de inkomsten van wie de toeslag wordt berekend, wordt pas in de loop van of na het jaar dat in aanmerking wordt genomen, vermeld in artikel 7, § 1, eerste en derde lid, van dit besluit, een van de volgende verblijfstitels verleend:
   a) slachtoffer van mensenhandel dat is geattesteerd door een centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel en dat door de federale overheid is erkend;
   b) persoon met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten is tot een verblijf van bepaalde duur in België conform artikel 49, § 1, of artikel 49/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   2° de inkomsten van een van de personen waarop de toeslag wordt berekend, kan niet bepaald worden aan de hand van inkomsten als vermeld in artikel 7, § 1, eerste en derde lid, van dit besluit, die de Federale Overheidsdienst Financiën controleert of aan de hand van inkomsten die een buitenlandse belastingdienst controleert.
   In het geval, vermeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de inkomsten van het eerste kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de verblijfstitel is verkregen.]1

  
Art.9/1. [1 Il est dĂ©rogĂ© Ă  l'annĂ©e prise en compte, visĂ©e Ă  l'article 7, § 1er, alinĂ©as 1er et 3, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, si, aprĂšs cette annĂ©e Ă  prendre en compte, toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1° l'une des personnes dont le revenu constitue la base du calcul de l'allocation ne se voit dĂ©livrer que pendant ou aprĂšs l'annĂ©e prise en compte, visĂ©e Ă  l'article 7, § 1er, alinĂ©as 1er et 3, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'un des titres de sĂ©jour suivants :
   a) victime du trafic d'ĂȘtres humains, attestĂ©e par un centre spĂ©cialisĂ© dans l'accueil des victimes du trafic d'ĂȘtres humains et agréé par les autoritĂ©s fĂ©dĂ©rales ;
   b) personne de nationalité étrangÚre admise au séjour en Belgique pour une durée limitée en vertu des articles 49, § 1er, ou 49/2, § 1er de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accÚs au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;
   2° le revenu de l'une des personnes, qui constitue la base du calcul de l'allocation, ne peut pas ĂȘtre dĂ©terminĂ© au moyen des revenus visĂ©s Ă  l'article 7, § 1er, alinĂ©as 1er et 3, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, vĂ©rifiĂ©s par le Service public fĂ©dĂ©ral Finances ou au moyen des revenus vĂ©rifiĂ©s par un service des impĂŽts Ă©tranger.
   Dans le cas visé à l'alinéa 1er, il est tenu compte du revenu de la premiÚre année civile suivant l'année dans laquelle le titre de séjour est obtenu.]1

  
Art. 10. Aan het begin van elke toekenningsperiode wordt gecontroleerd of de beoordeling, vermeld in artikel 8, correct was voor het kalenderjaar waarvan men de inkomsten beoordeelt, bij het begin van de toekenningsperiode in kwestie.
Art. 10. Au début de chaque période d'allocation, l'exactitude de l'évaluation visée à l'article 8 pour l'année calendaire pour laquelle les recettes sont évaluées est vérifiée au début de la période d'attribution en question.
HOOFDSTUK 5. - Alarmbelprocedure
CHAPITRE 5. - Procédure de la sonnette d'alarme
Art. 11. Als het recht op een sociale toeslag niet kan worden vastgesteld conform artikel 7, wordt een sociale toeslag toegekend als het inkomen van het gezin is samengesteld uit leefloon, inkomensvervangende tegemoetkoming of inkomensgarantie voor ouderen, voor de maanden waarop die betrekking hebben.
Art. 11. Si le droit Ă  un supplĂ©ment social ne peut ĂȘtre dĂ©terminĂ© conformĂ©ment Ă  l'article 7, un supplĂ©ment social est accordĂ© si le revenu de la famille est composĂ© du revenu d'intĂ©gration, de l'allocation de remplacement de revenus ou de la garantie de revenus aux personnes ĂągĂ©es, pour les mois auxquels ils se rapportent.
Art. 12. De begunstigden die geen sociale toeslag ontvangen conform artikel 7 of 11 van dit besluit, kunnen bewijzen dat hun gezinsinkomsten voldoen aan de inkomensgrenzen, vermeld in artikel 18, eerste lid, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, door een verzoek tot toekenning of herziening te richten aan de uitbetalingsactor. Het verzoek tot toekenning of herziening bevat bewijsstukken die aantonen dat de inkomsten van het gezin gedurende minstens zes opeenvolgende maanden onder de voormelde inkomensgrenzen ligt. De sociale toeslag wordt toegekend voor die maanden.
  Het Ki wordt in aanmerking genomen conform artikel 5, en wordt vastgesteld op basis van gegevens zoals ze op het ogenblik van de aanvraag bekend zijn.
  De sociale toeslag wordt vervolgens verder toegekend tot het begin van het eerstvolgende toekenningsjaar.
  
Art. 12. Les bĂ©nĂ©ficiaires qui ne bĂ©nĂ©ficient pas d'un supplĂ©ment social conformĂ©ment aux articles 7 ou 11 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© peuvent prouver que leur revenu familial respecte les limites de revenu visĂ©es Ă  l'article 18, alinĂ©a premier, du [1 dĂ©cret relatif au Panier de croissance de 2018]1, en adressant une demande d'attribution ou de rĂ©vision Ă  l'acteur de paiement. La demande d'allocation ou de rĂ©vision doit comprendre les piĂšces justificatives dĂ©montrant que le revenu de la famille pendant au moins six mois consĂ©cutifs a Ă©tĂ© infĂ©rieur aux limites de revenu mentionnĂ©es ci-dessus. Le supplĂ©ment social est attribuĂ© pour ces mois.
  Le RC est pris en considération conformément à l'article 5, et est déterminé sur la base des informations connues au moment de la demande.
  Le supplément social est ensuite accordé jusqu'au début de l'année d'allocation suivante.
  
Art. 13. Als gedurende een gedeelte van een kalenderjaar een sociale toeslag is toegekend op basis van artikel 11 of 12, wordt voor de resterende maanden van dat kalenderjaar, die niet onder de toepassing van artikel 8, eerste lid, artikel 11 of 12 vallen, gecontroleerd of de inkomsten van het gezin de inkomstengrensbedragen niet overschrijden op het ogenblik dat het aanslagbiljet met de inkomsten van het kalenderjaar in kwestie beschikbaar is. Als de inkomsten van het gezin die inkomstengrenzen niet overschrijden, wordt de sociale toeslag voor de maanden in kwestie toegekend.
  Het Ki wordt in aanmerking genomen conform artikel 5, en wordt vastgesteld op basis van gegevens die betrekking hebben op het kalenderjaar waarvan sprake in het eerste lid.
Art. 13. Si un supplĂ©ment social a Ă©tĂ© accordĂ© au cours d'une partie d'une annĂ©e calendaire sur la base des articles 11 ou 12, il est vĂ©rifiĂ© pour les mois restants de cette annĂ©e calendaire, qui ne relĂšvent pas de l'application de l'article 8, alinĂ©a premier, articles 11 ou 12, que le revenu de la famille ne dĂ©passe pas les seuils de revenu au moment oĂč la feuille d'imposition contenant les revenus de l'annĂ©e calendaire en question est disponible. Si le revenu de la famille ne dĂ©passe pas ces seuils de revenu, le supplĂ©ment social est attribuĂ© pour les mois concernĂ©s.
  Le revenu cadastral est pris en considération conformément à l'article 5 et est déterminé sur la base des informations portant sur l'année calendaire visée à l'alinéa premier.
Art. 14. Het recht op een sociale toeslag onder de alarmbelprocedure wordt opnieuw geëvalueerd naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen:
  1° de aangroei van de gezinsgrootte, waardoor wordt voldaan aan de voorwaarde, vermeld in artikel 18, tweede lid, 3°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, tenzij het gezin alleen kinderen kent die onder de toepassing vallen van de artikelen 210, § 1, 214, § 2 en 215, § 1 van het voormelde decreet;
  2° een daling van de gezinsgrootte, waardoor niet langer voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 18, tweede lid, 3°, van het voormelde decreet, tenzij het gezin alleen kinderen kent die onder de toepassing vallen van de artikelen 210, § 1, 214, § 2 en 215, § 1 van het voormelde decreet;
  3° een wijziging binnen het feitelijk gezin.
  
Art. 14. Le droit à un supplément social sous la procédure de la sonnette d'alarme est évalué à nouveau à l'occasion de l'un des événements suivants :
  1° l'augmentation de la taille de la famille, qui répond à la condition visée à l'article 18, alinéa deux, 3°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, sauf si la famille ne connaßt que des enfants qui relÚvent de l'application des articles 210, § 1er, 214, § 2 et 215, § 1er dudit décret ;
  2° une diminution de la taille de la famille, en conséquence de laquelle les conditions visées à l'article 18, alinéa deux, 3°, du décret précité ne sont plus remplies, à moins que la famille n'ait que des enfants qui relÚvent de l'application de l'article 208 du décret précité ;
  3° une modification au sein de la famille réelle.
  
HOOFDSTUK 6. - Overgangsmaatregelen
CHAPITRE 6. - Mesures transitoires
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 15. Als het kind recht heeft op een sociale toeslag als vermeld in boek 5, titel 4, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, heeft het recht op die toeslag of het gewijzigde bedrag ervan, vanaf de eerste dag van de maand waarin de gebeurtenis zich voordoet, overeenkomstig artikel 5, § 1 van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1.
  Als het kind evenwel niet langer recht heeft op de toeslagen, vermeld in het eerste lid, eindigt het recht op de toeslag op het einde van de maand, overeenkomstig artikel 5, § 1 van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1.
  
Art. 15. Si l'enfant a droit à un supplément social tel que visé au livre 5, titre 4 du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, il a droit à ce complément ou à son montant modifié, à compter du premier jour du mois au cours duquel l'événement survient, conformément à l'article 5, § 1er du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1.
  Toutefois, si l'enfant n'a plus droit aux allocations visées au premier alinéa, le droit au supplément prend fin à la fin du mois, conformément à l'article 5, § 1er du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1.
  
Afdeling 2. - Toeslag voor langdurig zieken en arbeidsongeschikten en mindervaliden
Section 2. - Supplément pour malades de longue durée, travailleurs invalides et personnes handicapées
Art. 16. Ter uitvoering van artikel 222, § 2, tweede lid, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, wordt de toepassing van artikel 222, § 2, eerste lid, uitgebreid van de begunstigde en bijslagtrekkende, tot de vader, moeder, stiefvader, stiefmoeder, de persoon waarmee een vader of een moeder een feitelijk gezin vormt of de persoon waarmee de begunstigde of bijslagtrekkende een feitelijk gezin vormt, op voorwaarde dat die personen een gezin vormen met het rechtgevend kind.
  Als het kind gedomicilieerd is bij de ene ouder, wordt het kind vermoed ook deel uit te maken van het gezin van de andere ouder. Dat vermoeden kan echter worden weerlegd door een vonnis, waarin het ouderlijke gezag wordt toegekend aan een van beide ouders.
  
Art. 16. En exécution de l'article 222, § 2, alinéa deux, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, l'application de l'article 222, § 2, alinéa premier, est étendue du bénéficiaire et de l'allocataire aux pÚre, mÚre, beau-pÚre, belle-mÚre, personne avec laquelle un pÚre ou une mÚre constitue une famille réelle ou personne avec laquelle le bénéficiaire ou l'allocataire constitue une famille réelle, à condition que ces personnes constituent une famille avec l'enfant bénéficiaire.
  Si l'enfant est domiciliĂ© avec un parent, il est prĂ©sumĂ© faire partie de la famille de l'autre parent. Toutefois, cette prĂ©somption peut ĂȘtre rĂ©futĂ©e par un jugement accordant l'autoritĂ© parentale Ă  l'un des parents.
  
Art. 17. § 1. Een bijslagtrekkende die conform het koninklijk besluit van 11 januari 2007 tot uitvoering van artikel 56, § 2, derde lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, op 31 december 2018 een recht opent op een sociale toeslag conform artikel 222, § 2, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, behoudt dat recht tot het einde van de toekenningsperiode die vastgesteld is conform artikel 1, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 11 januari 2007, zoals van kracht op 31 december 2018, als de inkomsten van het gezin de grenzen, vermeld in artikel 18 van het voormelde decreet, niet overschrijden.
  
Art. 17. § 1er. Un allocataire qui, conformĂ©ment Ă  l'arrĂȘtĂ© royal du 11 janvier 2007 portant exĂ©cution de l'article 56, § 2, alinĂ©a trois, des lois coordonnĂ©es relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariĂ©s, ouvre droit Ă  une allocation sociale au 31 dĂ©cembre 2018 conformĂ©ment Ă  l'article 222, § 2, du [1 dĂ©cret relatif au Panier de croissance de 2018]1, conserve ce droit jusqu'Ă  l'expiration de la pĂ©riode d'attribution dĂ©terminĂ©e conformĂ©ment Ă  l'article 1er, alinĂ©a deux, de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 janvier 2007 prĂ©citĂ©, tel qu'en vigueur au 31 dĂ©cembre 2018, si le familial ne dĂ©passent pas les limites visĂ©es Ă  l'article 18 du dĂ©cret prĂ©citĂ©.
  
Afdeling 3. - Begunstigden
Section 3. - Bénéficiaires
Art. 18. Ter uitvoering van artikel 225, § 2, tweede lid, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, wordt de toepassing van artikel 225, § 2, eerste lid, van het voormelde decreet uitgebreid van de bijslagtrekkende met de persoon die mogelijk als begunstigde kan worden aangeduid conform de voorwaarden, vermeld in boek 2, deel 4, titel 1, hoofdstuk 1, van het voormelde decreet, met uitzondering van het rechtgevend kind zelf.
  
Art. 18. En exĂ©cution de l'article 225, § 2, alinĂ©a deux, du [1 dĂ©cret relatif au Panier de croissance de 2018]1, l'application de l'article 225, § 2, alinĂ©a premier, du dĂ©cret prĂ©citĂ© est Ă©tendue de l'allocataire Ă  la personne qui peut ĂȘtre dĂ©signĂ©e comme bĂ©nĂ©ficiaire conformĂ©ment aux conditions visĂ©es au livre 2, partie 4, titre 1er, chapitre 1er, du dĂ©cret prĂ©citĂ©, Ă  l'exclusion de l'enfant bĂ©nĂ©ficiaire mĂȘme.
  
Afdeling 4. [1 Inkomsten van het gezin ]1
Section 4. [1 Revenu familial ]1
Art. 18/1. [1 In afwijking van artikel 4 wordt voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 september 2019 voor de vaststelling van de inkomsten van het gezin, vermeld in artikel 18, eerste lid, van [2 het Groeipakketdecreet van 2018]2, de inkomensnotie uit de Algemene kinderbijslagwet, zoals deze geldt tot 31 december 2018, gehanteerd, namelijk:
Art. 18/1.[1 Par dérogation à l'article 4, pour déterminer le revenu familial visé à l'article 18, premier alinéa, du [2 décret relatif au Panier de croissance de 2018]2 dans la période du 1er janvier 2019 au 30 septembre 2019, la notion de revenu de la loi générale relative aux allocations familiales, telle qu'applicable jusqu'au 31 décembre 2018, est retenue, à savoir :
HOOFDSTUK 7. - Slotbepaling
CHAPITRE 7. - Disposition finale
Art. 19. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019.
Art. 19. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er janvier 2019.
Art. 20. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 20. Le Ministre flamand ayant l'aide aux personnes dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.