Artikel 1. Aan artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de indiening en afhandeling van de aanvraag tot ondersteuning bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 februari 2007 en 15 februari 2008, worden een punt 9° tot en met 12° toegevoegd, die luiden als volgt:
"9° West-Vlaams consultatiebureau voor Diagnostiek en Zorg;
10° Brailleliga voor hulp aan blinde en slechtziende personen;
11° Diensten en Begeleidingscentrum Openluchtopvoeding bij vzw OLO;
12° DIDIOR, dienst diagnostiek en oriëntering.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
8 JUNI 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de wijziging van diverse besluiten van de Vlaamse Regering die verband houden met de ondersteuning van personen met een handicap
Titre
8 JUIN 2018. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant divers arrêtés du Gouvernement flamand relatifs à l'accompagnement de personnes handicapées
Documentinformatie
Numac: 2018031673
Datum: 2018-06-08
Info du document
Numac: 2018031673
Date: 2018-06-08
Inhoud
HOOFDSTUK. 1. - Wijzigingen van het besluit van...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van het besluit van de...
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het besluit van ...
HOOFDSTUK 10. - Wijziging van het besluit van d...
HOOFDSTUK 11. - Wijziging van het besluit van d...
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van het besluit van...
HOOFDSTUK 13. - Slotbepalingen
BIJLAGEN.
Inhoud
CHAPITRE. 1er. - Modifications de l'arrêté du G...
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 4. - Modification de l'arrêté du Gouve...
CHAPITRE 5. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 6. - Modification de l'arrêté du Gouve...
CHAPITRE 7. - Les modifications de l'arrêté du ...
CHAPITRE 8. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 9. - Modifications de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 10. - Modification de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 11. - Modification de l'arrêté du Gouv...
CHAPITRE 12. - Modifications de l'arrêté du Gou...
CHAPITRE 13. - Dispositions finales
ANNEXES.
Tekst (73)
Texte (73)
HOOFDSTUK. 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de indiening en afhandeling van de aanvraag tot ondersteuning bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap
CHAPITRE. 1er. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991 relatif à l'introduction et au traitement de la demande de soutien auprès de la Vlaams Agentschap voor personen met een handicap (Agence flamande pour les Personnes handicapées)
Article 1er. A l'article 23 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991 relatif à l'introduction et au traitement de la demande de soutien auprès de la Vlaams Agentschap voor personen met een handicap (Agence flamande pour les Personnes handicapées), remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 février 2007 et 15 février 2008, sont ajoutés des points 9° à 12°, libellés comme suit :
" 9° Bureau de consultation pour le diagnostic et les soins en Flandre occidentale ;
10° Ligue Braille pour l'assistance aux personnes aveugles et malvoyantes ;
11° Centre de services et d'accompagnement pour l'éducation en plein air de l'association sans but lucratif OLO ;
12° DIDIOR, service de diagnostic et d'orientation. ".
" 9° Bureau de consultation pour le diagnostic et les soins en Flandre occidentale ;
10° Ligue Braille pour l'assistance aux personnes aveugles et malvoyantes ;
11° Centre de services et d'accompagnement pour l'éducation en plein air de l'association sans but lucratif OLO ;
12° DIDIOR, service de diagnostic et d'orientation. ".
Art.2. In artikel 28, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, wordt het bedrag "25 euro" vervangen door het bedrag "75 euro".
Art.2. A l'article 28, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 novembre 2010 et remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015, le montant " 25 euros " est remplacé par le montant " 75 euros ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées
Art.3. In artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragaaf 2 worden het derde lid en het vierde lid vervangen door wat volgt:
"De meerderjarige gebruiker aan wie een aantal zorggebonden punten is toegekend als vermeld in artikel 23, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten, en die op 1 januari 2017 financiële bijdrage betaalde, betaalt verder financiële bijdrage totdat de voorziening is overgeschakeld naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten, conform artikel 26, eerste tot en met vierde lid, van het voormelde besluit, of conform artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden, of conform artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2017 over de erkenning en subsidiëring van observatie-, diagnose- en behandelingsunits.
Als de meerderjarige gebruiker, vermeld in het derde lid, de individuele dienstverleningsovereenkomst met de voorziening die hem op 31 december 2016 ondersteuning bood, wijzigt voordat die voorziening is overgeschakeld naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten en hij volledig of gedeeltelijk die voorziening verlaat en geheel of gedeeltelijk overstapt naar een andere voorziening, blijft hij financiële bijdrage betalen aan de voorziening die hem op 31 december 2016 ondersteunde en betaalt hij woon- en leefkosten als vermeld in paragraaf 3, bij de andere voorziening.";
2° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De meerderjarige gebruiker die vanaf 1 januari 2017 start met een persoonsvolgend budget als vermeld in hoofdstuk 3 van het voormelde besluit van 24 juni 2016, betaalt woon- en leefkosten als vermeld in paragraaf 3.";
3° er worden een paragraaf 2/1 en paragraaf 2/2 ingevoegd, die luiden als volgt:
" § 2/1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
1° gebruiker: de meerderjarige gebruiker, vermeld in paragraaf 2;
2° voorziening: een zorgaanbieder die voor het verstrekken van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg of ondersteuning vergund is door het agentschap conform het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap.
De maximale financiële bijdrage die aan de meerderjarige gebruiker, vermeld in paragraaf 2, vanaf 21 jaar gevraagd kan worden per ondersteuningsfunctie, wordt bepaald conform de tabel, opgenomen in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd.
De bijdrage per dag kan nooit hoger zijn dan de bijdrage voor woonondersteuning respectievelijk voor gebruikers jonger dan 21 jaar of voor gebruikers ouder dan 21 jaar. Als verschillende voorzieningen tegelijk ondersteuning bieden aan een gebruiker, regelen ze de verdeling van de maximale bijdrage onderling.
Voor individuele praktische hulp, globale individuele ondersteuning en oproepbare permanentie mag geen bijdrage gevraagd worden.
Aan gebruikers die een financiële bijdrage betalen, mogen naast de financiële bijdrage alleen nog persoonlijke, individueel toewijsbare kosten aangerekend worden. Die kosten kunnen geen betrekking hebben op infrastructuur of onderhoud van infrastructuur, energiekosten, vervoer naar de collectieve dagondersteuning, kosten en heffingen ten laste van een voorziening, kosten voor de collectieve atelierwerking binnen de dagondersteuning of administratiekosten.
Een gebruiker die gebruik maakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, behoudt 357,39 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten of minstens een derde van zijn arbeidsinkomen of vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
1° hij is bekwaam om in een erkend maatwerkbedrijf te werken;
2° hij heeft alleen motorische of zintuiglijke of licht mentale beperkingen of een niet-aangeboren hersenletsel.
Een andere gebruiker dan de gebruiker, vermeld in het vijfde lid, die gebruikmaakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, en die niet bekwaam is om in een erkend maatwerkbedrijf te werken, behoudt 190,61 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten.
Een gebruiker die alleen gebruikmaakt van dagondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, behoudt 357,39 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten. Dezelfde gebruiker met een arbeidsinkomen of een vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, behoudt minstens een derde van dat inkomen.
Een gebruiker die alleen gebruikmaakt van dagondersteuning bij een voorziening en die ook ondersteund wordt door een pleeggezin met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 houdende de organisatie van pleegzorg, betaalt de financiële bijdrage voor dagondersteuning met een maximum van het resterende inkomen na de aftrek van de bijdrage in de kosten van de pleegzorg en na vrijstelling van het bedrag, vermeld in artikel 62, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 houdende de organisatie van pleegzorg.
In afwijking van het achtste lid is er tot en met 31 december 2020 geen bijdrage verschuldigd als de gebruiker voor 1 januari 2014 al opvang in een pleeggezin combineerde met opvang in een dagcentrum.
De inkomsten voor een gehuwde of wettelijk samenwonende gebruiker worden berekend door de inkomsten van de gehuwden of wettelijk samenwonenden te delen door twee als dat voordeliger is voor de gebruiker.
Met behoud van de toepassing van eventuele rechterlijke beslissingen over de onderhoudsplicht wordt het bedrag dat de gebruiker behoudt uit zijn persoonlijke inkomsten of uit een derde van zijn arbeidsinkomen of vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, verhoogd met 225,22 euro per kind ten laste.
De financiële bijdrage wordt geïnd door een voorziening.
Binnen de regels, vermeld in deze paragraaf, wordt de regeling van de kosten die verschuldigd zijn door de gebruikers, bepaald in overleg met het collectief overlegorgaan.
De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen, die daarvoor berekend en benoemd is in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. De basis is de spilindex die geldig is op 1 januari 2014.
De bedragen, vermeld in deze paragraaf, worden telkens op 1 januari en 1 juli aangepast overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
§ 2/2. De meerderjarige gebruikers, vermeld in paragraaf 2, die jonger zijn dan 21 jaar, betalen de financiële bijdragen, vermeld in artikel 25 van het besluit van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap.".
1° in paragaaf 2 worden het derde lid en het vierde lid vervangen door wat volgt:
"De meerderjarige gebruiker aan wie een aantal zorggebonden punten is toegekend als vermeld in artikel 23, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten, en die op 1 januari 2017 financiële bijdrage betaalde, betaalt verder financiële bijdrage totdat de voorziening is overgeschakeld naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten, conform artikel 26, eerste tot en met vierde lid, van het voormelde besluit, of conform artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden, of conform artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2017 over de erkenning en subsidiëring van observatie-, diagnose- en behandelingsunits.
Als de meerderjarige gebruiker, vermeld in het derde lid, de individuele dienstverleningsovereenkomst met de voorziening die hem op 31 december 2016 ondersteuning bood, wijzigt voordat die voorziening is overgeschakeld naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten en hij volledig of gedeeltelijk die voorziening verlaat en geheel of gedeeltelijk overstapt naar een andere voorziening, blijft hij financiële bijdrage betalen aan de voorziening die hem op 31 december 2016 ondersteunde en betaalt hij woon- en leefkosten als vermeld in paragraaf 3, bij de andere voorziening.";
2° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De meerderjarige gebruiker die vanaf 1 januari 2017 start met een persoonsvolgend budget als vermeld in hoofdstuk 3 van het voormelde besluit van 24 juni 2016, betaalt woon- en leefkosten als vermeld in paragraaf 3.";
3° er worden een paragraaf 2/1 en paragraaf 2/2 ingevoegd, die luiden als volgt:
" § 2/1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
1° gebruiker: de meerderjarige gebruiker, vermeld in paragraaf 2;
2° voorziening: een zorgaanbieder die voor het verstrekken van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg of ondersteuning vergund is door het agentschap conform het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap.
De maximale financiële bijdrage die aan de meerderjarige gebruiker, vermeld in paragraaf 2, vanaf 21 jaar gevraagd kan worden per ondersteuningsfunctie, wordt bepaald conform de tabel, opgenomen in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd.
De bijdrage per dag kan nooit hoger zijn dan de bijdrage voor woonondersteuning respectievelijk voor gebruikers jonger dan 21 jaar of voor gebruikers ouder dan 21 jaar. Als verschillende voorzieningen tegelijk ondersteuning bieden aan een gebruiker, regelen ze de verdeling van de maximale bijdrage onderling.
Voor individuele praktische hulp, globale individuele ondersteuning en oproepbare permanentie mag geen bijdrage gevraagd worden.
Aan gebruikers die een financiële bijdrage betalen, mogen naast de financiële bijdrage alleen nog persoonlijke, individueel toewijsbare kosten aangerekend worden. Die kosten kunnen geen betrekking hebben op infrastructuur of onderhoud van infrastructuur, energiekosten, vervoer naar de collectieve dagondersteuning, kosten en heffingen ten laste van een voorziening, kosten voor de collectieve atelierwerking binnen de dagondersteuning of administratiekosten.
Een gebruiker die gebruik maakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, behoudt 357,39 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten of minstens een derde van zijn arbeidsinkomen of vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
1° hij is bekwaam om in een erkend maatwerkbedrijf te werken;
2° hij heeft alleen motorische of zintuiglijke of licht mentale beperkingen of een niet-aangeboren hersenletsel.
Een andere gebruiker dan de gebruiker, vermeld in het vijfde lid, die gebruikmaakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, en die niet bekwaam is om in een erkend maatwerkbedrijf te werken, behoudt 190,61 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten.
Een gebruiker die alleen gebruikmaakt van dagondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, behoudt 357,39 euro per maand van zijn persoonlijke inkomsten. Dezelfde gebruiker met een arbeidsinkomen of een vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, behoudt minstens een derde van dat inkomen.
Een gebruiker die alleen gebruikmaakt van dagondersteuning bij een voorziening en die ook ondersteund wordt door een pleeggezin met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 houdende de organisatie van pleegzorg, betaalt de financiële bijdrage voor dagondersteuning met een maximum van het resterende inkomen na de aftrek van de bijdrage in de kosten van de pleegzorg en na vrijstelling van het bedrag, vermeld in artikel 62, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2013 houdende de organisatie van pleegzorg.
In afwijking van het achtste lid is er tot en met 31 december 2020 geen bijdrage verschuldigd als de gebruiker voor 1 januari 2014 al opvang in een pleeggezin combineerde met opvang in een dagcentrum.
De inkomsten voor een gehuwde of wettelijk samenwonende gebruiker worden berekend door de inkomsten van de gehuwden of wettelijk samenwonenden te delen door twee als dat voordeliger is voor de gebruiker.
Met behoud van de toepassing van eventuele rechterlijke beslissingen over de onderhoudsplicht wordt het bedrag dat de gebruiker behoudt uit zijn persoonlijke inkomsten of uit een derde van zijn arbeidsinkomen of vervangingsinkomen dat gebonden is aan een vroeger arbeidsinkomen, verhoogd met 225,22 euro per kind ten laste.
De financiële bijdrage wordt geïnd door een voorziening.
Binnen de regels, vermeld in deze paragraaf, wordt de regeling van de kosten die verschuldigd zijn door de gebruikers, bepaald in overleg met het collectief overlegorgaan.
De bedragen, vermeld in deze paragraaf, zijn gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen, die daarvoor berekend en benoemd is in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. De basis is de spilindex die geldig is op 1 januari 2014.
De bedragen, vermeld in deze paragraaf, worden telkens op 1 januari en 1 juli aangepast overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
§ 2/2. De meerderjarige gebruikers, vermeld in paragraaf 2, die jonger zijn dan 21 jaar, betalen de financiële bijdragen, vermeld in artikel 25 van het besluit van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap.".
Art.3. A l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mars 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, les alinéas 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
" L'utilisateur majeur auquel un certain nombre de points liés aux soins a été attribué conformément à l'article 23, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers un financement personnalisé et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile, et qui ont payé une contribution financière le 1er janvier 2017, doit verser une contribution financière supplémentaire jusqu'à ce que la structure soit remplacée par un système dans lequel l'utilisateur supporte lui-même les frais de logement et de subsistance, conformément à l'article 26, paragraphes 1 à 4, de l'arrêté susmentionné, ou conformément à l'article 23 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés, ou conformément à l'article 13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2017 sur la reconnaissance et le subventionnement des unités d'observation, de diagnostic et de traitement.
Si l'utilisateur majeur visé à l'alinéa trois modifie l'accord de prestation de services individuel avec la structure qui lui a fourni un soutien le 31 décembre 2016 avant que celle-ci n'ait été remplacée par un système dans lequel l'utilisateur assume lui-même les frais de logement et de subsistance et quitte cette structure en tout ou en partie et le transfère en tout ou en partie à une autre structure, il continue à verser une contribution financière à la structure qui l'a soutenu le 31 décembre 2016 et paie les frais de logement et de subsistance visés au troisième paragraphe de l'autre structure. " ;
2° il est ajouté un alinéa 5, libellé comme suit :
" L'utilisateur majeur qui commence à partir du 1er janvier 2017 avec un budget personnalisé tel que visé au chapitre 3 de l'arrêté précité du 24 juin 2016 paie les frais de logement et subsistance visés au paragraphe 3. " ;
3° sont insérés un paragraphe 2/1 et un paragraphe 2/2, libellés comme suit :
" § 2/1. Dans le présent paragraphe, on entend par :
1° utilisateur : l'utilisateur majeur visé au paragraphe 2 ;
2° structure : un prestataire de soins, qui, conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapées, est autorisé par l'agence à fournir des soins ou du soutien non directement accessibles.
La contribution financière maximale qui peut être demandée à l'utilisateur majeur, tel que visé au paragraphe 2, à partir de l'âge de 21 ans, par fonction de soutien, est déterminée conformément au tableau figurant à l'Annexe 5, qui est joint au présent arrêté.
La contribution par jour ne peut jamais excéder la contribution pour l'accompagnement au logement pour les utilisateurs de moins de 21 ans ou ceux de plus de 21 ans respectivement. Si différentes structures offrent simultanément un accompagnement à un utilisateur, elles règlent la répartition de la contribution maximale entre elles.
Aucune contribution ne peut être demandée pour l'aide pratique individuelle, l'accompagnement individuel global et la permanence sur appel.
Les utilisateurs qui paient une contribution financière ne peuvent se voir imputer que des frais personnels, imputables individuellement, en plus de la contribution financière. Ces coûts ne peuvent pas être liés à l'infrastructure ou à l'entretien de l'infrastructure, aux coûts énergétiques, au transport jusqu'à l'accompagnement journalier collectif, aux coûts et charges d'une structure, aux coûts de fonctionnement de l'atelier collectif dans le cadre de l'accompagnement journalier ou aux coûts administratifs.
Un utilisateur qui utilise l'accompagnement au logement et paie la contribution financière pour celle-ci conserve 357,39 euros par mois de son revenu personnel ou au moins un tiers de son revenu du travail ou de remplacement lié à un revenu de travail antérieur, s'il remplit l'une des conditions suivantes :
1° il est apte à travailler dans une entreprise de travail adapté agréée ;
2° il n'a que des déficiences motrices ou sensorielles ou mentales légères ou une lésion cérébrale non congénitale.
Un utilisateur autre que l'utilisateur visé à l'alinéa cinq, qui utilise l'accompagnement au logement et en paie la contribution financière et qui n'est pas apte à travailler dans une entreprise de travail adapté agréée, conserve 190,61 euros par mois de son revenu personnel.
Un utilisateur qui n'utilise que le soutien de jour et paie la contribution financière pour celui-ci retient 357,39 euros par mois de son revenu personnel. Le même utilisateur ayant un revenu de travail ou un revenu de remplacement lié à un revenu du travail antérieur conserve au moins un tiers de ce revenu.
Un utilisateur qui n'utilise que l'accompagnement de jour pour une structure et qui est également soutenu par une famille d'accueil conformément à la décision du Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 portant organisation du placement familial, paie la contribution financière pour l'accompagnement de jour avec un maximum du revenu restant après déduction de la contribution aux frais du placement familial et après exemption du montant visé à l'article 62, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 portant organisation du placement familial.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa huit, aucune contribution ne sera due avant le 31 décembre 2020 si l'usager a déjà combiné une prise en charge dans une famille d'accueil avec une prise en charge dans un centre de jour avant le 1er janvier 2014.
Le revenu d'un utilisateur marié ou cohabitant légal s'obtient en divisant les revenus des personnes mariées ou cohabitantes légales par deux si cette option est plus avantageuse pour l'utilisateur.
Sans préjudice de l'application de décisions judiciaires éventuelles sur le devoir d'entretien, le montant que l'usager garde de ses revenus personnels ou d'un tiers de son revenu du travail ou d'un revenu de remplacement lié à un revenu de travail antérieur est majoré de 225,22 euros par enfant à charge.
La contribution financière est perçue par une structure.
Dans le cadre des règles visées au présent paragraphe, le règlement des frais à la charge des utilisateurs est déterminé en consultation avec l'organe de concertation collective.
Les montants repris dans le présent paragraphe sont liés à l'indice pivot des prix à la consommation, calculé et cité dans l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. La base est l'indice pivot valable au 1er janvier 2014.
Les montants visés dans le présent paragraphe sont toujours adaptés les 1er janvier et 1er juillet conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
§ 2/2. Les utilisateurs majeurs visés au paragraphe 2, âgés de moins de 21 ans, paient les contributions financières visées à l'article 25 de l'arrêté du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures. ".
1° au paragraphe 2, les alinéas 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
" L'utilisateur majeur auquel un certain nombre de points liés aux soins a été attribué conformément à l'article 23, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers un financement personnalisé et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile, et qui ont payé une contribution financière le 1er janvier 2017, doit verser une contribution financière supplémentaire jusqu'à ce que la structure soit remplacée par un système dans lequel l'utilisateur supporte lui-même les frais de logement et de subsistance, conformément à l'article 26, paragraphes 1 à 4, de l'arrêté susmentionné, ou conformément à l'article 23 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés, ou conformément à l'article 13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2017 sur la reconnaissance et le subventionnement des unités d'observation, de diagnostic et de traitement.
Si l'utilisateur majeur visé à l'alinéa trois modifie l'accord de prestation de services individuel avec la structure qui lui a fourni un soutien le 31 décembre 2016 avant que celle-ci n'ait été remplacée par un système dans lequel l'utilisateur assume lui-même les frais de logement et de subsistance et quitte cette structure en tout ou en partie et le transfère en tout ou en partie à une autre structure, il continue à verser une contribution financière à la structure qui l'a soutenu le 31 décembre 2016 et paie les frais de logement et de subsistance visés au troisième paragraphe de l'autre structure. " ;
2° il est ajouté un alinéa 5, libellé comme suit :
" L'utilisateur majeur qui commence à partir du 1er janvier 2017 avec un budget personnalisé tel que visé au chapitre 3 de l'arrêté précité du 24 juin 2016 paie les frais de logement et subsistance visés au paragraphe 3. " ;
3° sont insérés un paragraphe 2/1 et un paragraphe 2/2, libellés comme suit :
" § 2/1. Dans le présent paragraphe, on entend par :
1° utilisateur : l'utilisateur majeur visé au paragraphe 2 ;
2° structure : un prestataire de soins, qui, conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapées, est autorisé par l'agence à fournir des soins ou du soutien non directement accessibles.
La contribution financière maximale qui peut être demandée à l'utilisateur majeur, tel que visé au paragraphe 2, à partir de l'âge de 21 ans, par fonction de soutien, est déterminée conformément au tableau figurant à l'Annexe 5, qui est joint au présent arrêté.
La contribution par jour ne peut jamais excéder la contribution pour l'accompagnement au logement pour les utilisateurs de moins de 21 ans ou ceux de plus de 21 ans respectivement. Si différentes structures offrent simultanément un accompagnement à un utilisateur, elles règlent la répartition de la contribution maximale entre elles.
Aucune contribution ne peut être demandée pour l'aide pratique individuelle, l'accompagnement individuel global et la permanence sur appel.
Les utilisateurs qui paient une contribution financière ne peuvent se voir imputer que des frais personnels, imputables individuellement, en plus de la contribution financière. Ces coûts ne peuvent pas être liés à l'infrastructure ou à l'entretien de l'infrastructure, aux coûts énergétiques, au transport jusqu'à l'accompagnement journalier collectif, aux coûts et charges d'une structure, aux coûts de fonctionnement de l'atelier collectif dans le cadre de l'accompagnement journalier ou aux coûts administratifs.
Un utilisateur qui utilise l'accompagnement au logement et paie la contribution financière pour celle-ci conserve 357,39 euros par mois de son revenu personnel ou au moins un tiers de son revenu du travail ou de remplacement lié à un revenu de travail antérieur, s'il remplit l'une des conditions suivantes :
1° il est apte à travailler dans une entreprise de travail adapté agréée ;
2° il n'a que des déficiences motrices ou sensorielles ou mentales légères ou une lésion cérébrale non congénitale.
Un utilisateur autre que l'utilisateur visé à l'alinéa cinq, qui utilise l'accompagnement au logement et en paie la contribution financière et qui n'est pas apte à travailler dans une entreprise de travail adapté agréée, conserve 190,61 euros par mois de son revenu personnel.
Un utilisateur qui n'utilise que le soutien de jour et paie la contribution financière pour celui-ci retient 357,39 euros par mois de son revenu personnel. Le même utilisateur ayant un revenu de travail ou un revenu de remplacement lié à un revenu du travail antérieur conserve au moins un tiers de ce revenu.
Un utilisateur qui n'utilise que l'accompagnement de jour pour une structure et qui est également soutenu par une famille d'accueil conformément à la décision du Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 portant organisation du placement familial, paie la contribution financière pour l'accompagnement de jour avec un maximum du revenu restant après déduction de la contribution aux frais du placement familial et après exemption du montant visé à l'article 62, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 novembre 2013 portant organisation du placement familial.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa huit, aucune contribution ne sera due avant le 31 décembre 2020 si l'usager a déjà combiné une prise en charge dans une famille d'accueil avec une prise en charge dans un centre de jour avant le 1er janvier 2014.
Le revenu d'un utilisateur marié ou cohabitant légal s'obtient en divisant les revenus des personnes mariées ou cohabitantes légales par deux si cette option est plus avantageuse pour l'utilisateur.
Sans préjudice de l'application de décisions judiciaires éventuelles sur le devoir d'entretien, le montant que l'usager garde de ses revenus personnels ou d'un tiers de son revenu du travail ou d'un revenu de remplacement lié à un revenu de travail antérieur est majoré de 225,22 euros par enfant à charge.
La contribution financière est perçue par une structure.
Dans le cadre des règles visées au présent paragraphe, le règlement des frais à la charge des utilisateurs est déterminé en consultation avec l'organe de concertation collective.
Les montants repris dans le présent paragraphe sont liés à l'indice pivot des prix à la consommation, calculé et cité dans l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. La base est l'indice pivot valable au 1er janvier 2014.
Les montants visés dans le présent paragraphe sont toujours adaptés les 1er janvier et 1er juillet conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
§ 2/2. Les utilisateurs majeurs visés au paragraphe 2, âgés de moins de 21 ans, paient les contributions financières visées à l'article 25 de l'arrêté du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures. ".
Art.4. In artikel 9 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 3 wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen kan de wijze bepalen waarop de woonkosten, vermeld in het eerste lid, berekend moeten worden.";
5° aan paragraaf 3 worden drie leden toegevoegd, die luiden als volgt:
"Voor de meerderjarige gebruikers die op 1 januari 2017 financiële bijdragen betaalden en die woon- en leefkosten moeten betalen na de overschakeling naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten als vermeld in artikel 2, derde lid, wordt het bedrag van de woon- en leefkosten berekend rekening houdend met de financiële bijdragen die moesten worden betaald en met de bijkomende vergoedingen voor specifieke prestaties en verstrekkingen die aangerekend zijn voor de omschakeling naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten.
De voorzieningen berekenen het bedrag dat gemiddeld als financiële bijdrage en als bijkomende vergoeding is aangerekend.
Het bedrag van de woon- en leefkosten dat aan de gebruikers, vermeld in het achtste lid, wordt aangerekend, mag tot en met 31 december 2020 gemiddeld niet meer bedragen dan het gemiddelde bedrag vermeld in het negende lid.
Van de bepaling, vermeld in het tiende lid, kan alleen worden afgeweken na omstandige motivatie op basis van de kostenstructuur van de voorziening en na goedkeuring door het collectief overlegorgaan van de voorziening en door het agentschap.".
1° in paragraaf 3 wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen kan de wijze bepalen waarop de woonkosten, vermeld in het eerste lid, berekend moeten worden.";
5° aan paragraaf 3 worden drie leden toegevoegd, die luiden als volgt:
"Voor de meerderjarige gebruikers die op 1 januari 2017 financiële bijdragen betaalden en die woon- en leefkosten moeten betalen na de overschakeling naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten als vermeld in artikel 2, derde lid, wordt het bedrag van de woon- en leefkosten berekend rekening houdend met de financiële bijdragen die moesten worden betaald en met de bijkomende vergoedingen voor specifieke prestaties en verstrekkingen die aangerekend zijn voor de omschakeling naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten.
De voorzieningen berekenen het bedrag dat gemiddeld als financiële bijdrage en als bijkomende vergoeding is aangerekend.
Het bedrag van de woon- en leefkosten dat aan de gebruikers, vermeld in het achtste lid, wordt aangerekend, mag tot en met 31 december 2020 gemiddeld niet meer bedragen dan het gemiddelde bedrag vermeld in het negende lid.
Van de bepaling, vermeld in het tiende lid, kan alleen worden afgeweken na omstandige motivatie op basis van de kostenstructuur van de voorziening en na goedkeuring door het collectief overlegorgaan van de voorziening en door het agentschap.".
Art.4. A l'article 9 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mars 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 3, il est inséré, entre les alinéas deux et trois, un alinéa libellé comme suit :
" Le ministre flamand qui a l'assistance aux personnes dans ses attributions peut déterminer les modalités selon lesquelles les frais de logement visés à l'alinéa premier doivent être calculés. " ;
5° sont ajoutés au paragraphe 3, trois alinéas libellés comme suit :
" Pour les utilisateurs majeurs qui ont payé des contributions financières au 1er janvier 2017 et qui doivent payer des frais de logement et de subsistance après le passage à un système dans lequel l'utilisateur supporte lui-même les frais de logement et de subsistance visés à l'article 2, alinéa trois, le montant des frais de logement et de subsistance est calculé en tenant compte des contributions financières qui ont dû être payées et des rémunérations supplémentaires pour des services et prestations spécifiques qui ont été facturés pour le passage à un système dans lequel l'utilisateur supporte lui-même les frais de logement et de subsistance.
Les structures calculent le montant moyen facturé en tant que contribution financière et en tant que rémunération supplémentaire.
Jusqu'au 31 décembre 2020 inclus, le montant des frais de logement et de subsistance facturés aux utilisateurs visés à l'alinéa huit ne peut dépasser, en moyenne, le montant moyen visé à l'alinéa neuf.
Il ne peut être dérogé à la disposition visée à l'alinéa dix que sur la base d'une justification détaillée fondée sur la structure des coûts de la structure et après approbation de la structure par l'organisme de concertation collective et par l'agence. ".
1° au paragraphe 3, il est inséré, entre les alinéas deux et trois, un alinéa libellé comme suit :
" Le ministre flamand qui a l'assistance aux personnes dans ses attributions peut déterminer les modalités selon lesquelles les frais de logement visés à l'alinéa premier doivent être calculés. " ;
5° sont ajoutés au paragraphe 3, trois alinéas libellés comme suit :
" Pour les utilisateurs majeurs qui ont payé des contributions financières au 1er janvier 2017 et qui doivent payer des frais de logement et de subsistance après le passage à un système dans lequel l'utilisateur supporte lui-même les frais de logement et de subsistance visés à l'article 2, alinéa trois, le montant des frais de logement et de subsistance est calculé en tenant compte des contributions financières qui ont dû être payées et des rémunérations supplémentaires pour des services et prestations spécifiques qui ont été facturés pour le passage à un système dans lequel l'utilisateur supporte lui-même les frais de logement et de subsistance.
Les structures calculent le montant moyen facturé en tant que contribution financière et en tant que rémunération supplémentaire.
Jusqu'au 31 décembre 2020 inclus, le montant des frais de logement et de subsistance facturés aux utilisateurs visés à l'alinéa huit ne peut dépasser, en moyenne, le montant moyen visé à l'alinéa neuf.
Il ne peut être dérogé à la disposition visée à l'alinéa dix que sur la base d'une justification détaillée fondée sur la structure des coûts de la structure et après approbation de la structure par l'organisme de concertation collective et par l'agence. ".
Art.5. In artikel 9/1, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2017, worden tussen het woord "dagondersteuning" en het woord "begeleid" de woorden "of een van de individuele ondersteuningsfuncties" ingevoegd.
Art.5. Dans l'article 9/1, § 2, alinéa premier, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 septembre 2017, les mots " ou l'une des fonctions de soutien individuel " sont insérés entre les mots " accompagnement de jour, " et les mots " cet accompagnement ".
Art.6. Aan hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2017, wordt een bijlage 5 toegevoegd, die als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd.
Art.6. Au même arrêté, modifié pour la dernière fois par l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 septembre 2017, il est ajouté une Annexe 5, jointe comme Annexe 1reau présent arrêté.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes majeures handicapées et relatif à la mise à disposition dudit budget
Art.7. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 7° /1 wordt vervangen door wat volgt:
"7° /1 jeugdhulpverlening: de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening die is toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of is toegewezen door het agentschap, en die bestaat uit de niet rechtstreeks toegankelijke ondersteuning die wordt geboden door een multifunctioneel centrum voor minderjarigen als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap of de ondersteuning die wordt geboden met de inzet van persoonsvolgende middelen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 over persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden of uit een persoonlijke assistentiebudget als vermeld in artikel 19/1 van het decreet van 7 mei 2004;";
2° er wordt een punt 18° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"18° /1 prioriteitengroep: een prioriteitengroep als vermeld in hoofdstuk 2, afdeling 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016 over de oprichting van een regionale prioriteitencommissie, de toekenning van prioriteitengroepen, de vaststelling van de maatschappelijke noodzaak, de toeleiding naar ondersteuning, de afstemming en planning in het kader van persoonsvolgende financiering;";
3° punt 21° wordt vervangen door wat volgt:
"21° regionale prioriteitencommissie: de regionale prioriteitencommissie, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016 over de oprichting van een regionale prioriteitencommissie, de toekenning van prioriteitengroepen, de vaststelling van de maatschappelijke noodzaak, de toeleiding naar ondersteuning, de afstemming en planning in het kader van persoonsvolgende financiering;".
1° punt 7° /1 wordt vervangen door wat volgt:
"7° /1 jeugdhulpverlening: de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening die is toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of is toegewezen door het agentschap, en die bestaat uit de niet rechtstreeks toegankelijke ondersteuning die wordt geboden door een multifunctioneel centrum voor minderjarigen als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap of de ondersteuning die wordt geboden met de inzet van persoonsvolgende middelen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 over persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden of uit een persoonlijke assistentiebudget als vermeld in artikel 19/1 van het decreet van 7 mei 2004;";
2° er wordt een punt 18° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"18° /1 prioriteitengroep: een prioriteitengroep als vermeld in hoofdstuk 2, afdeling 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016 over de oprichting van een regionale prioriteitencommissie, de toekenning van prioriteitengroepen, de vaststelling van de maatschappelijke noodzaak, de toeleiding naar ondersteuning, de afstemming en planning in het kader van persoonsvolgende financiering;";
3° punt 21° wordt vervangen door wat volgt:
"21° regionale prioriteitencommissie: de regionale prioriteitencommissie, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016 over de oprichting van een regionale prioriteitencommissie, de toekenning van prioriteitengroepen, de vaststelling van de maatschappelijke noodzaak, de toeleiding naar ondersteuning, de afstemming en planning in het kader van persoonsvolgende financiering;".
Art.7. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes majeures handicapées et relatif à la mise à disposition dudit budget, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 7° /1 est remplacé par ce qui suit :
" 7° /1 aide à la jeunesse : l'aide à la jeunesse qui n'est pas directement accessible et qui est accordée conformément au décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ou qui a été attribuée par l'agence, et qui consiste en une aide qui n'est pas directement accessible et qui est fournie par un centre multifonctionnel pour mineurs visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ou l'aide apportée par le déploiement de ressources personnelles telles que visées dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif au versement d'aides personnalisées aux personnes handicapées ayant des besoins urgents ou sur un budget d'assistance personnelle tel que visé à l'article 19/1 du décret du 7 mai 2004 ; " ;
2° il est inséré un point 18° /1, libellé comme suit :
" 18° /1 groupe prioritaire : un groupe prioritaire tel que visé au chapitre 2, section 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mars 2016 relatif à la création d'une commission régionale des priorités, à l'identification de groupes prioritaires, à la détermination de la nécessité sociale, à l'orientation vers le soutien, ainsi qu'à l'harmonisation et la planification dans le cadre de l'aide financière personnalisée ; "
3° le point 21° est remplacé par ce qui suit :
" 21° commission régionale des priorités : la commission régionale des priorités visée à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mars 2016 relatif à la création d'une commission régionale des priorités, à l'identification de groupes prioritaires, à la détermination de la nécessité sociale, à l'orientation vers le soutien, ainsi qu'à l'harmonisation et la planification dans le cadre du financement personnalisé ; ".
1° le point 7° /1 est remplacé par ce qui suit :
" 7° /1 aide à la jeunesse : l'aide à la jeunesse qui n'est pas directement accessible et qui est accordée conformément au décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ou qui a été attribuée par l'agence, et qui consiste en une aide qui n'est pas directement accessible et qui est fournie par un centre multifonctionnel pour mineurs visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ou l'aide apportée par le déploiement de ressources personnelles telles que visées dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif au versement d'aides personnalisées aux personnes handicapées ayant des besoins urgents ou sur un budget d'assistance personnelle tel que visé à l'article 19/1 du décret du 7 mai 2004 ; " ;
2° il est inséré un point 18° /1, libellé comme suit :
" 18° /1 groupe prioritaire : un groupe prioritaire tel que visé au chapitre 2, section 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mars 2016 relatif à la création d'une commission régionale des priorités, à l'identification de groupes prioritaires, à la détermination de la nécessité sociale, à l'orientation vers le soutien, ainsi qu'à l'harmonisation et la planification dans le cadre de l'aide financière personnalisée ; "
3° le point 21° est remplacé par ce qui suit :
" 21° commission régionale des priorités : la commission régionale des priorités visée à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mars 2016 relatif à la création d'une commission régionale des priorités, à l'identification de groupes prioritaires, à la détermination de la nécessité sociale, à l'orientation vers le soutien, ainsi qu'à l'harmonisation et la planification dans le cadre du financement personnalisé ; ".
Art.8. Artikel 2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 2. Het agentschap kan een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning toewijzen aan meerderjarige personen met een handicap die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 20 en 21 van het decreet van 7 mei 2004, met uitzondering van de meerderjarige personen met een handicap met uitsluitend een of meer psychische stoornissen als vermeld in het handboek voor de classificatie van psychische stoornissen DSM-5.
In afwijking van het eerste lid kan een budget worden toegewezen aan meerderjarige personen met neurobiologische ontwikkelingsstoornissen als vermeld in de DSM-5, met uitzondering van de meerderjarige personen met specifieke leerstoornissen, aandachtsdeficiëntie- en hyperactiviteitstoornis, motorische stoornissen en ticstoornissen en aan meerderjarige personen met een uitgebreide of beperkte neurologische stoornis ten gevolge van een traumatisch hersenletsel, de ziekte van Parkinson, de ziekte van Huntington of andere somatische stoornissen als vermeld in het hoofdstuk neurocognitieve stoornissen uit de DSM-5.".
"Art. 2. Het agentschap kan een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning toewijzen aan meerderjarige personen met een handicap die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 20 en 21 van het decreet van 7 mei 2004, met uitzondering van de meerderjarige personen met een handicap met uitsluitend een of meer psychische stoornissen als vermeld in het handboek voor de classificatie van psychische stoornissen DSM-5.
In afwijking van het eerste lid kan een budget worden toegewezen aan meerderjarige personen met neurobiologische ontwikkelingsstoornissen als vermeld in de DSM-5, met uitzondering van de meerderjarige personen met specifieke leerstoornissen, aandachtsdeficiëntie- en hyperactiviteitstoornis, motorische stoornissen en ticstoornissen en aan meerderjarige personen met een uitgebreide of beperkte neurologische stoornis ten gevolge van een traumatisch hersenletsel, de ziekte van Parkinson, de ziekte van Huntington of andere somatische stoornissen als vermeld in het hoofdstuk neurocognitieve stoornissen uit de DSM-5.".
Art.8. L'article 2 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 2. L'agence peut accorder un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles aux personnes majeures en situation de handicap répondant aux conditions visées aux articles 20 et 21 du décret du 7 mai 2004, à l'exception des personnes handicapées majeures atteintes d'un seul trouble mental ou de troubles mentaux multiples comme décrits dans le Manuel diagnostique et statistique des troubles mentaux DSM-5.
Par dérogation à l'alinéa premier, un budget peut être alloué aux personnes majeures présentant des troubles neurobiologiques du développement tels que visés au DSM-5, à l'exception des personnes majeures présentant des troubles spécifiques de l'apprentissage, de déficit d'attention et d'hyperactivité, des troubles moteurs et des tics et aux adultes présentant des troubles neurologiques étendus ou limités dus à une lésion cérébrale traumatique, à la maladie de Parkinson, à la maladie de Huntington ou à d'autres troubles somatiques énumérés dans le chapitre sur les troubles neurocognitifs du DSM-5. ".
" Art. 2. L'agence peut accorder un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles aux personnes majeures en situation de handicap répondant aux conditions visées aux articles 20 et 21 du décret du 7 mai 2004, à l'exception des personnes handicapées majeures atteintes d'un seul trouble mental ou de troubles mentaux multiples comme décrits dans le Manuel diagnostique et statistique des troubles mentaux DSM-5.
Par dérogation à l'alinéa premier, un budget peut être alloué aux personnes majeures présentant des troubles neurobiologiques du développement tels que visés au DSM-5, à l'exception des personnes majeures présentant des troubles spécifiques de l'apprentissage, de déficit d'attention et d'hyperactivité, des troubles moteurs et des tics et aux adultes présentant des troubles neurologiques étendus ou limités dus à une lésion cérébrale traumatique, à la maladie de Parkinson, à la maladie de Huntington ou à d'autres troubles somatiques énumérés dans le chapitre sur les troubles neurocognitifs du DSM-5. ".
Art.9. In artikel 5, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Als het agentschap de aanvrager conform artikel 10, tweede lid, verwijst naar een dienst Ondersteuningsplan voor de aanpassing van het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering of voor de opmaak van een nieuw ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering, is de datum van aanvraag, in afwijking van het eerste lid, de datum waarop de aanvrager zich aanmeldt bij de dienst Ondersteuningsplan.";
2° in het bestaande vierde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt de zinsnede "vermeld in artikel 10," vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 10, eerste lid,".
1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Als het agentschap de aanvrager conform artikel 10, tweede lid, verwijst naar een dienst Ondersteuningsplan voor de aanpassing van het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering of voor de opmaak van een nieuw ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering, is de datum van aanvraag, in afwijking van het eerste lid, de datum waarop de aanvrager zich aanmeldt bij de dienst Ondersteuningsplan.";
2° in het bestaande vierde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt de zinsnede "vermeld in artikel 10," vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 10, eerste lid,".
Art.9. A l'article 5, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° un alinéa est inséré entre les alinéas 2 et 3, libellé comme suit :
" Si, conformément à l'article 10, alinéa dix, l'agence renvoie le demandeur à un service Plan de soutien pour l'adaptation du plan de soutien du financement personnalisé ou pour l'établissement d'un nouveau plan de soutien du financement personnalisé, la date de la demande est, par dérogation à l'alinéa premier, la date à laquelle le demandeur se présente auprès du service Plan de soutien. " ;
2° dans l'alinéa quatre existant, qui devient l'alinéa cinq, le membre de phrase " visé à l'article 10, " est remplacé par le membre de phrase " visé à l'article 10, alinéa premier, ".
1° un alinéa est inséré entre les alinéas 2 et 3, libellé comme suit :
" Si, conformément à l'article 10, alinéa dix, l'agence renvoie le demandeur à un service Plan de soutien pour l'adaptation du plan de soutien du financement personnalisé ou pour l'établissement d'un nouveau plan de soutien du financement personnalisé, la date de la demande est, par dérogation à l'alinéa premier, la date à laquelle le demandeur se présente auprès du service Plan de soutien. " ;
2° dans l'alinéa quatre existant, qui devient l'alinéa cinq, le membre de phrase " visé à l'article 10, " est remplacé par le membre de phrase " visé à l'article 10, alinéa premier, ".
Art.10. Artikel 17 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 17. Het agentschap kan een van de budgetcategorieën toewijzen die vermeld worden in tabel 1, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.
Elke budgetcategorie wordt uitgedrukt in zorggebonden punten. Het aantal zorggebonden punten is een maximum voor een kalenderjaar.
De omslagsleutel voor de omzetting van een zorggebonden punt naar een bedrag in euro bedraagt 839,72 euro.
De omslagsleutel, vermeld in het derde lid, wordt jaarlijks aangepast, rekening houdend met de afgevlakte gezondheidsindex die moet berekend en toegepast worden conform artikel 2 tot en met 2quater van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen, hierna G-index te noemen, volgens de formule: omslagsleutel van het jaar x = omslagsleutel van het jaar x- 1 x (1 + 90% x ((G-index december jaar x-1/G-index december jaar x-2) - 1)).".
"Art. 17. Het agentschap kan een van de budgetcategorieën toewijzen die vermeld worden in tabel 1, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.
Elke budgetcategorie wordt uitgedrukt in zorggebonden punten. Het aantal zorggebonden punten is een maximum voor een kalenderjaar.
De omslagsleutel voor de omzetting van een zorggebonden punt naar een bedrag in euro bedraagt 839,72 euro.
De omslagsleutel, vermeld in het derde lid, wordt jaarlijks aangepast, rekening houdend met de afgevlakte gezondheidsindex die moet berekend en toegepast worden conform artikel 2 tot en met 2quater van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen, hierna G-index te noemen, volgens de formule: omslagsleutel van het jaar x = omslagsleutel van het jaar x- 1 x (1 + 90% x ((G-index december jaar x-1/G-index december jaar x-2) - 1)).".
Art.10. L'article 17 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 17. L'agence peut allouer l'une des catégories budgétaires visées au tableau 1, reprises à l'Annexe jointe au présent arrêté.
Chaque catégorie budgétaire est exprimée en points liés aux soins. Le nombre de points liés aux soins est un maximum pour une année civile.
La clé de conversion d'un point lié aux soins en un montant en euros est de 839,72 euros.
La clé de répartition visée à l'alinéa trois est ajustée annuellement, en tenant compte de l'indice santé lissé qui doit être calculé et appliqué conformément aux articles 2 à 2quater de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, ci-après dénommé indice G, selon la formule : clé de répartition de l'année x = clé de répartition de l'année x- 1 x (1 + 90 % x ((indice G décembre année x-1/indice G année x-2 décembre année x-2) - 1) - 1). ".
" Art. 17. L'agence peut allouer l'une des catégories budgétaires visées au tableau 1, reprises à l'Annexe jointe au présent arrêté.
Chaque catégorie budgétaire est exprimée en points liés aux soins. Le nombre de points liés aux soins est un maximum pour une année civile.
La clé de conversion d'un point lié aux soins en un montant en euros est de 839,72 euros.
La clé de répartition visée à l'alinéa trois est ajustée annuellement, en tenant compte de l'indice santé lissé qui doit être calculé et appliqué conformément aux articles 2 à 2quater de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, ci-après dénommé indice G, selon la formule : clé de répartition de l'année x = clé de répartition de l'année x- 1 x (1 + 90 % x ((indice G décembre année x-1/indice G année x-2 décembre année x-2) - 1) - 1). ".
Art.11. Aan artikel 29 van hetzelfde besluit worden een derde en een vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Het agentschap onderzoekt of de vragenlijst volledig is ingevuld. In voorkomend geval kan het agentschap bijkomende informatie opvragen.
Als binnen twee weken te rekenen vanaf de datum waarop de vragenlijst, vermeld in het eerste lid, aan het agentschap is bezorgd, devragenlijst op verzoek van het agentschap niet wordt vervolledigd of het medisch attest, vermeld in het tweede lid, niet aan het agentschap wordt bezorgd, wordt de aanvraag van de erkenning van een situatie als noodsituatie stopgezet.".
"Het agentschap onderzoekt of de vragenlijst volledig is ingevuld. In voorkomend geval kan het agentschap bijkomende informatie opvragen.
Als binnen twee weken te rekenen vanaf de datum waarop de vragenlijst, vermeld in het eerste lid, aan het agentschap is bezorgd, devragenlijst op verzoek van het agentschap niet wordt vervolledigd of het medisch attest, vermeld in het tweede lid, niet aan het agentschap wordt bezorgd, wordt de aanvraag van de erkenning van een situatie als noodsituatie stopgezet.".
Art.11. Des alinéas trois et quatre, libellés comme suit, sont ajoutés à l'article 29 du même arrêté :
" L'agence examine si le questionnaire a été rempli complètement. Le cas échéant, l'agence peut demander des informations complémentaires.
Si, dans un délai de deux semaines à compter de la date à laquelle le questionnaire visé à l'alinéa premier a été remis à l'agence, le questionnaire n'est pas rempli à la demande de l'agence ou si le certificat médical visé à l'alinéa deux n'est pas fourni à l'agence, la demande de reconnaissance d'une situation d'urgence est abandonnée. ".
" L'agence examine si le questionnaire a été rempli complètement. Le cas échéant, l'agence peut demander des informations complémentaires.
Si, dans un délai de deux semaines à compter de la date à laquelle le questionnaire visé à l'alinéa premier a été remis à l'agence, le questionnaire n'est pas rempli à la demande de l'agence ou si le certificat médical visé à l'alinéa deux n'est pas fourni à l'agence, la demande de reconnaissance d'une situation d'urgence est abandonnée. ".
Art.12. In artikel 31, tweede lid, van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 1° wordt de zinsnede "budgetcategorie X" vervangen door de zinsnede "budgetcategorie VIII";
2° in punt 2° wordt de zinsnede "budgetcategorie IV" vervangen door de zinsnede "budgetcategorie III";
3° in punt 3° wordt de zinsnede "budgetcategorie V" vervangen door de zinsnede "budgetcategorie IV".
4° in punt 1° wordt de zinsnede "budgetcategorie II" vervangen door de zinsnede "budgetcategorie I".
1° in punt 1° wordt de zinsnede "budgetcategorie X" vervangen door de zinsnede "budgetcategorie VIII";
2° in punt 2° wordt de zinsnede "budgetcategorie IV" vervangen door de zinsnede "budgetcategorie III";
3° in punt 3° wordt de zinsnede "budgetcategorie V" vervangen door de zinsnede "budgetcategorie IV".
4° in punt 1° wordt de zinsnede "budgetcategorie II" vervangen door de zinsnede "budgetcategorie I".
Art.12. A l'article 31, alinéa deux, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1°, le membre de phrase " catégorie budgétaire X " est remplacé par le membre de phrase " catégorie budgétaire VIII " ;
2° au point 2°, le membre de phrase " catégorie budgétaire IV " est remplacé par le membre de phrase " catégorie budgétaire III " ;
3° au point 3°, le membre de phrase " catégorie budgétaire V " est remplacé par le membre de phrase " catégorie budgétaire IV ".
4° au point 1°, le membre de phrase " catégorie budgétaire II " est remplacé par le membre de phrase " catégorie budgétaire I ".
1° au point 1°, le membre de phrase " catégorie budgétaire X " est remplacé par le membre de phrase " catégorie budgétaire VIII " ;
2° au point 2°, le membre de phrase " catégorie budgétaire IV " est remplacé par le membre de phrase " catégorie budgétaire III " ;
3° au point 3°, le membre de phrase " catégorie budgétaire V " est remplacé par le membre de phrase " catégorie budgétaire IV ".
4° au point 1°, le membre de phrase " catégorie budgétaire II " est remplacé par le membre de phrase " catégorie budgétaire I ".
Art.13. In artikel 32 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
" § 2. Als de indiening en afhandeling van de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, niet zijn afgerond na afloop van de tweeëntwintig weken, vermeld in artikel 31, eerste lid, stelt het agentschap het budget dat met toepassing van artikel 31 ter beschikking is gesteld verder ter beschikking totdat het agentschap een beslissing tot toewijzing en terbeschikkingstelling heeft genomen na de afhandeling van de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, doch maximaal gedurende een periode van één jaar na afloop van de tweeëntwintig weken, vermeld in artikel 31, eerste lid.".
" § 2. Als de indiening en afhandeling van de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, niet zijn afgerond na afloop van de tweeëntwintig weken, vermeld in artikel 31, eerste lid, stelt het agentschap het budget dat met toepassing van artikel 31 ter beschikking is gesteld verder ter beschikking totdat het agentschap een beslissing tot toewijzing en terbeschikkingstelling heeft genomen na de afhandeling van de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, doch maximaal gedurende een periode van één jaar na afloop van de tweeëntwintig weken, vermeld in artikel 31, eerste lid.".
Art.13. A l'article 32 du même arrêté, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Si l'introduction et le traitement de la demande visée au paragraphe 1er, alinéa deux, ne sont pas achevés à la fin de la vingt-deuxième semaine visée à l'article 31, aliéna premier, l'agence continuera de mettre à disposition le budget mis à disposition conformément à l'article 31 jusqu'à ce que l'agence ait pris une décision sur son affectation et sa mise à disposition après le traitement de la demande visée au paragraphe 1er, alinéa deux, mais pour une période maximale d'un an après la fin de la vingt-deuxième semaine visée à l'article 31, alinéa premier. ".
" § 2. Si l'introduction et le traitement de la demande visée au paragraphe 1er, alinéa deux, ne sont pas achevés à la fin de la vingt-deuxième semaine visée à l'article 31, aliéna premier, l'agence continuera de mettre à disposition le budget mis à disposition conformément à l'article 31 jusqu'à ce que l'agence ait pris une décision sur son affectation et sa mise à disposition après le traitement de la demande visée au paragraphe 1er, alinéa deux, mais pour une période maximale d'un an après la fin de la vingt-deuxième semaine visée à l'article 31, alinéa premier. ".
Art.14. Artikel 34 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 34. De aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap aan wie jeugdhulpverlening is toegekend, wordt ingediend conform de bepalingen van hoofdstuk 2 en afgehandeld overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 3.
In afwijking van de bepalingen van hoofdstuk 3, afdeling 3, van dit besluit, wordt het dossier niet voorgelegd aan de regionale prioriteitencommissie voor de toekenning van een prioriteitengroep als het bedrag van de budgetcategorie die conform artikel 17 tot en met 21 kan worden toegewezen, kleiner is dan of gelijk is aan het bedrag van de subsidies dat is berekend conform het derde lid en het vierde lid.
Voor de berekening van het bedrag van de subsidies, vermeld in het tweede lid, wordt rekening gehouden met de subsidies die het agentschap heeft betaald voor jeugdhulpverlening en in voorkomend geval met de subsidies die het agentschap jongerenwelzijn heeft betaald voor de persoon met een handicapin het kader van een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod als vermeld in artikel 67, tweede lid, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, of via de inschakeling van een intersectoraal zorgnetwerk als vermeld in artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015 betreffende het intersectorale zorgnetwerk en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp, wat betreft de prioritair toe te wijzen hulpvragen.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, bepaalt op welke wijze het bedrag van de subsidies, vermeld in het tweede lid, conform het derde lid moet worden vastgesteld.
Als het bedrag van de budgetcategorie die conform artikel 17 tot en met 21 kan worden toegewezen, groter is dan het bedrag van de subsidies, vermeld in het tweede lid, wordt het dossier voorgelegd aan de regionale prioriteitencommissie voor de toekenning van een prioriteitengroep, voor het gedeelte van het bedrag van de budgetcategorie dat het bedrag van de subsidies, vermeld in het tweede lid, overstijgt.".
"Art. 34. De aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap aan wie jeugdhulpverlening is toegekend, wordt ingediend conform de bepalingen van hoofdstuk 2 en afgehandeld overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 3.
In afwijking van de bepalingen van hoofdstuk 3, afdeling 3, van dit besluit, wordt het dossier niet voorgelegd aan de regionale prioriteitencommissie voor de toekenning van een prioriteitengroep als het bedrag van de budgetcategorie die conform artikel 17 tot en met 21 kan worden toegewezen, kleiner is dan of gelijk is aan het bedrag van de subsidies dat is berekend conform het derde lid en het vierde lid.
Voor de berekening van het bedrag van de subsidies, vermeld in het tweede lid, wordt rekening gehouden met de subsidies die het agentschap heeft betaald voor jeugdhulpverlening en in voorkomend geval met de subsidies die het agentschap jongerenwelzijn heeft betaald voor de persoon met een handicapin het kader van een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod als vermeld in artikel 67, tweede lid, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, of via de inschakeling van een intersectoraal zorgnetwerk als vermeld in artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015 betreffende het intersectorale zorgnetwerk en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp, wat betreft de prioritair toe te wijzen hulpvragen.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, bepaalt op welke wijze het bedrag van de subsidies, vermeld in het tweede lid, conform het derde lid moet worden vastgesteld.
Als het bedrag van de budgetcategorie die conform artikel 17 tot en met 21 kan worden toegewezen, groter is dan het bedrag van de subsidies, vermeld in het tweede lid, wordt het dossier voorgelegd aan de regionale prioriteitencommissie voor de toekenning van een prioriteitengroep, voor het gedeelte van het bedrag van de budgetcategorie dat het bedrag van de subsidies, vermeld in het tweede lid, overstijgt.".
Art.14. L'article 34, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 34. La demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour les personnes handicapées auxquelles une aide à la jeunesse est octroyée, est introduite conformément aux dispositions du chapitre 2 et est traitée conformément aux dispositions du chapitre 3.
Par dérogation aux dispositions du chapitre 3, section 3, du présent arrêté, le dossier n'est pas soumis au comité régional des priorités pour l'attribution d'un groupe prioritaire si le montant de la catégorie budgétaire qui peut être attribué conformément aux articles 17 à 21 est inférieur ou égal au montant des subventions calculé conformément aux alinéas trois et quatre.
Pour le calcul du montant des subventions visées à l'alinéa deux, il est tenu compte des subventions versées par l'agence pour l'aide à la jeunesse et, le cas échéant, des subventions versées par l'aide sociale aux jeunes en faveur de la personne handicapée dans le cadre d'une offre d'aide individualisée complémentaire visée à l'article 67, alinéa deux, du décret du 12 juillet 2013 concernant l'aide intégrale à la jeunesse, ou par le biais du déploiement d'un réseau intersectoriel d'aide visé à l'article 1, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 octobre 2015 concernant le réseau intersectoriel d'aide et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, en ce qui concerne les demandes prioritaires d'assistance à allouer.
Le ministre flamand qui a l'assistance aux personnes dans ses attributions arrête les modalités selon lesquelles le montant des subventions, visé à l'alinéa deux, doit être déterminé conformément à l'alinéa trois.
Si le montant de la catégorie budgétaire qui peut être attribué conformément aux articles 17 à 21, dépasse le montant des subventions visées à l'alinéa deux, le dossier est soumis à la commission régionale des priorités pour l'allocation d'un groupe prioritaire, pour la partie du montant de la catégorie budgétaire qui dépasse le montant des subventions visées à l'alinéa deux. ".
" Art. 34. La demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour les personnes handicapées auxquelles une aide à la jeunesse est octroyée, est introduite conformément aux dispositions du chapitre 2 et est traitée conformément aux dispositions du chapitre 3.
Par dérogation aux dispositions du chapitre 3, section 3, du présent arrêté, le dossier n'est pas soumis au comité régional des priorités pour l'attribution d'un groupe prioritaire si le montant de la catégorie budgétaire qui peut être attribué conformément aux articles 17 à 21 est inférieur ou égal au montant des subventions calculé conformément aux alinéas trois et quatre.
Pour le calcul du montant des subventions visées à l'alinéa deux, il est tenu compte des subventions versées par l'agence pour l'aide à la jeunesse et, le cas échéant, des subventions versées par l'aide sociale aux jeunes en faveur de la personne handicapée dans le cadre d'une offre d'aide individualisée complémentaire visée à l'article 67, alinéa deux, du décret du 12 juillet 2013 concernant l'aide intégrale à la jeunesse, ou par le biais du déploiement d'un réseau intersectoriel d'aide visé à l'article 1, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 octobre 2015 concernant le réseau intersectoriel d'aide et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, en ce qui concerne les demandes prioritaires d'assistance à allouer.
Le ministre flamand qui a l'assistance aux personnes dans ses attributions arrête les modalités selon lesquelles le montant des subventions, visé à l'alinéa deux, doit être déterminé conformément à l'alinéa trois.
Si le montant de la catégorie budgétaire qui peut être attribué conformément aux articles 17 à 21, dépasse le montant des subventions visées à l'alinéa deux, le dossier est soumis à la commission régionale des priorités pour l'allocation d'un groupe prioritaire, pour la partie du montant de la catégorie budgétaire qui dépasse le montant des subventions visées à l'alinéa deux. ".
Art.15. In artikel 35 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt:
" § 3. Als een herziening van een toegewezen budgetcategorie of van een toegekende prioriteitengroep wordt gevraagd, vervangt de beslissing die het agentschap heeft genomen over de toewijzing van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning en over de toekenning van een prioriteitengroep na de afhandeling van de aanvraag van herziening, de beslissing tot toewijzing van de budgetcategorie waarvan herziening wordt gevraagd of de beslissing tot toekenning van de prioriteitengroep waarvan herziening wordt gevraagd.".
" § 3. Als een herziening van een toegewezen budgetcategorie of van een toegekende prioriteitengroep wordt gevraagd, vervangt de beslissing die het agentschap heeft genomen over de toewijzing van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning en over de toekenning van een prioriteitengroep na de afhandeling van de aanvraag van herziening, de beslissing tot toewijzing van de budgetcategorie waarvan herziening wordt gevraagd of de beslissing tot toekenning van de prioriteitengroep waarvan herziening wordt gevraagd.".
Art.15. A l'article 35 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017, le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Si une révision d'une catégorie budgétaire allouée ou d'un groupe prioritaire attribué est demandée, la décision prise par l'agence sur l'allocation d'un budget de soins et de soutien non directement accessible et sur l'attribution d'un groupe prioritaire après le traitement de la demande de révision remplace la décision d'allocation de la catégorie budgétaire pour laquelle la révision est demandée ou la décision sur l'attribution du groupe prioritaire pour lequel la révision est demandée. ".
" § 3. Si une révision d'une catégorie budgétaire allouée ou d'un groupe prioritaire attribué est demandée, la décision prise par l'agence sur l'allocation d'un budget de soins et de soutien non directement accessible et sur l'attribution d'un groupe prioritaire après le traitement de la demande de révision remplace la décision d'allocation de la catégorie budgétaire pour laquelle la révision est demandée ou la décision sur l'attribution du groupe prioritaire pour lequel la révision est demandée. ".
Art.16. Artikel 54/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, wordt opgeheven.
Art.16. L'article 54/1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017, est abrogé.
Art.17. In artikel 56 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016 en 24 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
"1° in het vierde lid worden de woorden "is toegewezen en dat het bedrag van de subsidies die door het agentschap zijn betaald voor de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening" vervangen door de zinsnede "het bedrag van de subsidies berekend conform artikel 34, derde en vierde lid,";
2° tussen het vierde en het vijfde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De beslissing tot toekenning van jeugdhulpverlening of van een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod als vermeld in artikel 67, tweede lid, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, of de beslissing betreffende de inschakeling van een intersectoraal zorgnetwerk als vermeld in artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015 betreffende het intersectorale zorgnetwerk en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp, wat betreft de prioritair toe te wijzen hulpvragen die is genomen met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, of de beslissing van het agentschap tot toewijzing van jeugdhulpverlening vervalt met ingang van de eerste dag van de vierde maand die volgt op de datum van de terbeschikkingstelling van het budget, vermeld in het vierde lid.";
3° het bestaande vijfde lid, dat het zesde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
"In de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van de persoon met een handicap die op het moment van de aanvraag van dat budget gebruikmaakt van een andere vorm van jeugdhulpverlening dan een persoonlijke-assistentiebudget en die conform het vierde lid nog niet in aanmerking komt voor een terbeschikkingstelling van een budget, in afwijking van artikel 34, tweede lid en vierde lid, voorgelegd aan de regionale prioriteitencommissie voor de toekenning van een prioriteitengroep voor het gehele bedrag van de budgetcategorie die conform artikel 17 tot en met 21 kan worden toegewezen.".
"1° in het vierde lid worden de woorden "is toegewezen en dat het bedrag van de subsidies die door het agentschap zijn betaald voor de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening" vervangen door de zinsnede "het bedrag van de subsidies berekend conform artikel 34, derde en vierde lid,";
2° tussen het vierde en het vijfde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De beslissing tot toekenning van jeugdhulpverlening of van een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod als vermeld in artikel 67, tweede lid, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, of de beslissing betreffende de inschakeling van een intersectoraal zorgnetwerk als vermeld in artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015 betreffende het intersectorale zorgnetwerk en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp, wat betreft de prioritair toe te wijzen hulpvragen die is genomen met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, of de beslissing van het agentschap tot toewijzing van jeugdhulpverlening vervalt met ingang van de eerste dag van de vierde maand die volgt op de datum van de terbeschikkingstelling van het budget, vermeld in het vierde lid.";
3° het bestaande vijfde lid, dat het zesde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
"In de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van de persoon met een handicap die op het moment van de aanvraag van dat budget gebruikmaakt van een andere vorm van jeugdhulpverlening dan een persoonlijke-assistentiebudget en die conform het vierde lid nog niet in aanmerking komt voor een terbeschikkingstelling van een budget, in afwijking van artikel 34, tweede lid en vierde lid, voorgelegd aan de regionale prioriteitencommissie voor de toekenning van een prioriteitengroep voor het gehele bedrag van de budgetcategorie die conform artikel 17 tot en met 21 kan worden toegewezen.".
Art.17. A l'article 56 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 4 mars 2016 et 24 février 2017, les modifications suivantes sont apportées :
" 1° à l'alinéa quatre, les mots " est attribué et qui ne dépasse pas le montant des subventions payées par l'agence pour l'aide à la jeunesse non directement accessible " sont remplacés par le membre de phrase " le montant des subventions calculé conformément à l'article 34, alinéas trois et quatre, " ;
2° il est inséré, entre les alinéas 4 et 5, un alinéa libellé comme suit :
" La décision d'accorder une aide à la jeunesse ou une offre d'aide individualisée complémentaire visée à l'article 67, alinéa deux, du décret du 12 juillet 2013 concernant l'aide intégrale à la jeunesse, ou la décision concernant l'utilisation d'un réseau intersectoriel de prise en charge visée à l'article 1er, 4°, de l'arrêté du 9 octobre 2015 concernant le réseau intersectoriel de prise en charge et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, en ce qui concerne les demandes d'aide prioritaires prise en vertu du décret du 12 juillet 2013 sur l'aide intégrale à la jeunesse, ou la décision de l'agence d'allouer l'aide à la jeunesse, deviennent caduques le premier jour du quatrième mois suivant la date à laquelle le budget visé à l'alinéa quatre est mis à disposition. " ;
3° l'alinéa cinq existant, qui devient l'alinéa six, est remplacé par ce qui suit :
" Au cours de la période du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2019, la demande d'un budget de soins et de soutien qui n'est pas directement accessible pour la personne handicapée qui, au moment de la demande de ce budget, utilise une forme d'aide à la jeunesse autre qu'un budget d'assistance personnelle et qui, conformément à l'alinéa quatre, n'est pas encore éligible à une mise à disposition d'un budget, nonobstant l'article 34, alinéas deux et quatre, est soumise à la commission régionale des priorités pour l'allocation d'un groupe prioritaire pour la totalité du montant de la catégorie budgétaire qui peut être alloué conformément aux articles 17 à 21. ".
" 1° à l'alinéa quatre, les mots " est attribué et qui ne dépasse pas le montant des subventions payées par l'agence pour l'aide à la jeunesse non directement accessible " sont remplacés par le membre de phrase " le montant des subventions calculé conformément à l'article 34, alinéas trois et quatre, " ;
2° il est inséré, entre les alinéas 4 et 5, un alinéa libellé comme suit :
" La décision d'accorder une aide à la jeunesse ou une offre d'aide individualisée complémentaire visée à l'article 67, alinéa deux, du décret du 12 juillet 2013 concernant l'aide intégrale à la jeunesse, ou la décision concernant l'utilisation d'un réseau intersectoriel de prise en charge visée à l'article 1er, 4°, de l'arrêté du 9 octobre 2015 concernant le réseau intersectoriel de prise en charge et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, en ce qui concerne les demandes d'aide prioritaires prise en vertu du décret du 12 juillet 2013 sur l'aide intégrale à la jeunesse, ou la décision de l'agence d'allouer l'aide à la jeunesse, deviennent caduques le premier jour du quatrième mois suivant la date à laquelle le budget visé à l'alinéa quatre est mis à disposition. " ;
3° l'alinéa cinq existant, qui devient l'alinéa six, est remplacé par ce qui suit :
" Au cours de la période du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2019, la demande d'un budget de soins et de soutien qui n'est pas directement accessible pour la personne handicapée qui, au moment de la demande de ce budget, utilise une forme d'aide à la jeunesse autre qu'un budget d'assistance personnelle et qui, conformément à l'alinéa quatre, n'est pas encore éligible à une mise à disposition d'un budget, nonobstant l'article 34, alinéas deux et quatre, est soumise à la commission régionale des priorités pour l'allocation d'un groupe prioritaire pour la totalité du montant de la catégorie budgétaire qui peut être alloué conformément aux articles 17 à 21. ".
Art.18. Tabel 1 van de bijlage bij hetzelfde besluit wordt vervangen door de tabel die is opgenomen in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.
Art.18. Le tableau 1 de l'annexe au même arrêté est remplacé par le tableau repris en annexe 3 jointe au présent arrêté.
Art.19. Tabel 3 van de bijlage bij hetzelfde besluit wordt vervangen door de tabel die is opgenomen in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.
Art.19. Le tableau 3 de l'annexe au même arrêté est remplacé par le tableau repris en annexe 4 jointe au présent arrêté.
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 houdende de vergunningsvoorwaarden en de subsidieregeling van bijstandsorganisaties om budgethouders bij te staan in het kader van persoonsvolgende financiering
CHAPITRE 4. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2015 portant conditions d'autorisation et règlement de subvention des organisations d'assistance aux bénéficiaires d'enveloppe dans le cadre du financement personnalisé
Art.20. Aan artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 houdende de vergunningsvoorwaarden en de subsidieregeling van bijstandsorganisaties om budgethouders bij te staan in het kader van persoonsvolgende financiering, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, worden tussen het eerste en het tweede lid elf leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"Om vergund te blijven moeten de bijstandsorganisaties beschikken over een kwaliteitshandboek als vermeld in artikel 5, § 4, van het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, dat de gegevens bevat die opgenomen zijn in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd.
Het kwaliteitshandboek is actueel, vormt een samenhangend geheel en komt overeen met de praktijk. Het ligt permanent ter beschikking van de medewerkers van de bijstandsorganisaties en van de budgethouders.
Het kwaliteitshandboek waarborgt en is niet in tegenspraak met de kwaliteitseisen, vermeld in het eerste lid, 8°.
De zelfevaluatie, vermeld in artikel 5, § 3, van het voormelde decreet van 17 oktober 2003, die de bijstandsorganisatie uitvoert, bevat minstens:
1° een evaluatie van de gebruikersgerichte processen;
2° een evaluatie van de organisatiegerichte processen en ingezette middelen.
De zelfevaluatie gebeurt in samenspraak met de medewerkers en de budgethouders.
Bij de evaluatie, vermeld in het vijfde lid, 1° en 2°, wordt in het bijzonder aandacht geschonken aan de doeltreffendheid en doelmatigheid van de processen.
In het zevende lid wordt verstaan onder:
1° doeltreffendheid: de mate waarin de doelstellingen gerealiseerd worden;
2° doelmatigheid: de mate waarin de resultaten zich verhouden tot de middelen.
In het achtste lid, 2°, wordt verstaan onder middelen: personeel, financiën, gebouwen en inrichting, uitrusting, technieken en methoden.
Bij elk van de evaluaties, vermeld in het vijfde lid, 1° en 2°, worden de vijf elementen, vermeld in artikel 5, § 3, tweede lid, 1° tot en met 5°, van het voormelde decreet van 17 oktober 2003, doorlopen, telkens gedurende maximaal vijf jaar.
De bijstandsorganisaties moeten aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid, voldoen na afloop van een periode van twee jaar te rekenen vanaf de aanvangsdatum van de vergunning.
In afwijking van het elfde lid moeten de bijstandsorganisaties die op 1 januari 2018 zijn vergund door het agentschap met ingang van 1 juli 2020 voldoen aan de voorwaarde, vermeld in derde lid.".
"Om vergund te blijven moeten de bijstandsorganisaties beschikken over een kwaliteitshandboek als vermeld in artikel 5, § 4, van het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, dat de gegevens bevat die opgenomen zijn in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd.
Het kwaliteitshandboek is actueel, vormt een samenhangend geheel en komt overeen met de praktijk. Het ligt permanent ter beschikking van de medewerkers van de bijstandsorganisaties en van de budgethouders.
Het kwaliteitshandboek waarborgt en is niet in tegenspraak met de kwaliteitseisen, vermeld in het eerste lid, 8°.
De zelfevaluatie, vermeld in artikel 5, § 3, van het voormelde decreet van 17 oktober 2003, die de bijstandsorganisatie uitvoert, bevat minstens:
1° een evaluatie van de gebruikersgerichte processen;
2° een evaluatie van de organisatiegerichte processen en ingezette middelen.
De zelfevaluatie gebeurt in samenspraak met de medewerkers en de budgethouders.
Bij de evaluatie, vermeld in het vijfde lid, 1° en 2°, wordt in het bijzonder aandacht geschonken aan de doeltreffendheid en doelmatigheid van de processen.
In het zevende lid wordt verstaan onder:
1° doeltreffendheid: de mate waarin de doelstellingen gerealiseerd worden;
2° doelmatigheid: de mate waarin de resultaten zich verhouden tot de middelen.
In het achtste lid, 2°, wordt verstaan onder middelen: personeel, financiën, gebouwen en inrichting, uitrusting, technieken en methoden.
Bij elk van de evaluaties, vermeld in het vijfde lid, 1° en 2°, worden de vijf elementen, vermeld in artikel 5, § 3, tweede lid, 1° tot en met 5°, van het voormelde decreet van 17 oktober 2003, doorlopen, telkens gedurende maximaal vijf jaar.
De bijstandsorganisaties moeten aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid, voldoen na afloop van een periode van twee jaar te rekenen vanaf de aanvangsdatum van de vergunning.
In afwijking van het elfde lid moeten de bijstandsorganisaties die op 1 januari 2018 zijn vergund door het agentschap met ingang van 1 juli 2020 voldoen aan de voorwaarde, vermeld in derde lid.".
Art.20. A l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2015 portant conditions d'autorisation et règlement de subvention des organisations d'assistance aux bénéficiaires d'enveloppe dans le cadre de l'aide financière personnalisée, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, onze alinéas sont insérés entre le premier et le deuxième alinéas, libellés comme suit :
" Pour continuer de bénéficier d'un agrément, les organismes d'assistance doivent disposer d'un manuel de qualité visé à l'article 5, § 4, du décret du 17 octobre 2003 relatif à la qualité des établissements de santé et d'assistance sociale, qui contient les informations figurant à l'Annexe jointe au présent arrêté.
Le manuel de qualité est à jour, forme un tout cohérent et s'inscrit dans la pratique. Il est en permanence à la disposition du personnel des organismes d'aide sociale et des bénéficiaires d'enveloppe.
Le manuel de qualité garantit les exigences de qualité et n'est pas en contradiction avec celles-ci visées à l'alinéa premier, 8°.
L'auto-évaluation, visée à l'article 5, § 3, du décret précité du 17 octobre 2003, effectuée par l'organisme d'assistance, comprend au minimum :
1° une évaluation des processus centrés sur l'utilisateur ;
2° une évaluation des processus organisationnels et des moyens mis en oeuvre.
L'auto-évaluation a lieu en consultation avec les employés et les bénéficiaires d'enveloppe.
Au cours de l'évaluation visée à l'alinéa cinq, 1° et 2°, une attention particulière est accordée à l'efficacité et à l'efficience des processus.
A l'alinéa 7, il y a lieu d'entendre par :
1° efficacité : la mesure dans laquelle les objectifs sont atteints ;
2° efficience : la mesure dans laquelle les résultats se rapportent aux moyens.
A l'alinéa huit, 2°, il y a lieu d'entendre par moyens : personnel, finances, bâtiments et installations, équipements, techniques et méthodes.
Pour chacune des évaluations visées à l'alinéa cinq, 1° et 2°, les cinq éléments visés à l'article 5, § 3, alinéa deux, 1° à 5°, du décret précité du 17 octobre 2003, se poursuivent, chaque fois pour une période maximale de cinq ans.
Les organismes d'assistance doivent remplir les conditions visées aux alinéas deux à dix après une période de deux ans à compter de la date de début de l'agrément.
Par dérogation à l'alinéa onze, à compter du 1er juillet 2020, les organismes d'assistance agréés par l'agence au 1er janvier 2018 doivent remplir la condition visée à l'alinéa trois. ".
" Pour continuer de bénéficier d'un agrément, les organismes d'assistance doivent disposer d'un manuel de qualité visé à l'article 5, § 4, du décret du 17 octobre 2003 relatif à la qualité des établissements de santé et d'assistance sociale, qui contient les informations figurant à l'Annexe jointe au présent arrêté.
Le manuel de qualité est à jour, forme un tout cohérent et s'inscrit dans la pratique. Il est en permanence à la disposition du personnel des organismes d'aide sociale et des bénéficiaires d'enveloppe.
Le manuel de qualité garantit les exigences de qualité et n'est pas en contradiction avec celles-ci visées à l'alinéa premier, 8°.
L'auto-évaluation, visée à l'article 5, § 3, du décret précité du 17 octobre 2003, effectuée par l'organisme d'assistance, comprend au minimum :
1° une évaluation des processus centrés sur l'utilisateur ;
2° une évaluation des processus organisationnels et des moyens mis en oeuvre.
L'auto-évaluation a lieu en consultation avec les employés et les bénéficiaires d'enveloppe.
Au cours de l'évaluation visée à l'alinéa cinq, 1° et 2°, une attention particulière est accordée à l'efficacité et à l'efficience des processus.
A l'alinéa 7, il y a lieu d'entendre par :
1° efficacité : la mesure dans laquelle les objectifs sont atteints ;
2° efficience : la mesure dans laquelle les résultats se rapportent aux moyens.
A l'alinéa huit, 2°, il y a lieu d'entendre par moyens : personnel, finances, bâtiments et installations, équipements, techniques et méthodes.
Pour chacune des évaluations visées à l'alinéa cinq, 1° et 2°, les cinq éléments visés à l'article 5, § 3, alinéa deux, 1° à 5°, du décret précité du 17 octobre 2003, se poursuivent, chaque fois pour une période maximale de cinq ans.
Les organismes d'assistance doivent remplir les conditions visées aux alinéas deux à dix après une période de deux ans à compter de la date de début de l'agrément.
Par dérogation à l'alinéa onze, à compter du 1er juillet 2020, les organismes d'assistance agréés par l'agence au 1er janvier 2018 doivent remplir la condition visée à l'alinéa trois. ".
Art.21. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, wordt een artikel 18/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 18/1. Als een budgethouder een klacht heeft ingediend bij een bijstandsorganisatie, maar het antwoord van de bijstandsorganisatie de klager geen voldoening schenkt, of als de bijstandsorganisatie de klacht niet afhandelt binnen de termijn die is vastgesteld in de interne klachtenprocedure, dan bestaat de mogelijkheid voor de budgethouder om klacht in te dienen bij het agentschap.".
"Art. 18/1. Als een budgethouder een klacht heeft ingediend bij een bijstandsorganisatie, maar het antwoord van de bijstandsorganisatie de klager geen voldoening schenkt, of als de bijstandsorganisatie de klacht niet afhandelt binnen de termijn die is vastgesteld in de interne klachtenprocedure, dan bestaat de mogelijkheid voor de budgethouder om klacht in te dienen bij het agentschap.".
Art.21. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, il est inséré un article 18/1, libellé comme suit :
" Art. 18/1. Si un bénéficiaire d'enveloppe a déposé une plainte auprès d'un organisme d'assistance et s'il estime que sa réponse n'est pas satisfaisante, ou si l'organisme d'assistance ne traite pas la plainte dans le délai fixé dans la procédure interne de traitement des plaintes, le bénéficiaire d'enveloppe peut soumettre une plainte à l'agence. ".
" Art. 18/1. Si un bénéficiaire d'enveloppe a déposé une plainte auprès d'un organisme d'assistance et s'il estime que sa réponse n'est pas satisfaisante, ou si l'organisme d'assistance ne traite pas la plainte dans le délai fixé dans la procédure interne de traitement des plaintes, le bénéficiaire d'enveloppe peut soumettre une plainte à l'agence. ".
Art.22. Aan hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, wordt een bijlage toegevoegd, die als bijlage 2 bij dit besluit is gevoegd.
Art.22. Au même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016, il est ajouté une Annexe 2, jointe au présent arrêté.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016 over de oprichting van een regionale prioriteitencommissie, de toekenning van prioriteitengroepen, de vaststelling van de maatschappelijke noodzaak, de toeleiding naar ondersteuning, de afstemming en planning in het kader van persoonsvolgende financiering
CHAPITRE 5. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mars 2016 relatif à la création d'une commission régionale des priorités, à l'identification de groupes prioritaires, à la détermination de la nécessité sociale, à l'orientation vers le soutien, ainsi qu'à l'harmonisation et la planification dans le cadre de l'aide financière personnalisée
Art.23. Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016 over de oprichting van een regionale prioriteitencommissie, de toekenning van prioriteitengroepen, de vaststelling van de maatschappelijke noodzaak, de toeleiding naar ondersteuning, de afstemming en planning in het kader van persoonsvolgende financiering worden een punt 1° /1 en een punt 1° /2 ingevoegd, die luiden als volgt:
"1° /1 besluit van 27 november 2015: het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget;
1° /2 besluit van 10 juni 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering.".
"1° /1 besluit van 27 november 2015: het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget;
1° /2 besluit van 10 juni 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering.".
Art.23. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mars 2016 relatif à la création d'une commission régionale des priorités, à l'identification de groupes prioritaires, à la détermination de la nécessité sociale, à l'orientation vers le soutien, ainsi qu'à l'harmonisation et la planification dans le cadre de l'aide financière personnalisée, un point 1° /1 et un point 1° /2 sont insérés, libellés comme suit :
" 1° /1 arrêté du 27 novembre 2015 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures et relatif à la mise à disposition dudit budget ;
1° /2 arrêté du 10 juin 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé. ".
" 1° /1 arrêté du 27 novembre 2015 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures et relatif à la mise à disposition dudit budget ;
1° /2 arrêté du 10 juin 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé. ".
Art.24. Aan artikel 3, § 1, van hetzelfde besluit wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het lidmaatschap van een regionale prioriteitencommissie is onverenigbaar met het lidmaatschap van het raadgevend comité van het agentschap of van de adviescommissie, vermeld in hoofdstuk IV van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de indiening en afhandeling van de aanvraag tot ondersteuning bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.".
"Het lidmaatschap van een regionale prioriteitencommissie is onverenigbaar met het lidmaatschap van het raadgevend comité van het agentschap of van de adviescommissie, vermeld in hoofdstuk IV van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de indiening en afhandeling van de aanvraag tot ondersteuning bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.".
Art.24. A l'article 3, § 1er, du même arrêté, il est ajouté un alinéa six libellé comme suit :
" L'affiliation à une commission régionale des priorités est incompatible avec l'affiliation à un comité consultatif de l'agence ou à une commission consultative, visée au chapitre IV de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991 relatif à l'introduction et au traitement de la demande de soutien auprès de la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées). ".
" L'affiliation à une commission régionale des priorités est incompatible avec l'affiliation à un comité consultatif de l'agence ou à une commission consultative, visée au chapitre IV de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 1991 relatif à l'introduction et au traitement de la demande de soutien auprès de la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées). ".
Art.25. In artikel 4, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, benoemt in elke provincie een pool van leden die geen ambtenaar zijn, meer bepaald:
1° vijftien leden in de provincie West-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en Limburg;
2° achttien leden in de provincie Oost-Vlaanderen;
3° eenentwintig leden in de provincie Antwerpen.";
2° de nummering " § 3" wordt vervangen door de nummering " § 2".
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, benoemt in elke provincie een pool van leden die geen ambtenaar zijn, meer bepaald:
1° vijftien leden in de provincie West-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en Limburg;
2° achttien leden in de provincie Oost-Vlaanderen;
3° eenentwintig leden in de provincie Antwerpen.";
2° de nummering " § 3" wordt vervangen door de nummering " § 2".
Art.25. A l'article 4 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Le ministre flamand qui a l'assistance aux personnes dans ses attributions nomme, dans chaque province, un groupe de membres qui ne sont pas fonctionnaires, plus précisément :
1° quinze membres dans les provinces de Flandre-Occidentale, Brabant flamand et Limbourg ;
2° dix-huit membres dans la province de Flandre-Orientale ;
3° vingt et un membres dans la province d'Anvers. " ;
2° la numérotation " § 3 " est remplacée par la numérotation " § 2 ".
1° au paragraphe 1er, l'alinéa deux est remplacé par ce qui suit :
" Le ministre flamand qui a l'assistance aux personnes dans ses attributions nomme, dans chaque province, un groupe de membres qui ne sont pas fonctionnaires, plus précisément :
1° quinze membres dans les provinces de Flandre-Occidentale, Brabant flamand et Limbourg ;
2° dix-huit membres dans la province de Flandre-Orientale ;
3° vingt et un membres dans la province d'Anvers. " ;
2° la numérotation " § 3 " est remplacée par la numérotation " § 2 ".
Art.26. In artikel 5 van hetzelfde besluit wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De forfaitaire jaarlijkse toelage, vermeld in artikel 6, van het voormelde besluit, kan worden verdeeld tussen de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters van een regionale prioriteitencommissie naargelang het aantal dat elk van hen effectief heeft voorgezeten.".
"De forfaitaire jaarlijkse toelage, vermeld in artikel 6, van het voormelde besluit, kan worden verdeeld tussen de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters van een regionale prioriteitencommissie naargelang het aantal dat elk van hen effectief heeft voorgezeten.".
Art.26. A l'article 5 du même arrêté, il est inséré entre les alinéas deux et trois, un alinéa libellé comme suit :
" L'allocation annuelle forfaitaire visée à l'article 6 de l'arrêté susmentionné peut être répartie entre le président et les vice-présidents d'une commission régionale des priorités en fonction du nombre effectivement présidé par chacun d'eux. "
" L'allocation annuelle forfaitaire visée à l'article 6 de l'arrêté susmentionné peut être répartie entre le président et les vice-présidents d'une commission régionale des priorités en fonction du nombre effectivement présidé par chacun d'eux. "
Art.27. In artikel 10 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
"De regionale prioriteitencommissie kent op basis van haar inschatting van de grootte van de ondersteuningskloof een van volgende categorieën toe:
1° categorie 1: er is geen mogelijkheid tot of men wenst geen ondersteuning noch van reguliere of rechtstreeks toegankelijke diensten, noch van mantelzorgers of vrijwillige hulp, maar er zijn duidelijk intense of complexe ondersteuningsnoden;
2° categorie 2: er is geen mogelijkheid tot of men wenst geen ondersteuning noch van reguliere of rechtstreeks toegankelijke diensten, noch van mantelzorgers of vrijwillige hulp, maar de ondersteuningsnood is beperkt in intensiteit of complexiteit. Er is ondersteuning van reguliere of rechtstreeks toegankelijke diensten of vrijwillige hulp, maar die volstaat niet meer of is onaangepast om tegemoet te komen aan de ondersteuningsnoden van de persoon. Er zijn geen mantelzorgers aanwezig, ondersteuning van mantelzorgers volstaat niet meer, of mantelzorgers zijn overbelast;
3° categorie 3: de huidige ondersteuning komt goed tegemoet aan de ondersteuningsnoden van de persoon. Er is geen grote kloof tussen wat de persoon nodig heeft en nu al krijgt aan ondersteuning.".
"De regionale prioriteitencommissie kent op basis van haar inschatting van de grootte van de ondersteuningskloof een van volgende categorieën toe:
1° categorie 1: er is geen mogelijkheid tot of men wenst geen ondersteuning noch van reguliere of rechtstreeks toegankelijke diensten, noch van mantelzorgers of vrijwillige hulp, maar er zijn duidelijk intense of complexe ondersteuningsnoden;
2° categorie 2: er is geen mogelijkheid tot of men wenst geen ondersteuning noch van reguliere of rechtstreeks toegankelijke diensten, noch van mantelzorgers of vrijwillige hulp, maar de ondersteuningsnood is beperkt in intensiteit of complexiteit. Er is ondersteuning van reguliere of rechtstreeks toegankelijke diensten of vrijwillige hulp, maar die volstaat niet meer of is onaangepast om tegemoet te komen aan de ondersteuningsnoden van de persoon. Er zijn geen mantelzorgers aanwezig, ondersteuning van mantelzorgers volstaat niet meer, of mantelzorgers zijn overbelast;
3° categorie 3: de huidige ondersteuning komt goed tegemoet aan de ondersteuningsnoden van de persoon. Er is geen grote kloof tussen wat de persoon nodig heeft en nu al krijgt aan ondersteuning.".
Art.27. A l'article 10 du même arrêté, l'alinéa deux est remplacé par le texte suivant :
" La commission régionale des priorités attribue l'une des catégories suivantes en fonction de son estimation de l'ampleur de l'écart de soutien :
1° catégorie 1 : il n'y a aucune possibilité ou désir de soutien, ni de services réguliers ou directement accessibles, ni d'intervenant de proximité ou de l'aide bénévole, mais les besoins de soutien sont clairement intenses ou complexes ;
2° catégorie 2 : il n'y a aucune possibilité ou désir de soutien, ni de services réguliers ou directement accessibles, ni d'intervenant de proximité ou de l'aide bénévole, mais le besoin de soutien est limité en intensité ou en complexité. Il existe un soutien de services réguliers ou directement accessibles ou de l'aide bénévole, mais ce n'est plus suffisant ou inapproprié pour répondre aux besoins de soutien de la personne. Il n'y a pas d'intervenants de proximité présents, le soutien des intervenants de proximité n'est plus suffisant ou les intervenants de proximité sont surchargés ;
3° catégorie 3 : le soutien actuel répond aux besoins de soutien de la personne. Il n'y a pas de grand écart entre ce dont la personne a besoin et ce qu'elle reçoit déjà en termes de soutien. ".
" La commission régionale des priorités attribue l'une des catégories suivantes en fonction de son estimation de l'ampleur de l'écart de soutien :
1° catégorie 1 : il n'y a aucune possibilité ou désir de soutien, ni de services réguliers ou directement accessibles, ni d'intervenant de proximité ou de l'aide bénévole, mais les besoins de soutien sont clairement intenses ou complexes ;
2° catégorie 2 : il n'y a aucune possibilité ou désir de soutien, ni de services réguliers ou directement accessibles, ni d'intervenant de proximité ou de l'aide bénévole, mais le besoin de soutien est limité en intensité ou en complexité. Il existe un soutien de services réguliers ou directement accessibles ou de l'aide bénévole, mais ce n'est plus suffisant ou inapproprié pour répondre aux besoins de soutien de la personne. Il n'y a pas d'intervenants de proximité présents, le soutien des intervenants de proximité n'est plus suffisant ou les intervenants de proximité sont surchargés ;
3° catégorie 3 : le soutien actuel répond aux besoins de soutien de la personne. Il n'y a pas de grand écart entre ce dont la personne a besoin et ce qu'elle reçoit déjà en termes de soutien. ".
Art.28. In artikel 13, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, worden het tweede tot en met het vijfde lid opgeheven.
Art.28. A l'article 13, § 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017, les alinéas trois à cinq sont abrogés.
Art.29. In artikel 15, derde lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget" vervangen door de zinsnede "het besluit van 27 november 2015".
Art.29. A l'article 15, alinéa trois, du même arrêté, le membre de phrase " l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes majeures handicapées et relatif à la mise à disposition dudit budget " est remplacé par le membre de phrase " l'arrêté du 27 novembre 2015 ".
Art.30. Aan hoofdstuk 2 van hetzelfde besluit wordt een afdeling 3, die bestaat uit artikel 15/1 tot en met artikel 15/7, toegevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 3. - Rangschikking binnen een prioriteitengroep
Art. 15/1. Binnen elke prioriteitengroep worden de vragen naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning chronologisch gerangschikt, rekening houdend met de datum van de aanvraag, vermeld in artikel 5 van het besluit van 27 november 2015.
Art. 15/2. Als een herziening wordt gevraagd van een budgetcategorie en de prioriteitengroep die is toegewezen, of van een prioriteitengroep die is toegekend met toepassing van hoofdstuk 2 en 3 van het besluit van 27 november 2015 of met toepassing van artikel 3 tot en met 14 van het besluit van 10 juni 2016, of als herziening wordt gevraagd met toepassing van artikel 27/1, § 2, tweede lid en § 3, eerste lid, van besluit van 10 juni 2016, wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning na herziening binnen elke prioriteitengroep als volgt chronologisch gerangschikt:
1° als de regionale prioriteitencommissie in het kader van de aanvraag van herziening een hogere prioriteitengroep toekent dan de prioriteitengroep die eerder is toegekend, gebeurt de chronologische rangschikking binnen de toegekende prioriteitengroep, rekening houdend met de datum van de aanvraag van herziening, die wordt vastgesteld conform artikel 5 van het besluit van 27 november 2015, of rekening houdend met de datum waarop het multidisciplinair team de informatie over de dringendheid, vermeld in artikel 35, § 2, van het besluit van 27 november 2015, bezorgt aan het agentschap, als alleen een herziening van de toegekende prioriteitengroep wordt gevraagd;
2° als de regionale prioriteitencommissie in het kader van de aanvraag van herziening dezelfde of een lagere prioriteitengroep toekent dan de eerder toegekende prioriteitengroep, gebeurt de chronologische rangschikking binnen de toegekende prioriteitengroep met dezelfde datum waarmee de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning waarop de aanvraag van herziening betrekking heeft, was gerangschikt.
Als herziening wordt gevraagd van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning budget dat ter beschikking gesteld is, wordt de vraag naar een budget na herziening binnen elke prioriteitengroep chronologisch gerangschikt, rekening houdend met de datum van de aanvraag van herziening, die wordt vastgesteld conform artikel 5 van het besluit van 27 november 2015.
Art. 15/3. In dit artikel wordt verstaan onder jeugdhulpverlening: de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening die is toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of is toegewezen door het agentschap en die bestaat uit een van de volgende vormen van ondersteuning:
1° de niet rechtstreeks toegankelijke ondersteuning die wordt geboden door een multifunctioneel centrum voor minderjarigen als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
2° de persoonsvolgende middelen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 over persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden;
3° een persoonlijke-assistentiebudget als vermeld in artikel 19/1 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
In afwijking van artikel 15/1 wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van personen met een handicap aan wie jeugdhulpverlening is toegekend met uitzondering van een persoonlijke-assistentiebudget, zonder dat daar gebruik van kon worden gemaakt, binnen elke prioriteitengroep gerangschikt met een datum die drie jaar voorafgaat aan de datum van de aanvraag van het budget, vermeld in artikel 5 van het besluit van 27 november 2015, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de persoon met een handicap stond gedurende minstens drie jaar voor de datum van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning onafgebroken op de intersectorale registratielijst, vermeld in artikel 26, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;
2° het agentschap heeft gedurende de periode, vermeld in punt 1°, geen niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp voor de persoon met een handicap gefinancierd.
Als de jeugdhulpverlening die was toegekend zonder dat daar gebruik van kon worden gemaakt, bestond uit een persoonlijke-assistentiebudget, wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van de personen met een handicap die voldoen aan de voorwaarden vermeld in het tweede lid, in afwijking van artikel 15/1, binnen elke prioriteitengroep gerangschikt met de datum van de aanvraag van het persoonlijke-assistentiebudget, met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp decreet, of met de datum waarop het agentschap de aanvraag van een persoonlijke-assistentiebudget, vermeld in artikel 3 van het besluit van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van het besluit van 27 november 2015, heeft ontvangen.
Art. 15/4. De vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning wordt in het geval, vermeld in artikel 15, binnen prioriteitengroep 1 gerangschikt met de datum waarop het verzoek om terbeschikkingstelling van het toegewezen budget, vermeld in artikel 15, tweede lid, is bezorgd aan het agentschap.
Art. 15/5. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° FAM: een flexibel aanbodcentrum als vermeld in artikel 2 het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van flexibele aanbodcentra voor meerderjarige personen met een handicap zoals van toepassing op 31 december 2016;
2° thuisbegeleidingsdienst: een thuisbegeleidingsdienst als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1996 betreffende de erkenning en subsidiëring van thuisbegeleidingsdiensten voor personen met een handicap zoals van toepassing op 31 december 2016.
De personen met een handicap die op 31 december 2016 gebruikmaakten van de ondersteuning van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst, en die niet moeten worden beschouwd als personen die gebruikmaken van rechtstreeks toegankelijke hulp, conform artikel 17, tweede lid, of artikel 18, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke- assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, maar aan wie als gevolg van de sectorale afspraken over de operationalisering van de transitie van de meerderjarige gebruikers van zorg en ondersteuning naar persoonsvolgende financiering als vermeld in hoofdstuk 3 van het voormelde besluit, geen aantal zorggebonden punten als vermeld in artikel 23, eerste lid, van het voormelde besluit, wordt toegekend, worden ambtshalve in prioriteitengroep 1 geplaatst met als datum 1 juli 2017 en met een aantal zorggebonden punten dat door het agentschap wordt berekend conform artikel 17, eerste en tweede lid, van het voormelde besluit, op basis van de resultaten van de vertaling door de FAM of de thuisbegeleidingsdienst van de geboden ondersteuning conform de sjablonen en de richtlijnen, vermeld in artikel 14, vijfde lid, van het voormelde besluit, en op basis van de inschatting van de zorgzwaarte die door de FAM of de thuisbegeleidingsdienst is gemaakt conform de sjablonen en de richtlijnen, vermeld in artikel 15, derde lid, van het voormelde besluit.
De personen met een handicap, vermeld in het tweede lid, kunnen tot op het moment van de terbeschikkingstelling van het budget, vermeld in het tweede lid, bij de zorgaanbieder die vergund is door het agentschap en die hen op 31 december 2016 ondersteuning bood ten laste van die zorgaanbieder, aanspraak blijven maken op dezelfde ondersteuning.
Art. 15/7. Binnen elke prioriteitengroep komen de personen met een handicap met de vroegste data het eerst in aanmerking voor de terbeschikkingstelling van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning.".
"Afdeling 3. - Rangschikking binnen een prioriteitengroep
Art. 15/1. Binnen elke prioriteitengroep worden de vragen naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning chronologisch gerangschikt, rekening houdend met de datum van de aanvraag, vermeld in artikel 5 van het besluit van 27 november 2015.
Art. 15/2. Als een herziening wordt gevraagd van een budgetcategorie en de prioriteitengroep die is toegewezen, of van een prioriteitengroep die is toegekend met toepassing van hoofdstuk 2 en 3 van het besluit van 27 november 2015 of met toepassing van artikel 3 tot en met 14 van het besluit van 10 juni 2016, of als herziening wordt gevraagd met toepassing van artikel 27/1, § 2, tweede lid en § 3, eerste lid, van besluit van 10 juni 2016, wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning na herziening binnen elke prioriteitengroep als volgt chronologisch gerangschikt:
1° als de regionale prioriteitencommissie in het kader van de aanvraag van herziening een hogere prioriteitengroep toekent dan de prioriteitengroep die eerder is toegekend, gebeurt de chronologische rangschikking binnen de toegekende prioriteitengroep, rekening houdend met de datum van de aanvraag van herziening, die wordt vastgesteld conform artikel 5 van het besluit van 27 november 2015, of rekening houdend met de datum waarop het multidisciplinair team de informatie over de dringendheid, vermeld in artikel 35, § 2, van het besluit van 27 november 2015, bezorgt aan het agentschap, als alleen een herziening van de toegekende prioriteitengroep wordt gevraagd;
2° als de regionale prioriteitencommissie in het kader van de aanvraag van herziening dezelfde of een lagere prioriteitengroep toekent dan de eerder toegekende prioriteitengroep, gebeurt de chronologische rangschikking binnen de toegekende prioriteitengroep met dezelfde datum waarmee de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning waarop de aanvraag van herziening betrekking heeft, was gerangschikt.
Als herziening wordt gevraagd van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning budget dat ter beschikking gesteld is, wordt de vraag naar een budget na herziening binnen elke prioriteitengroep chronologisch gerangschikt, rekening houdend met de datum van de aanvraag van herziening, die wordt vastgesteld conform artikel 5 van het besluit van 27 november 2015.
Art. 15/3. In dit artikel wordt verstaan onder jeugdhulpverlening: de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening die is toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of is toegewezen door het agentschap en die bestaat uit een van de volgende vormen van ondersteuning:
1° de niet rechtstreeks toegankelijke ondersteuning die wordt geboden door een multifunctioneel centrum voor minderjarigen als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
2° de persoonsvolgende middelen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 over persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden;
3° een persoonlijke-assistentiebudget als vermeld in artikel 19/1 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
In afwijking van artikel 15/1 wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van personen met een handicap aan wie jeugdhulpverlening is toegekend met uitzondering van een persoonlijke-assistentiebudget, zonder dat daar gebruik van kon worden gemaakt, binnen elke prioriteitengroep gerangschikt met een datum die drie jaar voorafgaat aan de datum van de aanvraag van het budget, vermeld in artikel 5 van het besluit van 27 november 2015, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de persoon met een handicap stond gedurende minstens drie jaar voor de datum van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning onafgebroken op de intersectorale registratielijst, vermeld in artikel 26, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp;
2° het agentschap heeft gedurende de periode, vermeld in punt 1°, geen niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp voor de persoon met een handicap gefinancierd.
Als de jeugdhulpverlening die was toegekend zonder dat daar gebruik van kon worden gemaakt, bestond uit een persoonlijke-assistentiebudget, wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van de personen met een handicap die voldoen aan de voorwaarden vermeld in het tweede lid, in afwijking van artikel 15/1, binnen elke prioriteitengroep gerangschikt met de datum van de aanvraag van het persoonlijke-assistentiebudget, met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp decreet, of met de datum waarop het agentschap de aanvraag van een persoonlijke-assistentiebudget, vermeld in artikel 3 van het besluit van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van het besluit van 27 november 2015, heeft ontvangen.
Art. 15/4. De vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning wordt in het geval, vermeld in artikel 15, binnen prioriteitengroep 1 gerangschikt met de datum waarop het verzoek om terbeschikkingstelling van het toegewezen budget, vermeld in artikel 15, tweede lid, is bezorgd aan het agentschap.
Art. 15/5. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° FAM: een flexibel aanbodcentrum als vermeld in artikel 2 het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van flexibele aanbodcentra voor meerderjarige personen met een handicap zoals van toepassing op 31 december 2016;
2° thuisbegeleidingsdienst: een thuisbegeleidingsdienst als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1996 betreffende de erkenning en subsidiëring van thuisbegeleidingsdiensten voor personen met een handicap zoals van toepassing op 31 december 2016.
De personen met een handicap die op 31 december 2016 gebruikmaakten van de ondersteuning van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst, en die niet moeten worden beschouwd als personen die gebruikmaken van rechtstreeks toegankelijke hulp, conform artikel 17, tweede lid, of artikel 18, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke- assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, maar aan wie als gevolg van de sectorale afspraken over de operationalisering van de transitie van de meerderjarige gebruikers van zorg en ondersteuning naar persoonsvolgende financiering als vermeld in hoofdstuk 3 van het voormelde besluit, geen aantal zorggebonden punten als vermeld in artikel 23, eerste lid, van het voormelde besluit, wordt toegekend, worden ambtshalve in prioriteitengroep 1 geplaatst met als datum 1 juli 2017 en met een aantal zorggebonden punten dat door het agentschap wordt berekend conform artikel 17, eerste en tweede lid, van het voormelde besluit, op basis van de resultaten van de vertaling door de FAM of de thuisbegeleidingsdienst van de geboden ondersteuning conform de sjablonen en de richtlijnen, vermeld in artikel 14, vijfde lid, van het voormelde besluit, en op basis van de inschatting van de zorgzwaarte die door de FAM of de thuisbegeleidingsdienst is gemaakt conform de sjablonen en de richtlijnen, vermeld in artikel 15, derde lid, van het voormelde besluit.
De personen met een handicap, vermeld in het tweede lid, kunnen tot op het moment van de terbeschikkingstelling van het budget, vermeld in het tweede lid, bij de zorgaanbieder die vergund is door het agentschap en die hen op 31 december 2016 ondersteuning bood ten laste van die zorgaanbieder, aanspraak blijven maken op dezelfde ondersteuning.
Art. 15/7. Binnen elke prioriteitengroep komen de personen met een handicap met de vroegste data het eerst in aanmerking voor de terbeschikkingstelling van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning.".
Art.30. Au chapitre 2 du même arrêté, il est ajouté une section 3 constituée des articles 15/1 à 15/7, libellée comme suit :
" Section 3. - Classement au sein d'un groupe prioritaire
Art. 15/1. Au sein de chaque groupe prioritaire, les demandes de budget pour les soins et le soutien non directement accessibles sont classées par ordre chronologique, en tenant compte de la date de la demande visée à l'article 5 de l'arrêté du 27 novembre 2015.
Art. 15/2. En cas de demande de révision d'une catégorie budgétaire et du groupe prioritaire attribué, ou d'un groupe prioritaire attribué en application des chapitres 2 et 3 de l'arrêté du 27 novembre 2015 ou en application des articles 3 à 14 de l'arrêté du 10 juin 2016, ou si une révision est demandée en application de l'article 27/1, § 2, alinéa deux, et § 3, alinéa premier, de l'arrêté du 10 juin 2016, la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles est classée chronologiquement, après révision, au sein de chaque groupe prioritaire comme suit :
1° si, dans le cadre de la demande de révision, la commission régionale des priorités attribue un groupe prioritaire supérieur au groupe prioritaire précédemment attribué, le classement chronologique au sein du groupe prioritaire attribué intervient en tenant compte de la date de la demande de révision, qui est établie conformément à l'article 5 de l'arrêté du 27 novembre 2015, ou de la date à laquelle l'équipe multidisciplinaire fournit à l'agence les informations sur l'urgence visée à l'article 35, § 2, de l'arrêté du 27 novembre 2015, si seule une révision du groupe prioritaire attribué est demandée ;
2° si, dans le cadre de la demande de révision, la commission régionale des priorités accorde le même groupe prioritaire ou un groupe prioritaire inférieur au groupe prioritaire précédemment accordé, le classement chronologique interviendra dans le groupe prioritaire attribué avec la même date que la date de classement de la demande de budget pour les soins et le soutien non directement accessibles et qui fait l'objet de la demande de révision.
En cas de demande de révision d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles qui a été mis à disposition, la demande de budget après révision est classée chronologiquement au sein de chaque groupe prioritaire, en tenant compte de la date de la demande de révision, qui est déterminée conformément à l'article 5 de l'arrêté du 27 novembre 2015.
Art. 15/3. Aux fins du présent article, on entend par " aide à la jeunesse " l'aide à la jeunesse qui n'est pas directement accessible et qui est accordée en vertu du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ou qui a été attribuée par l'agence et qui consiste en l'une des formes d'aide suivantes :
1° le soutien non directement accessible qui est offert par un centre multifonctionnel pour personnes mineures tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
2° les ressources personnelles telles que visées dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif au versement d'aides personnalisées aux personnes handicapées ayant des besoins urgents ;
3° un budget d'assistance personnelle tel que visé à l'article 19/1 du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées).
Par dérogation à l'article 15/1, la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour les personnes handicapées auxquelles une aide à la jeunesse est octroyée, à l'exception d'un budget d'assistance personnelle, qui n'a pu être utilisé, est classée au sein de chaque groupe prioritaire avec une date précédant de trois ans la date d'application du budget visé à l'article 5 de l'arrêté du 27 novembre 2015, pour autant que toutes les conditions suivantes soient remplies :
1° la personne handicapée a été inscrite, pendant au moins trois ans avant la date de la demande de budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, sur la liste d'enregistrement intersectorielle visée à l'article 26, § 1er, alinéa premier, 1°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
2° l'agence n'a financé aucune aide à la jeunesse non directement accessible pour les personnes handicapées pendant la période visée au point 1°.
Par dérogation à l'article 15/1, si l'aide à la jeunesse accordée sans possibilité de l'utiliser a consisté en un budget d'assistance personnelle, la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles aux personnes handicapées qui répondent aux conditions visées à l'alinéa deux, est classée au sein de chaque groupe prioritaire en fonction de la date de la demande de budget d'assistance personnelle, en application du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, ou de la date à laquelle l'agence a reçu la demande de budget d'assistance personnelle, visée à l'article 3 de l'arrêté du 15 décembre 2000 fixant les conditions d'attribution d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapées, en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'arrêté du 27 novembre 2015.
Art. 15/4. La demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles est, dans le cas visé à l'article 15, classée dans le groupe prioritaire 1 à la date à laquelle la demande de mise à disposition du budget alloué, visée à l'article 15, alinéa deux, a été transmise à l'agence.
Art. 15/5. Dans le présent article, on entend par :
1° FAM : un centre d'offre de services flexibles tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement des centres offrant des services flexibles aux personnes handicapées majeures tel qu'applicable le 31 décembre 2016 ;
2° service d'aide à domicile : un service d'aide à domicile tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 1996 relatif à l'agrément et au subventionnement des services d'aide à domicile pour personnes handicapées tel qu'applicable le 31 décembre 2016.
Les personnes handicapées qui, au 31 décembre 2016, ont eu recours au soutien d'un FAM ou d'un service d'aide à domicile et qui ne doivent pas être considérées comme des personnes utilisant une assistance directement accessible, conformément à l'article 17, alinéa deux, ou à l'article 18, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers une aide financière personnalisée, mais à qui, à la suite des accords sectoriels sur la mise en oeuvre de la transition des utilisateurs majeurs de soins et de soutien vers un financement personnalisé visé au chapitre 3 de l'arrêté précité, aucun point lié aux soins visés à l'article 23, alinéa premier, de l'arrêté précité n'est attribué, sont automatiquement placées dans le groupe prioritaire 1 en date du 1er juillet 2017 et avec un nombre de points liés aux soins calculé par l'agence conformément à l'article 17, alinéa premier et alinéa deux, de l'arrêté précité, sur la base des résultats de la traduction par FAM ou du service d'aide à domicile du soutien fourni conformément aux modèles et lignes directrices visés à l'article 14, alinéa cinq, de l'arrêté précité, et sur la base de l'évaluation de la lourdeur des soins fournis par FAM ou le service d'aide à domicile conformément aux modèles et lignes directrices visés à l'article 15, alinéa trois, de l'arrêté précité.
Les personnes handicapées visées à l'alinéa deux peuvent, jusqu'à la mise à disposition du budget repris dans ledit alinéa, continuer de bénéficier du même soutien de la part du prestataire de soins agréé par l'agence, qui a fourni le soutien aux frais de ce prestataire de soins au 31 décembre 2016.
Art. 15/7. Au sein de chaque groupe prioritaire, les personnes handicapées sont les premières à bénéficier le plus tôt possible de la mise à disposition d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles. ".
" Section 3. - Classement au sein d'un groupe prioritaire
Art. 15/1. Au sein de chaque groupe prioritaire, les demandes de budget pour les soins et le soutien non directement accessibles sont classées par ordre chronologique, en tenant compte de la date de la demande visée à l'article 5 de l'arrêté du 27 novembre 2015.
Art. 15/2. En cas de demande de révision d'une catégorie budgétaire et du groupe prioritaire attribué, ou d'un groupe prioritaire attribué en application des chapitres 2 et 3 de l'arrêté du 27 novembre 2015 ou en application des articles 3 à 14 de l'arrêté du 10 juin 2016, ou si une révision est demandée en application de l'article 27/1, § 2, alinéa deux, et § 3, alinéa premier, de l'arrêté du 10 juin 2016, la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles est classée chronologiquement, après révision, au sein de chaque groupe prioritaire comme suit :
1° si, dans le cadre de la demande de révision, la commission régionale des priorités attribue un groupe prioritaire supérieur au groupe prioritaire précédemment attribué, le classement chronologique au sein du groupe prioritaire attribué intervient en tenant compte de la date de la demande de révision, qui est établie conformément à l'article 5 de l'arrêté du 27 novembre 2015, ou de la date à laquelle l'équipe multidisciplinaire fournit à l'agence les informations sur l'urgence visée à l'article 35, § 2, de l'arrêté du 27 novembre 2015, si seule une révision du groupe prioritaire attribué est demandée ;
2° si, dans le cadre de la demande de révision, la commission régionale des priorités accorde le même groupe prioritaire ou un groupe prioritaire inférieur au groupe prioritaire précédemment accordé, le classement chronologique interviendra dans le groupe prioritaire attribué avec la même date que la date de classement de la demande de budget pour les soins et le soutien non directement accessibles et qui fait l'objet de la demande de révision.
En cas de demande de révision d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles qui a été mis à disposition, la demande de budget après révision est classée chronologiquement au sein de chaque groupe prioritaire, en tenant compte de la date de la demande de révision, qui est déterminée conformément à l'article 5 de l'arrêté du 27 novembre 2015.
Art. 15/3. Aux fins du présent article, on entend par " aide à la jeunesse " l'aide à la jeunesse qui n'est pas directement accessible et qui est accordée en vertu du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ou qui a été attribuée par l'agence et qui consiste en l'une des formes d'aide suivantes :
1° le soutien non directement accessible qui est offert par un centre multifonctionnel pour personnes mineures tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
2° les ressources personnelles telles que visées dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif au versement d'aides personnalisées aux personnes handicapées ayant des besoins urgents ;
3° un budget d'assistance personnelle tel que visé à l'article 19/1 du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées).
Par dérogation à l'article 15/1, la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour les personnes handicapées auxquelles une aide à la jeunesse est octroyée, à l'exception d'un budget d'assistance personnelle, qui n'a pu être utilisé, est classée au sein de chaque groupe prioritaire avec une date précédant de trois ans la date d'application du budget visé à l'article 5 de l'arrêté du 27 novembre 2015, pour autant que toutes les conditions suivantes soient remplies :
1° la personne handicapée a été inscrite, pendant au moins trois ans avant la date de la demande de budget pour les soins et le soutien non directement accessibles, sur la liste d'enregistrement intersectorielle visée à l'article 26, § 1er, alinéa premier, 1°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
2° l'agence n'a financé aucune aide à la jeunesse non directement accessible pour les personnes handicapées pendant la période visée au point 1°.
Par dérogation à l'article 15/1, si l'aide à la jeunesse accordée sans possibilité de l'utiliser a consisté en un budget d'assistance personnelle, la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles aux personnes handicapées qui répondent aux conditions visées à l'alinéa deux, est classée au sein de chaque groupe prioritaire en fonction de la date de la demande de budget d'assistance personnelle, en application du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, ou de la date à laquelle l'agence a reçu la demande de budget d'assistance personnelle, visée à l'article 3 de l'arrêté du 15 décembre 2000 fixant les conditions d'attribution d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapées, en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'arrêté du 27 novembre 2015.
Art. 15/4. La demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles est, dans le cas visé à l'article 15, classée dans le groupe prioritaire 1 à la date à laquelle la demande de mise à disposition du budget alloué, visée à l'article 15, alinéa deux, a été transmise à l'agence.
Art. 15/5. Dans le présent article, on entend par :
1° FAM : un centre d'offre de services flexibles tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement des centres offrant des services flexibles aux personnes handicapées majeures tel qu'applicable le 31 décembre 2016 ;
2° service d'aide à domicile : un service d'aide à domicile tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 1996 relatif à l'agrément et au subventionnement des services d'aide à domicile pour personnes handicapées tel qu'applicable le 31 décembre 2016.
Les personnes handicapées qui, au 31 décembre 2016, ont eu recours au soutien d'un FAM ou d'un service d'aide à domicile et qui ne doivent pas être considérées comme des personnes utilisant une assistance directement accessible, conformément à l'article 17, alinéa deux, ou à l'article 18, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers une aide financière personnalisée, mais à qui, à la suite des accords sectoriels sur la mise en oeuvre de la transition des utilisateurs majeurs de soins et de soutien vers un financement personnalisé visé au chapitre 3 de l'arrêté précité, aucun point lié aux soins visés à l'article 23, alinéa premier, de l'arrêté précité n'est attribué, sont automatiquement placées dans le groupe prioritaire 1 en date du 1er juillet 2017 et avec un nombre de points liés aux soins calculé par l'agence conformément à l'article 17, alinéa premier et alinéa deux, de l'arrêté précité, sur la base des résultats de la traduction par FAM ou du service d'aide à domicile du soutien fourni conformément aux modèles et lignes directrices visés à l'article 14, alinéa cinq, de l'arrêté précité, et sur la base de l'évaluation de la lourdeur des soins fournis par FAM ou le service d'aide à domicile conformément aux modèles et lignes directrices visés à l'article 15, alinéa trois, de l'arrêté précité.
Les personnes handicapées visées à l'alinéa deux peuvent, jusqu'à la mise à disposition du budget repris dans ledit alinéa, continuer de bénéficier du même soutien de la part du prestataire de soins agréé par l'agence, qui a fourni le soutien aux frais de ce prestataire de soins au 31 décembre 2016.
Art. 15/7. Au sein de chaque groupe prioritaire, les personnes handicapées sont les premières à bénéficier le plus tôt possible de la mise à disposition d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles. ".
Art.31. In artikel 16, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
"1° er is aangetoond dat de persoon met een handicap ernstig fysiek, psychisch, emotioneel of seksueel misbruikt wordt door de mantelzorgers of samenwonende personen uit het netwerk, of dat de persoon met een handicap het slachtoffer is van incest;";
2° punt 3° wordt vervangen door wat volgt:
"3° er is aangetoond dat de persoon met een handicap ernstig fysiek, psychisch of emotioneel wordt verwaarloosd door de mantelzorgers of samenwonende personen uit het netwerk.".
1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
"1° er is aangetoond dat de persoon met een handicap ernstig fysiek, psychisch, emotioneel of seksueel misbruikt wordt door de mantelzorgers of samenwonende personen uit het netwerk, of dat de persoon met een handicap het slachtoffer is van incest;";
2° punt 3° wordt vervangen door wat volgt:
"3° er is aangetoond dat de persoon met een handicap ernstig fysiek, psychisch of emotioneel wordt verwaarloosd door de mantelzorgers of samenwonende personen uit het netwerk.".
Art.31. A l'article 16, alinéa premier, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° il est prouvé que la personne handicapée est gravement agressée physiquement, mentalement, émotionnellement ou sexuellement par les intervenants de proximité ou cohabitants du réseau, ou que la personne handicapée est victime d'inceste ; " ;
2° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° il est prouvé que la personne handicapée est gravement négligée physiquement, mentalement ou émotionnellement par les intervenants de proximité ou cohabitants du réseau. ".
1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
" 1° il est prouvé que la personne handicapée est gravement agressée physiquement, mentalement, émotionnellement ou sexuellement par les intervenants de proximité ou cohabitants du réseau, ou que la personne handicapée est victime d'inceste ; " ;
2° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° il est prouvé que la personne handicapée est gravement négligée physiquement, mentalement ou émotionnellement par les intervenants de proximité ou cohabitants du réseau. ".
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering
CHAPITRE 6. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé
Art.32. Artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 16. Behalve als de zorgvraag die met toepassing van hoofdstuk 1 van dit besluit werd weerhouden voor vertaling naar een budget, een persoonlijke-assistentiebudget of een combinatie van een persoonlijke-assistentiebudget met begeleid werken of met een dagcentrum betreft of als een herziening is gevraagd als vermeld in artikel 15, stelt het agentschap een budget dat is toegewezen met toepassing van artikel 3 tot en met artikel 14, ter beschikking voor een periode van maximaal twaalf maanden vanaf de datum, vermeld in de beslissing tot terbeschikkingstelling.
Als de persoon met een handicap na de periode, vermeld in het eerste lid, verder wil gebruikmaken van zijn budget, moet hij binnen de periode, vermeld in het eerste lid, zijn nood aan zorg en ondersteuning op basis van de ondersteuningsfuncties en frequenties, vermeld in de beslissing tot toewijzing van een budget, vermeld in artikel 14, tweede, derde of zesde lid, laten objectiveren door een multidisciplinair team, als vermeld in artikel 1, 9°, van het besluit van 27 november 2015. Het multidisciplinair team objectiveert de nood aan zorg en ondersteuning conform artikel 13 van het besluit van 27 november 2015.
Als de objectivering van de nood aan zorg en ondersteuning, vermeld in het tweede lid, als gevolg van overmacht, ingeroepen door de betrokkenen of het multidisciplinaire team, vermeld in artikel 1, 9°, van het besluit van 27 november 2015, niet kan worden gefinaliseerd binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, kan het agentschap de termijn eenmalig verlengen met drie maanden.
Als het multidisciplinair team, vermeld in artikel 1, 9°, van het besluit van 27 november 2015, niet binnen de periode, vermeld in het eerste lid, in voorkomend geval verlengd met drie maanden, een objectivering van de zorg en ondersteuning als vermeld in het tweede lid heeft bezorgd aan het agentschap, vervalt de beslissing tot toewijzing van een budget die is genomen met toepassing van artikel 3 tot en met artikel 14, met ingang van de eerst dag die volgt op de periode, vermeld in het eerste lid, in voorkomend geval verlengd met drie maanden conform het derde lid.
Het agentschap stelt op basis van de ondersteuningsfuncties en frequenties vermeld in de beslissing tot toewijzing van een budget, vermeld in artikel 14, tweede, derde of zesde lid, en op basis van het resultaat van de objectivering van de nood aan zorg en ondersteuning, vermeld in het tweede lid, een budgetcategorie vast conform artikel 19 tot en met artikel 21 van het besluit van 27 november 2015 met dien verstande dat in die artikels de vraag wordt gelezen als de ondersteuningsfuncties en frequenties vermeld in de beslissing tot toewijzing van een budget, vermeld in artikel 14, tweede, derde of zesde lid en de gevraagde ondersteuningsfuncties als de ondersteuningsfuncties, vermeld in de in de beslissing tot toewijzing van een budget, vermeld in artikel 14, tweede, derde of zesde lid.
Als de budgetcategorie, die wordt vastgesteld conform artikel 16, vijfde lid, lager is dan de budgetcategorie, vermeld in de beslissing tot toewijzing, vermeld in artikel 14, tweede, derde of zesde lid, heeft de beslissing tot toewijzing van de budgetcategorie die is vastgesteld conform artikel 16, vijfde lid, uitwerking vanaf de eerste dag van de vierde maand na de datum die opgenomen is in de beslissing tot toewijzing en wordt die budgetcategorie met ingang van de eerste dag van de vierde maand na de datum die opgenomen is in de beslissing tot toewijzing ter beschikking gesteld.
Als de budgetcategorie, die wordt vastgesteld conform artikel 16, vijfde lid, hoger is dan de budgetcategorie, vermeld in de beslissing tot toewijzing, vermeld in artikel 14, tweede, derde of zesde lid, wordt die budgetcategorie onmiddellijk na de beslissing tot toewijzing ervan ter beschikking gesteld.
"Art. 16. Behalve als de zorgvraag die met toepassing van hoofdstuk 1 van dit besluit werd weerhouden voor vertaling naar een budget, een persoonlijke-assistentiebudget of een combinatie van een persoonlijke-assistentiebudget met begeleid werken of met een dagcentrum betreft of als een herziening is gevraagd als vermeld in artikel 15, stelt het agentschap een budget dat is toegewezen met toepassing van artikel 3 tot en met artikel 14, ter beschikking voor een periode van maximaal twaalf maanden vanaf de datum, vermeld in de beslissing tot terbeschikkingstelling.
Als de persoon met een handicap na de periode, vermeld in het eerste lid, verder wil gebruikmaken van zijn budget, moet hij binnen de periode, vermeld in het eerste lid, zijn nood aan zorg en ondersteuning op basis van de ondersteuningsfuncties en frequenties, vermeld in de beslissing tot toewijzing van een budget, vermeld in artikel 14, tweede, derde of zesde lid, laten objectiveren door een multidisciplinair team, als vermeld in artikel 1, 9°, van het besluit van 27 november 2015. Het multidisciplinair team objectiveert de nood aan zorg en ondersteuning conform artikel 13 van het besluit van 27 november 2015.
Als de objectivering van de nood aan zorg en ondersteuning, vermeld in het tweede lid, als gevolg van overmacht, ingeroepen door de betrokkenen of het multidisciplinaire team, vermeld in artikel 1, 9°, van het besluit van 27 november 2015, niet kan worden gefinaliseerd binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, kan het agentschap de termijn eenmalig verlengen met drie maanden.
Als het multidisciplinair team, vermeld in artikel 1, 9°, van het besluit van 27 november 2015, niet binnen de periode, vermeld in het eerste lid, in voorkomend geval verlengd met drie maanden, een objectivering van de zorg en ondersteuning als vermeld in het tweede lid heeft bezorgd aan het agentschap, vervalt de beslissing tot toewijzing van een budget die is genomen met toepassing van artikel 3 tot en met artikel 14, met ingang van de eerst dag die volgt op de periode, vermeld in het eerste lid, in voorkomend geval verlengd met drie maanden conform het derde lid.
Het agentschap stelt op basis van de ondersteuningsfuncties en frequenties vermeld in de beslissing tot toewijzing van een budget, vermeld in artikel 14, tweede, derde of zesde lid, en op basis van het resultaat van de objectivering van de nood aan zorg en ondersteuning, vermeld in het tweede lid, een budgetcategorie vast conform artikel 19 tot en met artikel 21 van het besluit van 27 november 2015 met dien verstande dat in die artikels de vraag wordt gelezen als de ondersteuningsfuncties en frequenties vermeld in de beslissing tot toewijzing van een budget, vermeld in artikel 14, tweede, derde of zesde lid en de gevraagde ondersteuningsfuncties als de ondersteuningsfuncties, vermeld in de in de beslissing tot toewijzing van een budget, vermeld in artikel 14, tweede, derde of zesde lid.
Als de budgetcategorie, die wordt vastgesteld conform artikel 16, vijfde lid, lager is dan de budgetcategorie, vermeld in de beslissing tot toewijzing, vermeld in artikel 14, tweede, derde of zesde lid, heeft de beslissing tot toewijzing van de budgetcategorie die is vastgesteld conform artikel 16, vijfde lid, uitwerking vanaf de eerste dag van de vierde maand na de datum die opgenomen is in de beslissing tot toewijzing en wordt die budgetcategorie met ingang van de eerste dag van de vierde maand na de datum die opgenomen is in de beslissing tot toewijzing ter beschikking gesteld.
Als de budgetcategorie, die wordt vastgesteld conform artikel 16, vijfde lid, hoger is dan de budgetcategorie, vermeld in de beslissing tot toewijzing, vermeld in artikel 14, tweede, derde of zesde lid, wordt die budgetcategorie onmiddellijk na de beslissing tot toewijzing ervan ter beschikking gesteld.
Art.32. L'article 16 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé est remplacé par ce qui suit :
" Art. 16. Sauf lorsque la demande de soins a été retenue en application du chapitre 1er du présent arrêté pour être traduite en un budget, un budget d'assistance personnelle, ou une combinaison d'un budget d'assistance personnelle et d'un emploi assisté, ou en un centre de jour, ou lorsqu'une révision visée à l'article 15 est demandée, l'agence met à disposition un budget alloué en application des articles 3 à 14 pour une période maximale de douze mois à compter de la date visée dans la décision de mise à disposition.
Si la personne handicapée souhaite continuer d'utiliser son budget après la période visée à l'alinéa premier, elle doit, dans ledit délai, faire objectiver son besoin de soins et de soutien fondé sur les fonctions de soutien et les fréquences visées dans la décision d'allouer un budget visé à l'article 14, alinéa deux, trois ou six, par une équipe multidisciplinaire telle que visée à l'article 1er, 9°, de l'arrêté du 27 novembre 2015. L'équipe multidisciplinaire objective le besoin de soins et de soutien conformément à l'article 13 de l'arrêté du 27 novembre 2015.
Si en raison d'un cas de force majeure invoqué par les parties concernées ou l'équipe multidisciplinaire visé à l'article 1er, 9°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, la détermination du besoin de soins et de soutien visée à l'alinéa deux ne peut être finalisée dans le délai visé à l'alinéa premier, l'agence peut prolonger une fois le délai de trois mois.
Si l'équipe multidisciplinaire visée à l'article 1er, 9°, de l'arrêté du 27 novembre 2015 n'a pas soumis à l'agence dans le délai visé à l'alinéa premier, éventuellement prolongé de trois mois, une détermination des soins et du soutien visés à l'alinéa deux, la décision d'allouer un budget qui a été prise en application des articles 3 à 14 devient caduque à compter du premier jour suivant la période visée à l'alinéa premier, éventuellement prolongée de trois mois conformément à l'alinéa trois.
Sur la base des fonctions de soutien et des fréquences spécifiées dans la décision d'allocation d'un budget visé à l'article 14, alinéa deux, trois ou six, et sur la base des résultats de la détermination du besoin de soins et d'appui visée à l'alinéa deux, l'agence établit une catégorie budgétaire conformément aux articles 19 à 21 de l'arrêté du 27 novembre 2015, étant entendu que, dans ces articles, la demande doit être considérée comme les fonctions de soutien et les fréquences visées dans la décision d'affectation d'un budget visée à l'article 14, alinéa deux, trois ou six, et les fonctions de soutien demandées telles que les fonctions de soutien visées dans la décision d'affectation d'un budget visée à l'article 14, alinéa deux, trois ou six.
Si la catégorie budgétaire déterminée conformément à l'article 16, alinéa cinq, est inférieure à la catégorie budgétaire visée dans la décision d'allocation visée à l'article 14, alinéa deux, trois ou six, la décision d'allocation de la catégorie budgétaire déterminée conformément à l'article 16, alinéa cinq, prend effet le premier jour du quatrième mois suivant la date reprise dans la décision d'allocation et cette catégorie budgétaire est mise à disposition à compter du premier jour du quatrième mois suivant la date incluse dans la décision d'allocation.
Si la catégorie budgétaire déterminée conformément à l'article 16, alinéa cinq, est supérieure à la catégorie budgétaire mentionnée dans la décision d'allocation visée à l'article 14, alinéa deux, trois ou six, cette catégorie budgétaire est mise à disposition immédiatement après la décision d'allocation.
" Art. 16. Sauf lorsque la demande de soins a été retenue en application du chapitre 1er du présent arrêté pour être traduite en un budget, un budget d'assistance personnelle, ou une combinaison d'un budget d'assistance personnelle et d'un emploi assisté, ou en un centre de jour, ou lorsqu'une révision visée à l'article 15 est demandée, l'agence met à disposition un budget alloué en application des articles 3 à 14 pour une période maximale de douze mois à compter de la date visée dans la décision de mise à disposition.
Si la personne handicapée souhaite continuer d'utiliser son budget après la période visée à l'alinéa premier, elle doit, dans ledit délai, faire objectiver son besoin de soins et de soutien fondé sur les fonctions de soutien et les fréquences visées dans la décision d'allouer un budget visé à l'article 14, alinéa deux, trois ou six, par une équipe multidisciplinaire telle que visée à l'article 1er, 9°, de l'arrêté du 27 novembre 2015. L'équipe multidisciplinaire objective le besoin de soins et de soutien conformément à l'article 13 de l'arrêté du 27 novembre 2015.
Si en raison d'un cas de force majeure invoqué par les parties concernées ou l'équipe multidisciplinaire visé à l'article 1er, 9°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, la détermination du besoin de soins et de soutien visée à l'alinéa deux ne peut être finalisée dans le délai visé à l'alinéa premier, l'agence peut prolonger une fois le délai de trois mois.
Si l'équipe multidisciplinaire visée à l'article 1er, 9°, de l'arrêté du 27 novembre 2015 n'a pas soumis à l'agence dans le délai visé à l'alinéa premier, éventuellement prolongé de trois mois, une détermination des soins et du soutien visés à l'alinéa deux, la décision d'allouer un budget qui a été prise en application des articles 3 à 14 devient caduque à compter du premier jour suivant la période visée à l'alinéa premier, éventuellement prolongée de trois mois conformément à l'alinéa trois.
Sur la base des fonctions de soutien et des fréquences spécifiées dans la décision d'allocation d'un budget visé à l'article 14, alinéa deux, trois ou six, et sur la base des résultats de la détermination du besoin de soins et d'appui visée à l'alinéa deux, l'agence établit une catégorie budgétaire conformément aux articles 19 à 21 de l'arrêté du 27 novembre 2015, étant entendu que, dans ces articles, la demande doit être considérée comme les fonctions de soutien et les fréquences visées dans la décision d'affectation d'un budget visée à l'article 14, alinéa deux, trois ou six, et les fonctions de soutien demandées telles que les fonctions de soutien visées dans la décision d'affectation d'un budget visée à l'article 14, alinéa deux, trois ou six.
Si la catégorie budgétaire déterminée conformément à l'article 16, alinéa cinq, est inférieure à la catégorie budgétaire visée dans la décision d'allocation visée à l'article 14, alinéa deux, trois ou six, la décision d'allocation de la catégorie budgétaire déterminée conformément à l'article 16, alinéa cinq, prend effet le premier jour du quatrième mois suivant la date reprise dans la décision d'allocation et cette catégorie budgétaire est mise à disposition à compter du premier jour du quatrième mois suivant la date incluse dans la décision d'allocation.
Si la catégorie budgétaire déterminée conformément à l'article 16, alinéa cinq, est supérieure à la catégorie budgétaire mentionnée dans la décision d'allocation visée à l'article 14, alinéa deux, trois ou six, cette catégorie budgétaire est mise à disposition immédiatement après la décision d'allocation.
Art.33. Artikel 17 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art.33. L'article 17 du même arrêté est abrogé.
Art.34. Artikel 27/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 27/1. § 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder jeugdhulpverlening: de niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning die is toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of is toegewezen door het agentschap en die bestaat uit een van de volgende vormen van ondersteuning:
1° de niet rechtstreeks toegankelijke ondersteuning die wordt geboden door een multifunctioneel centrum voor minderjarigen als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
2° de ondersteuning die wordt geboden in het kader van een persoonsvolgende convenant als vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 houdende maatregelen om tegemoet te komen aan de noodzaak tot leniging van dringende behoeften van personen met een handicap;
3° de ondersteuning die wordt geboden met de inzet van persoonsvolgende middelen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 over persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden;
4° de ondersteuning die wordt geboden met een persoonlijke- assistentiebudget als vermeld in artikel 19/1 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
In de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 kan het agentschap gefaseerd een budget ter beschikking stellen aan personen met een handicap aan wie het agentschap een budget heeft toegewezen met toepassing van artikel 3 tot en met 14 van dit besluit en die gebruikmaken van jeugdhulpverlening voor een bedrag dat maximaal overeenstemt met het bedrag van de subsidies dat berekend wordt conform artikel 34, derde en vierde lid, van het besluit van 27 november 2015.
De beslissing tot toekenning van jeugdhulpverlening of van een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod als vermeld in artikel 67, tweede lid, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, of de beslissing betreffende de inschakeling van een intersectoraal zorgnetwerk als vermeld in artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015 betreffende het intersectorale zorgnetwerk en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp, wat betreft de prioritair toe te wijzen hulpvragen, die is genomen met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of de beslissing van het agentschap tot toewijzing van jeugdhulpverlening, vervalt met ingang van de eerste dag van de vierde maand die volgt op de datum van de terbeschikkingstelling van het budget, vermeld in het vierde lid.
Voor de terbeschikkingstellingen, vermeld in het tweede lid, gelden de volgende fasen:
1° in 2017 wordt het budget ter beschikking gesteld aan de personen met een handicap die geboren zijn in 1994 of vroeger en die in 2017 gebruikmaken van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening;
2° in 2018 kan het budget ter beschikking gesteld worden aan de personen met een handicap die geboren zijn in 1996 of vroeger en die in 2018 gebruikmaken van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening;
3° in 2019 kan het budget ter beschikking gesteld worden aan de personen met een handicap die geboren zijn in 1998 of vroeger en die in 2019 gebruikmaken van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening.
§ 2. Voor de personen met een handicap die in 2017 in aanmerking komen voor de terbeschikkingstelling van een budget, vermeld in § 1, tweede lid, kan dat budget ter beschikking gesteld worden, op voorwaarde dat dat budget het budget dat met toepassing van artikel 3 tot en met 14 is toegewezen, niet overschrijdt. Als het budget, vermeld in § 1, tweede lid, groter is dan het budget dat met toepassing van artikel 3 tot en met 14 is toegewezen, wordt dat laatste budget ter beschikking gesteld.
Conform artikel 16 van dit besluit dienen de personen met een handicap, vermeld in het eerste lid, na de terbeschikkingstelling van het budget conform het eerste lid, een aanvraag van herziening in van het budget dat is toegewezen door het agentschap met toepassing van artikel 3 tot en met 14.
Als het budget, vermeld in de beslissing tot toewijzing na de aanvraag van herziening, vermeld in het tweede lid, hoger is dan het budget dat conform pararaaf 1, tweede lid, ter beschikking kan worden gesteld, wordt dat laatste budget ter beschikking gesteld.
Als het budget dat wordt toegewezen na de aanvraag van herziening, vermeld in het tweede lid, lager is dan het budget dat conform het eerste lid ter beschikking is gesteld, wordt het budget dat wordt toegewezen na de aanvraag van herziening ter beschikking gesteld met ingang van de eerste dag van de vierde maand na de datum die opgenomen is in de beslissing tot toewijzing van het budget na herziening.
§ 3. Voor de personen met een handicap die vanaf het jaar 2018 in aanmerking komen voor de terbeschikkingstelling van een budget, vermeld in pararaaf 1, tweede lid, kan het agentschap een budget als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, ter beschikking stellen nadat de personen met een handicap, conform hoofdstuk 7 van het besluit van 27 november 2015 een aanvraag van herziening van het budget dat is toegewezen met toepassing van artikel 3 tot en met 14 van dit besluit, hebben ingediend bij het agentschap en het agentschap heeft beslist om een budget toe te wijzen na de afhandeling van de aanvraag van herziening. In afwijking van artikel 22 van het voormelde besluit wordt het dossier alleen voorgelegd aan de regionale prioriteitencommissie als de budgetcategorie die kan worden toegewezen conform artikel 17 tot en met 21 van het voormelde besluit, groter is dan het bedrag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid.
Als het budget, vermeld in de beslissing van het agentschap tot toewijzing van een budget na de aanvraag van herziening, vermeld in het eerste lid, hoger is dan of gelijk is aan het budget dat overeenstemt met het bedrag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, stelt het agentschap een budget ter beschikking dat overeenstemt met het bedrag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid. Als het budget, vermeld in de beslissing van het agentschap tot toewijzing van een budget na de aanvraag van herziening, vermeld in het eerste lid, lager is dan het budget dat overeenstemt met het bedrag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, stelt het agentschap het budget, vermeld in de beslissing van het agentschap tot toewijzing van een budget na de aanvraag van herziening ter beschikking.".
"Art. 27/1. § 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder jeugdhulpverlening: de niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning die is toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of is toegewezen door het agentschap en die bestaat uit een van de volgende vormen van ondersteuning:
1° de niet rechtstreeks toegankelijke ondersteuning die wordt geboden door een multifunctioneel centrum voor minderjarigen als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap;
2° de ondersteuning die wordt geboden in het kader van een persoonsvolgende convenant als vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 houdende maatregelen om tegemoet te komen aan de noodzaak tot leniging van dringende behoeften van personen met een handicap;
3° de ondersteuning die wordt geboden met de inzet van persoonsvolgende middelen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 over persoonsvolgende middelen voor minderjarige personen met een handicap met dringende noden;
4° de ondersteuning die wordt geboden met een persoonlijke- assistentiebudget als vermeld in artikel 19/1 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.
In de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 kan het agentschap gefaseerd een budget ter beschikking stellen aan personen met een handicap aan wie het agentschap een budget heeft toegewezen met toepassing van artikel 3 tot en met 14 van dit besluit en die gebruikmaken van jeugdhulpverlening voor een bedrag dat maximaal overeenstemt met het bedrag van de subsidies dat berekend wordt conform artikel 34, derde en vierde lid, van het besluit van 27 november 2015.
De beslissing tot toekenning van jeugdhulpverlening of van een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod als vermeld in artikel 67, tweede lid, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, of de beslissing betreffende de inschakeling van een intersectoraal zorgnetwerk als vermeld in artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015 betreffende het intersectorale zorgnetwerk en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp, wat betreft de prioritair toe te wijzen hulpvragen, die is genomen met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of de beslissing van het agentschap tot toewijzing van jeugdhulpverlening, vervalt met ingang van de eerste dag van de vierde maand die volgt op de datum van de terbeschikkingstelling van het budget, vermeld in het vierde lid.
Voor de terbeschikkingstellingen, vermeld in het tweede lid, gelden de volgende fasen:
1° in 2017 wordt het budget ter beschikking gesteld aan de personen met een handicap die geboren zijn in 1994 of vroeger en die in 2017 gebruikmaken van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening;
2° in 2018 kan het budget ter beschikking gesteld worden aan de personen met een handicap die geboren zijn in 1996 of vroeger en die in 2018 gebruikmaken van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening;
3° in 2019 kan het budget ter beschikking gesteld worden aan de personen met een handicap die geboren zijn in 1998 of vroeger en die in 2019 gebruikmaken van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening.
§ 2. Voor de personen met een handicap die in 2017 in aanmerking komen voor de terbeschikkingstelling van een budget, vermeld in § 1, tweede lid, kan dat budget ter beschikking gesteld worden, op voorwaarde dat dat budget het budget dat met toepassing van artikel 3 tot en met 14 is toegewezen, niet overschrijdt. Als het budget, vermeld in § 1, tweede lid, groter is dan het budget dat met toepassing van artikel 3 tot en met 14 is toegewezen, wordt dat laatste budget ter beschikking gesteld.
Conform artikel 16 van dit besluit dienen de personen met een handicap, vermeld in het eerste lid, na de terbeschikkingstelling van het budget conform het eerste lid, een aanvraag van herziening in van het budget dat is toegewezen door het agentschap met toepassing van artikel 3 tot en met 14.
Als het budget, vermeld in de beslissing tot toewijzing na de aanvraag van herziening, vermeld in het tweede lid, hoger is dan het budget dat conform pararaaf 1, tweede lid, ter beschikking kan worden gesteld, wordt dat laatste budget ter beschikking gesteld.
Als het budget dat wordt toegewezen na de aanvraag van herziening, vermeld in het tweede lid, lager is dan het budget dat conform het eerste lid ter beschikking is gesteld, wordt het budget dat wordt toegewezen na de aanvraag van herziening ter beschikking gesteld met ingang van de eerste dag van de vierde maand na de datum die opgenomen is in de beslissing tot toewijzing van het budget na herziening.
§ 3. Voor de personen met een handicap die vanaf het jaar 2018 in aanmerking komen voor de terbeschikkingstelling van een budget, vermeld in pararaaf 1, tweede lid, kan het agentschap een budget als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, ter beschikking stellen nadat de personen met een handicap, conform hoofdstuk 7 van het besluit van 27 november 2015 een aanvraag van herziening van het budget dat is toegewezen met toepassing van artikel 3 tot en met 14 van dit besluit, hebben ingediend bij het agentschap en het agentschap heeft beslist om een budget toe te wijzen na de afhandeling van de aanvraag van herziening. In afwijking van artikel 22 van het voormelde besluit wordt het dossier alleen voorgelegd aan de regionale prioriteitencommissie als de budgetcategorie die kan worden toegewezen conform artikel 17 tot en met 21 van het voormelde besluit, groter is dan het bedrag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid.
Als het budget, vermeld in de beslissing van het agentschap tot toewijzing van een budget na de aanvraag van herziening, vermeld in het eerste lid, hoger is dan of gelijk is aan het budget dat overeenstemt met het bedrag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, stelt het agentschap een budget ter beschikking dat overeenstemt met het bedrag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid. Als het budget, vermeld in de beslissing van het agentschap tot toewijzing van een budget na de aanvraag van herziening, vermeld in het eerste lid, lager is dan het budget dat overeenstemt met het bedrag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, stelt het agentschap het budget, vermeld in de beslissing van het agentschap tot toewijzing van een budget na de aanvraag van herziening ter beschikking.".
Art.34. L'article 27/1 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 27/1. § 1er. Aux fins du présent paragraphe, on entend par " aide à la jeunesse " : les soins et le soutien non directement accessibles qui sont accordés en vertu du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ou qui ont été attribués par l'agence et qui consistent en l'une des formes d'aide suivantes :
1° le soutien non directement accessible qui est offert par un centre multifonctionnel pour personnes mineures tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
2° le soutien offert dans le cadre d'une convention personnalisée telle que visée à l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 portant des mesures visant à rencontrer les besoins urgents des personnes handicapées ;
3° le soutien offert par le déploiement de ressources personnelles telles que visées dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif au versement d'aides personnalisées aux personnes handicapées ayant des besoins urgents ;
4° le soutien qui est offert avec un budget d'assistance personnelle tel que visé à l'article 19/1 du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées).
Au cours de la période allant du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2019, l'agence peut mettre progressivement un budget à la disposition de personnes handicapées auxquelles l'agence a alloué un budget en application des articles 3 à 14 du présent arrêté et qui utilisent l'aide à la jeunesse jusqu'à concurrence d'un montant correspondant au montant des subventions calculé conformément à l'article 34, alinéas trois et quatre, de l'arrêté du 27 novembre 2015.
La décision d'accorder une aide à la jeunesse ou une offre d'aide individualisée complémentaire visée à l'article 67, alinéa deux, du décret du 12 juillet 2013 concernant l'aide intégrale à la jeunesse, ou la décision concernant l'utilisation d'un réseau intersectoriel de prise en charge visée à l'article 1er, 4°, de l'arrêté du 9 octobre 2015 concernant le réseau intersectoriel de prise en charge et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, en ce qui concerne les demandes d'aide prioritaires prises en vertu du décret du 12 juillet 2013 sur l'aide intégrale à la jeunesse, ou la décision de l'agence d'allouer l'aide à la jeunesse, deviennent caduques le premier jour du quatrième mois suivant la date à laquelle le budget visé à l'alinéa quatre est mis à disposition.
Les phases suivantes sont d'application concernant les mises à disposition visées à l'alinéa deux :
1° en 2017, le budget est mis à la disposition des personnes handicapées nées en 1994 ou avant et qui, en 2017, ont recours à l'aide à la jeunesse qui n'est pas directement accessible ;
2° en 2018, le budget peut être mis à la disposition des personnes handicapées nées en 1996 ou avant et qui, en 2018, ont recours à l'aide à la jeunesse qui n'est pas directement accessible ;
3° en 2019, le budget peut être mis à la disposition des personnes handicapées nées en 1998 ou avant et qui, en 2019, ont recours à l'aide à la jeunesse qui n'est pas directement accessible.
§ 2. Pour les personnes handicapées qui peuvent bénéficier d'un budget en 2017, tel que visé au § 1er, alinéa deux, ce budget peut être mis à disposition à condition de ne pas dépasser le budget alloué en application des articles 3 à 14. Si le budget visé au § 1er, alinéa deux, dépasse le budget alloué en application des articles 3 à 14, ce dernier budget est mis à disposition.
Conformément à l'article 16 du présent arrêté, les personnes handicapées visées à l'alinéa premier introduisent une demande de révision du budget alloué par l'agence conformément aux articles 3 à 14, après la mise à disposition du budget conformément à l'alinéa premier.
Si le budget visé dans la décision d'attribution de la demande de révision, visée à l'alinéa deux, est supérieur au budget qui peut être mis à disposition conformément au paragraphe 1er, alinéa deux, ce dernier budget est mis à disposition.
Si le budget alloué après la demande de révision visée à l'alinéa deux est inférieur au budget mis à disposition conformément au premier alinéa, le budget alloué après la demande de révision est mis à disposition à compter du premier jour du quatrième mois suivant la date incluse dans la décision d'allouer le budget après révision.
§ 3. Pour les personnes handicapées éligibles à l'octroi d'un budget visé au paragraphe 1er, alinéa deux, à compter de l'année 2018, l'agence peut mettre à disposition un budget visé au paragraphe 1er, alinéa deux, après que les personnes handicapées ont soumis à l'agence, conformément au chapitre 7 de l'arrêté du 27 novembre 2015, une demande de révision du budget alloué en application des articles 3 à 14 du présent arrêté, et que l'agence a décidé d'allouer un budget après l'examen de la demande de révision. Par dérogation à l'article 22 de l'arrêté précité, le dossier ne sera soumis à la commission régionale des priorités que si la catégorie budgétaire qui peut être allouée conformément aux articles 17 à 21 de l'arrêté précité dépasse le montant visé au paragraphe 1er, alinéa deux.
Si le budget visé dans la décision de l'agence d'attribuer un budget à la suite de la demande de révision visée à l'alinéa premier est supérieur ou égal au budget correspondant au montant visé au paragraphe 1er, alinéa deux, l'agence met à disposition un budget correspondant au montant visé au paragraphe 1er, alinéa deux. Si le budget visé dans la décision de l'agence d'attribuer un budget à la suite d'une demande de révision visée à l'alinéa premier, est inférieur au budget correspondant au montant visé au paragraphe 1er, alinéa deux, l'agence met à disposition le budget visé dans la décision de l'agence d'attribuer un budget à la suite de la demande de révision. ".
" Art. 27/1. § 1er. Aux fins du présent paragraphe, on entend par " aide à la jeunesse " : les soins et le soutien non directement accessibles qui sont accordés en vertu du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ou qui ont été attribués par l'agence et qui consistent en l'une des formes d'aide suivantes :
1° le soutien non directement accessible qui est offert par un centre multifonctionnel pour personnes mineures tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures ;
2° le soutien offert dans le cadre d'une convention personnalisée telle que visée à l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 portant des mesures visant à rencontrer les besoins urgents des personnes handicapées ;
3° le soutien offert par le déploiement de ressources personnelles telles que visées dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 relatif au versement d'aides personnalisées aux personnes handicapées ayant des besoins urgents ;
4° le soutien qui est offert avec un budget d'assistance personnelle tel que visé à l'article 19/1 du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les Personnes handicapées).
Au cours de la période allant du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2019, l'agence peut mettre progressivement un budget à la disposition de personnes handicapées auxquelles l'agence a alloué un budget en application des articles 3 à 14 du présent arrêté et qui utilisent l'aide à la jeunesse jusqu'à concurrence d'un montant correspondant au montant des subventions calculé conformément à l'article 34, alinéas trois et quatre, de l'arrêté du 27 novembre 2015.
La décision d'accorder une aide à la jeunesse ou une offre d'aide individualisée complémentaire visée à l'article 67, alinéa deux, du décret du 12 juillet 2013 concernant l'aide intégrale à la jeunesse, ou la décision concernant l'utilisation d'un réseau intersectoriel de prise en charge visée à l'article 1er, 4°, de l'arrêté du 9 octobre 2015 concernant le réseau intersectoriel de prise en charge et modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, en ce qui concerne les demandes d'aide prioritaires prises en vertu du décret du 12 juillet 2013 sur l'aide intégrale à la jeunesse, ou la décision de l'agence d'allouer l'aide à la jeunesse, deviennent caduques le premier jour du quatrième mois suivant la date à laquelle le budget visé à l'alinéa quatre est mis à disposition.
Les phases suivantes sont d'application concernant les mises à disposition visées à l'alinéa deux :
1° en 2017, le budget est mis à la disposition des personnes handicapées nées en 1994 ou avant et qui, en 2017, ont recours à l'aide à la jeunesse qui n'est pas directement accessible ;
2° en 2018, le budget peut être mis à la disposition des personnes handicapées nées en 1996 ou avant et qui, en 2018, ont recours à l'aide à la jeunesse qui n'est pas directement accessible ;
3° en 2019, le budget peut être mis à la disposition des personnes handicapées nées en 1998 ou avant et qui, en 2019, ont recours à l'aide à la jeunesse qui n'est pas directement accessible.
§ 2. Pour les personnes handicapées qui peuvent bénéficier d'un budget en 2017, tel que visé au § 1er, alinéa deux, ce budget peut être mis à disposition à condition de ne pas dépasser le budget alloué en application des articles 3 à 14. Si le budget visé au § 1er, alinéa deux, dépasse le budget alloué en application des articles 3 à 14, ce dernier budget est mis à disposition.
Conformément à l'article 16 du présent arrêté, les personnes handicapées visées à l'alinéa premier introduisent une demande de révision du budget alloué par l'agence conformément aux articles 3 à 14, après la mise à disposition du budget conformément à l'alinéa premier.
Si le budget visé dans la décision d'attribution de la demande de révision, visée à l'alinéa deux, est supérieur au budget qui peut être mis à disposition conformément au paragraphe 1er, alinéa deux, ce dernier budget est mis à disposition.
Si le budget alloué après la demande de révision visée à l'alinéa deux est inférieur au budget mis à disposition conformément au premier alinéa, le budget alloué après la demande de révision est mis à disposition à compter du premier jour du quatrième mois suivant la date incluse dans la décision d'allouer le budget après révision.
§ 3. Pour les personnes handicapées éligibles à l'octroi d'un budget visé au paragraphe 1er, alinéa deux, à compter de l'année 2018, l'agence peut mettre à disposition un budget visé au paragraphe 1er, alinéa deux, après que les personnes handicapées ont soumis à l'agence, conformément au chapitre 7 de l'arrêté du 27 novembre 2015, une demande de révision du budget alloué en application des articles 3 à 14 du présent arrêté, et que l'agence a décidé d'allouer un budget après l'examen de la demande de révision. Par dérogation à l'article 22 de l'arrêté précité, le dossier ne sera soumis à la commission régionale des priorités que si la catégorie budgétaire qui peut être allouée conformément aux articles 17 à 21 de l'arrêté précité dépasse le montant visé au paragraphe 1er, alinéa deux.
Si le budget visé dans la décision de l'agence d'attribuer un budget à la suite de la demande de révision visée à l'alinéa premier est supérieur ou égal au budget correspondant au montant visé au paragraphe 1er, alinéa deux, l'agence met à disposition un budget correspondant au montant visé au paragraphe 1er, alinéa deux. Si le budget visé dans la décision de l'agence d'attribuer un budget à la suite d'une demande de révision visée à l'alinéa premier, est inférieur au budget correspondant au montant visé au paragraphe 1er, alinéa deux, l'agence met à disposition le budget visé dans la décision de l'agence d'attribuer un budget à la suite de la demande de révision. ".
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten
CHAPITRE 7. - Les modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers un financement qui suit la personne et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile
Art.35. In het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2016 en 24 februari 2017, wordt een artikel 8/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 8/2. De personen met een handicap die het persoonlijke-assistentiebudget op 31 december 2016 combineerden met ondersteuning, verleend door een MFC op de wijze, vermeld in artikel 10, § 4, tweede lid, van het besluit van 15 december 2000, kunnen de besteding van de zorggebonden middelen, vermeld in artikel 8 van dit besluit, uitsluitend combineren met schoolaanvullende dagopvang als vermeld in artikel 10, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap, of met schoolvervangende dagopvang als vermeld in artikel 10, § 4, van het voormelde besluit van 26 februari 2016.".
"Art. 8/2. De personen met een handicap die het persoonlijke-assistentiebudget op 31 december 2016 combineerden met ondersteuning, verleend door een MFC op de wijze, vermeld in artikel 10, § 4, tweede lid, van het besluit van 15 december 2000, kunnen de besteding van de zorggebonden middelen, vermeld in artikel 8 van dit besluit, uitsluitend combineren met schoolaanvullende dagopvang als vermeld in artikel 10, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap, of met schoolvervangende dagopvang als vermeld in artikel 10, § 4, van het voormelde besluit van 26 februari 2016.".
Art.35. Dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers un financement qui suit la personne et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 décembre 2016 et 24 février 2017, un article 8/2 est inséré, libellé comme suit :
" Art. 8/2. Les personnes handicapées qui combinent le budget d'assistance personnelle au 31 décembre 2016 avec le soutien fourni par un MFC selon les modalités visées à l'article 10, § 4, alinéa deux, de l'arrêté du 15 décembre 2000, peuvent combiner les ressources liées aux soins visées à l'article 8 du présent arrêté exclusivement avec la garderie scolaire complémentaire visée à l'article 10, § 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement des centres multifonctionnels pour mineurs handicapés, ou avec la garderie scolaire de remplacement visée à l'article 10, § 4, de l'arrêté précité du 26 février 2016. ".
" Art. 8/2. Les personnes handicapées qui combinent le budget d'assistance personnelle au 31 décembre 2016 avec le soutien fourni par un MFC selon les modalités visées à l'article 10, § 4, alinéa deux, de l'arrêté du 15 décembre 2000, peuvent combiner les ressources liées aux soins visées à l'article 8 du présent arrêté exclusivement avec la garderie scolaire complémentaire visée à l'article 10, § 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement des centres multifonctionnels pour mineurs handicapés, ou avec la garderie scolaire de remplacement visée à l'article 10, § 4, de l'arrêté précité du 26 février 2016. ".
Art.36. In artikel 26 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2016 en 24 februari 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan het eerste lid wordt de zinsnede "zoals van toepassing op 31 december 2016" toegevoegd;
2° het vijfde lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een FAM dat door het agentschap als zorgaanbieder vergund is, betaalt met ingang van 1 januari 2017 socioculturele bijdragen aan de gebruiker die gebruikmaakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, op voorwaarde dat de gebruiker of zijn bewindvoerder de toelage besteedt voor activiteiten of diensten die bijdragen tot de sociale integratie of tot de handhaving ervan, tot op het ogenblik dat het FAM dat door het agentschap als zorgaanbieder vergund is, volledig is overgeschakeld op het systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten.";
3° er worden een zesde tot en met een achtste lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Voor een gebruiker met motorische of zintuiglijke beperkingen bedraagt de bijdrage, vermeld in het vijfde lid, 2,2780 euro per nacht, vermeerderd met factor 1,65. Voor een gebruiker met lichte of matige mentale beperkingen bedraagt de bijdrage, vermeld in het vijfde lid, 1,4807 euro per nacht, vermeerderd met factor 1,65. Op jaarbasis wordt de socioculturele toelage begrensd tot respectievelijk maximaal 365 dagen of 366 dagen.
De bedragen, vermeld in het zesde lid, zijn gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen, daarvoor berekend en benoemd in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. De basis is de spilindex die geldig is op 1 januari 2014.
De bedragen, vermeld in het zesde lid, worden telkens op 1 januari en 1 juli aangepast overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.".
1° aan het eerste lid wordt de zinsnede "zoals van toepassing op 31 december 2016" toegevoegd;
2° het vijfde lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een FAM dat door het agentschap als zorgaanbieder vergund is, betaalt met ingang van 1 januari 2017 socioculturele bijdragen aan de gebruiker die gebruikmaakt van woonondersteuning en daarvoor de financiële bijdrage betaalt, op voorwaarde dat de gebruiker of zijn bewindvoerder de toelage besteedt voor activiteiten of diensten die bijdragen tot de sociale integratie of tot de handhaving ervan, tot op het ogenblik dat het FAM dat door het agentschap als zorgaanbieder vergund is, volledig is overgeschakeld op het systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten.";
3° er worden een zesde tot en met een achtste lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"Voor een gebruiker met motorische of zintuiglijke beperkingen bedraagt de bijdrage, vermeld in het vijfde lid, 2,2780 euro per nacht, vermeerderd met factor 1,65. Voor een gebruiker met lichte of matige mentale beperkingen bedraagt de bijdrage, vermeld in het vijfde lid, 1,4807 euro per nacht, vermeerderd met factor 1,65. Op jaarbasis wordt de socioculturele toelage begrensd tot respectievelijk maximaal 365 dagen of 366 dagen.
De bedragen, vermeld in het zesde lid, zijn gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen, daarvoor berekend en benoemd in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. De basis is de spilindex die geldig is op 1 januari 2014.
De bedragen, vermeld in het zesde lid, worden telkens op 1 januari en 1 juli aangepast overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.".
Art.36. A l'article 26 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des vendredi 23 décembre 2016 et 24 février 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa premier, le membre de phrase " tel que d'application le 31 décembre 2016 " est ajouté ;
2° l'alinéa cinq est remplacé par ce qui suit :
" A partir du 1er janvier 2017, un FAM agréé par l'agence en tant qu'offreur de soins paiera des contributions socioculturelles à l'utilisateur qui a recours à l'accompagnement au logement et paie dès lors la contribution financière, à condition que l'utilisateur ou son administrateur dépense l'allocation pour des activités ou des services qui contribuent à l'intégration sociale ou à son entretien, jusqu'à ce que le FAM agréé par l'agence en tant qu'offreur de soins ait entièrement basculé vers le système dans lequel l'utilisateur supporte lui-même les frais de logement et de subsistance. " ;
3° sont ajoutés des alinéas six à huit, libellés comme suit :
" Pour un usager ayant des limitations motrices ou sensorielles, la contribution visée à l'alinéa cinq s'élève à 2,2780 euros par nuit, majorée d'un facteur de 1,65. Pour un usager présentant des limitations mentales légères ou modérées, la contribution visée à l'alinéa cinq s'élève à 1,4807 euros par nuit, majorée d'un facteur de 1,65. Sur une base annuelle, l'allocation socioculturelle est plafonnée à un maximum de 365 jours ou 366 jours respectivement.
Les montants visés à l'alinéa six sont liés à l'indice pivot des prix à la consommation, calculé et cité dans l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. La base est l'indice pivot valable au 1er janvier 2014.
Les montants visés à l'alinéa six sont toujours adaptés les 1er janvier et 1er juillet conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
1° à l'alinéa premier, le membre de phrase " tel que d'application le 31 décembre 2016 " est ajouté ;
2° l'alinéa cinq est remplacé par ce qui suit :
" A partir du 1er janvier 2017, un FAM agréé par l'agence en tant qu'offreur de soins paiera des contributions socioculturelles à l'utilisateur qui a recours à l'accompagnement au logement et paie dès lors la contribution financière, à condition que l'utilisateur ou son administrateur dépense l'allocation pour des activités ou des services qui contribuent à l'intégration sociale ou à son entretien, jusqu'à ce que le FAM agréé par l'agence en tant qu'offreur de soins ait entièrement basculé vers le système dans lequel l'utilisateur supporte lui-même les frais de logement et de subsistance. " ;
3° sont ajoutés des alinéas six à huit, libellés comme suit :
" Pour un usager ayant des limitations motrices ou sensorielles, la contribution visée à l'alinéa cinq s'élève à 2,2780 euros par nuit, majorée d'un facteur de 1,65. Pour un usager présentant des limitations mentales légères ou modérées, la contribution visée à l'alinéa cinq s'élève à 1,4807 euros par nuit, majorée d'un facteur de 1,65. Sur une base annuelle, l'allocation socioculturelle est plafonnée à un maximum de 365 jours ou 366 jours respectivement.
Les montants visés à l'alinéa six sont liés à l'indice pivot des prix à la consommation, calculé et cité dans l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. La base est l'indice pivot valable au 1er janvier 2014.
Les montants visés à l'alinéa six sont toujours adaptés les 1er janvier et 1er juillet conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Art.37. Aan artikel 29/6, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het zevende lid kunnen de bijstandsorganisaties voor de gehele periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 voor een persoon met een handicap lidgelden en meer hoogdrempelige individuele bijstand registeren voor een totaal bedrag van maximaal 2000 euro, op voorwaarde dat ze aantonen dat het gelet op de specifieke situatie van de persoon met handicap noodzakelijk is meer, meer hoogdrempelige individuele bijstand te bieden.".
"In afwijking van het zevende lid kunnen de bijstandsorganisaties voor de gehele periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 voor een persoon met een handicap lidgelden en meer hoogdrempelige individuele bijstand registeren voor een totaal bedrag van maximaal 2000 euro, op voorwaarde dat ze aantonen dat het gelet op de specifieke situatie van de persoon met handicap noodzakelijk is meer, meer hoogdrempelige individuele bijstand te bieden.".
Art.37. A l'article 29/6, § 4, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017, est ajouté un alinéa huit, libellé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa sept, les organismes d'assistance peuvent, pour toute la période du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2019, enregistrer des cotisations et une assistance individuelle plus accessible pour une personne handicapée pour un montant total allant jusqu'à 2 000 euros, à condition qu'elles démontrent qu'il est nécessaire d'offrir davantage d'assistance individuelle plus accessible compte tenu de la situation spécifique de la personne handicapée. ".
" Par dérogation à l'alinéa sept, les organismes d'assistance peuvent, pour toute la période du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2019, enregistrer des cotisations et une assistance individuelle plus accessible pour une personne handicapée pour un montant total allant jusqu'à 2 000 euros, à condition qu'elles démontrent qu'il est nécessaire d'offrir davantage d'assistance individuelle plus accessible compte tenu de la situation spécifique de la personne handicapée. ".
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders
CHAPITRE 8. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins agréés
Art.38. Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders wordt een punt 12° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"12° Zorginspectie: Zorginspectie van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein.".
"12° Zorginspectie: Zorginspectie van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein.".
Art.38. A l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins agréés, il est ajouté un point 12°, libellé comme suit :
" 12° Inspection des soins : Inspection des soins du Département Aide sociale, Santé publique et Famille, telle que visée à l'article 3, § 2, alinéa trois, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mars 2006 concernant le Département de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille, relatif à l'entrée en vigueur de la réglementation créant des agences dans le domaine politique Aide sociale, Santé publique et Famille et modifiant la réglementation concernant ce domaine politique. ".
" 12° Inspection des soins : Inspection des soins du Département Aide sociale, Santé publique et Famille, telle que visée à l'article 3, § 2, alinéa trois, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 mars 2006 concernant le Département de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille, relatif à l'entrée en vigueur de la réglementation créant des agences dans le domaine politique Aide sociale, Santé publique et Famille et modifiant la réglementation concernant ce domaine politique. ".
Art.39. Artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 2. De budgetcategorie die ter beschikking gesteld wordt aan de budgethouder, wordt uitgedrukt in zorggebonden punten. Het aantal zorggebonden punten is een maximum voor een kalenderjaar.
De zorggebonden punten kunnen omgezet worden in bedragen in euro aan de hand van de omslagsleutel, vermeld in artikel 17, derde lid, van het besluit van 27 november 2015, die wordt geïndexeerd conform artikel 17, vierde lid, van het voormelde besluit.
De budgethouder kan het budget gebruiken als een voucher, als een cashbudget of als een combinatie van beide.".
"Art. 2. De budgetcategorie die ter beschikking gesteld wordt aan de budgethouder, wordt uitgedrukt in zorggebonden punten. Het aantal zorggebonden punten is een maximum voor een kalenderjaar.
De zorggebonden punten kunnen omgezet worden in bedragen in euro aan de hand van de omslagsleutel, vermeld in artikel 17, derde lid, van het besluit van 27 november 2015, die wordt geïndexeerd conform artikel 17, vierde lid, van het voormelde besluit.
De budgethouder kan het budget gebruiken als een voucher, als een cashbudget of als een combinatie van beide.".
Art.39. L'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins agréés est remplacé comme suit :
" Art. 2. La catégorie budgétaire mise à la disposition du bénéficiaire d'enveloppe est exprimée en points liés aux soins. Le nombre de points liés aux soins est un maximum pour une année civile.
Les points liés aux soins peuvent être convertis en montants en euros à l'aide de la clé de répartition visée à l'article 17, alinéa trois, de l'arrêté du 27 novembre 2015, qui est indexée conformément à l'article 17, alinéa quatre, de l'arrêté précité.
Le bénéficiaire d'enveloppe peut utiliser le budget en tant que voucher, en tant que budget de trésorerie ou en tant que combinaison des deux. ".
" Art. 2. La catégorie budgétaire mise à la disposition du bénéficiaire d'enveloppe est exprimée en points liés aux soins. Le nombre de points liés aux soins est un maximum pour une année civile.
Les points liés aux soins peuvent être convertis en montants en euros à l'aide de la clé de répartition visée à l'article 17, alinéa trois, de l'arrêté du 27 novembre 2015, qui est indexée conformément à l'article 17, alinéa quatre, de l'arrêté précité.
Le bénéficiaire d'enveloppe peut utiliser le budget en tant que voucher, en tant que budget de trésorerie ou en tant que combinaison des deux. ".
Art.40. In artikel 7, eerste lid, punt 2° wordt punt d) vervangen door wat volgt:
"d) een gebruikersovereenkomst met een organisator als vermeld in artikel 3, 4°, van het Wijk-werkendecreet van 7 juli 2017, om wijk-werkcheques te gebruiken;".
"d) een gebruikersovereenkomst met een organisator als vermeld in artikel 3, 4°, van het Wijk-werkendecreet van 7 juli 2017, om wijk-werkcheques te gebruiken;".
Art.40. A l'article 7, alinéa premier, point 2°, le point d) est remplacé par ce qui suit :
" d) un accord d'utilisation avec un organisateur, tel que visé à l'article 3, 4°, du décret du 7 juillet 2017 relatif au travail de proximité, pour l'utilisation de chèques-travail de proximité ; ".
" d) un accord d'utilisation avec un organisateur, tel que visé à l'article 3, 4°, du décret du 7 juillet 2017 relatif au travail de proximité, pour l'utilisation de chèques-travail de proximité ; ".
Art.41. In artikel 7, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt:
"3° een overeenkomst met een rechtspersoon die zorg en ondersteuning organiseert voor hoogstens vijftien personen met een handicap, die al of niet beschikken over een budget. De ingezette budgetten kunnen in solidariteit aangewend om zorg en ondersteuning te organiseren voor alle personen met een handicap. Minimaal de helft van de leden van de organen van de rechtspersoon, vermeld in het wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999 of in de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen zijn familie tot de tweede graad van de personen met een handicap die worden ondersteund. De rechtspersoon registreert zich bij het agentschap op de wijze die wordt vastgesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;".
2° aan punt 4° wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
"De zorg en ondersteuning wordt geboden buiten de capaciteit waarvoor de organisatie of dienst is erkend of vergund.".
1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt:
"3° een overeenkomst met een rechtspersoon die zorg en ondersteuning organiseert voor hoogstens vijftien personen met een handicap, die al of niet beschikken over een budget. De ingezette budgetten kunnen in solidariteit aangewend om zorg en ondersteuning te organiseren voor alle personen met een handicap. Minimaal de helft van de leden van de organen van de rechtspersoon, vermeld in het wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999 of in de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen zijn familie tot de tweede graad van de personen met een handicap die worden ondersteund. De rechtspersoon registreert zich bij het agentschap op de wijze die wordt vastgesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;".
2° aan punt 4° wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
"De zorg en ondersteuning wordt geboden buiten de capaciteit waarvoor de organisatie of dienst is erkend of vergund.".
Art.41. A l'article 7, alinéa premier, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° une convention avec une personne morale qui organise les soins et le soutien d'un maximum de quinze personnes handicapées, avec ou sans budget. Les budgets mis en oeuvre peuvent être utilisés en solidarité pour organiser les soins et le soutien pour toutes les personnes handicapées. 3° Au moins la moitié des membres des organes de la personne morale mentionnés dans le Code des sociétés du 7 mai 1999 ou dans la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations, sont des membres de la famille jusqu'au deuxième degré des personnes handicapées bénéficiant du soutien. La personne morale doit s'enregistrer auprès de l'agence de la manière déterminée par le ministre flamand qui a l'assistance aux personnes dans ses attributions. ".
2° une phrase est ajoutée au point 4°, libellée comme suit :
" Les soins et le soutien sont fournis en dehors de la capacité pour laquelle l'organisation ou le service a été reconnu ou agréé. ".
1° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° une convention avec une personne morale qui organise les soins et le soutien d'un maximum de quinze personnes handicapées, avec ou sans budget. Les budgets mis en oeuvre peuvent être utilisés en solidarité pour organiser les soins et le soutien pour toutes les personnes handicapées. 3° Au moins la moitié des membres des organes de la personne morale mentionnés dans le Code des sociétés du 7 mai 1999 ou dans la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations, sont des membres de la famille jusqu'au deuxième degré des personnes handicapées bénéficiant du soutien. La personne morale doit s'enregistrer auprès de l'agence de la manière déterminée par le ministre flamand qui a l'assistance aux personnes dans ses attributions. ".
2° une phrase est ajoutée au point 4°, libellée comme suit :
" Les soins et le soutien sont fournis en dehors de la capacité pour laquelle l'organisation ou le service a été reconnu ou agréé. ".
Art.42. In artikel 8, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt het woord "maanden" vervangen door het woord "dagen".
Art.42. A l'article 8, alinéa deux, du même arrêté, le mot " mois " est remplacé par le mot " jours ".
Art.43. In artikel 10, § 3, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden "derde lid".
Art.43. A l'article 10, § 3, alinéa deux, du même arrêté, les mots " alinéa deux " sont remplacés par les mots " alinéa trois ".
Art.44. Artikel 12 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 12. De beslissing van het agentschap tot terbeschikkingstelling van het budget en de beslissing tot toewijzing van dat budget vervallen als de budgethouder binnen de termijn, vermeld in artikel 9, niet is gestart met het besteden van het budget. Als de budgethouder overmacht aantoont, kan het agentschap de termijn, vermeld in artikel 9, eenmalig verlengen met vier maanden.
Het agentschap brengt de budgethouder een maand vooraf ervan op de hoogte dat de beslissing van het agentschap tot toewijzing en terbeschikkingstelling van het budget over een maand vervalt. Als de termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken, brengt het agentschap de budgethouder er schriftelijk van op de hoogte dat de beslissing tot toewijzing en terbeschikkingstelling vervalt.".
"Art. 12. De beslissing van het agentschap tot terbeschikkingstelling van het budget en de beslissing tot toewijzing van dat budget vervallen als de budgethouder binnen de termijn, vermeld in artikel 9, niet is gestart met het besteden van het budget. Als de budgethouder overmacht aantoont, kan het agentschap de termijn, vermeld in artikel 9, eenmalig verlengen met vier maanden.
Het agentschap brengt de budgethouder een maand vooraf ervan op de hoogte dat de beslissing van het agentschap tot toewijzing en terbeschikkingstelling van het budget over een maand vervalt. Als de termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken, brengt het agentschap de budgethouder er schriftelijk van op de hoogte dat de beslissing tot toewijzing en terbeschikkingstelling vervalt.".
Art.44. L'article 12 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 12. La décision de l'agence de mettre le budget à disposition et la décision d'attribution de ce budget expirent si le bénéficiaire d'enveloppe n'a pas entamé le budget dans le délai visé à l'article 9. Si le bénéficiaire d'enveloppe apporte la preuve d'un cas de force majeure, l'agence peut accorder à titre unique une prolongation de quatre mois du délai mentionné à l'article 9.
L'agence informe le bénéficiaire d'enveloppe un mois à l'avance de l'expiration de la décision d'attribution et de mise à disposition du budget un mois plus tard. En cas d'expiration du délai mentionné à l'alinéa premier, l'agence informe le bénéficiaire d'enveloppe par écrit de l'expiration de la décision d'attribution et de mise à disposition du budget. ".
" Art. 12. La décision de l'agence de mettre le budget à disposition et la décision d'attribution de ce budget expirent si le bénéficiaire d'enveloppe n'a pas entamé le budget dans le délai visé à l'article 9. Si le bénéficiaire d'enveloppe apporte la preuve d'un cas de force majeure, l'agence peut accorder à titre unique une prolongation de quatre mois du délai mentionné à l'article 9.
L'agence informe le bénéficiaire d'enveloppe un mois à l'avance de l'expiration de la décision d'attribution et de mise à disposition du budget un mois plus tard. En cas d'expiration du délai mentionné à l'alinéa premier, l'agence informe le bénéficiaire d'enveloppe par écrit de l'expiration de la décision d'attribution et de mise à disposition du budget. ".
Art.45. In artikel 15, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "tweede lid" vervangen door de woorden "derde lid".
Art.45. A l'article 15, § 2, alinéa deux, du même arrêté, les mots " alinéa deux " sont remplacés par les mots " alinéa trois ".
Art.46. In artikel 24 van hetzelfde besluit worden punt 8° en 9° vervangen door wat volgt:
"8° de aankoop van wijk-werkcheques;
9° het inschrijvingsrecht bij een organisator als vermeld als vermeld in artikel 3, 4°, van het Wijk-werkendecreet van 7 juli 2017;".
"8° de aankoop van wijk-werkcheques;
9° het inschrijvingsrecht bij een organisator als vermeld als vermeld in artikel 3, 4°, van het Wijk-werkendecreet van 7 juli 2017;".
Art.46. A l'article 24 du même arrêté, les points 8° et 9° sont remplacés par ce qui suit :
" 8° l'achat de chèques-travail de proximité ;
9° le droit d'inscription auprès d'un organisateur tel que visé à l'article 3, 4°, du décret 7 juillet 2017 relatif aux travaux de proximité ; ".
" 8° l'achat de chèques-travail de proximité ;
9° le droit d'inscription auprès d'un organisateur tel que visé à l'article 3, 4°, du décret 7 juillet 2017 relatif aux travaux de proximité ; ".
Art.47. In artikel 25 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017, wordt het vijfde lid opgeheven.
Art.47. A l'article 25 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 2017, l'alinéa cinq est supprimé.
Art.48. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 maart 2017 en 22 december 2017, wordt hoofdstuk 8, dat bestaat uit artikel 27, vervangen door wat volgt:
HOOFDSTUK 8. - Controle en begeleidende maatregelen
Afdeling 1. - Controle
Art. 27. § 1. Zorginspectie controleert ter plaatse of op basis van stukken of de bepalingen, vermeld in dit besluit, worden nageleefd.
De budgethouders verlenen hun medewerking aan de uitoefening van het toezicht door Zorginspectie. Als daarom verzocht wordt, stellen ze de stukken die verband houden met de besteding van het budget, ter beschikking.
§ 2. Het agentschap kan de overeenkomsten, vermeld in artikel 7, die de budgethouder heeft gesloten in het kader van de besteding van zijn budget als cashbudget, en de bewijzen voor de meegedeelde kosten opvragen bij de budgethouder.
§ 3. Als een budgethouder nalaat gevolg te geven aan drie opeenvolgende verzoeken van Zorginspectie om medewerking te verlenen aan de uitoefening van het toezicht, of nalaat gevolg te geven aan drie opeenvolgende verzoeken van Zorginspectie om de stukken, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, te bezorgen, of nalaat gevolg te geven aan drie opeenvolgende verzoeken van het agentschap om de overeenkomsten en bewijzen, vermeld in paragraaf 2, te bezorgen, betaalt het agentschap de kosten, vermeld op de kostenstaten, vermeld in artikel 22, niet langer terug en vervalt de beslissing van het agentschap over de terbeschikkingstelling van het budget.
Afdeling 2. - Begeleidende maatregelen bij oneigenlijk gebruik
Art. 27/1. Als het agentschap of Zorginspectie vaststelt dat het budget dat ter beschikking is gesteld en dat wordt ingezet als een cashbudget, niet wordt besteed conform artikel 4, 5, 7, 19 en 22 tot en met 24, kan het agentschap maatregelen opleggen als vermeld in artikel 27/2 en 27/3.
Art. 27/2. Bij een eerste vaststelling van een niet-conforme besteding als vermeld in artikel 27/1, brengt het agentschap de betrokken budgethouder daarvan op de hoogte en informeert het de budgethouder over de aard van de niet-conformiteit.
Art. 27/3. § 1. Na twee verschillende vaststellingen van niet-conforme besteding als vermeld in artikel 27/1, binnen een periode van drie maanden kan het agentschap de betrokken budgethouder verwijzen naar een bijstandsorganisatie. De budgethouder is dan verplicht om zich voor het beheer van zijn budget te laten bijstaan door een bijstandsorganisatie. De budgethouder sluit een overeenkomst met een bijstandsorganisatie waarin wordt voorzien in ministens vier sessies hoogdrempelige individuele bijstand. De bijstand die wordt geboden door de bijstandsorganisatie, wordt vergoed met het budget van de betrokken persoon met een handicap.
De budgethouder deelt de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, mee aan het agentschap. De bijstandsorganisaties informeren het agentschap over de bijstand die is verleend conform het eerste lid.
§ 2. Als de budgethouder nalaat de overeenkomst, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, aan te gaan en zich te laten bijstaan door een bijstandsorganisatie, of als het agentschap of Zorginspectie opnieuw tweemaal vaststelt dat het budget niet wordt besteed conform artikel 4, 5, 7, 19 en 22 tot en met 24, nadat de budgethouder is verplicht zich te laten bijstaan door een bijstandsorganisatie, kan het agentschap beslissen dat de budgethouder zich gedurende een periode van maximaal twee jaar moet laten bijstaan door een bijstandsorganisatie bij de opmaak van een overeenkomst als vermeld in artikel 7, voor de mededeling van de gegevens van die overeenkomsten, vermeld in artikel 17, § 1, eerste lid, en bij de opmaak en mededeling van de kostenstaten, vermeld in artikel 22.
Het agentschap informeert de budgethouder over zijn beslissing, vermeld in het eerste lid.
De budgethouder sluit een overeenkomst met een bijstandsorganisatie, die de taken, vermeld in het eerste lid, zal opnemen, waarin wordt voorzien in hoogdrempelige individuele bijstand, die wordt vergoed met het budget van de persoon met een handicap. De budgethouder deelt die overeenkomst mee aan het agentschap.
De bijstandsorganisatie, vermeld in de overeenkomst, vermeld in het derde lid, informeert het agentschap over de bijstand die wordt verleend in het kader van de voormelde overeenkomst.
§ 3. Als de budgethouder geen overeenkomst sluit als vermeld in paragraaf 2, derde lid, binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum van de beslissing van het agentschap, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, kan het agentschap beslissen dat de budgethouder het budget gedurende twee jaar, te rekenen vanaf de datum vermeld in de beslissing van het agentschap, uitsluitend kan inzetten als een voucher bij een vergunde zorgaanbieder.
Het agentschap deelt zijn beslissing, vermeld in het eerste lid, mee aan de budgethouder.
De kosten vermeld op een kostenstaat als vermeld in artikel 22, worden niet meer terugbetaald vanaf de datum, vermeld in de beslissing van het agentschap.
§ 4. Als de budgethouder het budget na de beslissing van het agentschap, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, niet inzet als een voucher, vervalt de beslissing van het agentschap over de terbeschikkingstelling van het budget.
Art. 27/4. Onverminderd de toepassing van artikel 27/1 tot en met 27/3 kan het agentschap de kosten, vermeld op de kostenstaten, vermeld in artikel 22, die terugbetaald zijn aan de budgethouder, terugvorderen als vastgesteld wordt dat die kosten verband houden met een niet-conforme besteding van het cashbudget als vermeld in artikel 27/1.
Afdeling 3. - Maatregelen bij onvoldoende besteding van een budget
Art. 27/8. Het agentschap monitort de besteding van de budgetten op jaarbasis.
Als het agentschap vaststelt dat er gedurende een kalenderjaar geen overeenkomsten als vermeld in artikel 7 of 13, eerste lid, zijn meegedeeld aan het agentschap, of als de budgethouder die het budget inzet als een cashbudget, gedurende een kalenderjaar geen kostenstaten als vermeld in artikel 22 heeft ingediend, neemt het agentschap daarover met een brief en telefonisch contact op met de budgethouder.
Als de budgethouder niet reageert op de brief, vermeld in het tweede lid, binnen dertig dagen nadat hij is verzonden, stuurt het agentschap een herinneringsbrief naar de budgethouder.
Als de budgethouder niet reageert op die herinneringsbrief, kan het agentschap beslissen dat de budgethouder zich moet laten bijstaan door een bijstandsorganisatie. De budgethouder sluit een overeenkomst met een bijstandsorganisatie waarin wordt voorzien in ministens vier sessies hoogdrempelige individuele bijstand. De bijstand die wordt geboden door de bijstandsorganisatie, wordt vergoed met het budget van de persoon met een handicap.
De budgethouder deelt de overeenkomst, vermeld in het vierde lid, mee aan het agentschap. De bijstandsorganisaties informeren het agentschap over de bijstand die is verleend conform het vierde lid.
Als de budgethouder geen overeenkomst sluit als vermeld in het vierde lid, worden de kosten vermeld op een kostenstaat als vermeld in artikel 22, niet meer terugbetaald en vervalt de beslissing van het agentschap over de terbeschikkingstelling van het budget.".
HOOFDSTUK 8. - Controle en begeleidende maatregelen
Afdeling 1. - Controle
Art. 27. § 1. Zorginspectie controleert ter plaatse of op basis van stukken of de bepalingen, vermeld in dit besluit, worden nageleefd.
De budgethouders verlenen hun medewerking aan de uitoefening van het toezicht door Zorginspectie. Als daarom verzocht wordt, stellen ze de stukken die verband houden met de besteding van het budget, ter beschikking.
§ 2. Het agentschap kan de overeenkomsten, vermeld in artikel 7, die de budgethouder heeft gesloten in het kader van de besteding van zijn budget als cashbudget, en de bewijzen voor de meegedeelde kosten opvragen bij de budgethouder.
§ 3. Als een budgethouder nalaat gevolg te geven aan drie opeenvolgende verzoeken van Zorginspectie om medewerking te verlenen aan de uitoefening van het toezicht, of nalaat gevolg te geven aan drie opeenvolgende verzoeken van Zorginspectie om de stukken, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, te bezorgen, of nalaat gevolg te geven aan drie opeenvolgende verzoeken van het agentschap om de overeenkomsten en bewijzen, vermeld in paragraaf 2, te bezorgen, betaalt het agentschap de kosten, vermeld op de kostenstaten, vermeld in artikel 22, niet langer terug en vervalt de beslissing van het agentschap over de terbeschikkingstelling van het budget.
Afdeling 2. - Begeleidende maatregelen bij oneigenlijk gebruik
Art. 27/1. Als het agentschap of Zorginspectie vaststelt dat het budget dat ter beschikking is gesteld en dat wordt ingezet als een cashbudget, niet wordt besteed conform artikel 4, 5, 7, 19 en 22 tot en met 24, kan het agentschap maatregelen opleggen als vermeld in artikel 27/2 en 27/3.
Art. 27/2. Bij een eerste vaststelling van een niet-conforme besteding als vermeld in artikel 27/1, brengt het agentschap de betrokken budgethouder daarvan op de hoogte en informeert het de budgethouder over de aard van de niet-conformiteit.
Art. 27/3. § 1. Na twee verschillende vaststellingen van niet-conforme besteding als vermeld in artikel 27/1, binnen een periode van drie maanden kan het agentschap de betrokken budgethouder verwijzen naar een bijstandsorganisatie. De budgethouder is dan verplicht om zich voor het beheer van zijn budget te laten bijstaan door een bijstandsorganisatie. De budgethouder sluit een overeenkomst met een bijstandsorganisatie waarin wordt voorzien in ministens vier sessies hoogdrempelige individuele bijstand. De bijstand die wordt geboden door de bijstandsorganisatie, wordt vergoed met het budget van de betrokken persoon met een handicap.
De budgethouder deelt de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, mee aan het agentschap. De bijstandsorganisaties informeren het agentschap over de bijstand die is verleend conform het eerste lid.
§ 2. Als de budgethouder nalaat de overeenkomst, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, aan te gaan en zich te laten bijstaan door een bijstandsorganisatie, of als het agentschap of Zorginspectie opnieuw tweemaal vaststelt dat het budget niet wordt besteed conform artikel 4, 5, 7, 19 en 22 tot en met 24, nadat de budgethouder is verplicht zich te laten bijstaan door een bijstandsorganisatie, kan het agentschap beslissen dat de budgethouder zich gedurende een periode van maximaal twee jaar moet laten bijstaan door een bijstandsorganisatie bij de opmaak van een overeenkomst als vermeld in artikel 7, voor de mededeling van de gegevens van die overeenkomsten, vermeld in artikel 17, § 1, eerste lid, en bij de opmaak en mededeling van de kostenstaten, vermeld in artikel 22.
Het agentschap informeert de budgethouder over zijn beslissing, vermeld in het eerste lid.
De budgethouder sluit een overeenkomst met een bijstandsorganisatie, die de taken, vermeld in het eerste lid, zal opnemen, waarin wordt voorzien in hoogdrempelige individuele bijstand, die wordt vergoed met het budget van de persoon met een handicap. De budgethouder deelt die overeenkomst mee aan het agentschap.
De bijstandsorganisatie, vermeld in de overeenkomst, vermeld in het derde lid, informeert het agentschap over de bijstand die wordt verleend in het kader van de voormelde overeenkomst.
§ 3. Als de budgethouder geen overeenkomst sluit als vermeld in paragraaf 2, derde lid, binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum van de beslissing van het agentschap, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, kan het agentschap beslissen dat de budgethouder het budget gedurende twee jaar, te rekenen vanaf de datum vermeld in de beslissing van het agentschap, uitsluitend kan inzetten als een voucher bij een vergunde zorgaanbieder.
Het agentschap deelt zijn beslissing, vermeld in het eerste lid, mee aan de budgethouder.
De kosten vermeld op een kostenstaat als vermeld in artikel 22, worden niet meer terugbetaald vanaf de datum, vermeld in de beslissing van het agentschap.
§ 4. Als de budgethouder het budget na de beslissing van het agentschap, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, niet inzet als een voucher, vervalt de beslissing van het agentschap over de terbeschikkingstelling van het budget.
Art. 27/4. Onverminderd de toepassing van artikel 27/1 tot en met 27/3 kan het agentschap de kosten, vermeld op de kostenstaten, vermeld in artikel 22, die terugbetaald zijn aan de budgethouder, terugvorderen als vastgesteld wordt dat die kosten verband houden met een niet-conforme besteding van het cashbudget als vermeld in artikel 27/1.
Afdeling 3. - Maatregelen bij onvoldoende besteding van een budget
Art. 27/8. Het agentschap monitort de besteding van de budgetten op jaarbasis.
Als het agentschap vaststelt dat er gedurende een kalenderjaar geen overeenkomsten als vermeld in artikel 7 of 13, eerste lid, zijn meegedeeld aan het agentschap, of als de budgethouder die het budget inzet als een cashbudget, gedurende een kalenderjaar geen kostenstaten als vermeld in artikel 22 heeft ingediend, neemt het agentschap daarover met een brief en telefonisch contact op met de budgethouder.
Als de budgethouder niet reageert op de brief, vermeld in het tweede lid, binnen dertig dagen nadat hij is verzonden, stuurt het agentschap een herinneringsbrief naar de budgethouder.
Als de budgethouder niet reageert op die herinneringsbrief, kan het agentschap beslissen dat de budgethouder zich moet laten bijstaan door een bijstandsorganisatie. De budgethouder sluit een overeenkomst met een bijstandsorganisatie waarin wordt voorzien in ministens vier sessies hoogdrempelige individuele bijstand. De bijstand die wordt geboden door de bijstandsorganisatie, wordt vergoed met het budget van de persoon met een handicap.
De budgethouder deelt de overeenkomst, vermeld in het vierde lid, mee aan het agentschap. De bijstandsorganisaties informeren het agentschap over de bijstand die is verleend conform het vierde lid.
Als de budgethouder geen overeenkomst sluit als vermeld in het vierde lid, worden de kosten vermeld op een kostenstaat als vermeld in artikel 22, niet meer terugbetaald en vervalt de beslissing van het agentschap over de terbeschikkingstelling van het budget.".
Art.48. Dans le même arrêté, modifié en dernier lieu par les arrêtés du Gouvernement flamand du 10 mars 2017 et du 22 décembre 2017, le chapitre 8, comprenant l'article 27, est remplacé par ce qui suit :
CHAPITRE 8. - Contrôle et mesures d'accompagnement
Section 1. - Contrôle Article 27.
§ 1er. L'Inspection des soins vérifiera sur place si les dispositions visées dans le présent arrêté sont respectées sur la base de documents.
Les bénéficiaires d'enveloppe apporteront leur collaboration à l'exécution du contrôle par l'Inspection des soins. Si la demande leur en est faite, ils mettront à disposition les pièces liées à l'affectation du budget.
§ 2. L'agence peut demander au bénéficiaire d'enveloppe de consulter les contrats visés à l'article 7 qu'il a conclus dans le cadre de l'affectation de son budget en tant que budget de trésorerie, de même que les pièces justificatives des frais communiqués.
§ 3. Si un bénéficiaire d'enveloppe ne se conforme pas à trois demandes successives de l'Inspection des soins de coopérer à l'exécution de la supervision, ou à trois demandes successives de l'Inspection des soins de fournir les documents visés au paragraphe 1er, alinéa deux, ou de se conformer à trois demandes successives de l'agence de fournir les accords et les preuves visés au paragraphe 2, l'agence ne remboursera plus les frais mentionnés dans les états de frais visés à l'article 22, et la décision de l'agence concernant la mise à disposition du budget deviendra caduque.
Section 2. - Mesures d'accompagnement en cas d'utilisation abusive
Art. 27/1. Si l'agence ou l'Inspection des soins de santé constate que le budget mis à disposition et utilisé comme budget de trésorerie n'est pas utilisé conformément aux articles 4, 5, 7, 19 et 22 à 24, l'agence peut imposer les mesures visées aux articles 27/2 et 27/3.
Art. 27/2. Lorsqu'une utilisation non conforme telle que visée à l'article 27/1 est constatée pour la première fois, l'agence en informe le bénéficiaire d'enveloppe concerné et informe le bénéficiaire d'enveloppe de la nature de la non-conformité.
Art. 27/3. § 1er. Après deux constatations différentes d'utilisation non conforme, visées à l'article 27/1, dans un délai de trois mois, l'agence peut renvoyer le bénéficiaire d'enveloppe concerné à un organisme d'assistance. Le bénéficiaire d'enveloppe est alors tenu de solliciter l'assistance d'un organisme d'assistance pour la gestion de son budget. Le bénéficiaire d'enveloppe conclut un accord avec un organisme d'assistance prévoyant au moins quatre sessions d'assistance individuelle hautement accessible. L'assistance fournie par l'organisation d'assistance sera remboursée sur le budget de la personne handicapée concernée.
Le bénéficiaire d'enveloppe communiquera à l'agence l'accord visé à l'alinéa premier. Les organismes d'assistance informent l'agence de l'assistance fournie conformément à l'alinéa premier.
§ 2. Si le bénéficiaire d'enveloppe ne conclut pas le contrat visé au paragraphe premier, alinéa premier, et n'est pas assisté par un organisme d'assistance, ou si l'agence ou l'Inspection des soins constate à nouveau deux fois que le budget n'est pas dépensé conformément aux articles 4, 5, 7, 19 et 22 à 24, après que le bénéficiaire d'enveloppe a été obligé de se faire assister par un organisme d'assistance, l'agence peut décider que le bénéficiaire d'enveloppe doit être assisté, pour une période maximale de deux ans, par un organisme d'assistance pour l'établissement d'un contrat visé à l'article 7, pour la communication des détails de ces contrats visés à l'article 17, § 1er, et pour l'établissement et la communication des états de frais visés à l'article 22.
L'agence informe le bénéficiaire d'enveloppe de sa décision visée à l'alinéa premier.
Le bénéficiaire d'enveloppe conclut un accord avec un organisme d'assistance, qui assume les tâches visées à l'alinéa premier, prévoyant une assistance individuelle hautement accessible, qui est remboursée sur le budget de la personne handicapée. Le bénéficiaire d'enveloppe communique cet accord à l'agence.
L'organisme d'assistance visé dans l'accord visé à l'alinéa trois informe l'agence de l'assistance fournie dans le cadre de l'accord visé ci-dessus.
§ 3. Si le bénéficiaire d'enveloppe ne conclut pas le contrat visé au paragraphe 2, alinéa trois, dans les deux mois qui suivent la date de la décision de l'agence visée au paragraphe 2, alinéa premier, l'agence peut décider que, pendant une période de deux ans à compter de la date spécifiée dans la décision de l'agence, le bénéficiaire d'enveloppe ne peut utiliser le budget qu'à titre de voucher auprès d'un offreur de soins autorisé.
L'agence communique au bénéficiaire d'enveloppe sa décision visée à l'alinéa premier.
Les frais mentionnés sur un état des frais visés à l'article 22 ne sont plus remboursés à compter de la date mentionnée dans la décision de l'agence.
§ 4. Si, à la suite de la décision de l'agence visée au paragraphe 3, alinéa premier, le bénéficiaire d'enveloppe n'utilise pas le budget comme voucher, la décision de l'agence concernant la mise à disposition du budget devient caduque.
Art. 27/4. Sans préjudice de l'application des articles 27/1 à 27/3, l'agence peut recouvrer les frais indiqués dans les états de frais visés à l'article 22 qui ont été remboursés au bénéficiaire d'enveloppe s'il est établi qu'ils se rapportent à une utilisation non conforme du budget de trésorerie, conformément à l'article 27/1.
Section 3. - Mesures en cas de sous-utilisation d'un budget
Art. 27/8. L'agence surveille l'utilisation des budgets sur une base annuelle.
Si l'agence constate qu'au cours d'une année civile, aucun des accords visés à l'article 7 ou à l'article 13, alinéa premier, n'a été communiqué à l'agence, ou si le bénéficiaire d'enveloppe utilisant le budget comme budget de trésorerie n'a pas présenté d'états de frais visés à l'article 22 au cours d'une année civile, l'agence contactera le bénéficiaire d'enveloppe par courrier ou téléphone.
Si le bénéficiaire d'enveloppe ne répond pas à la lettre visée à l'alinéa deux dans les trente jours qui suivent son envoi, l'agence lui enverra un rappel.
Si le bénéficiaire d'enveloppe ne répond pas à ce rappel, l'agence peut décider que le bénéficiaire d'enveloppe doit se faire assister par un organisme d'assistance. Le bénéficiaire d'enveloppe conclut un accord avec un organisme d'assistance prévoyant au moins quatre sessions d'assistance individuelle hautement accessible. L'assistance fournie par l'organisme d'assistance est remboursée sur le budget de la personne handicapée.
Le bénéficiaire d'enveloppe communique à l'agence le contrat visé à l'alinéa quatre. Les organismes d'assistance informent l'agence de l'assistance fournie conformément à l'alinéa quatre.
Si le bénéficiaire d'enveloppe ne conclut pas l'accord visé à l'alinéa quatre, les frais figurant dans un état des frais visés à l'article 22 ne sont plus remboursés et la décision de l'agence relative à la mise à disposition du budget devient caduque. ".
CHAPITRE 8. - Contrôle et mesures d'accompagnement
Section 1. - Contrôle Article 27.
§ 1er. L'Inspection des soins vérifiera sur place si les dispositions visées dans le présent arrêté sont respectées sur la base de documents.
Les bénéficiaires d'enveloppe apporteront leur collaboration à l'exécution du contrôle par l'Inspection des soins. Si la demande leur en est faite, ils mettront à disposition les pièces liées à l'affectation du budget.
§ 2. L'agence peut demander au bénéficiaire d'enveloppe de consulter les contrats visés à l'article 7 qu'il a conclus dans le cadre de l'affectation de son budget en tant que budget de trésorerie, de même que les pièces justificatives des frais communiqués.
§ 3. Si un bénéficiaire d'enveloppe ne se conforme pas à trois demandes successives de l'Inspection des soins de coopérer à l'exécution de la supervision, ou à trois demandes successives de l'Inspection des soins de fournir les documents visés au paragraphe 1er, alinéa deux, ou de se conformer à trois demandes successives de l'agence de fournir les accords et les preuves visés au paragraphe 2, l'agence ne remboursera plus les frais mentionnés dans les états de frais visés à l'article 22, et la décision de l'agence concernant la mise à disposition du budget deviendra caduque.
Section 2. - Mesures d'accompagnement en cas d'utilisation abusive
Art. 27/1. Si l'agence ou l'Inspection des soins de santé constate que le budget mis à disposition et utilisé comme budget de trésorerie n'est pas utilisé conformément aux articles 4, 5, 7, 19 et 22 à 24, l'agence peut imposer les mesures visées aux articles 27/2 et 27/3.
Art. 27/2. Lorsqu'une utilisation non conforme telle que visée à l'article 27/1 est constatée pour la première fois, l'agence en informe le bénéficiaire d'enveloppe concerné et informe le bénéficiaire d'enveloppe de la nature de la non-conformité.
Art. 27/3. § 1er. Après deux constatations différentes d'utilisation non conforme, visées à l'article 27/1, dans un délai de trois mois, l'agence peut renvoyer le bénéficiaire d'enveloppe concerné à un organisme d'assistance. Le bénéficiaire d'enveloppe est alors tenu de solliciter l'assistance d'un organisme d'assistance pour la gestion de son budget. Le bénéficiaire d'enveloppe conclut un accord avec un organisme d'assistance prévoyant au moins quatre sessions d'assistance individuelle hautement accessible. L'assistance fournie par l'organisation d'assistance sera remboursée sur le budget de la personne handicapée concernée.
Le bénéficiaire d'enveloppe communiquera à l'agence l'accord visé à l'alinéa premier. Les organismes d'assistance informent l'agence de l'assistance fournie conformément à l'alinéa premier.
§ 2. Si le bénéficiaire d'enveloppe ne conclut pas le contrat visé au paragraphe premier, alinéa premier, et n'est pas assisté par un organisme d'assistance, ou si l'agence ou l'Inspection des soins constate à nouveau deux fois que le budget n'est pas dépensé conformément aux articles 4, 5, 7, 19 et 22 à 24, après que le bénéficiaire d'enveloppe a été obligé de se faire assister par un organisme d'assistance, l'agence peut décider que le bénéficiaire d'enveloppe doit être assisté, pour une période maximale de deux ans, par un organisme d'assistance pour l'établissement d'un contrat visé à l'article 7, pour la communication des détails de ces contrats visés à l'article 17, § 1er, et pour l'établissement et la communication des états de frais visés à l'article 22.
L'agence informe le bénéficiaire d'enveloppe de sa décision visée à l'alinéa premier.
Le bénéficiaire d'enveloppe conclut un accord avec un organisme d'assistance, qui assume les tâches visées à l'alinéa premier, prévoyant une assistance individuelle hautement accessible, qui est remboursée sur le budget de la personne handicapée. Le bénéficiaire d'enveloppe communique cet accord à l'agence.
L'organisme d'assistance visé dans l'accord visé à l'alinéa trois informe l'agence de l'assistance fournie dans le cadre de l'accord visé ci-dessus.
§ 3. Si le bénéficiaire d'enveloppe ne conclut pas le contrat visé au paragraphe 2, alinéa trois, dans les deux mois qui suivent la date de la décision de l'agence visée au paragraphe 2, alinéa premier, l'agence peut décider que, pendant une période de deux ans à compter de la date spécifiée dans la décision de l'agence, le bénéficiaire d'enveloppe ne peut utiliser le budget qu'à titre de voucher auprès d'un offreur de soins autorisé.
L'agence communique au bénéficiaire d'enveloppe sa décision visée à l'alinéa premier.
Les frais mentionnés sur un état des frais visés à l'article 22 ne sont plus remboursés à compter de la date mentionnée dans la décision de l'agence.
§ 4. Si, à la suite de la décision de l'agence visée au paragraphe 3, alinéa premier, le bénéficiaire d'enveloppe n'utilise pas le budget comme voucher, la décision de l'agence concernant la mise à disposition du budget devient caduque.
Art. 27/4. Sans préjudice de l'application des articles 27/1 à 27/3, l'agence peut recouvrer les frais indiqués dans les états de frais visés à l'article 22 qui ont été remboursés au bénéficiaire d'enveloppe s'il est établi qu'ils se rapportent à une utilisation non conforme du budget de trésorerie, conformément à l'article 27/1.
Section 3. - Mesures en cas de sous-utilisation d'un budget
Art. 27/8. L'agence surveille l'utilisation des budgets sur une base annuelle.
Si l'agence constate qu'au cours d'une année civile, aucun des accords visés à l'article 7 ou à l'article 13, alinéa premier, n'a été communiqué à l'agence, ou si le bénéficiaire d'enveloppe utilisant le budget comme budget de trésorerie n'a pas présenté d'états de frais visés à l'article 22 au cours d'une année civile, l'agence contactera le bénéficiaire d'enveloppe par courrier ou téléphone.
Si le bénéficiaire d'enveloppe ne répond pas à la lettre visée à l'alinéa deux dans les trente jours qui suivent son envoi, l'agence lui enverra un rappel.
Si le bénéficiaire d'enveloppe ne répond pas à ce rappel, l'agence peut décider que le bénéficiaire d'enveloppe doit se faire assister par un organisme d'assistance. Le bénéficiaire d'enveloppe conclut un accord avec un organisme d'assistance prévoyant au moins quatre sessions d'assistance individuelle hautement accessible. L'assistance fournie par l'organisme d'assistance est remboursée sur le budget de la personne handicapée.
Le bénéficiaire d'enveloppe communique à l'agence le contrat visé à l'alinéa quatre. Les organismes d'assistance informent l'agence de l'assistance fournie conformément à l'alinéa quatre.
Si le bénéficiaire d'enveloppe ne conclut pas l'accord visé à l'alinéa quatre, les frais figurant dans un état des frais visés à l'article 22 ne sont plus remboursés et la décision de l'agence relative à la mise à disposition du budget devient caduque. ".
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap
CHAPITRE 9. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapées
Art.49. In artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan punt 1° wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
"De zorg en ondersteuning wordt geboden buiten de capaciteit waarvoor de organisatie of dienst is erkend of vergund.";
2° punt 3° wordt vervangen door wat volgt:
"3° een overeenkomst met een rechtspersoon die zorg en ondersteuning organiseert voor hoogstens vijftien personen met een handicap, die al of niet beschikken over een budget. De ingezette budgetten worden in solidariteit aangewend om zorg en ondersteuning te organiseren voor alle personen met een handicap. Minimaal de helft van de leden van de organen van de rechtspersoon, vermeld in het wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999 of in de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, zijn familie tot de tweede graad van de personen met een handicap die worden ondersteund. De rechtspersoon registreert zich bij het agentschap op de wijze die wordt vastgesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen.".
1° aan punt 1° wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt:
"De zorg en ondersteuning wordt geboden buiten de capaciteit waarvoor de organisatie of dienst is erkend of vergund.";
2° punt 3° wordt vervangen door wat volgt:
"3° een overeenkomst met een rechtspersoon die zorg en ondersteuning organiseert voor hoogstens vijftien personen met een handicap, die al of niet beschikken over een budget. De ingezette budgetten worden in solidariteit aangewend om zorg en ondersteuning te organiseren voor alle personen met een handicap. Minimaal de helft van de leden van de organen van de rechtspersoon, vermeld in het wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999 of in de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, zijn familie tot de tweede graad van de personen met een handicap die worden ondersteund. De rechtspersoon registreert zich bij het agentschap op de wijze die wordt vastgesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen.".
Art.49. A l'article 2, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapées, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1°, il est ajouté une phrase libellée comme suit :
" Les soins et le soutien sont fournis en dehors de la capacité pour laquelle l'organisation ou le service a été reconnu ou agréé. ".
2° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° une convention avec une personne morale qui organise les soins et le soutien d'un maximum de quinze personnes handicapées, avec ou sans budget. Les budgets mis en oeuvre sont utilisés en solidarité pour organiser les soins et le soutien pour toutes les personnes handicapées. Au moins la moitié des membres des organes de la personne morale mentionnés dans le Code des sociétés du 7 mai 1999 ou dans la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations, sont des membres de la famille jusqu'au deuxième degré des personnes handicapées bénéficiant du soutien. La personne morale doit s'enregistrer auprès de l'agence de la manière déterminée par le ministre flamand qui a l'assistance aux personnes dans ses attributions. ".
1° au point 1°, il est ajouté une phrase libellée comme suit :
" Les soins et le soutien sont fournis en dehors de la capacité pour laquelle l'organisation ou le service a été reconnu ou agréé. ".
2° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° une convention avec une personne morale qui organise les soins et le soutien d'un maximum de quinze personnes handicapées, avec ou sans budget. Les budgets mis en oeuvre sont utilisés en solidarité pour organiser les soins et le soutien pour toutes les personnes handicapées. Au moins la moitié des membres des organes de la personne morale mentionnés dans le Code des sociétés du 7 mai 1999 ou dans la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations, sont des membres de la famille jusqu'au deuxième degré des personnes handicapées bénéficiant du soutien. La personne morale doit s'enregistrer auprès de l'agence de la manière déterminée par le ministre flamand qui a l'assistance aux personnes dans ses attributions. ".
Art.50. In artikel 2, eerste lid, punt 2°, van hetzelfde besluit wordt punt d) vervangen door wat volgt:
"d) een gebruikersovereenkomst met een organisator als vermeld in artikel 3, 4°, van het Wijk-werkendecreet van 7 juli 2017, om wijk-werkcheques te gebruiken;".
"d) een gebruikersovereenkomst met een organisator als vermeld in artikel 3, 4°, van het Wijk-werkendecreet van 7 juli 2017, om wijk-werkcheques te gebruiken;".
Art.50. A l'article 2, alinéa premier, point 2°, du même arrêté, le point d) est remplacé par ce qui suit :
" d) un accord d'utilisation avec un organisateur, tel que visé à l'article 3, 4°, du décret du 7 juillet 2017 relatif au travail de proximité, pour l'utilisation de chèques-travail de proximité ; ".
" d) un accord d'utilisation avec un organisateur, tel que visé à l'article 3, 4°, du décret du 7 juillet 2017 relatif au travail de proximité, pour l'utilisation de chèques-travail de proximité ; ".
HOOFDSTUK 10. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017 houdende wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap wat betreft de nieuwe beschermingsstatus ingevoerd bij de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid, en wat betreft de invoering van de persoonsvolgende financiering, ingevoerd bij het decreet van 25 april 2014
CHAPITRE 10. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mars 2017 modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées en ce qui concerne le nouveau statut de protection introduit par la loi du 17 mars 2013 réformant les régimes d'incapacité et instaurant un nouveau statut de protection conforme à la dignité humaine, et en ce qui concerne l'instauration du financement de suivi personnel, instauré par le décret du 25 avril 2014
Art.51. In artikel 44, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2017 houdende wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap wat betreft de nieuwe beschermingsstatus ingevoerd bij de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid, en wat betreft de invoering van de persoonsvolgende financiering, ingevoerd bij het decreet van 25 april 2014, wordt de datum "31 december 2017" vervangen door de "de tiende dag na de datum van publicatie van het besluit van de Vlaamse Regering van houdende de wijziging van diverse besluiten van de Vlaamse Regering die verband houden met de ondersteuning van personen met een handicap in het Belgisch Staatsblad.
Art.51. L'article 44, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 mars 2017 modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées au regard du nouveau statut de protection instauré par la loi du 17 mars 2013 réformant les régimes d'incapacité et instaurant un nouveau statut de protection conforme à la dignité humaine, et en ce qui concerne l'instauration de l'aide financière personnalisée, instaurée par le décret du 25 avril 2014, la date " 31 décembre 2017 " est remplacée par le " dixième jour suivant la date de publication au Moniteur belge de différents arrêtés du Gouvernement flamand relatifs à l'aide aux personnes handicapées.
HOOFDSTUK 11. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 houdende de methodiek voor de berekening van de subsidies voor personeelskosten
CHAPITRE 11. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2017 relatif à la méthode de calcul des subventions pour frais de personnel
Art.52. In het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 houdende de methodiek voor de berekening van de subsidies voor personeelskosten, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2017, wordt een artikel 20/0 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 20/0. De subsidies die voor een subsidie-eenheid zijn berekend conform artikel 3 tot en met 20, worden vanaf het jaar 2018 verminderd met 100 euro per voltijds equivalent.".
"Art. 20/0. De subsidies die voor een subsidie-eenheid zijn berekend conform artikel 3 tot en met 20, worden vanaf het jaar 2018 verminderd met 100 euro per voltijds equivalent.".
Art.52. Dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2017 relatif à la méthode de calcul des subventions pour frais de personnel, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 décembre 2017, il est inséré un article 20/0, libellé comme suit :
" Art. 20/0. Les subventions calculées pour une unité de subvention conformément aux articles 3 à 20 sont réduites de 100 EUR par équivalent temps plein à partir de l'année 2018.
" Art. 20/0. Les subventions calculées pour une unité de subvention conformément aux articles 3 à 20 sont réduites de 100 EUR par équivalent temps plein à partir de l'année 2018.
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden
CHAPITRE 12. - Modifications de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés
Art.53. In artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 2017 over de erkenning en subsidiëring van voorzieningen die ondersteuning bieden aan personen met een handicap in de gevangenis, en van units voor geïnterneerden worden de woorden "houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap" vervangen door de zinsnede "houdende de erkenning en subsidiëring van flexibele aanbodcentra voor meerderjarige personen met een handicap zoals van toepassing op 31 december 2016.".
Art.53. Dans l'article 23 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 novembre 2017 relatif à l'agrément et au subventionnement de structures offrant du soutien aux personnes handicapées en prison, et d'unités pour internés, les mots " portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapées mineures " sont remplacés par le membre de phrase " portant agrément et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes majeures handicapées tels que d'application au 31 décembre 2016. ".
Art.54. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2017, wordt een artikel 26/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 25/1. Voor de voorzieningen, vermeld in artikel 25, tweede lid, wordt het bedrag van de jaarlijkse subsidies, dat wordt berekend conform artikel 16, verminderd met de volgende bedragen:
1° Sint Ferdinand: 175.965,99 euro;
2° Itinera: 165.517,96 euro;
3° `t Zwart Goor: 117.160,90 euro.".
"Art. 25/1. Voor de voorzieningen, vermeld in artikel 25, tweede lid, wordt het bedrag van de jaarlijkse subsidies, dat wordt berekend conform artikel 16, verminderd met de volgende bedragen:
1° Sint Ferdinand: 175.965,99 euro;
2° Itinera: 165.517,96 euro;
3° `t Zwart Goor: 117.160,90 euro.".
Art.54. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 décembre 2017, il est inséré un article 26/1, libellé comme suit :
" Art. 25/1. Pour les structures visées à l'article 25, alinéa deux, le montant des subventions annuelles, calculé conformément à l'article 16, est réduit des montants suivants :
1° Sint Ferdinand : 175 965,99 euros ;
2° Itinera : 165 517,96 euros ;
3° `t Zwart Goor : 117 160,90 euros. ".
" Art. 25/1. Pour les structures visées à l'article 25, alinéa deux, le montant des subventions annuelles, calculé conformément à l'article 16, est réduit des montants suivants :
1° Sint Ferdinand : 175 965,99 euros ;
2° Itinera : 165 517,96 euros ;
3° `t Zwart Goor : 117 160,90 euros. ".
HOOFDSTUK 13. - Slotbepalingen
CHAPITRE 13. - Dispositions finales
Art.55. § 1. Artikel 1 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2015.
Artikel 3, 6, 37, 53 en 54 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2017.
Artikel 5 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2017.
Artikel 2, 4, 10, 14, 17, 27, 31, 34, 40, 46 en 50 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2018.
Artikel 32 en 33 hebben uitwerking met ingang van 1 mei 2018.
§ 2. Artikel 11 en artikel 12 zijn van toepassing op de aanvragen noodsituatie die bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap worden ingediend met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze bepalingen.
Artikel 3, 6, 37, 53 en 54 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2017.
Artikel 5 heeft uitwerking met ingang van 1 november 2017.
Artikel 2, 4, 10, 14, 17, 27, 31, 34, 40, 46 en 50 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2018.
Artikel 32 en 33 hebben uitwerking met ingang van 1 mei 2018.
§ 2. Artikel 11 en artikel 12 zijn van toepassing op de aanvragen noodsituatie die bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap worden ingediend met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze bepalingen.
Art.55. § 1er. L'article 1er produit ses effets à compter du 1er janvier 2015.
Les articles 3, 6, 37, 53 et 54 produisent leurs effets à partir du 1er janvier 2017.
L'article 5 produit ses effets à compter du 1er novembre 2017.
Les articles 2, 4, 10, 14, 17, 27, 31, 34, 40, 46 et 50 produisent leurs effets à partir du 1er janvier 2018.
Les articles 32 et 33 produisent leurs effets à partir du 1er mai 2018.
§ 2. Les articles 11 et 12 sont applicables aux demandes de reconnaissance d'une situation d'urgence introduites auprès de la Vlaams Agentschap voor personen met een handicap (Agence flamande pour les Personnes handicapées) à partir de la date d'entrée en vigueur des présentes dispositions.
Les articles 3, 6, 37, 53 et 54 produisent leurs effets à partir du 1er janvier 2017.
L'article 5 produit ses effets à compter du 1er novembre 2017.
Les articles 2, 4, 10, 14, 17, 27, 31, 34, 40, 46 et 50 produisent leurs effets à partir du 1er janvier 2018.
Les articles 32 et 33 produisent leurs effets à partir du 1er mai 2018.
§ 2. Les articles 11 et 12 sont applicables aux demandes de reconnaissance d'une situation d'urgence introduites auprès de la Vlaams Agentschap voor personen met een handicap (Agence flamande pour les Personnes handicapées) à partir de la date d'entrée en vigueur des présentes dispositions.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 5 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap
Bijlage 5. Tabel voor de bepaling van de financiële bijdrage voor personen met een handicap vanaf de leeftijd van 21 jaar als vermeld in artikel 9, § 2/1, tweede lid
Bijlage 5. Tabel voor de bepaling van de financiële bijdrage voor personen met een handicap vanaf de leeftijd van 21 jaar als vermeld in artikel 9, § 2/1, tweede lid
Art. N1. Annexe 5 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées ;
Annexe 5. Tableau pour la détermination de la contribution financière pour les personnes handicapées à partir de l'âge de 21 ans, tel que visé à l'article 9, § 2/1, alinéa deux
Annexe 5. Tableau pour la détermination de la contribution financière pour les personnes handicapées à partir de l'âge de 21 ans, tel que visé à l'article 9, § 2/1, alinéa deux
| ondersteuningsfunctie | leeftijd | maximale bijdrage | bijkomende bepalingen |
| dagondersteuning als vermeld in artikel 9, § 2 | vanaf 21 jaar zonder vervoer | 4,76 euro per dagdeel | De maximale bijdrage per dag (voor dagondersteuning, woonondersteuning en individuele begeleiding samen) mag nooit meer dan 33,35 euro bedragen voor gebruikers vanaf 21 jaar. Er mogen maximaal twee uren psychosociale begeleiding per dag aangerekend worden. Er mogen geen vervoerskosten aangerekend worden voor mobiele individuele ondersteuning. |
| vanaf 21 jaar met vervoer | 5,96 euro per dagdeel | ||
| woonondersteuning als vermeld in artikel 9, § 3 | vanaf 21 jaar | 33,35 euro per nacht verblijf, met inbegrip van de ondersteuning gedurende de avond en ochtend | |
| individuele psychosociale begeleiding als vermeld in artikel 9, § 4, eerste lid, 1° | maximaal 5 euro per uur individuele ondersteuning |
individuele psychosociale begeleiding als vermeld in artikel 9, § 4, eerste lid, 1° maximaal 5 euro per uur individuele ondersteuning
De bedragen, vermeld in de tabel, zijn gekoppeld aan de spilindex van de consumptieprijzen, daarvoor berekend en benoemd in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. De basis is de spilindex die geldig is op 1 januari 2014.
De bedragen, vermeld in het eerste lid, worden telkens op 1 januari en 1 juli aangepast overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
| fonction de soutien | âge | contribution maximale | dispositions complémentaires |
| accompagnement de jour tel que visé à l'article 9, § 2 | à partir de 21 ans sans transport | 4,76 euros par partie de journée | La contribution maximale par jour (pour l'accompagnement de jour, l'accompagnement au logement et l'accompagnement individuel) ne peut dépasser 33,35 euros pour les utilisateurs âgés de 21 ans et plus. Un maximum de deux heures d'accompagnement psychosocial par jour peut être facturé. On ne peut pas facturer de frais de transport pour l'accompagnement individuel mobile. |
| à partir de 21 ans avec transport | 5,96 euros par partie de journée | ||
| accompagnement au logement tel que visé à l'article 9, § 3 | à partir de 21 ans | 33,35 euros par nuitée, y compris le soutien en soirée et le matin | |
| accompagnement psychosocial individuel tel que visé à l'article 9, § 4, alinéa premier, 1° | maximum 5 EUR par heure d'accompagnement individuel |
Les montants repris dans le tableau sont liés à l'indice pivot des prix à la consommation, calculé et cité dans l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. La base est l'indice pivot valable au 1er janvier 2014.
Les montants visés à l'alinéa premier sont toujours adaptés les 1er janvier et 1er juillet conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Art. N2. Bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 houdende de vergunningsvoorwaarden en de subsidieregeling van bijstandsorganisaties om budgethouders bij te staan in het kader van persoonsvolgende financiering
Bijlage. Gegevens voor het kwaliteitshandboek als vermeld in artikel 6
Het kwaliteitshandboek, vermeld in artikel 6, bevat de volgende gegevens:
1° de structuur van het kwaliteitshandboek;
2° de beschrijving van het aanbod van de bijstandsorganisaties;
3° het kwaliteitsbeleid: missie, visie, waarden, doelstellingen, strategie en geschreven referentiekader;
4° het kwaliteitssysteem, dat de volgende gegevens bevat:
a) de organisatiestructuur;
b) de deelname aan externe overlegorganen;
c) het inzetten van de middelen;
d) het beheren van documenten van het kwaliteitshandboek;
e) de gebruikersgerichte processen, onder meer:
1) het beëindigen van de ondersteuning;
2) het afhandelen van klachten van gebruikers;
g) de organisatiegerichte processen, onder meer;
1) de vorming van de medewerkers;
2) de inzet van het personeel;
3) de deontologische code;
5° de zelfevaluatie, vermeld in artikel 6."
Bijlage. Gegevens voor het kwaliteitshandboek als vermeld in artikel 6
Het kwaliteitshandboek, vermeld in artikel 6, bevat de volgende gegevens:
1° de structuur van het kwaliteitshandboek;
2° de beschrijving van het aanbod van de bijstandsorganisaties;
3° het kwaliteitsbeleid: missie, visie, waarden, doelstellingen, strategie en geschreven referentiekader;
4° het kwaliteitssysteem, dat de volgende gegevens bevat:
a) de organisatiestructuur;
b) de deelname aan externe overlegorganen;
c) het inzetten van de middelen;
d) het beheren van documenten van het kwaliteitshandboek;
e) de gebruikersgerichte processen, onder meer:
1) het beëindigen van de ondersteuning;
2) het afhandelen van klachten van gebruikers;
g) de organisatiegerichte processen, onder meer;
1) de vorming van de medewerkers;
2) de inzet van het personeel;
3) de deontologische code;
5° de zelfevaluatie, vermeld in artikel 6."
Art. N2. Annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2015 portant conditions d'autorisation et règlement de subvention des organisations d'assistance aux bénéficiaires d'enveloppe dans le cadre du financement personnalisé
Annexe. Données pour le manuel de qualité visé à l'article 6
Le manuel de qualité, visé à l'article 6, comporte les données suivantes :
1° la structure du manuel de qualité ;
2° la description de l'offre de l'organisation d'assistance ;
3° la politique qualité : mission, vision, valeurs, objectifs, stratégie et cadre de référence écrit ;
4° le système de qualité, qui comporte les données suivantes :
a) l'organisation structurelle ;
b) la participation à des organes de consultation externes ;
c) l'utilisation des ressources ;
d) la gestion des documents du manuel de qualité ;
e) les processus axés sur l'utilisateur, y compris :
1) la fin du soutien ;
2) le traitement des plaintes des utilisateurs ;
g) les processus organisationnels, y compris :
1) la formation des collaborateurs ;
2) l'utilisation du personnel ;
3) le code déontologique ;
5° l'auto-évaluation visée à l'article 6. "
Annexe. Données pour le manuel de qualité visé à l'article 6
Le manuel de qualité, visé à l'article 6, comporte les données suivantes :
1° la structure du manuel de qualité ;
2° la description de l'offre de l'organisation d'assistance ;
3° la politique qualité : mission, vision, valeurs, objectifs, stratégie et cadre de référence écrit ;
4° le système de qualité, qui comporte les données suivantes :
a) l'organisation structurelle ;
b) la participation à des organes de consultation externes ;
c) l'utilisation des ressources ;
d) la gestion des documents du manuel de qualité ;
e) les processus axés sur l'utilisateur, y compris :
1) la fin du soutien ;
2) le traitement des plaintes des utilisateurs ;
g) les processus organisationnels, y compris :
1) la formation des collaborateurs ;
2) l'utilisation du personnel ;
3) le code déontologique ;
5° l'auto-évaluation visée à l'article 6. "
Art. N3. Bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget
Tabel 1. Budgetcategorieën
Tabel 1. Budgetcategorieën
Art. N3. Annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures et relatif à la mise à disposition dudit budget
Tableau 1. Catégories budgétaires
Tableau 1. Catégories budgétaires
| budgetcategorie | zorggebonden punten (jaarlijks maximum) |
| I | 12,2345 |
| II | 17,1283 |
| III | 24,4690 |
| IV | 33,6449 |
| V | 42,8208 |
| VI | 50,1615 |
| VII | 53,2201 |
| VIII | 55,0553 |
| IX | 59,9491 |
| X | 70,9602 |
| XI | 88,0885 |
| XII | 103,9933 |
Tabel 3 Ondersteuningsfuncties en gewichten
| catégorie budgétaire | points liés aux soins (plafond annuel) |
| I | 12,2345 |
| II | 17,1283 |
| III | 24,4690 |
| IV | 33,6449 |
| V | 42,8208 |
| VI | 50,1615 |
| VII | 53,2201 |
| VIII | 55,0553 |
| IX | 59,9491 |
| X | 70,9602 |
| XI | 88,0885 |
| XII | 103,9933 |
Tableau 3 Fonctions de soutien et pondérations
| globale ondersteuningsfuncties | omschrijving | gewicht per dag/nacht | |||||||||
| basisgewicht | B3/P5 | B4/P4 | B4/P5 | B5/P4 | P4/P6 & B5/P5 | B5/P6 | B5/P7 & B6/P5 | B6/P6 | B6/P7 | ||
| agondersteuning | ondersteuning die gedurende de dag wordt geboden. De geleverde ondersteuning is moeilijk tot niet individueel planbaar/toewijsbaar. De ondersteuning heeft per definitie voor een deel een niet-instrumenteel karakter en bestaat uit begeleiding en permanentie. | 1,80 | 2,00 | 2,20 | 2,40 | 2,70 | 2,80 | 3,60 | 3,60 | 4,10 | 4,10 |
| woonondersteuning | ondersteuning die tot doel heeft de persoon met een handicap tijdens de week te ondersteunen bij het wonen. De geleverde uren ondersteuning zijn moeilijk tot niet individueel planbaar en/of toewijsbaar. De ondersteuning heeft per definitie voor een deel een niet-instrumenteel karaker en bestaat uit begeleiding en permanentie. | 1,80 (als min B3/P3 is vastgesteld) | 2,10 | 2,70 | 3,00 | 4,00 | 4,50 | 4,70 | 5,10 | 5,10 | 5,60 |
| fonctions de soutien globales | description | pondération par jour/nuit | |||||||||
| pondération de base | B3/P5 | B4/P4 | B4/P5 | B5/P4 | P4/P6 & B5/P5 | B5/P6 | B5/P7 & B6/P5 | B6/P6 | B6/P7 | ||
| accompagnement de jour | accompagnement offert pendant la journée. L'accompagnement fourni peut difficilement, voire pas du tout, être individuellement planifié/attribué. L'accompagnement a, par définition, un caractère partiellement non instrumental et comprend l'accompagnement et la permanence. | 1,80 | 2,00 | 2,20 | 2,40 | 2,70 | 2,80 | 3,60 | 3,60 | 4,10 | 4,10 |
| accompagnement au logement | l'accompagnement encourageant l'autonomie au logement de la personne handicapée pendant la semaine. Les heures d'accompagnement prestées peuvent difficilement, voire pas du tout, être individuellement planifiées et/ou attribuées. L'accompagnement a, par définition, un caractère partiellement non instrumental et comprend l'accompagnement et la permanence. | 1,80 (si min B3/P3 est fixe) | 2,10 | 2,70 | 3,00 | 4,00 | 4,50 | 4,70 | 5,10 | 5,10 | 5,60 |
| individuele ondersteuningsfuncties | omschrijving | gewicht per uur |
| psychosociale begeleiding | één-op-één begeleiding die tot doel heeft de persoon met een handicap en de context te ondersteunen in de organisatie van zijn dagelijkse leven. | 2 |
| praktische hulp | ondersteuning bij algemeen dagelijkse activiteiten van het leven in een één-op-één relatie. Individueel praktische hulp is hoofdzakelijk instrumenteel van aard. | 0,75 |
| globale individuele ondersteuning | ondersteuning die eerder ruimer is en meerdere levensdomeinen kan omvatten. De aard van ondersteuning kan verschillend zijn en door elkaar lopen : stimulatie, coaching, training, assistentie bij activiteiten..... | 1,4 |
| Permanentie | Omschrijving | gewicht |
| oproepbare permanentie | beschikbaarheid van de begeleiding om na oproep binnen een bepaalde tijd niet-planbare één-op-één ondersteuning aan te bieden. | 4,5 |
| fonctions d'aide individuelle | description | pondération horaire |
| accompagnement psychosocial | accompagnement individualisé visant à soutenir la personne handicapée et le contexte dans l'organisation de sa vie quotidienne | 2 |
| aide pratique | soutien lors des activités générales de la vie quotidienne dans une relation individualisée. L'aide pratique individuelle est principalement de nature instrumentale. | 0,75 |
| soutien individuel global | soutien plus vaste susceptible de couvrir différents domaines de la vie. La nature du soutien peut différer et les différents types de soutien peuvent s'entremêler : stimulation, coaching, formation, assistance lors des activités ... | 1,4 |
| Permanence | Description | pondération |
| permanence appelable | disponibilité des accompagnants pour offrir un soutien individualisé non planifiable dans un délai spécifique, en réponse à un appel. | 4,5 |
Art. N4. Bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget
Tabel 3 Ondersteuningsfuncties en gewichten
Tabel 3 Ondersteuningsfuncties en gewichten
Art. N4. Annexe à l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures et relatif à la mise à disposition dudit budget
Tableau 3 Fonctions de soutien et pondérations
Tableau 3 Fonctions de soutien et pondérations
| globale ondersteuningsfuncties | omschrijving | gewicht per dag/nacht | |||||||||
| basisgewicht | B3/P5 | B4/P4 | B4/P5 | B5/P4 | P4/P6 & B5/P5 | B5/P6 | B5/P7 & B6/P5 | B6/P6 | B6/P7 | ||
| agondersteuning | ondersteuning die gedurende de dag wordt geboden. De geleverde ondersteuning is moeilijk tot niet individueel planbaar/toewijsbaar. De ondersteuning heeft per definitie voor een deel een niet-instrumenteel karakter en bestaat uit begeleiding en permanentie. | 1,80 | 2,00 | 2,20 | 2,40 | 2,70 | 2,80 | 3,60 | 3,60 | 4,10 | 4,10 |
| woonondersteuning | ondersteuning die tot doel heeft de persoon met een handicap tijdens de week te ondersteunen bij het wonen. De geleverde uren ondersteuning zijn moeilijk tot niet individueel planbaar en/of toewijsbaar. De ondersteuning heeft per definitie voor een deel een niet-instrumenteel karaker en bestaat uit begeleiding en permanentie. | 1,80 (als min B3/P3 is vastgesteld) | 2,10 | 2,70 | 3,00 | 4,00 | 4,50 | 4,70 | 5,10 | 5,10 | 5,60 |
(als min B3/P3 is vastgesteld) 2,10 2,70 3,00 4,00 4,50 4,70 5,10 5,10 5,60
| fonctions de soutien globales | description | pondération par jour/nuit | |||||||||
| pondération de base | B3/P5 | B4/P4 | B4/P5 | B5/P4 | P4/P6 & B5/P5 | B5/P6 | B5/P7 & B6/P5 | B6/P6 | B6/P7 | ||
| accompagnement de jour | accompagnement offert pendant la journée. L'accompagnement fourni peut difficilement, voire pas du tout, être individuellement planifié/attribué. L'accompagnement a, par définition, un caractère partiellement non instrumental et comprend l'accompagnement et la permanence. | 1,80 | 2,00 | 2,20 | 2,40 | 2,70 | 2,80 | 3,60 | 3,60 | 4,10 | 4,10 |
| accompagnement au logement | l'accompagnement encourageant l'autonomie au logement de la personne handicapée pendant la semaine. Les heures d'accompagnement prestées peuvent difficilement, voire pas du tout, être individuellement planifiées et/ou attribuées. L'accompagnement a, par définition, un caractère partiellement non instrumental et comprend l'accompagnement et la permanence. | 1,80 (si min B3/P3 est fixe) | 2,10 | 2,70 | 3,00 | 4,00 | 4,50 | 4,70 | 5,10 | 5,10 | 5,60 |
(si min B3/P3 est fixe) 2,10 2,70 3,00 4,00 4,50 4,70 5,10 5,10 5,60
| individuele ondersteuningsfuncties | omschrijving | gewicht per uur |
| psychosociale begeleiding | één-op-één begeleiding die tot doel heeft de persoon met een handicap en de context te ondersteunen in de organisatie van zijn dagelijkse leven. | 2 |
| praktische hulp | ondersteuning bij algemeen dagelijkse activiteiten van het leven in een één-op-één relatie. Individueel praktische hulp is hoofdzakelijk instrumenteel van aard. | 0,75 |
| globale individuele ondersteuning | ondersteuning die eerder ruimer is en meerdere levensdomeinen kan omvatten. De aard van ondersteuning kan verschillend zijn en door elkaar lopen : stimulatie, coaching, training, assistentie bij activiteiten..... | 1,4 |
| Permanentie | Omschrijving | gewicht |
| oproepbare permanentie | beschikbaarheid van de begeleiding om na oproep binnen een bepaalde tijd niet-planbare één-op-één ondersteuning aan te bieden. | 4,5 |
| fonctions d'aide individuelle | description | pondération horaire |
| accompagnement psychosocial | accompagnement individualisé visant à soutenir la personne handicapée et le contexte dans l'organisation de sa vie quotidienne | 2 |
| aide pratique | soutien lors des activités générales de la vie quotidienne dans une relation individualisée. L'aide pratique individuelle est principalement de nature instrumentale. | 0,75 |
| soutien individuel global | soutien plus vaste susceptible de couvrir différents domaines de la vie. La nature du soutien peut différer et les différents types de soutien peuvent s'entremêler : stimulation, coaching, formation, assistance lors des activités ... | 1,4 |
| Permanence | Description | pondération |
| permanence appelable | disponibilité des accompagnants pour offrir un soutien individualisé non planifiable dans un délai spécifique, en réponse à un appel. | 4,5 |