Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° besluit van 27 november 2015: het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget;
2° besluit van 26 februari 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van flexibele aanbodcentra voor meerderjarige personen met een handicap;
3° besluit van 24 juni 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten;
4° budget: een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning als vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap aan meerderjarige personen met een handicap;
5° dagondersteuning: de dagondersteuning, vermeld in artikel 1, 3°, van het besluit van 27 november 2015;
6° FAM: een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarige personen met een handicap als vermeld in artikel 2 van het besluit van 26 februari 2016, zoals van toepassing op 31 december 2016;
7° individuele dienstverleningsovereenkomst: de individuele dienstverleningsovereenkomst, vermeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap;
8° [1 ...]1
9° [1 ...]1
10° thuisbegeleidingsdienst: een thuisbegeleidingsdienst als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1996 betreffende de erkenning en subsidiëring van thuisbegeleidingsdiensten voor personen met een handicap zoals van toepassing op 31 december 2016;
11° vergunde zorgaanbieder: een aanbieder van zorg en ondersteuning die conform het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap, vergund is door het agentschap;
12° woonondersteuning: de woonondersteuning, vermeld in artikel 1, 23°, van het besluit van 27 november 2015;
[1 13° zorgzwaarte: de mate waarin een persoon ondersteuning nodig heeft om zo adequaat mogelijk te kunnen functioneren in het dagelijkse leven. Het gaat daarbij om de ondersteuning die een persoon nodig heeft om te kunnen leven volgens de gangbare normen en gebruiken binnen de sociaal-maatschappelijke context waarin de persoon leeft. De zorgzwaarte wordt uitgerukt in de parameter begeleiding, die de nood aan ondersteuning door personen overdag uitdrukt en de parameter permanentie, die de nood aan aanwezigheid van en toezicht door personen overdag uitdrukt.]1
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
20 APRIL 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-05-2018 en tekstbijwerking tot 13-03-2024)
Titre
20 AVRIL 2018. - Arrêté du Gouvernement flamand portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets qui suivent la personne qui sont mis à disposition dans le cadre de la transition vers un financement qui suit la personne(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 09-05-2018 et mise à jour au 13-03-2024)
Documentinformatie
Numac: 2018030976
Datum: 2018-04-20
Info du document
Numac: 2018030976
Date: 2018-04-20
Inhoud
Tekst (37)
Texte (37)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° arrêté du 27 novembre 2015 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures et relatif à la mise à disposition dudit budget ;
2° arrêté du 26 février 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres d'offre de services flexible en faveur de personnes handicapées majeures ;
3° arrêté du 24 juin 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers un financement qui suit la personne et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des service d'aide à domicile ;
4° budget : un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles tel que visé au chapitre 5 du décret du 25 avril 2014 portant le financement qui suit la personne pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées à des personnes handicapées majeures ;
5° accompagnement de jour : l'accompagnement de jour visé à l'article 1er, 3°, de l'arrêté du 27 novembre 2015 ;
6° FAM : un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes handicapées majeures, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du 26 février 2016, tel qu'applicable au 31 décembre 2016 ;
7° contrat de prestation de services individuel : le contrat de prestation de services individuel, visé à l'article 8, § 1, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées ;
8° [1 ...]1
9° [1 ...]1
10° service d'aide à domicile : un service d'aide à domicile tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 1996 relatif à l'agrément et au subventionnement des services d'aide à domicile pour handicapés tel qu'applicable le 31 décembre 2016 ;
11° offreur de soins autorisé : un offreur de soins et de soutien, qui, conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapées, est autorisé par l'agence ;
12° accompagnement au logement : l'accompagnement au logement tel que visé à l'article 1er, 23°, de l'arrêté du 27 novembre 2015;
[1 13° besoin en soins : la mesure dans laquelle une personne a besoin de soutien pour fonctionner le plus adéquatement possible dans la vie quotidienne. Il s'agit du soutien dont une personne a besoin pour vivre selon les normes et usages en vigueur dans le contexte social et sociétal dans lequel vit la personne. Le besoin en soins est exprimé par le paramètre accompagnement, qui reflète le besoin en soutien de jour par des personnes, et le paramètre permanence, qui reflète le besoin de présence et de surveillance de jour par des personnes.]1
1° arrêté du 27 novembre 2015 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures et relatif à la mise à disposition dudit budget ;
2° arrêté du 26 février 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement de centres d'offre de services flexible en faveur de personnes handicapées majeures ;
3° arrêté du 24 juin 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers un financement qui suit la personne et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des service d'aide à domicile ;
4° budget : un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles tel que visé au chapitre 5 du décret du 25 avril 2014 portant le financement qui suit la personne pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées à des personnes handicapées majeures ;
5° accompagnement de jour : l'accompagnement de jour visé à l'article 1er, 3°, de l'arrêté du 27 novembre 2015 ;
6° FAM : un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes handicapées majeures, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du 26 février 2016, tel qu'applicable au 31 décembre 2016 ;
7° contrat de prestation de services individuel : le contrat de prestation de services individuel, visé à l'article 8, § 1, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées ;
8° [1 ...]1
9° [1 ...]1
10° service d'aide à domicile : un service d'aide à domicile tel que visé à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 décembre 1996 relatif à l'agrément et au subventionnement des services d'aide à domicile pour handicapés tel qu'applicable le 31 décembre 2016 ;
11° offreur de soins autorisé : un offreur de soins et de soutien, qui, conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapées, est autorisé par l'agence ;
12° accompagnement au logement : l'accompagnement au logement tel que visé à l'article 1er, 23°, de l'arrêté du 27 novembre 2015;
[1 13° besoin en soins : la mesure dans laquelle une personne a besoin de soutien pour fonctionner le plus adéquatement possible dans la vie quotidienne. Il s'agit du soutien dont une personne a besoin pour vivre selon les normes et usages en vigueur dans le contexte social et sociétal dans lequel vit la personne. Le besoin en soins est exprimé par le paramètre accompagnement, qui reflète le besoin en soutien de jour par des personnes, et le paramètre permanence, qui reflète le besoin de présence et de surveillance de jour par des personnes.]1
Wijzigingen
Art.2. In de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022 wordt het aantal zorggebonden punten dat kan worden besteed als een budget dat het agentschap heeft toegekend aan de meerderjarige personen met een handicap die op 31 december 2016 gebruikmaakten van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst, in twee fasen bijgesteld, rekening houdend met het gebruik van ondersteuning en de zorgzwaarte van de betrokken personen met een handicap.
Het aantal zorggebonden punten, vermeld in het eerste lid, is als volgt bepaald:
1° als de som van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17 van het besluit van 24 juni 2016, van de meerderjarige gebruikers van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 18, eerste lid, van het voormelde besluit, groter was dan het aantal zorggebonden middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het voormelde besluit, werd het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17 van het voormelde besluit, verminderd met een percentage dat het verschil weergeeft tussen de som van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17 van het voormelde besluit, van de meerderjarige gebruikers van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst, met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 18, eerste lid, van het voormelde besluit, en het aantal zorggebonden middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het voormelde besluit;
2° als het aantal zorggebonden middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid van het besluit van 24 juni 2016, groter was dan de som van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten vermeld in artikel 17 van het besluit van 24 juni 2016, van de meerderjarige gebruikers van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 18, eerste lid, van het voormelde besluit, werd het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17 van het voormelde besluit, vermeerderd met een percentage dat het verschil weergeeft tussen het aantal zorggebonden middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het voormelde besluit, en de som van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17 van het voormelde besluit, van de meerderjarige gebruikers van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst, met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 18, eerste lid, van het voormelde besluit.
[1 ...]1
Het aantal zorggebonden punten, vermeld in het eerste lid, is als volgt bepaald:
1° als de som van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17 van het besluit van 24 juni 2016, van de meerderjarige gebruikers van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 18, eerste lid, van het voormelde besluit, groter was dan het aantal zorggebonden middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het voormelde besluit, werd het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17 van het voormelde besluit, verminderd met een percentage dat het verschil weergeeft tussen de som van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17 van het voormelde besluit, van de meerderjarige gebruikers van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst, met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 18, eerste lid, van het voormelde besluit, en het aantal zorggebonden middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het voormelde besluit;
2° als het aantal zorggebonden middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid van het besluit van 24 juni 2016, groter was dan de som van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten vermeld in artikel 17 van het besluit van 24 juni 2016, van de meerderjarige gebruikers van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 18, eerste lid, van het voormelde besluit, werd het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17 van het voormelde besluit, vermeerderd met een percentage dat het verschil weergeeft tussen het aantal zorggebonden middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het voormelde besluit, en de som van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17 van het voormelde besluit, van de meerderjarige gebruikers van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst, met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 18, eerste lid, van het voormelde besluit.
[1 ...]1
Art.2. Au cours de la période du 1er janvier 2018 au 31 décembre 2022, le nombre de points liés aux soins pouvant être affecté comme budget que l'agence a attribué aux personnes handicapées majeures qui, au 31 décembre 2016, ont fait usage d'un FAM ou d'un service d'aide à domicile, a été actualisé en deux phases, en tenant compte de l'utilisation d'un soutien et de la lourdeur des soins des personnes handicapées concernées.
Le nombre de points liés aux soins, visé à l'alinéa premier, est déterminé comme suit :
1° lorsque la somme du nombre individuel provisoire de points liés aux soins, visé à l'article 17 de l'arrêté du 24 juin 2016, des usagers majeurs d'un FAM ou d'un service d'aide à domicile, à l'exception des usagers visés à l'article 18, alinéa 1er, de l'arrêté précité, était supérieur au nombre de moyens liés aux soins, visé à l'article 21, alinéa 1er, de l'arrêté précité, le nombre individuel provisoire de points liés aux soins, visé à l'article 17 de l'arrêté précité, a été réduit à concurrence d'un pourcentage reflétant la différence entre la somme du nombre individuel provisoire de points liés aux soins, visé à l'article 17 de l'arrêté précité, des usagers majeurs d'un FAM ou d'un service d'aide à domicile, à l'exception des usagers, visés à l'article 18, alinéa 1er, de l'arrêté précité, et du nombre de moyens liés aux soins, visé à l'article 21, alinéa 1er, de l'arrêté précité ;
2° lorsque le nombre de moyens liés aux soins, visé à l'article 21, alinéa 1er de l'arrêté du 24 juin 2016, était supérieur à la somme du nombre individuel provisoire de points liés aux soins visé à l'article 17 de l'arrêté du 24 juin 2016, des usagers majeurs d'un FAM ou d'un service d'aide à domicile, à l'exception des usagers visés à l'article 18, alinéa 1er, de l'arrêté précité, le nombre individuel provisoire de points liés aux soins, visé à l'article 17 de l'arrêté précité, a été majoré à concurrence d'un pourcentage reflétant la différence entre le nombre de moyens liés aux soins, visé à l'article 21, alinéa 1er, de l'arrêté précité, et la somme du nombre individuel provisoire de points liés aux soins, visé à l'article 17 de l'arrêté précité, des usagers majeurs d'un FAM ou d'un service d'aide à domicile, à l'exception des usagers visés à l'article 18, alinéa 1er, de l'arrêté précité.
[1 ...]1
Le nombre de points liés aux soins, visé à l'alinéa premier, est déterminé comme suit :
1° lorsque la somme du nombre individuel provisoire de points liés aux soins, visé à l'article 17 de l'arrêté du 24 juin 2016, des usagers majeurs d'un FAM ou d'un service d'aide à domicile, à l'exception des usagers visés à l'article 18, alinéa 1er, de l'arrêté précité, était supérieur au nombre de moyens liés aux soins, visé à l'article 21, alinéa 1er, de l'arrêté précité, le nombre individuel provisoire de points liés aux soins, visé à l'article 17 de l'arrêté précité, a été réduit à concurrence d'un pourcentage reflétant la différence entre la somme du nombre individuel provisoire de points liés aux soins, visé à l'article 17 de l'arrêté précité, des usagers majeurs d'un FAM ou d'un service d'aide à domicile, à l'exception des usagers, visés à l'article 18, alinéa 1er, de l'arrêté précité, et du nombre de moyens liés aux soins, visé à l'article 21, alinéa 1er, de l'arrêté précité ;
2° lorsque le nombre de moyens liés aux soins, visé à l'article 21, alinéa 1er de l'arrêté du 24 juin 2016, était supérieur à la somme du nombre individuel provisoire de points liés aux soins visé à l'article 17 de l'arrêté du 24 juin 2016, des usagers majeurs d'un FAM ou d'un service d'aide à domicile, à l'exception des usagers visés à l'article 18, alinéa 1er, de l'arrêté précité, le nombre individuel provisoire de points liés aux soins, visé à l'article 17 de l'arrêté précité, a été majoré à concurrence d'un pourcentage reflétant la différence entre le nombre de moyens liés aux soins, visé à l'article 21, alinéa 1er, de l'arrêté précité, et la somme du nombre individuel provisoire de points liés aux soins, visé à l'article 17 de l'arrêté précité, des usagers majeurs d'un FAM ou d'un service d'aide à domicile, à l'exception des usagers visés à l'article 18, alinéa 1er, de l'arrêté précité.
[1 ...]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK 2. - Fase 1
CHAPITRE 2. - Phase 1
Art.3. Het agentschap verhoogt het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, eerste lid, van dit besluit, voor de personen met een handicap die op 31 december 2016 gebruikmaakten van de ondersteuning van een FAM die aan al de volgende voorwaarden voldoet:
1° het FAM was op 31 december 2015 niet uitsluitend erkend als een van de volgende diensten:
a) een dienst voor zelfstandig wonen, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende de vaststelling van de erkenningsvoorwaarden, de werkings- en subsidiëringsmodaliteiten voor diensten voor zelfstandig wonen van gehandicapte personen zoals bedoeld in artikel 3, § 1bis, van het koninklijk besluit nr. 81 van 10 november 1967 tot instelling van een Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten;
b) een dienst voor zelfstandig wonen als vermeld in punt a), en als een pilootproject diensten Inclusieve Ondersteuning als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010 betreffende de vergunning, erkenning en subsidiëring van een pilootproject diensten Inclusieve Ondersteuning door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
c) een dienst voor begeleid wonen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor begeleid wonen voor personen met een handicap;
d) een dienst voor beschermd wonen, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1998 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor beschermd wonen voor personen met een handicap;
e) een dienst voor begeleid wonen als vermeld in punt c), en als een dienst voor beschermd wonen als vermeld in punt d);
2° het aantal zorggebonden middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het besluit van 24 juni 2016, dat voor het FAM beschikbaar is voor de niet rechtstreeks toegankelijke ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap is kleiner dan 85% van de som van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17, eerste lid, van het voormelde besluit, van de meerderjarige gebruikers van het FAM, met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 18, eerste lid, van het voormelde besluit.
1° het FAM was op 31 december 2015 niet uitsluitend erkend als een van de volgende diensten:
a) een dienst voor zelfstandig wonen, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende de vaststelling van de erkenningsvoorwaarden, de werkings- en subsidiëringsmodaliteiten voor diensten voor zelfstandig wonen van gehandicapte personen zoals bedoeld in artikel 3, § 1bis, van het koninklijk besluit nr. 81 van 10 november 1967 tot instelling van een Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten;
b) een dienst voor zelfstandig wonen als vermeld in punt a), en als een pilootproject diensten Inclusieve Ondersteuning als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010 betreffende de vergunning, erkenning en subsidiëring van een pilootproject diensten Inclusieve Ondersteuning door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
c) een dienst voor begeleid wonen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor begeleid wonen voor personen met een handicap;
d) een dienst voor beschermd wonen, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1998 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor beschermd wonen voor personen met een handicap;
e) een dienst voor begeleid wonen als vermeld in punt c), en als een dienst voor beschermd wonen als vermeld in punt d);
2° het aantal zorggebonden middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het besluit van 24 juni 2016, dat voor het FAM beschikbaar is voor de niet rechtstreeks toegankelijke ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap is kleiner dan 85% van de som van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 17, eerste lid, van het voormelde besluit, van de meerderjarige gebruikers van het FAM, met uitzondering van de gebruikers, vermeld in artikel 18, eerste lid, van het voormelde besluit.
Art.3. L'agence augmente le nombre de points liés aux soins, visé à l'article 2, alinéa 1er, du présent arrêté, pour les personnes handicapées qui, au 31 décembre 2016, ont fait usage du soutien d'un FAM qui remplit toutes les conditions suivantes :
1° le FAM n'était pas, au 31 décembre 2015, exclusivement agréé comme l'un des services suivants :
a) un service de logement autonome, en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 fixant les conditions d'agrément, les modalités de fonctionnement et subventionnement pour les services de logement autonome de personnes handicapés, tels que visés à l'article 3, § 1bis, de l'arrêté royal n° 81 du 10 novembre 1967 instaurant un Fonds de soins médico-socio-pédagogiques pour handicapés ;
b) un service de logement autonome, tel que visé au point a), et comme un projet pilote de services d'Accompagnement Inclusif tels que visés à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mai 2010 relatif à l'autorisation, l'agrément et le subventionnement d'un projet pilote de services d'Accompagnement Inclusif par l'Agence flamande pour les personnes handicapées ;
c) un service de logement assisté en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 relatif à l'agrément et au subventionnement des services de logement assisté pour personnes handicapées ;
d) un service de logement protégé, en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 1998 relatif à l'agrément et au subventionnement des services de logement protégé pour personnes handicapées ;
e) un service de logement assisté, tel que visé au point c), et comme un service de logement protégé tel que visé au point d) ;
2° le nombre de moyens liés aux soins, visé à l'article 21, alinéa 1er, de l'arrêté du 24 juin 2016, qui est disponible pour le FAM pour le soutien non directement accessible aux personnes handicapées majeures est inférieur à 85% de la somme du nombre individuel provisoire de points liés aux soins, visé à l'article 17, alinéa 1er, de l'arrêté précité, des usagers majeurs du FAM, à l'exception des usagers visés à l'article 18, alinéa 1er, de l'arrêté précité.
1° le FAM n'était pas, au 31 décembre 2015, exclusivement agréé comme l'un des services suivants :
a) un service de logement autonome, en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 fixant les conditions d'agrément, les modalités de fonctionnement et subventionnement pour les services de logement autonome de personnes handicapés, tels que visés à l'article 3, § 1bis, de l'arrêté royal n° 81 du 10 novembre 1967 instaurant un Fonds de soins médico-socio-pédagogiques pour handicapés ;
b) un service de logement autonome, tel que visé au point a), et comme un projet pilote de services d'Accompagnement Inclusif tels que visés à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mai 2010 relatif à l'autorisation, l'agrément et le subventionnement d'un projet pilote de services d'Accompagnement Inclusif par l'Agence flamande pour les personnes handicapées ;
c) un service de logement assisté en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 relatif à l'agrément et au subventionnement des services de logement assisté pour personnes handicapées ;
d) un service de logement protégé, en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 1998 relatif à l'agrément et au subventionnement des services de logement protégé pour personnes handicapées ;
e) un service de logement assisté, tel que visé au point c), et comme un service de logement protégé tel que visé au point d) ;
2° le nombre de moyens liés aux soins, visé à l'article 21, alinéa 1er, de l'arrêté du 24 juin 2016, qui est disponible pour le FAM pour le soutien non directement accessible aux personnes handicapées majeures est inférieur à 85% de la somme du nombre individuel provisoire de points liés aux soins, visé à l'article 17, alinéa 1er, de l'arrêté précité, des usagers majeurs du FAM, à l'exception des usagers visés à l'article 18, alinéa 1er, de l'arrêté précité.
Art.4. Het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, eerste lid, van dit besluit, dat is toegekend aan personen met een handicap die op 31 december 2016 gebruikmaakten van ondersteuning door een FAM, dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3 van dit besluit, wordt verhoogd tot 85% van het voorlopige individuele aantal zorggebonden punten dat het agentschap conform artikel 17 van het besluit van 24 juni 2016 heeft bepaald, behalve als het agentschap heeft vastgesteld dat het FAM de ondersteuning die het biedt aan de meerderjarige personen met een handicap, niet conform de richtlijnen van het agentschap, vermeld in artikel 14, vijfde lid, van het besluit van 24 juni 2016, heeft vertaald in ondersteuningsfuncties als vermeld in artikel 1, 14°, van het besluit van 27 november 2015, met vermelding van de frequentie, vermeld in artikel 7, eerste lid, 8°, van het besluit van 27 november 2015.
Art.4. Le nombre de points liés aux soins, visé à l'article 2, alinéa 1er, du présent arrêté, qui est octroyé aux personnes handicapées qui, au 31 décembre 2016, ont fait usage du soutien accordé par un FAM qui répond aux conditions visées à l'article 3 du présent arrêté, est porté à 85% du nombre individuel provisoire de points liés aux soins que l'agence a déterminés conformément à l'article 17 de l'arrêté du 24 juin 2016, sauf si l'agence a constaté que le FAM a transposé en fonctions d'accompagnement telles que visées à l'article 1er, 14°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, en mentionnant la fréquence visée à l'article 7, alinéa 1er, 8°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, le soutien qu'il propose en faveur des personnes handicapées majeures, de manière non conforme aux directives de l'agence, visées à l'article 15, alinéa 5, de l'arrêté du 24 juin 2016.
Art.5. Het agentschap stelt het conform artikel 4 verhoogde aantal zorggebonden punten ter beschikking met ingang van 1 juli 2018.
Art.5. Conformément à l'article 4, l'agence mettra à disposition le nombre accru de points liés aux soins à partir du 1er juillet 2018.
HOOFDSTUK 3. - Fase 2
CHAPITRE 3. - Phase 2.
Art.6. [1 Het agentschap herrekent het aantal zorggebonden punten dat is bepaald conform artikel 2 van dit besluit voor de personen die aan al de navolgende voorwaarden voldoen:
1° ze zijn op 31 december 2016 ondersteund door een FAM met de subsidies die een FAM ontvangt conform hoofdstuk 4 van het besluit van 26 februari 2016 of met inzet van de middelen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 houdende maatregelen om tegemoet te komen aan de noodzaak tot leniging van dringende behoeften van personen met een handicap zoals van toepassing op 31 december 2016, of ze zijn op die datum ondersteund door een thuisbegeleidingsdienst;
2° het agentschap heeft hen een aantal zorggebonden punten toegekend als vermeld in artikel 2 van dit besluit;
3° ze hebben geen beslissing van het agentschap ontvangen over de terbeschikkingstelling van een budget:
a) na het doorlopen van de procedure om een budget aan te vragen, vermeld in hoofdstuk 2 en 3, en in hoofdstuk 5 van het besluit van 27 november 2015;
b) met toepassing van artikel 32 van het besluit van 27 november 2015;
c) na een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 16, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering zoals van toepassing op 30 april 2018;
d) na een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 16, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering;
e) na een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 24 van het besluit van 24 juni 2016 van de zorggebonden punten, vermeld in artikel 2 van dit besluit;
f) na een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 19, eerste lid, 1°, van dit besluit;
4° het agentschap heeft met toepassing van artikel 32 van het besluit van 27 november 2015 beslist dat de noodsituatie niet tijdelijk van aard is.]1
1° ze zijn op 31 december 2016 ondersteund door een FAM met de subsidies die een FAM ontvangt conform hoofdstuk 4 van het besluit van 26 februari 2016 of met inzet van de middelen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 houdende maatregelen om tegemoet te komen aan de noodzaak tot leniging van dringende behoeften van personen met een handicap zoals van toepassing op 31 december 2016, of ze zijn op die datum ondersteund door een thuisbegeleidingsdienst;
2° het agentschap heeft hen een aantal zorggebonden punten toegekend als vermeld in artikel 2 van dit besluit;
3° ze hebben geen beslissing van het agentschap ontvangen over de terbeschikkingstelling van een budget:
a) na het doorlopen van de procedure om een budget aan te vragen, vermeld in hoofdstuk 2 en 3, en in hoofdstuk 5 van het besluit van 27 november 2015;
b) met toepassing van artikel 32 van het besluit van 27 november 2015;
c) na een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 16, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering zoals van toepassing op 30 april 2018;
d) na een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 16, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering;
e) na een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 24 van het besluit van 24 juni 2016 van de zorggebonden punten, vermeld in artikel 2 van dit besluit;
f) na een aanvraag tot herziening als vermeld in artikel 19, eerste lid, 1°, van dit besluit;
4° het agentschap heeft met toepassing van artikel 32 van het besluit van 27 november 2015 beslist dat de noodsituatie niet tijdelijk van aard is.]1
Art.6. [1 L'agence recalcule le nombre de points liés aux soins déterminés conformément à l'article 2 du présent arrêté pour les personnes qui remplissent toutes les conditions suivantes :
1° elles sont soutenues au 31 décembre 2016 par un FAM avec les subventions que le FAM reçoit conformément au chapitre 4 de l'arrêté du 26 février 2016 ou avec l'utilisation des moyens visés dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 portant des mesures visant à rencontrer les besoins urgents des personnes handicapées, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2016, ou elles sont à cette date soutenues par un service d'aide à domicile ;
2° l'agence leur a attribué un certain nombre de points liés aux soins tels que visés à l'article 2 du présent arrêté ;
3° elles n'ont pas reçu de décision de l'agence sur la mise à disposition d'un budget :
a) après avoir accompli la procédure de demande de budget visée aux chapitres 2 et 3 et au chapitre 5 de l'arrêté du 27 novembre 2015 ;
b) en application de l'article 32 du décret du 27 novembre 2015 ;
c) après une demande en révision visée à l'article 16, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé, tel qu'en vigueur au 30 avril 2018 ;
d) après une demande en révision visée à l'article 16, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé ;
e) après une demande en révision, visée à l'article 24 de l'arrêté du 24 juin 2016, des points liés aux soins visés à l'article 2 du présent arrêté ;
d) après une demande en révision visée à l'article 19, alinéa 1er, du présent arrêté ;
4° en application de l'article 32 de l'arrêté du 27 novembre 2015, l'agence a décidé que la situation d'urgence n'a pas un caractère temporaire.]1
1° elles sont soutenues au 31 décembre 2016 par un FAM avec les subventions que le FAM reçoit conformément au chapitre 4 de l'arrêté du 26 février 2016 ou avec l'utilisation des moyens visés dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 portant des mesures visant à rencontrer les besoins urgents des personnes handicapées, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2016, ou elles sont à cette date soutenues par un service d'aide à domicile ;
2° l'agence leur a attribué un certain nombre de points liés aux soins tels que visés à l'article 2 du présent arrêté ;
3° elles n'ont pas reçu de décision de l'agence sur la mise à disposition d'un budget :
a) après avoir accompli la procédure de demande de budget visée aux chapitres 2 et 3 et au chapitre 5 de l'arrêté du 27 novembre 2015 ;
b) en application de l'article 32 du décret du 27 novembre 2015 ;
c) après une demande en révision visée à l'article 16, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé, tel qu'en vigueur au 30 avril 2018 ;
d) après une demande en révision visée à l'article 16, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées ayant une demande de soins active vers le financement personnalisé ;
e) après une demande en révision, visée à l'article 24 de l'arrêté du 24 juin 2016, des points liés aux soins visés à l'article 2 du présent arrêté ;
d) après une demande en révision visée à l'article 19, alinéa 1er, du présent arrêté ;
4° en application de l'article 32 de l'arrêté du 27 novembre 2015, l'agence a décidé que la situation d'urgence n'a pas un caractère temporaire.]1
Wijzigingen
Art.7. [1 In dit artikel wordt verstaan onder:
1° ondersteuningsvorm: een van de navolgende diensten waarvoor de FAM erkend is op 31 december 2016:
a) een dienst voor zelfstandig wonen, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende de vaststelling van de erkenningsvoorwaarden, de werkings- en subsidiëringsmodaliteiten voor diensten voor zelfstandig wonen van gehandicapte personen zoals bedoeld in artikel 3, § 1bis, van het koninklijk besluit nr. 81 van 10 november 1967 tot instelling van een Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten zoals van toepassing op 31 december 2016;
b) een dienst voor zelfstandig wonen als vermeld in punt a), en als een pilootproject diensten Inclusieve Ondersteuning als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010 betreffende de vergunning, erkenning en subsidiëring van een pilootproject diensten Inclusieve Ondersteuning door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016;
c) een dienst voor begeleid wonen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor begeleid wonen voor personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016;
d) een dienst voor beschermd wonen, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1998 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor beschermd wonen voor personen met een handicap;
e) een tehuis, met toepassing van het koninklijk besluit van 23 december 1970 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden van de residentiële en semi-residentiële voorzieningen voor personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016;
f) een dagcentrum, met toepassing van het koninklijk besluit van 2 juli 1973 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van dagcentra voor meerderjarige niet werkende personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016;
g) een tehuis voor kortverblijf voor meerderjarigen, met toepassing van het koninklijk besluit van 25 januari 1971 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van de tehuizen van kortverblijf ten behoeve van gehandicapten, zoals van toepassing op 31 december 2016;
h) een geïntegreerde woonproject, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2006 betreffende de goedkeuring en subsidiëring van geïntegreerde woonprojecten voor personen met een handicap;
2° individuele dienstverleningsovereenkomst: de individuele dienstverleningsovereenkomst die bij het agentschap is geregistreerd oor het jaar 2016.
Het agentschap gaat bij de herrekening, vermeld in artikel 6, voor de ondersteuning die op 31 december 2016 is geboden door het FAM of de thuisbegeleidingsdienst, uit van het zorggebruik dat resulteert uit de vertaling die de FAM en thuisbegeleidingsdiensten conform artikel 14 van het besluit van 24 juni 2016, hebben gemaakt van de ondersteuning die ze bieden aan meerderjarige personen met een handicap, in ondersteuningsfuncties als vermeld in artikel 1, 14°, van het besluit van 27 november 2015, met vermelding van de frequentie, vermeld in artikel 7, eerste lid, 8°, van het voormelde besluit zoals deze werd geconsolideerd op 1 december 2017.
Het agentschap kan verder onderzoek instellen als het bij nazicht van de gegevens, vermeld in het tweede lid, voor een FAM of een thuisbegeleidingsdienst een van de volgende elementen vaststelt:
1° de ondersteuning die gemiddeld aan de cliënten van een ondersteuningsvorm wordt geboden is niet mogelijk of is niet realistisch;
2° er zijn voor de ondersteuning die is geboden door een FAM of een thuisbegeleidingsdienst procentueel grote afwijkingen tussen de gegevens, vermeld in het tweede lid, en de gegevens, vermeld in de individuele dienstverleningsovereenkomsten, en de gegevens die bij het agentschap zijn geregistreerd over de ondersteuning die in het jaar 2016 is geboden;
3° er zijn voor het aantal cliënten van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst procentueel grote afwijkingen tussen de gegevens, vermeld in het tweede lid, en de gegevens, die in de individuele dienstverleningsovereenkomsten zijn vermeld en de gegevens die bij het agentschap zijn geregistreerd over de ondersteuning die in het jaar 2016 is geboden;
4° als er in het kader van de vertaling van de ondersteuning oproepbare permanentie in aanmerking is genomen, en van de volgende elementen:
a) het percentage van de cliënten van een ondersteuningsvorm waarvoor een FAM of een thuisbegeleidingsdienst oproepbare permanentie heeft in aanmerking genomen is hoger dan het gemiddelde voor die ondersteuningsvorm over alle FAM's of thuisbegeleidingsdiensten;
b) er wordt oproepbare permanentie in aanmerking genomen voor cliënten waarvoor de FAM of een thuisbegeleidingsdienst in het kader van de inschatting van de zorgzwaarte conform artikel 15 van het besluit van 24 juni 2016 een waarde lager dan drie heeft ingeschat voor de parameter permanentie;
c) er wordt oproepbare permanentie in aanmerking genomen voor cliënten van de ondersteuningsvormen, vermeld in het eerste lid, punt 1°, c) tot en met h);
5° het percentage van de cliënten van een ondersteuningsvorm waarvoor dagondersteuning in aanmerking is genomen hoger is dan het gemiddelde voor die ondersteuningsvorm over alle FAM of thuisbegeleidingsdiensten;
6° het percentage van de cliënten van een ondersteuningsvorm waarvoor woonondersteuning in aanmerking is genomen hoger is dan het gemiddelde voor die ondersteuningsvorm over alle FAM of thuisbegeleidingsdiensten;
7° er wordt dagondersteuning in aanmerking genomen voor de ondersteuningsvormen, vermeld in het eerste lid, punt 1°, c) of d);
8° er wordt woonondersteuning in aanmerking genomen voor de ondersteuningsvormen, vermeld in het eerste lid, punt 1°, c), d), of f).
Als het agentschap een of meerdere elementen, vermeld in het derde lid, vaststelt voor een vergunde zorgaanbieder die op 31 december 2016 is erkend als een FAM of als een thuisbegeleidingsdienst, overlegt het agentschap met de betrokken vergunde zorgaanbieder.
Het gebruik van ondersteuning dat in aanmerking is genomen voor de uitwerking van de budgetten conform hoofdstuk 3 is het zorggebruik, vermeld in het tweede lid behalve als het agentschap een nader onderzoek heeft ingesteld als vermeld in het derde lid en de vergunde zorgaanbieder geen afdoende verklaring kan geven voor de afwijkingen die het agentschap heeft vastgesteld. Als de vergunde zorgaanbieder geen afdoende verklaring kan geven voor de vastgestelde afwijkingen, stelt het agentschap het gebruik van ondersteuning voor de cliënten van de vergunde zorgaanbieder die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, vast op basis van de volgende elementen:
1° de ondersteuning en de frequentie van ondersteuning vermeld in de individuele dienstverleningsovereenkomsten;
2° de gegevens die over de ondersteuning die in het jaar 2016 is geboden, geregistreerd zijn bij het agentschap;
3° de facturen over financiële bijdragen, vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap voor het jaar 2016;
4° de facturen over de woon- en leefkosten, vermeld in artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van flexibele aanbodcentra voor meerderjarige personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016, voor het jaar 2016.]1
1° ondersteuningsvorm: een van de navolgende diensten waarvoor de FAM erkend is op 31 december 2016:
a) een dienst voor zelfstandig wonen, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende de vaststelling van de erkenningsvoorwaarden, de werkings- en subsidiëringsmodaliteiten voor diensten voor zelfstandig wonen van gehandicapte personen zoals bedoeld in artikel 3, § 1bis, van het koninklijk besluit nr. 81 van 10 november 1967 tot instelling van een Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten zoals van toepassing op 31 december 2016;
b) een dienst voor zelfstandig wonen als vermeld in punt a), en als een pilootproject diensten Inclusieve Ondersteuning als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010 betreffende de vergunning, erkenning en subsidiëring van een pilootproject diensten Inclusieve Ondersteuning door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016;
c) een dienst voor begeleid wonen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor begeleid wonen voor personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016;
d) een dienst voor beschermd wonen, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1998 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten voor beschermd wonen voor personen met een handicap;
e) een tehuis, met toepassing van het koninklijk besluit van 23 december 1970 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden van de residentiële en semi-residentiële voorzieningen voor personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016;
f) een dagcentrum, met toepassing van het koninklijk besluit van 2 juli 1973 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van dagcentra voor meerderjarige niet werkende personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016;
g) een tehuis voor kortverblijf voor meerderjarigen, met toepassing van het koninklijk besluit van 25 januari 1971 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van de tehuizen van kortverblijf ten behoeve van gehandicapten, zoals van toepassing op 31 december 2016;
h) een geïntegreerde woonproject, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2006 betreffende de goedkeuring en subsidiëring van geïntegreerde woonprojecten voor personen met een handicap;
2° individuele dienstverleningsovereenkomst: de individuele dienstverleningsovereenkomst die bij het agentschap is geregistreerd oor het jaar 2016.
Het agentschap gaat bij de herrekening, vermeld in artikel 6, voor de ondersteuning die op 31 december 2016 is geboden door het FAM of de thuisbegeleidingsdienst, uit van het zorggebruik dat resulteert uit de vertaling die de FAM en thuisbegeleidingsdiensten conform artikel 14 van het besluit van 24 juni 2016, hebben gemaakt van de ondersteuning die ze bieden aan meerderjarige personen met een handicap, in ondersteuningsfuncties als vermeld in artikel 1, 14°, van het besluit van 27 november 2015, met vermelding van de frequentie, vermeld in artikel 7, eerste lid, 8°, van het voormelde besluit zoals deze werd geconsolideerd op 1 december 2017.
Het agentschap kan verder onderzoek instellen als het bij nazicht van de gegevens, vermeld in het tweede lid, voor een FAM of een thuisbegeleidingsdienst een van de volgende elementen vaststelt:
1° de ondersteuning die gemiddeld aan de cliënten van een ondersteuningsvorm wordt geboden is niet mogelijk of is niet realistisch;
2° er zijn voor de ondersteuning die is geboden door een FAM of een thuisbegeleidingsdienst procentueel grote afwijkingen tussen de gegevens, vermeld in het tweede lid, en de gegevens, vermeld in de individuele dienstverleningsovereenkomsten, en de gegevens die bij het agentschap zijn geregistreerd over de ondersteuning die in het jaar 2016 is geboden;
3° er zijn voor het aantal cliënten van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst procentueel grote afwijkingen tussen de gegevens, vermeld in het tweede lid, en de gegevens, die in de individuele dienstverleningsovereenkomsten zijn vermeld en de gegevens die bij het agentschap zijn geregistreerd over de ondersteuning die in het jaar 2016 is geboden;
4° als er in het kader van de vertaling van de ondersteuning oproepbare permanentie in aanmerking is genomen, en van de volgende elementen:
a) het percentage van de cliënten van een ondersteuningsvorm waarvoor een FAM of een thuisbegeleidingsdienst oproepbare permanentie heeft in aanmerking genomen is hoger dan het gemiddelde voor die ondersteuningsvorm over alle FAM's of thuisbegeleidingsdiensten;
b) er wordt oproepbare permanentie in aanmerking genomen voor cliënten waarvoor de FAM of een thuisbegeleidingsdienst in het kader van de inschatting van de zorgzwaarte conform artikel 15 van het besluit van 24 juni 2016 een waarde lager dan drie heeft ingeschat voor de parameter permanentie;
c) er wordt oproepbare permanentie in aanmerking genomen voor cliënten van de ondersteuningsvormen, vermeld in het eerste lid, punt 1°, c) tot en met h);
5° het percentage van de cliënten van een ondersteuningsvorm waarvoor dagondersteuning in aanmerking is genomen hoger is dan het gemiddelde voor die ondersteuningsvorm over alle FAM of thuisbegeleidingsdiensten;
6° het percentage van de cliënten van een ondersteuningsvorm waarvoor woonondersteuning in aanmerking is genomen hoger is dan het gemiddelde voor die ondersteuningsvorm over alle FAM of thuisbegeleidingsdiensten;
7° er wordt dagondersteuning in aanmerking genomen voor de ondersteuningsvormen, vermeld in het eerste lid, punt 1°, c) of d);
8° er wordt woonondersteuning in aanmerking genomen voor de ondersteuningsvormen, vermeld in het eerste lid, punt 1°, c), d), of f).
Als het agentschap een of meerdere elementen, vermeld in het derde lid, vaststelt voor een vergunde zorgaanbieder die op 31 december 2016 is erkend als een FAM of als een thuisbegeleidingsdienst, overlegt het agentschap met de betrokken vergunde zorgaanbieder.
Het gebruik van ondersteuning dat in aanmerking is genomen voor de uitwerking van de budgetten conform hoofdstuk 3 is het zorggebruik, vermeld in het tweede lid behalve als het agentschap een nader onderzoek heeft ingesteld als vermeld in het derde lid en de vergunde zorgaanbieder geen afdoende verklaring kan geven voor de afwijkingen die het agentschap heeft vastgesteld. Als de vergunde zorgaanbieder geen afdoende verklaring kan geven voor de vastgestelde afwijkingen, stelt het agentschap het gebruik van ondersteuning voor de cliënten van de vergunde zorgaanbieder die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, vast op basis van de volgende elementen:
1° de ondersteuning en de frequentie van ondersteuning vermeld in de individuele dienstverleningsovereenkomsten;
2° de gegevens die over de ondersteuning die in het jaar 2016 is geboden, geregistreerd zijn bij het agentschap;
3° de facturen over financiële bijdragen, vermeld in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap voor het jaar 2016;
4° de facturen over de woon- en leefkosten, vermeld in artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van flexibele aanbodcentra voor meerderjarige personen met een handicap, zoals van toepassing op 31 december 2016, voor het jaar 2016.]1
Art.7. [1 Dans le présent article, on entend par :
1° forme de soutien : l'un des services suivants pour lesquels le FAM est agréé au 31 décembre 2016 :
a) un service pour le logement autonome, en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 fixant les conditions d'agrément ainsi que les modalités de fonctionnement et de subventionnement des services pour personnes handicapées habitant chez eux de manière autonome visés à l'article 3, § 1er bis de l'arrêté royal n° 81 du 10 novembre 1967 créant un Fonds de soins médico-socio-pédagogiques pour personnes handicapées, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2016 ;
b) un service pour le logement autonome, tel que visé au point a), et comme projet pilote des Services d'Accompagnement inclusif tels que visés à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mai 2010 relatif à l'autorisation, à l'agrément et au subventionnement d'un projet pilote Services d'Accompagnement inclusif par l'Agence flamande pour les Personnes handicapées, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2016 ;
c) un service de logement assisté en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 relatif à l'agrément et au subventionnement des services de logement assisté pour personnes handicapées, tel qu'applicable au 31 décembre 2016 ;
d) un service de logement assisté, en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 1998 relatif à l'agrément et au subventionnement de services d'habitations protégées pour personnes handicapées ;
e) un home, en application de l'arrêté royal du 23 décembre 1970 fixant les conditions d'agréation des structures résidentielles et semi-résidentielles pour personnes handicapées, tel qu'applicable au 31 décembre 2016 ;
f) un centre de jour, en application de l'arrêté royal du 2 juillet 1973 fixant les conditions d'agrément des centres de jour pour personnes handicapées majeures non travailleurs, tel qu'applicable au 31 décembre 2016 ;
g) un home de court séjour pour personnes majeures, en application de l'arrêté royal du 25 janvier 1971 fixant les conditions d'agrément des homes de court séjour pour personnes handicapées, tel qu'applicable au 31 décembre 2016 ;
h) un projet de logement, en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 novembre 2006 relatif à l'approbation et au subventionnement de projets de logement intégrés pour des personnes handicapées ;
2° contrat individuel de services : le contrat individuel de services enregistré auprès de l'agence pour 2016.
Aux fins du recalcul visé à l'article 6, pour l'aide fournie par le FAM ou le service d'aide à domicile au 31 décembre 2016, l'agence prend pour base l'utilisation de soins résultant de la conversion effectuée par le FAM et les services d'aide à domicile conformément à l'article 14 de l'arrêté du 24 juin 2016, de l'aide qu'ils offrent aux personnes majeures handicapées, dans les fonctions de soutien visées à l'article 1er, 14°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, en indiquant la fréquence visée à l'article 7, premier alinéa, 8°, de l'arrêté précité, tel que consolidé au 1er décembre 2017.
L'agence peut procéder à une enquête plus approfondie si, au cours de l'examen des données visées à l'alinéa 2, elle identifie l'un des éléments suivants pour un FAM ou un service d'aide à domicile :
1° le soutien moyen offert aux clients d'une forme de soutien n'est pas possible ou pas réaliste ;
2° pour le soutien offert par un FAM ou un service d'aide à domicile, il existe des écarts importants en pourcentage entre les données visées au deuxième alinéa et les données mentionnées dans les contrats individuels de services, et les données enregistrées auprès de l'agence concernant le soutien offert en 2016 ;
3° pour le nombre de clients d'un FAM ou d'un service d'aide à domicile, il existe des écarts importants en pourcentage entre les données visées au deuxième alinéa et les données mentionnées dans les contrats individuels de services, et les données enregistrées auprès de l'agence concernant le soutien offert en 2016 ;
4° si, dans le cadre de la conversion du soutien, il a été tenu compte de la permanence appelable, et des éléments suivants :
a) le pourcentage de clients d'une forme de soutien pour lequel un FAM ou un service d'aide à domicile a pris en compte la permanence appelable est supérieur à la moyenne pour cette forme de soutien dans tous les FAM ou services d'aide à domicile ;
b) la permanence appelable est prise en compte pour les clients pour lesquels le FAM ou un service d'aide à domicile a estimé une valeur inférieure à trois pour le paramètre permanence dans le cadre de l'estimation du besoin en soins conformément à l'article 15 de l'arrêté du 24 juin 2016 ;
c) la permanence appelable est prise en compte pour les clients des formes de soutien visées au premier alinéa, point 1°, c) à h) ;
5° le pourcentage de clients d'une forme de soutien pour lequel le soutien de jour a été pris en compte est supérieur à la moyenne pour cette forme de soutien dans tous les FAM ou services d'aide à domicile ;
a) le pourcentage de clients d'une forme de soutien pour lequel l'accompagnement au logement est pris en compte est supérieur à la moyenne pour cette forme de soutien dans tous les FAM ou services d'aide à domicile ;
b) le soutien de jour est pris en compte pour les formes de soutien visées au premier alinéa, point 1°, c) ou d) ;
c) l'accompagnement au logement est pris en compte pour les formes de soutien visées au premier alinéa, point 1°, c), d) ou f).
Si l'agence détermine un ou plusieurs éléments visés au troisième alinéa pour un prestataire de soins autorisé qui est agréé au 31 décembre 2016 comme FAM ou comme service d'aide à domicile, l'agence consulte le prestataire de soins autorisé concerné.
L'utilisation de soutien, pris en compte pour l'élaboration des budgets conformément au chapitre 3 est l'utilisation des soins visée au deuxième alinéa, à moins que l'agence n'ait entrepris une enquête plus approfondie telle que visée au troisième alinéa et que le prestataire de soins autorisé ne puisse fournir une explication adéquate des écarts que l'agence a relevés. Lorsque le prestataire de soins autorisé ne peut fournir d'explication adéquate des écarts relevés, l'agence détermine l'utilisation de soutien pour les clients du prestataire de soins autorisé qui satisfont aux conditions énoncées à l'article 6 sur la base des éléments suivants :
1° le soutien et la fréquence de soutien mentionnés dans les contrats de services individuels ;
2° les données sur le soutien fourni en 2016, enregistrées auprès de l'agence ;
3° les factures sur les contributions financières, visées à l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées pour l'année 2016 ;
4° les factures sur les coûts de logement et de la vie, visés à l'article 22 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement des centres offrant des services flexibles aux personnes handicapées majeures, tel qu'applicable au 31 décembre 2016, pour l'année 2016.]1
1° forme de soutien : l'un des services suivants pour lesquels le FAM est agréé au 31 décembre 2016 :
a) un service pour le logement autonome, en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 fixant les conditions d'agrément ainsi que les modalités de fonctionnement et de subventionnement des services pour personnes handicapées habitant chez eux de manière autonome visés à l'article 3, § 1er bis de l'arrêté royal n° 81 du 10 novembre 1967 créant un Fonds de soins médico-socio-pédagogiques pour personnes handicapées, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2016 ;
b) un service pour le logement autonome, tel que visé au point a), et comme projet pilote des Services d'Accompagnement inclusif tels que visés à l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mai 2010 relatif à l'autorisation, à l'agrément et au subventionnement d'un projet pilote Services d'Accompagnement inclusif par l'Agence flamande pour les Personnes handicapées, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2016 ;
c) un service de logement assisté en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 juillet 2001 relatif à l'agrément et au subventionnement des services de logement assisté pour personnes handicapées, tel qu'applicable au 31 décembre 2016 ;
d) un service de logement assisté, en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 décembre 1998 relatif à l'agrément et au subventionnement de services d'habitations protégées pour personnes handicapées ;
e) un home, en application de l'arrêté royal du 23 décembre 1970 fixant les conditions d'agréation des structures résidentielles et semi-résidentielles pour personnes handicapées, tel qu'applicable au 31 décembre 2016 ;
f) un centre de jour, en application de l'arrêté royal du 2 juillet 1973 fixant les conditions d'agrément des centres de jour pour personnes handicapées majeures non travailleurs, tel qu'applicable au 31 décembre 2016 ;
g) un home de court séjour pour personnes majeures, en application de l'arrêté royal du 25 janvier 1971 fixant les conditions d'agrément des homes de court séjour pour personnes handicapées, tel qu'applicable au 31 décembre 2016 ;
h) un projet de logement, en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 novembre 2006 relatif à l'approbation et au subventionnement de projets de logement intégrés pour des personnes handicapées ;
2° contrat individuel de services : le contrat individuel de services enregistré auprès de l'agence pour 2016.
Aux fins du recalcul visé à l'article 6, pour l'aide fournie par le FAM ou le service d'aide à domicile au 31 décembre 2016, l'agence prend pour base l'utilisation de soins résultant de la conversion effectuée par le FAM et les services d'aide à domicile conformément à l'article 14 de l'arrêté du 24 juin 2016, de l'aide qu'ils offrent aux personnes majeures handicapées, dans les fonctions de soutien visées à l'article 1er, 14°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, en indiquant la fréquence visée à l'article 7, premier alinéa, 8°, de l'arrêté précité, tel que consolidé au 1er décembre 2017.
L'agence peut procéder à une enquête plus approfondie si, au cours de l'examen des données visées à l'alinéa 2, elle identifie l'un des éléments suivants pour un FAM ou un service d'aide à domicile :
1° le soutien moyen offert aux clients d'une forme de soutien n'est pas possible ou pas réaliste ;
2° pour le soutien offert par un FAM ou un service d'aide à domicile, il existe des écarts importants en pourcentage entre les données visées au deuxième alinéa et les données mentionnées dans les contrats individuels de services, et les données enregistrées auprès de l'agence concernant le soutien offert en 2016 ;
3° pour le nombre de clients d'un FAM ou d'un service d'aide à domicile, il existe des écarts importants en pourcentage entre les données visées au deuxième alinéa et les données mentionnées dans les contrats individuels de services, et les données enregistrées auprès de l'agence concernant le soutien offert en 2016 ;
4° si, dans le cadre de la conversion du soutien, il a été tenu compte de la permanence appelable, et des éléments suivants :
a) le pourcentage de clients d'une forme de soutien pour lequel un FAM ou un service d'aide à domicile a pris en compte la permanence appelable est supérieur à la moyenne pour cette forme de soutien dans tous les FAM ou services d'aide à domicile ;
b) la permanence appelable est prise en compte pour les clients pour lesquels le FAM ou un service d'aide à domicile a estimé une valeur inférieure à trois pour le paramètre permanence dans le cadre de l'estimation du besoin en soins conformément à l'article 15 de l'arrêté du 24 juin 2016 ;
c) la permanence appelable est prise en compte pour les clients des formes de soutien visées au premier alinéa, point 1°, c) à h) ;
5° le pourcentage de clients d'une forme de soutien pour lequel le soutien de jour a été pris en compte est supérieur à la moyenne pour cette forme de soutien dans tous les FAM ou services d'aide à domicile ;
a) le pourcentage de clients d'une forme de soutien pour lequel l'accompagnement au logement est pris en compte est supérieur à la moyenne pour cette forme de soutien dans tous les FAM ou services d'aide à domicile ;
b) le soutien de jour est pris en compte pour les formes de soutien visées au premier alinéa, point 1°, c) ou d) ;
c) l'accompagnement au logement est pris en compte pour les formes de soutien visées au premier alinéa, point 1°, c), d) ou f).
Si l'agence détermine un ou plusieurs éléments visés au troisième alinéa pour un prestataire de soins autorisé qui est agréé au 31 décembre 2016 comme FAM ou comme service d'aide à domicile, l'agence consulte le prestataire de soins autorisé concerné.
L'utilisation de soutien, pris en compte pour l'élaboration des budgets conformément au chapitre 3 est l'utilisation des soins visée au deuxième alinéa, à moins que l'agence n'ait entrepris une enquête plus approfondie telle que visée au troisième alinéa et que le prestataire de soins autorisé ne puisse fournir une explication adéquate des écarts que l'agence a relevés. Lorsque le prestataire de soins autorisé ne peut fournir d'explication adéquate des écarts relevés, l'agence détermine l'utilisation de soutien pour les clients du prestataire de soins autorisé qui satisfont aux conditions énoncées à l'article 6 sur la base des éléments suivants :
1° le soutien et la fréquence de soutien mentionnés dans les contrats de services individuels ;
2° les données sur le soutien fourni en 2016, enregistrées auprès de l'agence ;
3° les factures sur les contributions financières, visées à l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées pour l'année 2016 ;
4° les factures sur les coûts de logement et de la vie, visés à l'article 22 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 février 2016 portant agrément et subventionnement des centres offrant des services flexibles aux personnes handicapées majeures, tel qu'applicable au 31 décembre 2016, pour l'année 2016.]1
Wijzigingen
Art.8. [1 Het agentschap gaat bij de herrekening, vermeld in artikel 6, voor de zorgzwaarte, uit van de inschattingen van de zorgzwaarte die de FAM's en thuisbegeleidingsdiensten hebben uitgevoerd conform artikel 15 van het besluit van 24 juni 2016.]1
Art.8. [1 Pour le recalcul visé à l'article 6, l'agence se base, en ce qui concerne le besoin en soins, sur les estimations du besoin en soins que les FAM et les services d'aide à domicile ont effectuées conformément à l'article 15 de l'arrêté du 24 juin 2016.]1
Wijzigingen
Art.9. [1 Het agentschap stelt voor de personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, een budgetcategorie vast, als vermeld in tabel 1 die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd conform artikel 10.]1
Art.9. [1 L'agence fixe une catégorie budgétaire pour les personnes qui satisfont aux conditions énoncées à l'article 6, comme indiqué au tableau 1er de l'annexe jointe au présent arrêté conformément à l'article 10.]1
Wijzigingen
Art.10. [1 § 1. Het agentschap stelt een aantal zorggebonden punten vast voor elke ondersteuningsfunctie die voor een persoon conform artikel 7 in aanmerking is genomen, met uitzondering van oproepbare permanentie. Dat gebeurt op basis van de frequenties die conform artikel 7 voor de ondersteuningsfuncties in aanmerking zijn genomen conform tabel 3 tot en met tabel 7, die zijn opgenomen in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd.
Als voor een persoon conform artikel 7 psychosociale begeleiding in aanmerking is genomen wordt voor de berekening van het overeenstemmende aantal zorggebonden punten, voor maximaal twee uren een aantal zorggebonden punten vastgesteld conform tabel 6, die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, en wordt in afwijking van het eerste lid, het aantal zorggebonden punten voor de overige uren vastgesteld conform tabel 7, die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.
In afwijking van het eerste lid wordt geen aantal personeelspunten vastgesteld voor woonondersteuning of dagondersteuning als de budgetcategorie die conform tabel 2, die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, overeenstemt met de inschatting van de zorgzwaarte, vermeld in artikel 8, voor de parameters begeleidingsintensiteit en permanentie lager is dan budgetcategorie 3.
Als er conform artikel 7 verschillende ondersteuningsfuncties in aanmerking zijn genomen wordt het aantal zorggebonden punten dat is vastgesteld voor de verschillende gevraagde ondersteuningsfuncties, opgeteld.
Als oproepbare permanentie wordt gevraagd, wordt het aantal zorggebonden punten voor oproepbare permanentie, vermeld in tabel 8, die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, opgeteld bij het aantal zorggebonden punten dat conform het eerste tot en met het vierde lid is vastgesteld.
§ 2. Als het totaal aantal zorggebonden punten dat is vastgesteld conform paragraaf 1 lager is dan de ondergrens van het aantal zorggebonden punten voor budgetcategorie 1, conform tabel 2, die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, wordt geen budgetcategorie vastgesteld.
Voor de personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, en die op 31 december 2016 de ondersteuning van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst combineren met een persoonlijke-assistentiebudget als vermeld in artikel 1, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap zoals van toepassing op 31 december 2016, wordt het aantal zorggebonden punten dat is vastgesteld conform paragraaf 1 voor de toepassing van het eerste lid samengevoegd met de zorggebonden punten die resulteren uit de vertaling van het persoonlijkeassistentiebudget conform artikel 4 tot en met 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten.
Behalve in het geval, vermeld in het eerste lid, wordt een budgetcategorie vastgesteld op basis van een vergelijking tussen de volgende budgetcategorieën:
1° de budgetcategorie die conform tabel 2, die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, overeenstemt met het totaal van de zorggebonden punten die zijn vastgesteld conform paragraaf 1, in het geval, vermeld in het tweede lid en de zorggebonden punten die resulteren uit de vertaling conform artikel 4 tot en met 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten;
2° de budgetcategorie die conform de voormelde tabel 2 overeenstemt met de inschatting van de zorgzwaarte, vermeld in artikel 8, voor de parameters begeleidingsintensiteit en permanentie.
Als de budgetcategorie, vermeld in het tweede lid, 1°, hoger is dan de budgetcategorie, vermeld in het tweede lid, 2°, wordt de budgetcategorie, vermeld in het tweede lid, 2°, in aanmerking genomen.
Als de budgetcategorie, vermeld in het tweede lid, 1°, lager is dan de budgetcategorie, vermeld in tweede lid, 2°, wordt de budgetcategorie, vermeld in het tweede lid, 1°, in aanmerking genomen.
§ 3. Als de optelsom van het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1en paragraaf 2 is vastgesteld voor alle personen die voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 6, hoger is dan de optelsom van het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, voor deze personen, wordt het aantal zorggebonden punten dat voor die personen conform paragraaf 1 en paragraaf 2 is vastgesteld verminderd met een aantal zorggebonden punten dat wordt berekend door het verschil tussen de voormelde optelsommen te delen door het aantal personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6 en waarvoor conform paragraaf 1 en paragraaf 2 een budgetcategorie is vastgesteld.
Als de optelsom van het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1 en paragraaf 2 is vastgesteld voor alle personen die voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 6, lager is dan de optelsom van het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, voor deze personen, wordt het aantal zorggebonden punten dat voor die personen conform paragraaf 1 en paragraaf 2 is vastgesteld verhoogd met een aantal zorggebonden punten dat wordt berekend door het verschil tussen de voormelde optelsommen te delen door het aantal personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6 en waarvoor conform paragraaf 1 en paragraaf 2 een budgetcategorie is vastgesteld.]1
[2 § 4. Als het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1 tot en met 3 is vastgesteld, voor de personen met een handicap voor wie met toepassing van paragraaf 1 tot en met 3 een budgetcategorie is vastgesteld, meer dan 15 % lager is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, wordt het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1 tot en met 3 is vastgesteld, verhoogd totdat het verschil met de zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, 15 % bedraagt.]2
Als voor een persoon conform artikel 7 psychosociale begeleiding in aanmerking is genomen wordt voor de berekening van het overeenstemmende aantal zorggebonden punten, voor maximaal twee uren een aantal zorggebonden punten vastgesteld conform tabel 6, die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, en wordt in afwijking van het eerste lid, het aantal zorggebonden punten voor de overige uren vastgesteld conform tabel 7, die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.
In afwijking van het eerste lid wordt geen aantal personeelspunten vastgesteld voor woonondersteuning of dagondersteuning als de budgetcategorie die conform tabel 2, die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, overeenstemt met de inschatting van de zorgzwaarte, vermeld in artikel 8, voor de parameters begeleidingsintensiteit en permanentie lager is dan budgetcategorie 3.
Als er conform artikel 7 verschillende ondersteuningsfuncties in aanmerking zijn genomen wordt het aantal zorggebonden punten dat is vastgesteld voor de verschillende gevraagde ondersteuningsfuncties, opgeteld.
Als oproepbare permanentie wordt gevraagd, wordt het aantal zorggebonden punten voor oproepbare permanentie, vermeld in tabel 8, die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, opgeteld bij het aantal zorggebonden punten dat conform het eerste tot en met het vierde lid is vastgesteld.
§ 2. Als het totaal aantal zorggebonden punten dat is vastgesteld conform paragraaf 1 lager is dan de ondergrens van het aantal zorggebonden punten voor budgetcategorie 1, conform tabel 2, die is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, wordt geen budgetcategorie vastgesteld.
Voor de personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, en die op 31 december 2016 de ondersteuning van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst combineren met een persoonlijke-assistentiebudget als vermeld in artikel 1, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap zoals van toepassing op 31 december 2016, wordt het aantal zorggebonden punten dat is vastgesteld conform paragraaf 1 voor de toepassing van het eerste lid samengevoegd met de zorggebonden punten die resulteren uit de vertaling van het persoonlijkeassistentiebudget conform artikel 4 tot en met 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten.
Behalve in het geval, vermeld in het eerste lid, wordt een budgetcategorie vastgesteld op basis van een vergelijking tussen de volgende budgetcategorieën:
1° de budgetcategorie die conform tabel 2, die opgenomen is in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, overeenstemt met het totaal van de zorggebonden punten die zijn vastgesteld conform paragraaf 1, in het geval, vermeld in het tweede lid en de zorggebonden punten die resulteren uit de vertaling conform artikel 4 tot en met 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten;
2° de budgetcategorie die conform de voormelde tabel 2 overeenstemt met de inschatting van de zorgzwaarte, vermeld in artikel 8, voor de parameters begeleidingsintensiteit en permanentie.
Als de budgetcategorie, vermeld in het tweede lid, 1°, hoger is dan de budgetcategorie, vermeld in het tweede lid, 2°, wordt de budgetcategorie, vermeld in het tweede lid, 2°, in aanmerking genomen.
Als de budgetcategorie, vermeld in het tweede lid, 1°, lager is dan de budgetcategorie, vermeld in tweede lid, 2°, wordt de budgetcategorie, vermeld in het tweede lid, 1°, in aanmerking genomen.
§ 3. Als de optelsom van het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1en paragraaf 2 is vastgesteld voor alle personen die voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 6, hoger is dan de optelsom van het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, voor deze personen, wordt het aantal zorggebonden punten dat voor die personen conform paragraaf 1 en paragraaf 2 is vastgesteld verminderd met een aantal zorggebonden punten dat wordt berekend door het verschil tussen de voormelde optelsommen te delen door het aantal personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6 en waarvoor conform paragraaf 1 en paragraaf 2 een budgetcategorie is vastgesteld.
Als de optelsom van het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1 en paragraaf 2 is vastgesteld voor alle personen die voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 6, lager is dan de optelsom van het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, voor deze personen, wordt het aantal zorggebonden punten dat voor die personen conform paragraaf 1 en paragraaf 2 is vastgesteld verhoogd met een aantal zorggebonden punten dat wordt berekend door het verschil tussen de voormelde optelsommen te delen door het aantal personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6 en waarvoor conform paragraaf 1 en paragraaf 2 een budgetcategorie is vastgesteld.]1
[2 § 4. Als het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1 tot en met 3 is vastgesteld, voor de personen met een handicap voor wie met toepassing van paragraaf 1 tot en met 3 een budgetcategorie is vastgesteld, meer dan 15 % lager is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, wordt het aantal zorggebonden punten dat conform paragraaf 1 tot en met 3 is vastgesteld, verhoogd totdat het verschil met de zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2, 15 % bedraagt.]2
Art.10. [1 § 1er. L'agence fixe un certain nombre de points liés aux soins pour chaque fonction de soutien prise en compte pour une personne conformément à l'article 7, à l'exception de la permanence appelable. A cet effet elle se base sur les fréquences prises en compte pour les fonctions de soutien en vertu de l'article 7, conformément aux tableaux 3 à 7 de l'annexe du présent arrêté.
Lorsque pour une personne déterminée l'accompagnement psychosocial a été pris en compte conformément à l'article 7, pour calculer le nombre correspondant de points liés aux soins le nombre de points liés aux soins sera déterminé pour un maximum de deux heures conformément au tableau 6, qui figure en annexe au présent arrêté, et par dérogation au premier alinéa, le nombre de points liés aux soins pour les autres heures sera déterminé conformément au tableau 7, qui figure en annexe au présent arrêté.
Par dérogation au premier alinéa, aucun nombre de points de personnel n'est établi pour l'accompagnement au logement ou le soutien de jour si la catégorie budgétaire qui, conformément au tableau 2 de l'annexe du présent arrêté, correspond à l'estimation du besoin de soins visée à l'article 8, est inférieure à la catégorie budgétaire 3 pour les paramètres intensité d'accompagnement et permanence.
Si, conformément à l'article 7, différentes fonctions de soutien ont été prises en compte, les nombres de points liés aux soins déterminés pour les différentes fonctions de soutien demandées seront additionnés.
Si la permanence appelable est demandée, le nombre de points liés aux soins pour la permanence appelable, mentionné dans le tableau 8 qui figure en annexe au présent arrêté, est ajouté au nombre de points liés aux soins déterminé conformément aux alinéas 1er à 4.
§ 2. Si le nombre total de points liés aux soins déterminé conformément au paragraphe 1er est inférieur à la limite inférieure du nombre de points liés aux soins pour la catégorie budgétaire 1, conformément au tableau 2 de l'annexe du présent arrêté, aucune catégorie budgétaire ne sera déterminée.
Pour les personnes qui remplissent les conditions visées à l'article 6 et qui, au 31 décembre 2016, combinent le soutien d'un FAM ou d'un service d'aide à domicile avec un budget d'assistance personnelle visé à l'article 1er, § 1er, 3° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2000 établissant les conditions d'octroi d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapées, tel qu'applicable au 31 décembre 2016, le nombre de points liés aux soins déterminé conformément au paragraphe 1er pour l'application de l'alinéa 1er est ajouté aux points liés aux soins résultant de la conversion du budget d'assistance personnelle conformément aux articles 4 à 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers une aide financière personnalisée et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile.
Sauf dans le cas visé au premier alinéa, une catégorie budgétaire est fixée sur la base d'une comparaison entre les catégories budgétaires suivantes :
1° la catégorie budgétaire qui, conformément au tableau 2 annexé au présent arrêté, correspond au total des points liés aux soins déterminés conformément au paragraphe 1er, dans le cas visé au deuxième alinéa, et des points liés aux soins résultant de la conversion conformément aux articles 4 à 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers une aide financière personnalisée et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile ;
2° la catégorie budgétaire qui, conformément au tableau 2 précité, correspond à l'estimation du besoin en soins, visé à l'article 8, pour les paramètres intensité d'accompagnement et permanence.
Si la catégorie budgétaire visée au deuxième alinéa, 1°, est supérieure à la catégorie budgétaire visée au deuxième alinéa, 2°, la catégorie budgétaire visée au deuxième alinéa, 2°, est prise en compte.
Si la catégorie budgétaire visée au deuxième alinéa, 1°, est inférieure à la catégorie budgétaire visée au deuxième alinéa, 2°, la catégorie budgétaire visée au deuxième alinéa, 1°, est prise en compte.
§ 3. Si la somme du nombre de points liés aux soins fixé conformément aux paragraphes 1er et 2 pour toutes les personnes remplissant les conditions énoncées à l'article 6 est supérieure à la somme du nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2, pour ces personnes, le nombre de points liés aux soins fixé pour ces personnes conformément aux paragraphes 1er et 2 est diminué d'un nombre de points liés aux soins qui est calculé en divisant la différence entre les sommes susmentionnées par le nombre de personnes remplissant les conditions énoncées à l'article 6 et pour lesquelles une catégorie budgétaire a été fixée conformément aux paragraphes 1er et 2.
Si la somme du nombre de points liés aux soins fixé conformément aux paragraphes 1er et 2 pour toutes les personnes remplissant les conditions énoncées à l'article 6 est inférieure à la somme du nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2, pour ces personnes, le nombre de points liés aux soins fixé pour ces personnes conformément aux paragraphes 1er et 2 est majoré d'un nombre de points liés aux soins qui est calculé en divisant la différence entre les sommes susmentionnées par le nombre de personnes remplissant les conditions énoncées à l'article 6 et pour lesquelles une catégorie budgétaire a été fixée conformément aux paragraphes 1er et 2.]1
[2 § 4. Si le nombre de points liés aux soins fixé conformément aux paragraphes 1 à 3, pour les personnes handicapées pour lesquelles une catégorie budgétaire est établie en application des paragraphes 1 à 3, est inférieur de plus de 15 % au nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant augmenté conformément au chapitre 2, le nombre de points liés aux soins fixé conformément aux paragraphes 1 à 3, est augmenté jusqu'à la différence avec les points liés aux soins visés à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2, est de 15 %.]2
Lorsque pour une personne déterminée l'accompagnement psychosocial a été pris en compte conformément à l'article 7, pour calculer le nombre correspondant de points liés aux soins le nombre de points liés aux soins sera déterminé pour un maximum de deux heures conformément au tableau 6, qui figure en annexe au présent arrêté, et par dérogation au premier alinéa, le nombre de points liés aux soins pour les autres heures sera déterminé conformément au tableau 7, qui figure en annexe au présent arrêté.
Par dérogation au premier alinéa, aucun nombre de points de personnel n'est établi pour l'accompagnement au logement ou le soutien de jour si la catégorie budgétaire qui, conformément au tableau 2 de l'annexe du présent arrêté, correspond à l'estimation du besoin de soins visée à l'article 8, est inférieure à la catégorie budgétaire 3 pour les paramètres intensité d'accompagnement et permanence.
Si, conformément à l'article 7, différentes fonctions de soutien ont été prises en compte, les nombres de points liés aux soins déterminés pour les différentes fonctions de soutien demandées seront additionnés.
Si la permanence appelable est demandée, le nombre de points liés aux soins pour la permanence appelable, mentionné dans le tableau 8 qui figure en annexe au présent arrêté, est ajouté au nombre de points liés aux soins déterminé conformément aux alinéas 1er à 4.
§ 2. Si le nombre total de points liés aux soins déterminé conformément au paragraphe 1er est inférieur à la limite inférieure du nombre de points liés aux soins pour la catégorie budgétaire 1, conformément au tableau 2 de l'annexe du présent arrêté, aucune catégorie budgétaire ne sera déterminée.
Pour les personnes qui remplissent les conditions visées à l'article 6 et qui, au 31 décembre 2016, combinent le soutien d'un FAM ou d'un service d'aide à domicile avec un budget d'assistance personnelle visé à l'article 1er, § 1er, 3° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 décembre 2000 établissant les conditions d'octroi d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapées, tel qu'applicable au 31 décembre 2016, le nombre de points liés aux soins déterminé conformément au paragraphe 1er pour l'application de l'alinéa 1er est ajouté aux points liés aux soins résultant de la conversion du budget d'assistance personnelle conformément aux articles 4 à 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers une aide financière personnalisée et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile.
Sauf dans le cas visé au premier alinéa, une catégorie budgétaire est fixée sur la base d'une comparaison entre les catégories budgétaires suivantes :
1° la catégorie budgétaire qui, conformément au tableau 2 annexé au présent arrêté, correspond au total des points liés aux soins déterminés conformément au paragraphe 1er, dans le cas visé au deuxième alinéa, et des points liés aux soins résultant de la conversion conformément aux articles 4 à 8 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers une aide financière personnalisée et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide à domicile ;
2° la catégorie budgétaire qui, conformément au tableau 2 précité, correspond à l'estimation du besoin en soins, visé à l'article 8, pour les paramètres intensité d'accompagnement et permanence.
Si la catégorie budgétaire visée au deuxième alinéa, 1°, est supérieure à la catégorie budgétaire visée au deuxième alinéa, 2°, la catégorie budgétaire visée au deuxième alinéa, 2°, est prise en compte.
Si la catégorie budgétaire visée au deuxième alinéa, 1°, est inférieure à la catégorie budgétaire visée au deuxième alinéa, 2°, la catégorie budgétaire visée au deuxième alinéa, 1°, est prise en compte.
§ 3. Si la somme du nombre de points liés aux soins fixé conformément aux paragraphes 1er et 2 pour toutes les personnes remplissant les conditions énoncées à l'article 6 est supérieure à la somme du nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2, pour ces personnes, le nombre de points liés aux soins fixé pour ces personnes conformément aux paragraphes 1er et 2 est diminué d'un nombre de points liés aux soins qui est calculé en divisant la différence entre les sommes susmentionnées par le nombre de personnes remplissant les conditions énoncées à l'article 6 et pour lesquelles une catégorie budgétaire a été fixée conformément aux paragraphes 1er et 2.
Si la somme du nombre de points liés aux soins fixé conformément aux paragraphes 1er et 2 pour toutes les personnes remplissant les conditions énoncées à l'article 6 est inférieure à la somme du nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2, pour ces personnes, le nombre de points liés aux soins fixé pour ces personnes conformément aux paragraphes 1er et 2 est majoré d'un nombre de points liés aux soins qui est calculé en divisant la différence entre les sommes susmentionnées par le nombre de personnes remplissant les conditions énoncées à l'article 6 et pour lesquelles une catégorie budgétaire a été fixée conformément aux paragraphes 1er et 2.]1
[2 § 4. Si le nombre de points liés aux soins fixé conformément aux paragraphes 1 à 3, pour les personnes handicapées pour lesquelles une catégorie budgétaire est établie en application des paragraphes 1 à 3, est inférieur de plus de 15 % au nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant augmenté conformément au chapitre 2, le nombre de points liés aux soins fixé conformément aux paragraphes 1 à 3, est augmenté jusqu'à la différence avec les points liés aux soins visés à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2, est de 15 %.]2
Art.11. [1 § 1. Als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld voor een persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, niet meer dan 15 % hoger of lager is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2023 het aantal zorggebonden punten vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, naar gelang van het geval verhoogd of verlaagd totdat er geen verschil is met het aantal zorggebonden punten, dat conform artikel 10 is vastgesteld.
§ 2. Als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld, voor een persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, meer dan 15 % hoger [2 ...]2 is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2023 het aantal zorggebonden punten waarover die persoon conform artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, beschikt, naar gelang van het geval verhoogd of verlaagd totdat het verschil met de zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, 15 % bedraagt.
Als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld, voor een persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, 20 of minder dan 20 % hoger [2 ...]2 is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt het aantal zorggebonden punten dat werd vastgesteld conform het eerste lid, met ingang van 1 januari 2024 aangepast zodat er geen verschil meer is met het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld.
Als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld, voor een persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, meer dan 20 % hoger [2 ...]2 is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt het aantal zorggebonden punten dat werd vastgesteld conform het eerste lid in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2027 naar gelang van het geval verhoogd of verlaagd totdat er geen verschil meer is met het aantal zorggebonden punten, dat conform artikel 10 is vastgesteld.]1
§ 2. Als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld, voor een persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, meer dan 15 % hoger [2 ...]2 is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2023 het aantal zorggebonden punten waarover die persoon conform artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, beschikt, naar gelang van het geval verhoogd of verlaagd totdat het verschil met de zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, 15 % bedraagt.
Als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld, voor een persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, 20 of minder dan 20 % hoger [2 ...]2 is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt het aantal zorggebonden punten dat werd vastgesteld conform het eerste lid, met ingang van 1 januari 2024 aangepast zodat er geen verschil meer is met het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld.
Als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld, voor een persoon die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, meer dan 20 % hoger [2 ...]2 is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt het aantal zorggebonden punten dat werd vastgesteld conform het eerste lid in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2027 naar gelang van het geval verhoogd of verlaagd totdat er geen verschil meer is met het aantal zorggebonden punten, dat conform artikel 10 is vastgesteld.]1
Art.11. [1 § 1. Si le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 pour une personne remplissant les conditions énoncées à l'article 6 n'est pas supérieur ou pas inférieur de 15 % au nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, le nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, sera majoré ou diminué, selon le cas, jusqu'au nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10, pendant la période du 1er janvier 2020 au 31 décembre 2023.
§ 2. Si le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 pour une personne remplissant les conditions énoncées à l'article 6 est supérieur [2 ...]2 de plus de 15 % au nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, le nombre de points liés aux soins dont dispose cette personne conformément à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, sera majoré ou diminué, selon le cas, jusqu'à une différence de 15 % avec les points liés aux soins visés à l'article 2, le cas échéant majorés conformément au chapitre 2 du présent arrêté, pendant la période du 1er janvier 2020 au 31 décembre 2023.
Si le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 pour une personne remplissant les conditions énoncées à l'article 6 n'est pas supérieur [2 ...]2 de 20 % au nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, le nombre de points liés aux soins fixé conformément au premier alinéa, sera ajusté jusqu'au nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10, à compter du 1er janvier 2024.
Si le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 pour une personne remplissant les conditions énoncées à l'article 6 est supérieur [2 ...]2 de plus de 20 au nombre de points liés aux soins visés à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, le nombre de points liés aux soins fixé conformément au premier alinéa, sera majoré ou diminué, selon le cas, jusqu'au nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10, pendant la période du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2027.]1
§ 2. Si le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 pour une personne remplissant les conditions énoncées à l'article 6 est supérieur [2 ...]2 de plus de 15 % au nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, le nombre de points liés aux soins dont dispose cette personne conformément à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, sera majoré ou diminué, selon le cas, jusqu'à une différence de 15 % avec les points liés aux soins visés à l'article 2, le cas échéant majorés conformément au chapitre 2 du présent arrêté, pendant la période du 1er janvier 2020 au 31 décembre 2023.
Si le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 pour une personne remplissant les conditions énoncées à l'article 6 n'est pas supérieur [2 ...]2 de 20 % au nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, le nombre de points liés aux soins fixé conformément au premier alinéa, sera ajusté jusqu'au nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10, à compter du 1er janvier 2024.
Si le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 pour une personne remplissant les conditions énoncées à l'article 6 est supérieur [2 ...]2 de plus de 20 au nombre de points liés aux soins visés à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, le nombre de points liés aux soins fixé conformément au premier alinéa, sera majoré ou diminué, selon le cas, jusqu'au nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10, pendant la période du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2027.]1
Art.11/1. [1 § 1. Het agentschap deelt de beslissing tot toewijzing van het aantal zorggebonden punten, dat is vastgesteld conform artikel 10 mee aan de persoon met een handicap.
Het aantal zorggebonden punten, dat is vastgesteld conform artikel 10 wordt gefaseerd in de tijd aangepast en ter beschikking gesteld.
In het geval, vermeld in artikel 11, § 1, wordt het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 op 1 januari 2020, 1 januari 2021, 1 januari 2022 en 1 januari 2023 naar gelang van het geval telkens verhoogd of verlaagd met 25 % van het verschil tussen het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in het eerste lid, en het aantal zorggebonden punten vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2.
In het geval vermeld in artikel 11, § 2, wordt het aantal zorggebonden punten, dat conform artikel 10 is vastgesteld, als volgt gefaseerd in de tijd aangepast:
1° het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt op 1 januari 2020, 1 januari 2021, 1 januari 2022 en 1 januari 2023, naar gelang van het geval telkens verhoogd of verlaagd met 25 % van het verschil tussen het aantal zorggebonden punten vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, en naar gelang van het geval verhoogd of verlaagd met 15 en het aantal zorggebonden punten vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit;
2° als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld, 20 of minder dan 20 % hoger [3 ...]3 is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt dit aantal zorggebonden punten na de aanpassingen ervan, vermeld in punt 1°, met ingang van 1 januari 2024 verder aangepast zodat er geen verschil meer is met het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld;
3° als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld, meer dan 20 % hoger [3 ...]3 is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt het aantal zorggebonden punten na de aanpassingen ervan, vermeld in punt 1°, op 1 januari 2024, 1 januari 2025, 1 januari 2026 en 1 januari 2027 naar gelang van het geval telkens verhoogd of verlaagd met 25 % van het verschil tussen het aantal zorggebonden punten, dat conform artikel 10 is vastgesteld en het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, na de aanpassingen ervan, vermeld in punt 1°.
§ 2. De personen met een handicap die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, maar voor wie conform artikel 10, § 2, eerste lid geen budgetcategorie is vastgesteld worden met ingang van 1 januari 2020 toegeleid naar rechtstreeks toegankelijke hulp als vermeld in artikel 1, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2013 betreffende rechtstreeks toegankelijke hulp voor personen met een handicap. De beslissing van het agentschap waarbij hen een aantal zorggebonden punten als vermeld in artikel 2 van dit besluit ter beschikking is gesteld vervalt op 1 januari 2020.
De vergunde zorgaanbieders [2 die op 1 november 2019]2 ondersteuning bieden aan de personen met een handicap, vermeld in het eerste lid, worden met ingang van 1 januari 2020, van rechtswege erkend voor de uitbouw van rechtstreeks toegankelijke hulp als vermeld in artikel 2 van het voormelde besluit van 22 februari 2013 voor het aantal personeelspunten dat nodig is om de ondersteuning van de personen, vermeld in het eerste lid, voort te zetten binnen rechtstreeks toegankelijke hulp [2 ongeacht of voldaan is aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3 van het besluit van 22 februari 2013 betreffende rechtstreeks toegankelijke hulp voor personen met een handicap]2.]1
Het aantal zorggebonden punten, dat is vastgesteld conform artikel 10 wordt gefaseerd in de tijd aangepast en ter beschikking gesteld.
In het geval, vermeld in artikel 11, § 1, wordt het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 op 1 januari 2020, 1 januari 2021, 1 januari 2022 en 1 januari 2023 naar gelang van het geval telkens verhoogd of verlaagd met 25 % van het verschil tussen het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in het eerste lid, en het aantal zorggebonden punten vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2.
In het geval vermeld in artikel 11, § 2, wordt het aantal zorggebonden punten, dat conform artikel 10 is vastgesteld, als volgt gefaseerd in de tijd aangepast:
1° het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt op 1 januari 2020, 1 januari 2021, 1 januari 2022 en 1 januari 2023, naar gelang van het geval telkens verhoogd of verlaagd met 25 % van het verschil tussen het aantal zorggebonden punten vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, en naar gelang van het geval verhoogd of verlaagd met 15 en het aantal zorggebonden punten vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit;
2° als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld, 20 of minder dan 20 % hoger [3 ...]3 is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt dit aantal zorggebonden punten na de aanpassingen ervan, vermeld in punt 1°, met ingang van 1 januari 2024 verder aangepast zodat er geen verschil meer is met het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld;
3° als het aantal zorggebonden punten dat conform artikel 10 is vastgesteld, meer dan 20 % hoger [3 ...]3 is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, wordt het aantal zorggebonden punten na de aanpassingen ervan, vermeld in punt 1°, op 1 januari 2024, 1 januari 2025, 1 januari 2026 en 1 januari 2027 naar gelang van het geval telkens verhoogd of verlaagd met 25 % van het verschil tussen het aantal zorggebonden punten, dat conform artikel 10 is vastgesteld en het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform hoofdstuk 2 van dit besluit, na de aanpassingen ervan, vermeld in punt 1°.
§ 2. De personen met een handicap die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, maar voor wie conform artikel 10, § 2, eerste lid geen budgetcategorie is vastgesteld worden met ingang van 1 januari 2020 toegeleid naar rechtstreeks toegankelijke hulp als vermeld in artikel 1, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2013 betreffende rechtstreeks toegankelijke hulp voor personen met een handicap. De beslissing van het agentschap waarbij hen een aantal zorggebonden punten als vermeld in artikel 2 van dit besluit ter beschikking is gesteld vervalt op 1 januari 2020.
De vergunde zorgaanbieders [2 die op 1 november 2019]2 ondersteuning bieden aan de personen met een handicap, vermeld in het eerste lid, worden met ingang van 1 januari 2020, van rechtswege erkend voor de uitbouw van rechtstreeks toegankelijke hulp als vermeld in artikel 2 van het voormelde besluit van 22 februari 2013 voor het aantal personeelspunten dat nodig is om de ondersteuning van de personen, vermeld in het eerste lid, voort te zetten binnen rechtstreeks toegankelijke hulp [2 ongeacht of voldaan is aan de voorwaarde, vermeld in artikel 3 van het besluit van 22 februari 2013 betreffende rechtstreeks toegankelijke hulp voor personen met een handicap]2.]1
Art.11/1. [1 § 1er. L'agence communique à la personne handicapée la décision d'attribution du nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10.
Le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 sera ajusté et mis à disposition par étapes au fil du temps.
Dans le cas visé à l'article 11, § 1er, le nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2, sera chaque fois au 1er janvier 2020, au 1er janvier 2021, au 1er janvier 2022 et au 1er janvier 2023 majoré ou diminué, selon le cas, de 25 % de la différence entre le nombre de points liés aux soins mentionné dans la décision visée au premier alinéa et le nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2.
Dans le cas visé à l'article 11, § 2, le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 est ajusté par étapes au fil du temps comme suit :
1° le nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, est chaque fois au 1er janvier 2020, au 1er janvier 2021, au 1er janvier 2022 et au 1er janvier 2023 majoré ou diminué, selon le cas, de 25 % de la différence entre le nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté et majoré ou diminué, selon le cas, de 15 %, et le nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté ;
2° si le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 n'est pas supérieur [3 ...]3 de 20 % au nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, ce nombre de points liés aux soins, après les ajustements visés au point 10, sera ajusté jusqu'au nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10, à compter du 1er janvier 2024.
3° si le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 est supérieur [3 ...]3 de plus de 20% au nombre de points de soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, le nombre de points liés aux soins, après les ajustements visé au point 1°, sera chaque fois au 1er janvier 2024, au 1er janvier 2025, au 1er janvier 2026 et au 1er janvier 2027 majoré ou diminué de 25 % de la différence entre le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 et le nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, après les ajustements visés au point 1°.
§ 2. Les personnes handicapées qui remplissent les conditions énoncées à l'article 6, mais pour lesquelles aucune catégorie budgétaire n'a été fixée conformément à l'article 10, § 2, alinéa 1er, sont orientées à compter du 1er janvier 2020 vers l'aide directement accessible visée à l'article 1er, 8° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 février 2013 relatif à l'aide directement accessible pour les personnes handicapées. La décision de l'agence mettant à leur disposition un nombre de points liés aux soins tel que visé à l'article 2 du présent arrêté expire le 1er janvier 2020.
Les prestataires de soins autorisés [2 qui au 1 novembre 2019]2, offrent de l'aide aux personnes handicapées visées au premier alinéa, sont, à compter du 1er janvier 2020, agréés de plein droit pour le développement de l'aide directement accessible visée à l'article 2 de l'arrêté du 22 février 2013 précité pour le nombre de points de personnel nécessaires pour poursuivre le soutien aux personnes visées au premier alinéa au sein de l'aide directement accessible [2 indépendamment du fait de savoir s'il a été satisfait à la condition, telle que visée à l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 février 2013 relatif à l'aide directement accessible pour les personnes handicapées]2.]1
Le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 sera ajusté et mis à disposition par étapes au fil du temps.
Dans le cas visé à l'article 11, § 1er, le nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2, sera chaque fois au 1er janvier 2020, au 1er janvier 2021, au 1er janvier 2022 et au 1er janvier 2023 majoré ou diminué, selon le cas, de 25 % de la différence entre le nombre de points liés aux soins mentionné dans la décision visée au premier alinéa et le nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2.
Dans le cas visé à l'article 11, § 2, le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 est ajusté par étapes au fil du temps comme suit :
1° le nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, est chaque fois au 1er janvier 2020, au 1er janvier 2021, au 1er janvier 2022 et au 1er janvier 2023 majoré ou diminué, selon le cas, de 25 % de la différence entre le nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté et majoré ou diminué, selon le cas, de 15 %, et le nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté ;
2° si le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 n'est pas supérieur [3 ...]3 de 20 % au nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, ce nombre de points liés aux soins, après les ajustements visés au point 10, sera ajusté jusqu'au nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10, à compter du 1er janvier 2024.
3° si le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 est supérieur [3 ...]3 de plus de 20% au nombre de points de soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, le nombre de points liés aux soins, après les ajustements visé au point 1°, sera chaque fois au 1er janvier 2024, au 1er janvier 2025, au 1er janvier 2026 et au 1er janvier 2027 majoré ou diminué de 25 % de la différence entre le nombre de points liés aux soins fixé conformément à l'article 10 et le nombre de points liés aux soins visé à l'article 2, le cas échéant majoré conformément au chapitre 2 du présent arrêté, après les ajustements visés au point 1°.
§ 2. Les personnes handicapées qui remplissent les conditions énoncées à l'article 6, mais pour lesquelles aucune catégorie budgétaire n'a été fixée conformément à l'article 10, § 2, alinéa 1er, sont orientées à compter du 1er janvier 2020 vers l'aide directement accessible visée à l'article 1er, 8° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 février 2013 relatif à l'aide directement accessible pour les personnes handicapées. La décision de l'agence mettant à leur disposition un nombre de points liés aux soins tel que visé à l'article 2 du présent arrêté expire le 1er janvier 2020.
Les prestataires de soins autorisés [2 qui au 1 novembre 2019]2, offrent de l'aide aux personnes handicapées visées au premier alinéa, sont, à compter du 1er janvier 2020, agréés de plein droit pour le développement de l'aide directement accessible visée à l'article 2 de l'arrêté du 22 février 2013 précité pour le nombre de points de personnel nécessaires pour poursuivre le soutien aux personnes visées au premier alinéa au sein de l'aide directement accessible [2 indépendamment du fait de savoir s'il a été satisfait à la condition, telle que visée à l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 février 2013 relatif à l'aide directement accessible pour les personnes handicapées]2.]1
Art.11/2. [1 Als de personen met een handicap aan wie het agentschap een aantal zorggebonden punten heeft toegewezen conform artikel 7 tot en met artikel 11/1, aanspraak willen maken op meer zorggebonden punten dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 11/1, § 1, moeten ze een herziening van de beslissing vragen conform artikel 35, § 1, van het besluit 27 november 2015.
Als de budgetcategorie van het budget dat door het agentschap wordt toegewezen na herziening, groter is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 11/1, § 1, legt het agentschap het dossier voor aan de [2 Vlaamse toeleidingscommissie]2, vermeld in artikel 23 van het besluit van 27 november 2015, voor het deel van de budgetcategorie dat het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 11, § 1, overschrijdt.
Als de budgetcategorie van het budget dat door het agentschap wordt toegewezen na herziening, lager is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 11/1, § 1, kunnen de betrokkenen nog gedurende drie maanden vanaf de datum, vermeld in de beslissing van het agentschap tot toewijzing na herziening, beschikken over het deel van de zorggebonden punten dat de budgetcategorie van het budget dat door het agentschap wordt toegewezen, overschrijdt.]1
Als de budgetcategorie van het budget dat door het agentschap wordt toegewezen na herziening, groter is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 11/1, § 1, legt het agentschap het dossier voor aan de [2 Vlaamse toeleidingscommissie]2, vermeld in artikel 23 van het besluit van 27 november 2015, voor het deel van de budgetcategorie dat het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 11, § 1, overschrijdt.
Als de budgetcategorie van het budget dat door het agentschap wordt toegewezen na herziening, lager is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 11/1, § 1, kunnen de betrokkenen nog gedurende drie maanden vanaf de datum, vermeld in de beslissing van het agentschap tot toewijzing na herziening, beschikken over het deel van de zorggebonden punten dat de budgetcategorie van het budget dat door het agentschap wordt toegewezen, overschrijdt.]1
Art.11/2. [1 Si les personnes handicapées auxquelles l'agence a attribué un nombre de points liés aux soins conformément aux articles 7 à 11/1 souhaitent réclamer plus de points liés aux soins que le nombre de points liés aux soins mentionné dans la décision visée à l'article 11/1, § 1er, elles doivent demander une révision de la décision conformément à l'article 35, § 1er, de l'arrêté du 27 novembre 2015.
Si la catégorie budgétaire du budget attribué par l'agence après révision dépasse le nombre de points liés aux soins mentionné dans la décision visée à l'article 11/1, § 1er, l'agence soumet le dossier à la [2 commission d'orientation flamande ]2 visée à l'article 23 de l'arrêté du 27 novembre 2015 pour la partie de la catégorie budgétaire dépassant le nombre de points liés aux soins mentionné dans la décision visée à l'article 11, § 1er.
Si la catégorie budgétaire du budget attribué par l'agence après révision est inférieure au nombre de points liés aux soins mentionné dans la décision visée à l'article 11/1, § 1er, les personnes concernées peuvent encore disposer pendant une période de trois mois à compter de la date mentionnée dans la décision de l'agence sur l'attribution après révision, de la partie des points liés aux soins dépassant la catégorie budgétaire du budget attribué par l'agence.]1
Si la catégorie budgétaire du budget attribué par l'agence après révision dépasse le nombre de points liés aux soins mentionné dans la décision visée à l'article 11/1, § 1er, l'agence soumet le dossier à la [2 commission d'orientation flamande ]2 visée à l'article 23 de l'arrêté du 27 novembre 2015 pour la partie de la catégorie budgétaire dépassant le nombre de points liés aux soins mentionné dans la décision visée à l'article 11, § 1er.
Si la catégorie budgétaire du budget attribué par l'agence après révision est inférieure au nombre de points liés aux soins mentionné dans la décision visée à l'article 11/1, § 1er, les personnes concernées peuvent encore disposer pendant une période de trois mois à compter de la date mentionnée dans la décision de l'agence sur l'attribution après révision, de la partie des points liés aux soins dépassant la catégorie budgétaire du budget attribué par l'agence.]1
Art.11/4. [1 Het agentschap bezorgt na afloop van elke fase van de bijstelling van het aantal zorggebonden punten dat het agentschap heeft toegekend aan de meerderjarige personen met een handicap die op 31 december 2016 gebruikmaakten van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst, een verslag aan de Vlaamse Regering waarin het agentschap uiteenzet in welke mate de voormelde meerderjarige personen met een handicap met een gelijkaardig zorggebruik op 31 december 2016 en een gelijkaardige zorgzwaarte op dat ogenblik kunnen beschikken over een gelijkaardig aantal zorggebonden punten. De Vlaamse Regering kan op basis van dit verslag beslissen tot het nemen van verdere stappen met het oog op de gelijke behandeling van de de meerderjarige personen met een handicap die op 31 december 2016 gebruikmaakten van een FAM of een thuisbegeleidingsdienst.]1
Art.11/4. [1 Au terme de chaque phase de l'ajustement du nombre de points liés aux soins attribué par l'agence aux personnes adultes handicapées qui, au 31 décembre 2016, avaient recours à un FAM ou à un service d'aide à domicile, l'agence soumet au Gouvernement flamand un rapport dans lequel l'agence explique dans quelle mesure les personnes adultes handicapées précitées présentant un usage de soins similaire au 31 décembre 2016 et un besoin en soins similaire peuvent à ce moment disposer d'un nombre similaire de points liés aux soins. Sur la base de ce rapport, le Gouvernement flamand peut décider de prendre des mesures supplémentaires en vue de l'égalité de traitement des personnes handicapées adultes qui, au 31 décembre 2016, avaient recours à un FAM ou à un service d'aide à domicile.]1
Art.12. Als de budgetcategorie die is vastgesteld conform artikel 10, lager [1 of % hoger]1 is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, eerste lid, garanderen de vergunde zorgaanbieders die ondersteuning boden op 31 december 2016, dat ze aan de betrokken persoon met een handicap dezelfde ondersteuningsfuncties met dezelfde frequentie blijven bieden als vermeld in de individuele dienstverleningsovereenkomst tussen de betrokken persoon met een handicap en de betrokken vergunde zorgaanbieders die van toepassing was op 31 december 2016 [1 ...]1.
De vergunde zorgaanbieders zijn in afwijking van het eerste lid niet gehouden tot de garantie, vermeld in het eerste lid, als de individuele dienstverleningsovereenkomst die van toepassing was op 31 december 2016, sinds die datum op verzoek van de betrokken persoon met een handicap is opgezegd of is gewijzigd. De garantie, vermeld in het eerste lid, vervalt vanaf het ogenblik dat de individuele dienstverleningsovereenkomst op verzoek van de betrokken persoon met een handicap wordt opgezegd of wordt gewijzigd.
De vergunde zorgaanbieders zijn in afwijking van het eerste lid niet gehouden tot de garantie, vermeld in het eerste lid, als de individuele dienstverleningsovereenkomst die van toepassing was op 31 december 2016, sinds die datum op verzoek van de betrokken persoon met een handicap is opgezegd of is gewijzigd. De garantie, vermeld in het eerste lid, vervalt vanaf het ogenblik dat de individuele dienstverleningsovereenkomst op verzoek van de betrokken persoon met een handicap wordt opgezegd of wordt gewijzigd.
Art.12. Si la catégorie budgétaire qui est établie conformément à l'article 10, est inférieure [1 ou supérieure]1 au nombre de points liés aux soins, visé à l'article 2, alinéa 1er, les offreurs de soins autorisés qui offraient un soutien au 31 décembre 2016 garantissent qu'ils continueront d'offrir, à la personne handicapée, les mêmes fonctions d'accompagnement avec la même fréquence que celles visées dans le contrat de prestation de services individuel entre la personne en situation de handicap concernée et les offreurs de soins autorisés concernés, qui étaient applicables au 31 décembre 2016 [1 ...]1.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les offreurs de soins autorisés ne sont nullement tenus à la garantie visée à l'alinéa 1er si le contrat de prestation de services individuel qui était applicable au 31 décembre 2016 a été résilié ou modifié depuis cette date à la demande de la personne en situation de handicap. La garantie visée à l'alinéa premier échoit à partir du moment où le contrat de prestation de services individuel est résilié ou modifié à la demande de la personne en situation de handicap concernée.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les offreurs de soins autorisés ne sont nullement tenus à la garantie visée à l'alinéa 1er si le contrat de prestation de services individuel qui était applicable au 31 décembre 2016 a été résilié ou modifié depuis cette date à la demande de la personne en situation de handicap. La garantie visée à l'alinéa premier échoit à partir du moment où le contrat de prestation de services individuel est résilié ou modifié à la demande de la personne en situation de handicap concernée.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 4. - Garantie op ondersteuning zeven dagen per week dag en nacht
CHAPITRE 4. - Garantie de soutien de sept jours par semaine jour et nuit
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions modificatives
Art.17. In artikel 13, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016 over de oprichting van een regionale prioriteitencommissie, de toekenning van prioriteitengroepen, de vaststelling van de maatschappelijke noodzaak, de toeleiding naar ondersteuning, de afstemming en planning in het kader van persoonsvolgende financiering, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het tweede lid wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van personen met een handicap die met toepassing van artikel 16, § 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld, een ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering hebben ingediend, binnen elke prioriteitengroep gerangschikt met de datum waarop het aanvraagformulier, vermeld in artikel 14, § 1, eerste lid, van het voormelde besluit, is bezorgd aan het agentschap, op voorwaarde dat het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering wordt bezorgd binnen drie maanden na de datum van het verzoek van het agentschap, vermeld in artikel 16, § 2, eerste lid, van het voormelde besluit, en op voorwaarde dat het agentschap vaststelt dat het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering volledig is ingevuld conform artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget.".
"In afwijking van het tweede lid wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van personen met een handicap die met toepassing van artikel 16, § 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld, een ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering hebben ingediend, binnen elke prioriteitengroep gerangschikt met de datum waarop het aanvraagformulier, vermeld in artikel 14, § 1, eerste lid, van het voormelde besluit, is bezorgd aan het agentschap, op voorwaarde dat het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering wordt bezorgd binnen drie maanden na de datum van het verzoek van het agentschap, vermeld in artikel 16, § 2, eerste lid, van het voormelde besluit, en op voorwaarde dat het agentschap vaststelt dat het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering volledig is ingevuld conform artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget.".
Art.17. A l'article 13, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 mars 2016 relatif à la création d'une commission régionale des priorités, à l'identification de groupes prioritaires, à la détermination de la nécessité sociale, à l'orientation vers le soutien, ainsi qu'à l'harmonisation et la planification dans le cadre de l'aide financière personnalisée, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017, un alinéa est inséré entre le deuxième et le troisième alinéa, libellé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 2, la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles de personnes handicapées qui, en application de l'article 16, § 2, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisés qui, dans le cadre de la transition vers un financement qui suit la personne, sont mis à disposition, ont introduit un plan de soutien du financement qui suit la personne, est classée au sein de chaque groupe prioritaire sur base de la date à laquelle le formulaire de demande, visé à l'article 14, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté précité, est transmis à l'agence, à la condition que le plan de soutien du financement qui suit la personne soit transmis dans les trois mois qui suivent la date de la demande de l'agence, visée à l'article 16, § 2, alinéa 1er, de l'arrêté précité, et à la condition que l'agence constate que le plan de soutien du financement qui suit la personne ait été entièrement complété, conformément à l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes majeures handicapées et relatif à la mise à disposition dudit budget. ".
" Par dérogation à l'alinéa 2, la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles de personnes handicapées qui, en application de l'article 16, § 2, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 avril 2018 portant des mesures en vue de l'élaboration des budgets personnalisés qui, dans le cadre de la transition vers un financement qui suit la personne, sont mis à disposition, ont introduit un plan de soutien du financement qui suit la personne, est classée au sein de chaque groupe prioritaire sur base de la date à laquelle le formulaire de demande, visé à l'article 14, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté précité, est transmis à l'agence, à la condition que le plan de soutien du financement qui suit la personne soit transmis dans les trois mois qui suivent la date de la demande de l'agence, visée à l'article 16, § 2, alinéa 1er, de l'arrêté précité, et à la condition que l'agence constate que le plan de soutien du financement qui suit la personne ait été entièrement complété, conformément à l'article 9 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif à l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes majeures handicapées et relatif à la mise à disposition dudit budget. ".
Art.18. In het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten worden de volgende artikelen opgeheven:
1° artikel 25, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017;
2° artikel 25/1 en 25/2 en artikel 29/1 en 29/5, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017.
1° artikel 25, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017;
2° artikel 25/1 en 25/2 en artikel 29/1 en 29/5, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017.
Art.18. Dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapées qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisé ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide à domicile vers un financement qui suit la personne et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des service d'aide à domicile, les articles suivants sont abrogés :
1° l'article 25, rétabli par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017 ;
2° les articles 25/1 et 25/2 ainsi que les articles 29/1 et 29/5, insérés par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017.
1° l'article 25, rétabli par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017 ;
2° les articles 25/1 et 25/2 ainsi que les articles 29/1 et 29/5, insérés par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 février 2017.
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
Art.19. Bij wijze van overgangsmaatregel kunnen de personen met een handicap die aan de volgende voorwaarden voldoen, op de wijze, vermeld in het tweede en derde lid, aanspraak maken op de terbeschikkingstelling van een budget voor zeven dagen per week woon- en dagondersteuning:
1° ze hebben een aanvraag tot herziening van het toegekende aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, eerste lid, van dit besluit, ingediend;
2° in het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering, vermeld in artikel 1, 15°, van het besluit van 27 november 2015, dat wordt ingediend in het kader van de aanvraag tot herziening wordt zeven nachten per week woonondersteuning en zeven dagen per week dagondersteuning vermeld als ondersteuningsfuncties waarvoor financiering van het agentschap wordt gevraagd;
3° ze hebben gedurende een periode van minstens zes maanden die is gestart voor 1 januari 2018 effectief en onafgebroken gebruikgemaakt van zeven nachten per week woonondersteuning en zeven dagen per week dagondersteuning en maken op het moment dat het aanvraagformulier, vermeld in artikel 14, § 1, tweede lid, aan het agentschap wordt bezorgd nog steeds onafgebroken en effectief gebruik van zeven nachten per week woonondersteuning en zeven dagen per week dagondersteuning;
4° de vergunde zorgaanbieder toont aan dat hij gedurende de periode, vermeld in punt 3°, effectief en onafgebroken zeven nachten per week woonondersteuning en zeven dagen per week dagondersteuning heeft geboden;
5° de aanvrager, vermeld in artikel 1, 1°, van het besluit van 27 november 2015, heeft een aanvraagformulier als vermeld in artikel 14, § 1, tweede lid, van dit besluit, bezorgd aan het agentschap.
Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan, wordt het budget dat resulteert uit de aanvraag tot herziening, vermeld in het eerste lid, 1°, ter beschikking gesteld, vanaf de datum van het aanvraagformulier, vermeld in het eerste lid, 5°, als het agentschap voor die datum een beslissing tot toewijzing van het budget heeft genomen en de periode van zes maanden, vermeld in het eerste lid, 3°, voor die datum is afgelopen.
Als de periode van zes maanden, vermeld in het eerste lid, 3°, nog niet is verstreken op de datum van het aanvraagformulier, vermeld in het eerste lid, 5°, of als het agentschap op die datum nog geen beslissing tot toewijzing van het budget dat resulteert uit de aanvraag tot herziening, vermeld in het eerste lid, 1°, heeft genomen, wordt het budget dat resulteert uit de herziening, ter beschikking gesteld met ingang van de eerste dag die volgt op de periode van zes maanden, vermeld in eerste lid, 3°.
1° ze hebben een aanvraag tot herziening van het toegekende aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, eerste lid, van dit besluit, ingediend;
2° in het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering, vermeld in artikel 1, 15°, van het besluit van 27 november 2015, dat wordt ingediend in het kader van de aanvraag tot herziening wordt zeven nachten per week woonondersteuning en zeven dagen per week dagondersteuning vermeld als ondersteuningsfuncties waarvoor financiering van het agentschap wordt gevraagd;
3° ze hebben gedurende een periode van minstens zes maanden die is gestart voor 1 januari 2018 effectief en onafgebroken gebruikgemaakt van zeven nachten per week woonondersteuning en zeven dagen per week dagondersteuning en maken op het moment dat het aanvraagformulier, vermeld in artikel 14, § 1, tweede lid, aan het agentschap wordt bezorgd nog steeds onafgebroken en effectief gebruik van zeven nachten per week woonondersteuning en zeven dagen per week dagondersteuning;
4° de vergunde zorgaanbieder toont aan dat hij gedurende de periode, vermeld in punt 3°, effectief en onafgebroken zeven nachten per week woonondersteuning en zeven dagen per week dagondersteuning heeft geboden;
5° de aanvrager, vermeld in artikel 1, 1°, van het besluit van 27 november 2015, heeft een aanvraagformulier als vermeld in artikel 14, § 1, tweede lid, van dit besluit, bezorgd aan het agentschap.
Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, is voldaan, wordt het budget dat resulteert uit de aanvraag tot herziening, vermeld in het eerste lid, 1°, ter beschikking gesteld, vanaf de datum van het aanvraagformulier, vermeld in het eerste lid, 5°, als het agentschap voor die datum een beslissing tot toewijzing van het budget heeft genomen en de periode van zes maanden, vermeld in het eerste lid, 3°, voor die datum is afgelopen.
Als de periode van zes maanden, vermeld in het eerste lid, 3°, nog niet is verstreken op de datum van het aanvraagformulier, vermeld in het eerste lid, 5°, of als het agentschap op die datum nog geen beslissing tot toewijzing van het budget dat resulteert uit de aanvraag tot herziening, vermeld in het eerste lid, 1°, heeft genomen, wordt het budget dat resulteert uit de herziening, ter beschikking gesteld met ingang van de eerste dag die volgt op de periode van zes maanden, vermeld in eerste lid, 3°.
Art.19. A titre de mesure transitoire, les personnes handicapées qui remplissent les conditions suivantes, selon les modalités visées aux deuxième et troisième alinéas, peuvent prétendre à la mise à disposition d'un budget pour sept jours par semaine d'accompagnement au logement et d'accompagnement de jour :
1° elles ont introduit une demande de révision du nombre de points liés aux soins attribué, visé à l'article 2, alinéa premier, du présent arrêté ;
2° dans le plan de soutien du financement qui suit la personne, visé à l'article 1er, 15°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, qui est introduit dans le cadre de la demande de révision, sept nuits par semaine d'accompagnement au logement et sept jours par semaine d'accompagnement de jour sont mentionnés comme fonctions de soutien pour lesquelles le financement de l'agence est demandé ;
3° pendant une période d'au moins six mois qui a débuté avant le 1er janvier 2018, elles ont effectivement eu recours de manière consécutive à sept nuits par semaine d'accompagnement au logement et sept jours par semaine d'accompagnement de jour et ont effectivement toujours recours de manière consécutive, au moment où le formulaire de demande, visé à l'article 14, § 1er, deuxième alinéa, est transmis à l'agence, à sept nuits par semaine d'accompagnement au logement et sept jours par semaine d'accompagnement de jour ;
4° l'offreur de soins autorisé démontre qu'il a proposé effectivement et de manière ininterrompue pendant la période visée au point 3°, sept nuits par semaine d'accompagnement au logement et sept jours par semaine d'accompagnement de jour ;
5° le demandeur, visé à l'article 1er, 1°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, a transmis à l'agence un formulaire de demande tel que visé à l'article 14, § 1er, deuxième alinéa, du présent arrêté.
S'il est satisfait aux conditions fixées à l'alinéa premier, le budget qui résulte de la demande de révision, visée à l'alinéa 1er, 1°, est mis à disposition à partir de la date du formulaire visé à l'alinéa 1er, 5°, si l'agence a pris une décision d'attribution du budget à cette date et si la période de six mois, visée à l'alinéa 1er, 3°, a expiré à cette date.
Si la période de six mois visée à l'alinéa 1er, 3°, n'a pas encore expiré à la date du formulaire visé à l'alinéa 1er, 5°, ou si l'agence n'a pas encore pris à cette date de décision d'attribution du budget qui résulte de la demande de révision, visée à l'alinéa 1er, 1°, le budget qui résulte de la révision est mis à disposition à partir du premier jour qui suit la période de six mois, visé à l'alinéa 1er, 3°.
1° elles ont introduit une demande de révision du nombre de points liés aux soins attribué, visé à l'article 2, alinéa premier, du présent arrêté ;
2° dans le plan de soutien du financement qui suit la personne, visé à l'article 1er, 15°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, qui est introduit dans le cadre de la demande de révision, sept nuits par semaine d'accompagnement au logement et sept jours par semaine d'accompagnement de jour sont mentionnés comme fonctions de soutien pour lesquelles le financement de l'agence est demandé ;
3° pendant une période d'au moins six mois qui a débuté avant le 1er janvier 2018, elles ont effectivement eu recours de manière consécutive à sept nuits par semaine d'accompagnement au logement et sept jours par semaine d'accompagnement de jour et ont effectivement toujours recours de manière consécutive, au moment où le formulaire de demande, visé à l'article 14, § 1er, deuxième alinéa, est transmis à l'agence, à sept nuits par semaine d'accompagnement au logement et sept jours par semaine d'accompagnement de jour ;
4° l'offreur de soins autorisé démontre qu'il a proposé effectivement et de manière ininterrompue pendant la période visée au point 3°, sept nuits par semaine d'accompagnement au logement et sept jours par semaine d'accompagnement de jour ;
5° le demandeur, visé à l'article 1er, 1°, de l'arrêté du 27 novembre 2015, a transmis à l'agence un formulaire de demande tel que visé à l'article 14, § 1er, deuxième alinéa, du présent arrêté.
S'il est satisfait aux conditions fixées à l'alinéa premier, le budget qui résulte de la demande de révision, visée à l'alinéa 1er, 1°, est mis à disposition à partir de la date du formulaire visé à l'alinéa 1er, 5°, si l'agence a pris une décision d'attribution du budget à cette date et si la période de six mois, visée à l'alinéa 1er, 3°, a expiré à cette date.
Si la période de six mois visée à l'alinéa 1er, 3°, n'a pas encore expiré à la date du formulaire visé à l'alinéa 1er, 5°, ou si l'agence n'a pas encore pris à cette date de décision d'attribution du budget qui résulte de la demande de révision, visée à l'alinéa 1er, 1°, le budget qui résulte de la révision est mis à disposition à partir du premier jour qui suit la période de six mois, visé à l'alinéa 1er, 3°.
Art.19/1. [1 De vergunde zorgaanbieders en de personen met een handicap of hun vertegenwoordigers, voor wie conform artikel 10 een budgetcategorie is vastgesteld, passen, in voorkomend geval, in onderling overleg de individuele dienstverleningsovereenkomsten aan uiterlijk op 1 juli 2020.
Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 houdende de methodiek voor de berekening van de subsidies voor personeelskosten wordt om het totale aantal zorggebonden personeelspunten te berekenen dat bij de vergunde zorgaanbieder wordt ingezet in de vorm van een voucher als vermeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders, en het aantal extra personeelspunten dat is bepaald conform artikel 3, § 5, van het voormelde besluit, voor de personen met een handicap, vermeld in het eerste lid, voor de periode van 1 januari 2020 tot op de datum van de aanpassing van de individuele dienstverleningsovereenkomst rekening gehouden met het aantal zorggebonden punten dat is opgenomen in de aangepaste individuele dienstverleningsovereenkomst.]1
Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, 8°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 houdende de methodiek voor de berekening van de subsidies voor personeelskosten wordt om het totale aantal zorggebonden personeelspunten te berekenen dat bij de vergunde zorgaanbieder wordt ingezet in de vorm van een voucher als vermeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders, en het aantal extra personeelspunten dat is bepaald conform artikel 3, § 5, van het voormelde besluit, voor de personen met een handicap, vermeld in het eerste lid, voor de periode van 1 januari 2020 tot op de datum van de aanpassing van de individuele dienstverleningsovereenkomst rekening gehouden met het aantal zorggebonden punten dat is opgenomen in de aangepaste individuele dienstverleningsovereenkomst.]1
Art.19/1. [1 Les offreurs de soins autorisés et les personnes handicapées ou leurs représentants, pour qui, conformément à l'article 10 une catégorie budgétaire a été établie, ajustent, le cas échéant, en concertation mutuelle, le contrat individuel de services et ce pour le 1 juillet 2020 au plus tard.
Pour l'application de l'article 6, alinéa 1er, 8° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2017 relatif à la méthode de calcul des subventions pour frais de personnel, le nombre total de points de personnel liés aux soins affectés auprès de l'offreur de soins autorisé sous forme de voucher, tel que visé à l'article 13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins autorisés et le nombre de points de personnel supplémentaires, défini conformément à l'article 3, § 5 de l'arrêté précité, sont calculés pour les personnes handicapées, visées à l'alinéa 1er, pour la période du 1 janvier 2020 jusqu'à la date de l'ajustement du contrat individuel de services en tenant compte du nombre de points liés aux soins, repris dans le contrat individuel de services ajuste.]1
Pour l'application de l'article 6, alinéa 1er, 8° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2017 relatif à la méthode de calcul des subventions pour frais de personnel, le nombre total de points de personnel liés aux soins affectés auprès de l'offreur de soins autorisé sous forme de voucher, tel que visé à l'article 13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins autorisés et le nombre de points de personnel supplémentaires, défini conformément à l'article 3, § 5 de l'arrêté précité, sont calculés pour les personnes handicapées, visées à l'alinéa 1er, pour la période du 1 janvier 2020 jusqu'à la date de l'ajustement du contrat individuel de services en tenant compte du nombre de points liés aux soins, repris dans le contrat individuel de services ajuste.]1
Art.19/2. [1 In afwijking van artikel 37 tot en met 41 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap vervallen de individuele dienstverleningsovereenkomsten met de personen met een handicap, vermeld in artikel 11/1, § 2, eerste lid, van dit besluit, van rechtswege met ingang van 1 januari 2020.]1
Art.19/2. [1 Par dérogation aux articles 37 à 41 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 2011 relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées, les contrats individuels de services conclus avec les personnes handicapées, telles que visées à l'article 11/1, § 2, alinéa 1er, du présent arrêté, cessent d'office à partir du 1 janvier 2020.]1
Art.19/3. [1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder
1° besluit van 24 juni 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders;
2° budgethouder: de budgethouder, vermeld in artikel 1, 6°, van het besluit van 24 juni 2016;
3° cashbudget: een cashbudget als vermeld in artikel 1, 7°, van het besluit van 24 juni 2016;
4° voucher: een voucher als vermeld in artikel 1, 10°, van het besluit van 24 juni 2016.
De budgethouder van de personen, vermeld in artikel 11/1, § 2, van dit besluit, die het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2 van dit besluit, in voorkomend geval verhoogd conform artikel 3 tot en met 5 van dit besluit, op 1 november 2019 gedeeltelijk besteedt bij andere zorgaanbieders dan een vergunde zorgaanbieder, maakt voor het deel van de zorggebonden punten die hij besteedt als een cashbudget, een laatste kostenstaat op als vermeld in artikel 22 van het besluit van 24 juni 2016, met vermelding van alle kosten voor zorg en ondersteuning tot uiterlijk 31 december 2019, met inbegrip van de wettelijk verplichte opzegvergoedingen. Hij bezorgt die kostenstaat uiterlijk op 1 maart 2020 aan het agentschap. Nadat het agentschap de laatste kostenstaat heeft ontvangen, maakt het de eindafrekening van het gebruik van het cashbudget.
Het agentschap betaalt de bedragen, vermeld op de laatste kostenstaat, die de budgethouder heeft ingediend, tot het jaarlijkse aantal zorggebonden punten, vermeld in het tweede lid, volledig is opgebruikt, rekening houdend met het gedeelte van het jaarlijkse aantal zorggebonden punten dat op jaarbasis als voucher is vastgelegd en het gedeelte dat al is besteed als cashbudget.
Als met kostenstaten aangetoond wordt dat het jaarlijkse aantal zorggebonden punten niet volstaat om de wettelijke opzegvergoedingen te betalen, kan het agentschap maximaal een vierde van het jaarlijkse aantal zorggebonden punten extra toekennen om de opzegvergoedingen te betalen.]1
1° besluit van 24 juni 2016: het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders;
2° budgethouder: de budgethouder, vermeld in artikel 1, 6°, van het besluit van 24 juni 2016;
3° cashbudget: een cashbudget als vermeld in artikel 1, 7°, van het besluit van 24 juni 2016;
4° voucher: een voucher als vermeld in artikel 1, 10°, van het besluit van 24 juni 2016.
De budgethouder van de personen, vermeld in artikel 11/1, § 2, van dit besluit, die het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2 van dit besluit, in voorkomend geval verhoogd conform artikel 3 tot en met 5 van dit besluit, op 1 november 2019 gedeeltelijk besteedt bij andere zorgaanbieders dan een vergunde zorgaanbieder, maakt voor het deel van de zorggebonden punten die hij besteedt als een cashbudget, een laatste kostenstaat op als vermeld in artikel 22 van het besluit van 24 juni 2016, met vermelding van alle kosten voor zorg en ondersteuning tot uiterlijk 31 december 2019, met inbegrip van de wettelijk verplichte opzegvergoedingen. Hij bezorgt die kostenstaat uiterlijk op 1 maart 2020 aan het agentschap. Nadat het agentschap de laatste kostenstaat heeft ontvangen, maakt het de eindafrekening van het gebruik van het cashbudget.
Het agentschap betaalt de bedragen, vermeld op de laatste kostenstaat, die de budgethouder heeft ingediend, tot het jaarlijkse aantal zorggebonden punten, vermeld in het tweede lid, volledig is opgebruikt, rekening houdend met het gedeelte van het jaarlijkse aantal zorggebonden punten dat op jaarbasis als voucher is vastgelegd en het gedeelte dat al is besteed als cashbudget.
Als met kostenstaten aangetoond wordt dat het jaarlijkse aantal zorggebonden punten niet volstaat om de wettelijke opzegvergoedingen te betalen, kan het agentschap maximaal een vierde van het jaarlijkse aantal zorggebonden punten extra toekennen om de opzegvergoedingen te betalen.]1
Art.19/3. [1 Pour l'application du présent article on entend par
1° arrêté du 24 juin 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins autorisés ;
2° bénéficiaire d'enveloppe : le bénéficiaire d'enveloppe, tel que visé dans l'article 1er, 6° de l'arrêté du 24 juin 2016 ;
3° budget de trésorerie : un budget de trésorerie, tel que visé à l'article 1er, 7°, de l'arrêté du 24 juin 2016 ;
4° voucher : un voucher tel que visé à l'article 1er, 10°, de l'arrêté du 24 juin 201624 juin 2016.
Le bénéficiaire d'enveloppe des personnes, visées à l'article 11/1, § 2 du présent arrêté, qui le 1er novembre 2019 affecte une partie du nombre de points liés aux soins, visés à l'article 2 du présent arrêté, le cas échéant majoré, conformément aux articles 3 à 5 du présent arrêté, auprès d'offreurs de soins autres que des offreurs de soins autorisés, établit pour la partie des points liés aux soins qu'il affecte comme un budget de trésorerie, un dernier état de frais, tel que visé à l'article 22 de l'arrêté du 24 juin 2016, avec mention de tous les frais pour les soins et le soutien occasionnés jusqu'au 31 décembre 2019 inclus, y compris les indemnités de préavis légalement obligatoires. Il remet cet état de frais à l'agence au plus tard le 1er mars 2020. Après que l'agence a reçu le dernier état de frais, elle établit le compte final de l'affectation du budget de trésorerie.
L'agence paie les montants mentionnés dans le dernier état de frais que le bénéficiaire d'enveloppe a introduit jusqu'à ce que le nombre annuel de points liés aux soins, visé à l'alinéa 2, ait été intégralement utilisé, compte tenu de la part du nombre total des points liés aux soins, qui a été réservée comme voucher et de la partie déjà dépensée en tant que budget de trésorerie.
S'il est démontré à l'aide des états de frais que le nombre annuel de points liés aux soins ne suffit pas pour payer les indemnité de préavis légales, l'agence peut au maximum octroyer un quart du nombre annuel de points liés aux soins en surplus pour payer les indemnité de préavis.]1
1° arrêté du 24 juin 2016 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins autorisés ;
2° bénéficiaire d'enveloppe : le bénéficiaire d'enveloppe, tel que visé dans l'article 1er, 6° de l'arrêté du 24 juin 2016 ;
3° budget de trésorerie : un budget de trésorerie, tel que visé à l'article 1er, 7°, de l'arrêté du 24 juin 2016 ;
4° voucher : un voucher tel que visé à l'article 1er, 10°, de l'arrêté du 24 juin 201624 juin 2016.
Le bénéficiaire d'enveloppe des personnes, visées à l'article 11/1, § 2 du présent arrêté, qui le 1er novembre 2019 affecte une partie du nombre de points liés aux soins, visés à l'article 2 du présent arrêté, le cas échéant majoré, conformément aux articles 3 à 5 du présent arrêté, auprès d'offreurs de soins autres que des offreurs de soins autorisés, établit pour la partie des points liés aux soins qu'il affecte comme un budget de trésorerie, un dernier état de frais, tel que visé à l'article 22 de l'arrêté du 24 juin 2016, avec mention de tous les frais pour les soins et le soutien occasionnés jusqu'au 31 décembre 2019 inclus, y compris les indemnités de préavis légalement obligatoires. Il remet cet état de frais à l'agence au plus tard le 1er mars 2020. Après que l'agence a reçu le dernier état de frais, elle établit le compte final de l'affectation du budget de trésorerie.
L'agence paie les montants mentionnés dans le dernier état de frais que le bénéficiaire d'enveloppe a introduit jusqu'à ce que le nombre annuel de points liés aux soins, visé à l'alinéa 2, ait été intégralement utilisé, compte tenu de la part du nombre total des points liés aux soins, qui a été réservée comme voucher et de la partie déjà dépensée en tant que budget de trésorerie.
S'il est démontré à l'aide des états de frais que le nombre annuel de points liés aux soins ne suffit pas pour payer les indemnité de préavis légales, l'agence peut au maximum octroyer un quart du nombre annuel de points liés aux soins en surplus pour payer les indemnité de préavis.]1
Art.19/4. [1 Aan de personen, vermeld in artikel 11/1, § 2, die het aantal zorggebonden punten, vermeld in artikel 2, in voorkomend geval verhoogd conform artikel 3 tot en met 5, op 1 november 2019 volledig besteden als een cashbudget, wordt in afwijking van artikel 10, § 2, eerste lid, en artikel 11/1, § 2, eerste lid, een aantal zorggebonden punten toegekend dat als een budget kan worden besteed en dat op basis van de ondersteuningsfuncties en de frequenties voor die ondersteuningsfuncties die conform artikel 7 in aanmerking worden genomen voor de betrokken persoon, met de volgende elementen wordt berekend:
1° dagondersteuning: 0,087 punten per dag;
2° woonondersteuning: 0,13 punten per nacht;
3° psychosociale begeleiding: 0,22 punten per begeleiding;
4° globale individuele ondersteuning: 0,22 punten per begeleiding.
Het totale aantal zorggebonden punten wordt omgezet in euro aan de hand van de omslagsleutel, vermeld in artikel 17, derde lid, van het besluit van 27 november 2015.
Het jaarlijkse bedrag in euro, dat wordt berekend conform het eerste en het tweede lid, wordt ter beschikking gesteld met ingang van 1 januari 2020.]1
1° dagondersteuning: 0,087 punten per dag;
2° woonondersteuning: 0,13 punten per nacht;
3° psychosociale begeleiding: 0,22 punten per begeleiding;
4° globale individuele ondersteuning: 0,22 punten per begeleiding.
Het totale aantal zorggebonden punten wordt omgezet in euro aan de hand van de omslagsleutel, vermeld in artikel 17, derde lid, van het besluit van 27 november 2015.
Het jaarlijkse bedrag in euro, dat wordt berekend conform het eerste en het tweede lid, wordt ter beschikking gesteld met ingang van 1 januari 2020.]1
Art.19/4. [1 Aux personnes, visées à l'article 11/1, § 2, qui le 1 novembre 2019 affectent le total du nombre de points liés aux soins, tels que visés à l'article 2, le cas échéant majoré conformément aux articles 3 à 5, comme un budget de trésorerie, il est octroyé, par dérogation à l'article 10, § 2, alinéa 1er et à l'article 11/1, § 2, alinéa 1er, un nombre de points liés aux soins qui peut être affecté comme un budget et qui, sur la base des fonctions de soutien et des fréquences pour ces fonctions de soutien dont il est tenu compte dans le cas de la personne concernée, est calculé à partir des éléments suivants :
1° accompagnement de jour 0,087 points par jour ;
2° accompagnement au logement : 0,13 points par nuit ;
3° accompagnement psychosocial : 0,22 points par accompagnement ;
4° soutien individuel global : 0,22 points par accompagnement.
Le nombre total de points liés aux soins est converti en montants en euros à l'aide de la clé de conversion visée à l'article 17, alinéa 3 de l'arrêté du 27 novembre 2015.
Le montant annuel en euros, qui est calculé conformément aux alinéas premier et deux, est mis à la disposition à partir du 1er janvier 2020.]1
1° accompagnement de jour 0,087 points par jour ;
2° accompagnement au logement : 0,13 points par nuit ;
3° accompagnement psychosocial : 0,22 points par accompagnement ;
4° soutien individuel global : 0,22 points par accompagnement.
Le nombre total de points liés aux soins est converti en montants en euros à l'aide de la clé de conversion visée à l'article 17, alinéa 3 de l'arrêté du 27 novembre 2015.
Le montant annuel en euros, qui est calculé conformément aux alinéas premier et deux, est mis à la disposition à partir du 1er janvier 2020.]1
Art.20. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2018.
Art.20. Le présent arrêté produit ses effets à compter du 1er janvier 2018.
Art.21. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.21. Le Ministre flamand qui a l'assistance aux personnes dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
ANNEXE.
ANNEXE.
N. [1 Bijlage]1
N. [1 Annexe]1