Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
21 SEPTEMBER 2018. - 21 SEPTEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het VLAREL van 19 november 2010 en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vasts
Titre
21 SEPTEMBRE 2018. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions gĂ©nĂ©rales et sectorielles en matiĂšre de l'hygiĂšne de l'environnement, l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007, l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement, le VLAREL du 19 novembre 2010 et l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2012 fixant le rĂšglement flamand relatif Ă  la gestion durable de cycles de matĂ©riaux et de dĂ©chets
Documentinformatie
Numac: 2018032398
Datum: 2018-09-21
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018032398
Date: 2018-09-21
Moniteur: Voir
Tekst (92)
Texte (92)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions gĂ©nĂ©rales et sectorielles en matiĂšre d'hygiĂšne de l'environnement
Artikel 1. Aan artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 2017, wordt aan de titel "DEFINITIES BODEM" een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "3° bodemmaterialen : de bodemmaterialen, vermeld in artikel 2, 33°, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006.".
Article 1er. A l'article 1.1.2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions gĂ©nĂ©rales et sectorielles en matiĂšre de l'hygiĂšne de l'environnement, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 octobre 2017, il est ajoutĂ© un point 3° au titre " DEFINITIONS SOL ", rĂ©digĂ© comme suit :
  " 3° matériaux de sol : les matériaux de sol, tels que visés à l'article 2, 33° du décret relatif au sol du 27 octobre 2006. ".
Art. 2. In artikel 1.3.1.1 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt :
  " § 3. Om monsters te nemen en metingen, beproevingen en analyses uit te voeren als vermeld in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen, wordt verstaan onder een milieudeskundige in de discipline afval of bodem :
  1° een laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen dat erkend is voor de uitvoering van bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het VLAREL van 19 november 2010, voor afvalstoffen;
  2° een laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, dat erkend is voor de uitvoering van metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het VLAREL van 19 november 2010, voor bodem en bodemmaterialen;
  3° een bodemsaneringsdeskundige die erkend is met toepassing van het VLAREL van 19 november 2010, voor de resultaten in het kader van de uitvoering van bemonsteringen op bodem ter uitvoering van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007.".
Art. 2. Dans l'article 1.3.1.1 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 mars 2016, le paragraphe 3 est remplacĂ© par ce qui suit :
  " § 3. Pour les échantillonnages et la mise en oeuvre de mesures et analyses, visés aux conditions environnementales générales et sectorielles et aux conditions d'autorisation particuliÚres de certains établissements ou parties d'établissements, on entend par expert environnemental dans les disciplines des déchets ou du sol :
  1° un laboratoire dans la discipline déchets et autres matériaux, agréé pour la mise en oeuvre d'échantillonnages, mesures, épreuves ou analyses en application du VLAREL du 19 novembre 2010, en ce qui concerne les déchets ;
  2° un laboratoire dans la discipline sol, sous-domaine de l'assainissement du sol, agréé pour la mise en oeuvre de mesures, d'épreuves ou d'analyses en application du VLAREL du 19 novembre 2010, en ce qui concerne le sol et les matériaux de sol ;
  3° un expert en assainissement du sol, agréé en application du VLAREL du 19 novembre 2010, en ce qui concerne les rĂ©sultats dans le cadre de la mise en oeuvre d'Ă©chantillons sur le sol en exĂ©cution du dĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006 et de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007. ".
Art. 3. In artikel 5.2.2.12.1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011, worden de woorden "uitgegraven bodem" vervangen door het woord "bodemmaterialen".
Art. 3. Dans l'article 5.2.2.12.1, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 dĂ©cembre 2011, les mots " terres excavĂ©es " sont remplacĂ©s par les mots " matĂ©riaux de sol ".
Art. 4. In artikel 5.2.4.1.12, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "De bemonsteringswerkzaamheden voor te storten bodemmaterialen kunnen ook worden uitgevoerd door een erkende bodemsaneringsdeskundige als vermeld in artikel 6, 6°, van het VLAREL van 19 november 2010, op voorwaarde dat de doelstellingen, vermeld in deze subafdeling, worden bereikt.";
  2° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "De testwerkzaamheden voor te storten bodemmaterialen kunnen ook worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering als vermeld in artikel 6, 5°, f), van het VLAREL van 19 november 2010, op voorwaarde dat een passend systeem voor kwaliteitsborging met periodieke onafhankelijke controle is opgezet.".
Art. 4. Dans l'article 5.2.4.1.12, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 mai 2006 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° entre l'alinéa deux et l'alinéa trois, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
  " Les travaux d'Ă©chantillonnage pour les matĂ©riaux de sol Ă  dĂ©verser peuvent Ă©galement ĂȘtre mis en oeuvre par un expert en assainissement du sol agréé, tel que visĂ© Ă  l'article 6, 6° du VLAREL du 19 novembre 2010, Ă  condition que les objectifs, visĂ©s dans cette sous-section, soient atteints. " ;
  2° il est ajouté un alinéa cinq, rédigé comme suit :
  " Les travaux d'Ă©preuve pour les matĂ©riaux de sol Ă  dĂ©verser peuvent Ă©galement ĂȘtre mis en oeuvre par un laboratoire agréé dans la discipline du sol, sous-domaine assainissement du sol, tel que visĂ© Ă  l'article 6, 5°, f) du VLAREL du 19 novembre 2010, Ă  condition qu'un systĂšme appropriĂ© pour l'assurance de la qualitĂ© assorti d'un contrĂŽle indĂ©pendant pĂ©riodique ait Ă©tĂ© montĂ©. ".
Art. 5. In artikel 5.60.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 mei 2002 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt :
  " Groeven, graverijen, uitgravingen of andere putten mogen geheel of gedeeltelijk opgevuld worden met niet-verontreinigde bodemmaterialen, meer bepaald bodemmaterialen die een fysische scheiding hebben ondergaan en gereinigde bodemmaterialen die voor de fysische samenstelling voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 162 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007. In den droge wordt er opgevuld met steekvaste bodemmaterialen.";
  2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt :
  "Wat de chemische samenstelling betreft, voldoen de bodematerialen aan de waarden voor vrij gebruik van bodemmaterialen, vermeld in bijlage V van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007.";
  3° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt :
  "De bouwheer moet via een studie die uitgevoerd is door een bodemsaneringsdeskundige volgens de standaardprocedure, het bewijs leveren dat het gebruik van de bodemmaterialen als bodem geen bijkomende verontreiniging van het grondwater kan veroorzaken en dat mogelijke blootstelling aan de verontreinigde stoffen geen extra risico oplevert. In die studie worden de milieukenmerken van de bodemmaterialen geëvalueerd afhankelijk van de milieukenmerken van de ontvangende grond.";
  4° het zevende lid wordt opgeheven.
Art. 5. Dans l'article 5.60.2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 31 mai 2002 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
  " Le comblement, en tout ou en partie, de carriĂšres, miniĂšres, excavations ou autres puits, peut se faire Ă  l'aide de matĂ©riaux de sol non polluĂ©s, notamment des matĂ©riaux de sol qui ont subi une sĂ©paration physique et des matĂ©riaux de sol nettoyĂ©s qui, quant Ă  leur composition physique, rĂ©pondent aux conditions, visĂ©es Ă  l'article 162 de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007. Dans des conditions abritĂ©es, le comblement s'effectue au moyen de matĂ©riaux de sol solides. " ;
  2° l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
  " En ce qui concerne la composition chimique, les matĂ©riaux de sol satisfont aux valeurs pour la libre utilisation de matĂ©riaux de sol, visĂ©es Ă  l'annexe V de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007. " ;
  3° l'alinéa quatre est remplacé par ce qui suit :
  " Le maßtre d'ouvrage doit fournir la preuve, étayée par une étude réalisée par un expert en assainissement du sol suivant la procédure standard, que l'utilisation des matériaux de sol comme sol ne peut engendrer aucune pollution supplémentaire des eaux souterraines et que l'exposition éventuelle aux substances polluantes ne comporte aucun risque supplémentaire. Dans cette étude, les caractéristiques environnementales des matériaux de sol sont évaluées en fonction des caractéristiques environnementales du sol d'accueil. " ;
  4° l'alinéa sept est abrogé.
Art. 6. In artikel 5.60.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 mei 2002 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 2. De bodemmaterialen mogen in de inrichting alleen worden aanvaard als aan al de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° het betreft niet-verontreinigde bodemmaterialen als vermeld in artikel 5.60.2;
  2° alle bepalingen van titel III, hoofdstuk XIII, van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 zijn nageleefd;
  3° de oorsprong en herkomst van de bodemmaterialen zijn bekend en de samenstelling ervan is vastgelegd.
  Bij de aanvoer van de bodemmaterialen wordt de conformiteit van de aangevoerde bodemmaterialen met het beoogde gebruik nagegaan. Als dat relevant is, worden de aangevoerde bodemmaterialen daarvoor op een representatieve wijze bemonsterd en geanalyseerd.";
  2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem" vervangen door het woord "bodemmaterialen";
  3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 4. Tenzij het anders bepaald is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, houdt de exploitant een register bij waarin ten minste de volgende gegevens worden genoteerd over de aanvoer van de niet-verontreinigde bodemmaterialen :
  1° het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer;
  2° de herkomst en de oorsprong;
  3° de vervoerder;
  4° de aangevoerde hoeveelheid;
  5° opmerkingen over de aangevoerde partij, met inbegrip van de geweigerde vrachten, als dat van toepassing is.".
Art. 6. Dans l'article 5.60.3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 31 mai 2002 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le paragraphe 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Les matĂ©riaux de sol ne peuvent ĂȘtre acceptĂ©s dans l'Ă©tablissement que s'il a Ă©tĂ© satisfait Ă  toutes les conditions suivantes :
  1° il s'agit de matériaux de sol non-pollués, tels que visés à l'article 5.60.2 ;
  2° toutes les dispositions du titre III, chapitre XIII de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007 ont Ă©tĂ© respectĂ©es ;
  3° l'origine et la provenance des matériaux de sol sont connues et leur composition a été définie.
  Lors de l'acheminement des matériaux de sol, la conformité des matériaux de sol acheminés avec leur usage envisagé est examinée. Si ceci s'avÚre pertinent, les matériaux de sol acheminés sont échantillonnés et analysés de façon représentative à cette fin. " ;
  2° au paragraphe 3, le membre de phrase "terres excavées, boues de dragage et vases de curage ou matiÚres premiÚres qui, conformément au VLAREMA, satisfont aux conditions pour l'utilisation en tant que sol", est remplacé par les mots "matériaux de sol" ;
  3° le paragraphe 4 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 4. Sauf dispositions contraires stipulées dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classés, l'exploitant tient un registre sur lequel sont consignées au moins les données suivantes sur l'acheminement des matériaux de sol non-pollués :
  1° le numéro d'ordre, la date et l'heure de l'acheminement ;
  2° l'origine et la provenance ;
  3° le transporteur ;
  4° les quantités acheminées ;
  5° des remarques sur le lot acheminé, y compris, le cas échéant, celles portant sur les charges refusées. ".
Art. 7. In deel 5 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 2017, wordt het opschrift van hoofdstuk 5.61 vervangen door wat volgt :
  "Hoofdstuk 5.61. Tussentijdse opslagplaatsen voor uitgegraven bodem die voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007".
Art. 7. Dans la partie 5 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 octobre 2017, l'intitulĂ© du chapitre 5.61 est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Chapitre 5.61. DĂ©pĂŽts provisoires pour terres excavĂ©es qui rĂ©pondent aux dispositions relatives Ă  l'utilisation de matĂ©riaux de sol, tels que visĂ©s dans le dĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006 et Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007 ".
Art. 8. In artikel 5.61.1, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, wordt de zinsnede "decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering" vervangen door de zinsnede "Bodemdecreet van 27 oktober 2006".
Art. 8. Dans l'article 5.61.1, § 2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 novembre 2003, le membre de phrase " dĂ©cret du 22 fĂ©vrier 1995 relatif Ă  l'assainissement du sol " est remplacĂ© par le membre de phrase " dĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006 ".
Art. 9. In artikel 5.61.2, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
  "De uitgegraven bodem wordt aanvaard conform de bepalingen, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling IV, van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007.".
Art. 9. Dans l'article 5.61.2, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 novembre 2003 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 dĂ©cembre 2007, l'alinĂ©a deux est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Les terres excavĂ©es sont acceptĂ©es conformĂ©ment aux dispositions, telles que visĂ©es au titre III, chapitre XIII, section IV de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007. ".
Art. 10. In artikel 5.61.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003, wordt het woord "grond" vervangen door de woorden "uitgegraven bodem".
Art. 10. Dans l'article 5.61.4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 novembre 2003, le mots " terres " est remplacĂ© par les mots " terres excavĂ©es ".
Art. 11. Aan deel 5 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 2017, wordt een hoofdstuk 5.63, dat bestaat uit artikel 5.63.1.1 tot en met 5.63.5.9, toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "HOOFDSTUK 5.63. Opslag en ontwatering van bagger- of ruimingsspecie die voldoet aan de bepalingen over het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007
  Afdeling 5.63.1. Algemene bepalingen
  Art. 5.63.1.1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen die ingedeeld zijn in rubriek 63 van de indelingslijst.
  Afdeling 5.63.2. Aanvaarding en registratie van bagger- of ruimingsspecie
  Art. 5.63.2.1. De aanvoer, de aanvaarding, de opslag, de verwerking en de afvoer van bagger- of ruimingsspecie zijn alleen toegelaten met toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.
  Art. 5.63.2.2. Tenzij het anders bepaald is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, zijn de installatie en het gebruik van een geijkte weegbrug met automatische registratie verplicht. De ijking wordt uitgevoerd overeenkomstig de ijkwet. De toegang van de aanvoerende vrachtwagens is slechts toegelaten over de in werking zijnde geijkte weegbrug.
  Art. 5.63.2.3. Tenzij het anders bepaald is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, mag de normale aan- en afvoer van bagger- of ruimingsspecie niet vóór 7 uur en na 19 uur plaatsvinden.
  Art. 5.63.2.4. Bagger- of ruimingsspecie mag alleen worden aanvaard als de oorsprong en de herkomst ervan bekend zijn en de samenstelling ervan is vastgelegd conform het VLAREBO-besluit van 14 december 2007.
  De bagger- of ruimingsspecie wordt aanvaard conform de bepalingen, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII, afdeling IV, van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007.
  Art. 5.63.2.5. Tenzij het anders vermeld is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, houdt de exploitant een register bij waarin ten minste de volgende gegevens worden genoteerd :
  1° over de aanvoer van bagger- of ruimingsspecie :
  a) de datum van de aanvoer;
  b) de herkomst en oorsprong;
  c) de aanvoerwijze en, als dat van toepassing is, de vervoerder;
  d) de aangevoerde hoeveelheid;
  e) opmerkingen over de aanvoer, met inbegrip van de vermelding van de geweigerde vrachten, als dat van toepassing is;
  2° over de opslag : de plaats waar de partij opgeslagen ligt;
  3° over de afvoer van bagger- of ruimingsspecie :
  a) de bestemming;
  b) de afvoerwijze en, als dat van toepassing is, de vervoerder;
  c) de afgevoerde hoeveelheid.
  Afdeling 5.63.3. Werkplan
  Art. 5.63.3.1. De exploitatie beschikt bij de aanvang van de activiteiten over een werkplan dat, naargelang de aard van de inrichting, de volgende elementen omvat :
  1° een overzichtelijke en duidelijke handleiding voor de exploitatie van de inrichting;
  2° de organisatie van de aanvoer;
  3° de organisatie van de ontwatering van de aangevoerde bagger- of ruimingsspecie;
  4° een plan van de opslag- en behandelingszone, met aanduiding van de opslagcapaciteit;
  5° de organisatie van de afvoer van de bagger- of ruimingsspecie;
  6° de verwerkingswijze van de aangevoerde bagger- of ruimingsspecie als de inrichting al dan niet tijdelijk buiten werking is;
  7° het afwateringsplan met een schema van de verschillende stromen met voor elke stroom de afvoerwijze, de lozingspunten en de eventuele zuiveringsinstallatie;
  8° de maatregelen om storingen of ongewenste neveneffecten op te vangen en hinder te voorkomen.
  Het werkplan moet goedgekeurd zijn door de toezichthoudende overheid en wordt opgevolgd door de toezichthouder.
  Afdeling 5.63.4. Inrichting en infrastructuur
  Art. 5.63.4.1. § 1. De inrichting moet ontoegankelijk zijn voor onbevoegden. Tenzij het anders bepaald is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt de inrichting omheind met een stevige afsluiting die ongeveer twee meter hoog is. De toegang tot de inrichting wordt buiten de normale openingsuren met een poort afgesloten.
  § 2. Tenzij het anders bepaald is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt aan de randen van de inrichting een groenscherm van minstens vijf meter breedte aangelegd. Het groenscherm bestaat uit streekeigen laag- en hoogstammige dichtgroeiende gewassen. De exploitant neemt de nodige maatregelen opdat er zo snel mogelijk een efficiënt groenscherm verkregen wordt.
  Voor nieuwe inrichtingen wordt het groenscherm aangeplant zodra de bouwwerken dat toelaten en het plantseizoen is aangebroken. Als er geen bouwwerken worden uitgevoerd, wordt het groenscherm aangeplant in het eerste plantseizoen dat volgt op het begin van de uitbating.
  Afdeling 5.63.5. De uitbating
  Art. 5.63.5.1. De bagger- of ruimingsspecie mag niet worden opgeslagen buiten de behandelings- of opslagruimte die daarvoor bestemd is. De hoeveelheid bagger- en ruimingsspecie die in de inrichting opgeslagen is, mag niet meer bedragen dan toegestaan is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit. Als in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit geen hoeveelheden zijn vermeld, gelden de hoeveelheden, vermeld in de aanvraag.
  Art. 5.63.5.2. Het is verboden partijen bagger- of ruimingsspecie te mengen om de verontreiniging te verdunnen.
  Art. 5.63.5.3. Tenzij het anders bepaald is in de omgevingsvergunning voor de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt de bagger- of ruimingsspecie gelost, opgeslagen en ontwaterd op een vloeistofdichte vloer of ondergrond met een lekdicht afwateringssysteem, waarbij het ontwateringswater en het hemelwater wordt opgevangen.
  Bij gebruik van aan- en afvoerdarmen wordt gebruikgemaakt van vloeistofdichte snelkoppelingen.
  Het afvalwater wordt zo nodig op een aangepaste wijze behandeld om, waar dat mogelijk is, opnieuw te worden benut of om, in het andere geval, te worden geloosd. Iedere rechtstreekse verbinding tussen een plaats waar nog te behandelen afvalwater wordt opgevangen, en een oppervlaktewater of een riool is verboden.
  Art. 5.63.5.4. De afwatering van de omliggende percelen mag niet worden gehinderd.
  Art. 5.63.5.5. Op basis van de geo- en hydrogeologische toestand van de locatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan de vergunningverlenende overheid in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit maatregelen opleggen om de grondwaterkwaliteit in de omgeving van de inrichting op te volgen.
  Art. 5.63.5.6. De exploitant waakt over de goede werking en de zindelijkheid van de inrichting. Het personeel heeft de nodige richtlijnen gekregen om de inrichting te bedienen en te onderhouden. De inrichting wordt zo uitgebaat dat er geen specie buiten de inrichting kan terechtkomen.
  Art. 5.63.5.7. De exploitant neemt de vereiste maatregelen om te voorkomen dat trillingen van de installaties worden overgedragen op gebouwen of de omgeving. De gedeelten van de installaties die een trillingsbron kunnen vormen, worden daarvoor met een trillingdempend systeem uitgerust.
  Art. 5.63.5.8. De exploitant neemt de nodige maatregelen om overlast door vogels, ongedierte en insecten te voorkomen.
  Art. 5.63.5.9. Een afschrift van alle vergunningen waarover de inrichting beschikt, en het goedgekeurde werkplan worden, tenzij het anders bepaald is in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, in de inrichting ter beschikking gehouden van de toezichthouder.
  Het register en de resultaten of verslagen van de metingen en analyses die voorgeschreven zijn in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder en van de OVAM gedurende de volledige periode van de uitbating. Bij de beëindiging van de uitbating worden de registers bezorgd aan de OVAM.".
Art. 11. A la partie 5 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 octobre 2017, il est ajoutĂ© un chapitre 5.63, constituĂ© des articles 5.63.1.1 Ă  5.63.5.9 inclus, rĂ©digĂ© comme suit :
  " CHAPITRE 5.63. DĂ©pĂŽt et drainage de boues de dragage ou de vidange, qui satisfait aux dispositions relatives Ă  l'utilisation de matĂ©riaux de sol, tels que visĂ©s au dĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006 et Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007
  Section 5.63.1. Dispositions générales
  Art. 5.63.1.1. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux établissements qui ont été classifiés dans la rubrique 63 de la liste de classification.
  Section 5.63.2. Acceptation et enregistrement de boues de dragage ou de vidange
  Art. 5.63.2.1. L'acheminement, l'acceptation, le dépÎt, le traitement et l'évacuation de boues de dragage ou de vidange ne sont permis que sous surveillance de l'exploitant ou de son délégué compétent. L'exploitant communique le nom du délégué compétent à l'autorité de contrÎle par écrit.
  Art. 5.63.2.2. Sauf disposition contraire dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classés, l'installation et l'utilisation d'un pont-bascule étalonné pourvu d'un enregistrement automatique est obligatoire. L'étalonnage est effectué conformément à la loi sur les poids et les mesures. L'accÚs des camions amenant les terres n'est autorisé que sur le pont-bascule étalonné opérationnel.
  Art. 5.63.2.3. Sauf disposition contraire stipulée dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classés, l'apport et l'évacuation normaux de boues de dragage ou de vidange ne peut avoir lieu avant 7 heures ni aprÚs 19 heures.
  Art. 5.63.2.4. Les boues de dragage ou de vidange ne peuvent ĂȘtre acceptĂ©es que si leur origine et provenance sont connues et que leur composition a Ă©tĂ© fixĂ©e conformĂ©ment Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007.
  Les boues de dragage ou de vidange sont acceptĂ©es conformĂ©ment aux dispositions, telles que visĂ©es au titre III, chapitre XIII, section IV de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007.
  Art. 5.63.2.5. Sauf dispositions contraires stipulées dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classés, l'exploitant tient un registre dans lequel sont consignées au moins les données suivantes :
  1° en ce qui concerne l'acheminement de boues de dragage ou de vidange :
  a) la date de l'acheminement ;
  b) l'origine et la provenance ;
  c) le mode d'acheminement et si d'application, le transporteur ;
  d) la quantité acheminée ;
  e) des remarques relatives à l'acheminement, avec inclusion de la mention des charges refusées, si d'application ;
  2° en ce qui concerne le dĂ©pĂŽt : l'endroit oĂč le lot est entreposĂ© ;
  3° en ce qui concerne l' évacuation de boues de dragage ou de vidange :
  a) la destination ;
  b) le mode d'évacuation et si d'application, le transporteur ;
  c) la quantité évacuée.
  Section 5.63.3. Plan de travail
  Art. 5.63.3.1. L'exploitation dispose, au moment du démarrage des activités, d'un plan de travail qui comporte, en fonction de la nature de l'établissement, les éléments suivants :
  1° un manuel synoptique et clair pour l'exploitation de l'établissement ;
  2° l'organisation de l'acheminement ;
  3° l'organisation du drainage des boues de dragage ou de vidange acheminées ;
  4° un plan de la zone de dépÎt et de traitement, avec indication de la capacité de stockage ;
  5° l'organisation de l'évacuation des boues de dragage ou de vidange ;
  6° le mode de traitement des boues de dragage ou de vidange acheminés lorsque l'établissement est hors service à titre temporaire ou non ;
  7° le plan de drainage assorti d'un schéma des différents flux indiquant pour chaque flux le mode d'évacuation, les points de déversement et l'installation d'épuration éventuelle ;
  8° les mesures envisagées pour faire face aux pannes ou effets secondaires indésirables et prévenir des nuisances.
  Le plan de travail doit ĂȘtre approuvĂ© par l'autoritĂ© de contrĂŽle et est suivi par le superviseur.
  Section 5.63.4. Etablissement et infrastructure
  Art. 5.63.4.1. § 1er. L'accÚs à l'établissement est interdit aux personnes non autorisées. Sauf disposition contraire dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classés, l'établissement est entouré d'une clÎture solide d'environ deux mÚtres de hauteur. En dehors des heures d'ouverture normales, l'accÚs à l'établissement est fermé au moyen d'une porte.
  § 2. Sauf disposition contraire dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classés, les bords de l'établissement sont aménagés en rideau de plantations d'au moins cinq mÚtres de largeur. Le rideau de plantations est formé de plantes drues à basses et à hautes tiges d'essence locale. L'exploitant prend les mesures nécessaires pour obtenir un rideau de plantations efficace dans les meilleurs délais.
  Pour les nouveaux établissements le rideau de plantations est aménagé dÚs que les travaux de construction le permettent et que la saison des plantations a commencé. Dans l'absence de la mise en oeuvre de travaux de construction, le rideau de plantations est aménagé dans la premiÚre saison de plantation suivant le début de l'exploitation.
  Section 5.63.5. L'exploitation
  Art. 5.63.5.1. Les boues de dragage ou de vidange ne peuvent pas ĂȘtre entreposĂ©es en dehors de l'endroit de traitement ou de stockage prĂ©vu Ă  cette fin. La quantitĂ© de boues de dragage et de vidange entreposĂ©e dans l'Ă©tablissement, ne peut pas excĂ©der la quantitĂ© admise dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'Ă©tablissement ou de l'activitĂ© classĂ©s. Lorsque le permis d'environnement pour l'exploitation de l'Ă©tablissement ou de l'activitĂ© classifiĂ©s ne mentionne pas de quantitĂ©s, les quantitĂ©s, telles que visĂ©es dans la demande, s'appliquent.
  Art. 5.63.5.2. Il est interdit de mélanger des lots de boues de dragage ou de vidange pour diluer la pollution.
  Art. 5.63.5.3. Sauf disposition contraire dans le permis d'environnement pour l'établissement ou l'activité classifiés, les boues de dragage ou de vidange sont déchargées, stockées et drainées sur un sol imperméable ou un sous-sol à systÚme d'écoulement des eaux étanche, les eaux de drainage et les eaux de ruissellement étant captées au cours de ces opérations.
  En cas d'utilisation de tuyaux d'acheminement et d'évacuation, des raccords rapides étanches sont utilisés.
  Les eaux usĂ©es sont, si nĂ©cessaire, traitĂ©es de façon appropriĂ©e dans le but de les rĂ©utiliser dans des cas oĂč cela est envisageable ou, Ă  dĂ©faut, de les dĂ©verser. Toute communication directe entre un endroit oĂč des eaux usĂ©es en attente d'ĂȘtre traitĂ©es sont captĂ©es et des eaux de surface ou un Ă©gout est interdite.
  Art. 5.63.5.4. Le drainage des parcelles contiguĂ«s ne peut pas ĂȘtre compromis.
  Art. 5.63.5.5. Sur la base de l'état géologique et hydrogéologique de l'endroit de l'établissement ou de l'activité classifiés, l'autorité délivrant le permis peut imposer dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classifiés que la qualité des eaux souterraines aux abords de l'établissement soit suivie.
  Art. 5.63.5.6. L'exploitant veille au bon fonctionnement et à la propreté de l'établissement. Le personnel a reçu les directives nécessaires pour commander et entretenir l'établissement. L'établissement est exploité de façon à ce que les boues ne puissent aboutir en dehors de l'établissement.
  Art. 5.63.5.7. L'exploitant prend les mesures nécessaires pour prévenir que les vibrations des installations soient transférées aux bùtiments ou aux environs. Les parties des installations susceptibles de former une source de vibrations sont à cette fin équipées d'un systÚme d'amortissement des vibrations.
  Art. 5.63.5.8. L'exploitant prend les mesures nécessaires pour prévenir les nuisances causées par les oiseaux, la vermine et les insectes.
  Art. 5.63.5.9. Une copie de tous les permis dont dispose l'établissement et le plan de travail approuvé sont tenus à la disposition du superviseur dans l'établissement, sauf disposition contraire dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classés.
  Le registre et les résultats ou les rapports des mesures et analyses prescrites dans le permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classés, sont tenus à la disposition du superviseur et de l'OVAM pendant toute la période de l'exploitation. Au moment de la cessation de l'exploitation, les registres sont transmis à l'OVAM. ".
Art. 12. In bijlage 1 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in rubriek 2.1.3 worden de woorden "tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem die niet voldoet aan een toepassing als vermeld in het Bodemdecreet en het VLAREBO" vervangen door de zinsnede "tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem die niet voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007";
  2° rubriek 2.2.8 wordt vervangen door wat volgt :
  "
Art. 12. Dans l'annexe 1Ăšre au mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 et modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 fĂ©vrier 2017, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans la rubrique 2.1.3 les mots " dĂ©pĂŽt intermĂ©diaire pour la terre excavĂ©e qui ne satisfait pas Ă  une application telle que visĂ©e dans le DĂ©cret relatif au sol et le VLAREBO " sont remplacĂ©s par le membre de phrase " dĂ©pĂŽt intermĂ©diaire pour la terre excavĂ©e qui ne satisfait pas aux dispositions relatives Ă  l'utilisation de matĂ©riaux de sol, telles que visĂ©es dans le dĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006 et Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007 " ;
  2° la rubrique 2.2.8 est remplacée par ce qui suit :
  "
2.2.8 opslag en behandeling van bagger- of ruimingsspecie die niet voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007
  Uitzondering : De tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie of bij noodruiming die wordt uitgevoerd overeenkomstig de procedure voor tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie, respectievelijk de procedure voor tijdelijke oeverdeponie bij noodruiming van bagger- of ruimingsspecie, vermeld in het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, is niet vergunningsplichtig en is dus niet ingedeeld in deze rubriek.
      
 a) opslag in afwachting van behandeling 3     A
 b) mechanische, fysisch-chemische of biologische behandeling 3     A
2.2.8 opslag en behandeling van bagger- of ruimingsspecie die niet voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007
  Uitzondering : De tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie of bij noodruiming die wordt uitgevoerd overeenkomstig de procedure voor tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie, respectievelijk de procedure voor tijdelijke oeverdeponie bij noodruiming van bagger- of ruimingsspecie, vermeld in het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, is niet vergunningsplichtig en is dus niet ingedeeld in deze rubriek. a) opslag in afwachting van behandeling 3 Ab) mechanische, fysisch-chemische of biologische behandeling 3 A
";
  3° rubriek 2.3.7 wordt vervangen door wat volgt :
  "
2.2.8 dĂ©pĂŽt et traitement de boues de dragage ou de vidange, qui ne satisfait pas aux dispositions pour l'utilisation de matĂ©riaux de sol, telles que visĂ©es au dĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006 et Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007
  Exception : La dĂ©charge riveraine temporaire au cours du drainage de boues de dragage ou de vidange ou au cours d'une vidange d'urgence qui est effectuĂ©e conformĂ©ment Ă  respectivement la procĂ©dure applicable Ă  la dĂ©charge riveraine temporaire lors du drainage des boues de dragage ou de vidange et la procĂ©dure applicable Ă  la dĂ©charge riveraine temporaire en cas de vidange d'urgence de boues de dragage ou de vidange, visĂ©e Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007, n'est pas soumise Ă  autorisation et n'a dĂšs lors pas Ă©tĂ© classĂ©e dans cette rubrique.
      
 a) dĂ©pĂŽt en attente d'ĂȘtre traitĂ© 3     A
 b) traitement mécanique, physico-chimique ou biologique 3     A
       
2.2.8 dĂ©pĂŽt et traitement de boues de dragage ou de vidange, qui ne satisfait pas aux dispositions pour l'utilisation de matĂ©riaux de sol, telles que visĂ©es au dĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006 et Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007
  Exception : La dĂ©charge riveraine temporaire au cours du drainage de boues de dragage ou de vidange ou au cours d'une vidange d'urgence qui est effectuĂ©e conformĂ©ment Ă  respectivement la procĂ©dure applicable Ă  la dĂ©charge riveraine temporaire lors du drainage des boues de dragage ou de vidange et la procĂ©dure applicable Ă  la dĂ©charge riveraine temporaire en cas de vidange d'urgence de boues de dragage ou de vidange, visĂ©e Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007, n'est pas soumise Ă  autorisation et n'a dĂšs lors pas Ă©tĂ© classĂ©e dans cette rubrique. a) dĂ©pĂŽt en attente d'ĂȘtre traitĂ© 3 Ab) traitement mĂ©canique, physico-chimique ou biologique 3 A
" ;
  3° la rubrique 2.3.7 est remplacée par ce qui suit :
  "
2.3.7 opslag en behandeling van bagger- of ruimingsspecie die niet voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007
  Uitzondering : De tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie of bij noodruiming die wordt uitgevoerd overeenkomstig de procedure voor tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie, respectievelijk de procedure voor tijdelijke oeverdeponie bij noodruiming van bagger- of ruimingsspecie, vermeld in het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, is niet vergunningsplichtig en is dus niet ingedeeld in deze rubriek.
      
 a) monostortplaatsen voor bagger- of ruimingsspecie 1 N,O,W B   A
 b) terugstorten van bagger- of ruimingsspecie in de waterloop waaruit ze afkomstig is 2 O,T     
 c) opslag van bagger- of ruimingsspecie in afwachting van behandeling 2 O,T    A
 d) mechanische, fysisch-chemische of biologische behandeling van bagger- of ruimingsspecie 2 O,T    A
2.3.7 opslag en behandeling van bagger- of ruimingsspecie die niet voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007
  Uitzondering : De tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie of bij noodruiming die wordt uitgevoerd overeenkomstig de procedure voor tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie, respectievelijk de procedure voor tijdelijke oeverdeponie bij noodruiming van bagger- of ruimingsspecie, vermeld in het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, is niet vergunningsplichtig en is dus niet ingedeeld in deze rubriek. a) monostortplaatsen voor bagger- of ruimingsspecie 1 N,O,W B Ab) terugstorten van bagger- of ruimingsspecie in de waterloop waaruit ze afkomstig is 2 O,T c) opslag van bagger- of ruimingsspecie in afwachting van behandeling 2 O,T Ad) mechanische, fysisch-chemische of biologische behandeling van bagger- of ruimingsspecie 2 O,T A
";
  4° in rubriek 3 wordt aan Opmerkingen, punt 2, een punt g) toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "g) het lozen van poriënwater in de waterloop vanwaaruit de te ontwateren specie afkomstig is, bij de tijdelijke oeverdeponie van bagger- of ruimingsspecie die wordt uitgevoerd conform de bepalingen van titel III, hoofdstuk XIII, van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, op voorwaarde dat dat poriënwater niet aangerijkt is met polluenten.";
  5° in rubriek 30.1 wordt de zinsnede "beperkte mechanische activiteiten, zoals het sorteren of zeven van uitgegraven bodem, begrepen in rubriek 60 en 61" vervangen door de zinsnede "beperkte mechanische activiteiten, zoals het sorteren of het zeven van bodemmaterialen, vermeld in rubriek 60, 61 of 63";
  6° rubriek 60 wordt vervangen door wat volgt :
  "
2.3.7 dĂ©pĂŽt et traitement de boues de dragage ou de vidange, qui ne satisfait pas aux dispositions pour l'utilisation de matĂ©riaux de sol, tels que visĂ©s au dĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006 et Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007
  Exception : La dĂ©charge riveraine temporaire au cours du drainage de boues de dragage ou de vidange ou lors d'une vidange d'urgence qui est effectuĂ©e conformĂ©ment Ă  respectivement la procĂ©dure applicable Ă  la dĂ©charge riveraine temporaire lors du drainage des boues de dragage ou de vidange et la procĂ©dure applicable Ă  la dĂ©charge riveraine temporaire en cas de vidange d'urgence de boues de dragage ou de vidange, visĂ©e Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007, n'est pas soumise Ă  autorisation et n'a dĂšs lors pas Ă©tĂ© classĂ©e dans cette rubrique.
      
 a) monodécharges pour boues de dragage ou de vidange 1 N,O,W B   A
 b) reversement de boues de dragage ou de vidange dans le cours d'eau d'oĂč elles proviennent 2 O, T     
 c) stockage de boues de dragage ou de vidange en attente de leur traitement 2 O, T    A
 d) traitement mécanique, physico-chimique ou biologique de boues de dragage ou de vidange 2 O, T    A
2.3.7 dĂ©pĂŽt et traitement de boues de dragage ou de vidange, qui ne satisfait pas aux dispositions pour l'utilisation de matĂ©riaux de sol, tels que visĂ©s au dĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006 et Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007
  Exception : La dĂ©charge riveraine temporaire au cours du drainage de boues de dragage ou de vidange ou lors d'une vidange d'urgence qui est effectuĂ©e conformĂ©ment Ă  respectivement la procĂ©dure applicable Ă  la dĂ©charge riveraine temporaire lors du drainage des boues de dragage ou de vidange et la procĂ©dure applicable Ă  la dĂ©charge riveraine temporaire en cas de vidange d'urgence de boues de dragage ou de vidange, visĂ©e Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007, n'est pas soumise Ă  autorisation et n'a dĂšs lors pas Ă©tĂ© classĂ©e dans cette rubrique. a) monodĂ©charges pour boues de dragage ou de vidange 1 N,O,W B Ab) reversement de boues de dragage ou de vidange dans le cours d'eau d'oĂč elles proviennent 2 O, T c) stockage de boues de dragage ou de vidange en attente de leur traitement 2 O, T Ad) traitement mĂ©canique, physico-chimique ou biologique de boues de dragage ou de vidange 2 O, T A
" ;
  4° dans la rubrique 3, il est ajouté un point g) aux Remarques, point 2, rédigé comme suit :
  " g) le dĂ©versement d'eaux interstitielles dans le cours d'eau d'oĂč les boues Ă  drainer proviennent, lors de la dĂ©charge riveraine temporaire qui est effectuĂ©e conformĂ©ment aux dispositions du titre III, chapitre XIII, de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007, Ă  condition que les eaux interstitielles ne soient pas enrichies de polluants. " ;
  5° dans la rubrique 30.1, le membre de phrase " activités mécaniques limitées, telles le tri ou le tamisage de terres excavées, comprises dans les rubriques 60 et 61 " est remplacé par le membre de phrase " activités mécaniques limitées, telles le tri ou le tamisage de matériaux de sol, visés dans les rubriques 60, 61 ou 63 " ;
  6° la rubrique 60 est remplacée par ce qui suit :
  "
60 geheel of gedeeltelijk opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers
  Opmerking :
  Als afvalstoffen worden gebruikt voor de opvulling, geldt rubriek 2.
  Onder deze rubriek valt niet het gebruik van bodemmaterialen in het kader van functionele ophogingen en aanvullingen die worden uitgevoerd boven het maaiveld met als doel terreinen bouwrijp te maken of een grond- of bouwwerk te realiseren.
  Beperkte mechanische activiteiten, zoals het sorteren of zeven van bodemmaterialen, vallen in deze rubriek en zijn niet vergunningsplichtig volgens rubriek 30.
      
 1° met een capaciteit van 1000 tot en met 10.000 m3 2 N,O,W     
 2° met een capaciteit van meer dan 10.000 madupera3 1 N,O,W N   O
60 geheel of gedeeltelijk opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers
  Opmerking :
  Als afvalstoffen worden gebruikt voor de opvulling, geldt rubriek 2.
  Onder deze rubriek valt niet het gebruik van bodemmaterialen in het kader van functionele ophogingen en aanvullingen die worden uitgevoerd boven het maaiveld met als doel terreinen bouwrijp te maken of een grond- of bouwwerk te realiseren.
  Beperkte mechanische activiteiten, zoals het sorteren of zeven van bodemmaterialen, vallen in deze rubriek en zijn niet vergunningsplichtig volgens rubriek 30. 1° met een capaciteit van 1000 tot en met 10.000 m32 N,O,W 2° met een capaciteit van meer dan 10.000 madupera3 1 N,O,W N O
";
  7° in rubriek 61 worden de woorden "Tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem" vervangen door de zinsnede "Tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem die voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007";
  8° in rubriek 61.2 worden de woorden "tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem die voldoet aan een toepassing overeenkomstig het VLAREBO" vervangen door de zinsnede "tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem die voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007";
  9° er wordt een rubriek 63 toegevoegd, die luidt als volgt :
  "
60 Comblement, en tout ou en partie, de carriÚres, miniÚres, excavations et autres puits, y compris de mares et d'étangs
  Remarque :
  Si des déchets sont utilisés pour le comblement, la rubrique 2 s'applique.
  Est exclue de cette rubrique l'utilisation de matériaux de sol dans le cadre de remblais et terrassements fonctionnels, au-dessus du niveau du sol, pour la viabilisation de terrains ou pour la réalisation de travaux de terrassement ou de construction.
  Les activités mécaniques limitées, telles le tri ou le tamisage de matériaux de sol relÚvent de cette rubrique et ne sont pas soumises à autorisation aux termes de la rubrique 30.
      
 1° d'une capacité de 1000 à 10 000 m3 inclus 2 N,O,W     
 2° d'une capacité de plus de 10.000 m3 1 N,O,W N   O
60 Comblement, en tout ou en partie, de carriÚres, miniÚres, excavations et autres puits, y compris de mares et d'étangs
  Remarque :
  Si des déchets sont utilisés pour le comblement, la rubrique 2 s'applique.
  Est exclue de cette rubrique l'utilisation de matériaux de sol dans le cadre de remblais et terrassements fonctionnels, au-dessus du niveau du sol, pour la viabilisation de terrains ou pour la réalisation de travaux de terrassement ou de construction.
  Les activités mécaniques limitées, telles le tri ou le tamisage de matériaux de sol relÚvent de cette rubrique et ne sont pas soumises à autorisation aux termes de la rubrique 30. 1° d'une capacité de 1000 à 10 000 m3 inclus 2 N,O,W 2° d'une capacité de plus de 10.000 m31 N,O,W N O
" ;
  7° dans la rubrique 61 les mots " DĂ©pĂŽt intermĂ©diaire pour des terres excavĂ©es " sont remplacĂ©s par le membre de phrase " DĂ©pĂŽt intermĂ©diaire pour des terres excavĂ©es qui satisfait aux dispositions pour l'utilisation de matĂ©riaux de sol, telles que visĂ©es au dĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006 et Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007 " ;
  8° dans la rubrique 61.2 les mots " dĂ©pĂŽt intermĂ©diaire pour la terre excavĂ©e qui satisfait Ă  une application telle que visĂ©e dans le VLAREBO " sont remplacĂ©s par le membre de phrase " dĂ©pĂŽt intermĂ©diaire pour des terres excavĂ©es qui satisfait aux dispositions pour l'utilisation de matĂ©riaux de sol, telles que visĂ©es au dĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006 et Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007 " ;
  9° il est inséré une rubrique 63, rédigée comme suit :
  "
63 opslag en ontwatering van bagger- of ruimingsspecie die voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007:
  Uitzondering: De tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie die wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk XIII van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, is niet vergunningsplichtig en is dus niet ingedeeld in deze rubriek.
      
 1° opslag in afwachting van ontwatering 2 T     
 2° opslag en ontwatering 2 T    
63 opslag en ontwatering van bagger- of ruimingsspecie die voldoet aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007:
  Uitzondering: De tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie die wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk XIII van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, is niet vergunningsplichtig en is dus niet ingedeeld in deze rubriek. 1° opslag in afwachting van ontwatering 2 T 2° opslag en ontwatering 2 T
".
63 dĂ©pĂŽt et drainage de boues de dragage ou de vidange, qui satisfait aux dispositions relatives Ă  l'utilisation de matĂ©riaux de sol, telles que visĂ©es au dĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006 et Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007 :
  Exception : La dĂ©charge riveraine temporaire lors du drainage de boues de dragage ou de vidange qui est effectuĂ©e conformĂ©ment aux dispositions du chapitre XIII de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007, n'est pas soumise Ă  autorisation et n'a dĂšs lors pas Ă©tĂ© classĂ©e dans cette rubrique.
      
 1° dépÎt en attente de drainage 2 T     
 2° dépÎt et drainage 2 T    
63 dĂ©pĂŽt et drainage de boues de dragage ou de vidange, qui satisfait aux dispositions relatives Ă  l'utilisation de matĂ©riaux de sol, telles que visĂ©es au dĂ©cret relatif au sol du 27 octobre 2006 et Ă  l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007 :
  Exception : La dĂ©charge riveraine temporaire lors du drainage de boues de dragage ou de vidange qui est effectuĂ©e conformĂ©ment aux dispositions du chapitre XIII de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007, n'est pas soumise Ă  autorisation et n'a dĂšs lors pas Ă©tĂ© classĂ©e dans cette rubrique. 1° dĂ©pĂŽt en attente de drainage 2 T 2° dĂ©pĂŽt et drainage 2 T
".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007
Art. 13. In artikel 8, eerste lid, van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 1°, a), wordt de zinsnede "de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen" vervangen door de zinsnede "de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen";
  2° in punt 1°, b), wordt de zinsnede "wet van 22 maart 1993" vervangen door de zinsnede "wet van 25 april 2014";
  3° in punt 2° wordt de zinsnede "de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen" vervangen door de zinsnede "de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen".
Art. 13. Dans l'article 8, alinĂ©a premier, de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au point 1°, a), le membre de phrase " la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrÎle des établissements de crédit " est remplacé par le membre de phrase " la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrÎle des établissements de crédit et des sociétés de bourse " ;
  2° dans le point 1°, b), le membre de phrase " loi du 22 mars 1993 " est remplacé par le membre de phrase " loi du 25 avril 2014 " ;
  3° au point 2°, le membre de phrase " la loi du 9 juillet 1975 relative au contrÎle des entreprises d'assurances " est remplacé par le membre de phrase " la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrÎle des entreprises d'assurance ou de réassurance ".
Art. 14. In artikel 11 van hetzelfde besluit wordt het woord "schriftelijke" opgeheven.
Art. 14. Dans l'article 11 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le mot " Ă©crite " est abrogĂ©.
Art. 15. Aan titel II, hoofdstuk II, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015, wordt een afdeling V, die bestaat uit artikel 12/1, toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Afdeling V. Digitalisering
  Art. 12/1. De minister bepaalt welke kennisgevingen, meldingen, verzendingen en procedures in het kader van het Bodemdecreet en dit besluit digitaal kunnen worden gedaan of verlopen conform de regels die hij vaststelt.".
Art. 15. Au titre II, chapitre II du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 octobre 2015, il est ajoutĂ© une section V, constituĂ©e de l'article 12/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Section V. Numérisation
  Art. 12/1. Le ministre Ă©tablit la liste des notifications, dĂ©clarations, envois et procĂ©dures qui, dans le cadre du DĂ©cret relatif au sol et du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, peuvent ĂȘtre effectuĂ©s ou se dĂ©rouler par voie numĂ©rique, conformĂ©ment aux rĂšgles qu'il Ă©tablit. ".
Art. 16. Artikel 48 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 48. Bij de evaluatie van de beste beschikbare technieken die geen overmatige kosten met zich meebrengen, moet rekening worden gehouden met al de volgende elementen :
  1° de verschillende lokaal-milieuhygiënische criteria van de beschouwde technieken, zoals :
  a) de mate waarin de decretale doelstellingen behaald worden;
  b) de totale vuilvrachtvermindering;
  c) de rechtstreekse emissie naar andere milieucompartimenten;
  d) de tijd die nodig is om de bodem te saneren, rekening houdend met eventueel geldende beleidsdoelstellingen;
  2° de verschillende regionaal/globaal-milieuhygiënische criteria van de beschouwde technieken, zoals :
  a) het verbruik van grondstoffen en gerecycleerde materialen;
  b) de productie van niet-herbruikbaar afval tijdens de sanering;
  3° de verschillende technische en maatschappelijke criteria van de beschouwde technieken, zoals :
  a) de mogelijke hinder voor de omgeving tijdens de sanering;
  b) de eventuele beperkingen op het gebruik van de grond na de bodemsanering;
  c) de mate waarin bij de uitvoering onbedoelde schade kan worden vermeden;
  d) de noodzakelijke maatregelen om zowel de milieuveiligheid als de arbeidsveiligheid te verzekeren bij de uitvoering van de bodemsaneringswerken;
  4° de kosten van de uitvoering van de bodemsanering en de eventuele bijkomende kosten die gekoppeld zijn aan de restverontreiniging.".
Art. 16. L'article 48 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par le ce qui suit :
  " Art. 48. Dans l'Ă©valuation des meilleures techniques disponibles qui n'entraĂźnent pas de coĂ»ts excessifs, il doit ĂȘtre tenu compte de tous les Ă©lĂ©ments suivants :
  1° les différents critÚres d'hygiÚne environnementale locale des techniques considérées, tels que :
  a) la mesure dans laquelle elles permettent d'atteindre les objectifs décrétaux ;
  b) la réduction totale de la charge polluante ;
  c) l'émission directe vers d'autres milieux ;
  d) le temps nécessaire pour assainir le sol, en tenant compte des objectifs politiques éventuellement en vigueur ;
  2° les différents critÚres d'hygiÚne environnementale régionale/globale des techniques considérées, tels que :
  a) la consommation de matiÚres premiÚres et de matériaux recyclés ;
  b) la production de déchets non-réutilisables au cours de l'assainissement ;
  3° les critÚres techniques et sociétaux divers des techniques considérées, tels que :
  a) les éventuelles nuisances pour le voisinage pendant l'assainissement ;
  b) les éventuelles restrictions sur l'utilisation des terres aprÚs l'assainissement du sol ;
  c) la mesure dans laquelle les dommages involontaires peuvent ĂȘtre Ă©vitĂ©s dans l'exĂ©cution ;
  d) les mesures nécessaires pour assurer la sécurité tant de l'environnement que du travail dans l'exécution des travaux d'assainissement du sol ;
  4° le coût d'exécution de l'assainissement du sol et les éventuels coûts supplémentaires liés à la pollution résiduelle. ".
Art. 17. Aan artikel 50 van hetzelfde besluit wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "9° de verwerving van de verontreinigde risicogrond zonder oriënterend bodemonderzoek op grond van artikel 102, § 1, derde lid, van het Bodemdecreet.".
Art. 17. A l'article 50 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est ajoutĂ© un point 9°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 9° l'acquisition du sol pollué à risque sans reconnaissance d'orientation du sol en vertu de l'article 102, § 1er, alinéa trois, du Décret relatif au sol. ".
Art. 18. In artikel 51, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het woord "betekent" wordt vervangen door het woord "bezorgt";
  2° de woorden "bij aangetekende brief" worden opgeheven.
Art. 18. Dans l'article 51, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le mot " notifie " est remplacé par le mot " transmet " ;
  2° les mots " , par lettre recommandée " sont abrogés.
Art. 19. In artikel 52 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "bij aangetekende brief" opgeheven;
  2° in het eerste lid wordt het woord "betekenen" vervangen door het woord "bezorgen";
  3° het derde lid wordt vervangen door wat volgt :
  "Na de aanmaning of de beslissing van de OVAM over de aard en de ernst van de bodemverontreiniging bezorgt de saneringsplichtige persoon, vermeld in artikel 22 van het Bodemdecreet, zijn gemotiveerde standpunt aan de OVAM. Hij doet dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen negentig dagen na de ontvangst van de aanmaning of de beslissing van de OVAM over de aard en de ernst van de verontreiniging.";
  4° in het vierde lid worden de woorden "de aangemaande persoon" vervangen door de woorden "de saneringsplichtige persoon".
Art. 19. A l'article 52 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa premier, les mots ", par lettre recommandée, " sont abrogés ;
  2° dans l'alinéa premier, le mot " notifier " est remplacé par le mot " transmettre " ;
  3° l'alinéa trois est remplacé par ce qui suit :
  " AprÚs l'injonction ou la décision de l'OVAM portant sur la nature et la gravité de la pollution du sol, la personne soumise à l'assainissement, visée à l'article 22 du Décret relatif au sol, transmet sa position motivée à l'OVAM. Il le fait, à peine d'irrecevabilité, dans les nonante jours aprÚs la réception de l'injonction ou de la décision de l'OVAM portant sur la nature et la gravité de la pollution. " ;
  4° à l'alinéa quatre, les mots " la personne sommée " sont remplacés par les mots " la personne soumise à l'assainissement ".
Art. 20. In artikel 54 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015, wordt de zinsnede "in de conformverklaring van het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek of van het beschrijvend bodemonderzoek, of in de eindverklaring" vervangen door de zinsnede "op basis van het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek of van het beschrijvend bodemonderzoek, of in de eindverklaring door de OVAM".
Art. 20. Dans l'article 54 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 octobre 2015, le membre de phrase " dans la dĂ©claration de conformitĂ© de la reconnaissance d'orientation et descriptive du sol ou de la reconnaissance descriptive du sol ou dans la dĂ©claration finale " est remplacĂ© par le membre de phrase " sur la base de la reconnaissance d'orientation et descriptive du sol ou de la reconnaissance descriptive du sol ou dans la dĂ©claration finale par l'OVAM ".
Art. 21. Aan artikel 54/2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013, wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "3° de eigenaar die na 31 maart 2019 de grond waarop de bodemverontreiniging tot stand gekomen is, heeft verworven van een eigenaar als vermeld in punt 1° en 2°, die met toepassing van het tweede lid, 1° tot en met 3°, niet van cofinanciering uitgesloten is, als hij overeenkomstig het Bodemdecreet en dit besluit tegenover de OVAM de verbintenis is aangegaan tot uitvoering van de bodemsaneringswerken voor die bodemverontreiniging .".
Art. 21. A l'article 54/2, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 mars 2013, il est ajoutĂ© un point 3°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 3° le propriĂ©taire qui a achetĂ© le sol sur lequel s'est produite la pollution du sol, aprĂšs le 31 mars 2019, d'un propriĂ©taire, tel que visĂ© aux points 1° et 2°, qui, en application de l'alinĂ©a deux, 1° Ă  3° inclus, n'est pas exclu de cofinancement, si celui-ci s'est engagĂ© Ă  l'Ă©gard de l'OVAM Ă  mettre en oeuvre les travaux d'assainissement du sol pour cette pollution du sol conformĂ©ment au DĂ©cret relatif au sol et au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. ".
Art. 22. In artikel 54/3, tweede lid, 2°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013, wordt de zinsnede "als vermeld in artikel 121" vervangen door de zinsnede "waarvoor een bodemsaneringsorganisatie als vermeld in artikel 95, § 1, van het Bodemdecreet, is erkend".
Art. 22. Dans l'article 54/3, alinĂ©a deux, 2° du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 mars 2013, le membre de phrase " telle que visĂ©e Ă  l'article 121 " est remplacĂ© par le membre de phrase " pour laquelle une organisation d'assainissement du sol, telle que visĂ©e Ă  l'article 95, § 1er du DĂ©cret relatif au sol, a Ă©tĂ© agréée ".
Art. 23. In artikel 54/4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "die zijn opgelijst in de standaardprocedure, vermeld in artikel 47, § 2 van het Bodemdecreet" opgeheven;
  2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt :
  "Alleen kosten van bodemsaneringswerken die na 31 december 2015 zijn uitgevoerd en waarvan de facturen dateren van minder dan twee jaar voor de datum van ontvangst van de aanvraag tot cofinanciering door de OVAM, komen in aanmerking voor cofinanciering.";
  3° in het derde lid worden de woorden "als historische bodemverontreiniging te beschouwen deel van de gemengde bodemverontreiniging" vervangen door de zinsnede "deel van de gemengde bodemverontreiniging dat voor 29 oktober 1995 tot stand gekomen is".
Art. 23. Dans l'article 54/4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 mars 2013, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa premier, le membre de phrase " qui sont énumérés dans la procédure standard, visée à l'article 47, § 2, du Décret relatif au sol " est abrogé ;
  2° l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
  " Seuls les frais de travaux d'assainissement du sol qui ont été exécutés aprÚs le 31 décembre 2015 et dont les factures remontent à moins de deux ans avant la date de réception de la demande de cofinancement par l'OVAM, sont éligibles au cofinancement. " ;
  3° dans l'alinĂ©a trois, les mots " Ă  la partie de la pollution mixte du sol qui peut ĂȘtre considĂ©rĂ©e comme historique " sont remplacĂ©s par le membre de phrase " Ă  la partie de la pollution mixte du sol datant d'avant le 29 octobre 1995 ".
Art. 24. In artikel 54/6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "op straffe van niet-ontvankelijkheid zowel aangetekend als" opgeheven;
  2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt :
  "De aanvraag tot cofinanciering wordt ingediend met een volledig ingevuld, gedateerd en ondertekend formulier voor de aanvraag van cofinanciering. Het model van het aanvraagformulier wordt vastgesteld bij besluit van de administrateur-generaal van de OVAM en voorziet in ieder geval in de opvraging van al de volgende gegevens :
  1° de identificatie van het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject of van het beperkte bodemsaneringsproject op basis waarvan de bodemsaneringswerken zijn uitgevoerd die het voorwerp uitmaken van de aanvraag tot cofinanciering;
  2° een overzicht van de kosten van de bodemsaneringswerken die in aanmerking komen voor cofinanciering met toepassing van artikel 54/4. Het overzicht wordt opgemaakt onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige van type 2 op basis van het conform verklaarde bodemsaneringsproject of van het conform verklaarde beperkte bodemsaneringsproject, vermeld in punt 1° ;
  3° een aan de OVAM tegenstelbare akte waaruit blijkt wanneer de aanvrager van de cofinanciering eigenaar van de grond is geworden;
  4° een kopie van de facturen voor de kosten, vermeld in punt 2°. De facturen worden opgenomen in een rekeningstaat, en een gedetailleerde vorderingsstaat en een betalingsbewijs worden bijgevoegd. De administrateur-generaal van de OVAM kan een model van vorderings- en rekeningstaat vastleggen, en vormvereisten voor de facturen opleggen.";
  3° er worden een derde en een vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
  "Er kunnen maximaal drie aanvragen tot cofinanciering bij de OVAM worden ingediend voor bodemsaneringswerken voor dezelfde bodemverontreiniging.
  Een aanvraag tot cofinanciering die niet voldoet aan de vereisten, vermeld in het eerste tot en met derde lid, is niet ontvankelijk.".
Art. 24. Dans l'article 54/6 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 mars 2013, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa premier, la phrase " Sous peine d'irrecevabilité, une demande de cofinancement est introduite auprÚs de l'OVAM tant par lettre recommandée que par voie électronique " est remplacée par la phrase " Une demande de cofinancement est introduite auprÚs de l'OVAM par voie électronique. " ;
  2° l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
  " La demande de cofinancement est introduite au moyen d'un formulaire de demande de cofinancement complĂštement rempli, datĂ© et signĂ©. Le modĂšle du formulaire de demande est Ă©tabli par arrĂȘtĂ© de l'administrateur gĂ©nĂ©ral de l'OVAM et interroge le demandeur de cofinancement en tout cas sur toutes les donnĂ©es suivantes :
  1° l'identification de l'attestation de conformité du projet d'assainissement du sol ou du projet limité d'assainissement du sol sur la base de laquelle les travaux d'assainissement du sol faisant l'objet de la demande de cofinancement ont été exécutés ;
  2° un aperçu des frais des travaux d'assainissement du sol éligibles au cofinancement en application de l'article 54/4. L'aperçu est rédigé sous la direction d'un expert en assainissement du sol de type 2 sur la base du projet d'assainissement du sol déclaré conforme ou du projet limité d'assainissement du sol déclaré conforme, visé au point 1° ;
  3° un acte opposable à l'OVAM attestant la date à laquelle le demandeur du cofinancement est devenu propriétaire des terres ;
  4° une copie des factures pour les frais visés au point 2°. Les factures sont reprises dans un état de dépenses, auquel sont joints un état des paiements effectués détaillé ainsi qu'une preuve de paiement. L'administrateur général de l'OVAM peut établir un modÚle d'état des paiements effectués et des dépenses et imposer des formalités aux factures. " ;
  3° il est ajouté des alinéas trois et quatre, rédigés comme suit :
  " Au maximum trois demandes de cofinancement pour travaux d'assainissement du sol pour la mĂȘme pollution du sol peuvent ĂȘtre introduites auprĂšs de l'OVAM ;
  Une demande de cofinancement qui ne satisfait pas aux exigences, telles que visées aux alinéas premier à trois, n'est pas recevable. ".
Art. 25. In artikel 54/7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt :
  "De cofinancieringsbeslissing bevat in ieder geval de volgende elementen :
  1° het percentage van de cofinanciering dat van toepassing is op het moment van de beslissing tot cofinanciering;
  2° het bedrag van de cofinanciering.";
  2° er worden een derde en een vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
  "Het uit te betalen bedrag van de cofinanciering wordt berekend door het toepasselijke percentage van de cofinanciering te vermenigvuldigen met de kosten die in aanmerking komen voor cofinanciering en die opgenomen zijn in de facturen die beantwoorden aan de vereisten, vermeld in artikel 54/6, tweede lid, 4°.
  Het gecumuleerde bedrag van de cofinanciering voor de bodemsaneringswerken voor dezelfde bodemverontreiniging, dat toegekend wordt aan een begunstigde, kan niet meer dan 200.000 euro bedragen.".
Art. 25. Dans l'article 54/7 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 mars 2013, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
  " La décision de cofinancement contient en tout cas les éléments suivants :
  1° le pourcentage du cofinancement qui est applicable au moment de la décision de cofinancement ;
  2° le montant du cofinancement. " ;
  2° il est ajouté des alinéas trois et quatre, rédigés comme suit :
  " Le montant payable du cofinancement est le résultat de la multiplication du pourcentage applicable du cofinancement avec les frais éligibles au cofinancement, repris dans les factures qui répondent aux critÚres, tels que visés à l'article 54/6, alinéa deux, 4°.
  Le montant cumulĂ© du cofinancement pour les travaux d'assainissement du sol pour la mĂȘme pollution du sol, qui est octroyĂ© Ă  un bĂ©nĂ©ficiaire, ne peut pas dĂ©passer les 200.000 euros. ".
Art. 26. In titel III, hoofdstuk III, afdeling IV, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015, wordt onderafdeling VI, die bestaat uit artikel 54/9 tot en met 54/12, opgeheven.
Art. 26. Au titre III, chapitre III, section IV du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 mars 2013 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 octobre 2015, la sous-section VI, constituĂ©e des articles 54/9 Ă  54/12 inclus, est abrogĂ©e.
Art. 27. In titel III, hoofdstuk III, afdeling IV, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015, wordt onderafdeling VII, die bestaat uit artikel 54/13, opgeheven.
Art. 27. Au titre III, chapitre III, section IV du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 mars 2013 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 octobre 2015, la sous-section VII, constituĂ©e de l'article 54/13, est abrogĂ©e.
Art. 28. In artikel 54/15, eerste lid, 1°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013, worden de woorden "of in de aanvraag tot uitbetaling van de cofinanciering" opgeheven.
Art. 28. Dans l'article 54/15, alinĂ©a premier, 1°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 mars 2013, les mots " ou dans la demande de paiement du cofinancement " sont abrogĂ©s.
Art. 29. In artikel 64 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. Voor de overdracht van risicogrond, vermeld in artikel 29, 30 en 102 van het Bodemdecreet, moet in de volgende gevallen geen nieuw oriënterend bodemonderzoek worden uitgevoerd :
  1° sinds de datum van de ondertekening van het meest recente verslag van oriënterend bodemonderzoek is of was op de te onderzoeken grond geen risico-inrichting gevestigd;
  2° als sinds de datum van de ondertekening van het meest recente verslag van oriënterend bodemonderzoek wel een risico-inrichting op de te onderzoeken grond gevestigd is of was : de voormelde ondertekening dateert van minder dan een jaar voor de overdracht van de risicogrond.
  In de gevallen, vermeld in het eerste lid, moet in de volgende situaties toch een nieuw oriënterend bodemonderzoek worden uitgevoerd :
  1° de ruimtelijke omschrijving van de onderzochte grond of gronden stemt niet overeen met de ruimtelijke omschrijving van de grond waarop de onderzoeksplicht rust, tenzij er voldaan is aan een van de volgende voorwaarden :
  a) de te onderzoeken grond ligt volledig binnen de ruimtelijke omschrijving van de onderzochte grond of gronden;
  b) de te onderzoeken grond wordt gevormd door een onderzochte grond en een grond waarop geen risico-inrichting gevestigd is of was;
  2° de bestemming van de te onderzoeken grond conform de vigerende plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen is sinds de datum van de ondertekening van het meest recente verslag van oriënterend bodemonderzoek gewijzigd, waardoor een bestemmingstype met een lagere bodemsaneringsnorm van toepassing is;
  3° sinds de datum van de ondertekening van het meest recente verslag van oriënterend bodemonderzoek heeft er zich een schadegeval op de grond voorgedaan.
  Het nieuwe oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de standaardprocedure, vermeld in artikel 28, § 2, van het Bodemdecreet.";
  2° paragraaf 2 wordt opgeheven;
  3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 3. Voor de onderzoeksplicht, vermeld in artikel 33bis, § 2, van het Bodemdecreet, wordt geen nieuw oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd als in het kader van de exploitatie van de risico-inrichting op de grond in het verleden al een oriënterend bodemonderzoek is uitgevoerd.".
Art. 29. Dans l'article 64 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 octobre 2015, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Pour le transfert de terrain Ă  risque, tel que visĂ© aux articles 29, 30 et 102 du DĂ©cret relatif au sol, une nouvelle reconnaissance d'orientation du sol ne doit pas ĂȘtre effectuĂ©e dans les cas suivants :
  1° depuis la date de la signature du plus récent rapport de reconnaissance d'orientation du sol, aucun établissement à risque n'est ou n'a été établi sur le terrain à examiner ;
  2° si depuis la date de la signature du plus récent rapport de reconnaissance d'orientation du sol un établissement à risque est ou a été établi sur le sol à examiner : la signature précitée remonte à moins d'un an avant le transfert du sol à risque.
  Dans les cas, tels que visĂ©s dans l'alinĂ©a premier, une nouvelle reconnaissance d'orientation du sol doit toutefois ĂȘtre effectuĂ©e dans les situations suivantes :
  1° la circonscription spatiale du terrain ou des terrains examiné(s) ne correspond pas à la circonscription spatiale du terrain sur lequel porte l'obligation de reconnaissance, à moins qu'il ait été satisfait à une des conditions suivantes :
  a) le terrain à examiner se trouve entiÚrement endéans la circonscription spatiale du terrain ou des terrains examiné(s) ;
  b) le sol à examiner est constitué de sol examiné et de sol sur lequel aucun établissement à risque n'est ou n'était établi ;
  2° depuis la date de la signature du plus récent rapport de reconnaissance d'orientation du sol, la destination du terrain à examiner, conforme aux plans d'aménagement ou aux plans d'exécution spatiaux en vigueur, a été modifiée de sorte qu'un type de destination ayant une norme d'assainissement du sol inférieure est d'application ;
  3° depuis la date de les signature du plus récent rapport de reconnaissance d'orientation du sol, un sinistre s'est produit sur le terrain.
  La nouvelle reconnaissance d'orientation du sol est effectuée conformément à la procédure standard visée à l'article 28, § 2, du Décret relatif au sol. " ;
  2° le paragraphe 2 est abrogé ;
  3° le paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. Pour l'obligation de reconnaissance, visée à l'article 33bis, § 2, du Décret sur le sol, aucune nouvelle reconnaissance d'orientation du sol n'est exécutée si, dans le cadre de l'exploitation de l'établissement à risque, une reconnaissance d'orientation du sol a déjà été exécutée sur le terrain dans le passé. ".
Art. 30. In titel III, hoofdstuk IV, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017, wordt afdeling II, die bestaat uit artikel 68 tot en met 71, opgeheven.
Art. 30. Au titre III, chapitre VI, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 fĂ©vrier 2017, la section II, constituĂ©e des articles 68 Ă  71, est abrogĂ©e.
Art. 31. In titel III, hoofdstuk IV, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017, wordt afdeling III, die bestaat uit artikel 72 tot en met 76, opgeheven.
Art. 31. Au titre III, chapitre IV, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 fĂ©vrier 2017, la section III, constituĂ©e des articles 72 Ă  76, est abrogĂ©e.
Art. 32. In artikel 78 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 4°, a), worden de woorden "conform verklaarde" opgeheven;
  2° er wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "7° in voorkomend geval, het gemotiveerde verzoek, vermeld in artikel 52 van het Bodemdecreet.".
Art. 32. A l'article 78 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 octobre 2015, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au point 4°, a) les mots " et déclarées conformes " sont abrogés ;
  2° il est ajouté un point 7°, rédigé comme suit :
  " 7° le cas échéant, la demande motivée, telle que visée à l'article 52 du Décret relatif au sol. ".
Art. 33. In artikel 81, tweede lid, 2°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015, wordt het woord "aangetekende" opgeheven.
Art. 33. Dans l'article 81, alinĂ©a deux, 2°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 octobre 2015, le mot " recommandĂ©e " est abrogĂ©.
Art. 34. In artikel 86 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015 en 17 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het derde lid wordt de zinsnede "tot en met 85" vervangen door de zinsnede ", 84 en 85, tweede lid";
  2° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Als het bodemsaneringsproject werken omvat waarvoor een project-MER vereist is, bezorgt de OVAM uiterlijk tachtig dagen na de ontvangst van het bodemsaneringsproject het proces-verbaal, vermeld in het tweede lid, en de adviezen, vermeld in het derde lid, aan de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage. Uiterlijk honderdtwintig dagen na de ontvangst van het bodemsaneringsproject verleent de afdeling, bevoegd voor milieueffectrapportage, haar advies over het bodemsaneringsproject aan de OVAM. Bij gebrek aan advies binnen die termijn wordt aangenomen dat een gunstig advies is uitgebracht en kan de procedure worden voortgezet.".
Art. 34. Dans l'article 86 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 23 octobre 2015 et 17 fĂ©vrier 2017, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa trois, le membre de phrase " jusqu'à 85 " est remplacé par le membre de phrase " , 84 et 85, alinéa deux " ;
  2° il est ajouté un alinéa quatre, rédigé comme suit :
  " Si le projet d'assainissement du sol comprend des travaux pour lesquels un projet MER est requis, l'OVAM transmet le procĂšs-verbal, tel que visĂ© Ă  l'alinĂ©a deux, et les avis, tels que visĂ©s Ă  l'alinĂ©a trois, Ă  la division compĂ©tente pour l'Ă©valuation des incidences sur l'environnement au plus tard quatre-vingts jours aprĂšs la rĂ©ception du projet d'assainissement du sol. Au plus tard cent vingt jours aprĂšs la rĂ©ception du projet d'assainissement du sol, la division compĂ©tente pour l'Ă©valuation des incidences sur l'environnement transmet son avis portant sur le projet d'assainissement du sol Ă  l'OVAM. Faute d'avis dans ce dĂ©lai, il est admis qu'un avis favorable a Ă©tĂ© Ă©mis et que la procĂ©dure peut ĂȘtre poursuivie. ".
Art. 35. In artikel 87 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "artikel 47 en 48" vervangen door de zinsnede "artikel 47 tot en met 48".
Art. 35. Dans l'article 87 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le membre de phrase " des articles 47 et 48 " est remplacĂ© par le membre de phrase " de l'article 47 Ă  48 inclus ".
Art. 36. In artikel 89, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "artikel 47 en 48" vervangen door de zinsnede "artikel 47 tot en met 48".
Art. 36. Dans l'article 89, § 1er, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le membre de phrase " des articles 47 et 48 " est remplacĂ© par le membre de phrase " de l'article 47 Ă  48 inclus ".
Art. 37. In artikel 91, 5°, a), van hetzelfde besluit wordt het woord "conformverklaarde" opgeheven.
Art. 37. Dans l'article 91, 5°, a) du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " et dĂ©clarĂ©es conformes " sont abrogĂ©s.
Art. 38. In artikel 143, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het woord "betekent" wordt vervangen door het woord "bezorgt";
  2° de woorden "bij aangetekende brief" worden opgeheven.
Art. 38. Dans l'article 143, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le mot " notifie " est remplacé par le mot " transmet " ;
  2° les mots " par lettre recommandée " sont abrogés.
Art. 39. In artikel 146 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015, worden de woorden "de conformverklaring van" opgeheven.
Art. 39. A l'article 146 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 octobre 2015, les mots " la dĂ©claration de conformitĂ© de " sont abrogĂ©s.
Art. 40. In artikel 147, eerste lid, van hetzelfde besluit, wordt het getal "113" vervangen door het getal "112".
Art. 40. Dans l'article 147, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le nombre " 113 " est remplacĂ© par le nombre " 112 ".
Art. 41. In artikel 151 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt het woord "aangetekende" opgeheven;
  2° het derde lid wordt opgeheven.
Art. 41. A l'article 151 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa premier, le mot " recommandée " est abrogé ;
  2° l'alinéa trois est abrogé.
Art. 42. In artikel 152/1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015, wordt het woord "aangetekende" opgeheven.
Art. 42. Dans l'article 152/1, alinĂ©a premier du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 octobre 2015, le mot " recommandĂ©e " est abrogĂ©.
Art. 43. In titel III van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2017, wordt hoofdstuk XIII, dat bestaat uit artikel 158 tot en met 210, vervangen door wat volgt :
  "Hoofdstuk XIII. Het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen
  Afdeling I. - Definities
  Art. 158. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° bouwkundig bodemgebruik : het niet-vormvaste gebruik van bodemmaterialen in een waterwerk, dijklichaam, wegenbouwkundig werk, bouwwerk en elk ander niet-vormvast gebruik van bodemmaterialen waarin de functie van de bodemmaterialen duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem;
  2° eindgebruiker :
  a) de eigenaar, exploitant of gebruiker van de ontvangende grond die de opdracht heeft gegeven om de bodemmaterialen te gebruiken;
  b) de eigenaar of exploitant van de vergunde inrichting die de bodemmaterialen aanvaardt om ze te gebruiken in een vormvast product;
  c) de waterloopbeheerder voor de oeverdeponie van bagger- en ruimingsspecie langs onbevaarbare waterlopen en grachten, beheerd door polders of wateringen ter uitvoering van de wet van 28 december 1967 op de onbevaarbare waterlopen en het koninklijk besluit van 30 januari 1958 houdende algemeen politiereglement van de polders en van de wateringen die stellen dat aangelanden de voorwerpen en stoffen, opgehaald uit de bedding van de waterloop, moeten laten plaatsen op hun grond;
  3° fysisch scheiden : het wegnemen van een deel of het geheel van de steenfractie en andere bodemvreemde materialen dan stenen uit de bodemmaterialen;
  4° initiatiefnemer van de werken :
  a) de bouwheer van de grondwerken op de plaats van de uitgraving;
  b) de waterloopbeheerder op de plaats van het baggeren of ruimen of degene die opdracht heeft gegeven tot het baggeren of het ruimen;
  c) de bouwheer van de grondwerken op de plaats waar het bentonietslib vrijkomt;
  d) de exploitant van de inrichting waar de grondbrij vrijkomt;
  5° kadastrale werkzone : de zone die vastgesteld is in het kader van eenzelfde project en die bestaat uit een geheel van gronden met soortgelijke kenmerken. Het betreft kenmerken die een betekenisvol effect op het milieu hebben of een betekenisvol risico voor de volksgezondheid inhouden;
  6° ontvangende grond : de grond waarop bodemmaterialen worden gebruikt;
  7° ontvanger : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de bodemmaterialen gebruikt voor rekening van de eindgebruiker of de eindgebruiker zelf;
  8° opmetingstabel : de tabel waarop de volumes en de gebruiksmogelijkheden van de bodemmaterialen vermeld staan;
  9° tussentijdse opslagplaats : de locatie voor een in de tijd beperkte opslag van bodemmaterialen in afwachting van het gebruik ervan;
  10° uitvoerder van de werken : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de werken uitvoert in opdracht en voor rekening van de initiatiefnemer van de werken;
  11° verdachte grond :
  a) risicogrond;
  b) grond die opgenomen is in het Grondeninformatieregister, als in een bodemonderzoek in het vaste deel van de aarde van die grond concentraties van stoffen zijn aangetroffen die hoger liggen dan de richtwaarden voor de bodemkwaliteit voor het vaste deel van de aarde;
  c) openbare weg, oude wegbedding en wegberm;
  d) grond waarvoor aanwijzingen bestaan van de aanwezigheid in het vaste deel van de aarde van stoffen in concentraties die hoger liggen dan de richtwaarden voor de bodemkwaliteit van het vaste deel van de aarde, en die is aangewezen door de minister;
  e) waterbodem van een oppervlaktewaterlichaam waarin huishoudelijk afvalwater of bedrijfsafvalwater wordt geloosd, of die hemelwater ontvangt dat afkomstig is van een gewest-, provinciale en snelweg;
  12° vormvast product : elk product waarin bodemmaterialen worden gebruikt en dat vormvast is gemaakt door bindmiddelen of thermische processen;
  13° zone voor het gebruik ter plaatse : de zone waarin de bodemmaterialen op dezelfde plaats worden teruggelegd;
  14° zoneringsplan : het plan van de plaats van de uitgraving, het baggeren of het ruimen waarop de verschillende gebruiksmogelijkheden van de uit te graven of van de uit te baggeren of te ruimen waterbodem grafisch worden voorgesteld, of het plan waarop de indeling van de verschillende gebruiksmogelijkheden van de deelpartijen van een partij opgeslagen bodemmaterialen grafisch worden voorgesteld.
  Afdeling II. - Toepassingsgebied
  Art. 159. De bepalingen van dit hoofdstuk regelen de traceerbaarheid en het gebruik van bodemmaterialen in de volgende toepassingen :
  1° als bodem;
  2° voor bouwkundig bodemgebruik;
  3° in een vormvast product.
  Afdeling III. - Voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen
  Onderafdeling I. - Algemeen
  Art. 160. Het is verboden om verschillende partijen bodemmaterialen met verschillende milieuhygiënische kwaliteit te mengen met de bedoeling voor de gemengde partij een gebruik in aanmerking te laten komen die voor de niet-gemengde partijen bodemmaterialen niet is toegestaan.
  Onderafdeling II. - Gebruik van bodemmaterialen als bodem A. Algemeen gebruik
  Art. 161. § 1. Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen vrij als bodem worden gebruikt.
  § 2. Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat ze verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in de voormelde bijlage V, kunnen als bodem worden gebruikt onder de vijf volgende voorwaarden :
  1° het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater;
  2° de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op;
  3° de concentraties van stoffen in de bodemmaterialen lager dan of gelijk aan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende grond wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de concentraties aan zware metalen of metalloïden die van nature aanwezig zijn, kan daarvan afgeweken worden tot de waarde van de natuurlijke concentraties in de bodem;
  4° de gemiddelde concentraties van stoffen in de bodemmaterialen zijn lager dan of gelijk aan de concentraties in de ontvangende grond. Voor de opvulling van een groeve, graverij, uitgraving of andere put, vergund conform rubriek 60 van bijlage 1 van VLAREM II, die ligt in bestemmingstype I, II of III, kan daarvan afgeweken worden tot 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de groeve, graverij, uitgraving of andere put wordt ingedeeld. Voor de opvulling van een groeve, graverij, uitgraving of andere put, vergund conform rubriek 60 van bijlage 1 van VLAREM II, die ligt in bestemmingstype IV of V, kan daarvan afgeweken worden tot maximaal de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype III;
  5° de bodemmaterialen worden vóór het gebruik als bodem gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen als ze concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, voor bestemmingstype III of als ze concentraties van verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, waardoor ze niet aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, voor het gebruik als bodem voldoen. Als de bodemmaterialen niet reinigbaar zijn door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, worden de bodemmaterialen beheerd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 en 2 kan bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt niet valoriseerbaar is om te gebruiken als bodem, worden verwijderd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Het potentieel tot valorisatie van bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt geschikt is, wordt bepaald op basis van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen.
  § 4. Er wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, is voldaan aan de hand van een technisch verslag.
  Er wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, is voldaan aan de hand van een technisch verslag en een studie van de ontvangende grond.
  De reinigbaarheid, vermeld in paragraaf 2, 5°, laatste zin, en de valorisatie, vermeld in paragraaf 3, worden beoordeeld conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.
  Art. 162. Met behoud van de toepassing van de voorwaarden, vermeld in artikel 161, kunnen bodemmaterialen alleen als bodem worden gebruikt onder de drie volgende voorwaarden :
  1° het gehalte aan stenen die niet van nature aanwezig zijn, bedraagt maximaal vijf massaprocent;
  2° de afmeting van de stenen die niet van nature aanwezig zijn, is niet groter dan vijftig millimeter. Voor de opvulling van een groeve, graverij, uitgraving of andere put, vergund conform rubriek 60 van bijlage 1 van VLAREM II, kunnen, behalve voor de bovenste laag van 150 centimeter, de stenen die niet van nature aanwezig zijn, een afmeting van maximaal tweehonderd millimeter hebben, op voorwaarde dat het gehalte aan die grotere stenen maximaal één massaprocent bedraagt;
  3° het gehalte aan andere bodemvreemde materialen bedraagt maximaal één massa- en volumeprocent.
  B. Gebruik binnen een kadastrale werkzone
  Art. 163. Een kadastrale werkzone wordt afgebakend conform een code van goede praktijk die wordt ingevuld op basis van kenmerken die een betekenisvol effect hebben op het milieu, of die een betekenisvol risico voor de volksgezondheid inhouden. De code van goede praktijk voor de afbakening van een kadastrale werkzone wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.
  Art. 164. In afwijking van artikel 161, § 2, en artikel 162 is het gebruik van bodemmaterialen als bodem binnen een kadastrale werkzone toegestaan onder de volgende voorwaarden :
  1° bodemmaterialen met concentraties van stoffen die lager zijn dan of gelijk zijn aan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende grond wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen binnen de kadastrale werkzone vrij worden gebruikt;
  2° bodemmaterialen met concentraties van stoffen die hoger zijn dan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende grond wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat ze verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in de voormelde bijlage IV, kunnen binnen de kadastrale werkzone gebruikt worden onder de volgende voorwaarden :
  a) het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater;
  b) de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op;
  c) de bodemmaterialen worden gebruikt conform een code van goede praktijk. De code van goede praktijk voor het gebruik van bodemmaterialen binnen een kadastrale werkzone wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.
  Art. 165. Met behoud van de toepassing artikel 164 kunnen bodemmaterialen alleen als bodem worden gebruikt binnen een kadastrale werkzone onder de volgende twee voorwaarden :
  1° het gehalte aan stenen en steenachtig materiaal dat niet van nature aanwezig is, bedraagt maximaal vijfentwintig massaprocent;
  2° het gehalte aan andere bodemvreemde materialen dan stenen of steenachtig materiaal bedraagt maximaal één massa- en volumeprocent.
  C. Gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse
  Art. 166. Een zone voor gebruik ter plaatse wordt afgebakend conform een code van goede praktijk. De code van goede praktijk om een zone af te bakenen voor gebruik ter plaatse, wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.
  Een zone voor gebruik ter plaatse kan worden afgebakend voor :
  1° de aanleg of het herstel van nutsleidingen;
  2° het herstel van oevers en dijkprofielen;
  3° het gebruik van uitgegraven teelaarde in vergunde ontginningen;
  4° het herstel van stranden en duinen na noodweer;
  5° archeologisch onderzoek.
  Art. 167. In afwijking van artikel 161 en 162 kunnen bodemmaterialen binnen een zone voor gebruik ter plaatse gebruikt worden conform een code van goede praktijk. De code van goede praktijk voor het gebruik van bodemmaterialen binnen een zone voor gebruik ter plaatse wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.
  Onderafdeling III. - Gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product
  A. Algemeen gebruik
  Art. 168. § 1. Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product.
  § 2. Bodemmaterialen die concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product, op voorwaarde dat de concentraties van stoffen in de bodemmaterialen lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage VI, die bij dit besluit is gevoegd.
  Als de bodemmaterialen concentraties van stoffen bevatten die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage VI, die bij dit besluit is gevoegd, worden de bodemmaterialen gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen. Als de bodemmaterialen niet kunnen worden gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten meebrengen, worden ze beheerd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.
  Als de bodemmaterialen concentraties van een zwaar metaal of een metalloïde bevatten die hoger zijn dan de waarde, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen bodemmaterialen alleen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product onder de aanvullende voorwaarde dat de uitloogbaarheidswaarde van dat zware metaal of dat metalloïde in de uitgegraven bodem lager is dan of gelijk is aan de uitloogbaarheidswaarde, vermeld in bijlage VII, die bij dit besluit is gevoegd.
  § 3. Bodemmaterialen waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat ze verontreinigende stoffen bevatten die niet vermeld zijn in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, kunnen worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product onder de volgende twee voorwaarden :
  1° het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater;
  2° de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op.
  Als de bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, worden de bodemmaterialen gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten meebrengen. Als de bodemmaterialen niet kunnen worden gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten meebrengen, worden de bodemmaterialen beheerd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.
  § 4. In afwijking van paragraaf 1 tot en met 3 kan bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt niet valoriseerbaar is om te gebruiken voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product, worden verwijderd conform de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. Het potentieel tot valorisatie van bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt geschikt is, wordt bepaald op basis van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen.
  § 5. Er wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met paragraaf 3, is voldaan aan de hand van een technisch verslag.
  De reinigbaarheid, vermeld in paragraaf 3, tweede lid, laatste zin, en de valorisatie, vermeld in paragraaf 4, worden beoordeeld conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.
  Art. 169. Met behoud van de toepassing van artikel 168 kunnen bodemmaterialen alleen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product worden gebruikt onder de twee volgende voorwaarden :
  1° het gehalte aan stenen en steenachtige materialen die niet van nature aanwezig zijn, bedraagt maximaal vijfentwintig massaprocent;
  2° het gehalte aan andere bodemvreemde materialen dan stenen of steenachtig materiaal bedraagt maximaal één massa- en volumeprocent.
  Art. 170. Bodemmaterialen die concentraties van een zwaar metaal of een metalloïde bevatten die hoger zijn dan de waarde, vermeld in bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd, en die niet voldoen aan de aanvullende voorwaarde voor uitloging, vermeld in artikel 168, § 2, derde lid, kunnen toch worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product onder de volgende twee voorwaarden :
  1° het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater;
  2° de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op.
  Aan de hand van een aanvullend onderzoek dat ter beoordeling en goedkeuring aan de OVAM wordt bezorgd, wordt nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan. Het aanvullende onderzoek wordt opgemaakt conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.
  Art. 171. De minister stelt, op voorstel van de OVAM, een lijst vast van toepassingen van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik waarin de functie van de bodemmaterialen duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem.
  De minister stelt, op voorstel van de OVAM, een lijst vast van toepassingen van bodemmaterialen in een vormvast product.
  Het gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product die niet in de lijsten, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn vermeld, kan toch in aanmerking genomen worden op voorwaarde dat de ontvanger aan de hand van een onderzoeksverslag aantoont dat de functie van de bodemmaterialen duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem. Het onderzoek wordt uitgevoerd conform een code van goede praktijk die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.
  B. Gebruik binnen een kadastrale werkzone
  Art. 172. In afwijking van artikel 168 kunnen bodemmaterialen die voldoen aan de voorwaarden voor gebruik als bodem binnen de kadastrale werkzone, vermeld in artikel 164 en 165, voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product worden gebruikt binnen de kadastrale werkzone.
  Afdeling IV. - Traceerbaarheid van bodemmaterialen
  Onderafdeling I. - Verplichtingen A. Algemeen
  Art. 173. Voor het gebruik van bodemmaterialen als bodem en voor het gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik en in een vormvast product wordt een technisch verslag opgemaakt en worden een grondverzettoelating en een bodembeheerrapport uitgereikt, behalve in de volgende gevallen :
  1° de bodemmaterialen zijn afkomstig van een niet-verdachte grond en het volume bodemmaterialen dat uitgegraven, gebaggerd of geruimd wordt of afkomstig is van het triëren en wassen van een oogst uit de vollegrond, bedraagt minder dan 250 m3;
  2° de bodemmaterialen zijn afkomstig van een verdachte grond, het volume bodemmaterialen dat uitgegraven, gebaggerd of geruimd wordt, bedraagt minder dan 250 m3 en de bodemmaterialen worden binnen de kadastrale werkzone gebruikt volgens de code van goede praktijk over het gebruik van bodemmaterialen binnen een kadastrale werkzone;
  3° de bodemmaterialen worden binnen de zone voor het gebruik ter plaatse opnieuw gebruikt volgens de code van goede praktijk over het gebruik van bodemmaterialen binnen een zone voor het gebruik ter plaatse;
  4° de bodemmaterialen worden uitgegraven, gebaggerd of geruimd in het kader van de uitvoering van een bodemsaneringsproject en worden gebruikt volgens de voorwaarden van het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject of het beperkt bodemsaneringsproject.
  In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, wordt toch een technisch verslag opgemaakt en worden een grondverzettoelating en een bodembeheerrapport uitgereikt als de bodemmaterialen afkomstig zijn van een partij die is samengesteld uit verschillende kleine partijen uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of bentonietslib die van herkomst verschillen, en als het totale volume van de samengestelde partij bodemmaterialen groter is of was dan 250 m3.
  Art. 173/1. § 1. Voor de werken waarvoor een technisch verslag moet worden opgemaakt, maar waarbij dat technisch verslag pas na de uitvoering van de werken in een tussentijdse opslagplaats, een grondreinigingscentrum of een inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie wordt opgemaakt, wordt het transport van de bodemmaterialen gemeld aan de erkende bodembeheerorganisatie conform de procedure, vermeld in artikel 190, § 2, eerste lid.
  Voor de werken waarvoor geen technisch verslag moet worden opgemaakt, wordt het transport van de bodemmaterialen gemeld aan de erkende bodembeheerorganisatie conform de procedure, vermeld in artikel 200. Als de opmaak van een technisch verslag niet verplicht is, beschikt de uitvoerder over de verklaring van de bouwheer dat er geen technisch verslag opgemaakt hoeft te worden.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 moet het transport met voertuigen of voertuigcombinaties met een maximaal toegelaten massa van minder dan 3,5 ton niet worden gemeld aan de erkende bodembeheerorganisatie.
  § 3. Voor de georganiseerde regelmatige afvoer naar een vaste vergunde inrichting van bodemmaterialen, afkomstig van werken aan nutsvoorzieningen, kan de melding gedaan worden in de vorm van een onderlinge overeenkomst met de erkende bodembeheerorganisatie.
  Voor de georganiseerde regelmatige afvoer van grondbrij kan de melding gedaan worden in de vorm van een onderlinge overeenkomst met de erkende bodembeheerorganisatie.
  Art. 174. De initiatiefnemer van de werken neemt de nodige maatregelen opdat het technisch verslag en de conformverklaring ervan deel uitmaken van de aanbestedingsdocumenten, de prijsvraag of de contractuele documenten.
  Art. 174/1. Voor de uitvoering van de werken, vermeld in artikel 173, en voor het transport van de bodemmaterialen is de uitvoerder van de werken en de vervoerder van bodemmaterialen aangemeld bij een erkende bodembeheerorganisatie.
  Voor de opslag en de behandeling van bodemmaterialen is de tussentijdse opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie aangemeld bij een erkende bodembeheerorganisatie.
  De aanmelding bij een erkende bodembeheerorganisatie wordt gedaan met de volgende administratieve gegevens : naam, straat en nummer, postnummer en gemeente, land, telefoonnummer, faxnummer, contactpersoon, e-mailadres, voor Belgische ondernemingen het ondernemingsnummer en voor buitenlandse ondernemingen het btw-nummer.
  B. Opmaak van het technisch verslag
  Art. 175. De verplichting om het technisch verslag op te maken berust bij de initiatiefnemer van de werken.
  De verplichting om het technisch verslag op te maken kan door de volgende inrichtingen worden overgenomen :
  1° een vergunde inrichting als vermeld in subrubriek 20.3.5 of rubriek 30 van bijlage 1 van VLAREM II, voor de bodemmaterialen die die inrichting aanvaard heeft met het oog op de verwerking ervan;
  2° een grondreinigingscentrum, vergund conform de bepalingen van de bevoegde overheid, voor de bodemmaterialen die dat centrum aanvaard heeft met het oog op de reiniging ervan;
  3° een tussentijdse opslagplaats, waarbij aan de vergunnings- of meldingsplicht voldaan is, voor bodemmaterialen die die opslagplaats aanvaard heeft;
  4° een inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie, vergund conform de bepalingen van de bevoegde overheid, voor de bagger- en ruimingsspecie die die inrichting aanvaard heeft.
  Art. 176. Het technisch verslag wordt opgemaakt voordat de bodemmaterialen worden gebruikt.
  C. Opmaak van de studie van de ontvangende grond
  Art. 177. Voor het gebruik van bodemmaterialen als bodem conform artikel 161, § 2, wordt een studie van de ontvangende grond opgemaakt.
  Art. 178. De verplichting om de studie van de ontvangende grond op te maken berust bij de eigenaar, de exploitant of de gebruiker van de ontvangende grond, die opdracht heeft gegeven tot het gebruik van de bodemmaterialen op de ontvangende grond.
  Art. 179. De studie van de ontvangende grond wordt opgemaakt voordat de bodemmaterialen op de ontvangende grond gebruikt worden.
  Onderafdeling II. - Documenten A. Technisch verslag
  Art. 180. Het technisch verslag wordt opgemaakt onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige op basis van een representatieve bemonstering volgens de standaardprocedure voor de opmaak van een technisch verslag die op voorstel van de OVAM wordt vastgesteld door de minister.
  Het technisch verslag bevat al de volgende gegevens :
  1° de identificatie van de grond waar de bodemmaterialen uitgegraven, gebaggerd of geruimd worden;
  2° de identiteit van de eigenaar van de grond of de beheerder van de waterloop waar de bodemmaterialen uitgegraven, gebaggerd of geruimd worden;
  3° het adres van de inrichting en de identiteit van de exploitant van de inrichting waar de grondbrij vrijkwam;
  4° het adres van de inrichting en de identiteit van de exploitant van de inrichting waar de bodemmaterialen in afwachting van het gebruik ervan opgeslagen zijn;
  5° het historische onderzoek van de grond;
  6° een motivering van de verdachte parameters in de bodemmaterialen;
  7° de identiteit van de initiatiefnemer van de werken;
  8° een duidelijke omschrijving van de werken;
  9° de karakterisering van de andere materialen dan de bodemmaterialen die tijdens de uitvoering van de werken vrijkomen;
  10° het zoneringsplan en de opmetingstabel, als dat van toepassing is;
  11° het verslag van de bemonstering en het verslag van de analyse van representatieve mengmonsters met vermelding van de naam van het laboratorium;
  12° de verklaring van de bodemsaneringsdeskundige dat de bodemmaterialen bemonsterd en geanalyseerd zijn overeenkomstig de bepalingen van dit besluit;
  13° de volgende gegevens, als de bodemmaterialen binnen de kadastrale werkzone gebruikt worden :
  a) de afbakening van de kadastrale werkzone;
  b) de voorwaarden waaronder de bodemmaterialen binnen de kadastrale werkzone gebruikt mogen worden, als dat van toepassing is;
  c) de voorwaarden voor de tussentijdse opslag van de bodemmaterialen, als dat van toepassing is;
  14° het gehalte aan stenen, steenachtig materiaal en andere bodemvreemde materialen in de bodemmaterialen;
  15° de interpretatie en de besluiten op basis van de bemonstering en de analyseresultaten. Om bij de uitvoering van de werken een gesloten volumebalans voor de vrijgekomen bodemmaterialen en andere materialen te kunnen opmaken, wordt het volume van de deelpartijen die niet in aanmerking komen voor gebruik conform de bepalingen voor het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen, vermeld in titel III, hoofdstuk XIII van dit besluit, mee opgenomen in de besluitvorming van het technisch verslag;
  16° de voorwaarden en uitvoeringsbepalingen waaronder de bodemmaterialen kunnen worden uitgegraven, gebaggerd of geruimd;
  17° de voorwaarden en uitvoeringsbepalingen waaronder de bodemmaterialen kunnen worden gebruikt;
  18° de inschatting van het potentieel van de uit te graven bodem om als alternatief voor een primaire oppervlaktedelfstof in aanmerking te komen, als het gaat om grondwerken waarbij meer dan 2500 m3 dieper dan 2 m-mv uitgegraven wordt.
  B. Studie van de ontvangende grond
  Art. 181. § 1. De studie van de ontvangende grond wordt opgemaakt onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige volgens een standaardprocedure die de minister op voorstel van de OVAM vaststelt.
  § 2. De studie van de ontvangende grond bepaalt op basis van de kenmerken van de ontvangende grond de kenmerken waaraan de aangevoerde bodemmaterialen moeten voldoen opdat het gebruik ervan als bodem geen bijkomende verontreiniging in het grondwater veroorzaakt en mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen geen bijkomend risico oplevert op de ontvangende grond.
  De studie van de ontvangende grond voor de opvulling van een groeve, graverij, uitgraving of andere put, opgemaakt in opdracht van de exploitant of eigenaar, vormt onderdeel van de vergunningsaanvraag voor de inrichting, vermeld in rubriek 60 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. In de studie worden de milieukenmerken van de bodemmaterialen geëvalueerd afhankelijk van de milieukenmerken van de ontvangende grond.
  § 3. De studie van de ontvangende grond bevat al de volgende gegevens :
  1° de identificatie van de ontvangende grond;
  2° de identiteit van de eigenaar, de exploitant en de gebruiker van de ontvangende grond;
  3° de voorwaarden waaronder de te aanvaarden bodemmaterialen op de ontvangende grond kunnen worden gebruikt.
  C. Grondverzettoelating
  Art. 182. § 1. De grondverzettoelating wordt opgemaakt door een erkende bodembeheerorganisatie. De grondverzettoelating kan ook worden opgemaakt door een erkende tussentijdse opslagplaats, een erkend grondreinigingscentrum of een erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie, telkens voor de bodemmaterialen die de opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de inrichting aanvaard heeft.
  § 2. De grondverzettoelating wordt uitgereikt op basis van een duidelijke beschrijving van het beoogde gebruik van de bodemmaterialen en de verklaringen ter zake, zoals opgelegd in de conformverklaring van het technisch verslag.
  Met behoud van de toepassing van het eerste lid wordt de grondverzettoelating bij de procedure kleine hoeveelheden, vermeld in artikel 197 tot en met 199, uitgereikt op basis van een verklaring dat de bodemmaterialen op verschillende bestemmingen geleverd zullen worden.
  De grondverzettoelating bevestigt het beoogde gebruik en staat toe dat de bodemmaterialen verplaatst worden naar de beoogde plaats van gebruik.
  § 3. De grondverzettoelating bevat al de volgende gegevens :
  1° de identiteit van de uitvoerder van de werken;
  2° de nodige verwijzingen naar het technisch verslag en de conformverklaring van het technisch verslag;
  3° de plaats van bestemming van de bodemmaterialen;
  4° een gedetailleerde beschrijving van het beoogde gebruik van de bodemmaterialen;
  5° de nodige verwijzingen naar de studie van de ontvangende grond, de acceptatievoorwaarden van een groeve of graverij, uitgraving of andere put, vergund conform rubriek 60 van bijlage 1 van VLAREM II, de gebruiksvoorwaarden van het conformiteitsattest van een bodemsaneringsproject, of de gebruiksvoorwaarden voor het gebruik voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product, als dat van toepassing is;
  6° aanvullende voorwaarden en uitvoeringsbepalingen die afhankelijk zijn van het beoogde gebruik, als dat van toepassing is.
  D. Transportdocument
  Art. 183. Het transportdocument wordt opgemaakt door een van de volgende personen :
  1° de vervoerder;
  2° de uitvoerder van de werken;
  3° de tussentijdse opslagplaats;
  4° het grondreinigingscentrum;
  5° de inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie.
  Het transportdocument bevat al de volgende gegevens :
  1° de identiteit van de uitvoerder van de werken, als dat van toepassing is;
  2° de identiteit van de vervoerder;
  3° de datum van transport van de bodemmaterialen;
  4° de plaats van oorsprong van de bodemmaterialen;
  5° de plaats van bestemming van de bodemmaterialen;
  6° de hoeveelheid bodemmaterialen;
  7° de nodige verwijzingen naar de grondverzettoelating, als dat van toepassing is.
  De uitvoerder van de werken bewaart het volledig ingevulde transportdocument gedurende minstens vijf jaar.
  E. Bodembeheerrapport
  Art. 184. Een erkende bodembeheerorganisatie maakt het bodembeheerrapport op. Het bodembeheerrapport kan ook worden opgemaakt door een erkende tussentijdse opslagplaats, een erkend grondreinigingscentrum of een erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie, telkens voor de bodemmaterialen die de opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de inrichting aanvaard heeft.
  Het bodembeheerrapport attesteert de levering van de bodemmaterialen op de plaats van het beoogde gebruik en bevestigt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in de conformverklaring van het technisch verslag en in de grondverzettoelating.
  Het bodembeheerrapport bevat minstens de volgende gegevens :
  1° de verwijzing naar de grondverzettoelating;
  2° de datum van de levering van de bodemmaterialen;
  3° het volume geleverde bodemmaterialen;
  4° de verwijzing naar de ontvangstverklaring.
  Onderafdeling III. - Procedures A. Procedure via een erkende bodembeheerorganisatie
  Art. 185. De initiatiefnemer van de werken of een inrichting als vermeld in artikel 175, tweede lid, bezorgt het technisch verslag aan een erkende bodembeheerorganisatie.
  Art. 186. Binnen dertig werkdagen na de ontvangst van het technisch verslag spreekt de erkende bodembeheerorganisatie zich uit over de conformiteit ervan met de bepalingen van dit besluit en bezorgt ze het conformiteitsattest aan de initiatiefnemer van de werken of de inrichting, vermeld in artikel 175, tweede lid, of legt ze aanvullingen op.
  De conformiteit van het technisch verslag wordt beoordeeld volgens het kwaliteitsborgingssysteem van de erkende bodembeheerorganisatie en op basis van de volgende elementen :
  1° de controle op de administratieve volledigheid;
  2° de controle op de representatieve bemonstering volgens de geldende bemonsteringsprocedures en de standaardprocedure van het technisch verslag;
  3° de controle van de besluiten van het technisch verslag, met inbegrip van de vertaling van de beoordeling van de analyseresultaten naar de opmetingstabel en, als dat van toepassing is, het zoneringsplan;
  4° de controle op de uitvoerbaarheid van het selectief uitgraven, baggeren of ruimen van de verschillende ontgravings-, bagger- of ruimingsvakken, als dat van toepassing is;
  5° de controle op de afbakening van de kadastrale werkzone, als dat van toepassing is.
  Als in het technisch verslag de gebruiksmogelijkheden van de bodemmaterialen overeenkomstig dit hoofdstuk, de bijbehorende codes van goede praktijk en de bijbehorende standaardprocedures onvoldoende onderzocht zijn, kan de erkende bodembeheerorganisatie in de conformverklaring van het technisch verslag voorwaarden en uitvoeringsbepalingen opleggen voor het beoogde gebruik van de bodemmaterialen.
  Art. 187. Als de erkende bodembeheerorganisatie aanvullingen op het technisch verslag oplegt, wordt de termijn, vermeld in artikel 186, eerste lid, gestuit.
  Als de erkende bodembeheerorganisatie het technisch verslag gemotiveerd niet conform verklaart, wordt de procedure hervat vanaf de stap, vermeld in artikel 185, eerste lid.
  Art. 188. Een conformverklaring van het technisch verslag door een erkende bodembeheerorganisatie is tegenstelbaar aan andere erkende bodembeheerorganisaties.
  De erkende bodembeheerorganisatie die niet akkoord gaat met de conformverklaring van het technisch verslag door een andere erkende bodembeheerorganisatie, kan binnen dertig dagen nadat de conformverklaring haar is aangeboden, tegen die conformverklaring beroep aantekenen bij de OVAM. Het beroepschrift wordt aangetekend met ontvangstbewijs verzonden. Het beroep is schorsend. De OVAM doet uitspraak binnen negentig dagen na de ontvangst van het beroepschrift.
  Art. 189. Voor de start van de werken meldt de uitvoerder van de werken de startdatum aan een erkende bodembeheerorganisatie.
  Art. 190. § 1. Voordat de bodemmaterialen worden verplaatst, vraagt de uitvoerder van de werken een grondverzettoelating aan bij de erkende bodembeheerorganisatie, waaraan de startdatum van de werken is gemeld.
  De erkende bodembeheerorganisatie beoordeelt het beoogde gebruik van de bodemmaterialen volgens het kwaliteitsborgingssysteem van de erkende bodembeheerorganisaties.
  Als de bodematerialen voldoen voor het beoogde gebruik, staat de erkende bodembeheerorganisatie toe dat de bodemmaterialen verplaatst worden naar de plaats van gebruik en reikt ze binnen vijf werkdagen na de ontvangst van de aanvraag een grondverzettoelating uit. In geval van beroep tegen de conformverklaring van het technisch verslag conform artikel 188, tweede lid, wordt de termijn opgeschort.
  § 2. Voor de werken waarvoor een technisch verslag moet worden opgemaakt, wordt het transport naar een tussentijdse opslagplaats, een grondreinigingscentrum of een inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie gemeld aan de erkende bodembeheerorganisatie. De melding bevat al de volgende gegevens :
  1° de identiteit van de uitvoerder van de werken;
  2° de identiteit van de vervoerder;
  3° de verwijzing naar de conformverklaring, als die aanwezig is;
  4° de datum van transport van de bodemmaterialen;
  5° de plaats van oorsprong van de bodemmaterialen;
  6° de plaats van bestemming van de bodemmaterialen;
  7° de totale hoeveelheid bodemmaterialen waarop de melding betrekking heeft.
  De tussentijdse opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie meldt de ontvangst van de bodemmaterialen aan de erkende bodembeheerorganisatie.
  § 3. Voor het transport van bodemmaterialen naar andere bestemmingen dan de bestemmingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, meldt de uitvoerder van de werken het volume en de kwaliteit van dat transport aan een erkende bodembeheerorganisatie, om een gesloten volumebalans van de bodemmaterialen te kunnen opmaken.
  Art. 191. Tijdens het transport wordt een transportdocument bij de bodemmaterialen gevoegd.
  Art. 191/1. De bodemmaterialen worden opgeslagen volgens een procedure, goedgekeurd door de OVAM, die de erkende bodembeheerorganisatie in staat stelt de bodemmaterialen te traceren.
  Voor het gebruik van de bodemmaterialen waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, volgt de niet-erkende tussentijdse opslagplaats, het niet-erkende grondreinigingscentrum of de niet-erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie de procedure, vermeld in artikel 185 tot en met 191.
  Voor het gebruik van de bodemmaterialen, waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, volgt de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie de procedure, vermeld in artikel 193 tot en met 196.
  Art. 192. De ontvanger bevestigt de geleverde hoeveelheden met een ontvangstverklaring. De uitvoerder van de werken bezorgt de ontvangstverklaring aan de erkende bodembeheerorganisatie. De ontvangstverklaring bevestigt dat de bodemmaterialen overeenkomstig de grondverzettoelating zijn geleverd en gebruikt zullen worden overeenkomstig de grondverzettoelating.
  Op basis van de ontvangstverklaring levert de erkende bodembeheerorganisatie het bodembeheerrapport af aan de uitvoerder van de werken, de tussentijdse opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie.
  De uitvoerder van de werken, de tussentijdse opslagplaats, het grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie bezorgt een kopie van het bodembeheerrapport aan de initiatiefnemer van de werken en aan de eindgebruiker.
  B. Procedure via een erkende tussentijdse opslagplaats, een erkend grondreinigingscentrum of een erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie
  Art. 193. De erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie beschikt over een technisch verslag van de aanvaarde bodemmaterialen en spreekt zich uit over de conformiteit ervan met de bepalingen van dit besluit, of legt aanvullingen op.
  De conformiteit van het technisch verslag wordt beoordeeld volgens het kwaliteitsborgingssysteem van de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie op basis van de volgende elementen :
  1° de controle op de administratieve volledigheid;
  2° de controle op de representatieve bemonstering volgens de geldende bemonsteringsprocedures en de standaardprocedure van het technisch verslag;
  3° de controle van de besluiten van het technisch verslag, met inbegrip van de vertaling van de beoordeling van de analyseresultaten naar de opmetingstabel en, als dat van toepassing is, het zoneringsplan.
  Art. 194. Voordat de bodemmaterialen worden verhandeld, maakt de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie een grondverzettoelating op.
  Art. 195. Tijdens het transport wordt een transportdocument bij de bodemmaterialen gevoegd.
  Art. 196. De ontvanger bevestigt de geleverde hoeveelheden met een ontvangstverklaring. De uitvoerder van de werken bezorgt een ontvangstverklaring aan de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie. De ontvangstverklaring bevestigt dat de bodemmaterialen conform de grondverzettoelating zijn geleverd en gebruikt zullen worden conform de grondverzettoelating.
  Op basis van de ontvangstverklaring maakt de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie het bodembeheerrapport op en bezorgt een kopie ervan aan de eindgebruiker.
  C. Procedure voor kleine hoeveelheden
  Art. 197. In afwijking van artikel 192 en 196 kan voor het gebruik van een hoeveelheid bodemmaterialen die kleiner dan 250 m3 is en die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 161, § 1, en artikel 162, of aan de voorwaarden, vermeld in artikel 168 en 169, voor de uitreiking van een bodembeheerrapport de procedure, vermeld in artikel 198 en 199, gevolgd worden.
  Art. 198. De uitvoerder van de werken bezorgt een ontvangstverklaring aan de erkende bodembeheerorganisatie, de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie die de grondverzettoelating heeft uitgereikt. De ontvangstverklaring bevestigt dat de bodemmaterialen op de plaats van bestemming zijn geleverd en gebruikt zullen worden overeenkomstig de grondverzettoelating.
  De ontvangstverklaring vormt onderdeel van de procedure die de bodembeheerorganisatie toelaat het beoogde gebruik te controleren.
  Art. 199. Op basis van de ontvangstverklaring en een lijst met verschillende bestemmingen reikt de erkende bodembeheerorganisatie, de erkende tussentijdse opslagplaats, het erkende grondreinigingscentrum of de erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie een bodembeheerrapport uit.
  De uitvoerder van de werken bezorgt een kopie van het bodembeheerrapport aan de initiatiefnemer van de werken.
  D. Meldingsprocedure voor de werken waarvoor geen technisch verslag opgemaakt hoeft te worden
  Art. 200. Voor de start van het transport, vermeld in artikel 173/1, § 2, meldt de uitvoerder van de werken het transport van de bodemmaterialen aan de erkende bodembeheerorganisatie. De melding bevat al de volgende gegevens :
  1° de identiteit van de uitvoerder van de werken;
  2° de identiteit van de vervoerder;
  3° de datum van transport van de bodemmaterialen;
  4° de plaats van oorsprong van de bodemmaterialen;
  5° de plaats van bestemming van de bodemmaterialen;
  6° de totale hoeveelheid bodemmaterialen waarop de melding betrekking heeft.
  Na de uitvoering van de werken meldt de uitvoerder van de werken de hoeveelheid geleverde bodemmaterialen aan de erkende bodembeheerorganisatie.
  E. Procedure voor tijdelijke oeverdeponie voor ontwatering van bagger- of ruimingsspecie
  Art. 201. § 1. Voorafgaand aan de bagger- of ruimingswerken wordt een technisch verslag opgemaakt. De initiatiefnemer van de werken bezorgt het technisch verslag aan een erkende bodembeheerorganisatie.
  De erkende bodembeheerorganisatie behandelt het technisch verslag volgens de procedure, vermeld in artikel 185 tot en met 188.
  § 2. Voor de oeverdeponie langs onbevaarbare waterlopen en langs polderwaterlopen bezorgt de initiatiefnemer van de werken het technisch verslag en de conformverklaring ervan uiterlijk dertig dagen voor de start van de werken aan het gemeentebestuur op het grondgebied waarvan de werken worden uitgevoerd. Op hetzelfde moment deelt hij aan het gemeentebestuur de geplande begindatum mee.
  De gemeente legt de gegevens ter inzage.
  § 3. De uitvoerder van de werken meldt de start van de werken aan een erkende bodembeheerorganisatie.
  § 4. De uitvoerder van de werken werkt conform een code van goede praktijk. De code van goede praktijk voor de tijdelijke oeverdeponie voor ontwatering van bagger- en ruimingsspecie wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.
  De code van goede praktijk bepaalt de randvoorwaarden en kwaliteitseisen voor de tijdelijke oeverdeponie van bagger- en ruimingsspecie voor ontwatering van bagger- en ruimingsspecie tijdens de uitvoering van bepaalde onderhoudswerken aan waterlopen.
  § 5. De ontwaterde bagger- of ruimingspecie wordt uiterlijk 120 dagen na de beëindiging van de bagger- of ruimingswerken afgevoerd of gebruikt conform artikel 190 tot en met 192.
  Art. 201/1. Bagger- en ruimingsspecie met concentraties van stoffen die lager zijn dan of gelijk zijn aan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende oever wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, mag worden uitgespreid op die oever om te ontwateren.
  Bagger- en ruimingsspecie die voldoet voor gebruik conform titel III, hoofdstuk XIII van dit besluit, maar met concentraties van stoffen die hoger zijn dan 80% van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waarin de ontvangende oever wordt ingedeeld conform de bepalingen van bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, mag voor de ontwatering ervan en in afwachting van de afvoer ervan op de oevers van de waterloop worden gedeponeerd op voorwaarde dat de nodige maatregelen worden getroffen opdat de bagger- en ruimingsspecie niet vermengd wordt met de onderliggende bodem.
  F. Procedure voor tijdelijke oeverdeponie bij noodruiming van bagger- of ruimingsspecie
  Art. 201/2. Bagger- of ruimingsspecie die ontstaat ten gevolge van noodruimingen of noodzakelijke waterbeheersingswerken ter voorkoming of terugdringing van de risico's op overstromingen die de veiligheid aantasten van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen buiten de overstromingsgebieden, mag op de vijfmeterstrook langs de waterloop gedeponeerd worden op voorwaarde dat de uitvoerder van de werken conform een code van goede praktijk werkt.
  De code van goede praktijk voor de tijdelijke oeverdeponie bij noodruiming van bagger- of ruimingsspecie wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.
  De code van goede praktijk bepaalt de randvoorwaarden en kwaliteitseisen voor de tijdelijke oeverdeponie van bagger- of ruimingsspecie tijdens de uitvoering van noodruimingen.
  Art. 201/3. § 1. Binnen zeven dagen na de uitvoering van de bagger- of ruimingswerken via noodruiming wordt de gebaggerde of geruimde specie bemonsterd voor de opmaak van het technisch verslag. De initiatiefnemer van de werken bezorgt het technisch verslag uiterlijk dertig dagen na de bemonstering aan een erkende bodembeheerorganisatie.
  De erkende bodembeheerorganisatie behandelt het technisch verslag volgens de procedure, vermeld in artikel 185 tot en met 188.
  § 2. De initiatiefnemer van de werken bezorgt het technisch verslag en de conformverklaring ervan uiterlijk dertig dagen na de behandeling door de erkende bodembeheerorganisatie aan het gemeentebestuur op het grondgebied waarvan de werken zijn uitgevoerd.
  De gemeente legt de gegevens ter inzage.
  § 3. De ontwaterde bagger- of ruimingspecie wordt uiterlijk zestig dagen na de beëindiging van de noodruiming afgevoerd of gebruikt conform artikel 190 tot en met 192.
  Afdeling V. Bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum en inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie : erkenning voor de regeling over het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen
  Onderafdeling I. - Voorwaarden voor de erkenning en het gebruik van de erkenning
  Art. 202. Om als bodembeheerorganisatie erkend te worden en erkend te blijven, moet de organisatie aan al de volgende voorwaarden voldoen :
  1° opgericht zijn als een vereniging zonder winstoogmerk conform de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen;
  2° voldoende representatief zijn voor de verschillende sectoren die betrokken zijn bij het gebruik van bodemmaterialen. Een bodembeheerorganisatie is representatief als in de raad van bestuur twee of meer beroepsorganisaties die voldoende representatief zijn voor de sectoren die bij het gebruik van uitgegraven bodem betrokken zijn, een mandaat bekleden;
  3° uitsluitend als statutair doel hebben om de taken die in dit besluit zijn toegewezen, uit te voeren, studiewerk over bodemmaterialen te verrichten en informatie en advies over bodemmaterialen te verstrekken. Voor de uitvoering van haar taken beschikt de bodembeheerorganisatie over een kwaliteitsborgingssysteem dat de OVAM heeft goedgekeurd;
  4° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis van bodemkunde of geologie, fysica en scheikunde hebben;
  5° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die minstens drie jaar beroepservaring hebben in een milieusector die relevant is voor de uitvoering van bodemsanering of het gebruik van afvalstoffen als grondstof gedurende de zes jaar die aan de datum van de erkenningsaanvraag voorafgaan;
  6° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die een grondige kennis van dit hoofdstuk hebben;
  7° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben met de nodige ervaring in de beoordeling van bemonsteringsprocedures en analyseresultaten en in de beoordeling van het technisch verslag op de praktische uitvoerbaarheid ervan;
  8° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die een grondige kennis en ervaring hebben om het gebruik van bodemmaterialen overeenkomstig dit hoofdstuk te garanderen;
  9° voldoen aan een kwaliteitsborgingssysteem dat de organisatie in staat stelt de taken die opgelegd zijn door of krachtens dit besluit, correct en kwaliteitsvol uit te voeren, met inbegrip van de uitvoering van steekproefsgewijze werfcontroles en van het bijhouden van de volgende registers die ter inzage van de toezichthoudende overheid liggen :
  a) een klachtenregister;
  b) een register van de technische verslagen, met inbegrip van de opmerkingen van de organisatie over die technische verslagen. De technische verslagen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  c) een register van de grondverzettoelatingen. De grondverzettoelatingen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  d) een register van conformverklaringen van technische verslagen. De conformverklaringen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  e) een register van bodembeheerrapporten. De bodembeheerrapporten worden gedurende vijf jaar bewaard;
  f) een register waarin onregelmatigheden worden vastgesteld conform de bepalingen van het kwaliteitsborgingssysteem, vermeld in punt 3° ;
  10° beschikken over een procedure die de organisatie in staat stelt bodemmaterialen te traceren, met inbegrip van het traceren via een niet-erkende tussentijdse opslagplaats, een niet-erkend grondreinigingscentrum of een niet-erkende inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie;
  11° beschikken over een procedure die de organisatie in staat stelt om een gesloten volumebalans voor de vrijgekomen bodem- en andere materialen te kunnen opmaken;
  12° beschikken over een verzekering die haar beroepsaansprakelijkheid dekt;
  13° wat de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden betreft : beschikken over hun burgerlijke en politieke rechten en geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;
  14° op verzoek van de OVAM al de volgende gegevens ter beschikken stellen :
  a) de informatie over verontreinigde gronden;
  b) de milieuhygiënische kwaliteit en het gebruik van de bodemmaterialen;
  c) het gebruik van bodemmaterialen als alternatief voor primaire oppervlaktedelfstoffen. De organisatie rapporteert daarover conform een code van goede praktijk. Als documenten door een geïnformatiseerd systeem worden opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, worden de gegevens die op informatiedragers geplaatst zijn, in een leesbare en verstaanbare vorm aan de OVAM bezorgd.
  De grondige kennis, vermeld in het eerste lid, 4°, wordt aangetoond met academische diploma's, diploma's van het hoger onderwijs van het lange type of daarmee gelijkgestelde diploma's, uitgereikt in een lidstaat van de Europese Unie.
  De ervaring, vermeld in het eerste lid, 5°, 7° en 8°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae.
  De grondige kennis, vermeld in het eerste lid, 6° en 8°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae of aan de hand van een interview, afgenomen door en op verzoek van de OVAM.
  Art. 203. Om als vergunde tussentijdse opslagplaats, als vergund grondreinigingscentrum of als vergunde inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie erkend te worden en erkend te blijven, moet de opslagplaats, het centrum of de inrichting aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° een rechtspersoon zijn die voldoet aan de volgende kenmerken :
  a) bij een tussentijdse opslagplaats : een rechtspersoon die is opgericht in de vorm van een handelsvennootschap, met een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest, of een openbaar bestuur of intergemeentelijk samenwerkingsverband in het Vlaamse Gewest;
  b) bij een grondreinigingscentrum : een rechtspersoon die is opgericht in de vorm van een handelsvennootschap, met een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest;
  c) bij een inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie : een rechtspersoon die is opgericht in de vorm van een handelsvennootschap, met een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest, of een openbaar bestuur of intergemeentelijk samenwerkingsverband in het Vlaamse Gewest;
  2° voor handelsvennootschappen : niet in staat van faillissement verkeren, noch het voorwerp uitmaken van een procedure tot faillietverklaring, noch een gerechtelijk akkoord hebben aangevraagd of verkregen;
  3° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis van fysica en scheikunde hebben;
  4° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben die minstens drie jaar beroepservaring hebben in een milieusector die relevant is voor de uitvoering van bodemsanering of het gebruik van afvalstoffen als grondstof gedurende de zes jaar die aan de datum van de erkenningsaanvraag voorafgaan;
  5° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben die een grondige kennis van dit hoofdstuk hebben;
  6° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben met de nodige ervaring in de beoordeling van bemonsteringsprocedures en analyseresultaten en in de beoordeling van het technisch verslag op de praktische uitvoerbaarheid ervan;
  7° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben die samen een grondige kennis en ervaring hebben om het gebruik van bodemmaterialen overeenkomstig dit hoofdstuk te garanderen;
  8° voldoen aan een door de OVAM goedgekeurd kwaliteitsreglement dat administratieve en technische bepalingen bevat over de interne organisatie van de verhandeling van bodemmaterialen. Dat kwaliteitsreglement bevat minstens :
  a) een procedure voor het in ontvangst nemen, het opslaan, het fysisch scheiden, het ontwateren, het reinigen en het afleveren van bodemmaterialen;
  b) bepalingen over de opmaak van registers voor de aan- en afvoer van bodemmaterialen;
  c) bepalingen over de opmaak van een dossier per aanvaarde partij bodemmaterialen;
  d) bepalingen over de naleving van de codes van goede praktijk over de aanvaarding, opslag, samenvoeging, reiniging, bemonstering en analyse van bodemmaterialen;
  9° voldoen aan een intern systeem dat de opslagplaats, het centrum of de inrichting in staat stelt de taken die opgelegd zijn door of krachtens dit besluit, correct en kwaliteitsvol uit te voeren, met inbegrip van het bijhouden van de volgende registers die ter inzage van de toezichthoudende overheid liggen :
  a) een klachtenregister;
  b) een register van de technische verslagen, met inbegrip van de opmerkingen van de organisatie over die technische verslagen. De technische verslagen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  c) een register van de grondverzettoelatingen. De grondverzettoelatingen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  d) een register van conformverklaringen van technische verslagen. De conformverklaringen worden gedurende vijf jaar bewaard;
  e) een register van bodembeheerrapporten. De bodembeheerrapporten worden gedurende vijf jaar bewaard;
  10° beschikken over een procedure die de opslagplaats, het centrum of de inrichting in staat stelt de bodemmaterialen die de opslagplaats, het centrum of de inrichting verhandeld heeft, te traceren;
  11° beschikken over een verzekering die haar beroepsaansprakelijkheid dekt;
  12° wat de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden betreft : beschikken over hun burgerlijke en politieke rechten en geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;
  13° op verzoek van de OVAM al de volgende gegevens ter beschikken stellen :
  a) informatie over verontreinigde gronden;
  b) de milieuhygiënische kwaliteit en het gebruik van de bodemmaterialen;
  c) het gebruik van bodemmaterialen als alternatief voor primaire oppervlaktedelfstoffen. De organisatie rapporteert daarover conform een code van goede praktijk. Als documenten door een geïnformatiseerd systeem worden opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, worden de gegevens die op informatiedragers geplaatst zijn, in een leesbare en verstaanbare vorm aan de OVAM bezorgd;
  14° beschikken over de nodige infrastructuur en installaties voor de exploitatie van de opslagplaats, het centrum of de inrichting;
  15° beschikken over de nodige vergunningen overeenkomstig de bepalingen van de geldende wetgeving;
  16° beschikken over een keuringsattest waarin een erkende bodembeheerorganisatie attesteert dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 15°, is voldaan. Het keuringsattest is maximaal honderdzestig dagen oud. De keuring voldoet aan de procedure die de OVAM heeft goedgekeurd;
  17° voldoen aan de voorwaarden die opgelegd zijn door of krachtens het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet betreffende de omgevingsvergunning.
  De grondige kennis, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt aangetoond met academische diploma's, met diploma's van het hoger onderwijs van het lange type of daarmee gelijkgestelde diploma's, uitgereikt in een lidstaat van de Europese Unie.
  De ervaring, vermeld in het eerste lid, 4°, 6° en 7°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae.
  De grondige kennis, vermeld in het eerste lid, 5° en 7°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae of aan de hand van een interview, afgenomen door en op verzoek van de OVAM.
  Onderafdeling II. - Procedure tot erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum of inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie A. Ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning
  Art. 204. De aanvraag om erkend te worden als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum of inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie als vermeld in artikel 202 en 203, wordt met een aangetekende brief gericht aan de minister, op het adres van de OVAM.
  Art. 205. Om ontvankelijk te zijn, bevat de aanvraag tot erkenning minstens de volgende gegevens :
  1° de statuten van de rechtspersoon;
  2° de namen van de natuurlijke personen die de rechtspersoon aangesteld heeft als verantwoordelijke personen;
  3° een kopie van de diploma's, vermeld in artikel 202, tweede lid, respectievelijk artikel 203, tweede lid;
  4° een curriculum vitae van de personen die over de kennis en de ervaring, vermeld in artikel 202, eerste lid, 4° tot en met 8°, respectievelijk artikel 203, eerste lid, 3° tot en met 7°, beschikken, waaruit die kennis en ervaring blijkt;
  5° een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij de gegevens waarover hij zal beschikken, toegankelijk zal beheren;
  6° een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij binnen dertig dagen na de erkenning een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid zal sluiten als vermeld in artikel 202, eerste lid, 12°, respectievelijk artikel 203, eerste lid, 11°, en dat hij de OVAM van de gesloten polis op de hoogte zal brengen;
  7° een recent getuigschrift van goed zedelijk gedrag van de personen, vermeld in artikel 202, eerste lid, 13°, respectievelijk artikel 203, eerste lid, 12° ;
  8° een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij binnen drie maanden na de erkenning de personen, vermeld in artikel 202, eerste lid, 4° tot en met 8°, en artikel 203, eerste lid, 3° tot en met 7°, in dienst zal hebben;
  9° wat de handelsverenigingen en de verenigingen zonder winstgevend oogmerk betreft : een recent attest waaruit blijkt dat de aanvrager aan zijn sociale en fiscale verplichtingen voldaan heeft;
  10° wat de tussentijdse opslagplaatsen, grondreinigingscentra en inrichtingen voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie betreft : een beschrijving van de infrastructuur en de installaties, vermeld in artikel 203, eerste lid, 14°.
  B. Behandeling van, advies en beslissing over de aanvraag tot erkenning
  Art. 206. De aanvragen tot erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats, grondreinigingscentrum of inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie worden volgens de volgende procedure behandeld :
  1° de OVAM stuurt binnen dertig dagen na de datum van de ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij ze zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aanvraag;
  2° de OVAM verklaart de aanvraag ontvankelijk of verzoekt om de nodige aanvullingen. Als de OVAM niet binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen heeft verzocht, wordt de aanvraag geacht ontvankelijk te zijn. Als de OVAM binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen verzoekt, wordt de aangevulde aanvraag opnieuw met een aangetekende brief naar de OVAM gestuurd. De OVAM stuurt binnen dertig dagen na de datum van de ontvangst van de aangevulde aanvraag het ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij de OVAM zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aangevulde aanvraag;
  3° de OVAM onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en stuurt die samen met haar advies binnen negentig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag naar de minister;
  4° de minister neemt binnen honderdtwintig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag een beslissing over de erkenning;
  5° binnen honderdvijftig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag betekent de OVAM de beslissing over de erkenning met een aangetekende brief aan de aanvrager. De beslissing over de erkenning wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  Onderafdeling III. - Schorsing, opheffing en niet-overdraagbaarheid van de erkenning A. Schorsing van de erkenning
  Art. 207. § 1. De minister kan op elk moment de erkenning, vermeld in artikel 202 en 203, schorsen voor maximaal zes maanden in de volgende gevallen :
  1° de houder van de erkenning voert de taken waarmee hij is belast krachtens dit besluit, niet reglementair of niet objectief uit;
  2° de houder van de erkenning voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 202 of 203;
  3° de houder van de erkenning begaat onregelmatigheden bij het conform verklaren van technische verslagen, bij het uitreiken van grondverzettoelatingen en bodembeheerrapporten, en bij het toepassen van de procedures van dit besluit;
  4° de houder van de erkenning is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon aantast;
  5° bij een erkende bodembeheerorganisatie wordt de onafhankelijkheid tegenover de betrokkenen bij een project niet gegarandeerd.
  § 2. De minister brengt de houder van de erkenning met een aangetekende brief op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot schorsing, met vermelding van de redenen.
  Binnen dertig dagen na de datum van de ontvangst van de brief, vermeld in het eerste lid, kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de schorsing te voorkomen, of zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken.
  § 3. De OVAM betekent de beslissing tot schorsing met een aangetekende brief aan de houder van de erkenning. De beslissing tot schorsing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  § 4. De schorsing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.
  B. Opheffing van de erkenning
  Art. 208. § 1. De minister kan op elk moment de erkenning, vermeld in artikel 202 en 203, opheffen in de volgende gevallen :
  1° als de houder van de erkenning de taken waarmee hij is belast krachtens dit besluit, herhaaldelijk niet reglementair of niet objectief uitvoert;
  2° als de houder van de erkenning bij het verstrijken van de schorsingsperiode nog altijd niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden waarvoor hij op grond van artikel 207, § 1, 2°, geschorst is;
  3° als de houder van de erkenning ernstige onregelmatigheden of bij herhaling onregelmatigheden begaat bij het conform verklaren van technische verslagen, bij het uitreiken van grondverzettoelatingen en van bodembeheerrapporten, en bij het toepassen van de procedures van dit besluit;
  4° als de houder van de erkenning bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is voor een misdrijf dat door zijn aard de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon in ernstige mate aantast;
  5° als bij een erkende bodembeheerorganisatie de onafhankelijkheid tegenover de betrokkenen bij een project bij herhaling niet gegarandeerd wordt.
  § 2. De minister brengt de houder van de erkenning met een aangetekende brief op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot opheffing, met vermelding van de redenen.
  Binnen dertig dagen na de datum van de ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de opheffing te voorkomen of zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken.
  § 3. De OVAM betekent de beslissing tot opheffing met een aangetekende brief aan de houder van de erkenning. De beslissing tot opheffing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  § 4. De opheffing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.
  C. Overdraagbaarheid van de erkenning
  Art. 209. Erkenningen zijn niet overdraagbaar.
  Onderafdeling IV. - Overname door de OVAM van de taken van een erkende bodembeheerorganisatie
  Art. 210. De OVAM kan in geval van schorsing of opheffing van de erkenning van een bodembeheerorganisatie de volgende taken overnemen :
  1° technische verslagen conform verklaren;
  2° grondverzettoelatingen uitreiken;
  3° bodembeheerrapporten uitreiken;
  4° keuringsattesten als vermeld in artikel 203, eerste lid, 16°, uitreiken.".
Art. 43. Dans le titre III mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 22 dĂ©cembre 2017, le chapitre III, comprenant les articles 158 Ă  210 inclus, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Chapitre XIII. L'utilisation et la traçabilité de matériaux de sol
  Section Ire. - Définitions
  Art. 158. Dans le présent chapitre, on entend par :
  1° utilisation du sol en construction : utilisation non solide de matériaux de sol dans un ouvrage hydraulique, corps de digue, infrastructure routiÚre, construction et toute autre utilisation non solide de matériaux de sol dans laquelle la fonction des matérieaux de sol est clairement distincte de la fonction du sol sous-jacent ou environnant ;
  2° utilisateur final :
  a) le propriétaire, exploitant ou utilisateur du terrain d'accueil, qui a donné l'ordre d'utiliser les matériaux de sol ;
  b) le propriétaire ou l'exploitant de l'établissement agréé qui accepte les matériaux de sol en vue de leur utilisation dans un produit solide ;
  c) le gestionnaire du cours d'eau pour la dĂ©charge riveraine de boues de dragage et de vidange le long des cours d'eau et fossĂ©s non navigables, gĂ©rĂ©s par les polders ou wateringues en exĂ©cution de la loi du 28 dĂ©cembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables et de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 janvier 1958 portant rĂšglement gĂ©nĂ©ral de police des polders et des wateringues, qui stipulent que les riverains doivent permettre le dĂ©pĂŽt sur leurs terres des objets et substances rĂ©cupĂ©rĂ©s du lit du cours d'eau ;
  3° séparer physiquement : enlever des matériaux de sol tout ou partie de la fraction de pierres et des matériaux étrangers au sol, autres que des pierres ;
  4° initiateur des travaux :
  a) le maßtre d'ouvrage des travaux de terrassement à l'endroit de l'excavation ;
  b) le gestionnaire du cours d'eau à l'endroit du dragage ou du vidange ou celui qui a donné l'ordre de procéder au dragage ou au vidange ;
  c) le maĂźtre d'ouvrage des travaux de terrassement Ă  l'endroit oĂč les boues de bentonite sont dĂ©gagĂ©es ;
  d) l'exploitant de l'Ă©tablissement oĂč le sol pĂąteux est dĂ©gagĂ© ;
  5° zone de travail cadastrale : la zone fixĂ©e dans le cadre d'un mĂȘme projet et consistant d'un ensemble de terrains Ă  caractĂ©ristiques similaires. Il s'agit de caractĂ©ristiques ayant un effet significatif sur l'environnement ou prĂ©sentant un risque significatif pour la santĂ© publique ;
  6° terrain d'accueil : terrain sur lequel les matériaux de sol sont utilisés ;
  7° receveur : la personne physique ou morale qui utilise les matĂ©riaux de sol pour le compte du consommateur final ou le consommateur final lui-mĂȘme ;
  8° tableau de mesurage : tableau reprenant les volumes et les possibilités d'utilisation des matériaux de sol ;
  9° dépÎt provisoire : site utilisé pour le stockage limité dans le temps de matériaux de sol dans l'attente de leur utilisation ;
  10° réalisateur des travaux : la personne physique ou morale qui réalise les travaux sur ordre et pour le compte de l'initiateur des travaux ;
  11° terrain suspect :
  a) terrain à risque ;
  b) terrain repris dans le Registre d'Information sur les Terrains, pour autant qu'une reconnaissance du sol a établi dans la partie fixe de la terre de ce terrain des concentrations de substances supérieures aux valeurs guides pour la qualité du sol pour la partie fixe de la terre ;
  c) voie publique, ancienne assiette de voirie et accotement ;
  d) terrain pour lequel il existe des indications d'une présence dans la partie fixe de la terre de concentrations de substances supérieures aux valeurs guides pour la qualité du sol de la partie fixe de la terre, et qui a été désigné par le Ministre ;
  e) lit de cours d'eau d'une masse d'eau de surface dans lequel des eaux usées domestiques ou des eaux usées industrielles sont déversées ou qui reçoit des eaux de ruissellement en provenance d'une voirie régionale, provinciale et des autoroutes ;
  12° produit solide : tout produit dans lequel des matériaux de sol sont utilisés et qui a été solidifié au moyen de liants ou de processus thermiques ;
  13° zone d'usage sur place : la zone dans laquelle les matĂ©riaux de sol sont remis au mĂȘme endroit ;
  14° plan de zonage : plan du site de l'excavation, du dragage ou du vidange sur lequel les différents usages du lit de cours d'eau à excaver, à draguer ou à vidanger sont représentés graphiquement ou le plan sur lequel la classification des différents usages des lots partiels d'un lot de matériaux de sol stockés sont représentés graphiquement.
  Section II. - Champ d'application
  Art. 159. Les dispositions du présent chapitre rÚglent la traçabilité et l'utilisation des matériaux de sol dans les applications suivantes :
  1° comme sol ;
  2° pour l'utilisation du sol en construction ;
  3° dans un produit solide.
  Section III. - Conditions relatives à l'utilisation de matériaux de sol
  Sous-section Ire. - Généralités
  Art. 160. Il est interdit de mélanger des lots distincts de matériaux de sol d'une qualité éco-hygiénique distincte dans le but de rendre le lot mélangé éligible à un usage qui n'est pas permis pour les lots de matériaux de sol non-mélangés.
  Sous-section II. Utilisation de matériaux de sol comme sol A. Utilisation générale
  Art. 161. § 1er. Les matĂ©riaux de sol prĂ©sentant des concentrations de substances infĂ©rieures ou Ă©gales aux valeurs, mentionnĂ©es Ă  l'annexe V, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, peuvent ĂȘtre librement utilisĂ©s comme sol.
  § 2. Les matĂ©riaux de sol prĂ©sentant des concentrations de substances supĂ©rieures aux valeurs mentionnĂ©es Ă  l'annexe V, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ou dont on sait ou dont on peut raisonnablement assumer qu'ils contiennent des substances polluantes qui n'ont pas Ă©tĂ© mentionnĂ©es dans l'annexe V prĂ©citĂ©e, peuvent ĂȘtre utilisĂ©s comme sol sous les cinq conditions suivantes :
  1° l'utilisation des matériaux de sol ne cause pas de pollution supplémentaire des eaux souterraines ;
  2° la possible exposition aux substances polluantes n'engendre pas de risque supplémentaire ;
  3° les concentrations de substances dans les matĂ©riaux de sol sont infĂ©rieures ou Ă©gales Ă  80% des normes d'assainissement du sol correspondantes du type de destination sur la base duquel le terrain d'accueil est classĂ© conformĂ©ment aux dispositions de l'annexe IV, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Pour les concentrations de mĂ©taux lourds ou de mĂ©talloĂŻdes naturellement prĂ©sentes, il peut y ĂȘtre dĂ©rogĂ© jusqu'Ă  la valeur des concentrations naturelles dans le sol ;
  4° les concentrations moyennes des substances dans les matĂ©riaux de sol sont infĂ©rieures Ă  ou Ă©gales aux concentrations dans le terrain d'accueil. Pour le comblement d'une carriĂšre, miniĂšre, excavation ou autre puits, autorisĂ© conformĂ©ment Ă  la rubrique 60 de l'annexe 1re de VLAREM II, qui se situe dans le type de de destination I, II, III, il peut y ĂȘtre dĂ©rogĂ© jusqu'Ă  80% des normes correspondantes d'assainissement du sol du type de destination dans lequel la carriĂšre, la miniĂšre, l'excavation ou un autre puits sont classĂ©s. Pour le remblayage d'une carriĂšre, miniĂšre, excavation ou autre puits, autorisĂ© sur la base de la rubrique 60 de l'annexe 1re du VLAREM II, situĂ©s dans le type d'affectation IV ou V, il peut y ĂȘtre dĂ©rogĂ© jusqu'au maximum les valeurs de l'annexe IV pour le type d'affectation III ;
  5° les matĂ©riaux de sol sont nettoyĂ©s avant leur utilisation comme sol au moyen des meilleures techniques disponibles qui n'entraĂźnent pas de coĂ»ts excessivement Ă©levĂ©s s'ils contiennent des concentrations de substances supĂ©rieures aux valeurs, telles que visĂ©es Ă  l'annexe IV, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, pour le type d'affectation III ou s'ils contiennent des concentrations de substances polluantes qui ne sont pas mentionnĂ©es dans l'annexe V, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, impliquant qu'ils ne rĂ©pondent pas aux conditions, telles que visĂ©es aux points 1° et 2° pour l'utilisation comme sol. Si les matĂ©riaux de sol ne peuvent pas ĂȘtre nettoyĂ©s au moyen des meilleures techniques disponibles qui n'entraĂźnent pas de coĂ»ts excessivement Ă©levĂ©s, les matĂ©riaux de sol sont gĂ©rĂ©s conformĂ©ment aux dispositions du dĂ©cret du 23 dĂ©cembre 2011 relatif Ă  la gestion durable de cycles de matĂ©riaux et de dĂ©chets.
  § 3. Par dĂ©rogation aux paragraphes 1er et 2, les boues de dragage et de vidange qui ne peuvent pas ĂȘtre valorisĂ©es Ă  des fins de constructions ou Ă  des fins environnementales pour les utiliser comme sol, sont enlevĂ©es conformĂ©ment aux dispositions du dĂ©cret du 23 dĂ©cembre 2011 relatif Ă  la gestion durable de cycles de matĂ©riaux et de dĂ©chets. La fraction des boues de dragage et de vidange qui peut potentiellement ĂȘtre valorisĂ©e Ă  des fins de constructions ou Ă  des fins environnementales, est dĂ©terminĂ©e sur la base des meilleures techniques disponibles qui n'entraĂźnent pas de coĂ»ts excessivement Ă©levĂ©s.
  § 4. Il est vérifié s'il a été satisfait aux conditions, telles que visées au paragraphe 1er, au moyen d'un rapport technique.
  Il est vérifié s'il a été satisfait aux conditions, telles que visées au paragraphe 2, au moyen d'un rapport technique et d'un examen du sol d'accueil.
  La nettoyabilitĂ©, telle que visĂ©e au paragraphe 2, 5°, derniĂšre phrase, et la valorisation, telle que visĂ©e au paragraphe 3, sont Ă©valuĂ©es conformĂ©ment Ă  un code de bonne pratique, qui est arrĂȘtĂ© par le ministre sur la proposition de l'OVAM.
  Art. 162. Sans prĂ©judice de l'application des conditions, telles que visĂ©es Ă  l'article 161, les matĂ©riaux de sol ne peuvent ĂȘtre utilisĂ©s comme sol que sous les trois conditions suivantes :
  1° la teneur du sol en pierres non indigÚnes, s'élÚve à au maximum cinq pour cent en masse ;
  2° la taille des pierres non indigÚnes, n'excÚde pas les cinquante millimÚtres. Pour le remblayage d'une carriÚre, miniÚre, excavation ou autre puits, autorisé sur la base de la rubrique 60 de l'annexe 1re du VLAREM II, les pierres non indigÚnes, à l'exception de la couche supérieure de 150 centimÚtres, peuvent avoir une taille d'au maximum deux cents millimÚtres, à condition que la teneur en ces pierres plus grandes s'élÚve à au maximum un pour cent en masse ;
  3° la teneur en autres matériaux étrangers au sol s'élÚve à au maximum un pour cent en masse et en volume.
  B. Utilisation au sein d'une zone de travail cadastrale
  Art. 163. Une zone de travail cadastrale est dĂ©limitĂ©e conformĂ©ment Ă  un code de bonne pratique qui est concrĂ©tisĂ© sur la base de caractĂ©ristiques ayant un effet significatif sur l'environnement ou prĂ©sentant un risque significatif pour la santĂ© publique. Le code de bonne pratique pour la dĂ©limitation d'une zone de travail cadastrale est arrĂȘtĂ© par le ministre sur la proposition de l'OVAM.
  Art. 164. Par dérogation à l'article 161, § 2 et à l'article 162, l'utilisation de matériaux de sol comme sol endéans une zone de travail cadastrale est autorisée sous les conditions suivantes :
  1° des matĂ©riaux de sol prĂ©sentant des concentrations de substances infĂ©rieures ou Ă©gales Ă  80% des normes d'assainissement de sol correspondantes du type d'affectation dans lequel le sol d'accueil est classĂ© conformĂ©ment aux dispositions de l'annexe IV, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, peuvent ĂȘtre librement utilisĂ©s endĂ©ans la zone de travail cadastrale ;
  2° des matĂ©riaux de sol prĂ©sentant des concentrations de substances supĂ©rieures Ă  80% des normes d'assainissement de sol correspondantes du type d'affectation dans lequel le sol d'accueil est classĂ© conformĂ©ment aux dispositions de l'annexe IV, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ou dont on peut raisonnablement assumer qu'ils contiennent des substances polluantes qui ne sont pas mentionnĂ©es dans l'annexe IV, peuvent ĂȘtre utilisĂ©s endĂ©ans la zone de travail cadastrale sous les conditions suivantes :
  a) l'utilisation des matériaux de sol ne cause pas de pollution supplémentaire des eaux souterraines ;
  b) la possible exposition aux substances polluantes n'engendre pas de risque supplémentaire ;
  c) les matĂ©riaux de sol sont utilisĂ©s conformĂ©ment Ă  un code de bonne pratique. Le code de bonne pratique pour l'uilisation de matĂ©riaux de sol endĂ©ans une zone de travail cadastrale est arrĂȘtĂ© par le ministre sur la proposition de l'OVAM.
  Art. 165. Sans prĂ©judice de l'application de l'article 164 les matĂ©riaux de sol ne peuvent ĂȘtre utilisĂ©s comme sol endĂ©ans une zone de travail cadastrale que sous les deux conditions suivantes:
  1° la teneur du sol en pierres et en matiÚre pierreuse non indigÚnes, s'élÚve à au maximum vingt-cinq pour cent en masse ;
  2° la teneur en matiÚre étrangÚre au sol autre que les pierres ou la matiÚre pierreuse s'élÚve à au maximum un pour cent en masse et en volume.
  C. Utilisation dans une zone pour utilisation sur place
  Art. 166. Une zone pour utilisation sur place est dĂ©limitĂ©e conformĂ©ment Ă  un code de bonne pratique. Le code de bonne pratique pour dĂ©limiter une zone pour utilisation sur place, est arrĂȘtĂ© par le ministre sur la proposition de l'OVAM.
  Une zone pour utilisation sur place peut ĂȘtre dĂ©limitĂ©e pour :
  1° l'aménagement ou la réparation d'équipements d'utilité publique ;
  2° la réparation de berges et de profils de digues ;
  3° l'utilisation de terreau extrait dans des exploitations autorisées ;
  4° la réparation de plages et de dunes aprÚs des intempéries ;
  5° des fouilles archéologiques.
  Art. 167. Par dĂ©rogation aux articles 161 et 162 les matĂ©riaux de sol peuvent ĂȘtre utilisĂ©s endĂ©ans une zone pour utilisation sur place conformĂ©ment Ă  un code de bonne pratique. Le code de bonne pratique pour l'utilisation de matĂ©riaux de sol endĂ©ans une zone pour utilisation sur place est arrĂȘtĂ© par le ministre sur la proposition de l'OVAM.
  Sous-section III. - Utilisation de matériaux de sol pour utilisation du sol en construction ou dans un produit solide
  A. Utilisation générale
  Art. 168. § 1er. Les matĂ©riaux de sol prĂ©sentant des concentrations de substances infĂ©rieures ou Ă©gales aux valeurs, mentionnĂ©es Ă  l'annexe V, peuvent ĂȘtre utilisĂ©s dans le cadre de l'utilisation du sol en construction ou dans un produit solide.
  § 2. Les matĂ©riaux de sol prĂ©sentant des concentrations de substances supĂ©rieures aux valeurs, mentionnĂ©es Ă  l'annexe V, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, peuvent ĂȘtre utilisĂ©s dans le cadre de l'utilisation du sol en construction ou dans un produit solide, Ă  condition que les concentrations de substances dans les matĂ©riaux de sol sont infĂ©rieures ou Ă©gales aux valeurs, visĂ©es Ă  l'annexe VI, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Si les matĂ©riaux de sol contiennent des concentrations de substances supĂ©rieures aux valeurs, visĂ©es Ă  l'annexe VI, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, les matĂ©riaux de sol sont nettoyĂ©s au moyen des meilleures techniques disponibles qui n'entraĂźnent pas de coĂ»ts excessivement Ă©levĂ©s. Si les matĂ©riaux de sol ne peuvent pas ĂȘtre nettoyĂ©s au moyen des meilleures techniques disponibles qui n'entraĂźnent pas de coĂ»ts excessivement Ă©levĂ©s, ils sont gĂ©rĂ©s conformĂ©ment aux dispositions du dĂ©cret du 23 dĂ©cembre 2011 relatif Ă  la gestion durable de cycles de matĂ©riaux et de dĂ©chets.
  Si les matĂ©riaux de sol contiennent des concentrations d'un mĂ©tal lourd ou d'un mĂ©talloĂŻde supĂ©rieures Ă  la valeur, telle que visĂ©e Ă  l'annexe V, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ces matĂ©riaux de sol peuvent uniquement ĂȘtre utilisĂ©s dans le cadre de l'utilisation du sol en construction ou dans un produit solide sous la condition complĂ©mentaire que le taux de lixiviation de ce mĂ©tal lourd ou de ce mĂ©talloĂŻde dans les terres excavĂ©es soit infĂ©rieur ou Ă©gal au taux de lixiviation mentionnĂ© Ă  l'annexe VII, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  § 3. Les matĂ©riaux de sol dont on sait ou dont on peut raisonnablement assumer qu'ils contiennent des substances polluantes qui ne sont pas mentionnĂ©es Ă  l'annexe V, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, peuvent ĂȘtre utilisĂ©s dans le cadre de l'utilisation du sol en construction ou dans un produit solide sous les deux conditions suivantes :
  1° l'utilisation des matériaux de sol ne cause pas de pollution supplémentaire des eaux souterraines ;
  2° la possible exposition aux substances polluantes n'engendre pas de risque supplémentaire.
  Si les matĂ©riaux de sol pour l'utilisation du sol en construction ou dans un produit solide ne rĂ©pondent pas aux conditions, visĂ©es Ă  l'alinĂ©a premier, les matĂ©riaux de sol sont nettoyĂ©s au moyen des meilleures techniques disponibles qui n'entraĂźnent pas de coĂ»ts excessivement Ă©levĂ©s. Si les matĂ©riaux de sol ne peuvent pas ĂȘtre nettoyĂ©s au moyen des meilleures techniques disponibles qui n'entraĂźnent pas de coĂ»ts excessivement Ă©levĂ©s, les matĂ©riaux de sol sont gĂ©rĂ©s conformĂ©ment aux dispositions du dĂ©cret du 23 dĂ©cembre 2011 relatif Ă  la gestion durable de cycles de matĂ©riaux et de dĂ©chets.
  § 4. Par dĂ©rogation aux paragraphes 1er au 3, les boues de dragage et de vidange qui ne peuvent pas ĂȘtre valorisĂ©es Ă  des fins de constructions ou Ă  des fins environnementales pour les utiliser dans le cadre de l'utilisation du sol en construction ou dans un produit solide, sont enlevĂ©es conformĂ©ment aux dispositions du dĂ©cret du 23 dĂ©cembre 2011 relatif Ă  la gestion durable de cycles de matĂ©riaux et de dĂ©chets. La fraction des boues de dragage et de vidange qui peut potentiellement ĂȘtre valorisĂ©e Ă  des fins de constructions ou Ă  des fins environnementales, est dĂ©terminĂ©e sur la base des meilleures techniques disponibles qui n'entraĂźnent pas de coĂ»ts excessivement Ă©levĂ©s.
  § 5. Il est vérifié s'il a été satisfait aux conditions, telles que visées aux paragraphes 1er au 3 au moyen d'un rapport technique.
  La nettoyabilitĂ©, telle que visĂ©e au paragraphe 3, alinĂ©a deux, derniĂšre phrase, et la valorisation, telle que visĂ©e au paragraphe 4, sont Ă©valuĂ©es conformĂ©ment Ă  un code de bonne pratique, qui est arrĂȘtĂ© par le ministre sur la proposition de l'OVAM.
  Art. 169. Sans prĂ©judice de l'application de l'article 168 des matĂ©riaux de sol peuvent uniquement ĂȘtre utilisĂ©s dans le cadre de l'utilisation du sol en construction ou dans un produit solide sous les deux conditions suivantes :
  1° la teneur du sol en pierres et en matiÚre pierreuse non indigÚnes, s'élÚve à au maximum vingt-cinq pour cent en masse ;
  2° la teneur en matiÚre étrangÚre au sol autre que les pierres ou la matiÚre pierreuse s'élÚve à au maximum un pour cent en masse et en volume.
  Art. 170. Les matĂ©riaux de sol prĂ©sentant des concentrations d'un mĂ©tal lourd ou d'un mĂ©talloĂŻde supĂ©rieures Ă  la valeur, telle que visĂ©e Ă  l'annexe V, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et qui ne rĂ©pondent pas Ă  la condition complĂ©mentaire relative Ă  la lixiviation, telle que visĂ©e Ă  l'article 168, § 2, alinĂ©a trois, peuvent toutefois ĂȘtre utilisĂ©s dans le cadre de l'utilisation du sol en construction ou dans un produit solide sous les deux conditions suivantes :
  1° l'utilisation des matériaux de sol ne cause pas de pollution supplémentaire des eaux souterraines ;
  2° la possible exposition aux substances polluantes n'engendre pas de risque supplémentaire.
  Il est vĂ©rifiĂ© s'il a Ă©tĂ© satisfait aux conditions, telles que visĂ©es Ă  l'alinĂ©a premier, au moyen d'un examen complĂ©mentaire qui est soumis Ă  l'Ă©valuation et Ă  l'approbation de l'OVAM. L'examen complĂ©mentaire est rĂ©digĂ© conformĂ©ment au code de bonne pratique arrĂȘtĂ© par le ministre sur la proposition de l'OVAM.
  Art. 171. Sur proposition de l'OVAM, le Ministre Ă©tablit une liste d'applications de matĂ©riaux de sol dans le cadre de l'utilisation du sol en construction dans lesquelles la fonction des matĂ©riaux de sol peut clairement ĂȘtre distinguĂ©e de la fonction du sol sous-jacent ou environnant.
  Sur proposition de l'OVAM, le Ministre établit une liste d'applications de matériaux de sol dans un produit solide.
  L'utilisation de matĂ©riaux de sol dans le cadre de l'utilisation du sol en construction ou dans un produit solide qui ne se trouve pas dans les listes, visĂ©es aux alinĂ©as premier et deux, peut toutefois ĂȘtre considĂ©rĂ©e Ă  condition que le receveur dĂ©montre au moyen d'un rapport d'examen que la fonction des matĂ©riaux de sol peut ĂȘtre clairement distinguĂ©e de la fonction du sol sous-jacent ou environnant. L'examen est rĂ©alisĂ© conformĂ©ment Ă  un code de bonne pratique Ă©tabli par le ministre sur la proposition de l'OVAM.
  B. Utilisation au sein d'une zone de travail cadastrale
  Art. 172. Par dĂ©rogation Ă  l'article 168, les matĂ©riaux de sol qui rĂ©pondent aux conditions pour leur utilisation comme sol endĂ©ans la zone de travail cadastrale, visĂ©e dans les articles 164 et 165, dans le cadre de l'utilisation du sol en construction ou dans un produit solide, peuvent ĂȘtre utilisĂ©s endĂ©ans la zone de travail cadastrale.
  Section IV. - Traçabilité des matériaux de sol
  Sous-section Ire. - Obligations A. Généralités
  Art. 173. Pour l'utilisation de matériaux de sol comme sol et pour l'utilisation de matériaux de sol dans le cadre de l'utilisation du sol en construction et dans un produit solide, un rapport technique est rédigé et une autorisation de terrassement et un rapport de gestion du sol sont délivrés, sauf dans les cas suivants :
  1° les matériaux de sol proviennent d'un sol non-suspect et le volume de matériaux de sol excavé, dragué ou vidangé ou provenant du tri et du lavage d'une récolte de pleine terre, s'élÚve à moins de 250 m3;
  2° les matériaux de sol proviennent d'un terrain suspect, le volume des matériaux de sol excavé, dragué ou vidangé est inférieur à 250 m3 et les matériaux de sol sont utilisés au sein de la zone de travail cadastrale selon le code de bonne pratique relative à l'utilisation des matériaux de sol au sein d'une zone de travail cadastrale ;
  3° les matériaux de sol sont réutilisés au sein de la zone pour l'utilisation sur place selon un code de bonne pratique relative à l'utilisation de matériaux de sol endéans une zone pour l'utilisation sur place ;
  4° les matériaux de sol sont excavés, dragués ou vidangés dans le cadre de la mise en oeuvre d'un projet d'assainissement du sol et sont utilisés conformément aux conditions de l'attestation de conformité du projet d'assainissement du sol ou du projet limité d'assainissement du sol.
  Par dérogation aux cas, visés dans l'alinéa premier, 1° et 2°, il est toutefois établi un rapport technique et des autorisations de terrassement et un rapport de gestion du sol sont toutefois délivrés si les matériaux de sol proviennent d'un lot constitué de divers petits lots de sol excavé, de boues de dragage et de vidange ou de boues de bentonite de provenance diverse et si le volume total du lot composé de matériaux de sol est ou était supérieur à 250 m3.
  Art. 173/1. § 1er. Pour les travaux faisant l'objet d'un rapport technique qui ne peut toutefois ĂȘtre rĂ©digĂ© qu'aprĂšs l'exĂ©cution des travaux dans un dĂ©pĂŽt provisoire, un centre de nettoyage de terres ou dans un Ă©tablissement pour dĂ©pĂŽt et traitement de boues de dragage ou de vidange, le transport des matĂ©riaux de sol est communiquĂ© Ă  l'organisation agréée de gestion du sol, conformĂ©ment Ă  la procĂ©dure, telle que visĂ©e Ă  l'article 190, § 2, alinĂ©a premier.
  Pour les travaux ne faisant pas l'objet d'un rapport technique, le transport des matériaux de sol est communiqué à l'organisation agréée de gestion du sol, conformément à la procédure, telle que visée à l'article 200. Si la rédaction d'un rapport technique n'est pas obligatoire, l'exécutant dispose de la déclaration du maßtre d'ouvrage comme quoi il n'est pas nécessaire de rédiger un rapport technique.
  § 2. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, le transport au moyen de vĂ©hicules ou de combinaisons de vĂ©hicules d'une masse maximale autorisĂ©e de moins de 3,5 tonnes, ne doit pas ĂȘtre communiquĂ© Ă  l'organisation agréée de gestion du sol.
  § 3. En ce qui concerne l'enlÚvement régulier organisé vers un établissement autorisé fixe de matériaux de sol provenant de travaux aux équipements d'utilité publique, la communication peut prendre la forme d'un accord mutuel avec l'organisation agréée de gestion du sol.
  En ce qui concerne l'enlÚvement régulier organisé de sol pùteux, la communication peut prendre la forme d'un accord mutuel avec l'organisation agréée de gestion du sol.
  Art. 174. L'initiateur des travaux prend les mesures nécessaires pour que le rapport technique et sa déclaration de conformité forment partie des documents d'adjudication, de la demande d'offre ou des documents contractuels.
  Art. 174/1. Pour l'exécution des travaux, visés à l'article 173 et pour le transport des matériaux de sol, l'exécutant des travaux et le transporteur des matériaux de sol sont enregistrés auprÚs d'une organisation agréée de gestion du sol.
  Pour le dépÎt et le traitement de matériaux de sol, le dépÎt provisoire, le centre de nettoyage des terres ou l'établissement pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange sont enregistrés auprÚs d'une organisation agréée de gestion du sol.
  L'enregistrement auprÚs d'une organisation agréée de gestion du sol est effectuée au moyen des données administratives suivantes : nom, rue et numéro, code postal et localité, pays, numéro de téléphone, numéro de télécopie, personne de contact, adresse électronique, numéro d'entreprise pour les entreprises belges et numéro de TVA pour les entreprises étrangÚres.
  B. Etablissement du rapport technique
  Art. 175. L'obligation d'établir le rapport technique repose chez l'initiateur des travaux.
  L'obligation d'Ă©tablir le rapport technique peut ĂȘtre reprise par les Ă©tablissements suivants :
  1° un établissement autorisé, tel que visé dans la sous-rubrique 20.3.5 ou dans la rubrique 30 de l'annexe 1Úre de VLAREM II, pour les matériaux de sol que cet établissement a acceptés en vue de leur traitement ;
  2° un centre de nettoyage des terres, autorisé conformément aux dispositions de l'autorité compétente, pour les matériaux de sol que ce centre a acceptés en vue de leur nettoyage ;
  3° un dépÎt intermédiaire qui a satisfait à l'obligation d'autorisation ou de déclaration pour les matériaux de sol que ce dépÎt a acceptés ;
  4° un établissement pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange, autorisé conformément aux dispositions de l'autorité compétente, pour les boues de dragage et de vidange que cet établissement a acceptés.
  Art. 176. Le rapport technique est établi avant que les matériaux de sol ne soient utilisés.
  C. Réalisation de l'étude du terrain d'accueil
  Art. 177. Pour l'utilisation de matériaux de sol comme sol conformément à l'article 161, § 2, une étude du terrain d'accueil est réalisée.
  Art. 178. L'obligation de réaliser une étude du terrain d'accueil incombe au propriétaire, à l'exploitant ou à l'utilisateur du terrain d'accueil, qui a donné l'ordre d'utiliser les matériaux de sol sur le terrain d'accueil.
  Art. 179. L'étude du sol d'accueil est rédigée avant que les matériaux de sol ne soient utilisés sur le sol d'accueil.
  Sous-section II. - Documents A. Rapport technique
  Art. 180. Le rapport technique est rĂ©digĂ© sous la direction d'un expert en assainissement du sol sur la base d'un Ă©chantillonnage reprĂ©sentatif selon la procĂ©dure standard pour l'Ă©tablissement d'un rapport technique arrĂȘtĂ©e par le ministre sur la proposition de l'OVAM.
  Le rapport technique comprend toutes les données suivantes :
  1° l'identification du sol oĂč les matĂ©riaux de sol sont excavĂ©s, draguĂ©s ou vidangĂ©s ;
  2° l'identification du propriĂ©taire du sol ou du gestionnaire du cours d'eau oĂč les matĂ©riaux de sol sont excavĂ©s, draguĂ©s ou vidangĂ©s ;
  3° l'adresse de l'Ă©tablissement et l'identitĂ© de l'exploitant de l'Ă©tablissement d'oĂč le sol pĂąteux a Ă©tĂ© dĂ©gagĂ© ;
  4° l'adresse de l'Ă©tablissement et l'identitĂ© de l'exploitant de l'Ă©tablissement oĂč les matĂ©riaux de sol ont Ă©tĂ© entreposĂ©s dans l'attente de leur utilisation ;
  5° l'examen historique du sol ;
  6° une motivation des paramÚtres suspects dans les matériaux de sol ;
  7° l'identité de l'initiateur des travaux ;
  8° une description claire des travaux ;
  9° la caractérisation des matériaux autres que les matériaux de sol qui sont exposés au cours de l'exécution des travaux ;
  10° le plan de zonage et le tableau de mesurage, si d'application ;
  11° le rapport de l'échantillonnage et le rapport de l'analyse d'échantillons mélangés représentatifs, avec mention du nom du laboratoire ;
  12° la dĂ©claration de l'expert en assainissement du sol que les matĂ©riaux de sol ont Ă©tĂ© Ă©chantillonnĂ©s et analysĂ©s conformĂ©ment aux dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  13° les données suivantes, si les matériaux de sol sont utilisés endéans la zone de travail cadastrale :
  a) la délimitation de la zone de travail cadastrale ;
  b) les conditions sous lesquelles les matĂ©riaux de sol peuvent ĂȘtre utilisĂ©s endĂ©ans la zone de travail cadastrale, si d'application ;
  c) les conditions de dépÎt provisoire des matériaux de sol, si d'application ;
  14° la teneur en pierres, en matiÚre pierreuse et en autres matériaux étrangers au sol dans les matériaux de sol ;
  15° l'interprĂ©tation et les conclusions sur la base de l'Ă©chantillonnage et des rĂ©sultats d'analyse. Afin de pouvoir Ă©tablir un bilan volumique clĂŽturĂ© pour les matĂ©riaux de sol et autres matĂ©riaux exposĂ©s au cours de l'exĂ©cution des travaux, le volume des lots partiels qui ne peuvent pas ĂȘtre utilisĂ©s conformĂ©ment aux dispositions relatives Ă  l'utilisation et Ă  la traçabilitĂ© de matĂ©riaux de sol, visĂ©es au titre III, chapitre XIII du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, n'est pas repris dans les conclusions du rapport technique ;
  16° les conditions et les dispositions d'exĂ©cution sous lesquelles les matĂ©riaux de sol peuvent ĂȘtre excavĂ©s, draguĂ©s ou vidangĂ©s ;
  17° les conditions et les dispositions d'exĂ©cution sous lesquelles les matĂ©riaux de sol peuvent ĂȘtre utilisĂ©s ;
  18° l'estimation du potentiel du sol Ă  excaver pour ĂȘtre Ă©ligible comme alternative Ă  un minerai de surface primaire, dans le cas de travaux de terrassement au cours desquels les excavations sont effectuĂ©es Ă  une profondeur de plus de 2500 m3 en-dessous de 2 m-du niveau du sol.
  B. Etude du sol d'accueil
  Art. 181. § 1er. L'Ă©tude du sol d'accueil est rĂ©alisĂ©e sous la direction d'un expert en assainissement du sol selon une procĂ©dure standard arrĂȘtĂ©e par le Ministre sur la proposition de l'OVAM.
  § 2. L'étude du sol d'accueil détermine, sur la base des caractéristiques du sol d'accueil, les caractéristiques auxquelles les matériaux de sol acheminés doivent répondre pour que leur utilisation comme sol ne cause pas de pollution supplémentaire dans les eaux souterraines et que la possible exposition aux substances polluantes ne présente aucun risque supplémentaire sur le sol d'accueil.
  L'étude du sol d'accueil pour le remblayage d'une carriÚre, miniÚre, excavation ou autre puits, rédigée pour le compte de l'exploitant ou du propriétaire, fait partie de la demande d'autorisation pour l'établissement, telle que visée dans la rubrique 60 de la liste de classification, visée dans l'article 5.2.1, § 1er du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement. Dans l'étude les caractéristiques environnementales des matériaux de sol sont évaluées en fonction des caractéristiques environnementales du sol d'accueil.
  § 3. L'étude du sol d'accueil contient toutes les données suivantes :
  1° l'identification du sol d'accueil ;
  2° l'identité du propriétaire, de l'exploitant et de l'utilisateur du sol d'accueil ;
  3° les conditions sous lesquelles les matĂ©riaux de sol Ă  accepter peuvent ĂȘtre utilisĂ©s sur le terrain d'accueil.
  C. Autorisation de terrassement
  Art. 182. § 1er. L'autorisation de terrassement est Ă©tablie par une organisation agréée de gestion du sol. L'autorisation de terrassement peut Ă©galement ĂȘtre Ă©tablie par un dĂ©pĂŽt provisoire agréé, par un centre agréé de nettoyage des terres ou par un Ă©tablissement agréé pour le dĂ©pĂŽt et le traitement de boues de dragage et de vidange, respectivement pour les matĂ©riaux de sol que le dĂ©pĂŽt, le centre de nettoyage des terres ou l'Ă©tablissement a acceptĂ©s.
  § 2. L'autorisation de terrassement est délivrée sur la base d'une description claire de l'utilisation projetée des matériaux de sol et des déclarations y afférentes, telles qu'imposées dans la déclaration de conformité du rapport technique.
  Sans préjudice de l'application du premier alinéa, l'autorisation de terrassement dans le cas de la procédure applicable aux petites quantités, visée aux articles 197 à 199, est délivrée sur la base d'une déclaration que les matériaux de sol seront livrés à des destinations diverses.
  L'autorisation de terrassement confirme l'utilisation envisagée et autorise que les matériaux de sol sont déplacés vers leur endroit envisagé d'utilisation.
  § 3. L'autorisation de terrassement contient toutes les données suivantes :
  1° l'identité de l'exécutant des travaux ;
  2° les nécessaires références au rapport technique et à la déclaration de conformité du rapport technique ;
  3° le lieu de destination des matériaux de sol ;
  4° une description détaillée de l'utilisation envisagée des matériaux de sol ;
  5° les nécessaires références à l'étude du sol d'accueil, les conditions d'acceptation d'une carriÚre ou miniÚre, excavation ou autre puits, autorisés conformément à la rubrique 60 de l'annexe 1Úre de VLAREM II, les conditions d'utilisation de l'attestation de conformité d'un projet d'assainissement du sol, ou les conditions d'utilisation pour l'utilisation en construction ou dans un produit solide, si d'application ;
  6° des conditions et dispositions d'exécution complémentaires en fonction de l'utilisation envisagée, si applicable.
  D. Document de transport
  Art. 183. Le document de transport est rédigé par une des personnes suivantes :
  1° le transporteur ;
  2° l'exécutant des travaux ;
  3° le dépÎt provisoire ;
  4° le centre de nettoyage des terres ;
  5° l'établissement pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange.
  Le document de transport comprend toutes les données suivantes :
  1° l'identité de l'exécutant des travaux, si d'application ;
  2° l'identité du transporteur ;
  3° la date du transport des matériaux de sol ;
  4° le lieu d'origine des matériaux de sol ;
  5° le lieu de destination des matériaux de sol ;
  6° la quantité de matériaux de sol ;
  7° les nécessaires références à l'autorisation de terrassement, si applicable.
  L'exécutant des travaux conserve le document de transport dûment complété pendant au moins cinq ans.
  E. Rapport de gestion du sol
  Art. 184. Le rapport de gestion du sol est rĂ©digĂ© par une organisation de gestion du sol agréée. Le rapport de gestion du sol peut Ă©galement ĂȘtre Ă©tabli par un dĂ©pĂŽt provisoire agréé, par un centre agréé de nettoyage des terres ou par un Ă©tablissement agréé pour le dĂ©pĂŽt et le traitement de boues de dragage et de vidange, respectivement pour les matĂ©riaux de sol que le dĂ©pĂŽt, le centre de nettoyage des terres ou l'Ă©tablissement a acceptĂ©s.
  Le rapport de gestion du sol atteste la livraison des matériaux du sol à l'endroit de leur utilisation envisagée et confirme qu'il a été satisfait aux conditions, telles que visées dans la déclaration de conformité du rapport technique et dans l'autorisation de terrassement.
  Le rapport de gestion du sol comporte au moins les données suivantes :
  1° la référence à l'autorisation de terrassement ;
  2° la date de la livraison des matériaux de sol ;
  3° le volume des matériaux de sol livrés ;
  4° la référence à l'accusé de réception ;
  Sous-section III. Procédures A. Procédure via une organisation agréée de gestion du sol
  Art. 185. L'initiateur des travaux ou un établissement tel que visé à l'article 175, alinéa deux, transmet le rapport technique à une organisation agréée de gestion du sol.
  Art. 186. Dans les trente jours ouvrables suivant la rĂ©ception du rapport technique, l'organisation agréée de gestion du sol se prononce sur sa conformitĂ© aux dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et transmet l'attestation de conformitĂ© Ă  l'initiateur des travaux ou Ă  l'Ă©tablissement, visĂ© Ă  l'article 175, alinĂ©a deux ou impose des complĂ©ments.
  La conformité du rapport technique est évaluée sur la base du systÚme d'assurance de la qualité de l'organisation agréée de gestion du sol et sur la base des éléments suivants :
  1° le contrÎle de la complétude administrative ;
  2° le contrÎle de l'échantillonnage représentatif selon la procédure valable d'échantillonnage et la procédure standard du rapport technique ;
  3° le contrÎle des conclusions du rapport technique, y compris la transposition de l'évaluation des résultats d'analyse dans le tableau de mesurage et, si applicable, le plan de zonage ;
  4° le contrÎle de la faisabilité de l'excavation, du dragage ou du vidange sélectifs des différents compartiments d'excavation, de dragage ou de vidange, si applicable ;
  5° le contrÎle de la délimitation de la zone de travail cadastrale, si applicable.
  Si les possibilités d'utilisation des matériaux de sol conformes au présent chapitre, les codes de bonne pratique y afférents et les procédures standard y afférentes ont insuffisamment été examinées dans le rapport technique, l'organisation agréée de gestion du sol peut imposer dans la déclaration de conformité du rapport technique des conditions et dispositions d'exécution relatives à l'utilisation envisagée des matériaux de sol.
  Art. 187. Lorsque l'organisation agréée de gestion du sol impose des compléments au rapport technique, le délai, prévu à l'article 186, premier alinéa 1er, est interrompu.
  Lorsque l'organisation agréée de gestion du sol déclare le rapport technique non conforme de maniÚre motivée, la procédure est reprise à partir de l'étape, visée à l'article 185, premier alinéa.
  Art. 188. Une déclaration de conformité du rapport technique par une organisation agréée de gestion du sol est opposable à d'autres organisations agréées de gestion du sol.
  L'organisation agréée de gestion du sol qui est en désaccord avec la déclaration de conformité du rapport technique par une autre organisation agréée de gestion du sol peut, dans les trente jours aprÚs que la déclaration de conformité lui a été soumise, former un recours contre cette déclaration de conformité auprÚs de l'OVAM. Le recours est envoyé par lettre recommandée avec récépissé. Le recours est suspensif. L'OVAM se prononce dans les nonante jours suivant la réception du recours.
  Art. 189. Avant de commencer les travaux, l'exécutant des travaux communique la date de début à une organisation agréée de gestion du sol.
  Art. 190. § 1er. Avant que les matériaux de sol ne soient déplacés, l'exécutant des travaux demande une autorisation de terrassement auprÚs de l'organisation agréée de gestion du sol à qui la date de début des travaux a été communiquée.
  L'organisation agréée de gestion du sol évalue l'utilisation envisagée des matériaux de sol selon le systÚme d'assurance de la qualité des organisations agréées de gestion du sol.
  Si les matériaux de sol satisfont à leur utilisation envisagée, l'organisation agréée de gestion du sol autorise que les matériaux de sol sont déplacés vers l'endroit de leur utilisation et délivre une autorisation de terrassement dans les cinq jours ouvrables aprÚs la réception de la demande d'autorisation de terrassement. En cas de recours contre la déclaration de conformité du rapport technique conformément à l'article 188, deuxiÚme alinéa, le délai est suspendu.
  § 2. Pour les travaux pour lesquels un rapport technique doit ĂȘtre rĂ©digĂ©, le transport vers un dĂ©pĂŽt provisoire, un centre de nettoyage de terres ou un Ă©tablissement pour le dĂ©pĂŽt et le traitement de boues de dragage et de vidange est communiquĂ© Ă  l'organisation agréée de gestion du sol. La communication contient toutes les donnĂ©es suivantes :
  1° l'identité de l'exécutant des travaux ;
  2° l'identité du transporteur ;
  3° la référence à la déclaration de conformité, si celle-ci est présente ;
  4° la date du transport des matériaux de sol ;
  5° le lieu d'origine des matériaux de sol ;
  6° le lieu de destination des matériaux de sol ;
  7° la quantité totale de matériaux de sol à laquelle la notification se réfÚre.
  Le dépÎt provisoire, le centre de nettoyage de terres ou l'établissement pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange notifie la réception des matériaux de sol à l'organisation agréée de gestion du sol.
  § 3. Pour le transport de matériaux de sol vers des destinations autres que les destinations visées aux paragraphes 1er et 2, l'exécutant des travaux communique le volume et la qualité de ce transport à une organisation agréée de gestion du sol, dans le but de pouvoir établir un bilan volumique clÎturé des matériaux de sol.
  Art. 191. Pendant le transport, un document de transport accompagne les matériaux de sol.
  Art. 191/1. Les matériaux de sol sont entreposés selon une procédure, telle qu'approuvée par l'OVAM, permettant à l'organisation agréée de gestion du sol de tracer les matériaux de sol.
  Pour l'utilisation des matériaux de sol, pour laquelle l'établissement d'un rapport technique est obligatoire, le dépÎt provisoire non agréé, le centre non agréé de nettoyage des terres ou l'établissement non agréé pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange suivent la procédure prévue aux articles 185 à 191 inclus.
  Pour l'utilisation des matériaux de sol pour laquelle l'établissement d'un rapport technique est obligatoire, le dépÎt provisoire agréé, le centre agréé de nettoyage des terres ou l'établissement agréé pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange suivent la procédure, prévue aux articles 193 à 196 inclus.
  Art. 192. Le récepteur confirme les quantités livrées au moyen d'une déclaration de réception. L'exécutant des travaux transmet la déclaration de réception à l'organisation agréée de gestion du sol. La déclaration de réception confirme que les matériaux de sol ont été livrés conformément à l'autorisation de terrassement et seront utilisés conformément à l'autorisation de terrassement.
  Sur la base de la déclaration de réception, l'organisation agréée de gestion du sol délivre le rapport de gestion du sol à l'exécutant des travaux, au dépÎt provisoire, au centre de nettoyage de terres ou à l'établissement agréé de dépÎt et de traitement de boues de dragage et de vidange.
  L'exécutant des travaux, le dépÎt provisoire, le centre de nettoyage des terres ou l'établissement agréé pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange transmet une copie du rapport de gestion du sol à l'initiateur des travaux et à l'utilisateur final.
  B. Procédure via un dépÎt provisoire agréé, un centre agréé de nettoyage de terres ou un établissement agréé pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange
  Art. 193. Le dĂ©pĂŽt provisoire agréé, le centre de nettoyage des terres agréé ou l'Ă©tablissement agréé de dĂ©pĂŽt et de traitement de boues de dragage et de vidange disposent d'un rapport technique des matĂ©riaux de sol acceptĂ©s et se prononcent sur sa conformitĂ© aux dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ou imposent des complĂ©ments.
  La conformité du rapport technique est évaluée selon le systÚme d'assurance de la qualité du dépÎt provisoire agréé, du centre de nettoyage des terres agréé ou de l'établissement agréé de dépÎt et de traitement de boues de dragage et de vidange sur la base des éléments suivants :
  1° le contrÎle de la complétude administrative ;
  2° le contrÎle de l'échantillonnage représentatif selon la procédure valable d'échantillonnage et la procédure standard du rapport technique ;
  3° le contrÎle des conclusions du rapport technique, y compris la transposition de l'évaluation des résultats d'analyse dans le tableau de mesurage et, si applicable, le plan de zonage.
  Art. 194. Avant que les matériaux de sol ne soient commercialisés, le dépÎt provisoire agréé, le centre agréé de nettoyage de terres ou l'établissement agréé pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange établit une autorisation de terrassement.
  Art. 195. Pendant le transport, un document de transport accompagne les matériaux de sol.
  Art. 196. Le récepteur confirme les quantités livrées au moyen d'une déclaration de réception. L'exécutant des travaux transmet une déclaration de réception au dépÎt provisoire agréé, au centre agréé de nettoyage de terres ou à l'établissement agréé pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange. La déclaration de réception confirme que les matériaux de sol ont été livrés conformément à l'autorisation de terrassement et seront utilisés conformément à l'autorisation de terrassement.
  Sur la base de la déclaration de réception, le dépÎt provisoire agréé, le centre agréé de nettoyage de terres ou l'établissement agréé pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange établit le rapport de gestion du sol et en remet une copie à l'utilisateur final.
  C. Procédure pour petites quantités
  Art. 197. Par dĂ©rogation aux articles 192 et 196, la procĂ©dure visĂ©e aux articles 198 et 199 peut ĂȘtre suivie pour la dĂ©livrance d'un rapport de gestion du sol dans le cas de l'utilisation d'une quantitĂ© de matĂ©riaux de sol infĂ©rieure Ă  250 m3, qui rĂ©pond aux conditions, telles que visĂ©es Ă  l'article 161, § 1er et Ă  l'article 162 ou aux conditions, telles que visĂ©es aux articles 168 et 169.
  Art. 198. L'exécutant des travaux transmet une déclaration de réception à l'organisation agréée de gestion du sol, au dépÎt provisoire agréé, au centre agréé de nettoyage de terres ou à l'établissement agréé pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange qui a délivré l'autorisation de terrassement. La déclaration de réception confirme que les matériaux de sol ont été livrés au lieu de destination et qu'ils seront utilisés conformément à l'autorisation de terrassement.
  La déclaration de réception fait partie de la procédure permettant à l'organisation de gestion de sol de contrÎler l'utilisation envisagée.
  Art. 199. Sur la base de la déclaration de réception et d'une liste reprenant diverses destinations, l'organisation agréée de gestion du sol, le dépÎt provisoire agréé, le centre agréé de nettoyage de terres ou l'établissement agréé pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange délivre un rapport de gestion du sol.
  L'exécutant des travaux transmet une copie du rapport de gestion du sol à l'initiateur des travaux.
  D. Procédure de déclaration pour les travaux non soumis à la rédaction d'un rapport technique
  Art. 200. Avant le début du transport, tel que visé à l'article 173/1, § 2, l'exécutant des travaux communique le transport des matériaux de sol à l'organisation agréée de gestion du sol. La communication contient toutes les données suivantes :
  1° l'identité de l' exécutant des travaux ;
  2° l'identité du transporteur ;
  3° la date du transport des matériaux de sol ;
  4° le lieu d'origine des matériaux de sol ;
  5° le lieu de destination des matériaux de sol ;
  6° la quantité totale de matériaux de sol à laquelle la notification se réfÚre.
  AprÚs l'exécution des travaux, l'exécutant des travaux communique la quantité livrée de matériaux de sol à l'organisation agréée de gestion du sol.
  E. Procédure pour la décharge riveraine temporaire en vue du drainage de boues de drainage ou de vidange
  Art. 201. § 1er. Un rapport technique est établi avant les travaux de dragage ou de vidange. L'initiateur des travaux transmet le rapport technique à une organisation agréée de gestion du sol.
  L'organisation agréée de gestion du sol traite le rapport technique selon la procédure, telle que visée aux articles 185 à 188 inclus.
  § 2. Dans le cas d'une dĂ©charge riveraine le long de cours d'eau non navigables et le long de cours d'eau des polders, l'initiateur des travaux transmet le rapport technique et la dĂ©claration de conformitĂ© y affĂ©rents Ă  l'administration communale du territoire sur lequel les travaux sont exĂ©cutĂ©s au plus tard trente jours avant le dĂ©but des travaux. Il communique Ă  l'administration communale la date de dĂ©but envisagĂ©e au mĂȘme moment.
  La commune met les données à la disposition des intéressés.
  § 3. L'exécutant des travaux communique le début des travaux à une organisation agréée de gestion du sol.
  § 4. L'exécutant des travaux respecte un code de bonne pratique. Le code de bonne pratique pour la décharge riveraine temporaire en vue du drainage de boues de dragage et de vidange est constaté par le ministre sur la proposition de l'OVAM.
  Le code de bonne pratique définit les conditions et les exigences en matiÚre de qualité pour la décharge riveraine temporaire de boues de dragage et de vidange en vue de leur drainage pendant l'exécution de certains travaux d'entretien de cours d'eau.
  § 5. Les boues de dragage ou de vidange drainées sont évacuées ou utilisées conformément aux articles 190 à 192 inclus au plus tard 120 jours aprÚs la fin des travaux de dragage ou de vidange.
  Art. 201/1. Les boues de dragage et de vidange prĂ©sentant des concentrations de substances infĂ©rieures ou Ă©gales Ă  80% des normes d'assainissement de sol correspondantes du type de destination dans lequel la berge d'accueil est classĂ©e conformĂ©ment aux dispositions de l'annexe IV, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, peuvent ĂȘtre Ă©pandues sur cette berge afin de les drainer.
  Les boues de dragage et de vidange appropriĂ©es Ă  l'utilisation conforme au titre III, chapitre XIII du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, mais prĂ©sentant des concentrations de substances supĂ©rieures Ă  80% des normes d'assainissement de sol correspondantes du type de destination dans lequel la berge d'accueil est classĂ©e conformĂ©ment aux dispositions de l'annexe IV, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, peuvent ĂȘtre dĂ©posĂ©es sur les berges du cours d'eau en vue de leur drainage et dans l'attente de leur Ă©vacuation Ă  condition que les mesures nĂ©cessaires soient prises pour que les boues de dragage et de vidange ne soient pas mĂ©langĂ©es avec le sol sous-jacent.
  F. Procédure pour la décharge riveraine temporaire en cas de vidanges d'urgence de boues de drainage ou de vidange
  Art. 201/2. Les boues de dragage ou de vidange rĂ©sultant de vidanges d'urgence ou des travaux nĂ©cessaires de gestion des eaux dans le cadre de la prĂ©vention ou de la rĂ©duction des risques d'inondation affectant la sĂ©curitĂ© des maisons et des bĂątiments industriels autorisĂ©s ou censĂ©s autorisĂ©s en dehors des zones d'inondation peuvent ĂȘtre dĂ©posĂ©es sur une bande de cinq mĂštres le long du cours d'eau Ă  condition que l'exĂ©cutant des travaux travaille conformĂ©ment Ă  un code de bonne pratique.
  Le code de bonne pratique pour la décharge riveraine temporaire en cas de vidange d'urgence de boues de dragage ou de vidange est constaté par le ministre sur la proposition de l'OVAM.
  Le code de bonne pratique définit les conditions et les exigences de qualité pour la décharge riveraine temporaire de boues de dragage ou de vidange au cours de la mise en oeuvre de vidanges d'urgence.
  Art. 201/3. § 1er. Dans les sept jours aprÚs l'exécution des travaux de dragage ou de vidange via la vidange d'urgence, les boues draguées ou vidangées sont échantillonnées en vue de l'établissement du rapport technique. L'initiateur des travaux transmet le rapport technique à une organisation agréée de gestion du sol au plus tard trente jours aprÚs l'échantillonnage.
  L'organisation agréée de gestion du sol traite le rapport technique selon la procédure, telle que visée aux articles 185 à 188 inclus.
  § 2. L'initiateur des travaux transmet le rapport technique et la déclaration de conformité y afférente à l'administration communale du territoire sur lequel les travaux sont exécutés au plus tard trente jours aprÚs le traitement par l'organisation agréée de gestion du sol.
  La commune met les données à la disposition des intéressés.
  § 3. Les boues de dragage ou de vidange drainées sont évacuées ou utilisées conformément aux articles 190 à 192 inclus au plus tard soixante jours aprÚs la fin du vidange d'urgence.
  Section V. Organisation de gestion du sol, dépÎt provisoire, centre de nettoyage des terres et établissement pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange : agrément pour le rÚglement relatif à l'utilisation et à la traçabilité de matériaux de sol
  Sous-section Ire. - Conditions d'agrément et d'utilisation de l'agrément
  Art. 202. Pour ĂȘtre et rester agréée comme organisation de gestion du sol, l'organisation doit rĂ©pondre Ă  toutes les conditions suivantes :
  1° ĂȘtre Ă©tablie comme une association sans but lucratif conformĂ©ment Ă  la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les fondations, les partis politiques europĂ©ens et les fondations politiques europĂ©ennes ;
  2° ĂȘtre suffisamment reprĂ©sentative des diffĂ©rents secteurs concernĂ©s par l'utilisation des matĂ©riaux de sol. Une organisation de gestion du sol est reprĂ©sentative lorsque deux organisations professionnelles ou plus, qui sont suffisamment reprĂ©sentatives pour les secteurs concernĂ©s par l'utilisation du sol excavĂ© dĂ©tiennent un mandat dans le conseil d'administration ;
  3° avoir comme objet statutaire unique l'exĂ©cution des tĂąches assignĂ©es dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, la mise en oeuvre d'Ă©tudes relatives aux matĂ©riaux de sol et la fourniture d'informations et d'avis sur les matĂ©riaux de sol. Pour l'exĂ©cution de ses tĂąches, l'organisation de gestion du sol dispose d'un systĂšme d'assurance de la qualitĂ© approuvĂ© par l'OVAM ;
  4° mettre à l'emploi une ou plusieurs personnes physiques qui conjointement ont des connaissances approfondies de géologie, de physique et de chimie ;
  5° mettre à l'emploi une ou plusieurs personnes physiques qui ont au moins trois ans d'expérience professionnelle dans un secteur de l'environnement pertinent pour l'exécution de l'assainissement du sol ou pour l'utilisation de déchets comme matiÚre premiÚre au cours des six années précédant la date de la demande d'agrément ;
  6° mettre à l'emploi une ou plusieurs personnes physiques ayant des connaissances approfondies du présent chapitre ;
  7° mettre à l'emploi une ou plusieurs personnes physiques ayant suffisamment d'expérience dans l'évaluation de procédures d'échantillonnage et de résultats d'analyse et dans l'évaluation du rapport technique sur sa faisabilité pratique ;
  8° mettre à l'emploi une ou plusieurs personnes physiques ayant une connaissance et une expérience approfondies pour garantir l'utilisation de matériaux de sol conformément au présent chapitre ;
  9° satisfaire Ă  un systĂšme d'assurance de la qualitĂ© permettant Ă  l'organisation d'exĂ©cuter les tĂąches imposĂ©es par ou en vertu du prĂ©sent arrĂȘtĂ© de maniĂšre correcte et qualitative, y compris l'exĂ©cution de contrĂŽles des chantiers par sondage et la tenue des registres suivants, qui sont consultables par l'autoritĂ© de tutelle :
  a) un registre de réclamations ;
  b) un registre des rapports techniques, y compris les remarques de l'organisation à propos de ces rapports techniques. Les rapports techniques sont conservés pendant cinq ans ;
  c) un registre des autorisations de terrassement. Les autorisations de terrassement sont conservées pendant cinq ans ;
  d) un registre de déclarations de conformité des rapports techniques. Les déclarations de conformité sont conservées pendant cinq ans ;
  e) un registre des rapports de gestion du sol. Les rapports de gestion du sol sont conservées pendant cinq ans ;
  f) un registre dans lequel des irrégularités sont constatées conformément aux dispositions du systÚme d'assurance de la qualité, visé au point 3° ;
  10° disposer d'une procédure qui permet à l'organisation de tracer des matériaux de sol, y compris le traçage via un dépÎt provisoire non agréé ou un centre de nettoyage des terres non agréé ou un établissement non agréé pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange ;
  11° disposer d'une procédure qui permet à l'organisation d'établir un bilan volumique clÎturé pour les matériaux de sol et autres matériaux exposés ;
  12° disposer d'une assurance qui couvre sa responsabilité professionnelle ;
  13° en ce qui concerne les administrateurs et les personnes pouvant engager la personne morale : disposer de leurs droits civils et politiques et n'avoir encouru aucune condamnation pénale pour infraction à la législation en matiÚre d'environnement d'un Etat membre de l'Union européenne ;
  14° mettre les données suivantes à la disposition, sur la proposition de l'OVAM :
  a) les informations relatives aux sols pollués ;
  b) la qualité éco-hygiénique et l'utilisation des matériaux de sol ;
  c) l'utilisation de matériaux de sol comme alternative aux minerais de surface primaires. L'organisation y fait rapport conformément à un code de bonne pratique. Lorsque des documents sont établis, délivrés, reçus ou conservés à l'aide d'un systÚme informatisé, les données enregistrées sur des supports de données sont transmises à l'OVAM sous une forme lisible et compréhensible.
  La connaissance approfondie, visée au premier alinéa, 4°, est démontrée à l'aide de diplÎmes académiques, de diplÎmes de l'enseignement supérieur du type long ou diplÎmes équivalents, délivrés dans un Etat membre de l'Union européenne.
  L'expérience, visée à l'alinéa premier, 5°, 7° et 8° est démontrée à l'aide d'un curriculum vitae.
  La connaissance approfondie, visée au premier alinéa, 6° et 8°, est démontrée à l'aide d'un curriculum vitae ou à l'aide d'une entrevue avec et sur la demande de l'OVAM.
  Art. 203. Pour ĂȘtre et rester agréé comme dĂ©pĂŽt provisoire autorisĂ©, comme centre de nettoyage de terres autorisĂ© ou comme Ă©tablissement autorisĂ© pour le dĂ©pĂŽt et traitement de boues de dragage et de vidange, le dĂ©pĂŽt, le centre ou l'Ă©tablissement doivent rĂ©pondre Ă  toutes les conditions suivantes :
  1° ĂȘtre une personne morale rĂ©pondant aux caractĂ©ristiques suivantes :
  a) dans le cas d'un dépÎt provisoire : une personne morale, créée sous la forme d'une société commerciale, ayant son siÚge d'exploitation en Région flamande, ou une administration publique ou une structure de coopération intercommunale en Région flamande ;
  b) dans le cas d'un centre de nettoyage des terres : une personne morale créée sous la forme d'une société commerciale, ayant un siÚge d'exploitation en Région flamande ;
  c) dans le cas d'un établissement pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange : une personne morale, créée sous la forme d'une société commerciale, ayant un siÚge d'exploitation en Région flamande, ou une administration publique ou une structure de coopération intercommunale en Région flamande ;
  2° pour les sociĂ©tĂ©s commerciales : ne pas ĂȘtre en Ă©tat de faillite, ni faire l'objet d'une procĂ©dure en dĂ©claration de faillite, n'avoir demandĂ© ni obtenu un concordat judiciaire ;
  3° mettre à l'emploi une ou plusieurs personnes physiques qui conjointement ont des connaissances approfondies de physique et de chimie ;
  4° mettre à l'emploi ou avoir contractuellement à la disposition une ou plusieurs personnes physiques qui ont au moins trois ans d'expérience professionnelle dans un secteur de l'environnement pertinente pour l'exécution de l'assainissement du sol ou pour l'utilisation de déchets comme matiÚre premiÚre au cours des six années précédant la date de la demande d'agrément ;
  5° mettre à l'emploi ou avoir contractuellement à la disposition une ou plusieurs personnes physiques ayant des connaissances approfondies du présent chapitre ;
  6° mettre à l'emploi ou avoir contractuellement à la disposition une ou plusieurs personnes physiques ayant l'expérience nécessaire dans l'évaluation de procédures d'échantillonnage et de résultats d'analyse et dans l'évaluation du rapport technique en ce qui concerne sa faisabilité pratique ;
  7° employer ou avoir contractuellement à sa disposition une ou plusieurs personnes physiques ayant ensemble une connaissance et une expérience approfondies pour garantir l'utilisation des matériaux de sol conformément au présent chapitre ;
  8° satisfaire à un rÚglement d'assurance qualité approuvé par l'OVAM, comprenant des dispositions administratives et techniques concernant l'organisation interne de la commercialisation de matériaux de sol. Ce rÚglement d'assurance qualité comprend au moins :
  a) une procédure pour la réception, le stockage, la séparation physique, le drainage, le nettoyage et la livraison de matériaux de sol ;
  b) des dispositions sur la tenue de registres pour l'acheminement et l'évacuation de matériaux de sol ;
  c) des dispositions relatives à l'établissement d'un dossier par lot accepté de matériaux de sol ;
  d) des dispositions concernant le respect des codes de bonne pratique en matiÚre d'acceptation, de stockage, de mélange, de nettoyage, d'échantillonnage et d'analyse de matériaux de sol ;
  9° satisfaire Ă  un systĂšme interne permettant au dĂ©pĂŽt, au centre ou Ă  l'Ă©tablissement d'exĂ©cuter de maniĂšre correcte et qualitative les tĂąches imposĂ©es par ou en vertu du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, y compris la tenue des registres suivants, qui sont consultables par l'autoritĂ© de tutelle :
  a) un registre de réclamations ;
  b) un registre des rapports techniques, y compris les remarques de l'organisation à propos de ces rapports techniques. Les rapports techniques sont conservés pendant cinq ans ;
  c) un registre des autorisations de terrassement. Les autorisations de terrassement sont conservées pendant cinq ans ;
  d) un registre de déclarations de conformité des rapports techniques. Les déclarations de conformité sont conservées pendant cinq ans ;
  e) un registre des rapports de gestion du sol. Les rapports de gestion du sol sont conservées pendant cinq ans ;
  10° disposer d'une procédure permettant au dépÎt, au centre ou à l'établissement de tracer les matériaux de sol que le dépÎt, le centre ou l'établissement a mis sur le marché ;
  11° disposer d'une assurance qui couvre sa responsabilité professionnelle ;
  12° en ce qui concerne les administrateurs et les personnes pouvant engager la personne morale : disposer de leurs droits civils et politiques et n'avoir encouru aucune condamnation pénale pour infractions à la législation en matiÚre d'environnement d'un Etat membre de l'Union européenne ;
  13° mettre toutes les données suivantes à la disposition, sur la demande de l'OVAM :
  a) des informations relatives aux sols pollués ;
  b) la qualité éco-hygiénique et l'utilisation des matériaux de sol ;
  c) l'utilisation de matériaux de sol comme alternative aux minerais de surface primaires. L'organisation y fait rapport conformément à un code de bonne pratique. Lorsque des documents sont établis, délivrés, reçus ou conservés à l'aide d'un systÚme informatisé, les données enregistrées sur des supports de données sont transmises à l'OVAM sous une forme lisible et compréhensible ;
  14° disposer de l'infrastructure et des installations nécessaires à l'exploitation du dépÎt, du centre ou de l'établissement ;
  15° disposer des autorisations nécessaires conformément aux dispositions de la législation en vigueur ;
  16° disposer d'un certificat de contrÎle dans lequel une organisation de gestion du sol agréée atteste qu'il est satisfait aux conditions, prévues aux points 1° à 15° inclus. L'octroi du certificat de contrÎle remonte à au plus cent soixante jours. Le contrÎle satisfait à la procédure approuvée par l'OVAM ;
  17° satisfaire aux conditions imposées par ou en vertu du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement et du décret relatif au permis d'environnement.
  Les connaissances approfondies, visées à l'alinéa premier, 3°, sont démontrées au moyen de diplÎmes académiques, de diplÎmes de l'enseignement supérieur de type long ou de diplÎmes équivalents, délivrés dans un état-membre de l'Union européenne.
  L'expérience, visée à l'alinéa premier, 4°, 6° et 7° est démontrée à l'aide d'un curriculum vitae.
  La connaissance approfondie, visée au premier alinéa, 5° et 7°, est démontrée à l'aide d'un curriculum vitae ou à l'aide d'une entrevue avec et sur la demande de l'OVAM.
  Sous-section II. - Procédure d'agrément comme organisation de gestion du sol, dépÎt provisoire, centre de nettoyage de terres ou établissement pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange A. Recevabilité de la demande d'agrément
  Art. 204. La demande d'agrément comme organisation de gestion du sol, dépÎt provisoire, centre de nettoyage des terres ou établissement pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange, telle que visée aux articles 202 et 203, est adressée par lettre recommandée au ministre, à l'adresse de l'OVAM.
  Art. 205. Pour ĂȘtre recevable, la demande d'agrĂ©ment contient au moins les donnĂ©es suivantes :
  1° les statuts de la personne morale ;
  2° les noms des personnes physiques désignées en tant que personnes responsables par la personne morale ;
  3° une copie des diplÎmes visés à respectivement l'article 202, alinéa deux et l'article 203, alinéa deux ;
  4° un curriculum vitae des personnes ayant les connaissances et l'expérience visées à respectivement l'article 202, alinéa premier, 4° à 8° et l'article 203, alinéa premier, 3° à 7°, attestant ces connaissances et expérience ;
  5° un engagement inconditionnel dans lequel le demandeur déclare qu'il gérera les données dont il disposera de façon à ce qu'elles soient accessibles ;
  6° un engagement inconditionnel dans lequel le demandeur déclare conclure une assurance pour responsabilité professionnelle, telle que visée à respectivement l'article 202, alinéa premier, 12° et l'article 203, alinéa premier, 11° dans les trente jours aprÚs l'agrément et informer l'OVAM de la police conclue ;
  7° un certificat récent de bonne vie et moeurs des personnes, telles que visées à respectivement l'article 202, premier alinéa, 13° et l'article 203, premier alinéa, 12° ;
  8° un engagement inconditionnel dans lequel le demandeur déclare qu'il emploiera dans les trois mois suivant l'agrément les personnes, visées à l'article 202, alinéa premier, 4° à 8° et à l'article 203, alinéa premier, 3° à 7° ;
  9° en ce qui concerne les sociétés commerciales et les associations sans but lucratif :une attestation récente démontrant que le demandeur a rempli ses obligations sociales et fiscales ;
  10° en ce qui concerne les dépÎts provisoires, centres de nettoyage de terres et établissements pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange : une description de l'infrastructure et des installations, visées à l'article 203, alinéa premier, 14°.
  B. Traitement de, avis et décision concernant la demande d'agrément
  Art. 206. Les demandes d'agrément comme organisation de gestion du sol, dépÎt provisoire, centre de nettoyage de terres ou établissement pour le dépÎt et le traitement de boues de dragage et de vidange sont traitées selon la procédure suivante :
  1° l'OVAM envoie un accusé de réception au demandeur, dans lequel elle se prononce également sur la recevabilité de la demande dans les trente jours aprÚs la date de la réception de la demande ;
  2° l'OVAM déclare la demande recevable ou demande les compléments nécessaires. Si l'OVAM n'a pas demandé de compléments endéans le délai, visé au point 1°, la demande est censée recevable. Si l'OVAM demande des compléments dans le délai visé au point 1°, la demande complétée est à nouveau envoyée à l'OVAM par lettre recommandée. Dans les trente jours suivant la date de la réception de la demande complétée, l'OVAM fait parvenir au demandeur l'accusé de réception, dans lequel l'OVAM se prononce également sur la recevabilité de la demande complétée ;
  3° l'OVAM examine la demande recevable et l'envoie, accompagnée de son avis, au ministre dans les nonante jours suivant la date du récépissé de la demande recevable ;
  4° le ministre prend une décision sur l'agrément, dans les cent vingt jours suivant la date du récépissé de la demande recevable ;
  5° dans les cent cinquante jours suivant la date du récépissé de la demande recevable, l'OVAM notifie la décision relative à l'agrément au demandeur par lettre recommandée. La décision relative à l'agrément est publiée par extrait au Moniteur belge.
  Sous-section III. - Suspension, annulation et incessibilité de l'agrément A. Suspension de l'agrément
  Art. 207. § 1er. Le Ministre peut à tout temps suspendre l'agrément, visé aux articles 202 et 203, pour une période d'au maximum six mois dans les cas suivants :
  1° le titulaire de l'agrĂ©ment n'exĂ©cute pas de maniĂšre rĂ©glementaire ou objective les tĂąches dont il a Ă©tĂ© chargĂ© en vertu du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  2° le titulaire de l'agrément ne répond plus aux conditions d'agrément prévues aux articles 202 ou 203 ;
  3° le titulaire de l'agrĂ©ment commet des irrĂ©gularitĂ©s dans la dĂ©claration de conformitĂ© de rapports techniques, dans la dĂ©livrance d'autorisations de terrassement et de rapports de gestion du sol, et dans l'application des procĂ©dures du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  4° le titulaire de l'agrĂ©ment a Ă©tĂ© condamnĂ© en vertu d'un jugement ou d'un arrĂȘt passĂ© en force de chose jugĂ©e pour un dĂ©lit qui, de par sa nature, porte atteinte Ă  l'Ă©thique professionnelle de la personne morale concernĂ©e ;
  5° dans le cas d'une organisation de gestion du sol agréée, l'indépendance à l'égard des personnes concernées par un projet n'est pas garantie.
  § 2. Le ministre informe le titulaire de l'agrément de la décision envisagée de suspension par lettre recommandée avec mention des motifs.
  Dans un délai de trente jours suivant la date de réception de la lettre, visée dans l'alinéa premier, le titulaire de l'agrément peut accomplir toutes les formalités nécessaires afin d'éviter la suspension ou transmettre ses moyens de défense au Ministre.
  § 3. L'OVAM notifie la décision relative à la suspension au détenteur de l'agrément par lettre recommandée. La décision de suspension est publiée par extrait au Moniteur belge.
  § 4. La suspension prend cours le trentiÚme jour aprÚs la date de notification de la décision à la personne concernée.
  B. Annulation de l'agrément
  Art. 208. § 1er. Le Ministre peut à tout temps annuler l'agrément, visé aux articles 202 et 203, dans les cas suivants :
  1° lorsque le titulaire de l'agrĂ©ment n'exĂ©cute pas de maniĂšre rĂ©glementaire ou objective les tĂąches dont il a Ă©tĂ© chargĂ© en vertu du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et ce Ă  plusieurs reprises ;
  2° lorsque, à l'échéance de la période de suspension, le titulaire de l'agrément ne satisfait toujours pas aux conditions d'agrément sur la base desquelles il a été suspendu en vertu de l'article 207, § 1er, 2° ;
  3° lorsque le titulaire de l'agrĂ©ment commet des irrĂ©gularitĂ©s graves ou rĂ©pĂ©tĂ©es dans la dĂ©claration de conformitĂ© des rapports techniques, la dĂ©livrance d'autorisations de terrassement et de rapports de gestion du sol, et dans l'application des procĂ©dures du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  4° lorsque le titulaire de l'agrĂ©ment est condamnĂ© en vertu d'un jugement ou d'un arrĂȘt passĂ© en force de chose jugĂ©e pour un dĂ©lit qui, de par sa nature, porte gravement atteinte Ă  l'Ă©thique professionnelle de la personne morale concernĂ©e ;
  5° lorsque, dans le cas d'une organisation de gestion du sol agréée, l'indépendance à l'égard des personnes concernées par un projet n'est pas garantie à plusieurs reprises.
  § 2. Le Ministre informe le détenteur de l'agrément de la décision envisagée d'annulation, avec mention des raisons, par lettre recommandée.
  Dans les trente jours aprÚs la date de la réception de cette lettre, le détenteur de l'agrément peut remplir toutes les formalités nécessaires pour prévenir l'annulation ou informer le ministre de ses moyens de défense.
  § 3. L'OVAM notifie la décision relative à l'annulation au détenteur de l'agrément par lettre recommandée. La décision d'annulation est publiée par extrait au Moniteur belge.
  § 4. L'annulation prend cours le trentiÚme jour aprÚs la date de notification de la décision à la personne concernée.
  C. Transférabilité de l'agrément
  Art. 209. Les agréments ne sont pas transférables.
  Sous-section IV. - Reprise par l'OVAM des tùches d'une organisation agréée de gestion du sol
  Art. 210. En cas de suspension ou d'annulation de l'agrément d'une organisation de gestion du sol, l'OVAM peut reprendre les tùches suivantes :
  1° déclarer les rapports techniques conformes ;
  2° délivrer des autorisations de terrassement ;
  3° délivrer des rapports de gestion du sol ;
  4° délivrer des certificats de contrÎle, tels que visés à l'article 203, alinéa premier, 16°. ".
Art. 44. In artikel 212, derde lid, 1°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "artikel 50, § 2, van het Bodemdecreet" vervangen door de zinsnede "artikel 88, § 2, van dit besluit".
Art. 44. Dans l'article 212, alinĂ©a trois, 1°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le membre de phrase " article 50, § 2 du DĂ©cret relatif au sol " est remplacĂ© par le membre de phrase " article 88, § 2, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ".
Art. 45. In artikel 219 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt :
  "Het bedrag van de retributie voor het verstrekken van digitale informatie uit het Grondeninformatieregister via het e-loket van de OVAM met toepassing van artikel 20 bedraagt 50 euro per rapport.";
  2° het derde lid wordt opgeheven.
Art. 45. A l'article 219 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
  " Le montant de la rétribution pour la fourniture d'information numérique du Registre d'Information des Terrains via le guichet électronique de l'OVAM en vertu de l'article 20 s'élÚve à 50 euros par rapport. " ;
  2° l'alinéa trois est abrogé.
Art. 46. In artikel 221 van hetzelfde besluit worden tussen de woorden "in gebreke blijvende" en de woorden "moet de verschuldigde retributie" de woorden "plichtige of aansprakelijke persoon" ingevoegd.
Art. 46. Dans l'article 221 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " la personne obligĂ©e ou responsable " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " restĂ©e en dĂ©faut " et les mots " doit verser la rĂ©tribution ".
Art. 47. In artikel 223, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt het woord "aangetekende" opgeheven.
Art. 47. Dans l'article 223, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ© le mot " recommandĂ©e " est abrogĂ©.
Art. 48. In bijlage I bij hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015, wordt in de rubriek 29.1.1, 2°, b), in de kolom Categorie de letter "A" vervangen door de zinsnede "A, I".
Art. 48. Dans l'annexe IĂšre du mĂȘme arrĂȘtĂ©, rĂ©tablie par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 et modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 octobre 2015, la lettre " A " dans la colonne " CatĂ©gorie " dans la rubrique 29.1.1, 2°, b) est remplacĂ©e par le membre de phrase " A, I ".
Art. 49. Bijlage II bij hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 49. L'annexe II au mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ©e par l'annexe 1Ăšre, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 50. In artikel 4/1 van bijlage IV bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2011, wordt de zinsnede "VLAREM I" vervangen door de zinsnede "VLAREM II".
Art. 50. Dans l'article 4/1 de l'annexe IV au mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 septembre 2011, le membre de phrase " VLAREM I " est remplacĂ© par le membre de phrase " VLAREM II ".
Art. 51. Bijlage V bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2012, wordt vervangen door bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 51. L'annexe V au mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 mai 2012, est remplacĂ©e par l'annexe 2 jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 52. Bijlage VI bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012, wordt vervangen door bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 52. L'annexe VI au mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2012, est remplacĂ©e par l'annexe 3, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 53. Bijlage VII bij hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 53. L'annexe VII au mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ©e par l'annexe 4, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement
Art. 54. Aan artikel 33, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017, wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "5° artikel 138 van het Bodemdecreet en titel III, hoofdstuk XIII, van het VLAREBO.".
Art. 54. A l'article 33, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 12 dĂ©cembre 2008 portant exĂ©cution du titre XVI du dĂ©cret du 5 avril 1995 contenant des dispositions gĂ©nĂ©rales concernant la politique de l'environnement, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 fĂ©vrier 2017, il est ajoutĂ© un point 5°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 5° de l'article 138 du décret relatif au sol et du titre III, chapitre XIII du VLAREBO. ".
Art. 55. Aan artikel 34, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, wordt een punt 15° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "15° artikel 138 van het Bodemdecreet en titel III, hoofdstuk XIII, van het VLAREBO.".
Art. 55. A l'article 34, § 1er, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 fĂ©vrier 2017, il est ajoutĂ© un point 15°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 15° de l'article 138 du décret relatif au sol et du titre III, chapitre XIII du VLAREBO. ".
Art. 56. In het enig artikel van bijlage VIII van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2017, worden in de tabel de volgende twee rijen opgeheven :
  "
Art. 56. Dans l'article unique de l'annexe VIII du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 fĂ©vrier 2017, les deux rangĂ©es suivantes sont abrogĂ©es dans le tableau :
  "
5.3.3.4, eerste lid, tweede, derde en vierde zin De gegevens over herkomst, inclusief de analyseresultaten, de geschatte hoeveelheid en de bestemming van de bagger- of ruimingsspecie worden uiterlijk dertig kalenderdagen voor de aanvang van ieder bagger- of ruimingswerk bezorgd aan het gemeentebestuur op het grondgebied waarvan de bagger- of ruimingsspecie zal worden uitgespreid, en zijn samen met de code van goede praktijk, vermeld in artikel 5.3.4.3, ter inzage van het publiek. De geplande aanvangsdatum wordt daarbij uitdrukkelijk vermeld. Op eenvoudig verzoek wordt een afschrift van die gegevens bezorgd aan de persoon die erom vraagt.
5.3.4.4, tweede lid Uiterlijk dertig kalenderdagen voor de aanvang van de ruimingswerken en tot de beëindiging ervan worden de geplande bagger- en ruimingswerken en het ter inzage leggen van de gegevens, vermeld in het eerste lid, en de regeling ervoor bekendgemaakt door aanplakking. De aanplakking gebeurt op het gemeentehuis van de gemeente op het grondgebied waarvan de specie zal worden uitgespreid. Het aanplakbiljet wordt opgehangen op een wijze die de aandacht trekt en is opgemaakt in duidelijk leesbare letters op een gele achtergrond. De houder van het materiaal is verantwoordelijk voor het maken van de aanplakbiljetten en voor het bezorgen ervan aan de gemeentebesturen in kwestie.
5.3.3.4, eerste lid, tweede, derde en vierde zin De gegevens over herkomst, inclusief de analyseresultaten, de geschatte hoeveelheid en de bestemming van de bagger- of ruimingsspecie worden uiterlijk dertig kalenderdagen voor de aanvang van ieder bagger- of ruimingswerk bezorgd aan het gemeentebestuur op het grondgebied waarvan de bagger- of ruimingsspecie zal worden uitgespreid, en zijn samen met de code van goede praktijk, vermeld in artikel 5.3.4.3, ter inzage van het publiek. De geplande aanvangsdatum wordt daarbij uitdrukkelijk vermeld. Op eenvoudig verzoek wordt een afschrift van die gegevens bezorgd aan de persoon die erom vraagt.5.3.4.4, tweede lid Uiterlijk dertig kalenderdagen voor de aanvang van de ruimingswerken en tot de beëindiging ervan worden de geplande bagger- en ruimingswerken en het ter inzage leggen van de gegevens, vermeld in het eerste lid, en de regeling ervoor bekendgemaakt door aanplakking. De aanplakking gebeurt op het gemeentehuis van de gemeente op het grondgebied waarvan de specie zal worden uitgespreid. Het aanplakbiljet wordt opgehangen op een wijze die de aandacht trekt en is opgemaakt in duidelijk leesbare letters op een gele achtergrond. De houder van het materiaal is verantwoordelijk voor het maken van de aanplakbiljetten en voor het bezorgen ervan aan de gemeentebesturen in kwestie.
".
5.3.3.4, alinĂ©a premier, deuxiĂšme, troisiĂšme et quatriĂšme phrases Les donnĂ©es concernant l'origine, y compris les rĂ©sultats d'analyse, la quantitĂ© estimĂ©e et la destination des boues de dragage ou de vidange sont remises au plus tard trente jours calendaires avant le dĂ©but de tout travail de dragage ou de vidange Ă  l'administration communale sur le territoire de laquelle les boues de dragage ou de vidange seront Ă©pandues, et peuvent ĂȘtre consultĂ©es par le public ensemble avec le code de bonne pratique, visĂ© Ă  l'article 5.3.4.3. La date de dĂ©but planifiĂ©e y est expressĂ©ment indiquĂ©e. Sur simple demande, une copie de ces donnĂ©es est remise Ă  toute personne intĂ©ressĂ©e.
5.3.4.4, alinéa deux Les travaux envisagés de dragage et de vidange et la consultation des données, visée à l'alinéa premier et les dispositifs mis en oeuvre à cet effet, sont notifiés par affichage au plus tard trente jours calendaires avant le début des travaux de dragage et jusqu'à leur achÚvement. L'affichage s'effectue à la maison communale de la commune sur le territoire de laquelle les boues seront étalées. L'affiche est apposée de façon à attirer l'attention et est imprimée en caractÚres clairement lisibles sur fond jaune. Le détenteur des matériaux est responsable de la conception des affiches et de leur remise aux administrations communales concernées.
5.3.3.4, alinĂ©a premier, deuxiĂšme, troisiĂšme et quatriĂšme phrases Les donnĂ©es concernant l'origine, y compris les rĂ©sultats d'analyse, la quantitĂ© estimĂ©e et la destination des boues de dragage ou de vidange sont remises au plus tard trente jours calendaires avant le dĂ©but de tout travail de dragage ou de vidange Ă  l'administration communale sur le territoire de laquelle les boues de dragage ou de vidange seront Ă©pandues, et peuvent ĂȘtre consultĂ©es par le public ensemble avec le code de bonne pratique, visĂ© Ă  l'article 5.3.4.3. La date de dĂ©but planifiĂ©e y est expressĂ©ment indiquĂ©e. Sur simple demande, une copie de ces donnĂ©es est remise Ă  toute personne intĂ©ressĂ©e.5.3.4.4, alinĂ©a deux Les travaux envisagĂ©s de dragage et de vidange et la consultation des donnĂ©es, visĂ©e Ă  l'alinĂ©a premier et les dispositifs mis en oeuvre Ă  cet effet, sont notifiĂ©s par affichage au plus tard trente jours calendaires avant le dĂ©but des travaux de dragage et jusqu'Ă  leur achĂšvement. L'affichage s'effectue Ă  la maison communale de la commune sur le territoire de laquelle les boues seront Ă©talĂ©es. L'affiche est apposĂ©e de façon Ă  attirer l'attention et est imprimĂ©e en caractĂšres clairement lisibles sur fond jaune. Le dĂ©tenteur des matĂ©riaux est responsable de la conception des affiches et de leur remise aux administrations communales concernĂ©es.
".
Art. 57. In het enig artikel van bijlage XII van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015, worden in de tabel de volgende rijen opgeheven :
  "
Art. 57. Dans l'article unique de l'annexe XII du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juillet 2015, les rangĂ©es suivantes sont abrogĂ©es dans le tableau :
  "
189 Voor de start van de grondwerken meldt de uitvoerder grondwerken de startdatum aan een erkende bodembeheerorganisatie.
200, eerste lid Bij het transport naar een tussentijdse opslagplaats of een grondreinigingscentrum van meer dan 250 m3 uitgegraven bodem of van meer dan 50 m3 uitgegraven bodem waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, meldt de uitvoerder grondwerken dat transport aan een erkende bodembeheerorganisatie.
189 Voor de start van de grondwerken meldt de uitvoerder grondwerken de startdatum aan een erkende bodembeheerorganisatie.200, eerste lid Bij het transport naar een tussentijdse opslagplaats of een grondreinigingscentrum van meer dan 250 m3 uitgegraven bodem of van meer dan 50 m3 uitgegraven bodem waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, meldt de uitvoerder grondwerken dat transport aan een erkende bodembeheerorganisatie.
".
189 Avant de commencer les travaux de terrassement, le réalisateur des travaux de terrassement notifie la date de commencement à une organisation de gestion du sol agréée.
200, alinéa premier Pour le transport vers un dépÎt provisoire ou un centre de nettoyage de terres de plus de 250 m3 de terre excavée ou de plus de 50 m3 de terre excavée pour lequel l'établissement d'un rapport technique est obligatoire, le réalisateur des travaux de terrassement notifie ce transport à une organisation de gestion du sol agréée.
189 Avant de commencer les travaux de terrassement, le réalisateur des travaux de terrassement notifie la date de commencement à une organisation de gestion du sol agréée.200, alinéa premier Pour le transport vers un dépÎt provisoire ou un centre de nettoyage de terres de plus de 250 m3 de terre excavée ou de plus de 50 m3 de terre excavée pour lequel l'établissement d'un rapport technique est obligatoire, le réalisateur des travaux de terrassement notifie ce transport à une organisation de gestion du sol agréée.
".
Art. 58. In het enig artikel van bijlage XXIII, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2016, wordt de tabel Bijzondere gebruikseisen voor bodemsaneringsdeskundigen vervangen door wat volgt :
  "Bijzondere gebruikseisen voor bodemsaneringsdeskundigen
Art. 58. Dans l'article unique de l'annexe XIII, insĂ©rĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010, remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 mars 2016 et modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 dĂ©cembre 2016, le tableau " Exigences particuliĂšres d'utilisation pour experts en assainissement du sol " est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Exigences particuliÚres d'utilisation pour experts en assainissement du sol
artikel wettelijke verplichting
53/3, § 1, 1° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  1° ziet erop toe dat alle monsters die genomen zijn in het kader van het Bodemdecreet, geanalyseerd worden overeenkomstig het CMA, door een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, f);
53/3, § 1, 2° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  2° voert het veldwerk uit of ziet erop toe dat het veldwerk wordt uitgevoerd overeenkomstig het CMA;
53/3, § 1, 3° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  3° deelt op eenvoudig verzoek onmiddellijk aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, mee waar veldwerk in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt gepland in de periode die is aangegeven in het verzoek van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
53/3, § 1, 4° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  4° voert de taken, vermeld in artikel 6, 6°, uit in overeenstemming met de standaardprocedures of de codes van goede praktijk, vermeld in het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;
53/3, § 1, 5° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  5° houdt een klachtenregister bij dat ter inzage ligt voor de toezichthoudende overheid;
53/3, § 1, 6° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  6° als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : beschikt zelf over een model voor risicoanalyse van bodemverontreiniging dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
53/3, § 1, 8° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  8° beschikt over een kwaliteitshandboek, en past de inhoud ervan toe bij de uitvoering van taken in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Het kwaliteitshandboek wordt opgesteld volgens een code van goede praktijk;
53/3, § 1, 9°, eerste zin De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  9° schoolt zich of de personen die bij hem in dienst zijn, permanent bij wat betreft het milieucompartiment bodem, inclusief milieutechnologie en milieuwetgeving in verband met bodem, door cursussen, seminaries, studiedagen en dergelijke te volgen;
53/3, § 1, 9°, tweede zin De duur van de bijscholing van de bodemsaneringsdeskundige per kalenderjaar is als volgt :
  a) in geval van een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : de duur van de bijscholing bedraagt minstens 7,5 uur per persoon die voor de bodemsaneringsdeskundige beschikt over een handtekeningsbevoegdheid module 1 of 2. Als er meer dan twee personen beschikken over de voormelde handtekeningsbevoegdheid voor de bodemsaneringsdeskundige, is voldaan aan de bijscholingsvereiste als de totale duur van de bijscholing minstens 15 uur bedraagt;
  b) in geval van een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : de duur van de bijscholing bedraagt minstens 7,5 uur per persoon die voor de bodemsaneringsdeskundige beschikt over een handtekeningsbevoegdheid module 1 of 2, met een minimum van 20 uur als totale duur van de bijscholing. Als er meer dan acht personen beschikken over de voormelde handtekeningsbevoegdheid voor de bodemsaneringsdeskundige, is voldaan aan de bijscholingsvereiste als de totale duur van de bijscholing minstens 60 uur bedraagt;
53/3, § 1, 10° a) De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  10° beschikt over :
  a) als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, eerste lid;
  b) als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, tweede lid;
53/3, § 1, 11° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  11° zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, over het meest geschikte materiaal beschikt dat in goede staat is, dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de bemonstering van het vaste deel van de aarde en van het grondwater;
53/3, § 1, 12° 12° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  zorgt ervoor dat het personeel dat het veldwerk in het kader van de erkenning uitvoert, opgeleid is om monsters te nemen en veldmetingen uit te voeren;
53/3, § 1, 13° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  13° voert de auditverplichtingen uit die opgelegd zijn bij of krachtens artikel 8bis van het Bodemdecreet.
53/3, § 2 De erkende bodemsaneringsdeskundige van type 2 beschikt bovendien over een mathematisch grondwatermodel dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer.
53/4, § 1, eerste lid De verslagen en rapporten, opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 1, worden ondertekend door minstens één persoon als vermeld in artikel 53/3, § 1, 10°, a).
53/4, § 1, tweede lid De verslagen en rapporten, opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 2, worden ondertekend door minstens één persoon als vermeld in artikel 53/3, § 1, 10°, b).
artikel wettelijke verplichting53/3, § 1, 1° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  1° ziet erop toe dat alle monsters die genomen zijn in het kader van het Bodemdecreet, geanalyseerd worden overeenkomstig het CMA, door een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, f);53/3, § 1, 2° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  2° voert het veldwerk uit of ziet erop toe dat het veldwerk wordt uitgevoerd overeenkomstig het CMA;53/3, § 1, 3° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  3° deelt op eenvoudig verzoek onmiddellijk aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, mee waar veldwerk in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt gepland in de periode die is aangegeven in het verzoek van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;53/3, § 1, 4° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  4° voert de taken, vermeld in artikel 6, 6°, uit in overeenstemming met de standaardprocedures of de codes van goede praktijk, vermeld in het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;53/3, § 1, 5° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  5° houdt een klachtenregister bij dat ter inzage ligt voor de toezichthoudende overheid;53/3, § 1, 6° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  6° als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : beschikt zelf over een model voor risicoanalyse van bodemverontreiniging dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;53/3, § 1, 8° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  8° beschikt over een kwaliteitshandboek, en past de inhoud ervan toe bij de uitvoering van taken in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Het kwaliteitshandboek wordt opgesteld volgens een code van goede praktijk;53/3, § 1, 9°, eerste zin De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  9° schoolt zich of de personen die bij hem in dienst zijn, permanent bij wat betreft het milieucompartiment bodem, inclusief milieutechnologie en milieuwetgeving in verband met bodem, door cursussen, seminaries, studiedagen en dergelijke te volgen;53/3, § 1, 9°, tweede zin De duur van de bijscholing van de bodemsaneringsdeskundige per kalenderjaar is als volgt :
  a) in geval van een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : de duur van de bijscholing bedraagt minstens 7,5 uur per persoon die voor de bodemsaneringsdeskundige beschikt over een handtekeningsbevoegdheid module 1 of 2. Als er meer dan twee personen beschikken over de voormelde handtekeningsbevoegdheid voor de bodemsaneringsdeskundige, is voldaan aan de bijscholingsvereiste als de totale duur van de bijscholing minstens 15 uur bedraagt;
  b) in geval van een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : de duur van de bijscholing bedraagt minstens 7,5 uur per persoon die voor de bodemsaneringsdeskundige beschikt over een handtekeningsbevoegdheid module 1 of 2, met een minimum van 20 uur als totale duur van de bijscholing. Als er meer dan acht personen beschikken over de voormelde handtekeningsbevoegdheid voor de bodemsaneringsdeskundige, is voldaan aan de bijscholingsvereiste als de totale duur van de bijscholing minstens 60 uur bedraagt;53/3, § 1, 10° a) De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  10° beschikt over :
  a) als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, eerste lid;
  b) als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, tweede lid;53/3, § 1, 11° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  11° zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, over het meest geschikte materiaal beschikt dat in goede staat is, dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de bemonstering van het vaste deel van de aarde en van het grondwater;53/3, § 1, 12° 12° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  zorgt ervoor dat het personeel dat het veldwerk in het kader van de erkenning uitvoert, opgeleid is om monsters te nemen en veldmetingen uit te voeren;53/3, § 1, 13° De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
  13° voert de auditverplichtingen uit die opgelegd zijn bij of krachtens artikel 8bis van het Bodemdecreet.53/3, § 2 De erkende bodemsaneringsdeskundige van type 2 beschikt bovendien over een mathematisch grondwatermodel dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer.53/4, § 1, eerste lid De verslagen en rapporten, opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 1, worden ondertekend door minstens één persoon als vermeld in artikel 53/3, § 1, 10°, a).53/4, § 1, tweede lid De verslagen en rapporten, opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 2, worden ondertekend door minstens één persoon als vermeld in artikel 53/3, § 1, 10°, b).
".
article obligation légale
53/3, § 1er, 1° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  1° veille à ce que tous les échantillons prélevés dans le cadre du décret relatif au sol soient analysés conformément au CMA, par un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, f) ;
53/3, § 1er, 2° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  2° exécute le travail sur le terrain ou veille à ce que le travail sur le terrain soit exécuté conformément au CMA ;
53/3, § 1er, 3° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  3° communique, sur simple demande, immĂ©diatement Ă  la division, compĂ©tente pour la gestion du sol, oĂč du travail sur le terrain dans le cadre du dĂ©cret relatif au sol et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution est prĂ©vu dans la pĂ©riode indiquĂ©e dans la demande de la division, compĂ©tente pour la gestion du sol ;
53/3, § 1er, 4° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  4° exĂ©cute les tĂąches, visĂ©es Ă  l'article 6, 6°, conformĂ©ment aux procĂ©dures standard ou aux codes de bonne pratique, visĂ©s au dĂ©cret relatif au sol et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution ;
53/3, § 1er, 5° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  5° tient un registre des plaintes qui peut ĂȘtre consultĂ© par l'autoritĂ© de contrĂŽle ;
53/3, § 1er, 6° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  6° dans le cas d'un expert en assainissement du sol de type 2 : dispose lui-mĂȘme d'un modĂšle d'analyse des risques de pollution du sol qui est acceptĂ© par la division, compĂ©tente pour la gestion du sol ;
53/3, § 1er, 8° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  8° dispose d'un manuel de qualitĂ© et applique son contenu lors de la mise en oeuvre de tĂąches dans le cadre du dĂ©cret relatif au sol et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution. Le manuel de qualitĂ© est rĂ©digĂ© selon un code de bonne pratique ;
53/3, § 1er, 9°, premiÚre phrase L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  9° se perfectionne ou perfectionne les personnes qu'il emploie en permanence en ce qui concerne le compartiment écologique du sol, y compris la technologie environnementale et la législation environnementale concernant le sol, en suivant des cours, séminaires, journées d'étude et cetera ;
53/3, § 1er, 9°, deuxiÚme phrase La durée du perfectionnement de l'expert en assainissement du sol par année calendaire, est la suivante :
  a) en cas d'un expert en assainissement du sol du type 1 : la durée du perfectionnement est de 7,5 heures au moins par personne disposant pour l'expert en assainissement du sol d'un pouvoir de signature du module 1 ou 2. Si plus de deux personnes disposent dudit pouvoir de signature pour l'expert en assainissement du sol, l'exigence de perfectionnement est remplie si la durée totale du perfectionnement est de 15 heures au minimum ;
  b) en cas d'un expert en assainissement du sol du type 2 : la durée du perfectionnement est de 7,5 heures au moins par personne disposant pour le compte de l'expert en assainissement du sol d'un pouvoir de signature de module 1 ou 2, la durée totale du perfectionnement comprenant au minimum 20 heures. Si plus de huit personnes disposent dudit pouvoir de signature pour le compte de l'expert en assainissement du sol, l'exigence de perfectionnement est remplie si la durée totale du perfectionnement est de 60 heures au minimum.
53/3, § 1er, 10° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  10° dispose :
  a) en cas d'un expert en assainissement du sol du type 1 : au moins d'une personne ayant une délégation de signature individuelle, telle que visée à l'article 53/4, § 2, alinéa premier ;
  b) en cas d'un expert en assainissement du sol du type 2 : au moins d'une personne ayant une délégation de signature individuelle, telle que visée à l'article 53/4, § 2, alinéa deux ;
53/3, § 1er, 11° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  11° assure que le personnel qui exécute les travaux dans le cadre de l'agrément, dispose du matériel le plus approprié et en bon état, qui répond à toutes les exigences réglementaires et qui est nécessaire pour la mise en oeuvre de l'échantillonnage de la partie fixe des terres et des eaux souterraines ;
53/3, § 1er, 12° 12° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  assure que le personnel qui exécute le travail sur le terrain dans le cadre de l'agrément, a été formé pour prendre des échantillons et de réaliser des mesures sur le terrain ;
53/3, § 1er, 13° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  13° réalise les obligations d'audit imposées par ou en vertu de l'article 8bis du décret relatif au sol.
53/3, § 2 En outre, l'expert en assainissement du sol agréé du type 2 dispose d'un modÚle mathématique des eaux souterraines qui est accepté par la division compétente pour la gestion du sol.
53/4, § 1er, alinéa premier Les procÚs-verbaux et rapports établis dans le cadre des tùches de l'expert en assainissement du sol de type 1, sont signés par au moins une personne, telle que visée à l'article 53/3, § 1er, 10°, a).
53/4, § 1er, alinéa deux Les procÚs-verbaux et rapports établis dans le cadre des tùches de l'expert en assainissement du sol de type 2, sont signés par au moins une personne, telle que visée à l'article 53/3, § 1er, 10°, b).
article obligation légale53/3, § 1er, 1° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  1° veille à ce que tous les échantillons prélevés dans le cadre du décret relatif au sol soient analysés conformément au CMA, par un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, f) ;53/3, § 1er, 2° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  2° exécute le travail sur le terrain ou veille à ce que le travail sur le terrain soit exécuté conformément au CMA ;53/3, § 1er, 3° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  3° communique, sur simple demande, immĂ©diatement Ă  la division, compĂ©tente pour la gestion du sol, oĂč du travail sur le terrain dans le cadre du dĂ©cret relatif au sol et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution est prĂ©vu dans la pĂ©riode indiquĂ©e dans la demande de la division, compĂ©tente pour la gestion du sol ;53/3, § 1er, 4° L'expert en assainissement du sol agréé, visĂ© Ă  l'article 6, 6° :
  4° exĂ©cute les tĂąches, visĂ©es Ă  l'article 6, 6°, conformĂ©ment aux procĂ©dures standard ou aux codes de bonne pratique, visĂ©s au dĂ©cret relatif au sol et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution ;53/3, § 1er, 5° L'expert en assainissement du sol agréé, visĂ© Ă  l'article 6, 6° :
  5° tient un registre des plaintes qui peut ĂȘtre consultĂ© par l'autoritĂ© de contrĂŽle ;53/3, § 1er, 6° L'expert en assainissement du sol agréé, visĂ© Ă  l'article 6, 6° :
  6° dans le cas d'un expert en assainissement du sol de type 2 : dispose lui-mĂȘme d'un modĂšle d'analyse des risques de pollution du sol qui est acceptĂ© par la division, compĂ©tente pour la gestion du sol ;53/3, § 1er, 8° L'expert en assainissement du sol agréé, visĂ© Ă  l'article 6, 6° :
  8° dispose d'un manuel de qualitĂ© et applique son contenu lors de la mise en oeuvre de tĂąches dans le cadre du dĂ©cret relatif au sol et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution. Le manuel de qualitĂ© est rĂ©digĂ© selon un code de bonne pratique ;53/3, § 1er, 9°, premiĂšre phrase L'expert en assainissement du sol agréé, visĂ© Ă  l'article 6, 6° :
  9° se perfectionne ou perfectionne les personnes qu'il emploie en permanence en ce qui concerne le compartiment écologique du sol, y compris la technologie environnementale et la législation environnementale concernant le sol, en suivant des cours, séminaires, journées d'étude et cetera ;53/3, § 1er, 9°, deuxiÚme phrase La durée du perfectionnement de l'expert en assainissement du sol par année calendaire, est la suivante :
  a) en cas d'un expert en assainissement du sol du type 1 : la durée du perfectionnement est de 7,5 heures au moins par personne disposant pour l'expert en assainissement du sol d'un pouvoir de signature du module 1 ou 2. Si plus de deux personnes disposent dudit pouvoir de signature pour l'expert en assainissement du sol, l'exigence de perfectionnement est remplie si la durée totale du perfectionnement est de 15 heures au minimum ;
  b) en cas d'un expert en assainissement du sol du type 2 : la durée du perfectionnement est de 7,5 heures au moins par personne disposant pour le compte de l'expert en assainissement du sol d'un pouvoir de signature de module 1 ou 2, la durée totale du perfectionnement comprenant au minimum 20 heures. Si plus de huit personnes disposent dudit pouvoir de signature pour le compte de l'expert en assainissement du sol, l'exigence de perfectionnement est remplie si la durée totale du perfectionnement est de 60 heures au minimum.53/3, § 1er, 10° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  10° dispose :
  a) en cas d'un expert en assainissement du sol du type 1 : au moins d'une personne ayant une délégation de signature individuelle, telle que visée à l'article 53/4, § 2, alinéa premier ;
  b) en cas d'un expert en assainissement du sol du type 2 : au moins d'une personne ayant une délégation de signature individuelle, telle que visée à l'article 53/4, § 2, alinéa deux ;53/3, § 1er, 11° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  11° assure que le personnel qui exécute les travaux dans le cadre de l'agrément, dispose du matériel le plus approprié et en bon état, qui répond à toutes les exigences réglementaires et qui est nécessaire pour la mise en oeuvre de l'échantillonnage de la partie fixe des terres et des eaux souterraines ;53/3, § 1er, 12° 12° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  assure que le personnel qui exécute le travail sur le terrain dans le cadre de l'agrément, a été formé pour prendre des échantillons et de réaliser des mesures sur le terrain ;53/3, § 1er, 13° L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
  13° réalise les obligations d'audit imposées par ou en vertu de l'article 8bis du décret relatif au sol.53/3, § 2 En outre, l'expert en assainissement du sol agréé du type 2 dispose d'un modÚle mathématique des eaux souterraines qui est accepté par la division compétente pour la gestion du sol.53/4, § 1er, alinéa premier Les procÚs-verbaux et rapports établis dans le cadre des tùches de l'expert en assainissement du sol de type 1, sont signés par au moins une personne, telle que visée à l'article 53/3, § 1er, 10°, a).53/4, § 1er, alinéa deux Les procÚs-verbaux et rapports établis dans le cadre des tùches de l'expert en assainissement du sol de type 2, sont signés par au moins une personne, telle que visée à l'article 53/3, § 1er, 10°, b).
".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het VLAREL van 19 november 2010
CHAPITRE 4. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© relatif au VLAREL du 19 novembre 2010
Art. 59. In artikel 4, § 2, van het VLAREL van 19 november 2010, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, wordt de zinsnede "artikel 25/1 en 25/2" vervangen door de zinsnede "artikel 25/1, 25/2 en 53/3, § 1, 10° ".
Art. 59. Dans l'article 4, § 2 du VLAREL du 19 novembre 2010, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 mars 2016, le membre de phrase " des articles 25/1 et 25/2 " est remplacĂ© par le membre de phrase " des articles 25/1, 25/2 et 53/3, § 1er, 10° ".
Art. 60. In artikel 6, 5°, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017, wordt punt f) vervangen door wat volgt :
  "f) laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, voor het uitvoeren van analyses op bodem ter uitvoering van het Bodemdecreet en het VLAREBO en de toepassing van die analyses ter uitvoering van titel II en III van het VLAREM, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 6°, die bij dit besluit is gevoegd;".
Art. 60. Dans l'article 6, 5°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2017, le point f) est remplacĂ© par ce qui suit :
  " f) laboratoire dans la discipline du sol, sous-domaine de l'assainissement du sol, pour l'exĂ©cution d'analyses sur des sols en exĂ©cution du dĂ©cret relatif au sol et du VLAREBO et pour l'application de ces analyses en exĂ©cution des titres II et III du VLAREM, pour un ou plusieurs des paquets, visĂ©s Ă  l'annexe 3, 6°, jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ© ; ".
Art. 61. In artikel 53/3, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt 6° wordt vervangen door wat volgt :
  "6° beschikt zelf over een model voor risicoanalyse van bodemverontreiniging dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, als het om een bodemsaneringsdeskundige van type 2 gaat;";
  2° punt 7° wordt opgeheven;
  3° punt 8° wordt vervangen door wat volgt :
  "8° beschikt over een kwaliteitshandboek, en past de inhoud ervan toe bij de uitvoering van taken in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Het kwaliteitshandboek wordt opgesteld conform een code van goede praktijk;";
  4° er worden een punt 10° tot en met een punt 13° toegevoegd, die luiden als volgt :
  "10° beschikt over :
  a) als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, eerste lid;
  b) als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, tweede lid;
  11° zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, over het meest geschikte materiaal beschikt dat in goede staat is, voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de bemonstering van het vaste deel van de aarde en van het grondwater;
  12° zorgt ervoor dat het personeel dat het veldwerk in het kader van de erkenning uitvoert, opgeleid is om monsters te nemen en veldmetingen uit te voeren;
  13° voert de auditverplichtingen, opgelegd bij of krachtens artikel 8bis van het Bodemdecreet, uit.".
Art. 61. Dans l'article 53/3, § 1er, du mĂȘme arrĂȘte, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 mars 2016, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le point 6° est remplacé par ce qui suit :
  " 6° dispose lui-mĂȘme d'un modĂšle d'analyse des risques de pollution du sol qui est acceptĂ© par la division, compĂ©tente pour la gestion du sol, dans le cas d'un expert en assainissement du sol de type 2 ; " ;
  2° le point 7° est abrogé ;
  3° le point 8° est remplacé par ce qui suit :
  " 8° dispose d'un manuel de qualitĂ© et applique son contenu lors de la mise en oeuvre de tĂąches dans le cadre du dĂ©cret relatif au sol et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution. Le manuel de qualitĂ© est rĂ©digĂ© selon un code de bonne pratique ; " ;
  4° il est ajouté des points 10° à 13° inclus, rédigés comme suit :
  " 10° disposer de :
  a) dans le cas d'un expert en assainissement du sol de type 1 : au moins une personne ayant une délégation de signature individuelle, telle que visée à l'article 53/4, § 2, alinéa premier ;
  b) dans le cas d'un expert en assainissement du sol de type 2 : au moins d'une personne ayant une délégation de signature individuelle, telle que visée à l'article 53/4, § 2, alinéa deux ;
  11° assure que le personnel qui exécute les travaux dans le cadre de l'agrément, dispose du matériel le plus approprié et en bon état, qui répond à toutes les exigences réglementaires et qui est nécessaire pour la mise en oeuvre de l'échantillonnage de la partie fixe des terres et des eaux souterraines ;
  12° assure que le personnel qui exécute le travail sur le terrain dans le cadre de l'agrément, a été formé pour prendre des échantillons et de réaliser des mesures sur le terrain ;
  13° réalise les obligations d'audit imposées par ou en vertu de l'article 8bis du décret relatif au sol. ".
Art. 62. In artikel 53/4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. De verslagen en rapporten, opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 1, worden ondertekend door minstens één persoon als vermeld in artikel 53/3, § 1, 10°, a).
  De verslagen en rapporten, opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 2, worden ondertekend door minstens één persoon als vermeld in artikel 53/3, § 1, 10°, b).".
Art. 62. Dans l'article 53/4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er mars 2013, le paragraphe 1er est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " § 1er. Les procÚs-verbaux et rapports établis dans le cadre des tùches de l'expert en assainissement du sol de type 1, sont signés par au moins une personne, telle que visée à l'article 53/3, § 1er, 10°, a).
  Les procÚs-verbaux et rapports établis dans le cadre des tùches de l'expert en assainissement du sol de type 2, sont signés par au moins une personne, telle que visée à l'article 53/3, § 1er, 10°, b). ".
Art. 63. Artikel 53/5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 53/5. § 1. De erkende bodemsaneringsdeskundige garandeert een kwaliteitsvolle uitvoering van de werkzaamheden, die ook de objectieve en onafhankelijke uitvoering van de dienstverlening omvat.
  De bodemsaneringsdeskundige kan geen gebruik maken van zijn erkenning als de objectieve en onafhankelijke uitvoering van de dienstverlening ten aanzien van de opdrachtgever of de uitvoerder van de bodemsaneringswerken niet kan worden gewaarborgd. De beoordeling of de objectieve en onafhankelijke uitvoering van een dienstverlening kan worden gewaarborgd, gebeurt door de bodemsaneringsdeskundige volgens de werkwijze, opgenomen in de standaardprocedures, vermeld in titel III, hoofdstuk IV tot en met VI, XII en XIII, van het Bodemdecreet.
  De voormelde standaardprocedures bevatten een niet-limitatieve opsomming van de gevallen waarin, tot het bewijs van het tegendeel, wordt vermoed dat de erkende bodemsaneringsdeskundige zich conform het tweede lid in een situatie van onverenigbaarheid bevindt.".
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, kan de bodemsaneringsdeskundige toch gebruik maken van zijn erkenning als hij in het kader van de betrokken dienstverlening toepassing maakt van de beheersmaatregelen, opgenomen in de standaardprocedures, vermeld in paragraaf 1, tweede lid. ".
Art. 63. L'article 53/5 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1 mars 2013, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 53/5. § 1er. L'expert en assainissement du sol agréé assure une mise en oeuvre de qualité des travaux, qui comprend également la mise en oeuvre objective et indépendante des services.
  L'expert en assainissement du sol ne peut pas utiliser son agrĂ©ment lorsque la mise en oeuvre objective et indĂ©pendante des services Ă  l'Ă©gard du maĂźtre d'ouvrage ou de l'exĂ©cutant des travaux d'assainissement du sol ne peut pas ĂȘtre assurĂ©e. L'expert en assainissement du sol Ă©value si la mise en oeuvre objective et indĂ©pendante d'un service peut ĂȘtre assurĂ©e, selon les modalitĂ©s, telles que visĂ©es dans les procĂ©dures standard, visĂ©es au titre III, chapitres IV au VI, XII et XIII du dĂ©cret relatif au sol.
  Les procédures standard précitées contiennent une énumération non exhaustive des cas dans lesquels l'expert en assainissement du sol est supposé se trouver jusqu'à preuve du contraire dans une situation d'incompatibilité, conformément à l'alinéa deux. ".
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa deux, l'expert en assainissement du sol peut toutefois utiliser son agrément si, dans le cadre du service concerné, il applique les mesures de gestion, reprises dans les procédures standard, visées au paragraphe 1er, alinéa deux. ".
Art. 64. In artikel 55 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, 16 mei 2015 en 18 maart 2016, wordt een paragraaf 3/1 ingevoegd, die luidt als volgt :
  " § 3/1. De erkenning van een bodemsaneringsdeskundige als vermeld in artikel 6, 6°, vervalt van rechtswege in de volgende gevallen :
  1° als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : hij beschikt gedurende een periode van negentig opeenvolgende dagen niet over minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, eerste lid;
  2° als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : hij beschikt gedurende een periode van negentig opeenvolgende dagen niet over minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, tweede lid.".
Art. 64. Dans l'article 55 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 1er mars 2013, 16 mai 2015 et 18 mars 2016, il est insĂ©rĂ© un paragraphe 3/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " § 3/1. L'agrément d'un expert en assainissement du sol, tel que visé à l'article 6, 6°, échoit de plein droit dans les cas suivants :
  1° dans le cas d'un expert en assainissement du sol de type 1 : il ne dispose pendant une période de nonante jours consécutifs d'au moins une personne ayant une délégation de signature individuelle, telle que visée à l'article 53/4, § 2, alinéa premier ;
  2° dans le cas d'un expert en assainissement du sol de type 2 : il ne dispose pendant une période de nonante jours consécutifs d'au moins une personne ayant une délégation de signature individuelle, telle que visée à l'article 53/4, § 2, alinéa deux. ".
Art. 65. In bijlage 3 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 en 18 maart 2016, worden punt 5° en 6° vervangen door wat volgt :
  " 5° lijst met pakketten voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) :
  MA. monsternemingen van afvalstoffen en andere materialen en monstervoorbehandeling ter plaatse
  MA.2 gebruik als meststof/bodemverbeterend middel
  MA.3 gebruik als bouwstof - vaste stoffen
  MA.4 verbranden
  MA.5 storten
  MA.6 eindproducten bij de verwerking van dierlijke bijproducten
  MA.7 asbest
  MA.7.1 asbest in hopen
  MA.7.2 asbest in lagen
  A.2 gebruik als meststof/bodemverbeterend middel
  A.2.1 gebruik als meststof/bodemverbeterend middel - anorganische parameters :
  zuurtegraad, droogrest/vocht, organische stof, totale stikstof, difosforpentoxide, nitraatstikstof en ammoniakale stikstof, geleidbaarheid
  metalen (totaalconcentratie) :
  arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink
  A.2.2 gebruik als meststof/bodemverbeterend middel - organische parameters :
  BTEXS : benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen en styreen
  alkanen : hexaan, heptaan en octaan
  chloorkoolwaterstoffen :
  monochloorbenzeen, 1,2-dichloorbenzeen, 1,3-dichloorbenzeen, 1,4-dichloorbenzeen, som trichloorbenzenen, som tetrachloorbenzenen, pentachloorbenzeen en hexachloorbenzeen, 1,2-dichloorethaan, dichloormethaan, trichloormethaan, trichlooretheen, tetrachloormethaan, tetrachlooretheen, vinylchloride, 1, 1, 1-trichloorethaan, 1, 1,2-trichloorethaan, 1, 1-dichloorethaan, cis+trans-1,2-dichlooretheen
  polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) : naftaleen, benzo(a)pyreen, fenantreen, fluoranteen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(ghi)peryleen, indeno(1,2,3-cd)pyreen
  minerale olie
  polychloorbifenylen (PCB) :
  PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
  A.2.3 gebruik als meststof/bodemverbeterend middel - specifieke parameters :
  steentjes, groter dan 5 mm
  graad van verontreiniging (glas, metaal, kunststoffen) groter dan 2 mm
  kiem krachtige zaden
  fytotoxiciteit
  rijpheidsgraad
  stabiliteit met gesloten respirometer
  A.3 gebruik als bouwstof
  A.3.1 gebruik als niet-vormgegeven bouwstof :
  droogrest
  metalen (totaalconcentratie en uitloogbare fractie via de kolomtest) :
  arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink
  BTEXS : benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen en styreen
  alkanen : hexaan, heptaan en octaan
  polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) :naftaleen, benzo(a)pyreen, fenantreen, fluoranteen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(ghi)peryleen, indeno(1,2,3-cd)pyreen
  minerale olie
  polychloorbifenylen (PCB) : PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
  A.3.2 gebruik als vormgegeven bouwstof :
  Dit pakket is een uitbreiding van het volledige pakket A.3.1.
  metalen (uitloogbare fractie met maximale beschikbaarheidstest en via de standtest) : arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink
  pH, sulfaat, chloriden en calcium (via uitloging in de maximale beschikbaarheidstest en in de standtest)
  geleidbaarheid (via uitloging in de standtest)
  A.3.3 fysische verontreinigingen :
  vlottende verontreinigingen, niet-vlottende verontreinigingen en glas
  A.4 verbranden
  droogrest, vlampunt, gloeiverlies, totaal organische koolstof (TOC), calorische waarde, pentachloorfenol (PCP), benzo(a)pyreen, chloriden, fluoriden, zwavel, extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX)
  metalen (totaalconcentratie) : cadmium, thallium, kwik, antimoon, arseen, lood, chroom, kobalt, koper, mangaan, nikkel, vanadium en tin
  polychloorbifenylen (PCB) : PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
  A.5 storten
  A.5.1 storten - algemene parameters :
  droogrest, minerale olie met GC-FID, extraheerbare apolaire koolwaterstoffen met IR, gloeiverlies, totaal organische koolstof (TOC), totaal oplosmiddelen (aspecifiek), totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX), steekvastheid (afschuifspanning)
  metalen (totaalconcentratie) : arseen, thallium, kwik, cadmium, beryllium, barium, lood, chroom, koper, nikkel, zink, molybdeen, antimoon en seleen
  vrije cyaniden
  fluoriden
  1-stapsschudproef met bepaling in eluaat van : pH, arseen, barium, lood, cadmium, chroom totaal, chroom VI, koper, nikkel, kwik, zink, molybdeen, antimoon, seleen, fluoride, cyanide (totaal), ammonium, nitriet, chloride, sulfaat, totaal opgeloste vaste stoffen (TOS), opgeloste organische koolstof (DOC), fenolindex
  A.5.2 storten - specifieke organische parameters :
  monocyclische aromatische koolwaterstoffen (BTEXS) :benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen, styreen
  polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) :naftaleen, benzo(a)pyreen, fenantreen, fluoranteen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(ghi)peryleen, indeno(1,2,3-cd)pyreen
  polychloorbifenylen (PCB) : PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
  A.6 microbiologische bepalingen op de eindproducten bij de verwerking van dierlijke bijproducten :
  Salmonella
  Enterobacteriaceae
  Clostridium perfringens
  A.7 asbest
  6° lijst met pakketten voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, f) :
  B.1 bodem - vast deel
  klei
  organisch materiaal (TOC)
  metalen (totaalconcentratie) :
  arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel, zink
  cyaniden :
  vrije cyaniden, niet-chlooroxideerbare cyaniden
  monocyclische aromatische koolwaterstoffen :
  benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen, styreen
  1,2,3-trimethylbenzeen, 1,2,4-trimethylbenzeen, 1,3,5-trimethylbenzeen
  alkanen :
  hexaan, heptaan en octaan
  chloorkoolwaterstoffen :
  dichloormethaan, trichloormethaan, tetrachloormethaan, vinylchloride, 1,1-dichloorethaan, 1,2-dichloorethaan, cis+trans-1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2-trichloorethaan, trichlooretheen, tetrachlooretheen, monochloorbenzeen, 1,2-dichloorbenzeen, 1,3-dichloorbenzeen, 1,4-dichloorbenzeen, som trichloorbenzenen, som tetrachloorbenzenen, pentachloorbenzeen en hexachloorbenzeen
  chloorfenolen :
  2-chloorfenol, 2,4-dichloorfenol, 2,4,5-trichloorfenol, 2,4,6-trichloorfenol, 2,3,4,6-tetrachloorfenol, pentachloorfenol
  methyltertiairbutylether
  minerale olie
  polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) :
  naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, antraceen, fluoranteen, pyreen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(a)pyreen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, dibenzo(a,h)antraceen, benzo(ghi)peryleen
  pH (KCl)
  B.4 asbest in bodem
  Dit pakket is geen uitbreidingspakket.
  B.5 waterbodem
  droogrest
  klei
  organisch materiaal (TOC)
  metalen (totaalconcentratie) :
  arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel, zink
  cyaniden :
  vrije cyaniden, niet-chlooroxideerbare cyaniden
  monocyclische aromatische koolwaterstoffen :
  benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen, styreen
  alkanen :
  hexaan, heptaan en octaan
  minerale olie
  organochloorpesticiden (OCP) :
  aldrin, dieldrin, chloordaan (α en {gamma}- isomeer), DDT, DDE, DDD, hexachloorcyclohexaan (α, {beta}- en {gamma}- isomeer), endosulfan (α, {beta} en sulfaat)
  polychloorbifenylen (PCB) :
  PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
  polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) :
  naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, antraceen, fluoranteen, pyreen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(a)pyreen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, dibenzo(a,h)antraceen, benzo(ghi)peryleen
  pH (KCl)
  B.6 gebruik van bodemmaterialen
  Dit pakket is een uitbreiding van het volledige pakket B.1 of het volledige pakket B.5.
  polychloorbifenylen (PCB) :
  PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
  stenen
  bodemvreemde materialen
  schudtest met bepaling in eluaat van :
  arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel, zink, pH en geleidbaarheid
  B.7 storten van bodemmaterialen
  Dit pakket is een uitbreiding van het volledige pakket B.1 of het volledige pakket B.5.
  extraheerbare apolaire koolwaterstoffen met IR
  gloeiverlies
  totaal oplosmiddelen (aspecifiek)
  totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX)
  steekvastheid (afschuifspanning)
  1-stapsschudproef (CMA/2/II/A12) met bepaling in eluaat van :
  pH, arseen, barium, lood, cadmium, chroom totaal, chroom VI, koper, nikkel, kwik, zink,
  molybdeen, antimoon, seleen, fluoride, cyanide, ammonium, nitriet, chloride, sulfaat, totaal opgeloste vaste stoffen (TDS), opgeloste organische koolstof (DOC), fenolindex
  G.1 grondwater
  metalen (totaalconcentratie) :
  arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel, zink
  chroom VI
  cyaniden :
  totaal cyaniden
  monocyclische aromatische koolwaterstoffen :
  benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen, styreen
  1,2,3-trimethylbenzeen, 1,2,4-trimethylbenzeen, 1,3,5-trimethylbenzeen
  chloorkoolwaterstoffen :
  dichloormethaan, trichloormethaan, tetrachloormethaan, vinylchloride, 1,1-dichloorethaan, 1,2-dichloorethaan, cis+trans-1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2-trichloorethaan, trichlooretheen, tetrachlooretheen, monochloorbenzeen, 1,2-dichloorbenzeen, 1,3-dichloorbenzeen, 1,4-dichloorbenzeen, som trichloorbenzenen, som tetrachloorbenzenen, pentachloorbenzeen en hexachloorbenzeen
  chloorfenolen :
  2-chloorfenol, 2,4-dichloorfenol, 2,4,5-trichloorfenol, 2,4,6-trichloorfenol, 2,3,4,6-tetrachloorfenol, pentachloorfenol
  methyltertiairbutylether
  minerale olie
  polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) :
  naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, antraceen, fluoranteen, pyreen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(a)pyreen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, dibenzo(a,h)antraceen, benzo(ghi)peryleen
  organochloorpesticiden (OCP) :
  aldrin, dieldrin, chloordaan (cis+trans), DDT, DDE, DDD, hexachloorcyclohexaan (α, {beta}- en {gamma}-isomeer), endosulfan (α, {beta} en sulfaat)
  BL.1 omgevingslucht in het kader van bodemverontreiniging
  VOC-VOCl :
  benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen, styreen, 1,2,3-trimethylbenzeen, 1,2,4-trimethylbenzeen, dichloormethaan, trichloormethaan, tetrachloormethaan, 1,1-dichloorethaan, 1,2-dichloorethaan, cis+trans-1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2-trichloorethaan, trichlooretheen, tetrachlooretheen
  vinylchloride".
Art. 65. Dans l'annexe 3 au mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1 mars 2013 et modifiĂ©e par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 11 dĂ©cembre 2015 et 18 mars 2016, les points 5° et 6° sont remplacĂ©s par ce qui suit :
  " 5° liste des paquets pour un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, e) :
  MA. Echantillonnages de déchets et d'autres matériaux et prétraitement d'échantillons sur place
  MA.2. utilisation comme engrais/améliorant de sol
  MA.3 utilisation comme matériau de construction - substances solides
  MA.4 incinération
  MA.5 déversement
  MA.6 produits finaux lors de la transformation de sous-produits animaux
  MA.7 amiante
  MA.7.1 amiante en tas
  MA.7.2 amiante en couches
  A.2 utilisation comme engrais/améliorant de sol
  A.2.1 utilisation comme engrais/améliorant de sol - paramÚtres inorganiques :
  degré d'acidité, résidu sec/liquide, substance organique, total en azote, pentaoxyde de diphosphore, azote contenu dans les nitrates et azote ammoniacal, conductibilité
  métaux (concentration totale) :
  arsenic, cadmium, chrome, cuivre, mercure, plomb, nickel et zinc
  A.2.2 utilisation comme engrais/améliorant de sol - paramÚtres organiques :
  BTEXS : benzÚne, toluÚne, éthylbenzÚne, addition de xylÚne et de styrÚne
  alcanes : hexane, heptane et octane
  hydrocarbures chloriques :
  monochlorobenzÚne, 1,2-dichlorobenzÚne, 1,3-dichlorobenzÚne, 1,4-dichlorobenzÚne, addition trichlorobenzÚnes, addition tétrachlorobenzÚnes, pentachlorobenzÚne et hexachlorobenzÚne, 1,2-dichloroéthÚne, dichlorométhane, trichlorométhane, trichloroéthylÚne, tétrachlorométhane, tétrachloroéthylÚne, vinylchloride, 1, 1, 1-trichloroéthylÚne, 1, 1,2-trichloroéthylÚne, 1, 1-dichloroéthylÚne, cis+trans-1,2-dichloroéthylÚne
  hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) : naphtalÚne, benzo(a)pyrÚne, fenantrÚne, fluoranthÚne, benzo(a)antracÚne, chrysÚne, benzo(b)fluorantÚne, benzo(k)fluoranthÚne, benzo(ghi)pérylÚne, indeno(1,2,3-cd)pyrÚne
  huile minérale
  polychlorobiphényls (PCB) :
  PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
  A.2.3 utilisation comme engrais/améliorant de sol - paramÚtres spécifiques :
  petites pierres, d'une taille de plus de 5 mm
  degré de pollution (verre, métal, matiÚres synthétiques) d'une taille de plus de 2 mm
  graines viables
  phytotoxicité
  degré de maturité
  stabilité mesurée avec respiromÚtre fermé
  A.3 utilisation comme matériau de construction
  A.3.1. utilisation comme matériau de construction non formé :
  résidu sec
  métaux (concentration totale et fraction lixiviable au moyen de l'essai en colonne) :
  arsenic, cadmium, chrome, cuivre, mercure, plomb, nickel et zinc
  BTEXS : benzÚne, toluÚne, éthylbenzÚne, addition de xylÚne et de styrÚne
  alcanes : hexane, heptane et octane
  hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) : naphtalÚne, benzo(a)pyrÚne, fenantrÚne, fluoranthÚne, benzo(a)antracÚne, chrysÚne, benzo(b)fluorantÚne, benzo(k)fluoranthÚne, benzo(ghi)pérylÚne, indeno(1,2,3-cd)pyrÚne
  huile minérale
  polychlorobiphényls (PCB) : PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
  A.3.2 utilisation comme matériau de construction formé :
  Ce paquet est un élargissement du paquet complet A.3.1.
  métaux (fraction lixiviable avec essai de disponibilité maximale et via l'essai NEN 7345) : arsenic, cadmium, chrome, cuivre, mercure, plomb, nickel et zinc
  pH, sulphate, chlorides et calcium (par lixiviation dans l'essai de disponibilité maximale et dans l'essai NEN 7345)
  Conductibilité (par lixiviation dans l'essai NEN 7345)
  A.3.3 pollutions physiques :
  pollutions flottantes, pollutions non-flottantes et verre
  A.4 incinération
  résidu sec, point d'éclair, perte d'incandescence, total de carbone organique (TCO), valeur calorique, pentachlorophénol (PCP), benzo(a)pyrÚne, chlorides, fluorides, soufre, composés organiques halogénés extractibles (EOX)
  métaux (concentration totale) : cadmium, thallium, mercure, antimoine, arsenic, plomb, chrome, cobalt, cuivre, manganÚse, nickel, vanadium et étain
  polychlorobiphényls (PCB) : PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
  A.5 décharges
  A.5.1 décharges - paramÚtres généraux :
  résidu sec, huile minérale à GC-FID, hydrocarbures apolaires extractibles à IR, perte d'incandescence, total en carbone organique (TOC), total en solvants (aspécifiques), total de composés organiques halogénés extractibles (EOX), solidité des boues (solidité)
  Métaux (concentration totale) : arsenic; thallium, mercure, cadmium, béryllium, baryum, plomb, chrome, cuivre, nickel, zinc, molybdÚne, antimoine et sélénium
  cyanures libres
  fluorures
  essai de percolation à 1 seule étape dans des éluats de : pH, arsenic, baryum, plomb, cadmium, chrome total, chrome VI, cuivre, nickel, mercure, zinc, molybdÚne, antimoine, sélénium, fluorure, cyanures (total), ammonium, nitrite, chlorure, sulphate, total de substances solides dissolues (TOS), carbone organique dissolu (DOC), indice phénol
  A.5.2 décharges - paramÚtres organiques spécifiques :
  hydrocarbures aromatiques monocycliques (BTEXS) : benzÚne, toluÚne, éthylbenzÚne, addition de xylÚne et de styrÚne
  hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) : naphtalÚne, benzo(a)pyrÚne, fenantrÚne, fluoranthÚne, benzo(a)antracÚne, chrysÚne, benzo(b)fluorantÚne, benzo(k)fluoranthÚne, benzo(ghi)pérylÚne, indeno(1,2,3-cd)pyrÚne
  polychlorobiphényls (PCB) : PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
  A.6 mesurages microbiologiques sur les produits finaux au cours de la transformation de sous-produits animaux :
  Salmonella
  Enterobacteriaceae
  Clostridium perfringens
  A.7 amiante
  6° liste de paquets pour un laboratoire, tel que visé à l'article 6, 5°, f) :
  B.1 sol - partie solide
  argile
  matériel organique (TOC)
  métaux (concentration totale) :
  arsenic, cadmium, chrome, cuivre, mercure, plomb, nickel, zinc
  cyanures :
  cyanures libres, cyanures non oxydables au chlore
  hydrocarbures aromatiques monocycliques :
  benzÚne, toluÚne, éthylbenzÚne, addition de xylÚne et de styrÚne
  1,2,3-triméthylbenzÚne, 1,2,4-triméthylbenzÚne, 1,3,5-triméthylbenzÚne
  Alcanes :
  hexane, heptane et octane
  hydrocarbures chloriques :
  Dichlorométhane, trichlorométhane, tétrachlorométhane, vinylchloride, 1,1-dichloroéthane, 1,2-dichloroéthane, cis+trans-1,2-dichloroéhane, 1,1,1-trichloroéthane, 1,1,2-trichloroéthane, trichloroéthÚne, tétrachloroéthÚne, monochlorobenzÚne, 1,2-dichlorobenzÚne, 1,3-dichlorobenzÚne, 1,4-dichlorobenÚne, somme trichlorobenzÚnes, somme tétrachlorobenzÚnes, pentachlorobenzÚne et hexachhlorobenzÚne
  Chlorophénols :
  2-chlorophénol, 2,4-dichlorophénol, 2,4,5-trichlorophénol, 2,4,6-trichlorophénol, 2,3,4,6-tétrachlororphénol, pentachlorophénol
  méthyl tertio butyl éther
  huile minérale
  hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) :
  naphtalÚne, acénaphtylÚne, fluorÚne, fenantrÚne, antracÚne, fluoranthÚne, pyrÚne, benz(a)anthracÚne, chrysÚne, benzo(b)fluorantÚne, benzo(k)fluorantÚne, benzo(a)pyrÚne, indeno(1,2,3-cd)pyrÚne, dibenzo(a,h)antracÚne, benzo(ghi)pérylÚne
  pH(KCl)
  B.4 amiante dans le sol
  Ce paquet n'est pas un paquet d'élargissement.
  B.5 lit de cours d'eau
  résidu sec
  argile
  matériel organique (TOC)
  métaux (concentration totale) :
  arsenic, cadmium, chrome, cuivre, mercure, plomb, nickel, zinc
  cyanures :
  cyanures libres, cyanures non oxydables au chlore
  hydrocarbures aromatiques monocycliques :
  benzÚne, toluÚne, éthylbenzÚne, addition de xylÚne et de styrÚne
  Alcanes :
  hexane, heptane et octane
  huile minérale
  pesticides organochlorés (POC) :
  aldrine, dieldrine, chlordane (isomÚre α et {gamma}), DDT, DDE, DDD, hexachlorocyclohexane (isomÚre α, {beta} et {gamma}), endosulfane(α, {beta} et sulphate)
  polychlorobiphényls (PCB) :
  PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
  hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) :
  naphtalÚne, acénaphtylÚne, acénaphtÚne, fluorÚne, fenantrÚne, antracÚne, fluoranthÚne, pyrÚne, benz(a)anthracÚne, chrysÚne, benzo(b)fluorantÚne, benzo(k)fluorantÚne, benzo(a)pyrÚne, indeno(1,2,3-cd)pyrÚne, dibenzo(a,h)antracÚne, benzo(ghi)pérylÚne
  pH(KCl)
  B.6 utilisation de matériaux de sol
  Ce paquet est un élargissement du paquet global B.1 ou du paquet global B.5.
  polychlorobiphényls (PCB) :
  PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
  briques
  Matériaux étrangers au sol
  Essai en colonne d'agitation avec mesurage dans l'éluate de :
  Arsenic, cadmium, chrome, cuivre, mercure, plomb, nickel, zinc, pH et conductibilité
  B.7 décharges de matériaux de construction
  Ce paquet est un élargissement du paquet global B.1 ou du paquet global B.5.
  hydrocarbures apolaires extractibles à IR
  perte d'incandescence
  Total solvants (aspécifique)
  total composés organohalogénés extractibles (EOX)
  solidité des boues (solidité)
  essai de percolation à 1 seule étape avec mesurage dans des éluats de :
  pH, arsenic, baryum, plomb, cadmium, total chrome, chrome VI, cuivre, nickel, mercure, zinc,
  MolybdÚne, antimoine, sélénium, fluorure, cyanure, ammonium, nitrite, chlorure, sulphate, total de substances solides dissolues (TDS), carbone organique dissolu (DOC), ndice phénol
  G.1 eaux souterraines
  métaux (concentration totale) :
  arsenic, cadmium, chrome, cuivre, mercure, plomb, nickel, zinc
  chrome VI
  cyanures :
  total cyaniden
  hydrocarbures aromatiques monocycliques :
  benzÚne, toluÚne, éthylbenzÚne, addition de xylÚne et de styrÚne
  1,2,3-triméthylbenzÚne, 1,2,4-triméthylbenzÚne, 1,3,5-triméthylbenzÚne
  hydrocarbures chloriques :
  Dichlorométhane, trichlorométhane, tétrachlorométhane, vinylchloride, 1,1-dichloroéthane, 1,2-dichloroéthane, cis+trans-1,2-dichloroéhane, 1,1,1-trichloroéthane, 1,1,2-trichloroéthane, trichloroéthÚne, tétrachloroéthÚne, monochlorobenzÚne, 1,2-dichlorobenzÚne, 1,3-dichlorobenzÚne, 1,4-dichlorobenÚne, somme trichlorobenzÚnes, somme tétrachlorobenzÚnes, pentachlorobenzÚne et hexachhlorobenzÚne
  Chlorophénols :
  2-chlorophénol, 2,4-dichlorophénol, 2,4,5-trichlorophénol, 2,4,6-trichlorophénol, 2,3,4,6-tétrachlororphénol, pentachlorophénol
  méthyl tertio butyl éther
  huile minérale
  hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) :
  naphtalÚne, acénaphtylÚne, fluorÚne, fenantrÚne, antracÚne, fluoranthÚne, pyrÚne, benz(a)anthracÚne, chrysÚne, benzo(b)fluorantÚne, benzo(k)fluorantÚne, benzo(a)pyrÚne, indeno(1,2,3-cd)pyrÚne, dibenzo(a,h)antracÚne, benzo(ghi) pérylÚne
  pesticides organochlorés (POC) :
  Aldrine, dieldrine, chlordane (cis + trans), DDT, DDE, DDD, hexachlorocyclohexane (isomÚre α, {beta} et {gamma}), endosulfan (α, {beta} et sulphate)
  BL.1 air ambiant dans le cadre de la pollution du sol
  VOC-VOCl :
  benzÚne, toluÚne, éthylbenzÚne, somme de xylÚnes, styrÚne, 1,2,3-triméthylbenzÚne, 1,2,4-triméthylbenzÚne, dichlorométhane, trichlorométhane, tétrachlorométhane, 1,1-dichloroéthane,, 1,2-dichloroéthane, cis+trans-1,2-dichloroéthane, 1,1,1-trichloroéthane, 1,1,2-trichloroéthane, trichloroéthane, tetrachloroéthane
  chlorure de vinyle ".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
CHAPITRE 5. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2012 fixant le rĂšglement flamand relatif Ă  la gestion durable de cycles de matĂ©riaux et de dĂ©chets
Art. 66. In artikel 1.2.1, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt 4° wordt vervangen door wat volgt :
  "4° baggerspecie : baggerspecie als vermeld in artikel 2, 35°, van het Bodemdecreet;";
  2° punt 75° wordt vervangen door wat volgt :
  "75° ruimingsspecie : ruimingsspecie als vermeld in artikel 2, 36°, van het Bodemdecreet;".
Art. 66. Dans l'article 1.2.1, § 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2012 fixant le rĂšglement flamand relatif Ă  la gestion durable de cycles de matĂ©riaux et de dĂ©chets, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 fĂ©vrier 2017, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le point 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° boues de dragage : boues de dragage, telles que visées à l'article 2, 35° du décret relatif au sol ; " ;
  2° le point 75° est remplacé par ce qui suit :
  " 75° boues de vidange : boues de vidange, telles que visées à l'article 2, 36° du décret relatif au sol ; ".
Art. 67. In artikel 2.2.3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid wordt de zinsnede "voor gebruik als bodem," opgeheven;
  2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Het gebruik van een grondstof als bodem is niet toegelaten.".
Art. 67. A l'article 2.2.3. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 mai 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa deux, le membre de phrase " à une utilisation comme sol, " est abrogé ;
  2° il est ajouté un alinéa trois, rédigé comme suit :
  " L'utilisation d'une matiÚre premiÚre comme sol n'est pas admise. ".
Art. 68. In hoofdstuk 2, afdeling 2.3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014, wordt onderafdeling 2.3.3, die bestaat uit artikel 2.3.3.1, opgeheven.
Art. 68. Au chapitre 2, section 2.3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 mai 2014, la sous-section 2.3.3, constituĂ©e de l'article 2.3.3.1, est abrogĂ©e.
Art. 69. Aan artikel 2.4.2.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 november 2012, 1 maart 2013 en 27 november 2015, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Een verslag van de monsterneming van een representatief monster van het materiaal, uitgevoerd en opgesteld onder leiding van een erkende bodemsaneringsdeskundige in het kader van de taken, vermeld in artikel 6, 6°, van het VLAREL van 19 november 2010, wordt ook aanvaard als een monsternemingsverslag als vermeld in het eerste lid, 7°. ".
Art. 69. A l'article 2.4.2.2. du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 16 novembre 2012, 1er mars 2013 et 27 novembre 2015, il est ajoutĂ© un alinĂ©a deux, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Un rapport d'échantillonnage d'un échantillon représentatif des matériaux, réalisé et établi sous la direction d'un expert en assainissement du sol agréé dans le cadre des tùches visées à l'article 6, 6° du VLAREL du 19 novembre 2010, est également accepté comme rapport d'échantillonnage, tel que visé à l'alinéa premier, 7°. ".
Art. 70. In artikel 4.1.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 september 2016 en 10 november 2017, wordt punt 15° vervangen door wat volgt :
  "15° bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt niet valoriseerbaar is om te gebruiken als bodem, voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product in het kader van titel III, hoofdstuk XIII, van het VLAREBO;".
Art. 70. Dans l'article 4.1.2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 23 septembre 2016 et 10 novembre 2017, le point 15° est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 15° boues de dragage et boues provenant du curage qui ne sont pas valorisables pour les utiliser comme sol, pour l'utilisation du sol en construction ou dans un produit solide dans le cadre du titre III, chapitre XIII du VLAREBO ; ".
Art. 71. In hoofdstuk 5, afdeling 5.3, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017, wordt onderafdeling 5.3.4, die bestaat uit artikel 5.3.4.1 tot en met 5.3.4.7, opgeheven.
Art. 71. Au chapitre 5, section 5.3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 fĂ©vrier 2017, la sous-section 5.3.4, constituĂ©e des articles 5.3.4.1 Ă  5.3.4.7 est abrogĂ©e.
Art. 72. In hoofdstuk 6, afdeling 6.1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 september 2016, wordt een artikel 6.1.1.4/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 6.1.1.4/1. Naast de algemene voorwaarden, vermeld in deze afdeling, moeten inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars en afvalstoffenproducenten van verontreinigde bodemmaterialen in het kader van de controle op de volumebalans van de bodemmaterialen, afkomstig van grond-, bagger- of ruimingswerken aan de erkende bodembeheerorganisaties kunnen aantonen dat de verontreinigde bodemmaterialen naar een vergunde verwerker zijn afgevoerd.
  Voor de bodemmaterialen die buiten het Vlaamse Gewest worden toegepast, moeten inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars en afvalstoffenproducenten kunnen aantonen dat de bodemmaterialen zijn overgebracht naar een inrichting die volgens de wetgeving die daar geldt, gemachtigd is om die bodemmaterialen te aanvaarden.".
Art. 72. Au chapitre 6, section 6.1, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ©e en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 septembre 2016, il est insĂ©rĂ© un article 6.1.1.4/1, ainsi rĂ©digĂ© :
  " Art. 6.1.1.4/1. Outre les conditions générales, visées dans la présente section, les collecteurs, négociants ou courtiers de déchets et producteurs de déchets de matériaux de sol pollués doivent dans le cadre du contrÎle sur le bilan volumique des matériaux de sol, provenant de travaux de terrassement, de dragage ou de vidange pouvoir démontrer aux organisations de gestion de sol agréées que les matériaux de sol pollués ont été évacués vers un transformateur agréé.
  Pour les matériaux de sol qui sont appliqués en dehors de la Région flamande, les collecteurs, négociants ou courtiers de déchets et producteurs de déchets doivent pouvoir démontrer que les matériaux de sol ont été transférés vers un établissement autorisé à accepter ces matériaux de sol en vertu de la législation qui s'y applique. ".
Art. 73. In bijlage 2.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in afdeling 2 worden in de tabel de volgende rijen opgeheven :
  "
Art. 73. Dans l' annexe 2.2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ©e en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 22 dĂ©cembre 2017, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans la section 2, les rangées suivantes sont abrogées dans le tableau :
  "
Ruimingsspecie afkomstig van het verdiepen en/of verbreden en/of onderhouden van oppervlaktewateren, zoals gedefinieerd in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, en dat niet onder de definitie baggerspecie valt artikel 2.3.2.1 grondstofverklaring verplicht
Baggerspecie afkomstig van het onderhouden, verdiepen en/of verbreden van bevaarbare waterlopen die behoren tot het openbaar hydrografisch net en/of de aanleg van nieuwe waterinfrastructuur artikel 2.3.2.1 grondstofverklaring verplicht
Ruimingsspecie afkomstig van het verdiepen en/of verbreden en/of onderhouden van oppervlaktewateren, zoals gedefinieerd in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, en dat niet onder de definitie baggerspecie valt artikel 2.3.2.1 grondstofverklaring verplichtBaggerspecie afkomstig van het onderhouden, verdiepen en/of verbreden van bevaarbare waterlopen die behoren tot het openbaar hydrografisch net en/of de aanleg van nieuwe waterinfrastructuur artikel 2.3.2.1 grondstofverklaring verplicht
";
  2° afdeling 3 wordt opgeheven.
Terre de vidange provenant de l'excavation et/ou de l'élargissement et/ou de l'entretien d'eaux de surface comme cela est déterminé dans le décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrale de l'eau et qui ne relÚve de la définition de terre de dragage article 2.3.2.1, certificat d'utilité obligatoire
Terre de dragage provenant de l'entretien, de l'excavation et / ou de l'élargissement de cours d'eau navigables faisant partie du réseau hydrographique public et / ou de la pose de nouvelles infrastructures hydrauliques article 2.3.2.1, certificat d'utilité obligatoire
Terre de vidange provenant de l'excavation et/ou de l'élargissement et/ou de l'entretien d'eaux de surface comme cela est déterminé dans le décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrale de l'eau et qui ne relÚve de la définition de terre de dragage article 2.3.2.1, certificat d'utilité obligatoireTerre de dragage provenant de l'entretien, de l'excavation et / ou de l'élargissement de cours d'eau navigables faisant partie du réseau hydrographique public et / ou de la pose de nouvelles infrastructures hydrauliques article 2.3.2.1, certificat d'utilité obligatoire
" ;
  2° section 3 est abrogée.
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
Afdeling 1. - Overgangsbepalingen
Section 1re. - Dispositions transitoires
Art. 74. De aanvragen tot cofinanciering van bodemsaneringswerken die voor 1 april 2019 bij de OVAM worden ingediend, worden afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het moment dat de aanvraag bij de OVAM wordt ingediend.
Art. 74. Les demandes de cofinancement de travaux d'assainissement du sol qui sont introduites auprĂšs de l'OVAM avant le 1 avril 2019, sont traitĂ©es conformĂ©ment aux dispositions applicables au moment oĂč la demande est introduite auprĂšs de l'OVAM.
Art. 75. De beslissingen tot cofinanciering, vermeld in artikel 54/7 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2017, die dateren van voor 1 april 2019, blijven geldig na de inwerkingtreding ervan. De aanvraag tot uitbetaling wordt ingediend en de cofinanciering wordt uitbetaald conform artikel 54/9 tot en met 54/12 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, zoals die van toepassing waren op de datum van de cofinancieringsbeslissing in kwestie.
Art. 75. Les dĂ©cisions de cofinancement, visĂ©es Ă  l'article 54/7 de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2017, qui datent d'avant le 1 avril 2019, continuent Ă  s'appliquer aprĂšs leur entrĂ©e en vigueur. La demande de paiement est introduite et le cofinancement est payĂ© conformĂ©ment aux articles 54/9 Ă  54/12 de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007, tels qu'ils s'appliquaient Ă  la date de la dĂ©cision de cofinancement concernĂ©e.
Art. 76. De technische verslagen die voor 1 april 2019 bij een bodembeheerorganisatie, bij een tussentijdse opslagplaats of bij een grondreinigingscentrum voor uitgegraven bodem worden ingediend, worden beoordeeld en afgehandeld conform de procedures en normen die van toepassing waren op het ogenblik dat het technisch verslag is ingediend, als de uitgegraven bodem wordt gebruikt voor 31 december 2019.
Art. 76. Les rapports techniques introduits auprÚs d'une organisation de gestion du sol, auprÚs d'un dépÎt provisoire ou auprÚs d'un centre de nettoyage de terres pour terres excavées sont introduits, évalués et bouclés conformément aux procédures et normes applicables au moment de l'introduction du rapport technique, si le sol excavé est utilisé avant le 31 décembre 2019.
Art. 77. De grondstofverklaringen voor bagger- of ruimingsspecie, bentonietslib of grondbrij die zijn verleend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, blijven geldig tot en met 31 maart 2020.
Art. 77. Les dĂ©clarations des matiĂšres premiĂšres pour boues de dragage ou de vidange, boues de bentonite ou sol pĂąteux qui ont Ă©tĂ© dĂ©livrĂ©es en application de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2012 fixant le rĂšglement flamand relatif Ă  la gestion durable de cycles de matĂ©riaux et de dĂ©chets, restent valables jusqu'au 31 mars 2020 inclus.
Art. 78. De bodembeheerorganisaties die op 1 april 2019 conform artikel 206 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 erkend zijn, moeten uiterlijk op 30 september 2019 voldoen aan de voorwaarden voor de erkenning en het gebruik van de erkenning, vermeld in artikel 202 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, die nieuw of gewijzigd zijn als gevolg van artikel 43 van dit besluit.
  De vergunde tussentijdse opslagplaatsen en de vergunde grondreinigingscentra die op 1 april 2019 conform artikel 206 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 erkend zijn, moeten uiterlijk op 30 september 2019 voldoen aan de voorwaarden voor de erkenning en het gebruik van de erkenning, vermeld in artikel 203 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, die nieuw of gewijzigd zijn als gevolg van artikel 43 van dit besluit.
Art. 78. Les organisations de gestion du sol, qui au 1er avril 2019 ont Ă©tĂ© agréées conformĂ©ment Ă  l'article 206 de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007, doivent au plus tard au 30 septembre 2019 rĂ©pondre aux conditions relatives Ă  l'agrĂ©ment et Ă  l'utilisation de l'agrĂ©ment, visĂ© Ă  l'article 202 de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007, qui sont nouvelles ou ont Ă©tĂ© modifiĂ©es comme consĂ©quence de l'article 43 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Les dĂ©pĂŽts provisoires autorisĂ©s et les centres de nettoyage des terres autorisĂ©s qui au 1er avril 2019 ont Ă©tĂ© agréés conformĂ©ment Ă  l'article 206 de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007, doivent au plus tard au 30 septembre 2019 rĂ©pondre aux conditions relatives Ă  l'agrĂ©ment et Ă  l'utilisation de l'agrĂ©ment, visĂ©es Ă  l'article 203 de l'arrĂȘtĂ© VLAREBO du 14 dĂ©cembre 2007, qui sont nouvelles ou ont Ă©tĂ© modifiĂ©es comme consĂ©quence de l'article 43 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 79. De aanvragen tot erkenning als bodembeheerorganisatie, als tussentijdse opslagplaats of als grondreinigingscentrum die zijn ingediend en waarover nog geen beslissing genomen is voor 1 april 2019, worden beoordeeld en afgehandeld conform de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat de aanvraag werd ingediend.
Art. 79. Les demandes d'agrĂ©ment comme organisation de gestion du sol, comme dĂ©pĂŽt provisoire ou comme centre de nettoyage de terres, qui ont Ă©tĂ© introduites et au sujet desquelles aucune dĂ©cision n'a encore Ă©tĂ© prise avant le 1er avril 2019, sont Ă©valuĂ©es et bouclĂ©es conformĂ©ment aux dispositions qui s'appliquaient au moment oĂč la demande a Ă©tĂ© introduite.
Afdeling 2. - Inwerkingtredingsbepalingen
Section 2. - Dispositions d'entrée en vigueur
Art. 80. Dit besluit treedt in werking op 1 april 2019, met uitzondering van artikel 29 en 63, die in werking treden op een door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, vast te stellen datum.
Art. 80. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1 avril 2019, Ă  l'exception des articles 29 et 63, qui entrent en vigueur Ă  une date Ă  dĂ©finir par le Ministre flamand ayant l'environnement et la politique de l'eau dans ses attributions.
Afdeling 3. - Uitvoeringsbepaling
Section 3. - Disposition d'exécution
Art. 81. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 81. Le ministre flamand ayant l'environnement et la politique de l'eau dans ses attributions, est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N.   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-12-2018, p. 99173)
Art. N.   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 17-12-2018, p. 99211)
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-12-2018, p. 99174)
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 17-12-2018, p. 99212)
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-12-2018, p. 99175)
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 17-12-2018, p. 99213)
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-12-2018, p. 99176)
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 17-12-2018, p. 99214)
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-12-2018, p. 99177)
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 17-12-2018, p. 99215)
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-12-2018, p. 99178)
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 17-12-2018, p. 99216)
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-12-2018, p. 99179)
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 17-12-2018, p. 99217)
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-12-2018, p. 99180)
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 17-12-2018, p. 99218)
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-12-2018, p. 99181)
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 17-12-2018, p. 99219)
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-12-2018, p. 99182)
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 17-12-2018, p. 99220)