Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
22 DECEMBER 2017. - Decreet over het lokaal bestuur (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-02-2018 en tekstbijwerking tot 14-11-2025)
Titre
22 DECEMBRE 2017. - Décret sur l'administration locale (NOTE : une version française corrigée a fait l'objet d'un erratum au format image non récupérable. La version utilisée est celle publiée initialement en mode texte et consolidée) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 15-02-2018 et mise à jour au 14-11-2025)
Documentinformatie
Numac: 2018030427
Datum: 2017-12-22
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018030427
Date: 2017-12-22
Moniteur: Voir
Inhoud
DEEL 1. - ALGEMENE BEPALINGEN DEEL 2. - HET BESTUUR VAN DE GEMEENTE EN HET OP... TITEL 1. - De politieke organisatie van de geme... HOOFDSTUK 1. - De gemeenteraad Afdeling 1. - De organisatie van de gemeenteraad Afdeling 2. - De werking van de gemeenteraad Afdeling 3. - De bevoegdheden van de gemeenteraad HOOFDSTUK 2. - Het college van burgemeester en ... Afdeling 1. - De organisatie van het college va... Afdeling 2. - De werking van het college van bu... Afdeling 3. - De bevoegdheden van het college v... HOOFDSTUK 3. - De burgemeester Afdeling 1. - De benoeming van de burgemeester Afdeling 2. - De bevoegdheden van de burgemeester HOOFDSTUK 4. - De raad voor maatschappelijk wel... Afdeling 1. - De organisatie van de raad voor m... Afdeling 2. - De werking van de raad voor maats... Afdeling 3. - De bevoegdheden van de raad voor ... HOOFDSTUK 5. - Het vast bureau Afdeling 1. - De organisatie van het vast bureau Afdeling 2. - De werking van het vast bureau Afdeling 3. - De bevoegdheden van het vast bureau HOOFDSTUK 6. - Het bijzonder comité voor de soc... Afdeling 1. - De organisatie van het bijzonder ... Afdeling 2. - De werking van het bijzonder comi... Afdeling 3. - De bevoegdheden van het bijzonder... Afdeling 4. - De bevoegdheden van de voorzitter... HOOFDSTUK 7. - De districten Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - organisatie van de districtsraad Afdeling 3. - De organisatie van het districtsc... Afdeling 4. - De districtssecretaris Afdeling 5. - Werking van de districtsraad Afdeling 6. - Werking van het districtscollege Afdeling 7. - Bepalingen die van toepassing zij... Afdeling 8. - Bevoegdheden Afdeling 9. - Toezicht HOOFDSTUK 8. - De Raad voor Verkiezingsbetwisti... HOOFDSTUK 9. - De mandatarissen (eretitels, rec... Afdeling 1. - Rechtspositie Afdeling 2. - Tucht Afdeling 3. - Aansprakelijkheid Afdeling 4. - Mandatendatabank TITEL 2. - De ambtelijke organisatie van de gem... HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling HOOFDSTUK 2. - De algemeen directeur, de adjunc... Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen Afdeling 2. - De algemeen directeur en de adjun... Afdeling 3. - De financieel directeur HOOFDSTUK 3. - Het managementteam HOOFDSTUK 4. - Het personeel van de gemeente en... Afdeling 1. - Toepassingsgebied Afdeling 2. - De maatschappelijk werker Afdeling 3. - De rechtspositie van het personee... Onderafdeling 1. - Algemene bepaling Onderafdeling 2. - De rechtspositieregeling Onderafdeling 3. - Eedaflegging van het personeel Onderafdeling 4. - Deontologische rechten en pl... Onderafdeling 5. - De evaluatie van het personeel Afdeling 4. - Verdere uitvoeringsmaatregelen Afdeling 5. - Samenwerking op het gebied van pe... Afdeling 6. - Tucht Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied Onderafdeling 2. - De tuchtvergrijpen Onderafdeling 3. - De tuchtstraffen Onderafdeling 4. - De tuchtoverheid Onderafdeling 5. - De tuchtprocedure Onderafdeling 6. - De verjaring van de tuchtvor... Onderafdeling 7. - De preventieve schorsing Onderafdeling 8. - Beroep HOOFDSTUK 5. [1 Organisatiebeheersing, audit e... Afdeling 1. - Organisatiebeheersing Afdeling 2. - Audit Afdeling 3. [1 Remediëringstraject ]1 TITEL 3. - De extern verzelfstandigde agentscha... HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 2. - Het autonoom gemeentebedrijf HOOFDSTUK 3. - Het gemeentelijke extern verzelf... HOOFDSTUK 4. TITEL 4. - De beleids- en beheerscyclus van de ... HOOFDSTUK 1. - De beleidsrapporten Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - Het meerjarenplan Afdeling 3. - Aanpassingen van het meerjarenplan Afdeling 4. - Bijzondere bepaling over het best... Afdeling 5. - De jaarrekening Afdeling 6. - Bijzondere bepaling over het best... HOOFDSTUK 2. - Andere rapporteringen HOOFDSTUK 3. - De ontvangsten- en uitgavencyclus HOOFDSTUK 4. - Bijzondere bepaling over het ope... HOOFDSTUK 5. - Nadere uitwerking door de Vlaams... TITEL 5. - De werking van het lokaal bestuur HOOFDSTUK 1. - Akten van het lokaal bestuur Afdeling 1. - Opmaken en ondertekenen van akten Afdeling 2. - Bekendmaking en inwerkingtreding Onderafdeling 1. - Bekendmaking Onderafdeling 2. - Inwerkingtreding van regleme... Afdeling 3. - Wijze van kennisgeving Afdeling 4. - Briefwisseling aan het lokaal bes... HOOFDSTUK 2. - Wijze van berekening van termijnen HOOFDSTUK 3. - Goederen van het lokaal bestuur Afdeling 1. - Onroerende goederen Afdeling 2. - Gemeentewegen HOOFDSTUK 4. - Aanstellen van landmeters-experten HOOFDSTUK 5. - Optreden in rechte HOOFDSTUK 6. - Digitale communicatie met de Vla... HOOFDSTUK 7. [1 - Subsidieregister.]1 TITEL 6. - Participatie van de burger HOOFDSTUK 1. - Klachtenbehandeling HOOFDSTUK 2. - Inspraak, voorstellen van burger... HOOFDSTUK 3. - De gemeentelijke volksraadpleging Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - De volksraadpleging op initiatief... Afdeling 3. - Voorafgaand aan de volksraadpleging Afdeling 4. - Verloop van de volksraadpleging Afdeling 5. - Na de volksraadpleging TITEL 7. - Het bestuurlijk toezicht HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 2. - Algemeen bestuurlijk toezicht HOOFDSTUK 3. - Dwangtoezicht HOOFDSTUK 4. - Eengemeentezones en meergemeente... HOOFDSTUK 5. - Hulpverleningszones, ingesteld m... TITEL 8. - Vrijwillige samenvoeging van gemeenten HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied en algemene be... HOOFDSTUK 2. - Samenvoeging van gemeenten Afdeling 1. - Voorwaarden Afdeling 2. - Procedure Onderafdeling 1. - Principiële beslissing Onderafdeling 2. - Gezamenlijk voorstel tot sam... Onderafdeling 3. - Het samenvoegingsdecreet Afdeling 3. - Lopende zaken Afdeling 4. - Algemene principes bij samenvoegi... Afdeling 5. - Verkiezing en installatie van de ... Afdeling 5/1. [1 Regeling in geval van bezwaar ... Afdeling 6. - Bepalingen over het gemeenteperso... Onderafdeling 1. - Principiële beslissing tot s... Onderafdeling 2. - Personeel na de samenvoeging... Afdeling 7. - Bepalingen over de beleids- en be... HOOFDSTUK 3. - Samenvoeging van de openbare cen... Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - Bepalingen over het personeel van... Onderafdeling 1. - Principiële beslissing tot s... Onderafdeling 2. - Personeel na de samenvoeging... Afdeling 3. - Bepalingen over de beleids- en be... HOOFDSTUK 4. - Diverse bepalingen TITEL 9. - Samenvoeging van gemeenten op initia... DEEL 3. - DEELNAME IN RECHTSPERSONEN EN SAMENWE... TITEL 1. - Deelname van de gemeente in rechtspe... TITEL 2. - Overeenkomsten tussen gemeenten TITEL 3. - De intergemeentelijke samenwerking HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 2. - Samenwerkingsverbanden zonder re... HOOFDSTUK 3. - Samenwerkingsverbanden met recht... Afdeling 1. - Principes Afdeling 2. - Projectvereniging Afdeling 3. - Dienstverlenende en opdrachthoude... Onderafdeling 1. - Voorbereidende fase Onderafdeling 2. - Oprichting, toetreding, duur... Onderafdeling 3. - Statuten en statutenwijzigingen Onderafdeling 4. - Structuur Onderafdeling 5. - Werking HOOFDSTUK 4. - Bestuurlijk toezicht Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - Algemeen bestuurlijk toezicht op ... Afdeling 3. - Dwangtoezicht HOOFDSTUK 5. - Diverse bepalingen TITEL 4. - DE VERENIGINGEN OF VENNOOTSCHAPPEN V... HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 2. - De welzijnsvereniging HOOFDSTUK 3. - De autonome verzorgingsinstelling HOOFDSTUK 4. - Verenigingen van privaat recht m... HOOFDSTUK 5. - De vereniging voor sociale diens... HOOFDSTUK 6. - Verenigingen of vennootschappen ... DEEL 4. - SPECIFIEKE BEPALINGEN TEN BEHOEVE VAN... TITEL 1. - De politieke organisatie van de geme... HOOFDSTUK 1. - De gemeenteraad Afdeling 1. - De organisatie van de gemeenteraad Afdeling 2. - De werking van de gemeenteraad Afdeling 3. - De bevoegdheden van de gemeenteraad HOOFDSTUK 2. - Het college van burgemeester en ... Afdeling 1. - De organisatie van het college va... Afdeling 2. - De werking van het college van bu... Afdeling 3. - De bevoegdheden van het college v... HOOFDSTUK 3. - De burgemeester Afdeling 1. - De benoeming van de burgemeester Afdeling 2. - De bevoegdheden van de burgemeester HOOFDSTUK 4. - De raad voor maatschappelijk wel... Afdeling 1. - De organisatie van de raad voor m... Afdeling 2. - De werking van de raad voor maats... Afdeling 3. - De bevoegdheden van de raad voor ... HOOFDSTUK 5. - Het vast bureau Afdeling 1. - De organisatie van het vast bureau Afdeling 2. - De werking van het vast bureau Afdeling 3. - De bevoegdheden van het vast bureau HOOFDSTUK 6. - De Raad voor Verkiezingsbetwisti... HOOFDSTUK 7. - De mandatarissen (eretitels, rec... TITEL 2. - De ambtelijke organisatie van de gem... TITEL 3. - De extern verzelfstandigde agentscha... TITEL 4. - De beleids- en beheerscyclus van de ... TITEL 5. - De werking van het lokaal bestuur TITEL 6. - De participatie van de burger TITEL 7. - Het bestuurlijk toezicht TITEL 8. - Vrijwillige samenvoeging van gemeenten TITEL 9. - Samenvoeging van gemeenten op initia... TITEL 10. - Deelname van de gemeente in rechtsp... DEEL 5. - WIJZIGINGSBEPALINGEN DEEL 6. - SLOTBEPALINGEN TITEL 1. - Opheffingsbepalingen TITEL 2. - Overgangsbepalingen HOOFDSTUK 1. - Overgangsbepaling voor de politi... HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepalingen inzake de am... Afdeling 1. - De algemeen directeur, de financi... Afdeling 2. - De gewestelijk ontvanger Afdeling 3. - Tucht Afdeling 4. - Organisatiebeheersing HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepalingen inzake de au... HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepalingen inzake de be... Afdeling 1. - De jaarrekening Afdeling 2. - De meerjarenplanning HOOFDSTUK 5. - Overgangsbepaling over de werkin... HOOFDSTUK 6. - Overgangsbepaling voor het bestu... HOOFDSTUK 7. - Overgangsbepaling inzake de fusies HOOFDSTUK 8. - Overgangsbepalingen voor de inte... TITEL 3. - Inwerkingtreding
Inhoud
PARTIE 1ère. - Dispositions générales PARTIE 2. - Administration communale et centre ... TITRE 1er. - Organisation politique de la commu... CHAPITRE 1er. - Le conseil communal Section 1ère. - Organisation du conseil communal Section 2. - Fonctionnement du conseil communal Section 3. - Les compétences du conseil communal CHAPITRE 2. - Le collège des bourgmestre et éch... Section 1ère. - Organisation du collège des Bou... Section 2. - Fonctionnement du collège des bour... Section 3. - Compétences du collège des bourgme... CHAPITRE 3. - Le bourgmestre Section 1ère. - Nomination du bourgmestre Section 2. - Compétences du bourgmestre CHAPITRE 4. - Le conseil de l'aide sociale Section 1ère. - Organisation du conseil de l'ai... Section 2. - Fonctionnement du conseil de l'aid... Section 3. - Compétences du conseil de l'aide s... CHAPITRE 5. - Le bureau permanent Section 1ère. - Organisation du bureau permanent Section 2. - Fonctionnement du bureau permanent Section 3. - Compétences du bureau permanent CHAPITRE 6. - Le comité spécial du service social Section 1ère. - Organisation du comité spécial ... Section 2. - Fonctionnement du comité spécial d... Section 3. - Compétences du comité spécial du s... Section 4. - Compétences du président du comité... CHAPITRE 7. - Les districts Section 1ère. - Dispositions générales Section 2. - Organisation du conseil de district Section 3. - Organisation du collège de district Section 4. - Le secrétaire de district Section 5. - Fonctionnement du conseil de district Section 6. - Fonctionnement du collège de district Section 7. - Dispositions qui s'appliquent aux ... Section 8. - Compétences Section 9. - Contrôle CHAPITRE 8. - Le Conseil des Contestations élec... CHAPITRE 9. - Les mandataires (titres honorifiq... Section 1ère. - Statut juridique Section 2. - Discipline Section 3. - Responsabilité Section 4. - Base de données de mandats TITRE 2. - Organisation politique de la commune... CHAPITRE 1er. - Disposition générale CHAPITRE 2. - Le directeur général, le directeu... Section 1ère. - Dispositions communes Section 2. - Du directeur général et du directe... Section 3. - Du directeur financier CHAPITRE 3. - De l'équipe de direction CHAPITRE 4. - Du personnel de la commune et du ... Section 1ère. - Champ d'application Section 2. - Le travailleur social Section 3. - Du statut du personnel de la commu... Sous-section 1ère. - Disposition générale Sous-section 2. - Du statut Sous-section 3. - Prestation de serment du pers... Sous-section 4. - Droits et devoirs déontologiques Sous-section 5. - De l'évaluation du personnel Section 4. - Autres mesures exécutoires Section 5. - Coopération en matière de personnel Section 6. - Discipline Sous-section 1ère. - Champ d'application Sous-section 2. - Des faits disciplinaires Sous-section 3. - Des peines disciplinaires Sous-section 4. - De l'autorité disciplinaire Sous-section 5. - Procédure disciplinaire Sous-section 6. - De la prescription de la proc... Sous-section 7. - De la suspension préventive Sous-section 8. - Recours CHAPITRE 5. [1 Contrôle interne, audit et parc... Section 1ère. - Contrôle interne Section 2. - Audit Section 3. [1 Parcours de remédiation ]1 TITRE 3. - Des agences autonomisées externes CHAPITRE 1er. - Dispositions générales CHAPITRE 2. - De la régie communale autonome CHAPITRE 3. - De l'agence autonomisée externe c... CHAPITRE 4. TITRE 4. - Règles relatives au planning et à la... CHAPITRE 1er. - Les rapports stratégiques Section 1ère. - Dispositions générales Section 2. - Le plan pluriannuel Section 3. - Adaptations du plan pluriannuel Section 4. - Disposition particulière relative ... Section 5. - Les comptes annuels Section 6. - Disposition particulière relative ... CHAPITRE 2. - Autres rapports CHAPITRE 3. - Cycle des recettes et des dépenses CHAPITRE 4. - Disposition particulière relative... CHAPITRE 5. - Spécification par le Gouvernement... TITRE 5. - Du fonctionnement de l'administratio... CHAPITRE 1er. - Actes de l'administration locale Section 1ère. - Etablissement et signature d'actes Section 2. - Publication et entrée en vigueur Sous-section 1ère. - Publication Sous-section 2. - Entrée en vigueur des règleme... Section 3. - Modalité de notification Section 4. - Correspondance adressée à l'admini... CHAPITRE 2. - Mode de calcul des délais CHAPITRE 3. - Biens de l'administration locale Section 1ère. - Biens immobiliers Section 2. - Routes communales CHAPITRE 4. - Désignation de géomètres-experts CHAPITRE 5. - Action en droit CHAPITRE 6. - Communication numérique avec le G... CHAPITRE 7. [1 - Registre des subventions]1 TITRE 6. - Participation du citoyen CHAPITRE 1er. - Traitement des plaintes CHAPITRE 2. - Droit de participation, propositi... CHAPITRE 3. - De la consultation populaire comm... Section 1ère. - Dispositions générales Section 2. - Consultation populaire sur l'initi... Section 3. - Avant la consultation populaire Section 4. - Déroulement de la consultation pop... Section 5. - Après la consultation populaire TITRE 7. - Du contrôle administratif CHAPITRE 1er. - Dispositions générales CHAPITRE 2. - Tutelle administrative générale CHAPITRE 3. - Tutelle coercitive CHAPITRE 4. - Zones à une ou plusieurs communes... CHAPITRE 5. - Zones de secours instituées en ap... TITRE 8. - Fusion volontaire de communes CHAPITRE 1er. - Champ d'application et disposit... CHAPITRE 2. - Fusion de communes Section 1ère. - Conditions Section 2. - Procédure Sous-section 1ère. - Décision de principe Sous-section 2. - Proposition conjointe de fusion Sous-section 3. - Du décret de fusion Section 3. - Affaires courantes Section 4. - Principes généraux lors de la fusi... Section 5. - Election et installation du consei... Section 5/1. [1 Règlement en cas d'objection co... Section 6. - Dispositions relatives au personne... Sous-section 1ère. - Décision de principe relat... Sous-section 2. - Le personnel après la date de... Section 7. - Dispositions relatives au planning... CHAPITRE 3. - Fusion des centres publics d'aide... Section 1ère. - Dispositions générales Section 2. - Dispositions relatives au personne... Sous-section 1ère. - Décision de principe relat... Sous-section 2. - Le personnel après la date de... Section 3. - Dispositions relatives au planning... CHAPITRE 4. - Dispositions diverses TITRE 9. - Fusion de communes à l'initiative du... PARTIE 3. - PARTICIPATION AU SEIN DE PERSONNES ... TITRE 1er. - Participation des communes au sein... TITRE 2. - Accords entre communes TITRE 3. - Coopération intercommunale CHAPITRE 1er. - Dispositions générales CHAPITRE 2. - Structures de coopération sans pe... CHAPITRE 3. - Des structures de coopération dot... Section 1ère. - Des principes Section 2. - Association de projet Section 3. - Associations prestataires de servi... Sous-section 1ère. - Phase préparatoire Sous-section 2. - Constitution, adhésion, durée... Sous-section 3. - Statuts et modifications des ... Sous-section 4. - Structure Sous-section 5. - Fonctionnement CHAPITRE 4. - Contrôle administratif Section 1ère. - Dispositions générales Section 2. - Contrôle administratif de l'autori... Section 3. - Tutelle coercitive CHAPITRE 5. - Dispositions diverses TITRE 4. - Les associations ou sociétés d'aide ... CHAPITRE 1er. - Dispositions générales CHAPITRE 2. - L'association d'aide sociale CHAPITRE 3. - L'établissement autonome de soins CHAPITRE 4. - Associations de droit privé en vu... CHAPITRE 5. - L'association de services sociaux... CHAPITRE 6. - Les associations ou sociétés de d... PARTIE 4. DISPOSITIONS SPECIFICAUES POUR LA COM... TITRE 1er. - L'organisation politique de la com... CHAPITRE 1er. - Le conseil communal Section 1ère. - L'organisation du conseil communal Section 2. - Le fonctionnement du conseil communal Section 3. - Les compétences du conseil communal CHAPITRE 2. - Le collège des bourgmestre et éch... Section 1ère. - L'organisation du collège des b... Section 2. - Le fonctionnement du collège des b... Section 3. - Les compétences du collège des bou... CHAPITRE 3. - Le bourgmestre Section 1ère. - La nomination du bourgmestre Section 2. - Les compétences du bourgmestre CHAPITRE 4. - Le conseil de l'action sociale Section 1ère. - L'organisation du conseil de l'... Section 2. - Le fonctionnement du conseil de l'... Section 3. - Les compétences du conseil de l'ac... CHAPITRE 5. - Le bureau permanent Section 1ère. - L'organisation du bureau permanent Section 2. - Le fonctionnement du bureau permanent Section 3. - Les compétences du bureau permanent CHAPITRE 6. - Le Conseil des Contestations élec... CHAPITRE 7. - Les mandataires (titres honorifiq... TITRE 2. - L'organisation administrative de la ... TITRE 3. - Les agences autonomisées externes TITRE 4. - Le cycle de direction et de gestion ... TITRE 5. - Le fonctionnement de l'administratio... TITRE 6. - La participation du citoyen TITRE 7. - Le contrôle administratif TITRE 8. - Fusion volontaire de communes TITRE 9. - Fusion de communes à l'initiative du... TITRE 10. - Participation de la commune à des p... PARTIE 5. - DISPOSITIONS MODIFICATIVES PARTIE 6. - DISPOSITIONS FINALES TITRE 1er. - Dispositions abrogatoires TITRE 2. - Dispositions transitoires CHAPITRE 1er. - Disposition transitoire concern... CHAPITRE 2. - Dispositions transitoires concern... Section 1er. - Le directeur général, le directe... Section 2. - Le receveur régional Section 3. - Discipline Section 4. - Maîtrise de l'organisation CHAPITRE 3. - Dispositions transitoires en mati... CHAPITRE 4. - Dispositions transitoires en mati... Section 1ère. - Les comptes annuels Section 2. - Le planning pluriannuel CHAPITRE 5. - Disposition transitoire concernan... CHAPITRE 6. - Disposition transitoire pour le c... CHAPITRE 7. - Disposition transitoire en matièr... CHAPITRE 8. - Dispositions transitoires pour la... TITRE 3. - Entrée en vigueur
Tekst (864)
Texte (864)
DEEL 1. - ALGEMENE BEPALINGEN
PARTIE 1ère. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
Art. 2. § 1. De gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn beogen om op het lokale niveau duurzaam bij te dragen aan het welzijn van de burgers en verzekeren een burgernabije, democratische, transparante en doelmatige uitoefening van hun bevoegdheden.
  Ze betrekken de inwoners zo veel mogelijk bij het beleid en zorgen voor openheid van bestuur.
  § 2. De gemeenten zijn overeenkomstig artikel 41 van de Grondwet bevoegd voor de aangelegenheden van gemeentelijk belang. Voor de verwezenlijking daarvan kunnen ze alle initiatieven nemen. Ze beogen om bij te dragen aan de duurzame ontwikkeling van het gemeentelijk gebied.
  Overeenkomstig artikel 6, § 1, VIII, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 46 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en met toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, oefenen de gemeenten ook de bevoegdheden uit die hen door of krachtens de wet of het decreet zijn toevertrouwd.
  Alleen als dat bij decreet uitdrukkelijk is bepaald, kunnen de provincies de medewerking van de gemeenten regelen.
  § 3. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn oefenen de opdrachten, vermeld in artikel 1 en 57 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, uit, alsook de andere aangelegenheden die hen door of krachtens een wet of een decreet worden opgelegd.
Art. 2. § 1er. Les communes et les centres publics d'aide sociale visent à apporter au niveau local une contribution durable au bien-être des citoyens et assurent en proximité étroite avec ceux-ci un exercice démocratique, transparent et efficace de leurs pouvoirs.
  Ils impliquent autant que possible les habitants dans la politique et garantissent la publicité de l'administration.
  § 2. En vertu de l'article 41 de la Constitution, les communes sont compétentes pour les questions d'intérêt communal. A cette fin, elles peuvent prendre toutes les initiatives. Elles visent à contribuer au développement durable du domaine communal.
  Conformément à l'article 6, § 1er, VIII, deuxième alinéa, de la Loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, ainsi qu'à l'article 46 de la loi ordinaire du 9 août 1980 de réformes institutionnelles, et en application du principe de subsidiarité, les communes exercent également les compétences qui leur sont conférées par ou en vertu de la loi ou du décret.
  Les provinces ne peuvent régler la coopération des communes que si ladite coopération est explicitement précisée par décret.
  § 3. Les centres publics d'aide sociale accomplissent les tâches visées aux articles 1er et 57 de la loi organique du 8 juillet 1976 relative aux centres publics d'aide sociale et aux autres questions qui leur sont imposées par ou en vertu d'une loi ou d'un décret.
Art. 3. Dit decreet is van toepassing op alle gemeenten van het Vlaamse Gewest en op alle openbare centra voor maatschappelijk welzijn in de gemeenten van het Nederlandse taalgebied onder voorbehoud van artikel 5, § 1, II, 2°, en artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, eerste streepje, en 4°, eerste lid, a), en artikel 7, § 1, eerste en derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
Art. 3. Le présent décret s'applique à toutes les communes de la Région flamande et à tous les centres publics d'aide sociale des communes de la Région néerlandophone, sous réserve de l'article 5, § 1er, II, 2°, et de l'article 6, § 1er, VIII, premier alinéa, 1°, premier tiret, et 4°, premier alinéa, a) et de l'article 7, § 1er, premier et troisième alinéas, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
DEEL 2. - HET BESTUUR VAN DE GEMEENTE EN HET OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN
PARTIE 2. - Administration communale et centre public daction sociale
TITEL 1. - De politieke organisatie van de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
TITRE 1er. - Organisation politique de la commune et du centre public daction sociale
HOOFDSTUK 1. - De gemeenteraad
CHAPITRE 1er. - Le conseil communal
Afdeling 1. - De organisatie van de gemeenteraad
Section 1ère. - Organisation du conseil communal
Art. 4. § 1. De gemeenteraad vertegenwoordigt de hele bevolking van de gemeente. De gemeenteraad bestaat, met inbegrip van de burgemeester en de schepenen, uit:
  1° 7 leden in de gemeenten met minder dan 1000 inwoners;
  2° 9 leden in de gemeenten met 1000 tot en met 1999 inwoners;
  3° 11 leden in de gemeenten met 2000 tot en met 2999 inwoners;
  4° 13 leden in de gemeenten met 3000 tot en met 3999 inwoners;
  5° 15 leden in de gemeenten met 4000 tot en met 4999 inwoners;
  6° 17 leden in de gemeenten met 5000 tot en met 6999 inwoners;
  7° 19 leden in de gemeenten met 7000 tot en met 8999 inwoners;
  8° 21 leden in de gemeenten met 9000 tot en met 11.999 inwoners;
  9° 23 leden in de gemeenten met 12.000 tot en met 14.999 inwoners;
  10° 25 leden in de gemeenten met 15.000 tot en met 19.999 inwoners;
  11° 27 leden in de gemeenten met 20.000 tot en met 24.999 inwoners;
  12° 29 leden in de gemeenten met 25.000 tot en met 29.999 inwoners;
  13° 31 leden in de gemeenten met 30.000 tot en met 34.999 inwoners;
  14° 33 leden in de gemeenten met 35.000 tot en met 39.999 inwoners;
  15° 35 leden in de gemeenten met 40.000 tot en met 49.999 inwoners;
  16° 37 leden in de gemeenten met 50.000 tot en met 59.999 inwoners;
  17° 39 leden in de gemeenten met 60.000 tot en met 69.999 inwoners;
  18° 41 leden in de gemeenten met 70.000 tot en met 79.999 inwoners;
  19° 43 leden in de gemeenten met 80.000 tot en met 89.999 inwoners;
  20° 45 leden in de gemeenten met 90.000 tot en met 99.999 inwoners;
  21° 47 leden in de gemeenten met 100.000 tot en met 149.999 inwoners;
  22° 49 leden in de gemeenten met 150.000 tot en met 199.999 inwoners;
  23° 51 leden in de gemeenten met 200.000 tot en met 249.999 inwoners;
  24° 53 leden in de gemeenten met 250.000 tot en met 299.999 inwoners;
  25° 55 leden in de gemeenten met 300.000 of meer inwoners.
  § 2. De schepenen en de burgemeester zijn gemeenteraadsleden behalve als ze niet als gemeenteraadslid zijn verkozen als vermeld in de gevallen, vermeld in artikel 42, § 4, [1 ...]1 en artikel 68, § 2.
  § 3. Uiterlijk op 1 juni van het jaar waarin de gemeenteraadsverkiezingen zullen plaatsvinden, stelt de Vlaamse Regering een lijst op van het aantal te verkiezen gemeenteraadsleden per gemeente op basis van de bevolkingsaantallen van de gemeenten. Het inwonertal dat in aanmerking wordt genomen, is het aantal personen dat ingeschreven is in het rijksregister van de natuurlijke personen en dat op 1 januari van het jaar van de gemeenteraadsverkiezingen zijn hoofdverblijfplaats in de desbetreffende gemeente had. Ingeval een gemeente een principiële beslissing tot samenvoeging aan de Vlaamse Regering heeft kenbaar gemaakt, vermeldt de Vlaamse Regering desgevallend in de lijst van het aantal te verkiezen gemeenteraadsleden ook het aantal te verkiezen gemeenteraadsleden van de nieuwe gemeente, op basis van de som van de bevolkingsaantallen van de samen te voegen gemeenten. Vanaf de inwerkingtreding van het samenvoegingsdecreet wordt in deze lijst het aantal te verkiezen gemeenteraadsleden, vermeld voor de samengevoegde gemeenten, opgeheven en is enkel het aantal te verkiezen gemeenteraadsleden van de nieuwe gemeente geldig.
  Het bevolkingsaantal op 1 januari [2 van het jaar waarin de gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden]2, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, wordt, met behoud van de toepassing van het eerste lid, [2 vanaf 1 december]2 na de bekendmaking ervan, in aanmerking genomen als bevolkingscijfer in dit decreet.
  
Art. 4. § 1er. Le conseil communal représente l'ensemble de la population de la commune. Le conseil communal, en ce compris le bourgmestre et les échevins, se compose de :
  1° 7 membres dans les communes de moins de 1000 habitants ;
  2° 9 membres dans les communes de 1000 à 1999 habitants ;
  3° 11 membres dans les communes de 2000 à 2999 habitants ;
  4° 13 membres dans les communes de 3000 à 3999 habitants ;
  5° 15 membres dans les communes de 4000 à 4999 habitants ;
  6° 17 membres dans les communes de 5000 à 6999 habitants ;
  7° 19 membres dans les communes de 7000 à 8999 habitants ;
  8° 21 membres dans les communes de 9000 à 11.999 habitants ;
  9° 23 membres dans les communes de 12.000 à 14.999 habitants ;
  10° 25 membres dans les communes de 15.000 à 19.999 habitants ;
  11° 27 membres dans les communes de 20.000 à 24.999 habitants ;
  12° 29 membres dans les communes de 25.000 à 29.999 habitants ;
  13° 31 membres dans les communes de 30.000 à 34.999 habitants ;
  14° 33 membres dans les communes de 35.000 à 39.999 habitants ;
  15° 35 membres dans les communes de 40.000 à 49.999 habitants ;
  16° 37 membres dans les communes de 50.000 à 59.999 habitants ;
  17° 39 membres dans les communes de 60.000 à 69.999 habitants ;
  18° 41 membres dans les communes de 70.000 à 79.999 habitants ;
  19° 43 membres dans les communes de 80.000 à 89.999 habitants ;
  20° 45 membres dans les communes de 90.000 à 99.999 habitants ;
  21° 47 membres dans les communes de 100.000 à 149.999 habitants ;
  22° 49 membres dans les communes de 150.000 à 199.999 habitants ;
  23° 51 membres dans les communes de 200.000 à 249.999 habitants ;
  24° 53 membres dans les communes de 250.000 à 299.999 habitants ;
  25° 55 membres dans les communes de 300.000 habitants ou plus ;
  § 2. Les échevins et le bourgmestre sont conseiller communal, sauf s'ils n'ont pas été élus conseiller, ainsi que mentionné dans les cas visés à l'article 42, § 4, [1 ...]1 et à l'article 68, § 2.
  § 3. Au plus tard le 1er juin de l'année au cours de laquelle les élections communales doivent avoir lieu, le Gouvernement flamand établit une liste du nombre de conseillers communaux à élire par commune sur la base des chiffres de population des communes. Le nombre d'habitants à prendre en compte est le nombre de personnes inscrites au registre national des personnes physiques qui avaient leur résidence principale dans la commune concernée au 1er janvier de l'année des élections communales. Si une commune a notifié au Gouvernement flamand une décision de principe de fusionner, le Gouvernement flamand indique également dans la liste du nombre de conseillers communaux à élire, le cas échéant, le nombre de conseillers communaux à élire dans la nouvelle commune, sur la base de la somme des chiffres de population des communes à fusionner. Dès l'entrée en vigueur du décret sur les fusions, ladite liste supprimera le nombre de conseillers communaux à élire pour les communes fusionnées, et seul le nombre de conseillers communaux de la nouvelle commune à élire sera valide.
  Le nombre d'habitants au 1er janvier [2 de l'année au cours de laquelle les élections communales ont lieu]2, tel que publié au Moniteur belge, est pris en compte comme chiffre de population dans le présent décret [2 à compter du 1er décembre]2 qui suit sa publication, sans préjudice de l'application du premier alinéa.
  
Art. 5. § 1. De gemeenteraad wordt om de zes jaar volledig vernieuwd.
  De leden van de gemeenteraad worden rechtstreeks verkozen door de gemeenteraadskiezers.
  De leden van de gemeenteraad zijn herverkiesbaar.
  § 2. Na een volledige vernieuwing van de gemeenteraad blijven de uittredende gemeenteraadsleden in functie tot de geloofsbrieven van de nieuw verkozen gemeenteraadsleden onderzocht zijn en tot de meerderheid van de gemeenteraadsleden geïnstalleerd is.
  [1 § 3. De verkozenen voor de gemeenteraad krijgen na de gemeenteraadsverkiezingen in afnemende volgorde van lijstgrootte het exclusieve initiatiefrecht om een meerderheidscoalitie te vormen. Het initiatiefrecht komt eerst toe aan de verkozene met de meeste naamstemmen van de grootste lijst en gaat vervolgens over naar de verkozenen met de meeste naamstemmen van de tweede grootste lijst en zo verder, in afnemende volgorde van lijstgrootte. Als een lijst in twee fracties is opgesplitst, komt het initiatiefrecht toe aan de verkozene voor de gemeenteraad die het hoogste aantal naamstemmen heeft en die tot de fractie met de meeste zetels in de gemeenteraad behoort. Als twee fracties even groot zijn en tot dezelfde lijst behoren, komt het initiatiefrecht toe aan de verkozene voor de gemeenteraad die het hoogste aantal naamstemmen behaald heeft. Het initiatiefrecht wordt telkens toegekend voor een periode van veertien dagen. De eerste periode van veertien dagen vangt aan de dag na de dagtekening van het proces-verbaal van de gemeenteraadsverkiezingen. De verkozene voor de gemeenteraad die het initiatiefrecht heeft, kan op elk moment daarvan afzien door een verklaring van afstand in te dienen bij de algemeen directeur.
   De procedure van het initiatiefrecht neemt definitief een einde op een van de volgende momenten:
   1° als elke houder van het initiatiefrecht dit recht heeft uitgeput;
   2° als een gezamenlijke akte van voordracht is ingediend door de verkozene voor de gemeenteraad die op dat moment het initiatiefrecht heeft;
   3° uiterlijk op de derde dag voor de installatievergadering van de gemeenteraad.
   Het initiatiefrecht gaat in de volgende gevallen over naar de verkozene voor de gemeenteraad met het hoogste aantal naamstemmen van de volgende lijst in afnemende volgorde van lijstgrootte:
   1° als binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, geen gezamenlijke akte van voordracht is ingediend door de verkozene voor de gemeenteraad die op dat moment het initiatiefrecht heeft;
   2° als een verklaring van afstand is ingediend.
   De algemeen directeur maakt de volgende elementen, nadat ze zich voordoen, onmiddellijk bekend op de webtoepassing van de gemeente waarna het initiatiefrecht eindigt of overgaat:
   1° de indiening van een gezamenlijke akte van voordracht door de verkozene voor de gemeenteraad die op dat moment het initiatiefrecht heeft;
   2° het ontbreken van een gezamenlijke akte van voordracht op de derde dag voor de installatievergadering;
   3° de uitputting van het initiatiefrecht door alle houders van het initiatiefrecht;
   4° de indiening van een verklaring van afstand;
   5° het ontbreken van een gezamenlijke akte van voordracht, ingediend door de verkozene voor de gemeenteraad die op dat moment het initiatiefrecht heeft, na de periode van veertien dagen.]1

  
Art. 5. § 1er. Le conseil communal est intégralement renouvelé tous les six ans.
  Les conseillers communaux communal sont élus directement par les électeurs communaux.
  Les conseillers communaux sont rééligibles.
  § 2. Après un renouvellement intégral du conseil communal, les conseillers communaux sortants restent en fonction jusqu'à ce que les pouvoirs des conseillers communaux nouvellement élus aient été vérifiés et que la majorité des conseillers communaux soit installée.
  [1 § 3. Après les élections communales, les élus au conseil communal se voient accorder, dans l'ordre décroissant de la taille de la liste, le droit exclusif d'initiative pour former une coalition majoritaire. Le droit d'initiative revient d'abord à l'élu qui a obtenu le plus de votes nominatifs de la liste la plus grande, et ensuite aux élus qui ont obtenu le plus de votes nominatifs de la deuxième plus grande liste, et ainsi de suite, dans l'ordre décroissant de la taille de la liste. Si une liste est divisée en deux groupes, le droit d'initiative revient à l'élu au conseil communal qui a obtenu le plus de votes nominatifs et qui appartient au groupe ayant le plus de sièges au conseil communal. Si deux groupes sont de taille égale et appartiennent à la même liste, le droit d'initiative revient à l'élu au conseil communal qui a obtenu le plus de votes nominatifs. Le droit d'initiative est chaque fois accordé pour une période de quatorze jours. La première période de quatorze jours commence le jour après la datation du procès-verbal des élections communales. L'élu au conseil communal qui a le droit d'initiative peut y renoncer à tout moment en introduisant une déclaration de renonciation auprès du directeur général.
   La procédure du droit d'initiative prend définitivement fin à l'un des moments suivants :
   1° si chaque titulaire du droit d'initiative a épuisé ce droit ;
   2° si un acte commun de présentation est introduit par l'élu au conseil communal qui a le droit d'initiative à ce moment-là ;
   3° au plus tard le troisième jour précédant la réunion d'installation du conseil communal.
   Dans les cas suivants, le droit d'initiative passe à l'élu au conseil communal qui a le plus de votes nominatifs de la liste suivante, dans l'ordre décroissant de la taille de la liste :
   1° si, dans le délai visé à l'alinéa 1er, aucun acte commun de présentation n'a été introduit par l'élu au conseil communal qui a le droit d'initiative à ce moment-là ;
   2° si une déclaration de renonciation a été introduite.
   Le directeur général publie les éléments suivants, après leur apparition, immédiatement sur l'application web de la commune, après quoi le droit d'initiative prend fin ou passe :
   1° l'introduction d'un acte commun de présentation par l'élu au conseil communal qui a le droit d'initiative à ce moment-là ;
   2° le manque d'un acte commun de présentation au troisième jour précédant la réunion d'installation ;
   3° l'épuisement du droit d'initiative par tous les titulaires du droit d'initiative ;
   4° l'introduction d'une déclaration de renonciation ;
   5° le manque d'un acte commun de présentation, introduit par l'élu au conseil communal qui a le droit d'initiative à ce moment-là, après la période de quatorze jours.]1

  
Art. 6. § 1. Als er geen bezwaar is ingediend tegen de verkiezing, worden de verkozen gemeenteraadsleden door de uittredende voorzitter van de gemeenteraad ten minste [1 acht]1 dagen voor de installatievergadering van de gemeenteraad op de hoogte gebracht van de datum, het uur en de plaats van de installatievergadering. De installatievergadering van de gemeenteraad vindt plaats op een van de eerste vijf [1 werkdagen van december]1. Bij ontstentenis van oproeping door de uittredende voorzitter van de gemeenteraad vindt de installatievergadering van rechtswege plaats op de [1 vijfde werkdag van december]1 in het gemeentehuis om 20 uur. De algemeen directeur brengt bij ontstentenis van oproeping door de uittredende voorzitter van de gemeenteraad voor de goede orde [1 ...]1 de nieuw verkozen gemeenteraadsleden daarvan op de hoogte.
  In het eerste lid wordt verstaan onder werkdag: elke dag van de week, behalve zaterdag, zondag en wettelijke en decretale feestdagen.
  [1 Als er een bezwaar is ingediend tegen de verkiezing en als die vervolgens toch geldig is verklaard, vindt de installatievergadering plaats binnen vijftien dagen na de dag waarop de uitslag van de verkiezing definitief is met toepassing van artikel 25 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, maar op zijn vroegst op een van de eerste vijf werkdagen van december. De verkozen gemeenteraadsleden worden door de uittredende voorzitter van de gemeenteraad ten minste acht dagen voor de installatievergadering op de hoogte gebracht van de datum, het uur en de plaats van de vergadering.]1
  [1 Als er een bezwaar is ingediend tegen de verkiezing en als die verkiezing vervolgens ongeldig is verklaard en er een nieuwe verkiezing moet worden gehouden, vindt de installatievergadering plaats binnen vijftien dagen na de dag waarop de uitslag van de nieuwe verkiezing definitief is met toepassing van artikel 203, derde lid, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 of met toepassing van artikel 25 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolle- ges. De verkozen gemeenteraadsleden worden door de uittredende voorzitter van de gemeenteraad ten minste acht dagen voor de installatievergadering op de hoogte gebracht van de datum, het uur en de plaats van de vergadering.]1
  Als de nieuw verkozen raadsleden niet zijn bijeengeroepen overeenkomstig het derde en het vierde lid, worden ze volgens hun rangorde bijeengeroepen door een uittredend lid van het college van burgemeester en schepenen.
  Als de gemeenteraad ten gevolge van een wijziging van de zetelverdeling niet van rechtswege geïnstalleerd kan worden overeenkomstig het eerste lid, worden de nieuw verkozen raadsleden bijeengeroepen overeenkomstig het derde en het vierde lid nadat de zetelverdeling definitief is.
  [4 § 1/1. Tot uiterlijk drie dagen voor de installatievergadering kan er een verbeterende akte van voordracht of opvolging worden ingediend als door een uitspraak van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen of de Raad van State de verkiezingsuitslag definitief is gewijzigd. In dat geval is de sanctie, vermeld in artikel 7, § 2, niet van toepassing.
   Onder een wijziging van de verkiezingsuitslag door een uitspraak van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen of de Raad van State vallen volgende situaties:
   1° een wijziging in de zetelverdeling tussen de lijsten;
   2° een wijziging in de rangorde van de gekozen raadsleden of de opvolgers.
   Als de verbeterende akte van voordracht of opvolging ontvankelijk is, is de eerdere akte van voordracht of opvolging voor hetzelfde mandaat zonder voorwerp.]4

  § 2. De uittredende voorzitter van de gemeenteraad zit de installatievergadering voor. Hij blijft voorzitter van de gemeenteraad tot een nieuwe voorzitter verkozen is. Als de uittredende voorzitter van de gemeenteraad de installatievergadering niet kan voorzitten, wordt ze voorgezeten door een uittredend lid van het college van burgemeester en schepenen in volgorde van hun rang.
  § 3. De gemeenteraad onderzoekt de geloofsbrieven van de verkozen gemeenteraadsleden. De verkozen gemeenteraadsleden van wie de geloofsbrieven zijn goedgekeurd, leggen, voor ze hun mandaat aanvaarden, in openbare vergadering de volgende eed af in handen van de voorzitter van de installatievergadering: "Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen.".
  [2 De voorzitter van de installatievergadering legt, als die herkozen is als gemeenteraadslid, de eed af in handen van het oudste gemeenteraadslid, of, als de voorzitter van de installatievergadering zelf het oudste raadslid is, in handen van het op een na oudste gemeenteraadslid.]2
  [3 Een raadslid dat zich in een situatie van verhindering bevindt als vermeld in artikel 12, 5°, kan worden verkozen als schepen of voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst of aangeduid worden als aangewezen-burgemeester. In voorkomend geval en in afwijking van artikel 12, 5°, kan dat raadslid vervolgens de eed afleggen van het betreffende mandaat.]3
  § 4. De verkozen gemeenteraadsleden die aanwezig zijn op de installatievergadering en die de eed niet afleggen, worden geacht afstand te hebben gedaan van hun mandaat.
  § 5. De verkozen gemeenteraadsleden die niet aanwezig zijn op de installatievergadering en die, nadat ze daarvoor uitdrukkelijk zijn opgeroepen, zonder geldige reden afwezig zijn op de eerste daaropvolgende vergadering, worden geacht afstand te hebben gedaan van hun mandaat.
  § 6. Als de voorzitter van de gemeenteraad, degene die de voorzitter vervangt of degene die de eed afneemt van de voorzitter, nalaat de eed af te nemen van de verkozen gemeenteraadsleden op de installatievergadering of, bij vervanging van een lid, na de installatievergadering uiterlijk op de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad, wordt de eed afgenomen door een lid van het college van burgemeester en schepenen volgens hun rangorde. Als de voorzitter van de gemeenteraad, degene die de voorzitter vervangt of degene die de eed afneemt van de voorzitter, nalaat de eed af te nemen, noteert de algemeen directeur de vervanging van de voorzitter in de notulen van de vergadering.
  § 7. De rangorde van de gemeenteraadsleden wordt tijdens de installatievergadering van de nieuwe gemeenteraad onmiddellijk na de eedaflegging van de gemeenteraadsleden vastgesteld. Het gemeenteraadslid met de hoogste anciënniteit neemt de hoogste rang in. Bij gelijke anciënniteit neemt het gemeenteraadslid dat bij de laatste volledige vernieuwing van de gemeenteraad het hoogste aantal naamstemmen heeft behaald, de hoogste rang in. Bij een gelijk aantal naamstemmen neemt het gemeenteraadslid van wie de lijst bij de laatste volledige vernieuwing van de gemeenteraad de meeste stemmen heeft behaald de hoogste rang in. De opvolgers die na de installatievergadering als gemeenteraadslid worden geïnstalleerd, nemen in volgorde van hun eedaflegging een rang in.
  
Art. 6. § 1er. Lorsqu'aucune objection n'a été formulée contre l'élection, le président sortant du conseil communal informe les conseillers communaux élus de la date, de l'heure et du lieu de la réunion d'installation au moins [1 huit]1 jours avant la réunion d'installation du conseil communal. La réunion d'installatihuit on du conseil communal a lieu l'un des cinq premiers [1 jours ouvrables du mois de décembre]1. A défaut de convocation par le président sortant du conseil communal, la réunion d'installation aura lieu de plein droit le [1 cinquième jour ouvrable du mois de décembre]1 à 20 heures à la maison communale. En cas d'absence de convocation par le président sortant du conseil communal, le directeur général informe les conseillers communaux nouvellement élus, pour le bon ordre[1 ...]1.
  Au premier alinéa, il convient d'entendre par jour ouvrable : tous les jours de la semaine, à l'exception du samedi, du dimanche et des jours fériés légaux et décrétaux.
  [1 Lorsque, en dépit d'une objection introduite, l'élection a néanmoins été déclarée valide par la suite, la réunion d'installation a lieu dans les quinze jours qui suivent la date à laquelle le résultat de l'élection est définitif en application de l'article 25 du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes, mais au plus tôt un des cinq premiers jours ouvrables du mois de décembre. Les conseillers communaux élus sont informés par le président sortant du conseil communal, au moins huit jours avant la réunion d'installation, de la date, de l'heure et du lieu de la réunion.]1
  [1 Lorsqu'une objection à l'élection a été introduite, que ladite élection a ensuite été déclarée invalide et qu'une nouvelle élection doit avoir lieu, la réunion d'installation a lieu dans les quinze jours qui suivent la date à laquelle le résultat de l'élection est définitif en application de l'article 203, alinéa 3, du décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011 ou en application de l'article 25 du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes. Les conseillers communaux élus sont informés par le président sortant du conseil communal, au moins huit jours avant la réunion d'installation, de la date, de l'heure et du lieu de la réunion.]1
  Si les conseillers nouvellement élus n'ont pas été convoqués conformément aux troisième et quatrième alinéas, ils sont convoqués dans leur ordre de préséance par un membre sortant du collège des bourgmestre et échevins.
  Si, à la suite d'un changement dans la répartition des sièges, le conseil communal ne peut être installé de plein droit conformément au premier alinéa, les conseillers nouvellement élus sont convoqués conformément aux troisième et quatrième alinéas lorsque la répartition des sièges est définitive.
  [4 § 1/1. Au plus tard trois jours avant la réunion d'installation, un acte rectificatif de présentation ou de suppléance peut être introduit si une décision du Conseil des Contestations électorales ou du Conseil d'Etat a définitivement modifié le résultat de l'élection. Dans ce cas, la sanction visée à l'article 7, § 2, ne s'applique pas.
   Une modification du résultat de l'élection à la suite d'une décision du Conseil des Contestations électorales ou du Conseil d'Etat comprend les situations suivantes :
   1° une modification de la répartition des sièges entre les listes ;
   2° une modification de l'ordre des conseillers élus ou des suppléants.
   Si l'acte rectificatif de présentation ou de suppléance est recevable, l'acte de présentation ou de suppléance antérieur pour le même mandat est sans objet.]4

  § 2. Le président sortant du conseil communal préside la réunion d'installation. Il reste président du conseil communal jusqu'à ce qu'un nouveau président ait été élu. Si le président sortant du conseil communal ne peut présider la réunion d'installation, celle-ci est présidée par un membre sortant du collège des bourgmestre et échevins, dans l'ordre de leur rang.
  § 3. Le conseil communal examine les pouvoirs des conseillers communaux élus. Les conseillers communaux élus dont les pouvoirs ont été approuvés doivent, avant d'accepter leur mandat, prêter le serment suivant en séance publique entre les mains du président de la réunion d'installation : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de mon mandat. "
  [2 Le président de la réunion d'installation, s'il a été réélu conseiller communal, prête serment entre les mains du conseiller communal le plus âgé ou, si le président de la réunion d'installation est lui-même le conseiller communal le plus âgé, entre les mains du deuxième conseiller communal le plus âgé.]2
  [3 Le conseiller qui se trouve dans une situation d'empêchement, telle que visée à l'article 12, 5°, peut être élu échevin ou président du comité spécial du service social ou être désigné comme bourgmestre désigné. Le cas échéant et par dérogation à l'article 12, 5°, ce conseiller peut ensuite prêter le serment du mandat concerné.]3
  § 4. Les conseillers communaux élus qui sont présents à la réunion d'installation et qui ne prêtent pas serment sont supposés avoir renoncé à leur mandat.
  § 5. Les conseillers communaux élus qui ne sont pas présents à la réunion d'installation et qui, après avoir été convoqués expressément à cet effet, sont absents lors de la prochaine réunion sans motif valable, sont supposés avoir renoncé à leur mandat.
  § 6. Si le président du conseil communal, la personne qui remplace le président ou celle qui assermente le président néglige d'assermenter des membres élus du conseil communal lors de la réunion d'installation ou, lors du remplacement d'un membre, après la réunion d'installation au plus tard lors de la réunion suivante du conseil communal, le serment est prêté entre les mains d'un membre du collège des bourgmestre et échevins dans l'ordre de leur rang. Si le président du conseil communal, la personne qui remplace le président ou celle qui assermente le président néglige d'assermenter, le directeur général note le remplacement du président dans le procès-verbal de la réunion.
  § 7. L'ordre de préséance des conseillers communaux est fixé durant la réunion d'installation du nouveau conseil communal immédiatement après la prestation de serment des conseillers communaux. Le conseiller communal qui compte le plus d'ancienneté occupe le rang le plus élevé. En cas de parité d'ancienneté, le conseiller communal qui a obtenu le plus de votes nominatifs lors du dernier renouvellement intégral du conseil communal revêt le plus haut rang. En cas de nombre égal de votes nominatifs, le conseiller communal dont la liste a obtenu le plus de voix lors du dernier renouvellement intégral du conseil communal revêt le plus haut rang. Les suppléants qui sont installés en qualité de conseiller communal après la réunion d'installation prennent un rang dans l'ordre de leur prestation de serment.
  
Art. 7. § 1. [2 Op de installatievergadering verkiest de gemeenteraad op basis van een akte van voordracht van kandidaat-voorzitter die voldoet aan al de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het tweede lid, een voorzitter onder de gemeenteraadsleden van Belgische nationaliteit. De Vlaamse Regering stelt het model van de akte van voordracht van kandidaat-voorzitter vast en de wijze waarop dat model ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de akte van voordracht van kandidaat-voorzitter wordt ingediend bij de algemeen directeur.
   Een ontvankelijke akte van voordracht van kandidaat-voorzitter voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze draagt een gemeenteraadslid voor dat de Belgische nationaliteit heeft;
   2° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het eerste lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld;
   3° ze is ondertekend door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen;
   4° ze is ondertekend door de meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-voorzitter voorkomt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   5° ze is uiterlijk drie dagen voor de installatievergadering van de gemeenteraad aan de algemeen directeur bezorgd.
   De akte van voordracht kan ook de einddatum van het mandaat van de kandidaat-voorzitter vermelden. In dat geval kan op de akte van voordracht de naam vermeld worden van een of meer personen die hem zullen opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de voorzitter bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de akte van voordracht als opvolger is vermeld. Als het mandaat eindigt voor de einddatum, vermeld in de akte van voordracht, of als de persoon die in de akte van voordracht is aangewezen als de opvolger van de voorzitter, zijn mandaat niet opneemt, neemt de eerstvolgende opvolger vervroegd het mandaat op. Als de persoon die als laatste opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen of als er geen opvolger is vermeld, wordt tot vervanging overgegaan conform paragraaf 5. Als de voordracht geen einddatum vermeldt, wordt, in voorkomend geval, de vermelding van een of meer opvolgers als onbestaande beschouwd.]2

   § 2. [2 Niemand kan meer dan één akte van voordracht, gedaan op het model, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, ondertekenen.
   Alle handtekeningen die in strijd met het verbod, vermeld in het eerste lid, zijn geplaatst, zijn ongeldig. Deze handtekeningen worden niet in aanmerking genomen om de vereisten, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3° en 4°, te bereiken.
   Een verkozene die het verbod, vermeld in het eerste lid, overtreedt, kan voor de duur van de zittingsperiode van de gemeenteraad niet worden benoemd of verkozen als burgemeester, schepen, voorzitter van de gemeenteraad, voorzitter van een gemeenteraadscommissie, voorzitter of lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst, noch een dergelijk mandaat waarnemen. Een verkozene die het verbod, vermeld in het eerste lid, overtreedt, kan de gemeente ook niet vertegenwoordigen of kan namens de gemeente geen mandaat bekleden of waarnemen in gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen of andere verenigingen, stichtingen of vennootschappen. Een verkozene die het verbod, vermeld in het eerste lid, overtreedt, kan evenmin het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vertegenwoordigen of namens het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een mandaat bekleden of waarnemen in een vereniging of vennootschap als vermeld in deel 3, titel 4, of in andere verenigingen, stichtingen of vennootschappen. Als de betrokkene al een dergelijk mandaat bekleedt of waarneemt, vervalt dat van rechtswege.]2

   § 3. Nadat de gemeenteraadsleden de eed hebben afgelegd, bezorgt de algemeen directeur de akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter aan de voorzitter van de installatievergadering.
   De voorzitter van de installatievergadering gaat na of de akte van voordracht ontvankelijk is overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 en 2. Alleen de handtekeningen van de gemeenteraadsleden die de eed hebben afgelegd, worden daarvoor in aanmerking genomen, met inbegrip van de handtekeningen van de opvolgers die de akte van voordracht hebben ondertekend en die nadien als gemeenteraadslid de eed hebben afgelegd. In voorkomend geval wordt de voorgedragen kandidaat-voorzitter verkozen verklaard.
   § 4. [2 Als er geen ontvankelijke akte van voordracht van kandidaat-voorzitter aan de voorzitter van de installatievergadering wordt bezorgd, verkiest de gemeenteraad binnen veertien dagen een voorzitter onder de gemeenteraadsleden van Belgische nationaliteit.
   De gemeenteraadsleden kunnen voor de verkiezing van een voorzitter, vermeld in het eerste lid, een akte van voordracht die voldoet aan al de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het derde lid, bezorgen aan de algemeen directeur. De Vlaamse Regering stelt het model van de akte van voordracht van kandidaat-voorzitter vast en de wijze waarop dat model ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de akte van voordracht van kandidaat-voorzitter wordt ingediend bij de algemeen directeur.
   Een ontvankelijke akte van voordracht van kandidaat-voorzitter voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze draagt een gemeenteraadslid voor dat de Belgische nationaliteit heeft;
   2° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het tweede lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld;
   3° ze is ondertekend door de meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-voorzitter voorkomt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   4° ze is uiterlijk drie dagen voor de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad na de installatievergadering aan de algemeen directeur bezorgd.
   De akte van voordracht kan ook de einddatum van het mandaat van de kandidaat-voorzitter vermelden. In dat geval kan op de akte van voordracht de naam vermeld worden van een of meer personen die hem zullen opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de voorzitter bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de akte van voordracht als opvolger is vermeld. Als het mandaat van de voorzitter eindigt voor de einddatum, vermeld in de akte van voordracht, of als de persoon die in de akte van voordracht is aangewezen als opvolger van de voorzitter, zijn mandaat niet opneemt, neemt de eerstvolgende opvolger vervroegd het mandaat op. Als de persoon die als laatste opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen, of als er geen opvolger is vermeld, wordt tot vervanging overgegaan conform paragraaf 5. Als de voordracht geen einddatum vermeldt, wordt, in voorkomend geval, de vermelding van een of meer opvolgers als onbestaand beschouwd.
   Niemand kan meer dan één akte van voordracht, gedaan op de modelakte, vermeld in het derde lid, 2°, ondertekenen.
   Alle handtekeningen die in strijd met het verbod, vermeld in het vijfde lid, zijn geplaatst, zijn ongeldig. Deze handtekeningen worden niet in aanmerking genomen om de vereisten, vermeld in het derde lid, 3°, te bereiken. Overtredingen van het voormelde verbod worden bestraft conform paragraaf 2, derde lid.
   De voorzitter van de vergadering gaat na of de akte van voordracht van kandidaat-voorzitter ontvankelijk is conform het derde tot en met het zesde lid.
   De verkiezing, vermeld in het eerste lid, vindt plaats bij geheime stemming.
   De kandidaat die de volstrekte meerderheid van de stemmen heeft behaald, is verkozen tot voorzitter van de gemeenteraad. Als geen enkele kandidaat de volstrekte meerderheid van de stemmen heeft behaald en als verschillende kandidaten zijn voorgedragen voor het vacante mandaat, vindt een tweede stemronde plaats, waarin wordt gestemd op de twee kandidaten die in de eerste stemronde de meeste stemmen hebben behaald. Bij staking van stemmen in de eerste stemronde komt de kandidaat die bij de gemeenteraadsverkiezingen de meeste naamstemmen heeft behaald, in aanmerking voor de tweede stemronde. De kandidaat die in de tweede stemronde de meerderheid van de stemmen heeft behaald, is verkozen tot voorzitter. Bij staking van stemmen in de tweede stemronde is de kandidaat die bij de gemeenteraadsverkiezingen de meeste naamstemmen heeft behaald, verkozen tot voorzitter. Als de naamstemmen bepalend zijn en de kandidaten een gelijk aantal naamstemmen hebben behaald, is de voorgedragen kandidaat verkozen van wie de lijst bij de gemeenteraadsverkiezingen de meeste stemmen heeft behaald.]2

   § 5. In al de volgende gevallen wordt een nieuwe voorzitter verkozen op de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad, overeenkomstig paragraaf 1 tot en met 4, met dien verstande dat "de installatievergadering" wordt gelezen als "de eerstvolgende vergadering, vermeld in paragraaf 5", "de installatievergadering van de gemeenteraad" wordt gelezen als "de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad, vermeld in paragraaf 5", [2 "drie dagen", vermeld in paragraaf 1, wordt gelezen als "acht dagen",]2 "verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen" wordt gelezen als "gemeenteraadsleden", "verkozene die" wordt gelezen als "gemeenteraadslid dat" en "Nadat de gemeenteraadsleden de eed hebben afgelegd" wordt gelezen als "Na opening van de vergadering":
   1° als de voorzitter het mandaat niet aanvaardt;
   2° als de voorzitter van zijn mandaat van gemeenteraadslid vervallen wordt verklaard;
   3° als de voorzitter als verhinderd wordt beschouwd, [1 als hij afgezet of geschorst is, of als hij]1 ontslag genomen heeft of overleden is.
   Tot aan de nieuwe verkiezing wordt het voorzitterschap waargenomen overeenkomstig het derde lid.
   Als de voorzitter om een andere reden dan de redenen, vermeld in het eerste lid, tijdelijk afwezig is, of als hij bij een welbepaalde aangelegenheid betrokken partij is als vermeld in artikel 27, wordt hij met behoud van de toepassing van de nationaliteitsvereiste, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als volgt vervangen:
   1° als de voorzitter zijn bevoegdheid schriftelijk heeft opgedragen aan een gemeenteraadslid, neemt dat gemeenteraadslid het voorzitterschap waar;
   2° als de voorzitter zijn bevoegdheid niet heeft opgedragen aan een gemeenteraadslid overeenkomstig punt 1°, neemt het gemeenteraadslid met de hoogste rang het voorzitterschap waar. Als dat raadslid de voorzitter niet kan vervangen, wordt het voorzitterschap waargenomen door een ander gemeenteraadslid in volgorde van rang.
   De voorzitter die als verhinderd wordt beschouwd [1 , die geschorst is]1 of tijdelijk afwezig is, wordt vervangen zolang hij verhinderd of tijdelijk afwezig is. De gemeenteraad neemt akte van de verhindering [1 of schorsing,]1, en van de beëindiging van de periode van verhindering [1 of schorsing]1. Als het niet gaat om een door het decreet opgelegde verhindering, richt de voorzitter zijn verzoek tot vervanging wegens verhindering aan de gemeenteraad.
   § 6. De verhindering, het ontslag, het verval en de afstand van het mandaat van voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn houden van rechtswege de verhindering, het ontslag, het verval en de afstand van het mandaat van voorzitter van de gemeenteraad in.
  
Art. 7. § 1er. [2 Lors de la réunion d'installation, le conseil communal élit un président parmi les conseillers communaux de nationalité belge, sur la base d'un acte de présentation de candidat président qui répond à toutes les conditions de recevabilité visées à l'alinéa 2. Le Gouvernement flamand arrête le modèle de l'acte de présentation de candidat président, et la manière dont ce modèle est mis à disposition. Le Gouvernement flamand peut arrêter le mode d'introduction de l'acte de présentation de candidat président auprès du directeur général.
   Un acte recevable de présentation de candidat président répond à toutes les conditions suivantes :
   1° il présente un conseiller communal qui a la nationalité belge ;
   2° il a été fait sur le modèle d'acte que le Gouvernement flamand arrête en vertu de l'alinéa 1er, et qui est mis à disposition le jour de l'élection par une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand avec le cachet dateur de ce jour ;
   3° il est signé par plus de la moitié des élus sur les listes qui ont participé aux élections ;
   4° il est signé par une majorité des personnes qui ont été élues sur la même liste que le candidat présenté. Si la liste sur laquelle figure le nom du candidat président ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   5° il est remis au directeur général au plus tard trois jours avant la réunion d'installation du conseil communal.
   L'acte de présentation peut également indiquer la date de fin du mandat du candidat président. Dans ce cas, l'acte de présentation peut indiquer le nom d'une ou plusieurs personnes qui lui succéderont pour la durée restante du mandat. Le cas échéant, le président est-il démissionnaire de plein droit à la date de fin du mandat, et est-il suppléé de plein droit par la personne citée comme suppléant dans l'acte de présentation. Si le mandat expire avant la date de fin mentionnée dans l'acte de présentation, ou si la personne désignée dans l'acte de présentation comme suppléant du président, n'assume pas son mandat, le premier suppléant suivant assumera le mandat de manière anticipée. Si la personne indiquée comme dernier suppléant ne peut assumer le mandat ou si aucun suppléant n'est indiqué, il est procédé au remplacement conformément au paragraphe 5. Si la présentation ne mentionne pas de date de fin, la mention d'un ou de plusieurs suppléants, le cas échéant, est considérée comme inexistante.]2

  § 2. [2 Nul ne peut signer plus d'un acte de présentation, fait sur le modèle visé au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°.
   Toutes les signatures apposées contrairement à l'interdiction, visée à l'alinéa 1er, sont invalides. Ces signatures ne sont pas prises en compte pour atteindre les exigences visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 3° et 4°.
   L'électeur qui contrevient à l'interdiction visée à l'alinéa 1er ne peut être nommé ou élu, pour la durée de la législature du conseil communal, bourgmestre, échevin, président du conseil communal, président d'une commission du conseil communal, président ou membre du comité spécial du service social, ni assumer un tel mandat. L'électeur qui contrevient à l'interdiction visée à l'alinéa 1er ne peut pas non plus représenter la commune, ni revêtir ou assumer, au nom de la commune, un mandat dans des agences autonomisées externes communales ou dans d'autres associations, fondations ou sociétés. L'électeur qui contrevient à l'interdiction visée à l'alinéa 1er ne peut pas non plus représenter le centre public d'action sociale, ni revêtir ou assumer, au nom du centre public d'action sociale, un mandat dans une association ou société telle que visée à la partie 3, titre 4, ou dans d'autres associations, fondations ou sociétés. Si l'élu concerné exerce ou assume déjà un tel mandat, celui-ci échoit de plein droit.]2

  § 3. Après la prestation de serment des conseillers communaux, le directeur général transmet l'acte de présentation du candidat président au président de la réunion d'installation.
  Le président de la réunion d'installation vérifie si l'acte de présentation est recevable conformément aux conditions fixées aux paragraphes 1er et 2. Seules les signatures des conseillers communaux qui ont prêté serment sont prises en compte à cet effet, y compris les signatures des suppléants qui ont signé l'acte de présentation et qui ont ensuite prêté serment en qualité de conseiller communal. Le cas échéant, le candidat président présenté est déclaré élu.
  § 4. [2 Si aucun acte de présentation recevable de candidat président n'est transmis au président de la réunion d'installation, le conseil communal procède à l'élection d'un président parmi les conseillers communaux de nationalité belge dans les quatorze jours.
   Pour l'élection d'un président, visée à l'alinéa 1er, les conseillers communaux peuvent transmettre un acte de présentation répondant à toutes les conditions de recevabilité, visées à l'alinéa 3, au directeur général. Le Gouvernement flamand arrête le modèle de l'acte de présentation de candidat président, et la manière dont ce modèle est mis à disposition. Le Gouvernement flamand peut arrêter le mode d'introduction de l'acte de présentation de candidat président auprès du directeur général.
   Un acte recevable de présentation de candidat président répond à toutes les conditions suivantes :
   1° il présente un conseiller communal qui a la nationalité belge ;
   2° il a été fait sur le modèle d'acte que le Gouvernement flamand arrête en vertu de l'alinéa 2, et qui est mis à disposition le jour de l'élection par une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand avec le cachet dateur de ce jour ;
   3° il est signé par une majorité des personnes qui ont été élues sur la même liste que le candidat présenté. Si la liste sur laquelle figure le nom du candidat président ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   4° il est remis au directeur général au plus tard trois jours avant la prochaine réunion du conseil communal après la réunion d'installation.
   L'acte de présentation peut également indiquer la date de fin du mandat du candidat président. Dans ce cas, l'acte de présentation peut indiquer le nom d'une ou plusieurs personnes qui lui succéderont pour la durée restante du mandat. Le cas échéant, le président est-il démissionnaire de plein droit à la date de fin du mandat, et est-il suppléé de plein droit par la personne citée comme suppléant dans l'acte de présentation. Si le mandat du président expire avant la date de fin mentionnée dans l'acte de présentation, ou si la personne désignée dans l'acte de présentation comme suppléant du président, n'assume pas son mandat, le premier suppléant suivant assumera le mandat de manière anticipée. Si la personne indiquée comme dernier suppléant ne peut assumer le mandat ou si aucun suppléant n'est indiqué, il est procédé au remplacement conformément au paragraphe 5. Si la présentation ne mentionne pas de date de fin, la mention d'un ou de plusieurs suppléants, le cas échéant, est considérée comme inexistante. " ;
   Nul ne peut signer plus d'un acte de présentation, fait sur le modèle d'acte visé à l'alinéa 3, 2°.
   Toutes les signatures apposées contrairement à l'interdiction, visée à l'alinéa 5, sont invalides. Ces signatures ne sont pas prises en compte pour atteindre les exigences visées à l'alinéa 3, 3°. Toute infraction à l'interdiction précitée est sanctionnée conformément au paragraphe 2, alinéa 3.
   Le président de la réunion vérifie si l'acte de présentation du candidat président est recevable conformément aux alinéas 3 à 6.
   L'élection visée à l'alinéa 1er a lieu au scrutin secret.
   Le candidat ayant obtenu la majorité absolue des voix, est élu président du conseil communal. Si aucun candidat n'a obtenu la majorité absolue des voix, et si plusieurs candidats ont été présentés pour le mandat vacant, un deuxième tour a lieu au cours duquel il est voté pour les deux candidats qui ont obtenu le plus de voix au premier tour. En cas de partage des voix au premier tour, le candidat ayant obtenu le plus de votes nominatifs lors des élections communales, entre en ligne de compte pour le deuxième tour. Le candidat ayant obtenu la majorité des voix au deuxième tour, est élu président. En cas de partage des voix au deuxième tour, le candidat ayant obtenu le plus de votes nominatifs lors des élections communales, est élu président. Lorsque les votes nominatifs sont déterminants, et que les candidats ont obtenu le même nombre de votes nominatifs, le candidat présenté dont la liste a obtenu le plus de voix lors des élections communales, est élu.]2

  § 5. Dans tous les cas suivants, un nouveau président est élu lors de la première réunion suivante du conseil communal, conformément aux paragraphes 1er à 4, étant entendu que " la réunion d'installation " doit être lue comme " la réunion suivante visée au paragraphe 5 ", " la réunion d'installation du conseil communal " doit être lu comme " la réunion suivante du conseil communal, visée au paragraphe 5 ", [2 "trois jours", visé au paragraphe 1er, doit être lu comme "huit jours",]2 " élus sur les listes qui ont participé aux élections " doit être lu comme " conseillers communaux ", " élu qui " doit être lu comme " conseiller communal qui " et " Après la prestation de serment des conseillers communaux " doit être lu comme " Après l'ouverture de la réunion " :
  1° si le président n'accepte pas le mandat ;
  2° si le président est déclaré déchu de son mandat de conseiller communal ;
  3° si le président est considéré comme empêché, [1 est révoqué ou suspendu,]1 a démissionné ou est décédé.
  Jusqu'à la nouvelle élection, la présidence est assurée conformément au troisième alinéa.
  Si le président est temporairement absent pour un motif autre que ceux visés à l'alinéa premier, ou s'il est partie intéressée à une affaire déterminée, conformément à l'article 27, il sera remplacé, sans préjudice de l'application de la condition de nationalité, visée au paragraphe 1er, alinéa premier, comme suit :
  1° si le président a délégué sa compétence par écrit à un conseiller communal, ce dernier assurera la présidence ;
  2° si le président n'a pas délégué sa compétence à un conseiller communal conformément à la disposition visée au premier point, le conseiller communal dont le rang est le plus élevé assurera la présidence. Si le conseiller en question ne peut pas remplacer le président, la présidence est assurée par un autre conseiller communal par ordre de rang.
  Le président qui est considéré comme empêché [1 , suspendu]1 ou temporairement absent est remplacé pour la durée de son empêchement [1 , sa suspension]1 ou son absence temporaire. Le conseil communal prend acte de l'empêchement [1 ou de la suspension,]1 ainsi que de la cessation de la période d'empêchement [1 ou de suspension]1. S'il ne s'agit pas d'un empêchement imposé par le décret, le président adresse sa demande de remplacement pour cause d'empêchement au conseil communal.
  § 6. L'empêchement, la démission, la déchéance et la renonciation au mandat de président du conseil de l'aide sociale impliquent de plein droit l'empêchement, la démission, la déchéance et la renonciation au mandat de président du conseil communal.
  
Art. 7/1. [1 § 1. De gemeenteraad kan een constructieve motie van wantrouwen aannemen tegen de voorzitter van de gemeenteraad.
   § 2. De constructieve motie van wantrouwen voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1А ze is ondertekend door de meerderheid van de raadsleden;
   2А ze is ondertekend door ten minste twee derde van de raadsleden van elke fractie die de motie ondersteunt. Als een fractie slechts uit twee verkozenen bestaat, volstaat de handtekening van een van hen;
   3А ze draagt voor de voorzitter van de gemeenteraad een kandidaat-opvolger voor;
   4А er is een ontvankelijke akte van voordracht bijgevoegd als vermeld in artikel 7, § 1 en § 2. Als een lijst in twee fracties is opgesplitst, wordt, in afwijking van artikel 7, de akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter ondertekend door de meerderheid van de gemeenteraadsleden die deel uitmaken van de fractie van de kandidaat-voorzitter. Als de fractie van de kandidaat-voorzitter slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   5А ze is uiterlijk acht dagen voor de gemeenteraadszitting aan de algemeen directeur bezorgd.
   Tot de eerstvolgende vernieuwing van de gemeenteraad wordt een fractie geacht hetzelfde aantal leden te behouden, zoals vastgelegd op de installatievergadering, voor wat betreft het gewicht van de fracties voor de berekening van de meerderheidsvereisten, vermeld in het eerste lid. Het aantal zetels per fractie kan enkel wijzigen ten gevolge van een opvolging tussen twee fracties die een gezamenlijke lijst vormden.
   De constructieve motie van wantrouwen kan niet bij spoedeisendheid in bespreking worden gebracht als vermeld in artikel 23.
   De constructieve motie van wantrouwen kan niet worden ingediend op de volgende momenten:
   1А in de periode van щщn jaar na de installatie van de gemeenteraad;
   2А in de periode van twaalf maanden voor de dag van de verkiezingen voor de volledige vernieuwing van de gemeenteraden;
   3А als er tegen de voorzitter een constructieve motie van wantrouwen is aangenomen, voor een termijn van щщn jaar vervallen is.
   De algemeen directeur bezorgt de constructieve motie van wantrouwen met de bijgevoegde akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter aan de voorzitter van de gemeenteraad. De voorzitter van de gemeenteraad agendeert de akte op de eerstvolgende vergadering.
   § 3. De gemeenteraad beoordeelt op de eerstvolgende vergadering na het indienen van de motie van wantrouwen bij stemming of de motie voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2. Als de gemeenteraad vaststelt dat niet aan de voorwaarden is voldaan, verklaart hij de motie zonder voorwerp. Als de motie ontvankelijk is verklaard, stemt de gemeenteraad over de aanname van de motie van wantrouwen.
   § 4. Als de gemeenteraad de constructieve motie van wantrouwen aanneemt, is de voorzitter ontslagen. De voorgedragen kandidaat-voorzitter wordt verkozen verklaard.]1

  
Art. 7/1. [1 § 1er. Le conseil communal peut adopter une motion de défiance constructive à l'encontre du président du conseil communal.
   § 2. La motion de défiance constructive répond à toutes les conditions suivantes :
   1° elle est signée par la majorité des conseillers ;
   2° elle est signée par au moins deux tiers des conseillers de chaque groupe soutenant la motion. Lorsqu'un groupe ne se compose que de deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   3° elle présente un candidat suppléant pour le président du conseil communal ;
   4° elle est accompagnée d'un acte de présentation recevable tel que visé à l'article 7, § 1er et § 2. Par dérogation à l'article 7, si une liste est divisée en deux groupes, l'acte de présentation du candidat président est signé par la majorité des conseillers communaux appartenant au groupe du candidat président. Si le groupe du candidat président ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   5° elle est remise au directeur général au plus tard huit jours avant la réunion du conseil communal.
   Jusqu'au prochain renouvellement du conseil communal, un groupe est supposé conserver le même nombre de membres, tel que fixé lors de la réunion d'installation, en ce qui concerne le poids des groupes pour le calcul des conditions de majorité, visées à l'alinéa 1er. Le nombre de sièges par groupe ne peut changer qu'à la suite d'une succession entre deux groupes ayant formé une liste commune.
   La motion de défiance constructive ne peut être discutée d'urgence, comme le prévoit l'article 23.
   La motion de défiance constructive ne peut être déposée aux moments suivants :
   1° dans la période d'un an suivant l'installation du conseil communal ;
   2° dans la période de douze mois précédant le jour des élections pour le renouvellement intégral des conseils communaux ;
   3° si une motion de défiance constructive a été adoptée à l'encontre du président, avant l'expiration d'un délai d'un an.
   Le directeur général transmet la motion de défiance constructive et l'acte de présentation annexé du candidat président au président du conseil communal. Le président du conseil communal inscrit l'acte à l'ordre du jour de la prochaine réunion.
   § 3. Lors de la prochaine réunion suivant le dépôt de la motion de défiance, le conseil communal évalue par vote si la motion remplit les conditions, visées au paragraphe 2. Si le conseil communal constate que toutes les conditions ne sont pas remplies, il déclare la motion sans objet. Si la motion est déclarée recevable, le conseil communal vote à propos de l'adoption de la motion de défiance.
   § 4. Si le conseil communal adopte la motion de défiance constructive, le président est licencié. Le candidat président présenté est déclaré élu.]1

  
Art. 8. Een verkozen gemeenteraadslid dat voor zijn installatie afstand wil doen van zijn mandaat, brengt de voorzitter van de gemeenteraad daarvan schriftelijk op de hoogte. De afstand wordt definitief zodra de gemeenteraad daarvan heeft kennisgenomen.
Art. 8. Un conseiller communal élu qui désire renoncer à son mandat avant son installation en fait part au président du conseil communal par écrit. La renonciation devient définitive dès que le conseil communal en a pris connaissance.
Art. 9. § 1. Het gemeenteraadslid dat tijdens zijn mandaat niet meer voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden, wordt door de gemeenteraad, nadat het raadslid is gehoord, vervallen verklaard tenzij het gemeenteraadslid onmiddellijk ontslag neemt overeenkomstig artikel 13.
  De voorzitter van de gemeenteraad brengt de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, alsook de betrokkene onmiddellijk op de hoogte van feiten die het verval van mandaat met zich kunnen meebrengen. Als de gemeenteraad niet optreedt binnen twee maanden nadat hij kennis heeft van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, treedt de Raad voor Verkiezingsbetwistingen in zijn plaats op, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een gemeenteraadslid of van het Openbaar Ministerie. De gemeenteraad wordt geacht kennis te hebben van de feiten die verval met zich kunnen meebrengen, hetzij vanaf de ontvangst van een bezwaar van een ander gemeenteraadslid of van het Openbaar Ministerie, hetzij vanaf de verzending van de kennisgeving door de voorzitter van de gemeenteraad aan de Raad voor Verkiezingsbetwistingen.
  § 2. De vervallenverklaring heeft pas gevolg vanaf de kennisgeving aan het gemeenteraadslid van de uitspraak van het verval door de gemeenteraad of de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. De vervallenverklaring tast de geldigheid van de eerdere beslissingen van de gemeenteraad niet aan.
  § 3. Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving, na de vervallenverklaring zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro.
Art. 9. § 1er. Le conseiller communal qui cesse de répondre aux conditions d'éligibilité pendant l'exercice de son mandat est déclaré déchu de son mandat par le conseil communal, après que le conseiller a été entendu, à moins que le conseiller communal démissionne immédiatement conformément à l'article 13.
  Le président du conseil communal informe immédiatement le Conseil des Contestations électorales et l'intéressé des faits susceptibles d'entraîner la déchéance de mandat. Si le conseil communal n'agit pas dans les deux mois après avoir pris connaissance des faits susceptibles d'entraîner la déchéance, le Conseil des Contestations électorales agit à sa place, soit d'office, soit à la demande d'un conseiller communal ou du ministère public. Le conseil communal est censé avoir pris connaissance des faits susceptibles d'entraîner la déchéance, soit dès la réception d'une réclamation d'un autre conseiller communal ou du ministère public, soit dès l'envoi de la notification par le président du conseil communal au Conseil des Contestations électorales.
  § 2. La déclaration de déchéance ne produit ses effets qu'après la notification au conseiller communal de la prononciation de déchéance par le conseil communal ou le Conseil des Contestations électorales. La déclaration de déchéance ne porte pas atteinte à la validité des décisions antérieures du conseil communal.
  § 3. Si, même en l'absence d'une notification quelconque, l'intéressé continue d'exercer son mandat après la déclaration de déchéance, bien qu'il ait pris connaissance de la cause de la déchéance, il est passible d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à cinq cents euros.
Art. 10. De volgende personen kunnen geen deel uitmaken van een gemeenteraad:
  1° de provinciegouverneurs, de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, de hoge ambtenaar die de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aanwijst overeenkomstig artikel 48, derde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 betreffende de Brusselse Instellingen en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, de provinciegriffiers, de arrondissementscommissarissen en de adjunct-arrondissementscommissarissen als de gemeente in kwestie deel uitmaakt van hun ambtsgebied;
  2° de magistraten, de plaatsvervangende magistraten en de griffiers bij de hoven en de rechtbanken, de administratieve rechtscolleges en het Grondwettelijk Hof;
  3° de leden van het operationeel, administratief of logistiek kader van de politiezone waar de gemeente toe behoort;
  4° de personeelsleden van de gemeente in kwestie of van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat die gemeente bedient of van de gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen van de gemeente;
  5° de leden van een districtsraad;
  6° de personen die in een lokale decentrale overheid van een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of een mandaat uitoefenen dat gelijkwaardig is aan dat van gemeenteraadslid, voorzitter van de gemeenteraad, schepen of burgemeester;
  7° de bloedverwanten tot en met de tweede graad, de aanverwanten in de eerste graad of de echtgenoten in de gemeenteraad van dezelfde gemeente.
  [1 8° de [2 directeur van een woonmaatschappij]2 tot wiens werkgebied de gemeente behoort;
   9° de leidend ambtenaar van een intergemeentelijk samenwerkingsverband waaraan de gemeente deelneemt.]1

  Als bloed- of aanverwanten in een graad als vermeld in het eerste lid, 7°, of twee echtgenoten worden verkozen bij dezelfde verkiezing, wordt de voorkeur bepaald door de grootte van de quotiënten op grond waarvan de zetels die kandidaten hebben verkregen aan hun lijst zijn toegekend.
  Als twee bloed- of aanverwanten in een verboden graad of twee echtgenoten worden verkozen, de ene tot raadslid, de andere tot opvolger, geldt het verbod om zitting te nemen alleen voor de opvolger, tenzij de plaats waarvoor hij in aanmerking komt, is opengevallen voor de verkiezing van zijn bloed- of aanverwant of echtgenoot. Tussen opvolgers die voor opengevallen plaatsen in aanmerking komen, wordt de voorrang allereerst bepaald volgens de tijdsorde van de vacatures.
  Voor de toepassing van dit artikel worden personen die een verklaring van wettelijke samenwoning als vermeld in artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek hebben afgelegd, met echtgenoten gelijkgesteld.
  Aanverwantschap die later tot stand komt tussen raadsleden, brengt geen verval van hun mandaat mee. Dat geldt niet bij een huwelijk tussen raadsleden en als er een verklaring van wettelijke samenwoning als vermeld in artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek, is afgelegd.
  De onverenigbaarheid wordt geacht op te houden door het overlijden van de persoon door wie ze tot stand is gekomen, door echtscheiding of door de beëindiging van het wettelijk samenlevingscontract.
  Overeenkomstig artikel 71 en 72 van de Nieuwe Gemeentewet is het eerste lid, 1° en 2°, ook van toepassing op de niet-Belgische onderdanen van de Europese Unie die in België verblijven voor de uitoefening in een andere lidstaat van de Europese Unie van ambten die gelijkwaardig zijn aan de ambten, vermeld in deze bepalingen.
  
Art. 10. Les personnes suivantes ne peuvent pas faire partie d'un conseil communal :
  1° les gouverneurs de province, le vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, le haut fonctionnaire nommé par le gouvernement de Bruxelles-Capitale conformément à l'article 48, troisième alinéa, de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux institutions bruxelloises et l'adjoint du gouverneur de la province du Brabant flamand, les greffiers provinciaux, les commissaires d'arrondissement et les commissaires d'arrondissement adjoints dans la mesure où la commune en question fait partie de leur circonscription administrative ;
  2° les magistrats, les magistrats suppléants et les greffiers auprès des cours et tribunaux, des juridictions administratives et de la Cour constitutionnelle ;
  3° les membres du cadre opérationnel, administratif ou logistique de la zone de police dont la commune fait partie ;
  4° les membres du personnel de la commune en question ou d'un centre public d'action sociale qui sert cette commune, ou des agences autonomisées externes communales de la commune ;
  5° les membres d'un conseil de district ;
  6° les personnes qui, dans une autorité décentralisée locale d'un autre Etat membre de l'Union européenne, exercent une fonction ou un mandat équivalents à celui de conseiller communal, de président du conseil communal, d'échevin ou de bourgmestre ;
  7° les parents jusqu'au deuxième degré inclus, les alliés au premier degré ou les conjoints dans le conseil communal d'une même commune.
  [1 [2 le directeur d'une société de logement]2 ayant la commune dans son ressort ;
   9° le fonctionnaire dirigeant d'un partenariat intercommunal auquel la commune participe.]1

  Si des parents ou alliés d'un degré tel que visé au premier alinéa, 7°, ou deux conjoints sont élus lors d'une même élection, la préférence est déterminée par l'importance des quotients sur la base desquels les sièges obtenus par lesdits candidats ont été attribués à leur liste.
  Si deux parents ou alliés d'un degré prohibé ou deux conjoints sont élus, l'un en qualité de conseiller, l'autre en qualité de suppléant, l'interdiction de siéger vaut uniquement pour le suppléant, sauf si le siège pour lequel il entre en ligne de compte est devenu vacant avant l'élection de son parent ou allié ou conjoint. Parmi les suppléants qui entrent en ligne de compte pour les sièges qui sont devenus vacants, la préférence est déterminée en premier lieu par ordre de date des vacances.
  Pour l'application du présent article, les personnes ayant fait une déclaration de cohabitation légale telle que visée à l'article 1475 du Code civil sont assimilées à des conjoints.
  Un lien d'alliance qui survient ultérieurement entre conseillers n'entraîne pas la déchéance de leur mandat. La disposition qui précède ne s'applique pas en cas de mariage entre conseillers et lorsqu'une déclaration de cohabitation légale, telle que visée à l'article 1475 du Code civil, a été faite.
  L'incompatibilité est supposée prendre fin à la suite du décès de la personne qui l'a créée, du divorce ou de la cessation du contrat de vie commune légal.
  Conformément aux articles 71 et 72 de la Nouvelle Loi communale, les dispositions du premier alinéa, 1° et 2°, s'appliquent également aux ressortissants non belges de l'Union européenne qui résident en Belgique pour l'exercice, dans un autre Etat membre de l'Union européenne, de fonctions équivalentes à celles visées dans les présentes dispositions.
  
Art. 11. Het verkozen gemeenteraadslid dat zich op het ogenblik van zijn installatie als gemeenteraadslid in een situatie bevindt die onverenigbaar is met het lidmaatschap van de gemeenteraad, kan de eed niet afleggen en wordt bijgevolg geacht afstand te doen van het mandaat dat aan hem toegekend is.
  Een gemeenteraadslid dat tijdens zijn mandaat in een met zijn mandaat onverenigbare situatie terechtkomt en dat binnen vijftien dagen na het tot hem gerichte verzoek van de voorzitter van de gemeenteraad geen einde maakt aan die situatie, wordt door de gemeenteraad vervallen verklaard van zijn mandaat, overeenkomstig artikel 9, § 1, tweede lid, § 2 en § 3, nadat het betrokken gemeenteraadslid is gehoord.
  Als de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving, na de vervallenverklaring zijn mandaat blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro.
Art. 11. Le conseiller communal élu qui, lors de son installation comme conseiller communal, se trouve dans une situation incompatible avec la qualité de conseiller communal, ne peut prêter serment et est par conséquent supposé renoncer au mandat qui lui a été accordé.
  Un conseiller communal qui, pendant son mandat, se retrouve dans une situation incompatible avec son mandat et qui, dans les quinze jours suivant la requête lui adressée par le président du conseil communal, ne met pas fin à cette situation, est déclaré déchu de son mandat par le conseil communal, conformément à l'article 9, § 1er, deuxième alinéa, §§ 2 et 3, après que le conseiller communal concerné a été entendu.
  Si, même en l'absence d'une notification quelconque, l'intéressé continue d'exercer son mandat après la déclaration de déchéance, bien qu'il ait pris connaissance de la cause de la déchéance, il est passible d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à cinq cents euros.
Art. 12. De gemeenteraad neemt akte van de verhindering van de volgende personen:
  1° het gemeenteraadslid dat om medische redenen, om studieredenen of wegens verblijf in het buitenland gedurende een minimale termijn van twaalf weken niet aanwezig kan zijn op de vergaderingen van de gemeenteraad en vervangen wil worden. Hij richt daarvoor een schriftelijk verzoek aan de voorzitter van de gemeenteraad. Bij het verzoek tot vervanging voor verhindering wegens medische redenen wordt een geneeskundig getuigschrift van maximaal vijftien dagen oud gevoegd, dat tevens de minimale termijn van afwezigheid om medische redenen aangeeft. Als het gemeenteraadslid dat om medische redenen afwezig blijft, niet in staat is om dat verzoek tot de voorzitter te richten, wordt hij van rechtswege als verhinderd beschouwd vanaf de derde opeenvolgende vergadering waarop hij afwezig is en zolang hij afwezig blijft. Bij het verzoek tot vervanging voor verhindering om studieredenen of verblijf in het buitenland wordt een attest van de onderwijsinstelling of opdrachtgever gevoegd;
  2° het gemeenteraadslid dat ouderschapsverlof wil nemen voor de geboorte of adoptie van een kind. Dat gemeenteraadslid wordt op zijn schriftelijke verzoek, gericht aan de voorzitter van de gemeenteraad, vervangen, op zijn vroegst vanaf de zesde week voor de vermoedelijke datum van de geboorte of van de adoptie, tot het einde van de negende week na de adoptie of geboorte. Op schriftelijk verzoek wordt de onderbreking van de uitoefening van het mandaat na de negende week verlengd met een duur die gelijk is aan de termijn waarin het raadslid zijn mandaat heeft uitgeoefend tijdens de periode van zes weken die aan de dag van de geboorte of de adoptie voorafgaat. Bij de geboorte of de adoptie van een meerling kan het verlof verlengd worden met een periode van maximaal twee weken op verzoek van het gemeenteraadslid;
  3° het gemeenteraadslid dat door palliatief verlof of verlof voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek familielid tot en met de tweede graad of van een zwaar ziek gezinslid gedurende minimaal twaalf weken niet aanwezig kan zijn op de vergaderingen van de gemeenteraad en vervangen wil worden. Hij richt daarvoor aan de voorzitter van de gemeenteraad een schriftelijk verzoek, waarbij een verklaring op erewoord gevoegd is waarin het raadslid zich bereid verklaart om bijstand of verzorging te verlenen. De naam van de patiënt hoeft niet te worden vermeld;
  4° het gemeenteraadslid dat lid is van de Europese Commissie als het gemeenteraadslid daar schriftelijk om verzoekt. In voorkomend geval geldt de verhindering zolang het gemeenteraadslid het mandaat als lid van de Europese Commissie uitoefent;
  5° het gemeenteraadslid dat geschorst is op grond van artikel 199 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.
Art. 12. Le conseil communal prend acte de l'empêchement des personnes suivantes :
  1° le conseiller communal qui, pour des raisons médicales, des raisons d'études ou en raison d'un séjour à l'étranger, ne peut être présent pendant un délai minimal de douze semaines aux réunions du conseil communal et qui souhaite être remplacé. Il adresse à cet effet une demande écrite au président du conseil communal. La demande de remplacement pour empêchement pour des raisons médicales doit comporter un certificat médical datant de maximum quinze jours, qui précise également le délai minimal de l'absence pour raisons médicales. Si le conseiller communal qui reste absent pour raisons médicales n'est pas capable d'adresser ladite demande au président, il est considéré comme empêché de plein droit dès la troisième réunion consécutive à laquelle il est absent et tant qu'il reste absent. La demande de remplacement pour empêchement pour des raisons d'études ou de séjour à l'étranger comporte une attestation de l'établissement d'enseignement ou du donneur d'ordre ;
  2° le conseiller communal qui souhaite prendre un congé parental à la suite de la naissance ou de l'adoption d'un enfant. Le conseiller communal précité est, à sa demande écrite adressée au président du conseil communal, remplacé au plus tôt à partir de la sixième semaine qui précède la date présumée de la naissance ou de l'adoption, jusqu'à la fin de la neuvième semaine suivant la naissance ou l'adoption. L'interruption de l'exercice du mandat est prorogée, à sa demande écrite, au-delà de la neuvième semaine, pour une période égale à celle durant laquelle le conseiller a exercé son mandat pendant la période de six semaines qui précède le jour de la naissance ou de l'adoption. En cas de naissance ou d'adoption multiples, le congé peut, sur demande d'un membre du conseiller communal, être prorogé pour une période de maximum deux semaines ;
  3° le conseiller communal qui souhaite s'absenter pendant douze semaines des réunions du conseil communal et se faire remplacer en raison d'un congé pour cause de soins palliatifs, d'un congé d'assistance médicale ou en vue de dispenser des soins à un membre de la famille jusqu'au deuxième degré inclus souffrant d'une maladie grave ou d'un membre du ménage souffrant d'une maladie grave. A cet effet, il adresse une demande écrite au président du conseil communal, assortie d'une déclaration sur l'honneur dans laquelle le membre du conseil se déclare disposé à dispenser une assistance ou des soins. Il n'est pas nécessaire de mentionner l'identité du patient ;
  4° le conseiller communal qui est membre de la Commission européenne, pour autant que le conseiller communal le demande explicitement. Le cas échéant, l'empêchement vaut tant que le conseiller communal exerce le mandat de membre de la Commission européenne ;
  5° le conseiller communal qui a été suspendu sur la base de l'article 199 du Décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011.
Art. 13. Het gemeenteraadslid dat ontslag wil nemen, deelt dat schriftelijk mee aan de voorzitter van de gemeenteraad. Het ontslag is definitief zodra de voorzitter van de gemeenteraad de kennisgeving ontvangt.
  Als het gemeenteraadslid zelf voorzitter van de gemeenteraad is, deelt hij zijn ontslag schriftelijk mee aan de persoon die hem vervangt met toepassing van artikel 7, § 5, tweede lid. Het ontslag is definitief zodra zijn vervanger de kennisgeving ontvangt.
  Het lid van de gemeenteraad blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger is geïnstalleerd, behalve als het ontslag het gevolg is van een onverenigbaarheid.
Art. 13. Le conseiller communal souhaitant démissionner notifie son intention par écrit au président du conseil communal. La démission est définitive dès réception de ladite notification par le président du conseil communal.
  Si le conseiller communal est lui-même président du conseil communal, il fait part de sa démission par écrit à la personne qui le remplacera en application de l'article 7, § 5, deuxième alinéa. La démission est définitive dès réception de ladite notification par son remplaçant.
  Le conseiller communal continue d'exercer son mandat jusqu'à l'installation de son suppléant, à moins que la démission ne soit la conséquence d'une incompatibilité.
Art. 14. Het gemeenteraadslid dat afstand doet van zijn mandaat, dat van zijn mandaat vervallen wordt verklaard, dat als verhinderd wordt beschouwd, dat ontslag genomen heeft, of dat overleden is, wordt vervangen door zijn opvolger, die wordt aangewezen overeenkomstig artikel 169 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.
  De geloofsbrieven worden onderzocht overeenkomstig artikel 6, § 3. De vervanger legt de eed af in openbare vergadering in de handen van de voorzitter van de gemeenteraad.
  Het gemeenteraadslid dat als verhinderd wordt beschouwd, wordt vervangen zolang de toestand van verhindering duurt. De gemeenteraad neemt akte van de beëindiging van de periode van verhindering.
Art. 14. Le conseiller communal qui renonce à son mandat, qui est déclaré déchu de son mandat, qui est considéré comme empêché, qui a démissionné ou qui est décédé, est remplacé par son suppléant, désigné conformément à l'article 169 du Décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011.
  L'examen des pouvoirs se fait conformément à l'article 6, § 3. Le remplaçant prête serment en séance publique entre les mains du président du conseil communal.
  Le conseiller communal qui est considéré comme empêché n'est remplacé que pour la durée de l'empêchement. Le conseil communal prend acte de la cessation de la période d'empêchement.
Art. 15. De verhindering, het ontslag, het verval en de afstand van het mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn houden van rechtswege de verhindering, het ontslag, het verval en de afstand van het mandaat van gemeenteraadslid in.
Art. 15. L'empêchement, la démission, la déchéance et la renonciation au mandat de membre du conseil de l'aide sociale implique de plein droit l'empêchement, la démission, la déchéance et la renonciation au mandat de conseiller communal.
Art. 16. Het gemeenteraadslid dat wegens een [1 handicap]1 niet zelfstandig zijn mandaat kan vervullen, kan zich voor de uitoefening van dat mandaat laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, gekozen uit personen die de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die legaal binnen de Europese Unie verblijven, op voorwaarde dat hij zich niet bevindt in een situatie als vermeld in artikel 10, met uitzondering van het verbod in verband met bloed- en aanverwantschap, vermeld in punt 7° van dat artikel, ten aanzien van het lid met een beperking, en een situatie als vermeld in artikel 12.
  De Vlaamse Regering bepaalt de criteria tot vaststelling van de hoedanigheid van een gemeenteraadslid met een [1 handicap]1 als vermeld in het eerste lid.
  Bij het verlenen van de bijstand krijgt de vertrouwenspersoon dezelfde middelen ter beschikking en heeft hij dezelfde verplichtingen als het gemeenteraadslid, maar hij is niet gehouden tot de eedaflegging. Hij heeft ook recht op presentiegeld onder dezelfde voorwaarden als het gemeenteraadslid.
  
Art. 16. Le conseiller communal qui, en raison d'un handicap, ne peut remplir son mandat de manière indépendante, peut se faire assister dans l'exercice de son mandat par une personne de confiance, choisie parmi les personnes ayant atteint l'âge entier de dix-huit ans et qui résident légalement à l'intérieur de l'Union européenne, à condition qu'elle ne se trouve pas dans une situation telle que visée à l'article 10, à l'exception de l'interdiction relative aux parents ou alliés, visée au point 7° dudit article, par rapport à un membre handicapé, et une situation telle que visée à l'article 12.
  Le Gouvernement flamand détermine les critères d'établissement de la qualité d'un conseiller communal souffrant d'un handicap, tel que visé au premier alinéa.
  Pour octroyer son aide, la personne de confiance reçoit les mêmes moyens et a les mêmes obligations que le conseiller communal, mais n'est pas tenue de prêter serment. Elle a également droit à un jeton de présence aux mêmes conditions que le conseiller communal.
Art. 17. § 1. De gemeenteraadsleden ontvangen een presentiegeld ten laste van de gemeente voor hun aanwezigheid op de vergaderingen van de gemeenteraad. De Vlaamse Regering stelt een lijst op van vergaderingen die voortvloeien uit de mandaatverplichtingen van de gemeenteraadsleden waarvoor de gemeenteraad bij reglement kan bepalen dat presentiegeld wordt verleend.
  De som van de vergoedingen, wedden en presentiegelden, die de gemeenteraadsleden ontvangen voor hun mandaat als raadslid en de som van de vergoedingen, wedden en presentiegelden die ze ontvangen als bezoldiging voor activiteiten die ze naast hun mandaat uitgeoefend hebben, is gelijk aan of lager dan anderhalve keer het bedrag van de vergoeding van de leden van het Vlaams Parlement. Voor de berekening van dat bedrag komen de vergoedingen, wedden en presentiegelden die de gemeenteraadsleden ontvangen in aanmerking als ze voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard.
  Als het plafond, vermeld in het tweede lid, wordt overschreden, wordt de som van de vergoedingen, wedden of presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard als vermeld in het tweede lid verminderd tot het passende bedrag.
  De vergoedingen, wedden en presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard zijn die, vermeld in artikel 154, § 1, derde lid.
  § 2. De gemeenteraad bepaalt het bedrag van de presentiegelden binnen de grenzen die vastgelegd zijn door de Vlaamse Regering. Daarbij kan rekening gehouden worden met het inwonersaantal van de gemeente.
  De gemeente vermindert de presentiegelden van het gemeenteraadslid dat andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen, vergoedingen of toelagen ontvangt, of de gemeente vult die vergoeding aan, met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies dat de betrokkene lijdt, op voorwaarde dat de mandataris daar zelf om verzoekt. De algemeen directeur stelt vast of aan de voormelde voorwaarden is voldaan.
  De som van de presentiegelden, aangevuld met het bedrag ter compensatie van het inkomensverlies, kan nooit hoger zijn dan de wedde van een schepen van een gemeente met 50.000 inwoners.
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de grenzen waarbinnen de gemeenteraad kan bepalen welke specifieke kosten die verband houden met de uitoefening van het mandaat van gemeenteraadslid, voorzitter van de gemeenteraad en fractie- of commissievoorzitter, kunnen worden terugbetaald.
  § 4. De gemeenteraad kan de eretitels toekennen aan de gemeenteraadsleden onder de voorwaarden die hij bepaalt.
  § 5. De gemeente sluit een verzekering af om de burgerlijke aansprakelijkheid, met inbegrip van de rechtsbijstand, te dekken die bij de normale uitoefening van hun mandaat persoonlijk ten laste komt van de gemeenteraadsleden.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van [1 het eerste lid]1.
  [1 De gemeente sluit naast de verzekering, vermeld in het eerste lid, de volgende verzekeringen af:
   1А een verzekering om de bestuurdersaansprakelijkheid te dekken die persoonlijk ten laste komt van gemeenteraadsleden bij de normale uitoefening van hun mandaat, als ze de gemeente vertegenwoordigen als lid van de raad van bestuur of als dagelijks bestuurder in een rechtspersoon indien die rechtspersoon geen bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten voor de vertegenwoordigende mandataris;
   2А een verzekering voor ongevallen die de gemeenteraadsleden overkomen in het kader van de normale uitoefening van hun mandaat.]1

  § 6. Behalve in geval van herhaling is de gemeente burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe een gemeenteraadslid wordt veroordeeld wegens een misdrijf, begaan bij de normale uitoefening van zijn ambt, met uitzondering van een persoonlijke inbreuk op de verkeersreglementering.
  De regresvordering van de gemeente ten aanzien van de veroordeelde gemeenteraadsleden is beperkt tot de gevallen van bedrog, zware schuld of lichte schuld die bij hen gewoonlijk voorkomen.
  
Art. 17. § 1er. Les conseillers communaux reçoivent, à charge de la commune, des jetons de présence pour leur présence aux réunions du conseil communal. Le Gouvernement flamand établit une liste des réunions découlant des obligations de la fonction des conseiller communal, pour lesquelles le conseil communal peut arrêter par règlement qu'un jeton de présence soit accordé.
  La somme des indemnités, traitements et jetons de présence perçus par les conseillers communaux pour leur mandat de conseiller et la somme des indemnités, traitements et jetons de présence perçus par eux en rétribution des activités exercées en dehors de leur mandat, est égale ou inférieure à une fois et demie le montant de l'indemnité des membres du Parlement flamand. Sont pris en considération pour le calcul de ce montant, les indemnités, traitements et jetons de présence perçus par les conseillers communaux, qui découlent de l'exercice d'un mandat public, d'une fonction publique ou d'une charge publique d'ordre politique.
  En cas de dépassement du plafond visé à l'alinéa deux, la somme des indemnités, traitements ou jetons de présence découlant de l'exercice d'un mandat public, d'une fonction publique ou d'une charge publique d'ordre politique, visés à l'alinéa deux, est réduite à due concurrence.
  Les indemnités, traitements ou jetons de présence découlant de l'exercice d'un mandat public, d'une fonction publique ou d'une charge publique d'ordre politique sont ceux visés à l'article 154, § 1er, troisième alinéa.
  § 2. Le conseil communal détermine le montant des jetons de présence dans les limites fixées par le Gouvernement flamand. A cet effet, il peut être tenu compte du nombre d'habitants de la commune.
  La commune diminue les jetons de présence du conseiller communal qui bénéficie d'autres traitements, pensions, indemnités ou allocations légaux ou réglementaires, ou la commune complète ladite indemnité par un montant compensant la perte de revenus subie par l'intéressé, à condition que le mandataire en fasse lui-même la demande. Le directeur général vérifie si les conditions requises ont été remplies.
  La somme des jetons de présence, majoré du montant compensant la perte de revenus, ne peut jamais excéder le traitement d'un échevin d'une commune de 50.000 habitants.
  § 3. Le Gouvernement flamand détermine les limites dans lesquelles le conseil communal peut établir les coûts spécifiques, relatifs à l'exercice du mandat de conseiller communal, président du conseil communal et président de groupe ou de commission, qui sont éligibles au remboursement.
  § 4. Le conseil communal peut accorder les titres honorifiques aux conseillers communaux, aux conditions qu'il détermine.
  § 5. La province souscrit une assurance visant à couvrir la responsabilité civile, y compris l'assistance en justice, qui incombe personnellement aux conseillers communaux lors de l'exercice normal de leur mandat.
  Le Gouvernement flamand détermine les modalités d'exécution [1 de l'alinéa 1er]1.
  [1 Outre l'assurance visée à l'alinéa 1er, la commune souscrit les assurances suivantes :
   1° une assurance couvrant la responsabilité des administrateurs supportée personnellement par les conseillers communaux dans l'exercice normal de leur mandat, s'ils représentent la commune en tant que membre du conseil d'administration ou en tant qu'administrateur chargé de la gestion journalière au sein d'une personne morale, si cette dernière n'a pas souscrit une assurance responsabilité des administrateurs pour le mandataire représentant ;
   2° une assurance pour les accidents qui peuvent survenir aux conseillers communaux lors de l'exercice normal de leur mandat]1
.
  § 6. Sauf en cas de récidive, la commune est civilement responsable pour le paiement des amendes auxquelles est condamné un conseiller communal pour un délit qu'il aurait commis lors de l'exercice normal de sa fonction, à l'exception des infractions personnelles à la réglementation sur la circulation routière.
  L'action récursoire de la commune à l'encontre des conseillers communaux condamnés se limite aux cas de fraude, de faute grave ou de faute légère qui revêtent un caractère habituel chez eux.
  
Afdeling 2. - De werking van de gemeenteraad
Section 2. - Fonctionnement du conseil communal
Art. 18. De gemeenteraad vergadert zo dikwijls als de zaken die tot zijn bevoegdheid behoren het vereisen en ten minste tienmaal per jaar.
Art. 18. Le conseil communal se réunit aussi souvent que les affaires comprises dans ses attributions l'exigent, et au moins dix fois par an.
Art. 19. De voorzitter van de gemeenteraad beslist tot bijeenroeping van de gemeenteraad en stelt de agenda van de vergadering op. De agenda bevat in ieder geval de punten die door het college van burgemeester en schepenen aan de voorzitter worden meegedeeld.
  De voorzitter is verplicht de gemeenteraad bijeen te roepen op verzoek van een derde van de zittinghebbende leden of van het college van burgemeester en schepenen.
  De voorzitter is ook verplicht de gemeenteraad bijeen te roepen op verzoek van een vijfde van de zittinghebbende leden als zes weken na de datum van de vorige gemeenteraad de gemeenteraadsleden nog niet bijeengeroepen zijn. De periode van zes weken wordt geschorst van 11 juli tot en met 15 augustus.
  Bij een verplichte bijeenroeping als vermeld in het tweede en het derde lid roept de voorzitter de gemeenteraad bijeen op de aangewezen dag en het aangewezen uur en met de voorgestelde agenda. Daarvoor bezorgen de gemeenteraadsleden en het college van burgemeester en schepenen voor elk punt op de agenda hun voorstel van beslissing met een toelichting aan de algemeen directeur, die de voorstellen bezorgt aan de voorzitter van de gemeenteraad.
Art. 19. Le président du conseil communal décide de convoquer le conseil communal et établit l'ordre du jour de la réunion. L'ordre du jour comporte en tout cas les points communiqués au président par le collège des bourgmestre et échevins.
  Le président est tenu de convoquer le conseil communal à la demande d'un tiers des membres siégeant ou du collège des bourgmestre et échevins.
  Le président est également tenu de convoquer le conseil communal à la demande d'un cinquième des membres siégeant lorsqu'aucune convocation n'a eu lieu dans les six semaines qui suivent la date du conseil communal précédent. La période de six semaines est suspendue du 11 juillet au 15 août inclus.
  Dans le cas d'une convocation obligatoire telle que visée aux alinéas deux et trois, le président convoque le conseil communal au jour et heure indiqués avec l'ordre du jour proposé. A cet effet, les conseillers communaux et le collège des bourgmestres et échevins transmettent, pour chaque point de l'ordre du jour précité, leur proposition motivée de décision au directeur général, qui transmet les propositions au président du conseil communal.
Art. 20. Behalve in spoedeisende gevallen [1 ...]1 wordt de oproeping ten minste acht dagen voor de dag van de vergadering aan het raadslid bezorgd.
  De oproeping vermeldt in elk geval de plaats, de dag, het tijdstip en de agenda van de vergadering en bevat een toegelicht voorstel van beslissing. De agendapunten moeten voldoende duidelijk omschreven zijn. Voor elk agendapunt wordt het dossier dat erop betrekking heeft, ter beschikking van de raadsleden gesteld vanaf de verzending van de agenda. Als een raadslid daarom verzoekt, wordt een dossier elektronisch ter beschikking gesteld.
  Het huishoudelijk reglement bepaalt de wijze waarop de oproeping van de raadsleden wordt verzonden en de wijze waarop het dossier dat op de agenda betrekking heeft, ter beschikking wordt gesteld. Het huishoudelijk reglement kan ook de gezamenlijke oproeping van de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn regelen. [1 De vergadering van de gemeenteraad vindt plaats in het gemeentehuis of op de fysieke plaats door de gemeenteraad bepaald. Het huishoudelijk reglement bepaalt of de gemeenteraad of de gemeenteraadscommissies, vermeld in artikel 37, digitaal of hybride kunnen vergaderen en de wijze waarop. De gemeenteraad kan enkel digitaal vergaderen onder de uitzonderlijke omstandigheden, vermeld in het huishoudelijk reglement. De gemeenteraad kan enkel hybride vergaderen onder de uitzonderlijke omstandigheden, vermeld in het huishoudelijk reglement. De Vlaamse Regering kan de minimale voorwaarden voor digitale en hybride vergaderingen bepalen.]1
  De algemeen directeur of de door hem aangewezen personeelsleden verstrekken aan de raadsleden die erom verzoeken, technische inlichtingen over stukken die in het dossier voorkomen. Het huishoudelijk reglement bepaalt de wijze waarop die inlichtingen worden verstrekt.
  
Art. 20. [1 ...]1 la convocation est envoyée au conseiller au moins huit jours avant le jour de la réunion.
  La convocation mentionne dans tous les cas le lieu, le jour, l'heure et l'ordre du jour de la réunion, et contient une proposition de décision motivée. Les points de l'ordre du jour doivent être définis avec suffisamment de clarté. Pour chaque point de l'ordre du jour, le dossier y afférent est mis à la disposition des conseillers communaux dès l'envoi de l'ordre du jour. Si un conseiller en fait la demande, un dossier est mis à la disposition des conseillers par voie électronique.
  Le règlement d'ordre intérieur fixe le mode d'envoi de la convocation aux conseillers communaux et le mode de mise à disposition du dossier relatif à l'ordre du jour. Le règlement d'ordre intérieur peut également fixer la convocation conjointe du conseil communal et du conseil de l'aide sociale. [1 La réunion du conseil communal a lieu à la maison communale ou à l'endroit physique déterminé par le conseil communal. Le règlement d'ordre intérieur détermine si et comment le conseil communal ou les commissions du conseil communal, visées à l'article 37, peuvent se réunir par voie numérique ou hybride. Le conseil communal ne peut se réunir par voie numérique que dans les circonstances exceptionnelles, visées au règlement d'ordre intérieur. Le conseil communal ne peut se réunir par voie hybride que dans les circonstances exceptionnelles, visées au règlement d'ordre intérieur. Le Gouvernement flamand peut arrêter les conditions minimales des réunions numériques et hybrides.]1
  Le directeur général ou les membres du personnel qu'il désigne fournissent aux conseillers communaux qui en font la demande des informations techniques relatives aux documents figurant au dossier. Le règlement d'ordre intérieur détermine les modalités selon lesquelles lesdites informations sont fournies.
  
Art. 21. Gemeenteraadsleden kunnen uiterlijk vijf dagen vóór de vergadering punten aan de agenda toevoegen. De gemeenteraadsleden bezorgen daarvoor hun toegelicht voorstel van beslissing aan de algemeen directeur, die de voorstellen bezorgt aan de voorzitter van de gemeenteraad.
  Een lid van het college van burgemeester en schepenen kan niet gebruikmaken van de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid.
  De algemeen directeur deelt de aanvullende agendapunten zoals vastgesteld door de voorzitter van de gemeenteraad onmiddellijk mee aan de gemeenteraadsleden, samen met de bijbehorende toegelichte voorstellen.
Art. 21. Les conseillers communaux peuvent ajouter des points à l'ordre du jour au plus tard cinq jours avant la réunion. A cet effet, les conseillers communaux transmettent leur proposition motivée de décision au directeur général, qui transmet les propositions au président du conseil communal.
  Un membre du collège des bourgmestre et échevins ne peut pas faire usage de la possibilité visée au premier alinéa.
  Le directeur général communique sans délai aux conseillers communaux les points complémentaires de l'ordre du jour, tels que fixés par le président du conseil communal, accompagnés des propositions motivées.
Art. 22. Behalve in spoedeisende gevallen worden de plaats, de dag, het tijdstip en de agenda van de vergaderingen van de gemeenteraad uiterlijk acht dagen voor de vergadering openbaar gemaakt, zodat het publiek ervan kan kennisnemen op elk moment. Het huishoudelijk reglement bepaalt de nadere regels voor de plaats en de wijze van openbaarmaking.
  Als agendapunten aan de agenda worden toegevoegd overeenkomstig artikel 21, wordt de aangepaste agenda uiterlijk 24 uur nadat hij is vastgesteld, openbaar gemaakt overeenkomstig het eerste lid. In spoedeisende gevallen wordt de agenda uiterlijk 24 uur nadat hij is vastgesteld, en uiterlijk vóór de aanvang van de vergadering openbaar gemaakt overeenkomstig het eerste lid.
Art. 22. Sauf en cas d'urgence, le lieu, le jour, l'heure et l'ordre du jour des réunions du conseil communal sont publiés au plus tard huit jours avant la réunion, de sorte que le public puisse en prendre connaissance à tout moment. Le règlement d'ordre intérieur détermine les modalités relatives au lieu et au mode de publication.
  Lorsque des points sont ajoutés à l'ordre du jour conformément à l'article 21, l'ordre du jour ainsi adapté est rendu public au plus tard 24 heures après sa fixation, conformément au premier alinéa. En cas d'urgence, l'ordre du jour est rendu public, conformément au premier alinéa, au plus tard 24 heures après sa fixation et au plus tard avant le début de la réunion.
Art. 23. Een punt dat niet op de agenda voorkomt, mag niet in bespreking worden gebracht, behalve in spoedeisende gevallen.
  Tot spoedbehandeling kan alleen worden besloten door ten minste twee derde van de aanwezige leden. De namen van die leden en de motivering van de spoedeisendheid worden in de notulen vermeld.
Art. 23. Un point ne figurant pas à l'ordre du jour ne peut être discuté, sauf dans les cas d'urgence.
  L'urgence ne peut être décidée que moyennant l'accord de deux tiers au moins des membres présents. Les noms des membres en question et le motif de l'urgence sont mentionnés dans le procès-verbal.
Art. 24. De voorzitter zit de vergaderingen van de gemeenteraad voor, en opent en sluit de vergaderingen.
Art. 24. Le président préside les réunions du conseil communal ; il ouvre et clôt les réunions.
Art. 25. De voorzitter is belast met de handhaving van de orde in de vergadering. Hij kan, na een voorafgaande waarschuwing, elke toehoorder die openlijk tekens van goedkeuring of van afkeuring geeft of die op enigerlei wijze wanorde veroorzaakt, uit de [1 vergadering]1 laten verwijderen.
  De voorzitter kan bovendien een proces-verbaal opmaken tegen die persoon en dat proces-verbaal bezorgen aan het openbaar ministerie met het oog op de eventuele vervolging van de betrokkene.
  
Art. 25. Le président est chargé du maintien de l'ordre lors de la réunion. Il peut, après en avoir donné l'avertissement, faire expulser de la [1 réunion]1 tout auditeur qui donnera des signes publics soit d'approbation, soit d'improbation, ou incite au tumulte de quelque manière que ce soit.
  En outre, le président peut dresser procès-verbal à charge de la personne en question et transmettre le procès-verbal au ministère public en vue d'éventuelles poursuites judiciaires à l'encontre de l'intéressé.
  
Art. 26. De gemeenteraad kan alleen beraadslagen of beslissen als de meerderheid van de zittinghebbende gemeenteraadsleden aanwezig is.
  In afwijking van het eerste lid, kan de gemeenteraad, als hij eenmaal bijeengeroepen is zonder dat het vereiste aantal leden aanwezig is, na een tweede oproeping, ongeacht het aantal aanwezige leden, op geldige wijze beraadslagen of beslissen over de onderwerpen die voor de tweede keer op de agenda voorkomen.
  In de oproeping, vermeld in het tweede lid, wordt vermeld dat het om een tweede oproeping gaat en worden de bepalingen van dit artikel overgenomen.
Art. 26. Le conseil communal ne peut délibérer ou prendre de décision que si la majorité des conseillers communaux en fonction est présente.
  Par dérogation au premier alinéa, le conseil communal peut toutefois, après avoir été convoqué une première fois sans que le quorum des membres requis ne soit présent, délibérer ou statuer valablement sur les points qui figurent la deuxième fois à l'ordre du jour, après une deuxième convocation, et ce quel que soit le nombre de membres présents.
  Il sera précisé dans ladite convocation qu'il s'agit d'une deuxième convocation. La deuxième convocation reprendra les dispositions du présent article.
Art. 27. § 1. Het is voor een gemeenteraadslid verboden deel te nemen aan de bespreking en de stemming over:
  1° aangelegenheden waarin hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als vertegenwoordiger, of waarbij de echtgenoot, of bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Dat verbod strekt niet verder dan de bloed- en aanverwanten tot en met de tweede graad als het gaat om de voordracht van kandidaten, benoemingen, ontslagen, afzettingen en schorsingen. Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een verklaring van wettelijke samenwoning als vermeld in artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek hebben afgelegd, met echtgenoten gelijkgesteld;
  2° de vaststelling of goedkeuring van het meerjarenplan, het budget en de jaarrekening van een instantie waaraan hij rekenschap verschuldigd is of van een instantie tot het uitvoerend orgaan waarvan hij behoort.
  Het eerste lid is niet van toepassing op het gemeenteraadslid dat zich in de omstandigheden, vermeld in het eerste lid, bevindt louter op grond van het feit dat hij als vertegenwoordiger van de gemeente is aangewezen in andere rechtspersonen.
  § 2. Het is voor een gemeenteraadslid verboden:
  1° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris tegen betaling te werken in geschillen ten behoeve van de gemeente. Dat verbod geldt ook voor de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met het gemeenteraadslid werken;
  2° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris ten behoeve van de tegenpartij van de gemeente of ten behoeve van een personeelslid van de gemeente te werken bij geschillen die betrekking hebben op beslissingen over de tewerkstelling binnen de gemeente. Dat verbod geldt ook voor de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met het gemeenteraadslid werken;
  3° rechtstreeks of onrechtstreeks een overeenkomst te sluiten, behalve in geval van een schenking aan de gemeente of een gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap, of deel te nemen aan een opdracht voor aanneming van werken, leveringen of diensten, verkoop of aankoop ten behoeve van de gemeente of een gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap, behalve als het gemeenteraadslid een beroep doet op een dienstverlening van de gemeente of van een gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap en ten gevolge daarvan een overeenkomst aangaat;
  4° op te treden als afgevaardigde of deskundige van een vakorganisatie in het bijzonder onderhandelingscomité of het hoog overlegcomité van de gemeente.
  § 3. Dit artikel is van toepassing op de vertrouwenspersoon, vermeld in artikel 16 en 155.
  § 4. Als een gemeenteraadslid zich in de situatie, vermeld in paragraaf 1, bevindt, moet dat punt op de vergadering behandeld worden, en kan de vergadering niet gesloten worden voor het punt in kwestie is behandeld of voor beslist is om het punt uit te stellen.
Art. 27. § 1er. Il est interdit à tout conseiller communal de participer à la délibération et au vote :
  1° sur des sujets auxquels il a un intérêt direct, soit personnellement, soit comme représentant, ou auxquels son conjoint, ses parents ou alliés jusqu'au quatrième degré inclus ont un intérêt personnel et direct. L'interdiction précitée ne s'étend pas au-delà des parents et alliés jusqu'au deuxième degré lorsqu'il s'agit de la présentation de candidats, de nominations, démissions, révocations et suspensions. Pour l'application de la présente disposition, les personnes ayant fait une déclaration de cohabitation légale telle que visée à l'article 1475 du Code civil sont assimilées à des conjoints ;
  2° sur l'établissement ou l'approbation du plan pluriannuel, du budget et des comptes annuels d'une instance à laquelle il doit rendre compte ou pour laquelle il fait partie de l'organe exécutif.
  Le premier alinéa ne s'applique pas au conseiller communal qui se trouve dans les circonstances visées au premier alinéa uniquement parce qu'il a été désigné représentant de la commune au sein d'autres personnes morales.
  § 2. Il est interdit à tout conseiller communal :
  1° d'intervenir directement ou indirectement comme avocat ou notaire contre rémunération dans les affaires litigieuses au profit de la commune. L'interdiction précitée s'applique également aux personnes qui travaillent avec le conseiller communal dans le cadre d'une association, d'un groupement, d'une collaboration ou à la même adresse de bureau ;
  2° d'intervenir directement ou indirectement comme avocat ou notaire dans des affaires litigieuses au profit de la partie adverse de la commune ou au profit d'un membre du personnel de la commune concernant des décisions relatives à l'emploi au sein de la commune. L'interdiction précitée s'applique également aux personnes qui travaillent avec le conseiller communal dans le cadre d'une association, d'un groupement, d'une collaboration ou à la même adresse de bureau ;
  3° de conclure directement ou indirectement une convention, sauf en cas d'une donation à la commune ou à une agence autonomisée externe communale, ou de participer à un marché public de travaux, fournitures ou services, à une vente ou un achat pour la commune ou pour une agence autonomisée externe communale, sauf dans les cas où le conseiller communal fait appel à un service offert par une commune ou par une agence autonomisée externe communale et conclut une convention suite au service offert ;
  4° d'intervenir comme délégué ou expert d'une organisation syndicale dans le comité de négociation particulier ou le comité de concertation supérieur de la commune.
  § 3. Le présent article s'applique également à la personne de confiance visée aux articles 16 et 155.
  § 4. Lorsqu'un conseiller communal se trouve dans la situation visée au § 1er, ce point doit être examiné en réunion, et la séance ne peut pas être levée avant que le point en question n'ait été traité ou qu'il ait été décidé de le reporter.
Art. 28. § 1. De vergaderingen van de gemeenteraad zijn openbaar, behalve als:
  1° het om aangelegenheden gaat die de persoonlijke levenssfeer raken. Zodra een dergelijk punt aan de orde is, beveelt de voorzitter de behandeling in besloten vergadering;
  2° de gemeenteraad met twee derde van de aanwezige leden en op gemotiveerde wijze beslist tot behandeling in besloten vergadering, in het belang van de openbare orde of op grond van ernstige bezwaren tegen de openbaarheid.
  De vergaderingen over de beleidsrapporten, vermeld in artikel 249, zijn in elk geval openbaar.
  § 2. De besloten vergadering kan alleen plaatsvinden na de openbare vergadering, uitgezonderd in tuchtzaken. Als tijdens de openbare vergadering blijkt dat de behandeling van een punt in besloten vergadering moet worden voortgezet, kan de openbare vergadering, alleen met dat doel, worden onderbroken. Als tijdens de besloten vergadering blijkt dat de behandeling van een punt in openbare vergadering moet worden behandeld, wordt dat punt opgenomen op de agenda van de eerstvolgende gemeenteraad. In geval van dringende noodzakelijkheid van het punt of in geval van de eedaflegging van een personeelslid kan de besloten vergadering, alleen met dat doel, worden onderbroken.
Art. 28. § 1er. Les réunions du conseil communal sont publiques, sauf :
  1° s'il s'agit de matières relatives à la vie privée. Dès qu'un tel point est à l'ordre du jour, le président ordonne qu'il soit traité à huis clos ;
  2° si le conseil communal décide, à la majorité des deux tiers des membres présents et de façon motivée, que la réunion ne sera pas publique dans l'intérêt de l'ordre public ou en raison de graves objections à la publicité.
  Les réunions concernant les rapports stratégiques visés à l'article 249 sont en tout cas publiques.
  § 2. La réunion à huis clos ne peut avoir lieu qu'après la réunion publique, sauf en matière disciplinaire. Lorsqu'il s'avère au cours de la réunion publique que le traitement d'un point doit être poursuivi à huis clos, la réunion publique peut être interrompue à cette seule fin. Lorsqu'il s'avère pendant la réunion à huis clos que l'examen d'un point doit se faire en séance publique, le point en question sera inscrit à l'ordre du jour du conseil communal suivant. Lorsque le point doit être traité d'urgence ou en cas de prestation de serment d'un membre du personnel, la réunion à huis clos peut être interrompue à cette seule fin.
Art. 29. § 1. De gemeenteraadsleden hebben het recht van inzage in alle dossiers, stukken en akten, ongeacht de drager, die het bestuur van de gemeente betreffen. De gemeenteraadsleden kunnen een afschrift verkrijgen van die dossiers, stukken en akten. De vergoeding die eventueel wordt gevraagd voor het afschrift, mag in geen geval meer bedragen dan de kostprijs [1 , onder voorbehoud van de toepassing van artikel 12, lid 5, en artikel 15, lid 3, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)]1.
  De briefwisseling gericht aan de voorzitter van de gemeenteraad en die bestemd is voor de gemeenteraad, wordt meegedeeld aan de gemeenteraadsleden.
  § 2. De gemeenteraadsleden mogen alle instellingen en diensten bezoeken die de gemeente opricht en beheert.
  § 3. De gemeenteraad bepaalt bij huishoudelijk reglement de voorwaarden voor het inzagerecht en het recht van afschrift, en de voorwaarden voor het bezoekrecht aan de instellingen en diensten die de gemeente opricht en beheert.
  § 4. De gemeenteraadsleden, alsook alle andere personen die krachtens de wet of het decreet de besloten vergaderingen van de gemeenteraad bijwonen, zijn tot geheimhouding verplicht.
  Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van de gemeenteraadsleden, alsook van alle andere personen als vermeld in het eerste lid wegens schending van het beroepsgeheim, overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
  § 5. Het inzagerecht en het bezoekrecht van de gemeenteraadsleden, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, geldt ook voor de autonome gemeentebedrijven van de gemeente.
  
Art. 29. § 1er. Les conseillers communaux ont le droit de consulter tous les dossiers, pièces et actes, quekque soit leur support, qui concernent l'administration de la commune. Les conseillers communaux peuvent obtenir une copie desdits dossiers, pièces et actes. L'indemnité qui est éventuellement demandée pour la copie en question ne peut en aucun cas être supérieure au prix coûtant [1 sans préjudice de l'application de l'article 12, alinéa 5, et de l'article 15, alinéa 3, du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données) ]1.
  Le courrier adressé au président du conseil communal et destiné au conseil communal est communiqué aux conseillers communaux.
  § 2. Les conseillers communaux peuvent visiter toutes les institutions et tous les services créés et gérés par la commune.
  § 3. Le conseil communal détermine dans un règlement d'ordre intérieur les modalités du droit de consultation et du droit de copie, ainsi que les conditions du droit de visite aux institutions et services créés et gérés par la commune.
  § 4. Les conseillers communaux, ainsi que toute autre personne assistant aux réunions à huit clos du conseil communal en vertu de la loi ou du décret, sont tenus au secret professionnel.
  Le présent article ne porte pas préjudice à la possibilité de poursuites pénales des conseillers communaux, ainsi que de toutes les autres personnes visées à l'alinéa premier, du chef de violation du secret, conformément à l'article 458 du Code pénal.
  § 5. Le droit de consultation et le droit de visite des conseillers communaux, visés aux paragraphes 1 à 3, s'appliquent également aux régies communales autonomes de la commune.
  
Art. 30. [1 De schepen die buiten de gemeenteraad is benoemd, is aanwezig op de vergaderingen van de gemeenteraad en beschikt in de gemeenteraad alleen over een raadgevende stem.]1
  
Art. 30. [1 L'échevin nommé en dehors du conseil communal est présent aux réunions du conseil communal et ne dispose que d'une voix consultative au sein du conseil communal.]1
  
Art. 31. De gemeenteraadsleden hebben het recht aan de burgemeester en aan het college van burgemeester en schepenen mondelinge en schriftelijke vragen te stellen.
  Voor het stellen van een vraag als vermeld in het eerste lid, is geen toegelicht voorstel van beslissing vereist.
Art. 31. Les conseillers communaux ont le droit de poser des questions orales et écrites au bourgmestre et au collège des bourgmestre et échevins.
  Pour les questions telles que visées au premier alinéa, une proposition de décision motivée n'est pas requise.
Art. 32. De notulen en het zittingsverslag van de vergadering van de gemeenteraad worden onder de verantwoordelijkheid van de algemeen directeur opgesteld overeenkomstig artikel 277 en 278.
  Behalve in spoedeisende gevallen worden de notulen en het zittingsverslag van de vorige vergadering ten minste acht dagen voor de dag van de vergadering ter beschikking gesteld van de gemeenteraadsleden. Het huishoudelijk reglement bepaalt de wijze waarop de notulen en het zittingsverslag ter beschikking worden gesteld. Als een gemeenteraadslid daarom verzoekt, worden de notulen en het zittingsverslag elektronisch ter beschikking gesteld.
  Elk gemeenteraadslid heeft het recht tijdens de vergadering opmerkingen te maken over de redactie van de notulen en het zittingsverslag van de vorige vergadering. Als die opmerkingen door de gemeenteraad worden aangenomen, worden de notulen en het zittingsverslag in die zin aangepast.
  Als er geen opmerkingen worden gemaakt over de notulen en het zittingsverslag van de vorige vergadering worden de notulen en het zittingsverslag als goedgekeurd beschouwd en worden ze ondertekend door de voorzitter van de gemeenteraad en de algemeen directeur. Als de gemeenteraad bij spoedeisendheid is samengeroepen, kan de gemeenteraad beslissen om opmerkingen toe te laten op de eerstvolgende vergadering.
  Telkens als de gemeenteraad het wenselijk acht, worden de notulen staande de vergadering opgemaakt en door de meerderheid van de gemeenteraadsleden en de algemeen directeur ondertekend.
Art. 32. Le procès-verbal et le rapport de séance de la réunion du conseil communal sont rédigés sous la responsabilité du directeur général conformément aux articles 277 et 278.
  Sauf en cas d'urgence, le procès-verbal de la réunion précédente est mis à la disposition des conseillers communaux au moins huit jours avant la date de la réunion. Le règlement d'ordre intérieur prévoit les modalités de mise à disposition du procès-verbal et du rapport de séance. Si un conseiller communal en fait la demande, le procès-verbal et le rapport de séance sont mis à disposition par voie électronique.
  Chaque conseiller communal a le droit de faire des remarques pendant la réunion sur la rédaction du procès-verbal et du rapport de séance de la réunion précédente. Si les remarques en question sont adoptées par le conseil communal, le procès-verbal et le rapport de séance sont adaptés dans ce sens.
  Si aucune remarque n'est formulée par rapport au procès-verbal et au rapport de séance de la réunion précédente, ceux-ci sont considérés comme approuvés et sont signés par le président du conseil communal et le directeur général. Si le conseil communal a été convoqué d'urgence, le conseil communal peut décider d'admettre des remarques lors de la première réunion suivante.
  Chaque fois que le conseil communal l'estime souhaitable, le procès-verbal est rédigé séance tenante et signé par la majorité des conseillers communaux ainsi que par le directeur général.
Art. 33. De besluiten worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.
  In het eerste lid wordt verstaan onder volstrekte meerderheid van stemmen: meer dan de helft van de uitgebrachte stemmen, onthoudingen niet meegerekend.
  Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
Art. 33. Les décisions sont prises à la majorité absolue des voix.
  Au premier alinéa, il convient d'entendre par majorité absolue des voix : plus que la moitié des voix exprimées, les abstentions n'étant pas prises en compte.
  En cas de partage des voix, la proposition est rejetée.
Art. 34. De stemmingen in de gemeenteraad zijn niet geheim.
  In afwijking van het eerste lid wordt over de volgende aangelegenheden geheim gestemd:
  1° de vervallenverklaring van het mandaat van gemeenteraadslid en van schepen;
  2° de aanwijzing van de leden van de gemeentelijke bestuursorganen en van de vertegenwoordigers van de gemeente in overlegorganen en in de organen van andere rechtspersonen en feitelijke verenigingen;
  3° de beëindiging van een mandaat als vermeld in punt 2° ;
  4° individuele personeelszaken.
  Onder voorbehoud van het tweede lid stemmen de leden van de gemeenteraad mondeling. Het huishoudelijk reglement kan een regeling invoeren die gelijkwaardig is aan een mondelinge stemming. Ongeacht de bepalingen van het huishoudelijk reglement wordt er mondeling gestemd telkens als een derde van de aanwezige leden daarom verzoekt.
  De voorzitter stemt als laatste, behalve bij geheime stemming.
Art. 34. Les votes au conseil communal ne sont pas secrets.
  Par dérogation au premier alinéa, font l'objet d'un scrutin secret :
  1° la déclaration de déchéance du mandat de conseiller communal et d'échevin ;
  2° la désignation des membres des organes de direction communaux et des représentants de la commune au sein des organes de concertation et des organes d'autres personnes morales et associations de fait ;
  3° la cessation d'un mandat tel que visé au point 2° ;
  4° les affaires individuelles en matière de personnel.
  Sous réserve de l'application des dispositions du deuxième alinéa, les conseillers communaux votent à haute voix. Le règlement d'ordre intérieur peut introduire un mode de scrutin équivalent au vote à haute voix. Quelles que soient les dispositions du règlement d'ordre intérieur, le vote a lieu à haute voix chaque fois qu'un tiers des membres présents le demande.
  Le président vote en dernier lieu, sauf en cas de scrutin secret.
Art. 35. Voor elke benoeming in ambten, elke contractuele aanstelling, elke verkiezing en elke voordracht van kandidaten wordt een afzonderlijke stemming gehouden.
  Als bij de benoeming, de contractuele aanstelling, de verkiezing of de voordracht van kandidaten de vereiste meerderheid niet wordt verkregen bij de eerste stemming, wordt opnieuw gestemd over de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald.
  Als bij de eerste stemming sommige kandidaten een gelijk aantal stemmen behaald hebben, wordt de jongste kandidaat tot de herstemming toegelaten.
  Bij staking van stemmen heeft de jongste kandidaat de voorkeur.
Art. 35. Pour chaque nomination à des fonctions, chaque désignation contractuelle, chaque élection et chaque présentation de candidats, il sera procédé à un vote distinct.
  Lorsque la majorité requise n'est pas obtenue à l'issue du premier vote lors de la nomination, de la désignation contractuelle, de l'élection ou de la présentation de candidats, il sera à nouveau voté sur les deux candidats ayant obtenu le plus de voix.
  Lorsque, lors du premier vote, certains candidats ont obtenu un nombre égal de voix, le candidat le plus jeune est admis au nouveau vote.
  En cas de partage des voix, le candidat le plus jeune a la préférence.
Art. 36. § 1. Een of meer gemeenteraadsleden die op dezelfde lijst verkozen zijn, vormen een fractie.
  § 2. [1 In afwijking van paragraaf 1 kunnen de kandidaat-gemeenteraadsleden die op dezelfde lijst zijn verkozen twee fracties vormen, mits aan de bepalingen van artikel 71, [2 vijfde]2 lid, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 is voldaan.
   De vermelding inzake fractievorming op de voordrachtsakte, vermeld in artikel 71, [2 vijfde]2 lid, van het voormelde decreet, en de door de kandidaat- gemeenteraadsleden gemaakte keuze zijn niet herroepbaar.]1

  § 3. [1 ...]1
  § 4. [1 ...]1
  § 5. Het huishoudelijk reglement legt de nadere regels vast voor de samenstelling en de werking van de fracties, alsook, binnen de grenzen die de Vlaamse Regering bepaalt, voor de financiering ervan.
  
Art. 36. § 1er. Un ou plusieurs conseillers communaux qui sont élus sur la même liste constituent un groupe.
  § 2. [1 Par dérogation au paragraphe 1er, les candidats conseillers communaux élus sur la même liste peuvent constituer deux groupes, pour autant qu'il soit satisfait aux dispositions de l'article 71, alinéa [2 5]2, du décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011.
   La mention relative à la formation de groupe sur l'acte de présentation, visée à l'article 71, alinéa [2 5]2, du décret précité, et le choix opéré par les candidats conseillers communaux ne peuvent être révoqués.]1

  § 3. [1 ...]1
  § 4. [1 ...]1
  § 5. Le règlement d'ordre intérieur fixe les modalités en rapport avec la composition et le fonctionnement des groupes ainsi que, dans les limites fixées par le Gouvernement flamand, en rapport avec leur financement.
  
Art. 37. § 1. De gemeenteraad kan commissies oprichten die zijn samengesteld uit gemeenteraadsleden. De commissies hebben als taak de besprekingen in de gemeenteraadszittingen voor te bereiden, advies te verlenen en voorstellen te formuleren over de wijze waarop vorm wordt gegeven aan de inspraak van de bevolking telkens als dat voor de beleidsvoering wenselijk wordt geacht. De commissies kunnen altijd deskundigen en belanghebbenden horen.
  § 2. Artikel 28 en 34 zijn van overeenkomstige toepassing op de vergaderingen en de stemmingen in de commissies.
  § 3. De mandaten in iedere commissie worden evenredig verdeeld over de fracties waaruit de gemeenteraad is samengesteld. De gemeenteraad bepaalt per gemeenteraadscommissie het aantal leden, alsook de wijze waarop de evenredigheid wordt berekend. Die berekeningswijze geldt voor alle commissies die de gemeenteraad opricht. De evenredigheid vereist in ieder geval dat de som van het aantal mandaten dat toekomt aan de fracties waarvan leden deel uitmaken van het college van burgemeester en schepenen, altijd hoger is dan de som van het aantal mandaten dat toekomt aan de andere fracties. Elke fractie wijst de mandaten toe, die haar overeenkomstig de voormelde berekeningswijze toekomen, met een voordracht, gericht aan de voorzitter van de gemeenteraad. Als de voorzitter van de gemeenteraad voordrachten ontvangt voor meer kandidaten dan er mandaten te begeven zijn voor een fractie, worden de mandaten toegewezen in de volgorde waarin de kandidaten vermeld staan op de akte van voordracht.
  Tot de eerstvolgende volledige vernieuwing van de gemeenteraad wordt een fractie geacht hetzelfde aantal leden in de commissies te behouden. Als een lid uitdrukkelijk aan de gemeenteraad heeft meegedeeld dat het niet meer wil behoren tot zijn fractie, vermeld in artikel 36, kan dat lid niet meer zetelen, noch als lid van deze fractie, noch als lid van een andere fractie. Niettemin behouden die fracties het oorspronkelijke aantal leden in de commissie.
  [1 In afwijking van het tweede lid worden de commissies opnieuw samengesteld na de aanname van een collectieve of een individuele constructieve motie van wantrouwen als door de aanname van de collectieve of een individuele constructieve motie van wantrouwen het aantal mandaten dat toekomt aan de fracties waarvan leden deel uitmaken van het college van burgemeester en schepenen niet hoger is dan de som van het aantal mandaten dat toekomt aan de andere fracties.]1
  Om ontvankelijk te zijn moet de akte van voordracht voor elk van de kandidaat-commissieleden ten minste ondertekend zijn door een meerderheid van de leden van de fractie waarvan het kandidaat-commissielid deel uitmaakt. Als de fractie van het kandidaat-commissielid maar uit twee verkozenen bestaat, volstaat de handtekening van een van hen. Niemand kan meer dan één akte ondertekenen per beschikbaar mandaat voor de fractie.
  Als ten gevolge van de toepassing van de evenredige vertegenwoordiging, vermeld in het eerste lid, een fractie niet vertegenwoordigd is in een commissie, kan de fractie een raadslid aanwijzen dat als lid met raadgevende stem in de commissie zetelt.
  § 4. De burgemeester of schepenen kunnen geen voorzitter zijn van een gemeenteraadscommissie.
  § 5. Het huishoudelijk reglement bepaalt de nadere regels voor de samenstelling en de werkwijze van de commissie, alsook voor de toekenning van presentiegelden, met dien verstande dat de leden met raadgevende stem, vermeld in paragraaf 3, vierde lid, hetzelfde presentiegeld krijgen als de andere leden.
  Als een lid met raadgevende stem lid is van verschillende commissies, kan het bedrag van de toegekende presentiegelden jaarlijks nooit hoger zijn dan het hoogste presentiegeld dat jaarlijks theoretisch toegekend kan worden aan een vast lid. Voor de berekening van dat maximumbedrag wordt rekening gehouden met het aantal commissievergaderingen die voor een vast lid recht geven op presentiegeld.
  
Art. 37. § 1er. Le conseil communal peut créer des commissions composées de conseillers communaux. Les commissions ont pour tâche de préparer les discussions des réunions du conseil communal, de rendre des avis et de formuler des propositions concernant la façon dont la participation de la population est concrétisée chaque fois que cela est jugé souhaitable pour la définition de la politique. Les commissions peuvent toujours entendre des experts et des intéressés.
  § 2. Les articles 28 et 34 s'appliquent par analogie aux réunions et aux votes des commissions.
  § 3. Les mandats au sein de chaque commission sont répartis proportionnellement entre les groupes qui composent le conseil communal. Le conseil communal fixe le nombre de membres par commission du conseil communal, ainsi que le mode de calcul de la proportionnalité. Le mode de calcul précité s'applique à toutes les commissions créées par le conseil communal. La proportionnalité exige en tout état de cause que la somme du nombre de mandats qui reviennent aux groupes dont les membres font partie du collège des bourgmestre et échevins soit toujours supérieure à la somme du nombre de mandats qui reviennent aux autres groupes. Chaque groupe attribue les mandats qui lui reviennent conformément au mode de calcul précité, par le biais d'une présentation adressée au président du conseil communal. Si le président du conseil communal reçoit des présentations pour plus de candidats qu'il y a de mandats à attribuer à un groupe, les mandats sont attribués dans l'ordre de rang des candidats tel qu'il apparaît dans l'acte de présentation.
  Jusqu'au prochain renouvellement intégral du conseil communal, un groupe est supposé conserver le même nombre de membres au sein des commissions. Si un membre a expressément communiqué au conseil communal qu'il ne souhaite plus appartenir à son groupe tel que visé à l'article 36, il ne peut plus siéger, ni en tant que membre de ce groupe, ni en tant que membre d'un autre groupe. Les groupes en question conservent néanmoins le nombre original de membres au sein de la commission.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 2, les commissions sont à nouveau constituées à la suite de l'adoption d'une motion de défiance constructive collective ou individuelle si, à la suite de l'adoption de la motion de défiance constructive collective ou individuelle, le nombre de mandats revenant aux groupes dont les membres appartiennent au collège des bourgmestre et échevins ne dépasse pas la somme du nombre de mandats revenant aux autres groupes.]1
  Pour être recevable, l'acte de présentation pour chaque candidat-membre de la commission doit être signé au moins par la majorité des membres du groupe dont fait partie le candidat-membre de la commission. Si le groupe du candidat-membre de la commission ne comporte que deux élus, la signature de l'un d'eux suffit. Personne ne peut signer plus d'un acte par mandat disponible pour le groupe.
  Si, en application de la représentation proportionnelle conformément à l'alinéa premier, un groupe n'est pas représenté au sein d'une commission, le groupe peut désigner un conseiller qui siégera au sein de la commission avec voix consultative.
  § 4. Le bourgmestre ou les échevins ne peuvent pas présider une commission du conseil communal.
  § 5. Le règlement d'ordre intérieur détermine les modalités relatives à la composition et au fonctionnement de la commission, ainsi qu'à l'octroi de jetons de présence, étant entendu que les membres ayant voix consultative visés au paragraphe 3, quatrième alinéa, bénéficient des mêmes jetons de présence que les autres membres.
  Lorsqu'un membre ayant voix consultative est membre de différentes commissions, le nombre de jetons de présence octroyé annuellement ne peut jamais être supérieur au jeton de présence le plus élevé qui peut être octroyé annuellement à un membre effectif. Le calcul du montant maximum tient compte du nombre de réunions de la commission donnant droit à un jeton de présence pour un membre effectif.
  
Art. 38. De gemeenteraad stelt bij de aanvang van de zittingsperiode een huishoudelijk reglement vast waarin aanvullende maatregelen worden opgenomen voor de werking van de raad en waarin minstens bepalingen worden opgenomen over:
  1° de vergaderingen waarvoor presentiegeld wordt verleend, het bedrag van het presentiegeld en de nadere regels voor de eventuele terugbetaling van specifieke kosten die verband houden met de uitoefening van het mandaat van gemeenteraadslid of lid van het college van burgemeester en schepenen;
  2° de wijze van verzending van de oproeping en de terbeschikkingstelling van het dossier aan de gemeenteraadsleden, alsook de wijze waarop de algemeen directeur of de door hem aangewezen personeelsleden, aan de raadsleden die erom verzoeken, technische inlichtingen verstrekken over die stukken;
  3° de wijze waarop de plaats, de dag, het tijdstip en de agenda van de vergaderingen van de gemeenteraad openbaar worden gemaakt;
  4° de voorwaarden voor het inzagerecht en het recht van afschrift voor gemeenteraadsleden en de voorwaarden voor het bezoekrecht aan de instellingen en diensten die de gemeente opricht en beheert;
  5° de voorwaarden waaronder de gemeenteraadsleden hun recht uitoefenen om aan de burgemeester en aan het college van burgemeester en schepenen mondelinge en schriftelijke vragen te stellen;
  6° de wijze van notulering en de wijze waarop de notulen en het zittingsverslag van de vorige vergadering ter beschikking worden gesteld van de gemeenteraadsleden;
  7° de nadere regels voor de samenstelling en de werking van de commissies en de fracties;
  8° de wijze waarop en de persoon door wie de stukken van de gemeente, vermeld in artikel 279, worden ondertekend;
  9° [2 ...]2;
  10° de wijze van het ter kennis brengen van de beslissingen, vermeld in artikel 50, vijfde lid.
  [1 11° de keuze om digitaal of hybride te vergaderen en de wijze waarop;
   12° de uitzonderlijke omstandigheden waaronder de gemeenteraad digitaal kan vergaderen, als het huishoudelijk reglement de mogelijkheid van digitaal vergaderen opneemt;
   13° de uitzonderlijke omstandigheden waaronder de gemeenteraad hybride kan vergaderen, als het huishoudelijk reglement de mogelijkheid van hybride vergaderen opneemt.]1

  De gemeenteraad kan het huishoudelijk reglement op elk moment wijzigen.
  
Art. 38. Au début de la législature, le conseil communal établit un règlement d'ordre intérieur dans lequel figurent des mesures complémentaires relatives au fonctionnement du conseil et dans lequel figurent au moins des dispositions concernant :
  1° les réunions pour lesquelles un jeton de présence est accordé, le montant du jeton de présence et les modalités du remboursement éventuel de frais spécifiques relatifs à l'exercice du mandat de conseiller communal ou de membre du collège des bourgmestre et échevins ;
  2° le mode d'envoi de la convocation et de la mise à disposition du dossier aux conseillers communaux, ainsi que la façon dont le directeur général, ou les membres du personnel désignés par lui, fourniront des informations techniques relatives à ces pièces aux conseillers qui le demandent ;
  3° la manière dont les lieu, jour, heure et ordre du jour des réunions du conseil communal sont rendus publics ;
  4° les conditions du droit de consultation et du droit de copie pour les conseillers communaux, et les conditions du droit de visite aux institutions et services créés et gérés par la commune ;
  5° les conditions auxquelles les conseillers communaux exercent leur droit de poser des questions orales et écrites au bourgmestre et au collège des bourgmestre et échevins ;
  6° la manière de rédiger les procès-verbaux et la manière dont le procès-verbal et le rapport de séance de la réunion précédente sont mis à la disposition des conseillers communaux ;
  7° les modalités relatives à la composition et au fonctionnement des commissions et des groupes ;
  8° les modalités selon lesquelles et la personne par qui sont signées les pièces visées à l'article 279 ;
  9° [2 ...]2 ;
  10° le mode de notification des décisions visées à l'article 50, alinéa 5.
  [1 11° le choix et les modalités de se réunir par voie numérique ou hybride ;
   12° les circonstances exceptionnelles dans lesquelles le conseil communal peut se réunir par voie numérique, si le règlement d'ordre intérieur inclut la possibilité de réunions numériques ;
   13° les circonstances exceptionnelles dans lesquelles le conseil communal peut se réunir par voie hybride, si le règlement d'ordre intérieur inclut la possibilité de réunions hybrides.]1

  Le conseil communal peut modifier le règlement d'ordre intérieur à tout moment.
  
Art. 39. De gemeenteraad neemt een deontologische code aan [1 en richt een deontologische commissie op. De deontologische code regelt ook de samenstelling, werking en bevoegdheid van de deontologische commissie. De deontologische commissie bestaat minstens uit één vertegenwoordiger per fractie in de gemeenteraad]1.
  
Art. 39. Le conseil communal adopte un code de déontologie [1 et créé une commission de déontologie. Le code de déontologie régit également la composition, le fonctionnement et la compétence de la commission de déontologie. La commission de déontologie comporte au moins un représentant par groupe politique dans le conseil communal.]1.
  
Afdeling 3. - De bevoegdheden van de gemeenteraad
Section 3. - Les compétences du conseil communal
Art. 40. § 1. Onder voorbehoud van andere wettelijke of decretale bepalingen, beschikt de gemeenteraad over de volheid van bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheden, vermeld in artikel 2 [1 , § 1 en § 2]1.
  § 2. De gemeenteraad bepaalt het beleid van de gemeente en kan daarvoor algemene regels vaststellen.
  § 3. De gemeenteraad stelt de gemeentelijke reglementen vast. Met behoud van de toepassing van de federale wetgeving in verband met de bevoegdheid van de gemeenteraad om politieverordeningen vast te stellen, kunnen de reglementen onder meer betrekking hebben op het gemeentelijk beleid, de gemeentelijke belastingen en retributies, en op het inwendige bestuur van de gemeente.
  Een afschrift van elk reglement waarin een strafbepaling of een administratieve sanctie wordt opgenomen, wordt dadelijk verzonden aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en aan die van de politierechtbank.
  
Art. 40. § 1er. Sous réserve de l'application d'autres dispositions légales ou décrétales, le conseil communal dispose de la plénitude des compétences à l'égard des matières précisées à l'article 2 [1 , § 1er et § 2]1.
  § 2. Le conseil communal détermine la politique de la commune et peut fixer des règles générales à cette fin.
  § 3. Le conseil communal établit les règlements communaux. Sans préjudice de la législation fédérale relative à la compétence du conseil communal de fixer les ordonnances de police, les règlements peuvent entre autres concerner la politique communale, les taxes et rétributions communales et l'administration interne de la commune.
  Une copie de chaque règlement contenant une disposition pénale ou une sanction administrative est envoyée immédiatement au greffe du tribunal de première instance et à celui du tribunal de police.
  
Art. 41. Behalve bij de uitdrukkelijke toewijzing van een bevoegdheid als vermeld in artikel 2, § 2, tweede lid, aan de gemeenteraad kan de gemeenteraad bij reglement bepaalde bevoegdheden toevertrouwen aan het college van burgemeester en schepenen.
  De volgende bevoegdheden kunnen niet aan het college van burgemeester en schepenen worden toevertrouwd:
  1° de aan de gemeenteraad toegewezen bevoegdheden, vermeld in afdeling 1 en 2 van dit hoofdstuk;
  2° het vaststellen van andere gemeentelijke reglementen dan die over personeelsaangelegenheden, en het bepalen van straffen en administratieve sancties bij de overtreding van die reglementen;
  3° het vaststellen van de beleidsrapporten van de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vermeld in artikel 249;
  4° het oprichten van en het toetreden tot rechtspersonen en het beslissen tot oprichting van, deelname aan of vertegenwoordiging in agentschappen, instellingen, verenigingen en ondernemingen;
  5° het goedkeuren van beheersovereenkomsten en samenwerkingsovereenkomsten als vermeld in artikel 196, 234 en 247;
  6° het aanstellen en ontslaan van de algemeen directeur, de adjunct-algemeen directeur, de financieel directeur en de ombudsman, alsook de sanctie- en tuchtbevoegdheid ten aanzien van die personeelsleden;
  7° het goedkeuren van het algemene kader van het organisatiebeheersingssysteem, vermeld in artikel 219;
  8° het vaststellen van wat onder het begrip `dagelijks bestuur' moet worden verstaan;
  9° beslissingen die een wet, een decreet of een uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk aan de gemeenteraad voorbehoudt;
  10° het vaststellen van de plaatsingsprocedure en het vaststellen van de voorwaarden van overheidsopdrachten, tenzij:
  a) de opdracht past binnen het begrip `dagelijks bestuur', vermeld in punt 8°, waarvoor het college van burgemeester en schepenen bevoegd is;
  b) de raad de plaatsingsprocedure en het vaststellen van de voorwaarden voor die overheidsopdracht nominatief aan het college van burgemeester en schepenen heeft toevertrouwd;
  11° de daden van beschikking over onroerende goederen, behalve die, vermeld in artikel 56, § 3, 8°, b);
  12° het definitief aanvaarden van schenkingen en het aanvaarden van legaten;
  13° het inrichten van adviesraden en overlegstructuren;
  14° [1 het vaststellen van de gemeentebelastingen en het vaststellen van de machtiging tot het heffen van de retributies en de voorwaarden ervan, inclusief verminderingen en vrijstellingen;]1;
  15° het vaststellen van een systeem van klachtenbehandeling;
  16° het nemen van beslissingen als vermeld in artikel 297 en 298;
  17° het aangaan van andere dadingen dan dadingen met personeelsleden naar aanleiding van een beëindiging van het dienstverband, die de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband als voorwerp hebben;
  18° de bevoegdheden van de gemeenteraad, vermeld in artikel 263, 265, 266, 267, 269 en 304, § 6;
  19° het vaststellen van de wijze van het ter kennis brengen van de beslissingen, vermeld in artikel 50;
  20° het aanstellen en ontslaan van de leden van de raad van bestuur van een autonoom gemeentebedrijf, de beslissing tot ontbinding en vereffening van een autonoom gemeentebedrijf, en het aanstellen van de gemeentelijke vertegenwoordigers in de algemene vergadering van een extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm;
  21° het goedkeuren van het meerjarenplan en de aanpassingen ervan van een autonoom gemeentebedrijf;
  22° de aan de gemeenteraad toegewezen bevoegdheden, vermeld in deel 3, titel 3;
  23° het vaststellen van subsidiereglementen en het toekennen van nominatieve subsidies;
  24° de bevoegdheden van de gemeenteraad, vermeld in artikel 46.
  [2 In het geval, vermeld in het tweede lid, 14°, kan [3 de bevoegdheid tot het bepalen van elke vorm van differentiëring van de tarieven]3 van de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing worden uitgeoefend mits de volgende voorwaarden worden nageleefd:
   1° [3 een voorstel van gemeenteraadsbesluit dat een differentiëring van tarieven vaststelt]3 voor de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing moet voorafgaandelijk aan de Vlaamse Regering en de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, vermeld in het decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, worden voorgelegd;
   2° het dossier dat aan de Vlaamse Regering wordt bezorgd, bevat ten minste een grondige motiveringsnota over de noodzaak van de differentiëring;
   3° de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie levert een advies af over de technische uitvoerbaarheid van de beoogde gemeentelijke [3 differentiëring]3;
   4° het advies, vermeld in punt 3°, wordt gevoegd bij het voorstel van gemeenteraadsbeslissing dat aan de gemeenteraad in kwestie wordt voorgelegd.
   De Vlaamse Regering regelt de uitvoeringsmodaliteiten van deze verplichte voorafgaandelijke overlegprocedure.]2

  [3 In het geval, vermeld in het tweede lid, 23А, bepalen de subsidiereglementen en de beslissingen tot toekenning van nominatieve subsidies steeds als een van de subsidievoorwaarden dat de gesubsidieerde zich engageert om het belang van het gebruik van het Nederlands te erkennen bij het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten.]3
  
Art. 41. Sauf en cas d'attribution explicite au conseil communal d'une compétence au sens de l'article 2, § 2, deuxième alinéa, le conseil communal peut confier par règlement certaines compétences au collège des bourgmestre et échevins.
  Les compétences suivantes ne peuvent pas être confiées au collège des bourgmestre et échevins :
  1° les compétences attribuées au conseil communal, visées aux sections 1ère et 2 du présent chapitre ;
  2° l'établissement de règlements communaux autres que ceux relatifs aux affaires du personnel et la fixation de peines et de sanctions administratives pour les infractions auxdits règlements ;
  3° l'établissement des rapports politiques de la commune et du centre public d'action sociale, visés à l'article 249 ;
  4° la création de et l'adhésion à des personnes morales ainsi que la décision de la création de, la participation à ou la représentation dans des agences, institutions, associations et entreprises ;
  5° l'approbation de contrats de gestion et de conventions de coopération tels que visés aux articles 196, 234 et 247 ;
  6° la désignation et le licenciement du directeur général, du directeur général adjoint, du directeur financier et du médiateur, ainsi que la compétence de sanction disciplinaire à l'égard de ces membres du personnel ;
  7° l'approbation du cadre général du système de contrôle interne, visé à l'article 219 ;
  8° déterminer ce qu'il convient d'entendre par la notion de " gestion journalière " ;
  9° les décisions qu'une loi, un décret ou un arrêté d'exécution réserve explicitement au conseil communal ;
  10° déterminer le mode d'attribution ainsi que les conditions des marchés publics, à moins que :
  a) le marché s'inscrive dans le cadre de la notion de " gestion journalière " visée au point 8°, pour laquelle le collège des bourgmestre et échevins est compétent ;
  b) le conseil ait confié le mode d'attribution et la détermination des conditions dudit marché public de façon nominative au collège des bourgmestre et échevins ;
  11° effectuer des actes de disposition concernant des biens immobiliers, sauf ceux visés à l'article 56, § 3, 8°, b) ;
  12° l'acceptation définitive de donations et l'acceptation de legs ;
  13° la création de conseils consultatifs et de structures de concertation ;
  14° [1 l'établissement de taxes communales et l'établissement de l'autorisation de percevoir les rétributions et les conditions y afférentes, y compris les réductions et exonérations]1 ;
  15° l'établissement d'un système de traitement des plaintes ;
  16° la prise de décisions telles que visées aux articles 297 et 298 ;
  17° conclure des transactions autres que des transactions avec des membres du personnel à l'occasion d'une cessation du contrat de travail, qui ont pour objet les conséquences de la cessation du contrat de travail ;
  18° les compétences du conseil communal, telles que visées aux articles 263, 265, 266, 267, 269 et 304, § 6 ;
  19° la détermination du mode de notification des décisions visées à l'article 50 ;
  20° la désignation et le licenciement des membres du conseil d'administration d'une régie communale autonome, la décision de dissolution et de liquidation d'une régie communale autonome et la désignation de représentants communaux au sein de l'assemblée générale d'une agence autonomisée externe de droit privé ;
  21° l'approbation du plan pluriannuel d'une régie communale autonome et des adaptations y apportées ;
  22° les compétences attribuées au conseil communal, visées à la partie 3, titre 3 ;
  23° l'établissement de règlements en matière de subsides et l'attribution de subsides nominatifs ;
  24° les compétences du conseil communal, telles que visées à l'article 46.
  [2 Dans le cas visé à l'alinéa 2, 14° [3 la compétence d'établir toute forme de différenciation des tarifs]3 des centimes additionnels communaux sur le précompte immobilier, peut être exercée, pour autant que les conditions suivantes soient remplies :
   1° [3 une proposition de décision du conseil communal établissant une différenciation des tarifs]3 compétente de l'administration flamande, visée au décret du 13 décembre 2013 portant le Code flamand de la Fiscalité ;
   2° le dossier présenté au Gouvernement flamand comprend au moins une note motivant de manière circonstanciée la nécessité de la différentiation ;
   3° l'entité compétente de l'administration flamande émet un avis sur la faisabilité technique [3 de la différentiation communale envisagée]3 ;
   4° l'avis visé au point 3° est joint à la proposition de décision du conseil communal soumise au conseil communal en question.]2

  [2 Le Gouvernement flamand arrête les modalités pratiques de cette procédure consultative préalable obligatoire.]2
  [3 Dans le cas visé à l'alinéa 2, 23°, les règlements en matière de subsides et les décisions d'attribution de subsides nominatifs prévoient toujours, parmi les conditions de subventionnement, que le bénéficiaire de la subvention s'engage à reconnaître l'importance de l'utilisation du néerlandais dans la réalisation des activités subventionnées.]3
  
HOOFDSTUK 2. - Het college van burgemeester en schepenen
CHAPITRE 2. - Le collège des bourgmestre et échevins
Afdeling 1. - De organisatie van het college van burgemeester en schepenen
Section 1ère. - Organisation du collège des Bourgmestre et Echevins
Art. 42. § 1. Het college van burgemeester en schepenen bestaat uit de burgemeester en uit ten hoogste:
  1° 2 schepenen in de gemeenten met minder dan 4999 inwoners;
  2° 3 schepenen in de gemeenten met 5000 tot en met 9999 inwoners;
  3° 4 schepenen in de gemeenten met 10.000 tot en met 19.999 inwoners;
  4° 5 schepenen in de gemeenten met 20.000 tot en met 29.999 inwoners;
  5° 6 schepenen in de gemeenten met 30.000 tot en met 49.999 inwoners;
  6° 7 schepenen in de gemeenten met 50.000 tot en met 99.999 inwoners;
  7° 8 schepenen in de gemeenten met 100.000 tot en met 199.999 inwoners;
  8° 9 schepenen in de gemeenten met 200.000 of meer inwoners.
  Het college van burgemeester en schepenen bevat naast de burgemeester minstens twee schepenen.
  Als na de verkiezing van de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst blijkt dat hij nog geen lid was van het college van burgemeester en schepenen, wordt hij van rechtswege vanaf zijn eedaflegging, vermeld in artikel 90, § 4, als schepen toegevoegd aan het college van burgemeester en schepenen.
  § 2. Op basis van de bevolkingsaantallen van de gemeenten, vermeld in artikel 4, § 3, stelt de Vlaamse Regering een lijst op van het maximale aantal per gemeente te verkiezen schepenen overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, en van het maximale aantal te verkiezen schepenen van de nieuwe gemeente in toepassing van artikel 355 [1 ...]1 alsook van het aantal per gemeente te verkiezen schepenen in de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en in de gemeente Voeren overeenkomstig artikel 16 van de Nieuwe Gemeentewet.
  § 3. Het college van burgemeester en schepenen bestaat uit personen van verschillend geslacht.
  Als het college van burgemeester en schepenen [2 na de eedaflegging van de burgemeester]2 niet rechtsgeldig blijkt te zijn samengesteld overeenkomstig het eerste lid, wordt de laatste overeenkomstig artikel 43 of 49, § 1, verkozen schepen in rang, van rechtswege vervangen door het gemeenteraadslid van het andere geslacht dat op dezelfde lijst met de meeste naamstemmen verkozen is. Als verschillende raadsleden van het andere geslacht een gelijk aantal naamstemmen hebben behaald, krijgt het raadslid dat de hoogste plaats op de lijst bekleedt, voorrang onder die raadsleden. Als er geen verkozen gemeenteraadsleden van het andere geslacht op die lijst voorkomen, wordt de schepen van rechtswege vervangen door de eerste opvolger van het andere geslacht op die lijst.
  In afwijking van het tweede lid wordt, als het college van burgemeester en schepenen [2 na de eedaflegging van de burgemeester]2 niet rechtsgeldig blijkt te zijn samengesteld overeenkomstig het eerste lid, en als de overeenkomstig artikel 43 of 49, § 1, laatst verkozen schepen in rang, bij de verkiezing van de gemeenteraadsleden verkozen is op een lijst die maar één kandidaat bevat, de voorlaatste schepen in rang vervangen overeenkomstig het tweede lid. Als ook de voorlaatste schepen in rang verkozen werd op een lijst die maar een kandidaat bevat, wordt de derde laatste schepen in rang of, in voorkomend geval, de eerstvolgende laatste schepen in rang, vervangen overeenkomstig dezelfde bepalingen.
  § 4. De schepen die overeenkomstig paragraaf 3 buiten de gemeenteraad is benoemd en de schepen, vermeld in paragraaf 1, derde lid, zijn in alle gevallen stemgerechtigd in het college van burgemeester en schepenen.
  § 5. Iedereen die het mandaat van burgemeester, schepen of voorzitter van de raad uitoefent of waarneemt, moet beschikken over de kennis van de bestuurstaal die vereist is voor de uitoefening van het mandaat.
  Door hun verkiezing of benoeming bestaat het vermoeden dat de mandatarissen, vermeld in het eerste lid, de vereiste taalkennis bezitten. Dat vermoeden kan worden weerlegd op verzoek van een gemeenteraadslid op basis van ernstige aanwijzingen, een bekentenis van de mandataris of de wijze waarop de betrokkene het mandaat uitoefent.
  Het verzoek, vermeld in het tweede lid, wordt ingediend bij de Raad voor Verkiezingsbetwistingen. Als dat rechtscollege beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, is de verkiezing of de benoeming vernietigd vanaf de dag van de kennisgeving van de beslissing van het rechtscollege, met behoud van de mogelijkheid van beroep bij de Raad van State, vermeld in artikel 147. Dat beroep schort de uitspraak van het rechtscollege niet op. Tot de algehele vernieuwing van de raad kan de betrokkene niet opnieuw benoemd of verkozen worden tot burgemeester, schepen of voorzitter van de raad, noch een dergelijk mandaat waarnemen.
  De miskenning van de bepalingen van dit artikel door degene van wie het vermoeden van taalkennis is weerlegd, is een grove nalatigheid als vermeld in artikel 156.
  
Art. 42. § 1er. Le collège des bourgmestre et échevins est composé du bourgmestre et au maximum de :
  1° 2 échevins dans les communes de moins de 4999 habitants ;
  2° 3 échevins dans les communes de 5000 à 9999 habitants ;
  3° 4 échevins dans les communes de 10.000 à 19.999 habitants ;
  4° 5 échevins dans les communes de 20.000 à 29.999 habitants ;
  5° 6 échevins dans les communes de 30.000 à 49.999 habitants ;
  6° 7 échevins dans les communes de 50.000 à 99.999 habitants ;
  7° 8 échevins dans les communes de 100.000 à 199.999 habitants ;
  8° 9 membres dans les communes de moins de 200.000 habitants ;
  Le collège des bourgmestre et échevins comporte, outre le bourgmestre, au moins deux échevins.
  S'il s'avère, après l'élection du président du comité spécial du service social, que celui-ci n'était pas encore membre du collège des bourgmestre et échevins, il est ajouté de plein droit en tant qu'échevin au collège des bourgmestre et échevins, à partir de sa prestation de serment, visée à l'article 90, § 4.
  § 2. Sur la base des nombres d'habitants des communes, visés à l'article 4, § 3, le Gouvernement flamand établit une liste du nombre maximum d'échevins à élire par commune conformément au paragraphe 1er, premier alinéa, et du nombre maximum d'échevins de la nouvelle commune à élire en application de l'article 355, [1 ...]1 ainsi que du nombre d'échevins à élire par commune dans les communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, et dans la commune de Fourons, conformément à l'article 16 de la Nouvelle Loi communale.
  § 3. Le collège des bourgmestre et échevins se compose de personnes de sexe différent.
  S'il apparaît, [2 après la prestation de serment du bourgmestre]2, que le collège des bourgmestre et échevins n'est pas composé valablement conformément à l'alinéa premier, le dernier échevin en rang qui est élu conformément aux articles 43 ou 49, § 1er, est remplacé de plein droit par le conseiller communal de l'autre sexe qui est élu sur la même liste et qui a obtenu le plus de votes nominatifs. Si plusieurs conseillers communaux de l'autre sexe ont obtenu un nombre égal de votes nominatifs, le conseiller occupant la première place sur la liste a la priorité parmi les conseillers en question. S'il n'y a pas de conseillers élus de l'autre sexe sur la liste précitée, l'échevin est remplacé de plein droit par le premier suppléant de l'autre sexe sur cette même liste.
  Par dérogation au deuxième alinéa, s'il s'avère [2 après la prestation de serment du bourgmestre]2, que le collège des bourgmestre et échevins n'est pas composé valablement conformément à l'alinéa premier, et si le dernier échevin en rang qui est élu conformément aux articles 43 ou 49, § 1er, est élu, lors de l'élection des conseillers communaux, sur une liste ne comportant qu'un seul membre, l'avant-dernier échevin en rang est remplacé conformément aux dispositions du deuxième alinéa. Si l'avant-dernier échevin en rang a également été élu sur une liste ne comportant qu'un seul candidat, l'antépénultième échevin en rang, ou le cas échéant le dernier échevin suivant en rang, est remplacé conformément aux mêmes dispositions.
  § 4. L'échevin qui a été nommé en dehors du conseil communal conformément au troisième paragraphe, et l'échevin visé au premier paragraphe, troisième alinéa, ont en tout cas voix délibérative au collège des bourgmestre et échevins.
  § 5. Chaque personne qui exerce ou assure le mandat de bourgmestre, échevin ou président du conseil doit disposer de la connaissance de la langue administrative requise pour l'exercice du mandat.
  Leur élection ou nomination implique la présomption que les mandataires visés au premier alinéa disposent de la connaissance de la langue requise. Ladite présomption peut être réfutée à la demande d'un conseiller communal sur la base d'indices sérieux, de l'aveu du mandataire ou de la façon dont l'intéressé exerce le mandat.
  La demande visée au deuxième alinéa est introduite auprès du Conseil des Contestations électorales. Si la juridiction décide que la présomption de connaissance de langue est réfutée, l'élection ou la nomination est annulée à partir du jour de la notification de la décision de la juridiction, sans préjudice de la possibilité de recours au Conseil d'Etat, conformément à l'article 147. Le recours précité ne suspend pas le jugement de la juridiction. Jusqu'au renouvellement intégral du conseil, l'intéressé ne peut ni être nommé ou élu à nouveau en qualité de bourgmestre, d'échevin ou de président du conseil, ni assurer un tel mandat.
  La méconnaissance des dispositions du présent article par celui dont la présomption de connaissance de langue est réfutée constitue une négligence grave au sens de l'article 156.
  
Art. 43. § 1. [2 § 1. Behalve de schepenen die benoemd zijn conform artikel 42, § 1, derde lid, en § 3, tweede en derde lid, verkiest de gemeenteraad de schepenen onder de gemeenteraadsleden op basis van een gezamenlijke akte van voordracht van de kandidaat-schepenen die voldoet aan al de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het tweede lid. De Vlaamse Regering stelt het model van de gezamenlijke akte van voordracht van de kandidaat-schepenen vast en de wijze waarop dat model ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de gezamenlijke akte van voordracht van de kandidaat-schepenen wordt ingediend bij de algemeen directeur.
   Een ontvankelijke gezamenlijke akte van voordracht van de kandidaatschepenen voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het eerste lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld;
   2° ze is ondertekend door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen;
   3° ze is ondertekend door de meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaten zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-schepen voorkomt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   4° ze is uiterlijk drie dagen voor de installatievergadering van de gemeenteraad aan de algemeen directeur bezorgd.
   De gezamenlijke akte van voordracht kan ook de einddatum van het mandaat van een kandidaat-schepen vermelden. In dat geval kan op de gezamenlijke akte van voordracht de naam vermeld worden van een of meer personen die hem zullen opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de schepen bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de gezamenlijke akte van voordracht als opvolger is vermeld. Als het mandaat eindigt voor de einddatum, vermeld in de gezamenlijke akte van voordracht, of als de persoon die in de gezamenlijke akte van voordracht is vermeld als de persoon die de schepen zou opvolgen, zijn mandaat niet opneemt, neemt de eerstvolgende opvolger vervroegd het mandaat op. Als de persoon die als laatste opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen of als er geen opvolger is vermeld, wordt tot vervanging overgegaan conform artikel 49. Als de voordracht geen einddatum vermeldt, wordt, in voorkomend geval, de vermelding van een of meer opvolgers als onbestaande beschouwd.
   De gezamenlijke akte van voordracht van de kandidaat-schepenen wordt ondertekend met naleving van het initiatiefrecht, vermeld in artikel 5, § 3. De overtreding van het voormelde gebod wordt bestraft conform artikel 7, § 2.
   Niemand kan meer dan één gezamenlijke akte van voordracht ondertekenen. De overtreding van het voormelde verbod wordt bestraft conform artikel 7, § 2.
   De algemeen directeur bezorgt een afschrift van de gezamenlijke akte van voordracht aan de burgemeester.]2

  § 2. Nadat de gemeenteraadsleden de eed hebben afgelegd, bezorgt de algemeen directeur de gezamenlijke akte van voordracht van de kandidaat-schepenen aan de voorzitter van de gemeenteraad.
  De voorzitter van de gemeenteraad gaat na of de gezamenlijke akte van voordracht ontvankelijk is overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1. Alleen de handtekeningen van de gemeenteraadsleden die de eed hebben afgelegd, worden daarvoor in aanmerking genomen, met inbegrip van de handtekeningen van de opvolgers die de akte van voordracht hebben ondertekend en die nadien als gemeenteraadslid de eed hebben afgelegd. Als de voordracht ontvankelijk is, worden de voorgedragen kandidaat-schepenen verkozen verklaard en is het aantal schepenen vastgelegd tot de eerstvolgende volledige vernieuwing van de gemeenteraad.
  § 3.[2 Als er geen ontvankelijke gezamenlijke akte van voordracht van kandidaat-schepenen aan de voorzitter van de installatievergadering wordt bezorgd, beslist de gemeenteraad op de installatievergadering over het aantal te verkiezen schepenen en wordt binnen veertien dagen overgegaan tot afzonderlijke verkiezing van de schepenen onder de gemeenteraadsleden. De gemeenteraadsleden kunnen voor de voormelde verkiezing kandidaat-schepenen voordragen via een individuele akte van voordracht die voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het tweede lid. De Vlaamse Regering stelt het model van de individuele akte van voordracht vast en de wijze waarop dat model ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de individuele akte van voordracht wordt ingediend bij de algemeen directeur.
   Een ontvankelijke individuele akte van voordracht voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het eerste lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld;
   2° ze is ondertekend door de meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-schepen voorkomt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   3° ze is uiterlijk drie dagen voor de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad na de installatievergadering aan de algemeen directeur bezorgd.
   De individuele akte van voordracht kan ook de einddatum van het mandaat van de kandidaat-schepen vermelden. In dat geval kan op de individuele akte van voordracht de naam vermeld worden van een of meer personen die hem zullen opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de schepen bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de individuele akte van voordracht als opvolger is vermeld. Als het mandaat eindigt voor de einddatum, vermeld in de individuele akte van voordracht, of als de persoon die in de individuele akte van voordracht is vermeld als de persoon die de schepen zou opvolgen, zijn mandaat niet opneemt, neemt de eerstvolgende opvolger vervroegd het mandaat op. Als de persoon die als laatste opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen of als er geen opvolger is vermeld, wordt tot vervanging overgegaan conform artikel 49. Als de voordracht geen einddatum vermeldt, wordt, in voorkomend geval, de vermelding van een of meer opvolgers als onbestaand beschouwd.
   Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 kan elk gemeenteraadslid maar één akte van voordracht ondertekenen per schepenmandaat. Overtreding van het voormelde verbod wordt bestraft conform artikel 7, § 2. Als de schriftelijk voorgedragen kandidaten niet volstaan om het college volledig samen te stellen, kunnen onder de gemeenteraadsleden kandidaten mondeling op de zitting worden voorgedragen. Voor een kandidaat die op de zitting wordt voorgedragen, blijkt tijdens de zitting en vóór de stemming dat een meerderheid van de gemeenteraadsleden die op dezelfde lijst zijn verkozen als de voorgedragen kandidaat, de voordracht van die kandidaat steunt. Als de voormelde steun niet wordt aangetoond, wordt de voordracht van deze kandidaat niet in aanmerking genomen.
   De voorzitter van de vergadering gaat na of de individuele akte van voordracht of, in voorkomend geval, de kandidaat die met toepassing van het vierde lid mondeling wordt voorgedragen, aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voldoet.
   De verkiezing vindt plaats bij geheime stemming door evenveel afzonderlijke stemmingen als er schepenen te kiezen zijn.
   De kandidaat die de volstrekte meerderheid van de stemmen heeft behaald, is verkozen tot schepen. Als geen enkele kandidaat de volstrekte meerderheid van de stemmen heeft behaald en als verschillende kandidaten zijn voorgedragen voor het vacante schepenmandaat, vindt een tweede stemronde plaats. In de voormelde tweede stemronde wordt gestemd op de twee kandidaten die in de eerste stemronde de meeste stemmen hebben behaald. Bij staking van stemmen in de eerste stemronde komt de kandidaat die bij de gemeenteraadsverkiezingen de meeste naamstemmen heeft behaald, in aanmerking voor de tweede stemronde. De kandidaat die in de tweede stem- ronde de meerderheid van de stemmen heeft behaald, is verkozen tot schepen. Bij staking van stemmen in de tweede stemronde is de kandidaat die bij de gemeenteraadsverkiezingen de meeste naamstemmen heeft behaald, verkozen tot schepen.
   Als de naamstemmen bepalend zijn en de kandidaten een gelijk aantal naamstemmen hebben behaald, is de voorgedragen kandidaat van de lijst die bij de gemeenteraadsverkiezingen de meeste stemmen heeft behaald, verkozen.]2

  § 4. De rang van de schepenen wordt bepaald door de rangorde op de gezamenlijke akte van voordracht. In geval van afzonderlijke verkiezing van de schepenen wordt de rang van de schepenen bepaald door de volgorde van de stemmingen. De schepenen die op grond van [2 paragraaf 1, derde lid, paragraaf 3, derde lid]2, of op grond van artikel 42, § 3, tweede en derde lid, een schepen opvolgen, nemen de rang in de volgorde van hun verkiezing of benoeming in. [3 De gemeenteraad kan in elk geval de rangorde van de schepenen wijzigen.]3 De schepen, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid, is altijd de laatste schepen in rang [3 , tenzij de gemeenteraad de rangorde van die schepen wijzigt]3. De burgemeester wordt geacht een hogere rang in te nemen dan de schepenen.
  
Art. 43. § 1er. [2 Hormis les échevins nommés conformément à l'article 42, § 1er, alinéa 3, et § 3, alinéas 2 et 3, les échevins sont élus par le conseil communal parmi les conseillers communaux sur la base d'un acte commun de présentation des candidats échevins, qui répond à toutes les conditions de recevabilité, visées à l'alinéa 2. Le Gouvernement flamand arrête le modèle de l'acte commun de présentation des candidats échevins, et la manière dont ce modèle est mis à disposition. Le Gouvernement flamand peut arrêter le mode d'introduction de l'acte commun de présentation des candidats échevins auprès du directeur général.
   Un acte commun recevable de présentation des candidats échevins répond à toutes les conditions suivantes :
   1° il a été fait sur le modèle d'acte que le Gouvernement flamand arrête en vertu de l'alinéa 1er, et qui est mis à disposition le jour de l'élection par une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand avec le cachet dateur de ce jour ;
   2° il est signé par plus de la moitié des élus sur les listes qui ont participé aux élections ;
   3° il est signé par une majorité des personnes qui ont été élues sur la même liste que les candidats présentés. Si la liste sur laquelle figure le nom des candidats échevins ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   4° il est remis au directeur général au plus tard trois jours avant la réunion d'installation du conseil communal.
   L'acte commun de présentation peut également mentionner la date de fin du mandat d'un candidat échevin. Dans ce cas, l'acte commun de présentation peut indiquer le nom d'une ou plusieurs personnes qui lui succéderont pour la durée restante du mandat. Le cas échéant, l'échevin est démissionnaire de plein droit à l'expiration de la date de fin du mandat, et il est suppléé de plein droit par la personne citée comme suppléant dans l'acte commun de présentation. Si le mandat expire avant la date de fin mentionnée dans l'acte commun de présentation, ou si la personne désignée dans l'acte commun de présentation comme la personne qui suppléerait l'échevin, n'assume pas son mandat, le premier suppléant suivant assumera le mandat de manière anticipée. Si la personne indiquée comme dernier suppléant ne peut assumer le mandat ou si aucun suppléant n'est indiqué, il est procédé au remplacement conformément à l'article 49. Si la présentation ne mentionne pas de date de fin, la mention d'un ou de plusieurs suppléants, le cas échéant, est considérée comme inexistante.
   L'acte commun de présentation des candidats échevins est signé dans le respect du droit d'initiative, visé à l'article 5, § 3. La violation de ce commandement est punie conformément à l'article 7, § 2.
   Nul ne peut signer plus d'un acte commun de présentation. La violation de cette interdiction est sanctionnée conformément à l'article 7, § 2.
   Le directeur général transmet une copie de l'acte commun de présentation au bourgmestre.]2

  § 2. Après la prestation de serment des conseillers communaux, le directeur général transmet l'acte commun de présentation des candidats échevins au président du conseil communal.
  Le président du conseil communal vérifie si l'acte commun de présentation est recevable conformément aux conditions fixées au § 1er. Seules les signatures des conseillers communaux qui ont prêté serment sont prises en compte à cet effet, y compris les signatures des suppléants qui ont signé l'acte de présentation et qui ont ensuite prêté serment en qualité de conseiller communal. Si la présentation est recevable, les candidats échevins présentés sont déclarés élus et le nombre d'échevins est fixé jusqu'au prochain renouvellement intégral du conseil communal.
  § 3. [2 Si aucun acte commun de présentation de candidats échevins recevable n'est transmis au président de la réunion d'installation, le conseil communal décide, lors de la réunion d'installation, du nombre d'échevins à élire, et il est procédé à l'élection séparée des échevins parmi les conseillers communaux dans les quatorze jours. Les conseillers communaux peuvent présenter des candidats échevins pour l'élection précitée par le biais d'un acte individuel de présentation qui répond aux conditions de recevabilité visées à l'alinéa 2. Le Gouvernement flamand arrête le modèle de l'acte individuel de présentation, et la manière dont ce modèle est mis à disposition. Le Gouvernement flamand peut arrêter le mode d'introduction de l'acte individuel de présentation auprès du directeur général.
   Un acte individuel recevable de présentation répond à toutes les conditions suivantes :
   1° il a été fait sur le modèle d'acte que le Gouvernement flamand arrête en vertu de l'alinéa 1er, et qui est mis à disposition le jour de l'élection par une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand avec le cachet dateur de ce jour ;
   2° il est signé par une majorité des personnes qui ont été élues sur la même liste que le candidat présenté. Si la liste sur laquelle figure le nom des candidats échevins ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   3° il est remis au directeur général au plus tard trois jours avant la prochaine réunion du conseil communal après la réunion d'installation.
   L'acte individuel de présentation peut également mentionner la date de fin du mandat du candidat échevin. Dans ce cas, l'acte individuel de présentation peut indiquer le nom d'une ou plusieurs personnes qui lui succéderont pour la durée restante du mandat. Le cas échéant, l'échevin est démissionnaire de plein droit à l'expiration de la date de fin du mandat, et il est suppléé de plein droit par la personne citée comme suppléant dans l'acte individuel de présentation. Si le mandat expire avant la date de fin mentionnée dans l'acte individuel de présentation, ou si la personne désignée dans l'acte individuel de présentation comme la personne qui suppléerait l'échevin, n'assume pas son mandat, le premier suppléant suivant assumera le mandat de manière anticipée. Si la personne indiquée comme dernier suppléant ne peut assumer le mandat ou si aucun suppléant n'est indiqué, il est procédé au remplacement conformément à l'article 49. Si la présentation ne mentionne pas de date de fin, la mention d'un ou de plusieurs suppléants, le cas échéant, est considérée comme inexistante.
   Sans préjudice du § 1er, chaque conseiller communal ne peut signer qu'un seul acte de présentation par mandat d'échevin. La violation de l'interdiction précitée est sanctionnée conformément à l'article 7, § 2. Si les candidatures présentées par écrit ne suffisent pas à constituer entièrement le collège, des candidats parmi les conseillers communaux peuvent être présentés de vive voix en réunion. Pour un candidat présenté en réunion, il doit apparaître pendant la séance et avant le vote, qu'une majorité des conseillers communaux élus sur la même liste que le candidat présenté, soutient la présentation de ce candidat. Si le soutien précité n'est pas démontré, la présentation de ce candidat n'est pas prise en compte.
   Le président de la réunion vérifie si l'acte individuel de présentation ou, le cas échéant, le candidat présenté de vive voix en application de l'alinéa 4, répond aux conditions de recevabilité.
   L'élection a lieu au scrutin secret, par autant de scrutins séparés qu'il y a d'échevins à élire.
   Le candidat ayant obtenu la majorité absolue des voix, est élu échevin. Si aucun candidat n'a obtenu la majorité absolue des voix, et si plusieurs candidats ont été présentés pour le mandat vacant d'échevin, un deuxième tour a lieu. Au cours de ce deuxième tour, il est voté pour les deux candidats qui ont obtenu le plus de voix au premier tour. En cas de partage des voix au premier tour, le candidat ayant obtenu le plus de votes nominatifs lors des élections communales, entre en ligne de compte pour le deuxième tour. Le candidat ayant obtenu la majorité des voix au deuxième tour, est élu échevin. En cas de partage des voix au deuxième tour, le candidat ayant obtenu le plus de votes nominatifs lors des élections communales, est élu échevin.
   Lorsque les votes nominatifs sont déterminants, et que les candidats ont obtenu le même nombre de votes nominatifs, le candidat présenté dont la liste a obtenu le plus de voix lors des élections communales, est élu.]2

  § 4. Le rang des échevins est déterminé par l'ordre de préséance dans l'acte commun de présentation. En cas d'élection séparée des échevins, le rang des échevins est déterminé par l'ordre des scrutins. Les échevins qui, sur la base [2 du paragraphe 1er, alinéa 3, du paragraphe 3, alinéa 3]2, ou sur la base de l'article 42, § 3, deuxième et troisième alinéas, suppléent un échevin, prennent le rang dans l'ordre de leur élection ou nomination. [3 Le conseil communal peut, dans tous les cas, modifier l'ordre de préséance des échevins.]3 L'échevin visé à l'article 42, § 1er, troisième alinéa, est toujours le dernier échevin en rang [3 , sauf si le conseil communal modifie l'ordre de préséance de cet échevin]3. Le bourgmestre est supposé occuper un rang plus élevé que les échevins.
  
Art. 44. Voor ze hun mandaat aanvaarden, leggen de schepenen in openbare vergadering van de gemeenteraad de volgende eed af in handen van de [1 voorzitter van de gemeenteraad]1: "Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen." [1 Als de voorzitter van de gemeenteraad zelf verkozen is als schepen, legt hij de eed als schepen af in handen van het oudste gemeenteraadslid.]1
  De schepen die de eed na twee achtereenvolgende uitnodigingen niet aflegt, wordt geacht zijn schepenmandaat niet te aanvaarden.
  
Art. 44. Avant d'accepter leur mandat, les échevins prêtent le serment suivant en réunion publique du conseil communal, entre les mains du [1 président du conseil communal]1 : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de mon mandat". [1 Si le président du conseil communal est lui-même élu échevin, il prête serment en tant qu'échevin entre les mains du conseiller communal le plus âgé. ]1
  L'échevin qui ne prête pas serment après deux convocations successives est supposé ne pas accepter son mandat d'échevin.
  
Art. 45. De schepenen worden, behalve in de gevallen, vermeld in[1 artikel 43, § 1, derde lid, en § 3, derde lid,]1, artikel 46, 48 en 49, verkozen voor een periode van zes jaar. De uittredende schepenen blijven na een volledige vernieuwing van de gemeenteraad in functie tot het nieuwe college van burgemeester en schepenen geïnstalleerd is.
  Artikel 9, 10 en 11, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de leden van het college van burgemeester en schepenen, met uitzondering van artikel 10, tweede en derde lid.
  
Art. 45. Hormis dans les cas visés à [1 l'article 43, § 1er, alinéa 3, et § 3, alinéa 3,]1 ainsi qu'aux articles 46, 48 et 49, les échevins sont élus pour une période de six ans. Les échevins sortants restent en fonction après un renouvellement intégral du conseil communal jusqu'à ce que l'installation du nouveau collège des bourgmestre et échevins ait eu lieu.
  Les articles 9, 10 et 11, deuxième et troisième alinéas, s'appliquent par analogie aux membres du collège des bourgmestre et échevins à l'exception de l'article 10, deuxième et troisième alinéas.
  
Art. 46. [1 § 1. De gemeenteraad kan een collectieve constructieve motie van wantrouwen aannemen tegen alle leden van het college van burgemeester en schepenen, met uitzondering van de schepen, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid.
   De gemeenteraad kan een individuele constructieve motie van wantrouwen aannemen tegen een of meer schepenen, met uitzondering van de schepen, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid.
   § 2. De constructieve motie van wantrouwen voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze is ondertekend door de meerderheid van de raadsleden;
   2° ze is ondertekend door ten minste twee derde van de raadsleden van elke fractie die de motie ondersteunt. Als een fractie slechts uit twee verkozenen bestaat, volstaat de handtekening van één van hen;
   3° in geval van een individuele motie, is ze ondertekend door twee derde van de raadsleden van de fractie waartoe de schepen tegen wie de individuele motie gericht is, behoort;
   4° ze vermeldt tegen welke leden van het college van burgemeester en schepenen ze gericht is;
   5° ze draagt voor elk van de schepenen een kandidaat-opvolger voor. Zetelende leden kunnen opnieuw voorgedragen worden;
   6° in geval van een individuele motie gericht tegen een of meer schepenen, zijn er een of meer ontvankelijke akten van voordracht bijgevoegd als vermeld in artikel 49. In geval van een collectieve motie is er een gezamenlijke akte van voordracht bijgevoegd als vermeld in artikel 43. Als een lijst in twee fracties is opgesplitst, wordt, in afwijking van artikel 43 of 49, de akte van voordracht van de kandidaat-schepen ondertekend door de meerderheid van de gemeenteraadsleden die deel uitmaken van de fractie van de kandidaat- schepen. Als de fractie van de kandidaat-schepen slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   7° ze is uiterlijk acht dagen voor de gemeenteraadszitting aan de algemeen directeur bezorgd.
  [2 Tot de eerstvolgende vernieuwing van de gemeenteraad wordt een fractie geacht hetzelfde aantal leden te behouden, zoals vastgelegd op de installatievergadering, voor wat betreft het gewicht van de fracties voor de berekening van de meerderheidsvereisten, vermeld in het eerste lid. Het aantal zetels per fractie kan enkel wijzigen ten gevolge van een opvolging tussen twee fracties die een gezamenlijke lijst vormden.]2
   De constructieve motie van wantrouwen kan niet bij spoedeisendheid in bespreking worden gebracht als vermeld in artikel 23.
   De constructieve motie van wantrouwen kan niet worden ingediend op de volgende momenten:
   1° in de periode van één jaar na de installatie van de gemeenteraad;
   2° in de periode van twaalf maanden voor de dag van de verkiezingen voor de volledige vernieuwing van de gemeenteraden;
   3° als een collectieve constructieve motie van wantrouwen door de gemeenteraad is aangenomen, voor een termijn van één jaar vervallen is.
   De algemeen directeur bezorgt de constructieve motie van wantrouwen met bijgevoegde akte of akten van voordracht aan de voorzitter van de gemeenteraad.
   § 3. Voor er kan worden gestemd, onderzoekt de voorzitter van de gemeenteraad of de constructieve motie van wantrouwen voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 en 2. Als hij vaststelt dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, verklaart hij de motie zonder voorwerp.
   § 4. Als de gemeenteraad de motie van wantrouwen aanneemt, wordt het lid of worden de leden tegen wie de motie gericht is, ontslagen onder voorbehoud van de toepassing van paragraaf 6. De voorgedragen kandidaat-schepen, in voorkomend geval de voorgedragen kandidaat-schepenen worden verkozen verklaard. Vanaf de aanname van de collectieve motie draagt het raadslid, waarvan sprake in artikel 58, § 1 of § 2, de titel van `aangewezen-burgemeester' en oefent alle functies uit die aan de burgemeester worden toevertrouwd. Voor hij zijn mandaat aanvaardt, legt de aangewezen-burgemeester de eed af, vermeld in artikel 58, § 1, derde lid.
   De Vlaamse Regering benoemt de burgemeester overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 58.
   § 5. Indien een collectieve motie wordt aangenomen, worden de ingediende collectieve motie en de beslissing van de gemeenteraad hierover ter kennis gebracht aan de Vlaamse Regering [2 en aan de provinciegouverneur]2.
   § 6. Een motie tegen een lid van het college van burgemeester en schepenen dat als lid van het vast bureau verkozen is tot voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, heeft alleen gevolgen als tegelijk een constructieve motie van wantrouwen als vermeld in artikel 104, ingediend is en aangenomen wordt.]1

  
Art. 46. [1 § 1er. Le conseil communal peut adopter une motion de défiance constructive collective à l'encontre de tous les membres du collège des bourgmestre et échevins, à l'exception de l'échevin visé à l'article 42, § 1er, alinéa 3.
   Le conseil communal peut adopter une motion de défiance constructive individuelle à l'encontre d'un ou de plusieurs échevins, à l'exception de l'échevin visé à l'article 42, § 1er, alinéa 3.
   § 2. La motion de défiance constructive répond à toutes les conditions suivantes :
   1° elle est signée par la majorité des conseillers ;
   2° elle est signée par au moins deux tiers des conseillers de chaque groupe soutenant la motion. Lorsqu'un groupe ne se compose que de deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   3° en cas d'une motion individuelle, elle est signée par deux tiers des conseillers du groupe auquel appartient l'échevin faisant l'objet de la motion individuelle ;
   4° elle mentionne les membres du collège des bourgmestre et échevins faisant l'objet de la motion ;
   5° elle présente un candidat suppléant pour chacun des échevins. Les membres siégeant peuvent être présentés à nouveau ;
   6° dans le cas d'une motion individuelle contre un ou plusieurs échevins, un ou plusieurs actes de présentation recevables sont joints, tels que mentionnés à l'article 49. Dans le cas d'une motion collective, un acte commun de présentation est joint tel que visé à l'article 43. Par dérogation à l'article 43 ou l'article 49, si une liste est divisée en deux groupes, l'acte de présentation du candidat échevin est signé par la majorité des conseillers communaux qui appartiennent au groupe du candidat échevin. Si le groupe du candidat échevin ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   7° elle est remise au directeur général au plus tard huit jours avant la réunion du conseil communal.
  [2 Jusqu'au prochain renouvellement du conseil communal, un groupe est supposé conserver le même nombre de membres, tel que fixé lors de la réunion d'installation, en ce qui concerne le poids des groupes pour le calcul des conditions de majorité, visées à l'alinéa 1er. Le nombre de sièges par groupe ne peut changer qu'à la suite d'une succession entre deux groupes ayant formé une liste commune. ]2
   La motion de défiance constructive ne peut être discutée d'urgence, comme le prévoit l'article 23.
   La motion de défiance constructive ne peut être déposée aux moments suivants :
   1° dans la période d'un an suivant l'installation du conseil communal ;
   2° dans la période de douze mois précédant le jour des élections pour le renouvellement intégral des conseils communaux ;
   3° si une motion de défiance constructive collective a été adoptée par le conseil communal, avant l'expiration d'un délai d'un an.
   Le directeur général transmet la motion de défiance constructive avec le ou les actes de présentation joints au président du conseil communal.
   § 3. Avant de procéder au vote, le président du conseil communal examine si la motion de défiance constructive remplit les conditions visées aux paragraphes 1 et 2. S'il constate que toutes les conditions ne sont pas remplies, il déclare la motion sans objet.
   § 4. Si le conseil communal adopte la motion de défiance, le ou les membres faisant l'objet de la motion sont licenciés sous réserve de l'application du paragraphe 6. Le candidat échevin présenté, le cas échéant, les candidats échevins présentés sont déclarés élus. A partir de l'adoption de la motion collective, le conseiller visé à l'article 58, § 1 ou § 2, porte le titre de " bourgmestre désigné " et exerce toutes les fonctions confiées au bourgmestre. Avant d'accepter son mandat, le bourgmestre désigné prête le serment visé à l'article 58, § 1er, alinéa 3.
   Le Gouvernement flamand nomme le bourgmestre conformément à la procédure visée à l'article 58.
   § 5. En cas d'adoption d'une motion collective, la motion collective déposée et la décision du conseil communal à ce sujet sont communiquées au Gouvernement flamand [2 et au gouverneur de province]2.
   § 6. Une motion contre un membre du collège des bourgmestre et échevins qui, en tant que membre du bureau permanent, a été élu président du comité spécial du service social, n'a d'effet que si, en même temps, une motion de défiance constructive telle que visée à l'article 104 a été déposée et est adoptée.]1

  
Art. 47. De gemeenteraad neemt akte van de verhindering van de volgende personen:
  1° de schepen die lid is van de federale of Vlaamse Regering of van de Europese Commissie;
  2° de schepen die lid is van de deputatie van de provincieraad of van het college, vermeld in artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen;
  3° de schepen die het mandaat uitoefent van federaal, Vlaams of Europees parlementslid, als de schepen daar schriftelijk om verzoekt. In voorkomend geval geldt de verhindering zolang de schepen het mandaat van federaal, Vlaams of Europees parlementslid uitoefent;
  4° de schepen die om medische redenen, om studieredenen of wegens verblijf in het buitenland vervangen wil worden gedurende een minimale termijn van twaalf weken. Hij richt daarvoor een schriftelijk verzoek aan de voorzitter van de gemeenteraad. Bij het verzoek wordt een geneeskundig getuigschrift van maximaal vijftien dagen oud gevoegd, dat ook de minimale termijn van afwezigheid om medische redenen aangeeft. Als de schepen die om medische redenen afwezig blijft, niet in staat is om dat verzoek tot de voorzitter te richten, wordt hij van rechtswege als verhinderd beschouwd vanaf de derde opeenvolgende vergadering waarop hij afwezig is en zolang hij afwezig blijft. Bij het verzoek tot vervanging van verhindering om studieredenen of verblijf in het buitenland wordt een attest van de onderwijsinstelling of opdrachtgever gevoegd;
  5° de schepen die ouderschapsverlof wil nemen voor de geboorte of adoptie van een kind. Die schepen wordt op zijn schriftelijke verzoek, gericht aan de voorzitter van de gemeenteraad, vervangen, op zijn vroegst vanaf de zesde week voor de vermoedelijke datum van de geboorte of van de adoptie tot het einde van de negende week na de adoptie of geboorte. Op schriftelijk verzoek wordt de onderbreking van de uitoefening van het mandaat na de negende week verlengd met een duur die gelijk is aan de termijn waarin de schepen zijn mandaat heeft uitgeoefend tijdens de periode van zes weken die aan de dag van de geboorte of de adoptie voorafgaat. Bij de geboorte of de adoptie van een meerling kan op verzoek van de schepen het verlof verlengd worden met een periode van maximaal twee weken;
  6° de schepen die tot nieuwe burgemeester wordt benoemd in geval van verhindering of schorsing van de burgemeester als vermeld in artikel 62 van dit decreet;
  7° de schepen die wegens palliatief verlof of verlof voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek familielid tot en met de tweede graad of van een zwaar ziek gezinslid vervangen wil worden gedurende minimaal twaalf weken. Hij stuurt een schriftelijk verzoek aan de voorzitter van de gemeenteraad, waarbij een verklaring op erewoord gevoegd is waarin de schepen zich bereid verklaart om bijstand of verzorging te verlenen. De naam van de patiënt hoeft niet te worden vermeld.
  [1 8° de schepen die als gemeenteraadslid geschorst is op grond van artikel 199 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011;
  9° de schepen die het mandaat uitoefent van voorzitter van een federaal, Vlaams of Europees parlement als de schepen daar schriftelijk om verzoekt. In voorkomend geval geldt de verhindering zolang de schepen dat mandaat als voorzitter uitoefent.]1
Art. 47. Le conseil communal prend acte de l'empêchement des personnes suivantes :
  1° l'échevin qui est membre du Gouvernement fédéral ou flamand ou de la Commission européenne ;
  2° l'échevin qui est membre de la députation du conseil provincial ou du collège visé à l'article 83quinquies, § 2, de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux Institutions bruxelloises ;
  3° l'échevin qui exerce le mandat de membre du Parlement fédéral, flamand ou européen, dans la mesure où ledit échevin en fait la demande écrite. Le cas échéant, l'empêchement s'applique tant que l'échevin exerce le mandat de membre du Parlement fédéral, flamand ou européen ;
  4° l'échevin qui, pour des raisons médicales, des raisons d'études ou en raison d'un séjour à l'étranger, souhaite être remplacé pendant un délai minimal de douze semaines. Il adresse à cet effet une demande écrite au président du conseil communal. La demande doit être accompagnée d'un certificat médical datant de maximum quinze jours, qui précise également le délai minimal de l'absence pour raisons médicales. Si l'échevin qui reste absent pour raisons médicales n'est pas capable d'adresser ladite demande au président, il est considéré comme empêché de plein droit dès la troisième réunion consécutive à laquelle il est absent et tant qu'il reste absent. La demande de remplacement pour empêchement pour des raisons d'études ou de séjour à l'étranger comporte une attestation de l'établissement d'enseignement ou du donneur d'ordre ;
  5° l'échevin qui souhaite prendre un congé parental à la suite de la naissance ou de l'adoption d'un enfant. L'échevin en question est, à sa demande écrite adressée au président du conseil communal, remplacé au plus tôt à partir de la sixième semaine qui précède la date présumée de la naissance ou de l'adoption, jusqu'à la fin de la neuvième semaine qui suit la naissance ou l'adoption. L'interruption de l'exercice du mandat est prorogée, à sa demande écrite, au-delà de la neuvième semaine pour une période égale à celle durant laquelle l'échevin a exercé son mandat pendant la période de six semaines qui précède le jour de la naissance ou de l'adoption. En cas de naissance ou d'adoption multiples, le congé peut, sur demande de l'échevin, être prorogé pour une période de maximum deux semaines ;
  6° l'échevin qui, conformément à l'article 63 du présent décret, est nommé en qualité de nouveau bourgmestre en cas d'empêchement ou de suspension du bourgmestre;
  7° l'échevin qui, en raison d'un congé de soins palliatifs ou d'un congé d'assistance médicale ou en vue de dispenser des soins à un membre de la famille jusqu'au deuxième degré inclus souffrant d'une maladie grave ou d'un membre du ménage souffrant d'une maladie grave, souhaite se faire remplacer pendant au moins douze semaines. A cet effet, il adresse au président du conseil communal une demande écrite accompagnée d'une déclaration sur l'honneur dans laquelle l'échevin se déclare disposé à dispenser une assistance ou des soins. Il n'est pas nécessaire de mentionner l'identité du patient;
  [1 8° l'échevin suspendu en tant que conseiller communal en vertu de l'article 199 du Décret sur les Elections locales et provinciales du 8 juillet 2011;]1
  [1 9° l'échevin qui exerce le mandat de président d'un parlement fédéral, flamand ou européen si l'échevin en fait la demande par écrit. Le cas échéant, l'empêchement s'applique aussi longtemps que l'échevin exerce ce mandat de président.]1
Art. 48. De schepen die ontslag wil nemen, deelt dat schriftelijk mee aan de voorzitter van de gemeenteraad. Het ontslag is definitief zodra de voorzitter van de gemeenteraad de kennisgeving ontvangt.
  De schepen blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger is geïnstalleerd, behalve als het ontslag het gevolg is van een onverenigbaarheid, of tot de gemeenteraad, met toepassing van artikel 49, § 1, eerste lid, heeft beslist om het opengevallen schepenmandaat niet in te vullen.
Art. 48. L'échevin qui souhaite démissionner le notifie par écrit au président du conseil communal. La démission est définitive dès réception de ladite notification par le président du conseil communal.
  L'échevin continue d'exercer son mandat jusqu'à l'installation de son suppléant, à moins que la démission ne soit la conséquence d'une incompatibilité, ou jusqu'à ce que le conseil communal, en application de l'article 49, § 1er, premier alinéa, ait décidé de ne pas pourvoir au mandat d'échevin devenu vacant.
Art. 49. § 1.[2 In al de volgende gevallen kan de gemeenteraad met behoud van de toepassing van artikel 42, § 3, eerste lid, beslissen om een opengevallen schepenmandaat niet in te vullen:
   1° een schepen aanvaardt zijn schepenmandaat niet;
   2° een schepen wordt van zijn mandaat vervallen verklaard;
   3° een schepen wordt als verhinderd beschouwd;
   4° een schepen wordt afgezet of is geschorst;
   5° een schepen heeft ontslag genomen of is overleden.
   De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, bestaat niet als er in de akte van voordracht een opvolger is vermeld conform artikel 43 en de opvolger geïnstalleerd wordt.
   Als de gemeenteraad beslist om het mandaat niet in te vullen, kan het mandaat voor de rest van de zittingsperiode niet meer ingevuld worden. Als de gemeenteraad het mandaat wenst in te vullen, wordt tot een nieuwe verkiezing van een schepen overgegaan binnen twee maanden nadat het schepenmandaat is opengevallen. De schepen wordt verkozen op basis van een akte van voordracht van de kandidaat-schepen die voldoet aan al de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het vierde lid. De Vlaamse Regering stelt het model van de akte van voordracht van de kandidaat-schepen vast en de wijze waarop dat model ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de akte van voordracht van de kandidaat-schepen wordt ingediend bij de algemeen directeur.
   Een ontvankelijke akte van voordracht van de kandidaat-schepen voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het derde lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld;
   2° ze is ondertekend door meer dan de helft van de gemeenteraadsleden;
   3° ze is ondertekend door de meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-schepen voorkomt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   4° ze is uiterlijk acht dagen voor de vergadering van de gemeenteraad waarop de vervanging geagendeerd is, aan de algemeen directeur bezorgd.
   De akte van voordracht kan ook de einddatum van het mandaat van de kandidaat-schepen vermelden. In dat geval kan op de akte van voordracht de naam van een of meer personen vermeld worden die hem zullen opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de schepen bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de akte van voordracht als opvolger is vermeld. Als het mandaat eindigt voor de einddatum, vermeld in de akte van voordracht, of als de persoon die in de akte van voordracht is vermeld als de persoon die de schepen zou opvolgen, zijn mandaat niet opneemt, neemt de eerstvolgende opvolger vervroegd het mandaat op. Als de persoon die als laatste opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen of als er geen opvolger is vermeld, wordt tot vervanging overgegaan conform dit artikel. Als de voordracht geen einddatum vermeldt, wordt, in voorkomend geval, de vermelding van een of meer opvolgers als onbestaand beschouwd.
   Met behoud van de toepassing van artikel 43 kan elk gemeenteraadslid maar één akte van voordracht ondertekenen per schepenmandaat. Overtreding van het voormelde verbod wordt bestraft conform artikel 7, § 2.
   De voorzitter van de gemeenteraad gaat op de vergadering van de gemeenteraad waarop de akte van voordracht van de kandidaat-schepen geagendeerd is, na of de akte van voordracht ontvankelijk is. In voorkomend geval wordt de voorgedragen kandidaat-schepen verkozen verklaard.
   Als binnen twee maanden na het openvallen van een schepenmandaat en voor de bezorging van de akte van voordracht, die is genomen met toepassing van het eerste tot en met het vierde lid, een bijkomend schepenmandaat openvalt, waarvan de gemeenteraad het mandaat ook wenst in te vullen, kan voor de vervanging van al die mandaten overgegaan worden tot een verkiezing conform artikel 43, § 1 en § 2, met dien verstande dat "drie dagen" wordt gelezen als "acht dagen". De oorspronkelijke termijn van twee maanden voor het mandaat dat het eerst opengevallen is, blijft in dat geval van toepassing. Als evenwel toepassing wordt gemaakt van de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, blijft voor het tweede opengevallen mandaat de termijn, vermeld in het derde lid, van toepassing.
   In de gevallen, vermeld in het eerste en het achtste lid, kan in afwijking van artikel 43, § 4, op de akte van voordracht van de kandidaat-schepen worden bepaald dat een of meer nieuw verkozen schepenen de rang innemen van degenen die ze vervangen.
   Als twee maanden na het openvallen van het schepenmandaat nog geen nieuwe schepen is benoemd conform het eerste en het achtste lid, kan de schepen op de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad verkozen worden conform artikel 43, § 3.
  Tot aan de nieuwe verkiezing kan het mandaat worden waargenomen conform paragraaf 2.]2

  § 2. Als de schepen om een andere reden dan de redenen, vermeld in paragraaf 1, afwezig is, kan hij worden vervangen door het op dezelfde lijst verkozen gemeenteraadslid met de hoogste rang. Als er geen gemeenteraadslid is dat op dezelfde lijst verkozen is, kan de schepen vervangen worden door het gemeenteraadslid van een andere lijst met de hoogste rang. Als dat raadslid de schepen niet kan vervangen, kan het schepenmandaat waargenomen worden door een van de andere gemeenteraadsleden in volgorde van hun rang.
  Het gemeenteraadslid dat overeenkomstig het eerste lid de schepen vervangt, vervangt die schepen van rechtswege ook in zijn mandaat van lid van het vast bureau.
  § 3. De verhindering, het ontslag, het verval van mandaat, de afstand van mandaat, de afzetting en de schorsing als lid van het vast bureau houden van rechtswege de verhindering, het ontslag, het verval van mandaat, de afstand van mandaat, de afzetting en de schorsing van de schepen in.
  § 4. De schepen die als verhinderd wordt beschouwd, die geschorst is of tijdelijk afwezig is, wordt vervangen zolang hij verhinderd, geschorst of tijdelijk afwezig is. De gemeenteraad neemt akte van de verhindering of schorsing, en van de beëindiging van de periode van de verhindering of schorsing.
  
Art. 49. § 1er. [2 Dans tous les autres cas, le conseil communal peut décider, sans préjudice de l'application de l'article 42, § 3, alinéa 1er, de ne pas pourvoir au mandat d'échevin devenu vacant :
   1° un échevin n'accepte pas son mandat d'échevin ;
   2° un échevin est déclaré déchu de son mandat ;
   3° un échevin est considéré comme empêché ;
   4° un échevin est révoqué ou suspendu ;
   5° un échevin a démissionné ou est décédé.
   La possibilité visée à l'alinéa 1er n'existe pas si un suppléant est mentionné dans l'acte de présentation conformément à l'article 43 et que le suppléant est installé.
   Si le conseil communal décide de ne pas pourvoir au mandat, le mandat ne peut plus être rempli pour la durée restante de la législature. Si le conseil communal souhaite pourvoir au mandat, il est procédé à une nouvelle élection dans les deux mois après que le mandat d'échevin est devenu vacant. L'échevin est élu sur la base d'un acte de présentation du candidat échevin qui répond à toutes les conditions de recevabilité, visées à l'alinéa 4. Le Gouvernement flamand arrête le modèle de l'acte de présentation du candidat échevin, et la manière dont ce modèle est mis à disposition. Le Gouvernement flamand peut arrêter le mode d'introduction de l'acte de présentation du candidat échevin auprès du directeur général.
   Un acte recevable de présentation de candidat échevin répond à toutes les conditions suivantes :
   1° il a été fait sur le modèle d'acte que le Gouvernement flamand arrête en vertu de l'alinéa 3, et qui est mis à disposition le jour de l'élection par une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand avec le cachet dateur de ce jour ;
   2° il est signé par plus de la moitié des conseillers communaux ;
   3° il est signé par une majorité des personnes qui ont été élues sur la même liste que le candidat présenté. Si la liste sur laquelle figure le nom des candidats échevins ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   4° il est remis au directeur général au plus tard huit jours avant la réunion du conseil communal au cours de laquelle le remplacement est inscrit à l'ordre du jour.
   L'acte de présentation peut également mentionner la date de fin du mandat du candidat échevin. Dans ce cas, l'acte de présentation peut indiquer le nom d'une ou plusieurs personnes qui lui succéderont pour la durée restante du mandat. Le cas échéant, l'échevin est démissionnaire de plein droit à l'expiration de la date de fin du mandat, et il est suppléé de plein droit par la personne citée comme suppléant dans l'acte de présentation. Si le mandat expire avant la date de fin mentionnée dans l'acte de présentation, ou si la personne désignée dans l'acte de présentation comme la personne qui suppléerait l'échevin, n'assume pas son mandat, le premier suppléant suivant assumera le mandat de manière anticipée. Si la personne indiquée comme dernier suppléant ne peut assumer le mandat ou si aucun suppléant n'est indiqué, il est procédé au remplacement conformément au présent article. Si la présentation ne mentionne pas de date de fin, la mention d'un ou de plusieurs suppléants, le cas échéant, est considérée comme inexistante.
   Sans préjudice de l'article 43, chaque conseiller communal ne peut signer qu'un seul acte de présentation par mandat d'échevin. La violation de l'interdiction précitée est sanctionnée conformément à l'article 7, § 2.
   Lors de la réunion du conseil communal au cours de laquelle l'acte de présentation du candidat échevin est inscrit à l'ordre du jour, le président du conseil communal vérifie si l'acte de présentation est recevable. Le cas échéant, le candidat échevin présenté est déclaré élu.
   Si, deux mois après que le mandat d'échevin est devenu vacant et avant la transmission de l'acte de présentation, qui a été fait en application des alinéas 1er à 4, un autre mandat d'échevin devient vacant, auquel le conseil communal souhaite pourvoir, il peut être procédé à une élection en vue du remplacement de tous les mandats en question, conformément à l'article 43, § 1er et § 2, étant entendu que " trois jours " est lu comme " huit jours ". Le délai initial de deux mois pour le premier mandat devenu vacant reste d'application dans ce cas. Si toutefois la possibilité visée à l'alinéa 1er est appliquée, le délai visé à l'alinéa 3 reste d'application pour le deuxième mandat devenu vacant.
   Dans les cas visés aux alinéas 1er et 8, il peut être stipulé dans l'acte de présentation du candidat échevin, par dérogation à l'article 43, § 4, qu'un ou plusieurs échevins nouvellement élus prennent le rang de ceux qu'ils suppléent.
   Si, deux mois après que le mandat d'échevin est devenu vacant, aucun nouvel échevin n'a été nommé conformément aux alinéas 1er et 8, l'échevin peut être élu lors de la prochaine réunion du conseil communal conformément à l'article 43, § 3.
   Jusqu'à la nouvelle élection, le mandat est assuré conformément au paragraphe 2.]2

  § 2. Si l'échevin est absent pour un motif autre que ceux visés au § 1er, il peut être remplacé par le conseiller communal, élu sur la même liste, qui occupe le rang le plus élevé. S'il n'y a aucun conseiller communal ayant été élu sur la même liste, l'échevin peut être remplacé par le conseiller communal d'une autre liste qui occupe le rang le plus élevé. Si ledit conseiller est dans l'impossibilité de remplacer l'échevin, le mandat d'échevin peut être assuré par l'un des autres conseillers communaux dans l'ordre de leur rang.
  Le conseiller communal qui remplace l'échevin conformément au premier alinéa remplace également cet échevin de plein droit dans son mandat de membre du bureau permanent.
  § 3. L'empêchement, la démission, la déchéance de mandat, la renonciation au mandat, la révocation et la suspension en tant que membre du bureau permanent impliquent de plein droit l'empêchement, la démission, la déchéance de mandat, la renonciation au mandat, la révocation et la suspension de l'échevin.
  § 4. l'échevint qui est considéré comme empêché, qui est suspendu ou qui est temporairement absent est remplacé pour la durée de son empêchement, de sa suspension ou de son absence temporaire. Le conseil communal prend acte de l'empêchement ou de la suspension ainsi que de la cessation de la période d'empêchement ou de suspension.
  
Afdeling 2. - De werking van het college van burgemeester en schepenen
Section 2. - Fonctionnement du collège des bourgmestre et échevins
Art. 50. Het college van burgemeester en schepenen vergadert zo dikwijls als de zaken die tot zijn bevoegdheid behoren, het vereisen. De burgemeester kan in spoedeisende gevallen buitengewone vergaderingen bijeenroepen, op de dag en het uur die hij bepaalt.
  Het college van burgemeester en schepenen kan alleen beraadslagen of beslissen als de meerderheid van de leden aanwezig is.
  Artikel 27 en 29 zijn van overeenkomstige toepassing op de leden van het college van burgemeester en schepenen.
  Overeenkomstig artikel 104 van de Nieuwe Gemeentewet zijn de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen niet openbaar.
  Overeenkomstig artikel 104 van de Nieuwe Gemeentewet worden alleen de beslissingen opgenomen in de notulen en in het register van de beraadslagingen, en kunnen alleen die beslissingen rechtsgevolgen hebben. De notulen worden goedgekeurd op de eerstvolgende gewone vergadering van het college van burgemeester en schepenen. De notulen worden uiterlijk op dezelfde dag als de vergadering van het college van burgemeester en schepenen die volgt op de vergadering van het college van burgemeester en schepenen waarop de notulen zijn goedgekeurd verstuurd naar of ter beschikking gesteld van de gemeenteraadsleden op de wijze die bepaald is in het huishoudelijk reglement. Als een gemeenteraadslid daarom verzoekt, worden de notulen elektronisch verstuurd of ter beschikking gesteld.
Art. 50. Le collège des bourgmestre et échevins se réunit aussi souvent que l'exigent les affaires relevant de sa compétence. Dans des cas d'urgence, le bourgmestre peut convoquer des réunions extraordinaires au jour et à l'heure qu'il détermine.
  Le collège des bourgmestre et échevins ne peut délibérer ou prendre des décisions que lorsque la majorité des membres est présente.
  Les articles 27 et 29 s'appliquent par analogie aux membres du collège des bourgmestre et échevins.
  Conformément à l'article 104 de la Nouvelle Loi communale, les réunions du collège des bourgmestre et échevins ne sont pas publiques.
  Conformément à l'article 104 de la Nouvelle Loi communale, seules les décisions sont actées au procès-verbal et au registre des délibérations, et seules ces décisions sont susceptibles d'avoir des effets de droit. Le procès-verbal est approuvé à la prochaine réunion ordinaire du collège des bourgmestre et échevins. Le procès-verbal est envoyé aux conseillers communaux ou mis à leur disposition suivant les modalités fixées dans le règlement d'ordre intérieur, au plus tard le même jour que celui de la réunion du collège des bourgmestre et échevins qui suit la réunion du collège des bourgmestre et échevins au cours de laquelle le procès-verbal a été approuvé. Si un conseiller communal en fait la demande, le procès-verbal est envoyé ou mis à disposition par voie électronique.
Art. 51. De burgemeester zit het college van burgemeester en schepenen voor, en opent en sluit de vergaderingen.
Art. 51. Le bourgmestre préside le collège des bourgmestre et échevins ; il ouvre et clôt les réunions.
Art. 52. Het college van burgemeester en schepenen beslist collegiaal.
Art. 52. Le collège des bourgmestre et échevins prend ses décisions de manière collégiale.
Art. 53. § 1. De besluiten worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.
  In het eerste lid wordt verstaan onder volstrekte meerderheid van de stemmen: meer dan de helft van de uitgebrachte stemmen, onthoudingen niet meegerekend.
  § 2. Bij staking van stemmen verdaagt het college van burgemeester en schepenen de zaak tot een volgende vergadering. Als de meerderheid van het college van burgemeester en schepenen de zaak vóór de behandeling ervan echter spoedeisend heeft verklaard, is de stem van de voorzitter van het college van burgemeester en schepenen beslissend. Hetzelfde geldt als er op twee achtereenvolgende vergaderingen over dezelfde zaak een staking van stemmen is.
  In afwijking van het eerste lid is het voorstel, in geval van staking van stemmen, verworpen, als het college van burgemeester en schepenen optreedt als tuchtoverheid als vermeld in artikel 201, eerste lid.
  § 3. Artikel 34 en 35 zijn van overeenkomstige toepassing op de stemmingen in het college van burgemeester en schepenen.
Art. 53. § 1er. Les décisions sont prises à la majorité absolue des voix.
  Au premier alinéa, il convient d'entendre par majorité absolue des voix : plus de la moitié des voix exprimées, les abstentions n'étant pas prises en compte.
  § 2. En cas de partage des voix, le collège des bourgmestre et échevins remet l'affaire à une autre réunion. Si, cependant, la majorité du collège des bourgmestre et échevins a, préalablement à la discussion, déclaré l'urgence de l'affaire, la voix du président du collège des bourgmestre et échevins est décisive. Il en va de même en cas de partage de voix à deux réunions consécutives sur la même affaire.
  Par dérogation au premier alinéa, en cas de parité des voix, la proposition est rejetée si le collège des bourgmestre et échevins agit en autorité disciplinaire telle que visée à l'article 201, premier alinéa.
  § 3. Les articles 34 et 35 s'appliquent par analogie aux scrutins du collège des bourgmestre et échevins.
Art. 54. Het college van burgemeester en schepenen neemt bij de aanvang van de zittingsperiode een huishoudelijk reglement aan waarin het nadere regels vaststelt over zijn werking.
  [1 Het huishoudelijk reglement regelt minstens of het college van burgemeester en schepenen digitaal of hybride kan vergaderen en de wijze waarop. De Vlaamse Regering kan de minimale voorwaarden voor digitale en hybride vergaderingen bepalen.]1
  
Art. 54. Au début de la législature, le collège des bourgmestre et échevins adopte un règlement d'ordre intérieur qui précise les modalités de son fonctionnement.
  [1 Le règlement d'ordre intérieur règle au moins si et comment le collège des bourgmestre et échevins peut se réunir par voie numérique ou hybride. Le Gouvernement flamand peut arrêter les conditions minimales des réunions numériques et hybrides.]1
  
Art. 55. Het college van burgemeester en schepenen heeft dezelfde deontologische code als die welke is aangenomen voor de gemeenteraad met toepassing van artikel 39. Het college van burgemeester en schepenen kan echter zelf een deontologische code aannemen die minstens de deontologische code zoals aangenomen door de gemeenteraad omvat.
Art. 55. Le collège des bourgmestre et échevins a le même code de déontologie que celui adopté par le conseil communal en application de l'article 39. Le collège des bourgmestre et échevins peut cependant lui-même adopter un code de déontologie qui comprend au moins le code de déontologie tel qu'adopté par le conseil communal.
Afdeling 3. - De bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen
Section 3. - Compétences du collège des bourgmestre et échevins
Art. 56. § 1. Het college van burgemeester en schepenen bereidt de beraadslagingen en de besluiten van de gemeenteraad voor.
  Het college van burgemeester en schepenen voert de besluiten van de gemeenteraad uit.
  § 2. Het college oefent de bevoegdheden uit die eraan zijn toevertrouwd overeenkomstig artikel 41, eerste lid, van dit decreet, of overeenkomstig andere wettelijke en decretale bepalingen.
  § 3. Het college van burgemeester en schepenen is bevoegd voor:
  1° de daden van beheer over de gemeentelijke inrichtingen en eigendommen, in voorkomend geval binnen de door de gemeenteraad vastgestelde algemene regels;
  2° het aanstellen en het ontslaan van het personeel, alsook de sanctie- en tuchtbevoegdheid ten aanzien van het personeel, met behoud van de toepassing van de bevoegdheid van de gemeenteraad, vermeld in artikel 41, tweede lid, 6°, van dit decreet en de gevallen waarin die bevoegdheid door of krachtens de wet of het decreet aan de gemeenteraad is opgedragen;
  3° het financiële beheer, met behoud van de toepassing van de bevoegdheden van de gemeenteraad;
  4° het voeren van de plaatsingsprocedure, de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten;
  5° de vaststelling van de plaatsingsprocedure en de voorwaarden van overheidsopdrachten als het gaat om een opdracht die past binnen het begrip `dagelijks bestuur', vermeld in artikel 41, tweede lid, 8° ;
  6° de vaststelling van de plaatsingsprocedure en de voorwaarden van overheidsopdrachten voor de opdrachten waarvoor de gemeenteraad dat nominatief aan het college van burgemeester en schepenen heeft toevertrouwd;
  7° de beslissingen die een wet, een decreet of een uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk aan het college van burgemeester en schepenen voorbehoudt;
  8° de daden van beschikking:
  a) over roerende goederen, met uitzondering van het aangaan van de dadingen;
  b) over verhuring, concessie, pacht, jacht- en visrechten van meer dan negen jaar, behalve het vaststellen van de contractvoorwaarden waarvoor de gemeenteraad bevoegd blijft;
  9° het vertegenwoordigen van de gemeente in gerechtelijke en buitengerechtelijke gevallen en beslissingen over het in rechte optreden namens de gemeente, behalve in geval van toepassing van artikel 297, § 1, tweede lid;
  10° de burgerlijke stand en de politie over de vertoningen overeenkomstig artikel 125, 126, 127, 130 en 132 van de Nieuwe Gemeentewet;
  11° het opleggen van administratieve sancties overeenkomstig artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet;
  12° [1 de afpaling van de gemeentewegen, met inachtneming van de rooilijnplannen en eventuele andere plannen als die bestaan, volgens de bepalingen van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen]1;
  13° het afsluiten van een afsprakennota als vermeld in artikel 171, § 2.
  § 4. Als de gemeenteraad geen delegatie gegeven heeft voor de vaststelling van de plaatsingsprocedure en de voorwaarden van overheidsopdrachten, met toepassing van artikel 41, § 1, kan het college van burgemeester en schepenen in gevallen van dwingende en onvoorziene omstandigheden op eigen initiatief die bevoegdheden uitoefenen.
  § 5. Het college van burgemeester en schepenen is verantwoordelijk voor de zorg voor het gemeentearchief waaronder de titels.
  § 6. Het college van burgemeester en schepenen houdt een volledig en geactualiseerd overzicht bij van:
  1° alle extern verzelfstandigde agentschappen van de gemeente, hun statuten en de overeenkomsten die ze hebben gesloten met de gemeente;
  2° alle verenigingen, stichtingen en vennootschappen waarin de gemeente deelneemt;
  3° alle intergemeentelijke samenwerkingsverbanden waarvan de gemeente deel uitmaakt, hun statuten en de overeenkomsten die ze hebben gesloten met de gemeente.
  Minstens eenmaal per jaar wordt de gemeenteraad op de hoogte gebracht van het geactualiseerde overzicht met een toelichting van alle wijzigingen die zich sinds de vorige toelichting hebben voorgedaan.
  § 7. Dit artikel doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de burgemeester, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 2.
  
Art. 56. § 1er. Le collège des bourgmestre et échevins prépare les délibérations et les décisions du conseil communal.
  Le collège des bourgmestre et échevins exécute les décisions du conseil communal.
  § 2. Le collège exerce les compétences qui lui sont confiées conformément à l'article 41, premier alinéa, du présent décret, ou conformément à d'autres dispositions légales et décrétales.
  § 3. Le collège des bourgmestre et échevins est compétent pour :
  1° les actes de gestion des installations et propriétés communales, le cas échéant, dans les limites des règles générales fixées par le conseil communal ;
  2° la désignation et le licenciement du personnel, ainsi que la compétence de sanction et disciplinaire à l'égard du personnel, sans préjudice de la compétence du conseil communal conformément à l'article 41, deuxième alinéa, 6°, du présent décret et des cas dans lesquels ladite compétence est conférée au conseil communal par ou en vertu de la loi ou du décret ;
  3° la gestion financière, sans préjudice des compétences du conseil communal ;
  4° le lancement d'une procédure de passation, l'attribution et l'exécution de marchés publics ;
  5° l'établissement du mode de passation et les conditions des marchés publics s'il s'agit d'un marché qui s'inscrit dans le cadre de la notion de " gestion journalière ", telle que visée à l'article 41, deuxième alinéa, 8° ;
  6° l'établissement de la procédure de passation et des conditions de marchés publics pour les missions pour lesquelles le conseil communal a confié cette tâche de façon nominative au collège des bourgmestre et échevins ;
  7° les décisions que la loi, le décret ou l'arrêté d'exécution réserve explicitement au collège des bourgmestre et échevins ;
  8° les actes de disposition :
  a) relatifs à des biens mobiliers, à l'exception de la réalisation de transactions ;
  b) relatifs à la location, à la concession, au fermage, aux droits de chasse et de pêche de plus de neuf ans, sauf l'établissement des conditions contractuelles pour lesquelles le conseil communal reste compétent ;
  9° la représentation de la commune dans le cadre d'affaires judiciaires et extrajudiciaires et lors de décisions sur l'action en droit au nom de la commune, sauf dans le cas de l'application de l'article 297, § 1er, deuxième alinéa ;
  10° l'état civil et la police des spectacles conformément aux articles 125, 126, 127, 130 et 132 de la Nouvelle Loi communale ;
  11° l'imposition de sanctions administratives conformément à l'article 119bis de la Nouvelle Loi communale ;
  12° [1 le bornage des routes communales, compte tenu des plans d'alignement et de tout autre plan existant, conformément aux dispositions du décret du 3 mai 2019 sur les routes communales]1 ;
  13° conclure une note d'accord, telle que visée à l'article 171, § 2.
  § 4. Si le conseil communal n'a pas donné délégation pour l'établissement de la procédure de passation et des conditions de marché public, en application de l'article 41, § 1er, le collège des bourgmestre et échevins peut, en cas de circonstances impératives et imprévues, de sa propre initiative exercer ces compétences.
  § 5. Le collège des bourgmestre et échevins est responsable de la garde des archives communales, dont les titres.
  § 6. Le collège des bourgmestre et échevins tient un aperçu complet et actualisé de :
  1° toutes les agences autonomisées externes de la commune, leurs statuts et leurs conventions avec la commune ;
  2° toutes les associations, fondations et sociétés auxquelles la commune participe ;
  3° tous les partenariats intercommunaux dont la commune fait partie, leurs statuts et leurs conventions avec la commune.
  Au moins une fois par an, le conseil communal est informé dudit aperçu, actualisé et accompagné d'une notice explicative de toutes les modifications qui ont été apportées depuis la notice précédente.
  § 7. Le présent article ne porte pas atteinte aux compétences du bourgmestre visées au chapitre 3, section 2.
  
Art. 57. Met behoud van de toepassing van deel 2, titel 3, en behalve in geval van uitdrukkelijke toewijzing van een bevoegdheid als vermeld in artikel 2, § 2, tweede lid, aan het college van burgemeester en schepenen, kan het college van burgemeester en schepenen bij reglement de uitoefening van bepaalde bevoegdheden aan de algemeen directeur toevertrouwen.
  De bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen, vermeld in artikel 56, § 1, eerste lid, en § 4, en de op basis van artikel 56, § 2, gedelegeerde bevoegdheden van de gemeenteraad voor het vaststellen van de rechtspositieregeling, het vaststellen van wat onder het begrip `dagelijks personeelsbeheer' moet worden verstaan, het aangaan van dadingen met personeelsleden naar aanleiding van een beëindiging van het dienstverband, die de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband als voorwerp hebben, en de bevoegdheden, vermeld in artikel 56, § 3, 7°, 8°, b), 9°, 10°, 11° en 13°, kunnen evenwel niet aan de algemeen directeur worden toevertrouwd. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen in het kader van het financiële beheer, vermeld in artikel 258, 267, 269, 271 en 272, § 2.
  De algemeen directeur oefent de bevoegdheden die hem met toepassing van het eerste lid zijn toevertrouwd persoonlijk uit. Met uitzondering van de bevoegdheid tot het vaststellen van het organogram en de bevoegdheid tot het aanstellen van een waarnemend algemeen directeur bij toepassing van artikel 166, vierde lid, kan de algemeen directeur die bevoegdheden toevertrouwen aan andere personeelsleden van de gemeente.
Art. 57. Sans préjudice de l'application de la partie 2, titre 3 et sauf en cas d'attribution explicite d'une compétence dans le sens de l'article 2, § 2, deuxième alinéa, au collège des bourgmestre et échevins, le collège des bourgmestre et échevins peut confier par règlement l'exercice de certaines compétences au directeur général.
  Les compétences du collège des bourgmestre et échevins visées à l'article 56, § 1er, premier alinéa, et § 4, et les compétences déléguées du conseil communal sur la base de l'article 56, § 2, relatives à l'établissement du statut, à l'établissement de ce qu'il convient d'entendre par la notion de " gestion journalière du personnel ", à la conclusion de transactions avec des membres du personnel à l'occasion d'une cessation du contrat de travail, qui ont pour objet les conséquences de la cessation du contrat de travail, et les compétences visées à l'article 56, § 3, 7°, 8°, b), 9°, 10°, 11° et 13°, ne peuvent toutefois pas être confiés au directeur général. Il en va de même pour les compétences du collège des bourgmestre et échevins en matière de gestion financière, mentionnées aux articles 258, 267, 269, 271 et 272, § 2.
  Le directeur général exerce personnellement les compétences qui lui sont confiées conformément à l'alinéa premier. A l'exception de la compétence relative à l'établissement de l'organigramme et de la compétence relative à la désignation d'un directeur général faisant fonction en application de l'article 166, quatrième alinéa, le directeur général peut confier ces compétences à d'autres membres du personnel de la commune.
HOOFDSTUK 3. - De burgemeester
CHAPITRE 3. - Le bourgmestre
Afdeling 1. - De benoeming van de burgemeester
Section 1ère. - Nomination du bourgmestre
Art. 58. [1 § 1. Met behoud van de toepassing van de nationaliteitsvereiste, vermeld in artikel 13 van de Nieuwe Gemeentewet, wordt de verkozene voor de gemeenteraad die het hoogste aantal naamstemmen heeft en die tot de coalitiefractie met de meeste zetels in de gemeenteraad behoort, door de Vlaamse Regering benoemd tot burgemeester. Als verschillende coalitiefracties het hoogste aantal zetels hebben, wordt de verkozene voor de gemeenteraad die het hoogste aantal naamstemmen heeft en die tot de coalitiefractie behoort waarvan de lijst het hoogste stemcijfer heeft behaald, door de Vlaamse Regering benoemd tot burgemeester. Als de verkozenen van de coalitiefracties met het hoogste aantal zetels verkozen zijn op dezelfde lijst conform artikel 36, § 2, van dit decreet, en als die lijst het hoogste stemcijfer heeft behaald, wordt de verkozene voor de gemeenteraad van die lijst met het hoogste aantal naamstemmen door de Vlaamse Regering benoemd tot burgemeester. [2 Als twee verkozenen van de grootste coalitiefractie een gelijk hoogste aantal naamstemmen hebben behaald, is de kandidaat die het hoogst gerangschikt stond op de lijst, de aangewezen burgemeester.]2 Tot de eerstvolgende vernieuwing van de gemeenteraad wordt een fractie geacht hetzelfde aantal leden te behouden voor wat betreft het gewicht van de fracties en de daaruit volgende benoeming van de burgemeester.
  [2 In het geval van verkiezing zonder stemming, is de hoogst gerangschikte kandidaat op de lijst met het hoogste aantal zetels de aangewezen burgemeester.]2
   Vanaf de installatie van de schepenen is het raadslid waarvan sprake in het eerste lid, aangewezen-burgemeester, draagt het de titel van `aangewezen-burgemeester' en oefent het alle functies uit die aan de burgemeester worden toever- trouwd. De aangewezen-burgemeester wordt niet als schepen vervangen, indien hij als schepen werd verkozen.
   Voor hij zijn mandaat aanvaardt, legt de aangewezen-burgemeester de volgende eed af in handen van de voorzitter van de gemeenteraad: "Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen.". Als de aangewezenburgemeester zelf de voorzitter van de gemeenteraad is, legt hij de eed af in handen van het oudste gemeenteraadslid. De aangewezen-burgemeester die de eed weigert of die, nadat hij daarvoor uitdrukkelijk is opgeroepen, zonder geldige reden afwezig is op de eerste daaropvolgende vergadering, wordt geacht zowel het ambt van aangewezen-burgemeester als het burgemeestersmandaat niet te aanvaarden. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak over de geschillen die daarover rijzen.
   De Vlaamse Regering neemt een beslissing over de al dan niet benoeming tot burgemeester nadat de aangewezen-burgemeester de eed heeft afgelegd en zij daarvan in kennis is gesteld door de gemeenteraad. In geval van benoeming tot burgemeester, kan hij als schepen worden vervangen conform artikel 49, § 1.
  [4 Voor hij zijn mandaat aanvaardt, legt de benoemde burgemeester de volgende eed af in handen van de provinciegouverneur: "Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen." De benoemde burgemeester die de eed na twee oproepingen niet heeft afgelegd, wordt geacht het burgemeestersmandaat niet te aanvaarden. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak over de geschillen die daarover rijzen.]4
   In geval van een algehele vernieuwing van de gemeenteraad vindt de eedaflegging plaats tijdens de installatievergadering van de gemeenteraad of tijdens een van de daaropvolgende vergaderingen van de gemeenteraad.
   In geval van weigering van eedaflegging van de aangewezen-burgemeester of van de burgemeester of van weigering tot benoeming in afwijking van het eerste lid wordt de procedure, vermeld in het [2 derde]2 tot en met het [2 vijfde]2 lid, hernomen met toepassing van de regeling, vermeld in paragraaf 2.
   De beslissing van de Vlaamse Regering tot niet-benoeming van de burgemeester en de weigering tot eedaflegging als aangewezen-burgemeester of als burgemeester heeft tot gevolg dat betrokkene tijdens dezelfde bestuursperiode niet meer kan worden benoemd als burgemeester.
   § 2. Als het raadslid, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, het mandaat van aangewezen-burgemeester of het burgemeestersmandaat niet aanvaardt, als hij definitief ophoudt dat mandaat uit te oefenen, of in het geval dat de Vlaamse Regering beslist de benoeming tot burgemeester te weigeren, wordt het raadslid dat, na dat raadslid, binnen dezelfde fractie de meeste naamstemmen heeft behaald, aangewezen-burgemeester en door de Vlaamse Regering benoemd tot burgemeester. Als alle verkozenen van de grootste coalitiefractie ervan afzien het mandaat van aangewezen-burgemeester of het mandaat van burgemeester op te nemen, wordt de verkozene die behoort tot de op een na grootste coalitiefractie en die de meeste naamstemmen behaald heeft, aangewezen-burgemeester en door de Vlaamse Regering benoemd tot burgemeester.
   De regeling, vermeld in het eerste lid, wordt op een analoge manier toegepast op de verkozenen van de andere coalitiefracties in afnemende volgorde van grootte.
   § 3. [3 In afwijking van paragraaf 2 en artikel 59 kan de Vlaamse Regering een burgemeester benoemen voor minder dan zes jaar in geval van een ontvankelijke akte van opvolging die voldoet aan al de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het tweede lid. De Vlaamse Regering stelt het model van de akte van opvolging vast en de wijze waarop dat model ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de akte van opvolging wordt ingediend bij de algemeen directeur.
   Een ontvankelijke akte van opvolging voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze draagt een gemeenteraadslid voor dat de Belgische nationaliteit heeft;
   2° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het eerste lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld;
   3° ze vermeldt de einddatum van het mandaat van burgemeester. De opvolging kan op zijn vroegst in werking treden op 1 oktober van het vierde jaar van de bestuursperiode;
   4° ze vermeldt de naam van de persoon die de burgemeester opvolgt. De voormelde persoon behoort tot dezelfde fractie als de burgemeester die wordt opgevolgd;
   5° ze is ondertekend door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen;
   6° ze is ondertekend door de meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat-opvolger zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-opvolger voorkomt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   7° ze is uiterlijk drie dagen voor de installatievergadering van de gemeenteraad aan de algemeen directeur bezorgd.
   Bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van de burgemeester, vermeld in de akte van opvolging, is de burgemeester van rechtswege ontslagnemend.
   Als het mandaat van burgemeester eindigt voor 1 oktober van het vierde jaar van de bestuursperiode, wordt de akte van opvolging zonder voorwerp en wordt tot vervanging overgegaan conform paragraaf 2.
   Als het mandaat van burgemeester vervroegd eindigt op of na 1 oktober van het vierde jaar van de bestuursperiode, neemt het raadslid, vermeld in de opvolgakte, het mandaat vervroegd op.
   Als de persoon die in de akte van opvolging is vermeld, geen gemeenteraadslid meer is, wordt de akte van opvolging zonder voorwerp.
   Een nieuwe akte van opvolging kan alleen worden ingediend in de volgende gevallen:
   1° de akte van opvolging is onontvankelijk;
   2° het mandaat van de burgemeester eindigt voor 1 oktober van het vierde jaar van de bestuursperiode en er wordt tot vervanging overgegaan conform paragraaf 2;
   3° voor de einddatum van het mandaat van de burgemeester is de persoon die in de akte van opvolging is vermeld, geen gemeenteraadslid meer.
   Het tweede lid, met uitzondering van punt 7°, is van toepassing op de nieuwe akte van opvolging, vermeld in het zevende lid. De voormelde nieuwe akte van opvolging wordt uiterlijk acht dagen voor de vergadering van de gemeenteraad aan de algemeen directeur bezorgd.
   Als bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van burgemeester, vermeld in de akte van opvolging, de persoon die in de akte van opvolging is vermeld, het mandaat niet opneemt of als na de opvolging het mandaat van burgemeester vroegtijdig eindigt, wordt de burgemeester vervangen op basis van een akte van voordracht die voldoet aan al de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het tiende lid. De Vlaamse Regering stelt het model van de voormelde akte van voordracht vast en de wijze waarop dat model ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de voormelde akte van voordracht wordt ingediend bij de algemeen directeur.
   Een akte van voordracht als vermeld in het negende lid, is ontvankelijk als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze draagt een gemeenteraadslid voor dat de Belgische nationaliteit heeft;
   2° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het negende lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld;
   3° ze vermeldt de naam van de kandidaat-burgemeester. De kandidaat-burgemeester behoort tot dezelfde fractie als de burgemeester die wordt vervangen;
   4° ze is ondertekend door meer dan de helft van de gemeenteraadsleden;
   5° ze is ondertekend door de meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat-opvolger zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-opvolger voorkomt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   6° ze is uiterlijk acht dagen voor de vergadering van de gemeenteraad waarop de vervanging van de burgemeester is geagendeerd, aan de algemeen directeur bezorgd.
   Niemand kan meer dan één akte van opvolging of één akte van voordracht ondertekenen. Overtreding van het voormelde verbod wordt bestraft conform artikel 7, § 2.
   De algemeen directeur bezorgt een afschrift van de akte van opvolging of de akte van voordracht aan de burgemeester.
   Nadat de gemeenteraadsleden de eed hebben afgelegd, bezorgt de algemeen directeur in voorkomend geval de akte van opvolging aan de voorzitter van de gemeenteraad. In voorkomend geval bezorgt de algemeen directeur de akte van voordracht, vermeld in het negende lid, aan de voorzitter van de gemeenteraad.
   De voorzitter van de gemeenteraad gaat na of de akte van opvolging of de akte van voordracht voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden. Alleen de handtekeningen van de gemeenteraadsleden die de eed hebben afgelegd, worden daarvoor in aanmerking genomen, met inbegrip van de opvolgers die de akte van opvolging hebben ondertekend en die nadien als gemeenteraadslid de eed hebben afgelegd. Als de akte van opvolging of de akte van voordracht, vermeld in het eerste en het negende lid, ontvankelijk is, bezorgt de voorzitter de akte aan de Vlaamse Regering.
   De Vlaamse Regering beslist of de opvolger of kandidaat-burgemeester al dan niet benoemd wordt.]3
]1

  
Art. 58. [1 § 1er. Sans préjudice de l'application de la condition de nationalité, visée à l'article 13 de la nouvelle loi communale, l'élu au conseil communal qui a le plus de votes nominatifs et qui fait partie du groupe de coalition ayant le plus de sièges au conseil communal, est nommé bourgmestre par le Gouvernement flamand. Si plusieurs groupes de coalition ont le plus de sièges, l'élu au conseil communal qui a le plus de votes nominatifs et qui appartient au groupe de coalition dont la liste a obtenu le chiffre électoral le plus élevé, est nommé bourgmestre par le Gouvernement flamand. Si les élus des groupes de coalition ayant le plus de sièges sont élus sur la même liste conformément à l'article 36, § 2, du présent décret, et si cette liste a obtenu le chiffre électoral le plus élevé, l'élu au conseil communal de cette liste qui a le plus de votes nominatifs est nommé bourgmestre par le Gouvernement flamand. [2 Si deux élus du plus grand groupe de coalition ont obtenu le même nombre de votes nominatifs le plus élevé, le candidat qui occupait la place la plus élevée sur la liste est le bourgmestre désigné.]2 Jusqu'au prochain renouvellement du conseil communal, un groupe est censé conserver le même nombre de membres en ce qui concerne le poids des groupes et la nomination du bourgmestre qui en découle.
  [2 En cas d'élection sans vote, le candidat qui occupe la place la plus élevée sur la liste ayant obtenu le plus grand nombre de sièges est le bourgmestre désigné.]2
   A partir de l'installation des échevins, le conseiller visé à l'alinéa 1er est le bourgmestre désigné, il porte le titre de " bourgmestre désigné " et exerce toutes les fonctions confiées au bourgmestre. Le bourgmestre désigné n'est pas remplacé en qualité d'échevin s'il a été élu échevin.
   Avant d'accepter son mandat, le bourgmestre désigné prête le serment suivant entre les mains du président du conseil communal : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de mon mandat. ". Si le bourgmestre désigné est lui-même le président du conseil communal, il prête le serment entre les mains du conseiller communal le plus âgé. Le bourgmestre désigné qui refuse de prêter le serment ou qui, après avoir été explicitement convoqué, est absent sans motif valable à la première réunion suivante, est censé ne pas accepter ni la fonction de bourgmestre désigné, ni le mandat de bourgmestre. Le Conseil des Contestations électorales statue sur les litiges qui surviennent à ce sujet.
   Le Gouvernement flamand prend une décision sur la nomination ou non en qualité de bourgmestre après que le bourgmestre désigné a prêté le serment et après en avoir été informé par le conseil communal. En cas de nomination en qualité de bourgmestre, il peut être remplacé en qualité d'échevin conformément à l'article 49, § 1er.
  [4 Avant d'accepter son mandat, le bourgmestre nommé prête le serment suivant entre les mains du gouverneur de province : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de mon mandat. " Le bourgmestre nommé qui n'a pas prêté serment après deux convocations est censé ne pas accepter son mandat de bourgmestre. Le Conseil des Contestations électorales statue sur les litiges qui surviennent à ce sujet.]4
   En cas de renouvellement intégral du conseil communal, la prestation de serment a lieu pendant la réunion d'installation du conseil communal ou pendant une des réunions suivantes du conseil communal.
   En cas de refus de prêter serment du bourgmestre désigné ou du bourgmestre, ou de refus de nomination par dérogation à l'alinéa 1er, la procédure visée [2 aux alinéas 3 à 5]2 est reprise en application du règlement visé au paragraphe 2.
   La décision du Gouvernement flamand de ne pas nommer le bourgmestre et le refus de prêter serment en qualité de bourgmestre désigné ou de bourgmestre a pour effet que l'intéressé ne peut plus être nommé bourgmestre pendant la même législature.
   § 2. Si le conseiller visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, n'accepte pas le mandat de bourgmestre désigné ou le mandat de bourgmestre, s'il cesse définitivement d'exercer ce mandat, ou si le Gouvernement flamand décide de refuser la nomination en qualité de bourgmestre, le conseiller qui, après ce conseiller, au même groupe, a obtenu le plus de votes nominatifs, devient le bourgmestre désigné et est nommé bourgmestre par le Gouvernement flamand. Si tous les élus du plus grand groupe de coalition s'abstiennent d'assumer le mandat de bourgmestre désigné ou le mandat de bourgmestre, l'élu qui appartient au deuxième plus grand groupe de coalition et qui a obtenu le plus de votes nominatifs, devient bourgmestre désigné et est nommé bourgmestre par le Gouvernement flamand.
   Le règlement visé à l'alinéa 1er est appliqué par analogie aux élus des autres groupes de coalition dans l'ordre décroissant de leur taille.
   § 3. [3 Par dérogation au paragraphe 2 et à l'article 59, le Gouvernement flamand peut nommer un bourgmestre pour une période inférieure à six ans dans le cas d'un acte de suppléance recevable qui répond à toutes les conditions de recevabilité, visées à l'alinéa 2. Le Gouvernement flamand arrête le modèle de l'acte de suppléance, et la manière dont ce modèle est mis à disposition. Le Gouvernement flamand peut arrêter le mode d'introduction de l'acte de suppléance auprès du directeur général.
   Un acte de suppléance recevable répond à toutes les conditions suivantes :
   1° il présente un conseiller communal qui a la nationalité belge ;
   2° il a été fait sur le modèle d'acte que le Gouvernement flamand arrête en vertu de l'alinéa 1er, et qui est mis à disposition le jour de l'élection par une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand avec le cachet dateur de ce jour ;
   3° il indique la date de fin du mandat de bourgmestre. La suppléance ne peut entrer en vigueur qu'au plus tôt le 1er octobre de la quatrième année de la législature ;
   4° il indique le nom de la personne qui succède au bourgmestre. La personne précitée appartient au même groupe que le bourgmestre qui est succédé ;
   5° il est signé par plus de la moitié des élus sur les listes qui ont participé aux élections ;
   6° il est signé par une majorité des personnes qui ont été élues sur la même liste que le candidat suppléant présenté. Si la liste sur laquelle figure le nom du candidat suppléant ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   7° il est remis au directeur général au plus tard trois jours avant la réunion d'installation du conseil communal.
   Le bourgmestre est démissionnaire de plein droit à l'expiration de la date de fin du mandat du bourgmestre, mentionnée dans l'acte de suppléance.
   Si le mandat de bourgmestre prend fin avant le 1er octobre de la quatrième année de la législature, l'acte de suppléance est sans objet et il est procédé au remplacement conformément au paragraphe 2.
   Si le mandat de bourgmestre prend prématurément fin le 1er octobre de la quatrième année de la législature ou après cette date, le conseiller mentionné dans l'acte de suppléance assume le mandat de manière anticipée.
   Si la personne mentionnée dans l'acte de suppléance n'est plus conseiller communal, l'acte de suppléance est sans objet.
   Un nouvel acte de suppléance ne peut être introduit que dans les cas suivants :
   1° l'acte de suppléance est irrecevable ;
   2° le mandat du bourgmestre prend fin avant le 1er octobre de la quatrième année de la législature et il est procédé au remplacement conformément au paragraphe 2 ;
   3° avant la date de fin du mandat du bourgmestre, la personne mentionnée dans l'acte de suppléance n'est plus conseiller communal.
   L'alinéa 2, à l'exception du point 7°, s'applique au nouvel acte de suppléance visé à l'alinéa 7. Le nouvel acte de suppléance précité est transmis au directeur général au plus tard huit jours avant la réunion du conseil communal.
   Si, à la date de fin du mandat de bourgmestre, visée à l'acte de suppléance, la personne mentionnée dans l'acte de suppléance n'assume pas le mandat ou si, après la suppléance, le mandat de bourgmestre prend prématurément fin, le bourgmestre est remplacé sur la base d'un acte de présentation qui répond à toutes les conditions de recevabilité, visées à l'alinéa 10. Le Gouvernement flamand arrête le modèle de l'acte de présentation précité, et la manière dont ce modèle est mis à disposition. Le Gouvernement flamand peut arrêter le mode d'introduction de l'acte de présentation précité auprès du directeur général.
   Un acte de présentation tel que visé à l'alinéa 9 est recevable lorsqu'il remplit toutes les conditions suivantes :
   1° il présente un conseiller communal qui a la nationalité belge ;
   2° il a été fait sur le modèle d'acte que le Gouvernement flamand arrête en vertu de l'alinéa 9, et qui est mis à disposition le jour de l'élection par une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand avec le cachet dateur de ce jour ;
   3° il indique le nom du candidat bourgmestre. Le candidat bourgmestre appartient au même groupe que le bourgmestre qui est remplacé ;
   4° il est signé par plus de la moitié des conseillers communaux ;
   5° il est signé par une majorité des personnes qui ont été élues sur la même liste que le candidat suppléant présenté. Si la liste sur laquelle figure le nom du candidat suppléant ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   6° il est remis au directeur général au plus tard huit jours avant la réunion du conseil communal au cours de laquelle le remplacement du bourgmestre est inscrit à l'ordre du jour.
   Nul ne peut signer plus d'un acte de suppléance ou un acte de présentation. La violation de l'interdiction précitée est sanctionnée conformément à l'article 7, § 2.
   Le directeur général transmet une copie de l'acte de suppléance ou de l'acte de présentation au bourgmestre.
   Après la prestation de serment des conseillers communaux, le directeur général transmet, le cas échéant, l'acte de suppléance au président du conseil communal. Le cas échéant, le directeur général transmet l'acte de présentation visé à l'alinéa 9 au président du conseil communal.
   Le président du conseil communal vérifie si l'acte de suppléance ou l'acte de présentation répond aux conditions de recevabilité. A cette fin, seules les signatures des conseillers communaux qui ont prêté serment sont prises en compte, y compris les suppléants qui ont signé l'acte de suppléance et ont ensuite prêté serment en qualité de conseiller communal. Si l'acte de suppléance ou l'acte de présentation visé aux alinéas 1er et 9 est recevable, le président transmet l'acte au Gouvernement flamand.
   Le Gouvernement flamand décide si le suppléant ou candidat bourgmestre est nommé ou non.]3
]1

  
Art. 59. De burgemeester wordt, behalve in de gevallen, vermeld in artikel 46, [1 58, § 3, artikel 61, 62 en 354/1]1, benoemd voor een periode van zes jaar.
  [1 ...]1
  Na de gemeenteraadsverkiezingen blijft de aftredende burgemeester in functie tot de nieuwe burgemeester is geïnstalleerd.
  
Art. 59. Sauf dans les cas visés aux articles 46, [1 58, § 3, et aux articles 61, 62 et 354/1]1, le bourgmestre est nommé pour une période de six ans.
  [1 ...]1
  Après les élections communales, le bourgmestre sortant reste en fonction jusqu'à ce que l'installation du nouveau bourgmestre ait eu lieu.
  
Art. 60. Artikel 47, met uitzondering van punt 6°, is van overeenkomstige toepassing op de burgemeester.
Art. 60. L'article 47, à l'exception du point 6°, s'applique par analogie au bourgmestre.
Art. 61. De burgemeester die ontslag wil nemen, deelt dat schriftelijk mee aan de Vlaamse Regering. De aanvraag van het ontslag is definitief na de kennisname van dat ontslag door de Vlaamse Regering. De burgemeester blijft zijn mandaat uitoefenen tot hij als burgemeester vervangen is, behalve als het ontslag het gevolg is van een onverenigbaarheid.
Art. 61. Le bourgmestre qui souhaite démissionner notifie son intention par écrit au Gouvernement flamand. La demande de démission est définitive dès que le Gouvernement flamand a pris connaissance de la démission. Le bourgmestre continue à exercer son mandat jusqu'au moment où il est remplacé en tant que bourgmestre, sauf si sa démission résulte d'une incompatibilité.
Art. 62. In de volgende gevallen wordt een nieuwe burgemeester [4 aangeduid]4 overeenkomstig artikel 58 [4 ...]4:
  1° als de kandidaat-burgemeester het burgemeestersmandaat niet aanvaardt;
  2° als de burgemeester:
  a) van zijn mandaat vervallen wordt verklaard;
  b) als verhinderd wordt beschouwd;
  c) afgezet of geschorst wordt;
  d) ontslag genomen heeft of overleden is;
  [2 e) het voorwerp uitmaakt van een constructieve motie van wantrouwen die de gemeenteraad heeft aangenomen conform artikel 46, en hij als gevolg daarvan ontslagen wordt.]2
  In de gevallen waarin de burgemeester van zijn mandaat vervallen wordt verklaard, als verhinderd wordt beschouwd, afgezet of geschorst wordt, ontslagen is als gevolg van een onverenigbaarheid of overleden is, wordt tot aan de [4 eedaflegging van de aangewezen-burgemeester tijdens de gemeenteraad]4 het burgemeesterschap waargenomen overeenkomstig het derde en vierde lid.
  Met behoud van de toepassing van de nationaliteitsvereiste, vermeld in artikel 14 van de Nieuwe Gemeentewet, wordt de burgemeester die om andere redenen dan de redenen, vermeld in het tweede lid, tijdelijk afwezig is, vervangen door een van de schepenen in volgorde van hun rang, tenzij de burgemeester zijn bevoegdheid aan een andere schepen heeft opgedragen.
  [1 De beslissing van de Vlaamse Regering tot niet-benoeming van de burgemeester heeft tot gevolg dat betrokkene tijdens dezelfde bestuursperiode het ambt van burgemeester niet kan waarnemen. Hij kan daartoe noch door de gemeenteraad, noch door de burgemeester worden aangewezen.]1
  De burgemeester die als verhinderd wordt beschouwd, die geschorst is of tijdelijk afwezig is, wordt vervangen zolang hij verhinderd, geschorst of tijdelijk afwezig is. De gemeenteraad neemt akte van de verhindering of schorsing, en van de beëindiging van de periode van verhindering of schorsing.
  [3 De verhindering, het ontslag, het verval van mandaat, de afstand van mandaat, de afzetting en de schorsing als voorzitter van het vast bureau houdt van rechtswege de verhindering, het ontslag, het verval van mandaat, de afstand van mandaat, de afzetting en de schorsing in als burgemeester.]3
  De schepen die overeenkomstig het derde en vierde lid het burgemeestersambt waarneemt, neemt van rechtswege ook het mandaat waar van voorzitter van het vast bureau.
  
Art. 62. Dans les cas suivants, un nouveau bourgmestre est [4 désigné]4 conformément [4 à l'article 58]4:
  1° si le candidat bourgmestre n'accepte pas le mandat de bourgmestre ;
  2° si le bourgmestre :
  a) est déclaré déchu de son mandat ;
  b) est considéré comme empêché ;
  c) est révoqué ou suspendu ;
  d) a démissionné ou est décédé;
  [2 e) fait l'objet d'une motion de défiance constructive adoptée par le conseil communal conformément à l'article 46, et qu'il en résulte sa révocation.]2
  Dans les cas où le bourgmestre est déclaré déchu de son mandat, est considéré comme empêché, est révoqué ou suspendu, a été licencié pour cause d'incompatibilité ou est décédé, le mandat de bourgmestre est assuré conformément aux troisième et quatrième alinéas jusqu'à la [4 prestation de serment du bourgmestre désigné lors du conseil communal]4.
  Sans préjudice de l'application de la condition de nationalité, visée à l'article 14 de la Nouvelle Loi communale, le bourgmestre qui, pour des motifs autres que ceux visés au deuxième alinéa, est temporairement absent, est remplacé par un des échevins dans l'ordre de leur rang, à moins que le bourgmestre n'ait confié sa compétence à un autre échevin.
  [1 La décision du Gouvernement flamand de non-nomination du bourgmestre a pour effet que l'intéressé ne peut plus assumer la fonction de bourgmestre pendant la même législature. Il ne peut pas être désigné à cet effet, ni par le conseil communal, ni par le bourgmestre.]1
  Le bourgmestre qui est considéré comme empêché, qui est suspendu ou qui est temporairement absent est remplacé pour la durée de son empêchement, de sa suspension ou de son absence temporaire. Le conseil communal prend acte de l'empêchement ou de la suspension ainsi que de la cessation de la période d'empêchement ou de suspension.
  [3 L'empêchement, la démission, la déchéance de mandat, la renonciation au mandat, la révocation et la suspension en tant que président du bureau permanent impliquent de plein droit l'empêchement, la démission, la déchéance de mandat, la renonciation au mandat, la révocation et la suspension en tant que bourgmestre.]3
  L'échevin qui assure la fonction de bourgmestre conformément aux troisième et quatrième alinéas, assume également de plein droit le mandat de président du bureau permanent.
  
Afdeling 2. - De bevoegdheden van de burgemeester
Section 2. - Compétences du bourgmestre
Art. 63. Naast zijn bevoegdheden voor de uitvoering van de politiewetten, politiedecreten, politieverordeningen, politiereglementen en politiebesluiten, voor de bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente en voor dringende politieverordeningen is de burgemeester bevoegd voor de uitvoering van de wetten, de decreten en de uitvoeringsbesluiten van de federale overheid, het gewest of de gemeenschap tenzij die bevoegdheid uitdrukkelijk aan een ander orgaan van de gemeente is opgedragen.
  De burgemeester informeert de gemeenteraad over de wijze waarop hij die bevoegdheid uitoefent als die daarom verzoekt.
Art. 63. En dehors de ses compétences en matière d'exécution des lois de police, décrets de police, ordonnances de police, règlements de police et arrêtés de police, en matière de police administrative sur le territoire de la commune et en matière d'ordonnances de police urgentes, le bourgmestre est compétent pour l'exécution des lois, décrets et arrêtés d'exécution de l'autorité fédérale, de la Région ou de la Communauté, sauf si ladite compétence est confiée explicitement à un autre organe de la commune.
  Le bourgmestre informe le conseil communal de la façon dont il exerce ladite compétence lorsque le conseil communal en fait la demande.
Art. 64. Overeenkomstig artikel 134bis van de Nieuwe Gemeentewet kan de burgemeester vanaf de aanmaning van de eigenaar elk gebouw, dat sedert meer dan zes maanden verlaten is, opeisen om het ter beschikking te stellen van dakloze personen. Het opeisingsrecht kan alleen uitgeoefend worden binnen zes maanden vanaf de dag waarop de burgemeester de eigenaar op de hoogte heeft gebracht en op voorwaarde dat de eigenaar een billijke vergoeding krijgt.
Art. 64. Conformément à l'article 134bis de la Nouvelle Loi communale, le bourgmestre peut, à partir de la mise en demeure du propriétaire, réquisitionner tout immeuble abandonné depuis plus de six mois, afin de le mettre à la disposition de personnes sans abri. Le droit de réquisition ne peut s'exercer que dans un délai de six mois prenant cours à partir de la date de la notification adressée par le bourgmestre au propriétaire, et à la condition que le propriétaire reçoive un dédommagement équitable.
Art. 65. § 1. Als de voorwaarden van de uitbating van de instelling of van de vergunning niet worden nageleefd en nadat aan de overtreder de mogelijkheid is geboden zijn verweermiddelen naar voren te brengen, kan de burgemeester maatregelen nemen als vermeld in artikel 134ter van de Nieuwe Gemeentewet, als verdere vertraging een ernstig nadeel zou kunnen berokkenen. De burgemeester kan in dit geval echter geen maatregelen nemen als de bevoegdheid om in geval van hoogdringendheid een voorlopige sluiting van een instelling of de tijdelijke schorsing van een vergunning uit te spreken door een bijzondere regelgeving is toevertrouwd aan een andere overheid.
  § 2. De maatregelen, vermeld in paragraaf 1, vervallen dadelijk als ze door het college van burgemeester en schepenen in de eerstvolgende vergadering niet worden bekrachtigd.
  Zowel de sluiting als de schorsing kunnen een termijn van drie maanden niet overschrijden. Bij het verstrijken van de termijn wordt de beslissing van de burgemeester van rechtswege opgeheven.
Art. 65. § 1er. Le bourgmestre peut, dans le cas où tout retard causerait un dommage sérieux, prendre des mesures conformément à l'article 134ter de la Nouvelle Loi communale, lorsque les conditions d'exploitation de l'établissement ou de l'autorisation ne sont pas respectées et après que le contrevenant a eu la possibilité de valoir ses moyens de défense. Dans ce cas, il ne peut toutefois pas prendre de mesures si la compétence de prononcer une fermeture provisoire d'un établissement ou la suspension temporaire d'une autorisation en cas d'extrême urgence a été confiée à une autre autorité par une réglementation particulière.
  § 2. Les mesures visées au premier paragraphe cesseront immédiatement d'avoir effet si elles ne sont pas confirmées par le collège des bourgmestre et échevins à sa plus prochaine réunion.
  La fermeture comme la suspension ne peuvent excéder un délai de trois mois. La décision du bourgmestre est levée de plein droit à l'échéance dudit délai.
Art. 66. Overeenkomstig artikel 134quater van de Nieuwe Gemeentewet kan de burgemeester beslissen een voor het publiek toegankelijke inrichting te sluiten voor de duur die hij bepaalt, als de openbare orde in de buurt ervan wordt verstoord naar aanleiding van gedragingen in die inrichting.
  Die maatregelen zullen onmiddellijk ophouden uitwerking te hebben als ze niet tijdens de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen worden bevestigd.
  De sluiting mag een termijn van drie maanden niet overschrijden. De beslissing van de burgemeester wordt van rechtswege opgeheven bij het verstrijken van die termijn.
Art. 66. Conformément à l'article 134quater de la Nouvelle Loi communale, le bourgmestre peut décider de fermer un établissement accessible au public pour la durée qu'il détermine si l'ordre public autour de cet établissement est troublé par des comportements survenant dans l'établissement en question.
  Les mesures en question cesseront immédiatement d'avoir effet si elles ne sont pas confirmées par le collège des bourgmestre et échevins lors de sa réunion suivante.
  La fermeture ne peut excéder un délai de trois mois. La décision du bourgmestre est levée de plein droit à l'échéance dudit délai.
Art. 67. Op verzoek van de burgemeester roept de voorzitter van de gemeenteraad de gemeenteraad bijeen overeenkomstig artikel 20, met de door de burgemeester voorgestelde agenda, als de door de burgemeester voorgestelde agenda uitsluitend betrekking heeft op de bevoegdheden van de burgemeester.
Art. 67. A la demande du bourgmestre, le président du conseil communal convoque le conseil communal conformément à l'article 20, avec l'ordre du jour proposé par le bourgmestre, dans la mesure où l'ordre du jour proposé par le bourgmestre ne concerne que les compétences du bourgmestre.
HOOFDSTUK 4. - De raad voor maatschappelijk welzijn
CHAPITRE 4. - Le conseil de l'aide sociale
Afdeling 1. - De organisatie van de raad voor maatschappelijk welzijn
Section 1ère. - Organisation du conseil de l'aide sociale
Art. 68. § 1. Behalve in geval van toepassing van paragraaf 2, tweede lid, bestaat de raad voor maatschappelijk welzijn uit dezelfde leden als de gemeenteraad.
  Door het onderzoek van de geloofsbrieven en de erop volgende eedaflegging van de gemeenteraadsleden, vermeld in artikel 6, § 3, en artikel 14, worden de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn van rechtswege als geïnstalleerd beschouwd.
  De rang die de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn innemen is dezelfde als de rang die ze als gemeenteraadslid innemen overeenkomstig artikel 6, § 7.
  § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn bestaat uit personen van verschillend geslacht.
  Als de raad voor maatschappelijk welzijn niet rechtsgeldig blijkt te zijn samengesteld overeenkomstig het eerste lid, wordt het laatste gemeenteraadslid in rang van rechtswege vervangen in de raad voor maatschappelijk welzijn door de eerste opvolger van het andere geslacht op dezelfde lijst als die waarop hij als gemeenteraadslid is verkozen. Als op die lijst geen opvolger van het andere geslacht is verkozen, wordt hij van rechtswege vervangen door de eerste opvolger van het andere geslacht die is verkozen op de lijst met het hoogste stemcijfer.
  § 3. De raad voor maatschappelijk welzijn onderzoekt de geloofsbrieven van het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, aangewezen overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid. Dit raadslid legt, voor hij zijn mandaat aanvaardt, in openbare vergadering de volgende eed af in handen van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn : "Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen.". Het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, aangeduid overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid, dat de eed na twee achtereenvolgende uitnodigingen niet aflegt, wordt geacht zijn mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn niet te aanvaarden.
  § 4. [1 ...]1
  
Art. 68. § 1er. Sauf en cas d'application du paragraphe 2, deuxième alinéa, le conseil de l'aide sociale se compose des mêmes membres que le conseil communal.
  Par le fait même de l'examen des pouvoirs et de la prestation de serment des conseillers communaux qui s'ensuit, visés à l'article 6, § 3, et à l'article 14, les membres du conseil de l'aide sociale sont de plein droit considérés comme installés.
  Le rang qu'occupent les membres du conseil de l'aide sociale est le même que le rang que celui qu'ils occupent en tant que conseiller communal conformément à l'article 6, § 7.
  § 2. Le conseil de l'aide sociale se compose de personnes de sexe différent.
  S'il apparaît que le conseil de l'aide sociale n'est pas composé valablement conformément à l'alinéa premier, le dernier conseiller communal en rang est remplacé de plein droit au sein du conseil de l'aide sociale par le premier suppléant de l'autre sexe sur la même liste que celle sur laquelle il a été élu en tant que conseiller communal. Si aucun suppléant de l'autre sexe n'a été élu sur ladite liste, il est remplacé de plein droit par le premier suppléant de l'autre sexe qui a été élu sur la liste ayant obtenu le plus grand nombre de voix.
  § 3. Le conseil de l'aide sociale examine les pouvoirs du membre du conseil de l'aide sociale désigné conformément au paragraphe 2, deuxième alinéa. Avant d'accepter son mandat, ce conseiller prête le serment suivant en séance publique entre les mains du président du conseil de l'aide sociale : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de mon mandat. " Le membre du conseil de l'aide sociale désigné conformément au paragraphe 2, deuxième alinéa, qui ne prête pas serment après deux convocations successives, est supposé ne pas accepter son mandat de membre du conseil de l'aide sociale.
  § 4. [1 ...]1
  
Art. 69. De voorzitter van de gemeenteraad is van rechtswege de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  [1 Het verval van het mandaat van raadslid, de verhindering, de afstand van mandaat, de afzetting, de schorsing en het ontslag uit het mandaat als voorzitter van de gemeenteraad houden van rechtswege het verval van het mandaat van raadslid, de verhindering, de afstand van mandaat, de afzetting, de schorsing en het ontslag uit het mandaat van voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in.]1
  
Art. 69. Le président du conseil communal est de plein droit le président du conseil de l'aide sociale.
  [1 La déchéance du mandat de conseiller, l'empêchement, la renonciation au mandat, la révocation, la suspension et la démission en tant que président du conseil communal impliquent de plein droit la déchéance du mandat de conseiller, l'empêchement, la renonciation au mandat, la révocation, la suspension et la démission en tant que président du conseil de l'aide sociale.]1
  
Art. 70. De verhindering, het ontslag en het verval van het mandaat van gemeenteraadslid houden van rechtswege de verhindering, het ontslag en het verval van het mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn in.
Art. 70. L'empêchement, la démission et la déchéance du mandat de conseiller communal impliquent de plein droit l'empêchement, la démission et la déchéance du mandat de membre du conseil de l'aide sociale.
Art. 71. Artikel 5, § 1, eerste en derde lid, en § 2, artikel 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, eerste en derde lid, en artikel 16 zijn van overeenkomstige toepassing op de raad voor maatschappelijk welzijn en zijn leden.
Art. 71. L'article 5, § 1er, premier et troisième alinéas, et § 2, les articles 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, premier et troisième alinéas, et l'article 16 s'appliquent par analogie au conseil de l'aide sociale et à ses membres.
Art. 72. In afwijking van artikel 71 wordt het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn aangewezen overeenkomstig artikel 68, § 2, tweede lid, dat afstand doet van zijn mandaat, dat van zijn mandaat vervallen wordt verklaard, dat als verhinderd wordt beschouwd, dat ontslag genomen heeft of dat overleden is, als volgt opgevolgd:
  1° als de raad zonder de vervanging al rechtsgeldig is samengesteld overeenkomstig artikel 68, § 2, eerste lid, wordt het lid vervangen door het gemeenteraadslid dat overeenkomstig artikel 68, § 2, tweede lid, vervangen is;
  2° als de raad zonder de vervanging niet rechtsgeldig is samengesteld overeenkomstig artikel 68, § 2, eerste lid, wordt het lid vervangen door de eerstvolgende opvolger van hetzelfde geslacht op dezelfde lijst als die waarop hij als gemeenteraadslid is verkozen.
Art. 72. Par dérogation à l'article 71, le membre du conseil de l'aide sociale désigné conformément à l'article 68, § 2, deuxième alinéa, qui renonce à son mandat, qui est déclaré déchu de son mandat, qui est considéré comme empêché, qui a démissionné ou qui est décédé, est remplacé comme suit :
  1° si, sans le remplacement, le conseil est déjà composé valablement conformément à l'article 68, § 2, premier alinéa, le membre est remplacé par le conseiller communal qui a été remplacé conformément à l'article 68, § 2, deuxième alinéa ;
  2° si, sans le remplacement, le conseil n'est pas composé valablement conformément à l'article 68, § 2, premier alinéa, le membre est remplacé par le premier suppléant suivant du même sexe sur la même liste que celle sur laquelle il a été élu conseiller communal.
Art. 73. De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn ontvangen ten laste van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alleen presentiegeld voor hun aanwezigheid op de vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn als die vergadering niet aansluit op de vergadering van de gemeenteraad. De Vlaamse Regering stelt een lijst op van vergaderingen die voortvloeien uit de mandaatsverplichtingen van de leden voor wie de raad voor maatschappelijk welzijn bij reglement kan bepalen dat presentiegeld wordt verleend.
  In afwijking van het eerste lid ontvangen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn die geen lid van de gemeenteraad zijn, presentiegeld voor hun aanwezigheid op de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  Artikel 17, § 1, tweede tot en met vierde lid, en § 2 tot en met § 6, zijn van overeenkomstige toepassing op de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn.
Art. 73. Les membres du conseil de l'aide sociale ne reçoivent, à charge du centre public d'action sociale, un jeton de présence pour leur participation à la réunion du conseil de l'aide sociale que si ladite réunion n'a pas lieu directement à la suite de la réunion du conseil communal. Le Gouvernement flamand établit une liste des réunions qui découlent des obligations du mandat des membres pour lesquelles le conseil de l'aide sociale peut arrêter par règlement qu'un jeton de présence soit accordé.
  Par dérogation au premier alinéa, les membres du conseil de l'aide sociale qui ne sont pas conseiller communal reçoivent un jeton de présence pour leur participation aux réunions du conseil de l'aide sociale.
  L'article 17, § 1er, alinéas 2 à 4 inclus, et § 2 à § 6, s'appliquent par analogie aux membres du conseil de l'aide sociale.
Afdeling 2. - De werking van de raad voor maatschappelijk welzijn
Section 2. - Fonctionnement du conseil de l'aide sociale
Art. 74. Artikel 18 tot en met 39, met uitzondering van artikel 29, § 1 en § 5, artikel 36, 37 en 38, eerste lid, 7°, zijn van toepassing op de raad voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat in die bepalingen de volgende woorden worden gelezen als volgt:
  1° "de gemeente" als "het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn";
  2° "gemeenteraad" als "raad voor maatschappelijk welzijn";
  3° "gemeenteraadslid" als "lid van de raad voor maatschappelijk welzijn";
  4° "gemeenteraadsleden" als "leden van de raad voor maatschappelijk welzijn";
  5° "college van burgemeester en schepenen" als "vast bureau";
  6° "burgemeester" als "voorzitter van het vast bureau";
  7° "schepen" als "lid van het vast bureau";
  8° "gemeentelijke bestuursorganen" als "bestuursorganen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn";
  9° "een gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap" als "de verenigingen of vennootschappen, vermeld in deel 3, titel 4";
  10° "artikel 16" als "artikel 71 juncto artikel 16";
  11° "artikel 50, vijfde lid" als "artikel 83, vijfde lid".
Art. 74. Les articles 18 à 39, à l'exception de l'article 29, § 1er et § 5, ainsi que des articles 36, 37 et 38, premier alinéa, 7°, s'appliquent au conseil de l'aide sociale étant entendu que, dans ces dispositions, les mots suivants doivent se lire comme suit :
  1° " la commune " comme " le centre public d'action sociale " ;
  2° " conseil communal " comme " conseil de l'aide sociale " ;
  3° " conseiller communal " comme " membre du conseil de l'aide sociale " ;
  4° " conseillers communaux " comme " membres du conseil de l'aide sociale " ;
  5° " collège des bourgmestre et échevins " comme " bureau permanent " ;
  6° " bourgmestre " comme " président du bureau permanent " ;
  7° " échevin " comme " membre du bureau permanent " ;
  8° " organes de direction communaux " comme " organes de direction du centre public d'action sociale " ;
  9° " une agence autonomisée externe communale " comme " les associations et sociétés visées à la partie 3, titre 4 " ;
  10° " l'article 16 " comme " l'article 71 en liaison avec l'article 16 " ;
  11° " l'article 50, cinquième alinéa " comme " l'article 83, cinquième alinéa ".
Art. 75. De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn hebben het recht van inzage in dossiers, stukken en akten, ongeacht de drager die het bestuur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn betreffen. De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn kunnen, behalve voor de dossiers die betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer van cliënten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of hun onderhoudsplichtigen, een afschrift verkrijgen van die dossiers, stukken en akten. De vergoeding die eventueel wordt gevraagd voor het afschrift, mag in geen geval meer bedragen dan de kostprijs [1 , onder voorbehoud van de toepassing van artikel 12, lid 5, en 15, lid 3, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)]1.
  
Art. 75. Les membres du conseil de l'aide sociale ont le droit de consulter les dossiers, pièces et actes, quel qu'en soit le support, qui concernent l'administration du centre public d'action sociale. Les membres du conseil de l'aide sociale peuvent, sauf pour les dossiers qui ont trait à la vie privée des clients du centre public d'action sociale ou de leurs débiteurs alimentaires, obtenir une copie desdits dossiers, pièces et actes. L'indemnité qui est éventuellement demandée pour la copie en question ne peut en aucun cas être supérieure au prix coûtant [1 sans préjudice de l'application de l'article 12, alinéa 5, et de l'article 15, alinéa 3 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données)]1.
  
Art. 76. Met behoud van de toepassing van artikel 74 juncto artikel 38 worden in het huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk welzijn bepalingen opgenomen over de aangelegenheden, vermeld in deel 3, titel 4.
Art. 76. Sans préjudice de l'application de l'article 74 en liaison avec l'article 38, le règlement d'ordre intérieur du conseil de l'aide sociale reprend des dispositions concernant les matières visées à la partie 3, titre 4.
Afdeling 3. - De bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn
Section 3. - Compétences du conseil de l'aide sociale
Art. 77. De raad voor maatschappelijk welzijn beschikt over de volheid van bevoegdheid voor de aangelegenheden die aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn door of krachtens de wet of het decreet zijn toevertrouwd.
  De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt het beleid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en kan daarvoor algemene regels vaststellen.
  De raad voor maatschappelijk welzijn stelt de reglementen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vast. Die kunnen betrekking hebben op het beleid, [1 de retributies en het inwendige bestuur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1
  
Art. 77. Le conseil de l'aide sociale dispose de compétences pleines et entières pour les matières qui sont confiées au centre public d'action sociale par ou en vertu de la loi ou du décret.
  Le conseil de l'aide sociale détermine la politique du centre public daction sociale et peut à cet effet fixer des règles générales.
  Le conseil de l'aide sociale établit les règlements [1 , aux rétributions et à l'administration interne du centre public d'action sociale.]1
  
Art. 78. De raad voor maatschappelijk welzijn kan bij reglement zijn bevoegdheden overdragen aan het vast bureau.
  De volgende bevoegdheden kunnen niet aan het vast bureau worden toevertrouwd:
  1° de bevoegdheden die aan de raad voor maatschappelijk welzijn zijn toegewezen, vermeld in afdeling 1 en 2 van dit hoofdstuk, en de bevoegdheid tot overdracht, vermeld in het eerste lid;
  2° de beslissingen die een wet, een decreet of een uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk aan de raad voor maatschappelijk welzijn voorbehoudt;
  3° het vaststellen van andere reglementen dan die over personeelsaangelegenheden;
  4° het vaststellen van de beleidsrapporten van de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vermeld in artikel 249;
  5° het oprichten van en het toetreden tot rechtspersonen, of het aanwijzen van leden van de rechtspersonen, vermeld in deel 3, titel 4, en de besluiten om deel te nemen in een gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm;
  6° het goedkeuren van beheersovereenkomsten en samenwerkingsovereenkomsten als vermeld in artikel 196;
  7° het aanstellen en ontslaan van de ombudsman, alsook de sanctie- en tuchtbevoegdheid ten aanzien van dat personeelslid;
  8° het goedkeuren van het algemene kader van het organisatiebeheersingssysteem, vermeld in artikel 219;
  9° het vaststellen van wat onder het begrip `dagelijks bestuur' moet worden verstaan;
  10° het vaststellen van de plaatsingsprocedure en het vaststellen van de voorwaarden van overheidsopdrachten, tenzij:
  a) de opdracht past binnen het begrip `dagelijks bestuur', vermeld in punt 9°, waarvoor het vast bureau bevoegd is;
  b) de raad de plaatsingsprocedure en het vaststellen van de voorwaarden voor die overheidsopdracht nominatief aan het vast bureau heeft toevertrouwd;
  11° de daden van beschikking over onroerende goederen, behalve die vermeld in artikel 84, § 3, 8°, b);
  12° het definitief aanvaarden van schenkingen en het aanvaarden van legaten;
  13° het vaststellen van een systeem van klachtenbehandeling;
  14° de beslissingen als vermeld in artikel 297 en 298;
  15° het aangaan van andere dadingen dan dadingen met personeelsleden naar aanleiding van een beëindiging van het dienstverband, die de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband als voorwerp hebben;
  16° de bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn, vermeld in artikel 263 en artikel 273 juncto artikel 265, 266, 267 en 269;
  17° het vaststellen van subsidiereglementen en het toekennen van nominatieve subsidies;
  [2 17°/1 het vaststellen van de machtiging tot het heffen van de retributies en de voorwaarden ervan, inclusief verminderingen en vrijstellingen;]2
  [1 18° de bevoegdheid van de raad voor maatschappelijk welzijn, vermeld in artikel 104.]1
  
Art. 78. Le conseil de l'aide sociale peut, par règlement, transférer ses compétences au bureau permanent.
  Les compétences suivantes ne peuvent pas être confiées au bureau permanent :
  1° les compétences qui ont été assignées au conseil de l'aide sociale, visées aux sections 1ère et 2 du présent chapitre, et la compétence de transfert visée au premier alinéa ;
  2° les décisions qui sont expressément réservées au conseil de l'aide sociale par une loi, un décret ou un arrêté d'exécution ;
  3° l'établissement de règlements autres que ceux relatifs aux affaires du personnel ;
  4° l'établissement des rapports politiques de la commune et du centre public d'action sociale, visés à l'article 249 ;
  5° la création de et l'adhésion à des personnes morales, où la désignation de membres des personnes morales, visées à la partie 3, titre 4, et les décisions de participer à une agence autonomisée externe communale de droit privé ;
  6° l'approbation de contrats de gestion et de conventions de coopération, tels que visés à l'article 196 ;
  7° la désignation et démission du médiateur, ainsi que la compétence de sanction et disciplinaire à l'égard de ce membre du personnel ;
  8° l'approbation du cadre général du système de contrôle interne, visé à l'article 219 ;
  9° déterminer ce qu'il convient d'entendre par la notion de " gestion journalière " ;
  10° déterminer la procédure de passation ainsi que les conditions des marchés publics, à moins que :
  a) le marché s'inscrive dans le cadre de la notion de " gestion journalière " visée au point 9°, pour laquelle le bureau permanent est compétent ;
  b) le conseil ait confié la procédure de passation et la détermination des conditions dudit marché public de façon nominative au bureau permanent ;
  11° effectuer des actes de disposition concernant des biens immobiliers, sauf ceux visés à l'article 84, § 3, 8°, b) ;
  12° l'acceptation définitive de donations et l'acceptation de legs ;
  13° l'établissement d'un système de traitement des plaintes ;
  14° la prise de décisions telles que visées aux articles 297 et 298 ;
  15° conclure des transactions autres que des transactions avec des membres du personnel à l'occasion d'une cessation du contrat de travail, qui ont pour objet les conséquences de la cessation du contrat de travail ;
  16° les compétences du conseil de l'aide sociale, visées à l'article 263 et à l'article 273 en liaison avec les articles 265, 266, 267 et 269 ;
  17° l'établissement de règlements en matière de subsides et l'attribution de subsides nominatifs.
  [2 17° /1 l'établissement de l'autorisation de percevoir les rétributions et les conditions y afférentes, y compris les réductions et exonérations;]2
  [1 18° la compétence du conseil de l'aide sociale, visée à l'article 104.]1
  
HOOFDSTUK 5. - Het vast bureau
CHAPITRE 5. - Le bureau permanent
Afdeling 1. - De organisatie van het vast bureau
Section 1ère. - Organisation du bureau permanent
Art. 79. Met behoud van de toepassing van artikel 27bis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn is de burgemeester van rechtswege de voorzitter van het vast bureau en zijn de schepenen van rechtswege de leden van het vast bureau.
  De eedaflegging, vermeld in artikel 59, tweede lid, en artikel 44, geldt ook als de eedaflegging als voorzitter en als lid van het vast bureau.
  De rang die de schepenen innemen overeenkomstig artikel 43, § 4, is van rechtswege de rang die ze innemen als lid van het vast bureau, waarbij de voorzitter van het vast bureau wordt geacht een hogere rang in te nemen dan een lid van het vast bureau.
  [1 ...]1
  
Art. 79. Sans préjudice de l'application de l'article 27bis de la loi organique du 8 juillet 1976 concernant les centres publics d'action sociale, le bourgmestre est de plein droit président du bureau permanent et les échevins sont de plein droit membres du bureau permanent.
  La prestation de serment visé à l'article 59, deuxième alinéa, et à l'article 44, vaut aussi comme prestation de serment en tant que président ou membre du bureau permanent.
  Le rang occupé par les échevins conformément à l'article 43, § 4, est de plein droit le rang qu'ils occupent en tant que membre du bureau permanent, le président du bureau permanent étant supposé occuper un rang plus élevé que celui d'un membre du bureau permanent.
  [1 ...]1
  
Art. 80. [1 Artikel 59 en 60]1 zijn van toepassing op de voorzitter van het vast bureau met dien verstande dat "burgemeester" wordt gelezen als "voorzitter van het vast bureau".
  Artikel 45, 47 en 48 [2 , eerste lid,]2 zijn van toepassing op de leden van het vast bureau, met dien verstande dat "schepen" wordt gelezen als "lid van het vast bureau", "schepenen" wordt gelezen als "leden van het vast bureau", "gemeenteraad" wordt gelezen als "raad voor maatschappelijk welzijn", "college van burgemeester en schepenen" wordt gelezen als "voorzitter en leden van het vast bureau" en "voorzitter van de gemeenteraad" wordt gelezen als "voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn".
  [2 Artikel 48, tweede lid, is van toepassing op de leden van het vast bureau, met dien verstande dat "schepen" wordt gelezen als "lid van het vast bureau".]2
  
Art. 80. [1 Les articles 59 et 60]1 s'appliquent au président du bureau permanent, étant entendu que " bourgmestre " doit être lu comme " président du bureau permanent ".
  Les articles 45,47 et 48 [2 , alinéa 1er,]2 s'appliquent aux membres du bureau permanent, étant entendu que " échevin " doit être lu comme " membre du bureau permanent ", " échevins " doit être lu comme " membres du bureau permanent ", " conseil communal " doit être lu comme " conseil de l'aide sociale ", " collège des bourgmestre et échevins " doit être lu comme " président et membres du bureau permanent " et " président du conseil communal " doit être lu comme " président du conseil de l'aide sociale ".
  [2 L'article 48, alinéa 2, s'applique aux membres du bureau permanent, étant entendu que " échevins " se lit comme " membre du bureau permanent ".]2
  
Art. 81. [1 De verhindering, het ontslag, het verval van mandaat, de afstand van mandaat, de afzetting en de schorsing als burgemeester houden ook de verhindering, het ontslag, het verval van mandaat, de afstand van mandaat, de afzetting en de schorsing als voorzitter van het vast bureau in.
   De verhindering, het ontslag, het verval van mandaat, de afstand van mandaat, de afzetting en de schorsing als schepen houden ook de verhindering, het ontslag, het verval van mandaat, de afstand van mandaat, de afzetting en de schorsing als lid van het vast bureau in.]1

  
Art. 81. [1 L'empêchement, la démission, la déchéance de mandat, la renonciation au mandat, la révocation et la suspension en tant que bourgmestre impliquent également l'empêchement, la démission, la déchéance de mandat, la renonciation au mandat, la révocation et la suspension en tant que président du bureau permanent.
   L'empêchement, la démission, la déchéance de mandat, la renonciation au mandat, la révocation et la suspension en tant qu'échevin impliquent également l'empêchement, la démission, la déchéance de mandat, la renonciation au mandat, la révocation et la suspension en tant que membre du bureau permanent.]1

  
Art. 82. De voorzitter van het vast bureau die ontslag wil nemen, deelt dat schriftelijk mee aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn. Hij deelt dan tegelijkertijd zijn ontslag als burgemeester mee aan de Vlaamse Regering, met toepassing van artikel 61.
  De voorzitter van het vast bureau blijft zijn mandaat uitoefenen tot een nieuwe burgemeester is benoemd, behalve als het ontslag het gevolg is van een onverenigbaarheid.
Art. 82. Le président du bureau permanent qui souhaite démissionner notifie son intention par écrit au président du conseil de l'aide sociale. Il notifie en même temps sa démission en tant que bourgmestre au Gouvernement flamand, en application de l'article 61.
  Le président du bureau permanent continue d'exercer son mandat jusqu'au moment où un nouveau bourgmestre est nommé, sauf si sa démission résulte d'une incompatibilité.
Afdeling 2. - De werking van het vast bureau
Section 2. - Fonctionnement du bureau permanent
Art. 83. Artikel 50 tot en met 55, met uitzondering van artikel 50, derde, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing op het vast bureau met dien verstande dat "het college van burgemeester en schepenen" wordt gelezen als "het vast bureau", "de burgemeester" wordt gelezen als "de voorzitter van het vast bureau", "de gemeenteraad" wordt gelezen als "de raad voor maatschappelijk welzijn" en "gemeenteraadslid" wordt gelezen als "lid van de raad voor maatschappelijk welzijn".
  [1 Artikel 27 en 29, § 2, § 3 en § 4, zijn van toepassing op de leden van het vast bureau, met dien verstande dat:
   1° in artikel 27 "gemeenteraadslid" wordt gelezen als "lid van het vast bureau", "de gemeente" wordt gelezen als "het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" en "een gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap" wordt gelezen als "de verenigingen of vennootschappen, vermeld in deel 3, titel 4,";
   2° in artikel 29, § 2, "gemeenteraadsleden" wordt gelezen als "leden van het vast bureau" en "de gemeente" wordt gelezen als "het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn";
   3° in artikel 29, § 3, "gemeenteraad" wordt gelezen als "raad voor maatschappelijk welzijn" en "de gemeente" wordt gelezen als "het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn";
   4° in artikel 29, § 4, "gemeenteraadsleden" wordt gelezen als "leden van het vast bureau" en "de gemeenteraad" wordt gelezen als "het vast bureau]1
.
  Artikel 75 is van overeenkomstige toepassing op de leden van het vast bureau.
  De vergaderingen van het vast bureau zijn niet openbaar.
  Alleen de beslissingen worden opgenomen in de notulen en in het register van de beraadslagingen, en alleen die beslissingen kunnen rechtsgevolgen hebben. De notulen worden goedgekeurd op de eerstvolgende gewone vergadering van het vast bureau. De notulen worden uiterlijk op dezelfde dag als de vergadering van het vast bureau die volgt op de vergadering van het vast bureau waarop de notulen zijn goedgekeurd, verstuurd naar of ter beschikking gesteld van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn op de wijze die bepaald is in het huishoudelijk reglement. Als een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn daarom verzoekt, worden de notulen elektronisch verstuurd of ter beschikking gesteld.
  
Art. 83. Les articles 50 à 55 inclus, à l'exclusion de l'article 50, quatrième et cinquième alinéas, s'appliquent au bureau permanent, étant entendu que " le collège des bourgmestre et échevins " doit être lu comme " le bureau permanent ", " le bourgmestre " doit être lu comme " le président du bureau permanent ", " le conseil communal " doit être lu comme " le conseil de l'aide sociale " et " conseiller communal " doit être lu comme " membre du conseil de l'aide sociale ".
  [1 Les articles 27 et 29, §§ 2, 3 et 4, s'appliquent aux membres du bureau permanent, étant entendu que :
   1° à l'article 27, " conseiller municipal " doit être lu comme " membre du bureau permanent ", " la commune " doit être lu comme " le centre public d'action sociale " et " une agence autonomisée externe communale " doit être lu comme " les associations ou sociétés visées à la partie 3, titre 4, " ;
   2° à l'article 29, § 2, " conseillers communaux " doit être lu comme " membres du bureau permanent " et " la commune " doit être lu comme " le centre public d'action sociale " ;
   3° à l'article 29, § 3, " conseil communal " doit être lu comme " conseil de l'aide sociale " et " la commune " doit être lu comme " centre public d'action sociale " ;
   4° à l'article 29, § 4, " conseillers communaux " doit être lu comme " membres du bureau permanent " et " le conseil communal " doit être lu comme " le bureau permanent]1
".
  L'article 75 s'applique par analogie aux membres du bureau permanent.
  Les réunions du bureau permanent ne sont pas publiques.
  Seules les décisions sont actées au procès-verbal et au registre des délibérations, et seules lesdites décisions sont susceptibles d'avoir des effets de droit. Le procès-verbal est approuvé à la prochaine réunion ordinaire du bureau permanent. Le procès-verbal est envoyé aux membres du conseil de l'aide sociale ou mis à leur disposition suivant les modalités fixées dans le règlement d'ordre intérieur, au plus tard le même jour que celui de la réunion du bureau permanent qui suit la réunion du bureau permanent pendant laquelle le procès-verbal a été approuvé. Si un membre du conseil de l'aide sociale en fait la demande, le procès-verbal est envoyé ou mis à disposition par voie électronique.
  
Afdeling 3. - De bevoegdheden van het vast bureau
Section 3. - Compétences du bureau permanent
Art. 84. § 1. Het vast bureau bereidt de beraadslagingen en de besluiten van de raad voor maatschappelijk welzijn voor.
  Het vast bureau voert de besluiten van de raad voor maatschappelijk welzijn uit.
  § 2. Het vast bureau oefent de bevoegdheden uit die eraan zijn toevertrouwd overeenkomstig artikel 78 van dit decreet, of overeenkomstig andere wettelijke en decretale bepalingen.
  § 3. Het vast bureau is bevoegd voor:
  1° de daden van beheer over de inrichtingen en eigendommen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, in voorkomend geval binnen de door de raad voor maatschappelijk welzijn vastgestelde algemene regels;
  2° het aanstellen en het ontslaan van het personeel, alsook de sanctie- en tuchtbevoegdheid ten aanzien van het personeel, onder voorbehoud van de bevoegdheid van de raad voor maatschappelijk welzijn, vermeld in artikel 78, tweede lid, 7°, en de gevallen waarin die bevoegdheid door of krachtens de wet of het decreet aan de raad voor maatschappelijk welzijn is opgedragen;
  3° het financiële beheer, onder voorbehoud van de bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn;
  4° het voeren van de plaatsingsprocedure, de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten;
  5° de vaststelling van de plaatsingsprocedure en de voorwaarden van overheidsopdrachten als het gaat om een opdracht die past binnen het begrip `dagelijks bestuur', vermeld in artikel 78, tweede lid, 9° ;
  6° de vaststelling van de plaatsingsprocedure en de voorwaarden van overheidsopdrachten voor de opdrachten waarvoor de raad voor maatschappelijk welzijn dat nominatief aan het vast bureau heeft toevertrouwd;
  7° de beslissingen die een wet, een decreet of een uitvoeringsbesluit uitdrukkelijk aan het vast bureau voorbehoudt;
  8° de daden van beschikking:
  a) over roerende goederen, met uitzondering van het aangaan van de dadingen;
  b) over verhuring, concessie, pacht, jacht- en visrechten van meer dan negen jaar, behalve het vaststellen van de contractvoorwaarden waarvoor de raad voor maatschappelijk welzijn bevoegd blijft;
  9° het vertegenwoordigen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in gerechtelijke en buitengerechtelijke gevallen en de beslissingen over het in rechte optreden namens het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, onder voorbehoud van artikel 297, § 2;
  10° het afsluiten van een afsprakennota als vermeld in artikel 171, § 2.
  § 4. Als de raad voor maatschappelijk welzijn geen delegatie gegeven heeft voor de vaststelling van de plaatsingsprocedure en de voorwaarden van overheidsopdrachten, met toepassing van artikel 78, eerste lid, kan het vast bureau in gevallen van dwingende en onvoorziene omstandigheden op eigen initiatief die bevoegdheden uitoefenen.
  § 5. Het vast bureau is verantwoordelijk voor de zorg voor de archiefdocumenten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, waaronder de titels.
  § 6. Het vast bureau houdt een volledig en geactualiseerd overzicht bij van alle verenigingen, stichtingen en vennootschappen waarin het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn deelneemt.
  Minstens eenmaal per jaar wordt de raad voor maatschappelijk welzijn op de hoogte gebracht van het geactualiseerde overzicht met een toelichting van alle wijzigingen die zich sinds de vorige toelichting hebben voorgedaan.
Art. 84. § 1er. Le bureau permanent prépare les délibérations et les décisions du conseil de l'aide sociale.
  Le bureau permanent exécute les décisions du conseil de l'aide sociale.
  § 2. Le bureau permanent exerce les compétences qui lui sont confiées conformément à l'article 78 du présent décret, ou conformément à d'autres dispositions légales et décrétales.
  § 3. Le bureau permanent est compétent pour :
  1° les actes de gestion sur les institutions et propriétés du centre public d'action sociale, le cas échéant dans les limites des règles générales fixées par le conseil de l'aide sociale ;
  2° la désignation et le licenciement du personnel, ainsi que la compétence de sanction et disciplinaire à l'égard du personnel, sans préjudice de la compétence du conseil de l'aide sociale visée à l'article 78, deuxième alinéa, 7°, et des cas dans lesquels ladite compétence est conférée au conseil de l'aide sociale par ou en vertu de la loi ou du décret ;
  3° la gestion financière, sous réserve des compétences du conseil de l'aide sociale ;
  4° le lancement d'une procédure de passation, l'attribution et l'exécution de marchés publics ;
  5° l'établissement de la procédure de passation et les conditions des marchés publics s'il s'agit d'un marché qui s'inscrit dans le cadre de la notion de " gestion journalière ", telle que visée à l'article 78, deuxième alinéa, 9° ;
  6° l'établissement de la procédure de passation et des conditions de marchés publics pour les missions pour lesquelles le conseil communal a confié ladite tâche de façon nominative au bureau permanent ;
  7° les décisions qu'une loi, un décret ou un arrêté d'exécution réserve explicitement au bureau permanent ;
  8° les actes de disposition :
  a) relatifs à des biens mobiliers, à l'exception de la réalisation de transactions ;
  b) relatifs à la location, à la concession, au fermage, aux droits de chasse et de pêche de plus de neuf ans, sauf l'établissement des conditions contractuelles pour lesquelles le conseil de l'aide sociale reste compétent ;
  9° la représentation du centre public d'action sociale dans des affaires judiciaires et extrajudiciaires ainsi que dans le cadre de décisions sur l'action en droit au nom du centre public d'action sociale, sans préjudice de l'article 297, § 2 ;
  10° conclure une note d'accord, telle que visée à l'article 171, § 2.
  § 4. Si le conseil de l'aide sociale n'a pas donné délégation pour l'établissement de la procxédure de passation et des conditions de marché public, en application de l'article 78, premier alinéa, le bureau permanent peut, en cas de circonstances impératives et imprévues, exercer lesdites compétences de sa propre initiative.
  § 5. Le bureau permanent est responsable de la garde des documents d'archives du centre public d'action sociale, dont les titres.
  § 6. Le bureau permanent tient un aperçu complet et actualisé de toutes les associations, fondations et sociétés auxquelles le centre public d'action sociale participe.
  Au moins une fois par an, le conseil de l'aide sociale est informé dudit aperçu, actualisé et accompagné d'une notice explicative de toutes les modifications qui y ont été apportées depuis la notice précédente.
Art. 85. Met behoud van de toepassing van deel 3, titel 4, en behalve bij uitdrukkelijke toewijzing van een bevoegdheid krachtens de wet of het decreet aan het vast bureau, kan het vast bureau bij reglement de uitoefening van bepaalde bevoegdheden toevertrouwen aan de algemeen directeur.
  De bevoegdheden van het vast bureau, vermeld in artikel 84, § 4, en in artikel 84, § 1, eerste lid, en de met toepassing van artikel 84, § 2, gedelegeerde bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn voor het vaststellen van de rechtspositieregeling, het vaststellen van wat onder het begrip `dagelijks personeelsbeheer' moet worden verstaan, het aangaan van dadingen met personeelsleden naar aanleiding van een beëindiging van het dienstverband, die de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband als voorwerp hebben, en de bevoegdheden, vermeld in artikel 84, § 3, 7°, 8°, b), en 10°, kunnen evenwel niet aan de algemeen directeur worden toevertrouwd. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheden van het vast bureau in het kader van het financiële beheer, vermeld in artikel 258 en artikel 273 juncto artikel 267, 269 en 272.
  De algemeen directeur oefent de bevoegdheden die hem met toepassing van het eerste lid zijn toevertrouwd, persoonlijk uit. Met uitzondering van de bevoegdheid tot het vaststellen van het organogram en de bevoegdheid tot het aanstellen van een waarnemend algemeen directeur bij toepassing van artikel 166, vierde lid, kan de algemeen directeur die bevoegdheden toevertrouwen aan andere personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
Art. 85. Sans préjudice de l'application de la partie 3, titre 4 et sauf en cas d'attribution explicite d'une compétence au bureau permanent en vertu de la loi ou du décret, le bureau permanent peut confier l'exercice de certaines compétences par règlement au directeur général.
  Les compétences du bureau permanent, visées à l'article 84, § 4, et à l'article 84, § 1er, premier alinéa, et les compétences déléguées du conseil de l'aide sociale sur la base de l'article 84, § 2, relatives à l'établissement du statut juridique, à l'établissement de ce qu'il convient d'entendre par la notion de " gestion journalière du personnel ", à la conclusion de transactions avec des membres du personnel à l'occasion d'une cessation du contrat de travail, qui ont pour objet les conséquences de la cessation du contrat de travail, et les compétences visées à l'article 84, § 3, 7°, 8°, b), et 10°, ne peuvent toutefois pas être confiées au directeur général. Il en va de même pour les compétences du bureau permanent en matière de gestion financière mentionnées à l'article 258 et à l'article 273 en liaison avec les articles, 267, 269, et 272.
  Le directeur général exerce personnellement les compétences qui lui sont confiées conformément à l'alinéa premier. A l'exception de la compétence relative à l'établissement de l'organigramme et de la compétence relative à la désignation d'un directeur général faisant fonction en application de l'article 166, quatrième alinéa, le directeur général peut confier lesdites compétences à d'autres membres du centre public d'action sociale.
Art. 86. Met uitzondering van de bevoegdheden die de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn door of krachtens dit decreet krijgt, worden de bevoegdheden van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn die hij door of krachtens een andere wet of een ander decreet krijgt, geacht te zijn toegewezen aan de voorzitter van het vast bureau.
Art. 86. A l'exception des compétences conférées au président du conseil de l'aide sociale par ou en vertu du présent décret, les compétences du président du conseil de l'aide sociale qui lui sont conférées par ou en vertu d'une autre loi ou d'un autre décret sont supposées avoir été confiées au président du bureau permanent.
HOOFDSTUK 6. - Het bijzonder comité voor de sociale dienst
CHAPITRE 6. - Le comité spécial du service social
Afdeling 1. - De organisatie van het bijzonder comité voor de sociale dienst
Section 1ère. - Organisation du comité spécial du service social
Art. 87. § 1. Het bijzonder comité voor de sociale dienst bestaat, de voorzitter niet inbegrepen, uit:
  1° zes leden voor een raad voor maatschappelijk welzijn met 23 leden of minder;
  2° acht leden voor een raad voor maatschappelijk welzijn met 25 tot en met 47 leden;
  3° tien leden voor een raad voor maatschappelijk welzijn met 49 tot en met 51 leden;
  4° twaalf leden voor een raad voor maatschappelijk welzijn met 53 leden of meer.
  De voorzitter en de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst moeten voldoen aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden, vermeld in artikel 58 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.
  Op basis van de bevolkingsaantallen van de gemeenten, vermeld in artikel 4, § 3, stelt de Vlaamse Regering een lijst op van het aantal leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst, vermeld in het eerste lid, dat per gemeente verkozen moet worden, alsook van het aantal te verkiezen leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst van de nieuwe gemeente, vermeld in artikel 343, 2°.
  § 2. Artikel 42, § 5, is van overeenkomstige toepassing op de voorzitter en de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst.
Art. 87. § 1er. Le comité spécial du service social se compose, le président non inclus, de :
  1° six membres pour un conseil de l'aide sociale comptant 23 membres ou moins ;
  2° huit membres pour un conseil de l'aide sociale comptant entre 25 et 47 membres ;
  3° dix membres pour un conseil de l'aide sociale comptant entre 49 et 51 membres ;
  4° douze membres pour un conseil de l'aide sociale comptant 53 membres ou davantage.
  Le président et les membres du comité spécial du service social doivent satisfaire aux conditions d'éligibilité visées à l'article 58 du Décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011.
  Sur la base des chiffres de population des communes, visés à l'article 4, § 3, le Gouvernement flamand établit une liste du nombre de membres du comité spécial du service social, visé au premier alinéa, qui à élire par commune, ainsi que du nombre de membres du comité spécial du service social de la nouvelle commune à élire, visé à l'article 343, 2°.
  § 2. L'article 42, § 5, s'applique par analogie au président et aux membres du comité spécial du service social.
Art. 88. De voorgedragen kandidaat-voorzitter, kandidaat-leden en hun opvolgers worden opgeroepen voor de vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn aansluitend op de installatievergadering van de gemeenteraad, overeenkomstig artikel 6, § 1 [1 ...]1.
  
Art. 88. Le candidat président et les candidats membres présentés, ainsi que leur suppléant, sont convoqués à la réunion du conseil de l'aide sociale faisant suite à la réunion d'installation du conseil communal, conformément à l'article 6, § 1er, [1 ...]1.
  
Art. 89. Het bijzonder comité voor de sociale dienst heeft de mogelijkheid om in zijn midden subcomités op te richten. In voorkomend geval wordt, met behoud van de toepassing van artikel 111, de samenstelling van de subcomités bepaald in het huishoudelijk reglement.
Art. 89. Le comité spécial du service social dispose de la faculté de créer des sous-comités en son sein. Le cas échéant, sans préjudice de l'application de l'article 111, la composition des sous-comités est déterminée dans le règlement d'ordre intérieur.
Art. 90. § 1. [2 Op de vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn aansluitend op de installatievergadering van de gemeenteraad verkiest de raad voor maatschappelijk welzijn, hetzij onder de voorzitter of de leden van het vast bureau, hetzij onder de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, een voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst. De voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst wordt verkozen op basis van een akte van voordracht die voldoet aan al de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het tweede lid. De Vlaamse Regering stelt het model van de akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst vast en de wijze waarop dat model ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst wordt ingediend bij de algemeen directeur.
   Een ontvankelijke akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het eerste lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld;
   2° ze is ondertekend door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen;
   3° ze is ondertekend door de meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-voorzitter voorkomt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   4° ze is uiterlijk drie dagen voor de installatievergadering van de gemeenteraad aan de algemeen directeur bezorgd.
   Niemand kan meer dan één akte van voordracht ondertekenen. Overtreding van het voormelde verbod wordt bestraft conform artikel 7, § 2.
   De akte van voordracht kan ook de einddatum van het mandaat van de kandidaat-voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst vermelden. In dat geval kan op de akte van voordracht de naam van een of meer personen die hem zullen opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat, vermeld worden. In voorkomend geval is de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de akte van voordracht als opvolger is vermeld. Als het mandaat eindigt voor de einddatum, vermeld in de akte van voordracht, of als de persoon die in de akte van voordracht is aangewezen als de persoon die de voorzitter zou opvolgen, zijn mandaat niet opneemt, neemt de eerstvolgende opvolger vervroegd het mandaat op. Als de voordracht geen einddatum vermeldt, wordt, in voorkomend geval, de vermelding van een of meer opvolgers als onbestaand beschouwd.
   Als de persoon die als laatste opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen, of als er geen opvolger is vermeld, wordt tot vervanging overgegaan conform artikel 106.]2

  § 2. De algemeen directeur bezorgt de akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst aan de voorzitter van de installatievergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  De voorzitter van de installatievergadering gaat na of de akte van voordracht ontvankelijk is overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1. Alleen de handtekeningen van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn worden daarbij in aanmerking genomen, met inbegrip van de handtekeningen van de opvolgers die de akte van voordracht hebben ondertekend en die lid zijn van de raad voor maatschappelijk welzijn. In voorkomend geval wordt de voorgedragen kandidaat-voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst verkozen verklaard.
  § 3. [2 Als er geen ontvankelijke akte van voordracht van kandidaat-voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst aan de voorzitter van de installatievergadering wordt bezorgd, gaat de raad voor maatschappelijk welzijn binnen veertien dagen over tot de verkiezing van een voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst op basis van een akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst die voldoet aan al de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het tweede lid. De Vlaamse Regering stelt het model van de akte van voor- dracht van de kandidaat-voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst vast en de wijze waarop dat model ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst wordt ingediend bij de algemeen directeur.
   Een ontvankelijke akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het eerste lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld;
   2° ze is ondertekend door de meerderheid van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-schepen voor- komt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   3° ze is uiterlijk drie dagen voor de eerstvolgende vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn na de installatievergadering aan de algemeen directeur bezorgd.
   Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 kan elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn maar één akte van voordracht ondertekenen. Overtreding van het voormelde verbod wordt bestraft conform artikel 7, § 2.
   De akte van voordracht kan ook de einddatum van het mandaat van de kandidaat-voorzitter vermelden. In dat geval kan op de akte van voordracht de naam vermeld worden van een of meer personen die hem zullen opvolgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de voorzitter bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de akte van voordracht als opvolger is vermeld.
   Als het mandaat eindigt voor de einddatum, vermeld in de akte van voordracht, of als de persoon die in de akte van voordracht is vermeld als de persoon die de voorzitter zou opvolgen, zijn mandaat niet opneemt, neemt de eerstvolgende opvolger vervroegd het mandaat op. Als de persoon die als laatste opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen, of als er geen opvolger is vermeld, wordt tot vervanging overgegaan conform artikel 106. Als de voordracht geen einddatum vermeldt, wordt, in voorkomend geval, de vermelding van een of meer opvolgers als onbestaand beschouwd.
   De voorzitter van de vergadering gaat na of de akte van voordracht aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voldoet.
   De verkiezing vindt plaats bij geheime stemming.
   De kandidaat die de volstrekte meerderheid van de stemmen heeft behaald, is verkozen tot voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Als geen enkele kandidaat de volstrekte meerderheid van de stemmen heeft behaald en als verschillende kandidaten zijn voorgedragen voor het vacante mandaat, vindt een tweede stemronde plaats, waarin wordt gestemd op de twee kandidaten die in de eerste stemronde de meeste stemmen hebben behaald. Bij staking van stemmen in de eerste stemronde komt de kandidaat die bij de verkiezingen de meeste naamstemmen heeft behaald, in aanmerking voor de tweede stemronde. De kandidaat die in de tweede stemronde de meerderheid van de stemmen heeft behaald, is verkozen tot voorzitter. Bij staking van stemmen in de tweede stemronde is de kandidaat die bij de verkiezingen de meeste naamstemmen heeft behaald, verkozen tot voorzitter. Als de naamstemmen bepalend zijn en de kandidaten een gelijk aantal naamstemmen hebben behaald, is de voorgedragen kandidaat van wie de lijst bij de verkiezingen de meeste stemmen heeft behaald, verkozen.]2

  § 4. Als de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst bij zijn verkiezing geen voorzitter of lid van het vast bureau is, legt hij, voor hij zijn mandaat aanvaardt, de eed af in handen van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn: "Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen.". Die eedaflegging geldt ook als eedaflegging voor zijn mandaat als schepen als vermeld in artikel 42, § 1, derde lid. Als de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst de eed na twee achtereenvolgende uitnodigingen niet aflegt, wordt hij geacht zijn mandaat als voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst niet te aanvaarden. Als de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn de eed niet kan afnemen of nalaat de eed af te nemen, wordt de eed afgenomen door zijn vervanger.
  
Art. 90. § 1er. [2 A la réunion du conseil de l'aide sociale faisant suite à la réunion d'installation du conseil communal, le conseil de l'aide sociale élit, soit parmi le président ou les membres du bureau permanent, soit parmi les membres du conseil de l'aide sociale, un président du comité spécial du service social. Le président du comité spécial du service social est élu sur la base d'un acte de présentation qui répond à toutes les conditions de recevabilité visées à l'alinéa 2. Le Gouvernement flamand arrête le modèle de l'acte de présentation du candidat président du comité spécial du service social, et la manière dont ce modèle est mis à disposition. Le Gouvernement flamand peut arrêter le mode d'introduction de l'acte de présentation du candidat président du comité spécial du service social auprès du directeur général.
   Un acte recevable de présentation du candidat président du comité spécial du service social répond à toutes les conditions suivantes :
   1° il a été fait sur le modèle d'acte que le Gouvernement flamand arrête en vertu de l'alinéa 1er, et qui est mis à disposition le jour de l'élection par une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand avec le cachet dateur de ce jour ;
   2° il est signé par plus de la moitié des élus sur les listes qui ont participé aux élections ;
   3° il est signé par une majorité des personnes qui ont été élues sur la même liste que le candidat présenté. Si la liste sur laquelle figure le nom du candidat président ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   4° il est remis au directeur général au plus tard trois jours avant la réunion d'installation du conseil communal.
   Nul ne peut signer plus d'un acte de présentation. La violation de l'interdiction précitée est sanctionnée conformément à l'article 7, § 2.
   L'acte de présentation peut aussi mentionner la date de fin du mandat du candidat président du comité spécial du service social. Dans ce cas, l'acte de présentation peut indiquer le nom d'une ou plusieurs personnes qui lui succéderont pour la durée restante du mandat. Le cas échéant, le président du comité spécial du service social est démissionnaire de plein droit à l'expiration de la date de fin du mandat et il est remplacé de plein droit par la personne désignée comme suppléant dans l'acte de présentation. Si le mandat expire avant la date de fin mentionnée dans l'acte de présentation, ou si la personne désignée dans l'acte de présentation comme la personne qui suppléerait le président, n'assume pas son mandat, le premier suppléant suivant assumera le mandat de manière anticipée. Si la présentation ne mentionne pas de date de fin, la mention d'un ou de plusieurs suppléants, le cas échéant, est considérée comme inexistante.
   Si la personne indiquée comme dernier suppléant ne peut assumer le mandat ou si aucun suppléant n'est indiqué, il est procédé au remplacement conformément à l'article 106.]2

  § 2. Le directeur général transmet l'acte de présentation du candidat président du comité spécial du service social au président de la réunion d'installation du conseil de l'aide sociale.
  Le président de la réunion d'installation vérifie si l'acte de présentation est recevable conformément aux conditions fixées au paragraphe 1er. Seules les signatures des membres du conseil de l'aide sociale sont prises en compte à cet effet, y compris les signatures des suppléants qui ont signé l'acte de présentation et qui sont membres du conseil de l'aide sociale. Le cas échéant, le candidat président du comité spécial du service social présenté est déclaré élu.
  § 3. [2 Si aucun acte de présentation recevable de candidat président du comité spécial du service social n'est transmis au président de la réunion d'installation, le conseil de l'aide sociale procède à l'élection d'un président du comité spécial du service social dans les quatorze jours, sur la base d'un acte de présentation du candidat président du comité spécial du service social, qui répond à toutes les conditions de recevabilité visées à l'alinéa 2. Le Gouvernement flamand arrête le modèle de l'acte de présentation du candidat président du comité spécial du service social, et la manière dont ce modèle est mis à disposition. Le Gouvernement flamand peut arrêter le mode d'introduction de l'acte de présentationdu candidat président du comité spécial du service social auprès du directeur général.
   Un acte recevable de présentation du candidat président du comité spécial du service social répond à toutes les conditions suivantes :
   1° il a été fait sur le modèle d'acte que le Gouvernement flamand arrête en vertu de l'alinéa 1er, et qui est mis à disposition le jour de l'élection par une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand avec le cachet dateur de ce jour ;
   2° il est signé par une majorité des membres du conseil de l'aide sociale qui ont été élus sur la même liste que le candidat présenté. Si la liste sur laquelle figure le nom du candidat échevin ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   3° il est remis au directeur général au plus tard trois jours avant la prochaine réunion du conseil de l'aide sociale après la réunion d'installation.
   Sans préjudice du paragraphe 1er, chaque membre du conseil de l'aide sociale ne peut signer qu'un seul acte de présentation. La violation de l'interdiction précitée est sanctionnée conformément à l'article 7, § 2.
   L'acte de présentation peut également indiquer la date de fin du mandat du candidat président. Dans ce cas, l'acte de présentation peut indiquer le nom d'une ou plusieurs personnes qui lui succéderont pour la durée restante du mandat. Le cas échéant, le président est démissionnaire de plein droit à la date de fin du mandat, et il est suppléé de plein droit par la personne citée comme suppléant dans l'acte de présentation.
   Si le mandat expire avant la date de fin mentionnée dans l'acte de présentation, ou si la personne désignée dans l'acte de présentation comme la personne qui suppléerait le président, n'assume pas son mandat, le premier suppléant suivant assumera le mandat de manière anticipée. Si la personne indiquée comme dernier suppléant ne peut assumer le mandat ou si aucun suppléant n'est indiqué, il est procédé au remplacement conformément à l'article 106. Si la présentation ne mentionne pas de date de fin, la mention d'un ou de plusieurs suppléants, le cas échéant, est considérée comme inexistante.
   Le président de la réunion vérifie si l'acte de présentation répond à toutes les conditions de recevabilité.
   L'élection a lieu au scrutin secret.
   Le candidat ayant obtenu la majorité absolue des voix, est élu comme président du comité spécial du service social. Si aucun candidat n'a obtenu la majorité absolue des voix, et si plusieurs candidats ont été présentés pour le mandat vacant, un deuxième tour a lieu au cours duquel il est voté pour les deux candidats qui ont obtenu le plus de voix au premier tour. En cas de partage des voix au premier tour, le candidat ayant obtenu le plus de votes nominatifs lors des élections, entre en ligne de compte pour le deuxième tour. Le candidat ayant obtenu la majorité des voix au deuxième tour, est élu président. En cas de partage des voix au deuxième tour, le candidat ayant obtenu le plus de votes nominatifs lors des élections, est élu président. Lorsque les votes nominatifs sont déterminants, et que les candidats ont obtenu le même nombre de votes nominatifs, le candidat présenté dont la liste a obtenu le plus de voix lors des élections, est élu.]2

  § 4. Si le président du comité spécial du service social n'est pas président ou membre du bureau permanent lors de son élection, il prête, avant d'accepter son mandat, le serment suivant entre les mains du président du conseil de l'aide sociale : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de mon mandat. " Ladite prestation de serment vaut aussi prestation de serment pour son mandat en tant qu'échevin, comme visé à l'article 42, § 1er, troisième alinéa. Si le président du comité spécial du service social ne prête pas serment après deux convocations successives, il est supposé ne pas accepter son mandat de président du comité spécial du service social. Si le président du conseil de l'aide sociale ne peut assermenter ou néglige d'assermenter, le serment est prêté entre les mains de son remplaçant.
  
Art. 91. § 1. Het aantal leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst dat wordt toegewezen aan de verschillende lijsten die aan de lokale verkiezingen hebben deelgenomen, wordt bepaald naar verhouding van het aantal zetels waarover elke lijst binnen de raad voor maatschappelijk welzijn beschikt. De verkozenen van de lijsten kunnen verklaren dat zij zich met elkaar wensen te verbinden. [1 De verklaring van lijstenverbinding wordt aan de algemeen directeur bezorgd binnen twee werkdagen voor de uiterste dag van het indienen van de akten van voordracht]1. Om ontvankelijk te zijn moet die verklaring ondertekend zijn door minstens een meerderheid van de verkozenen van iedere lijst die zich wenst te verbinden.
  § 2. De zetels worden verdeeld door het aantal zetels van het bijzonder comité voor de sociale dienst te delen door het aantal leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, vermenigvuldigd met het aantal zetels waarover elke lijst of groep van lijsten binnen de raad beschikt. Het aantal eenheden van het resultaat van die bewerking geeft het aantal rechtstreeks verworven zetels aan.
  De niet-rechtstreeks verworven zetels worden toegewezen in afnemende volgorde van de [1 breuk als]1 resultaat van de bewerking, vermeld in het eerste lid. [1 Bij gelijkheid van die breuk]1 van twee of meer lijsten of groepen van lijsten, wordt de zetel toegewezen aan de lijst of groep van lijsten met het hoogste stemcijfer, bepaald overeenkomstig artikel 165 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.
  Uiterlijk [1 de dag na de uiterste datum om een verklaring van lijstenverbinding in te dienen]1 gaat de algemeen directeur na hoeveel zetels in het bijzonder comité voor de sociale dienst aan de verschillende lijsten of groepen van lijsten toekomen, met toepassing van het eerste en tweede lid. Hij maakt op dezelfde dag die zetelverdeling bekend op de webtoepassing van de gemeente.
  
Art. 91. § 1er. Le nombre de membres du comité spécial du service social attribué aux différentes listes qui ont participé aux élections locales est déterminé au prorata du nombre de sièges dont dispose chaque liste au sein du conseil de l'aide sociale. Les élus des listes peuvent déclarer qu'ils souhaitent se grouper les uns avec les autres. [1 La déclaration de groupement de listes est transmise au directeur général dans les deux jours ouvrables avant la date limite d'introduction des actes de présentation]1. Pour être recevable, ladite déclaration doit avoir été signée par au moins une majorité des élus de chaque liste qui souhaite se grouper.
  § 2. Les sièges sont répartis en divisant le nombre de sièges du comité spécial du service social par le nombre de membres du conseil de l'aide sociale, multiplié par le nombre de sièges dont dispose chaque liste ou groupe de listes au sein du conseil. Le nombre d'unités du résultat de l'opération précitée indique le nombre de sièges directement acquis.
  Les sièges acquis non directement sont attribués en ordre décroissant [1 de la fraction comme]1 résultat de l'opération, visée au premier alinéa. [1 En cas d'égalité de cette fraction]1 de deux ou plusieurs listes ou groupe de listes, le siège est attribué à la liste ou au groupe de listes ayant le chiffre électoral le plus élevé, déterminé conformément à l'article 165 du Décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011.
  Au plus tard [1 le jour suivant la date limite de dépôt d'une déclaration de groupement de listes]1, le directeur général vérifie combien de sièges au sein du comité spécial du service social reviennent aux différentes listes ou groupes de listes, en application des premier et deuxième alinéas. Le même jour, il publie ladite répartition des sièges sur l'application Web de la commune.
  
Art. 92. [1 De leden en kandidaat-opvolgers van het bijzonder comité voor de sociale dienst worden schriftelijk voorgedragen door de verkozenen voor de gemeenteraad op basis van akten van voordracht die voldoen aan al de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het tweede lid. De Vlaamse Regering stelt het model van de akte van voordracht van leden en kandidaat-opvolgers van het bijzonder comité voor de sociale dienst vast en de wijze waarop dat model ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de akte van voordracht van leden en kandidaat-opvolgers van het bijzonder comité voor de sociale dienst wordt ingediend bij de algemeen directeur.
   Een ontvankelijke akte van voordracht van leden en kandidaat-opvolgers van het bijzonder comité voor de sociale dienst voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het eerste lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld;
   2° ze vermeldt de voornaam of voornamen, de achternaam, de geboortedatum, het beroep, het rijksregisternummer en de hoofdverblijfplaats van de kandidaat-leden;
   3° ze is ondertekend door de meerderheid van de verkozenen van dezelfde lijst of groep van lijsten die aan de lokale verkiezingen hebben deelgenomen, of, als de voorgedragen kandidaat deelgenomen heeft aan de lokale verkiezingen, door de meerderheid van de verkozenen van dezelfde lijst of groep van lijsten die aan de lokale verkiezingen hebben deelgenomen. Het aantal handtekeningen wordt berekend na de schrapping van de ongeldige handtekeningen, vermeld in het zevende lid. Als een lijst of groep van lijsten maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   4° ze vermeldt kandidaat-leden van verschillend geslacht, tenzij het gaat om een lijst of groep van lijsten waaraan maar één zetel in het bijzonder comité voor de sociale dienst is toegewezen;
   5° ze vermeldt niet meer kandidaat-leden dan het aantal dat aan de lijst of groep van lijsten is toegewezen conform artikel 91, of dan het aantal vacante mandaten met toepassing van artikel 95;
   6° ze is uiterlijk drie dagen voor de installatievergadering van de gemeenteraad aan de algemeen directeur bezorgd.
   Als een lijst of groep van lijsten die maar twee verkozenen telt, twee akten van voordracht indient terwijl er maar één kandidaat-lid aan de lijst of de groep van lijsten is toegewezen, zijn beide akten onontvankelijk.
   De akte van voordracht kan de voornaam of voornamen, de achternaam, de geboortedatum, het beroep, het rijksregisternummer en de hoofdverblijfplaats van een of meer opvolgers van een kandidaat-lid vermelden. Dezelfde persoon kan opvolger zijn van twee of meer kandidaat-leden die op dezelfde akte van voordracht zijn voorgedragen. Dezelfde persoon kan ook kandidaat-lid en kandidaat-opvolger zijn.
   De akte van voordracht vermeldt in voorkomend geval voor elk kandidaat-lid de kandidaat-opvolgers in de volgorde waarin die zijn voorbestemd om het lid te vervangen.
   De akte van voordracht kan ook de einddatum van het mandaat van een kandidaat-lid of van een kandidaat-opvolger vermelden. De opvolger voldoet ook aan de voorwaarden voor de ondertekening, vermeld in het tweede lid. In voorkomend geval is het lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend en wordt hij van rechtswege opgevolgd door de persoon die in de akte van voordracht als opvolger is vermeld. Als het mandaat eindigt voor de einddatum, vermeld in de akte van voordracht, neemt de opvolger vervroegd het mandaat op. Als de voordracht geen einddatum vermeldt, wordt, in voorkomend geval, de vermelding van een of meer opvolgers als onbestaand beschouwd.
   Niemand kan meer dan één akte van voordracht ondertekenen. Overtreding van het voormelde verbod wordt bestraft conform artikel 7, § 2.
   De algemeen directeur bezorgt een afschrift van de akten van voordracht aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn.
   De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn gaat na of de akten van voordracht voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het zesde lid.]1

  
Art. 92. [1 Les membres et candidats suppléants du comité spécial du service social sont présentés par écrit par les élus au conseil communal sur la base d'actes de présentation qui répondent à toutes les conditions de recevabilité visées à l'alinéa 2. Le Gouvernement flamand arrête le modèle de l'acte de présentation des membres et candidats suppléants du comité spécial du service social, et la manière dont ce modèle est mis à disposition. Le Gouvernement flamand peut arrêter le mode d'introduction de l'acte de présentation des membres et candidats suppléants du comité spécial du service social auprès du directeur général.
   Un acte recevable de présentation des membres et candidats suppléants du comité spécial du service social répond à toutes les conditions suivantes :
   1° il a été fait sur le modèle d'acte que le Gouvernement flamand arrête en vertu de l'alinéa 1er, et qui est mis à disposition le jour de l'élection par une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand avec le cachet dateur de ce jour ;
   2° il indique les prénom, nom, date de naissance, profession, numéro du registre national et résidence principale des candidats membres ;
   3° il est signé par la majorité des élus de la même liste ou du même groupe de listes ayant participé aux élections locales, ou, si le candidat présenté a participé aux élections locales, par la majorité des élus de la même liste ou du même groupe de listes ayant participé aux élections locales. Le nombre de signatures requis est calculé après la radiation des signatures nulles, visée à l'alinéa 7. Si la liste ou le groupe de listes ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   4° à moins qu'il ne s'agisse d'une liste ou d'un groupe de listes auxquels il n'a été attribué qu'un siège au comité spécial du service social, il indique des candidats membres de sexe différent ;
   5° il ne mentionne pas plus de candidats membres que le nombre attribué à la liste ou au groupe de listes conformément à l'article 9, ou vacant en application de l'article 95 ;
   6° il est remis au directeur général au plus tard trois jours avant la réunion d'installation du conseil communal.
   Si une liste ou un groupe de listes qui ne compte que deux élus, introduit deux actes de présentation tandis qu'un seul candidat membre est attribué à la liste ou au groupe de listes, les deux actes sont irrecevables.
   L'acte de présentation mentionne les prénoms, nom, date de naissance, profession, numéro du registre national et résidence principale d'un ou plusieurs suppléants d'un candidat membre. La même personne peut être suppléant de deux ou plusieurs candidats membres qui ont été présentés sur le même acte de présentation. La même personne peut également être à la fois candidat membre et candidat suppléant.
   Le cas échéant, l'acte de présentation mentionne pour chaque candidat membre les candidats suppléants dans l'ordre dans lequel ils sont prédestinés à remplacer le membre.
   L'acte de présentation peut également mentionner la date d'échéance du mandat d'un candidat membre ou d'un candidat suppléant. Le suppléant doit également satisfaire aux conditions de signature, visées à l'alinéa 2. Le cas échéant, le membre du comité spécial du service social est démissionnaire de plein droit à l'expiration de la date de fin du mandat et il est remplacé de plein droit par la personne désignée comme suppléant dans l'acte de présentation. Si le mandat prend fin avant la date de fin visée dans l'acte de présentation, le suppléant assumera le mandat de manière anticipée. Si la présentation ne mentionne pas de date de fin, la mention d'un ou de plusieurs suppléants, le cas échéant, est considérée comme inexistante.
   Nul ne peut signer plus d'un acte de présentation. La violation de l'interdiction précitée est sanctionnée conformément à l'article 7, § 2.
   Le directeur général transmet une copie des actes de présentation au président du conseil de l'aide sociale.
   Le président du conseil de l'aide sociale vérifie si les actes de présentation répondent aux conditions visées aux alinéas 2 à 6.]1

  
Art. 93. De verkiezing van de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst vindt plaats in openbare zitting, tijdens de vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn, aansluitend op de installatievergadering van de gemeenteraad.
  De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn gaat na of de voordrachtsakten ontvankelijk zijn overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in artikel 92, [1 tweede tot en met zesde]1 lid. In voorkomend geval worden de voorgedragen kandidaat-leden en hun opvolgers verkozen verklaard.
  Als tijdens de vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn, aansluitend op de installatievergadering van de gemeenteraad, geen voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst is verkozen, functioneert de uittredende voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst als voorzitter tot de raad voor maatschappelijk welzijn een nieuwe voorzitter heeft verkozen overeenkomstig artikel 90, § 3.
  De kandidaten die als opvolgers van een verkozen lid werden voorgedragen, zijn, met behoud van de toepassing van artikel 94, de opvolgers van het voormelde lid.
  [1 Voor de mandaten die nog niet zijn vervuld, is de procedure, vermeld in artikel 95, vierde lid, in de volgende gevallen van toepassing:
   1° een lijst of groep van lijsten heeft geen ontvankelijke voordrachtsakte ingediend voor de zetels die conform artikel 91 aan de lijst of groep van lijsten zijn toegewezen;
   2° een lijst of groep van lijsten heeft een ontvankelijke akte ingediend waarop minder kandidaat-leden staan dan het aantal dat aan de lijst of groep van lijsten is toegewezen conform artikel 91;
   3° het bijzonder comité voor de sociale dienst is binnen zestig dagen na de dag van de vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn, vermeld in het eerste lid, nog niet volledig samengesteld, behalve als artikel 95 van toepassing is.]1

  
Art. 93. L'élection des membres du comité spécial du service social a lieu en séance publique, durant la réunion du conseil de l'aide sociale qui fait suite à la réunion d'installation du conseil communal.
  Le président du conseil de l'aide sociale vérifie si les actes de présentation sont recevables conformément aux conditions visées à l'article 92, [1 alinéas 2 à 6]1. Le cas échéant, les candidats membres présentés et leurs suppléants sont déclarés élus.
  Si aucun président du comité spécial du service social n'a été élu durant la réunion du conseil de l'aide sociale qui fait suite à la réunion d'installation du conseil communal, le président sortant du comité spécial du service social assume les fonctions de président jusqu'à ce que le conseil de l'aide sociale ait élu un nouveau président conformément à l'article 90, § 3.
  Les candidats qui ont été présentés comme suppléants d'un membre élu sont les suppléants du membre précité, sans préjudice de l'application de l'article 94.
  [1 Pour les mandats non encore pourvus, la procédure visée à l'article 95, alinéa 4, s'applique dans les cas suivants :
   1° une liste ou un groupe de listes n'a pas introduit d'acte de présentation recevable pour les sièges attribués à la liste ou au groupe de liste conformément à l'article 91 ;
   2° une liste ou un groupe de listes a introduit un acte recevable sur lequel figurent moins de candidats membres que le nombre attribué à la liste ou au groupe de listes conformément à l'article 91 ;
   3° le comité spécial du service social n'est pas encore entièrement composé dans les soixante jours après le jour de la réunion du conseil de l'aide sociale, visée à l'alinéa 1er, sauf si l'article 95 s'applique.]1

  
Art. 94. Het bijzonder comité voor de sociale dienst bestaat uit personen van verschillend geslacht.
  Als het bijzonder comité voor de sociale dienst niet rechtsgeldig blijkt te zijn samengesteld overeenkomstig het eerste lid, wordt de oudste kandidaat vervangen door de eerstvolgende opvolger van het andere geslacht die in de voordrachtsakte is vermeld.
  Als voor die kandidaat geen opvolger van het andere geslacht is voorgedragen, wordt een nieuwe kandidaat van het andere geslacht voorgedragen met toepassing van artikel 95.
Art. 94. Le comité spécial du service social se compose de personnes de sexe différent.
  S'il s'avère que le comité spécial du service social n'est pas composé valablement conformément au premier alinéa, le candidat le plus âgé est remplacé par le premier suppléant suivant de l'autre sexe mentionné dans l'acte de présentation.
  Si aucun suppléant de l'autre sexe n'a été présenté pour ce candidat, un nouveau candidat de l'autre sexe est présenté en application de l'article 95.
Art. 95. Als een lid, voordat zijn mandaat verstreken is, ophoudt deel uit te maken van het bijzonder comité voor de sociale dienst of verhinderd is en als hij, met behoud van de toepassing van artikel 94, geen opvolger of opvolgers meer heeft, kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn van de lijst of groep van lijsten die het betreffende lid heeft voorgedragen, samen een kandidaat-lid en een of meer kandidaat-opvolgers voordragen.
  Artikel 92, [3 tweede]3 tot en met zevende lid, is van toepassing op die voordrachtsakte, met dien verstande dat "verkozenen" wordt gelezen als "leden van de raad voor maatschappelijk welzijn" [3 en "drie dagen voor de installatievergadering" wordt gelezen als "acht dagen voor de vergadering vermeld in artikel 95, derde lid"]3.
  Die voordrachtsakte wordt uiterlijk [3 acht]3 dagen vóór de zitting van de raad voor maatschappelijk welzijn waarop de geloofsbrieven van het nieuwe lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst en de opvolger of opvolgers zullen worden onderzocht, aan de algemeen directeur bezorgd, die een afschrift van de akte aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn bezorgt. [2 De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn gaat na of de voordrachtsakte ontvankelijk is overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in artikel 92, [3 tweede]3 tot en met zevende lid. In voorkomend geval wordt]2 de kandidaat verkozen verklaard en worden de kandidaat-opvolgers aangesteld in de volgorde van hun voordracht. Een opvolger die op grond van zijn geslacht het lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst dat ontslag genomen heeft, niet kon opvolgen, wordt geacht opvolger te zijn van het nieuw verkozen lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst en neemt een rang in vóór de opvolgers, vermeld op de voordrachtsakte.
  [1 Als een lijst of groep van lijsten geen ontvankelijke voordrachtsakte heeft ingediend voor de zetels die conform artikel 91 aan de lijst of groep van lijsten zijn toegewezen, kan die lijst een nieuwe akte van voordracht voor een kandidaat-lid of kandidaat-leden indienen, conform het eerste tot en met derde lid, voor de mandaten die nog niet zijn vervuld.]1
  [1 Als de vervanging, vermeld in het eerste lid, niet kan doorgaan of niet plaatsvindt binnen zestig dagen, gebeurt, met behoud van de toepassing van artikel 94, eerste lid, de vervanging bij een geheime stemming in een stemronde waarbij elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn over een stem beschikt en waarbij de kandidaat die de meeste stemmen behaalt, als verkozen wordt verklaard. Elke lijst of groep van lijsten kan daarvoor een akte van voordracht indienen conform artikel 92, [3 tweede]3 tot en met zevende lid [3 , met dien verstande dat "drie dagen voor de installatievergadering" wordt gelezen als "acht dagen voor de vergadering als vermeld in artikel 95, vijfde lid"]3. Bij staking van stemmen is de jongste kandidaat verkozen.]1
  
Art. 95. Lorsqu'un membre cesse, avant l'expiration de son mandat, de faire partie du comité spécial du service social ou est empêché et lorsque, sans préjudice de l'application de l'article 94, il n'a plus de suppléants, les membres du conseil de l'aide sociale de la liste ou du groupe de listes qui a présenté le candidat en question peuvent ensemble présenter un candidat membre et un ou plusieurs candidats suppléants.
  L'article 92, alinéas [3 2]3 à 7, s'applique à l'acte de présentation en question, étant entendu que " élus " doit être lu comme " membres du conseil de l'aide sociale " [3 et " trois jours avant la réunion d'installation " est lu comme " huit jours avant la réunion visée à l'article 95, alinéa 3 "]3.
  Au plus tard [3 huit]3 jours avant la séance du conseil de l'aide sociale à laquelle les pouvoirs du nouveau membre du comité spécial du service social et du ou des suppléants seront examinés, ledit acte de présentation est transmis au directeur général, qui transmet une copie de l'acte au président du conseil de l'aide sociale. [2 Le président du conseil de l'aide sociale vérifie si l'acte de présentation est recevable conformément aux conditions visées à l'article 92, alinéas [3 2]3 à 7 inclus. Le cas échéant]2, le candidat est déclaré élu et les candidats suppléants sont désignés dans l'ordre de leur présentation. Un suppléant qui, en raison de son sexe, n'a pas pu succéder au membre du comité spécial du service social démissionnaire, est supposé être suppléant du nouveau membre élu du comité spécial du service social et prend rang avant les suppléants mentionnés dans l'acte de présentation.
  [1 Si une liste ou un groupe de listes n'a pas introduit d'acte de présentation recevable pour les sièges attribués à la liste ou au groupe de listes conformément à l'article 91, cette liste peut introduire un nouvel acte de présentation pour un candidat membre ou des candidats membres, conformément aux alinéas 1 à 3, pour les mandats non encore pourvus. ]1
  [1 Si le remplacement, visé à l'alinéa 1er, ne peut pas avoir lieu ou ne se fait pas dans les soixante jours, le remplacement a lieu, sans préjudice de l'application de l'article 94, alinéa 1er, au scrutin secret à un tour où chaque membre du conseil de l'aide sociale dispose d'une voix et le candidat qui obtient le plus de voix est déclaré élu. Chaque liste ou groupe de listes peut introduire à cet effet un acte de présentation conformément à l'article 92, alinéas [3 2]3 à 7 [3 , étant entendu que " trois jours avant la réunion d'installation " est lu comme " huit jours avant la réunion visée à l'article 95, alinéa 5 "]3. En cas de parité des voix, le candidat le plus jeune est élu.]1
  
Art. 96. § 1. De verkozen leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst van wie de geloofsbrieven door de raad voor maatschappelijk welzijn zijn goedgekeurd, leggen, voor ze hun mandaat aanvaarden, de volgende eed af in handen van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn: "Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen.".
  In geval van algehele vernieuwing van het bijzonder comité voor de sociale dienst vindt de eedaflegging plaats tijdens de vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn aansluitend op de installatievergadering van de gemeenteraad. Die eedaflegging vindt plaats in openbare vergadering.
  Elke andere eedaflegging gebeurt alleen ten overstaan van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en in aanwezigheid van de algemeen directeur. Daarvan wordt een proces-verbaal opgemaakt dat ondertekend wordt door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en door de algemeen directeur en dat aan de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst wordt bezorgd.
  Als de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn de eed niet afneemt van de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst op de vergadering, vermeld in het tweede lid, of, bij vervanging van een lid, na de installatievergadering uiterlijk vóór de eerstvolgende vergadering van het bijzonder comité voor de sociale dienst, wordt de eed afgenomen door diegene die de voorzitter vervangt overeenkomstig artikel 7, § 5, tweede lid. In voorkomend geval noteert de algemeen directeur de vervanging van de voorzitter in de notulen van de vergadering, en wordt het proces-verbaal ondertekend door degene die de eed heeft afgenomen.
  § 2. De verkozen leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst die aanwezig zijn op de vergadering, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, en die de eed niet afleggen, worden geacht afstand te hebben gedaan van hun mandaat.
  § 3. De verkozen leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst die niet aanwezig zijn op de vergadering, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, en die, nadat ze daarvoor uitdrukkelijk zijn opgeroepen, zonder geldige reden afwezig zijn op de eerste daaropvolgende vergadering, worden geacht afstand te hebben gedaan van hun mandaat.
  § 4. Een verkozen lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst dat zich zonder geldige reden niet aanmeldt bij de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn voor de eedaflegging, vermeld in paragraaf 1, derde lid, na daarvoor te zijn uitgenodigd, wordt geacht afstand te hebben gedaan van zijn mandaat.
Art. 96. § 1er. Les membres élus du comité spécial du service social dont les pouvoirs ont été approuvés par le conseil de l'aide sociale prêtent, avant d'accepter leur mandat, le serment suivant entre les mains du président du conseil de l'aide sociale : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de mon mandat. "
  En cas de renouvellement intégral du comité spécial du service social, la prestation de serment a lieu durant la réunion du conseil de l'aide sociale qui fait suite à la réunion d'installation du conseil communal. Ladite prestation de serment a lieu en séance publique.
  Toute autre prestation de serment se fait uniquement devant le président du conseil de l'aide sociale et en présence du directeur général. Il en est dressé un procès-verbal qui est signé par le président du conseil de l'aide sociale et par le directeur général, et qui est transmis au président du comité spécial du service social.
  Si le président du conseil de l'aide sociale n'assermente pas les membres du comité spécial du service social lors de la réunion visée au deuxième alinéa, ou, en cas de remplacement d'un membre, après la réunion d'installation au plus tard avant la prochaine réunion du comité spécial du service social, le serment est prêté entre les mains de la personne qui remplace le président conformément à l'article 7, § 5, deuxième alinéa. Le cas échéant, le directeur général note le remplacement du président dans le procès-verbal de la réunion, et le procès-verbal est signé par la personne qui a procédé à l'assermentation.
  § 2. Les membres élus du comité spécial du service social qui sont présents à la réunion visée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, et qui ne prêtent pas serment, sont supposés avoir renoncé à leur mandat.
  § 3. Les membres élus du comité spécial du service social qui ne sont pas présents à la réunion mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, et qui, après avoir été convoqués expressément à cet effet, sont absents lors de la prochaine réunion sans raison valable, sont supposés avoir renoncé à leur mandat.
  § 4. Un membre élu du comité spécial du service social qui, sans raison valable, ne se présente pas au président du conseil de l'aide sociale pour la prestation de serment, visée au paragraphe 1er, troisième alinéa, après avoir été convoqué à cet effet, est supposé avoir renoncé à son mandat.
Art. 97. § 1. De voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst wordt, behalve in geval van vervallenverklaring, ontslag, overlijden, of als de akte van voordracht een einddatum vermeldt, verkozen voor een periode van zes jaar.
  Na een volledige vernieuwing van de raad voor maatschappelijk welzijn blijft de uittredende voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst in functie tot de nieuwe voorzitter geïnstalleerd is.
  § 2. De leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst worden, behalve in geval van vervallenverklaring, ontslag of overlijden of als de akte van voordracht een einddatum vermeldt, verkozen voor een periode van zes jaar.
  De uittredende leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst blijven na een volledige vernieuwing van de raad voor maatschappelijk welzijn in functie tot de installatie van de meerderheid van de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst heeft plaatsgevonden.
Art. 97. § 1er. Sauf en cas de déclaration de déchéance, de démission, de décès, ou si l'acte de présentation indique une date de fin, le président du comité spécial du service social est élu pour une période de six ans.
  Après un renouvellement intégral du conseil de l'aide sociale, le président du comité spécial du service social sortant reste en fonction jusqu'à ce que le nouveau président soit installé.
  § 2. Sauf en cas de déclaration de déchéance, de démission, de décès, ou si l'acte de présentation indique une date de fin, les membres du comité spécial du service social sont élus pour une période de six ans.
  Après un renouvellement intégral du conseil de l'aide sociale, les membres sortants du comité spécial du service social restent en fonction jusqu'à l'installation effective de la majorité des membres du comité spécial du service social.
Art. 98. Een verkozen lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst dat voor zijn installatie afstand wil doen van zijn mandaat, brengt de voorzitter of de uittredende voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn daarvan schriftelijk op de hoogte. De afstand wordt definitief zodra de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn daarvan heeft kennisgenomen.
Art. 98. Un membre élu du comité spécial du service social qui désire renoncer à son mandat avant son installation en avise par écrit le président ou le président sortant du conseil de l'aide sociale. La renonciation devient définitive dès que le président du conseil de l'aide sociale en a pris connaissance.
Art. 99. Artikel 9 is van toepassing op de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst, tenzij het lid van het bijzonder comité onmiddellijk ontslag neemt met toepassing van artikel 103.
Art. 99. L'article 9 s'applique aux membres du comité spécial du service social, à moins que le membre du comité spécial ne démissionne immédiatement en application de l'article 103.
Art. 100. [2 Artikel 10, met uitzondering van het eerste lid, 5°,]2 is van overeenkomstige toepassing op de voorzitter en de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst, met dien verstande dat het onderwijzend personeel van de gemeente, die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, wel lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst kan zijn.
  De voorzitter of een lid van het vast bureau kan slechts deel uitmaken van het bijzonder comité voor de sociale dienst, als die met toepassing van artikel 90 verkozen is als voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst [1 of als die met toepassing van artikel 106 de verkozen voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst vervangt]1.
  
Art. 100. [2 L'article 10, à l'exception de l'alinéa 1er, 5°,]2 s'applique par analogie au président et aux membres du comité spécial du service social, étant entendu que le personnel enseignant de la commune qui est desservie par le centre public d'action sociale peut toutefois être membre du comité spécial du service social.
  Le président ou un membre du bureau permanent ne peut faire partie du comité spécial du service social que si, en application de l'article 90, il a été élu président du comité spécial du service social [1 ou si, en application de l'article 106, il remplace le président élu du comité spécial du service social]1.
  
Art. 101. Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing op de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst.
Art. 101. L'article 11 s'applique par analogie aux membres du comité spécial du service social.
Art. 102. Artikel 12, met uitzondering van punt 5°, is van overeenkomstige toepassing op het bijzonder comité voor de sociale dienst.
  Met behoud van de toepassing van het eerste lid, neemt het bijzonder comité voor de sociale dienst akte van de verhindering van de volgende personen:
  1° het lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst, met uitzondering van de voorzitter, dat met toepassing van artikel 62, eerste lid, tot burgemeester wordt benoemd ter vervanging van een verhinderde of geschorste burgemeester of met toepassing van artikel 49, § 1, tot schepen wordt verkozen ter vervanging van een verhinderde of geschorste schepen;
  2° de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst die zich bevindt in een van de gevallen van verhindering, vermeld in artikel 47, 1° tot en met 3°.
Art. 102. L'article 12, à l'exception du point 5°, s'applique par analogie au comité spécial du service social.
  Sans préjudice de l'application du premier alinéa, le comité spécial du service social prend acte de l'empêchement des personnes suivantes :
  1° le membre du comité spécial du service social, à l'exception du président, qui, en application de l'article 62, alinéa premier, est élu bourgmestre en remplacement d'un bourgmestre empêché ou suspendu ou qui, en application de l'article 49, § 1er, est élu échevin en remplacement d'un échevin empêché ou suspendu ;
  2° le président du comité spécial du service social qui se trouve dans un des cas d'empêchement visés à l'article 47, 1° à 3°.
Art. 103. Het lid of de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst dat ontslag wil nemen, deelt dat schriftelijk mee aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn. Het ontslag is definitief zodra de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn de kennisgeving ontvangt. Het lid of de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger is geïnstalleerd, behalve als het ontslag het gevolg is van een onverenigbaarheid.
Art. 103. Le membre ou le président du comité spécial du service social qui souhaite démissionner en informe par écrit le président du conseil de l'aide sociale. La démission est définitive dès réception de ladite notification par le président du conseil de l'aide sociale. Le membre ou le président du comité spécial du service social continue d'exercer son mandat jusqu'à l'installation de son suppléant, à moins que la démission ne soit la conséquence d'une incompatibilité.
Art. 104. [1 § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn kan een constructieve motie van wantrouwen aannemen tegen de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst.
   § 2. De constructieve motie van wantrouwen voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze is ondertekend door de meerderheid van de raadsleden;
   2° ze is ondertekend door ten minste twee derde van de raadsleden van elk van de fracties waartoe de raadsleden in de gemeenteraad behoren die de motie ondersteunen. Als een fractie maar uit twee verkozenen bestaat, volstaat de handtekening van een van hen;
   3° ze is ondertekend door twee derde van de raadsleden van de fractie waartoe de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst in de gemeenteraad behoort;
   4° ze draagt een kandidaat-opvolger voor;
   5° er is een ontvankelijke akte van voordracht bijgevoegd als vermeld in artikel 90. Als een lijst in twee fracties is opgesplitst, wordt, in afwijking van artikel 90, de akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter ondertekend door de meerderheid van de raadsleden die deel uitmaken van de fractie van de kandidaat-voorzitter. Als de fractie van de kandidaat-voorzitter maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   6° ze is uiterlijk acht dagen voor de zitting van de raad voor maatschappelijk welzijn aan de algemeen directeur bezorgd.
   De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 3°, is niet van toepassing in geval de gemeenteraad een collectieve motie heeft aangenomen.
   De constructieve motie van wantrouwen kan niet bij spoedeisendheid in bespreking worden gebracht als vermeld in artikel 74 samen gelezen met artikel 23.
   De constructieve motie van wantrouwen kan niet worden ingediend op de volgende momenten:
   1° in de periode van één jaar na de installatie van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
   2° in de periode van twaalf maanden voor de dag van de verkiezingen voor de volledige vernieuwing van de gemeenteraden.
   De algemeen directeur bezorgt de constructieve motie van wantrouwen met de bijgevoegde akte van voordracht van de kandidaat-voorzitter aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn.
   § 3. Voor er kan worden gestemd, onderzoekt de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of de constructieve motie van wantrouwen voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2. Als hij vaststelt dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, verklaart hij de motie zonder voorwerp.
   § 4. Als de raad voor maatschappelijk welzijn de constructieve motie van wantrouwen aanneemt, is de voorzitter ontslagen. De voorgedragen kandidaat-voorzitter wordt verkozen verklaard.]1

  
Art. 104. [1 § 1er. Le conseil de l'aide sociale peut adopter une motion de défiance constructive à l'encontre du président du comité spécial du service social.
   § 2. La motion de défiance constructive répond à toutes les conditions suivantes :
   1° elle est signée par la majorité des conseillers ;
   2° elle est signée par au moins deux tiers des conseillers de chacun des groupes auxquels appartiennent les conseillers au conseil communal qui soutiennent la motion. Lorsqu'un groupe ne se compose que de deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   3° elle est signée par deux tiers des conseillers du groupe auquel appartient le président du comité spécial du service social au conseil communal ;
   4° elle présente un candidat successeur ;
   5° elle est accompagnée d'un acte de présentation recevable tel que visé à l'article 90. Par dérogation à l'article 90, si une liste est divisée en deux groupes, l'acte de présentation du candidat président est signé par la majorité des conseillers appartenant au groupe du candidat président. Si le groupe du candidat président ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   6° elle est transmise au directeur général au plus tard huit jours avant la séance du conseil de l'aide sociale.
   La condition visée à l'alinéa 1er, 3°, ne s'applique pas si le conseil communal a adopté une motion collective.
   La motion de défiance constructive ne peut être discutée d'urgence, comme le prévoit l'article 74, lu conjointement avec l'article 23.
   La motion de défiance constructive ne peut être déposée aux moments suivants :
   1° dans la période d'un an suivant l'installation du comité spécial du service social ;
   2° dans la période de douze mois précédant le jour des élections pour le renouvellement intégral des conseils communaux.
   Le directeur général transmet la motion de défiance constructive et l'acte de présentation annexé du candidat président au président du conseil de l'aide sociale.
   § 3. Avant de procéder au vote, le président du conseil de l'aide sociale examine si la motion de défiance constructive remplit les conditions visées au paragraphe 2. S'il constate que toutes les conditions ne sont pas remplies, il déclare la motion sans objet.
   § 4. Si le conseil de l'aide sociale adopte la motion de défiance constructive, le président est licencié. Le candidat président présenté est déclaré élu.]1

  
Art. 105. § 1. Het lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst dat afstand doet van zijn mandaat, van zijn mandaat vervallen wordt verklaard, als verhinderd wordt beschouwd, ontslag heeft genomen of overleden is, wordt vervangen door zijn opvolger.
  Als het lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst geen opvolger meer heeft, wordt overgegaan tot de verkiezing van een nieuw lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst overeenkomstig artikel 95.
  Tot aan de nieuwe verkiezing wordt het mandaat waargenomen overeenkomstig paragraaf 2.
  § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn kan in zijn huishoudelijk reglement bepalen dat plaatsvervangers worden aangewezen die de effectieve leden van het bijzonder comité mogen vervangen, als die verhinderd zijn. De plaatsvervangers moeten leden van de raad voor maatschappelijk welzijn zijn en worden aangewezen door de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn die de voordracht van het effectieve lid van het comité ondertekend hebben.
  § 3. Het lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst dat als verhinderd wordt beschouwd, wordt vervangen zolang de toestand van verhindering duurt. Het bijzonder comité voor de sociale dienst neemt akte van de beëindiging van de periode van verhindering.
Art. 105. § 1er. Le membre du comité spécial du service social qui renonce à son mandat, qui est déclaré déchu de son mandat, qui est considéré comme empêché, qui a démissionné ou qui est décédé est remplacé par son suppléant.
  Si le membre du comité spécial du service social n'a plus de suppléant, il est procédé à l'élection d'un nouveau membre du comité spécial du service social conformément à l'article 95.
  Jusqu'à la nouvelle élection, le mandat est assuré conformément au paragraphe 2.
  § 2. Le conseil de l'aide sociale peut prévoir, dans son règlement d'ordre intérieur, la désignation de suppléants qui peuvent remplacer les membres effectifs du comité spécial lorsque ceux-ci sont empêchés. Les suppléants doivent être membres du conseil de l'aide sociale et sont désignés par les membres du conseil de l'aide sociale qui ont signé la présentation du membre effectif du comité.
  § 3. Le membre du comité spécial du service social qui est considéré comme empêché est remplacé aussi longtemps que la situation d'empêchement perdure. Le comité spécial de l'aide sociale prend acte de la fin de la période d'empêchement.
Art. 106. § 1. Als de voorzitter het mandaat niet aanvaardt, als zijn mandaat vervallen wordt verklaard, als hij als verhinderd wordt beschouwd, afgezet of geschorst wordt, overleden is of ontslag genomen heeft, wordt op de eerstvolgende vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn een nieuwe voorzitter verkozen, overeenkomstig artikel 90, met dien verstande dat "de vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn aansluitend op de installatievergadering van de gemeenteraad" wordt gelezen als "de eerstvolgende vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn"[3 "drie dagen" vermeld in paragraaf 1 wordt gelezen als "acht dagen"]3, "verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen" wordt gelezen als "raadsleden van de raad voor maatschappelijk welzijn", "personen" wordt gelezen als "raadsleden van de raad voor maatschappelijk welzijn". Tot aan de nieuwe verkiezing wordt het voorzitterschap [2 , behalve in geval van ontslag dat niet het gevolg is van een onverenigbaarheid,]2 waargenomen overeenkomstig het tweede lid.
  [1 Als de voorzitter om een andere reden dan de redenen, vermeld in het eerste lid, tijdelijk afwezig is of als hij bij een welbepaalde aangelegenheid betrokken partij is als vermeld in artikel 27, wijst hij de voorzitter of een lid van het vast bureau aan als zijn vervanger. Als hij geen vervanger heeft aangewezen of als de vervanger zelf tijdelijk afwezig is, dan wordt hij vervangen door de voorzitter of het lid van het vast bureau met de hoogste rang. Als de voorzitter of dat lid van het vast bureau de voorzitter niet kan vervangen, wordt het voorzitterschap waargenomen door een ander lid van het vast bureau, in volgorde van rang]1.
  De voorzitter die als verhinderd wordt beschouwd, die geschorst is of tijdelijk afwezig is, wordt vervangen zolang hij verhinderd, geschorst of tijdelijk afwezig is. De raad voor maatschappelijk welzijn neemt akte van de verhindering of schorsing en van de beëindiging van de periode van de verhindering of schorsing.
  § 2. De vervallenverklaring, de verhindering, de afzetting of de schorsing van of de niet-aanvaarding of het ontslag door de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, die overeenkomstig artikel 42, § 1, derde lid, van rechtswege is toegevoegd aan het college van burgemeester en schepenen, houden van rechtswege de vervallenverklaring, de verhindering, de afzetting, de schorsing, de niet-aanvaarding of het ontslag in voor zijn mandaat als schepen als vermeld in artikel 42, § 1, derde lid.
  
Art. 106. § 1er. Si le président n'accepte pas le mandat, s'il est déclaré déchu de son mandat, s'il est considéré comme étant empêché, s'il est destitué ou suspendu, s'il est décédé ou a démissionné, il sera procédé à une nouvelle élection d'un président lors de la réunion suivante du conseil de l'aide sociale, conformément à l'article 90, étant entendu que " la réunion du conseil de l'aide sociale qui a lieu à la suite de la réunion d'installation du conseil communal " doit être lu comme " la réunion suivante du conseil de l'aide sociale ", [3 "trois jours" doit être lu comme "huit jours",]3 " élus sur les listes qui ont participé aux élections " doit être lu comme " membres du conseil de l'aide sociale " et " personnes " doit être lu comme " membres du conseil de l'aide sociale ". Jusqu'à la nouvelle élection, [2 sauf en cas de démission qui n'est pas la conséquence d'une incompatibilité,]2 la présidence sera assurée conformément au deuxième alinéa.
  [1 Si le président est temporairement absent pour un motif autre que ceux visés à l'alinéa premier, ou s'il est partie intéressée à une affaire déterminée au sens de l'article 27, il désigne le président ou un membre du bureau permanent comme son remplaçant. S'il n'a pas désigné de remplaçant, ou si le remplaçant est lui-même temporairement absent, il sera remplacé par le président ou le membre du bureau permanent ayant le rang le plus élevé. Si le président ou ce membre du bureau permanent ne peut pas remplacer le président, la présidence est assurée par un autre membre du bureau permanent par ordre de rang.]1.
  Le président qui est considéré comme empêché, qui est suspendu ou qui est temporairement absent n'est remplacé que pendant la durée de son empêchement, de sa suspension ou de son absence temporaire. Le conseil de l'aide sociale prend acte de l'empêchement ou de la suspension ainsi que de la cessation de la période d'empêchement ou de suspension.
  § 2. La déclaration de déchéance, l'empêchement, la révocation ou la suspension du président du comité spécial du service social, ou la non-acceptation ou la démission par le président du comité spécial du service social, qui, conformément à l'article 42, § 1er, troisième alinéa, a été de plein droit ajouté au collège des bourgmestre et échevins, impliquent de plein droit la déclaration de déchéance, l'empêchement, la révocation ou la suspension, ou la non-acceptation ou la démission, de son mandat en tant qu'échevin tel que visé à l'article 42, § 1er, troisième alinéa.
  
Art. 107. § 1. De leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst ontvangen ten laste van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn presentiegeld voor hun aanwezigheid op vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst. De Vlaamse Regering stelt een lijst op van vergaderingen die voortvloeien uit de mandaatsverplichtingen van de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst waarvoor de raad voor maatschappelijk welzijn bij reglement kan bepalen dat presentiegeld wordt verleend.
  § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt het bedrag van het presentiegeld. Het presentiegeld bedraagt voor het bijwonen van de vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst maximaal evenveel als het presentiegeld van de gemeenteraadsleden van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, voor hun aanwezigheid op de gemeenteraad. Als de raad voor maatschappelijk welzijn geen beslissing over het presentiegeld genomen heeft, bedraagt het presentiegeld evenveel als het presentiegeld van de gemeenteraadsleden van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, voor hun aanwezigheid op de gemeenteraad.
  De raad voor maatschappelijk welzijn vermindert het presentiegeld van het lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst dat andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen, vergoedingen of toelagen ontvangt, of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vult die vergoeding aan, met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies dat de betrokkene lijdt, op voorwaarde dat het lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst daar zelf om verzoekt. De algemeen directeur stelt vast of aan de vereiste voorwaarden is voldaan.
  De som van de presentiegelden, aangevuld met het bedrag ter compensatie van het inkomensverlies, kan nooit hoger zijn dan de wedde van een schepen van een gemeente met 50.000 inwoners.
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de grenzen waarbinnen de raad voor maatschappelijk welzijn kan bepalen welke specifieke kosten die verband houden met de uitoefening van het mandaat kunnen worden terugbetaald.
  § 4. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn sluit een verzekering af om de burgerlijke aansprakelijkheid, met inbegrip van de rechtsbijstand, te dekken die persoonlijk ten laste komt van de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst bij de normale uitoefening van hun mandaat.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van deze paragraaf.
  Naast de verzekering, vermeld in het eerste lid, sluit het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ook een verzekering af voor ongevallen die de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst overkomen in het kader van de normale uitoefening van hun mandaat.
  § 5. Behalve in geval van herhaling is het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe een lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst wordt veroordeeld wegens een misdrijf, begaan bij de normale uitoefening van zijn mandaat, met uitzondering van een persoonlijke inbreuk op de verkeersreglementering.
  De regresvordering van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten aanzien van de veroordeelde leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst is beperkt tot de gevallen van bedrog, zware schuld of lichte schuld die bij hen gewoonlijk voorkomen.
Art. 107. § 1er. Les membres du comité spécial du service social reçoivent à charge du centre public daction sociale un jeton de présence pour leur présence aux réunions du comité spécial du service social. Le Gouvernement flamand établit une liste des réunions qui découlent des obligations du mandat des membres du comité spécial du service social pour lesquels le conseil de l'aide sociale peut déterminer par règlement qu'un jeton de présence est accordé.
  § 2. Le conseil de l'aide sociale détermine le montant du jeton de présence. Le jeton de présence s'élève, pour la présence aux réunions du comité spécial du service social, tout au plus au même montant que le jeton de présence des conseillers communaux de la commune qui est desservie par le centre public daction sociale, pour leur présence au conseil communal. Lorsque le conseil de l'aide sociale n'a pas pris de décision relative au jeton de présence, le jeton de présence s'élève au même montant que le jeton de présence des conseillers communaux de la commune desservie par le centre public daction sociale, pour leur présence au conseil communal.
  Le conseil de l'aide sociale réduit les jetons de présence du membre du comité spécial du service social qui reçoit d'autres rémunérations légales ou réglementaires, pensions, indemnités ou allocations, ou le centre public daction sociale complète ladite indemnité d'un montant visant à compenser la perte de revenus que subit l'intéressé, à condition que le membre du comité spécial du service social en fasse lui-même la demande. Le directeur général vérifie si les conditions requises ont été remplies.
  Le montant des jetons de présence, majoré du montant compensant la perte de revenus, ne peut jamais excéder le traitement d'un échevin d'une commune de 50.000 habitants.
  § 3. Le Gouvernement flamand détermine les limites dans lesquelles le conseil de l'aide sociale peut déterminer les frais spécifiques qui entrent en ligne de compte pour un remboursement dans le cadre de l'exercice d'un mandat.
  § 4. Le centre public daction sociale souscrit une assurance pour couvrir la responsabilité civile, en ce compris l'assistance juridique, qui incombe personnellement aux membres du comité spécial du service social dans le cadre de l'exercice normal de leur mandat.
  Le Gouvernement flamand détermine les modalités d'exécution de la disposition précitée.
  Outre l'assurance visée au premier alinéa, le centre public daction sociale souscrit une assurance pour les accidents des membres du comité spécial du service social, survenus dans le cadre de l'exercice normal de leur mandat.
  § 5. Sauf en cas de récidive, le centre public daction sociale est civilement responsable pour le paiement des amendes auxquelles est condamné un membre du comité spécial du service social pour un délit qu'il aurait commis lors de l'exercice normal de sa fonction, à l'exception des infractions personnelles à la réglementation sur la circulation routière.
  L'action récursoire du centre public daction sociale à l'égard des membres du comité spécial du service social condamnés est limitée aux cas de fraude, de faute grave ou de faute légère présentant un caractère habituel.
Art. 108. Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing op de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst.
Art. 108. L'article 16 s'applique par analogie aux membres du comité spécial du service social.
Afdeling 2. - De werking van het bijzonder comité voor de sociale dienst
Section 2. - Fonctionnement du comité spécial du service social
Art. 109. De voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst roept de vergaderingen bijeen van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Hij stelt de agenda vast van de vergaderingen en verricht het voorafgaande onderzoek van de zaken die worden voorgelegd.
Art. 109. Le président du comité spécial du service social convoque les réunions du comité spécial du service social. Il fixe l'ordre du jour des réunions et examine au préalable les dossiers qui seront soumis.
Art. 110. Het bijzonder comité voor de sociale dienst vergadert regelmatig, op de dagen en uren die het bepaalt, en zo dikwijls als de behandeling van de zaken het vereist. De voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst kan in spoedeisende gevallen buitengewone vergaderingen bijeenroepen, op de dag en het uur die hij bepaalt.
  Artikel 20, 21, 23, 24, 26, 27, 29, 32, 33, 34, eerste lid, en artikel 75, met uitzondering van artikel 21, tweede lid, artikel 29, § 1, § 2 en § 5, en de bepalingen in artikel 32 over het zittingsverslag, zijn van toepassing op de vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst met dien verstande dat de volgende woorden worden gelezen als volgt:
  1° "het raadslid" als "het lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst";
  2° "de raadsleden" als "de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst";
  3° "de voorzitter van de gemeenteraad" als "de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst";
  4° "de gemeenteraad" als "het bijzonder comité voor de sociale dienst";
  5° "de gemeente" als "het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn";
  6° "een gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap" als "de verenigingen of vennootschappen, vermeld in deel 3, titel 4";
  7° "artikel 16 en 155" als "artikel 108";
  [2 8° "de gemeenteraadscommissies, vermeld in artikel 37" als "de subcomités, vermeld in artikel 89";]2
  [3 9° "acht dagen" als vermeld in artikel 32, tweede lid, als "drie dagen".]3
  Het bijzonder comité voor de sociale dienst kan in afwijking van artikel 20 in een huishoudelijk reglement bepalen dat de agenda van het bijzonder comité voor de sociale dienst pas vijf dagen voor de vergadering moet worden bezorgd. In dat geval bepaalt het bijzonder comité voor de sociale dienst in zijn huishoudelijk reglement binnen welke termijn de agendapunten, vermeld in artikel 21, kunnen worden toegevoegd. Het bijzonder comité voor de sociale dienst stelt de notulen van de vorige vergadering ter beschikking van zijn leden. De notulen die betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer van cliënten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of hun onderhoudsplichtigen, worden alleen ter beschikking gesteld van de leden volgens de regels, vastgesteld overeenkomstig artikel 20, derde lid.
  De vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst zijn niet openbaar.
  De beslissingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst worden opgenomen in de notulen en alleen die beslissingen kunnen rechtsgevolgen hebben. De notulen worden goedgekeurd op de eerstvolgende gewone vergadering van het bijzonder comité voor de sociale dienst. De notulen[1 ...]1, worden uiterlijk op dezelfde dag als de vergadering van het bijzonder comité voor de sociale dienst die volgt op de vergadering van het bijzonder comité voor de sociale dienst waarop de notulen zijn goedgekeurd, verstuurd naar of ter beschikking gesteld van de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst door de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst op de wijze, vermeld in het huishoudelijk reglement.
  
Art. 110. Le comité spécial du service social se réunit régulièrement, aux jours et aux heures qu'il fixe, et autant de fois que le traitement des dossiers l'exige. Le président du comité spécial du service social peut convoquer des réunions extraordinaires dans les cas urgents, au jour et à l'heure qu'il fixe.
  Les articles 20, 21, 23, 24, 26, 27, 29, 32, 33, 34, premier alinéa, et l'article 75, à l'exception de l'article 21, deuxième alinéa, de l'article 29, § 1er, § 2 et § 5, ainsi que des dispositions de l'article 32 concernant le rapport de séance, s'appliquent aux réunions du comité spécial du service social, étant entendu que les mots suivants doivent être lus comme suit :
  1° " le conseiller " comme " le membre du comité spécial du service social " ;
  2° " les conseillers " comme " les membres du comité spécial du service social " ;
  3° " le président du conseil communal " comme " le président du comité spécial du service social " ;
  4° " le conseil communal " comme " le comité spécial du service social " ;
  5° " la commune " comme " le centre public daction sociale " ;
  6° " une agence autonomisée externe communale " comme " les associations et sociétés visées à la partie 3, titre 4 " ;
  7° " les articles 16 et 155 " comme " l'article 108 ".
  [2 8° " les commissions du conseil communal, visées à l'article 37 " comme " les sous-comités, visés à l'article 89 ".]2
  [3 9° " huit jours " tels que visés à l'article 32, alinéa 2, comme " trois jours ".]3
  Le comité spécial du service social peut, par dérogation à l'article 20, fixer dans un règlement d'ordre intérieur que l'ordre du jour pour le comité spécial du service social ne doit être communiqué que cinq jours avant la réunion. Dans ce cas, le comité spécial du service social fixe dans son règlement d'ordre intérieur le délai dans lequel les points de l'ordre du jour visés à l'article 21 peuvent être ajoutés. Le comité spécial du service social met le procès-verbal de la réunion précédente à la disposition de ses membres. Les procès-verbaux qui traitent de la vie privée des clients du centre public daction sociale ou de leurs débiteurs d'aliments sont uniquement mis à la disposition des membres suivant les règles établies conformément à l'article 20, troisième alinéa.
  Les réunions du comité spécial du service social ne sont pas publiques.
  Les décisions du comité spécial du service social sont reprises dans les procès-verbaux, et seules ces décisions peuvent avoir des effets juridiques. Les procès-verbaux sont approuvés lors de la réunion ordinaire suivante du comité spécial du service social.[1 ...]1 Les procès-verbaux sont envoyés aux membres du comité spécial du service social ou mis à la disposition de ces derniers par le président du comité spécial du service social, conformément à la procédure fixée dans le règlement d'ordre intérieur, et ce au plus tard le même jour que le jour de la réunion du comité spécial du service social qui suit la réunion du comité spécial du service social au cours de laquelle les procès-verbaux ont été approuvés.
  
Art. 111. Bij de aanvang van de zittingsperiode neemt het bijzonder comité voor de sociale dienst een huishoudelijk reglement aan waarin, in voorkomend geval, nadere regels over de werking van het bijzonder comité voor de sociale dienst zijn bepaald, en waarin minstens bepalingen worden opgenomen over:
  1° de wijze van notulering en de wijze waarop de notulen van de vorige vergadering ter beschikking worden gesteld van de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
  2° de wijze van verzending van de oproeping en het ter beschikking stellen van het dossier aan de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst, alsook de wijze waarop de algemeen directeur of de door hem aangewezen personeelsleden aan de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst die erom verzoeken, technische inlichtingen verschaffen over die stukken;
  3° de wijze waarop het bijzonder comité voor de sociale dienst stemt;
  4° de wijze van het ter kennis brengen van de beslissingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
  5° de perken waarbinnen de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst zijn bevoegdheden als vermeld in artikel 114, kan uitoefenen.
  [1 6° de keuze om digitaal of hybride te vergaderen en de wijze waarop;
   7° de uitzonderlijke omstandigheden waaronder het bijzonder comité voor de sociale dienst digitaal kan vergaderen, als het huishoudelijk reglement de mogelijkheid van digitaal vergaderen opneemt;
   8° de uitzonderlijke omstandigheden waaronder het bijzonder comité voor de sociale dienst hybride kan vergaderen, als het huishoudelijk reglement de mogelijkheid van hybride vergaderen opneemt.]1

  Het bijzonder comité voor de sociale dienst kan het huishoudelijk reglement op elk moment wijzigen.
  
Art. 111. Au début d'une législature, le comité spécial du service social adopte un règlement d'ordre intérieur dans lequel sont fixées, le cas échéant, les modalités de fonctionnement du comité spécial du service social, et qui reprend au moins des dispositions concernant :
  1° le mode d'établissement du procès-verbal et le mode de mise à disposition du procès-verbal de la réunion précédente aux membres du comité spécial du service social ;
  2° le mode d'envoi de la convocation et la mise à disposition du dossier aux membres du comité spécial du service social, ainsi que les modalités selon lesquelles le directeur général ou les membres du personnel désignés par ce dernier fournissent aux membres du comité spécial du service social qui en font la demande, des informations techniques relatives à ces pièces ;
  3° le mode de scrutin pratiqué par le comité spécial du service social ;
  4° le mode de notification des décisions du comité spécial du service social ;
  5° les limites dans lesquelles le président du comité spécial du service social peut exercer ses compétences, telles que visées à l'article 114.
  [1 6° le choix et les modalités de se réunir par voie numérique ou hybride ;
   7° les circonstances exceptionnelles dans lesquelles le comité spécial du service social peut se réunir par voie numérique, si le règlement d'ordre intérieur inclut la possibilité de réunions numériques ;
   8° les circonstances exceptionnelles dans lesquelles le comité spécial du service social peut se réunir par voie hybride, si le règlement d'ordre intérieur inclut la possibilité de réunions hybrides.]1

  Le comité spécial du service social peut modifier le règlement d'ordre intérieur à tout moment.
  
Art. 112. Het bijzonder comité voor de sociale dienst heeft dezelfde deontologische code als die welke is aangenomen voor de raad voor maatschappelijk welzijn.
  Het bijzonder comité voor de sociale dienst kan echter zelf een deontologische code aannemen die minstens de deontologische code, zoals aangenomen door de raad voor maatschappelijk welzijn, omvat.
Art. 112. Le comité spécial du service social respecte le même code de déontologie que celui adopté pour le conseil de l'aide sociale.
  Le comité spécial du service social peut cependant lui-même adopter un code de déontologie qui comprend au moins le code de déontologie tel qu'adopté par le conseil de l'aide sociale.
Afdeling 3. - De bevoegdheden van het bijzonder comité voor de sociale dienst
Section 3. - Compétences du comité spécial du service social
Art. 113. Het bijzonder comité voor de sociale dienst is bevoegd voor:
  1° de beslissingen over de toekenning, terugvordering, herziening en schorsing van individuele steun op het vlak van de maatschappelijke dienstverlening en de maatschappelijke integratie;
  2° de bekrachtiging van de beslissingen van de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, vermeld in artikel 114.
  Het bijzonder comité voor de sociale dienst kan in zijn huishoudelijk reglement bepalen dat het beslissingsbevoegdheid als vermeld in het eerste lid toevertrouwt aan een of meerdere subcomités. In voorkomend geval is de voorzitter van een subcomité een lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst dat ook lid is van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  Het bijzonder comité voor de sociale dienst kan op eigen initiatief of op verzoek een niet-bindend advies geven aan het college, het vast bureau, de gemeenteraad en de OCMW-raad over het gemeente- of OCMW-beleid.
Art. 113. Le comité spécial du service social est compétent pour :
  1° les décisions concernant l'attribution, le recouvrement, la révision et la suspension des aides individuelles sur le plan des services sociaux et de l'intégration sociale ;
  2° La ratification des décisions du président du comité spécial du service social, visées à l'article 114.
  Le comité spécial du service social peut disposer dans son règlement d'ordre intérieur qu'il confie la compétence de décision, telle que visée au premier alinéa, à un ou plusieurs sous-comités. Le cas échéant, le président d'un sous-comité est un membre du comité spécial du service social qui est également membre du conseil de l'aide sociale.
  Le comité spécial du service social peut, de sa propre initiative ou sur demande, donner un avis non contraignant au collège, au bureau permanent, au conseil communal et au conseil du CPAS concernant la politique de la commune ou du CPAS.
Afdeling 4. - De bevoegdheden van de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst
Section 4. - Compétences du président du comité spécial du service social
Art. 114. De voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst kan in dringende gevallen en binnen de perken bepaald door het huishoudelijk reglement van het bijzonder comité voor de sociale dienst, zelf tot dringende hulpverlening beslissen, op voorwaarde dat hij zijn beslissing op de eerstvolgende vergadering ter bekrachtiging aan het bijzonder comité voor de sociale dienst voorlegt.
  Als een dakloze persoon een beroep doet op de maatschappelijke dienstverlening van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar hij zich bevindt, moet de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst hem de vereiste dringende hulpverlening toekennen, binnen de grenzen, vastgesteld door het huishoudelijk reglement van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Hij legt zijn beslissing op de eerstvolgende vergadering ter bekrachtiging voor aan het bijzonder comité voor de sociale dienst.
Art. 114. Le président du comité spécial du service social peut, en cas d'urgence et dans les limites fixées par le règlement d'ordre intérieur du conseil de l'aide sociale, décider lui-même de l'octroi d'une aide urgente, à charge pour lui, lors de la réunion suivante, de soumettre sa décision au comité spécial du service social pour ratification.
  Lorsqu'une personne sans abri sollicite l'aide sociale du centre public daction sociale de la commune où elle se trouve, le président doit lui accorder l'aide urgente requise, dans les limites fixées par le règlement d'ordre intérieur du comité spécial du service social. Lors de la réunion suivante, il soumet sa décision au comité spécial du service social pour ratification.
HOOFDSTUK 7. - De districten
CHAPITRE 7. - Les districts
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1ère. - Dispositions générales
Art. 115. In gemeenten met meer dan 100.000 inwoners kunnen, op initiatief van de gemeenteraad, binnengemeentelijke territoriale organen worden opgericht, districten genoemd.
  Het besluit van de gemeenteraad tot oprichting van districten wordt gepubliceerd met toepassing van artikel 286, § 1, 11°.
Art. 115. Dans les communes comptant plus de 100.000 habitants, des organes territoriaux intracommunaux, dénommés districts, peuvent être créés à l'initiative du conseil communal.
  La décision du conseil communal de créer des districts est publiée en application de l'article 286, § 1er, 11°.
Art. 116. Elk districtsbestuur omvat een districtsraad, een voorzitter van de districtsraad, een districtscollege en een voorzitter van het districtscollege, de districtsburgemeester genoemd.
Art. 116. Chaque administration de district comprend un conseil de district, un président du conseil de district, un collège de district et un président du collège de district, dénommé bourgmestre de district.
Afdeling 2. - organisatie van de districtsraad
Section 2. - Organisation du conseil de district
Art. 117. De leden van de districtsraden worden voor zes jaar gekozen door de vergadering van de gemeenteraadskiezers die in de bevolkingsregisters van de gemeente zijn ingeschreven als wonend in de gebiedsomschrijving in kwestie.
Art. 117. Les membres des conseils de district sont élus pour six ans par l'assemblée des électeurs communaux inscrits dans les registres de la population de la commune comme habitants de l'entité territoriale concernée.
Art. 118. Het aantal leden dat voor de districtsraden verkozen moet worden, wordt bepaald op twee derde van het aantal leden, vermeld in artikel 4, § 1, toegepast op de overeenkomstige gebiedsomschrijvingen. Het resultaat van die deling wordt afgerond naar het hoger oneven getal.
  Artikel 4, § 3, is van toepassing op de districtsraad met dien verstande dat "gemeente" wordt gelezen als "district", "gemeenteraadsleden" wordt gelezen als "districtsraadsleden" en "gemeenteraadsverkiezingen" wordt gelezen als "districtsraadsverkiezingen". [1 Als een gemeente de beslissing tot oprichting van een nieuw district bekendgemaakt heeft, vermeldt de Vlaamse Regering, in voorkomend geval in de lijst van het aantal te verkiezen districtsraadsleden, het aantal te verkiezen districtsraadsleden van het nieuwe district op basis van het aantal personen die ingeschreven zijn in het Rijksregister van de natuurlijke personen en die op 1 januari van het jaar van de districtsraadsverkiezingen hun hoofdverblijfplaats in de gebiedsomschrijving en binnen de grenzen van het nieuwe district hebben.]1
  
Art. 118. Le nombre de membres des conseils de district, à désigner par voie d'élections, est fixé aux deux tiers du nombre de membres visé à l'article 4, § 1er, pour des entités territoriales correspondantes. Le résultat du partage précité est arrondi au nombre impair supérieur.
  L'article 4, § 3, s'applique au conseil de district, étant entendu que " commune " doit être lu comme " district ", " conseillers communaux " doit être lu comme " membres du conseil de district " et " élections communales " doit être lu comme " élections du conseil de district ". [1 Si une commune a publié la décision de créer un nouveau district, le Gouvernement flamand indique, le cas échéant, dans la liste du nombre de conseillers de district à élire, le nombre de conseillers de district à élire du nouveau district sur la base du nombre de personnes inscrites au Registre national des personnes physiques qui ont leur résidence principale dans la circonscription territoriale et dans les limites du nouveau district au 1er janvier de l'année des élections du conseil de district.]1
  
Art. 119. Artikel 5, 6, 8 tot en met 14, artikel 16 en 17, met uitzondering van artikel 6, § 3, tweede lid, artikel 10, eerste lid, 4°, wat betreft de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de personeelsleden van de gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen, en [1 artikel 10, eerste lid, 5°, 8° en 9°]1 zijn van toepassing op de districtsraden en hun leden, met dien verstande dat "de gemeenteraad" wordt gelezen als "de districtsraad", "de gemeenteraadskiezer" wordt gelezen als "de districtsraadskiezer", "het college van burgemeester en schepenen" wordt gelezen als "het districtscollege", "de voorzitter van de gemeenteraad" wordt gelezen als "de voorzitter van de districtsraad", "het gemeenteraadslid" wordt gelezen als "het districtsraadslid", "het gemeentehuis" wordt gelezen als "het districtshuis" en "de algemeen directeur" wordt gelezen als "de districtssecretaris".
  [2 Met behoud van de toepassing van het eerste lid vindt de installatievergadering van de districtsraad plaats op dezelfde dag als de installatievergadering van de gemeenteraad of uiterlijk 30 dagen na de installatie van de gemeenteraad.]2
  De voorzitter van de installatievergadering legt, als hij herkozen is als districtsraadslid, de eed af in handen van het oudste districtsraadslid.
  Er bestaat een onverenigbaarheid tussen het mandaat van gemeenteraadslid en lid van de districtsraad.
  
Art. 119. Les articles 5, 6, 8 à 14 inclus, les articles 16 et 17, à l'exception de l'article 6, § 3, deuxième alinéa, de l'article 10, premier alinéa, 4°, concernant les membres du personnel du centre public daction sociale et les membres du personnel des agences autonomisées externes communales et [1 l'article 10, alinéa 1er, 5°, 8° et 9°,]1 sont d'application aux conseils de district et à leurs membres, étant entendu que " le conseil communal " doit être lu comme " le conseil de district ", " l'électeur communal " doit être lu comme " l'électeur du conseil de district ", " le collège des bourgmestre et échevins " doit être lu comme " le collège de district ", " le président du conseil communal " doit être lu comme " le président du conseil de district ", " le conseiller communal " doit être lu comme " le membre du conseil de district ", " la maison communale " doit être lu comme " la maison du district " et " le directeur général " doit être lu comme " le secrétaire de district ".
  [2 Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, la réunion d'installation du conseil de district a lieu au même jour que la réunion d'installation du conseil communal ou au plus tard 30 jours après l'installation du conseil communal.]2
  Lorsqu'il est réélu en tant que membre du conseil de district, le président de la réunion d'installation prête serment entre les mains du plus ancien membre du conseil de district.
  Il y a incompatibilité entre l'exercice du mandat de conseiller communal et celui de membre du conseil de district.
  
Art. 119/1. [1 In afwijking van artikel 119, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6, § 1, gelden de volgende bepalingen bij de oprichting van een nieuw district, vermeld in artikel 115:
   1° als er geen bezwaar is ingediend tegen de verkiezing, worden de verkozen districtsraadsleden door de voorzitter van de gemeenteraad ten minste acht dagen voor de installatievergadering van de districtsraad op de hoogte gebracht van de datum, het uur en de plaats van de installatievergadering. Bij ontstentenis van oproeping door de voorzitter van de gemeenteraad, vindt de installatievergadering van rechtswege plaats dertig dagen na de installatie van de gemeenteraad, in het gemeentehuis om 20 uur. De algemeen directeur brengt bij ontstentenis van oproeping door de voorzitter van de gemeenteraad voor de goede orde de nieuw verkozen districtsraadsleden daarvan op de hoogte;
   2° als er bezwaar is ingediend tegen de verkiezing en als die vervolgens toch geldig is verklaard, roept de voorzitter van de gemeenteraad de nieuw verkozen raadsleden samen op de installatievergadering binnen vijftien dagen na de dag waarop de uitslag van de verkiezing definitief is, maar op zijn vroegst na de installatievergadering van de gemeenteraad;
   3° als er bezwaar is ingediend tegen de verkiezing en als die verkiezing vervolgens ongeldig is verklaard en er een nieuwe verkiezing moet worden gehouden, roept de voorzitter van de gemeenteraad de verkozen raadsleden samen op de installatievergadering binnen vijftien dagen na de dag waarop de uitslag van de nieuwe verkiezing definitief is.
   In afwijking van artikel 119, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6, § 2, zit bij de oprichting van een nieuw district, vermeld in artikel 115, de voorzitter van de gemeenteraad de installatievergadering voor. Hij blijft voorzitter van de districtsraad tot er een nieuwe voorzitter verkozen is. Als de voorzitter van de gemeenteraad de installatievergadering niet kan voorzitten, zit een lid van het college van burgemeester en schepenen in afnemende volgorde van rang ze voor.
   In afwijking van artikel 119, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8, brengt een verkozen districtsraadslid dat voor zijn installatie afstand wil doen van zijn mandaat, de voorzitter van de gemeenteraad daarvan schriftelijk op de hoogte. De voormelde afstand wordt definitief zodra de districtsraad daarvan heeft kennisgenomen.]1

  
Art. 119/1. [1 Par dérogation à l'article 119, alinéa 1er, lu en combinaison avec l'article 6, § 1er, les dispositions suivantes s'appliquent en cas de la création d'un nouveau district, visée à l'article 115 :
   1° si aucune objection n'est introduite contre l'élection, les conseillers de district élus sont informés par le président du conseil communal, au moins huit jours avant la réunion d'installation du conseil de district, de la date, de l'heure et du lieu de la réunion d'installation. En l'absence de convocation par le président du conseil communal, la réunion d'installation a lieu de plein droit trente jours après l'installation du conseil communal, à la maison communale à 20 heures. En l'absence de convocation par le président du conseil communal, le directeur général en informe, à toutes fins utiles, les conseillers de district nouvellement élus ;
   2° si une objection a été introduite contre l'élection et si l'élection a néanmoins été déclarée valide par la suite, le président du conseil communal convoque les conseillers nouvellement élus à la réunion d'installation dans les quinze jours suivant le jour auquel le résultat de l'élection est définitif, mais au plus tôt après la réunion d'installation du conseil communal ;
   3° si une objection a été introduite contre l'élection et si l'élection a été déclarée invalide par la suite, et qu'une nouvelle élection doit avoir lieu, le président du conseil communal convoque les conseillers élus à la réunion d'installation dans les quinze jours suivant le jour auquel le résultat de la nouvelle élection est définitif.
   Par dérogation à l'article 119, alinéa 1er, lu en combinaison avec l'article 6, § 2, en cas de la création d'un nouveau district, visée à l'article 115, le président du conseil communal préside la réunion d'installation. Il reste président du conseil de district jusqu'à l'élection d'un nouveau président. Si le président du conseil communal ne peut pas présider la réunion d'installation, elle est présidée par un membre du collège des bourgmestre et échevins dans l'ordre décroissant de leur rang.
   Par dérogation à l'article 119, alinéa 1er, lu en combinaison avec l'article 8, un conseiller de district élu qui souhaite renoncer à son mandat avant son installation en informe par écrit le président du conseil communal. La renonciation précitée devient définitive dès que le conseil de district en a pris connaissance.]1

  
Art. 120. Artikel 7 [1 en 7/1 zijn]1 van toepassing op de verkiezing van de voorzitter van de districtsraad, met dien verstande dat "de gemeenteraad" wordt gelezen als "de districtsraad", "het gemeenteraadslid" wordt gelezen als "het districtsraadslid", "de voorzitter van de gemeenteraad" wordt gelezen als "de voorzitter van de districtsraad", "gemeenteraadscommissie" wordt gelezen als "districtsraadscommissie", "schepen" wordt gelezen als "districtsschepen", "burgemeester" wordt gelezen als "districtsburgemeester"[1 ", gemeenteraadszitting" wordt gelezen als "zitting van de districtsraad"]1, en "de algemeen directeur" wordt gelezen als "de districtssecretaris".
  [1 Met behoud van de toepassing van het eerste lid wordt bij de oprichting van een nieuw district, vermeld in artikel 115, de akte van voordracht voor de verkiezing van een voorzitter van de districtsraad bezorgd aan de algemeen directeur van de gemeente.]1
  
Art. 120. [1 Les articles 7 et 7/1 sont]1 d'application à l'élection du président du conseil de district, étant entendu que " le conseil communal " doit être lu comme " le conseil de district ", " le conseiller communal " doit être lu comme " le membre du conseil de district ", " le président du conseil communal " doit être lu comme " le président du conseil de district ", " la commission du conseil communal " doit être lu comme " la commission du conseil de district ", " échevin " doit être lu comme " échevin de district ", " bourgmestre " doit être lu comme " bourgmestre de district ", [1 , "réunion du conseil communal" doit être lu comme "réunion du conseil de district"]1 et " le directeur général " doit être lu comme " le secrétaire de district ".
  [1 Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, en cas de la création d'un nouveau district, visée à l'article 115, l'acte de présentation pour l'élection d'un président du conseil de district est transmis au directeur général de la commune.]1
  
Afdeling 3. - De organisatie van het districtscollege
Section 3. - Organisation du collège de district
Art. 121. § 1. Uiterlijk op 1 juni van het jaar waarin de districtsraadsverkiezingen plaatsvinden, bepaalt de gemeenteraad per district, dat door hem is opgericht, het maximale aantal districtsschepenen voor de volgende bestuursperiode op basis van de bevolkingsaantallen van het district. Het inwoneraantal dat in aanmerking wordt genomen, is het aantal personen dat ingeschreven is in het rijksregister van de natuurlijke personen die op 1 januari van het jaar van de districtsraadsverkiezingen hun hoofdverblijfplaats in het desbetreffende district hadden. Bij gebrek aan beslissing van de gemeenteraad, is het maximale aantal districtsschepenen identiek aan het maximale aantal districtsschepenen van de vorige bestuursperiode.
  Het districtscollege moet, met inbegrip van de districtsburgemeester, minstens twee leden bevatten.
  § 2. Artikel 42, § 3 tot en met § 5, is van toepassing op de districtsschepenen, met dien verstande dat "gemeente" wordt gelezen als "district", "gemeenteraad" wordt gelezen als "districtsraad", "gemeenteraadslid" wordt gelezen als "districtsraadslid", "college van burgemeester en schepen" wordt gelezen als "districtscollege", "schepen" wordt gelezen als "districtsschepen" en "burgemeester" wordt gelezen als "districtsburgemeester".
Art. 121. § 1er. Au plus tard le 1er juin de l'année durant laquelle ont lieu les élections du conseil de district, le conseil communal détermine, pour chaque district créé par lui, le nombre maximum d'échevins de district pour la prochaine période d'administration sur la base des chiffres de population du district. Le nombre d'habitants à prendre en compte est le nombre de personnes inscrites au registre national des personnes physiques qui avaient leur résidence principale dans le district concerné au 1er janvier de l'année des élections du conseil de district. En l'absence de décision du conseil communal, le nombre maximum d'échevins de district est identique au nombre maximum d'échevins de district de la période d'administration précédente.
  Le collège de district doit compter au moins deux membres, en ce compris le bourgmestre de district.
  § 2. L'article 42, § 3 à § 5 inclus, est d'application aux échevins de district, étant entendu que " commune " doit être lu comme " district ", " conseil communal " doit être lu comme " conseil de district ", " conseiller communal " doit être lu comme " membre du conseil de district ", " collège des bourgmestre et échevins " doit être lu comme " collège de district ", " échevins " doit être lu comme " échevins de district " et " bourgmestre " doit être lu comme " bourgmestre de district ".
Art. 122. Artikel 43 en 44 zijn van toepassing op de verkiezing van de districtsschepenen, met dien verstande dat "gemeenteraad" wordt gelezen als "districtsraad", "gemeenteraadslid" wordt gelezen als "districtsraadslid", "voorzitter van de gemeenteraad" wordt gelezen als "voorzitter van de districtsraad", "burgemeester" wordt gelezen als "districtsburgemeester", "schepen" wordt gelezen als "districtsschepen", "algemeen directeur" wordt gelezen als "districtssecretaris" [2 ...]2.
  [3 Met behoud van de toepassing van het eerste lid wordt bij de oprichting van een nieuw district, vermeld in artikel 115, de akte van voordracht voor de verkiezing van de districtsschepenen bezorgd aan de algemeen directeur van de gemeente. De algemeen directeur bezorgt een afschrift van de akte van voordracht voor de verkiezing van de districtsschepenen aan de burgemeester.]3
  Artikel 45, 47, 48, 49, § § 1, 2 en 4, en artikel 148 tot en met 156 en 160 zijn, als ze de burgemeester en de schepenen betreffen, ook van toepassing op de districtsburgemeester en op de districtsschepenen, met dien verstande dat "gemeente" wordt gelezen als "district", "gemeenteraad" wordt gelezen als "districtsraad", "voorzitter van de gemeenteraad" wordt gelezen als "voorzitter van de districtsraad", "gemeenteraadslid" wordt geleden als "districtsraadslid", "schepen" wordt gelezen als "districtsschepen", "college van burgemeester en schepenen" wordt gelezen als "districtscollege", "burgemeester" wordt gelezen als "districtsburgemeester" en "de algemeen directeur" wordt gelezen als "de districtssecretaris", [1 met dien verstande dat artikel 10, eerste lid, 4°, wat betreft de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de personeelsleden van de gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen, 5°, 8° en 9°, niet van toepassing is op de districtsburgemeester en de districtsschepenen,]1 en met dien verstande dat de wedde van de districtsschepenen wordt bepaald door de Vlaamse Regering, die daarbij rekening kan houden met de omvang van de bevoegdheden die aan de districten toegewezen worden, alsook met het inwonersaantal van het district, en dat de districtsraad de eretitel van de districtsburgemeester kan toekennen onder voorwaarden die hij bepaalt.
  Artikel 157 tot en met 159 zijn, als ze de burgemeester en de schepenen betreffen, ook van toepassing op de districtsburgemeester en op de districtsschepenen, met dien verstande dat "schepen" wordt gelezen als "districtsschepen" en "burgemeester" wordt gelezen als "districtsburgemeester".
  
Art. 122. Les articles 43 et 44 sont d'application à l'élection des échevins de district, étant entendu que " conseil communal " doit être lu comme " conseil de district ", " conseiller communal " doit être lu comme " membre du conseil de district ", " président du conseil communal " doit être lu comme " président du conseil de district ", " bourgmestre " doit être lu comme " bourgmestre de district ", " échevin " doit être lu comme " échevin de district ", " directeur général " doit être lu comme " secrétaire de district " [2 ...]2.
  [3 Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, en cas de la création d'un nouveau district, visée à l'article 115, l'acte de présentation pour l'élection des échevins de district est transmis au directeur général de la commune. Le directeur général transmet une copie de l'acte de présentation pour l'élection des échevins de district au bourgmestre.]3
  Les articles 45, 47, 48, 49, §§ 1, 2 et 4, et les articles 148 à 156 inclus et 160 sont, dans la mesure où ils concernent le bourgmestre et les échevins, également d'application au bourgmestre de district et aux échevins de district, étant entendu que " commune " doit être lu comme " district ", " conseil communal " doit être lu comme " conseil de district ", " président du conseil communal " doit être lu comme " président du conseil de district ", " conseiller communal " doit être lu comme " membre du conseil de district ", " échevin " doit être lu comme " échevin de district ", " collège des bourgmestre et échevins " doit être lu comme " collège de district ", " bourgmestre " doit être lu comme " bourgmestre de district " et " le directeur général " doit être lu comme " le secrétaire de district ", [1 étant entendu que l'article 10, alinéa 1er, 4°, en ce qui concerne les membres du personnel du centre public d'action sociale et les membres du personnel des agences autonomisées externes communales, 5°, 8° et 9°, ne s'applique pas au bourgmestre de district et aux échevins de district, ]1 et étant entendu que le traitement des échevins de district est déterminé par le Gouvernement flamand, qui à cet égard peut tenir compte de l'étendue des compétences conférées au district ainsi que du nombre d'habitants du district, et que le conseil de district peut attribuer, à des conditions qu'il aura fixées, le titre honorifique du bourgmestre de district.
  Les articles 157 à 159 inclus sont, dans la mesure où ils concernent le bourgmestre et les échevins, également d'application au bourgmestre de district et aux échevins de district, étant entendu que " échevin " doit être lu comme " échevin de district " et " bourgmestre " doit être lu comme " bourgmestre de district ".
  
Art. 123. [1 § 1. Met behoud van de toepassing van de nationaliteitsvereiste, vermeld in artikel 14 juncto artikel 332 van de Nieuwe Gemeentewet, wordt de verkozene voor de districtsraad die het hoogste aantal naamstemmen heeft en die tot de coalitiefractie met de meeste zetels in de districtsraad behoort, districtsburgemeester. Als verschillende coalitiefracties het hoogste aantal zetels hebben, wordt de verkozene voor de districtsraad die het hoogste aantal naamstemmen heeft en die tot de coalitiefractie behoort waarvan de lijst het hoogste stemcijfer heeft behaald, districtsburgemeester. Als de verkozenen van de coalitiefracties met het hoogste aantal zetels verkozen zijn op dezelfde lijst en als die lijst het hoogste stemcijfer heeft behaald, wordt de verkozene voor de districtsraad van die lijst met het hoogste aantal naamstemmen districtsburgemeester. [2 Als twee verkozenen van de grootste coalitiefractie een gelijk hoogste aantal naamstemmen hebben behaald, is de kandidaat die het hoogst gerangschikt stond op de lijst, de districtsburgemeester.]2 Tot de eerstvolgende vernieuwing van de districtsraad wordt een fractie geacht hetzelfde aantal leden te behouden voor wat betreft het gewicht van de fracties en de daaruit volgende aanduiding van de districtsburgemeester.
   Vanaf de installatie van de districtsschepenen is het raadslid waarvan sprake in het eerste lid, districtsburgemeester.
   Voor hij zijn mandaat aanvaardt, legt de districtsburgemeester de volgende eed af in handen van de voorzitter van de districtsraad: "Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen.". Als de districtsburgemeester zelf de voorzitter van de districtsraad is, legt hij de eed af in handen van het oudste districtsraadslid. De districtsburgemeester die de eed weigert of die, nadat hij daarvoor uitdrukkelijk is opgeroepen, zonder geldige reden afwezig is op de eerste daaropvolgende vergadering, wordt geacht het districtsburgemeestersmandaat niet te aanvaarden. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak over de geschillen die daarover rijzen.
   In geval van een algehele vernieuwing van de districtsraad vindt de eedaflegging plaats tijdens de installatievergadering van de districtsraad of tijdens een van de daaropvolgende vergaderingen van de districtsraad.
   § 2. Als het raadslid, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, het mandaat van districtsburgemeester niet aanvaardt of definitief ophoudt dat mandaat uit te oefenen, dan wordt, met herneming van de procedure in paragraaf 1, het raadslid dat, na dat raadslid, binnen dezelfde fractie de meeste naamstemmen heeft behaald, districtsburgemeester. Als alle verkozenen van de grootste coalitiefractie ervan afzien het mandaat van districtsburgemeester op te nemen, dan wordt de verkozene die behoort tot de op een na grootste coalitiefractie en die de meeste naamstemmen behaald heeft, districtsburgemeester.
   De regeling, vermeld in het eerste lid, wordt op een analoge manier toegepast op de verkozenen van de andere coalitiefracties in afnemende volgorde van grootte.
   § 3. [3 In afwijking van paragraaf 2 kan een akte van opvolging van districtsburgemeester die voldoet aan al de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het tweede lid, worden ingediend. De Vlaamse Regering stelt het model van de akte van opvolging van districtsburgemeester vast en de wijze waarop dat model ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de akte van opvolging van districtsburgemeester wordt ingediend bij de districtssecretaris.
   Een ontvankelijke akte van opvolging van districtsburgemeester voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze draagt een districtsraadslid voor dat de Belgische nationaliteit heeft;
   2° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het eerste lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld;
   3° ze vermeldt de einddatum van het mandaat van districtsburgemeester. De opvolging kan op zijn vroegst in werking treden op 1 oktober van het vierde jaar van de bestuursperiode;
   4° ze vermeldt de naam van de persoon die de districtsburgemeester opvolgt. De voormelde persoon behoort tot dezelfde fractie als de districtsburgemeester die wordt opgevolgd;
   5° ze is ondertekend door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen;
   6° ze is ondertekend door de meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat-opvolger zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-opvolger voorkomt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   7° ze is uiterlijk drie dagen voor de installatievergadering van de districtsraad aan de districtssecretaris bezorgd.
   De akte van opvolging vermeldt de einddatum van het mandaat van de districtsburgemeester en de naam van de persoon die de districtsburgemeester opvolgt. Bij het bereiken van de voormelde einddatum is de districtsburgemeester van rechtswege ontslagnemend.
   Als het mandaat van districtsburgemeester eindigt voor 1 oktober van het vierde jaar van de bestuursperiode, is de akte van opvolging zonder voorwerp en wordt tot vervanging overgegaan conform paragraaf 2.
   Als het mandaat van districtsburgemeester vervroegd eindigt op of na 1 oktober van het vierde jaar van de bestuursperiode, neemt het raadslid, vermeld in de akte van opvolging, het mandaat vervroegd op.
   Als de persoon die in de akte van opvolging is vermeld geen districtsraadslid meer is, wordt de akte van opvolging zonder voorwerp.
   Een nieuwe akte van opvolging kan alleen ingediend worden in de volgende gevallen:
   1° de akte van opvolging is onontvankelijk;
   2° het mandaat van de districtsburgemeester eindigt voor 1 oktober van het vierde jaar van de bestuursperiode en er wordt tot vervanging overgegaan conform paragraaf 2;
   3° voor de einddatum van het mandaat van de districtsburgemeester is de persoon die in de akte van opvolging is vermeld, geen districtsraadslid meer.
   Het tweede lid, met uitzondering van punt 7°, is van toepassing op de nieuwe akte van opvolging, vermeld in het zevende lid. De voormelde nieuwe akte van opvolging wordt uiterlijk acht dagen voor de vergadering van de districtsraad aan de districtssecretaris bezorgd.
   Als bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van districtsburgemeester, vermeld in de akte van opvolging, de persoon die in de akte van opvolging is vermeld, het mandaat niet opneemt of als na de opvolging het mandaat van districtsburgemeester vroegtijdig eindigt, wordt de districtsburgemeester vervangen op basis van een akte van voordracht die voldoet aan al de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het tiende lid. De Vlaamse Regering stelt het model van de akte van voordracht van kandidaat-districtsburgemeester vast en de wijze waarop die ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de akte van voordracht van kandidaat-districtsburgemeester wordt ingediend bij de districtssecretaris.
   Een ontvankelijke akte van voordracht van kandidaat-districtsburgemeester voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze draagt een districtsraadslid voor dat de Belgische nationaliteit heeft;
   2° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het negende lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld;
   3° ze vermeldt de naam van de kandidaat-districtsburgemeester. De kandidaat-districtsburgemeester behoort tot dezelfde fractie als de districtsburgemeester die wordt vervangen;
   4° ze is ondertekend door meer dan de helft van de districtsraadsleden;
   5° ze is ondertekend door de meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat-opvolger zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-opvolger voorkomt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   6° ze is uiterlijk acht dagen voor de vergadering van de districtsraad waarop de vervanging van de burgemeester is geagendeerd, aan de districtssecretaris bezorgd.
   Niemand kan meer dan één akte van opvolging of een akte van voordracht ondertekenen. Overtreding van het voormelde verbod wordt bestraft overeenkomstig artikel 7, § 2.
   De districtssecretaris bezorgt een afschrift van de akte van opvolging of de akte van voordracht aan de districtsburgemeester.
   Nadat de districtsraadsleden de eed hebben afgelegd, bezorgt de districtssecretaris in voorkomend geval de akte van opvolging aan de voorzitter van de districtsraad. In voorkomend geval bezorgt de districtssecretaris de akte van voordracht aan de voorzitter van de districtsraad.
   De voorzitter van de districtsraad gaat na of de akte van opvolging of de akte van voordracht voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden. Alleen de handtekeningen van de districtsraadsleden die de eed hebben afgelegd, worden daarbij in aanmerking genomen, met inbegrip van de opvolgers die de akte van opvolging hebben ondertekend en die nadien als districtsraadslid de eed hebben afgelegd.
   In geval van de oprichting van een nieuw district, vermeld in artikel 115, wordt de akte van opvolging bezorgd aan de algemeen directeur van de gemeente. De algemeen directeur bezorgt een afschrift van de akte van opvolging aan de burgemeester. Nadat de districtsraadsleden de eed hebben afgelegd, bezorgt de algemeen directeur de akte van opvolging aan de voorzitter van de districtsraad.]3
]1

  
Art. 123. [1 § 1er. Sans préjudice de l'application de la condition de nationalité, visée à l'article 14 juncto l'article 332 de la nouvelle loi communale, l'élu au conseil de district qui a obtenu le plus de votes nominatifs et fait partie du groupe de coalition ayant le plus de sièges au conseil de district, devient le bourgmestre de district. Si plusieurs groupes de coalition ont le plus de sièges, l'élu au conseil de district qui a le plus de votes nominatifs et appartient au groupe de coalition dont la liste a obtenu le chiffre électoral le plus élevé, devient le bourgmestre de district. Si les élus des groupes de coalition ayant le plus de sièges sont élus sur la même liste, et si cette liste a obtenu le chiffre électoral le plus élevé, l'élu du conseil de district de cette liste qui a le plus de votes nominatifs, devient le bourgmestre de district. [2 Si deux élus du plus grand groupe de coalition ont obtenu le même nombre le plus élevé de votes nominatifs, le candidat qui occupait la place la plus élevée sur la liste devient le bourgmestre de district.]2 Jusqu'au prochain renouvellement du conseil de district, un groupe est censé conserver le même nombre de membres en ce qui concerne le poids des groupes et la désignation du bourgmestre de district qui en découle.
   A partir de l'installation des échevins de district, le conseiller visé à l'alinéa 1er devient le bourgmestre de district.
   Avant d'accepter son mandat, le bourgmestre de district prête le serment suivant entre les mains du président du conseil de district : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de mon mandat. ". Si le bourgmestre de district est lui-même le président du conseil de district, il prête le serment entre les mains du conseiller de district le plus âgé. Le bourgmestre de district qui refuse de prêter le serment ou qui, après avoir été explicitement convoqué, est absent sans motif valable à la première réunion suivante, est censé ne pas accepter le mandat de bourgmestre de district. Le Conseil des Contestations électorales statue sur les litiges qui surviennent à ce sujet.
   En cas de renouvellement intégral du conseil de district, la prestation de serment a lieu pendant la réunion d'installation du conseil de district ou pendant une des réunions suivantes du conseil de district.
   § 2. Si le conseiller visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, n'accepte pas le mandat de bourgmestre de district ou cesse définitivement d'exercer ce mandat, le conseiller qui, après ce conseiller, au même groupe, a obtenu le plus de votes nominatifs, devient le bourgmestre de district, suite à la reprise de la procédure visée au paragraphe 1er. Si tous les élus du plus grand groupe de coalition s'abstiennent d'assumer le mandat de bourgmestre de district, l'élu qui appartient au deuxième plus grand groupe de coalition et qui a obtenu le plus de votes nominatifs, devient le bourgmestre de district.
   Le règlement visé à l'alinéa 1er est appliqué par analogie aux élus des autres groupes de coalition dans l'ordre décroissant de leur taille.
   § 3. [3 Par dérogation au paragraphe 2, un acte de suppléance de bourgmestre de district qui répond à toutes les conditions de recevabilité visées à l'alinéa 2, peut être introduit. Le Gouvernement flamand arrête le modèle de l'acte de suppléance de bourgmestre de district, et la manière dont ce modèle est mis à disposition. Le Gouvernement flamand peut arrêter le mode d'introduction de l'acte de suppléance de bourgmestre de district auprès du secrétaire de district.
   Un acte recevable de suppléance de bourgmestre de district répond à toutes les conditions suivantes :
   1° il présente un conseiller de district qui a la nationalité belge ;
   2° il a été fait sur le modèle d'acte que le Gouvernement flamand arrête en vertu de l'alinéa 1er, et qui est mis à disposition le jour de l'élection par une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand avec le cachet dateur de ce jour ;
   3° il indique la date de fin du mandat de bourgmestre de district. La suppléance ne peut entrer en vigueur qu'au plus tôt le 1er octobre de la quatrième année de la législature ;
   4° il indique le nom de la personne qui succède au bourgmestre de district. La personne précitée appartient au même groupe que le bourgmestre de district qui est succédé ;
   5° il est signé par plus de la moitié des élus sur les listes qui ont participé aux élections ;
   6° il est signé par une majorité des personnes qui ont été élues sur la même liste que le candidat suppléant présenté. Si la liste sur laquelle figure le nom du candidat suppléant ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   7° il est remis au secrétaire de district au plus tard trois jours avant la réunion d'installation du conseil de district.
   L'acte de suppléance indique la date de fin du mandat du bourgmestre de district et le nom de la personne qui lui succède. Une fois cette date de fin atteinte, le bourgmestre de district est démissionnaire de plein droit.
   Si le mandat de bourgmestre de district prend fin avant le 1er octobre de la quatrième année de la législature, l'acte de suppléance est sans objet et il est procédé au remplacement conformément au paragraphe 2.
   Si le mandat de bourgmestre de district prend prématurément fin le 1er octobre de la quatrième année de la législature ou après cette date, le conseiller mentionné dans l'acte de suppléance assume le mandat de manière anticipée.
   Si la personne mentionnée dans l'acte de suppléance n'est plus conseiller de district, l'acte de suppléance est sans objet.
   Un nouvel acte de suppléance ne peut être introduit que dans les cas suivants :
   1° l'acte de suppléance est irrecevable ;
   2° le mandat du bourgmestre de district prend fin avant le 1er octobre de la quatrième année de la législature et il est procédé au remplacement conformément au paragraphe 2 ;
   3° avant la date de fin du mandat du bourgmestre de district, la personne mentionnée dans l'acte de suppléance n'est plus conseiller de district.
   L'alinéa 2, à l'exception du point 7°, s'applique au nouvel acte de suppléance visé à l'alinéa 7. Le nouvel acte de suppléance précité est transmis au secrétaire de district au plus tard huit jours avant la réunion du conseil de district.
   Si, à la date de fin du mandat de bourgmestre de district, visée à l'acte de suppléance, la personne mentionnée dans l'acte de suppléance n'assume pas le mandat ou si, après la suppléance, le mandat de bourgmestre de district prend prématurément fin, le bourgmestre de district est remplacé sur la base d'un acte de présentation qui répond à toutes les conditions de recevabilité, visées à l'alinéa 10. Le Gouvernement flamand arrête le modèle de l'acte de présentation de candidat bourgmestre de district, et la manière dont ce modèle est mis à disposition. Le Gouvernement flamand peut arrêter le mode d'introduction de l'acte de présentation de candidat bourgmestre de district auprès du secrétaire de district.
   Un acte recevable de présentation de candidat bourgmestre de district répond à toutes les conditions suivantes :
   1° il présente un conseiller de district qui a la nationalité belge ;
   2° il a été fait sur le modèle d'acte que le Gouvernement flamand arrête en vertu de l'alinéa 9, et qui est mis à disposition le jour de l'élection par une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand avec le cachet dateur de ce jour ;
   3° il indique le nom du candidat bourgmestre de district. Le candidat bourgmestre de district appartient au même groupe que le bourgmestre de district qui est remplacé ;
   4° il est signé par plus de la moitié des conseillers de district ;
   5° il est signé par une majorité des personnes qui ont été élues sur la même liste que le candidat suppléant présenté. Si la liste sur laquelle figure le nom du candidat suppléant ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   6° il est remis au secrétaire de district au plus tard huit jours avant la réunion du conseil de district au cours de laquelle le remplacement du bourgmestre est inscrit à l'ordre du jour.
   Nul ne peut signer plus d'un acte de suppléance ou un acte de présentation. La violation de l'interdiction précitée est sanctionnée conformément à l'article 7, § 2.
   Le secrétaire de district transmet une copie de l'acte de suppléance ou de l'acte de présentation au bourgmestre de district.
   Après la prestation de serment des conseillers de district, le secrétaire de district transmet, le cas échéant, l'acte de suppléance au président du conseil de district. Le cas échéant, le secrétaire de district transmet l'acte de présentation au président du conseil de district.
   Le président du conseil de district vérifie si l'acte de suppléance ou l'acte de présentation répond aux conditions de recevabilité. A cette fin, seules les signatures des conseillers de district qui ont prêté serment sont prises en compte, y compris les suppléants qui ont signé l'acte de suppléance et ont ensuite prêté serment en qualité de conseiller de district.
   En cas de la création d'un nouveau district, visée à l'article 115, l'acte de suppléance est transmis au directeur général de la commune. Le directeur général transmet une copie de l'acte de suppléance au bourgmestre. Après la prestation de serment des conseillers de district, le directeur général transmet l'acte de suppléance au président du conseil de district.]3
]1

  
Art. 124. [1 Als de districtsburgemeester het mandaat niet aanvaardt, als verhinderd wordt beschouwd, afgezet of geschorst wordt, overleden is of ontslag genomen heeft, wordt een nieuwe districtsburgemeester aangeduid overeenkomstig artikel 123, § 2.
   In de gevallen dat de districtsburgemeester van zijn mandaat vervallen wordt verklaard, als verhinderd wordt beschouwd, afgezet of geschorst wordt, ontslagen is als gevolg van een onverenigbaarheid of overleden is, wordt tot aan de eedaflegging van een nieuwe districtsburgemeester, het districtsburgemeesterschap waargenomen overeenkomstig het derde en vierde lid.
   Met behoud van de toepassing van de nationaliteitsvereiste, vermeld in artikel 14 juncto artikel 332 van de Nieuwe Gemeentewet, wordt de districtsburgemeester, die om een andere reden dan de redenen in het eerste lid, tijdelijk afwezig is, vervangen door een districtsschepen in volgorde van hun rang, tenzij de districtsburgemeester zijn bevoegdheid aan een andere districtsschepen heeft opgedragen.
   De districtsburgemeester die als verhinderd wordt beschouwd, die geschorst is of tijdelijk afwezig is, wordt vervangen zolang hij verhinderd, geschorst of tijdelijk afwezig is. De districtsraad neemt akte van de verhindering of schorsing, en van de beëindiging van de periode van verhindering of schorsing.]1

  
Art. 124. [1 Si le bourgmestre de district n'accepte pas le mandat, s'il est considéré comme étant empêché, s'il est destitué ou suspendu, s'il est décédé ou a démissionné, un nouveau bourgmestre de district est désigné conformément à l'article 123, § 2.
   Dans les cas où le bourgmestre de district est déclaré déchu de son mandat, est considéré comme empêché, est révoqué ou suspendu, a été licencié pour cause d'incompatibilité ou est décédé, la fonction de bourgmestre de district est assurée conformément aux alinéas 3 et 4 jusqu'à la prestation de serment d'un nouveau bourgmestre de district.
   Sans préjudice de l'application de la condition de nationalité, visée à l'article 14 juncto l'article 332 de la nouvelle loi communale, le bourgmestre de district qui est temporairement absent pour un autre motif que ceux visés à l'alinéa 1er, est remplacé par un échevin de district dans l'ordre de leur rang, sauf si le bourgmestre de district a confié sa compétence à un autre échevin de district.
   Le bourgmestre de district qui est considéré comme empêché, qui est suspendu ou temporairement absent, n'est remplacé que pendant la durée de son empêchement, sa suspension ou son absence temporaire. Le conseil de district prend acte de l'empêchement ou de la suspension, ainsi que de la fin de la période d'empêchement ou de suspension.]1

  
Art. 124/1. [1 § 1. De districtsraad kan een collectieve constructieve motie van wantrouwen aannemen tegen alle leden van het districtscollege.
   De districtsraad kan een individuele constructieve motie van wantrouwen aannemen tegen een of meer districtsschepenen.
   § 2. De constructieve motie van wantrouwen voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze is ondertekend door de meerderheid van de districtsraadsleden;
   2° ze is ondertekend door ten minste twee derde van de districtsraadsleden van elke fractie die de motie ondersteunt. Als een fractie slechts uit twee verkozenen bestaat, volstaat de handtekening van een van hen;
   3° in geval van een individuele motie, is ze ondertekend door twee derde van de districtsraadsleden van de fractie waartoe de districtsschepen tegen wie de individuele motie gericht is, behoort;
   4° ze vermeldt tegen welke leden van het districtscollege ze gericht is;
   5° ze draagt voor elk van de districtsschepenen tegen wie ze is gericht, een kandidaat-opvolger voor. Zetelende leden kunnen opnieuw voorgedragen worden;
   6° in geval van een individuele motie gericht tegen een of meer districtsschepenen, zijn er, met toepassing van in artikel 49 juncto artikel 122, een of meer ontvankelijke akten van voordracht bijgevoegd. In geval van een collectieve motie is er, met toepassing van artikel 43 juncto artikel 122, een gezamenlijke akte van voordracht bijgevoegd. Als een lijst in twee fracties is opgesplitst, wordt, in afwijking van artikel 43 juncto artikel 122 of artikel 49 juncto artikel 122, de akte van voordracht van de kandidaat-districtsschepen ondertekend door de meerderheid van de districtsraadsleden die deel uitmaken van de fractie van de kandidaat-districtsschepen. Als de fractie van de kandidaat- districtsschepen slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van één van hen;
   7° ze is uiterlijk acht dagen voor de districtsraadszitting aan de districtssecretaris bezorgd.
   De constructieve motie van wantrouwen kan niet bij spoedeisendheid in bespreking worden gebracht als vermeld in artikel 23 juncto artikel 126.
   De constructieve motie van wantrouwen kan niet worden ingediend op de volgende momenten:
   1° in de periode van één jaar na de installatie van de districtsraad;
   2° in de periode van twaalf maanden voor de dag van de verkiezingen voor de volledige vernieuwing van de districtsraden;
   3° als een collectieve constructieve motie van wantrouwen door de districtsraad is aangenomen, voor een termijn van één jaar vervallen is.
   De districtssecretaris bezorgt de constructieve motie van wantrouwen met bijgevoegde akte of akten van voordracht aan de voorzitter van de districtsraad.
   § 3. Voor er kan worden gestemd, onderzoekt de voorzitter van de districtsraad of de constructieve motie van wantrouwen voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 en 2. Als hij vaststelt dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, verklaart hij de motie zonder voorwerp.
   § 4. Als de districtsraad de motie van wantrouwen aanneemt, wordt het lid of worden de leden tegen wie de motie gericht is, ontslagen. De voorgedragen kandidaat-districtsschepen, in voorkomend geval de voorgedragen kandidaat- districtsschepenen worden verkozen verklaard. Vanaf de aanname van de collectieve motie is het raadslid, waarvan sprake in artikel 123, § 1 of § 2, districtsburgemeester. Voor hij zijn mandaat aanvaardt, legt de districtsburgemeester de eed af, vermeld in artikel 123, § 1, derde lid.
   § 5. Indien een collectieve motie wordt aangenomen, wordt de ingediende collectieve motie en de beslissing van de districtsraad hierover ter kennis gebracht aan de [2 gemeenteraad]2.]1

  
Art. 124/1. [1 § 1er. Le conseil de district peut adopter une motion de défiance constructive collective à l'encontre de tous les membres du collège de district.
   Le conseil de district peut adopter une motion de défiance constructive individuelle à l'encontre d'un ou de plusieurs échevins de district.
   § 2. La motion de défiance constructive répond à toutes les conditions suivantes :
   1° elle est signée par la majorité des conseillers de district ;
   2° elle est signée par au moins deux tiers des conseillers de district de chaque groupe soutenant la motion. Lorsqu'un groupe ne se compose que de deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   3° en cas d'une motion individuelle, elle est signée par deux tiers des conseillers de district du groupe auquel appartient l'échevin de district faisant l'objet de la motion individuelle ;
   4° elle mentionne les membres du collège de district faisant l'objet de la motion ;
   5° elle présente un candidat successeur pour chacun des échevins de district faisant l'objet de la motion. Les membres siégeant peuvent être présentés à nouveau ;
   6° dans le cas d'une motion individuelle à l'encontre d'un ou de plusieurs échevins de district, un ou plusieurs actes de présentation recevables sont joints en application de l'article 49 juncto l'article 122. Dans le cas d'une motion collective, un acte commun de présentation est joint en application de l'article 43 juncto l'article 122. Par dérogation à l'article 43 juncto l'article 122 ou l'article 49 juncto l'article 122, si une liste est divisée en deux groupes, l'acte de présentation du candidat échevin de district est signé par la majorité des conseillers de district qui font partie du groupe du candidat échevin de district. Si le groupe du candidat échevin de district ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   7° elle est remise au secrétaire de district au plus tard huit jours avant la réunion du conseil de district.
   La motion de défiance constructive ne peut être discutée d'urgence, comme le prévoit l'article 23 juncto l'article 126.
   La motion de défiance constructive ne peut être déposée aux moments suivants :
   1° dans la période d'un an suivant l'installation du conseil de district ;
   2° dans la période de douze mois précédant le jour des élections pour le renouvellement intégral des conseils de district ;
   3° si une motion de défiance constructive collective a été adoptée par le conseil de district, avant l'expiration d'un délai d'un an.
   Le secrétaire de district transmet la motion de défiance constructive avec le ou les actes de présentation annexés, au président du conseil de district.
   § 3. Avant de procéder au vote, le président du conseil de district examine si la motion de défiance constructive remplit les conditions visées aux paragraphes 1 et 2. S'il constate que toutes les conditions ne sont pas remplies, il déclare la motion sans objet.
   § 4. Si le conseil de district adopte la motion de défiance, le membre ou les membres faisant l'objet de la motion sont licenciés. Le candidat échevin de district présenté, le cas échéant, les candidats échevins de district présentés sont déclarés élus. A partir de l'adoption de la motion collective, le conseiller visé à l'article 123, § 1er ou § 2, est le bourgmestre de district. Avant d'accepter son mandat, le bourgmestre de district prête le serment visé à l'article 123, § 1er, alinéa 3.
   § 5. En cas d'adoption d'une motion collective, la motion collective déposée et la décision du conseil de district à ce sujet sont communiquées au [2 conseil communal]2.]1

  
Afdeling 4. - De districtssecretaris
Section 4. - Le secrétaire de district
Art. 125. § 1. Er is in elk districtsbestuur een districtssecretaris.
  § 2. De districtssecretaris wordt door de gemeenteraad aangewezen na advies van het districtscollege.
  § 3. De bepalingen van artikel 163 tot en met 170, artikel 171, § 1, eerste lid, en § 3, en artikel 172 tot en met 174 zijn van toepassing op de districtssecretaris, met dien verstande dat:
  1° in die bepalingen "de gemeente" wordt gelezen als "het district" en "de burgemeester" als "de districtsburgemeester";
  2° in de die bepalingen "de gemeenteraad" wordt gelezen als "de districtsraad" en "het college van burgemeester en schepenen" als "het districtscollege", behalve in artikel 166, 167 en 168;
  3° de door de gemeente goedgekeurde rechtspositieregeling ook van toepassing is op de districtssecretaris;
  4° de gemeentelijke organen bevoegd blijven voor tuchtaangelegenheden opgelegd aan de districtssecretaris, waarbij voorafgaand advies aan het districtscollege moet worden gevraagd;
  5° de algemeen directeur aan het hoofd blijft staan van het gemeentepersoneel, vermeld in artikel 140, en bevoegd is voor het dagelijkse personeelsbeheer.
  § 4. De districtssecretaris staat in voor de algemene leiding van de diensten van het district. Hij kan de uitoefening van het hem toevertrouwde dagelijkse personeelsbeheer toevertrouwen aan andere personeelsleden en hij rapporteert aan het districtscollege.
  § 5. De districtssecretaris staat bij de werking van de diensten van het district in voor de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van het beleid. De districtssecretaris gedraagt zich naar de onderrichtingen die hem worden gegeven door de districtsraad, het districtscollege en de voorzitter van de districtsraad en de districtsburgemeester, al naargelang van hun respectieve bevoegdheden.
  De districtssecretaris bereidt de zaken voor die aan de districtsraad, aan het districtscollege, aan de voorzitter van de districtsraad en aan de districtsburgemeester worden voorgelegd.
  § 6. De districtssecretaris woont de vergaderingen bij van de districtsraad en het districtscollege.
  De districtssecretaris adviseert de districtsraad en het districtscollege op beleidsmatig, bestuurskundig en juridisch vlak. Hij herinnert in voorkomend geval aan de geldende rechtsregels, vermeldt de feitelijke gegevens waarvan hij kennis heeft en zorgt ervoor dat de vermeldingen die de regelgeving voorschrijft, in de besluiten worden opgenomen.
  Artikel 27, § 1, is van overeenkomstige toepassing op de districtssecretaris.
Art. 125. § 1er. Chaque administration de district compte un secrétaire de district.
  § 2. Le secrétaire de district est désigné par le conseil communal après avis du collège de district.
  § 3. Les dispositions des articles 163 à 170, de l'article 171, § 1er, premier alinéa, et § 3, et des articles 172 à 174 inclus s'appliquent au secrétaire de district, étant entendu que :
  1° dans lesdites dispositions, " la commune " doit être lu comme " le district " et " le bourgmestre " comme " le bourgmestre de district " ;
  2° dans lesdites dispositions, " le conseil communal " doit être lu comme " le conseil de district " et " le collège des bourgmestre et échevins " comme " le collège de district ", sauf aux articles 166, 167 et 168 ;
  3° le statut juridique approuvé par la commune s'applique également au secrétaire de district ;
  4° les organes communaux restent compétents pour les affaires disciplinaires imposées au secrétaire de district, pour lesquelles un avis préalable doit être demandé au collège de district ;
  5° le directeur général reste à la tête du personnel communal, visé à l'article 140, et est compétent pour la gestion journalière du personnel.
  § 4. Le secrétaire de district assure la direction générale des services du district. Il peut déléguer l'exercice de la gestion journalière du personnel qui lui a été confiée à d'autres membres du personnel, et fait rapport au collège de district.
  § 5. Dans le cadre du fonctionnement des services du district, le secrétaire de district assure la préparation, l'exécution et l'évaluation de la politique. Le secrétaire de district se conforme aux instructions qui lui sont données par le conseil de district, le collège de district, le président du conseil de district et le bourgmestre de district, selon leurs compétences respectives.
  Le secrétaire de district prépare les dossiers qui seront remis au conseil de district, au collège de district, au président du conseil de district et au bourgmestre de district.
  § 6. Le secrétaire de district assiste aux réunions du conseil de district et du collège de district.
  Le secrétaire de district avise le conseil de district et le collège de district sur le plan de politique générale, le plan administratif et le plan juridique. Il rappelle le cas échéant les dispositions en vigueur, précise les données factuelles dont il a connaissance et veille à ce que les mentions prescrites par le règlement soient reprises dans les décisions.
  L'article 27, § 1er, s'applique par analogie au secrétaire de district.
Afdeling 5. - Werking van de districtsraad
Section 5. - Fonctionnement du conseil de district
Art. 126. Artikel 18 tot en met 38 zijn van toepassing op de districtsraden, met uitzondering van artikel 29, § 5, en artikel 34, tweede lid, 4°, met dien verstande dat in die bepalingen "de gemeente" wordt gelezen als "district", "gemeenteraadsleden" wordt gelezen als "de leden van de districtsraad", [1 "de kandidaat-gemeenteraadsleden" wordt gelezen als "de kandidaat-leden van de districtsraad",]1 "de gemeenteraad" wordt gelezen als "de districtsraad", "de voorzitter van de gemeenteraad" wordt gelezen als "de voorzitter van de districtsraad", "het college van burgemeester en schepenen" wordt gelezen als "het districtscollege", "de burgemeester" wordt gelezen als "de districtsburgemeester", "gemeenteraadscommissie" wordt gelezen als "districtsraadscommissie", "de algemeen directeur" wordt gelezen als "de districtssecretaris", "de voorzitter van het gemeentelijk hoofdbureau" wordt gelezen als "de voorzitter van het stadsdistrictshoofdbureau" en met dien verstande dat artikel 30 alleen van toepassing is op de districtsschepen die buiten de districtsraad is benoemd en artikel 35 alleen van toepassing is op de verkiezing en de voordracht van kandidaten.
  De verbodsbepalingen, vermeld in artikel 27, § 2, en de rechten van de leden van de districtsraden, vermeld in artikel 29, betreffen alleen het bestuur en de instellingen van het district.
  
Art. 126. Les articles 18 à 38 inclus s'appliquent aux conseils de district, à l'exception de l'article 29, § 5, et de l'article 34, deuxième alinéa, 4°, étant entendu que dans lesdites dispositions " commune " doit être lu comme " district ", " conseillers communaux " doit être lu comme " membres du conseil de district ", [1 " les candidats conseillers communaux " doit être lu comme " les candidats membres du conseil de district ]1 " le conseil communal " doit être lu comme " le conseil de district ", " le président du conseil communal " doit être lu comme " le président du conseil de district ", " le collège des bourgmestre et échevins " doit être lu comme " le collège de district ", " le bourgmestre " doit être lu comme " le bourgmestre de district ", " commission du conseil communal " doit être lu comme " commission du conseil de district ", " le directeur général " doit être lu comme " le secrétaire de district " et " le président du bureau principal communal " doit être lu comme " le président du bureau principal urbain ", et étant entendu que l'article 30 ne s'applique qu'à l'échevin de district qui a été nommé en dehors du conseil de district et que l'article 35 ne s'applique qu'à l'élection et à la présentation des candidats.
  Les dispositions d'interdiction, visées à l'article 27, § 2, et les droits des membres des conseils de district, visés à l'article 29, ne concernent que l'administration et les institutions de district.
  
Art. 127. [1 De leden van de districtsraad hanteren de deontologische code van de gemeenteraad, vermeld in artikel 39, en vallen onder de bevoegdheid van de deontologische commissie van de gemeenteraad. De leden van de districtsraad worden door de districtssecretaris van die deontologische code en de wijzigingen erin binnen een maand na de aanneming ervan op de hoogte gebracht]1.
  
Art. 127. [1 Les membres du conseil de district appliquent le code de déontologie du conseil communal, visé à l'article 39, et relèvent de la compétence de la commission de déontologie du conseil communal. Les membres du conseil de district sont informés par le secrétaire de district dudit code de déontologie et de ses modifications dans le mois qui suit son adoption]1.
  
Art. 128. Aan de gemeenteraadsleden of aan het personeelslid dat daarvoor de opdracht heeft gekregen, hetzij van de provinciegouverneur of van de deputatie van de provincieraad, hetzij van de burgemeester of van het college van burgemeester en schepenen, mag niet worden geweigerd ter plaatse inzage te nemen van de besluiten van de districtsraad.
Art. 128. Il ne peut être refusé aux conseillers communaux ou au membre du personnel qui en ont reçu la mission, soit du gouverneur de province ou de la députation du conseil provincial, soit du bourgmestre ou du collège des bourgmestre et échevins, de consulter sur place les décisions du conseil de district.
Afdeling 6. - Werking van het districtscollege
Section 6. - Fonctionnement du collège de district
Art. 129. Artikel 50 tot en met 54 zijn van toepassing op de vergaderingen, beraadslagingen en besluiten van het districtscollege, met uitzondering van artikel 53, § 2, tweede lid, en § 3, met dien verstande dat de districtsburgemeester optreedt in de plaats van de burgemeester en dat "het college van burgemeester en schepenen" wordt gelezen als "het districtscollege".
  De verbodsbepalingen, vermeld in artikel 27, § 2, waarnaar wordt verwezen in artikel 50, betreffen alleen het bestuur en de instellingen van het district.
Art. 129. Les articles 50 à 54 inclus s'appliquent aux réunions, délibérations et décisions du collège de district, à l'exception de l'article 53, § 2, deuxième alinéa, et § 3, étant entendu que le bourgmestre de district intervient en lieu et place du bourgmestre et que " le collège des bourgmestre et échevins " doit être lu comme " le collège de district ".
  Les dispositions d'interdiction, visées à l'article 27, § 2, auxquelles il est fait référence à l'article 50, ne concernent que l'administration et les institutions de district.
Art. 130. De stemmingen in het districtscollege zijn niet geheim en gebeuren mondeling. Het huishoudelijk reglement kan een regeling invoeren die gelijkwaardig is aan een mondelinge stemming. De mechanisch uitgebrachte naamstemming en de stemming bij zitten en opstaan of bij handopsteking worden als gelijkaardig aan een mondeling stemming beschouwd. De districtsburgemeester stemt als laatste.
  [1 In afwijking van het eerste lid wordt geheim gestemd over het voorafgaande advies van het districtscollege, vermeld in artikel 125, §3, 4°.]1
  
Art. 130. Les votes au collège de district ne sont pas secrets et ont lieu à haute voix. Le règlement d'ordre intérieur peut introduire un mode de scrutin équivalent au vote à haute voix. Sont considérés comme équivalents au vote à haute voix, le vote nominatif exprimé mécaniquement et le vote par assis et levé ou à main levée. Le bourgmestre de district vote en dernier lieu.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'avis préalable du collège de district visé à l'article 125, § 3, 4°, fait l'objet d'un vote secret.]1
  
Art. 131. De districtsschepenen hanteren de deontologische code van het college van burgemeester en schepenen, vermeld in artikel 55. De leden worden door de districtssecretaris van die deontologische code en de wijzigingen erin binnen een maand na de aanneming ervan op de hoogte gebracht.
Art. 131. Les échevins de district appliquent le code de déontologie du collège des bourgmestre et échevins, visé à l'article 55. Les membres sont informés par le secrétaire de district dudit code de déontologie et de ses modifications dans le mois qui suit son adoption.
Afdeling 7. - Bepalingen die van toepassing zijn op de akten van de districtsoverheden
Section 7. - Dispositions qui s'appliquent aux actes des autorités de district
Art. 132. Artikel 276 tot en met 290 zijn van toepassing op de akten, reglementen en verordeningen van het district, met uitzondering van de bepalingen die betrekking hebben op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, het bijzonder comité voor de sociale dienst, de autonome gemeentebedrijven, de extern verzelfstandigde agentschappen en de rechtspositieregeling van het personeel en met dien verstande dat "gemeente" wordt gelezen als "district", "het gemeentehuis" wordt gelezen als "het districtshuis", "de gemeenteraad" wordt gelezen als "de districtsraad", "de voorzitter van de gemeenteraad" wordt gelezen als "de voorzitter van de districtsraad", "het college van burgemeester en schepenen" wordt gelezen als "het districtscollege", "de schepen" wordt gelezen als "districtsschepen", "de burgemeester" wordt gelezen als "de districtsburgemeester" en "de algemeen directeur" wordt gelezen als "de districtssecretaris".
Art. 132. Les articles 276 à 290 inclus s'appliquent aux actes, règlements et ordonnances du district, à l'exception des dispositions qui concernent le centre public daction sociale, le comité spécial du service social, les régies communales autonomes, les agences autonomisées externes et le statut juridique du personnel, et étant entendu que " commune " doit être lu comme " district ", " la maison communale " doit être lu comme " la maison de district ", " le conseil communal " doit être lu comme " le conseil de district ", " le président du conseil communal " doit être lu comme " le président du conseil de district ", " le collège des bourgmestre et échevins " doit être lu comme " le collège de district ", " l'échevin " doit être lu comme " l'échevin de district ", " le bourgmestre " doit être lu comme " le bourgmestre de district " et " le directeur général " doit être lu comme " le secrétaire de district ".
Afdeling 8. - Bevoegdheden
Section 8. - Compétences
Art. 133. De handelingen en de beslissingen van de districtsraad, van het districtscollege, van de voorzitter van de districtsraad en van de districtsburgemeester mogen niet in strijd zijn met de besluiten van de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen.
Art. 133. Les actions et les décisions du conseil de district, du collège de district, du président du conseil de district et du bourgmestre de district ne peuvent pas être en contradiction avec les décisions du conseil communal ou du collège des bourgmestre et échevins.
Art. 134. De gemeenteraad kan de volgende bevoegdheden overdragen aan de districtsraden:
  1° bevoegdheden van gemeentelijk belang waarover de gemeenteraad beschikt en die hij nader bepaalt;
  2° bevoegdheden die door andere overheden aan de gemeenteraad zijn opgedragen, als de regel die die bevoegdheid aan de gemeenteraad toewees, de gemeenteraad daartoe machtigt;
  3° de uitvoering van een bepaalde regel die een hogere overheid heeft opgedragen aan de gemeenteraad, als de regel die die opdracht aan de gemeenteraad toewees, de gemeenteraad daartoe machtigt.
  Het college van burgemeester en schepenen kan de volgende bevoegdheden overdragen aan de districtscolleges:
  1° bevoegdheden van gemeentelijk belang waarover het college van burgemeester en schepenen beschikt en die het nader bepaalt;
  2° bevoegdheden die aan het college van burgemeester en schepenen door andere overheden zijn opgedragen, als de regel die die bevoegdheid aan het college toewees, het college daartoe machtigt;
  3° de uitvoering van een bepaalde regel die een andere overheid of de gemeenteraad heeft opgedragen aan het college van burgemeester en schepenen, als de regel die die opdracht aan het college toewees, het college daartoe machtigt.
  De burgemeester kan de volgende bevoegdheden overdragen aan de districtsburgemeester:
  1° bevoegdheden van gemeentelijk belang waarover de burgemeester beschikt en die hij nader bepaalt;
  2° bevoegdheden die door andere overheden aan de burgemeester zijn opgedragen, als de regel die die bevoegdheid aan de burgemeester toewees, hem daartoe machtigt;
  3° de uitvoering van een bepaalde regel die een andere overheid, de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen heeft opgedragen aan de burgemeester, als de regel die die opdracht aan de burgemeester toewees, hem daartoe machtigt.
  Bevoegdheden betreffende de tuchtregeling, de beleidsrapporten van de gemeente en de gemeentebelastingen kunnen niet worden overgedragen.
  In afwijking van het derde lid kunnen de bevoegdheden van de burgemeester voor de politieaangelegenheden niet overgedragen worden aan de districtsburgemeester.
  Bij de toewijzing van de bevoegdheden worden alle districten op een gelijke wijze behandeld. De gemeentelijke overheden zorgen ervoor dat het personeel en de financiële middelen die aan de districten op grond van artikel 140 en 141 ter beschikking gesteld worden, in overeenstemming zijn met de bevoegdheden die aan de districten toevertrouwd worden.
Art. 134. Le conseil communal peut déléguer aux conseils de district les compétences suivantes :
  1° des compétences d'intérêt communal dont le conseil communal est investi et qu'il définit plus précisément ;
  2° des compétences qui ont été conférées au conseil communal par d'autres autorités, pour autant que le conseil communal y soit habilité par la règle qui lui a attribué cette compétence ;
  3° l'exécution d'une règle déterminée qui a été confiée au conseil communal par une autorité supérieure, pour autant que le conseil communal y soit habilité par la règle qui lui a attribué cette mission.
  Le collège des bourgmestre et échevins peut déléguer aux collèges de district les compétences suivantes :
  1° des compétences d'intérêt communal dont le collège des bourgmestre et échevins est investi et qu'il définit plus précisément ;
  2° des compétences qui ont été conférées au collège des bourgmestre et échevins par d'autres autorités, pour autant que le collège y soit habilité par la règle qui lui a attribué cette compétence ;
  3° l'exécution d'une règle déterminée qui a été confiée au collège des bourgmestre et échevins par une autorité supérieure, pour autant que le collège y soit habilité par la règle qui lui a attribué cette mission.
  Le bourgmestre peut déléguer au bourgmestre de district les compétences suivantes :
  1° des compétences d'intérêt communal dont le bourgmestre est investi et qu'il définit plus précisément ;
  2° des compétences qui ont été conférées au bourgmestre par d'autres autorités, pour autant que le bourgmestre y soit habilité par la règle qui lui a attribué cette compétence ;
  3° l'exécution d'une règle déterminée qui a été confiée au bourgmestre par une autre autorité, le conseil communal ou le collège des bourgmestre et échevins, pour autant que le bourgmestre y soit habilité par la règle qui lui a attribué cette mission.
  Les compétences concernant le règlement disciplinaire, les rapports politiques de la commune et les impôts communaux ne peuvent pas être déléguées.
  Par dérogation au troisième alinéa, les compétences du bourgmestre en matière de police ne peuvent pas être déléguées au bourgmestre de district.
  En cas de délégation de compétences, tous les districts doivent être traités sur un pied d'égalité. Les autorités communales veillent à ce que le personnel et les moyens financiers mis à la disposition des districts en application des articles 140 et 141 soient en rapport avec les compétences déléguées aux districts.
Art. 135. Artikel 119 van de Nieuwe Gemeentewet is van toepassing op de districtsraden, met dien verstande dat reglementen en verordeningen ook niet strijdig mogen zijn met de besluiten van het college van burgemeester en schepenen en de gemeenteraad. Om van toepassing te kunnen zijn, moeten de politieverordeningen eerst goedgekeurd worden door de gemeenteraad.
Art. 135. L'article 119 de la Nouvelle Loi communale s'applique aux conseils de district, étant entendu que les règlements et ordonnances ne peuvent pas non plus aller à l'encontre des décisions du collège des bourgmestre et échevins et du conseil communal. Pour être applicables, les ordonnances de police doivent d'abord être approuvées par le conseil communal.
Art. 136. Als naar het oordeel van de gemeenteraad een gemeentelijk belang in het district voorzieningen vordert waarvoor de districtsraad met toepassing van artikel 134 bevoegd is, verleent die medewerking aan de uitvoering daarvan zoals door de gemeenteraad in zijn desbetreffende besluit is bepaald.
  De districtsraad neemt daartoe alle uitvoeringsbesluiten en is gehouden tot de medewerking, vermeld in het eerste lid, onmiddellijk nadat het besluit van de gemeenteraad hem is meegedeeld.
  Als de districtsraad zijn medewerking weigert, start een overlegprocedure volgens een reglement dat door de gemeenteraad wordt opgesteld. Als die overlegprocedure niet eindigt in een consensus, kunnen burgemeester en schepenen voorzien in de uitvoering van het besluit van de gemeenteraad door de kredieten te gebruiken die daartoe op het meerjarenplan van het district zijn ingeschreven. Dat gebeurt pas nadat de districtsraad zijn weigering aan het gemeentebestuur kenbaar heeft gemaakt. Het besluit daarvoor wordt genomen in de eerste vergadering van de districtsraad die volgt op de mededeling van het besluit van de gemeenteraad. Het niet-verlenen van een antwoord door de districtsraad in de eerste vergadering die volgt op de mededeling van het besluit van de gemeenteraad wordt beschouwd als een weigering.
  Bij hoogdringendheid die uitdrukkelijk gemotiveerd wordt, of in geval van dwingende en onvoorziene omstandigheden kan de gemeenteraad, in afwijking van het eerste tot en met het derde lid, het college van burgemeester en schepenen opdragen de nodige voorzieningen uit te voeren, ook al behoren die tot de bevoegdheid van een districtsraad.
Art. 136. Lorsque, de l'avis du conseil communal, un intérêt communal requiert, dans le district, des mesures pour lesquelles le conseil de district a compétence en application de l'article 134, celui-ci prête son concours à leur exécution comme le conseil communal l'a prévu dans sa décision sur ce point.
  Le conseil de district prend à cet effet tous les arrêtés d'exécution requis et est tenu de prêter son concours, visé au premier alinéa, immédiatement après que la décision du conseil communal lui a été communiquée.
  Si le conseil de district refuse de prêter son concours, une procédure de concertation est engagée, qui sera définie dans un règlement à établir par le conseil communal. Lorsque ladite procédure de concertation ne permet pas de dégager un consensus, le bourgmestre et les échevins peuvent prévoir l'exécution de la décision du conseil communal au moyen des crédits inscrits à cet effet au plan pluriannuel du district. Ils ne peuvent le faire qu'après que le conseil de district a notifié son refus à l'administration communale. La décision en la matière sera prise au cours de la première réunion du conseil de district qui suit la communication de la décision du conseil communal. Lorsque le conseil de district s'abstient de répondre au cours de la première réunion qui suit la communication de la décision du conseil communal, son attitude est considérée comme un refus.
  En cas d'urgence expressément motivée ou lorsque des circonstances contraignantes et imprévues le requièrent, le conseil communal peut, par dérogation aux premier, deuxième et troisième alinéas, charger le collège des bourgmestre et échevins de l'exécution des mesures requises, même si celles-ci relèvent de la compétence d'un conseil de district.
Art. 137. Artikel 304, § 1, eerste lid, en § 3, en artikel 305 tot en met 325 zijn van toepassing op de districtsraden als het gaat over aangelegenheden van gemeentelijk belang die tot hun bevoegdheid behoren, met dien verstande dat -"gemeente" wordt gelezen als "district", "gemeentebestuur" wordt gelezen als "districts-bestuur", "gemeenteraad" wordt gelezen als "districtsraad", "gemeenteraadskiezer" wordt gelezen als "districtsraadskiezer", "college van burgemeester en schepenen" wordt gelezen als "districtscollege" en "de gemeentelijke volksraadpleging" wordt -gelezen als "de volksraadpleging in het district".
  Het huishoudelijk reglement van de districtsraad bepaalt de wijze waarop concreet vorm gegeven wordt aan de inspraak, vermeld in artikel 304, § 1 en § 3, voor het district en zijn organen.
Art. 137. L'article 304, § 1er, premier alinéa, et § 3, et les articles 305 à 325 inclus s'appliquent aux conseils de district, lorsqu'il s'agit d'affaires d'intérêt communal qui relèvent de leur compétence, étant entendu que " commune " doit être lu comme " district ", " administration communale " doit être lu comme " administration de district ", " conseil communal " doit être lu comme " conseil de district ", " électeur communal " doit être lu comme " électeur du conseil de district ", " collège des bourgmestre et échevins " doit être lu comme " collège de district " et " le référendum communal " doit être lu comme " le référendum au sein du district ".
  Le règlement d'ordre intérieur du conseil de district détermine la manière dont sera concrétisée la consultation, visée à l'article 304, § 1er et § 3, pour le district et ses organes.
Art. 138. Naast de beslissingsbevoegdheden waarover de districtsraad beschikt op grond van dit decreet, heeft de districtsraad een algemene adviesbevoegdheid voor alle aangelegenheden die betrekking hebben op het district. De districtsraad kan bij reglement die algemene adviesbevoegdheid of delen ervan overdragen aan het districtscollege.
Art. 138. Outre les pouvoirs décisionnels dont le conseil de district dispose en vertu du présent décret, le conseil de district a une compétence consultative générale pour toutes les matières ayant trait au district. Le conseil de district peut transférer par règlement au collège de district l'ensemble ou une partie de ladite compétence consultative générale.
Art. 139. Het districtscollege is belast met:
  1° het beheer van de inrichtingen die aan het district zijn toevertrouwd;
  2° de leiding van de werken van het district.
  Het college van burgemeester en schepenen kan de districtscolleges belasten met:
  1° het beheer van gemeentelijke inrichtingen in het district;
  2° [1 de afpaling van de rooilijnen]1;
  3° het beheer van eigendommen van de gemeente in het district;
  4° [1 het doen onderhouden van gemeentewegen en waterlopen]1.
  Artikel 125 en 126 van de Nieuwe Gemeentewet zijn van toepassing op het districtscollege, met dien verstande dat de districtsburgemeester optreedt in de plaats van de burgemeester, en met dien verstande dat "het college van burgemeester en schepenen" wordt gelezen als "het districtscollege" en dat "schepen" wordt gelezen als "districtsschepen".
  
Art. 139. Le collège de district est chargé de :
  1° la gestion des établissements qui ont été confiés au district ;
  2° la direction des travaux du district.
  Le collège des bourgmestre et échevins peut charger les collèges de district de :
  1° la gestion des établissements communaux dans le district ;
  2° [1 le bornage des alignements]1 ;
  3° la gestion des propriétés de la commune dans le district ;
  4° [1 l'organisation de l'entretien des routes communales et des cours d'eau]1.
  Les articles 125 et 126 de la Nouvelle Loi communale s'appliquent au collège de district, étant entendu que le bourgmestre de district intervient en lieu et place du bourgmestre, que " le collège des bourgmestre et échevins " doit être lu comme " le collège de district " et que " échevin " doit être lu comme " échevin de district ".
  
Art. 140. Elke districtsraad doet een voorstel voor het vaststellen van de personeelsbehoefte van de districten. Uitsluitend het gemeentebestuur kan beslissen over het uiteindelijke aantal gemeentepersoneelsleden die aan de districten worden toegewezen.
  Nadat de gemeenteraad de personeelsbehoefte goedgekeurd heeft, wordt het personeel toegewezen aan de districten door het college van burgemeester en schepenen.
  De personeelsleden, vermeld in het eerste en het tweede lid, die werken in de districtsbesturen, blijven deel uitmaken van het gemeentelijke personeelsbestand. Ze hebben het recht om binnen de gestelde voorwaarden mee te dingen naar andere ambten. Het districtscollege oefent het toezicht uit op het personeel dat toegewezen is aan het district.
  De gemeentelijke organen blijven bevoegd voor tuchtaangelegenheden. Het tuchtdossier bevat, behalve als het over de districtssecretaris zelf gaat, een advies van de districtssecretaris. Het advies wordt gegeven uiterlijk vijftien dagen na het verzoek daarom door de algemeen directeur. Als het advies niet of niet tijdig wordt gegeven, kan de tuchtprocedure voortgezet worden zonder het advies.
Art. 140. Chaque conseil de district fait une proposition pour la fixation des besoins en personnel des districts. Seule l'administration communale peut décider du nombre final des membres du personnel communal qui seront attribués aux districts.
  Après approbation des besoins en personnel par le conseil communal, le personnel est attribué aux districts par le collège des bourgmestre et échevins.
  Les membres du personnel visés aux premier et deuxième alinéas qui travaillent dans les administrations de district continuent de faire partie du personnel communal. Ils sont en droit de briguer d'autres fonctions conformément aux conditions fixées. Le collège de district exerce la surveillance sur le personnel affecté au district.
  Les organes communaux restent compétents pour les matières disciplinaires. Le dossier disciplinaire comprend un avis du secrétaire de district, sauf s'il porte sur le secrétaire de district lui-même. L'avis est donné au plus tard 15 jours après que le directeur général en a fait la demande. Si l'avis n'est pas donné ou pas en temps voulu, la procédure disciplinaire peut être poursuivie en l'absence de cet avis.
Art. 141. De gemeenteraad bepaalt de criteria op grond waarvan jaarlijks een algemene dotatie of specifieke dotaties uit [1 het meerjarenplan of de aanpassing ervan]1 worden verstrekt aan de districten.
  
Art. 141. Le conseil communal détermine les critères sur la base desquels une dotation générale ou des dotations spécifiques provenant du [1 plan pluriannuel ou de son adaptation]1 seront allouées aux districts annuellement.
  
Art. 142. De districtsraden brengen altijd vooraf advies uit over de manier waarop de financiering van de districten moet verlopen.
Art. 142. Les conseils de district émettent toujours au préalable un avis sur le mode de financement des districts.
Art. 143. De bepalingen van titel 4 zijn van toepassing op de districten, met uitzondering van [1 artikel 249, § 3 en § 4, artikel 256, artikel 264, tweede lid, en artikel 274,]1 en met dien verstande dat de volgende woorden worden gelezen als volgt:
  1° "de gemeente" als "het district";
  2° "de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" als "het district";
  3° "elke gemeente en elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" als "alle districten";
  4° "de gemeenteraad", "de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn" en "de gemeenteraad of de raad voor maatschappelijk welzijn" als "districtsraad";
  5° "raadsleden" als "leden van de districtsraad";
  6° "het college van burgemeester en schepenen" als "het districtscollege".
  [1 7° "gemeenteraadsverkiezingen" als "districtsraadsverkiezingen".]1
  [1 In afwijking van het eerste lid is artikel 254 niet van toepassing gedurende de eerste bestuursperiode van een nieuw opgericht district. Voor het einde van het eerste kwartaal van de eerste bestuursperiode wordt een eenjarig meerjarenplan vastgesteld voor het eerste jaar van die bestuursperiode. Voor het einde van het jaar dat volgt op de districtsraadsverkiezingen wordt een meerjarenplan vastgesteld dat start in het tweede jaar dat volgt op de districtsraadsverkiezingen en afloopt op het einde van het jaar na het jaar van de daaropvolgende districtsraadsverkiezingen. Elk van die meerjarenplannen bestaat uit een strategische nota, een financiыle nota en een toelichting die conform artikel 255 zijn opgemaakt.]1
  De ramingen voor de exploitatie, de investeringen en de financiering in het eerste jaar van de financiële nota van het meerjarenplan omvatten ook de kredieten voor dat boekjaar.
  [1 De districtsraad stemt telkens over het geheel van het beleidsrapport. In afwijking daarvan kan elk raadslid de afzonderlijke stemming eisen over een of meer onderdelen die hij aanwijst. In dat geval mag de districtsraad pas over het geheel van het beleidsrapport stemmen na de afzonderlijke stemming. Als die afzonderlijke stemming tot gevolg heeft dat het ontwerp van beleidsrapport moet worden gewijzigd, wordt de stemming over het geheel verdaagd tot een volgende vergadering van de raad.]1
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden voor de toepassing van de bepalingen van het eerste [1 tot en met het derde]1 lid op de districten.
  
Art. 143. Les dispositions du titre 4 s'appliquent aux districts, à l'exception de [1 l'article 249, § 3 et § 4, l'article 256, l'article 264, alinéa 2, et l'article 274,]1 et étant entendu que les mots suivants doivent être lus comme suit :
  1° " la commune " comme " le district " ;
  2° " la commune et le centre public daction sociale " comme " le district " ;
  3° " chaque commune et chaque centre public daction sociale " comme " tous les districts " ;
  4° " le conseil communal ", " le conseil communal et le conseil de l'aide sociale " et " le conseil communal ou le conseil de l'aide sociale " comme " conseil de district " ;
  5° " conseillers " comme " membres du conseil de district " ;
  6° " le collège des bourgmestre et échevins " comme " le collège de district ";
  [1 7° " élections communales " comme " élections du conseil de district]1.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'article 254 ne s'applique pas pendant la première législature d'un district nouvellement créé. Avant la fin du premier trimestre de la première législature un plan pluriannuel d'un an est établi pour la première année de cette législature. Avant la fin de l'année suivant les élections du conseil de district, un plan pluriannuel est adopté pour la période qui commence dans la deuxième année suivant les élections du conseil de district et se termine à la fin de l'année suivant l'année des élections du conseil de district suivantes. Chacun de ces plans pluriannuels est composé d'une note stratégique, d'une note financière et d'une note explicative établies conformément à l'article 255.]1
  Les estimations pour l'exploitation, les investissements et le financement au cours de la première année de la note financière du plan pluriannuel comprennent également les crédits pour l'exercice en question.
  [1 Le conseil de district vote à chaque fois sur l'ensemble du rapport politique. Par dérogation à ce qui précède, tout membre du conseil peut exiger un vote séparé sur une ou plusieurs parties qu'il désigne. Dans ce cas, le conseil de district ne peut voter sur l'ensemble du rapport politique qu'après le vote séparé. Si à la suite de ce vote séparé le projet de rapport politique doit être modifié, le vote sur l'ensemble est ajourné à une réunion ultérieure du conseil.]1
  Le Gouvernement flamand arrête les modalités de l'application des dispositions des [1 alinéas 1er à 3]1 aux districts.
  
Art. 144. De districtsburgemeesters kunnen door het college van burgemeester en schepenen voor overleg worden samengeroepen telkens als de toestand dat vereist. Een dergelijk overleg is in elk geval jaarlijks verplicht voor de opmaak van het meerjarenplan en de aanpassingen ervan, alsook voor de vaststelling van de personeelsbehoeften van de districtsraden, vermeld in artikel 140. De voorzitters vormen samen de conferentie van de districtsburgemeesters voor dat overleg.
Art. 144. Les bourgmestres de district peuvent être convoqués par le collège des bourgmestre et échevins chaque fois que la situation l'exige. Une telle concertation doit en tout cas obligatoirement avoir lieu chaque année pour l'établissement du plan pluriannuel et ses adaptations, ainsi que pour l'établissement des besoins en personnel des conseils de district, tels que visés à l'article 140. Les présidents forment ensemble la conférence des bourgmestres de district pour ladite concertation.
Art. 145. De districtsraad heeft het recht om, op voorwaarde dat hij het door de gemeenteraad aangenomen huishoudelijk reglement naleeft, punten toe te voegen aan de agenda van de gemeenteraad, als die betrekking hebben op zaken van gemeentelijk belang die tot zijn bevoegdheid behoren.
Art. 145. Pour autant qu'il respecte le règlement d'ordre intérieur adopté par le conseil communal, le conseil de district a le droit d'ajouter des points à l'ordre du jour du conseil communal, lorsque les points en question ont trait à des matières d'intérêt communal qui relèvent de sa compétence.
Afdeling 9. - Toezicht
Section 9. - Contrôle
Art. 146. Artikel 326 tot en met 335 zijn van toepassing op de besluiten van de districtsbesturen, met dien verstande dat "gemeente" wordt gelezen als "district", "gemeenteraad" wordt gelezen als "districtsraad" en "gemeenteoverheid" wordt gelezen als "districtsoverheid". De districtsoverheid bestaat daarbij uit de districtsraad, het districtscollege, de voorzitter van de districtsraad en de districts-burgemeester.
Art. 146. Les articles 326 à 335 s'appliquent aux décisions des administrations de district, étant entendu que " commune " doit être lu comme " district ", " conseil communal " doit être lu comme " conseil de district " et " autorité communale " doit être lu comme " autorité de district ". L'autorité de district se compose en l'occurrence du conseil de district, du collège de district, du président du conseil de district et du bourgmestre de district.
HOOFDSTUK 8. - De Raad voor Verkiezingsbetwistingen
CHAPITRE 8. - Le Conseil des Contestations électorales
Art. 147. Met behoud van de toepassing van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 en het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges doet de Raad voor Verkiezingsbetwistingen uitspraak over:
  1° geschillen die rijzen over de afstand, het verval, het ontslag of de verhindering van het mandaat van gemeenteraadslid, lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, voorzitter van de gemeenteraad, voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, schepen, lid van het vast bureau, lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst of voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, lid van de districtsraad, districtsschepen, voorzitter van de districtsraad of districtsburgemeester;
  2° geschillen die rijzen over de goedkeuring van de geloofsbrieven, de eedaflegging, de kennis van de bestuurstaal, vermeld in artikel 42, § 5, de verkiezing, benoeming, vervanging en opvolging van de voorzitter van de gemeenteraad, de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, de schepen, het lid van het vast bureau, het lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst of de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, de districtsschepen, de voorzitter van de districtsraad of de districtsburgemeester;
  3° geschillen die rijzen over de voorwaarden waaraan een vertrouwenspersoon als vermeld in artikel 16, 71, 108, 119 en 155, moet voldoen, alsook of het gemeenteraadslid, het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn of het lid van de districtsraad voldoet aan de voorwaarden om een beroep te kunnen doen op een vertrouwenspersoon, als vermeld in artikel 16, 71, 108, 119 en 155.
  Tegen de uitspraken van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, is binnen een termijn van acht dagen na de kennisgeving een beroep mogelijk bij de Raad van State. Dat beroep is niet schorsend. De hoofdgriffier van de Raad van State deelt het beroep binnen acht dagen na de ontvangst ervan mee aan de betrokkene en aan de gemeente in kwestie. De Raad van State doet uitspraak binnen zestig dagen. Het arrest van de Raad van State wordt door de zorg van de hoofdgriffier onmiddellijk ter kennis gebracht van de betrokkene, de provinciegouverneur en de gemeente.
Art. 147. Sans préjudice de l'application du Décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011 et du Décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes, le Conseil des Contestations électorales statue sur :
  1° tout litige qui naît dans le cadre de la renonciation, de la déchéance, de la démission ou de l'empêchement du mandat de conseiller communal, de membre du conseil de l'aide sociale, de président du conseil communal, de président du conseil de l'aide sociale, d'échevin, de membre du bureau permanent, de membre du comité spécial du service social ou de président du comité spécial du service social, de membre du conseil de district, d'échevin de district, de président du conseil de district ou de bourgmestre de district ;
  2° tout litige qui naît dans le cadre de l'approbation des pouvoirs, de la prestation de serment, de la connaissance de la langue administrative, visée à l'article 42, § 5, de l'élection, de la nomination, du remplacement et de la succession du président du conseil communal, du président du conseil de l'aide sociale, de l'échevin, du membre du bureau permanent, du membre du comité spécial du service social ou du président du comité spécial du service social, de l'échevin de district, du président du conseil de district ou du bourgmestre de district ;
  3° les litiges qui naissent quant aux conditions auxquelles doit répondre une personne de confiance telle que visée aux articles 16, 71, 108, 119 et 155, ainsi que si le conseiller communal, le membre du conseil de l'aide sociale ou le membre du conseil de district répond aux conditions pour pouvoir faire appel à une personne de confiance, telle que visée aux articles 16, 71, 108, 119 et 155.
  Un recours contre les décisions du Conseil des Contestations électorales peut être introduit auprès du Conseil d'Etat dans les huit jours qui suivent la notification. Le recours précité n'a pas d'effet suspensif. Le greffier en chef du Conseil d'Etat communique le recours dans les huit jours qui suivent sa réception à l'intéressé et à la commune concernée. Le Conseil d'Etat statue dans les soixante jours. L'arrêt du Conseil d'Etat est immédiatement porté à la connaissance de l'intéressé, du gouverneur de province et de la commune, par les soins du greffier en chef.
HOOFDSTUK 9. - De mandatarissen (eretitels, rechtspositie, tucht, aansprakelijkheid, mandatendatabank)
CHAPITRE 9. - Les mandataires (titres honorifiques, statut juridique, discipline, responsabilité, base de données de mandats)
Afdeling 1. - Rechtspositie
Section 1ère. - Statut juridique
Art. 148. De Vlaamse Regering kan de eretitels van de burgemeester toekennen onder de voorwaarden die ze bepaalt.
  De gemeenteraad kan de eretitels van de schepenen toekennen onder de voorwaarden die hij bepaalt.
  De raad voor maatschappelijk welzijn kan de eretitels van de voorzitter en de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst toekennen, onder de voorwaarden die hij bepaalt.
  De Vlaamse Regering bepaalt de ambtskledij en de onderscheidingstekens van de burgemeester, [1 en de schepenen]1.
  
Art. 148. Le Gouvernement flamand peut attribuer les titres honorifiques du bourgmestre d'après les conditions qu'il fixe.
  Le conseil communal peut accorder les titres honorifiques des échevins d'après les conditions qu'il fixe.
  Le conseil de l'aide sociale peut attribuer les titres honorifiques du président et des membres du comité spécial du service social d'après les conditions qu'il fixe.
  Le Gouvernement flamand déterminé le costume et les signes distinctifs du bourgmestre [1 et des échevins]1.
  
Art. 149. De burgemeester en de schepenen, uitgezonderd de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst die met toepassing van artikel 42, § 1, derde lid, schepen is, krijgen ten laste van de gemeente een wedde, een vakantiegeld, een eindejaarspremie en een uittredingsvergoeding. De voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid, krijgt ten laste van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een wedde, een vakantiegeld, een eindejaarspremie en een uittredingsvergoeding.
  De wedde, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de uittredingsvergoeding van de burgemeester en van de schepenen omvatten de vergoeding voor hun opdracht als voorzitter of als lid van het vast bureau en, in voorkomend geval, als voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst. De wedde, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de uittredingsvergoeding van de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid, omvatten de vergoeding voor zijn opdracht als schepen.
  De Vlaamse Regering stelt het bedrag, de wijze van betaling en de toekenningsvoorwaarden van de wedde, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de uittredingsvergoeding, vermeld in het eerste en het tweede lid, vast, rekening houdend met het inwonersaantal van de gemeente. De wedde van de burgemeester wordt uitgedrukt als een percentage van de parlementaire vergoeding van de leden van het Vlaams Parlement, met uitsluiting van de forfaitaire onkostenvergoeding, de eindejaarspremie en het vakantiegeld. De wedde van de schepenen en de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid, wordt vastgesteld op basis van de wedde van de burgemeester.
  De uittredingsvergoeding wordt toegekend binnen de volgende grenzen:
  1° een maand uittredingsvergoeding per gepresteerd jaar, met een maximum van twaalf maanden;
  2° de vergoeding wordt niet uitgekeerd aan een lid van de deputatie, een provinciegouverneur, een ambassadeur, een lid van het parlement, een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, een minister of een staatssecretaris, een lid van het Grondwettelijk Hof en evenmin aan uittredende mandatarissen die een bezoldigd ambt hebben aanvaard in een internationale of parastatale instelling;
  3° de uittredingsvergoeding vervalt als de betrokkene een beroepsinkomen verwerft. De betrokkene kan vragen om het verschil bij te passen als dat inkomen lager is dan de uittredingsvergoeding.
Art. 149. Le bourgmestre et les échevins, à l'exception du président du comité spécial du service social qui est échevin en application de l'article 42, § 1er, troisième alinéa, perçoivent un traitement, un pécule de vacances, une prime de fin d'année et une indemnité de sortie à charge de la commune. Le président du comité spécial du service social, visé à l'article 42, § 1er, troisième alinéa, perçoit un traitement, un pécule de vacances, une prime de fin d'année et une indemnité de sortie à charge du centre public daction sociale.
  Le traitement, le pécule de vacances, la prime de fin d'année et l'indemnité de sortie du bourgmestre et des échevins comprennent l'indemnité pour leur mission en tant que président ou membre du bureau permanent et, le cas échéant, en tant que président du comité spécial du service social. Le traitement, le pécule de vacances, la prime de fin d'année et l'indemnité de sortie du président du comité spécial du service social, tel que visé à l'article 42, § 1er, troisième alinéa, comprennent l'indemnité pour leur mission en tant qu'échevin.
  Le Gouvernement flamand fixe le montant, le mode de paiement et les conditions d'attribution du traitement, du pécule de vacances, de la prime de fin d'année et de l'indemnité de sortie, visés aux premier et deuxième alinéas, compte tenu du nombre d'habitants de la commune. Le traitement du bourgmestre s'exprime en pourcentage de l'indemnité parlementaire des membres du Parlement flamand, à l'exclusion de l'indemnité de frais forfaitaire, de la prime de fin d'année et du pécule de vacances. Le traitement des échevins et du président du comité spécial du service social, visé à l'article 42, § 1er, troisième alinéa, est fixé sur la base du traitement du bourgmestre.
  L'indemnité de sortie est octroyée dans les limites suivantes :
  1° un mois d'indemnité de sortie par année prestée, avec un maximum de 12 mois ;
  2° l'indemnité n'est pas octroyée à un membre de la députation, un gouverneur de province, un ambassadeur, un membre du parlement, un membre d'un gouvernement communautaire ou régional, un ministre ou un secrétaire d'Etat, un membre de la Cour constitutionnelle, non plus qu'aux mandataires sortants ayant accepté une fonction rémunérée au sein d'une institution internationale ou parastatale ;
  3° l'indemnité de sortie est supprimée lorsque l'intéressé acquiert un revenu professionnel. L'intéressé peut demander que la différence soit ajustée si ledit revenu est inférieur à l'indemnité de sortie.
Art. 150. § 1. In een gemeente met minder dan 50.000 inwoners vult de gemeente de wedde van de burgemeester, van de schepen die of het gemeenteraadslid dat de burgemeester vervangt, van een schepen die of van een gemeenteraadslid dat een schepen vervangt, die wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen, vergoedingen of toelagen krijgen, aan met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies dat de betrokkene lijdt, op voorwaarde dat de mandataris daar zelf om verzoekt en het geen onderwerping aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden betreft. De algemeen directeur stelt vast of aan de voorwaarden is voldaan. Die wedde, aangevuld met het bedrag ter compensatie van het inkomensverlies, kan nooit hoger zijn dan de wedde van, naargelang het geval, de burgemeester of een schepen van een gemeente met 50.000 inwoners.
  Als een gemeente met minder dan 50.000 inwoners bediend wordt, vult het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, op dezelfde wijze als bepaald voor een schepen, de wedde van de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid, die wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen of vergoedingen of toelagen krijgt, aan met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies dat de betrokkene lijdt op voorwaarde dat de mandataris daar zelf om verzoekt en het geen onderwerping aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden betreft. De algemeen directeur stelt vast of aan de voorwaarden is voldaan. Die wedde, aangevuld met het bedrag ter compensatie van het inkomensverlies, kan nooit hoger zijn dan de wedde van een schepen van een gemeente met 50.000 inwoners.
  § 2. [1 Als ten gevolge van de toekenning van de bezoldiging, vermeld in artikel 149, andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen, vergoedingen of toelagen verminderd worden of vervallen, vermindert de gemeente, op voorwaarde dat de burgemeester of de betrokken schepen daar zelf om verzoekt, die bezoldiging overeenkomstig dat verzoek. De algemeen directeur stelt vast of aan de voormelde voorwaarden is voldaan]1. Hetzelfde geldt voor de schepen die of het raadslid dat de burgemeester vervangt, of voor het raadslid dat een schepen vervangt.
  [1 Als ten gevolge van de toekenning van de bezoldiging, vermeld in artikel 149, andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen, vergoedingen of toelagen verminderd worden of vervallen, vermindert het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, op voorwaarde dat de voorzitter van het bijzonder comitщ voor de sociale dienst, vermeld in artikel 42, Ї 1, derde lid, daar zelf om verzoekt, die bezoldiging overeenkomstig dat verzoek. De algemeen directeur stelt vast of aan de voormelde voorwaarden is voldaan]1. Hetzelfde geldt voor het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat de voorzitter vervangt.
  
Art. 150. § 1er. Dans une commune de moins de 50.000 habitants, la commune complète le traitement du bourgmestre, de l'échevin ou du conseiller communal qui remplace le bourgmestre, d'un échevin ou d'un conseiller communal qui remplace un échevin, et qui bénéficient de rémunérations légales ou réglementaires, pensions ou indemnités ou d'allocations, par un montant destiné à compenser la perte de revenus que l'intéressé subit, à condition que le mandataire en fasse la demande lui-même et qu'il ne s'agisse pas d'un assujettissement à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés. Le directeur général vérifie si les conditions requises ont été remplies. Le traitement en question, majoré du montant compensant la perte de revenus, ne peut jamais excéder le traitement, selon le cas, du bourgmestre ou d'un échevin d'une commune de 50.000 habitants.
  Si une commune de moins de 50.000 habitants est desservie, le centre public daction sociale complète, de la même manière que celle fixée pour un échevin, le traitement du président du comité spécial du service social, visé à l'article 42, § 1er, troisième alinéa, qui bénéficie de rémunérations légales ou réglementaires, pensions ou indemnités ou d'allocations, par un montant destiné à compenser la perte de revenus que l'intéressé subit, à condition que le mandataire en fasse la demande lui-même et qu'il ne s'agisse pas d'un assujettissement à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés. Le directeur général vérifie si les conditions requises ont été remplies. Le traitement en question, majoré du montant compensant la perte de revenus, ne peut jamais excéder le traitement d'un échevin d'une commune de 50.000 habitants.
  § 2. [1 Si, par suite de l'attribution de ladite rémunération visée à l'article 149, d'autres rémunérations légales ou réglementaires, indemnités ou allocations sont diminuées ou supprimées, la commune diminue, à condition que le bourgmestre ou l'échevin concerné en émette la demande, cette rémunération conformément à cette demande. Le directeur général détermine si les conditions précitées sont remplies.]1 Il en va de même pour l'échevin ou le conseiller qui remplace le bourgmestre, ou pour le conseiller qui remplace un échevin.
  [1 Si, par suite de l'attribution de ladite rémunération visée à l'article 149, d'autres rémunérations légales ou réglementaires, indemnités ou allocations sont diminuées ou supprimées, le centre public d'action sociale diminue, à condition que le président du comité spécial du service social, visé à l'article 42, § 1er, alinéa 3, en émette la demande, cette rémunération conformément à cette demande. Le directeur général détermine si les conditions précitées sont remplies.]1 Il en va de même pour le membre du conseil de l'aide sociale qui remplace le président.
  
Art. 151. In geval van verhindering of schorsing als vermeld in artikel 47, 60, 80, 122, [1 derde]1 lid, of artikel 156, wordt de wedde die verbonden is aan het mandaat toegekend aan degene die de verhinderde of geschorste mandataris vervangt. De verhinderde of geschorste mandataris ontvangt geen wedde voor de periode van de verhindering of schorsing.
  Als een schepen of een gemeenteraadslid de burgemeester vervangt gedurende minstens dertig opeenvolgende dagen of als een gemeenteraadslid een schepen vervangt gedurende minstens dertig opeenvolgende dagen, wordt aan hem, met behoud van de toepassing van het eerste lid, een wedde uitbetaald. Als een schepen of een gemeenteraadslid een burgemeesterswedde ontvangt, vervalt die van de burgemeester. Als een gemeenteraadslid een schepenwedde ontvangt, vervalt die van de schepen.
  Als een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid, vervangt gedurende minstens dertig opeenvolgende dagen, wordt hem een wedde uitbetaald. Als het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn een wedde ontvangt, vervalt die van de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid.
  
Art. 151. Dans le cas d'un empêchement ou d'une suspension conformément aux articles 47, 60, 80, 122, [1 alinéa 3]1, ou à l'article 156, le traitement attaché au mandat sera attribué à la personne qui remplace le mandataire empêché ou suspendu. Le mandataire empêché ou suspendu ne reçoit pas de traitement pour la période d'empêchement ou de suspension.
  Si un échevin ou un conseiller communal remplace le bourgmestre durant au moins trente jours consécutifs, ou si un conseiller communal remplace un échevin durant au moins 30 jours consécutifs, un traitement lui sera attribué, sans préjudice de l'application du premier alinéa. Si un échevin ou un conseiller communal reçoit un traitement de bourgmestre, celui du bourgmestre est supprimé. Si un conseiller communal reçoit un traitement d'échevin, celui de l'échevin est supprimé.
  Si un membre du conseil de l'aide sociale remplace le président du comité spécial de l'aide sociale, visé à l'article 42, § 1er, troisième alinéa, durant au moins 30 jours consécutifs, un traitement lui est attribué. Si le membre du conseil de l'aide sociale reçoit un traitement, celui du président du comité spécial du service social, visé à l'article 42, § 1er, troisième alinéa, est supprimé.
  
Art. 152. De gemeenteraad bepaalt welke specifieke kosten die verband houden met de uitoefening van het mandaat van burgemeester en schepen, kunnen worden terugbetaald.
  De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt welke specifieke kosten die verband houden met de uitoefening van het mandaat van de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid, kunnen worden terugbetaald.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de terugbetalingen, vermeld in het eerste en het tweede lid.
Art. 152. Le conseil communal détermine les frais spécifiques liés à l'exercice du mandat de bourgmestre et échevins, susceptibles d'être remboursés.
  Le conseil de l'aide sociale détermine les frais spécifiques liés à l'exercice du mandat de président du comité spécial du service social, visé à l'article 42, § 1er, troisième alinéa, susceptibles d'être remboursés.
  Le Gouvernement flamand fixe les modalités des remboursements visés aux premier et deuxième alinéas.
Art. 153. De burgemeester en de schepenen mogen, naast de vergoedingen, vermeld in artikel 149, 150, 151, 152 en 154, geen aanvullende vergoedingen, wedden en presentiegelden krijgen ten laste van de gemeente, de extern verzelfstandigde agentschappen van de gemeente en hun filialen, [1 en]1 het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient, [1 ...]1 om welke reden of onder welke benaming ook.
  De voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid, mag, buiten de vergoedingen, vermeld in artikel 149, 150, 151, 152 en 154, geen aanvullende vergoedingen, wedden en presentiegelden krijgen ten laste van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, [1 ...]1 en de gemeente die het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bedient, de extern verzelfstandigde agentschappen van de gemeente en hun filialen, om welke reden of onder welke benaming ook.
  In afwijking van het eerste en het tweede lid, worden de persoonlijke bijdragen voor de sociale zekerheid en de pensioenen van de mandatarissen, vermeld in artikel 37quater van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gecompenseerd door de gemeente of het openbaar centrum waar zij hun mandaat bekleden. De Vlaamse Regering bepaalt de grenzen en nadere voorwaarden voor de toepassing van dit lid.
  
Art. 153. Le bourgmestre et les échevins ne peuvent recevoir, outre les rémunérations visées aux articles 149, 150, 151, 152 et 154, de rémunérations, traitements ou jetons de présence supplémentaires à charge de la commune, des agences autonomisées externes de la commune et de leurs filiales, [1 et]1 du centre public daction sociale qui dessert la commune, [1 ...]1 et ce pour quelque raison ou sous quelque dénomination que ce soit.
  Le président du comité spécial du service social, visé à l'article 42, § 1er, troisième alinéa, ne peut recevoir, outre les rémunérations visées aux articles 149, 150, 151, 152 et 154, de rémunérations, traitements et jetons de présence supplémentaires à charge du centre public daction sociale, [1 ...]1 de la commune desservie par le centre public daction sociale, ou des agences autonomisées externes de la commune et de leurs filiales, et ce pour quelque raison ou sous quelque dénomination que ce soit.
  Par dérogation aux premier et deuxième alinéas, les contributions personnelles pour la sécurité sociale et les pensions des mandataires, visées à l'article 37quater de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, sont compensées par la commune ou le centre public au sein duquel ils revêtent leur mandat. Le Gouvernement flamand déterminé les limites et modalités pour l'application du présent alinéa.
  
Art. 154. § 1. De som van de wedde van de burgemeester, de schepen of de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid, en de som van de vergoedingen, wedden en presentiegelden, die de burgemeester, de schepen of de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid, ontvangen als bezoldiging voor activiteiten die ze naast hun mandaat uitgeoefend hebben, is gelijk aan of lager dan anderhalve keer het bedrag van de vergoeding van de leden van het Vlaams Parlement. Voor de berekening van dat bedrag komen de vergoedingen, wedden en presentiegelden die de burgemeester, de schepen of de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid, ontvangen in aanmerking als ze voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard.
  Als het plafond, vermeld in het eerste lid, wordt overschreden, wordt de som van de vergoedingen, wedden of presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard als vermeld in het eerste lid, verminderd tot het passende bedrag.
  In deze paragraaf wordt verstaan onder vergoedingen, wedden en presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard, de vergoedingen, wedden en -presentiegelden die voortvloeien uit een mandaat, functie of ambt als:
  1° lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Vlaams Parlement of het Europees Parlement;
  2° lid van een provincieraad of als lid van een bestuursorgaan van een provinciaal extern verzelfstandigd agentschap of een filiaal ervan;
  3° mandataris van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, als lid van een bestuursorgaan van een gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap of een filiaal ervan;
  4° [2 lid van een bestuursorgaan van een intergemeentelijk samenwerkingsverband als vermeld in deel 3, titel 3, of van een vereniging of vennootschap voor maatschappelijk welzijn als vermeld in deel 3, titel 4, van dit decreet;]2
  5° lid van een bestuursorgaan van een [3 woonmaatschappij]3 als vermeld in [1 de Vlaamse Codex Wonen van 2021]1;
  6° lid van een bestuursorgaan van een rechtspersoon als vermeld in artikel 386 van dit decreet;
  7° lid van een bestuursorgaan van een rechtspersoon als vermeld in artikel 188 van het Provinciedecreet van 9 december 2005;
  8° lid van een bestuursorgaan of adviesorgaan van een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon waarin een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging rechtstreeks of onrechtstreeks deelneemt, overeenkomstig artikel 472, eerste lid, van dit decreet;
  9° lid van een bestuursorgaan of adviesorgaan van een bedrijf voor productie, vervoer en distributie van energie, waarin de gemeente rechtstreeks of onrechtstreeks participeert overeenkomstig artikel 180 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
  § 2. Artikel 149 tot en met 154 van dit decreet doen geen afbreuk aan artikel 19, § 4, van de Nieuwe Gemeentewet.
  
Art. 154. § 1er. La somme du traitement du bourgmestre, de l'échevin ou du président du comité spécial de l'aide sociale, visés à l'article 42, § 1er, troisième alinéa, et la somme des indemnités, traitements et jetons de présence, que le bourgmestre, l'échevin ou le président du comité spécial du service social, visés à l'article 42, § 1er, troisième alinéa, reçoivent comme rémunération pour les activités qu'ils exercent en dehors de leur mandat, est égale ou inférieure à une fois et demie le montant de l'indemnité des membres du Parlement flamand. Sont pris en considération pour le calcul dudit montant les indemnités, traitements et jetons de présence perçus par le bourgmestre, l'échevin ou le président du comité spécial du service social, visés à l'article 42, § 1er, troisième alinéa, lorsqu'ils découlent de l'exercice d'un mandat public, d'une fonction publique ou d'une charge publique d'ordre politique.
  En cas de dépassement du plafond visé à l'alinéa premier, la somme des indemnités, traitements ou jetons de présence découlant de l'exercice d'un mandat public, d'une fonction publique ou d'une charge publique d'ordre politique, visée à l'alinéa premier, est réduite à due concurrence.
  Par indemnités, traitements et jetons de présence qui découlent de l'exercice d'un mandat public, d'une fonction publique ou d'une charge publique d'ordre politique, il convient d'entendre, dans le présent paragraphe, les indemnités, traitements et jetons de présence qui découlent d'un mandat, d'une fonction ou d'une charge en tant que :
  1° membre de la Chambre des Représentants, du Sénat, du Parlement flamand ou du Parlement européen ;
  2° membre d'un conseil provincial ou membre d'un organe de direction d'une agence autonomisée externe provinciale ou d'une filiale de celle-ci ;
  3° mandataire d'un centre public daction sociale, comme membre d'un organe de direction d'une agence autonomisée externe communale ou d'une filiale de celle-ci ;
  4° [2 membre d'un organe d'administration d'un partenariat intercommunal tel que visé à la partie 3, titre 3, ou d'une association ou société d'aide sociale telle que visée à la partie 3, titre 4 du présent décret ;]2
  5° membre d'un organe de direction d'une [3 société de logement]3, telle que visée [1 au Code flamand du Logement de 2021]1 ;
  6° membre d'un organe de direction d'une personne morale telle que visée à l'article 386 du présent décret ;
  7° membre d'un organe de direction d'une personne morale telle que visée à l'article 188 du décret provincial du 9 décembre 2005 ;
  8° membre d'un organe de direction ou d'un organe consultatif d'une personne morale de droit public ou de droit privé dans laquelle une association prestataire de services ou chargée de mission a des participations directes ou indirectes, conformément à l'article 472, premier alinéa, du présent décret ;
  9° membre d'un organe de direction ou d'un organe consultatif d'une entreprise de production, de transport et de distribution d'énergie, dans laquelle la commune a des participations directes ou indirectes conformément à l'article 180 de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses.
  § 2. Les articles 149 à 154 inclus du présent décret ne portent pas préjudice à l'article 19, § 4, de la Nouvelle Loi communale.
  
Art. 155. De burgemeester, de schepen, de voorzitter van het vast bureau, het lid van het vast bureau en de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, die wegens een [1 handicap]1 niet zelfstandig hun mandaat kunnen vervullen, kunnen zich voor de uitoefening van dat mandaat laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, gekozen uit personen die de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en die legaal binnen de Europese Unie verblijven, op voorwaarde dat hij zich niet bevindt in een van de volgende gevallen:
  1° een situatie als vermeld in artikel 45, tweede lid, en artikel 80 of 101, meer bepaald wat betreft de verwijzing naar artikel 10, met uitzondering van het verbod in verband met bloed- en aanverwantschap;
  2° een situatie als vermeld in artikel 47, 60, 80 of 103.
  De Vlaamse Regering bepaalt de criteria voor de vaststelling van de [1 handicap]1, vermeld in het eerste lid.
  Bij het verlenen van de bijstand krijgt de vertrouwenspersoon dezelfde middelen ter beschikking en heeft hij dezelfde verplichtingen als een raadslid. Hij moet de eed echter niet afleggen. Hij heeft voor elke vergadering ook recht op presentiegeld onder dezelfde voorwaarden als een raadslid.
  
Art. 155. Le bourgmestre, l'échevin, le président du bureau permanent, le membre du bureau permanent et le président du comité spécial du service social, qui en raison d'[1 un handicap]1, ne peuvent remplir leur mandat de manière autonome, peuvent se faire assister dans l'exercice dudit mandat par une personne de confiance, choisie parmi des personnes ayant atteint l'âge entier de dix-huit ans et qui résident légalement au sein de l'Union européenne, à condition qu'elle ne se trouve pas dans l'un des cas suivants :
  1° une situation telle que visée à l'article 45, deuxième alinéa, et aux articles 80 ou 101, plus précisément en ce qui concerne la référence à l'article 10, à l'exception de l'interdiction relative aux parents ou alliés ;
  2° une situation telle que visée aux articles 47, 60, 80 ou 103.
  Le Gouvernement flamand détermine les critères d'établissement [1 du handicap visé]1 au premier alinéa.
  Pour octroyer son aide, la personne de confiance reçoit les mêmes moyens et a les mêmes obligations qu'un conseiller communal. Elle ne doit cependant pas prêter serment. Elle a également droit à un jeton de présence pour chaque réunion, aux mêmes conditions qu'un conseiller communal.
  
Afdeling 2. - Tucht
Section 2. - Discipline
Art. 156. Met behoud van de toepassing van artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kan de Vlaamse Regering de burgemeester, de schepen, de voorzitter van de gemeenteraad, de voorzitter van het vast bureau, het lid van het vast bureau of de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst schorsen of afzetten wegens kennelijk wangedrag of grove nalatigheid. De betrokken persoon wordt vooraf gehoord.
  De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor de nadere procedureregels.
  De afgezette burgemeester, schepen [1 ,voorzitter van de gemeenteraad]1 ,voorzitter van het vast bureau, lid van het vast bureau of voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst kan pas na verloop van twee jaar opnieuw worden aangesteld in een functie van burge-meester, schepen [1 ,voorzitter van de gemeenteraad]1 , voorzitter van de gemeenteraadvoorzitter van het vast bureau, lid van het vast bureau of voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst.
  
Art. 156. Sans préjudice de l'application de l'article 6, § 1er, VIII, premier alinéa, 5°, de la Loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, et de l'article 22 de la loi organique du 8 juillet 1976 relative aux centres publics d'aide sociale, le Gouvernement flamand peut suspendre ou révoquer le bourgmestre, l'échevin, le président du conseil communal, le président du bureau permanent, le membre du bureau permanent ou le président du comité spécial du service social en raison d'une inconduite notoire ou d'une négligence grave. La personne concernée est entendue préalablement.
  Le Gouvernement flamand fixe les modalités de procédure à cet effet.
  Le bourgmestre, l'échevin [1 ,le président du conseil communal]1, le président du bureau permanent, le membre du bureau permanent ou le président du comité spécial du service social ainsi révoqués ne peuvent être désignés à nouveau à une fonction de bourgmestre, d'échevin [1 ,le président du conseil communal]1, le président du bureau permanent, de membre du bureau permanent ou de président du comité spécial du service social qu'à l'issue d'une période de deux ans.
  
Afdeling 3. - Aansprakelijkheid
Section 3. - Responsabilité
Art. 157. Naargelang van de aard van de uitgeoefende bevoegdheid is de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de schade die de burgemeester, de schepen, de voorzitter van het vast bureau, het lid van het vast bureau of de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst aan derden berokkent bij de normale uitoefening van zijn mandaat. Als de burgemeester, de schepen, de voorzitter van het vast bureau, het lid van het vast bureau of de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, bij de normale uitoefening van zijn mandaat schade berokkent aan de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of aan derden, is hij alleen aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is hij alleen aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.
  De burgemeester, de schepen, respectievelijk de voorzitter van het vast bureau, het lid van het vast bureau of de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst tegen wie een vordering tot schadevergoeding is ingesteld voor de burgerlijke rechter of de strafrechter naar aanleiding van schade die hij bij de normale uitoefening van zijn mandaat aan derden heeft berokkend, brengt, naargelang van de aard van de uitgeoefende bevoegdheid, de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, de gemeente of respectievelijk het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn daarvan op de hoogte. Hij kan naargelang van de aard van de uitgeoefende bevoegdheid de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in het geding betrekken. De Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kunnen vrijwillig tussenkomen.
  De rechtspersonen, vermeld in dit artikel, kunnen beslissen dat de schade maar gedeeltelijk vergoed hoeft te worden.
Art. 157. Selon la nature de la compétence exercée, l'Etat fédéral, la Communauté flamande, la Région flamande ou le centre public daction sociale sont civilement responsables pour tout préjudice occasionné à des tiers par le bourgmestre, l'échevin, le président du bureau permanent, le membre du bureau permanent ou le président du comité spécial du service social dans l'exercice normal de son mandat. Au cas où le bourgmestre, l'échevin, le président du bureau permanent, le membre du bureau permanent ou le président du comité spécial du service social occasionne, lors de l'exercice normal de son mandat, un préjudice à la commune, au centre public daction sociale ou à des tiers, il n'est responsable qu'en cas de fraude ou de faute grave. En cas de faute légère, il n'est responsable que si la faute en question revêt un caractère habituel plutôt qu'occasionnel.
  Le bourgmestre, l'échevin, ou le président du bureau permanent, le membre du bureau permanent ou le président du comité spécial du service social contre lequel une action ou une demande en réparation de dommage a été introduite devant le juge civil ou le juge pénal à la suite du préjudice qu'il a occasionné à des tiers lors de l'exercice normal de son mandat, en informe, selon la nature de la compétence exercée, l'Etat fédéral, la Communauté flamande, la Région flamande, la commune ou, le cas échéant, le centre public daction sociale. Il peut, selon la nature de la compétence exercée, appeler à la cause l'Etat fédéral, la Communauté flamande, la Région flamande, la commune ou le centre public daction sociale. L'Etat fédéral, la Communauté flamande, la Région flamande, la commune ou le centre public daction sociale peuvent intervenir volontairement à la cause.
  Les personnes morales visées dans le présent article peuvent décider que le dommage ne doit être réparé que partiellement.
Art. 158. Behalve in geval van herhaling is, naargelang van de aard van de uitgeoefende bevoegdheid, de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe de burgemeester, de schepen, de voorzitter van het vast bureau, het lid van het vast bureau of de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst wordt veroordeeld wegens een misdrijf dat hij begaan heeft bij de normale uitoefening van zijn mandaat, met uitzondering van een persoonlijke inbreuk op de verkeersreglementering.
  De regresvordering van de rechtspersonen, vermeld in het eerste lid, ten aanzien van de burgemeester, de schepen, de voorzitter van het vast bureau, het lid van het vast bureau of de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst is beperkt tot de gevallen van bedrog, zware schuld of lichte schuld als die bij hen gewoonlijk voorkomen.
  De rechtspersonen, vermeld in dit artikel, kunnen beslissen dat de geldboete maar gedeeltelijk vergoed hoeft te worden.
Art. 158. Sauf en cas de récidive et selon la nature et les compétences exercées, l'Etat fédéral, la Communauté flamande, la Région flamande, la commune ou le centre public daction sociale est civilement responsable pour le paiement des amendes auxquelles le bourgmestre, l'échevin, le président du bureau permanent, le membre du bureau permanent ou le président du comité spécial du service social est condamné en raison d'un délit, commis lors de l'exercice normal de son mandat, à l'exception d'une infraction personnelle au Code de la route.
  L'action récursoire de l'Etat fédéral, de la Communauté flamande, de la Région flamande ou du centre public daction sociale à l'encontre du bourgmestre, de l'échevin, du président du bureau permanent, du membre du bureau permanent ou du président du comité spécial du service social condamné est limité aux cas de fraude, faute grave ou faute légère revêtant chez eux un caractère habituel.
  Les personnes morales visées dans le présent article peuvent décider que l'amende ne doit être remboursée que partiellement.
Art. 159. De gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn sluit een verzekering af om de burgerlijke aansprakelijkheid, met inbegrip van de rechtsbijstand, te dekken die persoonlijk ten laste komt van de burgemeester, de schepen, de voorzitter van het vast bureau, het lid van het vast bureau of de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, bij de normale uitoefening van hun mandaat.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van het eerste lid.
  [1 De gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn sluit naast de verzekering, vermeld in het eerste lid, de volgende verzekeringen af:
   1° een verzekering om de bestuurdersaansprakelijkheid te dekken die persoonlijk ten laste komt van de burgemeester, de schepen, de voorzitter van het vast bureau of het lid van het vast bureau, bij de normale uitoefening van hun mandaat, als ze de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vertegenwoordigen als lid van de raad van bestuur of als dagelijks bestuurder in een rechtspersoon indien die rechtspersoon geen bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten voor de vertegenwoordigende mandataris;
   2° een verzekering voor ongevallen van de burgemeester, de schepen, de voorzitter van het vast bureau, het lid van het vast bureau of de voorzitter van het bijzonder comitщ voor de sociale dienst die zich voordoen bij de normale uitoefening van hun mandaat.]1

  
Art. 159. La commune ou le centre public daction sociale souscrit une assurance en vue de couvrir la responsabilité civile, en ce compris l'assistance juridique, qui incombe personnellement au bourgmestre, à l'échevin, au président du bureau permanent, au membre du bureau permanent ou au président du comité spécial du service social dans le cadre de l'exercice normal de son mandat.
  Le Gouvernement flamand fixe les modalités d'exécution du premier alinéa.
  [1 Outre l'assurance visée à l'alinéa 1er, la commune ou le centre public d'action sociale souscrit les assurances suivantes :
   1° une assurance couvrant la responsabilité des administrateurs supportée personnellement par le bourgmestre, l'échevin, le président du bureau permanent ou le membre du bureau permanent dans l'exercice normal de leur mandat, s'ils représentent la commune ou le centre public d'action sociale en tant que membre du conseil d'administration ou en tant qu'administrateur chargé de la gestion journalière au sein d'une personne morale, si cette dernière n'a pas souscrit une assurance responsabilité des administrateurs pour le mandataire représentant ;
   2° une assurance pour les accidents qui peuvent survenir au bourgmestre, à l'échevin, au président du bureau permanent, au membre du bureau permanent ou au président du comité spécial du service social dans le cadre de l'exercice normal de leur mandat.]1

  
Afdeling 4. - Mandatendatabank
Section 4. - Base de données de mandats
Art. 160. [1 In dit artikel wordt verstaan onder algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.
   Een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid houdt een databank bij met gegevens over de mandatarissen van het lokaal bestuur. De aldus aangewezen entiteit is met betrekking tot die gegevens verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.
   De verwerking, vermeld in het tweede lid, heeft als doel de transparantie en de toegankelijkheid voor het publiek met betrekking tot de besturen en organisaties waarin de mandatarissen actief zijn, te bevorderen en de democratische controle te faciliteren.
   De verwerking, vermeld in het tweede lid, is gebaseerd op artikel 6, eerste lid, c) en e), van de algemene verordening gegevensbescherming. Voor zover er gegevens worden verwerkt in verband met politieke opvattingen, is die verwerking toegelaten op grond van artikel 9, tweede lid, e) en g), van de voormelde verordening.
   De databank, vermeld in het tweede lid, bevat de volgende gegevens van de mandatarissen: de voornaam, de achternaam, het rijksregisternummer, het geslacht, de geboortedatum, de naam van de lijst waarop ze als raadslid zijn verkozen, de naam van de fractie waartoe ze behoren of, in voorkomend geval, de melding dat ze als onafhankelijke zetelen, alsook, in voorkomend geval, de bevoegdheden die ze toegewezen krijgen, en de begin- en einddatum van hun mandaat. Die gegevens worden ter beschikking gesteld door het lokaal bestuur waarbij de mandataris actief is. De databank houdt het historische overzicht van die gegevens bij.
   De gegevens van de mandatarissen, vermeld in het vijfde lid, worden met uitzondering van het rijksregisternummer, het geslacht en de geboortedatum publiek toegankelijk gemaakt door de entiteit die door de Vlaamse Regering overeenkomstig het tweede lid is aangewezen.
  [2 De gegevens, vermeld in het vijfde lid, kunnen worden meegedeeld aan de instanties, vermeld in artikel I.3, 1° tot en met 9°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, voor zover die mededeling past in het kader van een wettelijk vastgelegde plicht of opdracht van algemeen belang van de ontvangende instantie en de mededeling noodzakelijk is om die wettelijk vastgelegde plicht of opdracht te vervullen. Als de mededeling aan die voorwaarden voldoet, wordt het doeleinde van een mededeling als verenigbaar beschouwd met het doeleinde van de oorspronkelijke verwerking, vermeld in het derde lid.
   De ontvangende instantie, vermeld in het zevende lid, is met betrekking tot latere verwerkingen van de gegevens, vermeld in het vijfde lid, de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.]2

   De gegevens, vermeld in het vijfde lid, worden bewaard overeenkomstig de regeling die geldt met toepassing van artikel III.87 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
   De Vlaamse Regering regelt de nadere uitvoering van dit artikel.]1

  
Art. 160. [1 Dans le présent article, on entend par règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.
   Une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand tient à jour une base de données contenant des données relatives aux mandataires de l'administration locale. L'entité ainsi désignée est responsable du traitement de ces données au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données.
   Le traitement visé à l'alinéa 2, a pour objectif de promouvoir la transparence et l'accessibilité du public en ce qui concerne les administrations et les organisations dans lesquelles les mandataires sont actifs et de faciliter le contrôle démocratique.
   Le traitement visé à l'alinéa 2, est fondé sur l'article 6, paragraphe 1er, c) et e), du règlement général sur la protection des données. Dans la mesure où des données sont traitées en relation avec des convictions politiques, ce traitement est autorisé en vertu de l'article 9, paragraphe 2, e) et g), du règlement précité.
   La base de données visée à l'alinéa 2, contient les informations suivantes relatives aux mandataires : le prénom, le nom, le numéro de registre national, le sexe, la date de naissance, le nom de la liste sur laquelle ils ont été élus conseillers, le nom du groupe auquel ils appartiennent ou, le cas échéant, la notification qu'ils siègent en tant qu'indépendants, ainsi que, le cas échéant, les compétences qui leur sont attribuées, et les dates de début et de fin de leur mandat. Ces données sont mises à disposition par l'administration locale au sein de laquelle le mandataire est actif. La base de données conserve l'historique de ces données.
   Les données des mandataires visées à l'alinéa 5, à l'exception du numéro de registre national, du sexe et de la date de naissance, sont rendues publiquement accessibles par l'entité désignée par le Gouvernement flamand conformément à l'alinéa 2.
  [2 Les données, visées à l'alinéa 5, peuvent être communiquées aux instances, visées à l'article I.3, 1° à 9°, du décret de gouvernance du 7 décembre 2018, dans la mesure où cette communication s'inscrit dans le cadre d'une obligation ou d'une mission d'intérêt général fixée par la loi de l'instance destinatrice et où la communication est nécessaire à l'accomplissement de cette obligation ou mission fixée par la loi. Si la communication remplit ces conditions, la finalité d'une communication est considérée comme compatible avec la finalité du traitement initial visé à l'alinéa 3.
   En ce qui concerne les traitements ultérieurs des données visées à l'alinéa 5, l'instance destinataire visée à l'alinéa 7, est le responsable du traitement au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données.]2

   Les données visées à l'alinéa 5, sont conservées conformément à la réglementation en vigueur en application de l'article III.87 du décret de gouvernance du 7 décembre 2018.
   Le Gouvernement flamand règle les modalités d'exécution du présent article.]1

  
TITEL 2. - De ambtelijke organisatie van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
TITRE 2. - Organisation politique de la commune et du centre public daction sociale
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Art. 161. De gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn stellen het gezamenlijk organogram van de diensten van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vast.
  Het organogram geeft de organisatiestructuur van de diensten van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn weer, duidt de gezagsverhoudingen en de functies aan waaraan het lidmaatschap van het managementteam is verbonden.
Art. 161. Le conseil communal et le conseil d'aide sociale déterminent l'organigramme commun des services de la commune et du centre public daction sociale.
  L'organigramme montre la structure organisationnelle des services de la commune et du centre public daction sociale et indique les relations hiérarchiques ainsi que les fonctions associées à la composition de l'équipe de direction.
HOOFDSTUK 2. - De algemeen directeur, de adjunct-algemeendirecteur en de financieel directeur
CHAPITRE 2. - Le directeur général, le directeur général adjoint et le directeur financier
Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen
Section 1ère. - Dispositions communes
Art. 162. § 1. Er zijn in elke gemeente een algemeen directeur en een financieel directeur die zowel van de gemeente als van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient, ten dienste staan.
  In gemeenten met meer dan 60.000 inwoners kan een adjunct-algemeen-directeur worden aangesteld.
  § 2. De ambten, vermeld in paragraaf 1, worden uitgeoefend door personeelsleden van de gemeente.
Art. 162. § 1er. Il existe dans chaque commune un directeur général et un directeur financier qui sont au service tant de la commune que du centre public daction sociale.
  Un directeur général adjoint peut être nommé dans les communes de plus de 60.000 habitants.
  § 2. Les fonctions mentionnées au paragraphe premier sont exercées par des membres du personnel de la commune.
Art. 163. Na hun aanstelling leggen de algemeen directeur, de adjunct-algemeendirecteur en de financieel directeur tijdens een openbare vergadering van de gemeenteraad de volgende eed af in handen van de voorzitter: "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen.".
  Een personeelslid als vermeld in het eerste lid, dat zonder wettige reden de eed niet aflegt nadat het met een aangetekende brief, met een brief die afgegeven wordt tegen ontvangstbewijs, of via een elektronische melding van gegevens die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in [1 artikel 1.5 van het Burgerlijk Wetboek]1, en die een bewijs oplevert van die melding, van het tijdstip waarop ze is verricht en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens, uitgenodigd is om de eed af te leggen, wordt geacht zijn aanstelling niet te aanvaarden. Die eedaflegging weigeren staat gelijk aan afstand doen van de aanstelling. Van de eedaflegging of de weigering ervan wordt een proces-verbaal opgemaakt.
  
Art. 163. Après leur désignation, le directeur général, le directeur général adjoint et le directeur financier prêtent le serment suivant devant le président lors d'une réunion publique du conseil communal : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de ma fonction. "
  Un membre du personnel visé à l'alinéa premier qui ne prête pas serment sans motif légal après y avoir été invité par lettre recommandée, lettre remise contre accusé de réception ou échange électronique de données répondant aux conditions visées à [1 l'article 1.5 du Code civil]1 et assorti d'un accusé de réception, du moment de son envoi ainsi que de l'authenticité et de l'intégrité des données traitées, est supposé ne pas accepter sa désignation. Refuser la prestation de serment équivaut à renoncer à la désignation. Il est dressé un procès-verbal de la prestation de serment ou du refus de prêter serment.
  
Art. 164. Het ambt van algemeen directeur, adjunct-algemeendirecteur en financieel directeur is onverenigbaar met andere ambten binnen dezelfde gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient.
  Het ambt van algemeen directeur, adjunct-algemeendirecteur en financieel directeur is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid, belast met het bestuurlijk toezicht of met audittaken bij de gemeente en bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient.
Art. 164. La fonction de directeur général, de directeur général adjoint et de directeur financier est inconciliable avec d'autres fonctions au sein de la même commune et du centre public daction sociale qui la dessert.
  La fonction de directeur général, de directeur général adjoint et de directeur financier est inconciliable avec la qualité de membre du personnel chargé du contrôle administratif ou de tâches d'audit auprès de la commune et du centre public daction sociale qui la dessert.
Art. 166. Met behoud van de toepassing van artikel 175 regelt de gemeenteraad de vervanging van de algemeen directeur en de financieel directeur bij hun afwezigheid of verhindering.
  Er wordt in elk geval in een waarneming van het ambt van algemeen directeur of financieel directeur voorzien als de afwezigheid of verhindering van de algemeen directeur of financieel directeur langer dan honderdtwintig dagen duurt of als het ambt vacant werd verklaard.
  De waarnemend algemeen directeur en de waarnemend financieel directeur oefenen alle bevoegdheden uit die aan het ambt verbonden zijn.
  De gemeenteraad kan de aanstelling van een waarnemend algemeen directeur of financieel directeur toevertrouwen aan het college van burgemeester en schepenen en aan de functiehouder van het ambt.
Art. 166. Sans préjudice de l'application de l'article 175, le conseil communal organise le remplacement du directeur général et du directeur financier en cas d'absence ou d'empêchement.
  Dans tous les cas, l'exercice de la fonction de directeur général ou de directeur financier est prévu si l'absence ou l'empêchement du directeur général ou du directeur financier dure plus de cent vingt jours, ou si la fonction est déclarée vacante.
  Le directeur général faisant fonction et le directeur financier faisant fonction exercent toutes les compétences liées à la fonction.
  Le conseil communal peut confier la désignation d'un directeur général faisant fonction ou d'un directeur financier faisant fonction au collège du bourgmestre et échevins et au détenteur de la fonction.
Art. 167. De gemeenteraad stelt de algemeen directeur en de financieel directeur aan binnen zes maanden nadat het ambt vacant is geworden. Die termijn kan eenmaal worden verlengd met maximaal zes maanden, als de wervings- of bevorderingsprocedure is opgestart of als die procedure geen geslaagde kandidaat heeft opgeleverd.
Art. 167. Le conseil communal désigne le directeur général et le directeur financier dans les six mois après que la fonction est devenue vacante. Le délai précité peut être prolongé à titre unique d'un maximum de six mois si la procédure de recrutement ou de promotion est lancée ou si cette procédure n'a pas permis de désigner de candidat.
Art. 168. De gemeenteraad kan op zijn vroegst zes maanden voor de beëindiging van het ambt van de uittredende algemeen directeur een nieuwe algemeen directeur aanstellen.
  De nieuwe algemeen directeur staat de uittredende algemeen directeur bij in de vervulling van zijn taken en de uitoefening van zijn bevoegdheden. Bij de beëindiging van het ambt van de uittredende algemeen directeur neemt de nieuwe algemeen directeur het ambt van algemeen directeur op.
  Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de financieel directeur.
Art. 168. Le conseil communal peut désigner un nouveau directeur général au plus tôt six mois avant la fin du mandat du directeur général sortant.
  Le nouveau directeur général assiste le directeur général sortant dans l'accomplissement de ses tâches et l'exercice de ses compétences. Le nouveau directeur général reprend la fonction de directeur général au terme du mandat du directeur général sortant.
  Le présent article s'applique par analogie au directeur financier.
Art. 169. Artikel 27, § 2, is van overeenkomstige toepassing op de algemeen directeur, de adjunct-algemeendirecteur en de financieel directeur [1 , zowel wat de gemeente als wat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn betreft]1.
  De algemeen directeur en, in voorkomend geval, de adjunct-algemeendirecteur kunnen geen vakbondsafgevaardigde zijn in de lokale besturen van de gemeente waar ze zijn tewerkgesteld.
  
Art. 169. L'article 27, § 2 s'applique par analogie au directeur général, au directeur général adjoint et au directeur financier [1 , tant en ce qui concerne la commune que le centre public d'action sociale]1.
  Le directeur général et, le cas échéant, le directeur général adjoint ne peuvent être des délégués syndicaux dans l'administration locale de la commune où ils sont employés.
  
Afdeling 2. - De algemeen directeur en de adjunct-algemeendirecteur
Section 2. - Du directeur général et du directeur général adjoint
Art. 170. De algemeen directeur staat in voor de algemene leiding van de diensten van de gemeente en van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  Hij staat aan het hoofd van het personeel van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en hij is bevoegd voor het dagelijkse personeelsbeheer. De algemeen directeur kan de uitoefening van het dagelijkse personeelsbeheer toevertrouwen aan andere personeelsleden.
  De algemeen directeur rapporteert aan het college van burgemeester en schepenen, aan het vast bureau en aan het bijzonder comité voor de sociale dienst.
Art. 170. Le directeur général assure la direction générale des services de la commune et des services du centre public daction sociale.
  Il est à la tête du personnel de la commune et du centre public daction sociale, et est compétent pour la gestion quotidienne du personnel. Le directeur général peut confier l'exercice de la gestion quotidienne du personnel à d'autres membres du personnel.
  Le directeur général rend compte au collège des bourgmestre et échevins, au bureau permanent et au comité spécial du service social.
Art. 171. § 1. De algemeen directeur staat in voor de werking van de diensten van de gemeente en van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bij de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van het beleid. De algemeen directeur gedraagt zich naar de onderrichtingen die hem worden gegeven door de gemeenteraad, de voorzitter van de gemeenteraad, het college van burgemeester en schepenen, de burgemeester, de raad voor maatschappelijk welzijn, de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau, de voorzitter van het vast bureau, het bijzonder comité voor de sociale dienst en de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, al naargelang van hun respectieve bevoegdheden, tenzij het anders bepaald is in de afsprakennota, vermeld in paragraaf 2.
  De algemeen directeur staat in voor het organisatiebeheersingssysteem, overeenkomstig artikel 217 tot en met 220.
  § 2. Ten minste na iedere volledige vernieuwing van de gemeenteraad sluit de algemeen directeur mede namens het managementteam een afsprakennota met het college van burgemeester en schepenen, met de burgemeester, met het vast bureau, met de voorzitter van het vast bureau, met het bijzonder comité voor de sociale dienst en met de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst over de wijze waarop de algemeen directeur en de overige leden van het managementteam met het college van burgemeester en schepenen, de burgemeester, het vast bureau, de voorzitter van het vast bureau, het bijzonder comité voor de sociale dienst en de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst samenwerken om de beleidsdoelstellingen te realiseren, en over de omgangsvormen tussen bestuur en administratie.
  In de afsprakennota wordt bepaald op welke wijze de algemeen directeur de bevoegdheden uitoefent die aan hem zijn gedelegeerd door het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig artikel 57 en door het vast bureau overeen-komstig artikel 85.
  § 3. De algemeen directeur bereidt de zaken voor die aan de gemeenteraad, aan de raad voor maatschappelijk welzijn, aan de raadscommissies, aan het college van burgemeester en schepenen, aan de burgemeester, aan het vast bureau, aan de voorzitter van het vast bureau, aan het bijzonder comité voor de sociale dienst en aan de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst worden voorgelegd.
  § 4. De algemeen directeur zorgt in overleg met het managementteam voor de opmaak van:
  1° het voorontwerp van het organogram;
  2° het voorontwerp van de rechtspositieregeling van het personeel;
  3° het voorontwerp van de beleidsrapporten en de opvolgingsrapportering;
  4° de inventaris.
Art. 171. § 1er. Le directeur général assure le fonctionnement des services de la commune et de ceux du centre public daction sociale dans la préparation, l'exécution et l'évaluation de la politique. Le directeur général se conforme aux recommandations qui lui sont faites par le conseil communal, le président du conseil communal, le collège des bourgmestre et échevins, le bourgmestre, le conseil d'aide sociale, le président du conseil d'aide sociale, le bureau permanent, le président du bureau permanent, le comité spécial du service social et le président du comité spécial du service social, en fonction de leurs compétences respectives, sauf si la note d'accords mentionnée au paragraphe 2 en dispose autrement.
  Le directeur général assure le système de contrôle interne conformément aux articles 217 à 220.
  § 2. Au moins après chaque renouvellement intégral du conseil communal, le directeur général conclut au nom de l'équipe de direction une note d'accords avec le collège des bourgmestre et échevins, le bourgmestre, le bureau permanent, le président du bureau permanent, le comité spécial du service social et le président du comité spécial du service social concernant la manière dont le directeur général et les autres membres de l'équipe de direction coopèrent avec le collège des bourgmestre et échevins, le bourgmestre, le bureau permanent, le président du bureau permanent, le comité spécial du service social et le président du comité spécial du service social afin de réaliser les objectifs politiques et au sujet des formes de communication entre gestion et administration.
  La note d'accords précise la manière selon laquelle le directeur général exerce les compétences qui lui sont déléguées par le collège des bourgmestre et échevins conformément à l'article 57 et par le bureau permanent conformément à l'article 85.
  § 3. Le directeur général prépare les matières soumises au conseil communal, au conseil d'aide sociale, aux commissions du conseil, au collège des bourgmestre et échevins, au bourgmestre, au bureau permanent, au président du bureau permanent, au comité spécial du service social et au président du comité spécial du service social.
  § 4. Le directeur général veille, en concertation avec l'équipe de direction, à l'élaboration de :
  1° l'avant-projet d'organigramme ;
  2° l'avant-projet de statut du personnel ;
  3° l'avant-projet des rapports stratégiques au collège des bourgmestre et échevins ;
  4° l'inventaire.
Art. 172. De algemeen directeur woont de vergaderingen bij van de gemeenteraad, van de raad voor maatschappelijk welzijn, van het college van burgemeester en schepenen, van het vast bureau, van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Hij kan de vergaderingen van de raadscommissies bijwonen.
  De algemeen directeur adviseert de gemeenteraad, de voorzitter van de gemeenteraad, de raad voor maatschappelijk welzijn, de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, het college van burgemeester en schepenen, de burgemeester, het vast bureau, de voorzitter van het vast bureau en het bijzonder comité voor de sociale dienst op beleidsmatig, bestuurskundig en juridisch vlak. Hij herinnert in voorkomend geval aan de geldende rechtsregels, vermeldt de feitelijke gegevens waarvan hij kennis heeft en zorgt ervoor dat de vermeldingen die de regelgeving voorschrijft in de beslissingen worden opgenomen.
  Artikel 27, § 1, is van overeenkomstige toepassing op de algemeen directeur [1 , zowel wat de gemeente als wat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn betreft]1.
  
Art. 172. Le directeur général assiste aux réunions du conseil communal, du conseil d'aide sociale, du collège des bourgmestre et échevins, du bureau permanent, du comité spécial du service social. Il peut assister aux réunions des commissions du conseil.
  Le directeur général conseille le conseil communal, le président du conseil communal, le conseil d'aide sociale, le président du conseil d'aide sociale, le collège des bourgmestre et échevins, le bourgmestre, le bureau permanent, le président du bureau permanent et le comité spécial de l'aide sociale sur les plans stratégique, administratif et juridique. Il rappelle le cas échéant les règles de droit en vigueur, évoque les faits dont il a connaissance et veille à ce que les mentions prescrites par la règlementation figurent dans les décisions.
  L'article 27, § 1er s'applique par analogie au directeur général [1 , tant en ce qui concerne la commune que le centre public d'action sociale ]1.
  
Art. 173. De algemeen directeur organiseert de behandeling van de briefwisseling. Met behoud van de toepassing van artikel 56, § 5, en 84, § 5, organiseert hij het beheer van het archief waaronder de titels.
Art. 173. Le directeur général organise le traitement de la correspondance. Sans préjudice de l'application des articles 56, § 5 et 84, § 5, il organise la gestion des archives y compris des titres.
Art. 174. De algemeen directeur oefent de bevoegdheden uit die overeenkomstig artikel 57 en 85 of overeenkomstig andere wettelijke of decretale bepalingen aan de algemeen directeur, de gemeentesecretaris of de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zijn toevertrouwd.
Art. 174. Le directeur général exerce les compétences confiées au directeur général, au secrétaire communal ou au secrétaire du centre public daction sociale conformément aux articles 57 et 85 ou à d'autres dispositions légales ou décrétales.
Art. 175. De adjunct-algemeendirecteur staat de algemeen directeur bij in de vervulling van zijn ambt, overeenkomstig het organisatiebeheersingssysteem, vermeld in artikel 217 tot en met 220. Hij vervangt de algemeen directeur als hij afwezig of verhinderd is. De gemeenteraad regelt die vervanging.
Art. 175. Le directeur général adjoint assiste le directeur général dans l'exercice de sa fonction, conformément au système de contrôle interne mentionné aux articles 217 à 220. Il remplace le directeur général lorsque celui-ci est absent ou empêché. Le conseil communal organise ce remplacement.
Afdeling 3. - De financieel directeur
Section 3. - Du directeur financier
Art. 176. De financieel directeur staat onder de functionele leiding van de algemeen directeur in voor:
  1° het opstellen, in overleg met het managementteam, van het voorontwerp van de beleidsrapporten en de opvolgingsrapportering;
  2° het voeren en het afsluiten van de boekhouding;
  3° het verzorgen van financiële analyse en financiële beleidsadvisering;
  4° het thesauriebeheer, met behoud van de toepassing van de bepalingen daarover in het organisatiebeheersingssysteem.
  De financieel directeur rapporteert aan de algemeen directeur over de taken, vermeld in het eerste lid.
Art. 176. Le directeur financier travaille sous la direction fonctionnelle du [directeur général] du centre public daction sociale pour :
  1° la rédaction, en concertation avec l'équipe de management, de l'avant-projet des rapports stratégiques et du compte-rendu de suivi ;
  2° la tenue et la clôture de la comptabilité ;
  3° une analyse financière et des conseils en matière de gestion financière au sens le plus large ;
  4° la gestion de la trésorerie en appliquant les dispositions y relatives dans le système de contrôle interne.
  Le directeur financier fait rapport au [directeur général] du centre public d'aide social sur les tâches visées au premier alinéa.
Art. 177. De financieel directeur staat in volle onafhankelijkheid in voor:
  1° de voorafgaande krediet- en wetmatigheidscontrole van de beslissingen van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met budgettaire en financiële impact, overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in artikel 266 en 267;
  2° het debiteurenbeheer, in het bijzonder de invordering van de fiscale en niet-fiscale ontvangsten en het verlenen van kwijting. [1 Dat debiteurenbeheer kan plaatsvinden rekening houdend met onder meer de doelstelling van bestrijding en voorkoming van armoede en overeenkomstig het lokaal beleid.]1
  De financieel directeur kan een dwangbevel uitvaardigen, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen of door het vast bureau, om onbetwiste en opeisbare niet-fiscale schuldvorderingen in te vorderen. Dat dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot. Dat exploot stuit de verjaring.
  Een dwangbevel als vermeld in het tweede lid kan door het college van burgemeester en schepenen of door het vast bureau alleen worden geviseerd en uitvoerbaar verklaard worden als de schuld opeisbaar, vaststaand en zeker is. De schuldenaar moet bovendien vooraf aangemaand zijn met een aangetekende brief, met een brief die afgegeven wordt tegen ontvangstbewijs, of via een elektronische melding van gegevens die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in [2 artikel 1.5 van het Burgerlijk Wetboek]2, en die een bewijs oplevert van deze melding, van het tijdstip waarop ze is verricht en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens. De gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kunnen administratieve kosten aanrekenen voor die aangetekende brief. Die kosten zijn ten laste van de schuldenaar en kunnen ook ingevorderd worden via het dwangbevel.
  Schulden van een publieke rechtspersoon kunnen nooit via een dwangbevel als vermeld in het tweede lid worden ingevorderd.
  Er kan verzet worden aangetekend tegen een gerechtsdeurwaardersexploot als vermeld in het tweede lid binnen een maand na de betekening ervan bij verzoekschrift of door een dagvaarding ten gronde.
  De financieel directeur rapporteert in volle onafhankelijkheid over de volgende aangelegenheden aan de gemeenteraad, aan de raad voor maatschappelijk welzijn, aan het college van burgemeester en schepenen, en aan het vast bureau:
  1° de vervulling van de opdrachten, vermeld in dit artikel;
  2° de thesaurietoestand, de liquiditeitsprognose, de beheerscontrole en de evolutie van de budgetten;
  3° de financiële risico's.
  De financieel directeur stelt tegelijkertijd een afschrift van de rapportering, vermeld in het zesde lid, aan de algemeen directeur ter beschikking.
  
Art. 177. Le directeur financier est totalement indépendant pour :
  1° le contrôle préalable en matière de crédit et de légalité des décisions du centre public daction sociale ayant un impact budgétaire et financier, conformément aux conditions fixées aux articles 266 et 267 ;
  2° la gestion des débiteurs, plus particulièrement le recouvrement des recettes et le fait de donner décharge. [1 Cette gestion des débiteurs peut être effectuée compte tenu, entre autres, de l'objectif de lutte et de prévention de la pauvreté et conformément à la politique locale.]1
  En vue du recouvrement des créances certaines et liquides, le directeur financier peut établir une contrainte, visée et déclarée exécutoire par le conseil des bourgmestre et échevins. Une telle contrainte est signifiée par exploit d'huissier de Justice. L'exploit précité interrompt la prescription.
  Un exploit ne peut être visé et déclaré exécutoire par le conseil des bourgmestre et échevins ou par le bureau permanent que si la créance est exigible, définitive et certaine. Le débiteur devra en outre avoir été préalablement mis en demeure par lettre recommandée, lettre remise contre accusé de réception ou échange électronique de données répondant aux conditions mentionnées à [2 l'article 1.5 du Code civil]2 et assorti d'un accusé de réception, de la date de son envoi ainsi que de l'authenticité et de l'intégrité des données traitées. La commune et le centre public daction sociale peuvent porter des frais administratifs en compte pour la lettre recommandée en question. Les frais précités sont à la charge du débiteur et peuvent aussi être recouvrés au moyen de la contrainte.
  Les dettes d'un organisme de droit public ne peuvent jamais être recouvrées par contrainte au sens du deuxième alinéa.
  Un exploit d'huissier peut faire l'objet d'un recours au sens du deuxième alinéa dans le mois qui suit sa signification par requête ou par citation au fond.
  Le directeur financier rend compte en toute indépendance des questions suivantes au conseil communal, au conseil d'aide sociale, au collège des bourgmestre et échevins et au bureau permanent :
  1° l'accomplissement des tâches mentionnées dans le présent article ;
  2° l'état de la trésorerie, les prévisions de liquidité, le contrôle de la gestion et l'évolution des budgets ;
  3° les risques financiers.
  Le directeur financier met simultanément une copie du compte-rendu visé au sixième alinéa à la disposition du directeur général.
  
Art. 178. De financieel directeur oefent de taken uit die door of krachtens de wet of het decreet aan de financieel directeur, de gemeenteontvanger, de financieel beheerder of de ontvanger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zijn toevertrouwd.
Art. 178. Le directeur financier exerce les tâches attribuées, par la loi ou le décret ou en vertu de ceux-ci, au directeur financier, au receveur communal, au gestionnaire financier ou au receveur du centre public daction sociale.
HOOFDSTUK 3. - Het managementteam
CHAPITRE 3. - De l'équipe de direction
Art. 179. De gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient, hebben een gemeenschappelijk managementteam.
  Met behoud van de toepassing van het derde lid, bestaat het managementteam uit de algemeen directeur, de adjunct-algemeendirecteur, de financieel directeur en alle andere leden die geen mandataris zijn en waarvan de deelname aan het managementteam nuttig wordt geacht voor het functioneren van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  De burgemeester, of de door hem aangewezen schepen, maakt met raad-gevende stem deel uit van het managementteam.
Art. 179. La commune et le centre public daction sociale qui dessert la commune ont une équipe de direction commune.
  Sans préjudice de l'application du troisième alinéa, l'équipe de direction est composée du directeur général, du directeur général adjoint, du directeur financier et de tous les autres membres qui ne sont pas mandataires et dont la participation à l'équipe de direction est estimée nécessaire pour le bon fonctionnement de la commune et du centre public daction sociale.
  Le bourgmestre, ou l'échevin qu'il désigne, fait partie de l'équipe de direction avec voix consultative.
Art. 180. Het managementteam vergadert geregeld onder het voorzitterschap van de algemeen directeur, overeenkomstig het organisatiebeheersingssysteem, vermeld in artikel 217 tot en met 220.
Art. 180. L'équipe de direction se réunit régulièrement sous la présidence du directeur général, conformément au système de contrôle interne mentionné aux articles 217 à 220.
Art. 181. Het managementteam ondersteunt de coördinatie van de diensten van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bij de beleidsvoorbereiding, de beleidsuitvoering en de beleidsevaluatie. Het managementteam bewaakt de eenheid in de werking, de kwaliteit van de organisatie en de werking van de diensten van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, alsook de interne communicatie, overeenkomstig het organisatiebeheersingssysteem, vermeld in artikel 217 tot en met 220.
Art. 181. L'équipe de direction soutient la coordination des services de la commune et du centre public daction sociale dans la préparation, l'exécution et l'évaluation de la stratégie. L'équipe de gestion surveille l'unité du fonctionnement, la qualité de l'organisation et du fonctionnement des services de la commune et du centre public daction sociale, ainsi que la communication interne, conformément au système de contrôle interne au sens des articles 217 à 220.
HOOFDSTUK 4. - Het personeel van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
CHAPITRE 4. - Du personnel de la commune et du centre public daction sociale
Afdeling 1. - Toepassingsgebied
Section 1ère. - Champ d'application
Art. 182. Dit hoofdstuk is van toepassing op de leden van het personeel met behoud van de toepassing van de bijzondere regelingen, vermeld in hoofdstuk 1, 2 en 3 van deze titel, of van bijzondere regelingen die door of krachtens andere wettelijke of decretale bepalingen zijn vastgesteld.
  Voor het personeel dat ingezet wordt in de gemeentelijke onderwijsinstellingen of centra voor leerlingenbegeleiding, en dat geheel of gedeeltelijk buiten het toepassingsgebied valt, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, bepaalt de gemeenteraad de eventuele afwijkingen van de rechtspositieregeling, vermeld in artikel 186, § 1, van dit decreet, rekening houdend met hun opdracht in de onderwijsinstellingen of centra voor leerlingenbegeleiding. Die afwijkingen moeten in overeenstemming zijn met de decreten en besluiten betreffende het onderwijs.
Art. 182. Le présent chapitre s'applique aux membres du personnel, sans préjudice de l'application des régimes spéciaux mentionnés aux chapitres 1er, 2 et 3 du présent titre, ou des régimes spéciaux fixés par ou en vertu d'autres dispositions légales ou décrétales.
  Pour le personnel employé dans les établissements d'enseignement communaux ou centres d'encadrement des élèves, et qui relève totalement ou partiellement du champ d'application mentionné à l'article 4, § 1er, a) du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, le conseil communal détermine les éventuelles dérogations au règlement relatif au statut visé à l'article 186, § 1er du présent décret, compte tenu de leur mission dans les établissements d'enseignement ou centres d'encadrement des élèves. Les dérogations précitées doivent être conformes aux décrets et arrêtés relatifs à l'enseignement.
Afdeling 2. - De maatschappelijk werker
Section 2. - Le travailleur social
Art. 183. § 1. Er is in elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten minste een maatschappelijk werker die personeelslid is van dat openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  Voor een maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zijn ambt opneemt, legt hij de volgende eed af in handen van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn: "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen.".
  Een personeelslid als vermeld in het tweede lid, dat zonder wettige reden de eed niet aflegt nadat het met een aangetekende brief, met een brief die afgegeven wordt tegen ontvangstbewijs, of via een elektronische melding van gegevens die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in [2 artikel 1.5 van het Burgerlijk Wetboek]2, en die een bewijs oplevert van die melding, van het tijdstip waarop ze is verricht en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens, uitgenodigd is om de eed af te leggen, wordt geacht zijn aanstelling niet te aanvaarden. Die eedaflegging weigeren staat gelijk aan afstand doen van de aanstelling. Van de eedaflegging of de weigering ervan wordt een proces-verbaal opgemaakt.
  § 2. Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en in artikel 2 van dit decreet, en ter uitvoering van de taken die aan hem opgedragen zijn door de algemeen directeur namens de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst [1 of zijn subcomités]1, of namens de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst voor het verlenen van dringende steun, heeft de maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als opdracht de personen en gezinnen te helpen bij het opheffen of verbeteren van de noodsituaties waarin zij zich bevinden. Daarvoor verricht hij, onder meer, de onderzoeken ter voorbereiding van de te nemen beslissingen, verstrekt hij documentatie en raadgevingen en verzekert hij de maatschappelijke begeleiding van de betrokkenen.
  § 3. De verantwoordelijke van de sociale dienst licht de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau of de algemeen directeur in over de algemene behoeften die hij bij de vervulling van zijn taak vaststelt en stelt maatregelen voor om daaraan tegemoet te komen. De verantwoordelijke van de sociale dienst neemt deel aan de vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Hij kan bovendien uitgenodigd worden om deel te nemen aan de besprekingen van de raad voor maatschappelijk welzijn of van het vast bureau telkens als de problemen behandeld worden die de sociale dienst aanbelangen.
  § 4. Als de maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die met het dossier belast is, er wegens bijzondere en uitzonderlijke redenen van vertrouwelijke aard om heeft verzocht, neemt het bijzonder comité voor de sociale dienst pas een beslissing over een individueel geval van dienstverlening nadat het de betrokken maatschappelijk werker van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gehoord heeft.
  
Art. 183. § 1er. Dans chaque centre public daction sociale, il existe au moins un travailleur social qui est membre du personnel du centre public daction sociale en question.
  Avant qu'un travailleur social du centre public daction sociale n'entre en fonction, il prête le serment suivant devant le président du conseil d'aide sociale : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de ma fonction. "
  Un membre du personnel au sens du deuxième alinéa qui ne prête pas serment sans motif légal après avoir été invité à le faire par lettre recommandée, lettre remise contre accusé de réception ou échange électronique de données répondant aux conditions mentionnées à [2 l'article 1.5 du Code civil]2 et assorti d'un accusé de réception, de la date de son envoi ainsi que de l'authenticité et de l'intégrité des données traitées, est supposé ne pas accepter sa désignation. Refuser la prestation de serment équivaut à renoncer à la désignation. Il est dressé un procès-verbal de la prestation de serment ou du refus de prêter serment.
  § 2. En vue de la réalisation des objectifs mentionnés à l'article premier de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale et à l'article 2 du présent décret, et en exécution des tâches qui lui sont confiées par le directeur général au nom du conseil d'aide sociale, du bureau permanent ou du comité spécial du service social [1 ou de ses sous-comités]1, ou au nom du président du comité spécial du service social pour la fourniture d'un soutien d'urgence, le travailleur social du centre public daction sociale a pour mission d'aider les personnes et les familles à résoudre ou à améliorer les situations d'urgence dans laquelle elles se trouvent. A cette fin, il mène notamment les enquêtes préparatoires aux décisions à prendre, fournit documentation et conseils et assure l'accompagnement social des intéressés.
  § 3. Le responsable du service social informe le conseil d'aide sociale, le bureau permanent ou le directeur général des besoins généraux qu'il constate dans l'exercice de sa tâche et propose des mesures en vue d'y remédier. Le responsable du service social participe aux réunions du comité spécial du service social. Il peut en outre être invité à participer aux débats du conseil d'aide sociale ou du bureau permanent dès lors que les problèmes traités intéressent le service social.
  § 4. Si le travailleur social du centre public daction sociale chargé du dossier le demande pour des motifs particuliers et exceptionnels de nature confidentielle, le comité spécial du service social ne prendra de décision pour un cas individuel de service qu'après avoir entendu le travailleur social du centre public daction sociale concerné.
  
Afdeling 3. - De rechtspositie van het personeel van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
Section 3. - Du statut du personnel de la commune et du centre public daction sociale
Onderafdeling 1. - Algemene bepaling
Sous-section 1ère. - Disposition générale
Art. 184. § 1. Het personeel kan in statutair of in contractueel dienstverband worden aangesteld.
  § 2. In geval van een ramp kan worden afgeweken van de vastgestelde aanwervingsvoorwaarden en selectieprocedure, als dat noodzakelijk is om dringende en onvoorziene taken te vervullen.
  § 3. Binnen de grenzen die de Vlaamse Regering bepaalt, kan de gemeente personeel in contractueel verband in dienst nemen om te voorzien in de personeelsbehoeften van het kabinet van de burgemeester of de schepenen, of van de fracties in de gemeenteraad. Die personeelsleden worden, naar gelang van het geval, kabinets- of fractiepersoneel genoemd.
  De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de aanwerving of terbeschikkingstelling van het kabinets- en fractiepersoneel.
Art. 184. § 1er. Le personnel peut être employé sous régime statutaire ou contractuel.
  § 2. En cas de calamité, il peut être dérogé aux conditions de recrutement et à la procédure de sélection établies si ladite dérogation est indispensable à l'accomplissement de tâches urgentes et imprévues.
  § 3. Dans les limites fixées par le Gouvernement flamand, la commune peut engager du personnel sous régime contractuel afin de pourvoir aux besoins en personnel du cabinet du bourgmestre ou des échevins, ou des groupes politiques au conseil communal. Les membres du personnel précités sont nommés personnel de cabinet ou de groupe politique, selon le cas.
  Le Gouvernement flamand peut spécifier les conditions du recrutement ou de la mise à disposition du personnel de cabinet ou de groupe politique.
Art. 185. § 1. Als dat nader bepaald is in de rechtspositieregeling van het personeel, kunnen personeelsleden in statutair dienstverband ter beschikking gesteld worden aan:
  1° een extern verzelfstandigd agentschap als vermeld in artikel 225 van dit decreet;
  2° een vereniging of een vennootschap als vermeld in artikel 475, 496, 501, 508 en 513 van dit decreet;
  3° een samenwerkingsverband als vermeld in deel 3, titel 3, van dit decreet;
  4° een vereniging als vermeld in artikel 386 van dit decreet;
  5° een andere overheid dan die vermeld in punt 1° tot en met punt 4° ;
  6° een vereniging zonder winstoogmerk als vermeld in [1 het Wetboek van vennootschappen en verenigingen,]1 waarin de gemeente al dan niet deelneemt en waarvan de activiteit verband houdt met een gemeentelijk belang.
  [1 7° de woonmaatschappij, vermeld in boek 4, deel 1, titel 3, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.]1
  De terbeschikkingstelling is tijdelijk en wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de rechtspersoon waaraan het personeel ter beschikking wordt gesteld.
  § 2. De aanstellende overheid beslist, in overeenstemming met de rechtspositieregeling, over de individuele terbeschikkingstelling van het personeelslid, vermeld in paragraaf 1, en sluit een overeenkomst van terbeschikkingstelling.
  § 3. [1 ...]1.
  
Art. 185. § 1er. Si le règlement relatif au statut du personnel le précise, les membres du personnel sous régime statutaire peuvent être mis à la disposition :
  1° d'une agence autonomisée externe au sens de l'article 225 du présent décret ;
  2° d'une association ou d'une société au sens des articles 475, 496, 501, 508 en 513 du présent décret ;
  3° d'un partenariat au sens de la section 3, titre 3 du présent décret ;
  4° d'une association au sens de l'article 386 du présent décret ;
  5° d'une autre autorité que celle mentionnée aux points 1° à 4° ;
  6° d'une association sans but lucratif au sens [1 du Code des sociétés et des associations]1 à laquelle la commune participe ou non et dont l'activité est liée à un intérêt public;
  [1 7° de la société de logement visée au livre 4, partie 1, titre 3, du Code flamand du Logement de 2021.]1
  La mise à disposition est temporaire et est fixée par une convention passée entre la commune ou le centre public daction sociale et la personne morale dont le personnel est mis à disposition.
  § 2. L'autorité de désignation décide, en concordance avec le statut, sur la mise à disposition individuelle du membre du personnel mentionnée au paragraphe 1er et conclut la convention de mise à disposition.
  § 3. [1 ...]1.
  
Art. 185/1. [1 § 1. Met behoud van andersluidende wettelijke of decretale bepalingen en met uitzondering van de personeelsleden, vermeld in artikel 162, § 1, en 183, § 1, kunnen een gemeente, het autonoom gemeentebedrijf van die gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient, een publiekrechtelijke vereniging van dat openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en een intergemeentelijk samenwerkingsverband waarin een van de voormelde besturen deelneemt, aan elkaar personeel overdragen onder de volgende voorwaarden:
   1° de overdracht van personeel is nader bepaald in de rechtspositieregeling van het personeel dat wordt overgedragen;
   2° bij de overdracht is de voor het personeelslid geldende rechtspositieregeling nageleefd;
   3° het bevoegde orgaan van het bestuur waarnaar het personeelslid overgedragen wordt, keurt de overdracht goed;
   4° de personeelsleden behouden na de overdracht de aard van het dienstverband, hun graad, hun anciënniteit, hun prestatieregeling, hun salarisschaal en hun rechten en verplichtingen zoals vastgesteld in hun arbeidscontract of bestaande arbeidsbetrekking;
   5° de overdracht kan geen reden voor ontslag zijn;
   6° de personeelsleden behouden voor minstens een jaar hun rechtspositieregeling.
   De Vlaamse Regering kan verdere minimale waarborgen vaststellen.
   § 2. Met behoud van andersluidende wettelijke of decretale bepalingen en met uitzondering van de personeelsleden, vermeld in artikel 162, § 1, en 183, § 1, kunnen de overheden, vermeld in paragraaf 1, contractueel personeel overdragen aan een gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm, een ziekenhuisvereniging, een vereniging of vennootschap voor sociale dienstverlening, een woonzorgvereniging of woonzorgvennootschap of aan een woonmaatschappij als vermeld in boek 4, deel 1, titel 3, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, onder de volgende voorwaarden:
   1° de overdragende overheid is een deelgenoot van de overnemende rechtspersoon, met uitzondering van de woonmaatschappij, waarvan de overdragende overheid geen aandeelhouder hoeft te zijn;
   2° de overdracht van personeel is nader bepaald in de rechtspositieregeling van het personeel dat wordt overgedragen;
   3° bij de overdracht is de voor het personeelslid geldende rechtspositieregeling nageleefd;
   4° het bevoegde orgaan van de rechtspersoon waarnaar het personeelslid overgedragen wordt, keurt de overdracht goed;
   5° de personeelsleden behouden na de overdracht de aard van het dienstverband, hun graad, hun anciënniteit, hun prestatieregeling, hun salarisschaal en hun rechten en verplichtingen zoals vastgesteld in hun arbeidscontract of bestaande arbeidsbetrekking;
   6° de overdracht kan geen reden voor ontslag zijn;
   7° de personeelsleden behouden voor minstens een jaar hun rechtspositieregeling.
   De Vlaamse Regering kan verdere minimale waarborgen vaststellen.]1

  
Art. 185/1. [1 § 1er. Sans préjudice de dispositions légales ou décrétales contraires et à l'exception des membres du personnel visés à l'article 162, § 1er, et 183, § 1er, une commune, la régie communale autonome de cette commune, le centre public d'action sociale desservant la commune, une association de droit public de ce centre public d'action sociale et une structure de coopération intercommunale à laquelle participe l'une des administrations précitées, peuvent se transférer mutuellement du personnel dans les conditions suivantes :
   1° le transfert de personnel est spécifié dans le statut juridique du personnel transféré ;
   2° le transfert a respecté les règles de statut juridique applicables au membre du personnel ;
   3° l'organe compétent de l'administration à laquelle le membre du personnel est transféré approuve le transfert ;
   4° après le transfert, les membres du personnel conservent la nature de la relation de travail, leur grade, leur ancienneté, leur régime de prestation, leur échelle de traitement et leurs droits et obligations tels qu'ils figurent dans leur contrat de travail ou dans la relation de travail existante ;
   5° le transfert ne peut constituer un motif de licenciement ;
   6° les membres du personnel conservent leur statut juridique pendant au moins un an.
   Le Gouvernement flamand peut fixer des garanties minimales supplémentaires.
   § 2. Sans préjudice de dispositions légales ou décrétales contraires et à l'exception des membres du personnel visés à l'article 162, § 1er, et 183, § 1er, les autorités visées au paragraphe 1er, peuvent transférer du personnel contractuel à une agence autonomisée externe communale de droit privé, à une association hospitalière, à une association ou société de services sociaux, à une association ou société de soins à domicile ou à une société de logement telle que visée au livre 4, partie 1, titre 3, du Code flamand du Logement de 2021, aux conditions suivantes :
   1° l'autorité qui opère le transfert est copartageante de la personne morale dans laquelle le transfert est effectué, à l'exception de la société de logement, dont l'autorité qui opère le transfert ne doit pas être actionnaire ;
   2° le transfert de personnel est spécifié dans le statut juridique du personnel transféré ;
   3° le transfert a respecté les règles de statut juridique applicables au membre du personnel ;
   4° l'organe compétent de la personne morale à laquelle le membre du personnel est transféré approuve le transfert ;
   5° après le transfert, les membres du personnel conservent la nature de la relation de travail, leur grade, leur ancienneté, leur régime de prestation, leur échelle de traitement et leurs droits et obligations tels qu'ils figurent dans leur contrat de travail ou dans la relation de travail existante ;
   6° le transfert ne peut constituer un motif de licenciement ;
   7° les membres du personnel conservent leur statut juridique pendant au moins un an.
   Le Gouvernement flamand peut fixer des garanties minimales supplémentaires.]1

  
Onderafdeling 2. - De rechtspositieregeling
Sous-section 2. - Du statut
Art. 186. § 1. De gemeenteraad stelt de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel vast.
  De rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel is van rechtswege van toepassing op het personeelslid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient en dat een betrekking bekleedt die ook bestaat bij de gemeente.
  § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn stelt de rechtspositieregeling vast voor:
  1° het specifiek personeel, waaronder wordt verstaan het personeel dat een betrekking bekleedt die niet bestaat in de gemeente die het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bedient;
  2° de maatschappelijk werker, vermeld in artikel 183, § 1;
  3° het voltallige personeel van de verzorgende, verplegende en dienstverlenende instellingen en diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, waarvan de werking gebaseerd is op federale of gewestelijke financiering met bijbehorende werkings- en erkenningsregels en voor het voltallige personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat ingezet wordt voor activiteiten die hoofdzakelijk verricht worden in mededinging met andere marktdeelnemers.
  § 3. De raad voor maatschappelijk welzijn stelt de rechtspositieregeling voor het personeel, vermeld in paragraaf 2, 1° en 2°, vast door overname van de overeenkomstige bepalingen uit de rechtspositieregeling van het personeel van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend en rekening houdend met de door de Vlaamse Regering vastgestelde minimale voorwaarden, vermeld in artikel 195.
  § 4. Voor het personeel, vermeld in paragraaf 2, 3°, kan de raad voor maatschappelijk welzijn op gemotiveerde wijze afwijken van de rechtspositieregelingen vermeld in paragraaf 1 en 3. De mogelijkheid tot gemotiveerde afwijking geldt niet voor de bezoldiging van de personeelsleden en de salarisschalen die van toepassing zijn, rekening houdend met onder meer de gestelde bekwaamheidsvereisten en functievereisten.
  De eventuele afwijkingen mogen bovendien niet strijdig zijn met de door de Vlaamse Regering vastgestelde minimale voorwaarden, vermeld in artikel 195.
  § 5. De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt volgens welke regels de beoefenaars van de geneeskunde toegelaten worden tot de uitoefening van hun beroep in de instellingen en diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  Als die beoefenaars van de geneeskunde niet aangesteld noch bezoldigd worden als personeelslid, worden hun betrekkingen geregeld op basis van een schriftelijke overeenkomst.
Art. 186. § 1er. Le conseil communal fixe le statut du personnel communal.
  Le statut du personnel communal s'applique de plein droit au membre du personnel du centre public daction sociale qui dessert la commune et qui occupe une fonction existant également dans la commune.
  § 2. Le conseil d'aide sociale fixe le statut pour :
  1° le personnel spécifique, à savoir le personnel exerçant une fonction qui n'existe pas dans la commune servie par le centre public daction sociale ;
  2° le travailleur social au sens de l'article 183, § 1er ;
  3° l'ensemble du personnel des institutions et services de traitements, de soins et de services du centre public daction sociale, dont le fonctionnement est basé sur le financement fédéral ou régional et sur des règles de fonctionnement et d'agrément y afférentes et l'ensemble du personnel engagé pour des activités exécutées principalement en concurrence avec d'autres intervenants sur le marché.
  § 3. Le conseil d'aide sociale fixe le statut du personnel mentionné au paragraphe 2, 1° et 2°, en reprenant les dispositions complémentaires du statut du personnel de la commune que dessert le centre public daction sociale et compte tenu des conditions minimales fixées par le Gouvernement flamand visées à l'article 195.
  § 4. Pour le personnel mentionné au paragraphe 2, 3°, le conseil d'aide sociale peut déroger, de manière motivée, aux statuts visés aux paragraphes 1er et 3. La possibilité de dérogation motivée ne s'applique pas à la rémunération des membres du personnel et aux échelles de traitement applicables compte tenu notamment des exigences posées en matière de compétences et liées à la fonction.
  Les éventuelles dérogations ne peuvent en outre pas contrevenir aux conditions minimales fixées par le Gouvernement flamand telles que mentionnées à l'article 195.
  § 5. Le conseil d'aide sociale détermine les règles selon lesquelles les praticiens de l'art médical sont autorisés à exercer leur profession au sein des institutions et services du centre public daction sociale.
  Si les praticiens de l'art médical ne sont ni nommés ni rémunérés en tant que membre du personnel, leurs relations sont régies sur la base d'une convention écrite.
Onderafdeling 3. - Eedaflegging van het personeel
Sous-section 3. - Prestation de serment du personnel
Art. 187. Met behoud van de toepassing van artikel 163 en 183, § 1, leggen de personeelsleden van de gemeente en de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de volgende eed af in handen van respectievelijk de burgemeester en de voorzitter van het vast bureau: "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen.". Die eedaflegging weigeren staat gelijk met de aanstelling verzaken. Van de eedaflegging of de weigering ervan wordt een proces-verbaal opgemaakt.
  De burgemeester en de voorzitter van het vast bureau kunnen hun bevoegdheid om de eed, vermeld in het eerste lid, af te nemen toevertrouwen aan respectievelijk een lid van het college van burgemeester en schepenen en een lid van het vast bureau, of aan de algemeen directeur.
  Bij eventuele delegatie van die bevoegdheid aan de algemeen directeur kan die laatste de bevoegdheid verder delegeren aan een van de leden van het managementteam, vermeld in artikel 179, tweede lid.
Art. 187. Sans préjudice de l'application des articles 163 et 183, § 1er, les membres du personnel de la commune et les membres du personnel du centre public daction sociale prêtent le serment suivant devant, respectivement, le bourgmestre et le président du bureau permanent : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de ma fonction. " Refuser de prêter ce serment équivaut à renoncer à la désignation. Il est dressé un procès-verbal de la prestation de serment ou du refus de prêter serment.
  Le bourgmestre et le président du bureau permanent peuvent confier leur compétence de recevoir la prestation du serment mentionné à l'alinéa premier à, respectivement, un membre du collège des bourgmestre et échevins et un membre du bureau permanent, ou encore au directeur général.
  En cas de délégation de ladite compétence au directeur général, ce dernier peut lui-même la déléguer à un des membres de l'équipe de direction au sens de l'article 179, deuxième alinéa.
Onderafdeling 4. - Deontologische rechten en plichten
Sous-section 4. - Droits et devoirs déontologiques
Art. 188. § 1. De personeelsleden oefenen hun ambt op een loyale en correcte wijze uit.
  De personeelsleden zetten zich op een actieve en constructieve wijze in voor de realisatie van de opdracht en de doelstellingen van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, overeenkomstig het organisatiebeheersingssysteem, vermeld in artikel 217 tot en met 220.
  § 2. De personeelsleden respecteren de persoonlijke waardigheid van iedereen.
Art. 188. § 1er. Les membres du personnel exercent leur fonction de manière loyale et correcte.
  Les membres du personnel s'impliquent de manière active et constructive dans la réalisation de la mission et des objectifs de la commune et du centre public daction sociale, conformément au système de contrôle interne au sens des articles 217 à 220.
  § 2. Les membres du personnel respectent la dignité personnelle de chacun.
Art. 189. § 1. De personeelsleden hebben spreekrecht tegenover derden over de feiten waarvan ze door hun ambt kennis hebben.
  Met behoud van de toepassing van de regelgeving inzake openbaarheid van bestuur is het voor hen verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op:
  1° de veiligheid van het land;
  2° de bescherming van de openbare orde;
  3° de financiële belangen van de overheid;
  4° het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten;
  5° het medisch geheim;
  6° het vertrouwelijke karakter van commerciële, intellectuele en industriële gegevens;
  7° het vertrouwelijke karakter van de beraadslagingen.
  Het is voor hen verboden feiten bekend te maken als de bekendmaking ervan een inbreuk vormt op de rechten en de vrijheden van de burger, in het bijzonder op het privéleven, tenzij de betrokkene toestemming heeft verleend om de gegevens die op hem betrekking hebben, openbaar te maken.
  Deze paragraaf geldt ook voor personeelsleden die hun ambt hebben beëindigd.
  § 2. De personeelsleden die bij de uitoefening van hun ambt nalatigheden, misbruiken of misdrijven vaststellen, brengen een hiërarchische meerdere daarvan onmiddellijk op de hoogte.
Art. 189. § 1er. Les membres du personnel ont droit à la parole vis-à-vis de tiers pour les faits dont ils ont connaissance de par leur fonction.
  Sans préjudice de l'application de la réglementation relative au caractère public de l'administration, il leur est interdit de divulguer des faits concernant :
  1° la sécurité du pays ;
  2° la protection de l'ordre public ;
  3° les intérêts financiers de l'autorité ;
  4° la prévention et la sanction de faits punissables ;
  5° le secret médical ;
  6° le caractère confidentiel de données commerciales, intellectuelles et industrielles ;
  7° le caractère confidentiel des délibérations.
  Il leur est interdit de divulguer des faits si ladite divulgation enfreint les droits et libertés du citoyen, en particulier sur le plan de la vie privée, sauf si l'intéressé a marqué son accord pour la publication des données qui le concernent.
  Le présent paragraphe s'applique également aux membres du personnel qui ont cessé d'exercer leur fonction.
  § 2. Les membres du personnel qui, dans l'exercice de leur fonction, constatent des négligences, des abus ou des délits en informent sans délai un supérieur hiérarchique.
Art. 190. De personeelsleden behandelen de gebruikers van hun dienst welwillend en zonder enige discriminatie.
  De personeelsleden mogen, zelfs buiten hun ambt, noch rechtstreeks noch via een tussenpersoon, giften, beloningen of enig ander voordeel dat verband houdt met het ambt, vragen, eisen of aannemen.
Art. 190. Les membres du personnel traitent les utilisateurs de leur service avec bienveillance et sans aucune discrimination.
  Même en-dehors de leur fonction, les membres du personnel ne peuvent demander, exiger ou accepter de libéralités, récompenses ou tout autre avantage ayant trait à la fonction, que ce soit directement ou par le biais d'un tiers.
Art. 191. § 1. De hoedanigheid van personeelslid is onverenigbaar met elke activiteit die het personeelslid zelf of via een tussenpersoon verricht en waardoor:
  1° de ambtsplichten niet kunnen worden vervuld;
  2° de waardigheid van het ambt in het gedrang komt;
  3° de eigen onafhankelijkheid wordt aangetast;
  4° een belangenconflict ontstaat.
  De personeelsleden mogen geen vergoedingen, wedden, toelagen, presentiegelden of andere tegenprestaties ontvangen van de rechtspersonen waarin zij de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vertegenwoordigen.
  § 2. De hoedanigheid van personeelslid, met inbegrip van de personen, vermeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, die ingevolge een beslissing van een van de organen van de gemeente of van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hun werkzaamheden uitoefenen in een van de instellingen van de gemeente of van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is onverenigbaar met het mandaat van voorzitter van de gemeenteraad, voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, burgemeester of schepen, voorzitter van het vast bureau in de gemeente waar de instelling gevestigd is.
  § 3. Artikel 27, § 1 en § 2, met uitzondering van punt 4°, en artikel 29, § 4, zijn ook van toepassing op de personeelsleden van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn [1 , met dien verstande dat in de voormelde bepalingen de volgende woorden worden gelezen als volgt:
   1° "de gemeente" als "de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn";
   2° "gemeenteraadslid" als "personeelslid van de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn";
   3° "gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap" als "gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap of de verenigingen of de vennootschappen, vermeld in deel 3, titel 4".]1

  
Art. 191. § 1er. La qualité de membre du personnel est inconciliable avec toute activité exercée par le membre du personnel proprement dit ou un intermédiaire qui :
  1° empêche de s'acquitter des devoirs de la fonction ;
  2° compromet la dignité de la fonction ;
  3° porte atteinte à son indépendance propre ;
  4° donne lieu à un conflit d'intérêt.
  Les membres du personnel ne peuvent recevoir de la part des personnes juridiques au sein desquelles ils représentent la commune ou le centre public daction sociale des rémunérations, salaires, allocations, jetons de présence ou autres contre-prestations.
  § 2. La qualité de membre du personnel, en ce compris les personnes visées par l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice des professions de soins de santé qui, à la suite d'une décision d'un des organes de la commune ou du centre public daction sociale, exercent leurs activités dans une des institutions de la commune ou du centre public daction sociale, est inconciliable avec le mandat de président du conseil communal, président du conseil d'aide sociale, bourgmestre ou échevin, président du bureau permanent dans la commune où l'institution est établie.
  § 3. L'article 27, § 1er et § 2, à l'exception du point 4°, et l'article 29, § 4, s'appliquent également aux membres du personnel de la commune et du centre public daction sociale [1 , étant entendu que dans les dispositions précitées, les mots suivants sont lus comme suit :
   1° " la commune " s'entend de " la commune ou le centre public d'action sociale " ;
   2° " conseiller communal " s'entend de " agent de la commune ou du centre public d'action sociale " ;
   3° " agence autonomisée externe communale " s'entend de " agence autonomisée externe communale ou les associations ou sociétés visées à la partie 3, titre 4 ".]1
.
  
Art. 192. De personeelsleden hebben recht op informatie en vorming zowel over de aspecten die nuttig zijn voor de uitoefening van hun functie als om te kunnen voldoen aan de bevorderingsvereisten.
  De personeelsleden houden zich op de hoogte van de ontwikkelingen en de nieuwe inzichten in de materies waarmee ze beroepshalve belast zijn.
  De vorming is een plicht als ze noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of voor het beter functioneren van een dienst, of als ze een onderdeel uitmaakt van een herstructurering of reorganisatie van een afdeling, of van een implementatie van nieuwe werkmethodes en infrastructuur.
Art. 192. Les membres du personnel ont droit à l'information et à la formation tant pour les aspects qui sont utiles à l'exercice de leur fonction que pour pouvoir répondre aux exigences en matière de promotion.
  Les membres du personnel se tiennent informés des développements et des nouvelles connaissances dans les domaines dont ils sont responsables sur le plan professionnel.
  La formation est obligatoire si elle s'avère nécessaire à une meilleure exécution de la fonction ou au meilleur fonctionnement d'un service, ou si elle s'inscrit dans le cadre d'une restructuration ou d'une réorganisation d'un département, ou de la mise en oeuvre de nouvelles méthodes de travail et d'une nouvelle infrastructure.
Art. 193. De gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn stellen een gezamenlijke deontologische code vast voor het personeel. Die concretiseert de bepalingen van deze afdeling en kan bijkomende deontologische rechten en verplichtingen opnemen, overeenkomstig het organisatiebeheersingssysteem, vermeld in artikel 217 tot en met 220.
Art. 193. Le conseil communal et le conseil d'aide sociale établissent un code déontologique commun pour le personnel. Il concrétise les dispositions de la présente section et peut inclure des droits et devoirs déontologiques supplémentaires, conformément au système de contrôle interne mentionné aux articles 217 à 220.
Onderafdeling 5. - De evaluatie van het personeel
Sous-section 5. - De l'évaluation du personnel
Art. 194. De personeelsleden hebben recht op opvolging en feedback, al dan niet door middel van een evaluatie, over hun wijze van functioneren. De personeelsleden worden opgevolgd en, in voorkomend geval, geëvalueerd op ambtelijk niveau.
  Als de ombudsman wordt geëvalueerd, gebeurt dat door een bijzondere commissie, die is samengesteld overeenkomstig artikel 37, § 3. Die commissie wordt voorgezeten door de voorzitter van de gemeenteraad en, in voorkomend geval, door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn. Bij staking van stemmen wordt het betrokken personeelslid geacht te voldoen.
  De algemeen directeur, de adjunct-algemeendirecteur en de financieel directeur worden in voorkomend geval geëvalueerd door een evaluatiecomité, dat bestaat uit het college van burgemeester en schepenen en de voorzitter van de gemeenteraad. Die evaluatie vindt plaats op basis van een voorbereidend rapport, opgesteld door externe deskundigen in het personeelsbeleid. Het voorbereidend rapport wordt minstens opgemaakt op basis van een evaluatiegesprek tussen de externe deskundigen en de functiehouder en op basis van een onderzoek over de wijze van functioneren van de functiehouder, waarbij de burgemeester, de voorzitter van het vast bureau, de leden van het managementteam en de voorzitter van de gemeente-raad betrokken worden. Het evaluatiecomité bepaalt of het evaluatie-resultaat gunstig of ongunstig is. Bij staking van stemmen is het evaluatieresultaat gunstig.
  Het ontslag wegens beroepsongeschiktheid ingevolge het ontoereikend functioneren van het personeelslid, is niet mogelijk zonder voorafgaande evaluatie.
Art. 194. Les membres du personnel ont droit à un suivi et à un feedback, au moyen ou non d'une évaluation, sur leur mode de fonctionnement. Les membres du personnel sont suivis et, le cas échéant, évalués au niveau officiel.
  Si le médiateur est évalué, cette évaluation est le fait d'un comité spécial composée conformément à l'article 37, § 3. Le comité en question est présidé par le président du conseil communal et, le cas échéant, par le président du conseil d'aide sociale. En cas de partage des voix, le membre du personnel est considéré comme satisfaisant.
  Le directeur général, le directeur général adjoint et le directeur financier sont évalués, le cas échéant, par un comité d'évaluation composé du collège des bourgmestre et échevins ainsi que du président du conseil communal. L'évaluation a lieu sur la base d'un rapport préparatoire, rédigé par des experts externes en gestion du personnel. Le rapport préparatoire est établi sur la base d'un entretien d'évaluation entre les experts externes et le titulaire de la fonction et sur la base d'un examen sur le mode de fonctionnement du titulaire de la fonction, dans lequel sont impliqués les membres de l'équipe de management et le président du conseil de l'aide sociale. Le comité d'évaluation détermine si les résultats de l'évaluation sont favorables ou défavorables. En cas de partage des voix, le résultat est considéré comme satisfaisant.
  Le licenciement pour incompétence professionnelle à la suite du fonctionnement insatisfaisant du membre du personnel n'est pas possible sans évaluation préalable.
Afdeling 4. - Verdere uitvoeringsmaatregelen
Section 4. - Autres mesures exécutoires
Art. 195. De Vlaamse Regering stelt minimale voorwaarden vast voor minstens de volgende aspecten van de rechtspositieregeling van het personeel:
  1° de bezoldigingsregeling en de salarisschalen;
  2° de toekenning van toelagen en vergoedingen;
  3° de dienstbeëindiging, het verlies van de hoedanigheid van statutair personeelslid en de definitieve ambtsneerlegging;
  4° de verloven en de afwezigheden.
  Gemeenten met een inwoneraantal dat gelijk is aan of hoger is dan 200.000, kunnen, op basis van schaalgrootte, gemotiveerd afwijken van de minimale voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 4°, met uitzondering van de ondergrenzen die de Vlaamse Regering daarin vaststelt.
  De Vlaamse Regering neemt de nodige maatregelen voor de externe mobiliteit van het personeel.
Art. 195. Le Gouvernement flamand fixe des conditions minimales relatives, au moins, aux aspects suivants du statut du personnel :
  1° le régime de rémunération et les échelles de traitement ;
  2° l'attribution d'allocations et d'indemnités ;
  3° la cessation des fonctions, la perte de la qualité de membre du personnel statutaire et la démission permanente ;
  4° les congés et absences.
  Les communes de 200 000 habitants ou davantage peuvent, sur la base de l'échelle, déroger aux conditions minimales visées à l'alinéa premier 1°, 2°, 2° et 4°, pour des motifs justifiés, à l'exception des limites minimales fixées par le Gouvernement flamand.
  Le Gouvernement flamand prend les mesures nécessaires à la mobilité externe du personnel.
Afdeling 5. - Samenwerking op het gebied van personeel
Section 5. - Coopération en matière de personnel
Art. 196. § 1. De gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kunnen met een of meer overheden een samenwerkingsovereenkomst sluiten voor de gezamenlijke werving en selectie van hun personeel en, in voorkomend geval, om gemeenschappelijke wervingsreserves aan te leggen.
  § 2. Tussen de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient kunnen beheersovereenkomsten worden gesloten over het gemeenschappelijk gebruik van elkaars diensten.
  In de beheersovereenkomst kan worden opgenomen dat de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voor bepaalde functies een beroep kunnen doen op elkaars personeelsleden. Tegelijk kan worden bepaald dat de bevoegde organen hun beslissings- en ondertekeningsbevoegdheid kunnen toevertrouwen aan de personeelsleden van het andere bestuur binnen de grenzen vastgesteld in dit decreet.
Art. 196. § 1er. La commune et le centre public daction sociale peuvent conclure un accord de coopération avec une ou plusieurs autorités pour le recrutement et la sélection en commun de leur personnel et, le cas échéant, pour la constitution de réserves de recrutement communes.
  § 2. Des conventions de gestion portant sur l'utilisation commune des services mutuels peuvent être conclues entre la commune et le centre public daction sociale qui la dessert.
  La convention de gestion peut prévoir que la commune et le centre public daction sociale peuvent faire appel à leur personnel respectif pour certaines fonctions. Elle peut également prévoir que les organes compétents peuvent confier leur compétence décisionnelle et de signature aux membres du personnel de l'autre administration dans les limites prévues par le décret.
Art. 197. Met uitzondering van de personeelsleden, vermeld in artikel 162, § 1, kan de gemeenteraad personeel overdragen aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient, op voorwaarde dat de geldende rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel nageleefd wordt en na goedkeuring van de raad voor maatschappelijk welzijn. De Vlaamse Regering kan daarvoor de minimale voorwaarden vaststellen.
  Met uitzondering van de personeelsleden, vermeld in artikel 183, § 1, kan de raad voor maatschappelijk welzijn personeel overdragen aan de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, op voorwaarde dat de geldende rechtspositieregeling van het personeel nageleefd wordt, en na goedkeuring van de gemeenteraad van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend. De Vlaamse Regering kan daarvoor de minimale voorwaarden vaststellen.
Art. 197. A l'exception du personnel visé à l'article 162, § 1er, le conseil communal peut déléguer du personnel au centre public daction sociale qui dessert la commune, à la condition que le statut du personnel communal soit respecté et que le conseil d'aide sociale ait donné son approbation. Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions minimales à cette fin.
  A l'exception des membres du personnel visés à l'article 183, § 1er, le conseil d'aide sociale peut déléguer du personnel à la commune que dessert le centre public daction sociale, à la condition que le statut du personnel soit respecté et que le conseil communal de la commune que dessert le centre public daction sociale ait donné son approbation. Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions minimales à cette fin.
Afdeling 6. - Tucht
Section 6. - Discipline
Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied
Sous-section 1ère. - Champ d'application
Art. 198. Deze afdeling is niet van toepassing op de leden van het personeel in contractueel dienstverband van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
Art. 198. La présente section ne s'applique pas aux membres du personnel sous régime contractuel de la commune et du centre public daction sociale.
Onderafdeling 2. - De tuchtvergrijpen
Sous-section 2. - Des faits disciplinaires
Art. 199. Elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt, alsook een overtreding van de rechtspositieregeling, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot een tuchtstraf.
Art. 199. Toute action ou tout comportement qui constitue un manquement aux obligations professionnelles ou qui est de nature à porter atteinte à la dignité de la fonction est un fait disciplinaire et est passible d'une peine disciplinaire.
Onderafdeling 3. - De tuchtstraffen
Sous-section 3. - Des peines disciplinaires
Art. 200. § 1. De volgende tuchtstraffen kunnen worden opgelegd:
  1° blaam;
  2° inhouding van salaris;
  3° schorsing met inhouding van salaris;
  4° ontslag van ambtswege;
  5° afzetting.
  § 2. De gemeenteraad kan de voorwaarden en de grenzen vaststellen van de tuchtstraffen, vermeld in paragraaf 1. De inhouding van salaris en de schorsing met inhouding van salaris mogen respectievelijk een termijn van zes maanden en een jaar niet overschrijden.
  De tuchtstraf afzetting kan slechts worden opgelegd als de feiten die daaraan ten grondslag liggen, door de wetten en decreten als een misdaad zijn omschreven.
  Elke tuchtstraf die een inhouding van salaris inhoudt, mag niet hoger zijn dan de begrenzing, vermeld in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers.
  § 3. De tuchtstraffen, de voorwaarden en de grenzen die de gemeenteraad in voorkomend geval vaststelt, zijn van rechtswege van toepassing op de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient.
  § 4. Elke tuchtstraf, behalve het ontslag van ambtswege en de afzetting, wordt in het persoonlijk dossier van de personeelsleden doorgehaald na verloop van een termijn van één jaar voor de blaam, drie jaar voor de inhouding van salaris en vier jaar voor de schorsing met inhouding van salaris. Die termijnen lopen vanaf de datum waarop de tuchtstraf werd uitgesproken door de tuchtoverheid of, indien beroep werd aangetekend overeenkomstig artikel 214, vanaf de datum van de uitspraak van de Beroepscommissie voor Tuchtzaken. De doorhaling heeft enkel uitwerking voor de toekomst. De gemeenteraad kan kortere doorhalingstermijnen vaststellen.
Art. 200. § 1er. Les peines disciplinaires suivantes peuvent être infligées :
  1° blâme ;
  2° retenue sur traitement ;
  3° suspension avec retenue sur traitement ;
  4° licenciement d'office;
  5° mise à pied.
  § 2. Le conseil communal peut fixer les conditions et limites des peines disciplinaires visées au paragraphe 1er. La retenue sur traitement et la suspension avec retenue sur traitement ne peuvent excéder une période de respectivement six mois et un an.
  La peine disciplinaire de la mise à pied ne peut être imposée que si les actes la motivant sont qualifiés de crime par la loi et les décrets.
  Toute peine disciplinaire entraînant une retenue sur traitement ne peut être supérieure à celle prévue à l'article 23, alinéa 2, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
  § 3. Les peines disciplinaires, les conditions et les limites que le conseil communal fixe le cas échéant s'appliquent de plein droit aux membres du personnel du centre public daction sociale qui dessert la commune.
  § 4. Toute peine disciplinaire autre que le licenciement de plein droit et la mise à pied est radiée du dossier individuel du membre du personnel après une période d'un an pour le blâme, de trois ans pour la retenue sur traitement et de quatre ans pour la suspension avec retenue sur traitement. Les délais précités courent à partir de la date à laquelle la peine disciplinaire a été prononcée par l'autorité disciplinaire ou, s'il y a eu recours au sens de l'article 214, à compter de la date de la décision de la commission d'appel. La radiation n'a d'effet que pour l'avenir. Le conseil communal peut fixer des délais de radiation plus brefs.
Onderafdeling 4. - De tuchtoverheid
Sous-section 4. - De l'autorité disciplinaire
Art. 201. De overheid die op het ogenblik van de vaststelling van de feiten bevoegd is voor het aanstellen en ontslaan van het personeelslid, treedt op als tuchtoverheid.
  In afwijking van artikel 57, derde lid, en artikel 85, kan de algemeen directeur de hem toevertrouwde bevoegdheid als vermeld in artikel 56, § 3, 2°, en artikel 84, § 3, 2°, slechts delegeren aan personeelsleden met minstens dezelfde of een gelijkwaardige graad als het personeelslid dat de tuchtprocedure ondergaat.
  De gemeenteraad en, in voorkomend geval, de raad voor maatschappelijk welzijn kan onder zijn leden een tuchtcommissie oprichten, die de tuchtbevoegdheid van respectievelijk de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn uitoefent.
  Het huishoudelijk reglement bepaalt de nadere regels over het voorzitterschap, de notulering en de werkwijze van de commissie.
Art. 201. L'autorité responsable de la nomination et du licenciement du membre du personnel au moment où les faits sont établis exerce l'autorité disciplinaire.
  Par dérogation à l'article 57, paragraphe 3, et à l'article 85, le directeur général ne peut déléguer le pouvoir qui lui est conféré au sens de l'article 56, § 3, 2° et de l'article 84, § 3, 2°, qu'à des membres du personnel d'un niveau au moins égal ou équivalent au membre du personnel qui fait l'objet d'une procédure disciplinaire.
  Le conseil communal et, le cas échéant, le conseil d'aide sociale peuvent instaurer en leur sein une commission disciplinaire qui exerce les pouvoirs disciplinaires respectifs du conseil communal et du conseil d'aide sociale.
  Le règlement d'ordre intérieur spécifie les règles en matière de présidence, de procès-verbal et de méthode de travail de la commission.
Onderafdeling 5. - De tuchtprocedure
Sous-section 5. - Procédure disciplinaire
Art. 202. § 1. De tuchtoverheid start het tuchtonderzoek op en stelt een tuchtonderzoeker aan.
  [1 Als tuchtonderzoeker kan worden aangesteld elk personeelslid dat werkzaam is in een openbare dienst met een graad die minstens gelijkwaardig is aan de graad van het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid]1.
  § 2. Als het tuchtonderzoek is afgerond, stelt de tuchtonderzoeker het tuchtverslag op dat minstens de ten laste gelegde feiten bevat.
  De tuchtoverheid stelt het tuchtdossier samen. Het tuchtdossier bevat alle stukken die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten.
  
Art. 202. § 1er. L'autorité disciplinaire ouvre l'enquête disciplinaire et nomme un enquêteur disciplinaire.
  [1 Tout membre du personnel travaillant dans un service public et ayant un grade au moins équivalent à celui du membre du personnel visé par la procédure disciplinaire peut être désigné enquêteur disciplinaire]1.
  § 2. Une fois l'enquête disciplinaire terminée, l'enquêteur disciplinaire rédige le rapport disciplinaire, qui contient au minimum les faits mis à charge.
  L'autorité disciplinaire constitue le dossier disciplinaire. Celui-ci contient tous les documents relatifs aux faits mis à charge.
  
Art. 203. De betrokkene mag zich op elk moment [1 tijdens de procedure voor de tuchtoverheid]1 laten bijstaan en vertegenwoordigen door een [1 juridisch raadgever]1 van zijn keuze.
  [1 De tuchtoverheid mag zich eveneens laten bijstaan door een juridisch raadgever, behalve bij de beraadslaging en de stemming.]1
  
Art. 203. L'intéressé peut à tout moment [1 pendant la procédure de l'autorité disciplinaire]1 se faire assister ou représenter par un [1 conseiller juridique]1 de son choix.
  [1 L'autorité disciplinaire peut également être assistée d'un conseiller juridique, sauf pendant les délibérations et le vote.]1
  
Art. 204. Een tuchtstraf kan pas worden opgelegd nadat het personeelslid en, in voorkomend geval, zijn raadsman de gelegenheid hebben gekregen om door de tuchtoverheid te worden gehoord in de verdediging met betrekking tot alle feiten die het personeelslid ten laste worden gelegd.
Art. 204. Aucune sanction disciplinaire ne peut être prononcée tant que le membre du personnel et, le cas échéant, son conseiller, n'ont pas eu la possibilité d'être entendus par l'autorité disciplinaire dans la défense de tous les faits reprochés à son encontre.
Art. 205. De betrokkene wordt van de beslissing van de tuchtoverheid op de hoogte gebracht met een aangetekende brief, met een brief die afgegeven wordt tegen ontvangstbewijs, of via een elektronische melding van gegevens die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in [1 artikel 1.5 van het Burgerlijk Wetboek]1, en die een bewijs oplevert van die melding, van het tijdstip waarop ze is verricht en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens.
  In de kennisgeving van de beslissing wordt melding gemaakt van de beroepsmogelijkheid, vermeld in onderafdeling 8, van de termijn waarbinnen en van de wijze waarop het beroep kan worden aangetekend.
  
Art. 205. L'intéressé est informé de la décision de l'autorité disciplinaire par lettre recommandée, par lettre remise contre accusé de réception, ou par transmission électronique d'informations répondant aux conditions prévues à [1 l'article 1.5 du Code civil]1 et assorti d'un accusé de réception, de la date de son envoi ainsi que de l'authenticité et de l'intégrité des données traitées.
  La notification de la décision mentionne la possibilité de recours prévue à la sous-section 8, le délai du recours et la procédure de recours.
  
Art. 206. De Vlaamse Regering stelt de minimale voorwaarden vast voor de termijnen en de nadere procedureregels voor de tuchtprocedure.
Art. 206. Le Gouvernement flamand fixe les conditions minimales relatives aux délais et règles de procédure détaillées de la procédure disciplinaire.
Onderafdeling 6. - De verjaring van de tuchtvordering
Sous-section 6. - De la prescription de la procédure disciplinaire
Art. 207. § 1. De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de feiten.
  De tuchtrechtelijke vervolging wordt geacht te zijn ingesteld zodra de tuchtoverheid beslist om een tuchtonderzoek op te starten als vermeld in artikel 202.
  § 2. Als in verband met dezelfde feiten een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek is ingesteld, wordt de termijn, vermeld in paragraaf 1, gestuit tot op de dag dat de tuchtoverheid ervan op de hoogte wordt gebracht dat de strafvordering beëindigd werd doordat, ingeval van een opsporingsonderzoek de zaak geseponeerd werd of er een correctioneel vonnis of arrest werd geveld, dat in kracht van gewijsde is gegaan, en ingeval van een gerechtelijk onderzoek de zaak beslecht werd met een beschikking tot buitenvervolgingstelling, die kracht van gewijsde heeft, of met een correctioneel vonnis of arrest, dat in kracht van gewijsde is gegaan.
  Als de strafvordering op gang werd gebracht door een rechtstreekse dagvaarding dan geldt de stuiting, vermeld in het eerste lid, vanaf de datum van de dagvaarding tot op de dag dat de tuchtoverheid ervan op de hoogte wordt gebracht dat de strafvordering beëindigd werd met een correctioneel vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan.
  § 3. Het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk onderzoek of de strafvervolging doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de tuchtoverheid om een tuchtstraf uit te spreken. Als een opgelegde tuchtstraf onverenigbaar blijkt te zijn met een latere in kracht van gewijsde getreden strafrechtelijke uitspraak, kan het betrokken personeelslid binnen zestig dagen na de kennisneming ervan bij de tuchtoverheid een verzoek tot intrekking van de opgelegde tuchtsanctie instellen.
  § 4. Als de tuchtstraf wordt vernietigd, kan de tuchtoverheid vanaf de datum van de kennisgeving van de vernietiging, de tuchtrechtelijke vervolging hernemen gedurende het gedeelte van de termijn, vermeld in paragraaf 1, dat is overgebleven bij het instellen van de vervolging en minstens gedurende een termijn van drie maanden.
  Als de tuchtstraf wordt ingetrokken, kan de tuchtoverheid vanaf de datum van de intrekking de tuchtrechtelijke vervolging hernemen gedurende het gedeelte van de termijn, vermeld in paragraaf 1, dat is overgebleven bij het instellen van de vervolging.
Art. 207. § 1er. L'Autorité disciplinaire ne peut plus engager de procédure disciplinaire après un délai de six mois à compter de l'établissement ou de la connaissance des faits par l'autorité disciplinaire.
  La procédure disciplinaire est considérée comme engagée dès lors que l'autorité disciplinaire décide d'ouvrir une enquête disciplinaire au sens de l'article 202.
  § 2. Si une procédure pénale ou judiciaire a été ouverte pour les mêmes faits, le délai visé au paragraphe 1er est interrompu jusqu'à la date à laquelle l'autorité disciplinaire est informée que la procédure pénale a pris fin par la clôture de l'affaire ou un jugement ou arrêt correctionnel coulé en force de chose jugée en cas de procédure pénale et, en cas de procédure judiciaire, du règlement de l'affaire par un non-lieu coulé en force de chose jugée, ou par un jugement ou arrêt correctionnel coulé en force de chose jugée.
  Si la procédure pénale a été engagée sur citation directe, l'interruption visée à l'alinéa premier s'applique à partir de la date de la citation jusqu'au jour où l'autorité disciplinaire est informée que la procédure pénale a été clôturée par un jugement ou arrêt correctionnel coulé en force de chose jugée.
  § 3. L'enquête pénale, l'enquête judiciaire ou les poursuites pénales ne présument pas de la possibilité, pour l'autorité disciplinaire, de prononcer une peine disciplinaire. Si une peine disciplinaire imposée s'avère inconciliable avec un verdict pénal coulé en force de chose jugée ultérieur, le membre du personnel peut, dans un délai de soixante jours après en avoir eu connaissance, introduire auprès de l'autorité disciplinaire une requête de suppression de la sanction disciplinaire imposée.
  § 4. En cas d'annulation de la sanction disciplinaire, l'autorité disciplinaire peut, à compter de la date de notification de l'annulation, rétablir la procédure disciplinaire pendant la partie du délai visé au paragraphe 1er laissée en suspens lors de l'introduction de la procédure et pendant une période d'au moins trois mois.
  En cas de retrait de la sanction disciplinaire, l'autorité disciplinaire peut, à compter de la date du retrait, rétablir la procédure disciplinaire pendant la partie du délai visé au paragraphe 1er laissée en suspens lors de l'introduction de la procédure.
Onderafdeling 7. - De preventieve schorsing
Sous-section 7. - De la suspension préventive
Art. 208. § 1. Als tegen een personeelslid een tuchtprocedure, een opsporingsonderzoek of een strafvervolging loopt en zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst, kan de tuchtoverheid het personeelslid bij wijze van ordemaatregel preventief schorsen, al dan niet met inhouding van salaris. Het personeelslid wordt vooraf gehoord.
  § 2. In hoogdringende gevallen kan de algemeen directeur bij wijze van ordemaatregel het personeelslid onmiddellijk preventief schorsen zonder inhouding van salaris.
  Als tegen de algemeen directeur, de adjunct-algemeendirecteur, de financieel directeur of de ombudsman een tuchtprocedure, een opsporingsonderzoek of een strafvervolging loopt en zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst, kan de voorzitter van de gemeenteraad [1 of, in voorkomend geval, de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn,]1 in hoogdringende gevallen bij wijze van ordemaatregel het personeelslid onmiddellijk preventief schorsen zonder inhouding van salaris.
  § 3. De preventieve schorsing, vermeld in paragraaf 2, wordt binnen [1 veertien]1 dagen nadat de beslissing genomen is, bevestigd door de tuchtoverheid, met behoud van de mogelijkheid om vanaf dan, volgens de regels, vermeld in paragraaf 1, de preventieve schorsing gepaard te laten gaan met een inhouding van salaris.
  [1 De preventief geschorste personeelsleden, vermeld in paragraaf 2, worden voorafgaand aan de bevestiging, vermeld in het eerste lid, gehoord door de tuchtoverheid.]1
  Als binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, de tuchtoverheid de preventieve schorsing niet heeft bevestigd, vervallen de gevolgen van de preventieve schorsing.
  
Art. 208. § 1er. Si une procédure disciplinaire, une enquête pénale ou des poursuites pénales sont en cours à l'égard d'un membre du personnel et que sa présence est inconciliable avec l'intérêt du service, l'autorité disciplinaire peut suspendre préventivement l'intéressé à titre de mesure d'ordre, avec ou sans retenue sur traitement. Le membre du personnel est entendu au préalable.
  § 2. En cas d'extrême urgence, le directeur général peut, à titre de mesure d'ordre, suspendre immédiatement le membre du personnel à titre préventif sans retenue sur traitement.
  Lorsqu'une procédure disciplinaire, une enquête pénale ou des poursuites pénales sont en cours à l'égard du directeur général, du directeur général adjoint, du directeur financier ou du médiateur et que leur présence est inconciliable avec l'intérêt du service, le président du conseil communal [1 ou, le cas échéant, le président du conseil de l'aide sociale,]1 peut, dans les cas d'extrême urgence, suspendre préventivement l'intéressé à titre de mesure d'ordre, sans retenue sur traitement.
  § 3. La suspension préventive mentionnée au paragraphe 2 est confirmée par l'autorité disciplinaire dans les [1 quatorze]1 jours suivant la prise de la décision, sans préjudice de la possibilité d'assortir à partir de ce moment, conformément aux règles mentionnées au paragraphe 1er, la suspension préventive d'une retenue sur traitement.
  [1 Les membres du personnel suspendus préventivement visés au paragraphe 2, sont entendus par l'autorité disciplinaire avant la confirmation visée à l'alinéa 1er.]1
  Si l'autorité disciplinaire mentionnée au paragraphe 1er n'a pas confirmé la suspension préventive dans les délais mentionnés à l'alinéa 1er, les conséquences de la suspension préventive sont annulées.
  
Art. 209. § 1. De preventieve schorsing wordt uitgesproken voor een termijn van maximaal zes maanden.
  De tuchtoverheid kan beslissen tot een inhouding van salaris, op voorwaarde dat het personeelslid daarover vooraf wordt gehoord.
  De inhouding van salaris mag niet hoger zijn dan de begrenzing, vermeld in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers.
  § 2. Als er een opsporingsonderzoek of een strafvervolging loopt, kan de tuchtoverheid de termijn, vermeld in paragraaf 1, verlengen voor perioden van maximaal zes maanden zolang het opsporingsonderzoek of de strafvervolging loopt, op voorwaarde dat het personeelslid daarover wordt gehoord.
  Als binnen de termijnen, vermeld in het eerste lid, geen tuchtstraf wordt opgelegd, vervallen de gevolgen van de preventieve schorsing.
  § 3. De betrokkene wordt van de preventieve schorsing op de hoogte gebracht met een aangetekende brief, met een brief die afgegeven wordt tegen ontvangstbewijs, of via een elektronische melding van gegevens die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in [1 artikel 1.5 van het Burgerlijk Wetboek]1, en die een bewijs oplevert van die melding, van het tijdstip waarop ze is verricht, en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens.
  
Art. 209. § 1er. La suspension préventive est prononcée pour un délai maximum de six mois.
  L'autorité disciplinaire peut décider d'une retenue sur traitement, à la condition que le membre du personnel soit entendu au préalable sur ce point.
  La retenue sur traitement ne peut être supérieure à celle prévue à l'article 23, alinéa 2, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
  § 2. Si une enquête pénale ou des poursuites pénales sont en cours, l'autorité disciplinaire peut prolonger le délai mentionné au paragraphe 1er pour des périodes de 6 mois maximum tant que l'enquête pénale ou les poursuites sont en cours, à la condition que le membre du personnel ait été entendu sur ce point.
  Lorsqu'aucune peine disciplinaire n'est imposée dans les délais mentionnés à l'alinéa 1er, les conséquences de la suspension préventive sont annulées.
  § 3. L'intéressé est informé de la suspension préventive par lettre recommandée, par lettre remise contre accusé de réception, ou par transmission électronique d'informations répondant aux conditions prévues à [1 l'article 1.5 du Code civil]1 et assorti d'un accusé de réception, de la date de son envoi ainsi que de l'authenticité et de l'intégrité des données traitées.
  
Art. 210. Als de tuchtoverheid, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van salaris, geen tuchtstraf oplegt of een tuchtstraf zonder inhouding van salaris oplegt, wordt de preventieve schorsing ingetrokken en betaalt de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn het ingehouden salaris uit.
  Als de tuchtoverheid, in aansluiting op een preventieve schorsing met inhouding van salaris, een tuchtstraf met inhouding van salaris, ontslag van ambtswege of afzetting oplegt, heeft de tuchtstraf uitwerking met ingang van de dag waarop de preventieve schorsing is ingegaan. In dat geval wordt het bedrag van het salaris dat ingehouden is tijdens de schorsing in mindering gebracht op het bedrag van het salarisverlies dat verbonden is aan de tuchtstraf. Als het bedrag van het ingehouden salaris groter is dan het bedrag van het salarisverlies dat verbonden is aan de tuchtstraf, betaalt de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn het verschil uit.
Art. 210. Si l'autorité disciplinaire, suite à une suspension préventive avec retenue sur traitement, n'impose pas de peine disciplinaire ou impose une peine sans retenue sur traitement, la suspension préventive est annulée et la commune ou le centre public daction sociale verse le salaire retenu.
  Si l'autorité disciplinaire impose, suite à une suspension préventive avec retenue sur traitement, une peine disciplinaire avec retenue sur traitement, licenciement de plein droit ou mise à pied, la peine disciplinaire prend effet à compter de la date à laquelle la suspension préventive a pris effet. Dans ce cas, le montant du traitement retenu pendant la suspension est déduit du montant de la perte de traitement liée à la peine disciplinaire. Si le montant du traitement retenu excède le montant de la perte de traitement liée à la peine disciplinaire, la commune ou le centre public daction sociale paient la différence.
Art. 211. De Vlaamse Regering stelt de minimale voorwaarden vast voor de termijnen en de nadere procedureregels voor de preventieve schorsing.
Art. 211. Le Gouvernement flamand fixe les conditions minimales pour les délais et les règles de procédure détaillées de la suspension préventive.
Onderafdeling 8. - Beroep
Sous-section 8. - Recours
Art. 212. De Vlaamse Regering richt een commissie voor tuchtsancties van de lokale besturen op, hierna de Beroepscommissie voor Tuchtzaken genoemd.
Art. 212. Le Gouvernement flamand instaure une commission pour les sanctions disciplinaires des autorités locales, ci-après appelée Commission professionnelle pour les Affaires disciplinaires.
Art. 213. De Beroepscommissie voor Tuchtzaken is een bestuurlijk orgaan. De Vlaamse Regering regelt de samenstelling, de werking en de vergoeding van de leden ervan, alsook de nadere procedureregels voor de beroepsprocedure.
Art. 213. La Commission professionnelle pour les Affaires disciplinaires est un organe administratif. Le Gouvernement flamand organise la composition, le fonctionnement et la rémunération de ses membres, ainsi que le détail des règles de la procédure de recours.
Art. 214. Binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing over het opleggen van een tuchtstraf of een preventieve schorsing kan het personeelslid tegen die beslissing beroep aantekenen bij de Beroepscommissie voor Tuchtzaken.
  Het beroep, vermeld in het eerste lid, schorst de uitvoering van de beslissing van de tuchtoverheid niet.
Art. 214. Dans les trente jours qui suivent la réception de la décision d'imposer une peine disciplinaire ou une suspension préventive, le membre du personnel peut introduire un recours auprès de la Commission professionnelle pour les Affaires disciplinaires.
  Le recours mentionné à l'alinéa premier ne suspend pas l'exécution de la décision de l'autorité disciplinaire.
Art. 215. De Beroepscommissie voor Tuchtzaken mag pas uitspraak doen nadat het personeelslid, de tuchtoverheid en hun respectieve raadslieden de gelegenheid hebben gekregen om te worden gehoord. Die hoorzittingen zijn niet openbaar, tenzij het betrokken personeelslid er zelf om verzoekt.
Art. 215. La Commission professionnelle pour les Affaires disciplinaires ne peut se prononcer qu'après que le membre du personnel, l'autorité disciplinaire et leurs conseils respectifs ont eu l'occasion d'être entendus. Ces auditions ne sont pas publiques, sauf si le membre du personnel concerné le demande.
Art. 216. Binnen zestig dagen na de dag van de ontvangst van het tuchtdossier spreekt de Beroepscommissie voor Tuchtzaken zich uit over het beroep. De Beroepscommissie voor Tuchtzaken deelt de datum waarop ze het tuchtdossier heeft ontvangen, mee aan de tuchtoverheid en de indiener van het beroep.
  De Beroepscommissie voor Tuchtzaken kan de oorspronkelijke termijn van zestig dagen eenmaal verlengen met een termijn van zestig dagen. Ze brengt, voor het verstrijken van de termijn van zestig dagen, de tuchtoverheid en het personeelslid op de hoogte van de verlengde termijn.
  Met behoud van de toepassing van de termijn, vermeld in het eerste en tweede lid, kan de Beroepscommissie voor Tuchtzaken de tuchtoverheid de mogelijkheid geven om binnen een bepaalde termijn een onwettigheid in de bestreden beslissing te herstellen. In voorkomend geval deelt de Beroepscommissie voor Tuchtzaken de partijen mee op welke wijze het beroep verder wordt behandeld na kennisname van de beslissing van de tuchtoverheid tot herstel van de onwettigheid en uiterlijk na het verstrijken van die termijn om de onwettigheid te herstellen.
  Als de Beroepscommissie voor Tuchtzaken het beroep gegrond verklaart, vernietigt ze de bestreden beslissing.
Art. 216. La Commission professionnelle pour les Affaires disciplinaires se prononce au sujet de l'appel dans les soixante jours qui suivent le jour de la réception du dossier disciplinaire. La Commission professionnelle pour les Affaires disciplinaires notifie la date à laquelle elle a reçu le dossier disciplinaire à l'autorité disciplinaire et à l'auteur du recours.
  La Commission professionnelle pour les Affaires disciplinaires peut prolonger le délai initial de soixante jours à titre unique d'un nouveau délai de soixante jours. Elle informe l'autorité disciplinaire et le membre du personnel de la prolongation du délai avant l'expiration du délai de soixante jours.
  Sans préjudice de l'application du délai mentionné aux alinéas premier et deux, la Commission professionnelle pour les Affaires disciplinaires peut donner à l'autorité disciplinaire la possibilité de corriger dans un délai déterminé une illégalité dans la procédure contestée. Le cas échéant, la Commission professionnelle pour les Affaires disciplinaires signifie aux parties la manière selon laquelle le recours sera traité après prise de connaissance de la décision de l'autorité disciplinaire de corriger l'illégalité, et au plus tard après l'expiration dudit délai permettant de corriger l'illégalité.
  Si la Commission professionnelle pour les Affaires disciplinaires déclare le recours fondé, elle annule la décision contestée.
HOOFDSTUK 5. [1 Organisatiebeheersing, audit en remediëringstraject" ]1
CHAPITRE 5. [1 Contrôle interne, audit et parcours de remédiation ". ]1
Afdeling 1. - Organisatiebeheersing
Section 1ère. - Contrôle interne
Art. 217. Organisatiebeheersing is het geheel van maatregelen en procedures die ontworpen zijn om een redelijke zekerheid te verschaffen dat men:
  1° de vastgelegde doelstellingen bereikt en de risico's om deze te bereiken kent en beheerst;
  2° wetgeving en procedures naleeft;
  3° over betrouwbare financiële en beheersrapportering beschikt;
  4° op een effectieve en efficiënte wijze werkt en de beschikbare middelen economisch inzet;
  5° de activa beschermt en fraude voorkomt.
Art. 217. Le contrôle interne est l'ensemble des mesures et procédures conçues en vue de garantir avec une certitude raisonnable que :
  1° les objectifs fixés seront atteints et que les risques permettant de les atteindre sont connus et maîtrisés ;
  2° la législation et les procédures seront respectées ;
  3° des rapports financiers et de gestion fiables sont disponibles ;
  4° le travail est effectué de manière effective et efficace, grâce à l'utilisation des moyens disponibles avec économie ;
  5° les actifs seront protégés et la fraude évitée.
Art. 218. Het organisatiebeheersingssysteem bepaalt op welke wijze de organisatiebeheersing van de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt georganiseerd, met inbegrip van de te nemen controlemaatregelen, procedures en de aanwijzing van de personeelsleden en organen die ervoor verantwoordelijk zijn, en de rapporteringsverplichtingen van de personeelsleden die bij het organisatiebeheersingssysteem betrokken zijn.
  Het organisatiebeheersingssysteem beantwoordt minstens aan het principe van functiescheiding waar mogelijk en is verenigbaar met de continuïteit van de werking van de [1 ...]1 diensten.
  
Art. 218. Le système de contrôle interne définit la manière selon laquelle le contrôle interne de la commune et du centre public daction sociale est organisé, en ce compris les mesures de contrôle à prendre, les procédures et la désignation des membres du personnel et des organes qui en sont responsables, ainsi que les obligations de compte rendu des membres du personnel impliqués dans le système de contrôle interne.
  Le système de contrôle interne répond à tout le moins au principe de séparation des fonctions dans la mesure du possible, et est compatible avec la continuité du fonctionnement des services [1 ...]1.
  
Art. 219. Het organisatiebeheersingssysteem wordt vastgesteld door de algemeen directeur, na overleg met het managementteam. Het algemene kader van het organisatiebeheersingssysteem en de elementen daarin die raken aan de rol en de bevoegdheden van de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn zijn onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn.
  De algemeen directeur rapporteert jaarlijks aan het college van burgemeester en schepenen, de gemeenteraad, de raad voor maatschappelijk welzijn en het vast bureau over de organisatiebeheersing. Die rapportering gebeurt jaarlijks uiterlijk voor 30 juni van het daaropvolgende jaar.
Art. 219. Le système de contrôle interne est établi par le directeur général, en concertation avec l'équipe de direction. Le cadre général du système de contrôle interne et les éléments de celui-ci qui touchent au rôle et aux compétences du conseil communal et du conseil d'aide sociale sont soumis à l'approbation du conseil communal et du conseil d'aide sociale.
  Le directeur général rend compte chaque année du système de contrôle au collège des bourgmestre et échevins, au conseil communal, au conseil d'aide sociale et au bureau permanent. Le compte rendu précité a lieu chaque année au plus tard le 30 juin de l'année suivante.
Art. 220. Met behoud van de toepassing van artikel 57, 85 en 196 kan de algemeen directeur, binnen de grenzen van het organisatiebeheersingssysteem, zijn bevoegdheden toevertrouwen aan andere personeelsleden van de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Ook de financieel directeur kan zijn bevoegdheden toevertrouwen aan andere personeelsleden van de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. In beide gevallen gebeurt dat schriftelijk en met een ondubbelzinnige omschrijving van de toegekende bevoegdheden en de daaraan verbonden opdrachten, middelen en rapporteringsverplichtingen.
  De toepassing van het eerste lid ontslaat de algemeen directeur of de financieel directeur nooit van zijn verantwoordelijkheid.
Art. 220. Sous réserve de l'application des articles 57, 85 et 196, le directeur général peut, dans les limites du système de contrôle interne, confier ses compétences à d'autres membres du personnel de la commune ou du centre public daction sociale. Le directeur financier peut lui aussi confier ses compétences à d'autres membres du personnel de la commune ou du centre public daction sociale. Dans les deux cas, ladite délégation s'effectue par écrit et comprend une description sans équivoque des compétences attribuées ainsi que des tâches, moyens et obligations de compte rendu qu'elles impliquent.
  L'application de l'alinéa premier ne décharge jamais le directeur général ou le directeur financier de sa responsabilité.
Afdeling 2. - Audit
Section 2. - Audit
Art. 221. In elke gemeente en in elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt periodiek een audit uitgevoerd door Audit Vlaanderen, vermeld in [1 artikel III.115 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018]1.
  Audit Vlaanderen bezorgt de verslagen van de audits aan de voorzitter van de gemeenteraad of de raad voor maatschappelijk welzijn, die ze bezorgt aan de leden van de gemeenteraad of de raad voor maatschappelijk welzijn.
  
Art. 221. Chaque commune et chaque centre public daction sociale font périodiquement l'objet d'un audit par Audit Vlaanderen, au sens de [1 l'article III.115 du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018]1.
  Audit Vlaanderen fournit les procès-verbaux des audits au président du conseil communal ou du conseil d'aide sociale, qui les transmet aux conseillers communaux ou du conseil d'aide sociale.
  
Art. 222. Audit Vlaanderen evalueert de organisatiebeheersing, gaat na of ze adequaat is en formuleert aanbevelingen tot verbetering daarvan. Audit Vlaanderen kan daarvoor organisatie- en procesaudits uitvoeren en is gemachtigd alle bedrijfsprocessen en activiteiten te onderzoeken.
  Audit Vlaanderen is ook bevoegd voor het uitvoeren van forensische audits.
Art. 222. Audit Vlaanderen évalue le système de contrôle, vérifie s'il est adéquat et formule des recommandations en vue de son amélioration. A cette fin, Audit Vlaanderen peut procéder à des audits d'organisations ou de processus et est habilitée à examiner tous les processus d'entreprise et activités.
  Audit Vlaanderen est également compétente pour la réalisation de vérifications judiciaires.
Art. 223. Om zijn bevoegdheid te kunnen uitoefenen, heeft Audit Vlaanderen toegang tot alle informatie en documenten, ongeacht de drager ervan, en tot alle gebouwen, ruimtes en installaties waar taken worden uitgevoerd van de besturen. Audit Vlaanderen kan aan ieder personeelslid de inlichtingen vragen die het voor de uitvoering van zijn opdrachten nodig acht. Ieder personeelslid is ertoe gehouden zo snel mogelijk en zonder voorafgaande machtiging op een volledige wijze te antwoorden en alle relevante informatie en documenten te verstrekken.
  [3 ...]3
  [1 [2 Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kan Audit Vlaanderen beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het [3 derde tot en met elfde lid]3.
   De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het [3 tweede lid]3, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van Audit Vlaanderen, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
   De persoonsgegevens, vermeld in het [3 tweede lid]3, worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt.
   De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het [3 tweede lid]3, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het vierde lid, rechtvaardigt.
   Als de betrokkene in het geval, vermeld in het [3 tweede lid]3, tijdens de periode, vermeld in het [3 derde lid]3, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
   De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het [3 tweede lid]3. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van Audit Vlaanderen zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het [3 negende lid]3. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.]2
]1

  [2 De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
   De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
   Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
   Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het [3 tweede lid]3, bevat, naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.]2

  
Art. 223. Pour pouvoir exercer sa compétence, Audit Vlaanderen a accès à la totalité des informations et documents, quel qu'en soit le porteur, et à tous les bâtiments, locaux et installations où des tâches des autorités sont exécutées. Audit Vlaanderen peut demander à tout membre du personnel les informations qu'elle estime nécessaire pour mener à bien ses missions. Chaque membre du personnel est tenu de répondre au plus vite et sans procuration préalable, de manière exhaustive, et de fournir la totalité des informations et documents pertinents.
  [3 ...]3
  [1 [2 En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h), du règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), Audit Flandre peut décider de ne pas appliquer les obligations et droits énoncés aux articles 12 à 22 dudit règlement au traitement des données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête qui concerne une personne physique déterminée, si les conditions énoncées [3 aux alinéas 3 à 11]3 sont remplies.
   La possibilité de dérogation visée à l'[3 alinéa 2]3 ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des activités préparatoires y afférentes, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires d'Audit Flandre, à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement ne soient pas appliqués. La durée des activités préparatoires ne peut, le cas échéant, dépasser un an à compter de la date de réception d'une demande d'exercice d'un des droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement.
   Les données à caractère personnel visées à l'[3 alinéa 2]3 ne seront pas conservées plus longtemps que les finalités pour lesquelles elles sont traitées le requièrent.
   La possibilité de dérogation visée à l'[3 alinéa 2]3 ne s'applique pas aux données qui ne sont pas liées à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la restriction des droits, visés à l'alinéa 4.
   Si, dans le cas visé à l'[3 alinéa 2]3, l'intéressé soumet une demande sur la base des articles 12 à 22 dudit règlement au cours de la période visée à l'[3 alinéa 3]3, le fonctionnaire à la protection des données compétent en accuse réception.
   Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe l'intéressé par écrit de tout refus ou restriction des droits, visés à l'[3 alinéa 2]3, dans les meilleurs délais et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui de la réception de la demande. Il n'est pas nécessaire de fournir des informations complémentaires sur les motifs détaillés d'un tel refus ou d'une telle restriction lorsque cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires d'Audit Flandre, sans préjudice de l'application de l'[3 alinéa 9]3. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement informe l'intéressé de cette prolongation et des raisons du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui où il a reçu la demande.]2
]1

  [2 Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe également l'intéressé sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
   Le fonctionnaire à la protection des données compétent consigne les motifs factuels ou juridiques sur lesquels la décision est fondée. Il tient ces informations à la disposition de la commission de contrôle flamande précitée.
   Une fois l'enquête terminée, les droits énoncés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau conformément à l'article 12 du règlement précité.
   Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'[3 alinéa 2]3 a été transmis au Ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, le fonctionnaire à la protection des données compétent ne peut répondre à la demande de l'intéressé conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité qu'après que le Ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction, a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou n'est pas susceptible de compromettre l'enquête.]2

  
Art. 224. De gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn kunnen een interne audit organiseren. In afwijking van artikel 170 kunnen ze er daarbij voor kiezen om de personeelsleden die belast zijn met de interne audit niet onder de algemene leiding van de algemeen directeur te plaatsen. In dat geval is artikel 194, tweede lid, en 208, § 2, tweede lid, van toepassing op die personeelsleden, met dien verstande dat "de ombudsman" wordt gelezen als "het personeelslid belast met de interne audit".
Art. 224. Le conseil communal et le conseil d'aide sociale peuvent organiser un audit interne. Par dérogation à l'article 170, ils peuvent dans ce cadre choisir de ne pas placer les membres du personnel chargés de l'audit interne sous la direction générale du directeur général. Dans ce cas, les articles 194, deuxième alinéa, et 208, § 2, deuxième alinéa, sont d'application, étant entendu que " le médiateur " se lit comme " le membre du personnel chargé de l'audit interne ".
Afdeling 3. [1 Remediëringstraject ]1
Section 3. [1 Parcours de remédiation ]1
Art.224/1 .[1 Naar aanleiding van een forensisch auditrapport over een gemeente of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als vermeld in artikel 222, tweede lid, belast de Vlaamse Regering de provinciegouverneur ermee om de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te begeleiden bij de uitvoering van een remediëringstraject. Met het oog op het versterken van de globale integriteitsaanpak verleent de gouverneur in het kader van het remediëringstraject ondersteuning op maat van de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. ]1
  
Art.224/1. [1 A la suite d'un rapport d'audit judiciaire concernant une commune ou un centre public d'action sociale tel que visé à l'article 222, alinéa 2, le Gouvernement flamand charge le gouverneur de province d'accompagner la commune ou le centre public d'action sociale dans la mise en oeuvre d'un parcours de remédiation. Afin de renforcer l'approche globale d'intégrité, le gouverneur apporte un soutien adapté aux besoins de la commune ou du centre public d'action sociale dans le cadre du parcours de remédiation. ]1
  
TITEL 3. - De extern verzelfstandigde agentschappen
TITRE 3. - Des agences autonomisées externes
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 225. § 1. De gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen zijn diensten met een eigen rechtspersoonlijkheid die door de gemeente worden opgericht of waarin de gemeente deelneemt en die belast zijn met welbepaalde beleidsuitvoerende taken van gemeentelijk belang. Vanuit hun taak voor de beleidsuitvoering kunnen de gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen ook betrokken worden bij de beleidsvoorbereiding. De Vlaamse Regering kan de taken van gemeentelijk belang nader bepalen waarvoor gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen kunnen worden opgericht of waarin ze kunnen deelnemen.
  Met behoud van de toepassing van andere wettelijke en decretale bepalingen mogen de gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen hun taken van gemeentelijk belang noch geheel, noch gedeeltelijk overdragen aan andere rechtspersonen.
  § 2. Het is de gemeenten verboden om, rechtstreeks of onrechtstreeks, rechtspersonen die belast zijn met welbepaalde taken van gemeentelijk belang op te richten, erin deel te nemen of zich erin te laten vertegenwoordigen of om aan die rechtspersonen personeel, financiële middelen, infrastructuur of andere activa ter beschikking te stellen, tenzij die rechtspersonen voldoen aan de voorschriften van deze titel of er voor de oprichting, deelname of vertegenwoordiging een andere decretale of wettelijke rechtsgrond bestaat.
  § 3. Voor de toepassing van paragraaf 2, wordt vermoed dat een rechtspersoon door een gemeente met welbepaalde taken van gemeentelijk belang is belast als hij aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
  1° een of meer van zijn organen bestaan voor meer dan de helft uit gemeenteraadsleden of leden van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente in kwestie of de leden van de organen worden voor meer dan de helft aangewezen of voorgedragen door die personen;
  2° de gemeente of haar vertegenwoordigers beschikken over de meerderheid van de stemrechten in een of meer van zijn organen;
  3° zijn financiële middelen worden voor meer dan de helft door de gemeente gefinancierd.
Art. 225. § 1er. Les agences autonomisées externes communales sont des services possédant une personnalité juridique propre établis par la commune ou auxquels elle participe, et qui sont chargés de tâches d'exécution spécifiques d'intérêt communal. Dans le cadre de leur tâche d'exécution, les agences autonomisées externes communales peuvent également être impliquées dans la préparation politique. Le Gouvernement flamand peut définir plus en détail les tâches d'intérêt communal pour lesquelles les agences autonomisées externes communales peuvent être créées ou auxquelles elles peuvent participer.
  Sans préjudice de l'application d'autres dispositions légales et décrétales, les agences autonomisées externes communales ne peuvent confier leurs tâches d'intérêt communal à d'autres personnes morales, ni en tout ni en partie.
  § 2. Il est interdit aux communes de constituer, de participer ou de se faire représenter directement au sein de personnes morales qui sont chargées de tâches spécifiques d'intérêt communal, ou de mettre à leur disposition des moyens financiers, des infrastructures ou d'autres actifs, sauf si lesdites personnes morales répondent aux dispositions du présent titre ou s'il existe pour la constitution, la participation ou la représentation un autre motif de droit décrétal ou légal.
  § 3. Aux fins de l'application du paragraphe 2, il est présumé qu'une personne morale est chargée de tâches spécifiques d'intérêt communal si elle répond à une des conditions suivantes :
  1° un ou plusieurs de ses organes se composent pour plus de la moitié de conseillers communaux ou du conseil des bourgmestre et échevins de la commune en question, ou plus de la moitié les membres des organes sont désignés ou proposés par ces personnes ;
  2° la commune ou ses représentants disposent de la majorité des voix au sein d'un ou de plusieurs de ses organes ;
  3° ses moyens financiers sont financés par la commune pour plus de la moitié.
Art. 226. Onder voorbehoud van de toepassing van andere wettelijke of decretale bepalingen, bestaan er [1 twee]1 vormen van gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen:
  1° het autonoom gemeentebedrijf;
  2° het gemeentelijke extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm;
  3° [1 ...]1
  
Art. 226. Sans préjudice de l'application d'autres dispositions légales ou décrétales, il existe [1 deux]1 formes d'agence autonomisée externe communale :
  1° la régie communale autonome ;
  2° l'agence autonomisée externe communale de droit privé ;
  3° [1 ...]1
  
Art. 227. De beslissing tot oprichting van of deelname in een gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap kan niet worden genomen in de loop van een periode van twaalf maanden voor de datum van de volledige vernieuwing van de gemeenteraden.
  [1 Het gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap sluit een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering af.]1
  Elk gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap legt in de loop van het eerste jaar na de volledige vernieuwing van de gemeenteraden een evaluatieverslag voor aan de gemeenteraad over de uitvoering van de beheers- of samenwerkingsovereenkomst sinds de inwerkingtreding ervan. Dat verslag omvat ook een evaluatie van de verzelfstandiging, waarover de gemeenteraad zich binnen drie maanden uitspreekt.
  De gemeenteraad of een gemeenteraadscommissie waakt over de afstemming van het beleid van de verzelfstandigde agentschappen van de gemeente op het gemeentelijk beleid.
  
Art. 227. La décision de constituer une agence autonomisée externe communale ou d'y participer ne peut être prise au cours d'une période de douze mois précédant la date du renouvellement intégral des conseils communaux.
  [1 L'agence autonomisée externe communale souscrit une assurance responsabilité des administrateurs.]1
  Toute agence autonomisée externe communale présente, dans le courant de la première année qui suit le renouvellement intégral des conseils communaux, un rapport d'évaluation au conseil communal au sujet de l'exécution du contrat de gestion ou de l'accord de coopération depuis son entrée en vigueur. Le rapport précité inclut également une évaluation de l'autonomisation, sur laquelle le conseil communal se prononce dans les trois mois.
  Le conseil communal ou une commission du conseil communal veille sur l'harmonisation de la politique des agences autonomisées de la commune avec la politique communale.
  
Art. 228. De gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen zijn onderworpen aan de verplichtingen in het kader van de formele motivering en openbaarheid van bestuur die gelden voor de gemeente.
Art. 228. les agences autonomisées externes communales sont soumises aux obligations dans le cadre de la motivation formelle et du caractère public de l'administration qui s'appliquent à la commune.
Art. 229. De volgende personen kunnen niet worden voorgedragen of aangewezen als vertegenwoordiger of bestuurder in een gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap :
  1° de provinciegouverneurs, de gouverneur en de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, de provinciegriffiers, de arrondissementscommissarissen en de adjunct-arrondissementscommissarissen als het gemeentelijke extern verzelfstandigd agentschap gevestigd is in hun ambtsgebied;
  2° de magistraten, de plaatsvervangende magistraten en de griffiers bij de hoven en de rechtbanken, de administratieve rechtscolleges en het Grondwettelijk Hof;
  3° de leden van het operationeel, administratief of logistiek kader van de politiezone waar de gemeente toe behoort die het gemeentelijke extern verzelfstandigd agentschap heeft opgericht of die erin deelneemt;
  4° de personen die op commerciële wijze of met een winstoogmerk activiteiten uitoefenen in dezelfde beleidsdomeinen als het agentschap en waarin het agentschap niet deelneemt, alsook de werknemers en de leden van een bestuurs- of controleorgaan van die personen;
  5° de personen die in een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of een functie uitoefenen, gelijkwaardig aan een ambt of een functie als vermeld in dit artikel, en de personen die in een lokale basisoverheid van een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of een mandaat uitoefenen dat gelijkwaardig is aan dat van gemeenteraadslid, schepen of burgemeester.
Art. 229. Les personnes suivantes ne peuvent être proposées ou désignées comme représentants ou administrateurs dans une agence autonomisée externe communale :
  1° les gouverneurs de province, le gouverneur et le vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, l'adjoint du gouverneur de la Province du Brabant Flamand, les greffiers provinciaux, les commissaires d'arrondissement et les commissaires d'arrondissement adjoints si l'agence autonomisée externe communale est établie dans leur ressort ;
  2° les magistrats, magistrats suppléants et greffiers auprès des cours et tribunaux, des collèges administratifs et de la Cour constitutionnelle ;
  3° les membres du cadre opérationnel, administratif ou logistique de la zone de police à laquelle appartient la commune qui a constitué l'agence autonomisée externe communale ou y participe ;
  4° toute personne qui exerce de manière commerciale ou dans un but lucratif des activités dans les mêmes domaines politiques que l'agence et auxquels l'agence ne participe pas, ainsi que les travailleurs et les membres d'un organe d'administration ou de contrôle de ces personnes ;
  5° les personnes qui exercent une fonction équivalant à une fonction mentionnée dans le présent article, et toute personne qui exerce une fonction ou un mandat équivalent à celui de conseiller communal, échevin ou bourgmestre au sein d'une collectivité locale de base d'un autre Etat membre de l'Union européenne.
Art. 230. Bij gemeenteraadsbesluit kan de gemeente aan haar gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen middelen, infrastructuur of personeel overdragen.
Art. 230. La commune peut transférer par arrêté du conseil communal des moyens, de l'infrastructure ou du personnel à ses agences autonomisées externes communales.
HOOFDSTUK 2. - Het autonoom gemeentebedrijf
CHAPITRE 2. - De la régie communale autonome
Art. 231. Een autonoom gemeentebedrijf wordt opgericht bij gemeenteraadsbeslissing op grond van een door het college van burgemeester en schepenen opgemaakt verslag. In dat verslag worden de voor- en de nadelen van externe verzelfstandiging tegen elkaar afgewogen en wordt aangetoond dat beheer binnen de rechtspersoonlijkheid van de gemeente niet dezelfde voordelen kan bieden. Die oprichtingsbeslissing stelt de statuten van het autonoom gemeentebedrijf vast. Het autonoom gemeentebedrijf verkrijgt rechtspersoonlijkheid op de datum van die oprichtingsbeslissing.
  De oprichtingsbeslissing en de statuten worden samen met het verslag, vermeld in het eerste lid, gepubliceerd via een webtoepassing van de gemeente.
  Het autonoom gemeentebedrijf bezorgt onmiddellijk na elke vergadering een lijst met de besluiten van zijn raad van bestuur, met een beknopte omschrijving van de daarin geregelde aangelegenheden, aan de gemeente, zodat ze kunnen worden bekendgemaakt op een webtoepassing van de gemeente, overeenkomstig artikel 285, § 1. Het autonoom gemeentebedrijf bezorgt ook onmiddellijk na de behandeling ervan door de raad van bestuur zijn beleidsrapporten aan de gemeente, zodat ze kunnen worden bekendgemaakt op een webtoepassing van de gemeente, overeenkomstig artikel 286, § 1.
Art. 231. Une régie communale autonome est constituée par décision du conseil communal sur la base d'un rapport établi par le collège des bourgmestre et échevins. Le rapport précité pondère les avantages et les inconvénients de l'autonomisation externe et démontre que la gestion au sein de la personnalité juridique de la commune ne peut présenter les mêmes avantages. Le conseil communal fixe le statut de la régie communale autonome. La régie communale autonome acquiert la personnalité juridique à la date de ladite décision de constitution.
  La décision de constitution et les statuts sont publiés, avec le rapport mentionné à l'alinéa premier, sur l'application web de la commune.
  La régie communale autonome fournit à la commune, immédiatement après chaque réunion, une liste des arrêtés de son conseil d'administration, avec une brève description des matières qu'ils organisent, de sorte qu'ils puissent être publiés sur une application web de la commune conformément à l'article 285, § 1er. La régie communale autonome fournit ses rapports stratégiques à la commune, immédiatement après traitement par le conseil d'administration, de sorte qu'ils puissent être publiés sur une application web de la commune conformément à l'article 286, § 1er.
Art. 232. De statuten vermelden ten minste:
  1° de naam en eventueel de afkorting;
  2° het maatschappelijke doel, inzonderheid een omschrijving van de beleidsuitvoerende taken van gemeentelijk belang waarmee het autonoom gemeentebedrijf belast is;
  3° de maatschappelijke zetel, gevestigd in de oprichtende gemeente;
  4° de samenstelling, de vergaderwijze, de werkingsvoorwaarden en de bevoegdheden van de organen;
  5° de wijze van ontbinding en vereffening van het autonoom gemeentebedrijf.
Art. 232. Les statuts mentionnent au moins :
  1° le nom et éventuellement l'abréviation ;
  2° l'objet social, et plus particulièrement une description des tâches d'exécution d'intérêt communal dont est chargée la régie communale autonome ;
  3° le siège social, établi dans la commune constituante ;
  4° la composition, le mode de réunion, les conditions de fonctionnement et les compétences des organes ;
  5° le mode de dissolution et de liquidation de la régie communale autonome.
Art. 233. De wijzigingen in de statuten worden aangebracht bij beslissing van de gemeenteraad, op voorstel of na advies van de raad van bestuur van het autonoom gemeentebedrijf in kwestie.
  De statutenwijzigingen worden op dezelfde wijze als de oprichtingsbeslissing en de statuten bekendgemaakt. Een volledig gecoördineerde tekst van de statuten wordt gepubliceerd via een webtoepassing van de gemeente.
Art. 233. Les modifications des statuts sont effectuées par décision du conseil communal, sur proposition ou avis du conseil d'administration de la régie communale autonome concernée.
  Les modifications des statuts sont publiées de la même manière que la décision de constitution et les statuts. Un texte entièrement coordonné des statuts est publié sur une application web de la commune.
Art. 234. § 1. Tussen de gemeente en het autonoom gemeentebedrijf wordt na onderhandeling een beheersovereenkomst gesloten. Bij het onderhandelen over de beheersovereenkomst wordt de gemeente vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen en het autonoom gemeentebedrijf door de raad van bestuur.
  De gemeente en het autonome gemeentebedrijf nemen de nodige initiatieven, minstens via een webtoepassing van de gemeente, voor de openbaarheid van de beheersovereenkomst, inclusief alle wijzigingen ervan.
  § 2. Zolang het autonoom gemeentebedrijf geen eigen regels heeft vastgesteld voor het aangaan van verbintenissen, de kredietbewaking, de wetmatigheidscontrole of de ondertekening van de girale betalingsorders, zijn artikel 266, 267, 269 en 272, § 1, tweede en derde lid, van toepassing op het autonoom gemeentebedrijf. In dat geval zijn bovendien artikel 265, 268 en 272, § 1, eerste lid, en § 2, eerste lid, van toepassing op het autonoom gemeentebedrijf, met dien verstande dat de volgende woorden worden gelezen als volgt:
  1° "de gemeente" als "het autonoom gemeentebedrijf";
  2° "de gemeenteraad" als "de raad van bestuur";
  3° "de algemeen directeur" als "de gedelegeerd bestuurder" of, als het autonoom gemeentebedrijf geen gedelegeerd bestuurder heeft, als "de voorzitter van de raad van bestuur";
  4° "het college van burgemeester en schepenen" als "de raad van bestuur".
  § 3. Onder voorbehoud van de mogelijkheid tot verlenging, wijziging, schorsing en ontbinding van de beheersovereenkomst, wordt die gesloten voor een periode die eindigt uiterlijk zes maanden na de volledige vernieuwing van de gemeenteraad.
  De beheersovereenkomst en de uitvoering ervan worden jaarlijks geëvalueerd door de gemeenteraad.
  Als bij het verstrijken van de beheersovereenkomst geen nieuwe beheersovereenkomst in werking is getreden, wordt de bestaande overeenkomst van rechtswege verlengd.
  Als geen nieuwe beheersovereenkomst in werking is getreden binnen een jaar na de verlenging, vermeld in het derde lid, of als een beheersovereenkomst is ontbonden of geschorst, kan de gemeenteraad na overleg met het autonoom gemeentebedrijf voorlopige regels vaststellen voor de aangelegenheden, vermeld in de beheersovereenkomst. Die voorlopige regels zullen als beheersovereenkomst gelden tot op het ogenblik dat een nieuwe beheersovereenkomst in werking treedt.
Art. 234. § 1er. Un contrat de gestion est conclu entre la commune et la régie communale autonome après négociations. Lors des négociations portant sur le contrat de gestion, la commune est représentée par le collège des bourgmestre et échevins, et la régie communale autonome par le conseil d'administration.
  La commune et la régie communale autonome prennent les initiatives nécessaires, au moins sur une application web de la commune, en vue d'assurer le caractère public du contrat de gestion, y compris toutes ses modifications.
  § 2. Tant que la régie communale autonome n'a pas fixé ses propres règles pour la conclusion d'engagements, la surveillance du crédit, le contrôle de légalité ou la signature des ordres de paiement en monnaie scripturale, les articles 266, 267, 269 et 272, § 1er, deuxième et troisième alinéas, s'appliquent à la régie communale autonome. Dans ce cas, les articles 265, 268 et 272, § 1er, alinéa premier, et § 2, alinéa premier s'appliquent à la régie communale autonome étant entendu que les termes suivants se lisent comme suit :
  1° " la commune " comme " la régie communale autonome " ;
  2° " le conseil communal " comme " le conseil d'administration " ;
  3° " le secrétaire " comme " l'administrateur délégué " ou, si la régie communale autonome n'a pas d'administrateur délégué, " le président du conseil d'administration " ;
  4° " le collège des bourgmestre et échevins " comme " le conseil d'administration ".
  § 3. Sous réserve d'une possibilité de prorogation, modification, suspension et dissolution du contrat de gestion, celui-ci est conclu pour une période qui se termine au plus tard six mois après le renouvellement intégral du conseil communal.
  Le conseil communal procède à l'évaluation annuelle du contrat de gestion et de son exécution.
  Si aucun nouveau contrat de gestion n'est entré en vigueur à l'expiration du contrat de gestion, le contrat de gestion existant est prorogé de plein droit.
  Si aucun nouveau contrat de gestion n'est entré en vigueur dans l'année qui suit la prorogation mentionnée au troisième alinéa, ou si un contrat de gestion est dissous ou suspendu, le conseil communal peut, après concertation avec la régie communale autonome, fixer des règles provisoires pour les matières mentionnées dans le contrat de gestion. Les règles provisoires précitées feront office de contrat de gestion jusqu'à la date d'entrée en vigueur d'un nouvel accord de gestion.
Art. 235. § 1. Het autonoom gemeentebedrijf beschikt over een raad van bestuur.
  De raad van bestuur is bevoegd voor alles wat niet uitdrukkelijk bij decreet, in de statuten of in de beheersovereenkomst aan de gemeenteraad is voorbehouden.
  De raad van bestuur vertegenwoordigt het autonoom gemeentebedrijf in rechte als eiser of als verweerder.
  De raad van bestuur is binnen de grenzen, vastgesteld in de statuten, bevoegd voor alle personeelsaangelegenheden.
  § 2. Het aantal leden van de raad van bestuur bedraagt ten hoogste de helft van het aantal gemeenteraadsleden, maar met een absoluut maximum van twaalf. Ten hoogste twee derde van de leden van de raad van bestuur is van hetzelfde geslacht.
  De leden van de raad van bestuur worden benoemd door de gemeenteraad.
  Elke fractie kan minstens een lid van de raad van bestuur voordragen. Dat voordrachtrecht waarborgt elke fractie een vertegenwoordiging in de raad van bestuur. Als de gewaarborgde vertegenwoordiging evenwel afbreuk zou doen aan de mogelijkheid voor de fracties die vertegenwoordigd zijn in het college van burgemeester en schepenen om minstens de helft van de leden van de raad van bestuur voor te dragen, wordt er gewerkt met gewogen stemrecht binnen de groep van bestuurders die de fracties voorgedragen hebben.
  Het mandaat van lid van de raad van bestuur is hernieuwbaar. De gemeenteraad kan de leden van de raad van bestuur op elk moment ontslaan. Na de volledige vernieuwing van de gemeenteraad wordt tot volledige vernieuwing van de raad van bestuur overgegaan. In dat geval blijven de leden van de raad van bestuur in functie tot de nieuwe gemeenteraad hen vervangt.
  De raad van bestuur kiest uit zijn leden een voorzitter die deel uitmaakt van het college van burgemeester en schepenen van de oprichtende gemeente.
  § 3. De gemeenteraad kan er ook voor kiezen alle leden van de gemeenteraad te benoemen als lid van de raad van bestuur. In dat geval is paragraaf 2, eerste lid, niet van toepassing en mogen er geen presentiegelden worden toegekend voor de vergaderingen van de raad van bestuur.
  § 4. De bestuurders zijn niet persoonlijk gebonden door de verbintenissen van het autonoom gemeentebedrijf.
  De bestuurders zijn aansprakelijk zonder hoofdelijkheid voor de tekortkomingen bij de normale uitoefening van hun bestuur. Bij overtredingen waaraan ze geen deel hebben gehad, worden de bestuurders van de aansprakelijkheid ontheven als hen geen schuld treft en als ze de overtredingen hebben aangeklaagd bij de gemeenteraad binnen een maand nadat ze er kennis van hebben gekregen.
  [1 ...]1.
  § 5. Een bestuurder mag niet:
  1° aanwezig zijn bij de bespreking en de stemming over aangelegenheden waarin hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als vertegenwoordiger, of waarbij de echtgenoot, of bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Dat verbod strekt niet verder dan de bloed- en aanverwanten tot en met de tweede graad als het gaat om de voordracht van kandidaten, benoemingen, ontslagen, afzettingen en schorsingen. Voor de toepassing van deze bepaling worden personen die een verklaring van wettelijke samenwoning als vermeld in artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek, hebben afgelegd, met echtgenoten gelijkgesteld;
  2° rechtstreeks of onrechtstreeks een overeenkomst sluiten, behalve in geval van een schenking aan het autonoom gemeentebedrijf of de gemeente, of deelnemen in een opdracht voor aanneming van werken, leveringen of diensten, verkoop of aankoop ten behoeve van het autonoom gemeentebedrijf of de gemeente, behalve in de gevallen waarbij de bestuurder een beroep doet op een door het autonoom gemeentebedrijf of de gemeente aangeboden dienstverlening en ten gevolge daarvan een overeenkomst aangaat;
  3° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris tegen betaling werken in geschillen ten behoeve van het autonoom gemeentebedrijf. Dat verbod geldt ook voor de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met de bestuurder werken;
  4° rechtstreeks of onrechtstreeks als advocaat of notaris werkzaam zijn in geschillen ten behoeve van de tegenpartij van het autonoom gemeentebedrijf of ten behoeve van een personeelslid van het autonoom gemeentebedrijf in het kader van beslissingen over de tewerkstelling binnen het autonoom gemeentebedrijf. Dat verbod geldt ook voor de personen die in het kader van een associatie, groepering, samenwerking of op hetzelfde kantooradres met de bestuurder werken.
  
Art. 235. § 1er. La régie communale autonome dispose d'un conseil d'administration.
  Le conseil d'administration a compétence pour tout ce qui n'est pas expressément réservé au conseil communal par décret, ou en vertu des statuts ou du contrat de gestion.
  Le conseil d'administration représente la régie communale autonome en droit en tant que demanderesse ou défenderesse.
  Le conseil d'administration est compétent pour toutes les matières relatives au personnel dans les limites définies par les statuts.
  § 2. Le nombre de membres du conseil d'administration s'élève tout au plus à la moitié du nombre de conseillers communaux, mais avec un maximum absolu de douze. Deux tiers tout au plus des membres du conseil d'administration sont du même sexe.
  Les membres du conseil d'administration sont nommés par le conseil communal.
  Chaque groupe politique peut présenter au moins un membre du conseil d'administration. Le droit de présentation garantit à chaque groupe politique une représentation au conseil d'administration. Toutefois, si la représentation garantie contrevient à la possibilité, pour les groupes politiques représentés au collège des bourgmestre et échevins, de présenter au moins la moitié des membres du conseil d'administration, il est procédé par droit de vote pondéré au sein du groupe d'administrateurs présentés par les groupes politiques.
  Le mandat de membre du conseil d'administration est renouvelable. Le conseil d'administration peut destituer les membres du conseil d'administration à tout moment. Après le renouvellement intégral du conseil communal, il est procédé au renouvellement intégral du conseil d'administration. Dans ce cas, les membres du conseil d'administration restent en fonction jusqu'à ce que le nouveau conseil communal les remplace.
  Le conseil d'administration choisit en son sein un président qui fait partie du collège des bourgmestre et échevins de la commune constituante.
  § 3. Le conseil d'administration peut également choisir de nommer tous les conseillers communaux en tant que membres du conseil d'administration. Dans ce cas, le paragraphe 2, alinéa premier n'est pas d'application et aucun jeton de présence ne peut être attribué pour les réunions du conseil d'administration.
  § 4. Les administrateurs ne sont pas personnellement liés par les engagements de la régie communale autonome.
  Les administrateurs sont responsables non solidaires pour les manquements dans l'exercice normal de leur administration. En cas d'infractions auxquelles ils n'ont pas pris part, les administrateurs sont déchargés de la responsabilité si aucune faute ne peut leur être imputée et s'ils ont dénoncé les infractions auprès du conseil communal dans le mois après en avoir eu connaissance.
  [1 ...]1.
  § 5. Un administrateur n'a pas le droit :
  1° d'être présent lors du débat et du vote concernant des questions dans lesquelles il a un intérêt direct, que ce soit à titre personnel ou de représentant, ou dans lesquelles son époux ou ses parents ou alliés jusqu'au quatrième degré ont un intérêt personnel et direct. Cette interdiction ne s'étend qu'aux parents ou alliés du deuxième degré s'il s'agit de la présentation de candidats, de nominations, de licenciements, de mises à pied et de suspensions. Aux fins de l'application de la présente disposition, les personnes ayant déposé une déclaration de cohabitation légale au sens de l'article 1475 du Code civil sont assimilées à des époux ;
  2° conclure directement ou indirectement un contrat, sauf en cas de donation à la régie communale autonome ou à la commune, ou participer à un marché de travaux, de fournitures ou de services, de ventes ou d'achats au profit de la régie communale autonome, sauf dans les cas où l'administrateur fait appel à un service proposé par la régie communale autonome ou la commune et conclut un contrat eu égard à cette situation ;
  3° travailler directement ou indirectement contre rémunération en tant qu'avocat ou notaire dans les litiges au profit de la régie communale autonome. L'interdiction précitée s'étend aux personnes qui travaillent avec l'administrateur dans le cadre d'une association, d'un groupement, d'un partenariat ou à la même adresse professionnelle que celui-ci.
  4° être actif directement ou indirectement en tant qu'avocat ou que notaire dans les litiges au profit de la partie adverse de la régie communale autonome ou au profit d'un membre du personnel de cette dernière dans le cadre de décisions portant sur l'emploi au sein de la régie communale autonome. L'interdiction précitée s'étend aux personnes qui travaillent avec l'administrateur dans le cadre d'une association, d'un groupement, d'un partenariat ou à la même adresse professionnelle que celui-ci.
  
Art. 236. De statuten kunnen de raad van bestuur toelaten om volgende bevoegdheden toe te vertrouwen aan een directiecomité of een gedelegeerd bestuurder, al dan niet met de mogelijkheid om die toevertrouwde bevoegdheid verder toe te vertrouwen aan personeelsleden van het autonoom gemeentebedrijf:
  1° het dagelijks personeelsbeheer, de bevoegdheid voor het aanstellen en het ontslaan van het personeel, alsook de sanctie- en tuchtbevoegdheid ten aanzien van het personeel;
  2° het dagelijkse bestuur;
  3° de vertegenwoordiging met betrekking tot dat bestuur;
  4° de voorbereiding en uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur.
  De raad van bestuur benoemt de leden van het directiecomité of de gedelegeerd bestuurder.
Art. 236. Les statuts peuvent autoriser le conseil d'administration à confier les compétences suivantes à un comité de direction ou à un administrateur délégué, avec ou sans possibilité de confier à son tour cette compétence à des membres du personnel de la régie communale autonomie :
  1° la gestion quotidienne du personnel, la compétence de nommer et de licencier le personnel, ainsi que la compétence de sanction et disciplinaire à l'égard du personnel ;
  2° la gestion journalière ;
  3° la représentation relative à cette gestion ;
  4° la préparation et l'exécution des décisions du conseil d'administration.
  Le conseil d'administration nomme les membres du comité de direction ou l'administrateur délégué.
Art. 237. De vergaderingen van de raad van bestuur en het directiecomité zijn niet openbaar. Een lijst met besluiten van de raad van bestuur wordt via een webtoepassing van de gemeente gepubliceerd overeenkomstig artikel 286. Die webtoepassing vermeldt ook de wijze waarop het publiek inzage kan krijgen in de notulen van de raad van bestuur en van het directiecomité en in de beslissingen van de gedelegeerd bestuurder.
Art. 237. Les réunions du conseil d'administration et du comité de direction ne sont pas publiques. Une liste des arrêtés du conseil d'administration est publiée sur une application web de la commune conformément à l'article 286. L'application web précitée mentionne également la manière dont le public a droit de participation sur le procès-verbal du conseil d'administration et du comité de direction, ainsi que sur les décisions de l'administrateur délégué.
Art. 238. Er zijn geen andere bestuursorganen met beslissingsbevoegdheid dan de bestuursorganen, vermeld in de voorgaande artikelen.
  [1 De gemeenteraad bepaalt het bedrag van het presentiegeld en de andere vergoedingen die in het kader van de bestuurlijke werking van het autonoom gemeentebedrijf worden toegekend, binnen de limieten en overeenkomstig de toekenningsvoorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering.]1
  
Art. 238. Il n'existe pas d'autres organes ayant pouvoir décisionnel que les organes d'administration mentionnés aux articles précédents.
  [1 Le conseil communal fixe le montant des jetons de présence et des autres indemnités octroyées dans le cadre du fonctionnement administratif de la régie communale autonome conformément à, et dans les limites des conditions d'octroi établies par le Gouvernement flamand.]1
  
Art. 239. Het personeel van het autonoom gemeentebedrijf kan in statutair of contractueel verband worden aangesteld.
  De overeenstemmende rechtspositieregeling en deontologische code van het gemeentepersoneel zijn van toepassing op het personeel van het autonoom gemeentebedrijf. Het autonoom gemeentebedrijf stelt de afwijkingen van die rechtspositieregeling vast, als het specifieke karakter van het autonoom gemeentebedrijf dat verantwoordt. Het gemeentebedrijf bepaalt de rechtspositieregeling van de betrekkingen die niet bestaan binnen de gemeente.
  Behalve in geval van gemotiveerde afwijking kan geen enkel personeelslid van het autonoom gemeentebedrijf een jaarsalaris worden toegekend dat gelijk is aan of hoger is dan het jaarsalaris van de algemeen directeur van de overeenkomstige gemeente.
  [1 Artikel 185/1 is van toepassing bij de overdracht van personeel.]1
  
Art. 239. Le personnel de la régie communale autonome peut être engagé sous régime statutaire ou contractuel.
  Le statut correspondant et le code déontologique du personnel communal s'appliquent au personnel de la régie communale autonome. La régie communale autonome fixe les dérogations au statut si le caractère spécifique de la régie communale autonome le justifie. La régie communale définit le statut des emplois qui n'existent pas au sein de la commune.
  Sauf en cas de dérogation motivée, aucun membre du personnel d'une société, association ou fondation communale, telle que visée à la présente section, ne peut bénéficier d'un traitement annuel égal ou supérieur au traitement annuel du [directeur général] communal de la commune correspondante.
  [1 L'article 185/1 s'applique au transfert de personnel.]1
Art. 240. § 1. Het autonoom gemeentebedrijf kan leningen aangaan en giften of toelagen ontvangen binnen de grenzen, vastgesteld in de statuten en de beheersovereenkomst.
  § 2. Het autonoom gemeentebedrijf kan gemachtigd worden om in eigen naam en voor eigen rekening over te gaan tot onteigeningen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van zijn doelstellingen.
  § 3. Het autonoom gemeentebedrijf beslist vrij, binnen de grenzen van zijn doel, over de verwerving, de aanwending en de vervreemding van zijn goederen, over de vestiging of opheffing van zakelijke rechten op die goederen, alsook over de uitvoering van dergelijke beslissingen en over de financiering ervan.
  § 4. Het autonoom gemeentebedrijf stelt de tarieven en de tariefstructuren voor de prestaties die het levert, vast binnen de grenzen van de grondregels voor de tarifering, bepaald in de beheersovereenkomst. De maximumtarieven of de formules voor de berekening ervan die niet in de beheersovereenkomst zijn geregeld, worden ter goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad.
  § 5. Het autonoom gemeentebedrijf kan andere rechtspersonen oprichten, erin deelnemen of zich erin laten vertegenwoordigen, als dat past in zijn opdrachten. De oprichting, deelname of vertegenwoordiging mag geen speculatieve oogmerken nastreven en gebeurt in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel, de regelgeving over de mededinging en de staatssteun en de voorwaarden, vermeld in de beheersovereenkomst. De beslissing tot oprichting, deelname of vertegenwoordiging toont aan dat aan de voormelde voorwaarden is voldaan.
  De deelname is onderworpen aan de voorwaarde dat aan het autonoom gemeentebedrijf minstens een mandaat van bestuurder wordt toegekend.
Art. 240. § 1er. La régie communale autonome peut contracter des prêts et recevoir des libéralités ou des subventions dans les limites fixées par les statuts et le contrat de gestion.
  § 2. La régie communale autonome peut être habilitée à procéder en son nom et pour son compte propres aux expropriations indispensables à la réalisation des objectifs.
  § 3. La régie communale autonome décide librement, dans les limites de son objectif, de l'acquisition, de l'utilisation et de l'aliénation de ses biens, de la constitution ou de l'abrogation de droits réels sur ces biens, ainsi que de l'exécution et du financement de telles décisions.
  § 4. La régie communale autonome fixe les tarifs et les structures tarifaires pour les prestations qu'elle fournit, dans les limites des règles fondamentales pour la tarification fixées dans le contrat de gestion. Les tarifs maximaux ou les formules pour le calcul de ceux-ci qui ne sont pas organisées dans le contrat de gestion sont soumis à l'approbation du conseil communal.
  § 5. La régie communale autonome peut constituer d'autres personnes morales, y participer ou s'y faire représenter si la constitution, la participation ou la représentation en question est en cohérence avec ses missions. La constitution, la participation ou la représentation ne peut avoir de but lucratif et s'effectue en conformité avec le principe d'égalité, la règlementation relative à la concurrence et aux aides de l'Etat, ainsi qu'avec les conditions prévues par le contrat de gestion. La décision de constitution, participation ou représentation démontre que les conditions susmentionnées sont remplies.
  La participation est soumise à la condition que la régie communale autonome se voie attribuer au moins un mandat d'administrateur.
Art. 241. Artikel 221 tot en met 223 [2 , artikel 224/1]2 en de bepalingen van titel 4 zijn van toepassing op de autonome gemeentebedrijven, [1 met uitzondering van artikel 249, § 3 en § 4, artikel 256, artikel 260, derde lid, artikel 262, § 1, tweede lid, artikel 264, tweede lid, en hoofdstuk 3 en 4]1, en met dien verstande dat de volgende woorden worden gelezen als volgt:
  1° "de gemeente" als "het autonoom gemeentebedrijf";
  2° "de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" als "het autonoom gemeentebedrijf";
  3° "elke gemeente en elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" als "elk autonoom gemeentebedrijf";
  4° "in elke gemeente en in elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" als "in elk autonoom gemeentebedrijf";
  5° "de gemeenteraad" [1 , "de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn"]1 en "de gemeenteraad of de raad voor maatschappelijk welzijn" als "de raad van bestuur";
  6° "raadsleden" als "leden van de raad van bestuur";
  7° "het college van burgemeester en schepenen" als "de raad van bestuur".
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden voor de toepassing van de bepalingen van het eerste lid op de autonome gemeentebedrijven.
  [2 8° "een gemeente of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" als "een autonoom gemeentebedrijf";
   9° "de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" als "het autonoom gemeentebedrijf".]2

  
Art. 241. Les articles 221 à 223 [2 , l'article 224/1]2 et les dispositions du titre 4 s'appliquent aux régies communales autonomes, [1 à l'exception de l'article 249, §§ 3 et 4, des articles 256, 260, troisième alinéa 262, § 1, deuxième alinéa, 264, deuxième alinéa, et des chapitres 3 et 4 ]1, étant entendu que les termes suivants se lisent comme suit :
  1° " la commune " comme " la régie communale autonome " ;
  2° " la commune et le centre public daction sociale " comme " la régie communale autonome " ;
  3° " toute commune et tout centre public daction sociale " comme " toute régie communale autonome " ;
  4° " dans toute commune et dans tout centre public daction sociale " comme " dans toute régie communale autonome " ;
  5° " Le conseil communal [1 , " le conseil communal et le conseil de l'aide sociale " ]1 " et " le conseil communal ou le conseil d'aide sociale " comme " le conseil d'administration " ;
  6° " les membres du conseil " comme " les membres du conseil d'administration " ;
  7° " le collège des bourgmestre et échevins " comme " le conseil d'administration ".
  Le Gouvernement flamand définit les conditions d'application des dispositions de l'alinéa premier aux régies communales autonomes.
  [2 8° " une commune ou un centre public d'action sociale " comme " une régie communale autonome " ;
   9° " la commune ou le centre public d'action sociale " comme " la régie communale autonome ".]2

  
Art. 242. De boekhouding wordt gevoerd onder de verantwoordelijkheid en het toezicht van de raad van bestuur.
  De raad van bestuur stelt het meerjarenplan en de aanpassingen ervan vast en legt ze ter goedkeuring voor aan de gemeenteraad.
  [1 De raad van bestuur stemt telkens over het hele meerjarenplan en de aanpassingen ervan.
   In afwijking van het derde lid kan elk lid van de raad van bestuur de afzonderlijke stemming eisen over een of meer onderdelen die hij aanwijst. In dat geval mag de raad van bestuur pas over het hele meerjarenplan en de aanpassingen ervan stemmen na de afzonderlijke stemming. Als die afzonderlijke stemming tot gevolg heeft dat het ontwerp van het meerjarenplan of de aanpassing ervan moet worden gewijzigd, wordt de stemming over het hele meerjarenplan verdaagd tot een volgende vergadering van de raad van bestuur.]1

  De ramingen voor de exploitatie, de investeringen en de financiering in het eerste jaar van de financiële nota van het meerjarenplan omvatten ook de kredieten voor dat boekjaar.
  
Art. 242. La comptabilité est tenue sous la responsabilité et le contrôle du conseil d'administration.
  Le conseil d'administration établit des plans pluriannuels et leurs adaptations, et les soumet à l'approbation du conseil communal.
  [1 Le conseil d'administration vote chaque fois sur le plan pluriannuel intégral et ses adaptations.
   Contrairement au troisième alinéa, tout membre du conseil d'administration peut exiger un vote séparé sur une ou plusieurs parties qu'il désigne. Dans ce cas, le conseil d'administration ne peut voter sur le plan pluriannuel intégral et ses adaptations qu'après le vote séparé. Si à la suite de ce vote séparé le projet de plan pluriannuel ou son adaptation doivent être modifiés, le vote sur le plan pluriannuel intégral est ajourné à une réunion ultérieure du conseil d'administration.]1

  Les estimations pour l'exploitation, les investissements et le financement dans la première année de la note financière du plan pluriannuel incluent également les crédits pour cet exercice.
  
Art. 243. § 1. De raad van bestuur spreekt zich uit over de vaststelling van de jaarrekening voor 30 juni van het boekjaar dat volgt op het boekjaar waarop de rekening betrekking heeft.
  [1 De raad van bestuur stemt telkens over de hele jaarrekening.
   In afwijking van het tweede lid kan elk lid van de raad van bestuur de afzonderlijke stemming eisen over een of meer onderdelen die hij aanwijst. In dat geval mag de raad van bestuur pas over de hele jaarrekening stemmen na de afzonderlijke stemming. Als die afzonderlijke stemming tot gevolg heeft dat de jaarrekening moet worden gewijzigd, wordt de stemming over de hele jaarrekening verdaagd tot een volgende vergadering van de raad van bestuur.]1

  § 2. De gemeenteraad brengt advies uit bij de jaarrekening van het autonoom gemeentebedrijf, tenzij de gemeenteraad ervoor gekozen heeft om alle leden van de gemeenteraad te benoemen als lid van de raad van bestuur.
  Als de gemeenteraad geen advies heeft verstuurd aan de toezichthoudende overheid binnen een termijn van vijftig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de jaarrekening door het gemeentebestuur, wordt de gemeenteraad geacht een gunstig advies te hebben uitgebracht.
  § 3. Als de toezichthoudende overheid geen besluit heeft verzonden over de goedkeuring van de jaarrekening binnen een termijn van honderdvijftig dagen, wordt ze geacht de jaarrekening goed te keuren. Die termijn gaat in op de dag nadat de gemeente de toezichthoudende overheid op de hoogte gebracht heeft van de bekendmaking van de jaarrekening van het autonoom gemeentebedrijf, met toepassing van artikel 286, § 1, en het autonoom gemeentebedrijf de digitale rapportering erover aan de Vlaamse Regering heeft bezorgd.
  
Art. 243. § 1er. Le conseil d'administration statue sur l'établissement des comptes annuels avant le 30 juin de l'exercice suivant celui sur lequel portent les comptes annuels.
  [1 Le conseil d'administration vote chaque fois sur l'ensemble des comptes annuels.
   Contrairement au deuxième alinéa, tout membre du conseil d'administration peut exiger un vote séparé sur une ou plusieurs parties qu'il désigne. Dans ce cas, le conseil d'administration ne peut voter sur l'ensemble des comptes annuels qu'après le vote séparé. Si à la suite de ce vote séparé les comptes annuels doivent être modifiés, le vote sur l'ensemble des comptes annuels est ajourné à une réunion ultérieure du conseil d'administration.]1

  § 2. Le conseil communal formule un avis quant aux comptes annuels de la régie communale autonome, sauf s'il a choisi de nommer tous les conseillers communaux en tant que membres du conseil d'administration.
  Si le conseil communal n'a pas transmis d'avis à l'autorité de tutelle dans un délai de cinquante jours à dater du jour suivant la réception des comptes annuels par l'administration communale, le conseil communal est supposé avoir délivré un avis favorable.
  § 3. Si l'autorité de tutelle n'a pas transmis de décision quant à l'approbation des comptes annuels dans un délai de cent cinquante jours, elle est supposée approuver les comptes annuels. Le délai précité court à dater du lendemain du jour où la commune a informé l'autorité de tutelle de la publication des comptes annuels de la régie communale autonome, en application de l'article 286, § 1er, et où la régie communale autonome en a transmis le rapport numérique au Gouvernement flamand.
  
Art. 244. § 1. De gemeenteraad kan altijd beslissen om tot ontbinding en vereffening van een autonoom gemeentebedrijf over te gaan.
  In de beslissing tot ontbinding wijst de gemeenteraad de vereffenaars aan. Alle andere organen vervallen op het ogenblik van de ontbinding.
  § 2. Het personeel in statutair dienstverband van het ontbonden autonoom gemeentebedrijf wordt overgenomen door de gemeente.
  De gemeente waarborgt de rechten die het autonoom gemeentebedrijf op het ogenblik van ontbinding voor het overgenomen personeel had vastgesteld.
  § 3. De rechten en verplichtingen van het ontbonden autonoom gemeentebedrijf worden overgenomen door de gemeente.
  § 4. In afwijking van paragraaf 2 en 3 kan de gemeenteraad in het ontbindings-besluit de personeelsleden in statutair dienstverband, die daarmee moeten instemmen, en de rechten en verplichtingen aanwijzen die overgenomen worden door de overnemer of de overnemers van de activiteiten van het gemeentebedrijf.
Art. 244. § 1er. Le conseil communal peut à tout moment décider de procéder à la dissolution et à la liquidation d'une régie communale autonome.
  Le conseil communal désigne les liquidateurs dans la décision de dissolution. Tous les autres organes sont dissous au moment de la dissolution.
  § 2. Le personnel sous régime statutaire de la régie communale autonome dissoute est repris par la commune.
  La commune garantit les droits que la régie communale autonome avait établis pour le personnel repris au moment de sa dissolution.
  § 3. Les droits et obligations de la régie communale autonome dissoute sont repris par la commune.
  § 4. Par dérogation aux paragraphes 2 et 3, le conseil communal peut désigner dans l'arrêté de dissolution les membres du personnel sous régime statutaire, qui doivent marquer leur accord, ainsi que les droits et obligations repris par le ou les repreneurs des activités de la régie communale.
HOOFDSTUK 3. - Het gemeentelijke extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm
CHAPITRE 3. - De l'agence autonomisée externe communale de droit privé
Art. 245. § 1. De gemeente is gemachtigd om onder de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk, [1 een vennootschap, een vereniging of een stichting als vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1 [1 ...]1 op te richten en te belasten met welbepaalde beleidsuitvoerende taken van gemeentelijk belang. Vanuit hun taak voor de beleidsuitvoering kunnen de gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechtelijke vorm ook betrokken worden bij de beleidsvoorbereiding.
  De gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen, vermeld in het eerste lid, worden opgericht in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel, de regelgeving over de mededinging en de staatssteun.
  Naast de gemeente mogen in de oprichting van die gemeentelijke vennootschap, vereniging of stichting andere personen deelnemen, met uitzondering van andere gemeenten, gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen van andere gemeenten, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, provincies, provinciale extern verzelfstandigde agentschappen, de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest.
  De gemeente is gemachtigd om onder dezelfde voorwaarden deel te nemen in [1 een vennootschap of in een vereniging als vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1 [1 ...]1.
  De openbare centra voor maatschappelijk welzijn mogen deelnemen in een gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend. Ze hoeven in dat geval niet te voldoen aan de voorwaarden, vermeld in deel 3, titel 4.
  § 2. De gemeenteraad beslist over de oprichting of de deelname, vermeld in paragraaf 1, op grond van een door het college van burgemeester en schepenen opgemaakt verslag. In dat verslag worden de voor- en de nadelen van externe verzelfstandiging in de gekozen vorm afgewogen en wordt aangetoond dat het beheer binnen de rechtspersoonlijkheid van de gemeente of in de vorm van een autonoom gemeentebedrijf niet de vereiste voordelen kan bieden.
  § 3. De beslissing tot oprichting of deelname en de statuten van de gemeentelijke vennootschap, vereniging of stichting worden samen met het verslag, vermeld in paragraaf 2, gepubliceerd op een webtoepassing van de gemeente.
  
Art. 245. § 1er. La commune est habilitée, aux conditions du présent chapitre, à constituer [1 une société, une association ou une fondation au sens du Code des sociétés et des associations]1, [1 ...]1 et à lui confier des tâches exécutoires d'intérêt communal. Dans le cadre de leur tâche exécutoire, les agences autonomisées externes communales de droit privé peuvent également être impliquées dans la préparation politique.
  Les agences autonomisées externes communales évoquées à l'alinéa premier sont constituées en conformité avec le principe d'égalité, la réglementation relative à la concurrence et les aides de l'Etat.
  Outre la commune, peuvent participer à la constitution de la société, association ou fondation communale d'autres personnes, à l'exception d'autres communes, agences autonomisées externes communales d'autres communes, partenariats intercommunaux, provinces, agences autonomisées externes provinciales, la Communauté Flamande et la Région Flamande.
  Aux mêmes conditions, la commune est habilitée à constituer [1 une société ou une association au sens du Code des sociétés et des associations]1 [1 ...]1, les partis politiques européens et les fondations.
  Les centres publics d'aide sociale peuvent participer à une agence autonomisée externe communale de droit privé de la commune que dessert le centre public daction sociale. Dans ce cas, ils ne sont pas tenus de remplir les conditions visées au titre 4 de la section 3.
  § 2. Le conseil communal décide de la constitution ou de la participation évoquées au paragraphe 1er sur la base d'un rapport établi par le collège des bourgmestre et échevins. Le rapport en question pondère les avantages et les inconvénients de l'autonomisation externe dans la forme choisie et démontre que la gestion au sein de la personnalité juridique de la commune ou sous la forme d'une régie communale autonome ne peut présenter les avantages requis.
  § 3. La décision de constitution et les statuts de la société, association ou fondation communale sont publiés avec le rapport mentionné au paragraphe 2, sur une application web de la commune.
  
Art. 246. § 1. Ongeacht de grootte van de eventuele inbreng van de verschillende partijen, beschikt de gemeente altijd over een meerderheid van de stemmen in de algemene vergadering van de gemeentelijke vennootschap of vereniging en draagt de gemeente altijd een meerderheid voor van de leden van de raad van bestuur van de gemeentelijke vennootschap, vereniging of stichting. Die voordracht waarborgt elke fractie een vertegenwoordiging.
  Ten hoogste twee derde van de door de gemeente voorgedragen leden van de raad van bestuur is van hetzelfde geslacht.
  § 2. De vertegenwoordigers van de gemeente in de algemene vergadering van de gemeentelijke vennootschap en vereniging worden door de gemeenteraad uit zijn leden gekozen.
  De vertegenwoordigers van de gemeente in de algemene vergadering handelen overeenkomstig de instructies van de gemeenteraad.
  § 3. De gemeenteraad en de vertegenwoordigers van de gemeente in de algemene vergadering kunnen op elk moment beslissen om de aanwijzingen en de voordrachten te herroepen. De statuten van de gemeentelijke vennootschap, vereniging of stichting bepalen dat de betrokken vertegenwoordigers door die herroeping van rechtswege ontslagnemend zijn. Ze worden vervangen.
  Alle aanwijzingen en voordrachten worden herroepen door de volledige vernieuwing van de gemeenteraad. De vertegenwoordigers blijven in functie totdat hun vervangers zijn aangewezen of benoemd.
  § 4. Als de gemeentelijke vennootschap, vereniging of stichting belast is met de verwezenlijking van welbepaalde beleidsuitvoerende taken van gemeentelijk belang die uitsluitend bevoegdheden van het district betreffen, kan de gemeenteraad bij de samenstelling van de organen rekening houden met de samenstelling van de districtsraad. In dat geval draagt de gemeenteraad, op advies van de districtsraad, districtsraadsleden voor als leden van de raad van bestuur waarbij de voordracht elke politieke fractie in de districtsraad een vertegenwoordiging garandeert, en wijst de gemeenteraad districtsraadsleden aan als vertegenwoordigers in de algemene vergadering.
  De leden van de raad van bestuur die de gemeenteraad voordraagt, zijn van een verschillend geslacht.
  De vertegenwoordigers in de algemene vergadering handelen overeenkomstig de instructies van de districtsraad.
Art. 246. § 1er. Quelle que soit l'ampleur de l'éventuel apport des diverses parties, la commune dispose toujours d'une majorité des voix à l'assemblée générale de la société ou de l'association communale et la commune propose toujours une majorité des membres du conseil d'administration de la société, de l'association ou de la fondation communale. Ladite proposition garantit une représentation à chaque groupe politique.
  Deux tiers tout au plus des membres du conseil d'administration proposés par la commune sont du même sexe.
  § 2. Les représentants de la commune à l'assemblée générale de la société et de l'association communale sont choisis par le conseil communal en son sein.
  Les représentants de la commune à l'assemblée générale agissent conformément aux instructions du conseil communal.
  § 3. Le conseil communal et les représentants de la commune à l'assemblée générale peuvent à tout moment décider de révoquer les désignations et les présentations. Les statuts de la société, de l'association ou de la fondation communale stipulent que les représentants concernés sont démissionnaires de plein droit suite à cette révocation. Ils sont alors remplacés.
  Toutes les désignations et présentations sont révoquées par le renouvellement intégral du conseil communal. Les représentants restent en fonction jusqu'à ce que leurs remplaçants aient été désignés ou nommés.
  § 4. Si la société, l'association ou la fondation communale est chargée de la réalisation de certaines tâches d'exécution d'intérêt communal qui concernent exclusivement des compétences du district, le conseil communal peut tenir compte de la composition du conseil de district lors de la composition des organes. Dans ce cas, le conseil communal propose, sur avis du conseil de district, des membres du conseil de district en tant que membres du conseil d'administration, la présentation garantissant une représentation à chaque groupe politique du conseil de district, et le conseil communal désigne les membres du conseil de district en tant que représentants à l'assemblée générale.
  Les membres du conseil d'administration que propose le conseil communal sont de sexe différent.
  Les représentants à l'assemblée générale agissent conformément aux instructions du conseil de district.
Art. 247. Tussen de gemeente en de gemeentelijke vennootschap, vereniging of stichting wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten voor de uitvoering van de toevertrouwde taken van gemeentelijk belang. De samenwerkingsovereenkomst regelt de volgende aangelegenheden:
  1° in voorkomend geval de aanwending van de aan het agentschap ter beschikking gestelde of overgedragen personeelsleden, middelen en infrastructuur;
  2° binnen de perken en overeenkomstig de toekenningsvoorwaarden, bepaald door de Vlaamse Regering, het presentiegeld en de andere vergoedingen die in het kader van de bestuurlijke werking van het agentschap worden toegekend;
  3° de wijze waarop de gemeentelijke vennootschap, vereniging of stichting zal voorzien in een systeem van organisatiebeheersing;
  4° de toekenning aan een of meer commissarissen van de controle op de financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid van de verrichtingen weer te geven in de jaarrekening van de gemeentelijke vennootschap, vereniging of stichting. Die commissarissen zijn erkende bedrijfsrevisoren.
  Behalve in geval van gemotiveerde afwijking kan aan geen enkel personeelslid van een gemeentelijke vennootschap, vereniging of stichting als vermeld in dit hoofdstuk, een jaarsalaris worden toegekend dat gelijk is aan of hoger is dan het jaarsalaris van de algemeen directeur van de overeenkomstige gemeente.
  [1 Artikel 185/1, § 2, is van toepassing bij de overdracht van contractueel personeel.]1
  
Art. 247. Un accord de coopération est conclu entre la commune et la société, l'association et la fondation communale pour l'exécution des tâches d'intérêt communal qui leur sont confiées. L'accord de coopération en question organise les matières suivantes :
  1° le cas échéant, l'affectation des membres du personnel, des moyens et de l'infrastructure mis à la disposition ou transférés à l'agence ;
  2° dans les limites et conformément aux conditions d'attribution déterminées par le Gouvernement flamand, les jetons de présence et les autres rémunérations qui sont accordées dans le cadre du fonctionnement administratif de l'agence ;
  3° la manière dont la société, l'association ou la fondation communale prévoira un système de contrôle interne ;
  4° l'attribution à un ou plusieurs commissaires de faire figurer dans les comptes annuels de la société, de l'association ou de la fondation communale le contrôle de l'état financier, des comptes annuels et de la régularité des opérations. Les commissaires sont des réviseurs d'entreprise agréés.
  Sauf en cas de dérogation motivée, aucun membre du personnel d'une société, association ou fondation communale ne peut bénéficier d'un traitement annuel égal ou supérieur au traitement annuel du [directeur général] de la commune correspondante.
  [1 L'article 185/1, § 2, s'applique au transfert de personnel contractuel.]1
  
HOOFDSTUK 4.
CHAPITRE 4.
TITEL 4. - De beleids- en beheerscyclus van de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
TITRE 4. - Règles relatives au planning et à la gestion financière de la commune et du centre public daction sociale
HOOFDSTUK 1. - De beleidsrapporten
CHAPITRE 1er. - Les rapports stratégiques
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1ère. - Dispositions générales
Art. 249. § 1. De beleidsrapporten van de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zijn het meerjarenplan, de aanpassingen van het meer-jarenplan en de jaarrekening.
  De beleidsrapporten van de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vormen een geïntegreerd geheel.
  § 2. Elk ontwerp van beleidsrapport wordt op zijn minst veertien dagen voor de vergadering waarop het wordt besproken aan ieder lid van de gemeenteraad of de raad voor maatschappelijk welzijn bezorgd.
  Vanaf het ogenblik dat het ontwerp van het beleidsrapport bezorgd is aan de raadsleden, wordt aan hen ook de bijbehorende documentatie ter beschikking gesteld.
  § 3. De gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn stemmen over hun deel van elk beleidsrapport. Nadat de raden zo het beleidsrapport elk voor hun deel hebben vastgesteld, keurt de gemeenteraad het deel van het beleidsrapport zoals vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn goed. Door die goedkeuring wordt het beleidsrapport in zijn geheel geacht definitief vastgesteld te zijn.
  De gemeenteraad kan het deel van het beleidsrapport zoals vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn niet goedkeuren als dat de financiële belangen van de gemeente bedreigt. In dat geval vervalt de eventuele vaststelling van het deel van het beleidsrapport zoals vastgesteld door de gemeenteraad.
  § 4. Elke raad stemt telkens over het geheel van zijn deel van het beleidsrapport. In afwijking daarvan kan elk raadslid de afzonderlijke stemming eisen over een of meer onderdelen die hij aanwijst. In dat geval mag de betrokken raad pas over het geheel van zijn deel van het beleidsrapport stemmen na de afzonderlijke stemming. Als deze afzonderlijke stemming tot gevolg heeft dat het ontwerp van beleidsrapport moet worden gewijzigd, wordt de stemming over het geheel verdaagd tot een volgende vergadering van de raad. Als de andere raad voordien zijn deel van het beleidsrapport al had vastgesteld, vervalt die vaststelling en stelt die raad het gewijzigde ontwerp van beleidsrapport vast op een volgende vergadering.
Art. 249. § 1er. Les rapports stratégiques de la commune et du centre public daction sociale sont le plan pluriannuel, les adaptations du plan pluriannuel et les comptes annuels.
  Les rapports stratégiques de la commune et du centre public daction sociale constituent un ensemble intégré.
  § 2. Chaque projet de rapport stratégique est transmis, au moins quatorze jours avant la réunion au cours de laquelle il sera examiné, à chaque membre du conseil communal ou du conseil d'aide sociale.
  Dès le moment où le projet de rapport stratégique a été transmis aux conseillers, la documentation correspondante est également mise à leur disposition.
  § 3. Le conseil communal et le conseil d'aide sociale votent sur leur partie de chaque rapport stratégique. Lorsque les membres ont ainsi fixé le rapport stratégique chacun pour leur partie, le conseil communal approuve la partie du rapport stratégique telle que fixée par le conseil d'aide sociale. A la suite de cette approbation, le rapport stratégique dans son ensemble est supposé être définitivement fixé.
  Le conseil communal ne peut approuver la partie du rapport stratégique telle que fixée par le conseil d'aide sociale si ladite approbation compromet les intérêts financiers de la commune. Dans ce cas, l'éventuelle fixation de la partie du rapport stratégique telle que fixée par le conseil communal est annulée.
  § 4. Chaque conseil vote à chaque fois sur l'ensemble de sa partie du rapport stratégique. Par dérogation à ce qui précède, chaque conseiller peut exiger le vote séparé pour une ou plusieurs parties qu'il désigne. Dans ce cas, le conseil concerné ne peut voter sur l'ensemble de sa partie du rapport stratégique qu'après le vote séparé. Si le vote séparé précité entraîne une modification du projet du rapport stratégique, le vote est ajourné dans son ensemble jusqu'à une réunion ultérieure du conseil. Si l'autre conseil avait auparavant fixé sa partie du rapport stratégique, la fixation en question est annulée et le conseil fixe le projet de rapport stratégique modifié lors d'une réunion ultérieure.
Art. 250. Onmiddellijk na de definitieve vaststelling van een beleidsrapport bezorgt de gemeente de gegevens over het vastgestelde beleidsrapport in digitale vorm aan de Vlaamse Regering.
  Het vastgestelde beleidsrapport is pas uitvoerbaar als de digitale rapportering erover aan de Vlaamse Regering is bezorgd.
  Als er nog geen jaarrekening is vastgesteld op 30 juni van het jaar dat volgt op het boekjaar in kwestie bezorgt de gemeente de gegevens over het ontwerp van jaarrekening in digitale vorm aan de Vlaamse Regering.
Art. 250. Immédiatement après la fixation définitive d'un rapport stratégique, la commune transmet les données relatives au rapport stratégique fixé sous forme numérique au Gouvernement flamand.
  Le rapport stratégique fixé n'est exécutoire que lorsque le rapport numérique correspondant a été transmis au Gouvernement flamand.
  Si les comptes annuels n'ont pas encore été fixés au 30 juin de l'année qui suit l'exercice concerné, la commune transmet les données relatives au projet de comptes annuels sous forme numérique au Gouvernement flamand.
Art. 251. In de beleidsrapporten wordt een onderscheid gemaakt tussen de exploitatie, de investeringen en de financiering.
Art. 251. Les rapports stratégiques établissent une distinction entre l'exploitation, les investissements et le financement.
Art. 252. Het boekjaar begint op 1 januari en eindigt op 31 december van hetzelfde jaar.
Art. 252. L'exercice commence le 1er janvier et se termine le 31 décembre de la même année.
Art. 253. Elke gemeente en elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voeren een algemene en een budgettaire boekhouding, aangepast aan de aard en de omvang van hun activiteiten.
Art. 253. Chaque commune et chaque centre public daction sociale tiennent une comptabilité générale et une comptabilité budgétaire, adaptées à la nature et à l'ampleur de leurs activités.
Afdeling 2. - Het meerjarenplan
Section 2. - Le plan pluriannuel
Art. 254. Voor het einde van het jaar dat volgt op de gemeenteraadsverkiezingen wordt een meerjarenplan vastgesteld. Dat meerjarenplan bestaat uit een strategische nota, een financiële nota en een toelichting.
  Het meerjarenplan start in het tweede jaar dat volgt op de gemeenteraadsverkiezingen en loopt af op het einde van het jaar na de daaropvolgende gemeenteraadsverkiezingen.
Art. 254. Un plan pluriannuel est établi avant la fin de l'année qui suit les élections communales. Le plan pluriannuel se compose d'une note stratégique, d'une note financière et de commentaires.
  Le plan pluriannuel commence la deuxième année qui suit les élections communales et se termine à la fin de l'année qui suit les élections communales suivantes.
Art. 255. In de strategische nota van het meerjarenplan worden de beleidsdoelstellingen en de beleidsopties voor het extern en intern te voeren beleid geïntegreerd weergegeven.
  In de financiële nota van het meerjarenplan wordt de financiële vertaling van de beleidsopties van de strategische nota weergegeven en wordt verduidelijkt hoe het financiële evenwicht wordt gehandhaafd.
  De toelichting van het meerjarenplan bevat alle informatie over de verrichtingen in het ontwerp van meerjarenplan die relevant is voor de raadsleden om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen.
Art. 255. La note stratégique du plan pluriannuel reprend de manière intégrée les objectifs stratégiques et les options stratégiques pour la politique externe et interne à mener.
  La note financière du plan pluriannuel reprend la traduction financière des options stratégiques de la note stratégique, et explique la façon dont l'équilibre financier est maintenu.
  Les commentaires du plan pluriannuel contiennent toutes les informations relatives aux opérations figurant dans le projet de plan pluriannuel pertinentes pour permettre aux conseillers de prendre une décision en connaissance de cause.
Art. 256. De ramingen voor de exploitatie, de investeringen en de financiering in het eerste jaar van de financiële nota van het meerjarenplan omvatten ook de kredieten voor de gemeente en de kredieten voor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voor dat boekjaar.
  [1 Een krediet is het bedrag voor ontvangsten en uitgaven binnen щщn boekjaar, dat toegekend is in de financiële nota van het meerjarenplan of de aanpassing ervan.]1
  
Art. 256. Les estimations pour l'exploitation, les investissements et le financement dans la première année de la note financière du plan pluriannuel incluent aussi les crédits pour la commune et les crédits pour le centre public daction sociale pour ledit exercice.
  [1 Un crédit est le montant pour les recettes et les dépenses au cours d'un exercice, qui est accordé dans la note financière du plan pluriannuel ou dans son adaptation.]1
  
Afdeling 3. - Aanpassingen van het meerjarenplan
Section 3. - Adaptations du plan pluriannuel
Art. 257. § 1. Minstens een keer per jaar wordt het meerjarenplan aangepast, waarbij in elk geval de kredieten voor het volgende boekjaar worden vastgesteld. Als dat nodig is, kunnen daarbij ook de kredieten voor het lopende boekjaar worden aangepast. Daarnaast kan het meerjarenplan, als dat nodig is, ook worden aangepast om alleen de kredieten voor het lopende boekjaar aan te passen [1 of vast te stellen]1.
  Als voor 1 januari van het jaar dat volgt op de gemeenteraadsverkiezingen de kredieten voor dat boekjaar nog niet werden vastgesteld, worden, in afwijking van het eerste lid, op die datum de kredieten voor dat boekjaar automatisch vastgesteld op basis van de ramingen voor dat boekjaar in de financiële nota van het meerjarenplan.
  Bij elke aanpassing van het meerjarenplan wordt het resultaat van de intussen vastgestelde jaarrekeningen verwerkt.
  De periode van het meerjarenplan blijft altijd de periode, vermeld in artikel 254, tweede lid, maar de financiële nota beschrijft altijd de financiële consequenties voor ten minste drie toekomstige boekjaren.
  § 2. Een aanpassing van het meerjarenplan omvat minstens een aangepaste financiële nota, een toelichting en de eventuele wijzigingen van de strategische nota.
  
Art. 257. § 1er. Le plan pluriannuel est adapté au moins une fois par an ; les crédits pour l'exercice suivant sont fixés le cas échéant. Si nécessaire, les crédits pour l'exercice en cours peuvent également être adaptés. Par ailleurs, si nécessaire, le plan pluriannuel peut également être adapté de manière à n'adapter [1 ou à fixer]1 que les crédits pour l'exercice en cours.
  Si les crédits pour ledit exercice n'ont pas encore été fixés pour le 1er janvier de l'année suivant les élections communales, les crédits pour l'exercice en question sont, par dérogation à l'alinéa premier, automatiquement fixés à cette date sur la base des estimations pour ledit exercice dans la note financière du plan pluriannuel.
  Toute adaptation du plan pluriannuel intègre le résultat des comptes annuels fixés entretemps.
  La période du plan pluriannuel reste toujours la période mentionnée à l'article 254, deuxième alinéa, mais la note financière décrit toujours les conséquences financières pour trois exercices à venir au moins.
  § 2. Une adaptation du plan pluriannuel contient au moins une note financière adaptée, des commentaires ainsi que les éventuelles modifications de la note stratégique.
  
Art. 258. Het college van burgemeester en schepenen bepaalt, voor 1 maart van het lopende boekjaar, welk gedeelte van de kredieten voor de gemeente voor investeringen [1 , op te nemen leningen en leasings en toegestane leningen en betalingsuitstel,]1 die voor het vorige boekjaar opgenomen waren in het meerjarenplan maar nog niet zijn aangewend, overgedragen worden naar het lopende boekjaar. Het vast bureau doet hetzelfde voor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  De gemeente bezorgt de gegevens over de stand van het meerjarenplan na de overdrachten, vermeld in het eerste lid, onmiddellijk in digitale vorm aan de Vlaamse Regering.
  
Art. 258. Avant le 1er mars de l'exercice en cours, le collège des bourgmestre et échevins définit la partie des crédits pour la commune en vue des investissements [1 , des prêts et crédits-bail à reprendre et des prêts et reports de paiement autorisés,]1 repris dans le plan pluriannuel pour l'exercice précédent mais non encore utilisés, à transférer à l'exercice en cours. Le bureau permanent fait de même pour le centre public daction sociale.
  La commune transmet immédiatement et sous forme numérique au Parlement flamand les données relatives à l'état du plan pluriannuel après les transferts mentionnés à l'alinéa premier.
  
Afdeling 4. - Bijzondere bepaling over het bestuurlijk toezicht op het meerjarenplan
Section 4. - Disposition particulière relative au contrôle administratif sur le plan pluriannuel
Art. 259. Met behoud van de bevoegdheid van de toezichthoudende overheid tot vernietiging wegens schending van het recht of strijdigheid met het algemeen belang, met toepassing van artikel 330 tot en met 334, vernietigt de toezichthoudende overheid het meerjarenplan of de aanpassing ervan in de volgende gevallen:
  1° aan de raadsleden is in het beleidsrapport niet alle noodzakelijke informatie ter beschikking gesteld om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen, onder meer over de financiële risico's;
  2° er wordt niet afdoende of alleen op basis van fictieve gegevens aangetoond dat het financiële evenwicht gevrijwaard blijft in de boekjaren waarop het meerjarenplan betrekking heeft;
  3° het meerjarenplan dat aan de raadsleden is bezorgd, stemt niet overeen met de digitale rapportering die daarover aan de Vlaamse Regering is bezorgd met toepassing van artikel 250;
  4° verwachte ontvangsten of uitgaven zijn ten onrechte, of ten onrechte niet, opgenomen in het meerjarenplan.
  In afwijking van artikel 332 beschikt de toezichthoudende overheid over vijftig dagen om het meerjarenplan of de aanpassing ervan te vernietigen en om de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn daarvan op de hoogte te brengen. Die termijn gaat in op de dag nadat de gemeente zowel de toezichthoudende overheid op de hoogte heeft gebracht van de bekendmaking van het beleidsrapport, met toepassing van artikel 286, § 1, 3°, als de digitale rapportering erover aan de Vlaamse Regering heeft bezorgd met toepassing van artikel 250.
Art. 259. Sans préjudice de la compétence de l'autorité de tutelle d'annulation pour violation du droit ou de contrariété à l'intérêt général, en application des articles 330 à 334 inclus, l'autorité de tutelle annule le plan pluriannuel ou son adaptation dans les cas suivants :
  1° le rapport stratégique ne fournit pas aux conseillers toutes les informations nécessaires pour pouvoir prendre une décision en connaissance de cause, notamment au sujet des risques financiers ;
  2° il n'est pas démontré à suffisance, ou uniquement sur la base de données fictives, que l'équilibre financier reste garanti dans les livres annuels sur lesquels porte le plan pluriannuel ;
  3° le plan pluriannuel transmis aux conseillers ne correspond pas au rapport numérique correspondant qui a été transmis au Gouvernement flamand en application de l'article 250 ;
  4° les recettes ou dépenses attendues sont reprises à tort ou ne sont pas reprises à tort dans le plan pluriannuel.
  Par dérogation à l'article 332, l'autorité de tutelle dispose de cinquante jours pour annuler le plan pluriannuel ou son adaptation et en informer la commune et le centre public daction sociale. Le délai précité court à dater du lendemain du jour où la commune a informé l'autorité de tutelle de la publication du rapport stratégique, en application de l'article 286, § 1er, 3°, et a transmis le rapport numérique correspondant au Gouvernement flamand en application de l'article 250.
Afdeling 5. - De jaarrekening
Section 5. - Les comptes annuels
Art. 260. Nadat de rekeningen van de boekhouding, vermeld in artikel 253, in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris van al de bezittingen, rechten, vorderingen, schulden en verplichtingen, van welke aard ook, van de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, worden ze samengevat opgenomen in het ontwerp van de jaarrekening.
  De jaarrekening bestaat uit een beleidsevaluatie, een financiële nota en een toelichting.
  De jaarrekening wordt vastgesteld voor 30 juni van het boekjaar dat volgt op het boekjaar waarop de rekening betrekking heeft.
Art. 260. Une fois les comptes annuels mentionnés à l'article 253 mis en conformité avec les données de l'inventaire de toutes les droits, possessions, créances, dettes et engagements de quelque nature que ce soit de la commune et du centre public daction sociale, ils sont repris sous forme résumée dans le projet de comptes annuels.
  Les comptes annuels comprennent une évaluation stratégique, une note financière et des commentaires.
  Les comptes annuels sont fixés avant le 30 juin de l'exercice qui suit celui auquel ils se rapportent.
Art. 261. De beleidsevaluatie van de jaarrekening geeft het beleid weer dat de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gedurende het boekjaar hebben gevoerd en evalueert de beleidsdoelstellingen en de mate waarin ze zijn bereikt.
  De financiële nota van de jaarrekening geeft de financiële gevolgen van het gevoerde beleid weer.
  De toelichting van de jaarrekening bevat alle informatie over de verrichtingen in het ontwerp van jaarrekening die relevant is voor de raadsleden om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen. Ze bevat minstens informatie over de schulden en de financiële risico's.
Art. 261. L'évaluation stratégique des comptes annuels reflète la stratégie menée par la commune et le centre public daction sociale au cours de l'exercice et évalue les objectifs stratégiques et la mesure dans laquelle ils sont atteints.
  La note financière des comptes annuels reprend les conséquences financières de la politique menée.
  Les commentaires des comptes annuels contiennent toutes les informations relatives aux opérations figurant dans le projet de comptes annuels pertinentes pour permettre aux conseillers de prendre une décision en connaissance de cause. Ils contiennent au moins des informations relatives aux dettes et aux risques financiers.
Afdeling 6. - Bijzondere bepaling over het bestuurlijk toezicht op de jaarrekening
Section 6. - Disposition particulière relative au contrôle administratif sur les comptes annuels
Art. 262. § 1. De toezichthoudende overheid keurt de jaarrekening goed op voorwaarde dat:
  1° aan de raadsleden in het beleidsrapport alle noodzakelijke informatie ter beschikking is gesteld om met kennis van zaken een beslissing te nemen;
  2° de jaarrekening juist en volledig is en een waar en getrouw beeld geeft van de financiële toestand van de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
  3° het beleidsrapport dat aan de raadsleden is bezorgd overeenstemt met de digitale rapportering die daarover aan de Vlaamse Regering is bezorgd met toepassing van artikel 250;
  4° de algemene en de budgettaire boekhouding op elkaar aansluiten.
  Als de toezichthoudende overheid geen besluit heeft verzonden naar de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn binnen een termijn van honderdvijftig dagen wordt ze geacht de jaarrekening goed te keuren. Die termijn gaat in op de dag nadat de gemeente zowel de toezichthoudende overheid op de hoogte heeft gebracht van de bekendmaking van de jaarrekening, met toepassing van artikel 286, § 1, 3°, als de digitale rapportering erover aan de Vlaamse Regering heeft bezorgd met toepassing van artikel 250.
  § 2. De toezichthoudende overheid kan bij de goedkeuring bepaalde verrichtingen als onregelmatig bestempelen en beslist dan over de aansprakelijkheid van de actoren die betrokken zijn bij die verrichtingen. Ze brengt de betrokkenen onmiddellijk op de hoogte van haar beslissing met een aangetekende brief of een andere melding die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in [1 artikel 1.5 van het Burgerlijk Wetboek]1, en die een bewijs oplevert van die melding, van het tijdstip waarop ze is verricht en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens. In voorkomend geval wordt daarbij een verzoek gevoegd om het vastgestelde bedrag aan de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te betalen. Een afschrift van de beslissing van de toezichthoudende overheid wordt bezorgd aan de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, al naargelang het geval.
  
Art. 262. § 1er. L'autorité de tutelle approuve les comptes annuels à condition :
  1° que le rapport stratégique fournisse aux conseillers toutes les informations nécessaires pour pouvoir prendre une décision en connaissance de cause ;
  2° que les comptes annuels soient exacts et complets, et qu'ils reflètent fidèlement la situation financière de la commune et du centre public daction sociale ;
  3° que le rapport stratégique transmis aux conseillers corresponde au rapport numérique correspondant qui a été transmis au Gouvernement flamand en application de l'article 250 ;
  4° que la comptabilité générale et budgétaire correspondent.
  Si l'autorité de tutelle n'a pas transmis de décision à la commune et au centre public daction sociale dans un délai de cent cinquante jours, elle est supposée approuver les comptes annuels. Le délai précité court à dater du lendemain du jour où la commune a informé l'autorité de tutelle de la publication des comptes annuels, en application de l'article 286, § 1er, 3°, et a transmis le rapport numérique correspondant au Gouvernement flamand en application de l'article 250.
  § 2. Lors de l'approbation, l'autorité de tutelle peut qualifier certaines opérations d'irrégulières et décide alors de la responsabilité des acteurs qui sont impliqués dans lesdites opérations. Elle informe immédiatement les intéressés de sa décision par lettre recommandée ou autre notification répondant aux conditions prévues à [1 l'article 1.5 du Code civil]1 et assortie d'un accusé de réception, de la date de son envoi ainsi que de l'authenticité et de l'intégrité des données traitées. Le cas échéant, il est joint une demande de payer le montant fixé à la commune ou aux centres publics d'aide sociale. Une copie de la décision de l'autorité de tutelle est transmise à la commune ou aux centres publics d'aide sociale, selon le cas.
  
HOOFDSTUK 2. - Andere rapporteringen
CHAPITRE 2. - Autres rapports
Art. 263. De gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn bepalen wanneer hen een opvolgingsrapportering, met een stand van zaken van de uitvoering van het meerjarenplan, wordt voorgelegd.
  Er wordt minstens voor het einde van het derde kwartaal een opvolgingsrapportering over het eerste semester van het boekjaar voorgelegd.
Art. 263. Le conseil communal et le conseil d'aide sociale déterminent le moment auquel un rapport de suivi, accompagné d'un état des lieux de l'exécution du plan pluriannuel, leur est soumis.
  Un rapport de suivi du premier semestre de l'exercice est présenté au moins avant la fin du troisième trimestre.
Art. 264. De gemeente rapporteert aan de Vlaamse Regering over de verrichte transacties van elk kwartaal voor het einde van de maand die volgt op het kwartaal.
  De rapportering, vermeld in het eerste lid, omvat zowel de transacties van de gemeente als die van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
Art. 264. La commune rend compte au Gouvernement flamand des transactions de chaque trimestre avant la fin du mois qui suit le trimestre.
  Le rapport mentionné à l'alinéa premier inclut tant les transactions de la commune que celles du centre public daction sociale.
HOOFDSTUK 3. - De ontvangsten- en uitgavencyclus
CHAPITRE 3. - Cycle des recettes et des dépenses
Art. 265. Een verbintenis mag alleen worden aangegaan als de financiële gevolgen ervan tijdens de periode van het meerjarenplan passen binnen de ramingen van het meerjarenplan en als de financiële gevolgen voor het lopende boekjaar passen binnen de limitatieve kredieten voor dat boekjaar in het meerjarenplan.
  Als de gemeente nog niet over uitvoerbare kredieten beschikt voor het lopende boekjaar, is het aangaan of het wijzigen van verbintenissen onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring door de gemeenteraad. De gemeente kan dan alleen verbintenissen aangaan of wijzigen die behoren tot de exploitatie en die verband houden met de courante werking en de bestaande dienstverlening.
  Iedereen die in strijd met het tweede lid verbintenissen heeft aangegaan, is daarvoor persoonlijk verantwoordelijk, behalve in de gevallen die door of krachtens dit decreet worden bepaald en met behoud van de eventuele medeverantwoordelijkheid van andere organen of personeelsleden.
Art. 265. Un engagement ne peut être pris que si ses conséquences financières dans la période du plan pluriannuel cadrent avec les estimations du plan pluriannuel et si les conséquences financières pour l'exercice en cours cadrent avec les crédits limitatifs pour ledit exercice dans le plan pluriannuel.
  Si la commune ne dispose pas encore de crédits exécutoires pour l'exercice en cours, la prise ou la modification d'engagements est soumise à l'approbation préalable du conseil communal. La commune ne peut alors prendre ou modifier que les engagements qui relèvent de l'exploitation et sont liés à l'activité courante et au service existant.
  Quiconque a pris des engagements en violation du deuxième alinéa en est personnellement responsable, sauf dans les cas prévus par ou en vertu du présent décret et sans préjudice de coresponsabilité éventuelle d'autres organes ou membres du personnel.
Art. 266. De voorgenomen financiële verbintenissen die resulteren in een uitgaande nettokasstroom zijn onderworpen aan een voorafgaand visum, voordat enige verbintenis kan worden aangegaan.
  De financieel directeur onderzoekt de wettigheid en regelmatigheid van die voorgenomen verbintenissen in het kader van zijn opdracht vermeld in artikel 177, eerste lid, 1°. Hij verleent zijn visum, als uit dat onderzoek de wettigheid en regelmatigheid van de voorgenomen verbintenis blijkt. Hij kan voorwaarden koppelen aan zijn visum. Als de financieel directeur weigert zijn visum te verlenen, of als hij er voorwaarden aan koppelt, motiveert hij dat.
  De gemeenteraad bepaalt, na advies van de financieel directeur, de nadere voorwaarden waaronder de financieel directeur de controle, vermeld in het tweede lid, uitoefent. De gemeenteraad kan binnen de perken die vastgelegd zijn door de Vlaamse Regering, en na advies van de financieel directeur, bepaalde categorieën van verrichtingen uitsluiten van de visumverplichting.
  Het organisatiebeheersingssysteem bepaalt de voorwaarden die gelden om advies te kunnen vragen aan de financieel directeur over de wettigheid en regelmatigheid van verrichtingen die van de visumverplichting zijn uitgesloten.
Art. 266. Les engagements financiers pris antérieurement et qui entraînent un flux de trésorerie sortant net sont soumis à un visa préalable avant qu'un quelconque engagement puisse être pris.
  Le gestionnaire financier examine la légalité et la régularité de ces engagements pris dans le cadre de sa mission au sens de l'article 177, alinéa premier, 1°. Il accorde son visa si l'enquête atteste de la légalité et de la régularité de l'engagement pris. Il peut assortir son visa de conditions. Si le gestionnaire financier refuse d'accorder son visa, ou s'il l'assortit de conditions, il motive ces décisions.
  Le conseil communal détermine, sur avis du gestionnaire financier, les autres conditions auxquelles le gestionnaire financier exerce le contrôle mentionné au deuxième alinéa. Dans les limites fixées par le Gouvernement flamand et sur avis du gestionnaire financier, le conseil communal peut exclure certaines catégories d'opérations de l'obligation de visa.
  Le système de contrôle interne détermine les conditions applicables pour pouvoir demander l'avis du gestionnaire financier quant à la légalité et à la régularité des opérations exclues de l'obligation de visa.
Art. 267. Als de financieel directeur weigert om een visum te verlenen aan een voorgenomen verbintenis, kan het college van burgemeester en schepenen op eigen verantwoordelijkheid viseren. In dat geval brengt het college van burgemeester en schepenen de gemotiveerde beslissing van de financieel directeur, samen met zijn eigen beslissing, ter kennis van de gemeenteraad.
  De verbintenis kan pas worden aangegaan nadat de gemeenteraad heeft kunnen kennisnemen van die beslissing van het college van burgemeester en schepenen.
  In afwijking van het eerste lid kan de gemeenteraad in de situatie, vermeld in artikel 265, tweede lid, viseren als de financieel directeur weigert om een visum te verlenen aan een voorgenomen verbintenis.
Art. 267. Si le gestionnaire financier refuse d'accorder un visa à un engagement pris, le collège des bourgmestre et échevins peut viser de son propre chef. Dans ce cas, le collège des bourgmestre et échevins porte la décision motivée du gestionnaire financier, ainsi que sa propre décision, à la connaissance du conseil communal.
  L'engagement ne peut être pris qu'après que le conseil communal a pu prendre connaissance de cette décision du collège des bourgmestre et échevins.
  Par dérogation à l'alinéa premier, le conseil communal peut viser dans la situation mentionnée à l'article 265, deuxième alinéa si le gestionnaire financier refuse d'accorder un visa à un engagement pris antérieurement.
Art. 268. Met het behoud van de toepassing van artikel 265, eerste en tweede lid, kan de gemeente geen verbintenissen uitvoeren zonder dat er kredieten voor beschikbaar zijn.
  Totdat de gemeente over uitvoerbare kredieten beschikt, kan ze alleen uitgaven doen overeenkomstig verbintenissen die zijn aangegaan voor het begin van het boekjaar en overeenkomstig nieuwe verbintenissen die behoren tot de exploitatie en die verband houden met de courante werking en de bestaande dienstverlening.
Art. 268. Sans préjudice de l'application de l'article 265, premier alinéa, la commune ne peut exécuter d'engagement sans que les crédits nécessaires ne soient disponibles.
  Jusqu'à ce que la commune dispose de crédits exécutoires, elle ne peut procéder qu'à des dépenses conformément aux engagements pris avant le début de l'exercice et conformément aux nouveaux engagements qui relèvent de l'exploitation et qui sont liés à l'activité courante et au service existant.
Art. 269. De gemeenteraad kan zonder de nodige kredieten over de uitgaven beslissen die door dwingende en onvoorziene omstandigheden vereist zijn, op voorwaarde dat hij daarvoor een met redenen omkleed besluit neemt.
  In dezelfde omstandigheden en als het geringste uitstel onbetwistbare schade zou veroorzaken, kan het college van burgemeester en schepenen op eigen verantwoordelijkheid over de uitgaven beslissen. Het college van burgemeester en schepenen brengt de gemeenteraad daarvan onmiddellijk op de hoogte.
  [1 ...]1.
  In de gevallen, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden de financiële gevolgen opgenomen in de eerstvolgende aanpassing van het meerjarenplan.
  
Art. 269. Le conseil communal peut prendre une décision, sans les crédits nécessaires, quant aux dépenses requises par des circonstances contraignantes et imprévues, à la condition qu'il prenne à cet effet une décision motivée.
  Dans les mêmes circonstances et si le moindre délai devait entraîner des dommages incontestables, le collège des bourgmestre et échevins peut prendre une décision quant aux dépenses de son propre chef. Le collège des bourgmestre et échevins en informe immédiatement le conseil communal.
  [1 ...]1.
  Dans les cas prévus aux premier et deuxième alinéas, les conséquences financières sont reprises dans l'adaptation suivante du plan pluriannuel.
  
Art. 270. Als verschillende gemeenten betrokken zijn bij een uitgave die door of krachtens wettelijke of decretale bepalingen aan de gemeente is opgelegd, dragen ze allemaal daarin bij naar evenredigheid van het belang dat ze erbij kunnen hebben. In geval van weigering of van onenigheid over de verhouding van dat belang en van de te dragen lasten, beslist de toezichthoudende overheid over het aandeel van elke gemeente.
Art. 270. Si plusieurs communes sont impliquées dans une dépense imposée à la commune, de par ou en vertu de dispositions légales ou décrétales, elles y contribuent toutes à proportion de l'intérêt qu'elles peuvent y avoir. En cas de refus ou de désaccord quant à la proportion dudit intérêt et des charges à supporter, l'autorité de tutelle prend une décision quant à la part de chaque commune.
Art. 271. Als het college van burgemeester en schepenen, overeenkomstig artikel 304, § 6, het beheer van een bepaald budget voor de realisatie van een bepaalde actie of een bepaald project heeft toevertrouwd aan een wijkcomité of een burgerinitiatief, staat een personeelslid van de gemeente in voor de praktische uitvoering van dit beheer.
Art. 271. Si le collège des bourgmestre et échevins, conformément à l'article 304, § 6, a confié la gestion d'un budget déterminé pour la réalisation d'une action déterminée ou d'un projet déterminé à un comité de quartier ou à une initiative citoyenne, un membre du personnel de la commune assure l'exécution pratique de cette gestion.
Art. 272. § 1. Alle girale betalingen worden ondertekend door de algemeen directeur en de financieel directeur. Met zijn handtekening bevestigt de algemeen directeur dat de uitgave wettig en regelmatig is.
  Als het organisatiebeheersingssysteem daarvoor een regeling bevat, kunnen provisies ter beschikking gesteld worden van personeelsleden voor het betalen van geringe exploitatie-uitgaven die voor de goede werking van de dienst onmiddellijk moeten worden gedaan. Het eerste lid is niet van toepassing op de betalingen vanuit die provisies.
  Betalingen in verband met het thesauriebeheer verricht de financieel directeur autonoom. Daaronder vallen [1 ook de betalingen tussen de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient, maar]1 niet de betalingen naar de provisies, vermeld in het tweede lid.
  § 2. Als de algemeen directeur of een personeelslid dat hij met betalingsverrichtingen belast heeft, weigert een betalingsopdracht aan een financiële instelling te ondertekenen, kan het college van burgemeester en schepenen op eigen verantwoordelijkheid bevelen de betaling uit te voeren. Een dergelijk bevel kan niet worden geweigerd.
  In het geval, vermeld in het eerste lid, brengt het college van burgemeester en schepenen de gemeenteraad op de hoogte van dat betalingsbevel.
  De betaling, vermeld in het eerste lid, kan pas worden uitgevoerd nadat de gemeenteraad heeft kunnen kennisnemen van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen.
  
Art. 272. § 1er. Tous les paiements en monnaie scripturale sont signés par le [directeur général] et le gestionnaire financier. Par sa signature, le [directeur général] confirme que la dépense est légale et régulière.
  Si le système de contrôle interne prévoit une réglementation sur ce point, des provisions peuvent être mises à la disposition des membres du personnel pour le paiement de petites dépenses d'exploitation immédiatement nécessaires au bon fonctionnement du service. L'alinéa 1er ne s'applique pas aux paiements provenant des provisions précitées.
  Le gestionnaire financier effectue de manière autonome les paiements liés à la gestion de trésorerie. [1 Les paiements entre la commune et le centre public d'action sociale qui sert la commune en font également partie, mais pas les paiements affectés aux provisions visés à l'alinéa 2]1.
  § 2. Si le [directeur général] ou un membre du personnel que le [directeur général] a chargé des paiements refuse de signer un ordre de paiement à une institution financière, le collège des bourgmestre et échevins peut ordonner de son propre chef l'exécution du paiement. L'ordre précité ne peut être refusé.
  Dans le cas mentionné à l'alinéa premier, le collège des bourgmestre et échevins informe le conseil communal de l'ordre de paiement en question.
  Le paiement mentionné à l'alinéa premier ne peut être effectué qu'après que le conseil communal a pu prendre connaissance de la décision du collège des bourgmestre et échevins.
  
Art. 273. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met uitzondering van artikel 271 en met dien verstande dat de hiernavolgende woorden worden gelezen als volgt:
  1° "gemeente" als "openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn";
  2° "gemeenteraad" als "raad voor maatschappelijk welzijn";
  3° "college van burgemeester en schepenen" als "vast bureau".
Art. 273. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux centres publics d'aide sociale, à l'exception de l'article 271 et étant entendu que les termes suivants se lisent comme suit :
  1° " commune " comme " centre public daction sociale " ;
  2° " conseil communal " comme " conseil d'aide sociale " ;
  3° " collège des bourgmestre et échevins " comme " bureau permanent ".
HOOFDSTUK 4. - Bijzondere bepaling over het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
CHAPITRE 4. - Disposition particulière relative aux centres publics d'aide sociale
Art. 274. De gemeente zorgt er voor dat het openbare centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient steeds zijn financiële verplichtingen kan nakomen.
Art. 274. La commune veille à ce que le centre public daction sociale qui sert la commune puisse à tout moment s'acquitter de ses obligations financières.
HOOFDSTUK 5. - Nadere uitwerking door de Vlaamse Regering
CHAPITRE 5. - Spécification par le Gouvernement flamand
Art. 275. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorschriften voor de uitvoering van deze titel en de bijbehorende documenten, met inbegrip van de te hanteren modellen, de rekeningenstelsels en de inhoud en wijze van de digitale rapporteringen.
  De Vlaamse Regering bepaalt welke kredieten limitatief zijn.
  De Vlaamse Regering bepaalt de minimale vereisten waaraan de informaticasystemen moeten voldoen die door de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden gehanteerd bij de uitvoering van de bepalingen van deze titel.
Art. 275. Le Gouvernement flamand définit les prescriptions relatives à l'exécution du présent titre et les documents correspondants, y compris les modèles à appliquer, les plans comptables ainsi que le contenu et la méthode des rapports numériques.
  Le Gouvernement flamand détermine les crédits qui sont limitatifs.
  Le Gouvernement flamand définit les exigences minimales auxquelles doivent répondre les systèmes informatiques utilisés par la commune et le centre public daction sociale lors de l'exécution des dispositions du présent titre.
TITEL 5. - De werking van het lokaal bestuur
TITRE 5. - Du fonctionnement de l'administration locale
HOOFDSTUK 1. - Akten van het lokaal bestuur
CHAPITRE 1er. - Actes de l'administration locale
Afdeling 1. - Opmaken en ondertekenen van akten
Section 1ère. - Etablissement et signature d'actes
Art. 276. Akten en documenten van de gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, het autonoom gemeentebedrijf en het gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm mogen op elke informatiedrager geplaatst worden, als de gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, het autonoom gemeentebedrijf of het gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm een duurzame bewaring en toegankelijkheid garandeert.
  Voor de toepassing van dit decreet kan aan de vereiste van een handtekening voldaan worden door een elektronische procedure die de authenticiteit en de integriteit van de gegevens waarborgt. De Vlaamse Regering kan die elektronische procedure nader bepalen.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de wijze waarop gegevens, akten en documenten van de gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, het autonoom gemeentebedrijf en het gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm opgemaakt, bewaard en gecommuniceerd worden.
Art. 276. Les actes et documents de la commune, du centre public daction sociale, de la régie communale autonome et de l'agence autonomisée externe communale de droit privé peuvent être enregistrés sur tout support d'information pour peu que ledit support garantisse une conservation durable des données et l'accessibilité à la commune, aux centres publics d'aide sociale, à la régie communale autonome ou à l'agence autonomisée externe communale de droit privé.
  Aux fins de l'application du présent décret, l'obligation de signature peut être remplie par une procédure électronique garantissant l'authenticité et l'intégrité des données. Le Gouvernement flamand peut définir ladite procédure électronique.
  Le Gouvernement flamand peut définir des règles relatives à l'établissement, à la conservation et à la communication des données, actes et documents de la commune, du centre public daction sociale, de la régie communale autonome et de l'agence autonomisée externe communale de droit privé.
Art. 277. § 1. De algemeen directeur woont de vergaderingen van de gemeenteraad bij en is verantwoordelijk voor het opstellen en het bewaren van de notulen en het zittingsverslag ervan.
  De notulen en het zittingsverslag van de gemeenteraad worden, na goedkeuring, ondertekend door de voorzitter van de gemeenteraad en de algemeen directeur.
  De bepalingen, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "gemeenteraad" wordt gelezen als "raad voor maatschappelijk welzijn".
  § 2. De algemeen directeur woont de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen bij en is verantwoordelijk voor het opstellen en het bewaren van de notulen ervan.
  De notulen van het college van burgemeester en schepenen worden, na goedkeuring, door de burgemeester en door de algemeen directeur ondertekend.
  De bepalingen, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "college van burgemeester en schepenen" wordt gelezen als "vast bureau", en "burgemeester" wordt gelezen als "voorzitter van het vast bureau".
  § 3. De algemeen directeur woont de vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst bij en is verantwoordelijk voor het opstellen en het bewaren van de notulen ervan.
  De algemeen directeur kan het bijwonen van de vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst, het opstellen en het medeondertekenen van de notulen delegeren aan een personeelslid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Als dat is opgenomen in de beheersovereenkomst, vermeld in artikel 196, kan hij die bevoegdheid ook toevertrouwen aan een personeelslid van de gemeente.
  De notulen van het bijzonder comité voor de sociale dienst worden, na goedkeuring, ondertekend door de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst en, naargelang het geval, door de algemeen directeur of door het personeelslid dat de algemeen directeur heeft aangewezen overeenkomstig het tweede lid.
Art. 277. § 1er. Le [directeur général] assiste aux réunions du conseil communal et est responsable de l'établissement et de la conservation du procès-verbal et du rapport de séance de celles-ci.
  Le procès-verbal et le rapport de séance du conseil communal sont signés, après approbation, par le président du conseil communal et le [directeur général].
  Les dispositions mentionnées au premier et deuxième alinéa s'appliquent aux centres publics d'aide sociale, étant entendu que " conseil communal " se lit " conseil d'aide sociale ".
  § 2. Le [directeur général] assiste aux réunions du collège des bourgmestre et échevins et est responsable de l'établissement et de la conservation du procès-verbal de celles-ci.
  Les procès-verbaux du collège des bourgmestre et échevins sont signés, après approbation, par le bourgmestre et par le [directeur général].
  Les dispositions mentionnées au premier et deuxième alinéa s'appliquent aux centres publics d'aide sociale, étant entendu que " collège des bourgmestre et échevins " se lit " bureau permanent ", et que " bourgmestre " se lit " président du bureau permanent ".
  § 3. Le [directeur général] assiste aux réunions du comité spécial du service social et est responsable de l'établissement et de la conservation du procès-verbal de celles-ci.
  Le [directeur général] peut déléguer la présence aux réunions du comité spécial du service social, l'établissement et la co-signature du procès-verbal à un membre du personnel du centre public daction sociale. Si le contrat de gestion mentionné à l'article 196 le prévoit, le [directeur général] peut également confier ladite compétence à un membre du personnel de la commune.
  Le procès-verbal du comité spécial du service social est signé, après approbation, par le président du comité spécial du service social et, selon le cas, par le [directeur général] ou par le membre du personnel que le [directeur général] a désigné conformément au deuxième alinéa.
Art. 278. § 1. De notulen van de vergaderingen van de gemeenteraad vermelden, in chronologische volgorde, alle besproken onderwerpen, alsook het gevolg dat is gegeven aan de punten waarover de gemeenteraad geen beslissing heeft genomen. Ze maken melding van alle beslissingen en het resultaat van de stemmingen. Behalve bij geheime stemming, vermelden de notulen hoe elk lid gestemd heeft. Van die laatste verplichting kan worden afgeweken voor beslissingen die genomen zijn met unanimiteit.
  De zittingsverslagen van de vergaderingen van de gemeenteraad vermelden, in chronologische volgorde, alle besproken onderwerpen, de essentie van de tussenkomsten en van de mondeling en schriftelijk gestelde vragen en antwoorden. De gemeenteraad kan beslissen om het zittingsverslag te vervangen door een audio- of audiovisuele opname van de openbare zitting van de gemeenteraad.
  Als de gemeenteraad een aangelegenheid overeenkomstig artikel 28 in besloten vergadering behandelt, vermelden de notulen alleen de beslissingen en wordt er geen zittingsverslag opgesteld.
  De bepalingen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, zijn van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "gemeenteraad" wordt gelezen als "raad voor maatschappelijk welzijn".
  § 2. De notulen van de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen vermelden de beslissingen van het college.
  Als het college overeenkomstig artikel 267 op eigen verantwoordelijkheid een voorgenomen verbintenis viseert of overeenkomstig artikel 272 op eigen verantwoordelijkheid een bevel geeft tot betaling van een uitgave, wordt, op verzoek van een lid van het college, een verklaring over zijn stemgedrag in de notulen opgenomen.
  De bepalingen, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "college van burgemeester en schepenen" en "college" worden gelezen als "vast bureau".
  § 3. De notulen van de vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst vermelden de beslissingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst.
Art. 278. § 1er. Le procès-verbal des réunions du conseil communal mentionne, dans l'ordre chronologique, tous les thèmes abordés, ainsi que la suite qui est donnée aux points pour lesquels le conseil communal n'a pas pris de décision. Il mentionne toutes les décisions et le résultat des votes. Sauf en cas de vote secret, le procès-verbal mentionne la façon dont chaque membre a voté. Il peut être dérogé à l'obligation précitée pour les décisions prises à l'unanimité.
  Le procès-verbal des réunions du conseil communal mentionne, dans l'ordre chronologique, tous les thèmes abordés, l'essence des interventions et des questions et réponses posées oralement et par écrit. Le conseil communal peut décider de remplacer un rapport de séance par un enregistrement audio ou audiovisuel de la séance publique du conseil communal.
  Si le conseil communal traite une matière à huis clos conformément à l'article 28, le procès-verbal ne mentionne que la décision et aucun rapport de séance n'est établi.
  Les dispositions mentionnées du premier au troisième alinéa s'appliquent aux centres publics d'aide sociale, étant entendu que " conseil communal " se lit " conseil d'aide sociale ".
  § 2. Le procès-verbal des réunions du collège des bourgmestre et échevins mentionne les décisions du collège.
  Si, conformément à l'article 267, le collège vise un engagement pris antérieurement de son propre chef ou si, conformément à l'article 272, il donne de son propre chef un ordre de paiement d'une dépense, le procès-verbal reprend, à la demande d'un membre du collège, une déclaration relative à son vote.
  Les dispositions mentionnées au premier et deuxième alinéa s'appliquent aux centres publics d'aide sociale, étant entendu que " collège des bourgmestre et échevins " et " collège " se lisent " bureau permanent ".
  § 3. Le procès-verbal des réunions du comité spécial du service social mentionne les décisions du comité spécial du service social.
Art. 279. § 1. De reglementen, verordeningen, beslissingen en akten van de gemeenteraad, en alle andere stukken of briefwisseling die specifiek betrekking hebben op de gemeenteraad worden ondertekend door de voorzitter van de gemeenteraad en medeondertekend door de algemeen directeur.
  De reglementen, beslissingen en akten van de raad voor maatschappelijk welzijn, en alle andere stukken of briefwisseling die specifiek betrekking hebben op de raad voor maatschappelijk welzijn, worden ondertekend door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en medeondertekend door de algemeen directeur.
  § 2. De reglementen, verordeningen, beslissingen en akten van de burgemeester en van het college van burgemeester en schepenen worden ondertekend door de burgemeester en medeondertekend door de algemeen directeur.
  De reglementen, beslissingen en akten van het vast bureau worden ondertekend door de voorzitter van het vast bureau en medeondertekend door de algemeen directeur.
  De beslissingen en akten van de voorzitter van het vast bureau worden door hem ondertekend en medeondertekend door de algemeen directeur.
  § 3. De beslissingen, de akten, de verslagen en de brieven van de financieel directeur en de maatschappelijk werker worden door hen ondertekend als ze specifiek betrekking hebben op de aan hen toevertrouwde taken.
  De beslissingen, de akten en de briefwisseling van personeelsleden aan wie bevoegdheden zijn toevertrouwd, worden door die personeelsleden ondertekend.
  [1 De financieel directeur kan bij een authentieke akte over onroerende verrichtingen van de gemeente of van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, zijn bevoegdheid tot het ondertekenen van de akte, na het verlenen van kwijting, overdragen aan een medewerker van het notariskantoor, die hij aanwijst. De overdracht van die bevoegdheid gebeurt via een authentieke volmacht en beperkt zich tot de akte die in de volmacht wordt vermeld. De medewerker van het notariskantoor aan wie de opdracht is gegeven, vermeldt die opdracht bij zijn handtekening.]1
  Het dwangbevel, uitgevaardigd voor de invordering van schuldvorderingen, wordt, met behoud van de ondertekeningsbevoegdheid inzake de uitvoerbaarverklaring ervan, ondertekend door de financieel directeur.
  § 4. De reglementen, de beslissingen en de briefwisseling van het bijzonder comité voor de sociale dienst worden ondertekend door de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst en medeondertekend door de algemeen directeur.
  De beslissingen en akten van de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst worden door hem ondertekend en medeondertekend door de algemeen directeur.
  § 5. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, eerste lid, en paragraaf 3 wordt de briefwisseling van de gemeente ondertekend door de burgemeester en medeondertekend door de algemeen directeur.
  Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, tweede lid, en paragraaf 3 en 4 wordt de briefwisseling van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ondertekend door de voorzitter van het vast bureau en medeondertekend door de algemeen directeur.
  § 6. De gemeenteraad bepaalt in het huishoudelijk reglement door wie en op welke wijze de andere stukken van de gemeente dan de stukken, vermeld in paragraaf 1 tot en met 5, worden ondertekend, en, als dat nodig wordt geacht, medeondertekend. Als de gemeenteraad die werkwijze niet vaststelt worden de stukken ondertekend door de burgemeester en medeondertekend door de algemeen directeur.
  Het eerste lid is van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "gemeenteraad" wordt gelezen als "raad voor maatschappelijk welzijn", "de gemeente" wordt gelezen als "het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" en "burgemeester" wordt gelezen als "voorzitter van het vast bureau".
  
Art. 279. § 1er. Les règlements, ordonnances, décisions et actes du conseil communal, ainsi que toutes les autres pièces et correspondances ayant spécifiquement trait au conseil communal sont signés par le président du conseil communal et co-signés par le [directeur général].
  Les règlements, décisions et actes du conseil d'aide sociale, ainsi que toutes les autres pièces et correspondances ayant spécifiquement trait au conseil d'aide sociale, sont signés par le président du conseil d'aide sociale et co-signés par le [directeur général].
  § 2. Les règlements, ordonnances, décisions et actes du bourgmestre et du collège des bourgmestre et échevins sont signés par le bourgmestre et co-signés par le [directeur général].
  Les règlements, décisions et actes du bureau permanent sont signés par le président du bureau permanent et co-signés par le [directeur général].
  Les décisions et actes du président du bureau permanent sont signés par lui et co-signés par le [directeur général].
  § 3. Les décisions, les actes, les rapports et les lettres du gestionnaire financier et du travailleur social sont signés par ces derniers s'ils ont spécifiquement trait aux tâches qui leur sont confiées.
  Les décisions, les actes et la correspondance des membres du personnel à qui sont confiées des responsabilités sont signés par les membres du personnel en question.
  [1 Dans le cas d'un acte authentique relatif à des opérations immobilières de la commune ou du centre public d'action sociale, le directeur financier peut déléguer sa compétence de signature de l'acte, après en avoir donné décharge, à un collaborateur de l'étude notariale qu'il désigne. La délégation de cette compétence se fait par procuration authentique et est limitée à l'acte mentionné dans la procuration. Le collaborateur de l'étude notariale auquel est confiée la tâche la mentionne dans sa signature.]1
  La contrainte décernée pour le recouvrement de créances est signée par le gestionnaire financier, sans préjudice de la compétence de signature concernant sa force exécutoire.
  § 4. Les règlements, les décisions et la correspondance du comité spécial du service social sont signés par le président du comité spécial du service social et co-signés par le [directeur général].
  Les décisions et actes du président du comité spécial du service social sont signés par lui et co-signés par le [directeur général].
  § 5. Sans préjudice de l'application du paragraphe 1er, alinéa premier et du paragraphe 3, la correspondance de la commune est signée par le bourgmestre et co-signée par le [directeur général].
  Sans préjudice de l'application du paragraphe 1er, deuxième alinéa, et des paragraphes 3 et 4, la correspondance du centre public daction sociale est signée par le président du bureau permanent et co-signée par le [directeur général].
  § 6. Le conseil communal définit, dans le règlement d'ordre intérieur, par qui et de quelle manière les documents de la commune autres que ceux mentionnés aux paragraphes 1er à 5 sont signés et, si nécessaire, co-signés. Si le conseil communal ne définit pas la méthode précitée, les documents sont signés par le bourgmestre et co-signés par le [directeur général].
  L'alinéa premier s'applique aux centres publics d'aide sociale, étant entendu que " conseil communal " se lit " conseil d'aide sociale ", " la commune " se lit " le centre public daction sociale ", et " bourgmestre " se lit " président du bureau permanent ".
  
Art. 280. De burgemeester kan zijn bevoegdheid tot ondertekening opdragen aan een of meer leden van het college van burgemeester en schepenen, tenzij de bevoegdheid betrekking heeft op de ondertekening van de notulen, vermeld in artikel 277. Hij doet dat schriftelijk via een informatiedrager naar keuze. Die opdracht kan op elk moment worden herroepen.
  De schepen aan wie de opdracht is gegeven, vermeldt die opdracht bij zijn handtekening.
  De bepalingen, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "burgemeester" wordt gelezen als "voorzitter van het vast bureau", "college van burgemeester en schepenen" wordt gelezen als "vast bureau", en "de schepen" wordt gelezen als "het lid van het vast bureau".
Art. 280. Le bourgmestre peut déléguer sa compétence de signature à un ou plusieurs membres du collège des bourgmestre et échevins, sauf si ladite compétence concerne la signature du procès-verbal mentionné à l'article 277. Il le fait par écrit sur un support d'information de son choix. La tâche en question peut être révoquée à tout moment.
  L'échevin à qui est confiée ladite tâche la mentionne dans sa signature.
  Les dispositions mentionnées au premier et deuxième alinéa s'appliquent aux centres publics d'aide sociale, étant entendu que " bourgmestre " se lit " président du bureau permanent ", que " collège des bourgmestre et échevins " se lit comme " bureau permanent " et que " l'échevin " se lit comme " le membre du bureau permanent ".
Art. 281. De voorzitter van de gemeenteraad kan zijn bevoegdheid tot ondertekening opdragen aan een of meer leden van de gemeenteraad, tenzij die bevoegdheid betrekking heeft op de ondertekening van de notulen en het zittingsverslag, vermeld in artikel 277. Hij doet dat schriftelijk via een informatiedrager naar keuze. Die opdracht kan op elk moment worden herroepen.
  [1 Met behoud van de toepassing van het eerste lid kan de voorzitter van de gemeenteraad voor de ondertekening van een authentieke akte over onroerende verrichtingen van de gemeente, zijn bevoegdheid tot ondertekenen opdragen aan een medewerker van het notariskantoor, die hij aanwijst. De overdracht van die bevoegdheid gebeurt via een authentieke volmacht en beperkt zich tot de akte die in de volmacht wordt vermeld.]1
  Het gemeenteraadslid [1 of de medewerker van het notariskantoor]1 aan wie de opdracht is gegeven, vermeldt die opdracht bij zijn handtekening.
  De bepalingen, vermeld in het [1 eerste, tweede en derde lid]1, zijn van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "gemeenteraad" wordt gelezen als "raad voor maatschappelijk welzijn", en "gemeenteraadslid" wordt gelezen als "lid van de raad voor maatschappelijk welzijn".
  
Art. 281. Le président du conseil communal peut déléguer sa compétence de signature à un ou plusieurs conseillers communaux, sauf si la compétence concerne la signature du procès-verbal et du rapport de séance mentionnés à l'article 277. Il le fait par écrit sur un support d'information de son choix. La tâche en question peut être révoquée à tout moment.
  [1 Sans préjudice de l'application de l'alinéa premier, pour la signature d'un acte authentique relatif à des opérations immobilières de la commune, le président du conseil communal peut déléguer sa compétence de signature à un collaborateur de l'étude notariale, qu'il désigne. La délégation de cette compétence se fait par procuration authentique et est limitée à l'acte mentionné dans la procuration.]1
  Le conseiller communal [1 ou le collaborateur de l'étude notariale]1 à qui est confiée ladite tâche la mentionne dans sa signature.
  Les dispositions mentionnées [1 aux alinéas premier, deux et trois]1 s'appliquent aux centres publics d'aide sociale, étant entendu que " conseil communal " se lit " conseil d'aide sociale " et " conseiller communal " se lit comme " membre du conseil d'aide sociale ".
  
Art. 282. De voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst kan zijn bevoegdheid tot ondertekening opdragen aan een of meer leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst, tenzij die bevoegdheid betrekking heeft op de ondertekening van de notulen, vermeld in artikel 277. Hij doet dat schriftelijk via een informatiedrager naar keuze. Die opdracht kan op elk moment worden herroepen.
  Het lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst aan wie de opdracht is gegeven, vermeldt die opdracht bij zijn handtekening.
Art. 282. Le président du comité spécial du service social peut déléguer sa compétence de signature à un ou plusieurs membres du comité spécial du service social, sauf si la compétence concerne la signature du procès-verbal mentionné à l'article 277. Il le fait par écrit sur un support d'information de son choix. La tâche en question peut être révoquée à tout moment.
  Le membre du comité spécial du service social à qui est confiée ladite tâche la mentionne dans sa signature.
Art. 283. De algemeen directeur kan zijn bevoegdheid tot ondertekening of mede-ondertekening opdragen aan een of meer personeelsleden van de gemeente, tenzij die bevoegdheid betrekking heeft op de ondertekening van de notulen en het zittingsverslag van de gemeenteraad en van de notulen van het college van burgemeester en schepenen. Hij doet dat schriftelijk via een informatiedrager naar keuze. Die opdracht kan op elk moment worden herroepen. Als dat is opgenomen in de beheersovereenkomst, vermeld in artikel 196, kan hij die bevoegdheid ook toevertrouwen aan een of meer personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  [1 Met behoud van de toepassing van het eerste lid kan de algemeen directeur voor de ondertekening van een authentieke akte over onroerende verrichtingen van de gemeente, zijn bevoegdheid tot ondertekenen of medeondertekenen overdragen aan een medewerker van het notariskantoor, die hij aanwijst. De overdracht van die bevoegdheid gebeurt via een authentieke volmacht en beperkt zich tot de akte die in de volmacht wordt vermeld.]1
  De personeelsleden [1 of de medewerker van het notariskantoor]1 aan wie de opdracht tot ondertekening of medeondertekening is gegeven, vermelden die opdracht bij hun handtekening.
  De bepalingen, vermeld in het [1 eerste, tweede en derde lid]1, zijn van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "de gemeente" wordt gelezen als "het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn", "gemeenteraad" wordt gelezen als "raad voor maatschappelijk welzijn", "college van burgemeester en schepenen" wordt gelezen als "vast bureau", en "openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" wordt gelezen als "gemeente".
  
Art. 283. Le [directeur général] peut déléguer sa compétence de signature ou de co-signature à un ou plusieurs membres du personnel de la commune, sauf si la compétence concerne la signature du procès-verbal et du rapport de séance mentionnés du conseil communal et du procès-verbal du collège des bourgmestre et échevins. Il le fait par écrit sur un support d'information de son choix. La tâche en question peut être révoquée à tout moment. Si le contrat de gestion mentionné à l'article 196 le prévoit, il peut également confier ladite compétence à un ou plusieurs membres membre du centre public daction sociale.
  [1 Sans préjudice de l'application de l'alinéa premier, pour la signature d'un acte authentique relatif à des opérations immobilières de la commune, le directeur général peut déléguer sa compétence de signature ou de cosignature à un collaborateur de l'étude notariale, qu'il désigne. La délégation de cette compétence se fait par procuration authentique et est limitée à l'acte mentionné dans la procuration.]1
  Les membres du personnel [1 ou le collaborateur de l'étude notariale]1 à qui est confiée cette tâche de signature ou de co-signature la mentionnent dans leur signature.
  Les dispositions mentionnées [1 aux alinéas premier, deux et trois]1 s'appliquent aux centres publics d'aide sociale, étant entendu que " la commune " se lit " le centre public daction sociale ", " conseil communal " se lit " conseil d'aide sociale ", " collège des bourgmestre et échevins " se lit " bureau permanent " et " centre public daction sociale " se lit " commune ".
  
Art. 284. § 1. De algemeen directeur vermeldt de intrekking van een besluit, de vernietiging of de niet-goedkeuring van een besluit door een toezichthoudende overheid in de notulen van de gemeenteraad of van het college van burgemeester en schepenen.
  De algemeen directeur brengt de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen daarvan op de hoogte op de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen.
  § 2. De algemeen directeur vermeldt de intrekking van een besluit, de vernietiging of de niet-goedkeuring van een besluit door een toezichthoudende overheid in de notulen van de raad voor maatschappelijk welzijn, van het vast bureau of van het bijzonder comité voor de sociale dienst.
  De algemeen directeur brengt de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst daarvan op de hoogte op de eerstvolgende vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst.
Art. 284. § 1er. Le [directeur général] mentionne le retrait, l'annulation ou la non-approbation d'un arrêté par l'autorité de tutelle dans le procès-verbal du conseil communal ou du collège des bourgmestre et échevins.
  Le [directeur général] en informe le conseil communal ou le collège des bourgmestre et échevins lors de la prochaine réunion du conseil communal ou du collège des bourgmestre et échevins.
  § 2. Le [directeur général] mentionne le retrait d'un arrêté, l'annulation ou la non-approbation d'un arrêté par l'autorité de tutelle dans le procès-verbal du conseil d'aide sociale, du bureau fixe ou du comité spécial du service social.
  Le [directeur général] en informe le conseil d'aide sociale, le bureau permanent ou le comité spécial du service social lors de la prochaine réunion du conseil d'aide sociale, du bureau permanent ou du comité spécial du service social.
Afdeling 2. - Bekendmaking en inwerkingtreding
Section 2. - Publication et entrée en vigueur
Onderafdeling 1. - Bekendmaking
Sous-section 1ère. - Publication
Art. 285. § 1. De burgemeester maakt via de webtoepassing van de gemeente een lijst bekend met de besluiten van:
  1° de gemeenteraad;
  2° de raden van bestuur van de autonome gemeentebedrijven;
  3° het college van burgemeester en schepenen;
  4° de burgemeester.
  § 2. De voorzitter van het vast bureau maakt via de webtoepassing van de gemeente een lijst bekend met de besluiten van:
  1° de raad voor maatschappelijk welzijn;
  2° de algemene vergadering en de raad van bestuur van de welzijnsvereniging [2 en van de autonome verzorgingsinstelling]2 waarvan de maatschappelijke zetel zich in de gemeente bevindt;
  3° het vast bureau;
  4° de voorzitter van het vast bureau.
  De besluiten van het bijzonder comité voor de sociale dienst worden niet bekendgemaakt.
  § 3. De lijsten, vermeld in paragraaf 1 en 2, bevatten een beknopte omschrijving van de aangelegenheden die geregeld zijn in de besluiten. Er wordt geen informatie verspreid die valt onder de uitzonderingen, vermeld in [1 titel II, hoofdstuk 3, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018]1.
  
Art. 285. § 1er. Le bourgmestre publie sur l'application web de la commune une liste des arrêtés :
  1° du conseil communal ;
  2° des conseils d'administration des régies communales autonomes ;
  3° du collège des bourgmestre et échevins ;
  4° du bourgmestre.
  § 2. Le président publie sur l'application web de la commune une liste des arrêtés :
  1° du conseil d'aide sociale ;
  2° de l'assemblée générale et du conseil d'administration de l'organisation sociale [2 et de l'établissement autonome de soins]2 dont le siège social se trouve dans la commune ;
  3° du bureau permanent ;
  4° du président du bureau permanent.
  Les arrêtés du comité spécial du service social ne sont pas publiés.
  § 3. Les listes mentionnées aux paragraphes 1er et 2 incluent une brève description des matières que règlent les arrêtés. Aucune information n'est publiée si elle relève des exceptions mentionnées dans le [1 titre II, chapitre 3 du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018]1.
  
Art. 286. § 1. De burgemeester maakt de volgende besluiten en de inhoud ervan bekend via de webtoepassing van de gemeente:
  1° de reglementen en de verordeningen van de gemeenteraad, van het college van burgemeester en schepenen en van de burgemeester;
  2° de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel en de wijzigingen ervan;
  3° de beleidsrapporten van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de beleidsrapporten van de autonome gemeentebedrijven;
  4° de besluiten van de gemeenteraad over de beleidsrapporten van de autonome gemeentebedrijven;
  5° de oprichtingsakte van de autonome gemeentebedrijven;
  6° de statuten en de wijzigingen ervan van de autonome gemeentebedrijven;
  7° de oprichtingsakte van de extern verzelfstandige agentschappen in privaatrechtelijke vorm;
  8° de statuten van de extern verzelfstandige agentschappen in privaatrechtelijke vorm;
  9° de oprichtingsakte van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden met rechtspersoonlijkheid;
  10° de statuten van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden met rechtspersoonlijkheid [3 en de wijzigingen aan die statuten]3;
  11° het besluit van de gemeenteraad tot oprichting van districten.
  [2 12° de jaarrekeningen van de gemeentelijke extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechtelijke vorm;
   13° de besluiten van de raad van bestuur van de autonome gemeentebedrijven en de inhoud ervan, waarbij wordt afgeweken van de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel;
   14° de besluiten over retributies van de raad van bestuur van de autonome gemeentebedrijven en de inhoud ervan.]2

  § 2. De voorzitter van het vast bureau maakt de volgende besluiten en de inhoud ervan bekend via de webtoepassing van de gemeente:
  1° de reglementen van de raad voor maatschappelijk welzijn en van het vast bureau;
  2° de afwijkingen van de rechtspositieregeling van het personeel overeenkomstig artikel 186, § 2, en de wijzigingen ervan;
  3° de oprichtingsakte van de verenigingen en vennootschappen voor maatschappelijk welzijn die het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft opgericht of mede opgericht;
  4° de statuten van de verenigingen [1 en vennootschappen]1 voor maatschappelijk welzijn waarvan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn deelgenoot is [3 en de wijzigingen aan die statuten]3;
  5° de beleidsrapporten van de welzijnsverenigingen waarvan de maatschappelijke zetel zich in de gemeente bevindt.
  [2 6° de besluiten, en de inhoud ervan, van de welzijnsvereniging, waarbij wordt afgeweken van de rechtspositieregeling van het OCMW-personeel, voor wat de welzijnsverenigingen betreft waarvan de maatschappelijke zetel zich in de gemeente bevindt.]2
  § 3. Met behoud van de bepalingen van dit decreet, kan de Vlaamse Regering bepalen welke andere besluiten en andere stukken moeten worden bekendgemaakt, en voor alle besluiten en stukken, vermeld in dit artikel, hoe lang ze minimaal via de webtoepassing van de gemeente raadpleegbaar moeten blijven.
  
Art. 286. § 1er. Le bourgmestre publie les arrêtés suivants ainsi que leur contenu sur l'application web de la commune :
  1° les règlements et ordonnances du conseil communal, du collège des bourgmestre et échevins et du bourgmestre ;
  2° le statut du personnel communal et ses modifications ;
  3° les rapports stratégiques de la commune et du centre public daction sociale ainsi que les rapports stratégiques des régies communales autonomes ;
  4° les arrêtés du conseil communal concernant les rapports stratégiques des régies communales autonomes ;
  5° l'acte de constitution des régies communales autonomes ;
  6° les statuts et leurs modifications des régies communales autonomes ;
  7° l'acte de constitution de l'agence autonomisée externe communale de droit privé ;
  8° les statuts des agences autonomisées externes communales de droit privé ;
  9° l'acte de constitution des partenariats intercommunaux ayant la personnalité civile ;
  10° les statuts des partenariats intercommunaux ayant la personnalité civile [3 et les modifications à ces statuts]3;
  11° l'arrêté du conseil communal portant création de districts.
  [2 12° les comptes annuels des agences autonomisées externes communales de droit privé ;
   13° les décisions du conseil d'administration des régies communales autonomes et leur contenu, dérogeant au statut juridique du personnel communal ;
   14° les décisions relatives aux rétributions du conseil d'administration des régies communales autonomes et leur contenu.]2

  § 2. Le président du bureau permanent publie les arrêtés suivants ainsi que leur contenu sur l'application web de la commune :
  1° les règlements du conseil d'aide sociale et du bureau permanent ;
  2° les dérogations au statut du personnel communal conformément à l'article 186, § 2 et leurs modifications ;
  3° l'acte de constitution des associations et sociétés d'aide sociale que le centre public daction sociale a constituées ou co-constituées ;
  4° les statuts des associations [1 et sociétés]1 d'aide sociale dont le centre public daction sociale est sociétaire [3 et les modifications à ces statuts]3;
  5° les rapports des organisations sociales dont le siège social est établi dans la commune ;
  [2 6° les décisions, et leur contenu, de l'association d'aide sociale, dérogeant au statut juridique du personnel du CPAS, en ce qui concerne les associations d'aide sociale dont le siège social se trouve dans la commune.]2
  § 3. Sans préjudice des dispositions du présent décret, le Gouvernement flamand peut définir les autres arrêtés et documents à publier, et pour tous les arrêtés et documents mentionnés au présent article, la durée minimale durant laquelle ils doivent pouvoir être consultés sur l'application web de la commune.
  
Art. 287. De bekendmaking van de lijst van de besluiten, vermeld in artikel 285, en van de besluiten, vermeld in artikel 286, gebeurt binnen tien dagen nadat ze genomen zijn, met vermelding van de datum waarop ze via de webtoepassing worden bekendgemaakt.
  Voor de besluiten, vermeld in artikel 286, § 1, 1° en 2°, en 286, § 2, 1° en 2°, bevat de bekendmaking ook de datum waarop ze zijn aangenomen.
  De webtoepassing van de gemeente vermeldt de wijze waarop het publiek inzage kan krijgen in de besluiten die op de lijst zijn vermeld, en vermeldt ook de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de toezichthoudende overheid, vermeld in artikel 326. Als de toezichthoudende overheid een besluit heeft vernietigd, wordt ook van die vernietiging melding gemaakt.
Art. 287. La publication de la liste des arrêtés mentionnés à l'article 285 ainsi que des arrêtés mentionnés à l'article 286 a lieu dans les dix jours après qu'ils ont été pris, avec mention de la date à laquelle ils sont publiés sur l'application web.
  Pour les arrêtés mentionnés aux articles 286, § 1er, 1° et 2°, et 286, § 2, 1° et 2°, la publication inclut également la date à laquelle ils ont été adoptés.
  L'application web de la commune mentionne la manière dont le public peut consulter les arrêtés repris dans la liste, et mentionne également la possibilité de porter plainte auprès de l'autorité de tutelle prévue à l'article 326. Si l'autorité de tutelle a annulé un arrêté, l'annulation est également mentionnée.
Onderafdeling 2. - Inwerkingtreding van reglementen en verordeningen
Sous-section 2. - Entrée en vigueur des règlements et ordonnances
Art. 288. De reglementen en verordeningen, vermeld in artikel 286, § 1, 1° en 2°, en de reglementen, vermeld in artikel 286, § 2, 1° en 2°, treden in werking op de vijfde dag na de bekendmaking ervan, tenzij het anders bepaald is.
  De bekendmaking en de datum van bekendmaking van de reglementen en de verordeningen, vermeld in het eerste lid, moeten blijken uit de aantekening in een register, dat bijgehouden wordt op de wijze, bepaald door de Vlaamse Regering.
Art. 288. Sauf disposition contraire, les règlements et ordonnances visés à l'article 286, § 1er, 1° et 2°, ainsi que les règlements visés à l'article 286, § 2, 1° e 2°, entrent en vigueur le cinquième jour qui suit leur publication.
  La publication et la date de publication des règlements et ordonnances visés à l'alinéa premier doivent être attestées par une mention dans un registre tenu conformément à la manière prévue par le Gouvernement flamand.
Afdeling 3. - Wijze van kennisgeving
Section 3. - Modalité de notification
Art. 289. Tenzij de wet, dit decreet of een ander decreet de vorm van mededeling of kennisgeving oplegt, kan het huishoudelijk reglement van de gemeenteraad bepalen op welke wijze stukken aan de betrokkene worden meegedeeld of ter kennis gebracht. Als het huishoudelijk reglement niets bepaalt, worden de stukken van de gemeente met een gewone brief meegedeeld of ter kennis gebracht.
  Het eerste lid is van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "gemeenteraad" wordt gelezen als "raad voor maatschappelijk welzijn" en "de gemeente" wordt gelezen als "het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn".
Art. 289. Le règlement d'ordre intérieur du conseil communal peut définir la manière dont les documents sont communiqués ou portés à la connaissance de l'intéressé, sauf si la loi, le présent décret ou un autre décret imposent la forme de la communication ou de la notification. Si le règlement d'ordre intérieur est muet, les documents de la commune sont communiqués ou portés à la connaissance par lettre ordinaire.
  L'alinéa premier s'applique aux centres publics d'aide sociale, étant entendu que " conseil communal " se lit " conseil d'aide sociale " et que " la commune " se lit " le centre public daction sociale ".
Afdeling 4. - Briefwisseling aan het lokaal bestuur
Section 4. - Correspondance adressée à l'administration locale
Art. 290. Alle briefwisseling aan de gemeente wordt geacht te zijn gericht aan het college van burgemeester en schepenen. Behalve bij andersluidende beslissing van de gemeenteraad wordt de briefwisseling verstuurd naar het gemeentehuis. Alle ingaande en uitgaande briefwisseling, van welke aard ook, wordt geregistreerd.
  Het eerste lid is van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "de gemeente" wordt gelezen als "het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn", "college van burgemeester en schepenen" wordt gelezen als "vast bureau" [1 , "gemeenteraad" wordt gelezen als "raad voor maatschappelijk welzijn"]1 en "het gemeentehuis" wordt gelezen als "de zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn".
  
Art. 290. Toute correspondance adressée à l'administration locale est supposée avoir été adressée au collège des bourgmestre et échevins. Sauf disposition contraire du conseil communal, la correspondance est envoyée à la maison communale. Toute la correspondance entrante et sortante, quelle que soit sa nature, est enregistrée.
  L'alinéa premier s'applique aux centres publics d'aide sociale, étant entendu que " la commune " se lit " le centre public daction sociale ", " collège des bourgmestre et échevins " se lit " bureau permanent " et " [1 " conseil communal " se lit comme " conseil d'aide sociale "]1, maison communale " se lit " le siège du centre public daction sociale ".
  
HOOFDSTUK 2. - Wijze van berekening van termijnen
CHAPITRE 2. - Mode de calcul des délais
Art. 291. Voor de toepassing van dit decreet wordt de termijn berekend vanaf de dag na de dag van de akte of de gebeurtenis die de termijn doet ingaan, en omvat de termijn alle dagen, ook de zaterdag, de zondag en de wettelijke of decretale feestdagen. De vervaldag is in de termijn begrepen. Als die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke of decretale feestdag is, dan wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.
  Bij gebrek aan een akte of gebeurtenis die de termijn doet ingaan, wordt de termijn berekend door terug te tellen vanaf de gebeurtenis die de termijn doet eindigen. In dat geval wordt de dag van de gebeurtenis die de termijn doet eindigen niet in de termijn begrepen. De dag van verzending is niet in de termijn begrepen.
Art. 291. Pour l'application du présent décret, le délai est calculé à partir du lendemain de l'acte ou de l'événement ouvrant le délai, et inclut tous les jours, y compris le samedi, le dimanche et les jours fériés légaux ou décrétaux. L'échéance est incluse dans le délai. Toutefois, si le jour en question est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal ou décrétal, l'échéance est déplacée au premier jour ouvrable suivant.
  Faute d'acte ou d'événement ouvrant le délai, celui-ci est calculé en comptant à rebours à partir de l'événement qui met fin au délai. Dans ce cas, le jour de l'événement mettant fin au délai n'est pas inclus dans le délai. Le jour d'envoi n'est pas inclus dans le délai.
HOOFDSTUK 3. - Goederen van het lokaal bestuur
CHAPITRE 3. - Biens de l'administration locale
Afdeling 1. - Onroerende goederen
Section 1ère. - Biens immobiliers
Art. 292. De gemeente en de autonome gemeentebedrijven kunnen, op voorwaarde van bijzondere en omstandige motivering, zakelijke rechten vestigen op openbaardomeingoederen als die rechten niet kennelijk onverenigbaar zijn met de bestemming van die goederen.
  Het eerste lid is van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "de gemeente" wordt gelezen als "het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" en "de autonome gemeentebedrijven" wordt gelezen als "de verenigingen opgericht overeenkomstig deel 3, titel 4, hoofdstuk 2 en 3".
Art. 292. La commune et les régies communales autonomes peuvent créer des droits réels sur des biens du domaine public moyennant une motivation spéciale et détaillée, pour autant que lesdits droits ne soient pas manifestement incompatibles avec l'affectation des biens en question.
  L'alinéa premier s'applique aux centres publics d'aide sociale, étant entendu que " la commune " se lit " le centre public daction sociale " et " les régies communales autonomes " se lisent " les associations constituées conformément à la section 3, titre 4, chapitres 2 et 3 ".
Art. 293. Onroerende goederen van de gemeente en van de autonome gemeentebedrijven worden altijd vervreemd volgens de principes van mededinging en transparantie, behalve als er een motivering wordt gegeven voor een afwijking daarvan.
  Het eerste lid is van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "de gemeente" wordt gelezen als "het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" en "de autonome gemeentebedrijven" wordt gelezen als "de verenigingen opgericht overeenkomstig deel 3, titel 4, hoofdstuk 2 en 3".
Art. 293. Les biens immobiliers de la commune et des régies communales autonomes sont toujours aliénés selon les principes de concurrence et de transparence, sauf si une motivation de dérogation est fournie.
  L'alinéa premier s'applique au centre public daction sociale, étant entendu que " la commune " se lit " le centre public daction sociale " et " les régies communales autonomes " se lisent " les associations constituées conformément à la section 3, titre 4, chapitres 2 et 3 ".
Art. 294. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn kunnen beslissen het beheer van hun onroerende goederen toe te vertrouwen aan de gemeente waar het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is gevestigd, of aan een autonoom gemeentebedrijf van die gemeente, dat ook het privé- en het openbaar domein van de gemeente beheert.
Art. 294. Les centres publics d'aide sociale peuvent décider de confier la gestion de leurs biens immobiliers à la commune dans laquelle le centre public daction sociale est établi, ou à une régie communale autonome de la commune qui gère également le domaine privé et public de la commune.
Afdeling 2. - Gemeentewegen
Section 2. - Routes communales
Art. 295. De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de gemeenteraad in kwestie, welke wegen op het grondgebied van die gemeente als gewestwegen beschouwd worden.
  Als bestaande wegen of weggedeelten niet langer beschouwd worden als gewestwegen, worden ze beschouwd als gemeentewegen, op voorwaarde dat de gemeenteraad daarmee instemt. Die overdracht heeft de toekenning om niet van de eigendom van die wegen tot gevolg. Bij de eigendomsoverdracht moeten die wegen zich in goede staat van onderhoud bevinden.
Art. 295. Le Gouvernement flamand détermine, sur avis du conseil communal concerné, quelles sont les routes situées sur le territoire de la commune considérées comme des routes régionales.
  Si des routes ou parties de routes existantes ne sont plus considérées comme des routes régionales, elles sont considérées comme des routes communales, à la condition que le conseil communal marque son accord. Le transfert précité ne dispense pas de l'attribution de propriété de ces routes. Les routes en question doivent se trouver en bon état au moment du transfert de propriété.
HOOFDSTUK 4. - Aanstellen van landmeters-experten
CHAPITRE 4. - Désignation de géomètres-experts
Art. 296. De gemeente en de gemeentelijke verzelfstandigde agentschappen, vermeld in deel 2, titel 3, kunnen landmeters-experten aanstellen om schattingsverslagen op te stellen in het kader van de onroerende verrichtingen die door hen worden gesteld.
  Het eerste lid is van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "de gemeente" wordt gelezen als "het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" en "de gemeentelijke verzelfstandigde agentschappen, vermeld in deel 2, titel 3" wordt gelezen als "de verenigingen voor maatschappelijk welzijn, vermeld in deel 3, titel 4, hoofdstuk 2 en 3".
  In het eerste en tweede lid wordt verstaan onder:
  1° landmeter-expert: de landmeter-expert, ingeschreven op het tableau van de beoefenaars van het beroep, vermeld in de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert en op wie het koninklijk besluit van 15 december 2005 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de landmeter-expert van toepassing is;
  2° schattingsverslag: het verslag waarbij de waarde van het onroerend goed wordt bepaald aan de hand van vooraf vastgelegde objectieve regels zoals vergelijkingspunten uit de omgeving.
Art. 296. La commune et les agences communales autonomisées visées à la section 2, titre 3, peuvent désigner des géomètres-experts afin d'établir des rapports d'évaluation dans le cadre des opérations immobilières qu'elles réalisent.
  L'alinéa premier s'applique aux centres publics d'aide sociale, étant entendu que " la commune " se lit " le centre public daction sociale " et " les agences communales autonomisées visées à la section 2, titre 3 " se lisent " les associations d'aide sociales visées à la section 3, titre 4, chapitres 2 et 3 ".
  Aux alinéas premier et second, il faut entendre par :
  1° géomètre-expert : le géomètre-expert inscrit au tableau des titulaires de la profession visé dans la loi du 11 mai 2003 protégeant le titre et la profession de géomètres-experts et à qui s'applique l'arrêté royal du 15 décembre 2005 fixant les règles de déontologie du géomètre-expert.
  2° rapport d'expertise : rapport où la valeur du bien immobilier est déterminée à l'aide de règles objectives préalablement fixées telles que des points de comparaison dans les environs.
HOOFDSTUK 5. - Optreden in rechte
CHAPITRE 5. - Action en droit
Art. 297. § 1. Het college van burgemeester en schepenen vertegenwoordigt de gemeente in gerechtelijke en buitengerechtelijke gevallen en beslist om op te treden in rechte namens de gemeente.
  De gemeenteraad kan beslissen om de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, in de plaats van het college uit te oefenen. Als een lid van het college zich bevindt in een situatie als vermeld in artikel 27, § 1, eerste lid, 1°, oefent de gemeenteraad de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, uit.
  § 2. Het vast bureau vertegenwoordigt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in gerechtelijke en buitengerechtelijke gevallen en beslist om op te treden in rechte namens het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  De raad voor maatschappelijk welzijn kan beslissen om de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, in de plaats van het vast bureau uit te oefenen. Wanneer een lid van het vast bureau zich bevindt in een situatie als vermeld in artikel 27, § 1, eerste lid, 1°, juncto 74, oefent de raad voor maatschappelijk welzijn de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, uit.
Art. 297. § 1er. Le collège des bourgmestre et échevins représente la commune dans des cas judiciaires et extrajudiciaires et décide d'agir en droit au nom de la commune.
  Le conseil communal peut décider d'exercer ces compétences en lieu et place du collège. Lorsqu'un membre du collège se trouve dans une situation telle que décrite à l'article 27, § 1er, 1°, le conseil communal exerce les compétences visées à l'alinéa premier.
  § 2. Le bureau permanent représente le centre public daction sociale dans des cas judiciaires et extrajudiciaires et décide d'agir en droit au nom du centre public daction sociale.
  Le conseil d'aide sociale peut décider d'exercer les compétences visées à l'alinéa premier en lieu et place du bureau permanent. Lorsqu'un membre du bureau permanent se trouve dans une situation telle que décrite à l'article 27, § 1er, 1°, combiné à l'article 74, le conseil de l'aide social exerce les compétences visées à l'alinéa premier.
Art. 298. Het college of, in voorkomend geval, de gemeenteraad kan hetzij een lid van het college, hetzij een personeelslid, hetzij een advocaat aanwijzen om namens de gemeente te verschijnen in rechte.
  Het vast bureau of, in voorkomend geval de raad voor maatschappelijk welzijn kan hetzij een lid van het vast bureau, hetzij een personeelslid, hetzij een personeelslid van een samenwerkingsverband van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of van openbare centra voor maatschappelijk welzijn, hetzij een personeelslid van een ander openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op basis van een samenwerking van openbare centra voor maatschappelijk welzijn, hetzij een advocaat aanwijzen om namens het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te verschijnen in rechte, alsook het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te vertegenwoordigen in dossiers collectieve schuldenregeling.
Art. 298. Le collège ou, le cas échéant, le conseil communal peut désigner soit un membre du collège, soit un membre du personnel, soit un avocat pour comparaître en jugement au nom de la commune
  Le bureau permanent ou, le cas échéant, le conseil d'aide sociale peut désigner soit un membre du bureau permanent, soit un membre du personnel, soit un membre du personnel d'un partenariat d'un centre public daction sociale ou de centres publics d'aide sociale, soit un membre du personnel d'un autre centre public daction sociale sur la base d'un partenariat de centres publics d'aide sociale, soit un avocat pour comparaître en jugement au nom du centre public daction sociale, ainsi que pour représenter le centre public daction sociale dans des dossiers de règlement collectif de dettes.
Art. 299. In afwijking van artikel 297, § 2, worden de rechtsgedingen als eiser voor de terugvordering van de kosten voor verleende hulp, overeenkomstig de beslissing van het vast bureau of, in voorkomend geval, de raad voor maatschappelijk welzijn in naam van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gevoerd op vervolging en benaarstiging van de financieel directeur.
Art. 299. Par dérogation à l'article 297, § 2, les actions introduites en tant que demandeur pour la récupération des frais pour l'aide accordées sont menées, conformément à la décision du bureau permanent ou, le cas échéant, du conseil d'aide sociale, au nom du centre public daction sociale sur poursuites et diligences du gestionnaire financier.
Art. 300. In geval van verhindering of afwezigheid van de financieel directeur worden de handelingen, vermeld in artikel 299, verricht door het personeelslid of door een personeelslid van een samenwerkingsverband van openbare centra voor maatschappelijk welzijn dat de voormelde financieel directeur onder zijn aansprakelijkheid heeft aangewezen, of door de waarnemend financieel directeur. Bij gebrek daaraan of in geval van een belangenvermenging van de financieel directeur wordt een personeelslid afgevaardigd door het vast bureau of, in voorkomend geval, de raad voor maatschappelijk welzijn.
Art. 300. En cas d'empêchement ou d'absence du gestionnaire financier, les actions visées à l'article 299 sont effectuées par le membre du personnel ou par un membre du personnel d'un partenariat de centres publics d'aide sociale que le gestionnaire financier susnommé a désigné sous sa responsabilité, ou par le gestionnaire financier faisant fonction. A défaut ou en cas de conflit d'intérêts du gestionnaire financier, un membre du personnel est délégué par le bureau permanent ou, le cas échéant, le conseil d'aide sociale.
HOOFDSTUK 6. - Digitale communicatie met de Vlaamse overheid
CHAPITRE 6. - Communication numérique avec le Gouvernement flamand
Art. 301. [1 In dit artikel wordt verstaan onder algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.
   Een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid houdt een databank bij met gegevens over:
   1° de aangestelde en waarnemend algemeen directeur van de gemeente;
   2° de aangestelde en waarnemend financieel directeur van de gemeente;
   3° de leidend ambtenaar van het autonoom gemeentebedrijf;
   4° de personeelsleden die namens de gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en het autonoom gemeentebedrijf verantwoordelijk zijn voor de digitale communicatie met de Vlaamse overheid.
   De aldus aangewezen entiteit is met betrekking tot de gegevens, vermeld in het tweede lid, verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.
   De verwerking, vermeld in het tweede lid, heeft als doel burgers, ondernemingen, organisaties en overheidsinstellingen in staat te stellen te verifiëren dat ontvangen data betrouwbaar en authentiek zijn en uitgaan van een daartoe gemachtigd persoon.
   De verwerking, vermeld in het tweede lid, is gebaseerd op artikel 6, eerste lid, c) en e), van de algemene verordening gegevensbescherming.
   De databank bevat de volgende gegevens van de betrokkenen, vermeld in het tweede lid: de voornaam, de achternaam, het rijksregisternummer, contactgegevens en de begin- en einddatum van de aanstelling. Die gegevens worden ter beschikking gesteld door de gemeente en het autonoom gemeentebedrijf. De databank houdt het historische overzicht van die gegevens bij.
   De gegevens, vermeld in het zesde lid, van de betrokkenen, vermeld in het tweede lid, die in functie zijn, worden, met uitzondering van het rijksregisternummer, door de entiteit die door de Vlaamse Regering overeenkomstig het tweede lid is aangewezen, publiek toegankelijk gemaakt.
  [2 De gegevens, vermeld in het zesde lid, kunnen worden meegedeeld aan de instanties, vermeld in artikel I.3, 1° tot en met 9°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, voor zover die mededeling past in het kader van een wettelijk vastgelegde plicht of opdracht van algemeen belang van de ontvangende instantie en de mededeling noodzakelijk is om die wettelijk vastgelegde plicht of opdracht te vervullen. Als de mededeling aan die voorwaarden voldoet, wordt het doeleinde van de mededeling als verenigbaar beschouwd met het doeleinde van de oorspronkelijke verwerking, vermeld in het vierde lid.
   De ontvangende instantie, vermeld in het achtste lid, is met betrekking tot latere verwerkingen van de gegevens, vermeld in het zesde lid, de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming.]2

   De gegevens, vermeld in het zesde lid, worden bewaard overeenkomstig de regeling die geldt met toepassing van artikel III.87 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
   De Vlaamse Regering regelt de nadere uitvoering van dit artikel.]1

  
Art. 301. [1 Dans le présent article, on entend par règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.
   Une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand tient à jour une base de données contenant des données relatives :
   1° au directeur général désigné et adjoint de la commune ;
   2° au directeur financier désigné et adjoint de la commune ;
   3° au fonctionnaire dirigeant de la régie communale autonome ;
   4° aux membres du personnel responsables de la communication numérique avec l'Autorité flamande au nom de la commune, du centre public d'action sociale et de la régie communale autonome.
   L'entité ainsi désignée est responsable du traitement des données visées à l'alinéa 2, au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données.
   Le traitement visé à l'alinéa 2, a pour objectif de permettre aux citoyens, aux entreprises, aux organisations et aux organismes publics de vérifier que les données reçues sont fiables et authentiques et émanent d'une personne autorisée.
   Le traitement visé à l'alinéa 2, est fondé sur l'article 6, paragraphe 1er, c) et e), du règlement général sur la protection des données.
   La base de données contient les données suivantes des personnes concernées visées à l'alinéa 2 : le prénom, le nom, le numéro de registre national, les coordonnées et la date de début et de fin de la désignation. Ces données sont mises à disposition par la commune et la régie communale autonome. La base de données conserve l'historique de ces données.
   Les données, visées à l'alinéa 6, des personnes concernées, visées à l'alinéa 2, qui sont en fonction sont, à l'exception du numéro de registre national, rendues publiquement accessibles par l'entité désignée par le Gouvernement flamand conformément à l'alinéa 2.
  [2 Les données, visées à l'alinéa 7, peuvent être communiquées aux instances, visées à l'article I.3, 1° à 9°, du décret de gouvernance du 7 décembre 2018, dans la mesure où cette communication s'inscrit dans le cadre d'une obligation ou d'une mission d'intérêt général fixée par la loi de l'instance destinatrice et où la communication est nécessaire à l'accomplissement de cette obligation ou mission fixée par la loi. Si la communication remplit ces conditions, la finalité de la communication est considérée comme compatible avec la finalité du traitement initial visé à l'alinéa 4.
   En ce qui concerne les traitements ultérieurs des données visées à l'alinéa 6, l'instance destinatrice visée à l'alinéa 8, est le responsable du traitement au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données.]2

   Les données, visées à l'alinéa 6, sont conservées conformément à la réglementation en vigueur en application de l'article III.87 du décret de gouvernance du 7 décembre 2018.
   Le Gouvernement flamand règle les modalités d'exécution du présent article.]1

  
HOOFDSTUK 7. [1 - Subsidieregister.]1
CHAPITRE 7. [1 - Registre des subventions]1
Art.301/1. [1 In dit artikel wordt verstaan onder:
   1° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG;
   2° subsidiebegunstigde: de rechtspersoon of feitelijke vereniging die een subsidie ontvangt.
   Zowel gemeenten, openbare centra voor maatschappelijk welzijn als districten kunnen een subsidieregister oprichten en bijhouden met gegevens over de subsidies die ze verstrekken en kunnen die gegevens verwerken. De gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en in voorkomend geval de districten kunnen beslissen om dat subsidieregister gemeenschappelijk op te richten en bij te houden.
   De verwerking, vermeld in het tweede lid, heeft de volgende doelstellingen:
   1° intern en extern een transparant en toegankelijk overzicht van de subsidiestromen bieden, onder meer met het oog op de informatiedeling over de verstrekte subsidies;
   2° de subsidiestromen optimaliseren, onder meer om dubbele subsidiëring tegen te gaan;
   3° de actieve openbaarheid van bestuur versterken.
   De gegevens, vermeld in het tweede lid, kunnen de volgende categorieën van persoonsgegevens van subsidiebegunstigden bevatten:
   1° contactgegevens zoals een naam en adres;
   2° beroepsgegevens;
   3° financiële gegevens.
   De gemeente, respectievelijk het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of het district, beheert het subsidieregister en is met betrekking tot de persoonsgegevens verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming. In geval van een gemeenschappelijk register zijn de gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en in voorkomend geval de districten de beheerders en gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken.
   De verwerkingsverantwoordelijke kan het subsidieregister publiek toegankelijk maken. In geval van gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken is het publiek toegankelijk maken van het subsidieregister pas mogelijk na een akkoord tussen de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken.
   Na maximaal tien jaar vanaf de verbintenis om de subsidie te verstrekken, moeten de gegevens van de subsidie gewist worden uit het subsidieregister.
   De gemeente, respectievelijk het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of het district, regelt de nadere uitwerking van het subsidieregister. In voorkomend geval regelen de gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient en in voorkomend geval de districten de nadere uitwerking van het gemeenschappelijk subsidieregister.]1

  
Art.301/1. [1 Dans le présent article, on entend par :
   1° règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE ;
   2° bénéficiaire de la subvention : la personne morale ou l'association de fait qui reçoit une subvention.
   Les communes, les centres publics d'action sociale et les districts peuvent établir et tenir à jour un registre des subventions contenant les données relatives aux subventions qu'ils accordent et peuvent traiter ces données. La commune, le centre public d'action sociale et, le cas échéant, les districts peuvent décider d'établir et de tenir à jour conjointement ce registre des subventions.
   Le traitement visé à l'alinéa 2, a les objectifs suivants :
   1° fournir, tant en interne qu'en externe, un aperçu transparent et accessible des flux de subventions, notamment à des fins de partage d'informations sur les subventions accordées ;
   2° optimiser les flux de subventions, notamment afin d'éviter le double subventionnement ;
   3° renforcer la publicité active de l'administration.
   Les données visées à l'alinéa 2, peuvent inclure les catégories suivantes de données à caractère personnel des bénéficiaires de subventions :
   1° les coordonnées telles que le nom et l'adresse ;
   2° les données professionnelles ;
   3° les données financières.
   La commune, le centre public d'action sociale ou le district, gère le registre des subventions et est responsable du traitement au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données en ce qui concerne les données à caractère personnel. Dans le cas d'un registre commun, la commune, le centre public d'action sociale et, le cas échéant, les districts sont les gestionnaires et les responsables conjoints du traitement.
   Le responsable du traitement peut rendre le registre des subventions accessible au public. Dans le cas de responsables du traitement conjoints, l'accès public au registre des subventions n'est possible qu'après un accord entre les responsables du traitement conjoints.
   Les données relatives à la subvention doivent être effacées du registre des subventions après une période maximale de 10 ans à compter de l'engagement à accorder la subvention.
   La commune, le centre public d'action sociale ou le district règle les détails du registre des subventions. Le cas échéant, la commune, le centre public d'action sociale desservant la commune et, si nécessaire, les districts règlent les détails du registre commun des subventions.]1

  
TITEL 6. - Participatie van de burger
TITRE 6. - Participation du citoyen
HOOFDSTUK 1. - Klachtenbehandeling
CHAPITRE 1er. - Traitement des plaintes
Art. 302. Zowel de gemeenteraad als de raad voor maatschappelijk welzijn organiseert bij reglement een systeem van klachtenbehandeling.
Art. 302. Le conseil communal comme le conseil d'aide sociale mettent en place par règlement un système de traitement des plaintes.
Art. 303. § 1. Het systeem van klachtenbehandeling wordt zowel voor de gemeente als voor het openbaar centrum van maatschappelijk welzijn georganiseerd op het ambtelijke niveau en is maximaal onafhankelijk van de diensten waarop de klachten betrekking hebben. De algemeen directeur neemt dat op in het organisatiebeheersingssysteem, vermeld in artikel 218.
  § 2. Elke gemeente kan op een van de volgende wijzen een ombudsdienst oprichten:
  1° in eigen beheer;
  2° in samenwerking met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient;
  3° in het kader van intergemeentelijke samenwerking als vermeld in deel 3, titel 3;
  4° via een overeenkomst met de Vlaamse Ombudsdienst.
  Elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan op een van de volgende wijzen een ombudsdienst oprichten:
  1° in eigen beheer;
  2° in een vereniging, opgericht overeenkomstig deel 3, titel 4, hoofdstuk 2 en 3;
  3° in samenwerking met de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend;
  4° in het kader van intergemeentelijke samenwerking als vermeld in deel 3, titel 3;
  5° via een overeenkomst met de Vlaamse Ombudsdienst.
  In deze paragraaf wordt verstaan onder Vlaamse Ombudsdienst: de Vlaamse Ombudsdienst, opgericht bij decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse Ombudsdienst.
  § 3. De algemeen directeur rapporteert jaarlijks aan de gemeenteraad over de klachten ingediend tegen de gemeente.
  De algemeen directeur rapporteert jaarlijks aan de raad voor maatschappelijk welzijn over de klachten ingediend tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
Art. 303. § 1er. Le système de traitement des plaintes est organisé tant pour la commune que pour le centre public daction sociale au niveau administratif, et est aussi indépendant que possible des services qui font l'objet des plaintes. Le gestionnaire financier en tient compte dans le système de contrôle interne visé à l'article 218.
  § 2. Chaque commune peut établir un service de médiation selon une des méthodes suivantes :
  1° en gestion propre ;
  2° en partenariat avec le centre public daction sociale qui dessert la commune ;
  3° dans le cadre d'un partenariat intercommunal au sens de la section 3, titre 3 ;
  4° par un accord avec le service de médiation flamand.
  Chaque centre public daction sociale peut établir un service de médiation selon une des méthodes suivantes :
  1° en gestion propre ;
  2° au sein d'une association constituée conformément à la section 3, titre 4, chapitres 2 et 3 ;
  3° en partenariat avec la commune que dessert le centre public daction sociale ;
  4° dans le cadre d'un partenariat intercommunal au sens de la section 3, titre 3 ;
  5° par un accord avec le service de médiation flamand.
  Dans le présent paragraphe, on entend par service de médiation flamand : le service de médiation flamand établi par le décret du 7 juillet 1998 instaurant le service de médiation flamand.
  § 3. Le [directeur général] rend compte chaque année au conseil communal des plaintes introduites à l'encontre de la commune.
  Le [directeur général] rend compte chaque année au conseil communal des plaintes introduites à l'encontre du centre public daction sociale.
HOOFDSTUK 2. - Inspraak, voorstellen van burgers en verzoekschriften aan de organen van het lokaal bestuur
CHAPITRE 2. - Droit de participation, propositions des citoyens et requêtes aux organes de l'administration locale
Art. 304. § 1. De gemeenteraad voert een beleid op het vlak van de betrokkenheid en de inspraak van de burgers of van de doelgroepen, met inbegrip van een regeling over het recht van de inwoners om voorstellen en vragen op de agenda van de gemeenteraad te zetten.
  Het eerste lid is van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "gemeenteraad" wordt gelezen als "raad voor maatschappelijk welzijn".
  § 2. Overeenkomstig artikel 28 van de Grondwet, heeft iedereen het recht verzoekschriften in te dienen bij de organen van de gemeente en bij de organen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  § 3. Onder voorbehoud van de wettelijke en decretale bepalingen die op dit gebied gelden, kan alleen de gemeenteraad overgaan tot de organisatie van raden en overlegstructuren die als opdracht hebben op regelmatige en systematische wijze het gemeentebestuur te adviseren.
  Ten hoogste twee derde van de leden van de raden en de overlegstructuren, vermeld in het eerste lid, is van hetzelfde geslacht. Als dat niet het geval is, kan niet op rechtsgeldige wijze advies worden uitgebracht.
  Gemeenteraadsleden en leden van het college van burgemeester en schepenen kunnen geen stemgerechtigd lid zijn van de raden en de overlegstructuren, vermeld in het eerste lid.
  § 4. De gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn kunnen ook andere initiatieven nemen om de inspraak van de burgers te bevorderen.
  § 5. De gemeenteraad bepaalt bij reglement de wijze waarop concreet vorm gegeven wordt aan de inspraak, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4, voor de gemeente en haar organen.
  De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt bij reglement de wijze waarop concreet vorm gegeven wordt aan de inspraak, vermeld in paragraaf 1, 2 en 4, voor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en zijn organen.
  § 6. Het college van burgemeester en schepenen kan, onder de voorwaarden die de gemeenteraad vaststelt, het beheer van budgetten voor de realisatie van bepaalde acties of projecten toevertrouwen aan wijkcomités en burgerinitiatieven. De gemeenteraad bepaalt minstens aan welke voorwaarden een wijkcomité en een burgerinitiatief moeten voldoen om als voldoende gedragen te worden beschouwd voor een wijk of voor de bevolking.
  Op het beheer, vermeld in het eerste lid, is artikel 271 van toepassing.
  Het beheer, vermeld in het eerste lid, vervalt in ieder geval zes maanden na de algehele vernieuwing van de gemeenteraad.
Art. 304. § 1er. Le conseil communal mène une politique sur le plan de la participation et du droit de participation des citoyens ou des groupes-cibles, en ce compris un règlement sur le droit des habitants à inscrire des propositions et des questions à l'ordre du jour du conseil communal.
  L'alinéa premier s'applique aux centres publics d'aide sociale, étant entendu que " conseil communal " se lit " conseil d'aide sociale ".
  § 2. Conformément à l'article 28 de la Constitution, chacun a le droit d'introduire des pétitions auprès des organes de la commune et des services du centre public daction sociale.
  § 3. Sans préjudice des dispositions légales et décrétales s'appliquant en la matière, seul le conseil communal peut procéder à l'organisation de conseils et structures de concertation ayant pour tâche de conseiller l'administration communale de manière régulière et systématique.
  Deux tiers tout au plus des membres des conseils et des structures de concertation mentionnée à l'alinéa premier tout sont du même sexe. Si tel n'est pas le cas, aucun avis ne peut être formulé valablement.
  Les conseillers communaux et membres du collège des bourgmestre et échevins ne peuvent être membres ayant voix délibérative des conseils et structures de concertation visées à l'alinéa premier.
  § 4. Le conseil communal et le conseil d'aide sociale peuvent également prendre d'autres initiatives afin de promouvoir le droit de participation des citoyens.
  § 5. Le conseil communal détermine par règlement la manière dont le droit de participation visé aux paragraphes 1er à 4 est créé pour la commune et ses organes.
  Le conseil d'aide sociale détermine par règlement la manière dont le droit de participation visé aux paragraphes 1er, 2 et 4 est créé pour le centre public daction sociale et ses organes.
  § 6. Le collège des bourgmestre et échevins peut, aux conditions fixées par le conseil communal, confier la gestion des budgets destinés à la réalisation de certaines actions ou de certains projets à des comités de quartier et à des initiatives citoyennes. Le conseil communal détermine à tout le moins les conditions auxquelles un comité de quartier et une initiative citoyenne doivent répondre pour pouvoir être considérées comme disposant d'un soutien suffisant pour un quartier ou pour la population.
  L'article 271 s'applique à la gestion visée à l'alinéa premier.
  La gestion visée à l'alinéa premier échoit en tout état de cause six mois après le renouvellement intégral du conseil communal.
HOOFDSTUK 3. - De gemeentelijke volksraadpleging
CHAPITRE 3. - De la consultation populaire communale
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1ère. - Dispositions générales
Art. 305. De gemeenteraad kan beslissen om de inwoners te raadplegen over de aangelegenheden, vermeld in artikel 2, § 2, eerste lid. Hij organiseert een volksraadpleging als de inwoners van de gemeente daartoe een verzoek hebben ingediend dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk.
  Persoonlijke aangelegenheden en aangelegenheden betreffende de jaarrekeningen, het meerjarenplan en de aanpassingen ervan, de gemeentebelastingen en de retributies kunnen niet het voorwerp zijn van een volksraadpleging.
Art. 305. Le conseil communal peut décider de consulter les habitants sur les matières visées à l'article 2, § 2, alinéa premier. Il organise une consultation populaire si les habitants de la commune ont introduit à cette fin une requête répondant aux conditions mentionnées dans le présent chapitre.
  Les questions de personnes et les questions relatives aux comptes, au plan pluriannuel et à ses adaptations, aux taxes communales et aux rétributions ne peuvent faire l'objet d'une consultation.
Art. 306. Een volksraadpleging kan niet worden georganiseerd in de periode van twaalf maanden voor de dag van de verkiezingen voor de volledige vernieuwing van de gemeenteraden. Bovendien kan er geen volksraadpleging worden georganiseerd in de periode van veertig dagen voor de rechtstreekse verkiezing van de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de gemeenschaps- en gewestparlementen en het Europees Parlement.
  De inwoners van de gemeente kunnen maar eenmaal om de zes maanden worden geraadpleegd, met een maximum van zes volksraadplegingen per bestuursperiode. Gedurende de periode tussen twee vernieuwingen van de gemeenteraad kan maar één volksraadpleging over hetzelfde onderwerp worden gehouden.
Art. 306. Une consultation populaire ne peut être organisée au cours des douze mois qui précèdent le renouvellement intégral des conseils communaux. En outre, aucune consultation populaire ne peut être organisée au cours des quarante jours qui précèdent l'élection directe des membres de la Chambre des Représentants, des Parlements communautaires et régionaux et du Parlement européen.
  Les habitants de la commune ne peuvent être consultés qu'une seule fois par semestre et tout au plus six fois par législature. Au cours de la période qui sépare deux renouvellements du conseil communal, il ne peut être organisé qu'une seule consultation sur un même sujet.
Art. 307. De vraag of vragen waarop de volksraadpleging betrekking heeft, wordt zo geformuleerd dat met ja of nee kan worden geantwoord.
Art. 307. La question qui fait l'objet de la consultation doit être formulée de manière à ce qu'il puisse y être répondu par oui ou par non.
Art. 308. Er is een Vlaamse Adviescommissie voor Volksraadplegingen. Die adviescommissie heeft als opdracht om op verzoek advies uit te brengen aan de Vlaamse Regering, aan initiatiefnemers of aan gemeenten over het houden van een gemeentelijke volksraadpleging. Ze kan ook uit eigen beweging advies verstrekken aan de Vlaamse Regering.
  De Vlaamse Regering bepaalt de werking en de samenstelling van de adviescommissie.
Art. 308. Il existe un Comité consultatif flamand pour les consultations populaires. Le comité précité a pour mission de formuler sur demande un avis au Gouvernement flamand, aux preneurs d'initiative ou aux communes concernant la tenue d'une consultation populaire. Il peut également émettre de sa propre initiative des avis à l'intention du Gouvernement flamand.
  Le Gouvernement flamand définit le fonctionnement et la composition de la commission consultative.
Afdeling 2. - De volksraadpleging op initiatief van de inwoners
Section 2. - Consultation populaire sur l'initiative des habitants
Art. 309. Het initiatief dat uitgaat van de inwoners van de gemeente moet worden gesteund door ten minste:
  1° 20% van de inwoners in gemeenten met minder dan 15.000 inwoners;
  2° 3000 inwoners in gemeenten met minstens 15.000 inwoners en minder dan 30.000 inwoners;
  3° 10% van de inwoners in gemeenten met minstens 30.000 inwoners.
Art. 309. L'initiative émanant des habitants de la commune doit être soutenue par au moins :
  1° 20 % des habitants dans les communes de moins de 15.000 habitants ;
  2° 3.000 habitants dans les communes d'au moins 15.000 habitants et de moins de 30.000 habitants ;
  3° 10 % des habitants dans les communes d'au moins 30.000 habitants.
Art. 310. Elk verzoek om een volksraadpleging te houden, op initiatief van de inwoners van de gemeente, wordt gericht aan het college van burgemeester en schepenen.
  [1 De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van communicatie tussen de indieners van het verzoek en de gemeente.]1
  Bij het verzoek worden een gemotiveerde nota gevoegd en de stukken die de gemeenteraad kunnen voorlichten.
  
Art. 310. Toute requête pour l'organisation d'une consultation sur l'initiative des habitants de la commune est adressée au collège des bourgmestre et échevins.
  [1 Le Gouvernement flamand détermine le mode de communication entre les auteurs de la requête et la commune.]1
  La requête comporte une note motivée ainsi que les pièces qui peuvent informer le conseil communal.
  
Art. 311. Het verzoek wordt ingediend met [1 ...]1 een verzoekschrift en [1 een of meerdere petitielijsten]1.
  Het verzoekschrift bevat de volgende vermeldingen:
  1° de naam van de gemeente;
  2° de tekst van artikel 196 van het Strafwetboek;
  3° de vraag of vragen waarop de voorgenomen volksraadpleging betrekking heeft;
  4° [1 de voornaam, de achternaam, de geboortedatum, het rijksregisternummer en het adres]1 van de personen die het initiatief nemen tot de volksraadpleging.
  De petitielijst bevat naast de vermeldingen in het tweede lid ook de [1 voornaam, de achternaam, de geboortedatum, het rijksregisternummer en het adres]1 van iedereen die het verzoekschrift heeft ondertekend.
  [1 De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen waaraan het verzoekschrift of de petitielijst, vermeld in het eerste lid, moet voldoen.]1.
  
Art. 311. La requête est introduite au moyen [1 ...]1 d'une requête et d'une [1 ou plusieurs listes de pétition]1.
  La requête comprend les données suivantes :
  1° le nom de la commune ;
  2° le texte de l'article 196 du code pénal ;
  3° la ou les questions sur lesquelles porte la consultation projetée ;
  4° [1 le prénom, le nom, la date de naissance, le numéro de registre national et l'adresse]1 de toute personne ayant pris l'initiative de la consultation.
  La liste de pétition comprend, outre les données visées au deuxième alinéa, les [1 prénom, nom, date de naissance, numéro de registre national et adresse ]1 de toute personne ayant signé la requête.
  [1 Le Gouvernement flamand peut préciser les modalités de la requête ou de la liste de pétition visée à l'alinéa 1er.]1
  
Art. 312. § 1. Een persoon kan verzoeken om een volksraadpleging als hij aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven of vermeld zijn;
  2° de leeftijd van zestien jaar bereikt hebben;
  3° niet het voorwerp uitmaken van een veroordeling of beslissing die voor een gemeenteraadskiezer de uitsluiting of schorsing van het kiesrecht meebrengt.
  § 2. De voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, moeten vervuld zijn op de datum waarop het verzoekschrift wordt ingediend.
  § 3. Artikel 15, § 5, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 is van toepassing op alle categorieën van personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.
  Voor niet-Belgische onderdanen en voor Belgische onderdanen die jonger zijn dan achttien jaar, wordt de kennisgeving door de parketten van de hoven en rechtbanken gedaan als de veroordeling of de internering, waartegen met geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden opgekomen, zou hebben geleid tot uitsluiting van het kiesrecht of opschorting van dat recht als ze ten laste van een gemeenteraadskiezer is uitgesproken. In geval van kennisgeving nadat de lijst van deelnemers is opgemaakt, worden de betrokkenen van die lijst geschrapt.
Art. 312. § 1er. Toute personne peut demander une consultation populaire ou y participer si elle :
  1° est inscrite ou mentionnée au registre de la population de la commune ;
  2° a atteint l'âge de seize ans ;
  3° ne fait pas l'objet d'une condamnation ou d'une décision engendrant la suppression ou la suspension du droit de vote pour une personne appelée à voter aux élections communales.
  § 2. Les conditions du § 1er doivent être remplies à la date de l'introduction de la requête.
  § 3. L'article 15 § 5 du Décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011 est d'application pour toutes les catégories de personnes qui répondent aux conditions visées au § 1er.
  Pour les ressortissants non belges et pour les ressortissants belges âgés de moins de 18 ans, les notifications interviendront sur l'initiative des parquets, des cours et tribunaux dans l'hypothèse ou la condamnation ou l'internement, qui ne sont plus susceptibles d'aucun recours ordinaire, auraient emporté l'exclusion de l'électorat ou suspension des droits électoraux s'ils avaient été prononcés à charge d'une personne appelée à voter aux élections communales. Si la notification intervient après que la liste de ceux qui participent à la consultation populaire a été arrêtée, l'intéressé est rayé de cette liste.
Art. 313. Na de ontvangst van het verzoek onderzoekt het college van burgemeester en schepenen of het verzoekschrift voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 305, 306, 307, 310, 311 en 312.
  Het resultaat van dat onderzoek wordt in een gemotiveerd advies meegedeeld aan de gemeenteraad.
Art. 313. Après réception de la requête, le collège des bourgmestre et échevins contrôle si celle-ci répond aux conditions fixées aux articles 305, 306, 307, 310, 311 et 312.
  Le résultat de ce contrôle est communiqué par avis motivé au conseil communal.
Art. 314. Nadat het onderzoek, vermeld in artikel 313, is afgesloten wordt het verzoek om een volksraadpleging te houden, ingeschreven op de agenda van de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad.
  De gemeenteraad beslist of het verzoek toelaatbaar is.
Art. 314. A l'issue du contrôle visé à l'article 313, la requête de consultation populaire est inscrite à l'ordre du jour de la prochaine réunion du conseil communal.
  Le conseil communal décide de la recevabilité de la requête.
Art. 315. Het college van burgemeester en schepenen onderzoekt of het verzoek gesteund is door een voldoende aantal geldige handtekeningen. Het college van burgemeester en schepenen kan beslissen dit onderzoek te voeren vooraleer het overgaat tot het onderzoek, vermeld in artikel 313.
  Naar aanleiding van dat onderzoek schrapt het college van burgemeester en schepenen:
  1° de dubbele handtekeningen;
  2° de handtekeningen van de personen die niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 312;
  3° de handtekeningen van de personen voor wie de verschafte gegevens ontoereikend zijn om de toetsing van hun identiteit mogelijk te maken.
  De controle wordt beëindigd als het aantal geldige handtekeningen is bereikt.
Art. 315. Le collège des bourgmestre et échevins vérifie si la requête est soutenue par un nombre suffisant de signatures valables. Le collège des bourgmestre et échevins peut décider de procéder audit examen avant le contrôle visé à l'article 313.
  A l'occasion dudit examen, le collège des bourgmestre et échevins supprime :
  1° les doubles signatures ;
  2° les signatures des personnes qui ne répondent pas aux conditions reprises dans l'article 312 ;
  3° les signatures des personnes pour qui les données mentionnées sont insuffisantes pour pouvoir vérifier leur identité.
  Le contrôle prend fin lorsque le nombre de signatures valables est atteint.
Afdeling 3. - Voorafgaand aan de volksraadpleging
Section 3. - Avant la consultation populaire
Art. 316. Ten minste dertig dagen voor de dag van de volksraadpleging stelt de gemeente aan de inwoners een brochure ter beschikking waarin het onderwerp van de volksraadpleging op een objectieve manier wordt uiteengezet. Die brochure bevat in voorkomend geval ook de gemotiveerde nota, vermeld in artikel 310, derde lid, en de vraag of vragen waarover de inwoners zullen worden geraadpleegd.
Art. 316. Au moins trente jours avant le jour de la consultation populaire, la commune met à la disposition des habitants une brochure présentant de manière objective l'objet de la consultation populaire. Le cas échéant, ladite brochure contient aussi la note motivée visée à l'article 310, troisième alinéa, ainsi que la ou les questions sur lesquelles les habitants seront consultés.
Art. 317. § 1. Op de dertigste dag voor de volksraadpleging maakt het college van burgemeester en schepenen een lijst op van de deelnemers aan de volksraadpleging.
  Op de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging worden de volgende personen vermeld:
  1° de personen die op de voormelde datum in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven of vermeld zijn en die de leeftijd van zestien jaar hebben bereikt, en die niet het voorwerp uitmaken van een veroordeling of beslissing die voor een gemeenteraadskiezer de uitsluiting of schorsing van het kiesrecht meebrengt;
  2° de deelnemers die tussen de datum, vermeld in het eerste lid, en de datum van de volksraadpleging de leeftijd van zestien jaar bereiken;
  3° de personen voor wie de schorsing van het kiesrecht een einde neemt of zou nemen uiterlijk op de dag die is vastgesteld voor de volksraadpleging.
  De deelnemers die na de datum waarop de lijst van de deelnemers aan de volksraadpleging wordt afgesloten, het voorwerp zijn van een veroordeling of van een beslissing die voor een gemeenteraadskiezer ofwel de uitsluiting van het kiesrecht, ofwel de schorsing van dat recht op de dag van de volksraadpleging meebrengt, worden van die lijst geschrapt.
  Voor elke persoon die voldoet aan de deelnemingsvoorwaarden vermeldt de lijst van deelnemers aan de volksraadpleging de naam, de voornamen, de geboortedatum, het geslacht en de hoofdverblijfplaats. Die lijst wordt volgens een doorlopende nummering en eventueel per wijk van de gemeente opgemaakt, ofwel in alfabetische volgorde van de deelnemers, ofwel geografisch volgens de straten.
  § 2. Artikel 15, § 5, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 is van toepassing op alle categorieën van personen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.
  Voor niet-Belgische onderdanen en voor Belgische onderdanen die jonger zijn dan achttien jaar wordt de kennisgeving door de parketten van de hoven en rechtbanken gedaan als de veroordeling of de internering, waartegen met geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden opgekomen, zou hebben geleid tot uitsluiting van het kiesrecht of opschorting van dat recht als ze ten laste van een gemeenteraadskiezer is uitgesproken. In geval van kennisgeving nadat de lijst van deelnemers is opgemaakt, worden de betrokkenen van die lijst geschrapt.
Art. 317. § 1er. Le trentième jour avant la consultation, le collège des bourgmestre et échevins dresse une liste des participants à la consultation populaire.
  La liste en question reprend les personnes suivantes :
  1° les personnes qui, à la date mentionnée sont inscrites ou mentionnées au registre de la population de la commune, ont atteint l'âge de 16 ans et ne font pas l'objet d'une condamnation ou d'une décision entraînant pour un électeur communal l'exclusion ou la suspension des droits électoraux ;
  2° les participants qui atteindront l'âge de 16 ans entre la date mentionnée et la date de la consultation ;
  3° les personnes dont la suspension des droits électoraux prendra ou prendrait fin au plus tard, le jour fixé pour la consultation.
  Les participants qui font l'objet après la date de clôture de la liste des participants à la consultation populaire, d'une condamnation ou d'une décision entraînant pour un électeur communal, soit la suppression du droit de vote, soit la suspension de ce droit le jour de la consultation populaire, sont supprimés de ladite liste.
  Pour chaque personne satisfaisant aux conditions de participation, la liste des participants mentionne le nom, les prénoms, la date de naissance, le sexe et la résidence principale. La liste est établie selon une numérotation continue, le cas échéant par section de la commune, soit dans l'ordre alphabétique des participants, soit dans l'ordre géographique en fonction des rues.
  § 2. L'article 15 § 5 du Décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011 est d'application pour toutes les catégories de personnes qui répondent aux conditions visées au § 1er.
  Pour les ressortissants non belges et pour les ressortissants belges âgés de moins de 18 ans, les notifications interviendront sur l'initiative des parquets, des cours et tribunaux dans l'hypothèse ou la condamnation ou l'internement, qui ne sont plus susceptibles d'aucun recours ordinaire, auraient emporté l'exclusion de l'électorat ou suspension des droits électoraux s'ils avaient été prononcés à charge d'une personne appelée à voter aux élections communales. Si la notification intervient après que la liste de ceux qui participent à la consultation populaire a été arrêtée, l'intéressé est rayé de ladite liste.
Art. 318. § 1. De volgende potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging kunnen een andere potentiële deelnemer aan de gemeentelijke volksraadpleging machtigen om in hun naam te stemmen:
  1° potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging die wegens ziekte of gebrekkigheid niet in staat zijn om zich naar het stemlokaal te begeven of om ernaartoe gebracht te worden. Die onbekwaamheid blijkt uit een medisch attest;
  2° potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging die om beroeps- of dienstredenen:
  a) in het buitenland zijn opgehouden, net als de leden van hun gezin of hun gevolg die met hen daar verblijven. De onmogelijkheid blijkt uit een attest van de militaire of burgerlijke overheid of van de werkgever van de betrokkenen;
  b) zich op de dag van de gemeentelijke volksraadpleging in het Rijk bevinden, maar in de onmogelijkheid verkeren zich in het stemlokaal te melden. De onmogelijkheid blijkt ook uit een attest van de militaire of burgerlijke overheid of van de werkgever van de betrokkenen;
  3° potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging die het beroep van schipper, marktkramer of kermisreiziger uitoefenen en de leden van hun gezin die met hen samenwonen. De uitoefening van het beroep blijkt uit een attest van de burgemeester van de gemeente waar de betrokkenen in het bevolkingsregister zijn ingeschreven. De Vlaamse Regering bepaalt het model van dit attest;
  4° potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging die op de dag van de gemeentelijke volksraadpleging ten gevolge van een rechterlijke maatregel in een toestand van vrijheidsbeneming verkeren. Die toestand wordt bevestigd door de directie van de inrichting waar de betrokkenen zich bevinden;
  5° potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging die om redenen in verband met hun geloofsovertuiging in de onmogelijkheid verkeren zich in het stemlokaal te melden. Die onmogelijkheid blijkt uit een attest dat is afgegeven door de religieuze overheid;
  6° studenten die zich om studieredenen in de onmogelijkheid bevinden om zich in het stemlokaal te melden, op voorwaarde dat ze een attest overleggen van de directie van de instelling waar ze studeren;
  7° potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging die om andere redenen op de dag van de gemeentelijke volksraadpleging niet in hun woonplaats zijn wegens een tijdelijk verblijf in het buitenland, en bijgevolg in de onmogelijkheid verkeren om zich in het stemlokaal aan te melden, als de onmogelijkheid door de burgemeester van hun woonplaats vastgesteld is, na overlegging van de nodige bewijsstukken of, als de betrokkene zich in de onmogelijkheid bevindt een dergelijk bewijsstuk voor te leggen, op grond van een verklaring op erewoord. De Vlaamse Regering bepaalt het model van de verklaring op erewoord die de betrokkene indient en het attest dat de burgemeester afgeeft. De aanvraag wordt uiterlijk de derde dag voor de dag van de volksraadpleging bij de burgemeester van de woonplaats ingediend.
  § 2. Iedereen die de hoedanigheid van potentiële deelnemer aan de gemeentelijke volksraadpleging bezit, kan als gemachtigde worden aangewezen. De gemachtigde kan zijn hoedanigheid bewijzen met zijn oproepingsbrief.
  Iedere gemachtigde mag maar één volmacht hebben.
  § 3. De volmacht wordt gesteld op een formulier waarvan het model door de Vlaamse Regering wordt bepaald. Het wordt kosteloos ter beschikking gesteld door de gemeente.
  De volmacht vermeldt de volksraadpleging waarvoor ze geldig is, de naam, de voornamen, de geboortedatum en het adres van de volmachtgever en van de gemachtigde.
  De volmachtgever en de gemachtigde ondertekenen het volmachtformulier.
Art. 318. § 1er. Les participants potentiels suivants à la consultation populaire peuvent mandater un autre participant potentiel à la consultation populaire pour voter en leur nom :
  1° les participants potentiels à la consultation populaire qui, en raison d'une maladie ou d'un handicap, ne peuvent pas se rendre au bureau de vote ou y être amenés. L'incapacité précitée est attestée par un certificat médical ;
  2° les participants potentiels à la consultation populaire qui, pour des motifs professionnels ou de service :
  a) sont retenus à l'étranger, tout comme les membres de leur famille ou de leur descendance qui y séjournent avec eux. L'impossibilité précitée est attestée par un certificat de l'autorité militaire ou civile ou de l'employeur des intéressés ;
  b) se trouvent dans le Royaume le jour de la consultation populaire mais sont dans l'impossibilité de se présenter au bureau de vote. L'impossibilité précitée est attestée par un certificat de l'autorité militaire ou civile ou de l'employeur des intéressés ;
  3° les participants potentiels à la consultation populaire qui exercent la profession de batelier, de marchand ambulant ou de forain et les membres de leur famille qui habitent avec eux. L'exercice de la profession est confirmé par un certificat du bourgmestre de la commune au registre de la population de laquelle les intéressés sont inscrits. Le modèle du certificat précité est établi par le Gouvernement flamand ;
  4° les participants potentiels à la consultation populaire qui, le jour de la consultation populaire, se trouvent privés de liberté suite à une mesure judiciaire. L'état précité est confirmé par la direction de l'établissement où séjournent les intéressés ;
  5° les participants potentiels à la consultation populaire qui sont dans l'impossibilité de se présenter au bureau de vote pour des raisons liées à leurs convictions philosophiques. L'impossibilité précitée est attestée par un certificat délivré par l'autorité religieuse.
  6° les étudiants qui, pour des motifs liés à leurs études, se trouvent dans l'impossibilité de se présenter au bureau de vote, à condition qu'ils produisent un certificat de la direction de l'établissement où ils étudient ;
  7° Les participants potentiels à la consultation populaire qui, pour d'autres raisons, ne se trouvent pas sur leur lieu de résidence le jour de la consultation populaire en raison d'un séjour temporaire à l'étranger, et ne sont donc pas en mesure de se présenter au bureau de vote, pour autant que ladite impossibilité soit constatée par le bourgmestre de leur domicile, sur présentation des justificatifs nécessaires ou, si l'intéressé n'est pas en mesure de produire de tels justificatifs, sur la base d'une déclaration sur l'honneur. Le Gouvernement flamand établit le modèle de la déclaration sur l'honneur à remettre par l'intéressé et du certificat délivré par le bourgmestre. La demande est soumise au bourgmestre du domicile au plus tard le troisième jour qui précède le jour de la consultation populaire.
  § 2. Quiconque possède la qualité de participant potentiel à la consultation populaire peut être désigné comme mandataire. Le mandataire peut attester de sa qualité avec sa convocation.
  Tout mandataire ne peut avoir qu'une seule procuration.
  § 3. La procuration est rédigée dans un formulaire dont le modèle est établi par le Gouvernement flamand. Il est mis gratuitement à disposition par la commune.
  La procuration mentionne la consultation populaire pour laquelle elle est valable, le nom, les prénoms, la date de naissance et l'adresse du mandant et du mandataire.
  La procuration est signée par le mandant et le mandataire.
Afdeling 4. - Verloop van de volksraadpleging
Section 4. - Déroulement de la consultation populaire
Art. 319. De deelname aan de volksraadpleging is niet verplicht. Elke deelnemer heeft recht op één stem. De stemming is geheim.
  De volksraadpleging kan alleen op een zondag plaatsvinden. De deelnemers worden tot de stemming toegelaten van 8 tot 13 uur. De personen die zich voor 13 uur in het stemlokaal bevinden, worden nog tot de stemming toegelaten.
Art. 319. La participation à la consultation populaire n'est pas obligatoire. Chaque participant a droit à une voix. Le scrutin est secret.
  La consultation populaire ne peut avoir lieu que le dimanche. Les participants sont admis au scrutin de 8 h à 13 h. Ceux qui se trouvent dans le local de vote avant 13 h sont encore admis au scrutin.
Art. 320. Om tot de gemeentelijke volksraadpleging toegelaten te worden, overhandigt de gemachtigde aan de voorzitter van het stembureau waar de volmachtgever had moeten stemmen, de volmacht en een van de attesten, vermeld in artikel 318, § 1. Hij toont hem ook zijn identiteitskaart, de oproepingsbrief van de volmachtgever en zijn eigen oproepingsbrief, waarop de voorzitter de vermelding "heeft bij volmacht gestemd" noteert.
Art. 320. Pour être admis à la consultation populaire, le mandataire remet la procuration et un des certificats visés à l'article 318, § 1er au président du bureau de vote où le mandait aurait dû voter. Il lui présente également sa carte d'identité, la lettre de convocation du mandant et sa propre convocation, sur laquelle le président inscrit la mention " a voté par procuration ".
Art. 321. De stemmen worden alleen geteld als ten minste het volgende aantal inwoners aan de volksraadpleging heeft deelgenomen:
  1° 20% van de inwoners in gemeenten met minder dan 15.000 inwoners;
  2° 3000 inwoners in gemeenten met minstens 15.000 inwoners en minder dan 30.000 inwoners;
  3° 10% van de inwoners in gemeenten met minstens 30.000 inwoners.
Art. 321. Il n'est procédé au dépouillement que lorsqu'ont participé à la consultation au moins :
  1° 20 % des habitants dans les communes de moins de 15.000 habitants ;
  2° 3.000 habitants dans les communes d'au moins 15.000 habitants et de moins de 30.000 habitants ;
  3° 10 % des habitants dans les communes d'au moins 30.000 habitants.
Art. 322. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere procedureregels voor het houden van een gemeentelijke volksraadpleging.
Art. 322. Le Gouvernement flamand définit les règles de procédures de l'organisation d'une consultation populaire.
Afdeling 5. - Na de volksraadpleging
Section 5. - Après la consultation populaire
Art. 323. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de uitslag van de volksraadpleging aan de bevolking wordt bekendgemaakt.
Art. 323. Le Gouvernement flamand détermine la manière dont le résultat de la consultation populaire est communiqué à la population.
Art. 324. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak over de geschillen betreffende de telling van de stemmen, vermeld in artikel 321. Het bezwaar moet worden ingesteld binnen de acht dagen nadat het proces-verbaal is bekendgemaakt waarin is vastgesteld dat het vereiste aantal deelnemers, vermeld in artikel 321, niet is bereikt of waarin de uitslag van de gemeentelijke volksraadpleging is vermeld.
  Tegen de uitspraken van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen kan binnen een termijn van acht dagen na de kennisgeving beroep aangetekend worden bij de Raad van State. Dat beroep is niet schorsend. De hoofdgriffier van de Raad van State deelt het beroep binnen acht dagen na de ontvangst ervan mee aan de betrokkene en aan de gemeente in kwestie. De Raad van State doet uitspraak binnen zestig dagen. Het arrest van de Raad van State wordt door de zorg van de hoofdgriffier onmiddellijk ter kennis gebracht van de betrokkene, de provinciegouverneur en de gemeente.
Art. 324. Le Conseil des contestations électorales se prononce sur les litiges concernant le dépouillement visé à l'article 321. La contestation doit être déposée dans les huit jours qui suivent la publication du procès-verbal constatant que le nombre requis de participants au sens de l'article 321 n'a pas été atteint ou mentionnant le résultat de la consultation populaire.
  Les décisions du Conseil des contestations électorales peuvent faire l'objet d'un recours auprès du Conseil d'Etat dans les huit jours qui suivent leur notification. Le recours précité n'est pas suspensif. Le greffier en chef du Conseil d'Etat communique le recours au requérant et à la commune concernée dans les huit jours qui suivent sa réception. Le Conseil d'Etat se prononce dans les soixante jours. L'arrêt du Conseil d'Etat est immédiatement notifié par les soins du greffier en chef au requérant, au gouverneur de province et à la commune.
Art. 325. De bepalingen van deel 5, titel 1, hoofdstuk 1, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, met uitzondering van artikel 234, zijn van toepassing op de gemeentelijke volksraadpleging, met dien verstande dat "kiezer" en "kiezers" altijd worden gelezen als "deelnemer" en "deelnemers", "verkiezing", "verkiezingen" en "kiesverrichtingen" worden gelezen als "volksraadpleging" en "kiescollege" wordt gelezen als "college".
Art. 325. Les dispositions de la section 5, titre 1er, chapitre 1er du Décret électoral provincial et local du 8 juillet 2011, à l'exception de l'article 234, s'appliquent à la consultation populaire communale, étant entendu que " électeur " et " électeurs " se liront toujours " participant " et " participants ", " élection ", " élections " et " opérations électorales " se liront " consultation populaire " et que " collège électoral " se lira " collège ".
TITEL 7. - Het bestuurlijk toezicht
TITRE 7. - Du contrôle administratif
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 326. In deze titel wordt verstaan onder:
  1° gemeenteoverheid: de organen en personeelsleden van de gemeente en de autonome gemeentebedrijven die een beslissing nemen;
  2° het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn: de organen en personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die een beslissing nemen;
  3° toezichthoudende overheid : de Vlaamse Regering of namens de Vlaamse Regering, de provinciegouverneur die handelt overeenkomstig de instructies van de Vlaamse Regering.
  Voor de eengemeentezones en de meergemeentezones wordt het bestuurlijk toezicht geregeld door de bepalingen van hoofdstuk 4.
  Voor de hulpverleningszones wordt het bestuurlijk toezicht geregeld door de bepalingen van hoofdstuk 5.
Art. 326. Dans le présent titre, on entend par :
  1° autorité communale : les organes et membres du personnel des communes et des régies communales autonomes qui prennent une décision ;
  2° centre public daction sociale : les organes et membres du personnel du centre public daction sociale qui prennent une décision ;
  3° autorité de tutelle : le Gouvernement flamand et, au nom du Gouvernement flamand, le gouverneur de province qui agit conformément aux instructions du Gouvernement flamand.
  Pour ce qui concerne les zones à une ou plusieurs communes, la tutelle administrative est régie conformément aux dispositions du chapitre 4.
  Pour ce qui concerne les zones de secours, la tutelle administrative est régie conformément aux dispositions du chapitre 5.
Art. 327. Behalve in geval van andersluidende bepalingen, beperkt de toezichthoudende overheid zich bij de uitoefening van het toezicht, vermeld in dit decreet, tot een toetsing aan het recht en aan het algemeen belang. Voor beslissingen van de gemeenteoverheid is het algemeen belang elk belang dat ruimer is dan het gemeentelijk belang. Voor beslissingen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is het algemeen belang elk belang dat ruimer is dan het gemeentelijk belang en het belang van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
Art. 327. Sauf dispositions contraires, l'autorité de tutelle se limite dans le cadre de l'exercice de la tutelle, visée dans le présent décret, à une confrontation au droit et à l'intérêt général. Pour les décisions de l'autorité communale, l'intérêt général est tout intérêt qui dépasse l'intérêt communal. Pour les décisions du centre public daction sociale, l'intérêt général est tout intérêt qui dépasse l'intérêt communal et l'intérêt du centre public daction sociale.
Art. 328. De toezichthoudende overheid kan bij de gemeenteoverheid en bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alle documenten en inlichtingen opvragen of die ter plaatse raadplegen. Ze bepaalt de informatiedrager en de vorm waarin die gegevens worden verstrekt.
Art. 328. L'autorité de tutelle peut demander tous les documents et informations auprès de l'autorité communale et du centre public daction sociale ou les consulter sur les lieux. Elle définit le support d'information et la forme dans laquelle lesdites données sont fournies.
Art. 329. De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze de communicatie tussen de onder toezicht staande overheid, de toezichthoudende overheid en, in voorkomend geval, de indiener van de klacht, verloopt.
  Buiten de gevallen waarin een gemeenteoverheid of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn krachtens dit decreet kennisgeeft van besluiten aan de toezichthoudende overheid, heeft de verzending of de kennisgeving van de bekendmaking van een beslissing aan de toezichthoudende overheid niet tot gevolg dat de termijn om het toezicht uit te oefenen een aanvang neemt.
  Op straffe van nietigheid wordt het besluit dat in het kader van het toezicht wordt genomen, uiterlijk de laatste dag van de voorgeschreven termijn verzonden.
Art. 329. Le Gouvernement flamand définit le mode de communication entre l'autorité sous tutelle, l'autorité de tutelle et, le cas échéant, le plaignant.
  Hormis les cas dans lesquels une autorité communale ou un centre public daction sociale doit notifier des décisions à l'autorité de tutelle en vertu du présent décret, l'expédition ou la signification d'une décision à l'autorité de tutelle n'entraîne pas la prise d'effet du délai pour exercer la tutelle.
  Sous peine de nullité, la décision qui est prise dans le cadre de la tutelle est envoyée au plus tard le dernier jour du délai prescrit.
Art. 329/1. [1 In dit artikel wordt verstaan onder algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.
   De binnen de Vlaamse overheid bevoegde entiteit verwerkt in het kader van het bestuurlijk toezicht de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn om het bestuurlijk toezicht te kunnen uitoefenen.
   De verwerking van de gegevens, vermeld in het tweede lid, heeft in het bijzonder betrekking op de volgende categorieën van persoonsgegevens:
   1° identificatiegegevens;
   2° contactgegevens;
   3° politieke gegevens;
   4° andere persoonsgegevens die worden meegedeeld of opgevraagd naar aanleiding van de werking of beslissingen van lokale besturen.
   De verwerking van de gegevens, vermeld in het tweede lid, heeft in het bijzonder betrekking op de volgende categorieën van natuurlijke personen:
   1° personen die een klacht indienen bij de toezichthoudende overheid;
   2° personen die in een klacht bij de toezichthoudende overheid worden genoemd;
   3° personen die in een beslissing van het lokaal bestuur worden genoemd.
   De verwerking van persoonsgegevens, vermeld in het tweede lid, is gebaseerd op artikel 6, eerste lid, c) en e), van de algemene verordening gegevensbescherming. Voor zover er gegevens worden verwerkt in verband met politieke opvattingen, is de verwerking toegelaten op grond van artikel 9, tweede lid, e) en g), van de voormelde verordening.
   De gegevens, vermeld in het derde lid, worden bewaard overeenkomstig de regeling die geldt met toepassing van artikel III.87 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018.
   De gegevens, vermeld in het derde lid, zijn niet publiek toegankelijk. Enkel de toezichthoudende overheid, haar medewerkers en de medewerkers van de binnen de Vlaamse overheid bevoegde entiteit hebben toegang tot deze gegevens.]1

  
Art. 329/1. [1 Dans le présent article, on entend par règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.
   Dans le cadre du contrôle administratif, l'entité compétente au sein de l'Autorité flamande traite les données personnelles nécessaires à l'exécution du contrôle administratif.
   Le traitement des données personnelles visées à l'alinéa 2, concerne particulièrement les catégories suivantes de données personnelles :
   1° les données d'identification ;
   2° les coordonnées ;
   3° les données politiques ;
   4° d'autres données personnelles communiquées ou demandées dans le cadre du fonctionnement ou des décisions des administrations locales.
   Le traitement des données personnelles visées à l'alinéa 2, concerne particulièrement les catégories suivantes de personnes physiques :
   1° les personnes qui introduisent une plainte auprès de l'autorité de contrôle ;
   2° les personnes nommées dans une plainte auprès de l'autorité de contrôle ;
   3° les personnes nommées dans une décision de l'administration locale.
   Le traitement des données personnelles visées à l'alinéa 2, est basé sur l'article 6, paragraphe 1er, c) et e), du règlement général sur la protection des données. Dans la mesure où des données sont traitées en relation avec des convictions politiques, ce traitement est autorisé en vertu de l'article 9, paragraphe 2, e) et g), du règlement précité.
   Les données visées à l'alinéa 3, sont conservées conformément à la réglementation en vigueur en application de l'article III.87 du décret de gouvernance du 7 décembre 2018.
   Les données visées à l'alinéa 3, ne sont pas publiquement accessibles. Seuls l'autorité de contrôle, ses collaborateurs et les collaborateurs de l'entité compétente au sein de l'Autorité flamande ont accès à ces données.]1

  
HOOFDSTUK 2. - Algemeen bestuurlijk toezicht
CHAPITRE 2. - Tutelle administrative générale
Art. 330. Op dezelfde dag als de bekendmaking op de webtoepassing van de gemeente van de lijst van de aangelegenheden, vermeld in artikel 285, § 1, 1° en 2°, en van de besluiten, vermeld in artikel 286, § 1, brengt de gemeenteoverheid de toezichthoudende overheid op de hoogte van de bekendmaking ervan.
  Het eerste lid is van toepassing op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "gemeenteoverheid" wordt gelezen als "het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn", "artikel 285, § 1, 1° en 2° " wordt gelezen als "artikel 285, § 2, 1° en 2° " en "artikel 286, § 1," wordt gelezen als "artikel 286, § 2".
Art. 330. Le jour même de la publication sur l'application web de la commune de la liste des matières visées à l'article 285, § 1er, 1° et 2°, et des décisions visées à l'article 286, § 1er, l'autorité communale informe l'autorité de tutelle de leur publication.
  L'alinéa premier s'applique aux centres publics d'aide sociale, étant entendu que " autorité communale " se lit " le centre public daction sociale ", et " article 285, § 1er, 1° et 2° " se lit " article 285, § 2, 1° et 2° " et " article 285, § 1er, 1° et 2° " et " article 285, § 1er " se lit article 286, § 2 ".
Art. 331. De toezichthoudende overheid kan besluiten van een gemeenteoverheid en van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ambtshalve opvragen.
  Bij de ontvangst van een klacht vraagt de toezichthoudende overheid het besluit en het bijbehorende dossier op.
Art. 331. L'autorité de tutelle peut consulter d'office les décisions d'une autorité communale et d'un centre public daction sociale.
  Lors de la réception d'une plainte, l'autorité de tutelle réclame la décision et le dossier y afférent.
Art. 332. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 243, § 3, 259 en 262 beschikt de toezichthoudende overheid over dertig dagen om een besluit van een gemeenteoverheid te vernietigen en om de gemeenteoverheid daarvan op de hoogte te brengen.
  De toezichthoudende overheid beschikt over dertig dagen om een besluit van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te vernietigen en om het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn daarvan op de hoogte te brengen.
  Alle besluiten en opmerkingen van de toezichthoudende overheid worden ter kennis gebracht op de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad of van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  § 2. De termijn, vermeld in paragraaf 1, gaat in op de dag die volgt op de kennisgeving aan de toezichthoudende overheid van de bekendmaking op de webtoepassing van de gemeente van de lijst van de aangelegenheden, vermeld in artikel 285, § 1, 1° en 2°, en artikel 285, § 2, eerste lid, 1° en 2°. Voor de besluiten, vermeld in artikel 286, § 1 en § 2, start de termijn, vermeld in paragraaf 1, op de dag die volgt op de kennisgeving aan de toezichthoudende overheid van de bekendmaking van het besluit op de webtoepassing van de gemeente.
  Onder voorbehoud van de toepassing van het eerste lid, start de termijn, vermeld in paragraaf 1, voor de besluiten van een gemeenteoverheid of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die met toepassing van artikel 331 ambtshalve of na ontvangst van een klacht werden opgevraagd door de toezichthoudende overheid, op de dag die volgt op de verzending van het opgevraagde besluit.
  § 3. Een klacht wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingediend binnen een periode van dertig dagen, die volgt op de dag van de bekendmaking op de webtoepassing van de gemeente van de lijst van de aangelegenheden, vermeld in artikel 285, § 1, 1° en 2°, en artikel 285, § 2, eerste lid, 1° en 2°, of van de besluiten, vermeld in artikel 286, § 1 en § 2.
  § 4. De termijn, vermeld in paragraaf 1, wordt gestuit door de verzending van een klacht aan de toezichthoudende overheid, op voorwaarde dat die klacht verstuurd wordt op de wijze, bepaald door de Vlaamse Regering, binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3.
  Een nieuwe termijn als vermeld in paragraaf 1 gaat in op de dag die volgt op de verzending van de klacht.
  § 5. De termijn, vermeld in paragraaf 1, wordt gestuit door de opvraging door de toezichthoudende overheid van het besluit van de gemeenteoverheid of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met toepassing van artikel 331, eerste of tweede lid.
  Een nieuwe termijn als vermeld in paragraaf 1 gaat in op de dag die volgt op de verzending van het opgevraagde besluit.
  § 6. De gemeenteoverheid of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verzendt het besluit dat door de toezichthoudende overheid is opgevraagd binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de dag van de verzending van de opvraging.
  Als de gemeenteoverheid of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn het gevraagde besluit niet verzendt aan de toezichthoudende overheid binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de toezichthoudende overheid na het verstrijken van die termijn een herinnering. De herinnering verwijst uitdrukkelijk naar de gevolgen, vermeld in het vierde lid.
  Een nieuwe termijn van dertig dagen gaat in op de dag na de verzending van de herinnering.
  Als het gevraagde besluit niet wordt verzonden aan de toezichthoudende overheid binnen die nieuwe termijn, is het opgevraagde besluit van rechtswege nietig. De toezichthoudende overheid brengt de gemeenteoverheid of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op de hoogte van die nietigheid.
Art. 332. § 1er. Sans préjudice de l'application des articles 243, § 3, 259 et 262, l'autorité de tutelle dispose de trente jours pour annuler une décision d'une autorité communale et pour en informer l'autorité intercommunale.
  L'autorité de tutelle dispose de trente jours pour annuler une décision du centre public daction sociale et pour en informer le centre public daction sociale.
  Toutes les décisions et remarques de l'autorité de tutelle sont notifiées lors de la réunion suivante du conseil communal ou du conseil d'aide sociale.
  § 2. Le délai visé au paragraphe 1er prend cours le jour qui suit la notification à l'autorité de tutelle de la publication sur l'application web de la commune de la liste des matières visées à l'article 285, § 1er, 1° et 2°, et à l'article 285, § 2, alinéa premier, 1° et 2°. Pour les décisions visées à l'article 286, §§ 1er et 2, le délai visé au paragraphe 1er commence à courir le jour qui suit la notification à l'autorité de contrôle de la publication de la décision sur l'application web de la commune.
  Sous réserve de l'application du premier alinéa, le délai visé au paragraphe 1er pour les décisions d'une autorité communale ou du centre public daction sociale qui ont été demandées par l'autorité de tutelle en vertu de l'article 331, soit de plein droit, soit après réception d'une réclamation, commence à courir le jour qui suit la date d'envoi de la décision demandée.
  § 3. A peine d'irrecevabilité, une plainte est introduite dans une période de trente jours suivant le jour de la publication sur l'application web de la commune de la liste des matières visées à l'article 285, § 1er, 1° et 2°, et à l'article 285, § 2, alinéa premier, 1° et 2° ou des décisions visées à l'article 286, §§ 1eret 2.
  § 4. Le délai visé au paragraphe 1er est interrompu par l'envoi d'une plainte à l'autorité de tutelle, pour autant que ladite plainte soit envoyée selon les modalités fixées par le Gouvernement flamand, dans le délai prévu au paragraphe 3.
  Un nouveau délai tel que visé au paragraphe 1er prend cours le jour qui suit celui de l'envoi de la plainte.
  § 5. Le délai visé au paragraphe 1er est interrompu par la demande, par l'autorité de tutelle, de la décision de la commune ou du centre public daction sociale en application de l'article 331, premier ou deuxième alinéa.
  Un nouveau délai tel que visé au paragraphe 1er prend cours le jour qui suit celui de l'envoi de la décision demandée.
  § 6. L'autorité communale ou le centre public daction sociale transmet la décision demandée par l'autorité de tutelle dans un délai de trente jours à compter de la date d'envoi de la demande.
  Si l'autorité communale ou le centre public daction sociale ne transmet pas la décision demandée à l'autorité de tutelle dans le délai prévu au paragraphe 1er, l'autorité de tutelle envoie un rappel après l'expiration dudit délai. Le rappel précité fait expressément référence aux conséquences visées au quatrième alinéa.
  Un nouveau délai de trente jours prend cours le jour qui suit celui de l'envoi du rappel.
  Si la décision demandée n'est pas transmise à l'autorité de tutelle dans le nouveau délai précité, la décision demandée est nulle de plein droit. L'autorité de tutelle informe l'autorité communale ou le centre public daction sociale ladite nullité.
Art. 333. Als een klacht wordt ingediend tegen een besluit van de gemeenteoverheid of van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn brengt de toezichthoudende overheid de indiener van de klacht op de hoogte van:
  1° de ontvangst van de klacht, binnen tien dagen nadat ze ontvangen werd;
  2° het verzoek van de toezichthoudende overheid aan de gemeenteoverheid of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn om het besluit en het bijbehorende dossier te bezorgen, binnen tien dagen na dat verzoek;
  3° het besluit van de toezichthoudende overheid over de ingediende klacht met vermelding van de motieven waarop het besluit is gebaseerd.
  De toezichthoudende overheid brengt de betrokken gemeenteoverheid of aan het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op de hoogte van haar definitieve antwoord aan de indiener van de klacht. Deze mededeling wordt ter kennis gebracht op de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad of van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  In geval van stuiting van de termijn om een beroep in te stellen bij de Raad van State, brengt de toezichthoudende overheid de indiener van de klacht op de wijze, bepaald door de Vlaamse Regering, op de hoogte van de motieven van de toezichthoudende overheid om het besluit van de gemeenteoverheid of van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waartegen de klacht was ingediend, niet te vernietigen, binnen tien dagen na het nemen van dat besluit of na het verstrijken van de termijn.
Art. 333. Si une plainte est introduite contre une décision de l'autorité communale ou d'un centre public daction sociale, l'autorité de tutelle informe le plaignant de :
  1° la réception de la plainte dans les dix jours qui suivent sa réception ;
  2° la requête de l'autorité de tutelle à l'autorité communale ou aux centres publics d'aide sociale de fournir la décision et le dossier y afférent dans les dix jours qui suivent la requête ;
  3° la décision de l'autorité de tutelle concernant la plainte introduite, avec mention des motifs fondant la décision.
  L'autorité de tutelle communique sa réponse définitive au plaignant à l'autorité communale ou au centre public daction sociale. Ladite communication est notifiée lors de la prochaine réunion du conseil communal ou du conseil d'aide sociale.
  En cas d'interruption du délai de recours devant le Conseil d'Etat, l'autorité de tutelle informe le plaignant, selon les modalités fixées par le Gouvernement flamand, des raisons pour lesquelles l'autorité de tutelle n'annule pas la décision de la commune ou du centre public daction sociale contre lequel la plainte a été déposée, dans les dix jours qui suivent la prise de ladite décision ou à l'expiration du délai.
Art. 334. De toezichthoudende overheid kan de besluiten van de gemeenteoverheid en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die genomen zijn in de loop van het jaar waarop de rekeningen betrekking hebben en die niet zijn opgevraagd of vernietigd, niet langer vernietigen vanaf de goedkeuring van de jaarrekeningen overeenkomstig artikel 243 en 262.
Art. 334. L'autorité de tutelle ne peut plus annuler les décisions de l'autorité communale et du centre public daction sociale prises au cours de l'exercice auquel se rapportent les comptes, qui n'ont pas été demandées ou annulées, à compter de l'approbation des comptes annuels conformément aux articles 243 et 262.
HOOFDSTUK 3. - Dwangtoezicht
CHAPITRE 3. - Tutelle coercitive
Art. 335. § 1. De toezichthoudende overheid kan, na een ingebrekestelling, een of meer commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven om de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen van de gemeenteoverheid en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of om de maatregelen uit te voeren die in rechte zijn voorgeschreven.
  De toezichthoudende overheid kan pas optreden na het verstrijken van de termijn die bepaald is in de ingebrekestelling.
  § 2. Als een of meer commissarissen optreden, moeten zij vergoed worden door de personen die verzuimd hebben aan de ingebrekestelling gevolg te geven.
  De financieel directeur vordert de kosten in op zicht van een daartoe genomen besluit van de overheid die de dwangprocedure heeft ingesteld, dat geldt als een bevelschrift dat de financieel directeur ambtshalve moet uitvoeren.
Art. 335. § 1er. L'autorité de tutelle peut, à la suite d'une mise en demeure, ordonner à un ou plusieurs commissaires de se rendre sur les lieux pour obtenir les informations ou les observations demandées à l'autorité communale et aux centres publics d'aide sociale ou pour mettre en oeuvre les mesures légales prévues par la loi.
  L'autorité de tutelle ne peut agir qu'à l'expiration du délai fixé dans la mise en demeure.
  § 2. Lorsqu'un ou plusieurs commissaires de tutelle interviennent, ils doivent être indemnisés par les personnes qui ont négligé de donner suite à la mise en demeure.
  Le gestionnaire financier réclame les frais en raison d'une décision prise à cet effet par l'autorité qui a institué la procédure coercitive, décision qui a valeur d'ordonnance en vertu de laquelle le gestionnaire financier doit exécuter d'office.
HOOFDSTUK 4. - Eengemeentezones en meergemeentezones, ingesteld door de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus
CHAPITRE 4. - Zones à une ou plusieurs communes instituées par la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux
Art. 336. [1 De bepalingen van hoofdstuk 1 tot en met 3 van deze titel zijn, met uitzondering van artikel 330 en 332, § 2, § 3 en § 4, binnen de grenzen]1 van hun bevoegdheden van toepassing op de eengemeentezones en de meergemeentezones en op de besluiten die door hen worden genomen over de lokale politie, [1 "politieraad" en "college van burgemeester en schepenen" wordt gelezen als "politiecollege"]1.
  
Art. 336. [1 A l'exception des articles 330 et 332, paragraphes 2, 3 et 4, les dispositions des chapitres 1er à 3 du présent titre s'appliquent, dans les limites]1 de leurs compétences, aux zones à une ou plusieurs communes ainsi qu'aux décisions prises par elles concernant la police locale, [1 étant entendu que, en ce qui concerne les zones à plusieurs communes, " l'autorité communale " se lit " les organes et les membres du personnel des zones à plusieurs communes ", " le conseil communal " se lit " le conseil de police " et " le collège des bourgmestre et échevins " se lit " le collège de police "]1.
  
Art. 337. § 1. Van de besluiten van de politieraad [1 en van de besluiten van de gemeenteraad over aangelegenheden van lokale politie]1 wordt binnen tien dagen nadat ze genomen zijn een lijst met een beknopte omschrijving van de daarin geregelde aangelegenheden verzonden aan de toezichthoudende overheid op de wijze, bepaald door de Vlaamse Regering.
  De termijn, vermeld in artikel 332, § 1, gaat in op de dag die volgt op de verzending aan de toezichthoudende overheid van de lijst, vermeld in het eerste lid. Die termijn wordt gestuit door de opvraging door de toezichthoudende overheid op de wijze, bepaald door de Vlaamse Regering, van het besluit van de politieraad. Die termijn gaat opnieuw in op de dag die volgt op de verzending van het opgevraagde besluit.
  § 2. Vanaf de dag van de verzending aan de toezichthoudende overheid wordt de lijst, vermeld in paragraaf 1, openbaar gemaakt in de gemeenten die deel uitmaken van de zone, zodat het publiek er op elk moment van kan kennisnemen.
  De Vlaamse Regering bepaalt hoelang de lijst, vermeld in het eerste lid, minstens raadpleegbaar moet blijven.
  De bekendmaking, vermeld in het eerste lid, vermeldt de agenda van de raadszitting en de wijze waarop het publiek inzage kan krijgen van de beslissingen die op de lijst zijn vermeld.
  § 3. Een klacht wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingediend binnen een periode van dertig dagen die volgt op de dag van de openbaarmaking van de lijst, vermeld in paragraaf 2.
  [1 § 4. De termijn, vermeld in paragraaf 1, wordt gestuit door de verzending van een klacht aan de toezichthoudende overheid, op voorwaarde dat die klacht verstuurd wordt op de wijze bepaald door de Vlaamse Regering, binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3.
   Een nieuwe termijn als vermeld in paragraaf 1 gaat in op de dag die volgt op de verzending van de klacht.]1

  
Art. 337. § 1er. Une liste des décisions du conseil de police [1 et des décisions du conseil communal relatives à des matières de police locale]1 reprenant une description concise des matières qui y sont régies est transmise à l'autorité de tutelle dans les dix jours qui suivent leur prise, selon les modalités fixées par le Gouvernement flamand.
  Le délai visé au paragraphe 332 prend cours le jour qui suit l'envoi à l'autorité de tutelle de la liste visée à l'alinéa premier. Le délai en question est interrompu par la demande de la décision du conseil de police par l'autorité de tutelle selon les modalités fixées par le Gouvernement flamand. Le délai en question recommence à courir le jour qui suit celui de l'envoi de la décision demandée.
  § 2. La liste visée au paragraphe 1er est rendue publique dans les communes faisant partie de la zone à compter de la date d'envoi à l'autorité de tutelle, afin que le public puisse en prendre connaissance à tout moment.
  Le Gouvernement flamand détermine la durée minimale pendant laquelle la liste visée à l'alinéa premier reste consultable.
  L'annonce visée à l'alinéa premier indique l'ordre du jour de la réunion du conseil et les modalités selon lesquelles le public peut avoir accès aux décisions mentionnées dans la liste.
  § 3. A peine d'irrecevabilité, une plainte est introduite dans une période de trente jours qui suivent le jour de la publication de la liste visée au paragraphe 2.
  [1 § 4. Le délai visé au paragraphe 1er, est interrompu par l'envoi d'une plainte à l'autorité de contrôle, à condition que cette plainte soit envoyée de la manière déterminée par le Gouvernement flamand, dans le délai visé au paragraphe 3.
   Un nouveau délai tel que visé au paragraphe 1er commence à courir le jour suivant l'envoi de la plainte.]1

  
Art. 338. Als de besluiten en handelingen van de organen van de eengemeentezones en de meergemeentezones, met toepassing van titel II, hoofdstuk V, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, onderworpen zijn aan een specifiek toezicht, kan tegen die organen, hun besluiten en handelingen, geen enkele toezichtmaatregel, als vermeld in hoofdstuk 2 van deze titel, worden genomen op grond van de schending van een bepaling, vervat in of genomen krachtens die wet.
Art. 338. Si, en application du titre II, chapitre V, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, les décisions et actes des organes des zones à une et plusieurs communes font l'objet d'un contrôle spécifique, aucune mesure de tutelle visée au chapitre 2 du présent titre ne peut être prise à l'encontre desdits organes, de leurs décisions et actes sur la base d'une violation d'une disposition contenue dans ladite loi ou prise en application de celle-ci.
HOOFDSTUK 5. - Hulpverleningszones, ingesteld met toepassing van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid
CHAPITRE 5. - Zones de secours instituées en application de la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile
Art. 339. De bepalingen van hoofdstuk 1 tot en met 3 van deze titel zijn, [1 met uitzondering van artikel 330 en 332, § 2, § 3 en § 4,]1, binnen de grenzen van hun bevoegdheden van toepassing op de hulpverleningszones, vermeld in de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid, en op de besluiten die door hen worden genomen over de voormelde hulpverleningszones, met dien verstande dat "de gemeenteoverheid" wordt gelezen als "de organen en personeelsleden van de hulpverleningszone".
  
Art. 339. [1 A l'exception des articles 330 et 332, § 2, § 3 et § 4 ]1, les dispositions des chapitres 1er à 3 du présent titre s'appliquent, dans les limites de leurs compétences, aux zones de secours visées par la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile, et aux décisions prises par elles concernant lesdites zones de secours, étant entendu que " l'autorité communale " se lit " les organes et membres du personnel des zones de secours " [1 " le conseil communal " se lit " conseil de zone " et " collège des bourgmestre et échevins " se lit " collège de zone "]1.
  
Art. 340. § 1. Van de besluiten van de zoneraad wordt binnen tien dagen nadat ze genomen zijn een lijst met een beknopte omschrijving van de daarin geregelde aangelegenheden verzonden aan de toezichthoudende overheid op de wijze, bepaald door de Vlaamse Regering.
  De termijn, vermeld in artikel 332, § 1, gaat in op de dag die volgt op de verzending aan de toezichthoudende overheid van de lijst, vermeld in het eerste lid. Die termijn wordt gestuit door de opvraging door de toezichthoudende overheid op de wijze, bepaald door de Vlaamse Regering, van het besluit van de zoneraad. Die termijn gaat opnieuw in op de dag die volgt op de verzending van het opgevraagde besluit.
  § 2. Vanaf de dag van de verzending aan de toezichthoudende overheid wordt de lijst, vermeld in paragraaf 1, in de gemeenten die deel uitmaken van de zone openbaar gemaakt, met een beknopte omschrijving van de besluiten van de zoneraad, zodat het publiek op elk moment ervan kan kennisnemen.
  De Vlaamse Regering bepaalt hoe lang de lijst, vermeld in het eerste lid, minstens raadpleegbaar moet blijven.
  De bekendmaking, vermeld in het eerste lid, vermeldt de agenda van de raadszitting en de wijze waarop het publiek inzage kan krijgen in de beslissingen die op de lijst zijn vermeld.
  § 3. Een klacht wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingediend binnen een termijn van dertig dagen, die volgt op de dag van de openbaarmaking van de lijst, vermeld in paragraaf 2.
  [1 § 4. De termijn, vermeld in paragraaf 1, wordt gestuit door de verzending van een klacht aan de toezichthoudende overheid, op voorwaarde dat die klacht verstuurd wordt op de wijze bepaald door de Vlaamse Regering, binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3.
   Een nieuwe termijn als vermeld in paragraaf 1 gaat in op de dag die volgt op de verzending van de klacht.]1

  
Art. 340. § 1er. Une liste des décisions du conseil de zone reprenant une description concise des matières qui y sont régies est transmise à l'autorité de tutelle dans les dix jours qui suivent leur prise, selon les modalités fixées par le Gouvernement flamand.
  Le délai visé au paragraphe 332 prend cours le jour qui suit celui de l'envoi à l'autorité de tutelle de la liste visée à l'alinéa premier. Ce délai est interrompu par la demande de la décision du conseil de zone par l'autorité de tutelle selon les modalités fixées par le Gouvernement flamand. Le délai en question recommence à courir le jour qui suit celui de l'envoi de la décision demandée.
  § 2. La liste visée au paragraphe 1er est rendue publique dans les communes faisant partie de la zone, avec une brève description des décisions du conseil de zone à compter de la date d'envoi à l'autorité de tutelle, afin que le public puisse en prendre connaissance à tout moment.
  Le Gouvernement flamand détermine la durée minimale pendant laquelle la liste visée à l'alinéa premier reste consultable.
  L'annonce visée à l'alinéa premier indique l'ordre du jour de la réunion du conseil et les modalités selon lesquelles le public peut avoir accès aux décisions mentionnées dans la liste.
  § 3. A peine d'irrecevabilité, une plainte est introduite dans un délai de trente jours qui suivent le jour de la publication de la liste visée au paragraphe 2.
  [1 § 4. Le délai visé au paragraphe 1er, est interrompu par l'envoi d'une plainte à l'autorité de contrôle, à condition que cette plainte soit envoyée de la manière déterminée par le Gouvernement flamand, dans le délai visé au paragraphe 3.
   Un nouveau délai tel que visé au paragraphe 1er commence à courir le jour suivant l'envoi de la plainte. ]1
Art. 341. Als de besluiten en handelingen van de organen van de hulpverleningszones, met toepassing van titel III, hoofdstuk VII, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid, onderworpen zijn aan een specifiek toezicht, kan tegen die organen, hun besluiten en handelingen, geen enkele toezichtmaatregel als vermeld in titel 7, hoofdstuk 2, van deze titel worden genomen op grond van schending van een bepaling, vervat in of genomen krachtens die wet.
Art. 341. Si, en application du titre II, chapitre VII, de la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile, les décisions et actes des organes des zones de secours font l'objet d'un contrôle spécifique, aucune mesure de tutelle visée au titre 7, chapitre 2 ne peut être prise à l'encontre desdits organes, de leurs décisions et actes sur la base d'une violation d'une disposition contenue dans ladite loi ou prise en application de celle-ci.
TITEL 8. - Vrijwillige samenvoeging van gemeenten
TITRE 8. - Fusion volontaire de communes
HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied en algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Champ d'application et dispositions générales
Art. 342. Deze titel is van toepassing op alle gemeenten in het Vlaamse Gewest, met uitzondering van de gemeenten, vermeld in artikel 8 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 342. Le présent titre s'applique à toutes les communes de la Région Flamande, à l'exception des communes visées à l'article 8 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Art. 343. In deze titel wordt verstaan onder:
  1° [1 eerste bestuursperiode: de periode vanaf 1 januari die volgt op de eerste verkiezing van de nieuwe gemeenteraad tot de eerstvolgende volledige vernieuwing van de gemeenteraad]1;
  2° nieuwe gemeente: de gemeente die wordt opgericht bij het samenvoegingsdecreet;
  3° nieuw OCMW: het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de nieuwe gemeente bedient;
  4° samengevoegde gemeenten: de oorspronkelijke gemeenten, vermeld in het samenvoegingsdecreet;
  5° samengevoegde OCMW's: de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die de samengevoegde gemeenten bedienen;
  6° samen te voegen gemeenten: de gemeenten die een principiële beslissing tot samenvoeging hebben genomen en die beslissing bij de Vlaamse Regering hebben ingediend;
  7° samen te voegen OCMW's: de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die de samen te voegen gemeenten bedienen;
  8° samenvoegingsdatum: 1 januari van het jaar dat volgt op de eerste verkiezing van de nieuwe gemeenteraad;
  9° samenvoegingsdecreet: het specifieke decreet waarbij de oorspronkelijke gemeenten worden opgeheven en de nieuwe gemeente wordt ingesteld en de grenzen ervan worden bepaald.
  
Art. 343. Dans le présent titre, on entend par :
  1° [1 première législature : la période à partir du 1er janvier suivant la première élection du nouveau conseil communal jusqu'au prochain renouvellement complet du conseil communal]1 ;
  2° nouvelle commune : la commune créée en vertu du décret de fusion ;
  3° nouveaux centres publics d'aide sociale : le centre public daction sociale desservant la commune ;
  4° communes fusionnées : les communes originales, visées dans le décret de fusion ;
  5° nouveaux centres publics d'aide sociale : le centre public daction sociale desservant la nouvelle commune.
  6° communes à fusionner : les communes qui ont pris une décision de principe relative à une fusion et qui ont introduit cette décision auprès du Gouvernement flamand ;
  7° centre public daction sociale à fusionner : les centres publics d'aide sociale desservant les communes à fusionner ;
  8° date de fusion : le 1er janvier de l'année qui suit la première élection du nouveau conseil communal ;
  9° décret de fusion : le décret spécifique sur la base duquel les communes originales sont abrogées et la nouvelle commune est instaurée et ses frontières sont fixées ;
  
HOOFDSTUK 2. - Samenvoeging van gemeenten
CHAPITRE 2. - Fusion de communes
Afdeling 1. - Voorwaarden
Section 1ère. - Conditions
Art. 344. Een vrijwillige samenvoeging van gemeenten is alleen mogelijk op een van de volgende wijzen:
  1° de samenvoeging van het volledige grondgebied van twee of meer aangrenzende gemeenten tot een nieuwe gemeente zonder wijziging van de buitengrenzen;
  2° de samenvoeging van aangrenzende gemeenten tot twee of meer nieuwe gemeenten, die gepaard gaat met de opsplitsing van een of meer van die aangrenzende gemeenten. Het aantal nieuwe gemeenten dat zo ontstaat, moet kleiner zijn dan het aantal oorspronkelijke gemeenten.
  De oorspronkelijke gemeenten worden bij samenvoeging opgeheven.
Art. 344. Une fusion volontaire de communes est uniquement possible selon l'un des modes suivants :
  1° la fusion du territoire entier de deux ou de plusieurs communes adjacentes en une nouvelle commune sans modification des limites extérieures ;
  2° la fusion de communes adjacentes en deux ou plusieurs nouvelles communes, entrainant la scission d'une ou de plusieurs de ces communes adjacentes. Le nombre de nouvelles communes ainsi créées doit être inférieur à celui des communes initiales.
  Les communes initiales sont abrogées lors de la fusion.
Afdeling 2. - Procedure
Section 2. - Procédure
Onderafdeling 1. - Principiële beslissing
Sous-section 1ère. - Décision de principe
Art. 345. De gemeenteraden maken met een gemotiveerde principiële beslissing hun gezamenlijke intentie tot samenvoeging kenbaar aan de Vlaamse Regering. De voormelde beslissing bevat ook de beoogde datum van samenvoeging.
  [1 De principiële beslissing tot samenvoeging wordt gepubliceerd op de webtoepassing van de gemeenten.]1
  
Art. 345. Les conseils communaux notifient leur intention conjointe de procéder à une fusion au Gouvernement flamand au moyen d'une décision de principe motivée. La décision précitée reprend également la date envisagée de la fusion.
  [1 La décision de principe de procéder à une fusion est publiée sur l'application web des communes.]1
  
Art. 345/1. [1 De gemeenteraden kunnen in onderling overleg een transitiemanager aanwijzen die de samenvoegingsoperatie op ambtelijk niveau begeleidt.
   Indien geen transitiemanager wordt aangewezen, begeleidt de algemeen directeur-coördinator de samenvoegingsoperatie op ambtelijk niveau en begeleidt de financieel directeur-coördinator de samenvoegingsoperatie op ambtelijk niveau wat betreft de coördinatie van de financiële aspecten. De algemeen directeurs respectievelijk financieel directeurs van de andere betrokken gemeenten staan hen daarin bij.]1

  
Art. 345/1. [1 Les conseils communaux peuvent d'un commun accord désigner un manager de transition pour accompagner l'opération de fusion au niveau administratif.
   Si aucun manager de transition n'est désigné, le directeur général-coordinateur accompagne l'opération de fusion au niveau administratif et le directeur financier-coordinateur accompagne l'opération de fusion au niveau administratif en ce qui concerne la coordination des aspects financiers. Les directeurs généraux, respectivement financiers des autres communes concernées les assistent dans cette mission.]1

  
Art. 346. De gemeenteraden wijzen in onderling overleg een van de algemeen directeurs aan die optreedt als algemeen directeur-coördinator [1 ...]1 die [1 ...]1 de opdrachten uitvoert die hem worden toegewezen in dit decreet. De algemeen directeurs van de andere betrokken gemeenten staan hem daarin bij.
  De gemeenteraden wijzen in onderling overleg een van de financieel directeurs of gewestelijke ontvangers aan die optreedt als financieel directeur-coördinator [1 ...]1 die [1 ...]1 de opdrachten uitvoert die hem worden toegewezen in dit decreet. De financieel directeurs van de andere betrokken gemeenten staan hem daarin bij.
  [1 Bij een samenvoeging als vermeld in artikel 344, eerste lid, 2°, komt het aantal aan te wijzen algemeen directeurs-coördinatoren en financieel directeurs-coördinatoren overeen met het aantal nieuwe gemeenten.]1
  
Art. 346. Les conseils communaux se concertent pour désigner un des secrétaires communaux qui intervient en tant que directeur général-coordinateur [1 ...]1 qui exécute les tâches qui lui sont attribuées en vertu du présent décret. Les directeurs généraux des autres communes concernées l'assistent dans sa tâche.
  Les conseils communaux se concertent pour désigner un des directeurs financiers ou receveurs régionaux qui intervient en tant que directeur financier-coordinateur général [1 ...]1 qui exécute les tâches qui lui sont attribuées en vertu du présent décret. Les directeurs financiers des autres communes concernées l'assistent dans sa tâche.
  [1 En cas de fusion telle que visée à l'article 344, premier alinéa, 2°, le nombre de directeurs généraux-coordinateurs et de directeurs financiers-coordinateurs à désigner correspond au nombre de nouvelles communes.]1
  
Art. 346/1. [1 Als er, in geval van een samenvoeging als vermeld in artikel 344, eerste lid, 1°, op de datum van de indiening van het gezamenlijke voorstel tot samenvoeging bij de Vlaamse Regering geen algemeen directeur-coördinator is aangewezen als vermeld in artikel 346, eerste lid, wordt met ingang van de voormelde datum de algemeen directeur van de gemeente met het hoogste aantal inwoners van rechtswege aangewezen als algemeen directeur-coördinator.
   Als er, in geval van een samenvoeging als vermeld in artikel 344, eerste lid, 2°, op de datum van de indiening van het gezamenlijke voorstel tot samenvoeging bij de Vlaamse Regering geen algemeen directeur-coördinator is aangewezen als vermeld in artikel 346, eerste lid, voor een of meer van de nieuw begrensde gemeenten, wordt met ingang van de voormelde datum voor elk van de voormelde gemeenten een algemeen directeur-coördinator van rechtswege aangewezen. Daarbij wordt telkens de algemeen directeur van de gemeente met het hoogste aantal inwoners, die nog niet eerder is aangewezen als algemeen directeur-coördinator in een van de andere nieuw begrensde gemeenten, van rechtswege aangewezen als algemeen directeur-coördinator.
   Als er, in geval van een samenvoeging als vermeld in artikel 344, eerste lid, 1°, op de datum van de indiening van het gezamenlijke voorstel tot samenvoeging bij de Vlaamse Regering geen financieel directeur-coördinator is aangewezen als vermeld in artikel 346, tweede lid, wordt met ingang van de voormelde datum de financieel directeur of gewestelijke ontvanger van de gemeente met het hoogste aantal inwoners van rechtswege aangewezen als financieel directeur-coördinator.
   Als er, in geval van een samenvoeging als vermeld in artikel 344, eerste lid, 2°, op de datum van indiening van het gezamenlijke voorstel tot samenvoeging bij de Vlaamse Regering, geen financieel directeur-coördinator is aangewezen als vermeld in artikel 346, tweede lid, voor een of meer van de nieuw begrensde gemeenten, wordt met ingang van de voormelde datum voor elk van die gemeenten een financieel directeur-coördinator van rechtswege aangewezen. Daarbij wordt telkens de financieel directeur van de gemeente met het hoogste aantal inwoners, die nog niet eerder aangewezen is als financieel directeur-coördinator in een van de andere nieuw begrensde gemeenten, van rechtswege aangewezen als financieel directeur-coördinator.]1

  
Art. 346/1. [1 Si, dans le cas d'une fusion telle que visée à l'article 344, premier alinéa, 1° aucun directeur général-coordinateur visé à l'article 346, premier alinéa n'a été désigné à la date du dépôt de la proposition conjointe de fusion auprès du Gouvernement flamand, le directeur général de la commune ayant le plus grand nombre d'habitants est désigné de plein droit comme directeur général-coordinateur à compter de la date précitée.
   Si, dans le cas d'une fusion telle que visée à l'article 344, premier alinéa, 2° aucun directeur général-coordinateur visé à l'article 346, premier alinéa n'a été désigné à la date du dépôt de la proposition conjointe de fusion auprès du Gouvernement flamand, pour une ou plusieurs des communes nouvellement délimitées, un directeur général-coordinateur est désigné de plein droit pour chacune des communes précitées à compter de la date précitée. Dans chaque cas, le directeur général de la commune ayant le plus grand nombre d'habitants, qui n'a pas été désigné précédemment directeur général-coordinateur dans une des autres communes nouvellement délimitées, est désigné directeur général-coordinateur de plein droit.
   Si, dans le cas d'une fusion telle que visée à l'article 344, premier alinéa, 1° aucun directeur financier-coordinateur visé à l'article 346, deuxième alinéa n'a été désigné à la date du dépôt de la proposition conjointe de fusion auprès du Gouvernement flamand, le directeur financier ou le receveur régional de la commune ayant le plus grand nombre d'habitants est désigné de plein droit directeur financier-coordinateur à compter de la date précitée.
   Si, dans le cas d'une fusion telle que visée à l'article 344, premier alinéa, 2° aucun directeur financier-coordinateur visé à l'article 346, deuxième alinéa n'a été désigné à la date du dépôt de la proposition conjointe de fusion auprès du Gouvernement flamand, pour une ou plusieurs des communes nouvellement délimitées, un directeur financier-coordinateur est désigné de plein droit pour chacune de ces communes à compter de la date précitée. Dans chaque cas, le directeur financier de la commune ayant le plus grand nombre d'habitants, qui n'a pas été désigné précédemment directeur financier-coordinateur dans une des autres communes nouvellement délimitées, est désigné directeur financier-coordinateur de plein droit.]1

  
Onderafdeling 2. - Gezamenlijk voorstel tot samenvoeging
Sous-section 2. - Proposition conjointe de fusion
Art. 347. De gemeenteraden beslissen over het gezamenlijke voorstel tot samenvoeging en dienen dat voorstel in bij de Vlaamse Regering uiterlijk op 31 december van het tweede jaar dat voorafgaat aan de samenvoegingsdatum.
  Het gezamenlijke voorstel tot samenvoeging bevat ook de kadastrale gegevens waaruit de grenzen van de nieuwe gemeente blijken, het voorstel voor de naam van de nieuwe gemeente en de beoogde samenvoegingsdatum.
  [1 Het gezamenlijke voorstel tot samenvoeging wordt gepubliceerd op de webtoepassing van de gemeenten.]1
  
Art. 347. Les conseils communaux décident de la proposition conjointe de fusion et la soumettent au Gouvernement flamand au plus tard le 31 décembre de la deuxième année qui précède la date de la fusion.
  La proposition conjointe de fusion contient également les données cadastrales indiquant les limites de la nouvelle commune, la proposition du nom de la nouvelle commune et la date prévue pour la fusion.
  [1 La proposition conjointe de procéder à une fusion est publiée sur l'application web des communes.]1
  
Art. 347/1. [1 Als de som van de inwoners van de samen te voegen gemeenten op 1 januari van het tweede jaar dat voorafgaat aan de samenvoegingsdatum meer dan 100.000 inwoners bedraagt, kunnen de gemeenteraden van de samen te voegen gemeenten beslissen om op de samenvoegingsdatum binnengemeentelijke territoriale organen, districten genoemd, op te richten of te wijzigen, met inachtneming van de voorwaarden, vermeld in het bijzonder decreet van 13 april 1999 betreffende de voorwaarden en de wijze van oprichting van binnengemeentelijke territoriale organen.
   In het geval, vermeld in het eerste lid, bevat het gezamenlijke voorstel tot samenvoeging bijkomend aan de elementen, vermeld in artikel 347, tweede lid:
   1А de gebiedsomschrijvingen van de districten, vermeld in artikel 3, Ї 1, van het voormelde bijzonder decreet;
   2А de kadastrale gegevens waaruit de grenzen van de districten blijken;
   3А de bevoegdheden die aan de districtsbesturen worden overgedragen en de criteria betreffende de algemene en specifieke dotaties die aan de districtsbesturen zullen worden verstrekt, respectievelijk vermeld in artikel 3, Ї 5, en artikel 4, Ї 1, van het voormelde bijzonder decreet.]1

  
Art. 347/1. [1 Si la somme des habitants des communes à fusionner dépasse 100 000 habitants au 1er janvier de la deuxième année qui précède la date de la fusion, les conseils communaux des communes à fusionner peuvent décider de créer ou de modifier à la date de la fusion des organes territoriaux intracommunaux, dénommés districts, dans le respect des conditions visées dans le décret spécial du 13 avril 1999 relatif aux conditions et aux modalités de création d'organes territoriaux intracommunaux.
   Dans le cas visé à l'alinéa 1er, la proposition conjointe de fusion contient en plus des éléments visés à l'article 347, alinéa 2 :
   1° les circonscriptions territoriales des districts visées à l'article 3, § 1er, du décret spécial susmentionné ;
   2° les données cadastrales indiquant les limites des districts ;
   3° les compétences transférées aux administrations de district et les critères relatifs aux dotations générales et spécifiques qui seront allouées aux administrations de district, visées respectivement à l'article 3, § 5, et à l'article 4, § 1er, du décret spécial précité.]1

  
Art. 347/2. [1 De gemeenteraden die beslist hebben over het gezamenlijk voorstel tot samenvoeging, nemen op uiterlijk 1 juni van het jaar waarin de districtraadsverkiezingen plaatsvinden, per district, dat door hen opgericht of gewijzigd zal worden, een gezamenlijke beslissing over het maximale aantal districtsschepenen voor de volgende bestuursperiode op basis van de bevolkingsaantallen van het toekomstige district. Het inwonersaantal dat in aanmerking wordt genomen, is het aantal personen dat ingeschreven is in het rijksregister van de natuurlijke personen die op 1 januari van het jaar van de districtsraadsverkiezingen hun hoofdverblijfplaats in het desbetreffende toekomstige district hadden.
   Het districtscollege moet, met inbegrip van de districtsburgemeester, minstens twee leden bevatten.]1

  
Art. 347/2. [1 Au plus tard le 1er juin de l'année au cours de laquelle ont lieu les élections du conseil de district, les conseils communaux qui ont décidé de la proposition conjointe de fusion prennent, pour chaque district qui sera créé ou modifié par eux-mêmes, une décision conjointe sur le nombre maximum d'échevins de district pour la prochaine législature, sur la base des chiffres de population du futur district. Le nombre d'habitants à prendre en compte est le nombre de personnes inscrites au registre national des personnes physiques qui avaient leur résidence principale dans le futur district concerné au 1er janvier de l'année des élections du conseil de district.
   Le collège de district doit, le bourgmestre de district y compris, comprendre au moins deux membres.]1

  
Onderafdeling 3. - Het samenvoegingsdecreet
Sous-section 3. - Du décret de fusion
Art. 348. De Vlaamse Regering kan het voorstel tot samenvoeging als ontwerp van samenvoegingsdecreet indienen bij het Vlaams Parlement.
  Het ontwerp van samenvoegingsdecreet bevat de naam van de samen te voegen gemeenten, de samenvoegingsdatum, de naam en de aanduiding van de grenzen van [2 de nieuwe gemeente]2, als de samen te voegen gemeenten niet tot dezelfde provincie behoren, de provincie waartoe de nieuwe gemeente behoort [2 en, als de samen te voegen gemeenten niet tot dezelfde referentieregio behoren, de referentieregio waartoe de nieuwe gemeente behoort]2. [2 Onder referentieregio wordt verstaan: een referentieregio als vermeld in artikel 3, 4°, van het Regiodecreet van 3 februari 2023.]2
  [1 Het ontwerp van samenvoegingsdecreet bevat de nodige bepalingen over de aanpassing van de bijlage bij het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.]1.
  
Art. 348. Le Gouvernement flamand peut soumettre la proposition de fusion au Parlement flamand en tant que projet de décret de fusion.
  Le projet de décret de fusion reprend le nom des communes à fusionner, la date de la fusion, le nom et l'indication des limites de au cas où les communes à fusionner ne relèveraient pas de la même province, la province dont fait partie la nouvelle commune [2 et, si les communes à fusionner n'appartiennent pas à la même région de référence, la région de référence à laquelle appartient la nouvelle commune]2. [2 On entend par région de référence : une région de référence telle que visée à l'article 3, 4°, du décret sur les Régions du 3 février 2023.]2
  [1 Le projet de décret de fusion contient les dispositions nécessaires sur la modification de l'annexe au Décret sur les Elections locales et provinciales du 8 juillet 2011.]1
  
Afdeling 3. - Lopende zaken
Section 3. - Affaires courantes
Art. 349. Vanaf het gezamenlijke voorstel tot samenvoeging tot de samenvoegingsdatum of de dag waarop de Vlaamse Regering beslist om geen gevolg te geven aan het voorstel tot samenvoeging of waarop het Vlaams Parlement het ontwerp van samenvoegingsdecreet verwerpt, treedt een periode van lopende zaken in. Tijdens die periode kunnen alleen maar handelingen worden gesteld die betrekking hebben op de lopende zaken. Handelingen die niet tot de lopende zaken behoren worden gesteld na een verplicht overleg tussen de gemeenten.
  Bij onenigheid tussen de gemeenteraden wordt het geschil door de Raad van State beslecht. Als er geschillen ontstaan over rechten die voortvloeien uit titels of bezit, worden de gemeenten naar de hoven en rechtbanken verwezen.
Art. 349. Une période d'affaires courantes est instaurée à partir de l'introduction de la proposition commune de fusion jusqu'à la date de la fusion ou jusqu'à la date à laquelle le Gouvernement flamand décide de ne pas donner suite à la proposition de fusion ou à laquelle le Parlement flamand repousse le projet de décret de fusion. Durant la période précitée, seuls des actes ayant trait aux affaires courantes peuvent être accomplis. Les actes ne relevant pas des affaires courantes sont accomplis après une concertation obligatoire entre les communes.
  En cas de dissentiment entre les conseils communaux, le différend est tranché par le Conseil d'Etat. En cas de différends relatifs aux droits résultant de titres ou de propriété, les communes sont renvoyées devant les cours et tribunaux.
Afdeling 4. - Algemene principes bij samenvoeging van gemeenten
Section 4. - Principes généraux lors de la fusion de communes
Art. 350. [1 Bij een samenvoeging als vermeld in artikel 344, eerste lid, 1°, gelden de volgende algemene principes:
   1° alle roerende goederen van de samengevoegde gemeenten worden op de samenvoegingsdatum van rechtswege overgedragen aan de nieuwe gemeente. De goederen worden overgedragen in de staat waarin ze zich bevinden, met inbegrip van de lasten en de verplichtingen die eigen zijn aan de goederen. De nieuwe gemeente treedt op de samenvoegingsdatum in de rechten en plichten van de samengevoegde gemeenten voor de roerende goederen die aan haar zijn overgedragen, met inbegrip van de rechten en plichten die voortvloeien uit de hangende en toekomstige gerechtelijke procedures;
   2° de onroerende goederen van de samengevoegde gemeenten worden op de samenvoegingsdatum van rechtswege overgedragen aan de nieuwe gemeente. De nieuwe gemeente neemt de rechten, plichten en lasten over van de onroerende goederen die aan haar zijn overgedragen;
   3° de nieuwe gemeente neemt op de samenvoegingsdatum van rechtswege de rechten, plichten en lasten over die voortvloeien uit overeenkomsten van de samengevoegde gemeenten;
   4° elke overheidsopdracht voor aanneming van werken, leveringen en diensten van een van de samengevoegde gemeenten wordt van rechtswege voortgezet door de nieuwe gemeente vanaf de samenvoegingsdatum;
   5° de nieuwe gemeente is de rechtsopvolger van de samengevoegde gemeenten en neemt op de samenvoegingsdatum alle rechten, plichten en lasten over van de samengevoegde gemeenten.
   Bij een samenvoeging als vermeld in artikel 344, eerste lid, 2°, wordt de overdracht aan de nieuwe gemeente, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, en de voortzetting door de nieuwe gemeente, vermeld in het eerste lid, 4°, uitgevoerd op basis van een overeenkomst tussen de oorspronkelijke gemeenten, die door hun gemeenteraden wordt bekrachtigd.]1

  
Art. 350. [1 En cas de fusion visée à l'article 344, premier alinéa, 1° les principes généraux suivants s'appliquent :
   1° à la date de la fusion, tous les biens mobiliers des communes fusionnées sont transférés de plein droit à la nouvelle commune. Les biens sont transférés dans l'état où ils se trouvent, y compris les charges et obligations liées aux biens. A la date de la fusion, la nouvelle commune succède aux droits et obligations des communes fusionnées pour ce qui est des biens mobiliers qui lui ont été transférés, y compris aux droits et obligations découlant de procédures judiciaires en cours et futures ;
   2° à la date de la fusion, les biens immobiliers des communes fusionnées sont transférés de plein droit à la nouvelle commune. La nouvelle commune succède aux droits, obligations et charges des biens immobiliers qui lui ont été transférés ;
   3° à la date de la fusion, la nouvelle commune succède de plein droit aux droits, obligations et charges découlant de conventions conclues par les communes fusionnées ;
   4° tout marché public pour travaux, fournitures et services d'une des communes fusionnées est poursuivi de plein droit par la nouvelle commune à partir de la date de la fusion ;
   5° la nouvelle commune est le successeur légal des communes fusionnées et reprend tous les droits, obligations et charges des communes fusionnées à la date de la fusion.
   Dans le cas d'une fusion, telle que visée à l'article 344, alinéa premier, 2°, le transfert à la nouvelle commune, visé au premier alinéa, 1° à 3°, et la poursuite par la nouvelle commune, visée au premier alinéa, 4°, sont mis en oeuvre sur la base d'une convention entre les communes d'origine, à ratifier par leurs conseils communaux.]1

  
Art. 351. Behalve in geval van andersluidende bepalingen in dit hoofdstuk blijven in de samengevoegde gemeenten de besluiten, reglementen en verordeningen van toepassing op het grondgebied waarvoor ze zijn uitgevaardigd, tot op de dag dat ze door de bevoegde overheid worden opgeheven.
Art. 351. Sauf disposition contraire reprise dans le présent chapitre, les arrêtés, règlements et ordonnances restent d'application dans les communes fusionnées au territoire pour lequel ils ont été émis, jusqu'au jour où ils sont abrogés par l'autorité compétente.
Art. 351/1. [1 Na de gemeenteraadsverkiezingen blijven de aftredende burgemeesters van de samengevoegde gemeenten, elk wat hem of haar betreft, voor het grondgebied van de samengevoegde gemeente waarin ze als burgemeester hun bevoegdheden hebben uitgeoefend, in functie tot de burgemeester van de nieuwe gemeente is geïnstalleerd.
   Tot aan de verkiezing van de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst van de nieuwe gemeente blijven de uittredende voorzitters van het bijzonder comité voor de sociale dienst van de samengevoegde gemeenten, elk wat hem of haar betreft, voor het grondgebied van de samengevoegde gemeente waarin ze als voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst hun bevoegdheden hebben uitgeoefend, de maatregelen, vermeld in artikel 114, nemen. ]1

  
Art. 351/1. [1 Après les élections communales, les bourgmestres sortants des communes fusionnées restent en fonction, chacun en ce qui le ou la concerne, pour le territoire de la commune fusionnée dans lequel ils ont exercé leurs pouvoirs de bourgmestre jusqu'à ce que le bourgmestre de la nouvelle commune soit installé.
   Jusqu'à l'élection du président du comité spécial du service social de la nouvelle commune, les présidents sortants du comité spécial du service social des communes fusionnées continuent, chacun en ce qui le ou la concerne, à prendre les mesures visées à l'article 114 pour le territoire de la commune fusionnée dans lequel ils ont exercé leurs pouvoirs de président du comité spécial du service social. ]1

  
Art. 351/2. [1 De nieuwe gemeente is gemachtigd de titel van stad te voeren als aan een van de oorspronkelijke gemeenten de titel van stad is verleend.]1
  
Art. 351/2. [1 La nouvelle commune est autorisée à porter le titre de ville si l'une des communes d'origine portait le titre de ville. ]1
  
Afdeling 5. - Verkiezing en installatie van de gemeenteraad van de nieuwe gemeente
Section 5. - Election et installation du conseil communal de la nouvelle commune
Art. 352. De eerste verkiezing van de gemeenteraad en, in voorkomend geval, van de districtsraden wordt georganiseerd met toepassing van artikel 218 en 219 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.
  Voor de organisatie van de buitengewone verkiezing van de eerste gemeenteraad van een nieuwe gemeente die bij een samenvoegingsdecreet tot stand komt:
  1° worden in artikel 20, § 1, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 de woorden "de gemeente" telkens gelezen als de woorden "de nieuwe gemeente";
  2° wordt in artikel 37, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet de zin "In elke gemeente wordt een gemeentelijk hoofdbureau samengesteld." gelezen als de zin "Voor de samengevoegde gemeenten wordt een gezamenlijk gemeentelijk hoofdbureau samengesteld.";
  3° worden in artikel 58, eerste lid, van hetzelfde decreet de woorden "moet men kiezer zijn" gelezen als de woorden "moet men kiezer zijn in een van de samengevoegde gemeenten";
  4° wordt in artikel 68, [2 § 2, derde]2 lid, van hetzelfde decreet de zinsnede "het gemeentehuis, in het gemeentelijke informatieblad of op de website van de gemeente" gelezen als de zinsnede "de gemeentehuizen, in de gemeentelijke informatiebladen of op de websites van de samengevoegde gemeenten.";
  5° wordt in artikel 69 van hetzelfde decreet het eerste lid gelezen als volgt: "De voordrachtsakten van de kandidaten voor de verkiezing van de gemeenteraad van de nieuwe gemeente moeten ondertekend worden, hetzij door een aftredend gemeenteraadslid van een van de samengevoegde gemeenten, hetzij door ten minste 100 gemeenteraadskiezers van de samengevoegde gemeenten.";
  [2 5° /1 worden in artikel 92, zevende lid, van hetzelfde decreet de woorden "de algemeen directeur" gelezen als de woorden "de algemeen directeur van de gemeente waarvan de algemeen directeur aangewezen is als coördinator overeenkomstig artikel 346 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017";]2
  6° worden in artikel 98 van hetzelfde decreet de woorden "het gemeentesecretariaat" gelezen als de woorden "de gemeentesecretariaten van de samengevoegde gemeenten";
  7° worden in artikel 173, eerste lid, van hetzelfde decreet de woorden "De gemeentesecretaris legt" gelezen als de woorden "[1 De algemeen directeurs]1 van de samengevoegde gemeenten leggen";
  8° worden in artikel 173, tweede lid, van hetzelfde decreet de woorden "Het gemeentebestuur bezorgt" gelezen als de woorden "De gemeentebesturen van de samengevoegde gemeenten bezorgen";
  9° [2 wordt in artikel 191, § 4, van hetzelfde decreet de zinsnede "vastgesteld op basis van een extractie uit het Rijksregister" gelezen als de zinsnede "vastgesteld door optelling van de aantallen kiezers in de samengevoegde gemeenten, vastgesteld op basis van een extractie uit het Rijksregister";]2
  10° wordt in artikel 8 van het Digitaal Kiesdecreet van 25 mei 2012 de zin "Het gemeentebestuur en het stadsdistrictsbestuur voorzien respectievelijk de gemeentelijke hoofdbureaus en de stadsdistrictshoofdbureaus van de apparatuur voor het kandidatenbeheer en het resultatenbeheer." gelezen als de zin "Het gemeentebestuur van de gemeente waarvan de algemeen directeur aangewezen is als coördinator overeenkomstig artikel 346, voorziet het gemeentelijk hoofdbureau van de apparatuur voor het kandidatenbeheer en het resultatenbeheer.".
  [2 Als een gemeente waar gestemd wordt met een digitaal stemsysteem, en een gemeente waar gestemd wordt zonder een digitaal stemsysteem, samengevoegd worden:
   1° zijn artikel 121 en 122 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, voor de verkiezing in de gemeente met stemming op papier, en artikel 9, § 2 en § 3, van het Digitaal Kiesdecreet van 25 mei 2012, voor de verkiezing in de gemeente met digitale stemming, van toepassing op het gezamenlijk gemeentelijk hoofdbureau, in afwijking van artikel 3 en 28, 5°, van het Digitaal Kiesdecreet van 25 mei 2012;
   2° zijn artikel 157, 158 en 159, eerste lid, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, voor de verkiezing in de gemeente met stemming op papier, en artikel 23 van het Digitaal Kiesdecreet van 25 mei 2012, voor de verkiezing in de gemeente met digitale stemming, van toepassing op het gezamenlijk gemeentelijk hoofdbureau, in afwijking van artikel 3 en 28, 6°, van het Digitaal Kiesdecreet van 25 mei 2012;
   3° zijn artikel 160 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, voor de verkiezing in de gemeente met stemming op papier, en artikel 24 van het Digitaal Kiesdecreet van 25 mei 2012, voor de verkiezing in de gemeente met digitale stemming, van toepassing op het gezamenlijk gemeentelijk hoofdbureau, in afwijking van artikel 3 en 28, 6°, van het Digitaal Kiesdecreet van 25 mei 2012;
   4° zijn artikel 172 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011, voor de verkiezing in de gemeente met stemming op papier, en artikel 26, § 1, van het Digitaal Kiesdecreet van 25 mei 2012, voor de verkiezing in de gemeente met digitale stemming, van toepassing op het gezamenlijk gemeentelijk hoofdbureau, in afwijking van artikel 3 en 26, § 1, van het Digitaal Kiesdecreet van 25 mei 2012.]2

  
Art. 352. La première élection du conseil communal et, le cas échéant, des conseils de district urbain, est organisée en application des articles 218 et 219 du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011.
  Pour l'organisation de l'élection extraordinaire du premier conseil communal d'une nouvelle commune créée par décret de fusion :
  1° à l'article 20, § 1er, du Décret électoral local et provincial, les mots " la commune " se lisent systématiquement comme " la nouvelle commune " ;
  2° à l'article 37, § 1er, alinéa premier du même décret, la phrase " Un bureau principal communal est constitué dans chaque commune. " se lit " Pour les communes fusionnées, un bureau principal communal est constitué dans chaque commune. "
  3° à l'article 58, § 1er, alinéa premier du même décret, la phrase " il faut être électeur " se lit " il faut être électeur d'une des communes fusionnées. "
  4° à l'article 68, [2 § 2, alinéa 3]2 du même décret, la partie de phrase " la maison communale, dans le journal d'information communal ou sur le site internet de la commune " se lit " les maisons communales, dans les journaux d'information des communes ou sur les sites internet des communes fusionnées. " ;
  5° A l'article 69 du même décret, le premier alinéa se lit comme suit : " Les actes de présentation des candidats à l'élection du conseil communal de la nouvelle commune doivent être signés, soit par un conseiller communal sortant d'une des communes fusionnées, soit par au moins 100 électeurs du conseil communal des communes fusionnées. " ;
  [2 5° /1 à l'article 92, alinéa 7, du même décret, les mots " le directeur général " se lisent comme les mots " le directeur général de la commune dont le directeur général a été désigné comme coordinateur conformément à l'article 346 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;]2
  6° à l'article 98, du même décret, les mots " au secrétariat communal " se lit " aux secrétariats communaux des communes fusionnées " ;
  7° à l'article 173, § 1er, alinéa premier du même décret, les mots " Le secrétaire communal soumet " se lisent " [1 Les directeurs généraux]1 des communes fusionnées soumettent " ;
  8° à l'article 173, deuxième alinéa du même décret, la phrase " l'administration communale envoie " se lit " les administrations communales des communes fusionnées envoient. " ;
  9° [2 à l'article 191, § 4, du même décret, le membre de phrase " arrêté sur la base d'une extraction du Registre national " se lit comme le membre de phrase " arrêté par recensement du nombre d'électeurs dans les communes fusionnées, arrêté sur la base d'une extraction du Registre national " ;]2
  10° à l'article 8 du décret relatif à l'organisation d'élections numériques du 25 mai 2012, la phrase " L'administration communale et l'administration du district urbain prévoient respectivement les bureaux principaux de la commune et les bureaux principaux du district urbain du matériel pour la gestion des candidats et la gestion des résultats. " se lit " L'administration communale de la commune dont le [directeur général] a été désigné coordinateur au sens de l'article 346 prévoit le bureau principal de la commune du matériel pour la gestion des candidats et la gestion des résultats.
  [2 Si une commune votant avec un système de vote numérique et une commune votant sans système de vote numérique sont fusionnées :
   1° les articles 121 et 122 du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011, pour l'élection dans la commune avec vote sur papier, et l'article 9, §§ 2 et 3, du décret du 25 mai 2012 relatif à l'organisation d'élections numériques, pour l'élection dans la commune avec vote numérique, s'appliquent au bureau principal communal conjoint, par dérogation aux articles 3 et 28, 5°, du décret du 25 mai 2012 relatif à l'organisation d'élections numériques ;
   2° les articles 157, 158 et 159, alinéa 1er, du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011, pour l'élection dans la commune avec vote sur papier, et l'article 23 du décret du 25 mai 2012 relatif à l'organisation d'élections numériques, pour l'élection dans la commune avec vote numérique, s'appliquent au bureau principal communal conjoint, par dérogation aux articles 3 et 28, 6°, du décret du 25 mai 2012 relatif à l'organisation d'élections numériques ;
   3° l'article 160 du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011, pour l'élection dans la commune avec vote sur papier, et l'article 24 du décret du 25 mai 2012 relatif à l'organisation d'élections numériques, pour l'élection dans la commune avec vote numérique, s'appliquent au bureau principal communal conjoint, par dérogation aux articles 3 et 28, 6°, du décret du 25 mai 2012 relatif à l'organisation d'élections numériques ;
   4° l'article 172 du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011, pour l'élection dans la commune avec vote sur papier, et l'article 26, § 1er, du décret du 25 mai 2012 relatif à l'organisation d'élections numériques, pour l'élection dans la commune avec vote numérique, s'appliquent au bureau principal communal conjoint, par dérogation aux articles 3 et 26, § 1er, du Décret du 25 mai 2012 relatif à l'organisation d'élections numériques.]2

  
Art. 352/1. [1 In afwijking van artikel 5, § 3, gelden de volgende bepalingen:
   1° de verkozene voor de gemeenteraad die het initiatiefrecht heeft, kan afstand doen van dat recht door een verklaring van afstand in te dienen bij de algemeen directeur-coördinator;
   2° de algemeen directeur-coördinator maakt de volgende elementen, nadat ze zich voordoen, onmiddellijk bekend op de webtoepassing van de samengevoegde gemeenten en de eventuele webtoepassing van de nieuwe gemeente:
   a) de indiening van een gezamenlijke akte van voordracht door de verkozene voor de gemeenteraad die op dat moment het initiatiefrecht heeft;
   b) het ontbreken van een gezamenlijke akte van voordracht op de derde dag voor de installatievergadering;
   c) de uitputting van het initiatiefrecht door alle houders van het initiatiefrecht;
   d) de indiening van een verklaring van afstand;
   e) het ontbreken van een gezamenlijke akte van voordracht, ingediend door de verkozene voor de gemeenteraad die op dat moment het initiatiefrecht heeft, na de periode van veertien dagen.]1

  
Art. 352/1. [1 Contrairement à l'article 5, § 3 les dispositions suivantes s'appliquent :
   1° l'élu au conseil communal qui dispose du droit d'initiative peut renoncer à ce droit en présentant au directeur général-coordinateur une déclaration de renonciation ;
   2° le directeur général-coordinateur publie, immédiatement après qu'ils ont eu lieu, les éléments suivants sur l'application web des communes fusionnées et sur l'application web de la nouvelle commune, le cas échéant :
   a) le dépôt d'un acte commun de présentation par l'élu au conseil communal qui dispose du droit d'initiative à ce moment ;
   b) l'absence d'un acte commun de présentation au troisième jour précédant la réunion d'installation ;
   c) l'épuisement du droit d'initiative par tous les titulaires du droit d'initiative ;
   d) le dépôt d'une déclaration de renonciation ;
   e) l'absence d'un acte commun de présentation, déposé par l'élu au conseil communal qui dispose du droit d'initiative à ce moment, après la période de quatorze jours.]1

  
Art. 353. § 1. In afwijking van artikel 6, § 1:
  1° worden de verkozen gemeenteraadsleden, voor de goede orde, door de algemeen directeur-coördinator, vermeld in artikel 346, ten minste acht dagen voor de installatievergadering van de gemeenteraad op de hoogte gebracht van de datum, het uur en de plaats van de installatievergadering;
  2° vindt de installatievergadering van de gemeenteraad van rechtswege plaats om 20 uur, op de eerste werkdag van januari. Behalve als er een andere afspraak tussen de samengevoegde gemeenten is, vindt de installatievergadering plaats in het gemeentehuis van de gemeente waarvan de algemeen directeur aangewezen is als coördinator overeenkomstig artikel 346;
  3° worden, als er bezwaar is ingediend tegen de verkiezing en als die vervolgens toch geldig is verklaard, de nieuw verkozen raadsleden door de uittredende voorzitter van de gemeenteraad van de gemeente waarvan de algemeen directeur aangewezen is als coördinator overeenkomstig artikel 346, bijeengeroepen op de installatievergadering binnen [1 vijftien]1 dagen na de dag waarop de uitslag van de verkiezing definitief is [1 , maar ten vroegste op de eerste werkdag van januari]1;
  4° worden, als er bezwaar is ingediend tegen de verkiezing en als die verkiezing vervolgens ongeldig is verklaard en er een nieuwe verkiezing moet worden gehouden, de nieuw verkozen raadsleden door de uittredende voorzitter van de gemeenteraad van de gemeente waarvan de algemeen directeur aangewezen is als coördinator overeenkomstig artikel 346, bijeengeroepen op de installatievergadering binnen [1 vijftien]1 dagen na de dag waarop de uitslag van de nieuwe verkiezing definitief is;
  5° gebeurt, als de nieuw verkozen raadsleden niet zijn bijeengeroepen overeenkomstig de voormelde bepalingen, de bijeenroeping door een uittredend lid van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarvan de algemeen directeur aangewezen is als coördinator overeenkomstig artikel 346, volgens hun rangorde, waarbij de burgemeester wordt geacht een hogere rang in te nemen dan een schepen.
  § 2. In afwijking van artikel 6, § 2, zit de uittredende voorzitter van de gemeenteraad van de gemeente waarvan de algemeen directeur aangewezen is als coördinator overeenkomstig artikel 346, de installatievergadering voor. Hij blijft voorzitter van de gemeenteraad tot een nieuwe voorzitter verkozen is. Als de uittredende voorzitter van de gemeenteraad van de gemeente waarvan de algemeen directeur aangewezen is als coördinator overeenkomstig artikel 346 de installatievergadering niet kan voorzitten, wordt ze voorgezeten door een uittredend lid van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarvan de algemeen directeur aangewezen is als coördinator overeenkomstig artikel 346, in volgorde van hun rang.
  In afwijking van het eerste lid kunnen de samengevoegde gemeenten in onderlinge afspraak een van de andere voorzitters van de gemeenteraden van de samengevoegde gemeenten aanwijzen om de installatievergadering voor te zitten.
  [1 § 2/1. In afwijking van artikel 8 brengt een verkozen gemeenteraadslid dat voor zijn installatie afstand wil doen van zijn mandaat, de uittredende voorzitter van de gemeenteraad van de gemeente waarvan de algemeen directeur aangewezen is als coördinator conform artikel 346, daarvan schriftelijk op de hoogte.]1
  § 3. In afwijking van artikel 7, § 1 [2 ...]2 wordt de akte uiterlijk acht dagen voor de installatievergadering van de gemeenteraad [1 bezorgd]1 aan de algemeen directeur-coördinator, vermeld in artikel 346.
  In afwijking van artikel 43, § 1 [2 ...]2 wordt de akte uiterlijk acht dagen voor de installatievergadering van de gemeenteraad [1 bezorgd]1 aan de algemeen directeur-coördinator, vermeld in artikel 346.
  In afwijking van artikel 90, § 1 [2 ...]2 wordt de akte uiterlijk acht dagen voor de installatievergadering van de gemeenteraad [1 bezorgd]1 aan de algemeen directeur-coördinator, vermeld in artikel 346.
  In afwijking van artikel 92, tweede lid, wordt de akte uiterlijk acht dagen voor de installatievergadering van de gemeenteraad [1 bezorgd]1 aan de algemeen directeur-coördinator, vermeld in artikel 346.
  [1 In afwijking van artikel 91, § 1, eerste lid, wordt de verklaring van lijstenverbinding bezorgd aan de algemeen directeur-coördinator, vermeld in artikel 346, binnen twee werkdagen voor de uiterste dag van het indienen van de akten van voordracht.
   In afwijking van artikel 91, § 2, derde lid, gaat de algemeen directeur- coördinator, vermeld in artikel 346, uiterlijk de dag na de uiterste datum om een verklaring van lijstenverbinding in te dienen, na hoeveel zetels in het bijzonder comité voor de sociale dienst aan de verschillende lijsten toekomen, met toepassing van artikel 91, § 2, eerste en tweede lid. Hij maakt op dezelfde dag die zetelverdeling bekend op de webtoepassing van de samengevoegde gemeenten en de eventuele webtoepassing van de nieuwe gemeente.]1

  § 4. [1 Behalve als er tussen de samengevoegde gemeenten een andere afspraak is gemaakt, doet het gemeentehuis van de gemeente waarvan de algemeen directeur aangewezen is als coördinator conform artikel 346, dienst als gemeentehuis van de nieuwe gemeente zolang de gemeenteraad geen ander gebouw als gemeentehuis heeft gekozen.]1
  § 5. [3 ...]3
  
Art. 353. § 1er. Par dérogation à l'article 6, § 1er :
  1° les conseillers communaux élus sont, pour le bon ordre, informés au moins huit jours avant la réunion d'installation du conseil communal de la date, de l'heure et du lieu de la réunion d'installation par le [directeur général] - coordinateur, visé à l'article 346 ;
  2° la réunion d'installation du conseil communal a lieu de plein droit le premier jour ouvrable du mois de janvier à 20h. A moins que les communes fusionnées n'en aient décidé autrement, la réunion d'installation a lieu dans la maison communale de la commune dont le [directeur général] a été désigné comme coordinateur, conformément à l'article 346 ;
  3° les conseillers nouvellement élus sont convoqués à la réunion d'installation par le président sortant du conseil communal de la commune dont le [directeur général] a été désigné comme coordinateur, conformément à l'article 346, dans les [1 quinze]1 jours qui suivent le jour auquel le résultat de l'élection est définitif, au cas où un recours aurait été formé contre l'élection et où celle-ci aurait ensuite été déclarée valide [1 , mais pas avant le premier jour ouvrable de janvier]1 ;
  4° les conseillers nouvellement élus sont convoqués à la réunion d'installation par le président sortant du conseil communal de la commune dont le [directeur général] a été désigné comme coordinateur, conformément à l'article 346, dans les [1 quinze]1 jours qui suivent le jour auquel le résultat de la nouvelle élection est définitif, au cas où un recours aurait été formé contre l'élection où celle-ci aurait ensuite été déclaré nulle et où une nouvelle élection devrait être organisée ;
  5° au cas où les conseillers nouvellement élus n'auraient pas été convoqués conformément aux dispositions précitées, la convocation se fait par un membre sortant du collège des bourgmestre et échevins de la commune dont le [directeur général] a été désigné comme coordinateur, conformément à l'article 346, dans l'ordre de leur rang, le bourgmestre étant censé revêtir un plus haut rang qu'un échevin.
  § 2. Par dérogation à l'article 6, § 2, la réunion d'installation est présidée par le président sortant du conseil communal de la commune dont le [directeur général] a été désigné comme coordinateur conformément à l'article 8. Il reste président du conseil communal jusqu'à l'élection d'un nouveau président. Si le président sortant du conseil communal de la commune dont le [directeur général] a été désigné comme coordinateur conformément à l'article 346, ne peut pas présider la réunion d'installation, celle-ci est présidée par un membre sortant du collège des bourgmestre et échevins de la commune dont le [directeur général] a été désigné comme coordinateur conformément à l'article 8, dans l'ordre de leur rang.
  Par dérogation à l'alinéa premier, les communes fusionnées peuvent, de commun accord, désigner un des autres présidents des conseils communaux des communes fusionnées pour présider la réunion d'installation.
  [1 § 2/1. Contrairement à l'article 8, le conseiller communal élu qui souhaite renoncer à son mandat avant son installation en informe par écrit le président sortant du conseil communal de la commune dont le directeur général a été désigné comme coordinateur conformément à l'article 346.]1
  § 3. Par dérogation à l'article 7, § 1er, [2 ...]2 l'acte est transmis au [directeur général]coordinateur, visé à l'article 346, au plus tard huit jours avant la réunion d'installation du conseil communal.
  Par dérogation à l'article 43, § 1er, [2 ...]2 l'acte est transmis au [directeur général]coordinateur, visé à l'article 346, au plus tard huit jours avant la réunion d'installation du conseil communal.
  Par dérogation à l'article 90, § 1er, [2 ...]2 l'acte est transmis au [directeur général]coordinateur, visé à l'article 346, au plus tard huit jours avant la réunion d'installation du conseil communal.
  Par dérogation à l'article 92, § 1er, alinéa deux, l'acte est transmis au [directeur général]coordinateur, visé à l'article 346, au plus tard huit jours avant la réunion d'installation du conseil communal.
  [1 Contrairement à l'article 91, § 1, premier alinéa, la déclaration de groupement de listes est transmise au directeur général-coordinateur, visé à l'article 346, dans les deux jours ouvrables avant la date limite de dépôt des actes de présentation.
   Contrairement à l'article 91, § 2, troisième alinéa, le directeur général-coordinateur visé à l'article 346 vérifie, au plus tard le lendemain de la date limite de dépôt de la déclaration de groupement de listes, combien de sièges au sein du comité spécial du service social sont attribués aux différentes listes, en application de l'article 91, § 2, premier et deuxième alinéas. Le même jour, il publie la répartition des sièges sur l'application web des communes fusionnées et sur l'application web de la nouvelle commune, le cas échéant.]1

  § 4. [1 Sauf accord contraire entre les communes fusionnées, la maison communale de la commune dont le directeur général a été désigné comme coordinateur conformément à l'article 346, fait office de maison communale de la nouvelle commune tant que le conseil communal n'aura pas choisi d'autre immeuble comme maison communale.]1
  § 5. [3 ...]3
  
Art. 354. In voorkomend geval is voor de installatievergadering van de districtsraad van een nieuw district artikel [1 119/1]1, van toepassing.
  
Art. 354. Le cas échéant, l'article [1 119/1]1, s'applique à la réunion d'installation du conseil de district d'un nouveau district.
  
Art. 354/1. [1 § 1. [2 In afwijking van artikel 58, § 2 en § 3, en artikel 59, eerste lid, kan de Vlaamse Regering in een nieuwe gemeente in de eerste bestuursperiode een burgemeester benoemen voor minder dan zes jaar in geval van een akte van opvolging van burgemeester die voldoet aan al de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het tweede lid. De Vlaamse Regering stelt het model van de akte van opvolging van burgemeester vast en de wijze waarop die ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de akte van opvolging van burgemeester wordt ingediend bij de algemeen directeur-coördinator.
   Een ontvankelijke akte van opvolging van burgemeester voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze draagt een gemeenteraadslid voor dat de Belgische nationaliteit heeft;
   2° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het eerste lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld;
   3° ze vermeldt de einddatum van het mandaat van burgemeester;
   4° ze vermeldt de voor- en achternaam van de persoon die de burgemeester opvolgt;
   5° ze is ondertekend door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen;
   6° ze is ondertekend door de meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat-opvolger zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-opvolger voorkomt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   7° ze is uiterlijk drie dagen voor de installatievergadering van de gemeenteraad aan de algemeen directeur-coördinator bezorgd.
   De akte van opvolging kan ook de einddatum van het mandaat van de kandidaat-opvolger vermelden. In dat geval kan op de akte van opvolging de naam vermeld worden van een of meer personen die worden voorgedragen om hem op te volgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de burgemeester bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van rechtswege ontslagnemend.
   Als het mandaat eindigt voor de einddatum, vermeld in de akte van opvolging, of, als de persoon die in de akte van opvolging is vermeld als de persoon die de burgemeester zou opvolgen, zijn mandaat niet opneemt, wordt de voordracht van de eerstvolgende kandidaat-opvolger, vermeld in de akte van opvolging, vervroegd. Als de persoon die als laatste kandidaat-opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen of als er geen opvolger van de kandidaat-opvolger is vermeld, wordt tot vervanging overgegaan conform artikel 58, § 1.
   Niemand kan meer dan één akte van opvolging ondertekenen. Overtreding van het voormelde verbod wordt bestraft conform artikel 7, § 2.
   De algemeen directeur-coördinator bezorgt een afschrift van de akte van opvolging aan de burgemeester van de gemeente waarvan hij algemeen directeur is.]2

   § 2. Nadat de gemeenteraadsleden de eed hebben afgelegd, bezorgt de algemeen directeur-coördinator de akte van opvolging aan de voorzitter van de gemeenteraad.
   De voorzitter van de gemeenteraad gaat na of de akte van opvolging voldoet aan de voorwaarden, vermeld in de eerste paragraaf. Alleen de handtekeningen van de gemeenteraadsleden die de eed hebben afgelegd, worden daarvoor in aanmerking genomen, met inbegrip van de opvolgers die de akte van opvolging hebben ondertekend en die nadien als gemeenteraadslid de eed hebben afgelegd. Als de akte van opvolging ontvankelijk is, bezorgt de voorzitter de akte van opvolging aan de Vlaamse Regering.
   De Vlaamse Regering neemt een beslissing over de al dan niet benoeming van de opvolgers bij het bereiken van de einddatum van het mandaat van de titularis.]1

  
Art. 354/1. [1 § 1. [2 Par dérogation à l'article 58, §§ 2 et 3, et à l'article 59, alinéa 1er, au cours de la première législature le Gouvernement flamand peut nommer dans une nouvelle commune un bourgmestre pour une période inférieure à six ans, dans le cas d'un acte de suppléance qui répond à toutes les conditions de recevabilité visées à l'alinéa 2. Le Gouvernement flamand arrête le modèle de l'acte de suppléance de bourgmestre, et la manière dont ce modèle est mis à disposition. Le Gouvernement flamand peut arrêter le mode d'introduction de l'acte de suppléance de bourgmestre auprès du directeur général-coordinateur.
   Un acte recevable de suppléance de bourgmestre répond à toutes les conditions suivantes :
   1° il présente un conseiller communal qui a la nationalité belge ;
   2° il a été fait sur le modèle d'acte que le Gouvernement flamand arrête en vertu de l'alinéa 1er, et qui est mis à disposition le jour de l'élection par une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand avec le cachet dateur de ce jour ;
   3° il indique la date de fin du mandat de bourgmestre ;
   4° il indique les prénom et nom de la personne qui succède au bourgmestre ;
   5° il est signé par plus de la moitié des élus sur les listes qui ont participé aux élections ;
   6° il est signé par une majorité des personnes qui ont été élues sur la même liste que le candidat suppléant présenté. Si la liste sur laquelle figure le nom du candidat suppléant ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   7° il est remis au directeur général-coordinateur au plus tard trois jours avant la réunion d'installation du conseil communal.
   L'acte de suppléance peut également indiquer la date de fin du mandat du candidat suppléant. Dans ce cas, l'acte de suppléance peut indiquer le nom d'une ou plusieurs personnes présentées pour lui succéder pour la durée restante du mandat. Le cas échéant, le bourgmestre est démissionnaire de plein droit à la date de fin de son mandat.
   Si le mandat prend fin avant la date de fin mentionnée dans l'acte de suppléance, ou si la personne indiquée dans l'acte de suppléance comme étant la personne qui succéderait au bourgmestre n'assume pas son mandat, la présentation du premier candidat suppléant suivant mentionné dans l'acte de suppléance est avancée. Si la personne indiquée comme dernier candidat suppléant n'est pas en mesure d'assumer le mandat ou si aucun suppléant du candidat suppléant n'est indiqué, un remplacement a lieu conformément à l'article 58, § 1er.
   Nul ne peut signer plus d'un acte de suppléance. La violation de l'interdiction précitée est sanctionnée conformément à l'article 7, § 2.
   Le directeur général-coordinateur transmet une copie de l'acte de suppléance au bourgmestre de la commune dont il est directeur général.]2

   § 2. Après la prestation de serment des conseillers communaux, le directeur général-coordinateur transmet l'acte de succession au président du conseil communal.
   Le président du conseil communal vérifie si l'acte de succession répond aux conditions énoncées au premier paragraphe. A cette fin, seules les signatures des conseillers communaux qui ont prêté serment sont prises en compte, y compris les successeurs qui ont signé l'acte de succession et ont ensuite prêté serment en qualité de conseiller communal. Si l'acte de succession est recevable, le président le transmet au Gouvernement flamand.
   Le Gouvernement flamand statue sur la nomination, ou non, des successeurs à la date de fin du mandat du titulaire.]1

  
Art. 355. In afwijking van artikel 42, § 1, bestaat het college van burgemeester en schepenen van een nieuwe gemeente in de eerste bestuursperiode uit ten hoogste de leden, vermeld in artikel 42, § 1, en twee extra schepenen.
  In afwijking van artikel 42, § 1, bestaat het college van burgemeester en schepenen van een nieuwe gemeente tijdens de zes jaar na de eerste bestuursperiode uit ten hoogste de leden, vermeld in artikel 42, § 1, en een extra schepen.
Art. 355. Par dérogation à l'article 42, § 1er, le collège des bourgmestre et échevins d'une nouvelle commune est, pendant la première période d'administration, composé tout au plus des membres visés à l'article 42, § 1er, et de deux échevins supplémentaires.
  Par dérogation à l'article 42, § 1er, pendant les six années de la première période d'administration, composé tout au plus des membres visés à l'article 42, § 1er, et d'un échevin supplémentaire.
Afdeling 5/1. [1 Regeling in geval van bezwaar tegen de verkiezing van de gemeenteraad van de nieuwe gemeente]1
Section 5/1. [1 Règlement en cas d'objection contre l'élection du conseil communal de la nouvelle commune ]1
Art. 355/1. [1 § 1. In afwijking van artikel 343, 8°, worden de samenvoeging van gemeenten en alle rechtsgevolgen die daar overeenkomstig dit decreet of overeenkomstig andere decreet- of regelgeving aan verbonden zijn, uitgesteld als er een bezwaar wordt ingediend tegen de eerste verkiezing van de nieuwe gemeenteraad en er op 31 december van het jaar waarin de verkiezing wordt georganiseerd, nog geen definitieve uitspraak is.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder definitieve uitspraak verstaan: een in kracht van gewijsde gegaan arrest van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen of, in geval van beroep, van de Raad van State.
   § 2. Als het bezwaar ertoe leidt dat de verkiezing geldig wordt verklaard, wordt de samenvoegingsdatum vastgesteld op de dag waarop de uitslag van de verkiezing definitief is.
   Als het bezwaar ertoe leidt dat de verkiezing ongeldig wordt verklaard, wordt de samenvoegingsdatum vastgesteld op de dag waarop de uitslag van de nieuwe verkiezing definitief is.
   Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt de uitslag van een verkiezing definitief geacht zodra er geen beroepsmogelijkheden meer tegen openstaan.]1

  
Art. 355/1. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 343, 8° la fusion de communes ainsi que toutes les conséquences juridiques y afférentes en vertu du présent décret ou d'autres décrets ou règlements sont reportées lorsqu'une objection est introduite contre la première élection du nouveau conseil communal sans qu'un jugement définitif sur cette objection n'ait été prononcé au 31 décembre de l'année de l'élection.
   Pour l'application de l'alinéa 1er on entend par jugement définitif un arrêt ayant force de chose jugée du Conseil des Contestations électorales ou, en cas de recours, du Conseil d'Etat.
   § 2. Si l'objection conduit à la déclaration de validité de l'élection, la date de fusion est fixée au jour où le résultat de l'élection est définitif.
   Si l'objection conduit à la déclaration de nullité de l'élection, la date de fusion est fixée au jour où le résultat de la nouvelle élection est définitif.
   Aux fins des alinéas 1er et 2 le résultat de l'élection est réputé définitif dès que les voies de recours sont épuisées. ]1

  
Afdeling 6. - Bepalingen over het gemeentepersoneel
Section 6. - Dispositions relatives au personnel communal
Onderafdeling 1. - Principiële beslissing tot samenvoeging en personeel
Sous-section 1ère. - Décision de principe relative à la fusion et incidences sur le personnel
Art. 356. Vanaf de datum van de principiële beslissing van de betrokken gemeenteraden om over te gaan tot samenvoeging, vermeld in artikel 345, kunnen de samen te voegen gemeenten beheersovereenkomsten sluiten om voor bepaalde functies een beroep te doen op elkaars personeelsleden.
  Als het ambt van algemeen directeur respectievelijk financieel directeur bij een van de samen te voegen gemeenten vacant wordt na de datum van de principiële beslissing van de betrokken gemeenteraden om over te gaan tot samenvoeging, vermeld in artikel 345, kan de gemeenteraad voor de vervulling van dat ambt een van de volgende zaken doen:
  1° een beroep doen op een algemeen directeur respectievelijk financieel directeur van een van de andere samen te voegen gemeenten op basis van een beheersovereenkomst;
  2° een waarnemend algemeen directeur respectievelijk financieel directeur aanwijzen tot aan de samenvoegingsdatum.
Art. 356. A partir de la date de la décision de principe des conseils communaux concernés de procéder à la fusion, visée à l'article 345, les communes à fusionner peuvent conclure des contrats de gestion en vue de faire appel aux membres de personnel des unes des autres pour des fonctions spécifiques.
  Si la fonction de directeur général ou de directeur financier auprès d'une des communes à fusionner devient vacante après la date de la décision de principe des conseils communaux concernés de procéder à la fusion visée à l'article 345, le conseil communal peut, en vue de l'accomplissement de ladite fonction :
  1° faire appel à un directeur général ou à un directeur financier d'une des autres communes à fusionner sur la base d'un contrat de gestion ;
  2° désigner un directeur général faisant fonction ou un directeur financier faisant fonction jusqu'à la date de la fusion.
Onderafdeling 2. - Personeel na de samenvoegingsdatum
Sous-section 2. - Le personnel après la date de la fusion
Art. 356/1. [1 Vanaf de datum van de principiële beslissing tot samenvoeging kan elk van de samen te voegen gemeenten een vacature vervullen op een van de volgende manieren:
   1° door te putten uit een bestaande wervings- of bevorderingsreserve;
   2° door een aanwervingsprocedure;
   3° door een bevorderingsprocedure;
   4° door een procedure van interne personeelsmobiliteit;
   5° door een procedure van externe mobiliteit;
   6° door een samenvoegingsmobiliteit als vermeld in artikel 356/2;
   7° door een combinatie van de procedures, vermeld in punt 2°, 3° en 4°.
   Als de samen te voegen gemeente geen wervings- of bevorderingsreserve heeft aangelegd, kan ze voor de toepassing van het eerste lid putten uit de wervings- of bevorderingsreserve van de andere samen te voegen gemeente of gemeenten en van de samen te voegen openbare centra voor maatschappelijk welzijn die werd aangelegd voor een vergelijkbare functie.]1

  
Art. 356/1. [1 A compter de la date de la décision de principe de fusionner, chacune des communes à fusionner peut pourvoir un poste vacant selon l'une des modalités suivantes :
   1° en puisant dans une réserve de recrutement ou de promotion existante ;
   2° par le biais d'une procédure de recrutement ;
   3° par le biais d'une procédure de promotion ;
   4° par le biais d'une procédure de mobilité interne du personnel ;
   5° par le biais d'une procédure de mobilité externe ;
   6° par le biais de la mobilité de fusion visée à l'article 356/2 ;
   7° par le biais d'une combinaison des procédures énoncées aux points 2°, 3° et 4°.
   Si la commune à fusionner n'a pas constitué de réserve de recrutement ou de promotion, elle peut, aux fins du premier alinéa, puiser dans la réserve de recrutement ou de promotion de l'autre ou des autres communes à fusionner et des centres publics d'action sociale à fusionner qui a été constituée pour une fonction similaire.]1

  
Art. 356/2. [1 § 1. Vanaf de datum van de principiële beslissing tot samenvoeging kunnen de bevoegde organen van de samen te voegen gemeenten elk in hun eigen rechtspositieregeling een samenvoegingsmobiliteit vaststellen die betrekking heeft op de personeelsmobiliteit tussen de gemeenten die worden samengevoegd en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die worden samengevoegd. Die samenvoegingsmobiliteit geldt tussen de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in kwestie.
   § 2. De samenvoegingsmobiliteit kan op een van de volgende wijzen verwezenlijkt worden:
   1° door deelname van personeelsleden van een samen te voegen gemeente of van een samen te voegen openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan de procedure voor interne personeelsmobiliteit bij een andere samen te voegen gemeente;
   2° door deelname van personeelsleden van een samen te voegen gemeente of van een samen te voegen openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan de bevorderingsprocedure bij een andere samen te voegen gemeente.
   § 3. Bij de toepassing van de samenvoegingsmobiliteit worden de personeelsleden van alle samen te voegen gemeenten en alle samen te voegen openbare centra voor maatschappelijk welzijn in kwestie uitgenodigd om zich kandidaat te stellen voor de vacante betrekking bij de samen te voegen gemeente.
   § 4. De volgende personeelsleden kunnen zich, ongeacht hun administratieve toestand, kandidaat stellen om deel te nemen aan een procedure van samenvoegingsmobiliteit:
   1° de vast aangestelde statutaire personeelsleden van de samen te voegen gemeenten en de samen te voegen openbare centra voor maatschappelijk welzijn in kwestie;
   2° de contractuele personeelsleden van de samen te voegen gemeenten en de samen te voegen openbare centra voor maatschappelijk welzijn in kwestie, die aan de voorwaarden voldoen en die bij de eigen overheid zijn aangeworven na een externe bekendmaking van de vacature en een gelijkwaardige selectieprocedure als de procedure die van toepassing is op vacatures in statutaire betrekkingen hebben doorlopen.
   De samenvoegingsmobiliteit tussen de samen te voegen gemeenten en de samen te voegen openbare centra voor maatschappelijk welzijn is niet van toepassing op de betrekkingen van algemeen directeur, adjunct-algemeen directeur, financieel directeur en adjunct-financieel directeur.
   § 5. De bevoegde organen van de samen te voegen gemeenten stellen de nadere procedure en modaliteiten vast voor de toepassing van de samenvoegingsmobiliteit.]1

  
Art. 356/2. [1 § 1. A compter de la date de la décision de principe de fusionner, les organes compétents des communes à fusionner peuvent chacun prévoir dans leur propre position juridique une mobilité de fusion ayant trait à la mobilité du personnel entre les communes fusionnées et les centres publics d'action sociale fusionnés. Cette mobilité de fusion s'applique entre les communes et les centres publics d'action sociale en question.
   § 2. La mobilité de fusion peut être réalisée de l'une des manières suivantes :
   1° par la participation des membres du personnel d'une commune à fusionner ou d'un centre public d'action sociale à fusionner à la procédure de mobilité interne du personnel d'une autre commune à fusionner ;
   2° par la participation des membres du personnel d'une commune à fusionner ou d'un centre public d'action sociale à fusionner à la procédure de promotion d'une autre commune à fusionner.
   § 3. Lors de l'application de la mobilité de fusion, les membres du personnel de toutes les communes à fusionner et de tous les centres publics d'action sociale à fusionner en question sont invités à poser leur candidature pour le poste vacant auprès de la commune à fusionner.
   § 4. Les membres du personnel suivants, quelle que soit leur situation administrative, peuvent poser leur candidature dans une procédure de mobilité de fusion :
   1° les membres du personnel statutaires nommés à titre définitif des communes à fusionner et des centres publics d'action sociale à fusionner en question ;
   2° les membres du personnel contractuels des communes à fusionner et des centres publics d'action sociale à fusionner en question qui remplissent les conditions et qui ont été recrutés par leur propre service public après une publication externe de la vacance de poste et qui ont parcouru une procédure de sélection équivalente à la procédure applicable aux vacances de postes statutaires.
   La mobilité de fusion entre les communes à fusionner et les centres publics d'action sociale à fusionner ne s'applique pas aux postes de directeur général, directeur général adjoint, directeur financier et directeur financier adjoint.
   § 5. Les organes compétents des communes à fusionner fixent la procédure et les modalités d'application de la mobilité de fusion.]1

  
Art. 357. Vanaf de samenvoegingsdatum tot aan de aanstelling van een nieuwe algemeen directeur neemt de algemeen directeur-coördinator, vermeld in artikel 346, eerste lid, het ambt van algemeen directeur van de nieuwe gemeente waar.
  De gemeenteraad van de nieuwe gemeente kan een waarnemingstoelage toekennen. Die toelage is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat bij aanstelling in het ambt van algemeen directeur van de nieuwe gemeente ontvangen zou worden en het salaris dat de algemeen directeur-coördinator in zijn oorspronkelijke gemeente kreeg.
Art. 357. A partir de la date de fusion et jusqu'à la désignation d'un nouveau directeur général, le directeur général-coordinateur visé à l'article 346, alinéa premier, remplit la fonction de directeur général de la nouvelle commune.
  Le conseil communal de la nouvelle commune peut octroyer une allocation d'intérim. L'allocation précitée est égale à la différence entre le salaire qui aurait été perçu dans la fonction de directeur général de la nouvelle commune et le salaire dont jouissait le directeur général-coordinateur dans sa commune d'origine.
Art. 358. [1 Onverminderd artikel 167 stelt de gemeenteraad van de nieuwe gemeente een nieuwe algemeen directeur aan binnen zes maanden na de samenvoegingsdatum.
   De algemeen directeur van de nieuwe gemeente wordt gekozen op basis van een systematische vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten in het licht van de functiebeschrijving met functieprofiel en competentievereisten en, in voorkomend geval, van de toetsing aan de voorwaarden.]1

  
Art. 358. [1 Nonobstant l'article 167, le conseil communal de la nouvelle commune désigne un nouveau directeur général dans les six mois qui suivent la date de fusion.
   Le directeur général de la nouvelle commune est élu sur la base d'une comparaison systématique des titres et des mérites des candidats à la lumière de la description de la fonction, y compris le profil de la fonction et les exigences en matière de compétences et, le cas échéant, sur la base de la confrontation de sa candidature aux conditions.]1

  
Art. 358/1. [1 De gemeenteraad van de nieuwe gemeente kan de titularissen van het ambt van algemeen directeur van de samengevoegde gemeenten oproepen om zich binnen dertig dagen kandidaat te stellen voor het ambt van algemeen directeur van de nieuwe gemeente. Na het verstrijken van de termijn stelt het college van burgemeester en schepenen van de nieuwe gemeente vast wie zich tijdig en ontvankelijk kandidaat heeft gesteld.
   De gemeenteraad van de nieuwe gemeente kan voorwaarden voor het ambt van algemeen directeur vaststellen.
   De gemeenteraad van de nieuwe gemeente stelt een nieuwe algemeen directeur aan met behoud van zijn dienstverband onder de algemeen directeurs van de samengevoegde gemeenten die zich na vermelde oproep kandidaat hebben gesteld.
   De gewezen algemeen directeur, die als algemeen directeur van de nieuwe gemeente wordt aangesteld, wordt met de verworven geldelijke anciënniteit ingeschaald in de salarisschaal overeenkomstig de reglementaire bepalingen ter zake.]1

  
Art. 358/1. [1 Le conseil communal de la nouvelle commune peut inviter les titulaires de la fonction de directeur général des communes fusionnées à poser leur candidature, dans un délai de trente jours, à la fonction de directeur général de la nouvelle commune. Ce délai passé, le collège des bourgmestre et échevins de la nouvelle commune détermine qui a posé une candidature recevable dans les délais.
   Le conseil communal de la nouvelle commune peut fixer des conditions pour la fonction de directeur général.
   Le conseil communal de la nouvelle commune désigne un nouveau directeur général, avec maintien de sa relation de travail, parmi les directeurs généraux des communes fusionnées qui se sont portés candidats à la suite de l'invitation précitée.
   L'échelle de traitement du directeur général sortant qui est désigné comme directeur général de la nouvelle commune prend en compte son ancienneté pécuniaire acquise, conformément aux dispositions réglementaires en la matière.]1

  
Art. 359. [1 Als er na de oproep, vermeld in artikel 358/1, geen kandidaten zijn voor het ambt van algemeen directeur of, in voorkomend geval, als geen enkele kandidaat aan de gestelde voorwaarden voldoet of als de gemeenteraad van de nieuwe gemeente geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel 358/1, vult de gemeenteraad van de nieuwe gemeente het ambt in door aanwerving en/of bevordering. De gemeenteraad van de nieuwe gemeente stelt de voorwaarden vast voor het ambt van algemeen directeur en stelt de selectieprocedure vast.]1
  
Art. 359. [1 Si à la suite de l'invitation visée à l'article 358/1 aucun candidat ne s'est présenté pour la fonction de directeur général ou, le cas échéant, qu'aucun candidat ne répond aux conditions établies, ou que le conseil communal de la nouvelle commune n'a pas fait usage de la possibilité prévue à l'article 358/1, ce dernier remplit la fonction par le biais d'un recrutement ou d'une promotion. Le conseil communal de la nouvelle commune fixe les conditions pour la fonction de directeur général ainsi que la procédure de sélection.]1
  
Art. 360. Vanaf de samenvoegingsdatum tot aan de aanstelling van een nieuwe financieel directeur neemt de financieel directeur-coördinator, vermeld in artikel 346, tweede lid, het ambt van financieel directeur van de nieuwe gemeente waar.
  De gemeenteraad van de nieuwe gemeente kan een waarnemingstoelage toekennen. Die toelage is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat bij aanstelling in het ambt van financieel directeur van de nieuwe gemeente ontvangen zou worden en het salaris dat de financieel directeur-coördinator in zijn oorspronkelijke gemeente kreeg.
Art. 360. A partir de la date de la fusion jusqu'à la désignation d'un nouveau directeur financier, le directeur financier-coordinateur, visé à l'article 346, alinéa deux, remplit la fonction de directeur financier de la nouvelle commune.
  Le conseil communal de la nouvelle commune peut octroyer une allocation d'intérim. L'allocation précitée est égale à la différence entre le salaire qui aurait été perçu dans la fonction de directeur financier de la nouvelle commune et le salaire que percevait le directeur financier-coordinateur dans sa commune d'origine.
Art. 361. [1 Onverminderd artikel 167 stelt de gemeenteraad van de nieuwe gemeente een nieuwe financieel directeur aan binnen zes maanden na de samenvoegingsdatum.
   De financieel directeur van de nieuwe gemeente wordt gekozen op basis van een systematische vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten in het licht van de functiebeschrijving met functieprofiel en competentievereisten en, in voorkomend geval, van de toetsing aan de voorwaarden.]1

  
Art. 361. [1 Nonobstant l'article 167, le conseil communal de la nouvelle commune désigne un nouveau directeur financier dans les six mois qui suivent la date de fusion.
   Le directeur financier de la nouvelle commune est élu sur la base d'une comparaison systématique des titres et des mérites des candidats à la lumière de la description de la fonction, y compris le profil de la fonction et les exigences en matière de compétences et, le cas échéant, sur la base de la confrontation de sa candidature aux conditions.]1

  
Art. 361/1. [1 De gemeenteraad van de nieuwe gemeente kan de titularissen van het ambt van financieel directeur van de samengevoegde gemeenten oproepen om zich binnen dertig dagen kandidaat te stellen voor het ambt van financieel directeur van de nieuwe gemeente. Na het verstrijken van de termijn stelt het college van burgemeester en schepenen van de nieuwe gemeente vast wie zich tijdig en ontvankelijk kandidaat heeft gesteld.
   De gemeenteraad van de nieuwe gemeente kan voorwaarden voor het ambt van financieel directeur vaststellen.
   De gemeenteraad van de nieuwe gemeente stelt een nieuwe financieel directeur aan met behoud van zijn dienstverband onder de financieel directeurs van de samengevoegde gemeenten die zich na vermelde oproep kandidaat hebben gesteld.
   De gewezen financieel directeur, die als financieel directeur van de nieuwe gemeente wordt aangesteld, wordt met de verworven geldelijke anciënniteit ingeschaald in de salarisschaal overeenkomstig de reglementaire bepalingen ter zake.]1

  
Art. 361/1. [1 Le conseil communal de la nouvelle commune peut inviter les titulaires de la fonction de directeur financier des communes fusionnées à poser leur candidature à la fonction de directeur financier de la nouvelle commune dans un délai de trente jours. Ce délai passé, le collège des bourgmestre et échevins de la nouvelle commune détermine qui a posé une candidature recevable dans les délais.
   Le conseil communal de la nouvelle commune peut fixer des conditions pour la fonction de directeur financier.
   Le conseil communal de la nouvelle commune désigne un nouveau directeur financier, avec maintien de sa relation de travail, parmi les directeurs financiers des communes fusionnées qui se sont portés candidats à la suite de l'invitation précitée.
   L'échelle de traitement du directeur financier sortant qui est désigné comme directeur financier de la nouvelle commune prend en compte son ancienneté pécuniaire acquise, conformément aux dispositions réglementaires en la matière.]1

  
Art. 362. [1 Als er na de oproep, vermeld in artikel 361/1, geen kandidaten zijn voor het ambt van financieel directeur of, in voorkomend geval, als geen enkele kandidaat aan de gestelde voorwaarden voldoet of als de gemeenteraad van de nieuwe gemeente geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel 361/1, vult de gemeenteraad van de nieuwe gemeente het ambt in door aanwerving en/of bevordering. De gemeenteraad van de nieuwe gemeente stelt de voorwaarden vast voor het ambt van financieel directeur en stelt de selectieprocedure vast.]1
  
Art. 362. [1 Si à la suite de l'invitation visée à l'article 361/1 aucun candidat ne s'est présenté pour la fonction de directeur financier ou, le cas échéant, qu'aucun candidat ne répond aux conditions établies, ou que le conseil communal de la nouvelle commune n'a pas fait usage de la possibilité prévue à l'article 361/1, ce dernier remplit la fonction par le biais d'un recrutement ou d'une promotion. Le conseil communal de la nouvelle commune fixe les conditions pour la fonction de directeur financier ainsi que la procédure de sélection.]1
  
Art. 363. Op de samenvoegingsdatum wordt het voltallige personeel van de samengevoegde gemeenten, ongeacht de aard van het dienstverband, van rechtswege overgedragen aan de nieuwe gemeente.
  In geval van een samenvoeging als vermeld in artikel 344, eerste lid, 2°, wordt de overdracht van personeel aan de nieuwe gemeenten uitgevoerd op basis van een overeenkomst tussen de oorspronkelijke gemeenten, die door hun gemeenteraden wordt bekrachtigd.
Art. 363. A la date de la fusion, le personnel entier des communes fusionnées est de plein droit transféré à la nouvelle commune, quelle que soit leur relation de travail.
  Dans le cas d'une fusion, telle que visée à l'article 344, alinéa premier, 2°, le transfert de personnel aux nouvelles communes est effectué sur la base d'une convention entre les communes originales, à ratifier par leurs conseils communaux.
Art. 364. De personeelsleden behouden na de overdracht aan de nieuwe gemeente de aard van het dienstverband, hun graad, hun administratieve en geldelijke anciënniteit, hun prestatieregeling en hun salarisschaal.
Art. 364. Après le transfert à la nouvelle commune, les membres du personnel conservent la nature de leur relation de travail, leur degré, leur ancienneté administrative et pécuniaire, leur régime de prestation et leur échelle de traitement.
Art. 365. De personeelsleden blijven onderworpen aan de rechtspositieregeling die op hen van toepassing was in de oorspronkelijke gemeente tot aan de inwerkingtreding van de rechtspositieregeling van de nieuwe gemeente, vermeld in artikel 367, tweede lid.
  De gemeenteraad van de nieuwe gemeente bepaalt een tussentijdse rechtspositieregeling, die van toepassing is op de nieuw aan te stellen personeelsleden van de nieuwe gemeente vanaf de samenvoegingsdatum en die geldt tot aan de inwerkingtreding van de rechtspositieregeling van de nieuwe gemeente, vermeld in artikel 367, tweede lid.
Art. 365. Les membres du personnel restent soumis au statut qui s'appliquait à eux dans la commune d'origine jusqu'à l'entrée en vigueur du statut de la nouvelle commune, visé à l'article 367, alinéa deux.
  Le conseil communal de la nouvelle commune établit un statut intérimaire, qui s'applique aux membres du personnel de la nouvelle commune à désigner à partir de la date de la fusion et qui est valide jusqu'à l'entrée en vigueur du statut de la nouvelle commune, visé à l'article 367, alinéa deux.
Art. 366. Voor de leden van het gesubsidieerd onderwijspersoneel van de gemeentelijke onderwijsinstellingen van de samengevoegde gemeenten gelden bij samenvoegingen van gemeenten de bepalingen van titel II, hoofdstuk X, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
Art. 366. Pour les membres du personnel enseignant subventionné des établissements d'enseignement communaux des communes fusionnées, les dispositions du titre II, chapitre X du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élèves s'appliquent en cas de fusions de communes.
Art. 367. Binnen een jaar na de samenvoegingsdatum stelt de gemeenteraad van de nieuwe gemeente het organogram vast overeenkomstig artikel 161.
  Binnen een jaar na de samenvoegingsdatum stelt de gemeenteraad van de nieuwe gemeente voor het geheel van het personeel van de nieuwe gemeente een nieuwe rechtspositieregeling vast in overeenstemming met de bepalingen van titel 2, hoofdstuk 4, afdeling 3.
Art. 367. Dans l'année qui suit la date de la fusion, le conseil communal de la nouvelle commune établit l'organigramme, conformément à l'article 161.
  Dans l'année qui suit la date de la fusion, le conseil communal de la nouvelle commune établit un nouveau statut pour l'ensemble du personnel de la nouvelle commune, conformément aux dispositions du titre 2, chapitre 4, section 3.
Afdeling 7. - Bepalingen over de beleids- en beheerscyclus en fiscaliteit
Section 7. - Dispositions relatives au planning, à la gestion financière et à la fiscalité
Art. 368. [1 De bepalingen, vermeld in titel 4, zijn vanaf de samenvoegingsdatum van toepassing op de nieuwe gemeente en het nieuwe OCMW.
   In afwijking van het eerste lid is artikel 254 niet van toepassing gedurende de eerste bestuursperiode. Voor het einde van het eerste kwartaal van de eerste bestuursperiode wordt een eenjarig meerjarenplan vastgesteld voor het eerste jaar van die bestuursperiode. Voor het einde van het jaar dat volgt op de gemeenteraadsverkiezingen wordt een meerjarenplan vastgesteld dat start in het tweede jaar dat volgt op de gemeenteraadsverkiezingen en afloopt op het einde van het jaar na het jaar van de daaropvolgende gemeenteraadsverkiezingen. Elk van die meerjarenplannen bestaat uit een strategische nota, een financiële nota en een toelichting die conform artikel 255 zijn opgemaakt.
   In afwijking van het eerste lid is artikel 265 niet van toepassing gedurende het eerste kwartaal van het eerste jaar van de eerste bestuursperiode. Tot de definitieve vaststelling van het eenjarige meerjarenplan en uiterlijk tot en met 31 maart van het eerste jaar van de eerste bestuursperiode mogen, door middel van voorlopige kredieten, verbintenissen voor de exploitatie, de investeringen en de financiering worden aangegaan tot maximaal drie twaalfde van de som van de kredieten van het vorige boekjaar.
   In afwijking van artikel 260, tweede lid, is de beleidsevaluatie over het boekjaar dat voorafgaat aan dat van de samenvoegingsdatum facultatief in de jaarrekeningen van de samengevoegde gemeenten en OCMW's en in de jaarrekening van de autonome gemeentebedrijven van de samengevoegde gemeenten.]1

  
Art. 368. [1 Les dispositions énoncées au titre 4 s'appliquent à la nouvelle commune et au nouveau CPAS à compter de la date de fusion.
   Contrairement au premier alinéa l'article 254 ne s'applique pas pendant la première législature. Avant la fin du premier trimestre de la première législature un plan pluriannuel d'un an est établi pour la première année de cette législature. Avant la fin de l'année suivant les élections communales, un plan pluriannuel est adopté pour la période qui commence dans la deuxième année suivant les élections communales et se termine à la fin de l'année suivant l'année des élections communales suivantes. Chacun de ces plans pluriannuels est composé d'une note stratégique, d'une note financière et d'une note explicative établies conformément à l'article 255.
   Contrairement au premier alinéa l'article 265 ne s'applique pas pendant le premier trimestre de la première année de la première législature. Jusqu'à l'établissement définitif du plan pluriannuel d'un an et au plus tard jusqu'au 31 mars de la première année de la première législature, des engagements pour l'exploitation, les investissements et le financement peuvent être contractés, au moyen de crédits provisionnels, jusqu'à concurrence des trois douzièmes maximum du total des crédits de l'exercice précédent.
   Contrairement à l'article 260, deuxième alinéa, l'évaluation de la politique de l'exercice précédant celui de la fusion est facultative dans les comptes annuels des communes et CPAS fusionnés et dans les comptes annuels des régies communales autonomes des communes fusionnées.]1

  
Art. 369. [1 § 1.]1 Alle reglementen over de gemeentelijke belastingen [1 en]1 retributies, goedgekeurd door de gemeenteraden van de samengevoegde gemeenten, behouden hun rechtskracht voor het grondgebied van de samengevoegde gemeenten waarvoor de respectieve reglementen zijn goedgekeurd, tot op de dag dat ze door de gemeenteraad van de nieuwe gemeente worden opgeheven. In elk geval worden die reglementen van rechtswege opgeheven een jaar na de samenvoegingsdatum.
  Alle besluiten van de colleges van burgemeester en schepenen over retributies, goedgekeurd ter uitvoering van een delegatiebesluit van de gemeenteraden van de samengevoegde gemeenten, behouden hun rechtskracht voor het grondgebied van de samengevoegde gemeenten waarvoor de respectieve besluiten zijn goedgekeurd, tot op de dag dat ze door het college van burgemeester en schepenen van de nieuwe gemeente worden opgeheven. In elk geval worden die besluiten van rechtswege opgeheven een jaar na de samenvoegingsdatum.
  [1 § 2. In afwijking van paragraaf 1 stelt de gemeenteraad nieuwe reglementen vast voor de heffing van aanvullende belastingen op het grondgebied conform de toepasselijke federale en Vlaamse regelgeving.]1
  
Art. 369. [1 § 1.]1 Tous les règlements portant sur les impôts [1 et]1 rétributions communaux, approuvés par les conseils communaux des communes fusionnées, continuent de produire leurs effets de plein droit pour le territoire des communes fusionnées pour lesquelles les règlements respectifs ont été approuvés, jusqu'au jour où ils sont abrogés par le conseil communal de la nouvelle commune. Lesdits règlements sont en tout état de cause abrogés de plein droit un an après la date de la fusion.
  Tous les arrêtés des collèges des bourgmestre et échevins portant sur des rétributions, approuvés en exécution d'un arrêté de délégation des conseils communaux des communes fusionnées, continuent de produire leurs effets de plein droit pour le territoire des communes fusionnées pour lesquelles les arrêtés respectifs ont été approuvés, jusqu'au jour où ils sont abrogés par le collège des bourgmestre et échevins de la nouvelle commune. Lesdits arrêtés sont en tout état de cause abrogés de plein droit un an après la date de la fusion.
  [1 § 2. Contrairement au paragraphe 1, le conseil communal adopte de nouveaux règlements pour le prélèvement d'impôts complémentaires sur le territoire, conformément à la réglementation fédérale et flamande applicable.]1
  
Art. 370. Voor de toepassing van de reglementen over de provinciebelastingen wordt de nieuwe gemeente, in haar nieuwe grenzen, geacht te bestaan vanaf de samenvoegingsdatum.
Art. 370. Pour l'application des règlements relatifs aux impôts provinciaux, la nouvelle commune est supposée, dans ses nouvelles délimitations, exister à partir de la date de la fusion.
HOOFDSTUK 3. - Samenvoeging van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
CHAPITRE 3. - Fusion des centres publics d'aide sociale
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1ère. - Dispositions générales
Art. 371. De samenvoeging van gemeenten heeft van rechtswege bij elke nieuwe gemeente de oprichting van een nieuw OCMW tot gevolg.
  De openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de samengevoegde gemeenten worden opgeheven op de samenvoegingsdatum.
Art. 371. La fusion de communes donne lieu à l'établissement de plein droit d'un nouveau centre public daction sociale à chaque création d'une nouvelle commune.
  Les centres publics d'aide sociale des communes fusionnées sont dissous à la date de la fusion.
Art. 372. De algemeen directeur die met toepassing van artikel 346, eerste lid, aangewezen is als coördinator, treedt van rechtswege op als coördinator van de samenvoegingsoperatie op ambtelijk niveau van de betrokken openbare centra voor maatschappelijk welzijn en voert de opdrachten uit die hem worden toegewezen in dit decreet.
  De financieel directeur of de gewestelijke ontvanger die met toepassing van artikel 346, tweede lid, aangewezen is als coördinator, treedt van rechtswege op als financieel directeur-coördinator van de samenvoegingsoperatie op ambtelijk niveau voor de coördinatie van de financiële aspecten van de samenvoeging van de betrokken openbare centra voor maatschappelijk welzijn en voert de opdrachten uit die hem worden toegewezen in dit decreet.
Art. 372. Le [directeur général] désigné comme coordinateur en application de l'article 346, alinéa premier, intervient de plein droit en tant que coordinateur de l'opération de fusion au niveau administratif des centres publics d'aide sociale concernés, et exécute les missions qui lui sont confiées dans le présent décret.
  Le gestionnaire financier ou le receveur communal désigné comme coordinateur en application de l'article 346, deuxième alinéa, intervient de plein droit en tant que directeur financier-coordinateur de l'opération de fusion au niveau administratif pour la coordination des aspects financiers de la fusion des centres publics d'aide sociale concernés, et exécute les missions qui lui sont confiées dans le présent décret.
Art. 373. Artikel 349 is van toepassing op de samengevoegde OCMW's, met dien verstande dat "gemeenteraden" wordt gelezen als "raden voor maatschappelijk welzijn" en "gemeenten" wordt gelezen als "openbare centra voor maatschappelijk welzijn".
Art. 373. L'article 349 s'applique aux centres publics d'aide sociale fusionnés, étant entendu que " conseils communaux " doit être lu comme " conseils d'aide sociale " et que " commune " doit être lu comme " centres publics d'aide sociale ".
Art. 374. Artikel 350 is van toepassing op het nieuwe OCMW, met dien verstande dat "de nieuwe gemeente" wordt gelezen als "het nieuwe OCMW", "de samengevoegde gemeenten" wordt gelezen als "de samengevoegde OCMW's", [1 "de gemeenteraden" wordt gelezen als "de raden voor maatschappelijk welzijn" en "de oorspronkelijke gemeenten" wordt gelezen als "de oorspronkelijke OCMW's"]1.
  
Art. 374. L'article 350 s'applique au nouveaux centres publics d'aide sociale, étant entendu que " la nouvelle commune " doit être lu comme " le nouveaux centres publics d'aide sociale ", " les communes fusionnées " comme " les centres publics d'aide sociale fusionnés [1 , " les conseils communaux " comme " les conseils d'aide sociale " et " les communes d'origine " comme " les CPAS d'origine " ]1.
  
Art. 375. Artikel 351 is van toepassing op de samengevoegde OCMW's, met dien verstande dat "gemeenten" wordt gelezen als "openbare centra voor maatschappelijk welzijn".
Art. 375. L'article 351 s'applique aux centres publics d'aide sociale fusionnés, étant entendu que " commune " doit être lu comme " centres publics d'aide sociale ".
Afdeling 2. - Bepalingen over het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
Section 2. - Dispositions relatives au personnel du centre public daction sociale
Onderafdeling 1. - Principiële beslissing tot samenvoeging en personeel
Sous-section 1ère. - Décision de principe relative à la fusion et incidences sur le personnel
Art. 376. Artikel 356, eerste lid, is van toepassing op de samen te voegen OCMW's met dien verstande dat "gemeenten" wordt gelezen als "openbare centra voor maatschappelijk welzijn".
Art. 376. L'article 356, alinéa premier s'applique aux centres publics d'aide sociale à fusionner, étant entendu que " communes " doit être lu comme " centres publics d'aide sociale ".
Art. 376/1. [1 Artikel 356/1 is van toepassing op de samen te voegen openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat "de samen te voegen gemeenten" wordt gelezen als "de samen te voegen openbare centra voor maatschappelijk welzijn", "de samen te voegen gemeente" wordt gelezen als "het samen te voegen openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn", "de andere samen te voegen gemeenten" wordt gelezen als "de andere samen te voegen openbare centra voor maatschappelijk welzijn" en "de samen te voegen openbare centra voor maatschappelijk welzijn" wordt gelezen als "de samen te voegen gemeenten.
  Artikel 356/2 is, met uitzondering van paragraaf 4, tweede lid, van toepassing op de samen te voegen openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met dien verstande dat:
   1° in paragraaf 1 "de bevoegde organen van de samen te voegen gemeenten" wordt gelezen als "de bevoegde organen van de samen te voegen openbare centra voor maatschappelijk welzijn";
   2° in paragraaf 2, 1° en 2°, "bij een andere samen te voegen gemeente" wordt gelezen als "bij een ander samen te voegen openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn";
   3° in paragraaf 3 "bij de samen te voegen gemeente" wordt gelezen als "bij het samen te voegen openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn";
   4° in paragraaf 4, derde lid, "De bevoegde organen van de samen te voegen gemeenten" wordt gelezen als "De bevoegde organen van de samen te voegen openbare centra voor maatschappelijk welzijn".]1

  
Art. 376/1. [1 L'article 356/1 s'applique aux centres publics d'action sociale à fusionner, étant entendu que " les communes à fusionner " se lit " les centres publics d'action sociale à fusionner ", " la commune à fusionner " se lit " le centre public d'action sociale à fusionner ", " les autres communes à fusionner " se lit " les autres centres publics d'action sociale à fusionner " et " les centres publics d'action sociale à fusionner " se lit " les communes à fusionner ".
   L'article 356/2, à l'exception du paragraphe 4, deuxième alinéa, s'applique aux centres publics d'action sociale à fusionner, étant entendu que :
   1° au paragraphe 1, " les organes compétents des communes à fusionner " se lit " les organes compétents des centres publics d'action sociale à fusionner " ;
   2° au paragraphe 2, 1° et 2°, " d'une autre commune à fusionner " se lit " d'un autre centre public d'action sociale à fusionner " ;
   3° au paragraphe 3, " auprès de la commune à fusionner " se lit " auprès du centre public d'action sociale à fusionner " ;
   4° au paragraphe 4, troisième alinéa, " Les organes compétents des communes à fusionner " se lit " Les organes compétents des centres publics d'action sociale à fusionner ".]1

  
Onderafdeling 2. - Personeel na de samenvoegingsdatum
Sous-section 2. - Le personnel après la date de la fusion
Art. 377. Op de samenvoegingsdatum wordt het voltallige personeel van de samengevoegde OCMW's, ongeacht de aard van het dienstverband, van rechtswege overgedragen aan het nieuwe OCMW.
  Bij een samenvoeging als vermeld in artikel 344, eerste lid, 2°, wordt de overdracht van personeel aan het nieuwe OCMW uitgevoerd op basis van een overeenkomst tussen de oorspronkelijke openbare centra voor maatschappelijk welzijn, die door hun raden voor maatschappelijk welzijn wordt bekrachtigd.
Art. 377. A la date de la fusion, le personnel entier des centres public d'aide sociale fusionnés est de plein droit transféré au nouveau centre public daction sociale, quelle que soit leur relation de travail.
  En cas de fusion, telle que visée à l'article 344, alinéa premier, 2°, le transfert de personnel aux nouveaux centres publics d'aide sociale est effectué sur la base d'une convention entre les centres publics d'aide sociale d'origine, à ratifier par leurs conseils d'aide sociale.
Art. 378. Artikel 364 is van toepassing op het nieuwe OCMW, met dien verstande dat "de nieuwe gemeente" wordt gelezen als "het nieuwe OCMW".
Art. 378. L'article 364 s'applique au nouveau centre public daction sociale, étant entendu que " la nouvelle commune " doit être lu comme " le nouveau centre public daction sociale ".
Art. 379. [1 Artikel 365 is van toepassing op het nieuwe OCMW, met dien verstande dat "de oorspronkelijke gemeente" wordt gelezen als "het oorspronkelijke OCMW", "de nieuwe gemeente" wordt gelezen als "het nieuwe OCMW" en "de gemeenteraad" wordt gelezen als "de raad voor maatschappelijk welzijn".]1
  
Art. 379. [1 L'article 365 s'applique au nouveau CPAS, étant entendu que " la commune d'origine " doit être lu comme " le CPAS d'origine ", " la nouvelle commune " doit être lu comme " le nouveau CPAS " et " le conseil communal " doit être lu comme " le conseil d'aide sociale ".]1
  
Art. 380. Artikel 367 is van toepassing op het nieuwe OCMW.
Art. 380. L'article 367 s'applique par au nouveau centre public daction sociale.
Afdeling 3. - Bepalingen over de beleids- en beheerscyclus en fiscaliteit
Section 3. - Dispositions relatives au planning, à la gestion financière et à la fiscalité
HOOFDSTUK 4. - Diverse bepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions diverses
Art. 382. [2 Een gewezen algemeen directeur of een gewezen financieel directeur van een samengevoegde gemeente, die niet als algemeen directeur respectievelijk financieel directeur van de nieuwe gemeente is aangesteld, wordt met behoud van zijn geldelijke anciënniteit aangesteld hetzij als adjunct-algemeen directeur respectievelijk adjunct-financieel directeur bij de gemeente, hetzij in een passende functie van niveau A in:
   1° de nieuwe gemeente;
   2° het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de nieuwe gemeente bedient;
   3° een verzelfstandigde entiteit van de nieuwe gemeente;
   4° een vereniging of vennootschap voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de nieuwe gemeente bedient;
   5° een intergemeentelijk samenwerkingsverband zoals bedoeld in deel 3, titel 3, waarvan de nieuwe gemeente een deelnemende gemeente is.]2

  De gewezen algemeen directeur of gewezen financieel directeur wordt ingeschaald in de salarisschaal die verbonden is aan de passende functie. Hij behoudt de salarisschaal die hij genoot als algemeen directeur of financieel directeur in zijn oorspronkelijke gemeente, zolang het salaris op basis daarvan gunstiger is dan het salaris dat hij zou genieten na de inschaling.
  De adjunct-financieel directeur staat de financieel directeur bij in de vervulling van zijn ambt, overeenkomstig het organisatiebeheersingssysteem, vermeld in artikel 217 tot en met 220. In afwijking van artikel 166 vervangt de adjunct-financieel directeur de financieel directeur als hij afwezig of verhinderd is. De gemeenteraad regelt die vervanging.
  [1 Artikel 41, tweede lid, 6°, 163 tot en met 165, 169, 179, 194 en 208, § 2, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de adjunct-financieeldirecteur, met dien verstande dat het woord "adjunct-algemeen directeur" wordt gelezen als het woord "adjunct-financieeldirecteur".]1
  
Art. 382. [2 Un directeur général sortant ou un directeur financier sortant d'une commune fusionnée qui n'a pas été désigné directeur général ou directeur financier de la nouvelle commune est désigné, avec maintien de son ancienneté pécuniaire, soit comme directeur général adjoint ou directeur financier adjoint respectivement de la commune, soit dans une fonction appropriée de niveau A dans :
   1° la nouvelle commune ;
   2° le centre public d'action sociale desservant la nouvelle commune ;
   3° une entité autonomisée de la nouvelle commune ;
   4° une association ou une société d'action sociale du centre public d'action sociale desservant la nouvelle commune ;
   5° un partenariat intercommunal visé à la partie 3, titre 3, dans lequel la nouvelle commune est une commune participante.]2

  Le directeur financier sortant ou le directeur général sortant est inséré dans l'échelle de traitement liée à la fonction appropriée. Il conserve l'échelle de traitement dont il jouissait en tant que directeur général ou directeur financier dans sa commune d'origine, et ce aussi longtemps que le traitement sur la base de cette échelle est plus avantageux que le traitement qu'il percevrait après l'insertion.
  Le directeur financier adjoint assiste le directeur financier dans l'exercice de sa fonction, conformément au système de contrôle interne mentionné aux articles 217 à 220. Par dérogation à l'article 166, le directeur financier adjoint remplace le directeur financier lorsque celui-ci est absent ou empêché. Le conseil communal organise ledit remplacement.
  [1 Les articles 41, alinéa 2, 6°, 163 à 165, 169, 179, 194 et 208, § 2, alinéa 2 s'appliquent mutatis mutandis au directeur financier adjoint, les mots " directeur général adjoint " étant lus comme " directeur financier adjoint".]1
  
Art. 382/1. [1 In afwijking van artikel 364 kan een gewezen adjunct-algemeen directeur of een gewezen adjunct-financieel directeur van een samengevoegde gemeente met behoud van zijn geldelijke anciënniteit aangesteld worden in een passende functie van niveau A in:
   1° de nieuwe gemeente;
   2° het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de nieuwe gemeente bedient;
   3° een verzelfstandigde entiteit van de nieuwe gemeente;
   4° een vereniging of vennootschap voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de nieuwe gemeente bedient;
   5° een intergemeentelijk samenwerkingsverband zoals bedoeld in deel 3, titel 3, waarvan de nieuwe gemeente een deelnemende gemeente is.
   De gewezen adjunct-algemeen directeur of gewezen adjunct-financieel directeur wordt ingeschaald in de salarisschaal die verbonden is aan de passende functie. Hij behoudt de salarisschaal die hij genoot als adjunct-algemeen directeur of adjunct-financieel directeur in zijn oorspronkelijke gemeente, zolang het salaris op basis daarvan gunstiger is dan het salaris dat hij zou genieten na de inschaling.]1

  
Art. 382/1. [1 Par dérogation à l'article 364, un directeur général adjoint sortant ou un directeur financier adjoint sortant d'une commune fusionnée, avec maintien de son ancienneté pécuniaire, peut être nommé à une fonction appropriée de niveau A dans :
   1° la nouvelle commune ;
   2° le centre public d'action sociale desservant la nouvelle commune ;
   3° une entité autonomisée de la nouvelle commune ;
   4° une association ou une société d'action sociale du centre public d'action sociale desservant la nouvelle commune ;
   5° un partenariat intercommunal visé à la partie 3, titre 3, dans lequel la nouvelle commune est une commune participante.
   Le directeur général adjoint sortant ou le directeur financier adjoint sortant est inséré dans l'échelle de traitement liée à la fonction appropriée. Il conserve l'échelle de traitement dont il jouissait en tant que directeur général adjoint ou directeur financier adjoint dans sa commune d'origine, et ce aussi longtemps que le traitement sur la base de cette échelle est plus avantageux que le traitement qu'il percevrait après l'insertion. ]1

  
Art. 383. De gemeenteraad stelt zo nodig overgangsbepalingen vast waarbij personeelsleden die in dienst zijn op persoonlijke titel hun bestaande regeling behouden, zolang die gunstiger is dan de overeenstemmende regeling in de nieuwe rechtspositieregeling.
Art. 383. Le conseil communal établit au besoin des dispositions transitoires afin d'assurer que des membres du personnel en service conservent un régime spécifique à titre personnel, aussi longtemps que celui-ci est plus avantageux que le règlement correspondant dans le nouveau statut.
Art. 384. De Vlaamse Regering kan, onder de voorwaarden die ze bepaalt, van de gemeenten die, met toepassing van artikel 345, over een gezamenlijk voorstel tot samenvoeging hebben beslist en dat voorstel hebben ingediend bij de Vlaamse Regering, schulden overnemen, binnen de grenzen van de Vlaamse begroting.
  Onder de schulden, vermeld in het eerste lid, worden verstaan de financiële schulden tegenover financiële instellingen van zowel de samen te voegen gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die hen bedienen als hun eventuele autonome gemeentebedrijven.
Art. 384. Le Gouvernement flamand peut, conformément aux conditions qu'il définit, reprendre les dettes des communes qui, en application de l'article 345, ont décidé d'une proposition commune de fusion et qui ont introduit ladite proposition auprès du Gouvernement flamand, dans les limites du budget flamand.
  Par dettes, visées à l'alinéa premier, il faut entendre les dettes financières à l'égard d'institutions financières des communes à fusionner, des centres publics d'aide sociale qui les desservent et de leurs éventuelles régies communales autonomes.
Art. 384/1. [1 In afwijking van artikel 149, vierde lid, 1А, worden aaneensluitende prestaties, geleverd van 1 januari tot en met 30 november in het laatste jaar van de eerste bestuursperiode van een nieuwe gemeente, voor de berekening van de uittredingsvergoeding beschouwd als een gepresteerd jaar.]1
  
Art. 384/1. [1 Par dérogation à l'article 149, alinéa 4, 1°, les prestations consécutives effectuées du 1er janvier au 30 novembre de la dernière année de la première législature d'une nouvelle commune sont considérées comme une année prestée pour le calcul de l'indemnité de sortie.]1
  
Art. 384/2. [1 In afwijking van artikel 122 en 149, vierde lid, 1°, worden aaneensluitende prestaties, geleverd van 1 januari tot en met 30 november in het laatste jaar van de eerste bestuursperiode van een district van een nieuwe gemeente, voor de berekening van de uittredingsvergoeding beschouwd als een gepresteerd jaar.]1
  
Art. 384/2. [1 Par dérogation aux articles 122 et 149, alinéa 4, 1°, les prestations consécutives effectuées du 1er janvier au 30 novembre de la dernière année de la première législature d'un district d'une nouvelle commune sont considérées comme une année prestée pour le calcul de l'indemnité de sortie.]1
  
TITEL 9. - Samenvoeging van gemeenten op initiatief van de Vlaamse Regering
TITRE 9. - Fusion de communes à l'initiative du Gouvernement flamand
Art. 385. § 1. Als een gemeente of een gedeelte van een gemeente met een andere gemeente op initiatief van de Vlaamse Regering samengevoegd wordt, worden de gemeenschappelijke belangen in onderlinge overeenstemming geregeld door de gemeenteraden in kwestie.
  Bij onenigheid tussen de gemeenteraden wordt het geschil door de Raad van State beslecht.
  Als er geschillen ontstaan over rechten die voortvloeien uit titels of bezit worden de gemeenten naar de hoven en rechtbanken verwezen.
  § 2. Als de toevoeging van een gemeente of van een gedeelte van een gemeente tot gevolg heeft dat het aantal raadsleden moet worden vermeerderd in de gemeente waarmee ze wordt verenigd, dan gelast de Vlaamse Regering dat de kiezers uit de samengevoegde gemeente worden bijeengeroepen. De eerste verkiezing van de gemeenteraad en, in voorkomend geval, van de districtsraden wordt georganiseerd met toepassing van artikel 218 en 219 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.
  § 3. Dit artikel is niet van toepassing op de gemeenten, vermeld in artikel 8 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 385. § 1er. Si une partie ou une partie de commune est fusionnée à l'initiative du Gouvernement flamand, les intérêts communaux sont organisés de commun accord par les conseils communaux concernés.
  En cas de dissentiment entre les conseils communaux, le différend est tranché par le Conseil d'Etat.
  En cas de différends relatifs aux droits résultant de titres ou de propriété, les communes sont renvoyées devant les cours et tribunaux.
  § 2. Si l'ajout d'une commune ou d'une partie de commune entraîne une augmentation du nombre de conseillers dans la commune à laquelle elle est réunie, le Gouvernement flamand enjoint que les électeurs de la commune fusionnée soient convoqués. La première élection du conseil communal et, le cas échéant, des conseils de district urbain, est organisée en application des articles 218 et 219 du Décret portant organisation des élections locales et provinciales du 8 juillet 2011.
  § 3. Le présent article ne s'applique pas aux communes visées à l'article 8 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
DEEL 3. - DEELNAME IN RECHTSPERSONEN EN SAMENWERKING
PARTIE 3. - PARTICIPATION AU SEIN DE PERSONNES MORALES ET COLLABORATION
TITEL 1. - Deelname van de gemeente in rechtspersonen
TITRE 1er. - Participation des communes au sein de personnes morales
Art. 386. § 1. Met behoud van de toepassing van titel 3 van dit deel, kunnen de gemeenten verenigingen, stichtingen en [1 sociale ondernemingen]1 oprichten, erin deelnemen of zich erin laten vertegenwoordigen als die verenigingen, stichtingen en [1 sociale ondernemingen]1 niet belast worden met de verwezenlijking van welbepaalde taken van gemeentelijk belang.
  Onder dezelfde voorwaarden kunnen de gemeenten een andere vennootschap als vermeld in het [1 Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1 oprichten, erin deelnemen of zich erin laten vertegenwoordigen als die vennootschap uitsluitend de realisatie van lokale pps-projecten als vermeld in [1 het decreet van 18 juli 2003]1 betreffende publiek-private samenwerking als doelstelling heeft.
  § 2. Met behoud van de toepassing van artikel 185 mag deze oprichting, deelname of vertegenwoordiging, vermeld in paragraaf 1, niet gepaard gaan met de overdracht van gemeentelijke infrastructuur, noch met de overdracht of terbeschikkingstelling van personeel.
  § 3. Gemeenten mogen niet rechtstreeks of onrechtstreeks rechtspersonen die niet belast zijn met welbepaalde taken van gemeentelijk belang oprichten, erin deelnemen of zich erin laten vertegenwoordigen, tenzij die rechtspersonen voldoen aan de voorschriften, vermeld in deze titel, of er voor die oprichting, deelname of vertegenwoordiging een andere decretale of wettelijke rechtsgrond bestaat.
  
Art. 386. § 1er. Sans préjudice de l'application du titre 3 de la présente section, les communes peuvent constituer des associations, des fondations et des [1 entreprises sociales]1, y participer ou s'y faire représenter si lesdites associations, fondations et [1 entreprises sociales]1 ne sont pas chargées de l'accomplissement de tâches spécifiques d'intérêt communal.
  Dans les mêmes conditions, les communes peuvent constituer, participer ou se faire représenter dans une autre société visée par le [1 Code des sociétés et des associations]1 si ladite société a pour seul objectif la réalisation de projets locaux de PPP visés par le décret du 18 juillet 2003 sur le partenariat public-privé.
  § 2. Sans préjudice de l'application de l'article 185, la constitution, la participation ou la représentation visées au paragraphe premier ne peuvent pas impliquer le transfert d'infrastructures communales ni le transfert ou la mise à disposition de personnel.
  § 3. Les communes ne peuvent constituer, participer ou représenter directement ou indirectement des personnes morales qui ne sont pas chargées de tâches spécifiques d'intérêt communal, à moins que ces personnes morales ne remplissent les conditions mentionnées au présent titre ou qu'il n'existe une autre base juridique pour ladite constitution, participation ou représentation.
  
TITEL 2. - Overeenkomsten tussen gemeenten
TITRE 2. - Accords entre communes
Art. 387. Met behoud van de toepassing van titel 3 van dit deel kunnen de gemeenten onderling overeenkomsten sluiten.
Art. 387. Sans préjudice de l'application du titre 3 de la présente section, les communes peuvent conclure des accords mutuels.
TITEL 3. - De intergemeentelijke samenwerking
TITRE 3. - Coopération intercommunale
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 388. Deze titel is van toepassing op:
  1° de samenwerkingsverbanden van gemeenten waarvan het gehele ambtsgebied binnen de grenzen van het Vlaamse Gewest valt;
  2° de samenwerkingsverbanden die krachtens het samenwerkingsakkoord van 13 februari 2014 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de gewestgrensoverschrijdende intercommunales onder het recht van het Vlaamse Gewest ressorteren.
Art. 388. Le présent titre s'applique :
  1° aux structures de coopération réunissant des communes dont le ressort est entièrement inscrit dans les limites de la Région flamande ;
  2° aux structures de coopération relevant du droit de la Région flamande en vertu de l'accord de coopération du 13 février 2014 entre la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif aux intercommunales interrégionales.
Art. 389. Met het oog op de gemeenschappelijke behartiging van doelstellingen van gemeentelijk belang kunnen twee of meer gemeenten, onder de voorwaarden, vermeld in deze titel, samenwerkingsverbanden tot stand brengen met of zonder rechtspersoonlijkheid, met of zonder beheersoverdracht.
  De gemeenteraad of een gemeenteraadscommissie waakt over de afstemming van het beleid van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden op het gemeentelijk beleid.
Art. 389. Afin de remplir ensemble des objets d'intérêt communal, deux ou plusieurs communes peuvent créer, aux conditions définies dans le présent décret, des structures de coopération dotées ou non de la personnalité civile et bénéficiant ou non d'un transfert de gestion.
  Le conseil communal ou une commission du conseil communal veille sur l'harmonisation de la politique des structures de coopération intercommunales avec la politique communale.
Art. 390. Overeenkomstig de ter zake geldende conventies en internationale overeenkomsten kunnen de gemeenten en de door hen krachtens deze titel gevormde samenwerkingsverbanden deelnemen in rechtspersonen van publiek recht die ingevolge die deelneming de staatsgrenzen overschrijden, ongeacht het rechtsstelsel waaraan die rechtspersonen onderworpen zijn.
Art. 390. Conformément aux conventions et aux traités internationaux applicables en la matière, les communes et les structures de coopération qu'elles ont créées en vertu du présent décret peuvent participer à des personnes morales de droit public dépassant les frontières nationales par suite de cette participation, nonobstant le système juridique auquel lesdites personnes morales sont assujetties.
Art. 391. Voor de berekening van alle termijnen, vermeld in deze titel, vormt de dag die volgt op die van de ontvangst van het document de aanvangsdatum, behalve in geval van andersluidende bepalingen.
Art. 391. Sauf dispositions contraires, tout délai commence à courir le jour qui suit celui de la réception de la pièce.
HOOFDSTUK 2. - Samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid
CHAPITRE 2. - Structures de coopération sans personnalité civile
Art. 392. Twee of meer gemeenten kunnen een samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid vormen om, zonder beheersoverdracht, [1 een welbepaalde doelstelling]1 van gemeentelijk belang te verwezenlijken.
  Met behoud van de toepassing van andersluidende decretale bepalingen kunnen andere rechtspersonen van publiek recht en privaat recht deelnemen aan de samenwerkingsverbanden, vermeld in het eerste lid.
  De samenwerkingsverbanden, vermeld in het eerste lid, heten interlokale verenigingen en ze voegen die term altijd toe aan hun naam.
  Als in een samenwerkingsverband, als vermeld in het eerste lid, andere overheden dan gemeenten deelnemen dan mag het zich, in afwijking van het derde lid, ook interbestuurlijk samenwerkingsverband noemen.
  
Art. 392. Deux ou plusieurs communes peuvent créer une structure de coopération sans personnalité civile afin de réaliser sans transfert de gestion [1 un objectif bien défini]1.
  Sans préjudice de dispositions décrétales contraires, d'autres personnes morales de droit public et privé peuvent y participer.
  Les structures de coopération en question sont dénommées associations interlocales. Elles devront ajouter ladite dénomination à leur raison sociale.
  Si des autorités autres que des communes participent à une structure de coopération visée au premier alinéa, elles peuvent également, par dérogation au troisième alinéa, se qualifier de structure de coopération inter-administrations.
  
Art. 393. Het samenwerkingsverband is gegrond op een overeenkomst met statutaire draagkracht die bepalingen bevat over de duur en de eventuele verlenging, de opzegmogelijkheid, de eventuele inbreng van de deelnemers [1 waaronder een eventuele inbreng in nijverheid]1 en de wijze waarop die inbreng wordt beheerd, de interne organisatie, de wederzijdse rechten en verplichtingen en de financiële repercussies, de informatieverstrekking aan de deelnemers en de jaarlijkse evaluatie door de gemeenteraden, de opmaak van de rekeningen en de bestemming van het resultaat, de financiële controle, de vereffening.
  
Art. 393. La structure de coopération est fondée sur une convention à portée statutaire qui comprend les dispositions relatives à la durée et à l'éventuelle reconduction, à la possibilité de résiliation, à l'éventuel apport des participants [1 , parmi lesquels un apport éventuel dans l'industrie]1 et aux modalités de gestion desdits apports, à l'organisation interne, aux droits et devoirs mutuels et aux répercussions financières, à l'information des participants et à l'évaluation annuelle par les conseils communaux, à l'établissement des comptes et à l'affectation du résultat, au contrôle financier, à la liquidation.
  
Art. 394. De overeenkomst, vermeld in artikel 393, kan bepalen dat een van de deelnemende gemeenten aangesteld wordt als beherende gemeente waar de zetel gevestigd wordt en die de interlokale vereniging vertegenwoordigt. De beherende gemeente kan eigen personeel inzetten ten behoeve van het samenwerkingsverband overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in die overeenkomst en onder voorbehoud dat de rechten van het personeel geëerbiedigd worden.
Art. 394. La convention visée à l'article 393 peut stipuler que l'une des communes participantes sera désignée commune gestionnaire, lieu du siège et représentante de l'association interlocale. La commune gestionnaire peut employer les membres de son personnel dans ladite structure de coopération, conformément aux conditions définies dans la convention et moyennant le respect des droits du personnel en question.
Art. 395. § 1. Een beheerscomité dat samengesteld is uit één afgevaardigde van elke deelnemer, overlegt over de wijze waarop de overeenkomst, vermeld in artikel 393, wordt uitgevoerd.
  Alleen natuurlijke personen kunnen afgevaardigde zijn van een deelnemer.
  De afgevaardigden voor de deelnemende gemeenten worden aangewezen onder de gemeenteraadsleden, de burgemeester en de schepenen.
  § 2. Het beheerscomité formuleert waar nodig adviezen ten behoeve van de beherende gemeente, stelt de rekeningen van de interlokale vereniging vast en legt ze ter goedkeuring voor aan de raden van de deelnemende gemeenten, waarvan de gewone meerderheid de goedkeuring verleent.
  § 3. Het beheerscomité legt de organisatie van zijn werkzaamheden vast in een huishoudelijk reglement dat bij de overeenkomst gevoegd wordt zonder dat het er deel van uitmaakt.
  § 4. Uitgezonderd de personen die het ambt van burgemeester of schepen waarnemen, kunnen de leden van het beheerscomité per bijgewoonde vergadering presentiegeld ontvangen dat gelijk is aan het hoogste bedrag dat uitkeerbaar is aan een gemeenteraadslid voor een gemeenteraadszitting in een van de deelnemende gemeenten.
Art. 395. § 1er. Un comité de gestion composé d'au moins un représentant par participant, est chargé de se concerter sur les modalités de mise en oeuvre de la convention visée à l'article 393.
  Seules les personnes physiques peuvent représenter un participant.
  Les représentants des communes participantes sont désignés parmi les conseillers communaux, le bourgmestre et les échevins.
  § 2. Le comité de gestion émet au besoin des avis à l'intention de la commune gestionnaire, établit les comptes de l'association interlocale et les soumet à l'approbation des conseils des communes participantes, laquelle est donnée par majorité simple.
  § 3. L'organisation des travaux du comité de gestion fera l'objet d'un règlement d'ordre intérieur qui sera joint à la convention sans en faire partie intégrante.
  § 4. A l'exception des personnes assumant la fonction de bourgmestre ou d'échevin, les membres du comité de gestion perçoivent des jetons de présence par réunion à laquelle ils assistent, qui seront l'équivalent de ceux versés à ses conseillers par la commune participante la plus rémunératrice.
HOOFDSTUK 3. - Samenwerkingsverbanden met rechtspersoonlijkheid
CHAPITRE 3. - Des structures de coopération dotées de la personnalité civile
Afdeling 1. - Principes
Section 1ère. - Des principes
Art. 396. § 1. Twee of meer gemeenten kunnen een samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid tot stand brengen om doelstellingen te verwezenlijken die behoren tot een of meer beleidsdomeinen.
  Met behoud van de toepassing van andersluidende decretale bepalingen kunnen, naast gemeenten, aan het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid uitsluitend autonome gemeentebedrijven, openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de publiekrechtelijke verenigingen ervan, andere samenwerkingsverbanden, gevormd krachtens deze titel, politiezones en hulpverleningszones deelnemen. [1 Daarnaast kan een Benelux Groepering voor Territoriale Samenwerking, opgericht in toepassing van het Benelux-Verdrag inzake grensoverschrijdende en interterritoriale samenwerking, gedaan te `s-Gravenhage op 20 februari 2014 deelnemen aan het voormelde samenwerkingsverband, indien die deelname strekt tot het mogelijk maken van een publieke dienstverlening en de deelname in overeenstemming is met het voormelde verdrag.]1
  De zetel van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid is altijd gevestigd op het grondgebied van een deelnemende gemeente in een gebouw dat toebehoort aan het samenwerkingsverband zelf of aan een deelnemende gemeente.
  § 2. Privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen in de volgende gevallen deelnemen aan een samenwerkingsverband als vermeld in paragraaf 1:
  1° het betreft een samenwerkingsverband met als enige doelstelling het realiseren van de opdrachten, vermeld in artikel 4.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de deelnemende privaatrechtelijke rechtspersoon is niet actief als energieleverancier of energieproducent als vermeld in artikel 1.1.3, 78° en 102°, van het voormelde decreet;
  2° het betreft een samenwerkingsverband met als enige doelstelling het realiseren van de opdrachten, vermeld in artikel 26, eerste lid, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringen en afvalstoffen;
  [3 3° het betreft een samenwerkingsverband met als enige doelstelling het oprichten en het beheren van een crematorium, vermeld in artikel 2, tweede lid, van het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging.]3
  [2 § 3. Het samenwerkingsverband sluit een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering af.]2
  
Art. 396. § 1er. Deux ou plusieurs communes peuvent créer une structure de coopération dotée de la personnalité civile afin de réaliser des objectifs qui relèvent d'un ou plusieurs domaines politiques.
  Sans préjudice de dispositions décrétales contraires, seuls sont autorisés à y participer, outre les communes et les provinces, les régies communales autonomes, les centres publics d'aide sociale et leurs associations de droit public, les autres structures de coopération créées suivant les dispositions du présent titre, les zones de police et les zones de secours. [1 En outre, un Groupement Benelux de coopération territoriale, créé en application de la Convention Benelux de Coopération transfrontalière et interterritoriale, fait à La Haye le 20 février 2014, peut participer à la structure de coopération précitée si cette participation vise à permettre la fourniture d'un service public et qu'elle est conforme à la convention précitée.]1
  Le siège de la structure de coopération dotée de la personnalité civile est toujours établi sur le territoire d'une commune participante, dans un immeuble appartenant à cette structure ou à une commune participante.
  § 2. Des personnes de droit privé peuvent participer à une structure de coopération telle que visée au paragraphe 1er, dans les cas suivants :
  1° il s'agit d'une structure de coopération aux seules fins de la réalisation des missions telles que visées à l'article 4.1.1 du décret sur l'Energie du 8 mai 2009, et la personne de droit privé participante n'est pas active en tant que fournisseur d'énergie ou producteur d'énergie tel que visé à l'article 1.1.3, 78° et 102°, du décret précité ;
  2° il s'agit d'une structure de coopération aux seules fins de la réalisation des missions telles que visées à l'article 26, alinéa 1er, du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets;
  [3 3° il s'agit d'une structure de coopération aux seules fins de la création et de la gestion d'un crématorium, visée à l'article 2, alinéa 2, du décret du 16 janvier 2004 sur les funérailles et sépultures.]3
  [2 § 3. La structure de coopération souscrit une assurance responsabilité des administrateurs.]2
  
Art. 397. Het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid is een publiekrechtelijke rechtspersoon met een rechtsvorm waarvan de kenmerken vastgesteld zijn krachtens de bepalingen van deze titel.
  [1 ...]1
  Voor alles wat niet uitdrukkelijk geregeld is in deze titel zijn op het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid de bepalingen van het [1 Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1 van toepassing die gelden voor de vennootschapsvorm van de coöperatieve vennootschap [1 ...]1.
  
Art. 397. Une structure de coopération dotée de la personnalité civile est une personne morale de droit public dont les caractéristiques sont déterminées par les dispositions du présent titre.
  [1 ...]1
  Pour tout ce qui n'est pas expressément organisé par le présent titre, la société dotée de la personnalité civile est soumise aux dispositions du [1 Code des sociétés et des associations]1 applicables à la forme sociale de la société coopérative [1 ...]1.
  
Art. 398. § 1. De gemeenten beslissen over de beheersoverdracht overeenkomstig de statuten van het samenwerkingsverband.
  In het eerste lid wordt verstaan onder beheersoverdracht: het toevertrouwen door de deelnemende gemeenten aan het samenwerkingsverband van de uitvoering van door hen genomen beslissingen in het kader van zijn doelstellingen, in die zin dat de deelnemende gemeenten zich het recht ontzeggen zelfstandig of samen met derden dezelfde opdracht uit te voeren.
  § 2. Een samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid kan bestaan in de volgende vier vormen:
  1° projectvereniging: een samenwerkingsverband zonder beheersoverdracht dat tot doel heeft een duidelijk omschreven project te plannen, uit te voeren en te controleren;
  2° dienstverlenende vereniging: een samenwerkingsverband zonder beheersoverdracht dat tot doel heeft een duidelijk omschreven ondersteunende dienst te verlenen aan de deelnemende gemeenten, eventueel voor verschillende beleidsdomeinen;
  3° opdrachthoudende vereniging: een samenwerkingsverband met beheersoverdracht waaraan de deelnemende gemeenten de uitvoering van een of meer duidelijk omschreven bevoegdheden met betrekking tot een of meer beleidsdomeinen toevertrouwen;
  4° opdrachthoudende vereniging met private deelname: een opdrachthoudende vereniging waarin privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen deelnemen overeenkomstig artikel 396, § 2.
  § 3. Met behoud van de toepassing van andersluidende decretale bepalingen kan een opdrachthoudende vereniging met private deelname niet deelnemen aan de overige verenigingen, vermeld in paragraaf 2.
  § 4. In wat volgt in deze titel wordt met het begrip `opdrachthoudende vereniging' zowel de opdrachthoudende vereniging als de opdrachthoudende vereniging met private deelname bedoeld, tenzij anders bepaald.
Art. 398. § 1er. Les communes décident du transfert de la gestion conformément aux statuts de la structure de coopération.
  A l'alinéa premier, on entend par transfert de gestion, l'attribution par les communes participantes à une structure de coopération de la mise en oeuvre des décisions qu'elles ont prises dans le cadre des objectifs de ladite structure, étant entendu que les communes participantes s'interdisent le droit d'accomplir la même mission seules ou avec le concours de tiers.
  § 2. Il existe quatre types de structures de coopération dotées de la personnalité civile :
  1° l'association de projet : structure de coopération privée du transfert de gestion, visant à assurer la planification, la mise en oeuvre et le contrôle d'un projet clairement défini ;
  2° l'association prestataire de services : structure de coopération privée du transfert de gestion, visant à assurer à l'usage des communes participantes un service auxiliaire clairement défini et relevant, le cas échéant, de plusieurs domaines d'action ;
  3° l'association chargée de mission : structure de coopération bénéficiant d'un transfert de gestion et à laquelle est confiée par les communes participantes la mise en oeuvre d'une ou de plusieurs de leurs attributions relevant d'un ou de plusieurs domaines d'activité connexes.
  4° l'association chargée de mission avec participation privée : une association chargée de mission à laquelle des personnes de droit privé peuvent participer en vertu de l'article 396, § 2.
  § 3. Sous réserve de l'application d'autres dispositions décrétales, une association chargée de mission avec participation privée ne peut participer aux autres associations visées au paragraphe 2.
  § 4. Dans la suite du présent titre, et sauf dispositions contraires, le concept " association chargée de mission " désigne à la fois l'association chargée de mission et l'association chargée de mission avec participation privée.
Art. 399. Artikel 276 is van toepassing op het intergemeentelijk samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid, vermeld in artikel 396, met dien verstande dat "de gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, het autonoom gemeentebedrijf en het gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm" wordt gelezen als "het intergemeentelijk samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid".
Art. 399. L'article 276 s'applique au partenariat intercommunal ayant la personnalité civile visé à l'article 396 étant entendu que " la commune, le centre public d'aide social, la régie communale autonome et l'agence autonomisée externe communale de droit privé " se lisent " le partenariat intercommunal ayant la personnalité civile ".
Art. 400. Artikel 301 is van toepassing op het intergemeentelijk samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid met dien verstande dat:
  1° "over de aangestelde en waarnemend algemeen directeur en de aangestelde en waarnemend financieel directeur van het lokaal bestuur en over de leidend ambtenaar van het autonoom gemeentebedrijf" wordt gelezen als "over de leidend ambtenaar van het intergemeentelijk samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid";
  2° "autonoom gemeentebedrijf" wordt gelezen als "intergemeentelijk samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid".
Art. 400. L'article 301 s'applique au partenariat communal ayant la personnalité civile, étant entendu que :
  1° " concernant le directeur général désigné et adjoint et le directeur financier désigné et adjoint de la commune ainsi que concernant le fonctionnaire dirigeant de la régie communale autonome " se lit " concernant le fonctionnaire dirigeant du partenariat communal ayant la personnalité civile " ;
  2° " régie communale autonome " se lit " partenariat communal ayant la personnalité civile ".
Afdeling 2. - Projectvereniging
Section 2. - Association de projet
Art. 401. De projectvereniging wordt opgericht voor een periode van ten hoogste zes jaar op grond van gemeenteraadsbeslissingen die daarover genomen zijn binnen een tijdsbestek van twee maanden.
  Tijdens de duur die is vastgesteld bij de oprichting van een projectvereniging, is geen uittreding mogelijk.
  De projectvereniging kan opeenvolgende keren verlengd worden voor een termijn die telkens niet langer mag zijn dan zes jaar, overeenkomstig de beslissingen die de deelnemende gemeenten ten gunste van de verlenging hebben genomen voor het verstrijken van de termijn. Bij gebrek aan instemming van alle betrokken gemeenten of bij het uitblijven van een of meer beslissingen wordt de projectvereniging ontbonden. De statuten bepalen de wijze van vereffening.
  Projectverenigingen kunnen niet worden opgericht in de loop van het jaar waarin verkiezingen voor een algehele vernieuwing van de gemeenteraden worden georganiseerd.
  In afwijking van het tweede lid kan een [1 nieuwe]1 gemeente [1 als vermeld in artikel 343, 2°,]1 waarin dezelfde activiteit van gemeentelijk belang als vermeld in artikel 389 aan verschillende projectverenigingen is toevertrouwd, beslissen om die activiteit, voor haar gehele grondgebied, toe te vertrouwen aan een daarvan, op voorwaarde dat een gewone meerderheid van de andere deelnemende gemeenten daarmee instemt. De gemeente die uittreedt, vergoedt de schade die haar uittreding berokkent aan de projectvereniging en aan de andere vennoten.
  [1 Een nieuwe gemeente kan onder de voorwaarden, vermeld in het vijfde lid, beslissen om uit te treden om de activiteiten voor haar hele grondgebied in eigen beheer te nemen.]1
  
Art. 401. L'association de projet est créée pour une période de maximum six ans, sur la base de décisions du conseil communal prises à cet égard dans un délai de deux mois.
  Pendant la durée fixée pour la constitution d'une association de projet, aucun retrait n'est possible.
  L'association de projet peut être prorogée successivement pour une période maximale de six ans à chaque fois, conformément aux décisions prises par les communes participantes en faveur de la prorogation avant l'expiration du délai. En l'absence d'approbation de toutes les communes concernées ou en l'absence d'une ou de plusieurs décisions, l'association du projet sera dissoute. Les statuts déterminent le mode de liquidation.
  Les associations de projet ne peuvent être constituées au cours de l'année où sont organisées des élections pour un renouvellement intégral des conseils communaux.
  Par dérogation au deuxième alinéa, une [1 nouvelle commune]1 [1 telle que visée à l'article 343, 2°,]1 dans laquelle la même activité d'intérêt communal que celle visée à l'article 389 a été confiée à différentes associations de projets peut décider de confier ladite activité, pour l'ensemble de son territoire, à l'une d'entre elles, sous réserve de l'accord de la majorité simple des autres communes participantes. La commune sortante verse une indemnité pour les dommages causés par son retrait à l'association de projet et aux autres associés.
  [1 Une nouvelle commune peut, dans les conditions prévues au cinquième alinéa, décider de se retirer afin de gérer en propre les activités pour l'ensemble de son territoire.]1
  
Art. 402. De projectvereniging wordt opgericht bij akte, verleden voor de burgemeester van de gemeente waar de zetel gevestigd wordt. Met behoud van de toepassing van de wettelijke bepalingen over de inbreng van onroerende goederen verkrijgt de oprichtingsakte geldigheid op de datum van de dagtekening ervan door de ondertekening van alle gemeenten en andere rechtspersonen die deelnemen aan de oprichting ervan.
  De oprichtingsakte omvat de statuten en wordt binnen een termijn van dertig dagen na de dagtekening ervan ter informatie aan de toezichthoudende overheid voorgelegd. De oprichtingsakte wordt integraal bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad en wordt terzelfder tijd ter inzage van eenieder neergelegd in de zetel van de projectvereniging.
Art. 402. L'association de projet est établie par acte notarié, passé devant le bourgmestre de la commune où est établi son siège social. Sans préjudice de l'application des dispositions légales régissant l'apport de biens immobiliers, l'acte constitutif prend effet à la date à laquelle il est établi par la signature de toutes les communes et autres personnes morales participant à sa création.
  L'acte constitutif comprend les statuts et est soumis pour information à l'autorité de tutelle dans un délai de trente jours à compter de sa date. L'acte constitutif est publié dans son intégralité aux annexes du Moniteur belge et est en même temps déposé au siège de l'association de projet pour consultation par le public.
Art. 403. De wijzigingen in de statuten en de aanvaarding van toetreding behoeven de instemming van de deelnemende gemeenten, overeenkomstig de procedure die in de statuten is bepaald.
Art. 403. Les modifications des statuts et l'acceptation de l'adhésion requièrent le consentement des communes participantes, conformément à la procédure prévue par les statuts.
Art. 404. § 1. De projectvereniging beschikt uitsluitend over een raad van bestuur.
  Alleen natuurlijke personen kunnen lid zijn van de raad van bestuur.
  De deelnemers benoemen de leden van de raad van bestuur rechtstreeks. Elke deelnemer heeft slechts één afgevaardigde in de raad van bestuur, naast de afgevaardigde met raadgevende stem, vermeld in paragraaf 3.
  Voor de gemeenten kunnen uitsluitend gemeenteraadsleden, burgemeesters of schepenen het mandaat als lid van de raad van bestuur vervullen.
  Het voorzitterschap van de raad van bestuur wordt altijd toevertrouwd aan een bestuurder die een gemeente aangewezen heeft.
  § 2. De raad van bestuur, waarin alle deelnemende gemeenten vertegenwoordigd zijn en waarin iedere bestuurder beschikt over één stem, heeft uitsluitend de bevoegdheid om beslissingen te nemen die hem expliciet door de deelnemers zijn opgedragen. De raad van bestuur is in elk geval bevoegd voor het personeelsbeleid. De raad van bestuur kan het dagelijks personeelsbeheer, de bevoegdheid voor het aanstellen en het ontslaan van het personeel, alsook de sanctie- en tuchtbevoegdheid ten aanzien van het personeel toevertrouwen aan het personeelslid dat aan het hoofd staat van het personeel van de projectvereniging.
  § 3. Iedere gemeente wijst een afgevaardigde aan die deelneemt aan de vergaderingen van de raad van bestuur als lid met raadgevende stem. Die afgevaardigden zijn altijd raadsleden in de betrokken gemeenten, verkozen op een lijst waarvan geen enkele verkozene deel uitmaakt van het college van burgemeester en schepenen.
  § 4. De werkingsmodaliteiten van de raad van bestuur worden vastgesteld in een bij de statuten gevoegd huishoudelijk reglement dat gewijzigd kan worden bij eenvoudige beslissing van de raad van bestuur. De afgevaardigden, vermeld in paragraaf 3, tellen niet mee voor de berekening van een eventueel aanwezigheidsquorum.
  § 5. De controle op de financiële toestand wordt toevertrouwd aan een accountant die benoemd is door de raad van bestuur.
  De raad van bestuur stelt de jaarrekeningen vast en legt ze, samen met een activiteitenverslag en het verslag van de accountant, voor aan de deelnemers die hun goedkeuring verlenen overeenkomstig de procedure bepaald in de statuten.
  § 6. Elke projectvereniging rapporteert aan de Vlaamse Regering over haar werking. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud, de periodiciteit en de wijze van rapportering. De rapportering heeft niet tot gevolg dat een termijn om toezicht uit te oefenen als vermeld in hoofdstuk 4 van deze titel een aanvang neemt.
Art. 404. § 1er. L'association de projet dispose exclusivement d'un conseil d'administration.
  Seules les personnes physiques peuvent être membres du conseil d'administration.
  Les participants désignent directement les membres du conseil d'administration. Chaque participant ne dispose que d'un seul délégué au sein du conseil d'administration, en plus du délégué disposant d'un vote consultatif visé au paragraphe 3.
  Pour les communes, seuls les conseillers communaux, les bourgmestre ou les échevins peuvent occuper le mandat de membre du conseil d'administration.
  La présidence du conseil d'administration est toujours confiée à un administrateur désigné par une commune.
  § 2. Le conseil d'administration, au sein duquel toutes les communes participantes sont représentées et chaque administrateur dispose d'une seule voix, a exclusivement le pouvoir de prendre des décisions qui lui est explicitement attribué par les participants. Le conseil d'administration est, en tout état de cause, compétent en matière de politique du personnel. Le conseil d'administration peut confier la gestion quotidienne du personnel, la compétence de nommer et de licencier le personnel, ainsi que la compétence de sanction et disciplinaire à l'égard du personnel au membre du personnel à la tête du personnel de l'association de projet.
  § 3. Chaque commune désigne un délégué qui participe aux réunions du conseil d'administration en tant que membre ayant voix consultative. Les délégués en question sont toujours des conseillers communaux des communes concernées, élus sur une liste dont aucun élu ne fait partie du collège des bourgmestre et échevins.
  § 4. Les modalités de fonctionnement du conseil d'administration sont fixées dans un règlement d'ordre intérieur joint aux statuts, qui peut être modifié par simple décision du conseil d'administration. Les délégués visés au paragraphe 3 n'entrent pas en ligne de compte pour le calcul d'un éventuel quorum de présences.
  § 5. Le contrôle de la situation financière est confié à un commissaire aux comptes nommés par le conseil d'administration.
  Le conseil d'administration établit les comptes annuels et les présente, avec un rapport d'activité et le rapport du commissaire aux comptes, aux participants qui marquent leur accord conformément à la procédure prévue dans les statuts.
  § 6. Chaque association de projet rend compte de son activité au Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand arrête le contenu, la périodicité et les modalités du compte rendu précité. Le compte rendu n'entraîne pas la prise d'effet d'un délai d'exercer une tutelle au sens du chapitre 4 du présent titre.
Art. 405. Met behoud van de toepassing van andere wettelijke of decretale bepalingen die van toepassing zijn op de bestuurders, bestaat er onverenigbaarheid tussen hun mandaat en de ambten, de functies of de mandaten, vermeld in artikel 436.
  De bestuurders zijn niet persoonlijk gebonden door de verbintenissen van de projectvereniging. Ze zijn overeenkomstig het gemeen recht verantwoordelijk voor de vervulling van de taak die aan hen opgedragen is en ze zijn aansprakelijk zonder hoofdelijkheid voor de tekortkomingen bij de normale uitoefening van hun bestuur.
  Artikel 439 is van toepassing op de bestuurders.
Art. 405. Sans préjudice de l'application de toute autre disposition légale ou décrétale applicable aux administrateurs, il existe une incompatibilité entre leur mandat et les mandats ou fonctions visés à l'article 436.
  Les administrateurs ne sont pas personnellement liés par les engagements de l'association de projet. Ils sont responsables, conformément au droit commun, de l'exécution de la tâche qui leur est confiée et sont responsables sans solidarité des manquements dans l'exercice normal de leur gestion.
  L'article 439 s'applique par analogie aux administrateurs.
Art. 406. De vergaderingen van de raad van bestuur zijn niet openbaar. De gedetailleerde notulen, waarbij het stemgedrag van de individuele leden en alle documenten waar in de notulen naar verwezen wordt, gevoegd zijn, liggen ter inzage van de gemeenteraadsleden op het secretariaat van de deelnemende gemeenten, met behoud van de decretale bepalingen over de openbaarheid van bestuur.
  Op verzoek van een raadslid vraagt het deelnemende bestuur aan de vereniging om de notulen en alle stukken waarnaar in de notulen wordt verwezen, elektronisch ter beschikking te stellen. De vereniging stelt de gevraagde stukken elektronisch ter beschikking aan het deelnemende bestuur en het deelnemende bestuur bezorgt ze aan het raadslid.
  Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van de raadsleden wegens schending van het beroepsgeheim, overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
Art. 406. Les réunions du conseil d'administration ne sont pas publiques. Les procès-verbaux détaillés, auxquels sont joints les votes des membres individuels ainsi que tous les documents mentionnés dans les procès-verbaux, peuvent être consultés par les conseillers communaux au secrétariat des communes participantes, sans préjudice des dispositions décrétales relatives à la publicité de l'administration.
  A la demande d'un conseiller, l'administration participante demande à l'association de mettre les procès-verbaux et tous les documents qu'ils mentionnent à sa disposition par voie électronique. L'association met les documents demandés à la disposition de l'administration participante par voie électronique, et celle-ci les remet au conseiller.
  Le présent article s'entend sans préjudice de la possibilité d'engager des poursuites pénales à l'encontre des conseillers pour violation du secret professionnel, conformément à l'article 458 du Code pénal.
Art. 407. De duur en de wijze van beëindiging van het mandaat van bestuurder worden statutair bepaald. Alle bestuurders zijn van rechtswege ontslagnemend bij verlies van hun openbaar mandaat, uitgezonderd in geval van de algehele vernieuwing van de gemeenteraden. In dat geval wijzen de deelnemende gemeenten in de loop van de maand januari die volgt op het jaar van de verkiezingen tot algehele vernieuwing van de gemeenteraden, de nieuwe bestuurders aan. Zij treden aan op 1 februari daaropvolgend. Eventueel worden nog bestuurders door de andere deelnemers aangewezen in de loop van de maand die volgt op de installatie van hun eigen raden.
Art. 407. La durée du mandat d'administrateur et les modalités de cessation de ses fonctions sont fixées par les statuts. Tous les administrateurs sont automatiquement destitués en cas de perte de leur mandat public, sauf dans le cas du renouvellement intégral des conseils communaux. Dans ce cas, les communes participantes nomment les nouveaux administrateurs au cours du mois de janvier qui suit l'année du renouvellement intégral des conseils communaux. Ils entrent en fonction le 1er février suivant. Les autres participants peuvent également nommer des administrateurs au cours du mois qui suivent la mise en place de leur propre conseil.
Art. 408. Om geldig te beraadslagen en te beslissen is een aanwezigheidsquorum vastgesteld op de gewone meerderheid van het aantal bestuurders, zowel in het geheel als in de groep van de bestuurders die de gemeenten hebben aangewezen. Van dat aanwezigheidsquorum kan statutair worden afgeweken voor een tweede vergadering die volgt op een onvoldoende samengestelde eerdere vergadering, en op voorwaarde dat het gaat om punten die voor de tweede keer op de agenda voorkomen.
  Deze bepaling geldt niet voor de voorstellen tot statutenwijziging en aanvaarding van toetredingen.
  De meerderheid die vereist is voor de beslissingen is altijd de gewone meerderheid die bereikt moet worden, zowel in het geheel als in de groep van de bestuurders die de gemeenten benoemd hebben.
Art. 408. Pour délibérer valablement et se prononcer, le quorum de présence a été fixé à la majorité simple du nombre d'administrateurs, tant dans l'ensemble qu'au sein du groupe d'administrateurs désignés par les communes. Il peut être dérogé au quorum précité, conformément aux statuts, pour une deuxième réunion à la suite d'une réunion antérieure insuffisamment constituée, et à condition qu'il s'agisse de points inscrits pour la deuxième fois à l'ordre du jour.
  La présente disposition ne s'applique pas aux propositions de modification des statuts et d'adhésion.
  La majorité requise pour les décisions est toujours la majorité simple qui doit être atteinte, tant dans l'ensemble qu'au sein du groupe d'administrateurs désignés par les communes.
Art. 409. De leden van de raad van bestuur kunnen per bijgewoonde vergadering een presentiegeld ontvangen dat ten hoogste gelijk is aan het hoogste bedrag dat uitkeerbaar is aan een gemeenteraadslid voor een gemeenteraadszitting in een van de deelnemende gemeenten.
Art. 409. Les membres du conseil d'administration peuvent recevoir, pour chaque réunion à laquelle ils assistent, des jetons de présence qui seront l'équivalent de ceux versés à ses conseillers pour une séance du conseil communal par la commune participante la plus rémunératrice.
Art. 410. Het is niet verplicht om een maatschappelijk kapitaal te vormen.
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  Immateriële inbrengen ter vertegenwoordiging van vermogensbestanddelen die niet naar economische maatstaven kunnen worden gewaardeerd, en inbrengen in natura, worden gewaardeerd op grond van een verslag van de accountant en worden vertegenwoordigd door respectievelijk winstbewijzen en aandelen waarvan de waarde en de rechten statutair zijn bepaald.
  De deelnemers kunnen uitsluitend worden vergoed voor hun inbreng en zijn alleen aansprakelijk voor hun inbreng.
  Bij de statuten wordt een register gevoegd waarop iedere deelnemer is vermeld met aanduiding van de aandelen en winstbewijzen die aan hem zijn toegekend.
  
Art. 410. La constitution d'un capital social n'est pas obligatoire.
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  Les apports incorporels représentant des éléments d'actif qui ne peuvent être évalués selon les normes économiques ; les apports en nature sont évalués sur la base d'un rapport du commissaire aux comptes et sont représentés par des titres participatifs et des actions dont la valeur et les droits sont définis par les statuts.
  Les participants ne peuvent être rémunérés que pour leur contribution et ne sont responsables que de leur contribution.
  Les statuts sont accompagnés d'un registre mentionnant chaque participant et précisant les actions et titres de participation qui lui sont attribués.
  
Art. 411. De boekhouding wordt gevoerd overeenkomstig de wetgeving op de boekhouding van de ondernemingen en met naleving van de richtlijnen die de overheid uitvaardigt voor de boekhoudkundige verrichtingen.
  [1 ...]1.
  Een projectvereniging kan er ook voor kiezen om de regels van de beleids- en beheerscyclus toe te passen, zoals die gelden voor de autonome gemeentebedrijven. [1 In dat geval is het eerste lid]1 niet van toepassing op die projectvereniging, maar bezorgt ze haar jaarrekening en de digitale rapportering van de gegevens ervan aan de Vlaamse overheid. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden voor de toepassing van dit lid.
  
Art. 411. La comptabilité est tenue conformément à la législation relative à la comptabilité des entreprises et dans le respect des directives émises par l'autorité en matière d'opérations comptables.
  [1 ...]1.
  Une association de projet peut également choisir d'appliquer les règles relatives au planning et à la gestion financière telles qu'elles s'appliquent aux régies communales autonomes. [1 Dans ce cas, l'alinéa 1er ne s'applique pas]1 à l'association de projet en question, mais fournissent ses comptes annuels et le compte rendu numérique des données de ceux-ci à l'autorité flamande. Le Gouvernement flamand définit les conditions d'application du présent alinéa ;
  
Art. 412. De projectvereniging kan gemachtigd worden om in eigen naam en voor eigen rekening tot onteigening over te gaan.
Art. 412. L'association de projet peut être habilitée à procéder à des expropriations en son nom et pour son compte propres.
Afdeling 3. - Dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen
Section 3. - Associations prestataires de services et chargées de mission
Onderafdeling 1. - Voorbereidende fase
Sous-section 1ère. - Phase préparatoire
Art. 413. De gemeenten die de oprichting van een dienstverlenende of een opdrachthoudende vereniging overwegen, beslissen via hun gemeenteraad vooraf een overlegorgaan op te richten om de samenwerkingsmogelijkheden en voorwaarden te bestuderen voor een of meer welbepaalde beleidsdomeinen. Terzelfder tijd wijzen ze een lid van het college van burgemeester en schepenen aan die zitting zal hebben in het overlegorgaan en leggen ze eventueel een begrotingskrediet vast om de voorbereidende fase te financieren.
  Uitsluitend gemeenten maken deel uit van het overlegorgaan. Dat overlegorgaan bezit geen rechtspersoonlijkheid en kan geen verbintenissen aangaan ten laste van de op te richten dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging.
  De openbare centra voor maatschappelijk welzijn kunnen een waarnemer die is aangewezen door hun raden, de vergaderingen van het overlegorgaan laten bijwonen, als de doelstelling ook tot hun belangensfeer behoort.
Art. 413. Les communes qui envisagent la création d'une association prestataire de services ou chargée de mission décident préalablement, via leur conseil communal, de créer un organe de concertation en vue d'étudier les possibilités et conditions de partenariat pour un ou plusieurs domaines de politiques définis. Elles désignent simultanément un membre du collège du bourgmestre et échevins qui siégera dans l'organe de concertation et fixent éventuellement un crédit budgétaire afin de financer la phase préparatoire.
  Seules les communes font partie de l'organe de concertation. L'organe de concertation en question ne possède pas la personnalité juridique et ne peut prendre des engagements à la charge de l'association prestataire de services et chargée de mission.
  Les centres publics d'aide sociale peuvent faire assister aux réunions de l'organe de concertation un observateur désigner par leurs conseils si son objet relève aussi de leur domaine d'intérêt.
Art. 414. Het overlegorgaan, vermeld in artikel 413, organiseert autonoom zijn werkzaamheden.
  Onder voorbehoud van artikel 419 beschikt dat overlegorgaan over een periode van maximaal één jaar, die ingaat op zijn installatievergadering, om zijn studieopdracht te vervullen.
  Als het resultaat van de studieopdracht positief is ten opzichte van de mogelijke oprichting van een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging, stelt dat overlegorgaan aan de deelnemende gemeenten een bundel ter beschikking waarin de volgende documenten opgenomen zijn:
  1° een grondige motiveringsnota;
  2° een bestuursplan met een omschrijving van de maatschappelijke opdrachten en de daaraan verbonden wijze van dienstverlening, en met een beschrijving van de bestuurlijke organisatie van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging;
  3° een ondernemingsplan voor een periode van zes jaar, met een omschrijving van de bedrijfsopdrachten, de financiële structuur en de in te zetten middelen, en de controlemogelijkheden op de uitvoering;
  4° een ontwerp van de statuten.
  De documenten, vermeld in het derde lid, vormen de basis van de uitwerking van het samenwerkingsconcept.
Art. 414. L'organe de concertation mentionné à l'article 413 organise ses activités de manière autonome.
  Sous réserve de l'article 419, l'organe de concertation en question dispose d'un délai maximal d'un an, à compter de sa réunion d'installation, pour accomplir sa mission d'étude.
  Si le résultat de la mission d'étude est positif en ce qui concerne la création éventuelle d'une association prestataire de services et chargée de mission, l'organe de consultation fournit aux communes participantes un ensemble de documents contenant :
  1° une note de motivation détaillée ;
  2° un plan de gestion avec description des tâches sociales et des modalités de prestation de services correspondantes, et description de l'organisation administrative de l'association prestataire de services et chargée de mission ;
  3° un plan d'entreprise couvrant une période de six ans, comprenant une description des missions, la structure financière et les moyens à mettre en oeuvre, ainsi que les possibilités de contrôle de l'exécution ;
  4° un projet de statuts ;
  Les documents mentionnés au troisième alinéa constituent la base de l'élaboration du concept de partenariat.
Art. 415. De gemeenten zijn niet gebonden door hun deelneming in het overlegorgaan, vermeld in artikel 413. Ze spreken zich uit over de documenten die hun worden voorgelegd. Ofwel beslissen ze af te zien van deelneming in de eventuele oprichting van een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging, ofwel gaan ze akkoord met het voorstel, al of niet op voorwaarde dat wijzigingen in dat voorstel worden aangebracht.
  De beslissingen van de gemeenten worden voorgelegd aan dat overlegorgaan, dat daarover in consensus beslist. De vertegenwoordigers van de afhakende gemeenten nemen niet deel aan die besluitvorming.
  [1 Het definitieve voorstel wordt op straffe van nietigheid voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt. De Vlaamse Regering verleent een niet-bindend advies aan het overlegorgaan binnen zestig dagen vanaf de dag na de dag waarop het definitieve voorstel aan de Vlaamse Regering is verzonden. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt geacht aan de adviesplicht te zijn voldaan.]1
  [1 Het definitieve voorstel wordt samen met het advies, vermeld in het derde lid, aan de overblijvende gemeenten voorgelegd. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt dat vermeld op het definitieve voorstel van het overlegorgaan. De gemeenten kunnen het voorstel alleen goedkeuren of afkeuren.]1
  De gemeenteraadsbeslissingen houdende de oprichting van een overlegorgaan als vermeld in artikel 413 en betreffende de voorstellen van dat overlegorgaan worden ter informatie meegedeeld aan de toezichthoudende overheid.
  
Art. 415. Les communes ne sont pas liées par leur participation à l'organe de concertation visé à l'article 413. Elles se prononcent sur les documents qui leur sont soumis. Soit elles décident de ne pas participer à la création éventuelle d'une association prestataire de services et chargée de mission, soit elles acceptent la proposition, selon que des modifications sont ou ne sont pas apportées à la proposition.
   Les décisions des communes sont présentées à l'organe de concertation en question, qui décide par consensus. Les délégués des communes qui se retirent ne participent pas au processus décisionnel précité.
  [1 La proposition finale est soumise à l'avis du Gouvernement flamand sous peine de nullité, de la manière déterminée par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand émet un avis non contraignant à l'intention de l'organe de concertation dans les 60 jours à compter du lendemain du jour où la proposition finale a été envoyée au Gouvernement flamand. En l'absence d'avis dans le délai imparti, l'obligation d'avis est censée être remplie.]1
  [1 La proposition finale est soumise aux communes restantes, accompagnée de l'avis mentionné à l'alinéa 3. Si aucun avis n'a été reçu dans le délai imparti, il sera indiqué sur la proposition finale de l'organe de concertation. Les communes ne peuvent qu'approuver ou rejeter la proposition.]1
   Les décisions du conseil communal concernant la création d'un organe de concertation tel que visé à l'article 413 et les propositions dudit organe de concertation sont communiquées pour information à l'autorité de tutelle.
  
Onderafdeling 2. - Oprichting, toetreding, duur, verlenging, ontbinding
Sous-section 2. - Constitution, adhésion, durée, prorogation, dissolution
Art. 416. De gemeenten die overeenkomstig artikel 415 hun instemming hebben betuigd met het definitieve voorstel van het overlegorgaan, vermeld in artikel 413, kunnen, zonder daartoe verplicht te zijn, uiterlijk binnen drie maanden die volgen op de laatste beslissing tot goedkeuring, en onder voorbehoud van artikel 419, een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging oprichten.
  Het oprichtingsdossier omvat alle gemeenteraadsbeslissingen die voor de oprichting, vermeld in het eerste lid, worden genomen, alsook de bijbehorende documenten waaronder het bestuursplan en het ondernemingsplan. Het oprichtingsdossier wordt bij de oprichtingsakte gevoegd.
Art. 416. Les communes qui ont exprimé leur accord sur la proposition définitive de l'organe de concertation visé à l'article 413 conformément à l'article 415 peuvent, sans y être obligées, créer une association prestataire de services ou chargée de mission au plus tard dans les trois mois suivant la dernière décision d'approbation et sous réserve des dispositions de l'article 419.
  Le dossier de constitution comprend toutes les décisions du conseil communal prises avant la constitution visées au premier alinéa, ainsi que les documents correspondants, y compris le plan de gestion et le plan d'affaires. Le dossier de constitution est joint à l'acte de constitution.
Art. 417. Als, naast gemeenten, aan de oprichting van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging wordt deelgenomen door een of meer besturen als vermeld in artikel 396, omvat het oprichtingsdossier de beslissing van het orgaan dat daartoe bevoegd is. Voor een deelnemende dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging is dat altijd de algemene vergadering. Voor een deelnemende projectvereniging is dat de raad van bestuur. Voor een deelnemend openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is dat de raad voor maatschappelijk welzijn.
Art. 417. Si, outre les communes, une ou plusieurs autorités visées à l'article 396 participent à l'établissement de l'association prestataire de services ou chargée de mission, le dossier de constitution comprend la décision de l'organe compétent. Pour une association prestataire de services ou chargée de mission participante, il s'agit toujours de l'assemblée générale. Pour une association de projet participante, il s'agit du conseil d'administration. Pour un centre public daction sociale, il s'agit du conseil d'aide sociale.
Art. 418. De dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging wordt opgericht bij akte, verleden voor de burgemeester van de gemeente waar de zetel gevestigd wordt. Met behoud van de toepassing van de wettelijke bepalingen over de inbreng van onroerende goederen [1 ...]1 verkrijgt de oprichtingsakte geldigheid op de datum van de dagtekening ervan door de ondertekening door de vertegenwoordigers van alle gemeenten en andere rechtspersonen die aan de oprichting deelnemen.
  Door de oprichting, vermeld in het eerste lid, wordt het overlegorgaan, vermeld in artikel 413, ambtshalve ontbonden.
  [1 De oprichtingsakte omvat de statuten en alle eventuele bijlagen.]1
  [1 Na afloop van de toezichtstermijn, vermeld in artikel 332, wordt de oprichtingsakte integraal bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad en samen]1 met het volledige oprichtingsdossier, ter inzage van eenieder gelijktijdig neergelegd in de zetel van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging [1 ...]1. Afschriften van de oprichtingsakte liggen ter inzage op de secretarie in de gemeentehuizen van alle deelnemende gemeenten.
  
Art. 418. L'association prestataire de services ou chargée de mission est constituée par acte passé devant le bourgmestre de la commune dans laquelle son siège est établi. Tout en préservant l'application des dispositions légales relatives à l'apport de biens immobiliers [1 ...]1 l'acte constitutif acquiert sa validité à sa datation par la signature des représentants de toutes les communes et autres personnes morales qui participent à la constitution.
   A la suite de la constitution mentionnée à l'alinéa premier, l'organe de concertation visé à l'article 413 est dissous d'office.
  [1 L'acte constitutif comprend les statuts et toutes les annexes éventuelles.]1
   [1 A l'expiration de la période de contrôle visée à l'article 332, l'acte constitutif est publié intégralement aux annexes du Moniteur belge et est déposé simultanément avec]1 le dossier constitutif complet, à la disposition de tous, au siège de l'association prestataire de services ou chargée de mission ainsi [1 ...]1. Des copies de l'acte constitutif peuvent être consultées au secrétariat des maisons communales de toutes les communes participantes.
  
Art. 419. De dienstverlenende of opdrachthoudende verenigingen kunnen niet worden opgericht in de loop van het jaar waarin verkiezingen voor een algehele vernieuwing van de gemeenteraden worden georganiseerd. De oprichting vindt in voorkomend geval plaats in de loop van de zes daaropvolgende maanden en het overlegorgaan, vermeld in artikel 413, blijft zolang in functie. De leden van dat overlegorgaan verliezen van rechtswege hun mandaat en hun vervangers worden aangewezen op de eerste raadszitting die volgt op de installatievergadering van de nieuwe gemeenteraad.
Art. 419. Les associations prestataires de services ou chargées de mission ne peuvent pas être constituées dans le courant de l'année au cours de laquelle sont organisées des élections pour un renouvellement complet des conseils communaux. La constitution aura lieu, le cas échéant, dans le courant des six mois qui suivent, et l'organe de concertation visé à l'article 413 demeurera d'autant en fonction. Les membres dudit organe de concertation perdent de plein droit leur mandat et leurs suppléants sont désignés lors de la première réunion du conseil suivant la réunion d'installation du nouveau conseil communal.
Art. 420. De toetreding van een gemeente of de uitbreiding van haar aansluiting bij een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging is afhankelijk van een beslissing van de gemeenteraad die daarvoor wordt genomen op basis van een onderzoek, in voorkomend geval op basis van een vergelijkend onderzoek als er zich verschillende beheersvormen reëel aanbieden.
  [1 Bij de toetreding tot een opdrachthoudende vereniging kan de gemeenteraad beslissen niet aan te sluiten voor specifieke activiteiten of opdrachten. In voorkomend geval wordt deze beslissing vermeld in de beslissing tot toetreding. Bij het ontbreken van een dergelijke beslissing wordt de gemeente geacht aangesloten te zijn voor alle activiteiten en opdrachten van de vereniging.
   Bij de uitbreiding van het doelstellingenkader van de opdrachthoudende vereniging kan de gemeenteraad beslissen om niet aan te sluiten voor de nieuwe activiteiten en opdrachten. In voorkomend geval wordt deze beslissing vermeld in de beslissing over de goedkeuring van de statutenwijziging tot uitbreiding van het doelstellingenkader. Bij het ontbreken van een dergelijke beslissing wordt de gemeente geacht aangesloten te zijn voor alle activiteiten en opdrachten van de vereniging.]1

  De toetredingsbeslissing van een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging wordt genomen door de algemene vergadering. De toetredingsbeslissing van een projectvereniging wordt genomen door de raad van bestuur.
  Alle toetredingen worden aanvaard door de algemene vergadering van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging.
  
Art. 420. L'adhésion d'une commune ou l'élargissement de son adhésion à une association prestataire de services ou chargée de mission dépend d'une décision du conseil communal, prise sur la base d'une enquête, le cas échéant sur la base d'une étude comparative si différentes formes de gestion se présentent réellement.
  [1 Lors de l'adhésion à une association chargée de mission, le conseil communal peut décider de ne pas adhérer pour des activités ou des missions spécifiques. Le cas échéant, cette décision est mentionnée dans la décision d'adhésion. En l'absence d'une telle décision, la commune est réputée adhérer à toutes les activités et missions de l'association.
   Lors de l'élargissement du cadre d'objectifs de l'association chargée de mission, le conseil communal peut décider de ne pas adhérer pour les nouvelles activités ou missions. Le cas échéant, cette décision est mentionnée dans la décision d'approbation de la modification des statuts élargissant le cadre d'objectifs. En l'absence d'une telle décision, la commune est réputée adhérer à toutes les activités et missions de l'association.]1

  La décision d'adhésion d'une association prestataire de services ou chargée de mission est prise par l'assemblée générale. La décision d'adhésion d'une association de projet est prise par le conseil d'administration.
  Toutes les adhésions sont acceptées par l'assemblée générale de l'association prestataire de services ou chargée de mission.
  
Art. 421. De verbodsbepaling, vermeld in artikel 419, over de periode van oprichting van een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging geldt voor iedere toetredingsbeslissing op grond van het voorgaande artikel.
  Aan een toetreding of uitbreiding van aansluiting kan geen terugwerkende kracht worden verleend.
Art. 421. La clause d'interdiction mentionnée à l'article 419 concernant la période de constitution d'une association prestataire de services ou chargée de mission s'applique à toute décision d'adhésion en vertu de l'article précédent.
  Aucun effet rétroactif ne peut être accordé à une adhésion ou à un élargissement d'adhésion.
Art. 422. [1 Tijdens de duur die bij de oprichting van een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging is vastgesteld en die, onder voorbehoud van artikel 424, niet meer mag bedragen dan achttien jaar, is een beslissing tot [2 gehele of gedeeltelijke]2 uittreding van een deelnemer alleen mogelijk als drie vierde van het aantal deelnemende gemeenten vóór de algemene vergadering waarop over de uittreding wordt beslist, daarmee instemt. Voor die beslissing is een drievierdemeerderheid van het aantal stemmen vereist van het geheel van de geldig uitgebrachte stemmen en van de geldig uitgebrachte stemmen van de vertegenwoordigde gemeenten. De deelnemer die uittreedt, vergoedt de schade die zijn uittreding berokkent aan de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging en aan de andere deelnemers.]1 [2 In het geval van een gedeeltelijke uittreding vermeldt de desbetreffende beslissing de activiteiten of opdrachten waarvoor de deelnemer beslist om uit te treden.]2
  Binnen de opdrachthoudende verenigingen die overeenkomstig artikel 4.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, zijn aangewezen als distributienetbeheerder of die een opdracht hebben verkregen die een onderdeel vormt van het beheer van de waterketen zoals bedoeld in het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, is uittreding ten gevolge van een gebiedsuitwisseling evenwel mogelijk als de gemeente en de betrokken opdrachthoudende verenigingen daarmee instemmen en afspraken hebben over de modaliteiten voor de uitvoering ervan.
  Een deelnemer kan door de algemene vergadering worden uitgesloten op de wijze die is bepaald in de statuten wegens behoorlijk vastgestelde niet-naleving van de verbintenissen ten opzichte van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging.
  In afwijking van het eerste lid kan een [1 nieuwe]1 gemeente [1 als vermeld in artikel 343, 2°,]1 waarin dezelfde activiteit van gemeentelijk belang als vermeld in artikel 389 aan verschillende dienstverlenende of opdrachthoudende verenigingen is toevertrouwd, beslissen om die activiteit, voor haar gehele grondgebied, toe te vertrouwen aan één daarvan, op voorwaarde dat een gewone meerderheid van de andere deelnemende gemeenten daarmee instemt. De gemeente die uittreedt, vergoedt de schade die haar uittreding berokkent aan de dienstverlenende of opdrachthoudende verenigingen en aan de andere vennoten.
  [1 Een nieuwe gemeente kan onder de voorwaarden, vermeld in het vierde lid, beslissen om volledig of gedeeltelijk uit te treden om de activiteiten voor haar hele grondgebied in eigen beheer te nemen.]1
  
Art. 422. [1 Pendant la durée qui a été fixée lors de la constitution d'une association prestataire de services ou chargée de mission et qui, sous réserve de l'article 424, ne peut pas dépasser dix-huit ans, la décision de retrait [2 total ou partiel]2 d'un participant n'est possible que si les trois quarts des communes participantes y consentent avant l'assemblée générale au cours de laquelle il sera statué sur le retrait. Cette décision requiert une majorité des trois quarts des voix valablement exprimées et des voix valablement exprimées par les communes représentées. Le participant qui se retire répare tout dommage causé par son retrait à l'association prestataire de services ou chargée de mission et aux autres participants.]1 [2 Dans le cas d'un retrait partiel, la décision en question mentionne les activités ou les missions desquelles le participant décide de se retirer.]2
  Au sein des associations chargées de mission qui, conformément à l'article 4.1.1 du Décret énergie du 8 mai 2009, ont été désignées comme gestionnaire de réseau de distribution ou qui ont reçu une mission constituant une partie de la gestion de la chaîne d'eau telle que visée dans le décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine, une sortie consécutive à un changement de territoire est toutefois possible si la commune et les associations chargées de mission concernées l'acceptent et ont des accords sur les modalités de son exécution.
  Un participant peut être exclu par l'assemblée générale de la manière déterminée dans les statuts pour cause de non-respect, dûment constaté, des engagements envers l'association prestataire de services ou chargée de mission.
  Par dérogation à l'alinéa premier, une [1 nouvelle commune]1 [1 telle que visée à l'article 343, 2°,]1 dans laquelle la même activité d'intérêt général telle que visée à l'article 389 est confiée à différentes associations prestataires de services ou chargées de mission, peut décider de confier ladite activité, pour l'ensemble de son territoire, à une seule d'entre elles, à condition d'obtenir l'accord de la majorité simple des autres communes participantes. La commune sortante indemnisera le dommage causé par sa sortie aux associations prestataires de services ou chargées de mission ainsi qu'aux autres associés.
  [1 Une nouvelle commune peut, dans les conditions prévues au quatrième alinéa, décider de se retirer entièrement ou partiellement afin de gérer en propre les activités pour l'ensemble de son territoire.]1
  
Art. 423. [1 Na afloop van de statutair bepaalde duur of in geval van enige vorm van herstructurering, zoals bedoeld in boek 12 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, in een periode van drie jaren voorafgaand aan de statutair bepaalde einddatum, kan de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging opeenvolgende keren verlengd worden voor een termijn die telkens niet langer mag zijn dan achttien jaar]1.
  Op verzoek van de gewone meerderheid van het totale aantal deelnemers en op voorwaarde dat het verzoek gedragen wordt door een drievierdemeerderheid van het aantal deelnemende gemeenten, [1 kan de laatste algemene vergadering voor het verstrijken van de duur of, in het geval van enige vorm van herstructurering zoals bedoeld in boek 12 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, de algemene vergadering die over de herstructurering beslist]1, tot de verlenging beslissen met een drievierdemeerderheid van het aantal stemmen. De gemeenteraadsbeslissingen die daarvoor worden genomen, worden bij het verslag van de algemene vergadering gevoegd en zijn gebaseerd op een onderzoek, in voorkomend geval op basis van een vergelijkend onderzoek als er zich verschillende beheersvormen reëel aanbieden.
  Uiterlijk negentig dagen voor de algemene vergadering die beslist over de verlenging wordt de agenda door de raad van bestuur aan alle deelnemers toegezonden.
  De deelnemers die niet willen verlengen, kunnen daartoe niet verplicht worden en houden op deel uit te maken van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging op het einde van het jaar waarin de algemene vergadering tot de verlenging heeft beslist. Vooraf leggen ze hun beslissing daartoe voor, die wordt gevoegd bij het verslag van de algemene vergadering. Ze leven de door hen aangegane contractuele verbintenissen na, maar zijn voor het overige geen schadevergoeding verschuldigd. Artikel 425, vierde en vijfde lid, zijn op hen van toepassing.
  Deelnemers die nalaten over de verlenging te beslissen of hun beslissing mee te delen, worden geacht verder deel uit te maken van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging.
  
Art. 423. [1 Au terme de la durée déterminée statutairement, ou en cas de toute forme de restructuration, telle que visée au livre 12 du Code des sociétés et des associations, au cours d'une période de trois ans précédant la date de fin déterminée statutairement, l'association prestataire de services ou chargée de mission peut être successivement prolongée par un délai qui ne pourra pas dépasser dix-huit ans à chaque fois.]1
  A la demande de la majorité simple du nombre total de participants et à condition que la demande soit portée par une majorité des trois quarts du nombre de communes participantes, [1 la dernière assemblée générale avant l'expiration de la durée, ou dans le cas de toute forme de restructuration, telle que visée au livre 12 du Code des sociétés et des associations, l'assemblée générale qui décide de la restructuration,]1 pourra décider de la prolongation à la majorité des trois quarts du nombre de voix. Les décisions des conseils communaux prises à ce sujet seront jointes au procès-verbal de l'assemblée générale et seront basées sur une enquête, le cas échéant sur une étude comparative si différentes formes de gestion se présentent réellement.
  Le conseil d'administration enverra l'ordre du jour à tous les participants au plus tard nonante jours avant l'assemblée générale se prononçant sur la prolongation.
  Les participants opposés à une prolongation ne peuvent pas y être contraints et cessent de faire partie de l'association prestataire de services ou chargée de mission à la fin de l'année au cours de laquelle l'assemblée générale a décidé de la prolongation. Ils exposeront au préalable leur décision qui sera jointe au procès-verbal de l'assemblée générale. Ils respecteront les engagements contractuels qu'ils ont pris, mais ne seront redevables pour le reste d'aucune indemnité de dédommagement. Ils sont soumis à l'application de l'article 425, quatrième et cinquième aliénas.
  Les participants qui ne se prononcent pas sur la prolongation ou omettent de communiquer leur décision seront supposés continuer de faire partie de l'association prestataire de services ou chargée de mission.
  
Art. 424. Als de duur van een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging verstrijkt in de loop van het jaar waarin de verkiezingen voor een algehele vernieuwing van de gemeenteraden worden georganiseerd, wordt over de verlenging pas beslist in het daaropvolgende jaar, zowel door de betrokken gemeenteraden als door de eerste algemene vergadering in de loop van dat jaar. Zolang wordt de oorspronkelijke duur verlengd.
Art. 424. Si le délai d'une association prestataire de services ou chargée de mission arrive à échéance dans le courant de l'année durant laquelle sont organisées des élections pour un renouvellement complet des conseils communaux, la décision relative à la prolongation ne sera prise que l'année suivante, tant par les conseils communaux concernés que par la première assemblée générale dans le courant de cette année-là. La durée initiale sera prolongée d'autant.
Art. 424/1. [1 Artikel 185/1 is van toepassing bij de overdracht van personeel.]1
  
Art. 424/1. [1 L'article 185/1 s'applique au transfert de personnel.]1
  
Art. 425. Op verzoek van drie vierde van het aantal deelnemende gemeenten en aan de hand van de gemeenteraadsbeslissingen die daarvoor worden genomen, kan de algemene vergadering met een drievierdemeerderheid van het aantal stemmen tot de vervroegde ontbinding van een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging beslissen.
  Bij ontbinding krachtens het eerste lid of als de statutair bepaalde duur verstrijkt en niet verlengd wordt, wijst de algemene vergadering die de ontbinding vaststelt, de vereffenaars aan op dezelfde wijze als bepaald is voor de bestuurders. Een beperkt college van vereffenaars kan samengesteld worden. Het totaal aantal leden van dat college bedraagt ten hoogste een derde van dat van de raad van bestuur. De meerderheid komt telkens toe aan de leden die op voordracht van de deelnemende gemeenten zijn benoemd. Alle andere organen vervallen op het ogenblik van ontbinding.
  Het voltallige personeel van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging wordt overgenomen, hetzij door de deelnemers, hetzij eventueel door de overnemers van de activiteit, in verhouding tot de kapitaalinbreng of overeenkomstig de onderling bereikte akkoorden, en zonder dat de personeelsleden door die plicht tot overname gebonden zijn.
  De nieuwe werkgever waarborgt de rechten die de vereniging op het ogenblik van haar ontbinding, hetzij statutair, hetzij contractueel voor de werknemers vastgesteld had. Het personeel dat door een gemeente overgenomen wordt, komt, met behoud van zijn geldelijke rechten, terecht in een overgangskader dat uitdovend is.
  De gemeenten hebben een recht van voorkeur bij de overname van de installaties die op hun grondgebied liggen.
Art. 425. A la demande de trois quarts des communes participantes et sur la base des décisions des conseils communaux prises en ce sens, l'assemblée générale peut décider, à une majorité de trois quarts des voix, la dissolution anticipée d'une association prestataire de services ou chargée de mission.
  En cas de dissolution en vertu de l'alinéa premier ou si la durée fixée statutairement arrive à échéance et n'est pas prolongée, l'assemblée générale qui constate la dissolution désignera les liquidateurs de la même manière que celle arrêtée pour les administrateurs. Un collège limité de liquidateurs peut être composé. Le nombre total de membres de ce collège s'élève tout au plus à un tiers de celui du conseil d'administration. La majorité reviendra toujours aux membres nommés pour le compte des communes participantes. Tous les autres organes arrivent à échéance au moment de la dissolution.
  L'ensemble du personnel de l'association prestataire de services ou chargée de mission sera repris, soit par les participants, soit éventuellement par les repreneurs de l'activité, proportionnellement à l'apport de capitaux ou conformément aux accords conclus mutuellement, et sans que les membres du personnel ne soient liés par ladite obligation de reprise.
  Le nouvel employeur garantira les droits établis par l'association pour les salariés au moment de sa dissolution, soit statutairement soit contractuellement. Le personnel qui est repris par une commune se retrouve dans un cadre transitoire extinctif, avec maintien de ses droits pécuniaires.
  Les communes ont un droit de préférence lors de la reprise des installations qui se trouvent sur leur territoire.
Onderafdeling 3. - Statuten en statutenwijzigingen
Sous-section 3. - Statuts et modifications des statuts
Art. 426. De statuten van de dienstverlenende of opdrachthoudende verenigingen vermelden ten minste:
  1° de naam en eventueel de afkorting;
  2° [2 het voorwerp en de maatschappelijke doelstellingen van gemeentelijk belang, die duidelijk en beperkend omschreven zijn]2;
  3° de maatschappelijke zetel;
  4° de duur en de wijze van de verlenging;
  5° [2 de nauwkeurige aanduiding van de deelnemers, hun inbreng, hun verbintenissen en de activiteiten en opdrachten waarvoor elke deelnemer aangesloten is]2;
  6° de samenstelling, de vergaderwijze en de bevoegdheden van alle organen van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging;
  7° de wijze waarop de rekeningen zijn opgemaakt en het resultaat is verdeeld;
  8° de wijze van toetreding, ontbinding en vereffening;
  9° de wijze van uitsluiting van een deelnemer;
  10° de wijze en periodiciteit van noodzakelijke informatiedoorstroming tussen de organen van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging onderling, naar de deelnemers en eventueel naar belanghebbende derden toe.
  
Art. 426. Les statuts des association prestataires de services ou chargées de mission mentionneront au moins :
  1° le nom et éventuellement l'abréviation ;
  2° [2 l'objet et les objectifs sociaux d'intérêt communal, décrits de manière claire et restrictive]2 ;
  3° le siège social ;
  4° la durée et le mode de prolongation ;
  5° [2 la désignation précise des participants, leur apport et leurs engagements et les activités et missions auxquelles chaque participant adhère]2 ;
  6° la composition, les modalités de réunion et les pouvoirs de tous les organes de l'association prestataire de services ou chargée de mission ;
  7° les modalités d'établissement des comptes et de partage du résultat ;
  8° les modalités d'adhésion, dissolution et liquidation ;
  9° les modalités d'exclusion d'un participant ;
  10° les modalités et la périodicité de la nécessaire communication mutuelle d'informations entre les organes de l'association prestataire de services ou chargée de mission, à l'attention des participants et éventuellement aux tiers qui sont partie prenante.
  
Art. 427. De wijzigingen in de statuten en in de bijlagen worden artikelsgewijs aangebracht door de algemene vergadering met een drievierdemeerderheid, zowel voor het geheel van de geldig uitgebrachte stemmen, als voor de geldig uitgebrachte stemmen van de vertegenwoordigde gemeenten, en op voorwaarde dat de gewone meerderheid van het aantal deelnemende gemeenten haar instemming betuigt.
  [1 De raad van bestuur legt het ontwerp van statutenwijziging uiterlijk honderdvijftig dagen voor de algemene vergadering die de statutenwijzigingen beoordeelt, op straffe van nietigheid voor advies voor aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt. De Vlaamse Regering verleent een niet-bindend advies aan de raad van bestuur binnen zestig dagen vanaf de dag na de dag waarop het ontwerp van statutenwijziging aan de Vlaamse Regering is verzonden. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt geacht aan de adviesplicht te zijn voldaan.]1
  Uiterlijk negentig dagen voor de algemene vergadering die de statutenwijzigingen moet beoordelen, wordt een door de raad van bestuur opgesteld ontwerp aan alle deelnemers voorgelegd. [1 Dat ontwerp wordt samen met het advies, vermeld in het tweede lid, voorgelegd. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt dat vermeld op het ontwerp van statutenwijziging.]1 De beslissingen daarover van hun raden die de oorspronkelijke statuten hebben goedgekeurd, bepalen het mandaat van de respectieve vertegenwoordigers op de algemene vergadering en worden bij het verslag gevoegd.
  De deelnemers die nalaten binnen de gestelde termijn een beslissing te nemen en voor te leggen, worden geacht zich te onthouden. De onthouding bepaalt het mandaat van hun vertegenwoordiger op de algemene vergadering.
  
Art. 427. Les modifications des statuts et des annexes seront apportées article par article par l'assemblée générale à la majorité des trois quarts, tant pour l'ensemble des voix valablement exprimées, que pour les voix valablement exprimées des communes représentées, et à la condition que la majorité simple du nombre de communes participantes marque son assentiment.
  [1 Le conseil d'administration soumet le projet de modification des statuts à l'avis du Gouvernement flamand de la manière déterminée par celui-ci, au plus tard cent cinquante jours avant l'assemblée générale qui évalue les modifications des statuts, à peine de nullité. Le Gouvernement flamand rend un avis non contraignant au conseil d'administration dans les soixante jours à compter du lendemain du jour où le projet de modification des statuts a été transmis au Gouvernement flamand. En l'absence d'avis dans le délai imparti, l'obligation d'avis est censée être remplie.]1
   Un projet établi par le conseil d'administration sera présenté à tous les participants au plus tard nonante jours avant l'assemblée générale qui doit se pencher sur les modifications statutaires. [1 Ce projet est présenté accompagné de l'avis mentionné à l'alinéa 2. En l'absence d'avis dans le délai imparti, il en est fait mention dans le projet de modification de statuts.]1 Les décisions à ce sujet de leurs conseils qui ont approuvé les statuts initiaux déterminent le mandat des représentants respectifs à l'assemblée générale et sont jointes au procès-verbal.
   Les participants qui ne prennent pas et ne présentent pas de décision dans le délai imparti seront supposés s'abstenir. L'abstention détermine le mandat de leur représentant à l'assemblée générale.
  
Art. 429. De statutenwijzigingen worden op dezelfde wijze als de oprichtingsakte neergelegd en bekendgemaakt.
  [1 Na afloop van de toezichtstermijn, vermeld in artikel 332, wordt een volledig gecoördineerde tekst van de statuten neergelegd in de zetel van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging en in de gemeentehuizen van elke deelnemende gemeente.]1
  
Art. 429. Les modifications statutaires sont déposées et publiées selon les mêmes modalités que l'acte constitutif.
  [1 A l'expiration de la période de contrôle visée à l'article 332, un texte entièrement coordonné des statuts est déposé au siège de l'association de prestation de service ou de l'association chargée de mission et dans les maisons communales de chaque commune participante.]1
  
Art. 430. [1 De statutenwijzigingen zijn uitvoerbaar op de datum van de ondertekening door de vertegenwoordigers van alle gemeenten en andere rechtspersonen die aan de vereniging deelnemen.]1 Er kan geen terugwerkende kracht aan verbonden worden die verder reikt dan 1 januari van het boekjaar waarin de algemene vergadering de wijzigingen heeft aangebracht.
  Er kunnen geen statutenwijzigingen aan de deelnemers worden voorgelegd in de loop van het jaar waarin verkiezingen voor een algehele vernieuwing van de gemeenteraden worden georganiseerd, tenzij overeenkomstig een wettelijke of reglementaire verplichting of om het aantal mandaten binnen het intergemeentelijk samenwerkingsverband te verminderen.
  
Art. 430. [1 Les modifications statutaires sont exécutoires à la date de leur signature par les représentants de toutes les communes et autres personnes morales participant à l'association.]1 Elles ne peuvent être assortie d'aucun effet rétroactif allant au-delà du 1er janvier de l'exercice au cours duquel l'assemblée générale a apporté les modifications.
  Aucune modification statutaire ne peut être présentée aux participants dans le courant de l'année durant laquelle sont organisées des élections pour le renouvellement complet des conseils communaux, à moins que cela ne se fasse conformément à une obligation légale ou réglementaire ou pour réduire le nombre de mandats au sein du partenariat intercommunal.
  
Onderafdeling 4. - Structuur
Sous-section 4. - Structure
Art. 431. De dienstverlenende en de opdrachthoudende vereniging beschikken ten minste over een algemene vergadering en een raad van bestuur.
  Met uitzondering van de algemene vergadering kunnen alleen natuurlijke personen lid zijn van de organen van de dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen.
Art. 431. L'association prestataire de services et chargée de mission disposera au moins d'une assemblée générale et d'un conseil d'administration.
  Exception faite de l'assemblée générale, seules des personnes physiques peuvent être membres des organes des associations prestataire de services et chargées de mission.
Art. 432. De algemene vergadering is samengesteld uit de vertegenwoordigers van de deelnemers. Voor de gemeenten worden ze rechtstreeks aangewezen door de gemeenteraden uit hun leden, en voor de overige deelnemers door de organen die, krachtens de wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen, bevoegd zijn tot deelneming of toetreding te beslissen.
  Het aantal leden dat elke gemeente kan afvaardigen om te zetelen in de algemene vergadering wordt bepaald door twee criteria: de bevolkingscijfers en de kapitaalinbreng. De verdeelsleutel tussen beide criteria wordt statutair bepaald.
  De vaststelling van het mandaat van de vertegenwoordiger wordt herhaald voor elke algemene vergadering.
  Met behoud van de toepassing van andersluidende bepalingen in deze titel, wordt de agenda van de algemene vergadering die de raad van bestuur vaststelt uiterlijk dertig dagen voor haar zitting, naar alle deelnemers verstuurd. De zittingen van de algemene vergadering zijn openbaar.
  Het aantal stemmen waarover iedere deelnemer in de algemene vergadering beschikt, wordt statutair bepaald, waarbij:
  1° de deelnemende gemeenten altijd over de meerderheid van de stemmen beschikken;
  2° de deelnemende privaatrechtelijke rechtspersonen samen over niet meer dan 25% van het totale aantal statutair bepaalde stemmen kunnen beschikken. Met behoud van de toepassing van het voorgaande, kunnen in de statuten bepalingen ter bescherming van minderheden worden opgenomen.
  Afgezien van de jaarvergadering, vermeld in artikel 454, wordt nog minstens één buitengewone algemene vergadering belegd in de loop van het laatste trimester van elk jaar, om de te ontwikkelen activiteiten en de te volgen strategie voor het volgende boekjaar te bespreken. Een door de raad van bestuur opgestelde begroting staat op de agenda van die vergadering.
Art. 432. L'assemblée générale se compose des représentants des participants. En ce qui concerne les communes, ils sont directement désignés par les conseils communaux parmi leurs membres, et pour les autres participants, par les organes qui, en vertu des dispositions légales, réglementaires ou statutaires, sont habilités à prendre des décisions en matière de participation ou adhésion.
  Le nombre de membres que chaque commune peut déléguer afin de siéger à l'assemblée générale est déterminé par deux critères : les chiffres de la population et l'apport de capitaux. La clé de répartition entre les deux critères est déterminée statutairement.
  Le constat du mandat de représentant est répété avant chaque assemblée générale.
  Tout en préservant l'application de dispositions contraires dans le présent titre, l'ordre du jour de l'assemblée générale établi par le conseil d'administration sera envoyé à tous les participants au plus tard trente jours avant sa tenue. Les séances de l'assemblée générale sont publiques.
  Le nombre de voix dont chaque participant à l'assemblée générale dispose est fixé statutairement, sachant que :
  1° les communes participantes disposeront toujours de la majorité des voix ;
  2° les personnes morales de droit privé ne pourront pas disposer ensemble de plus de 25 % du nombre total de voix fixé statutairement. Tout en préservant l'application de ce qui précède, des dispositions visant à protéger des minorités peuvent être intégrées dans les statuts.
  Indépendamment de la réunion annuelle, mentionnée à l'article 454, il sera organisé au moins une assemblée générale extraordinaire dans le courant du dernier trimestre de chaque année, afin de discuter des activités à développer et de la stratégie à appliquer pour l'exercice suivant. Un budget établi par le conseil d'administration figurera à l'ordre du jour de ladite assemblée.
Art. 433. Voor de toepassing van deze titel worden de autonome gemeentebedrijven gelijkgesteld met de gemeenten als het gaat om de hoedanigheid, de onverenigbaarheden en de informatieplicht van de door hen te benoemen of voor te dragen mandatarissen, de aanwezigheids- en stemmingsvereisten en het voorzitterschap van de verschillende organen.
Art. 433. Pour l'application du présent titre, les régies communales autonomes sont assimilées aux communes en matière de qualité, d'incompatibilités et de devoir d'information des mandataires qu'elles doivent désigner ou présenter, d'exigences de présence et de vote ainsi que de présidence des différents organes.
Art. 434. § 1. In de dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen worden de leden van de raad van bestuur, bij geheime stemming, benoemd door de algemene vergadering.
  Het aantal leden van de raad van bestuur bedraagt maximaal vijftien.
  Als op 1 mei 2017 het aantal leden van de raad van bestuur evenwel minder dan vijftien bedroeg, geldt dat aantal als maximum aantal leden.
  In afwijking van het derde lid geldt, in geval van een significante wijziging in het werkingsgebied van de opdrachthoudende of dienstverlenende vereniging of in het geval de opdrachthoudende of dienstverlenende vereniging betrokken is bij een fusie met andere opdrachthoudende of dienstverlenende verenigingen, het maximum aantal leden van het tweede lid.
  Maximaal twee derden van de leden is van hetzelfde geslacht.
  § 2. De leden van de raad van bestuur worden benoemd op voordracht van de deelnemers.
  Als de deelnemende gemeenten kandidaat-bestuurders voordragen die geen lid zijn van een gemeenteraad of van een districtsraad van een van de deelnemende gemeenten, maar van wie de deskundigheid over de statutair bepaalde doelstellingen manifest aantoonbaar is, wordt die voordracht uitdrukkelijk gemotiveerd. In dat geval is de onverenigbaarheid van het mandaat van bestuurder met de functie van werknemer van een deelnemend openbaar bestuur, vermeld in artikel 436, eerste lid, 8°, niet van toepassing.
  De algemene vergadering kan op voordracht van de raad van bestuur, onafhankelijke bestuurders aanstellen als stemgerechtigde leden van de raad van bestuur.
  § 3. De raad van bestuur stelt de vereisten vast waaraan kandidaten voor het mandaat van onafhankelijk bestuurder moeten voldoen op het vlak van bekwaamheden, kennis en ervaring. Hij doet een open oproep tot kandidaatstelling voor een mandaat van onafhankelijk bestuurder. De oproep bevat een weergave van de vereisten waaraan kandidaten moeten voldoen en regelt de wijze van kandidaatstelling, waarbij minstens een curriculum vitae wordt voorgelegd. De raad van bestuur vergelijkt de verdiensten van de kandidaten.
  De algemene vergadering stelt een onafhankelijk bestuurder aan op voordracht van de raad van bestuur, op grond van:
  - deskundigheid inzake het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband;
  - specifieke deskundigheid inzake de inhoudelijke materie en de beleidsvelden waarin het samenwerkingsverband actief is;
  - onafhankelijkheid ten aanzien van de deelgenoten en het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband.
  In geval van ernstige redenen kunnen de onafhankelijke bestuurders te allen tijde worden ontslagen door de algemene vergadering, op voordracht van de raad van bestuur.
  § 4. Niemand kan gelijktijdig mandaten uitoefenen in de uitvoerende organen van meer dan drie dienstverlenende of opdrachthoudende verenigingen.
  § 5. De algemene vergadering stelt een code van goed bestuur vast.
  De code van goed bestuur wordt meegedeeld aan de toezichthoudende overheid.
Art. 434. § 1er. Au sein des associations prestataires de services et chargées de mission, les membres du conseil d'administration sont nommés, par scrutin secret, par l'assemblée générale.
  Le conseil d'administration est composé de tout au plus quinze membres.
  Toutefois, si le 1er mai 2017, le nombre de membres du conseil d'administration était inférieur à quinze, ce nombre est considéré comme le nombre maximum de membres.
  Par dérogation au troisième alinéa, en cas de changement significatif de la zone d'action de l'association prestataire de services ou chargée de mission ou si l'association prestataire de services ou chargée de mission est impliquée dans une fusion avec d'autres associations prestataires de services ou chargées de mission, le nombre maximum de membres applicable est celui du deuxième alinéa.
  Deux tiers des membres tout au plus seront du même sexe.
  § 2. Les membres du conseil d'administration sont nommés sur proposition des participants.
  Si les communes participantes proposent des candidats administrateurs qui ne sont pas membres d'un conseil communal ou d'un conseil de district de l'une des communes participantes, mais dont on peut manifestement apporter la preuve de leur expertise concernant les objectifs fixés statutairement, ladite proposition sera expressément motivée. Dans ce cas, l'incompatibilité du mandat d'administrateur avec la fonction de salarié d'une administration publique participante, visée à l'article 436, alinéa premier, 8°, n'est pas d'application.
  L'assemblée générale peut, sur proposition du conseil d'administration, désigner des administrateurs indépendants comme membres ayant voix délibérative au sein du conseil d'administration.
  § 3. Le conseil d'administration détermine les exigences auxquelles les candidats au mandat d'administrateur indépendant doivent satisfaire en termes de compétences, de connaissances et d'expérience. Il lancera un appel public à candidatures pour un mandat d'administrateur indépendant. L'appel contiendra une reproduction des exigences auxquelles les candidats doivent satisfaire et règlera les modalités des candidatures, sachant qu'il y a lieu de présenter au moins un curriculum vitj. Le conseil d'administration compare les mérites des candidats.
  L'assemblée générale désigne un administrateur indépendant sur proposition du conseil d'administration sur les bases suivantes :
  - expertise en matière d'administration générale du partenariat ;
  - expertise spécifique concernant la matière et les domaines politiques dans lesquels le partenariat est actif ;
  - indépendance envers les associés et la gestion journalière du partenariat.
  Les administrateurs indépendants peuvent être démis à tout moment par l'assemblée générale pour motifs graves, sur proposition du conseil d'administration.
  § 4. Personne ne peut exercer simultanément des mandats au sein des organes exécutifs de plus de trois associations prestataires de services ou chargées de mission.
  § 5. L'assemblée générale déterminera un code de bonne gouvernance.
  Le code de bonne gouvernance sera communiqué à l'autorité de contrôle.
Art. 435. De samenstelling en voordrachtregeling van de raad van bestuur wordt in iedere dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging statutair geregeld, met precieze aanduiding van het aantal leden, benoemd overeenkomstig artikel 434.
  Het aantal bestuurders dat op voordracht van de andere deelnemers is benoemd, mag nooit meer bedragen dan een vierde van het aantal bestuurders dat [1 louter ]1 op voordracht van de deelnemende gemeenten benoemd is.
  Iedere bestuurder die op die manier is benoemd, beschikt over één stem.
  De bestuurders, benoemd op voordracht van de gemeenten, kunnen zich laten bijstaan door deskundigen die na gezamenlijk overleg worden voorgedragen door de gemeente waar de zetel gevestigd is, en die worden benoemd door de gemeentelijke vertegenwoordigers op de algemene vergadering. De deskundigen maken geen deel uit van de raad van bestuur, maar ze kunnen de vergaderingen van alle organen bijwonen en alle documenten opvragen.
  De vergoeding van de bestuurders is ten laste van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging.
  
Art. 435. La composition et les dispositions en matière de proposition du conseil d'administration sont réglées au sein de chaque association prestataire de services ou chargée de mission, avec indication précise du nombre de membres, nommés conformément à l'article 434.
  Le nombre d'administrateurs nommés [1 exclusivement ]1 sur proposition des autres participants ne peut jamais dépasser un quart du nombre d'administrateurs nommés sur proposition des communes participantes.
  Chaque administrateur nommé de cette manière dispose d'une voix.
  Les administrateurs, nommés sur proposition des communes, peuvent se faire assister par des experts proposés de commun accord par la commune dans laquelle le siège se trouve, et qui sont nommés par les représentants communaux à l'assemblée générale. Les experts ne font pas partie du conseil d'administration, mais ils peuvent participer aux réunions de tous les organes et demander tous les documents.
  La rémunération des administrateurs est à la charge de l'association prestataire de services ou chargée de mission.
  
Art. 436. Met behoud van de toepassing van andere wettelijke of decretale bepalingen die van toepassing zijn op de mandaten in een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging, bestaat er een onverenigbaarheid tussen het mandaat van bestuurder en de volgende ambten, functies of mandaten:
  1° lid van een regering, zowel op federaal niveau als op niveau van de gewesten en gemeenschappen;
  2° lid van een wetgevende vergadering, zowel op federaal niveau als op niveau van de gewesten en gemeenschappen;
  3° lid van het Europees Parlement en van de Europese Commissie;
  4° provinciegouverneur of adjunct van de gouverneur van Vlaams-Brabant;
  5° arrondissementscommissaris of adjunct-arrondissementscommissaris;
  6° provinciegriffier;
  7° lid van een bestuurs- of controleorgaan in of werknemer van een privaatrechtelijke rechtspersoon die activiteiten uitoefent in dezelfde beleidsdomeinen als de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging;
  8° met behoud van de toepassing van artikel 434, § 2, tweede lid, werknemer van een deelnemend openbaar bestuur, of van een administratie die is belast met hetzij de uitoefening van het gewoon toezicht op de lokale besturen, hetzij de uitoefening van een specifiek toezicht op grond van de doelstellingen van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging.
  In afwijking van het eerste lid bestaat er geen onverenigbaarheid tussen het mandaat van bestuurder van een opdrachthoudende vereniging met private deelname en de volgende functies of mandaten: een lid van een bestuurs- of controleorgaan in of een werknemer van een privaatrechtelijke rechtspersoon die deelnemer is in dezelfde opdrachthoudende vereniging met private deelname.
Art. 436. Tout en préservant l'application d'autres dispositions légales ou décrétales qui sont d'application aux mandats au sein d'une association prestataire de services ou chargée de mission, il existe une incompatibilité entre le mandat d'administrateur et les postes, fonctions ou mandat suivants :
  1° membre d'un gouvernement, tant au niveau fédéral qu'au niveau des régions et communautés ;
  2° membre d'une assemblée législative, tant au niveau fédéral qu'au niveau des régions et communautés ;
  3° membre du Parlement européen et de la Commission européenne ;
  4° gouverneur de province ou adjoint au gouverneur du Brabant flamand ;
  5° commissaire d'arrondissement ou commissaire-adjoint d'arrondissement ;
  6° greffier provincial ;
  7° membre d'un organe directeur ou de contrôle d'une personne morale de droit privé ou salarié de celle-ci, qui exerce des activités dans les mêmes domaines de politique que l'association prestataire de services ou chargée de mission ;
  8° tout en préservant l'application de l'article 434, § 2, deuxième alinéa, salarié d'une administration publique participante, ou d'une administration qui est soit chargée de l'exercice de la surveillance ordinaire des administrations locales, soit chargée de l'exercice d'une surveillance spécifique sur la base des objectifs de l'association prestataire de services ou chargée de mission.
  Par dérogation à l'alinéa premier, il n'existe pas d'incompatibilité entre le mandat d'administrateur d'une association chargée de mission avec participation privée et les fonctions ou mandats suivants : un membre d'un organe de direction ou de contrôle d'une personne morale de droit privé ou salarié de celle-ci, qui participe à la même association chargée de mission avec participation privée.
Art. 437. De raad van bestuur waaraan beslissingsrecht is toegekend, is bevoegd voor alles wat niet uitdrukkelijk overeenkomstig deze titel of krachtens de statuten voorbehouden is aan een ander orgaan.
  De raad van bestuur vertegenwoordigt de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging tegenover derden en in rechte als eiser of als verweerder.
Art. 437. Le conseil d'administration auquel un droit de décision est accordé est compétent pour toutes les matières qui ne sont pas réservées expressément à un autre organe conformément au présent titre ou en vertu des statuts.
  Le conseil d'administration représente l'association prestataire de services ou chargée de mission envers les tiers et en droit comme requérant ou défendeur.
Art. 438. De bestuurders zijn niet persoonlijk gebonden door de verbintenissen van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging. De bestuurders zijn overeenkomstig het gemeen recht verantwoordelijk voor de vervulling van de taak die hun is opgedragen en zijn aansprakelijk zonder hoofdelijkheid voor de tekortkomingen bij de normale uitoefening van hun bestuur.
Art. 438. Les administrateurs ne sont pas personnellement liés par les engagements de l'association prestataire de services ou chargée de mission. Les administrateurs sont responsables, conformément au droit commun, de l'accomplissement de la tâche qui leur est dévolue et sont responsables non solidairement des manquements dans l'exercice normal de leur administration.
Art. 439. Ten aanzien van de bestuurders zijn een aantal onverenigbaarheden bepaald.
  Een bestuurder mag niet:
  1° aanwezig zijn bij een beraadslaging of besluit over zaken waarbij hij een rechtstreeks belang heeft, of waarbij zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Dit verbod strekt niet verder dan de bloed- en aanverwanten tot de tweede graad als het gaat om de voordracht van kandidaten, benoemingen, afzettingen en schorsingen;
  2° rechtstreeks of onrechtstreeks deelnemen aan overeenkomsten die met de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging zijn gesloten;
  3° als advocaat, notaris of zaakwaarnemer optreden in rechtsgedingen tegen de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging. Het is hem verboden, in dezelfde hoedanigheid ten behoeve van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging te pleiten, raad te geven of op te treden in enige betwisting, tenzij dat kosteloos gebeurt;
  4° optreden als raadsman van een personeelslid in tuchtzaken.
Art. 439. Les administrateurs sont soumis à un certain nombre d'incompatibilités.
  Un administrateur ne peut pas :
  1° être présent à une délibération ou décision concernant des choses dans lesquelles il a un intérêt direct ou dans lesquelles ses ascendants ou alliés jusqu'au quatrième degré ont un intérêt personnel et direct. L'interdiction précitée ne va pas au-delà des ascendants et alliés jusqu'au deuxième degré quand il s'agit de la proposition de candidats, de nominations, de révocations et de suspensions ;
  2° participer directement ou indirectement à des accords conclus avec l'association prestataire de services ou chargée de mission ;
  3° agir en qualité d'avocat, de notaire ou d'agent dans le cadre d'actions judiciaires intentées à l'encontre de l'association prestataire de services ou chargée de mission. Il lui est interdit de plaider dans cette même qualité au profit de l'association prestataire de services ou chargée de mission, de lui servir de conseil ou d'intervenir dans un quelconque litige, sauf à titre gratuit ;
  4° agir en qualité de conseil d'un membre du personnel dans une matière disciplinaire.
Art. 440. De vergaderingen van de raad van bestuur zijn niet openbaar. De gedetailleerde notulen met bijgevoegd het stemgedrag van de individuele leden en alle documenten waar in de notulen naar verwezen wordt, liggen ter inzage van de gemeenteraadsleden op het secretariaat van de deelnemende gemeenten, met behoud van de toepassing van de decretale bepalingen inzake de openbaarheid van bestuur.
  Op verzoek van een raadslid vraagt het deelnemende bestuur om de notulen en alle stukken waarnaar in de notulen wordt verwezen, elektronisch ter beschikking te stellen. De vereniging stelt de gevraagde stukken elektronisch ter beschikking aan het deelnemende bestuur en het deelnemende bestuur bezorgt ze aan het raadslid.
  Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van de raadsleden wegens schending van het beroepsgeheim, overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
  Aan de vergaderingen van de raad van bestuur wordt deelgenomen door ten hoogste vijf rechtstreeks door verschillende gemeenten aangewezen afgevaardigden die lid zijn met raadgevende stem. Deze afgevaardigden worden niet meegeteld in het maximumaantal leden van de raad van bestuur, vermeld in artikel 434, § 1. De statuten vermelden de criteria die bepalend zijn voor de wijze van aanwijzing van die afgevaardigden, die altijd raadsleden zijn die in de betrokken gemeenten verkozen zijn op een lijst waarvan geen enkele verkozene deel uitmaakt van het college van burgemeester en schepenen.
Art. 440. Les réunions du conseil d'administration ne sont pas publiques. Le procès-verbal détaillé avec les votes prononcés des membres individuels et tous les documents auxquels le procès-verbal fait référence peuvent être consultés par les membres des conseils communaux au secrétariat des communes participantes, tout en préservant l'application des décisions décrétales en matière de publicité d'administration.
  A la demande d'un membre du conseil, l'administration participante demandera la mise à disposition électronique du procès-verbal et de tous les documents auxquels il est fait référence dans le procès-verbal. L'association mettra les documents demandés à la disposition de l'administration participante et celle-ci les fournira au membre du conseil.
  Le présent article n'affecte pas la possibilité de poursuites pénales des membres du conseil pour violation du secret professionnel, conformément à l'article 458 du Code pénal.
  Participent aux réunions du conseil d'administration tout au plus cinq délégués désignés directement par les différentes communes et qui sont membres ayant voix consultative. Les délégués précités ne sont pas compris dans le nombre maximum de membres du conseil d'administration, visé à l'article 434, § 1er. Les statuts mentionnent les critères déterminants pour les modalités de désignation desdits délégués, qui sont toujours membres du conseil élus dans les communes concernées sur une liste dont aucun élu ne fait partie du collège des bourgmestre et échevins.
Art. 441. Een lid van de raad van bestuur of een door de raad van bestuur hiertoe gemandateerde brengt minstens tweemaal per jaar, tijdens een openbare vergadering van de gemeenteraad van elk van de deelnemende gemeenten, verslag uit over de uitoefening van de bevoegdheden en taken van de raad, en verstrekt toelichting bij het beleid van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging.
Art. 441. Au moins deux fois par an, lors d'une réunion publique du conseil communale de chacune des communes participantes, un membre du conseil d'administration ou une personne mandatée à cette fin par le conseil d'administration fera rapport sur l'exercice des pouvoirs et tâches du conseil et fournira des explications concernant la politique de l'association prestataire de services ou chargée de mission.
Art. 442. § 1. In elke dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging:
  1° kan een algemeen comité worden opgericht om de verbinding en het overleg tussen de raad van bestuur en de deelnemers te faciliteren en te stroomlijnen;
  2° kunnen adviescomités worden opgericht, als de doelstellingen meervoudig zijn of als de geografische spreiding het verantwoordt.
  § 2. In dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen kunnen regionale bestuurscomités met beslissingsbevoegdheid worden opgericht als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° het is verantwoord door de geografische spreiding;
  2° er worden geen regionale adviescomités opgericht;
  3° netto leidt het tot een vermindering van het totale aantal bestuursleden in de verschillende organen van het intergemeentelijk samenwerkingsverband.
  Aan de regionale bestuurscomités kunnen statutair bepaalde bevoegdheden worden toevertrouwd die alleen van belang zijn voor die geografische regio. Daarnaast kan de raad van bestuur bevoegdheden van beperkt regionaal belang delegeren. De regionale bestuurscomités kunnen echter nooit bevoegd zijn voor personeelsbeslissingen.
  Elk lid van het regionaal bestuurscomité heeft één stem.
  Artikel 440, eerste lid, is van toepassing op de zittingen en notulen van de regionale bestuurscomités.
  Artikel 436, 438 en 439 zijn van toepassing op de leden van de regionale bestuurscomités.
  De regionale bestuurscomités zijn bestuursorganen als vermeld in artikel 461.
Art. 442. § 1er. Au sein de chaque association prestataire de services ou chargée de mission :
  1° il est possible de constituer un comité général afin de faciliter et de rationaliser les échanges et la concertation entre le conseil d'administration et les participants ;
  2° il est possible de constituer des comités consultatifs, si les objectifs sont multiples ou si la répartition géographique le justifie.
  § 2. Il est possible de constituer des comités de direction régionaux ayant une compétence décisionnelle au sein des associations prestataires de services ou chargées de mission à condition de satisfaire aux conditions suivantes :
  1° ladite constitution se justifie par la répartition géographique ;
  2° des comités consultatifs régionaux ne sont pas constitués ;
  3° cela engendre, au final, une réduction du nombre total de membres de la direction dans les différents organes du partenariat intercommunal.
  Les comités de direction régionaux peuvent se voir confier certaines compétences ayant un intérêt uniquement pour la région géographique en question. Par ailleurs, le conseil d'administration peut déléguer des compétences d'intérêt régional limité. Les comités de direction régionaux ne peuvent toutefois jamais avoir de compétence pour des décisions en matière de personnel.
  Chaque membre du comité de direction régional a une voix.
  L'article 440, alinéa premier, est d'application aux séances et procès-verbaux des comités de direction régionaux.
  Les articles 436, 438 et 439 sont d'application aux membres des comités de direction régionaux.
  Les comités de direction régionaux sont des organes de direction tels que visés à l'article 461.
Art. 443. Er zijn geen andere organen mogelijk dan deze vermeld in [1 deze titel]1.
  De leden van de regionale bestuurscomités, het algemeen comité en de adviescomités van de dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen worden, bij geheime stemming, benoemd door de algemene vergadering op voordracht van de deelnemers. Zij ontvangen geen vergoeding onder welke vorm dan ook voor hun prestaties in dat comité.
  Als de deelnemende gemeenten kandidaat-leden van de regionale bestuurscomités voordragen die geen lid zijn van een gemeenteraad of van een districtsraad van een van de deelnemende gemeenten, maar van wie de deskundigheid over de statutair bepaalde doelstellingen manifest aantoonbaar is, wordt die voordracht uitdrukkelijk gemotiveerd.
  In de adviescomités die opgericht worden op grond van meervoudige doelstellingen en die in aantal beperkt blijven tot het aantal doelstellingen, zijn uitsluitend de gemeenten vertegenwoordigd die belang hebben bij de betrokken doelstelling.
  De leden van de adviescomités kunnen overeenkomstig de statutaire bepalingen ter zake vertegenwoordigers van belanghebbende derden als leden met stemrecht coöpteren.
  
Art. 443. Il n'y a pas d'autres organes possibles que ceux visés dans le présent [1 titre]1.
  Les membres des comités de direction régionaux, du comité général et des comités consultatifs des associations prestataires de services et chargées de mission sont nommés par scrutin secret par l'assemblée générale sur proposition des participants. Ils ne reçoivent aucune rémunération sous quelque forme que ce soit pour leurs prestations au sein de ce comité.
  Si les communes participantes proposent, pour les comités de direction régionaux, des candidats administrateurs qui ne sont pas membres d'un conseil communal ou d'un conseil de district de l'une des communes participantes, mais dont on peut manifestement apporter la preuve de leur expertise concernant les objectifs fixés statutairement, ladite proposition sera expressément motivée.
  Sont exclusivement représentées au sein des comités consultatifs constitués sur la base d'objectifs multiples et qui demeurent limités en nombre au nombre d'objectifs, les communes qui ont un intérêt dans l'objectif en question.
  Les membres des comités consultatifs peuvent, conformément aux dispositions statutaires en la matière, coopter des représentants de tiers intéressés comme membres ayant une voix délibérative.
  
Art. 444. Het voorzitterschap van de verschillende organen wordt altijd toevertrouwd aan en effectief uitgeoefend door een op voordracht van de deelnemende gemeenten benoemd lid van het orgaan, dat ook gemeenteraadslid, districtsraadslid, schepen, districtsschepen, burgemeester of districtsburgemeester is in een aangesloten gemeente.
  De algemene vergadering wordt voorgezeten door de voorzitter van de raad van bestuur of zijn vervanger.
  De werkingsmodaliteiten van de verschillende organen worden opgenomen in een bij de statuten gevoegd huishoudelijk reglement dat vastgesteld wordt door de oprichtingsvergadering en gewijzigd kan worden door een eenvoudige beslissing van het betrokken orgaan. De afgevaardigden, vermeld in artikel 440, vierde lid, tellen niet mee voor de berekening van een eventueel aanwezigheidsquorum.
Art. 444. La présidence des différents organes est toujours confiée à et exercée effectivement par un membre de l'organe nommé sur proposition des communes participantes, qui est également membre du conseil communal, membre du conseil de district, échevin, échevin de district, bourgmestre ou bourgmestre de district dans une commune adhérente.
  L'assemblée générale est présidée par le président du conseil d'administration ou son suppléant.
  Les modalités de fonctionnement des différents organes sont reprises dans un règlement d'ordre intérieur joint aux statuts qui est déterminé par l'assemblée constitutive et peut être modifié par une simple décision de l'organe concerné. Les délégués visés à l'article 440, quatrième alinéa, ne sont pas pris en considération pour le calcul d'un éventuel quorum de présences.
Art. 445. De duur en de wijze van beëindiging van het mandaat van de leden van de verschillende organen in een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging worden statutair bepaald.
  Alle mandatarissen zijn van rechtswege ontslagnemend bij verlies van hun openbaar mandaat, uitgezonderd in geval van algehele vernieuwing van de gemeenteraden. In dat geval wordt binnen de eerste drie maanden van het jaar dat volgt op dat van de verkiezingen, een algemene vergadering bijeengeroepen waarbij tot een algehele vervanging van de raad van bestuur wordt overgegaan, op voorwaarde dat de raden van de deelnemende besturen die de voordracht moeten doen, al in hun nieuwe samenstelling vergaderd hebben. Als dat niet het geval is, worden de betrokken nieuwe bestuurders benoemd door de algemene vergadering, vermeld in artikel 454, die ook kwijting verleent aan de bestuurders die het voorgaande boekjaar in functie waren en die tot dan de verantwoordelijkheid blijven dragen overeenkomstig artikel 438.
Art. 445. La durée et les modalités de fin du mandat des membres des différents organes d'une association prestataire de services ou chargée de mission sont déterminés statutairement.
  Tous les mandataires sont démissionnaires de plein droit en cas de perte de leur mandat public, excepté dans le cas d'un renouvellement complet des conseils communaux. Dans ce cas, dans les trois premiers mois de l'année qui suit celle des élections, une assemblée générale sera convoquée afin de procéder au remplacement complet du conseil d'administration, à condition que les conseils des administration participantes devant faire la proposition se soient déjà réunis dans leur nouvelle composition. Si ce n'est pas le cas, les nouveaux administrateurs concernés sont nommés par l'assemblée générale, visée à l'article 454, qui donne également quittance aux administrateurs qui étaient en fonction lors de l'exercice précédent et qui continueront d'assumer la responsabilité jusqu'alors, conformément à l'article 438.
Art. 446. Om geldig te beraadslagen en te beslissen is een aanwezigheidsquorum vastgesteld op de gewone meerderheid van het aantal statutair bepaalde stemmen in elk orgaan, zowel globaal als in de groep van de deelnemende gemeenten. Van dat aanwezigheidsquorum kan statutair worden afgeweken voor een tweede vergadering die volgt op een onvoldoende samengestelde eerdere vergadering, en als het gaat om punten die voor de tweede keer op de agenda voorkomen.
  Het eerste lid geldt niet voor statutenwijzigingen.
  De voor de beslissingen vereiste meerderheid moet altijd bereikt zijn zowel globaal als in de groep van de gemeenten.
Art. 446. Pour délibérer et décider valablement, un quorum de présences est fixé à la majorité simple du nombre de voix fixé statutairement au sein de chaque organe, aussi bien globalement que dans le groupe des communes participantes. Il est possible de déroger statutairement au quorum de présences précité pour une deuxième réunion qui suit une réunion précédente n'ayant pas atteint un quorum suffisant, et lorsqu'il s'agit de points qui figurent pour la deuxième fois à l'ordre du jour.
  L'alinéa premier ne s'applique pas aux changements statutaires.
  La majorité requise pour les décisions doit toujours être atteinte, tant globalement que dans le groupe des communes.
Art. 447. Met uitzondering van de vertegenwoordigers op de algemene vergadering kunnen de leden van de overige organen aan hun collega's van hetzelfde orgaan een schriftelijke volmacht geven om hen te vertegenwoordigen voor één welbepaalde vergadering van het orgaan in kwestie. De volmachtgever en de volmachtdrager moeten tot dezelfde categorie van deelnemers behoren. Niemand kan drager zijn van meer dan één volmacht.
  Het mandaat van vertegenwoordiger op de algemene vergadering is onverenigbaar met het mandaat van lid van een van de andere organen. De onverenigbaarheden, vermeld in artikel 436, zijn ook van toepassing op de vertegenwoordigers op de algemene vergadering.
Art. 447. A l'exception des représentants à l'assemblée générale, les membres des autres organes peuvent donner un mandat écrit à leurs collègues du même organe afin de les représenter à une réunion spécifique de l'organe en question. Le mandant et le mandataire doivent appartenir à la même catégorie de participants. Personne ne peut être porteur de plus d'un mandat.
  Le mandat de représentant à l'assemblée générale est incompatible avec celui de membre des autres organes. Les incompatibilités mentionnées à l'article 436 sont également d'application pour les représentants à l'assemblée générale.
Art. 448. [1 De leden van de raad van bestuur van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging en de vertrouwenspersonen die hen bijstaan conform artikel 16 en 155, kunnen per bijgewoonde vergadering een presentiegeld ontvangen.
   Het presentiegeld voor het bijwonen van de raad van bestuur is ten hoogste gelijk aan het hoogste bedrag dat uitkeerbaar is aan een gemeenteraadslid voor een gemeenteraadszitting in een van de deelnemende gemeenten. Aan de voorzitter van de raad van bestuur [2 , aan zijn vervanger]2 en aan de voormelde vertrouwenspersonen kan maximaal een dubbel presentiegeld worden toegekend. Bij een cumulatie van mandaten, waaraan een dubbel presentiegeld verbonden is in meerdere dienstverlenende of opdrachthoudende verenigingen, bepaalt het lid van de raad van bestuur in welke vereniging het dubbel presentiegeld wordt toegekend. In elk van de andere verenigingen ontvangt dit lid een enkel presentiegeld. De toekenning van een dubbel presentiegeld is slechts mogelijk nadat de betrokkene een verklaring op erewoord heeft ingediend waaruit blijkt dat hij geen dubbel presentiegeld geniet in een andere dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging.
   De algemene vergadering bepaalt het presentiegeld en, binnen de perken en overeenkomstig de toekenningsvoorwaarden die de Vlaamse Regering vaststelt, de andere vergoedingen die in het kader van de bestuurlijke werking van de dienstverlenende of de opdrachthoudende vereniging kunnen worden toege- kend.]1

  Jaarlijks wordt een per mandataris geïndividualiseerd overzicht van de vergoedingen en presentiegelden die in het in het voorbije boekjaar zijn ontvangen, bij de documenten gevoegd die aan de deelnemende gemeenten worden bezorgd, overeenkomstig artikel 454. Dat overzicht bevat, in voorkomend geval, ook de vergoedingen en presentiegelden die werden ontvangen vanwege de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen waarin de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging rechtstreeks of onrechtstreeks deelneemt, overeenkomstig artikel 472.
  De overzichten, vermeld in [1 het vierde lid]1, worden ook bezorgd aan de toezichthoudende overheid, vermeld in artikel 461.
  
Art. 448. [1 Les membres du conseil d'administration de l'association prestataire de services ou chargée de mission et les personnes de confiance qui les assistent conformément aux articles 16 et 155 peuvent recevoir un jeton de présence par réunion à laquelle ils assistent.
   Le jeton de présence pour assister au conseil d'administration ne dépasse pas le montant maximum payable à un conseiller communal pour une séance du conseil communal dans l'une des communes participantes. Le président du conseil d'administration [2 , son suppléant]2 et les personnes de confiance précitées peuvent recevoir au maximum un double jeton de présence. En cas de cumul de mandats, donnant droit à un double jeton de présence dans plusieurs associations prestataires de services ou chargées de mission, le membre du conseil d'administration détermine dans quelle association le double jeton de présence est accordé. Dans chacune des autres associations, ce membre reçoit un seul jeton de présence. L'octroi d'un double jeton de présence n'est possible qu'après présentation d'une déclaration sur l'honneur de l'intéressé qu'il ne jouit pas d'un double jeton de présence dans une autre association prestataire de services ou chargée de missions.
   L'assemblée générale fixe le jeton de présence et, dans les limites et conditions d'octroi fixées par le Gouvernement flamand, les autres indemnités qui peuvent être allouées dans le cadre du fonctionnement administratif d'une association prestataire de services ou chargée de missions.]1

  Chaque année, un aperçu des indemnités et jetons de présence, individualisé par mandataire, qui ont été reçus au cours de l'exercice écoulé, sera joint aux documents fournis aux communes participantes, conformément à l'article 454. L'aperçu en question comprendra également, le cas échéant, les indemnités et jetons de présence qui ont été reçus par les personnes morales de droit public ou privé auxquelles participent directement ou indirectement l'association prestataire de services ou chargée de mission, conformément à l'article 472.
  Les aperçus mentionnés au [1 quatrième alinéa]1a sont également fournis à l'autorité de contrôle visée à l'article 461.
  
Art. 449. De controle op de financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid, vanuit het oogpunt van deze titel en van de statuten, van de verrichtingen weer te geven in de jaarrekening, wordt uitgeoefend door een of meer commissarissen. Die worden benoemd door de algemene vergadering onder de leden van het Instituut der Bedrijfsrevisoren. Ze zijn onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die hun ambt en hun bevoegdheid regelen.
Art. 449. Un ou plusieurs commissaires exercent le contrôle de la situation financière, des comptes annuels et de la régularité, du point de vue de ce titre et des statuts, des opérations qui doivent figurer dans les comptes annuels. Ces derniers sont nommés par l'assemblée générale parmi les membres de l'Institut des réviseurs d'entreprise. Ils sont soumis aux dispositions légales et réglementaires qui régissent leur fonction et leur compétence.
Onderafdeling 5. - Werking
Sous-section 5. - Fonctionnement
Art. 450. De dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging kan bij gemotiveerd besluit van de raad van bestuur leningen aangaan en giften of toelagen ontvangen.
  De algemene vergadering of de door haar daartoe gemachtigde raad van bestuur van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging stelt de tarieven vast, met naleving van de wettelijk voorgeschreven formaliteiten.
  De dienstverlenende of de opdrachthoudende vereniging kan gemachtigd worden om in eigen naam en voor eigen rekening over te gaan tot de onteigeningen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van haar statutaire doelstellingen.
Art. 450. L'association prestataire de service ou chargée de mission peut contracter des emprunts et recevoir des dons ou allocations par décision motivée du conseil d'administration.
  L'assemblée générale ou le conseil d'administration de l'association prestataire de services ou chargée de mission mandaté à cette fin détermine les taux, dans le respect des formalités prescrites légalement.
  L'association prestataire de services ou chargée de mission peut être mandatée afin de procéder en son nom et pour son compte aux expropriations qui sont nécessaires à la réalisation de ses objectifs statutaires.
Art. 451. [1 De dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen zien erop toe dat ze over een eigen vermogen beschikken dat, mede gelet op andere financieringsbronnen, toereikend is in het licht van hun bedrijvigheid.]1
  [1 ...]1
  Immateriële inbrengen ter vertegenwoordiging van vermogensbestanddelen die niet volgens economische maatstaven kunnen worden gewaardeerd, en inbrengen in natura worden gewaardeerd op grond van een verslag van de revisor en worden vertegenwoordigd door respectievelijk winstbewijzen en aandelen waarvan de waarde en de rechten statutair zijn bepaald.
  De deelnemers kunnen uitsluitend worden vergoed voor hun inbreng en zijn alleen aansprakelijk voor hun inbreng.
  Bij de statuten wordt een register gevoegd waarop iedere deelnemer is vermeld, met aanduiding van de aandelen en de winstbewijzen die aan hem zijn toegekend.
  [1 Tenzij het in de statuten anders is bepaald, worden alle inbrengen bij aanvang volledig gestort.]1
  
Art. 451. [1 Les associations prestataires de services et chargées de mission veillent à disposer de fonds propres qui, notamment compte tenu d'autres sources de financement, sont suffisants eu égard à leurs activités.]1
  [1 ...]1
  Les apports immatériels représentant des éléments d'actif qui ne peuvent pas être valorisés selon des critères économiques, et les apports en nature seront valorisés sur la base d'un rapport du réviseur et représentés respectivement par des titres participatifs et des parts dont la valeur et les droits sont déterminés statutairement.
  Les participants peuvent être rémunérés exclusivement pour leur apport et ne sont responsables que de leur apport.
  Un registre reprenant chaque participant sera joint aux statuts, avec mention des parts et titres participatifs qui lui sont attribués.
  [1 Sauf disposition contraire des statuts, tous les apports sont versés intégralement dès le début.]1
  
Art. 452. In de opdrachthoudende vereniging met private deelname is een inbreng van privaatrechtelijke rechtspersonen toegestaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1° de inbreng kan geen controle of blokkerende macht opleveren;
  2° de privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen geen beslissende invloed op de vereniging uitoefenen;
  3° de gezamenlijke inbreng van de privaatrechtelijke rechtspersonen mag niet meer bedragen dan 49% van het totale maatschappelijk kapitaal.
Art. 452. Un apport de personnes morales de droit privé est autorisé dans l'association chargée de mission avec participation privée à condition de remplir les conditions suivantes :
  1° l'apport ne peut pas procurer de contrôle ou de pouvoir de blocage ;
  2° les personnes morales de droit privé ne peuvent pas exercer d'influence décisive sur l'association ;
  3° l'apport commun des personnes morales de droit privé ne peut pas dépasser 49 % du capital social total.
Art. 453. De boekhouding wordt gevoerd overeenkomstig de wetgeving op de boekhouding van de ondernemingen en met naleving van de richtlijnen die de overheid uitvaardigt met betrekking tot de boekhoudkundige verrichtingen.
Art. 453. La comptabilité est tenue conformément à la législation relative à la comptabilité des entreprises et dans le respect des directives émises par les autorités concernant les opérations comptables.
Art. 454. In de dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen worden de jaarrekeningen vastgesteld door de algemene vergadering in de loop van het eerste semester van het volgende boekjaar aan de hand van het verslag van de raad van bestuur en het verslag van de revisor. Samen met de uitnodiging worden die documenten ter beschikking gesteld van de deelnemende gemeenten, die het mandaat van hun afgevaardigde ter zake bepalen.
  De algemene vergadering verleent terzelfder tijd ook kwijting aan de bestuurders, de leden van de regionale bestuurscomités en de revisoren.
Art. 454. Les comptes annuels des associations prestataires de services ou chargées de mission sont constatés par l'assemblée générale dans le courant du premier semestre de l'exercice suivant à l'aide du rapport du conseil d'administration et du rapport du réviseur. Les documents précités et la convocation sont mis à la disposition des communes participantes qui déterminent le mandat de leur délégué en la matière.
  L'assemblée générale donne en même temps quittance aux administrateurs, aux membres des comités de direction régionaux et aux réviseurs.
Art. 455. Als de jaarrekeningen niet worden vastgesteld overeenkomstig artikel 454, eerste lid, dan wordt, binnen een termijn van negentig dagen, een nieuwe algemene vergadering bijeengeroepen waaraan de gewijzigde rekeningen, overeenkomstig artikel 454, worden voorgelegd. Bij herhaalde niet-vaststelling wordt artikel 470 toegepast.
Art. 455. Si les comptes annuels ne sont pas constatés conformément à l'article 454, alinéa premier, une nouvelle assemblée générale à laquelle seront soumis les comptes modifiés conformément à l'article 454 est alors convoquée dans un délai de nonante jours. L'article 470 est appliqué en cas de non-constatation répétée.
Art. 456. De jaarrekeningen worden, binnen een termijn van dertig dagen nadat de algemene vergadering ze heeft vastgesteld, door de bestuurders neergelegd bij de Nationale Bank van België [1 ...]1.
  [1 ...]1
  
Art. 456. Dans un délai de trente jours après qu'ils ont été constatés par l'assemblée générale, les comptes annuels sont déposés par les administrateurs à la Banque nationale de Belgique [1 ...]1.
  [1 ...]1
  
Art. 457. [1 Behoudens strengere bepalingen in de statuten roept de raad van bestuur, als het netto actief van de vereniging negatief dreigt te worden of is geworden, de algemene vergadering op om te vergaderen. Die vergadering heeft plaats binnen ten hoogste zestig dagen na de datum waarop de voormelde toestand is vastgesteld of had moeten worden vastgesteld krachtens de wettelijke of statutaire bepalingen. De algemene vergadering neemt een van de volgende beslissingen:
   1° de ontbinding van de vereniging;
   2° de invoering van de maatregelen om de continuïteit van de vereniging te vrijwaren, die in de agenda zijn aangekondigd.]1

  [1 Tenzij de raad van bestuur de ontbinding van de vereniging voorstelt, zet hij in een bijzonder plan uiteen welke maatregelen hij voorstelt om de continuïteit van de vereniging te vrijwaren.]1
  De raad van bestuur verantwoordt zijn voorstellen in dat [1 plan]1 dat uiterlijk drie weken voor de algemene vergadering aan alle deelnemers en aan de toezichthoudende overheid wordt voorgelegd, samen met de oproepingsbrief en alle bijbehorende documenten waaruit de noodzaak van het [1 plan]1 blijkt.
  De algemene vergadering beslist onder de voorwaarden, vermeld in artikel 427. Als het [1 plan]1 niet of in onvoldoende mate wordt aanvaard, kan artikel 470 worden toegepast.
  
Art. 457. [1 Sauf dispositions plus strictes des statuts, si l'actif net de l'association risque de devenir ou est devenu négatif, le conseil d'administration convoque l'assemblée générale. Cette assemblée se tient dans un délai maximum de soixante jours à compter de la date à laquelle la situation précitée a été constatée ou aurait dû l'être en vertu des dispositions légales ou statutaires. L'assemblée générale prend l'une des décisions suivantes :
   1° la dissolution de l'association ;
   2° la mise en oeuvre de mesures visant à sauvegarder la continuité de l'association, qui ont été annoncées dans l'ordre du jour. ]1

  [1 Sauf si le conseil d'administration propose de dissoudre l'association, il expose dans un plan spécial les mesures qu'il propose pour assurer la continuité de l'association.]1
  Le conseil d'administration justifie ses propositions dans le plan [1 ...]1 précité, qui sera présenté au plus tard trois semaines avant l'assemblée générale à tous les participants ainsi qu'à l'autorité de contrôle, en même temps que la lettre de convocation et tous les documents correspondants dont ressort la nécessité dudit plan [1 ...]1.
  L'assemblée générale prend ses décisions en vertu des conditions visées à l'article 427. Si le plan [1 ...]1 n'est pas accepté ou accepté dans une mesure insuffisante, l'article 470 peut être appliqué.
  
Art. 458. § 1. De raad van bestuur stelt binnen een termijn van drie maanden na de goedkeuring van de statuten van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging en na onderhandelingen overeenkomstig de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en de uitvoeringsbesluiten ervan, een rechtspositieregeling en een deontologische code op, met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur, en in voorkomend geval, een arbeidsreglement overeenkomstig de wettelijke bepalingen die gelden voor het contractuele personeel.
  De rechtspositieregeling, het arbeidsreglement en de deontologische code worden meegedeeld aan alle deelnemers en aan de toezichthoudende overheid.
  De raad van bestuur [1 ...]1 is bevoegd voor alle personeelsaangelegenheden, maar kan alle aangelegenheden die betrekking hebben op de uitvoering van de rechtspositieregeling, de deontologische code en het arbeidsreglement, in het kader van het individuele personeelsbeheer, verder delegeren. De raad van bestuur kan het dagelijks personeelsbeheer, de bevoegdheid voor het aanstellen en het ontslaan van het personeel, alsook de sanctie- en tuchtbevoegdheid ten aanzien van het personeel toevertrouwen aan het personeelslid dat aan het hoofd staat van het personeel [1 ...]1.
  § 2. De jaarlijkse bezoldiging van een personeelslid van een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging mag niet meer bedragen dan de jaarlijkse bezoldiging van de minister-president van de Vlaamse Regering.
  
Art. 458. § 1er. Dans un délai de trois mois qui suit l'approbation des statuts de l'association prestataire de services ou chargée de mission et après des négociations conformément à la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant desdites autorités ainsi qu'à ses arrêtés d'exécution, le conseil d'administration établira des statuts juridiques ainsi qu'un code de déontologie, dans le respect des principes de gestion raisonnable, et le cas échéant, un règlement de travail conformément aux dispositions légales en vigueur pour le personnel contractuel.
  Les statuts juridiques, le règlement de travail et le code de déontologie seront communiqués à tous les participants ainsi qu'à l'autorité de contrôle.
  Le conseil d'administration [1 ...]1 est compétent pour toutes les questions relatives au personnel, mais peut déléguer toutes les questions relatives à l'exécution des statuts juridiques, du code de déontologie et du règlement de travail, dans le cadre de la gestion individuelle du personnel. Le conseil d'administration peut confier la gestion journalière du personnel, le pouvoir de nommer et révoquer le personnel, ainsi que le pouvoir de sanction et disciplinaire envers le personnel au membre du personnel à la tête du personnel [1 ...]1.
  § 2. La rémunération annuelle d'un membre du personnel d'une association prestataire de services ou chargée de mission ne peut pas dépasser la rémunération annuelle du ministre-président du Gouvernement flamand.
  
Art. 459. In de dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen legt de raad van bestuur aan de jaarvergadering, die telkens plaatsvindt in de loop van het eerste werkingsjaar na het jaar waarin verkiezingen voor de algehele hernieuwing van de gemeenteraden worden georganiseerd, een evaluatierapport voor over de werking van de vereniging. Dat rapport bevat een nieuw ondernemingsplan voor de komende zes jaar of een gemotiveerd voorstel om het samenwerkingsverband te beëindigen met inachtneming van de statutair bepaalde rechten van de deelnemers. De eerste evaluatieperiode kan korter zijn dan zes jaar, gelet op de datum van oprichting.
  Alle deelnemers ontvangen dat rapport uiterlijk zes weken voor de datum van de jaarvergadering en bepalen het mandaat van hun vertegenwoordiger.
Art. 459. Au sein de l'association prestataire de services et chargée de mission, le conseil d'administration soumettra un rapport d'évaluation sur le fonctionnement de l'association à l'assemblée annuelle qui aura chaque fois lieu dans le courant de la première année de fonctionnement qui suit l'année au cours de laquelle sont organisées des élections pour le renouvellement complet des conseils communaux. Le rapport précité comportera un nouveau plan d'entreprise pour les six années à venir ou une proposition motivée visant à mettre fin au partenariat en tenant compte des droits arrêtés statutairement des participants. La première période d'évaluation peut être inférieure à six ans, compte tenu de la date de constitution.
  Tous les participants recevront ledit rapport au plus tard six semaines avant la date de l'assemblée annuelle et arrêteront le mandat de leur représentant.
Art. 460. De dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging rapporteert aan de Vlaamse Regering over haar werking. De Vlaamse Regering bepaalt de inhoud, de periodiciteit en de wijze van rapportering. Die rapportering heeft niet tot gevolg dat een termijn om toezicht als vermeld in hoofdstuk 4 uit te oefenen, een aanvang neemt.
Art. 460. L'association prestataire de services ou chargée de mission rend compte de son fonctionnement au Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand arrête le contenu, la périodicité et les modalités relatives audit compte rendu. Le compte rendu précité n'engendre pas la prise d'effet d'un délai d'exercice du contrôle tel que visé au chapitre 4.
HOOFDSTUK 4. - Bestuurlijk toezicht
CHAPITRE 4. - Contrôle administratif
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1ère. - Dispositions générales
Art. 461. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° intergemeentelijke overheid: de bestuursorganen van de projectvereniging of dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging die een beslissing nemen;
  2° toezichthoudende overheid: de Vlaamse Regering.
Art. 461. Dans le présent chapitre, on entend par :
  1° autorité intercommunale : les organes de direction de l'association de projet ou de l'association prestataire de services ou chargée de mission qui prennent une décision ;
  2° autorité de contrôle : le Gouvernement flamand.
Art. 462. Met behoud van de toepassing van andersluidende bepalingen beperkt de toezichthoudende overheid zich bij de uitoefening van het toezicht, vermeld in deze titel, tot een toetsing aan het recht en aan het algemeen belang, namelijk aan elk belang dat ruimer is dan het gemeentelijk belang, vermeld in artikel 389.
Art. 462. Tout en préservant l'application de dispositions contraires, l'autorité de contrôle se limite dans l'exercice du contrôle, visé dans le présent titre, au contrôle du droit et de l'intérêt général, à savoir de tout intérêt plus large que l'intérêt général, mentionné à l'article 389.
Art. 463. De toezichthoudende overheid kan bij de intergemeentelijke overheid alle documenten en inlichtingen opvragen of die ter plaatse raadplegen. Ze bepaalt de informatiedrager en de vorm waarin de gegevens worden verstrekt.
Art. 463. L'autorité de contrôle peut demander à l'autorité intercommunale tous les documents et renseignements ou les consulter sur place. Elle détermine le support d'information sur lequel et la forme dans laquelle les données sont fournies.
Art. 464. De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze de communicatie tussen de intergemeentelijke overheid, de toezichthoudende overheid en, in voorkomend geval, de indiener van de klacht moet verlopen. Buiten de gevallen waarin een intergemeentelijke overheid krachtens deze titel de toezichthoudende overheid van besluiten op de hoogte moet brengen, heeft de verzending van een beslissing aan de toezichthoudende overheid niet tot gevolg dat de termijn om het toezicht uit te oefenen een aanvang neemt.
  Op straffe van nietigheid wordt het besluit dat in het kader van het toezicht wordt genomen, uiterlijk de laatste dag van de voorgeschreven termijn verzonden.
Art. 464. Le Gouvernement flamand arrête les modalités de la communication entre l'autorité communale, l'autorité de contrôle et, le cas échéant, le plaignant. Hormis les cas dans lesquels une autorité intercommunale doit, en vertu du présent titre, informer de décisions l'autorité de contrôle, l'envoi d'une décision à l'autorité de contrôle n'implique pas que le délai d'exercice du contrôle prend cours.
  Sous peine de nullité, la décision prise dans le cadre du contrôle sera envoyée au plus tard le dernier jour du délai prescrit.
Afdeling 2. - Algemeen bestuurlijk toezicht op de intergemeentelijke overheid
Section 2. - Contrôle administratif de l'autorité intercommunale
Art. 465. Met behoud van de toepassing van artikel 466 en 467 kan de toezichthoudende overheid besluiten van de intergemeentelijke overheid ambtshalve opvragen.
  Bij ontvangst van een klacht vraagt de toezichthoudende overheid het besluit en het bijbehorende dossier op.
Art. 465. Tout en préservant l'application des articles 466 et 467, l'autorité de contrôle peut demander d'office les décisions de l'autorité intercommunale.
  En cas de réception d'une plainte, l'autorité de contrôle demandera la décision et le dossier correspondant.
Art. 466. De voorzitter van de raad van bestuur van de dienstverlenende en van de opdrachthoudende vereniging maakt via de webtoepassing van de vereniging, een lijst bekend van de besluiten van de bestuursorganen van de dienstverlenende en opdrachthoudende vereniging met een beknopte omschrijving van de daarin geregelde aangelegenheden.
  De lijst, vermeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt binnen tien dagen nadat de besluiten genomen zijn.
  De webtoepassing van de dienstverlenende en opdrachthoudende vereniging vermeldt:
  1° de wijze waarop het publiek inzage kan krijgen in de besluiten die op de lijst zijn vermeld;
  2° de datum van bekendmaking van de lijst, vermeld in het eerste lid;
  3° de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de toezichthoudende overheid.
  Als de toezichthoudende overheid een besluit heeft vernietigd, wordt ook van die vernietiging melding gemaakt.
  [1 Op dezelfde dag als de dag waarop de dienstverlenende of de opdrachthoudende vereniging de lijst, vermeld in het eerste lid, bekendmaakt op haar webtoepassing, brengt de dienstverlenende of de opdrachthoudende vereniging de toezichthoudende overheid op de hoogte van de bekendmaking ervan.]1
  
Art. 466. Le président du conseil d'administration de l'association prestataire de services et chargée de mission publiera, par le biais de l'application web de l'association, une liste des décisions des organes de direction de l'association prestataire de services et chargée de mission avec une description succincte des questions qui y sont réglées.
  La liste visée à l'alinéa premier sera publiée dans les dix jours après que les décisions ont été prises.
  L'application web de l'association prestataire de services et chargée de mission mentionnera :
  1° la manière dont le public peut prendre connaissance des décisions mentionnées dans la liste ;
  2° la date de publication de la liste mentionnée à l'alinéa premier ;
  3° la possibilité de porter plainte auprès de l'autorité de contrôle.
  Si l'autorité de contrôle a annulé une décision, il sera également fait mention de ladite annulation.
  [1 Le même jour que celui où l'association prestataire de services ou chargée de mission publie la liste visée au premier alinéa sur son application web, l'association prestataire de services ou chargée de mission informe l'autorité de tutelle de cette publication.]1
  
Art. 467. De voorzitter van de raad van bestuur van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging maakt de volgende besluiten en de inhoud ervan bekend via de webtoepassing van de vereniging:
  1° de besluiten van de dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen betreffende de rechtspositieregeling van het personeel, vermeld in artikel 458;
  2° de voorstellen van de raad van bestuur van de dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen in verband met het [1 plan]1 overeenkomstig artikel 457;
  3° de code van goed bestuur, na goedkeuring door de algemene vergadering van de dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen.
  De bekendmaking, vermeld in het eerste lid, vindt plaats binnen tien dagen nadat het besluit genomen is.
  Met behoud van de bepalingen van dit decreet, kan de Vlaamse Regering bepalen welke andere besluiten en stukken bekendgemaakt moeten worden en voor alle besluiten en stukken hoe lang ze minimaal via de webtoepassing van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging raadpleegbaar moeten blijven.
  Op dezelfde dag als de bekendmaking op de webtoepassing van de dienstverlenende of de opdrachthoudende vereniging brengt de dienstverlenende of de opdrachthoudende vereniging de toezichthoudende overheid op de hoogte van de bekendmaking [1 ervan]1.
  
Art. 467. Le président du conseil d'administration de l'association prestataire de services ou chargée de mission publiera les décisions suivantes et leur contenu par le biais de l'application web de l'association :
  1° les décisions des associations prestataires de services et chargées de mission relatives au statut juridique du personnel visé à l'article 458 ;
  2° les propositions du conseil d'administration des associations prestataires de services et chargées de mission concernant le plan [1 ...]1 conformément à l'article 457 ;
  3° le code de bonne gouvernance, après approbation par l'assemblée générale des associations prestataires de services et chargées de mission.
  La publication visée à l'alinéa premier aura lieu dans les dix jours après que la décision a été prise.
  Tout en préservant les dispositions du présent décret, le Gouvernement flamand peut déterminer les autres décisions et documents qui doivent être publiés ainsi que, pour toutes les décisions et documents, la durée minimale pendant laquelle ils devront rester consultables par le biais de l'application web de l'association prestataire de services ou chargée de mission.
  L'association prestataire de services ou chargée de mission [1 informera l'autorité de contrôle de cette notification]1 le même jour que celui de la notification sur l'application web de l'association prestataire de services ou chargée de mission.
  
Art. 468. § 1. De Vlaamse Regering beschikt over dertig dagen om de besluiten van de intergemeentelijke overheid te vernietigen en om de intergemeentelijke overheid daarvan op de hoogte te brengen. Als het om een besluit gaat dat overeenkomstig artikel 467 bekendgemaakt moet worden via de webtoepassing van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging, wordt de termijn op vijftig dagen gebracht.
  § 2. De termijn, vermeld in paragraaf 1, gaat in op de dag nadat de toezichthoudende overheid op de hoogte gebracht is van de bekendmaking op de webtoepassing van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging van de lijst van de aangelegenheden, vermeld in artikel 466. Voor de besluiten, vermeld in artikel 467, start de termijn, vermeld in paragraaf 1, op de dag nadat de toezichthoudende overheid op de hoogte gebracht is van de bekendmaking van het besluit op de webtoepassing van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging. Voor de projectverenigingen start de termijn, vermeld in paragraaf 1, op de dag die volgt op het nemen van het besluit.
  § 3. Een klacht tegen een besluit van een dienstverlenende en de opdrachthoudende vereniging wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingediend binnen een periode van dertig dagen, die volgt op de dag van de bekendmaking op de webtoepassing van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging van de lijst van de aangelegenheden, vermeld in artikel 466, of van de besluiten, vermeld in artikel 467. Een klacht tegen een besluit van een projectvereniging wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid ingediend binnen een periode van dertig dagen die start op de dag die volgt op het nemen van het besluit.
  § 4. De termijn waarover de toezichthoudende overheid beschikt om het bestuurlijk toezicht uit te oefenen, wordt gestuit door de verzending van een klacht aan de toezichthoudende overheid, op voorwaarde dat die klacht verstuurd wordt op de wijze bepaald door de Vlaamse Regering binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3. Een nieuwe termijn als vermeld in paragraaf 1 gaat in op de dag die volgt op de verzending van de klacht.
  § 5. De termijn, vermeld in paragraaf 1, wordt gestuit door de opvraging door de toezichthoudende overheid van het besluit van de intergemeentelijke overheid overeenkomstig artikel 465, eerste of tweede lid.
  Een nieuwe termijn als vermeld in paragraaf 1 gaat in op de dag die volgt op de verzending van het opgevraagde besluit.
  § 6. De intergemeentelijke overheid verzendt het besluit dat door de toezichthoudende overheid is opgevraagd binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de dag van de verzending van de opvraging.
  Als de intergemeentelijke overheid het gevraagde besluit niet verzendt aan de toezichthoudende overheid binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de toezichthoudende overheid na het verstrijken van die termijn een herinnering aan de intergemeentelijke overheid. De herinnering verwijst uitdrukkelijk naar de gevolgen, vermeld in het derde lid.
  Een nieuwe termijn van dertig dagen gaat in op de dag na de verzending van de herinnering. Als het gevraagde besluit niet wordt verzonden aan de toezichthoudende overheid binnen die nieuwe termijn, is het opgevraagde besluit van rechtswege nietig. De toezichthoudende overheid brengt de intergemeentelijke overheid op de hoogte van die nietigheid.
Art. 468. § 1er. Le Gouvernement flamand dispose de trente jours pour annuler les décisions de l'autorité intercommunale et pour l'en informer. S'il s'agit d'une décision qui, conformément à l'article 467, doit être publiée par le biais de l'application web de l'association prestataire de services ou chargée de mission, le délai est porté à quinze jours.
  § 2. Le délai mentionné au paragraphe 1er prend cours le jour qui suit celui où l'autorité de contrôle a été informée de la notification sur l'application web de l'association prestataire de services ou chargée de mission de la liste des questions, visée à l'article 466. En ce qui concerne les décisions visées à l'article 467, le délai prend cours le jour qui suit celui où l'autorité de contrôle est informée de la notification de la décision sur l'application web de l'association prestataire de services ou chargée de mission. En ce qui concerne les associations de projet, le délai visé au paragraphe 1er débute le jour qui suit celui où la décision est prise.
  § 3. Une plainte contre une décision d'une association prestataire de services et l'association chargée de mission sera déposée, sous peine de non-recevabilité, dans une période de trente jours suivant le jour de la notification, sur l'application web de l'association prestataire de services ou chargée de mission, de la liste des questions, visée à l'article 466, ou des décisions, visée à l'article 467. Une plainte contre une décision d'une association de projet sera déposée, sous peine de non-recevabilité, dans une période de trente jours débutant le jour qui suit celui où la décision est prise.
  § 4. Le délai dont l'autorité de contrôle dispose pour exercer le contrôle administratif est interrompu par l'envoi d'une plainte à l'autorité de contrôle, à condition que ladite plainte soit envoyée selon les modalités arrêtées par le Gouvernement flamand dans le délai visé au paragraphe 3. Un nouveau délai visé au paragraphe 1er prend cours le jour qui suit celui de l'envoi de la plainte.
  § 5. Le délai visé au paragraphe 1er est interrompu par la demande formulée par l'autorité de contrôle de la décision de l'autorité intercommunale conformément à l'article 465, premier ou deuxième alinéa.
  Un nouveau délai visé au paragraphe 1er prend cours le jour qui suit celui de l'envoi de la décision demandée.
  § 6. L'autorité intercommunale enverra la décision demandée par l'autorité de contrôle dans un délai de trente jours suivant le jour de l'envoi de la demande.
  Si l'autorité intercommunale n'envoie pas la décision demandée à l'autorité de contrôle dans le délai visé à l'alinéa premier, l'autorité de contrôle adressera un rappel à l'autorité intercommunale à l'expiration du délai. Le rappel renverra expressément aux conséquences visées au troisième alinéa.
  Un nouveau délai de trente jours prend cours le jour qui suit celui de l'envoi du rappel. Si la décision demandée n'est pas envoyée à l'autorité de contrôle dans ce nouveau délai, elle sera nulle de plein droit. L'autorité de contrôle informera l'autorité intercommunale de ladite nullité.
Art. 469. Als een klacht wordt ingediend tegen een besluit van de intergemeentelijke overheid brengt de toezichthoudende overheid de indiener van de klacht op de hoogte van:
  1° de ontvangst van de klacht, binnen tien dagen nadat ze ontvangen werd;
  2° het verzoek van de toezichthoudende overheid aan de intergemeentelijke overheid om het besluit en het bijbehorende dossier te bezorgen, binnen tien dagen na dat verzoek;
  3° het besluit van de toezichthoudende overheid over de ingediende klacht met vermelding van de motieven waarop het besluit is gebaseerd.
  De toezichthoudende overheid brengt de betrokken intergemeentelijke overheid op de hoogte van haar definitieve antwoord aan de indiener van de klacht. Die mededeling wordt ter kennis gebracht op de eerstvolgende vergadering van de raad van bestuur van de intergemeentelijke overheid.
  In geval van stuiting van de termijn om een beroep in te stellen bij de Raad van State brengt de toezichthoudende overheid de indiener van de klacht op de wijze bepaald door de Vlaamse Regering op de hoogte van de motieven van de toezichthoudende overheid om het besluit van de intergemeentelijke overheid waartegen de klacht was ingediend, niet te vernietigen, binnen tien dagen na het nemen van dat besluit of na het verstrijken van de termijn.
Art. 469. Si une plainte est déposée contre une décision de l'autorité intercommunale, l'autorité de contrôle informera le plaignant :
  1° de la réception de la plainte dans les dix jours qui suivent ladite réception ;
  2° de la demande adressée par l'autorité de contrôle à l'autorité intercommunale de fournir la décision et le dossier correspondant dans les dix jours suivant ladite demande ;
  3° de la décision de l'autorité de contrôle concernant la plainte déposée avec mention des motifs sur lesquels la décision repose.
  L'autorité de contrôle communiquera à l'autorité intercommunale concernée sa réponse définitive au plaignant. Ladite communication sera notifiée lors de la réunion suivante du conseil d'administration de l'autorité intercommunale.
  En cas d'interruption du délai d'appel auprès du Conseil d'Etat, l'autorité de contrôle informera le plaignant, selon les modalités arrêtées par le Gouvernement flamand, des motifs de l'autorité de contrôle de ne pas annuler la décision de l'autorité intercommunale, contre laquelle la plainte a été déposée, dans les dix jours suivant celui où ladite décision a été prise ou suivant l'expiration du délai.
Afdeling 3. - Dwangtoezicht
Section 3. - Tutelle coercitive
Art. 470. § 1. De toezichthoudende overheid kan, na een schriftelijke ingebrekestelling, een of meer commissarissen gelasten ter plaatse te gaan om de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen van de intergemeentelijke overheid of om de maatregelen uit de voeren die in rechte zijn voorgeschreven.
  De toezichthoudende overheid kan pas optreden na het verstrijken van de termijn, vermeld in de ingebrekestelling.
  § 2. Als een of meer commissarissen optreden, moeten ze vergoed worden door de personen die verzuimd hebben aan de ingebrekestelling gevolg te geven.
Art. 470. § 1er. L'autorité de contrôle peut, après une mise en demeure écrite, charger un ou plusieurs commissaires de se rendre sur place afin de collecter les renseignements ou remarques demandés auprès de l'autorité intercommunale ou pour exécuter les mesures prescrites légalement.
  L'autorité de contrôle ne peut agir qu'à l'expiration du délai visé dans la mise en demeure.
  § 2. Si un ou plusieurs commissaires interviennent, ils doivent être indemnisés par les personnes qui n'ont pas donné suite à la mise en demeure.
HOOFDSTUK 5. - Diverse bepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions diverses
Art. 471. Met behoud van de toepassing van artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales, kan voor gewestelijke aangelegenheden het Vlaamse Gewest de samenwerkingsverbanden, vermeld in deze titel, aan een eigen fiscaliteit onderwerpen.
  Op de grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden waarvan Vlaamse gemeenten deel uitmaken op grond van verdragsrechtelijke overeenkomsten, wordt het toezicht uitgeoefend in onderling overleg tussen de Vlaamse Regering en de andere betrokken overheden. De bepalingen over de wijze waarop het toezicht uitgeoefend wordt, worden in voorkomend geval opgenomen in de statuten van de desbetreffende rechtspersoon. [1 De ontwerpstatuten worden op straffe van nietigheid voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt conform artikel 415, derde lid, en artikel 427, tweede lid.]1
  
Art. 471. Tout en préservant l'application de l'article 26 de la loi du 22 décembre 1986 relative aux intercommunales, la Région flamande peut soumettre les partenariats visés dans le présent titre à une fiscalité propre concernant les questions régionales.
  Le contrôle des partenariats transfrontaliers dont des communes flamandes font partie en vertu de conventions de traité est exercé de commun accord entre le Gouvernement flamand et les autres autorités concernées. Les dispositions relatives aux modalités selon lesquelles le contrôle est exercé seront reprises, le cas échéant, dans les statuts de la personne morale en question. [1 Le projet des statuts est, sous peine de nullité, soumis à l'avis du Gouvernement flamand de la manière déterminée par le Gouvernement flamand conformément à l'article 415, alinéa 3, et à l'article 427, alinéa 2.]1
  
Art. 472. § 1. Met behoud van de toepassing van andere wettelijke of decretale bepalingen kunnen dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen deelnemen in publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die zelf niet die rechtsvorm hebben aangenomen, op voorwaarde dat het maatschappelijk doel van die rechtspersonen overeenstemt met de eigen doelstellingen en op voorwaarde dat de wetgeving van de overheidsopdrachten wordt nageleefd.
  De beslissing tot deelneming, vermeld in het eerste lid, wordt genomen door de algemene vergadering op grond van een verslag dat de raad van bestuur heeft opgemaakt. In dat verslag worden de voor- en nadelen van de deelneming afgewogen en wordt aangetoond dat de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging zelf niet die voordelen kan bieden.
  Tot de deelneming kan pas worden overgegaan nadat de beslissing van de algemene vergadering, vermeld in het tweede lid, is goedgekeurd overeenkomstig paragraaf 2.
  De deelneming is onderworpen aan de voorwaarde dat aan de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging minstens een mandaat van bestuurder wordt toegekend. Voor dat mandaat komt uitsluitend een bestuurder die benoemd is op voordracht van de gemeenten, in aanmerking.
  § 2. De beslissing van de algemene vergadering tot deelneming wordt samen met het verslag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, binnen [1 een termijn van]1 dertig dagen [1 na de dagtekening ervan aan de toezichthoudende overheid voorgelegd]1. De Vlaamse Regering keurt de beslissing al dan niet goed.
  Als de Vlaamse Regering binnen een termijn van [1 negentig]1 dagen hierover geen besluit heeft verstuurd naar de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging, wordt ze geacht de beslissing tot deelneming goed te keuren. [1 De voormelde termijn gaat in op de dag na de verzending, vermeld in het eerste lid.]1
  § 3. De vertegenwoordigers van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging brengen verslag uit in hun raad van bestuur.
  De eventuele vergoedingen komen toe aan de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging. Een uitzondering daarop vormen de presentiegelden die aan de bestuurder die door of namens een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging is benoemd in die rechtspersonen worden toegekend.
  De vertegenwoordigers van de dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging in de bestuursorganen van de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen waarin een dienstverlenende of opdrachthoudende vereniging rechtstreeks of onrechtstreeks deelneemt, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kunnen per bijgewoonde vergadering een presentiegeld ontvangen dat ten hoogste gelijk is aan het hoogste bedrag dat uitkeerbaar is aan een gemeenteraadslid voor een gemeenteraadszitting in een van de deelnemende gemeenten.
  § 4. De beperking van de presentiegelden, vermeld in paragraaf 3, derde lid, is ook van toepassing op de vertegenwoordigers van de gemeenten in de bestuursorganen van bedrijven voor productie, vervoer en distributie van energie, waarin de gemeente rechtstreeks of onrechtstreeks participeert overeenkomstig artikel 180 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
  
Art. 472. § 1er. Tout en préservant l'application d'autres dispositions légales ou décrétales, les associations prestataires de services et chargées de mission peuvent participer à des personnes morales de droit public ou privé qui n'ont pas pris elles-mêmes ladite forme juridique, à condition que l'objet social de ces personnes morales corresponde avec ses propres objectifs et que la législation sur les marchés publics soit respectée.
  La décision de participation visée à l'alinéa premier est prise par l'assemblée générale sur la base d'un rapport établi par le conseil d'administration. Dans le rapport précité, les avantages et inconvénients de la participation seront considérés et il sera démontré que l'association prestataire de service ou chargée de mission ne peut pas offrir elle-même les avantages en question.
  La participation ne pourra intervenir qu'après approbation de la décision de l'assemblée générale visée au deuxième alinéa, conformément au paragraphe 2.
  La participation est soumise à la condition qu'au moins un mandat d'administrateur soit accordé à l'association prestataire de services ou chargée de mission. Seul un administrateur nommé sur proposition des communes entre en ligne de compte pour ledit mandat.
  § 2. La décision de participation par l'assemblée générale sera [1 soumise]1 dans [1 un délai de]1 trente jours [1 après sa datation à l'autorité de tutelle]1, en même temps que le rapport visé au paragraphe 1er, deuxième alinéa. Le Gouvernement flamand approuvera ou non la décision.
  Si le Gouvernement flamand n'a pas transmis de décision à ce sujet dans un délai de [1 nonante]1 jours à l'association prestataire de services ou chargée de mission, il sera censé approuver la décision de participation. [1 Le délai précité prend cours le jours suivant la soumission mentionnée au premier alinéa.]1
  § 3. Les représentants de l'association prestataire de services ou chargée de mission feront rapport à leur conseil d'administration.
  Les éventuelles rémunérations seront à la charge de l'association prestataire de services ou chargée de mission. Les jetons de présence qui sont octroyés à l'administrateur nommé par ou au nom d'une association prestataire de service ou chargée de mission font exception.
  Les représentants de l'association prestataire de services ou chargée de mission au sein des organes de direction des personnes morales de droit public ou privé auxquelles une association prestataire de services ou chargée de mission participe directement ou indirectement, visés au paragraphe 1er, peuvent recevoir, pour chaque réunion à laquelle ils assistent, un jeton de présence qui équivaudra tout au plus au montant maximum que peut recevoir un membre de conseil communal pour une séance du conseil communal dans l'une des communes participantes.
  § 4. La limitation des jetons de présence visée au paragraphe 3, troisième alinéa, s'applique également aux représentants des communes au sein des organes de direction d'entreprises de production, de transport et de distribution d'énergie dans lesquelles la commune a une participation directe ou indirecte conformément à l'article 180 de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses.
  
Art. 473. Voor lokale pps-projecten als vermeld in het decreet van 18 juli 2013 betreffende publiek-private samenwerking kunnen de samenwerkingsverbanden met rechtspersoonlijkheid, op voorwaarde van bijzondere en omstandige motivering, zakelijke rechten vestigen op de onroerende goederen die behoren tot het openbaar domein, op voorwaarde dat de gevestigde zakelijke rechten niet kennelijk onverenigbaar zijn met de bestemming van die goederen.
Art. 473. En ce qui concerne les projets pps locaux visés dans le décret du 18 juillet 2013 concernant la collaboration public-privé, les partenariats ayant la personnalité juridique peuvent, moyennant une motivation spéciale et circonstanciée, créer des droits réels sur les biens immobiliers appartenant au domaine public, à condition que les droits réels créés ne soient pas manifestement incompatibles avec la destination de ces biens.
TITEL 4. - DE VERENIGINGEN OF VENNOOTSCHAPPEN VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN
TITRE 4. - Les associations ou sociétés d'aide sociale
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Art. 474. § 1. Een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan een samenwerkingsverband oprichten met een of meer andere openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met andere openbare besturen [2 , met andere rechtspersonen die zonder winstoogmerk een belangeloos doel nastreven of met rechtspersonen die erkend zijn als een sociale onderneming als vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]2. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan ook toetreden tot die samenwerkingsverbanden.
  De samenwerkingsverbanden, vermeld in het eerste lid, zijn verenigingen of vennootschappen voor maatschappelijk welzijn.
  Er bestaan vijf vormen van verenigingen of vennootschappen voor maatschappelijk welzijn, namelijk:
  1° de welzijnsvereniging;
  2° de autonome verzorgingsinstelling;
  3° de ziekenhuisvereniging;
  4° de vereniging voor sociale dienstverlening of de vennootschap voor sociale dienstverlening;
  5° de woonzorgvereniging of de woonzorgvennootschap.
  [3 § 1/1. De vereniging of vennootschap voor maatschappelijk welzijn sluit een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering af.]3
  § 2. [2 De leden van de raad van bestuur en de algemene vergadering van de welzijnsverenigingen en de autonome verzorgingsinstellingen en de vertrouwenspersonen die hen bijstaan conform artikel 16 en artikel 155 kunnen per bijgewoonde vergadering een presentiegeld ontvangen dat ten hoogste gelijk is aan het hoogste bedrag dat uitkeerbaar is aan een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn voor een zitting van de raad voor maatschappelijk welzijn van een deelnemend openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Aan de voorzitter van de raad van bestuur [3 , aan zijn vervanger]3 en aan de voormelde vertrouwenspersonen kan maximaal een dubbel presentiegeld worden toegekend. Bij een cumulatie van mandaten, waaraan een dubbel presentiegeld verbonden is in meerdere welzijnsverenigingen of autonome verzorgingsinstellingen, bepaalt het lid van de raad van bestuur in welke vereniging het dubbel presentiegeld wordt toegekend. In elk van de andere verenigingen ontvangt dit lid een enkel presentiegeld. De toekenning van een dubbel presentiegeld is slechts mogelijk nadat de betrokkene een verklaring op erewoord heeft ingediend waaruit blijkt dat hij geen dubbel presentiegeld geniet in een andere welzijnsvereniging of autonome verzorgingsinstelling.]2
  De algemene vergadering bepaalt het presentiegeld en, binnen de perken en overeenkomstig de toekenningsvoorwaarden die vastgesteld zijn door de Vlaamse Regering, de andere vergoedingen die in het kader van de bestuurlijke werking van de welzijnsverenigingen en de autonome verzorgingsinstellingen kunnen worden toegekend.
  De leden van eventuele andere statutair opgerichte organen van de welzijnsverenigingen en de autonome verzorgingsinstellingen ontvangen geen vergoeding onder welke vorm dan ook voor hun prestaties in die organen.
  De beperking van de presentiegelden en vergoedingen, vermeld in het [2 tweede]2 lid, en het verbod op vergoedingen, vermeld in het derde lid, zijn ook van toepassing op de vertegenwoordigers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de gemeenten in de bestuursorganen van de ziekenhuisverenigingen, de verenigingen voor sociale dienstverlening, de vennootschappen voor sociale dienstverlening, de woonzorgverenigingen en de woonzorgvennootschappen.
  § 3. Indien alle leden van een welzijnsvereniging of alle deelgenoten van een autonome verzorgingsinstelling openbare rechtspersonen zijn, bedraagt het aantal leden van de raad van bestuur van deze samenwerkingsverbanden maximaal vijftien.
  Maximaal twee derden van de leden is van hetzelfde geslacht.
  § 4. [2 De autonome verzorgingsinstelling, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 2°, die een ziekenhuis uitbaat en]2 de ziekenhuisvereniging als vermeld in paragraaf 1, derde lid, 3°, zijn in het kader van of ter ondersteuning van hun wettelijke opdrachten, met instemming van hun leden, gerechtigd lid te worden van een andere vereniging of vennootschap voor maatschappelijk welzijn of van rechtspersonen andere dan die welke winstoogmerk hebben. Met behoud van andersluidende decretale of wettelijke bepalingen kan dit gepaard gaan met de overdracht of terbeschikkingstelling van infrastructuur en van personeel.
  [3 Artikel 185/1, § 1, is van toepassing bij de overdracht van personeel aan een welzijnsvereniging of een autonome verzorgingsinstelling. Artikel 185/1, § 2, is van toepassing bij de overdracht van contractueel personeel aan een vereniging of vennootschap voor maatschappelijk welzijn of aan rechtspersonen andere dan die welke winstoogmerk hebben.]3
  [1 § 5. [4 Voor de ontwerpen van beslissingen die overeenkomstig deze titel voor advies voorgelegd worden aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt, geldt dat geacht wordt aan de adviesplicht te zijn voldaan als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn.]4]1
  
Art. 474. § 1er. Un centre public d'action sociale peut créer un partenariat avec un ou plusieurs autres centres publics d'action sociale, avec d'autres administrations publiques [2 , avec d'autres personnes morales poursuivant sans but lucratif une fin désintéressée ou avec des personnes morales reconnues comme entreprise sociale au sens du Code des sociétés et des associations]2. Le centre public d'action sociale peut aussi adhérer à ces partenariats.
  Les partenariats visés à l'alinéa premier sont des associations ou sociétés d'aide sociale.
  Il existe cinq formes d'associations ou sociétés d'aide sociale, à savoir :
  1° l'association d'aide sociale ;
  2° l'établissement autonome de soins ;
  3° l'association hospitalière ;
  4° l'association de services sociaux ou la société de services sociaux ;
  5° l'association de soins à domicile ou la société de soins à domicile.
  [3 § 1er/1. L'association ou société d'aide sociale souscrit une assurance responsabilité des administrateurs.]3
  § 2. [2 Les membres du conseil d'administration et de l'assemblée générale des associations d'aide sociale et des établissements autonomes de soins ainsi que les personnes de confiance qui les assistent conformément aux articles 16 et 155 peuvent percevoir par réunion à laquelle ils assistent, un jeton de présence qui ne dépasse pas le montant maximum payable à un membre du conseil de l'aide sociale pour une séance du conseil de l'aide sociale d'un centre public d'action sociale participant. Le président du conseil d'administration [3 , son suppléant]3 et les personnes de confiance précitées peuvent recevoir au maximum un double jeton de présence. En cas de cumul de mandats, donnant droit à un double jeton de présence dans plusieurs associations d'aide sociale ou établissements autonomes de soins, le membre du conseil d'administration détermine dans quelle association le double jeton de présence est accordé. Dans chacune des autres associations, ce membre reçoit un seul jeton de présence. L'octroi d'un double jeton de présence n'est possible qu'après présentation d'une déclaration sur l'honneur de l'intéressé qu'il ne jouit pas d'un double jeton de présence dans une autre association d'aide sociale ou établissement autonome de soins.]2
  L'assemblée générale arrête le jeton de présence et, dans les limites des conditions d'octroi qui ont été fixées par le Gouvernement flamand et conformément à celles-ci, les autres indemnités qui peuvent être octroyées dans le cadre du fonctionnement administratif des associations d'aide sociale et des établissements autonomes de soins.
  Les membres d'autres éventuels organes constitués statutairement des associations d'aide sociale et des établissements autonomes de soins ne recevront aucune rémunération sous quelque forme que ce soit pour leurs prestations au sein desdits organes.
  La limitation des jetons de présence et des rémunérations, visée à l'alinéa [2 deux]2, ainsi que l'interdiction de rémunération visée au troisième alinéa, sont également d'application aux représentants des centres publics d'action sociale ou des communes au sein des organes de direction des associations hospitalières, des associations de services sociaux, des sociétés de services sociaux, des associations de soins à domicile et des sociétés de soins à domicile.
  § 3. Si tous les membres d'une association d'aide sociale ou tous les associés d'un établissement autonome de soins sont des personnes morales publiques, le conseil d'administration desdits partenariats comptera quinze membres au maximum.
  Deux tiers des membres tout au plus seront du même sexe.
  § 4. [2 L'établissement autonome de soins visé au paragraphe 1, troisième alinéa, 2°, qui exploite un hôpital et]2 l'association hospitalière visée au paragraphe 1er, troisième alinéa, 3°, sont [2 habilités]2, dans le cadre de leurs missions légales ou en soutien de celles-ci, avec l'accord de leurs membres, à devenir membres d'une autre association ou société d'action sociale ou de personnes morales autres que celles ayant un but lucratif. Tout en préservant d'autres dispositions décrétales ou légales, l'adhésion précitée peut s'accompagner de la cession ou de la mise à disposition d'infrastructures et de personnel.
  [3 L'article 185/1, § 1er, s'applique au transfert de personnel à une association d'aide sociale ou à un établissement de soins autonome. L'article 185/1, § 2, s'applique au transfert de personnel contractuel à une association ou société d'aide sociale ou à des personnes morales autres que celles à but lucratif.]3
  [1 § 5. [4 Pour les projets de décisions soumis à l'avis du Gouvernement flamand conformément au présent titre, de la manière déterminée par le Gouvernement flamand, l'obligation d'avis est censée être satisfaite si aucun avis n'a été reçu dans le délai imparti.]4]1
  
HOOFDSTUK 2. - De welzijnsvereniging
CHAPITRE 2. - L'association d'aide sociale
Art. 475. Een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan, om een van de opdrachten uit te voeren die aan de centra voor maatschappelijk welzijn zijn toevertrouwd en voor leidinggevende, staf-, expert- en managementfuncties, een vereniging oprichten ofwel met als enig lid het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zelf, ofwel met een of meer andere openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met andere openbare besturen of met andere rechtspersonen dan rechtspersonen die winstoogmerk hebben.
  In de gevallen waarin het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geheel of gedeeltelijk een erkenning, vergunning of subsidiëring kan verkrijgen, worden de verenigingen, vermeld in dit hoofdstuk, voor het verkrijgen van die erkenning, vergunning of subsidiëring gelijkgesteld met een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  De vereniging, vermeld in het eerste lid, draagt naast de benaming de vermelding "welzijnsvereniging" of de afkorting "WV" en heeft haar zetel in de gemeente die door een deelnemend openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bediend wordt.
Art. 475. Un centre public d'action sociale peut, afin d'accomplir une des missions qui sont confiées aux centres d'action sociale ainsi que pour des fonctions de direction, de personnel, d'expert et de management, constituer une association ayant soit pour seul membre le centre public d'action sociale proprement dit, soit avec un ou plusieurs autres centres publics d'action sociale, avec des administrations publiques ou avec des personnes morales autres que des personnes morales ayant un but lucratif.
  Lorsque le centre public d'action sociale peut obtenir en tout ou partie un agrément, une autorisation ou subvention, les associations visées dans le présent chapitre sont assimilées, pour l'obtention dudit agrément, de ladite autorisation ou de ladite subvention, à un centre public d'action sociale.
  L'association visée à l'alinéa premier portera, en plus de sa dénomination, la mention " association d'aide sociale " ou l'abréviation " WV " et aura son siège dans la commune desservie par un centre public d'action sociale participant.
Art. 476. [1 Het ontwerp van het met redenen omklede besluit van de raad of raden voor maatschappelijk welzijn tot oprichting van de welzijnsvereniging en het ontwerp van de statuten van de welzijnsvereniging en ook de bijlagen die er krachtens de statuten integraal deel van uitmaken, worden op straffe van nietigheid voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt. De Vlaamse Regering verleent een niet-bindend advies aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waarin de zetel van de welzijnsvereniging gevestigd is binnen zestig dagen vanaf de dag na de dag waarop het ontwerpbesluit tot oprichting en de ontwerpstatuten aan de Vlaamse Regering zijn verzonden.
   Het ontwerpbesluit tot oprichting en de ontwerpstatuten worden samen met het niet-bindende advies voor beraadslaging en voor stemming voorgelegd aan de raad of raden voor maatschappelijk welzijn. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt dat vermeld op het ontwerpbesluit tot oprichting en op de ontwerpstatuten.]1

  
Art. 476. [1 Le projet de décision motivée du conseil ou des conseils de l'aide sociale de constitution de l'association d'aide sociale et le projet les statuts de l'association d'aide sociale, ainsi que les annexes qui en font partie intégrante en vertu des statuts, sont, à peine de nullité, soumis à l'avis du Gouvernement flamand de la manière déterminée par celui-ci. Le Gouvernement flamand émet un avis non contraignant à l'intention du centre public d'action sociale de la commune où est établi le siège de l'association d'aide sociale dans les soixante jours à compter du lendemain du jour où le projet de décision de constitution et le projet de statuts ont été transmis au Gouvernement flamand.
   Le projet de décision de constitution et le projet de statuts, sont soumis, accompagnés de l'avis non contraignant, à la délibération et au vote du ou des conseils d'aide sociale. Si aucun avis n'a été reçu dans le délai imparti, il en est fait mention dans le projet de décision de constitution et dans les projet de statuts.]1

  
Art. 477. De statuten van de welzijnsvereniging vermelden:
  1° de benaming, de zetel en de duur van de welzijnsvereniging;
  2° het doel of de doeleinden waarvoor ze is opgericht;
  3° de nauwkeurige aanduiding van de deelgenoten, van hun inbreng, verbintenissen en bijdragen;
  4° de voorwaarden tot toetreding en uittreding van de deelgenoten;
  5° de bevoegdheid van de algemene vergadering en de wijze waarop die wordt bijeengeroepen, alsook de wijze waarop haar besluiten ter kennis van de leden en van derden worden gebracht;
  6° de betrekkingen van de welzijnsvereniging met haar leden over de mededeling van de documenten die aan de algemene vergadering worden voorgelegd;
  7° de bevoegdheden van de raad van bestuur, de wijze van benoeming en van afzetting van zijn leden, de regeling over de duur en het einde van het mandaat van de bestuurders, alsook de aansprakelijkheid van de bestuurders;
  8° de na te komen regels voor de wijziging van de statuten;
  9° de bestemming van het vermogen van de welzijnsvereniging als ze ontbonden zou worden;
  10° het stemmenaantal in de verschillende bestuurs- en beheersorganen waarover elke deelgenoot beschikt;
  11° de tegemoetkoming van de deelgenotenrechtspersonen in de tekorten van de welzijnsvereniging;
  12° de wijze waarop het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op de hoogte wordt gebracht van de agenda van de bestuurs- en beheersorganen van de welzijnsvereniging;
  13° de wijze waarop de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn op de hoogte worden gebracht van de notulen van de vergaderingen van de raad van bestuur en het orgaan van dagelijks bestuur en alle documenten waarnaar verwezen wordt in de notulen. Die notulen en documenten worden, als een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat wil, in elk geval elektronisch ter beschikking gesteld.
  De statuten worden in een authentieke akte vastgesteld.
Art. 477. Les statuts de l'association d'aide sociale mentionneront :
  1° la dénomination, le siège et la durée de l'association d'aide sociale ;
  2° le but ou les buts dans lesquels elle a été constituée ;
  3° la désignation précise des associés, de leur apport, de leurs engagements et de leurs contributions ;
  4° les conditions d'adhésion et de sortie des associés ;
  5° la compétence de l'assemblée générale et les modalités de sa convocation, ainsi que les modalités selon lesquelles ses décisions sont portées à la connaissance des membres et des tiers ;
  6° les relations de l'association d'aide sociale avec ses membres concernant la communication de documents soumis à l'assemblée générale ;
  7° les compétences du conseil d'administration, les modalités de nomination et révocation de ses membres, le règlement relatif à la durée et la fin du mandat des administrateurs, ainsi que la responsabilité de ces derniers ;
  8° les règles à respecter en matière de modification des statuts ;
  9° la destination de l'actif de l'association d'aide sociale en cas de dissolution ;
  10° le nombre de voix dont chaque associé dispose dans les différents organes de direction et de gestion ;
  11° l'intervention des personnes morales associées dans les déficits de l'association d'aide sociale ;
  12° les modalités d'information du centre public d'action sociale de l'ordre du jour des organes de direction et de gestion de l'association d'aide sociale ;
  13° les modalités d'information des membres du conseil de l'action sociale des procès-verbaux des réunions du conseil d'administration et de l'organe de gestion journalière et de tous les documents auxquels il est fait référence dans les procès-verbaux. Si un membre du conseil de l'action sociale en exprime le souhait, les procès-verbaux et documents précités seront, en tout état de cause, mis à disposition électroniquement.
  Les statuts seront établis par un acte authentique.
Art. 478. De welzijnsvereniging bezit rechtspersoonlijkheid. Ze kan onder meer, onder dezelfde voorwaarden als de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, subsidies van de openbare besturen en schenkingen en legaten ontvangen alsook leningen aangaan.
  Al de akten, facturen, aankondigingen, publicaties en andere stukken die uitgaan van de welzijnsvereniging, vermelden de benaming van de welzijnsvereniging met, onmiddellijk daarvoor of daarna, de leesbaar en voluit geschreven zinsnede: "vereniging van publiek recht onderworpen aan deel 3, titel 4, hoofdstuk 2, van het decreet over het lokaal bestuur", "welzijnsvereniging" of de initialen "WV".
Art. 478. L'association d'aide sociale possède la personnalité juridique. Elle peut notamment, aux mêmes conditions que les centres publics d'action sociale, recevoir des subventions des administrations publiques ainsi que des donations et legs, et contracter des emprunts.
  Tous les actes, factures, annonces, publications et autres documents émanant de l'association d'aide sociale mentionneront la dénomination de l'association d'aide sociale, immédiatement précédée ou suivie du membre de phrase suivant, écrit de manière lisible et en toutes lettres : " association de droit public soumise à la partie 3, titre 4, chapitre 2, du décret sur l'administration locale ", " association d'aide sociale ou les initiales " WV ".
Art. 479. Artikel 221 tot en met 223 [1 en artikel 224/1]1 zijn van toepassing op de welzijnsvereniging met dien verstande dat "in elke gemeente en in elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" gelezen wordt als "in elke welzijnsvereniging".[1 , "een gemeente of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" gelezen wordt als "een welzijnsvereniging" en "de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" gelezen wordt als "de welzijnsvereniging"]1
  
Art. 479. Les articles 221 à 223 [1 et l'article 224/1 " ]1 sont d'application à l'association d'aide sociale, étant entendu que " dans chaque commune et dans chaque centre public d'action sociale " se lit " dans chaque association d'aide sociale "[1 une commune ou un centre public d'action sociale " se lit comme " une association d'aide sociale " et " la commune ou le centre public d'action sociale " se lit comme " l'association d'aide sociale "]1
  
Art. 480. Artikel 276 is van toepassing op de welzijnsvereniging met dien verstande dat "de gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, het autonoom gemeentebedrijf en het gemeentelijk extern verzelfstandigd agentschap in privaatrechtelijke vorm" gelezen wordt als "de welzijnsvereniging".
Art. 480. L'article 276 est d'application à l'association d'aide sociale, étant entendu que " la commune, le centre public daction sociale, la régie communale autonomisée externe commune de droit privée " se lit " association d'aide sociale ".
Art. 481. De databank, vermeld in artikel 301, bevat ook de gegevens over de leidend ambtenaar van de welzijnsvereniging en biedt een overzicht van de personeelsleden die namens de welzijnsvereniging verantwoordelijk zijn voor de digitale communicatie met de Vlaamse overheid.
Art. 481. La base de données visée à l'article 301 comprend également les données relatives au fonctionnaire dirigeant de l'association d'aide sociale et donne un aperçu des membres du personnel responsables, au nom de l'association d'aide sociale, de la communication numérique avec l'autorité flamande.
Art. 482. [2 Elk ontwerpbesluit tot wijziging van de statuten, tot verlenging van de duur van de welzijnsvereniging of tot vrijwillige ontbinding ervan wordt op straffe van nietigheid voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt conform artikel 476, eerste lid.]2
  Die beslissingen, alsook de beslissing tot de toelating van deelgenoten, kunnen alleen genomen worden als alle deelgenoten daarmee vooraf instemmen. Bij een statutenwijziging is die instemming alleen vereist voor wijzigingen die een verzwaring van de verplichtingen of [1 een vermindering]1 van de rechten van de deelgenoten teweegbrengen.
  
Art. 482. [2 Tout projet de décision de modification les statuts, de prolongation de la durée de l'association d'aide sociale ou de sa dissolution volontaire, est soumis à l'avis du Gouvernement flamand selon les modalités déterminées par celui-ci conformément à l'article 476, alinéa 1er.]2
  Les décisions précitées, de même que la décision d'autoriser des associés, ne peuvent être prises qu'à la condition que tous les associés aient marqué leur accord préalable. En cas de modification de statuts, l'accord précité n'est requis que pour les modifications impliquant un renforcement des obligations ou [1 une réduction]1 des droits des associés.
  
Art. 483. In geval van wijziging van de doeleinden waarvoor de welzijnsvereniging is opgericht, kan elke deelgenoot zich uit de welzijnsvereniging terugtrekken door zijn ontslag in te dienen bij de raad van bestuur.
  De deelgenoot, vermeld in het eerste lid, zal de tegenwaarde ontvangen van zijn eventuele inbreng in de welzijnsvereniging, geraamd volgens de boekhoudkundige waarde op het ogenblik van het ontslag. Hij kan evenwel de teruggave niet eisen van de betaalde bijdragen.
Art. 483. En cas de modification des buts dans lesquels l'association d'aide sociale a été constituée, chaque associé peut se retirer de l'association d'aide sociale en présentant sa démission au conseil d'administration.
  L'associé visé à l'alinéa premier recevra la contre-valeur de son apport éventuel dans l'association d'aide sociale, estimée selon la valeur comptable au moment de la démission. Il ne pourra toutefois pas réclamer le remboursement des cotisations payées.
Art. 484. § 1. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn zijn in de organen van de welzijnsvereniging vertegenwoordigd door leden van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  De leden, vermeld in het eerste lid, worden door de raad voor maatschappelijk welzijn aangewezen bij geheime stemming en in één enkele stemronde. Elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn beschikt daarbij over één stem. Bij staking van stemmen is de jongste kandidaat in jaren verkozen.
  [1 Het mandaat van de vertegenwoordigende leden van de raad voor maatschappelijk welzijn eindigt van rechtswege op de eerste algemene vergadering die plaatsvindt nadat de raden voor maatschappelijk welzijn van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die lid zijn van de vereniging, conform artikel 68, § 1, geïnstalleerd zijn.]1 Als het mandaat van afgevaardigde in de bestuursorganen een einde neemt of bij een verhindering kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn van de lijst [1 van de betrokken vertegenwoordiger]1, samen een [1 vertegenwoordiger]1 aanwijzen, behalve als de vertegenwoordiger in de bestuursorganen van de vereniging was verkozen als jongste in jaren bij staking van stemmen.
  Als de vervanging, vermeld in het derde lid, niet kan plaatsvinden of niet plaatsvindt binnen zestig dagen, wordt in de vervanging voorzien, overeenkomstig het tweede lid.
  § 2. De algemene vergadering kan onafhankelijke bestuurders aanstellen als stemgerechtigde leden van de raad van bestuur.
  De raad van bestuur stelt de vereisten vast waaraan kandidaten voor het mandaat van onafhankelijk bestuurder moeten voldoen op het vlak van bekwaamheden, kennis en ervaring. Hij doet een open oproep tot kandidaatstelling voor een mandaat van onafhankelijk bestuurder. De oproep bevat een weergave van de vereisten waaraan kandidaten moeten voldoen en regelt de wijze van kandidaatstelling, waarbij minstens een curriculum vitae wordt voorgelegd. De raad van bestuur vergelijkt de verdiensten van de kandidaten.
  De algemene vergadering stelt een onafhankelijk bestuurder aan op voordracht van de raad van bestuur, op grond van:
  - deskundigheid inzake het algemeen bestuur van de welzijnsvereniging;
  - specifieke deskundigheid inzake de inhoudelijke materie en de beleidsvelden waarin de welzijnsvereniging actief is;
  - onafhankelijkheid ten aanzien van de deelgenoten en het dagelijks bestuur van de welzijnsvereniging.
  In geval van ernstige redenen kunnen de onafhankelijke bestuurders te allen tijde worden ontslagen door de algemene vergadering, op voordracht van de raad van bestuur.
  § 3. De raad van bestuur van de [1 welzijnsvereniging]1 kan zich laten bijstaan door deskundigen die na gezamenlijk overleg worden voorgedragen door de raad van bestuur. De algemene vergadering benoemt deze deskundigen, die met raadgevende stem zetelen in de raad van bestuur.
  § 4. Het huishoudelijk reglement van het bevoegde orgaan van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bepaalt op welke wijze het de beslissingen van de welzijnsvereniging bespreekt.
  
Art. 484. § 1er. Les centres publics d'action sociale sont représentés au sein des organes de l'association d'aide sociale par des membres du conseil de l'action sociale.
  Les membres visés à l'alinéa premier sont désignés par le conseil de l'action sociale par bulletin secret à un seul tour. Chaque membre du conseil de l'action sociale dispose à cet égard d'une seule voix. En cas de parité des suffrages, le plus jeune candidat sera élu.
  [1 Le mandat des membres représentants du conseil de l'aide sociale prend fin de plein droit à la première assemblée générale qui se tient après que les conseils de l'aide sociale des centres publics d'action sociale membres de l'association ont été installés conformément à l'article 68, § 1.]1 Si le mandat de délégué au sein des organes de direction prend fin ou en cas d'empêchement, les membres du conseil de l'action sociale de la liste [1 du représentant en question]1 peuvent désigner conjointement un [1 représentant]1, sauf si le représentant au sein des organes de direction avait été élu du fait qu'il était le plus jeune à la suite d'une parité des suffrages.
  Si le remplacement visé au troisième alinéa ne peut pas avoir lieu ou n'a pas lieu dans les soixante jours, il sera pourvu au remplacement conformément au deuxième alinéa.
  § 2. L'assemblée générale peut désigner des administrateurs indépendants comme membres ayant voix délibérative du conseil d'administration.
  Le conseil d'administration détermine les exigences auxquelles les candidats au mandat d'administrateur indépendant doivent satisfaire en termes de compétences, de connaissances et d'expérience. Il lancera un appel public à candidatures pour un mandat d'administrateur indépendant. L'appel mentionnera les exigences auxquelles les candidats doivent satisfaire et règlera les modalités des candidatures, sachant qu'il y a lieu de présenter au moins un curriculum vitj. Le conseil d'administration comparera les mérites des candidats.
  L'assemblée générale désigne un administrateur indépendant sur proposition du conseil d'administration sur les bases suivantes :
  - expertise en matière d'administration générale de l'association d'aide sociale ;
  - expertise spécifique concernant la matière et les domaines politiques dans lesquels l'association d'aide sociale est active ;
  - indépendance envers les associés et la gestion journalière de l'association d'aide sociale.
  Les administrateurs indépendants peuvent être démis à tout moment par l'assemblée générale pour motifs graves, sur proposition du conseil d'administration.
  § 3. Le conseil d'administration de l'association d'aide sociale peut se faire assister par des experts proposés de commun accord par le conseil d'administration. L'assemblée générale désigne les experts en question, qui ont voix délibérative au sein du conseil d'administration.
  § 4. Le règlement d'ordre intérieur de l'organe compétent du centre public d'action sociale détermine les modalités de son examen des décisions de l'association d'aide sociale.
  
Art. 485. De bepalingen van deel 2, titel 7, zijn van toepassing op de welzijnsvereniging, met dien verstande dat de volgende woorden worden gelezen als volgt:
  1° "openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" als "welzijnsvereniging";
  2° "de besluiten van de raad voor maatschappelijk welzijn" als "de besluiten van de algemene vergadering en de besluiten van de raad van bestuur".
  De welzijnsvereniging bezorgt onmiddellijk na elke vergadering van de algemene vergadering en na elke vergadering van de raad van bestuur een lijst met de besluiten, met een beknopte omschrijving van de daarin geregelde aangelegenheden, aan de voorzitter van het vast bureau van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient waar de maatschappelijke zetel van de welzijnsvereniging zich bevindt, met het oog op de bekendmaking ervan op de webtoepassing van de gemeente, overeenkomstig artikel 285, § 2.
  De welzijnsvereniging bezorgt ook onmiddellijk na de behandeling ervan door de algemene vergadering haar beleidsrapporten aan de voorzitter van het vast bureau van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient waar de maatschappelijke zetel van de welzijnsvereniging zich bevindt, met het oog op de bekendmaking ervan op de webtoepassing van de gemeente overeenkomstig artikel 286, § 2.
  De welzijnsvereniging bepaalt de regels voor het aangaan van verbintenissen, de kredietbewaking, de wetmatigheidscontrole en de ondertekening van de girale betalingsorders.
Art. 485. Les dispositions de la partie 2, titre 7, sont d'application à l'association d'aide sociale, étant entendu que les mots suivants auront la signification suivante :
  1° " centre public d'action sociale " se lit " association d'aide sociale " ;
  2° " les décisions du conseil de l'action sociale " se lit " les décisions de l'assemblée générale et les décisions du conseil d'administration ".
  L'association d'aide sociale fournira immédiatement, après chaque réunion de l'assemblée générale et après chaque réunion du conseil d'administration, une liste des décisions ainsi qu'une description succincte des questions qui y ont été réglées, au président du bureau permanent du centre public d'action sociale qui dessert la commune dans laquelle se trouve le siège social de l'association d'aide sociale, en vue de sa publication sur l'application web de la commune, conformément à l'article 285, § 2.
  Immédiatement après leur traitement par l'assemblée générale, l'association d'aide sociale fournira ses rapports de politique au président du bureau permanent du centre public d'action sociale qui dessert la commune dans laquelle se trouve le siège social de l'association d'aide sociale, en vue de leur publication sur l'application web de la commune, conformément à l'article 286, § 2.
  L'association d'aide sociale arrête les règles relatives à la conclusion d'engagements, au contrôle des crédits, au contrôle de la légalité et à la signature des ordres de paiement scripturaux.
Art. 486. De welzijnsverenigingen beschikken voor lokale pps-projecten als vermeld in het decreet van 18 juli 2003 betreffende publiek-private samenwerking, in het bijzonder over dezelfde bevoegdheid, vermeld in artikel 292 van dit decreet, om zakelijke rechten te vestigen op goederen van het openbaar domein.
Art. 486. En ce qui concerne les projets pps locaux visés dans le décret du 18 juillet 2003 relatif à la collaboration public-privé, les associations d'aide sociale disposent en particulier de la même compétence, visée à l'article 292 du présent décret, de créer des droits réels sur des biens du domaine public.
Art. 487. Het ambt van provinciegouverneur is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van een raad van bestuur van de welzijnsvereniging.
Art. 487. La fonction de gouverneur de province est incompatible avec la qualité de membre du conseil d'administration de l'association d'aide sociale.
Art. 488. § 1. [2 Het bevoegde orgaan van de welzijnsvereniging stelt, binnen de grenzen die vastgesteld zijn door de Vlaamse Regering, de rechtspositieregeling van het personeel vast]2.
  § 2. [3 De personeelsleden van een welzijnsvereniging zijn onderworpen aan dezelfde bepalingen van deel 2, titel 2, hoofdstuk 4, met uitzondering van artikel 186 en 195, als de bepalingen die van toepassing zijn op de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient waar de zetel van de welzijnsvereniging gevestigd is.]3
  § 3. [2 ...]2
  § 4. Als dat nader bepaald is in de rechtspositieregeling van het personeel van een welzijnsvereniging of autonome verzorgingsinstelling als vermeld in titel 4, hoofdstuk 2 en 3, kunnen personeelsleden in statutair dienstverband ter beschikking gesteld worden van een vereniging als vermeld in titel 4, hoofdstuk 2 of 3.
  De terbeschikkingstelling is tijdelijk en wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de vereniging overeenkomstig titel 4, hoofdstuk 2 of 3, en de rechtspersoon waaraan het personeel ter beschikking wordt gesteld.
  De aanstellende overheid beslist, in overeenstemming met de rechtspositieregeling, over de individuele terbeschikkingstelling van het personeelslid en sluit een overeenkomst van terbeschikkingstelling.
  
Art. 488. § 1er. [2 L'organe compétent de l'association d'aide sociale détermine, dans les limites fixées par le Gouvernement flamand, le statut juridique du personnel.]2
  § 2. [3 Les membres du personnel d'une association d'aide sociale sont soumis aux mêmes dispositions de la partie 2, titre 2, chapitre 4, à l'exception des articles 186 et 195, que celles applicables aux membres du personnel du centre public d'action sociale desservant la commune où se trouve le siège de l'association d'aide sociale.]3
  § 3. [2 ...]2.
  § 4. S'il en est disposé ainsi dans le statut juridique du personnel d'une association d'aide sociale ou d'un établissement autonome de soins visés au titre 4, chapitres 2 et 3, les membres du personnel sous contrat statutaire peuvent être mis à la disposition d'une association visée au titre 4, chapitre 2 ou 3.
  La mise à disposition est provisoire et est arrêtée dans une convention entre l'association conformément au titre 4, chapitre 2 ou 3, et la personne morale à la disposition de laquelle le personnel est mis.
  Le pouvoir adjudicateur décide, conformément au statut juridique, de la mise à disposition individuelle du membre du personnel et conclut une convention de mise à disposition.
  
Art. 489. [1 Artikel 221 tot en met 223 en de bepalingen van deel 2, titel 4, zijn van toepassing op de welzijnsverenigingen, met uitzondering van artikel 249, § 2, § 3 en § 4, artikel 256, artikel 260, derde lid, artikel 262, § 1, tweede lid, artikel 263, artikel 264, tweede lid, en hoofdstuk 3 en 4,]1 artikel 263 en artikel 264, tweede lid, met dien verstande dat de volgende woorden worden gelezen als volgt:
  1° "gemeente" als "welzijnsvereniging";
  2° "gemeente en openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" als "welzijnsvereniging";
  3° "elke gemeente en elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn" als "elke welzijnsvereniging";
  4° "gemeenteraad" als "algemene vergadering";
  5° "raadsleden" als "leden van de algemene vergadering";
  6° "het college van burgemeester en schepenen" als "de raad van bestuur".
  De algemene vergadering bepaalt wanneer hen een opvolgingsrapportering, met een stand van zaken van de uitvoering van het meerjarenplan, wordt voorgelegd. Er wordt minstens voor het einde van het derde kwartaal een opvolgingsrapportering over het eerste semester van het boekjaar voorgelegd.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden voor de toepassing van het eerste lid op de welzijnsverenigingen.
  
Art. 489. [1 Les articles 221 à 223 et les dispositions de la partie 2, titre 4 sont applicables aux associations d'aide sociale, à l'exception de l'article 249, §§ 2, 3 et 4, et des articles 256, 260, troisième alinéa, 262, § 1, deuxième alinéa, 263, 264, deuxième alinéa, et des chapitres 3 et 4,]1 de l'article 263 et de l'article 264, deuxième alinéa, étant entendu que les mots suivants ont la signification suivante :
  1° " commune " se lit " association d'aide sociale " ;
  2° " commune et centre public d'action sociale " se lit " association d'aide sociale " ;
  3° " toute commune et tout centre public d'action sociale " se lit " toute association d'aide sociale " ;
  4° " conseil communal " se lit " assemblée générale " ;
  5° " conseillers " se lit " membres de l'assemblée générale " ;
  6° " le collège des bourgmestre et échevins " se lit " le conseil d'administration ".
  L'assemblée générale déterminera le moment auquel un rapport de suivi avec un état d'avancement de l'exécution du plan pluriannuel lui sera présenté. Il est présenté au moins un rapport de suivi du premier semestre de l'exercice avant la fin du troisième trimestre.
  Le Gouvernement flamand arrête les autres conditions d'application de l'alinéa premier aux associations d'aide sociale.
  
Art. 490. § 1. De boekhouding wordt gevoerd onder de verantwoordelijkheid en het toezicht van de raad van bestuur.
  De raad van bestuur stelt het meerjarenplan en de aanpassingen ervan vast en legt ze ter goedkeuring voor aan de algemene vergadering van de welzijnsvereniging.
  [1 De raad van bestuur stemt telkens over het hele meerjarenplan en de aanpassingen ervan en over de hele jaarrekening.
   In afwijking van het derde lid kan elk lid van de raad van bestuur de afzonderlijke stemming eisen over een of meer onderdelen die hij aanwijst. In dat geval mag de raad van bestuur pas over het hele meerjarenplan en de aanpassingen ervan en over de hele jaarrekening stemmen na de afzonderlijke stemming. Als die afzonderlijke stemming tot gevolg heeft dat het ontwerp van het meerjarenplan en de aanpassingen ervan of de jaarrekening gewijzigd moeten worden, wordt de stemming over het geheel verdaagd tot de volgende vergadering van de raad van bestuur.]1

  § 2. De algemene vergadering van de welzijnsvereniging spreekt zich uit over de vaststelling van de jaarrekening voor 30 juni van het boekjaar dat volgt op het boekjaar waarop de rekening betrekking heeft.
  Een afschrift van de vastgestelde jaarrekening wordt binnen twintig dagen bezorgd aan de betrokken openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
  § 3. De betrokken raden voor maatschappelijk welzijn kunnen advies uitbrengen over de jaarrekening van de welzijnsvereniging.
  Als de raad voor maatschappelijk welzijn geen advies verstuurd heeft aan de toezichthoudende overheid binnen een termijn van vijftig dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de jaarrekening door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, wordt hij geacht een gunstig advies te hebben uitgebracht.
  § 4. Als de toezichthoudende overheid geen besluit heeft verzonden over de goedkeuring van de jaarrekening binnen een termijn van honderdvijftig dagen, wordt ze geacht de jaarrekening goed te keuren. Die termijn gaat in op de dag nadat de [2 welzijnsvereniging]2 de toezichthoudende overheid op de hoogte gebracht heeft van de bekendmaking van de jaarrekening van de welzijnsvereniging, met toepassing van artikel 286, § 2, en de welzijnsvereniging de digitale rapportering erover aan de Vlaamse Regering heeft bezorgd.
  
Art. 490. § 1er. La comptabilité est réalisée sous la responsabilité et le contrôle du conseil d'administration.
  Le conseil d'administration arrête le plan pluriannuel et ses modifications et les soumet à l'approbation de l'assemblée générale de l'association d'aide sociale.
  [1 Le conseil d'administration vote chaque fois sur le plan pluriannuel intégral et ses adaptations et sur le compte annuel intégral.
   Contrairement au troisième alinéa, tout membre du conseil d'administration peut exiger un vote séparé sur une ou plusieurs parties qu'il désigne. Dans ce cas, le conseil d'administration ne peut voter sur le plan pluriannuel intégral et ses adaptations et sur le compte annuel intégral qu'après le vote séparé. Si à la suite de ce vote séparé le projet de plan pluriannuel et ses adaptations ou le compte annuel doivent être modifiés, le vote sur l'ensemble est ajourné à la réunion suivante du conseil d'administration.]1

  § 2. L'assemblée générale de l'association d'aide sociale se prononcera sur l'établissement des comptes annuels avant le 30 juin de l'exercice qui suit celui auquel les comptes se rapportent.
  Une copie des comptes annuels établis sera fournie dans les vingt jours au centre public d'action sociale concerné.
  § 3. Les conseils de l'action sociale concernés peuvent rendre un avis sur les comptes annuels de l'association d'aide sociale.
  Si le conseil de l'action sociale n'a pas envoyé d'avis à l'autorité de contrôle dans un délai de cinquante jours à compter du jour qui suit celui de la réception des comptes annuels par le centre public d'action sociale, il sera supposé avoir émis un avis favorable.
  § 4. Si l'autorité de contrôle n'a pas transmis de décision concernant l'approbation des comptes annuels dans un délai de cent cinquante jours, elle est supposée approuver les comptes annuels. Le délai prend cours le jour qui suit celui où [2 l'association d'aide sociale]2 a informé l'autorité de contrôle de la notification des comptes annuels de l'association d'aide sociale, en application de l'article 286, § 2, et où l'association d'aide sociale en a remis le rapport numérique au Gouvernement flamand.
  
Art. 491. De welzijnsvereniging is aansprakelijk voor de fouten die toegeschreven kunnen worden aan haar aangestelden of aan de organen, waardoor haar wil wordt uitgevoerd.
  Door de bestuurders wordt geen persoonlijke verplichting aangegaan betreffende de verbintenissen van de welzijnsvereniging. Hun aansprakelijkheid is beperkt tot de vervulling van de aan hen gegeven opdracht en tot de in hun beheer bedreven fouten.
Art. 491. L'association d'aide sociale est responsable des fautes qui peuvent être imputées à ses préposés ou aux organes par lesquels sa volonté est réalisée.
  Les administrateurs ne sont pas personnellement liés par les engagements de l'association d'aide sociale. Leur responsabilité est limitée à l'accomplissement de la mission qui leur est dévolue et aux fautes commises dans leur gestion.
Art. 492. De duur van de welzijnsvereniging mag niet meer bedragen dan dertig jaar.
  De welzijnsvereniging is van rechtswege ontbonden bij het verstrijken van de door de statuten vastgestelde duur als de verlenging niet vooraf beslist en goedgekeurd is.
  Elke welzijnsvereniging legt in de loop van het eerste jaar na de volledige vernieuwing van de raden voor maatschappelijk welzijn een evaluatieverslag voor aan de raad voor maatschappelijk welzijn. Dat verslag omvat een evaluatie van de verzelfstandiging, waarover de raad voor maatschappelijk welzijn zich binnen drie maanden uitspreekt.
Art. 492. La durée de l'association d'aide sociale ne peut pas dépasser trente ans.
  L'association d'aide sociale sera dissoute de plein droit à l'expiration de la durée fixée statutairement si sa prolongation n'a pas été préalablement décidée et approuvée.
  Dans le courant de la première année qui suit un renouvellement intégral des conseils de l'action sociale, chaque association d'aide sociale présentera un rapport d'évaluation au conseil de l'action sociale. Le rapport précité comprendra une évaluation de l'autonomisation à propos de laquelle le conseil de l'action sociale se prononcera dans les trois mois.
Art. 493. De Vlaamse Regering kan de ontbinding uitspreken van elke welzijnsvereniging die haar maatschappelijke opdracht te buiten gaat of niet verwezenlijkt. Ze kan dat ook doen als die haar wettelijke en statutaire verplichtingen niet naleeft.
Art. 493. Le Gouvernement flamand peut prononcer la dissolution de toute association d'aide sociale qui sortirait de sa mission sociale ou ne la réaliserait pas. Il pourra également le faire si cette dernière ne respecte pas ses obligations légales et statutaires.
Art. 494. [1 De volgende besluiten worden bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt:
   1° de besluiten, vermeld in dit hoofdstuk, na afloop van de toezichtstermijn, vermeld in artikel 332;
   2° het definitief geworden goedkeuringsbesluit over de jaarrekening, vermeld in artikel 490, § 4;
   3° de beslissing waarbij akte wordt genomen van het ontslag, vermeld in artikel 483.]1

  De statuten en de eventuele wijzigingen daarvan worden in extenso bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad op kosten van de welzijnsvereniging.
  
Art. 494. [1 Les décisions suivantes sont publiées par extrait au Moniteur belge :
   1° les décisions, mentionnées dans le présent chapitre, après l'expiration de la période de contrôle mentionnée à l'article 332 ;
   2° la décision d'approbation devenue définitive des comptes annuels mentionnée à l'article 490, § 4 ;
   3° la décision prenant acte de la démission mentionnée à l'article 483.]1

  Les statuts et leurs éventuelles modifications seront publiés in extenso aux annexes du Moniteur belge aux frais de l'association d'aide sociale.
  
Art. 495. § 1. Bij de ontbinding van de welzijnsvereniging kan elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn door de Vlaamse Regering gemachtigd worden om de goederen die op zijn grondgebied liggen, terug te kopen volgens de bepalingen, vermeld in de statuten, of bij gebrek daaraan, volgens de schatting van deskundigen.
  Bij gebrek aan aanbieding van terugneming of aan machtiging worden die goederen openbaar verkocht, tenzij een andere deelgenoot van de welzijnsvereniging beslist ze tegen de prijzen van de schatting aan te kopen.
  § 2. Bij de ontbinding van de welzijnsvereniging wordt het voltallige personeel overgenomen, hetzij door de deelnemers, hetzij eventueel door de overnemers van de activiteit, in verhouding tot de inbreng of overeenkomstig de onderling bereikte akkoorden, en zonder dat de personeelsleden door deze plicht tot overname gebonden zijn. De statutaire personeelsleden worden, al dan niet in verhouding tot de inbreng, door de publieke rechtspersonen overgenomen.
  De nieuwe werkgever waarborgt de rechten die de welzijnsvereniging op het ogenblik van haar ontbinding, hetzij statutair, hetzij contractueel voor de werknemers vastgesteld had. Het overgenomen personeel komt, met behoud van zijn geldelijk statuut, terecht in een overgangskader dat uitdovend is.
Art. 495. § 1er. Lors de la dissolution de l'association d'aide sociale, chaque centre public d'action sociale peut être autorisé par le Gouvernement flamand à racheter les biens qui se trouvent sur son territoire selon les dispositions visées dans les statuts, ou à défaut, selon l'estimation des experts.
  A défaut d'une offre de reprise ou d'autorisation, les biens en question seront mis en vente publique, à moins qu'un autre associé de l'association d'aide sociale ne décide de les acheter au prix de l'estimation.
  § 2. En cas de dissolution de l'association d'aide sociale, l'ensemble du personnel sera repris, soit par les participants, soit éventuellement par les repreneurs de l'activité, proportionnellement à l'apport ou conformément aux conventions passées de commun accord, et sans que les membres du personnel ne soient liés par ladite obligation de reprise. Les membres du personnel statutaires seront repris par les personnes morales publiques, proportionnellement ou non à leur apport.
  Le nouvel employeur garantira les droits arrêtés soit statutairement, soit contractuellement pour les salariés, par l'association d'aide sociale au moment de sa dissolution. Le personnel repris se retrouvera, avec maintien de son statut pécuniaire, dans un cadre transitoire extinctif.
HOOFDSTUK 3. - De autonome verzorgingsinstelling
CHAPITRE 3. - L'établissement autonome de soins
Art. 496. Een autonome verzorgingsinstelling is een vereniging voor maatschappelijk welzijn, opgericht met het oog op de exploitatie van een ziekenhuis of van een gedeelte van een ziekenhuis.
  Al de akten, facturen, aankondigingen, publicaties en andere stukken die uitgaan van de autonome verzorgingsinstelling, vermelden de benaming van de vereniging met, onmiddellijk daarvoor of daarna, de leesbaar en voluit geschreven zinsnede "vereniging van publiek recht onderworpen aan deel 3, titel 4, hoofdstuk 3, van het decreet over het lokaal bestuur", "autonome verzorgingsinstelling" of de afkorting "A.V.".
Art. 496. Un établissement autonome de soins est une association d'aide sociale constituée en vue de l'exploitation d'un hôpital ou d'une partie d'un hôpital.
  Tous les actes, factures, annonces, publications et autres documents émanant de l'établissement autonome de soins, mentionneront la dénomination de l'association, précédée ou suivie immédiatement, du membre de phrase lisible et écrit en toutes lettres " association de droit public soumise à la partie 3, titre 4, chapitre 3, du décret relatif à l'administration locale ", " établissement autonome de soins " ou de l'abréviation " A.V. ".
Art. 497. In afwijking van artikel 484, § 1, eerste lid, kan maximaal een derde van de door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan te wijzen stemgerechtigde bestuurders een deskundige zijn die geen lid is van de raad voor maatschappelijk welzijn.
Art. 497. Par dérogation à l'article 484, § 1er, alinéa premier, un tiers tout au plus des administrateurs avec voix délibérative devant être désignés par le centre public d'action sociale peuvent être des experts ne faisant pas partie du conseil de l'action sociale.
Art. 498. Het stemmenaantal in de verschillende bestuurs- en beheersorganen waarover elke deelgenoot beschikt wordt verdeeld in verhouding tot ieders inbreng in de vereniging.
  Als de openbare rechtspersonen niet beschikken over de meerderheid van de stemmen in de verschillende bestuurs- en beheersorganen van de vereniging, vermeld in het eerste lid, wordt de tekortenregeling, vermeld in de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, zo toegepast dat voor de tekorten van de vereniging door elke openbare rechtspersoon wordt tegemoetgekomen in dezelfde verhouding als zijn inbreng in de vereniging tot de totale inbreng van alle deelgenoten. Als de openbare rechtspersonen beschikken over de meerderheid van de stemmen in de verschillende bestuurs- en beheersorganen van de vereniging, blijft de tekortenregeling, vermeld in de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, onverkort gelden.
  Ongeacht het aantal stemmen waarover het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beschikt in de verschillende bestuurs- en beheersorganen van de vereniging, vermeld in het eerste lid, moet het zorgstrategisch plan, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden en in het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot regeling van de alternatieve investeringssubsidies, verstrekt door het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden, van de inrichting in kwestie goedgekeurd worden door de raad voor maatschappelijk welzijn. Als de openbare rechtspersonen minimaal een derde van de stemmen in de beheers- en bestuursorganen van de bedoelde vereniging vertegenwoordigen, moet, met behoud van de toepassing van het eerste lid, het budget worden goedgekeurd door de meerderheid van de openbare rechtspersonen. De statuten bevatten bepalingen in die zin.
Art. 498. Le nombre de voix dont chaque associé dispose au sein des différents organes de direction et de gestion est partagé proportionnellement à l'apport de chacun dans l'association.
  Si les personnes morales publiques ne disposent pas de la majorité des voix au sein des différents organes de direction et de gestion de l'association visée à l'alinéa premier, le règlement en matière de déficits visé dans la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins, sera appliqué de façon à ce que chaque personne morale publique intervienne dans les déficits de l'association dans la même proportion que son apport dans l'association à l'apport total de tous les associés. Si les personnes morales publiques disposent de la majorité des voix au sein des différents organes de direction et de gestion de l'association, le règlement en matière de déficits visé dans la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins produira ses pleins effets.
  Indépendamment du nombre de voix dont dispose le centre public d'action sociale au sein des différents organes de direction et de gestion de l'association visée à l'alinéa premier, le plan stratégique de soins visé dans le décret du Gouvernement flamand du 8 juin 1999 portant les règles de procédure concernant l'infrastructure des questions liées au personnel et dans le décret du Gouvernement flamand du 18 mars 2011 réglant les subventions alternatives d'investissement fournies par le " Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden ", de l'établissement en question doit être approuvé par le conseil de l'action sociale. Si les personnes morales publiques représentent au minimum un tiers des voix au sein des organes de gestion et direction de l'association en question, le budget doit être approuvé par la majorité des personnes morales publiques, tout en préservant l'application de l'alinéa premier. Les statuts comporteront des dispositions en ce sens.
Art. 499. [1 Het bevoegde orgaan van de vereniging stelt de rechtspositieregeling van het personeel van het ziekenhuis vast.]1
  
Art. 499. [1 L'organe compétent de l'association fixe le statut juridique du personnel de l'hôpital.]1
  
Art. 500. De bepalingen van [2 dit decreet met betrekking tot de welzijnsvereniging]2 zijn van toepassing op de autonome verzorgingsinstelling, met uitzondering van [3 artikel 286, § 2, 5° en 6°]3, artikel 485, derde lid, [3 artikel 488, § 1, eerste en tweede lid,]3 [1 artikel 489]1 en artikel 490, met dien verstande dat het woord "welzijnsvereniging" wordt gelezen als "autonome verzorgingsinstelling".
  
Art. 500. Les dispositions [2 du présent décret relatives à l'association d'aide sociale]2 sont applicables à l'établissement autonome de soins, à l'exception de [3 l'article 286, § 2, 5° et 6°]3, de l'article 485, troisième alinéa [3 , de l'article 488, § 1er, alinéas 1er et 2]3 [1 , de l'article 489]1 et de l'article 490, étant entendu que le mot " association d'aide sociale " se lit " établissement autonome de soins ".
  
HOOFDSTUK 4. - Verenigingen van privaat recht met het oog op de gehele of gedeeltelijke exploitatie van een ziekenhuis of van ziekenhuisgebonden activiteiten: de ziekenhuisvereniging
CHAPITRE 4. - Associations de droit privé en vue de l'exploitation totale ou partielle d'un hôpital ou d'activités hospitalières : l'association hospitalière
Art. 501. Om een ziekenhuis of ziekenhuisgebonden activiteiten geheel of gedeeltelijk te exploiteren, kan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn [1 een vzw als vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1 oprichten, al dan niet met een of meer andere openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gemeenten, of verenigingen, opgericht overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 van deze titel, of andere openbare besturen, samen met een of meer andere rechtspersonen [1 die zonder winstoogmerk een belangeloos doel nastreven of met rechtspersonen erkend als een sociale onderneming als vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1.
  De oprichting van de vereniging om een ziekenhuis geheel te exploiteren, vermeld in het eerste lid, is alleen mogelijk als voldaan wordt aan een van de volgende voorwaarden:
  1° het ziekenhuis dat uitgebaat wordt door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, voldoet niet meer aan de voorwaarden die gesteld zijn om erkend te kunnen blijven als ziekenhuis;
  2° de oprichting van bedoelde vereniging is noodzakelijk om het ziekenhuisaanbod van de regio te optimaliseren of om betere economische voorwaarden te realiseren.
  De voorwaarde, vermeld in het tweede lid, 2°, blijkt ten minste uit de noodzaak om:
  1° een gedifferentieerd aanbod te realiseren waarin meer zorgpakketten beschikbaar zijn, naadloos aansluitend bij de zorgbehoeften van de bevolking;
  2° een voldoende schaalgrootte te bereiken om de vereiste ervaring en deskundigheid te garanderen binnen een bedrijfseconomisch efficiënte omgeving en met een optimale inzet van personele middelen en van deskundig beheer;
  3° een multidisciplinaire aanpak mogelijk te maken die aansluit bij de intensifiëring van de zorgverlening en inzonderheid het toenemende technologische karakter ervan.
  Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan [1 voor de exploitatie van ziekenhuisdiensten of van ziekenhuisgebonden activiteiten]1 ook beslissen om lid te worden van een vereniging als vermeld in het eerste lid. In dat geval moet voldaan worden aan de procedure en de voorwaarden, vermeld in artikel 502, § 1, eerste lid, artikel 503, 2° tot en met 11°, artikel 504, § 1, artikel 505 en 506. De statuten van de vereniging vermelden dat ze aan iedereen die zich aanmeldt, de haar opgedragen dienstverlening verstrekt met respect voor zijn ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging en ongeacht de inkomens-, verzekerbaarheids- of vermogenstoestand van de betrokkene, ofwel alleen goederen of diensten levert aan de deelgenoten. In dat geval wordt in artikel 503, 7°, "het ingebrachte ziekenhuis" gelezen als "de ziekenhuisdienst in kwestie of de ziekenhuisgebonden activiteit".
  
Art. 501. Afin d'exploiter totalement ou partiellement un hôpital ou des activités hospitalières, un centre public d'action sociale peut constituer [1 une ASBL telle que visée au Code des sociétés et des associations]1, avec ou sans un ou plusieurs autres centres publics d'action sociale, communes, ou associations, constituées conformément au chapitre 2 ou 3 du présent titre, ou d'autres administrations publiques, conjointement avec une ou plusieurs personnes morales [1 poursuivant sans but lucratif une fin désintéressée ou avec des personnes morales reconnues comme entreprise sociale au sens du Code des sociétés et des associations]1.
  La constitution d'une association afin d'exploiter totalement un hôpital, visée à l'alinéa premier, est possible uniquement s'il est satisfait à l'une des conditions suivantes :
  1° l'hôpital qui est exploité par le centre public d'action sociale ne répond plus aux conditions fixées pour demeurer agréé comme hôpital ;
  2° la constitution de l'association en question est nécessaire pour optimiser l'offre hospitalière de la région ou pour réaliser de meilleures conditions économiques.
  La condition visée au deuxième alinéa, 2°, découle au moins de la nécessité :
  1° de réaliser une offre différenciée dans laquelle davantage de dispositifs de soins sont disponibles, répondant parfaitement aux besoins de la population en termes de soins ;
  2° d'atteindre une échelle suffisante pour garantir l'expérience et la compétence dans un environnement économique efficace et avec un engagement optimal de moyens personnels et de gestion compétente ;
  3° de permettre une approche multidisciplinaire répondant à l'intensification des soins et en particulier à leur caractère technologique croissant.
  Le centre public d'action sociale peut également décider, [1 aux fins de]1 l'exploitation de services hospitaliers ou d'activités hospitalières, de devenir membre d'une association visée à l'alinéa premier. Dans ce cas, il convient de satisfaire à la procédure et aux conditions visées aux articles 502, § 1er, alinéa premier, 503, 2° à 11°, 504, § 1er, 505 et 506. Les statuts de l'association mentionneront qu'elle fournira le service qui lui incombe à toute personne qui se présente, dans le respect de ses convictions idéologiques, philosophiques ou religieuses, et indépendamment de la situation de revenus, d'assurabilité ou de patrimoine de l'intéressé, ou fournira uniquement des biens et services aux associés. Dans ce cas, à l'article 503, 7°, " l'hôpital incorporé " se lit " le service hospitalier en question ou l'activité hospitalière ".
  
Art. 502. § 1. [1 Het ontwerp van het met redenen omklede besluit van de raad of raden voor maatschappelijk welzijn tot oprichting van de vereniging, vermeld in artikel 501, wordt op straffe van nietigheid voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt. De Vlaamse Regering verleent een niet-bindend advies aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waarin de zetel van de vereniging gevestigd is binnen zestig dagen vanaf de dag na de dag waarop het ontwerpbesluit tot oprichting is verzonden aan de Vlaamse Regering.
   Het ontwerpbesluit tot oprichting wordt samen met het niet-bindende advies voor beraadslaging en voor stemming voorgelegd aan de raad of raden voor maatschappelijk welzijn. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt dat vermeld op het ontwerpbesluit tot oprichting.
   Voor het ontwerpbesluit tot oprichting voor advies aan de Vlaamse Regering wordt verzonden, wordt het gemotiveerde advies van het beheerscomité ingewonnen, met behoud van de bevoegdheden van de medische raad, vermeld in titel 4, hoofdstuk 1, afdeling 1, van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen.]1

  § 2. Bij de [1 adviesaanvragen,]1 vermeld in paragraaf 1, wordt het ontwerp van de statuten van de vereniging gevoegd, alsook de bijlagen die er krachtens de statuten integraal deel van uitmaken. Bij de [1 voormelde adviesaanvraag]1 worden ook de beslissingen van de eventuele deelgenoten tot deelname aan de vereniging gevoegd.
  Uit het dossier [1 dat voor advies wordt voorgelegd,]1 moet blijken:
  1° dat er een noodzaak bestaat voor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn om een samenwerkingsverband aan te gaan om de exploitatie van zijn ziekenhuis geheel of gedeeltelijk te kunnen blijven garanderen;
  2° welke de ernstige redenen zijn die verantwoorden dat het samenwerkingsverband de vorm aanneemt van een vereniging zonder winstoogmerk;
  3° dat het ontwerp van de statuten of van de bijlagen die er krachtens de statuten integraal deel van uitmaken, bepalingen bevatten die ertoe strekken uitvoering te geven aan de verplichting de dienstverlening te verzekeren overeenkomstig artikel 503, 1°.
  
Art. 502. § 1er. [1 Le projet de décision motivée du conseil ou des conseils d'aide sociale de constitution de l'association figurant à l'article 501 est, à peine de nullité, soumis à l'avis du Gouvernement flamand de la manière déterminée par celui-ci. Le Gouvernement flamand émet un avis non contraignant à l'intention du centre public d'action sociale de la commune où est établi le siège de l' association dans les soixante jours à compter du lendemain du jour où le projet de décision de constitution a été transmis au Gouvernement flamand.
   Le projet de décision de constitution, accompagné de l'avis non contraignant, est soumis à la délibération et au vote du ou des conseils d'aide sociale. Si aucun avis n'a été reçu dans le délai imparti, il en fait mention dans le projet de décision de constitution.
   Avant la transmission du projet de décision de constitution au Gouvernement flamand pour avis, l'avis motivé du comité de gestion est recueilli, sans préjudice des compétences du conseil médical mentionnées au titre 4, chapitre 1er, section 1re, de la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins.]1

  § 2. Le projet de statuts de l'association ainsi que les annexes qui en font partie intégrante en vertu des statuts seront joints [1 aux demandes d'avis]1. Les décisions des éventuels associés de participer à l'association seront également jointes [1 à la demande d'avis précitée]1.
  Le dossier [1 soumis pour avis]1 doit montrer :
  1° qu'il y a nécessité, pour le centre public d'action sociale, de créer un partenariat afin de pouvoir continuer de garantir l'exploitation totale ou partielle de son hôpital ;
  2° quels sont les motifs sérieux qui justifient que le partenariat prenne la forme d'une association sans but lucratif ;
  3° que le projet de statuts ou les annexes qui en font partie intégrante en vertu des statuts, comprend des dispositions qui visent à mettre en oeuvre l'obligation d'assurer le service conformément à l'article 503, 1°.
  
Art. 503. Met behoud van de toepassing van [1 het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1, vermelden de statuten:
  1° dat de vereniging tot doel heeft een ziekenhuis of een deel van een ziekenhuis te exploiteren of tot die exploitatie bij te dragen, waarin eenieder die zich aanmeldt, de nodige kwaliteitsverzorging tegen de beste kostprijs krijgt, met respect voor zijn ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging en ongeacht de inkomens-, verzekerbaarheids- of vermogenstoestand van de betrokkene;
  2° dat de vereniging wordt opgericht voor een periode die, behalve na een voorafgaande verlenging, niet langer mag zijn dan dertig jaar;
  3° dat de toetreding, een statutenwijziging, een verlenging van de duur van de vereniging of de vrijwillige ontbinding van de vereniging alleen mogelijk is op voorwaarde dat alle deelgenoten daarmee vooraf instemmen en dat een beslissing over de algemene financiële regeling met de [2 artsen]2, vermeld in artikel [2 144, § 3, 4° van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen]2, over de kosten ten laste van de patiënt of over de toegankelijkheid, vermeld in punt 1°, alleen mogelijk is als het voorstel drie vierde van de uitgebrachte stemmen krijgt;
  4° dat voor beslissingen die ertoe strekken het zorgstrategisch plan goed te keuren of die betrekking hebben op de oprichting, de afschaffing, de plaats van organisatie van ziekenhuisdiensten, vermeld in de [2 gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen]2, op verzoek van de leden die over minstens een derde van de vertegenwoordigde stemmen beschikken, het voorstel van beslissing, aangevuld met de opmerkingen van de leden, binnen een maand opnieuw wordt besproken in het bevoegde orgaan van de vereniging;
  5° dat een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zich in de algemene vergadering alleen kan laten vertegenwoordigen door leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, die elk maar één stem mogen uitbrengen, ongeacht de mogelijkheid om, als vertegenwoordigend lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, voor bepaalde aangewezen zittingen een volmacht te verlenen aan een ander lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat nog niet stemgerechtigd is;
  6° dat de personen die in de algemene vergadering zitting hebben of die als bestuurders zitting hebben in de [2 raad van bestuur, of de vertegenwoordigers van een rechtspersoon-bestuurder,]2 geen persoonlijke, familiale of zakelijke belangen mogen hebben die ingaan tegen het belang van de vereniging zonder winstoogmerk;
  7° dat het stemmenaantal in de algemene vergadering en in de andere beheersorganen waarover elke deelgenoot beschikt, wordt bepaald in verhouding [2 tot de naar economische maatstaven waardeerbare inbreng van het]2 ziekenhuis in de vereniging en dat maximaal een derde van de door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan te wijzen stemgerechtigde bestuurders deskundigen kunnen zijn die geen lid zijn van de raad voor maatschappelijk welzijn. De verdeling van het stemmenaantal wordt in de statuten ingeschreven;
  8° dat het mandaat van al de bestuurders beperkt is in duur en telkens van rechtswege eindigt op de eerste algemene vergadering van de vereniging die plaatsvindt nadat al de raden voor maatschappelijk welzijn van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die lid zijn van de vereniging, [1 conform artikel 68, § 1,]1 geïnstalleerd zijn;
  9° dat een mandaat van bestuurder altijd hernieuwbaar is;
  10° dat in geval van ontbinding van de vereniging of van ontslag van een of meer leden, de uittredende leden recht hebben op teruggave van wat er door elk van hen is ingebracht, in voorkomend geval in natura en in verhouding tot de inbreng;
  11° dat elke deelgenoot het recht heeft de algemene vergadering samen te roepen.
  
Art. 503. Tout en préservant l'application [1 du Code des sociétés et des associations]1, les statuts mentionneront :
  1° que l'association a pour objet d'exploiter un hôpital ou une partie d'hôpital ou de contribuer à ladite exploitation, dans lequel toute personne qui s'y présente recevra les soins de qualité nécessaires au meilleur coût, dans le respect de ses convictions idéologiques, philosophiques ou religieuses et indépendamment de sa situation de revenus, d'assurabilité ou de patrimoine ;
  2° que l'association est constituée pour une période qui, excepté prolongation préalable, ne peut pas dépasser trente ans ;
  3° que l'adhésion, une modification des statuts, une prolongation de la durée de l'association ou la dissolution volontaire de l'association est possible uniquement à condition que tous les associés l'acceptent au préalable et qu'une décision concernant le règlement financier général avec les médecins, visé à l'article 130, § 3, 4°, de la loi coordonnée sur les hôpitaux du 7 août 1987, concernant les frais à la charge du patient ou l'accessibilité, visés au point 1°, est possible uniquement si la proposition recueille trois quarts des suffrages exprimés ;
  4° qu'en ce qui concerne les décisions qui visent à approuver le plan stratégique de soins ou qui se rapportent à la constitution, à la suppression, au lieu d'organisation de services hospitaliers, mentionnés dans [2 la loi coordonnée du 10 juillet 2008 sur les hôpitaux et autres établissements de soins]2, la proposition de décision, complétée des remarques des membres doit être à nouveau discutée dans le mois au sein de l'organe compétent de l'association, à la demande des membres qui disposent au moins d'un tiers des suffrages représentés ;
  5° qu'un centre public d'action sociale peut se faire représenter à l'assemblée générale uniquement par des membres du conseil de l'action sociale qui pourront exprimer chacun un seul suffrage, indépendamment de la possibilité de donner, en tant que membre représentant du conseil de l'action sociale, un mandat pour certaines séances précisées à un autre membre du conseil de l'action sociale qui n'a pas encore le droit de voter ;
  6° que les personnes qui siègent à l'assemblée générale ou qui siègent comme administrateurs au sein [2 conseil d'administration, ou les représentants d'un administrateur d'une personne morale,]2, ne peuvent pas avoir d'intérêts personnels, familiaux ou professionnels contraires à l'intérêt de l'association sans but lucratif ;
  7° que le nombre de suffrages à l'assemblée générale et au sein des autres organes de gestion dont chaque associé dispose est fixé [2 en fonction de la contribution évaluable selon les critères économiques de l'hôpital]2 dans l'association, et que maximum un tiers des administrateurs avec voix délibérative que doit nommer le centre public d'action sociale peut être constitué d'experts qui ne sont pas membres du conseil de l'action sociale. La répartition du nombre de suffrages sera précisée dans les statuts ;
  8° que le mandat de tous les administrateurs est limité dans la durée et prend à chaque fois fin de plein droit à la première assemblée générale de l'association qui a lieu après l'installation [1 , conformément à l'article 68, § 1,]1 de tous les conseils de l'action sociale des centres publics d'action sociale qui sont membres de l'association ;
  9° qu'un mandat d'administrateur peut toujours être reconduit ;
  10° qu'en cas de dissolution de l'association ou de révocation d'un ou de plusieurs de ses membres, les membres sortants auront chacun le droit d'être remboursés de leur apport, le cas échéant en nature et au prorata de leur apport ;
  11° que chaque associé a le droit de convoquer l'assemblée générale.
  
Art. 504. § 1. [1 Elk ontwerp van beslissing]1 van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als lid van een vereniging als vermeld in artikel 501 over de wijziging van de statuten, de vrijwillige ontbinding, de toetreding of uitsluiting van leden en de verlenging van de duur van de vereniging is onderworpen aan de toepassing van artikel 502, § 1, eerste lid.
  § 2. De statuten bepalen dat als de verzorgingsinstelling die uitgebaat wordt door de vereniging, niet voldoet aan de verplichtingen, vermeld in het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, in consensus een bemiddelaar wordt aangewezen. Bij gebrek aan consensus kan elke deelgenoot de provinciegouverneur van de provincie waar de zetel van de vereniging is gevestigd, verzoeken een bemiddelaar aan te wijzen. De bemiddelaar wordt alleen aangewezen als er in de organen van de vereniging geen overeenstemming bestaat over de vereiste maatregelen, vermeld in artikel 9 van het voormelde decreet. De bemiddelaar neemt met raadgevende stem deel aan de vergaderingen van die organen. De bemiddelaar kan evenwel alleen aangewezen worden als de schending van het voormelde decreet ook een schending van artikel 503, 1°, van dit decreet is en de erkenning verleend of verlengd wordt gedurende maximaal één jaar wegens de schending van het voormelde decreet.
  De bemiddelaar moet een voldoende opleiding gevolgd hebben en voldoende ervaring hebben in het beheer van openbare ziekenhuizen of openbare centra voor maatschappelijk welzijn en hij mag op geen enkele wijze, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks, bij het beheer van een betrokken verzorgingsinstelling betrokken zijn of betrokken geweest zijn. Als die bemiddelaar binnen een maand na zijn aanstelling geen overeenstemming kan bereiken omtrent de nodige maatregelen, stelt hij binnen een maand zelf een oplossing voor.
  De Vlaamse Regering kan, met het oog op de afstemming op de uitvoering van het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, nadere regels bepalen.
  
Art. 504. § 1er. [1 Tout projet de décision]1 d'un centre public d'action sociale en tant que membre d'une association visée à l'article 501 relatif à la modification des statuts, à la dissolution volontaire, à l'adhésion ou à l'exclusion des membres et à la prolongation de la durée de l'association, est soumise à l'application de l'article 502, § 1er, alinéa premier.
  § 2. Les statuts déterminent que si l'établissement de soins exploité par l'association ne satisfait pas aux obligations visées au décret du 17 octobre 2003 relatif à la qualité des structures de soins de santé et d'aide sociale, un médiateur sera désigné par consensus. A défaut de consensus, chaque associé peut demander au gouverneur de province dans laquelle est établi le siège de l'association de désigner un médiateur. Le médiateur est désigné uniquement s'il n'existe pas, au sein des organes de l'association, d'accord sur les mesures nécessaires visées à l'article 9 du décret précité. Le médiateur participera avec voix consultative aux réunions de ces organes. Le médiateur peut toutefois être désigné uniquement si la violation du décret précité constitue également une violation de l'article 503, 1°, du présent décret et si l'agrément est accordé ou prolongé pendant maximum un an pour cause de violation du décret précité.
  Le médiateur doit avoir suivi une formation suffisante en gestion d'hôpitaux publics ou de centres publics d'action sociale et il ne peut en aucune manière être ou avoir été impliqué, que ce soit directement ou indirectement, dans la gestion d'un établissement de soins concerné. Si, dans un délai d'un mois suivant sa désignation, ce médiateur n'arrive pas à trouver d'accord concernant les mesures nécessaires, il présentera lui-même une proposition dans un délai d'un mois.
  Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de coordination de l'exécution du décret du 17 octobre 2003 relatif à la qualité des structures de soins de santé et d'aide sociale.
  
Art. 505. [1 De oprichtingsakte van de vereniging zonder winstoogmerk waarvan een of meer openbare centra voor maatschappelijk welzijn lid zijn, en de akte waarbij een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een rechtspersoon als vermeld in artikel 501 verklaart lid te willen worden van de vereniging en waarbij de vereniging die toetreding aanvaardt, regelen ook de inbreng en de overname van het contractuele personeel of de terbeschikkingstelling van het statutaire personeel, met uitzondering van de personeelsleden, vermeld in artikel 162, § 1, en artikel 183, § 1.
   Artikel 185/1, § 2, is van toepassing bij de overdracht van contractueel personeel.]1

  
Art. 505. [1 L'acte de constitution de l'association sans but lucratif dont un ou plusieurs centres publics d'action sociale sont membres, et l'acte par lequel un centre public d'action sociale ou une personne morale visée à l'article 501, déclare vouloir devenir membre de l'association et par lequel l'association accepte cette adhésion, règlent également l'apport et la reprise du personnel contractuel ou la mise à disposition du personnel statutaire, à l'exception des membres du personnel visés à l'article 162, § 1er, et à l'article 183, § 1er.
   L'article 185/1, § 2, s'applique au transfert de personnel contractuel.]1

  
Art. 506. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn zijn in de algemene vergadering en in de beheersorganen van de vereniging zonder winstoogmerk vertegenwoordigd door leden van hun raad voor maatschappelijk welzijn.
  In afwijking van het eerste lid kan maximaal een derde van de door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan te wijzen stemgerechtigde bestuurders een deskundige zijn die geen lid is van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  Een of meer leden van de raad voor maatschappelijk welzijn die het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de vereniging vertegenwoordigen, worden door de raad voor maatschappelijk welzijn aangewezen bij geheime stemming en in een enkele stemronde. Elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn beschikt daarbij over één stem. Bij staking van stemmen is de jongste kandidaat in jaren verkozen.
  Het huishoudelijk reglement van het bevoegde orgaan van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bepaalt op welke wijze het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op de hoogte wordt gebracht van de agenda van de beheersorganen van de vereniging. Het bepaalt ook op welke wijze de beslissingen van de vereniging worden besproken in het bevoegde orgaan van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
Art. 506. Les centres publics d'action sociale sont représentés au sein de l'assemblée générale et des organes de gestion de l'association sans but lucratif par des membres de leur conseil de l'action sociale.
  Par dérogation à l'alinéa premier, un tiers tout au plus des administrateurs ayant voix délibérative devant être désignés par le centre public d'action sociale peuvent être des experts ne faisant pas partie du conseil de l'action sociale.
  Un ou plusieurs membres du conseil de l'action sociale qui représentent le centre public d'action sociale au sein de l'association seront désignés par le conseil de l'action sociale par bulletin secret à un seul tour. Chaque membre du conseil de l'action sociale dispose à cet égard d'une seule voix. En cas de parité des suffrages, le plus jeune candidat sera élu.
  Le règlement d'ordre intérieur de l'organe compétent du centre public d'action sociale détermine les modalités selon lesquelles le centre public d'action sociale est informé de l'ordre du jour des organes de gestion de l'association. Il détermine également les modalités selon lesquelles les décisions de l'association sont examinées au sein de l'organe compétent du centre public d'action sociale.
Art. 507. Een vereniging, opgericht overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 van deze titel, is met instemming van haar leden gerechtigd lid te worden van een vereniging zonder winstoogmerk als vermeld in artikel 501. De instemming van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die deelgenoot zijn in de vereniging, opgericht overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 van deze titel, is onderworpen aan de procedure en de voorwaarden, vermeld in artikel 501, tweede lid, artikel 502, § 1, eerste en tweede lid, en artikel 503 tot en met 506, als het een ziekenhuis betreft, aan de voorwaarden, vermeld in artikel 502, § 1, eerste lid, artikel 503, 2° tot en met 11°, artikel 504, § 1, artikel 505 en 506, als het een ziekenhuisdienst of ziekenhuisgebonden activiteit betreft en op voorwaarde dat in die laatste gevallen de vereniging ofwel in haar statuten inschrijft dat ze aan eenieder die zich aanmeldt de haar opgedragen dienstverlening verstrekt met respect voor zijn ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging en ongeacht de inkomens-, verzekerbaarheids- of vermogenstoestand van de betrokkene, ofwel alleen goederen of diensten levert aan de deelgenoten. In dat laatste geval wordt in artikel 503, eerste lid, 7°, "het ingebrachte ziekenhuis" gelezen als "de ziekenhuisdienst in kwestie of de ziekenhuisgebonden activiteit".
Art. 507. Une association, constituée conformément au chapitre 2 ou 3 du présent titre, est autorisée, avec l'accord de ses membres, à devenir membre d'une association sans but lucratif visée à l'article 501. L'accord des centres publics d'action sociale qui sont associés au sein de l'organisation constituée conformément au chapitre 2 ou 3 du présent titre, est soumis à la procédure et aux conditions visées à l'article 501, deuxième alinéa, à l'article 502, § 1er, premier et deuxième alinéa, et aux articles 503 à 506, s'il s'agit d'un hôpital, aux conditions visées à l'article 502, § 1er, alinéa premier, à l'article 503, 2° à 11°, à l'article 504, § 1er, aux articles 505 et 506, s'il s'agit d'un service hospitalier ou d'une activité hospitalière et à condition que dans ces derniers cas, l'association inscrive dans ses statuts qu'elle fournira le service qui lui incombe à toute personne qui se présente, dans le respect de ses convictions idéologiques, philosophiques ou religieuses, et indépendamment de sa situation de revenus, d'assurabilité ou de patrimoine, ou fournira uniquement des biens et services aux associés. Dans ce dernier cas, à l'article 503, alinéa premier, " l'hôpital incorporé " se lit " le service hospitalier en question ou l'activité hospitalière ".
HOOFDSTUK 5. - De vereniging voor sociale dienstverlening of de vennootschap voor sociale dienstverlening
CHAPITRE 5. - L'association de services sociaux ou la société de services sociaux.
Art. 508. § 1. Een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan om sociale doeleinden te vervullen, met uitsluiting van de gehele of gedeeltelijke exploitatie van een ziekenhuis of van ziekenhuisgebonden activiteiten, lid worden van [1 een vzw als vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1.
  Van die vereniging zijn minstens een of meer private rechtspersonen die [1 zonder winstoogmerk een belangeloos doel nastreven of rechtspersonen erkend als een sociale onderneming als vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1, lid. Van de vereniging kunnen al dan niet een of meer andere openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gemeenten, verenigingen opgericht overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 van deze titel, of andere openbare besturen lid zijn.
  Het lidmaatschap bij wijze van oprichting of toetreding van de vereniging, vermeld in het eerste lid, is alleen mogelijk als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° de rechtsvorm is een bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering opgelegde voorwaarde voor de gehele of gedeeltelijke erkenning, vergunning of subsidiëring. In dat geval kan afgeweken worden van de voorwaarde dat minstens een of meer private rechtspersonen lid moeten zijn;
  2° het bereiken van een bepaalde regionale bedekking of schaalgrootte is een bij decreet of besluit van de Vlaamse Regering opgelegde voorwaarde voor de gehele of gedeeltelijke erkenning, vergunning of subsidiëring, als aan die voorwaarde door geen van de lokale openbare deelgenoten afzonderlijk kan worden voldaan;
  3° het lidmaatschap van de vereniging maakt het voor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mogelijk om een nieuwe dienst aan te bieden. Als nieuw kan elke dienst worden aangemerkt waarvoor geen erkenning, vergunning of subsidie is verworven en die ook niet op een gestructureerde wijze aan het publiek wordt aangeboden.
  [2 In het geval, vermeld in het derde lid, 3°, wordt het ontwerpbesluit over het lidmaatschap bij wijze van oprichting of toetreding van de vereniging, vermeld in het eerste lid, op straffe van nietigheid voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt. Vóór dat advies ingewonnen kan worden, toont het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan dat, rekening houdend met het bestaande aanbod, de nieuwe dienst optimaal past in de programmatie, en wordt op grond van het onderzoek, vermeld in artikel 60, § 6, tweede en derde lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, bewezen wat de redenen zijn om de nieuwe dienst in samenwerking met private rechtspersonen aan te bieden.]2
  § 2. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan ook toetreden tot een vereniging als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, als die uitsluitend door publiekrechtelijke rechtspersonen is opgericht. Overdracht of inbreng van een bestaande dienst van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is in dat geval niet toegestaan.
  
Art. 508. § 1er. Un centre public d'action sociale peut, pour réaliser ses objets sociaux, à l'exclusion de l'exploitation totale ou partielle d'un hôpital ou d'activités hospitalières, devenir membre [1 d'une ASBL telle que visée au Code des sociétés et des associations]1.
  Au moins une ou plusieurs personnes morales privées [1 poursuivant une fin désintéressée ou reconnues comme entreprise sociale au sens du Code des sociétés et des associations]1 seront membres de cette association. Ladite association pourra compter ou non parmi ses membres un ou plusieurs centres publics d'action sociale, communes, associations constituées conformément au chapitre 2 ou 3 du présent titre, ou d'autres administrations publiques.
  La qualité de membre par constitution ou adhésion de l'association, visée à l'alinéa premier, est possible uniquement à condition de satisfaire à l'une des conditions suivantes :
  1° la forme juridique est une condition imposée par décret ou décision du Gouvernement flamand pour l'agrément, l'autorisation ou la subvention totale ou partielle. Dans ce cas, il est possible de déroger à la condition selon laquelle une ou plusieurs personnes morales privées doivent être membres ;
  2° le fait d'atteindre une certaine couverture ou échelle régionale est une condition imposée par décret ou décision du Gouvernement flamand pour l'agrément, l'autorisation ou la subvention totale ou partielle, si aucun des associés publics locaux ne peut satisfaire séparément à cette condition ;
  3° la qualité de membre de l'association permet au centre public d'action sociale de proposer un nouveau service. Peut être considéré comme nouveau tout service pour lequel aucun agrément, autorisation ou subvention n'est acquise et qui n'est pas davantage proposé au public selon des modalités structurées.
  [2 Dans le cas visé à l'alinéa 3, 3°, le projet de décision d'adhésion par voie de constitution ou d'adhésion de l'association visée à l'alinéa 1er est soumis, à peine de nullité, pour avis au Gouvernement flamand selon les modalités déterminées par celui-ci. Avant que cet avis puisse être obtenu, le centre public d'aide sociale doit démontrer que, compte tenu de l'offre existante, le nouveau service s'inscrit de manière optimale dans la programmation, et les raisons d'offrir le nouveau service en coopération avec des personnes morales privées doivent être prouvées sur la base des recherches mentionnées à l'article 60, § 6, alinéas 2 et 3, de la loi organique du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'aide sociale.]2
  § 2. Le centre public d'action sociale peut également adhérer à une association visée au paragraphe 1er, alinéa premier, si celle-ci a été constituée uniquement par des personnes morales de droit public. La cession ou l'incorporation d'un service existant du centre public d'action sociale n'est pas autorisée dans ce cas.
  
Art. 509. [1 Als conform artikel 508 het advies van de Vlaamse Regering vereist is, verleent de Vlaamse Regering een niet-bindend advies over het ontwerpbesluit, vermeld in artikel 508, § 1, vierde lid, binnen zestig dagen vanaf de dag na de dag waarop dat ontwerpbesluit aan de Vlaamse Regering is verzonden.
   Bij de adviesaanvragen, vermeld in het eerste lid, wordt het ontwerp van statuten van de vereniging gevoegd en ook de bijlagen die er krachtens de statuten integraal deel van uitmaken. Bij de adviesaanvraag worden ook de beslissingen van de eventuele deelgenoten tot deelname aan de vereniging gevoegd.
   Het ontwerpbesluit tot oprichting of tot toetreding wordt samen met het niet-bindende advies voor beraadslaging en voor stemming voorgelegd aan de raad of raden voor maatschappelijk welzijn. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt dat vermeld op het voormelde ontwerpbesluit.]1

  
Art. 509. [1 Lorsque, conformément à l'article 508, l'avis du Gouvernement flamand est requis, le Gouvernement flamand émet un avis non contraignant sur le projet de décision visé à l'article 508, § 1er, alinéa 4, dans les soixante jours à compter du lendemain du jour où ce projet de décision a été transmis au Gouvernement flamand.
   Les demandes d'avis, mentionnées à l'alinéa 1er, sont accompagnées du projet de statuts de l'association ainsi que des annexes qui en font partie intégrante en vertu des statuts. La demande d'avis est également accompagnée des décisions d'adhésion à l'association des membres copartageants éventuels.
   Le projet de décision de constitution ou d'adhésion, accompagné de l'avis non contraignant, est soumis à la délibération et au vote du ou des conseils de l'aide sociale. Si aucun avis n'a été reçu dans le délai imparti, il en est fait mention dans le projet de décision précité.]1

  
Art. 510. De statuten van de vereniging, vermeld in artikel 508, worden opgemaakt overeenkomstig de wetgeving over de gekozen rechtsvorm. Met behoud van de toepassing van die bepalingen vermelden de statuten nauwkeurig de deelgenoten, hun inbreng, hun verbintenissen en bijdragen, alsook de bestemming van het vermogen van de vereniging als die zou worden ontbonden, of van de inbreng in geval een lid ontslag neemt.
  De statuten bepalen het stemmenaantal waarover elke deelgenoot beschikt in de verschillende bestuurs- en beheersorganen, rekening houdend met de inbreng van elke deelgenoot.
Art. 510. Les statuts de l'association visée à l'article 508 seront établis conformément à la législation sur la forme juridique choisie. Tout en préservant l'application desdites dispositions, les statuts mentionneront précisément les associés, leur apport, leurs engagements et contributions, ainsi que la destination de l'actif de l'association en cas de dissolution de celle-ci, ou de l'apport si un membre démissionne.
  Les statuts arrêteront le nombre de voix dont chaque associé dispose au sein des différents organes de direction et de gestion, en tenant compte de l'apport de chaque associé.
Art. 511. § 1. De statuten van de vereniging bepalen op welke wijze het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op de hoogte wordt gebracht van de agenda en de beslissingen van de [1 bestuursorganen]1 van de vereniging en van het [1 jaarverslag]1, de begroting en de rekeningen van de vereniging. De raad voor maatschappelijk welzijn regelt, overeenkomstig de statuten van de vereniging, de eventuele overname [2 van het contractuele personeel of terbeschikkingstelling van het statutaire personeel, met uitzondering van de personeelsleden, vermeld in artikel 162, § 1, en artikel 183, § 1]2.
  [2 Artikel 185/1, § 2, is van toepassing bij de overdracht van contractueel personeel.]2
  § 2. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan in de organen van de vereniging alleen vertegenwoordigd zijn door leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, die handelen volgens de instructies van de raad voor maatschappelijk welzijn door wie ze zijn aangewezen, en door deskundigen.
  De raad voor maatschappelijk welzijn wijst de vertegenwoordigers aan en bepaalt in voorkomend geval de verhouding tussen de leden en de deskundigen, waarbij het aandeel van de deskundigen maximaal een derde kan zijn. De vertegenwoordigende leden van de raad voor maatschappelijk welzijn worden door de raad voor maatschappelijk welzijn aangewezen overeenkomstig artikel 506.
  Het mandaat van de vertegenwoordigende leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en van de deskundigen eindigt van rechtswege op de eerste algemene vergadering die plaatsvindt nadat de raden voor maatschappelijk welzijn van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die lid zijn van de vereniging, overeenkomstig artikel 68, § 1, geïnstalleerd zijn. De statuten bevatten bepalingen in die zin.
  
Art. 511. § 1er. Les statuts de l'association détermineront les modalités selon lesquelles le centre public daction sociale sera informé de l'ordre du jour et des décisions des organes [1 d'administration]1 de l'association, ainsi que du rapport annuel, du budget et des comptes de l'association. Le conseil de l'action sociale réglera, conformément aux statuts de l'association, l'éventuelle reprise [2 du personnel contractuel ou mise à disposition du personnel statutaire, à l'exception des membres du personnel visés à l'article 162, § 1er, et à l'article 183, § 1er]2.
  [2 L'article 185/1, § 2, s'applique au transfert de personnel contractuel.]2
  § 2. Le centre public d'action sociale ne peut être représenté au sein des organes de l'association que par des membres du conseil de l'action sociale qui agiront selon les instructions du conseil de l'action sociale par lequel ils ont été désignés, ainsi que par des experts.
  Le conseil de l'action sociale désigne les représentants et détermine, le cas échéant, le rapport entre les membres et les experts, le pourcentage d'experts pouvant être de tout au plus un tiers. Les membres représentants du conseil de l'action sociale sont désignés par le conseil de l'action sociale conformément à l'article 506.
  Le mandat des membres représentants du conseil de l'action sociale et des experts prend fin de plein droit à la première assemblée générale de l'association qui a lieu après l'installation de tous les conseils de l'action sociale des centres publics d'action sociale qui sont membres de l'association, conformément à l'article 68, § 1er. Les statuts comporteront des dispositions en ce sens.
  
Art. 512. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan onder dezelfde voorwaarden als de voorwaarden, vermeld in artikel 508 tot en met 511, ook [1 toetreden tot een sociale onderneming als vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1.
  
Art. 512. Le centre public d'action sociale peut également [1 adhérer à une entreprise sociale au sens du Code des sociétés et des associations]1 aux mêmes conditions que celles visées aux articles 508 à 511.
  
HOOFDSTUK 6. - Verenigingen of vennootschappen van privaatrecht van woon- en zorgcentra De woonzorgvereniging of de woonzorgvennootschap
CHAPITRE 6. - Les associations ou sociétés de droit privé de maisons de repos et de soins L'association de soins à domicile ou la société de soins à domicile.
Art. 513. Een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan met betrekking tot woon- en zorgcentra, in afwijking van hoofdstuk 5 van deze titel, en met uitsluiting van de gehele of gedeeltelijke exploitatie van een ziekenhuis of van ziekenhuisgebonden activiteiten, lid worden van [1 een vzw als vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1.
  [1 Van een vzw zoals vermeld in het eerste lid, moeten minstens een of meer private rechtspersonen die zonder winstoogmerk een belangeloos doel nastreven of erkend zijn als een sociale onderneming als vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, lid zijn. Van die vereniging kunnen daarnaast al dan niet een of meer andere openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gemeenten, verenigingen opgericht overeenkomstig deel 3, titel 4, hoofdstuk 2 of 3, of andere openbare besturen, lid zijn.]1
  
Art. 513. Un centre public d'action sociale peut, en matière de maisons de repos et de soins, par dérogation au chapitre 5 du présent titre, et à l'exclusion de l'exploitation totale ou partielle d'un hôpital ou d'activités hospitalières, devenir membre [1 d'une ASBL telle que visée au Code des sociétés et des associations]1.
  [1 Une ASBL telle que visée au premier alinéa doit compter parmi ses membres au moins une ou plusieurs personnes morales privées poursuivant sans but lucratif une fin désintéressée ou reconnues comme entreprise sociale au sens du Code des sociétés et des associations. Cette association peut en outre compter, ou non, parmi ses membres un ou plusieurs autres centres publics d'action sociale, communes, associations créées conformément à la partie 3, titre 4, chapitres 2 ou 3, ou autres administrations publiques.]1
  
Art. 514. § 1. [1 Het ontwerp van het met redenen omklede besluit van de raad of raden voor maatschappelijk welzijn tot oprichting van de vereniging, vermeld in artikel 513, en de statuten van de vereniging en ook de bijlagen die er krachtens de statuten integraal deel van uitmaken, worden op straffe van nietigheid voor advies voorgelegd aan de Vlaamse Regering op de wijze die de Vlaamse Regering bepaalt.]1
  § 2. Het dossier dat [1 voor advies aan de Vlaamse Regering]1 wordt bezorgd, bevat ten minste:
  1° een grondige motiveringsnota waarin de [2 meerwaarde van het aantrekken van een private partner]2 en de meerwaarde van de gekozen privaatrechtelijke rechtsvorm [2 worden]2 aangetoond;
  2° een duidelijk bestuursplan met omschrijving van de opdrachten van de vereniging en een toelichting bij de organisatie van de vereniging en eventuele rechten en plichten en waarborgen van de publieke en private partners;
  3° een financieel plan voor zes jaar, met een omschrijving van de bedrijfsopdrachten, de financiële structuur en de in te zetten middelen en de controlemogelijkheden op de uitvoering;
  4° een ontwerp van de statuten.
  Uit het dossier, vermeld in het eerste lid, blijkt dat er in afdoende waarborgen wordt voorzien voor de continuïteit van de dienstverlening, de democratische controle, de beslissingsmacht en de vertegenwoordiging, het ideologische profiel en in voorkomend geval de prijszetting en het opnamebeleid.
  De volgende bijkomende waarborgen zijn daarbij vereist:
  1° de vereniging zonder winstoogmerk kan over de beslissingen aangaande de vaststelling van de criteria voor het opnamebeleid en de bepaling van de ligdagprijs alleen geldig beraadslagen en beslissen als twee derde van de deelgenoten aanwezig is, waaronder alle deelnemende openbare centra voor maatschappelijk welzijn. De besluiten worden genomen met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen;
  2° een voorstel tot buitengerechtelijke ontbinding kan op zijn vroegst worden gedaan na een periode van zes jaar, die aanvangt de dag van de publicatie van de oprichtingsakte.
  § 3. [1 De Vlaamse Regering verleent een niet-bindend advies over het ontwerpbesluit, vermeld in artikel 513, binnen zestig dagen vanaf de dag na de dag waarop dat ontwerpbesluit aan de Vlaamse Regering is verzonden.
   Dat ontwerpbesluit wordt samen met het niet-bindende advies voor beraadslaging en voor stemming voorgelegd aan de raad of raden voor maatschappelijk welzijn. Als er geen advies is ontvangen binnen de gestelde termijn, wordt dat vermeld op het ontwerpbesluit tot oprichting.]1

  
Art. 514. § 1er. [2 Le projet de décision motivée du conseil ou des conseils de l'aide sociale de constitution de l'association figurant à l'article 513 et les statuts de l'association, ainsi que les annexes qui en font partie intégrante en vertu des statuts, sont soumis, à peine de nullité, à l'avis du Gouvernement flamand de la manière déterminée par celui-ci.]2
  § 2. Le dossier soumis [2 à l'avis du Gouvernement flamand]2 comprendra au moins :
  1° une note de motivation détaillée démontrant la [1 plus-value]1 d'attirer un partenaire privé ainsi que la plus-value de la forme juridique de droit privé choisie ;
  2° un plan d'administration clair avec description des missions de l'association et des explications concernant l'organisation de l'association ainsi que les éventuels droits et devoirs et garanties des partenaires publics et privés ;
  3° un plan financier sur six ans, avec une description des missions de l'entreprise, de la structure financière et des moyens à mettre en oeuvre ainsi que des possibilités de contrôle de l'exécution ;
  4° un projet de statuts.
  Il ressortira du dossier visé à l'alinéa premier que des garanties suffisantes sont prévues pour assurer la continuité du service, le contrôle démocratique, le pouvoir décisionnel et la représentation, le profil idéologique et, le cas échéant, la tarification et la politique d'admission.
  Les garanties supplémentaires suivantes sont requises :
  1° en matière de décisions relatives à la fixation des critères de la politique d'admission et à la détermination du prix de la journée, l'association sans but lucratif pourra délibérer et décider valablement uniquement en cas de présence de deux tiers des associés, dont tous les centres publics d'action sociale participants. Les décisions sont prises à une majorité de deux tiers des suffrages exprimés ;
  2° une proposition de dissolution extra-judiciaire pourra être faite au plus tôt après une période de six ans prenant cours le jour qui suit celui de la publication de l'acte constitutif.
  § 3. [2 Le Gouvernement flamand rend un avis non contraignant sur le projet de décision visé à l'article 513, dans un délai de soixante jours prenant cours le jour qui suit celui de l'envoi du projet de décision au Gouvernement flamand.
   Ce projet de décision, accompagné de l'avis non contraignant, est soumis à la délibération et au vote au conseil ou aux conseils de l'aide sociale. Si aucun avis n'a été reçu dans le délai imparti, il en est fait mention dans le projet de décision de constitution.]2

  
Art. 515. Artikel 510, 511 en 512 zijn van overeenkomstige toepassing op de verenigingen, vermeld in dit hoofdstuk.
Art. 515. Les articles 510, 511 et 512 s'appliquent par analogie aux associations visées dans ce chapitre.
DEEL 4. - SPECIFIEKE BEPALINGEN TEN BEHOEVE VAN DE GEMEENTE VOEREN EN DE GEMEENTEN, VERMELD IN ARTIKEL 7 VAN DE WETTEN OP HET GEBRUIK VAN DE TALEN IN BESTUURSZAKEN, GECOORDINEERD OP 18 JULI 1966
PARTIE 4. DISPOSITIONS SPECIFICAUES POUR LA COMMUNE DE FOURONS ET LES COMMUNES VISEES A L'ARTICLE 7 DES LOIS SUR L'EMPLOI DES LANGUES EN MATIERE ADMINISTRATIVE, COORDONNEES LE 18 JUILLET 1966
TITEL 1. - De politieke organisatie van de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
TITRE 1er. - L'organisation politique de la commune et du centre public daction sociale
HOOFDSTUK 1. - De gemeenteraad
CHAPITRE 1er. - Le conseil communal
Afdeling 1. - De organisatie van de gemeenteraad
Section 1ère. - L'organisation du conseil communal
Art. 516. Artikel 4 tot en met 17 van dit decreet, met uitzondering van [1 artikel 5, § 3,]1 artikel 7, § 6, en artikel 15, zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  
Art. 516. Les articles 4 à 17 du présent décret, à l'exception de [1 l'article 5, § 3,]1 l'article 7, § 6, et de l'article 15, sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  
Afdeling 2. - De werking van de gemeenteraad
Section 2. - Le fonctionnement du conseil communal
Art. 517. Artikel 18 tot en met 39 van dit decreet [1 , met uitzondering van artikel 30,]1 zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  
Art. 517. Les articles 18 à 39 du présent décret [1 , à l'exception de l'article 30,]1 sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  
Afdeling 3. - De bevoegdheden van de gemeenteraad
Section 3. - Les compétences du conseil communal
Art. 518. Artikel 40 en 41 van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 518. Les articles 40 et 41 du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
HOOFDSTUK 2. - Het college van burgemeester en schepenen
CHAPITRE 2. - Le collège des bourgmestre et échevins
Afdeling 1. - De organisatie van het college van burgemeester en schepenen
Section 1ère. - L'organisation du collège des bourgmestre et échevins
Art. 519. Artikel 42, § 2, artikel 44, 45, 47, 48 en 49, § 4, van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  [1 Als een schepen tijdelijk afwezig is, kan hij, met behoud van de toepassing van artikel 13bis, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet, worden vervangen door het raadslid aangewezen overeenkomstig artikel 15, § 2, achtste lid, van de Nieuwe Gemeentewet.]1
  
Art. 519. L'article 42, § 2, les articles 44, 45, 47, 48 et 49, § 4, du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  [1 En cas d'absence temporaire d'un échevin, celui-ci peut, sans préjudice de l'application de l'article 13bis, § 1er, de la Nouvelle loi communale, être remplacé par le conseiller désigné conformément à l'article 15, § 2, alinéa 8, de la Nouvelle loi communale.]1
  
Art. 520. Artikel 42, § 1, § 3, § 4 en § 5, artikel 43, 46 en 49, § 1, § 2 en § 3, van dit decreet zijn niet van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 520. L'article 42, § 1er, §§ 3, 4 et 5, les articles 43, 46 et 49, §§ 1er,2 et 3, du présent décret ne sont pas applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Afdeling 2. - De werking van het college van burgemeester en schepenen
Section 2. - Le fonctionnement du collège des bourgmestre et échevins
Art. 521. Artikel 50, 51, 54 en 55 van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 521. Les articles 50, 51, 54 et 55 du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Art. 522. Artikel 52 en 53 van dit decreet zijn niet van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 522. Les articles 52 et 53 du présent décret ne sont pas applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Afdeling 3. - De bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen
Section 3. - Les compétences du collège des bourgmestre et échevins
Art. 523. Artikel 56 en 57 van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 523. Les articles 56 et 57 du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
HOOFDSTUK 3. - De burgemeester
CHAPITRE 3. - Le bourgmestre
Afdeling 1. - De benoeming van de burgemeester
Section 1ère. - La nomination du bourgmestre
Art. 524. [1 Met behoud van de toepassing van artikel 14 van de Nieuwe Gemeentewet, zijn artikel 58, 59, 60, 61 en 62, eerste tot en met vijfde lid, met uitzondering van het eerste lid, 2°, e), van toepassing op de gemeente Voeren.
   Artikel 60, 61 en 62, eerste tot en met vijfde lid, met uitzondering van het eerste lid, 2°, e), zijn van toepassing op de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 [2 , met dien verstande dat het woord "aangeduid" wordt gelezen als "benoemd", de zinsnede "artikel 58" wordt gelezen als "artikel 524/1" en de woorden "eedaflegging van de aangewezen-burgemeester tijdens de gemeenteraad" worden gelezen als "nieuwe benoeming"]2.]1

  
Art. 524. [1 Sans préjudice de l'application de l'article 14 de la Nouvelle loi communale, les articles 58, 59, 60, 61 et 62, premier à cinquième alinéas, à l'exception du premier alinéa, 2°, e), sont applicables à la commune de Fourons.
   Les articles 60, 61 et 62, premier à cinquième alinéas, à l'exception du premier alinéa, 2°, e) sont applicables aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 [2 , étant entendu que le mot " désigné " se lit comme " nommé ", le membre de phrase " article 58 " se lit comme " article 524/1 ", et les mots " prestation de serment du bourgmestre désigné lors du conseil communal " se lisent comme " nouvelle nomination "]2.]1

  
Art. 524/1. [1 § 1. [2 Met behoud van de toepassing van de nationaliteitsvereiste, vermeld in artikel 13 van de Nieuwe Gemeentewet, wordt de burgemeester in de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, door de Vlaamse Regering benoemd uit de verkozenen voor de gemeenteraad. De voormelde verkozenen kunnen daarvoor kandidaten voordragen voor wie een gedagtekende akte van voordracht van burgemeester die voldoet aan al de ontvankelijkheidsvoorwaarden, vermeld in het tweede lid, wordt voorgelegd aan de provinciegouverneur. De Vlaamse Regering stelt het model van de akte van voordracht van burgemeester vast en de wijze waarop dat model ter beschikking wordt gesteld. De Vlaamse Regering kan de wijze bepalen waarop de akte van voordracht van burgemeester wordt ingediend bij de algemeen directeur.
   Een ontvankelijke akte van voordracht van burgemeester voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° ze draagt een gemeenteraadslid voor dat de Belgische nationaliteit heeft;
   2° ze is gedaan op de modelakte die de Vlaamse Regering krachtens het eerste lid vaststelt en die op de dag van de verkiezingen door een door de Vlaamse Regering aan te wijzen entiteit van de Vlaamse overheid met de datumstempel van die dag ter beschikking is gesteld;
   3° ze is ondertekend door meer dan de helft van de verkozenen op de lijsten die aan de verkiezingen deelnamen;
   4° ze is ondertekend door de meerderheid van de personen die op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat-burgemeester zijn verkozen. Als de lijst waarop de naam van de kandidaat-burgemeester voorkomt maar twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van een van hen;
   5° ze is bezorgd aan de provinciegouverneur.
   Niemand kan meer dan één akte van voordracht ondertekenen. Overtreding van het voormelde verbod wordt bestraft conform artikel 7, § 2.
   De akte van voordracht kan ook de einddatum van het mandaat van de kandidaat-burgemeester vermelden. In dat geval kan op de akte van voordracht de naam vermeld worden van een of meer personen die worden voorgedragen om hem op te volgen voor de resterende duurtijd van het mandaat. In voorkomend geval is de burgemeester van rechtswege ontslagnemend als de einddatum van het mandaat is bereikt. Als het mandaat eindigt voor de einddatum, vermeld in de akte van voordracht, of als de persoon die in de akte van voordracht is vermeld als de persoon die de burgemeester opvolgt, zijn mandaat niet opneemt, wordt de voordracht van de eerstvolgende opvolger, vermeld in de akte van voordracht, vervroegd. Als de persoon die als laatste opvolger is vermeld, het mandaat niet kan opnemen of als er geen opvolger is vermeld, wordt tot vervanging overgegaan conform artikel 62. Als de voor- dracht geen einddatum vermeldt, wordt, in voorkomend geval, de vermelding van een of meer opvolgers als onbestaand beschouwd.
   De Vlaamse Regering gaat na of de akte van voordracht ontvankelijk is conform het tweede lid.
   De Vlaamse Regering kan altijd om een nieuwe voordracht verzoeken.]2

   § 2. Een voorgedragen kandidaat-burgemeester als vermeld in paragraaf 1, die niet is benoemd, kan tijdens dezelfde bestuursperiode niet meer opnieuw worden voorgedragen, tenzij op basis van nieuwe feiten of nieuwe gegevens.
   § 3. Met behoud van de toepassing van [2 de nationaliteitsvereiste, vermeld in]2 artikel 13 [2 ...]2 van de Nieuwe Gemeentewet, kan de burgemeester, vermeld in paragraaf 1, buiten de verkozenen voor de gemeenteraad worden benoemd uit de gemeenteraadskiezers die minstens vijfentwintig jaar oud zijn.
   De burgemeester die buiten de raad is benoemd, is in alle gevallen stemgerechtigd in het college van burgemeester en schepenen en beschikt over een raadgevende stem in de gemeenteraad.]1

  
Art. 524/1. [1 § 1. [2 Sans préjudice de l'application de la condition de nationalité visée à l'article 13 de la nouvelle loi communale, le bourgmestre des communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, est désigné par le Gouvernement flamand parmi les membres élus au conseil communal. A cette fin, les élus précités peuvent présenter des candidats pour lesquels un acte daté de présentation de bourgmestre, qui répond à toutes les conditions de recevabilité visées à l'alinéa 2, est soumis au gouverneur de province. Le Gouvernement flamand arrête le modèle de l'acte de présentation de bourgmestre, et la manière dont ce modèle est mis à disposition. Le Gouvernement flamand peut arrêter le mode d'introduction de l'acte de présentation de bourgmestre auprès du directeur général.
   Un acte recevable de présentation de bourgmestre répond à toutes les conditions suivantes :
   1° il présente un conseiller communal qui a la nationalité belge ;
   2° il a été fait sur le modèle d'acte que le Gouvernement flamand arrête en vertu de l'alinéa 1er, et qui est mis à disposition le jour de l'élection par une entité de l'Autorité flamande à désigner par le Gouvernement flamand avec le cachet dateur de ce jour ;
   3° il est signé par plus de la moitié des élus sur les listes qui ont participé aux élections ;
   4° il est signé par une majorité des personnes qui ont été élues sur la même liste que le candidat bourgmestre présenté. Si la liste sur laquelle figure le nom du candidat bourgmestre ne compte que deux élus, la signature de l'un d'entre eux suffit ;
   5° il est transmis au gouverneur de province.
   Nul ne peut signer plus d'un acte de présentation. La violation de l'interdiction précitée est sanctionnée conformément à l'article 7, § 2.
   L'acte de présentation peut également indiquer la date de fin du mandat du candidat bourgmestre. Dans ce cas, l'acte de présentation peut indiquer le nom d'une ou plusieurs personnes présentées pour lui succéder pour la durée restante du mandat. Le cas échéant, le bourgmestre est démissionnaire de plein droit à la date de fin de son mandat. Si le mandat prend fin avant la date de fin mentionnée dans l'acte de présentation, ou si la personne indiquée dans l'acte de présentation comme étant la personne qui succède au bourgmestre n'assume pas son mandat, la présentation du premier suppléant suivant mentionné dans l'acte de présentation est avancée. Si la personne indiquée comme dernier suppléant ne peut assumer le mandat ou si aucun suppléant n'est indiqué, il est procédé au remplacement conformément à l'article 62. Si la présentation ne mentionne pas de date de fin, la mention d'un ou de plusieurs suppléants, le cas échéant, est considérée comme inexistante.
   Le Gouvernement flamand vérifie si l'acte de présentation est recevable conformément à l'alinéa 2.
   Le Gouvernement flamand peut en tout temps requérir une nouvelle présentation.]2

   § 2. Un candidat bourgmestre présenté, tel que visé au paragraphe 1, qui n'a pas été nommé ne peut plus être présenté une nouvelle fois pendant la même législature, sauf sur la base de nouveaux faits ou de nouvelles données.
   § 3. Sans préjudice de l'application de [2 la condition de nationalité, visée à]2 l'article 13 [2 ...]2 de la nouvelle loi communale, le bourgmestre visé au paragraphe 1 peut être nommé en dehors des élus au conseil communal parmi les électeurs communaux âgés de vingt-cinq ans ou plus.
   Le bourgmestre qui est nommé en dehors du conseil a en tout cas voix délibérative au collège des bourgmestre et échevins et voix délibérative au conseil communal.]1

  
Art. 524/2. [1 De burgemeester in de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, wordt benoemd voor een periode van zes jaar, behalve in de gevallen, vermeld in artikel 61, 62 en 524/1, § 1, [2 vierde]2 lid.
   Voor hij zijn mandaat aanvaardt, legt de burgemeester de volgende eed af in handen van de provinciegouverneur: "Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen.". Behalve als de burgemeester wordt benoemd buiten de raad, geldt die eedaflegging ook als eedaflegging als gemeenteraadslid als vermeld in artikel 6. De burgemeester die de eed na twee oproepingen niet aflegt, wordt geacht het burgemeestersmandaat niet te aanvaarden. De Raad voor Verkiezingsbetwistingen doet uitspraak over de geschillen die daarover rijzen.
   Na de gemeenteraadsverkiezingen blijft de aftredende burgemeester in functie tot de nieuwe burgemeester is geïnstalleerd.]1

  
Art. 524/2. [1 Dans les communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, le bourgmestre est nommé pour une période de six ans, sauf dans les cas visés aux articles 61, 62 et 524/1, § 1, [2 alinéa 4]2.
   Avant d'accepter son mandat, le bourgmestre prête le serment suivant entre les mains du gouverneur de province : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de mon mandat. ". Cette prestation de serment est également valable pour celle de conseiller communal, visée à l'article 6, sauf si le bourgmestre est nommé en dehors du conseil. Le bourgmestre qui ne prête pas serment après deux convocations successives est censé ne pas accepter son mandat de bourgmestre. Le Conseil des Contestations électorales statue sur les litiges qui surviennent à ce sujet.
   Après les élections communales, le bourgmestre sortant reste en fonction jusqu'à l'installation du nouveau bourgmestre.]1

  
Art. 525. [1 Artikel 62, eerste lid, 2А, e), zesde lid en zevende lid,]1 van dit decreet zijn niet van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  
Art. 525. [1 L'article 62, alinéa 1er, 2°, e), alinéas 6 et 7]1, du présent décret ne sont pas applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  
Afdeling 2. - De bevoegdheden van de burgemeester
Section 2. - Les compétences du bourgmestre
Art. 526. Artikel 63 tot en met 67 van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 526. Les articles 63 à 67 du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
HOOFDSTUK 4. - De raad voor maatschappelijk welzijn
CHAPITRE 4. - Le conseil de l'action sociale
Afdeling 1. - De organisatie van de raad voor maatschappelijk welzijn
Section 1ère. - L'organisation du conseil de l'action sociale
Art. 527. Artikel 68 tot en met 70, artikel 72 en 73 van dit decreet zijn niet van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 527. Les articles 68 à 70, les articles 72 et 73 du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Art. 528. § 1. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bestuurd door een raad voor maatschappelijk welzijn die bestaat uit:
  1° negen leden in de gemeenten met niet meer dan 15.000 inwoners;
  2° elf leden in de gemeenten met 15.001 tot en met 50.000 inwoners;
  3° dertien leden in de gemeenten met 50.001 tot en met 150.000 inwoners;
  4° vijftien leden in de gemeenten met meer dan 150.000 inwoners.
  Als het aantal leden van de gemeenteraad van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, minder bedraagt dan het aantal leden, vermeld in het eerste lid, wordt het aantal leden van de raad voor maatschappelijk welzijn teruggebracht tot het aantal leden van de gemeenteraad.
  § 2. Artikel 4, § 3, van dit decreet is van overeenkomstige toepassing op de raad voor maatschappelijk welzijn van de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 528. § 1er. Le centre public d'action sociale est dirigé par un conseil de l'action sociale composé de :
  1° neuf membres dans les communes ne comptant pas plus de 15.000 habitants ;
  2° onze membres dans les communes comptant entre 15.001 et 50.000 habitants ;
  3° treize membres dans les communes comptant entre 50.001 et 150.000 habitants ;
  4° quinze membres dans les communes comptant plus de 150.000 habitants.
  Si le nombre de conseillers communaux de la commune qui est desservie par le centre public d'action sociale est inférieur au nombre de membres visés à l'alinéa premier, le nombre de membres du conseil de l'action sociale sera ramené au nombre de conseillers communaux.
  § 2. L'article 4, § 3 du présent décret est applicable par analogie au conseil de l'action sociale de la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Art. 529. Met behoud van de toepassing van artikel 17bis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, is [1 artikel 5, § 1 en § 2]1 van dit decreet van overeenkomstige toepassing op de raad voor maatschappelijk welzijn van de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  
Art. 529. Tout en préservant l'application de l'article 17bis de la loi organique du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'action sociale, [1 l'article 5, §§ 1 et 2]1 du présent décret est applicable par analogie au conseil de l'action sociale de la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  
Art. 530. Om tot werkend lid van een raad voor maatschappelijk welzijn of tot opvolger te kunnen worden verkozen, moet iemand op de dag van de algehele verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn:
  1° Belg of onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie zijn, overeenkomstig artikel 7 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  2° de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt;
  3° ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend;
  4° zich niet bevinden in een van de gevallen van onverkiesbaarheid, vermeld in artikel 58 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.
  Artikel 58, tweede lid, van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 is van toepassing als de inbreuken, vermeld in die bepaling, zijn gepleegd tijdens de uitoefening van een ambt binnen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een gemeenteambt.
Art. 530. Pour pouvoir être élu membre effectif ou suppléant d'un conseil de l'action sociale, toute personne doit, le jour de l'élection générale du conseil de l'action sociale :
  1° être Belge ou ressortissant d'un autre Etat membre de l'Union européenne, conformément à l'article 7 de la loi organique du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'action sociale ;
  2° avoir l'âge de dix-huit ans accomplis ;
  3° être inscrit dans les registres de la population de la commune desservie par le centre public d'action sociale ;
  4° ne pas se trouver dans l'un des cas d'inéligibilité visés à l'article 58 du Décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011.
  L'article 58, deuxième alinéa, du Décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011 est d'application si les infractions visées dans la présente disposition ont été commises pendant l'exercice d'une fonction au sein du centre public d'action sociale ou d'une fonction communale.
Art. 531. § 1. De verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn worden door de uittredende voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn ten minste [1 acht]1 dagen voor de installatievergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn op de hoogte gebracht van de datum, het uur en de plaats van de installatievergadering. De installatievergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn vindt plaats binnen de eerste vijf [1 werkdagen van december]1 Bij ontstentenis van oproeping door de uittredende voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn vindt de installatievergadering van rechtswege plaats op de [1 vijfde werkdag van december]1 in het gemeentehuis om 20 uur. De algemeen directeur brengt in dat geval voor de goede orde [1 ...]1 de nieuw verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn daarvan op de hoogte.
  Elke dag van de week, behalve zaterdag, zondag en wettelijke en decretale feestdagen, is een werkdag.
  [1 Als er een bezwaar is ingediend tegen de verkiezing en als die vervolgens toch geldig is verklaard, vindt de installatievergadering plaats binnen vijftien dagen na de dag waarop de uitslag van de verkiezing definitief is met toepassing van [2 artikel 18bis van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn,]2, maar op zijn vroegst op een van de eerste vijf werkdagen van december. De verkozen raadsleden worden door de uittredende voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn ten minste acht dagen voor de installatievergadering op de hoogte gebracht van de datum, het uur en de plaats van de vergadering.]1
  [1 Als er een bezwaar is ingediend tegen de verkiezing en als die verkiezing vervolgens ongeldig is verklaard en er een nieuwe verkiezing moet worden gehouden, vindt de installatievergadering plaats binnen vijftien dagen na de dag waarop de uitslag van de nieuwe verkiezing definitief is met toepassing van [2 artikel 18bis van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]2. De verkozen raadsleden worden door de uittredende voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn ten minste acht dagen voor de installatievergadering op de hoogte gebracht van de datum, het uur en de plaats van de vergadering.]1
  § 2. Met behoud van de toepassing van artikel 25bis, tweede lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt de installatievergadering voorgezeten door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  § 3. De raad voor maatschappelijk welzijn onderzoekt de geloofsbrieven van de verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. De verkozen leden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van wie de geloofsbrieven zijn goedgekeurd, leggen, voor ze hun mandaat aanvaarden, in openbare vergadering de volgende eed af in handen van de voorzitter van de installatievergadering: "Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen.". Als de voorzitter van de installatievergadering niet de benoemde voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn is, legt die de eed af in handen van het oudste lid van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  § 4. De verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn die aanwezig zijn op de installatievergadering en die de eed niet afleggen, worden geacht afstand te hebben gedaan van hun mandaat.
  § 5. De verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn die niet aanwezig zijn op de installatievergadering en die, nadat ze daartoe uitdrukkelijk zijn opgeroepen, zonder geldige reden afwezig zijn op de eerste daaropvolgende vergadering, worden geacht afstand te hebben gedaan van hun mandaat.
  § 6. Als de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, degene die de voorzitter vervangt of degene die de eed afneemt van de persoon die de voorzitter vervangt, nalaat de eed af te nemen van de verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn op de installatievergadering of, bij vervanging van een lid, na de installatie vergadering uiterlijk op de eerstvolgende vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn, wordt de eed afgenomen door een lid van het vast bureau volgens hun rangorde. Als de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, degene die de voorzitter vervangt of degene die de eed afneemt van de persoon die de voorzitter vervangt, nalaat de eed af te nemen, noteert de algemeen directeur de vervanging van de voorzitter in de notulen van de vergadering.
  § 7. De rangorde van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt tijdens de installatievergadering van de nieuwe raad voor maatschappelijk welzijn, onmiddellijk na de eedaflegging van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn vastgesteld. Het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn met de hoogste anciënniteit neemt de hoogste rang in. Bij gelijke anciënniteit neemt het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat bij de laatste volledige vernieuwing van de raad voor maatschappelijk welzijn het hoogst aantal naamstemmen heeft behaald, de hoogste rang in. Bij een gelijk aantal naamstemmen neemt het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn van wie de lijst bij de laatste volledige vernieuwing van de raad voor maatschappelijk welzijn de meeste stemmen heeft behaald de hoogste rang in. De opvolgers die na de installatievergadering als lid van de raad voor maatschappelijk welzijn worden geïnstalleerd, nemen de rang in volgorde van hun eedaflegging in.
  
Art. 531. § 1er. Les membres élus du conseil de l'action sociale seront informés de la date, de l'heure et du lieu de la réunion d'installation du conseil de l'action sociale, au moins [1 huit]1 jours avant ladite réunion d'installation. La réunion d'installation du conseil de l'action sociale se tiendra au cours des cinq premiers [1 jours ouvrables du mois de décembre]1. A défaut de convocation par le président sortant du conseil de l'action sociale, la réunion d'installation se tiendra de plein droit [1 cinquième jour ouvrable du mois de décembre]1 à 20 heures à la maison communale. Pour le bon ordre, le directeur général en informera les nouveaux membres élus du conseil de l'action sociale [1 ...]1.
  Chaque jour de la semaine, à l'exception du samedi, du dimanche et des jours fériés légaux et décrétaux, est un jour ouvrable.
  [1 Lorsque, en dépit d'une objection introduite, l'élection a néanmoins été déclarée valide par la suite, la réunion d'installation a lieu dans les quinze jours qui suivent la date à laquelle le résultat de l'élection est définitif en application de [2 l'article 18bis de la loi du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'action sociale,]2, mais au plus tôt un des cinq premiers jours ouvrables du mois de décembre. Au moins huit jours avant la réunion d'installation les conseillers élus sont informés de la date, de l'heure et du lieu de la réunion par le président sortant du conseil de l'aide sociale.]1
  [1 Lorsqu'une objection a été introduite contre l'élection, que l'élection a ensuite été déclarée invalide et qu'une nouvelle élection doit avoir lieu, la réunion d'installation a lieu dans les quinze jours qui suivent la date à laquelle le résultat de l'élection est définitif en application de [2 l'article 18bis de la loi du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'action sociale]2. Au moins huit jours avant la réunion d'installation les conseillers élus sont informés de la date, de l'heure et du lieu de la réunion par le président sortant du conseil de l'aide sociale.]1
  § 2. Tout en préservant l'application de l'article 25bis, deuxième alinéa, de la loi organique du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'action sociale, la réunion d'installation est présidée par le président du conseil de l'action sociale.
  § 3. Le conseil de l'action sociale examine les pouvoirs des membres élus du conseil de l'action sociale. Avant d'accepter leur mandat, les membres élus du centre public d'action sociale dont les pouvoirs ont été approuvés prêtent le serment suivant, en réunion publique, entre les mains du président de la réunion d'installation : " Je jure de respecter fidèlement les obligations de mon mandat ". Si le président de la réunion d'installation n'est pas le président nommé du conseil de l'action sociale, il prête le serment entre les mains du membre le plus âgé du conseil de l'action sociale.
  § 4. Les membres élus du conseil de l'action sociale qui sont présents à la réunion d'installation et qui ne prêtent pas le serment sont supposés avoir renoncé à leur mandat.
  § 5. Les membres élus du conseil de l'action sociale qui ne sont pas présents à la réunion d'installation et qui, après y avoir été convoqués expressément, sont absents sans motif valable à la première réunion suivante, sont supposés avoir renoncé à leur mandat.
  § 6. Si le président du conseil de l'action sociale, celui qui remplace le président ou celui qui reçoit le serment de la personne qui remplace le président ne fait pas prêter serment aux membres élus du conseil de l'action sociale lors de la réunion d'installation ou, en cas de remplacement d'un membre, après la réunion d'installation au plus tard lors de la réunion suivante du conseil de l'action sociale, un membre du bureau permanent, selon leur rang, fera prêter le serment. Si le président du conseil de l'action sociale, celui qui remplace le président ou celui qui fait prêter serment à la personne qui remplace le président omet de faire prêter le serment, le directeur général note le remplacement du président dans le procès-verbal de la réunion.
  § 7. Le rang des membres du conseil de l'action sociale est fixé lors de la réunion d'installation du nouveau conseil de l'action sociale, immédiatement après la prestation de serment des membres du conseil de l'action sociale. Le membre du conseil de l'action sociale ayant le plus d'ancienneté occupe le rang le plus élevé. En cas de parité d'ancienneté, le membre du conseil de l'action sociale ayant obtenu le plus de voix individuelles lors du dernier renouvellement complet du conseil de l'action sociale occupe le rang le plus élevé. En cas de parité du nombre de voix individuelles, le membre du conseil de l'action sociale dont la liste a obtenu le plus de voix lors du dernier renouvellement complet du conseil de l'action sociale occupe le rang le plus élevé. Les suppléants qui sont installés comme membre du conseil de l'action sociale après la réunion d'installation occupent le rang par ordre de leur prestation de serment.
  
Art. 532. [1 De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt benoemd overeenkomstig artikel 25bis, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  
Art. 532. [1 Le président du conseil de l'aide sociale est nommé conformément à l'article 25bis, alinéa premier de la loi organique du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'action sociale.]1
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  
Art. 533. Als de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn het mandaat niet aanvaardt, van zijn mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn vervallen wordt verklaard, als verhinderd wordt beschouwd, afgezet of geschorst is, ontslag genomen heeft als voorzitter of als lid van de raad voor maatschappelijk welzijn of overleden is, draagt de raad voor maatschappelijk welzijn een nieuwe kandidaatvoorzitter voor overeenkomstig artikel 532. Tot aan de benoeming wordt het voorzitterschap waargenomen overeenkomstig het tweede en het derde lid.
  De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn is verplicht op de installatievergadering, met toepassing van het derde en het vierde lid, een vervanger aan te wijzen. Hij kan verschillende vervangers aanwijzen. In dat geval stelt hij een rangorde van de vervangers op.
  Als de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn om een andere reden dan de redenen, vermeld in het eerste lid, tijdelijk afwezig is of als hij bij een welbepaalde aangelegenheid betrokken partij is overeenkomstig artikel 74, wat betreft de vantoepassingverklaring op de raad voor maatschappelijk welzijn van artikel 27, wordt hij in de volgende volgorde vervangen:
  1° door een of meer leden van de raad voor maatschappelijk welzijn in volgorde van de rangorde bepaald door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn;
  2° door de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn in volgorde van hun anciënniteit, eventueel met toepassing van de bepalingen, vermeld in het vierde lid.
  Bij gelijke anciënniteit krijgt het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn de voorkeur dat bij de verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn de meeste naamstemmen heeft behaald. Als het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn met de meeste anciënniteit de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in die gevallen niet kan vervangen, wordt het voorzitterschap van de raad voor maatschappelijk welzijn waargenomen door een ander lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, in volgorde van hun anciënniteit. Bij gelijke anciënniteit wordt het mandaat waargenomen door het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat bij de verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn de meeste naamstemmen heeft behaald.
  De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn die als verhinderd wordt beschouwd, die geschorst is of tijdelijk afwezig is, wordt vervangen zolang hij verhinderd, geschorst of tijdelijk afwezig is. De raad voor maatschappelijk welzijn neemt akte van de verhindering of schorsing, en van de beëindiging van de periode van verhindering of schorsing. Als het niet gaat om een door het decreet opgelegde verhindering richt de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn zijn verzoek tot vervanging wegens verhindering aan de raad voor maatschappelijk welzijn.
Art. 533. Si le président du conseil de l'action sociale n'accepte pas le mandat, est déclaré déchu de son mandat de membre du conseil de l'action sociale, est considéré comme empêché, est révoqué ou suspendu, a démissionné en tant que président ou membre du conseil de l'action sociale ou est décédé, le conseil de l'action sociale propose un nouveau candidat président conformément à l'article 532. Jusqu'à la nomination, la présidence est assumée conformément au deuxième et troisième alinéa.
  Le président du conseil de l'action sociale est tenu de désigner un suppléant lors de la réunion d'installation, en application des troisième et quatrième alinéas. Il peut désigner différents suppléants. Dans ce cas, il établit un ordre de suppléants.
  Si le président du conseil de l'action sociale est temporairement absent pour un motif autre que les motifs visés à l'alinéa premier, ou si, pour une question spécifique, il est partie concernée conformément à l'article 74, en ce qui concerne le déclaration d'application au conseil de l'action sociale de l'article 27, il sera remplacé dans l'ordre suivant :
  1° par un ou plusieurs membres du conseil de l'action sociale dans l'ordre de rang fixé par le président du conseil de l'action sociale ;
  2° par les membres du conseil de l'action sociale, par ordre d'ancienneté, éventuellement en appliquant les dispositions visées au quatrième alinéa.
  En cas de parité d'ancienneté, le membre du conseil de l'action sociale ayant obtenu le plus de voix individuelles lors de l'élection du conseil de l'action sociale a la préférence. Si le membre du conseil de l'action sociale ayant le plus d'ancienneté ne peut pas remplacer le président du conseil de l'action sociale dans les cas précités, la présidence du conseil de l'action sociale est assumée par un autre membre du conseil de l'action sociale, par ordre d'ancienneté. En cas de parité d'ancienneté, le mandat est assumé par le membre du conseil de l'action sociale ayant obtenu le plus de voix individuelles lors de l'élection du conseil de l'action sociale.
  Le président du conseil de l'action sociale qui est considéré comme empêché, suspendu ou temporairement absent, est remplacé aussi longtemps qu'il est empêché, suspendu ou temporairement absent. Le conseil de l'action sociale prend acte de l'empêchement ou de la suspension, ainsi que de la fin de la période d'empêchement ou de suspension. S'il ne s'agit pas d'un empêchement imposé par le décret, le président du conseil de l'action sociale adresse au conseil de l'action sociale sa demande de remplacement pour cause d'empêchement.
Art. 534. Artikel 71 van dit decreet is van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, voor de overeenkomstige toepassing op de raad voor maatschappelijk welzijn en zijn leden van artikel 8, 9, § 3, artikel 10, 11, tweede en derde lid, artikel 12, 13 en 16 van dit decreet.
Art. 534. L'article 71 du présent décret est applicable à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, pour l'application par analogie au conseil de l'action sociale et ses membres de l'article 8, 9, § 3, de l'article 10, 11, deuxième et troisième alinéas, des articles 12, 13 et 16 du présent décret.
Art. 535. Het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat afstand doet van zijn mandaat, dat van zijn mandaat vervallen wordt verklaard, dat als verhinderd wordt beschouwd, dat ontslag genomen heeft, of dat overleden is, wordt vervangen door zijn opvolger, die wordt aangewezen overeenkomstig artikel 17bis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011.
  De geloofsbrieven worden onderzocht overeenkomstig artikel 531, § 3. De eed wordt afgelegd in openbare vergadering in de handen van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  Het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat als verhinderd wordt beschouwd, wordt vervangen zolang de toestand van verhindering duurt. De raad voor maatschappelijk welzijn neemt akte van de beëindiging van de periode van verhindering.
Art. 535. Le membre du conseil de l'action sociale qui renonce à son mandat, qui est déclaré déchu de son mandat, qui est considéré comme empêché, qui a donné sa démission, ou qui est décédé, est remplacé par son suppléant qui est désigné conformément à l'article 17bis de la loi organique du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'action sociale et le Décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011.
  Les pouvoirs sont examinés conformément à l'article 531, § 3. Le serment est prêté en réunion publique entre les mains du président du conseil de l'action sociale.
  Le membre du conseil de l'action sociale qui est considéré comme empêché est remplacé aussi longtemps que sa situation d'empêchement perdure. Le conseil de l'action sociale prend acte de la fin de la période d'empêchement.
Art. 536. § 1. De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn ontvangen ten laste van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn presentiegeld voor hun aanwezigheid op vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn. De Vlaamse Regering stelt een lijst op van vergaderingen die voortvloeien uit de mandaatsverplichtingen van de leden voor wie de raad voor maatschappelijk welzijn bij reglement kan bepalen dat presentiegeld wordt verleend.
  § 2. Het presentiegeld bedraagt voor de aanwezigheid op de raad voor maatschappelijk welzijn evenveel als het presentiegeld van de gemeenteraadsleden van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, voor hun aanwezigheid op de gemeenteraad.
  Het presentiegeld bedraagt voor het bijwonen van de vergaderingen van het vast bureau [1 ...]1 en voor de overige vergaderingen van de lijst, vermeld in paragraaf 1, maximaal evenveel als het presentiegeld van de gemeenteraadsleden van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, voor hun aanwezigheid op de gemeenteraad. Als de raad voor maatschappelijk welzijn geen beslissing over het presentiegeld genomen heeft, bedraagt het presentiegeld evenveel als het presentiegeld van de gemeenteraadsleden van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend, voor hun aanwezigheid op de gemeenteraad.
  De raad voor maatschappelijk welzijn vermindert de presentiegelden van het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen, vergoedingen of toelagen ontvangt, of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vult die vergoeding aan met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies dat de betrokkene lijdt, op voorwaarde dat de mandataris daar zelf om verzoekt. De algemeen directeur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn stelt vast of aan de voorwaarden is voldaan.
  De som van de presentiegelden, aangevuld met het bedrag ter compensatie van het inkomensverlies, kan nooit hoger zijn dan de wedde van een schepen van een gemeente met 50.000 inwoners.
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de grenzen waarbinnen de raad voor maatschappelijk welzijn kan bepalen welke specifieke kosten die verband houden met de uitoefening van het mandaat die kunnen worden terugbetaald.
  § 4. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn sluit een verzekering af om de burgerlijke aansprakelijkheid, met inbegrip van de rechtsbijstand, te dekken die persoonlijk ten laste komt van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn bij de normale uitoefening van hun mandaat.
  [1 De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van het eerste lid.
   Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn sluit naast de verzekering, vermeld in het eerste lid, de volgende verzekeringen af:
   1° een verzekering om de bestuurdersaansprakelijkheid te dekken die persoonlijk ten laste komt van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn bij de normale uitoefening van hun mandaat, als ze het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vertegenwoordigen als lid van de raad van bestuur of als dagelijks bestuurder in een rechtspersoon indien die rechtspersoon geen bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten voor de vertegenwoordigende mandataris;
   2° een verzekering voor ongevallen die de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn overkomen in het kader van de normale uitoefening van hun mandaat.]1

  [1 § 5. Behalve in geval van herhaling is het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe leden van de raad voor maatschappelijk welzijn worden veroordeeld wegens een misdrijf dat ze hebben begaan bij de normale uitoefening van hun mandaat, met uitzondering van een persoonlijke inbreuk op de verkeersreglementering.
   De regresvordering van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten aanzien van de veroordeelde leden van de raad voor maatschappelijk welzijn is beperkt tot de gevallen van bedrog, zware schuld of lichte schuld die bij hen gewoonlijk voorkomen.]1

  
Art. 536. § 1er. Les membres du conseil de l'action sociale reçoivent, à la charge du centre public d'action sociale, un jeton de présence pour leur présence aux réunions du conseil de l'action sociale. Le Gouvernement flamand établit une liste des réunions qui découlent des obligations de mandat des membres pour lesquels le conseil de l'action sociale peut arrêter par règlement qu'un jeton de présence soit accordé.
  § 2. Le jeton de présence pour la présence au conseil de l'action sociale s'élève à un montant équivalent au jeton de présence des conseillers communaux de la commune desservie par le centre public d'action sociale pour leur présence au conseil communal.
  Le jeton de présence pour assister aux réunions du bureau permanent [1 ...]1 et pour les autres réunions de la liste visée au paragraphe 1er sera tout au plus équivalent au jeton de présence des conseillers communaux de la commune desservie par le centre public d'action sociale pour leur présence au conseil communal. Si le conseil de l'action sociale n'a pas pris de décision concernant le jeton de présence, le jeton de présence s'élèvera à un montant égal au jeton de présence des conseillers communaux de la commune desservie par le centre public d'action sociale pour leur présence au conseil communal.
  Le conseil de l'action sociale réduit les jetons de présence du membre du conseil de l'action sociale qui reçoit d'autres rémunérations, pensions, indemnités ou allocations légales ou réglementaires, ou le centre public d'action sociale complète ladite rémunération d'un montant compensant la perte de revenu subie par la personne concernée, à condition que le mandataire en fasse lui-même la demande. Le directeur général du centre public d'action sociale détermine si les conditions sont remplies.
  La somme des jetons de présence, complétée du montant compensant la perte de revenu, ne peut jamais dépasser le traitement d'un échevin d'une commune de 50.000 habitants.
  § 3. Le Gouvernement flamand arrête les limites dans lesquelles le conseil de l'action sociale peut déterminer quels coûts spécifiques en rapport avec l'exercice du mandat peuvent être remboursés.
  § 4. Le centre public d'action sociale conclut une assurance afin de couvrir la responsabilité civile, y compris l'assistance juridique, qui est personnellement à la charge des membres du conseil de l'action sociale lors de l'exercice normal de leur mandat.
  [1 Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à l'application de l'alinéa 1er.
   Outre l'assurance visée à l'alinéa 1er, le centre public d'action sociale souscrit les assurances suivantes :
   1° une assurance couvrant la responsabilité des administrateurs supportée personnellement par les membres du conseil de l'aide sociale dans l'exercice normal de leur mandat, s'ils représentent le centre public d'action sociale en tant que membre du conseil d'administration ou en tant qu'administrateur chargé de la gestion journalière au sein d'une personne morale, si cette dernière n'a pas souscrit une assurance responsabilité des administrateurs pour le mandataire représentant ;
   2° une assurance pour les accidents qui peuvent survenir aux membres du conseil de l'aide sociale lors de l'exercice normal de leur mandat.]1

  [1 § 5. Sauf en cas de récidive, le centre public d'action sociale est civilement responsable du paiement des amendes auxquelles sont condamnés les membres du conseil de l'aide sociale pour un délit qu'ils ont commis lors de l'exercice normal de leur fonction, à l'exception des infractions personnelles à la réglementation sur la circulation routière.
   L'action récursoire du centre public d'action sociale à l'encontre des membres du conseil de l'aide sociale condamnés se limite aux cas de fraude, de faute grave ou de faute légère qui revêtent un caractère habituel chez eux.]1

  
Art. 537. De raad voor maatschappelijk welzijn kent de eretitels toe aan de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, onder de voorwaarden die hij bepaalt.
Art. 537. Le conseil de l'action sociale attribue les titres honorifiques aux membres du conseil de l'action sociale aux conditions qu'il arrête.
Afdeling 2. - De werking van de raad voor maatschappelijk welzijn
Section 2. - Le fonctionnement du conseil de l'action sociale
Art. 538. Artikel 74 tot en met 76 van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  [1 In afwijking van het eerste lid juncto artikel 74 en artikel 19, tweede lid, is de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn op verzoek van de burgemeester verplicht de raad voor maatschappelijk welzijn bijeen te roepen.
   In afwijking van het eerste lid juncto artikel 74 en artikel 20 wordt de agenda, behoudens de punten die betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer van cliënten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of hun onderhoudsplichtigen, onder dezelfde voorwaarden ook meegedeeld aan de burgemeester en aan de gemeenteraad. In spoedeisende gevallen kan de termijn, vermeld in artikel 20, eerste lid, ingekort worden.
   In afwijking van het eerste lid juncto artikel 74 en artikel 30 kan de burgemeester de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn bijwonen zonder die evenwel te kunnen voorzitten. In geval van een voorafgaande gemotiveerde afwezigheid kan hij zich laten vervangen door een schepen. De burgemeester of de schepen die hem vervangt, kan de stemming over elk punt van de agenda verdagen, behalve als het punt betrekking heeft op de persoonlijke levenssfeer van de cliënten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of hun onderhoudsplichtigen. De argumentatie voor die verdaging van de burgemeester of de schepen die hem vervangt, wordt vermeld in de notulen van de vergadering. In dat geval wordt het overlegcomité, vermeld in artikel 538/1, bijeengeroepen binnen een termijn van vijftien dagen, met op de agenda het punt dat werd verdaagd. De burgemeester kan de bevoegdheid, vermeld in dit lid, maar eenmaal uitoefenen voor hetzelfde punt.]1

  
Art. 538. Les articles 74 à 76 du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  [1 Par dérogation à l'alinéa premier combiné avec l'article 74 et l'article 19, alinéa deux, le président du conseil de l'aide sociale est tenu de convoquer le conseil de l'aide sociale à la demande du bourgmestre.
   Par dérogation à l'alinéa premier combiné avec l'article 74 et l'article 20, l'ordre du jour, à l'exception des points qui ont trait à la vie privée des clients du centre public d'action sociale ou de leurs débiteurs d'aliments, est également communiqué sous les mêmes conditions au bourgmestre et au conseil communal. En cas d'urgence, le délai visé à l'article 20, premier alinéa, peut être raccourci.
   Par dérogation au premier alinéa combiné avec les articles 74 et 30, le bourgmestre peut assister aux réunions du conseil de l'aide sociale sans pour autant pouvoir les présider. En cas d'absence légitimée au préalable, il peut se faire remplacer par un échevin. Le bourgmestre ou l'échevin qui le remplace peut ajourner le vote sur tout point de l'ordre du jour, sauf si le point en question concerne la vie privée des clients du centre public d'action sociale ou de leurs débiteurs d'aliments. Les arguments avancés pour l'ajournement par le bourgmestre ou l'échevin qui le remplace sont précisés dans le procès-verbal de la réunion. Dans ce cas, le comité de concertation visé à l'article 538/1 est convoqué dans un délai de quinze jours, avec à l'ordre du jour le point ajourné. Le bourgmestre ne peut exercer la compétence visée au présent alinéa qu'une seule fois pour le même point]1
.
  
Art. 538/1. [1 § 1. In de gemeente Voeren en in de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, wordt een overlegcomité opgericht dat is samengesteld uit een delegatie van de raad voor maatschappelijk welzijn en een delegatie van de gemeenteraad. Die delegaties omvatten in elk geval de burgemeester of de schepen die de burgemeester heeft aangewezen, en de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn. Het overlegcomité wordt opgericht door een beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn en van de gemeenteraad.
   Het overleg heeft ten minste om de drie maanden plaats. Voor dat overleg gelden de regels die worden vastgesteld in een huishoudelijk reglement, aangenomen door de raad voor maatschappelijk welzijn en de gemeenteraad. Het presentiegeld voor het bijwonen van een vergadering van het overlegcomité mag nooit meer bedragen dan het presentiegeld voor het bijwonen van de gemeenteraad.
   De notulen van het overlegcomité worden ter kennis gebracht van de gemeenteraad en van de raad voor maatschappelijk welzijn.
   § 2. Over de volgende aangelegenheden kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alleen beslissen als ze vooraf aan het overlegcomité zijn voorgelegd:
   1° de beleidsrapporten van de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vermeld in artikel 249, en van de welzijnsverenigingen die het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft opgericht of waarin het deelneemt;
   2° het vaststellen of wijzigen van de rechtspositieregeling van het personeel, voor zover die vaststelling of wijziging een financiële weerslag kan hebben of erdoor van de rechtspositieregeling van het gemeentelijk personeel wordt afgeweken;
   3° het oprichten van nieuwe diensten of instellingen en het uitbreiden of het in belangrijke mate inkrimpen of stopzetten van de bestaande diensten of instellingen;
   4° het oprichten van, het toetreden tot, het uittreden uit of het ontbinden van de verenigingen of vennootschappen overeenkomstig deel 3, titel 4.
   Als er geen overleg kan plaatsvinden en er op afdoende wijze wordt vastgesteld dat dit te wijten is aan de gemeentelijke overheden, beslist het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, onverminderd de toepassing van het bestuurlijk toezicht.
   § 3. Over de volgende aangelegenheden kunnen de gemeentelijke overheden alleen beslissen als ze vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité:
   1° het vaststellen of wijzigen van de rechtspositieregeling van het personeel, voor zover de desbetreffende beslissingen een weerslag kunnen hebben op de budgetten en het beheer van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
   2° het oprichten van nieuwe diensten of instellingen met een sociale doelstelling en de uitbreiding van de bestaande.
   Als er geen overleg kan plaatsvinden en er op afdoende wijze wordt vastgesteld dat dit te wijten is aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, beslissen de gemeentelijke overheden, onverminderd de toepassing van het bestuurlijk toezicht.
   § 4. De lijst van aangelegenheden, vermeld in paragraaf 2 en 3, kan worden aangevuld in het huishoudelijk reglement. ]1

  
Art. 538/1. [1 § 1er. Dans la commune de Fourons et les communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, il est institué un comité de concertation, composé d'une délégation du conseil de l'aide sociale et d'une délégation du conseil communal. Ces délégations comprennent en tout cas le bourgmestre ou l'échevin désigné par lui, et le président du conseil de l'aide sociale. Le comité de concertation est institué par une décision du conseil de l'aide sociale et du conseil communal.
   La concertation a lieu au moins tous les trois mois. Cette concertation est soumise aux règles fixées dans un règlement d'ordre intérieur adopté par le conseil de l'aide sociale et le conseil communal. Les jetons de présence par réunion du comité de concertation ne peuvent jamais dépasser ceux du conseil communal.
   Les procès-verbaux du comité de concertation sont portés à la connaissance du conseil communal et du conseil de l'aide sociale.
   § 2. Le centre public d'action sociale ne peut statuer sur les matières suivantes que si elles ont été préalablement soumises au comité de concertation :
   1° les rapports de politique de la commune et du centre public d'action sociale, visés à l'article 249, et des associations d'aide sociale créées par le centre public d'action sociale ou auxquelles il participe ;
   2° la fixation ou la modification du statut du personnel, pour autant que cette fixation ou modification est susceptible d'avoir une incidence financière ou qu'elle déroge au statut du personnel communal ;
   3° la création de nouveaux services ou institutions et l'extension ou la réduction significative, voire la cessation des services ou institutions existants ;
   4° la création de, l'adhésion à, la sortie de ou la dissolution des associations ou sociétés conformément à la partie 3, titre 4.
   Si aucune concertation ne peut avoir lieu et qu'il est suffisamment établi que cela est dû aux autorités communales, le centre public daction sociale statue, sans préjudice de l'application du contrôle administratif.
   § 3. Les autorités communales ne peuvent statuer sur les matières suivantes que si elles ont été préalablement soumises au comité de concertation :
   1° la fixation ou la modification du statut du personnel, pour autant que les décisions en question sont susceptibles d'avoir une incidence sur les budgets et la gestion du centre public d'action sociale ;
   2° la création de nouveaux services ou institutions à finalité sociale et l'extension des services existants.
   Si aucune concertation ne peut avoir lieu et qu'il est suffisamment établi que cela est dû au centre public d'action sociale, les autorités communales statuent, sans préjudice de l'application du contrôle administratif.
   § 4. La liste des matières visées aux paragraphes 2 et 3 peut être complétée dans le règlement d'ordre intérieur. ]1

  
Afdeling 3. - De bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn
Section 3. - Les compétences du conseil de l'action sociale
Art. 539. Artikel 77 en 78 van dit decreet [1 , met uitzondering van artikel 78, tweede lid, 18°,]1 zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  
Art. 539. Les articles 77 et 78 du présent décret [1 , à l'exception de l'article 78, alinéa 2, 18°,]1 sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  
HOOFDSTUK 5. - Het vast bureau
CHAPITRE 5. - Le bureau permanent
Afdeling 1. - De organisatie van het vast bureau
Section 1ère. - L'organisation du bureau permanent
Art. 540. Artikel 79 tot en met 82 van dit decreet zijn niet van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 540. Les articles 79 à 82 du présent décret ne sont pas applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Art. 541. § 1. Overeenkomstig artikel 27bis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn is de oprichting van een vast bureau verplicht.
  § 2. Met behoud van de toepassing van artikel 27bis, § 1, derde lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, telt het vast bureau, met inbegrip van zijn voorzitter:
  1° drie leden voor een raad voor maatschappelijk welzijn met ten hoogste negen leden;
  2° vier leden voor een raad voor maatschappelijk welzijn van elf of dertien leden;
  3° vijf leden voor een raad voor maatschappelijk welzijn van vijftien leden.
  De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn is van rechtswege en met beraadslagende stem voorzitter van het vast bureau.
  De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt bij zijn afwezigheid in het vast bureau in de volgende volgorde vervangen door:
  1° de personen die hij met toepassing van artikel 532 als zijn vervanger heeft aangewezen;
  2° het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn met de meeste anciënniteit, dat lid is van het vast bureau.
  § 3. De leden van het vast bureau kunnen tussentijds ontslag nemen uit dat orgaan zonder ontslag als lid van de raad voor maatschappelijk welzijn te nemen. Een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat ontslag wil nemen als lid van het vast bureau, deelt dat schriftelijk mee aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn. Het ontslag is definitief na de ontvangst van die kennisgeving door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn. Het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn blijft deel uitmaken van het vast bureau tot zijn opvolger is geïnstalleerd.
  § 4. Voor ze hun mandaat aanvaarden, leggen de leden van het vast bureau in openbare vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn de volgende eed af in handen van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn: "Ik zweer de verplichtingen van mijn mandaat trouw na te komen.".
  Het lid van het vast bureau dat de eed na twee achtereenvolgende uitnodigingen niet aflegt, wordt geacht zijn mandaat als lid van het vast bureau niet te aanvaarden.
Art. 541. § 1er. Conformément à l'article 27bis de la loi organique du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'action sociale, la création d'un bureau permanent est obligatoire.
  § 2. Tout en préservant l'application de l'article 27bis, troisième alinéa, de la loi organique du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'action sociale, le bureau permanent compte, y compris son président :
  1° trois membres pour un conseil de l'action sociale comptant au maximum neuf membres ;
  2° quatre membres pour un conseil de l'action sociale comptant onze ou treize membres ;
  3° cinq membres pour un conseil de l'action sociale comptant quinze membres ;
  Le président du conseil de l'action sociale est président du bureau permanent de plein droit et avec voix délibérative.
  Le président du conseil de l'action sociale est remplacé, en cas d'absence au sein du bureau permanent, dans l'ordre suivant par :
  1° les personnes qu'il a désignées comme suppléant en application de l'article 532 ;
  2° le membre du conseil de l'action sociale ayant le plus d'ancienneté, qui est membre du bureau permanent.
  § 3. Les membres du bureau permanent peuvent entre-temps démissionner dudit organe sans démissionner en tant que membre du conseil de l'action sociale. Un membre du conseil de l'action sociale qui veut démissionner en tant que membre du bureau permanent l'annonce par écrit au président du conseil de l'action sociale. La démission est définitive après la réception de cette notification par le président du conseil de l'action sociale. Le membre du conseil de l'action sociale continue de faire partie du bureau permanent jusqu'à l'installation de son successeur.
  § 4. Avant d'accepter leur mandat, les membres du bureau permanent prêtent serment en réunion publique du conseil de l'action sociale entre les mains du président du conseil de l'action sociale. " Je jure de respecter fidèlement les obligations de mon mandat ".
  Le membre du bureau permanent qui ne prête pas serment après deux invitations consécutives est censé ne pas accepter son mandat de membre du bureau permanent.
Afdeling 2. - De werking van het vast bureau
Section 2. - Le fonctionnement du bureau permanent
Art. 542. Met behoud van de toepassing van artikel 27bis, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, is artikel 83 van dit decreet van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, met uitzondering van de vantoepassingverklaring van artikel 52 en 53.
Art. 542. Tout en préservant l'application de l'article 27bis de la loi organique du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'action sociale, l'article 83 du présent décret est applicable à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, à l'exception de la déclaration d'application des articles 52 et 53.
Afdeling 3. - De bevoegdheden van het vast bureau
Section 3. - Les compétences du bureau permanent
Art. 543. Artikel 84 tot en met 86 van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 543. Les articles 84 à 86 du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Art. 544. Artikel 87 tot en met 112 van dit decreet zijn niet van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  De bevoegdheden, vermeld in artikel 113 [1 , eerste lid,]1 van dit decreet, worden in de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, uitgeoefend door het vast bureau.
  De bevoegdheden, vermeld in artikel 114 van dit decreet, worden in de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, uitgeoefend door de voorzitter van het vast bureau.
  
Art. 544. Les articles 87 à 112 du présent décret ne sont pas applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  Les compétences visées à l'article 113 [1 , alinéa 1er,]1 du présent décret sont exercées par le bureau permanent dans la commune de Fourons et les communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  Les compétences visées à l'article 114 du présent décret sont exercées par le président du bureau permanent dans la commune de Fourons et les communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  
HOOFDSTUK 6. - De Raad voor Verkiezingsbetwistingen
CHAPITRE 6. - Le Conseil des Contestations électorales
Art. 545. Met behoud van de toepassing van artikel 77bis van de Gemeentekieswet van 4 augustus 1932 en van artikel 18bis, 21 en 21bis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, is artikel 147 van dit decreet van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 545. Tout en préservant l'application de l'article 77bis de la Loi électorale communale du 4 août 1932 et des articles 18bis, 21 et 21bis de la loi organique du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'action sociale, l'article 147 du présent décret est applicable à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
HOOFDSTUK 7. - De mandatarissen (eretitels, rechtspositie, tucht, aansprakelijkheid, mandatendatabank)
CHAPITRE 7. - Les mandataires (titres honorifiques, statut juridique, discipline, responsabilité, base de données des mandats)
Art. 546. Artikel 148 en 149 van dit decreet zijn niet van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 546. Les articles 148 et 149 du présent décret ne sont pas applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Art. 547. De Vlaamse Regering kan de eretitels van de burgemeester en van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn toekennen onder de voorwaarden die ze bepaalt. De gemeenteraad kan de eretitels van de schepenen toekennen onder de voorwaarden die hij bepaalt. De raad voor maatschappelijk welzijn kan de eretitels van de leden van het vast bureau toekennen onder de voorwaarden die hij bepaalt.
  De Vlaamse Regering bepaalt de ambtskledij en de onderscheidingstekens van de burgemeester, de schepenen en de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn.
Art. 547. Le Gouvernement flamand peut attribuer les titres honorifiques du bourgmestre et du président du conseil de l'action sociale aux conditions qu'il arrête. Le conseil communal peut attribuer les titres honorifiques des échevins aux conditions qu'il arrête. Le conseil de l'action sociale peut attribuer les titres honorifiques aux membres du bureau permanent aux conditions qu'il arrête.
  Le Gouvernement flamand arrête le costume et les signes distinctifs du bourgmestre, des échevins et du président du conseil de l'action sociale.
Art. 548. De burgemeester en de schepenen, uitgezonderd de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, krijgen van de gemeente een wedde, een vakantiegeld, een eindejaarspremie en een uittredingsvergoeding. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn krijgt van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een wedde, vakantiegeld, eindejaarspremie en een uittredingsvergoeding.
  [1 ...]1 De wedde, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de uittredingsvergoeding van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn omvatten de vergoeding voor zijn opdracht als voorzitter van het vast bureau.
  De Vlaamse Regering stelt het bedrag, de wijze van betaling en de toekenningsvoorwaarden van de wedde, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de uittredingsvergoeding, vermeld in het eerste lid, vast, rekening houdend met het inwonersaantal van de gemeente. De wedde van de burgemeester wordt uitgedrukt als een percentage van de parlementaire vergoeding van de leden van het Vlaams Parlement, met uitsluiting van de forfaitaire onkostenvergoeding, de eindejaarspremie en het vakantiegeld. De wedde, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de uittredingsvergoeding van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn is gelijk aan de wedde, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de uittredingsvergoeding van een schepen van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend.
  De uittredingsvergoeding, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend binnen de volgende grenzen:
  1° een maand uittredingsvergoeding per gepresteerd jaar, met een maximum van twaalf maanden;
  2° de vergoeding wordt niet uitgekeerd aan een lid van de deputatie, een provinciegouverneur, een ambassadeur, een lid van het parlement, een lid van een -gemeenschaps- of gewestregering, een minister of een staatssecretaris, een lid van het Grondwettelijk Hof en evenmin aan uittredende mandatarissen die een bezoldigd ambt hebben aanvaard in een internationale of parastatale instelling;
  3° de uittredingsvergoeding vervalt als de betrokkene een beroepsinkomen verwerft. De betrokkene kan daarbij vragen om het verschil bij te passen als dat inkomen lager zou liggen dan de uittredingsvergoeding.
  
Art. 548. Le bourgmestre et les échevins, à l'exception du président du conseil de l'action sociale, reçoivent de la commune un traitement, un pécule de vacances, une prime de fin d'année et une indemnité de sortie. Le président du conseil de l'action sociale reçoit du centre public d'action sociale un traitement, un pécule de vacances, une prime de fin d'année et une indemnité de sortie.
  [1 ...]1. Le traitement, le pécule de vacances, la prime de fin d'année et l'indemnité de sortie du président du conseil de l'action sociale comprennent l'indemnité pour sa mission de président du bureau permanent.
  Le Gouvernement flamand détermine le montant, les modalités de paiement et les conditions d'octroi du traitement, du pécule de vacances, de la prime de fin d'année et de l'indemnité de sortie visés à l'alinéa premier, compte tenu du nombre d'habitants de la commune. Le traitement du bourgmestre exprimé en pourcentage de l'indemnité parlementaire des membres du Parlement flamand, à l'exclusion de l'indemnité forfaitaire de frais, de la prime de fin d'année et du pécule de vacances. Le traitement, le pécule de vacances, la prime de fin d'année et l'indemnité de sortie du président du conseil de l'action sociale équivaut au traitement, au pécule de vacances, à la prime de fin d'année et à l'indemnité de sortie d'un échevin de la commune desservie par le centre public d'action sociale.
  L'indemnité de sortie visée à l'alinéa premier est octroyée dans les limites suivantes :
  1° un mois d'indemnité de sortie par année prestée, avec un maximum de douze mois ;
  2° l'indemnité n'est pas versée à un membre de la députation, un gouverneur de province, un ambassadeur, un membre du parlement, un membre d'un gouvernement communautaire ou régional, un ministre ou un secrétaire d'Etat, un membre de la Cour constitutionnelle ainsi qu'aux mandataires sortants qui ont accepté une fonction rémunérée au sein d'un organisme international ou parastatal ;
  3° l'indemnité de sortie est annulée si la personne concernée acquiert un revenu professionnel. La personne concernée peut demander que la différence soit suppléée si ce revenu est inférieur à l'indemnité de sortie.
  
Art. 549. Artikel 150 tot en met 160 van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, met dien verstande dat voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in die bepalingen "voorzitter van het vast bureau" en "voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, vermeld in artikel 42, § 1, derde lid" wordt gelezen als "voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn".
Art. 549. Les articles 150 à 160 du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, étant entendu qu'en ce qui concerne les centres publics d'action sociale dans lesdites dispositions, " président du bureau permanent " et " président du comité spécial du service social " visés à l'article 42, § 1er, troisième alinéa, se lisent " président du conseil de l'action sociale ".
TITEL 2. - De ambtelijke organisatie van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
TITRE 2. - L'organisation administrative de la commune et du centre public d'action sociale
Art. 550. De bepalingen van deel 2, titel 2, van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, met dien verstande dat ook de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, of het door hem aangewezen lid van het vast bureau, met raadgevende stem deel uitmaakt van het managementteam.
  Voor de toepassing van artikel 194 bestaat het evaluatiecomité, vermeld in het derde lid, uit het college van burgemeester en schepenen, de voorzitter van de gemeenteraad en de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en wordt ook de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn betrokken bij het onderzoek over de wijze van functioneren van de functiehouder.
Art. 550. Les dispositions de la partie 2, titre 2, du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, étant entendu que le président du conseil de l'action sociale, ou le membre qu'il a désigné du bureau permanent, fait également partie avec voix délibérative de l'équipe de direction.
  Pour l'application de l'article 194, le comité d'évaluation visé au troisième alinéa se compose du collège des bourgmestre et échevins, du président du conseil communal et du président du conseil de l'action sociale, et le président du conseil de l'action sociale est également impliqué dans l'examen des modalités de fonctionnement du titulaire de la fonction.
TITEL 3. - De extern verzelfstandigde agentschappen
TITRE 3. - Les agences autonomisées externes
Art. 551. De bepalingen van deel 2, titel 3, van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 551. Les dispositions de la partie 2, titre 3, du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
TITEL 4. - De beleids- en beheerscyclus van de gemeente
TITRE 4. - Le cycle de direction et de gestion de la commune
Art. 552. De bepalingen van deel 2, titel 4, van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 552. Les dispositions de la partie 2, titre 4, du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
TITEL 5. - De werking van het lokaal bestuur
TITRE 5. - Le fonctionnement de l'administration locale
Art. 553. De bepalingen van deel 2, titel 5, van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 553. Les dispositions de la partie 2, titre 5, du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
TITEL 6. - De participatie van de burger
TITRE 6. - La participation du citoyen
Art. 554. De bepalingen van deel 2, titel 6, van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 554. Les dispositions de la partie 2, titre 6, du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
TITEL 7. - Het bestuurlijk toezicht
TITRE 7. - Le contrôle administratif
Art. 555. De bepalingen van deel 2, titel 7, van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 555. Les dispositions de la partie 2, titre 7 du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Art. 556. Het college van burgemeester en schepenen heeft de opdracht toezicht en controle uit te oefenen op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Dat toezicht brengt het recht mee om alle instellingen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te bezoeken en ter plaatse kennis te nemen van alle akten, stukken en dossiers en om alle akten, stukken en dossiers op te vragen, met uitzondering van de dossiers die betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer van de cliënten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of hun onderhoudsplichtigen, en erover te waken dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn niet afwijkt van de wilsbeschikking van de schenkers en erflaters betreffende de wettelijk gevestigde lasten.
  Het college van burgemeester en schepenen neemt per opdracht als vermeld in het eerste lid een afzonderlijk besluit en wijst een of meer gemachtigden aan om het plaatsbezoek uit te voeren.
  Het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde bepaalt de informatiedrager en de vorm waarin de opgevraagde akten, stukken en dossiers worden verstrekt, en op zijn verzoek wordt onmiddellijk een afschrift overhandigd.
  Een door het college van burgemeester en schepenen afgevaardigde persoon is tot geheimhouding verplicht.
Art. 556. Le collège des bourgmestre et échevins a pour mission de surveiller et contrôler le centre public d'action sociale. La surveillance précitée comprend le droit de visiter tous les établissements du centre public d'action sociale et de prendre connaissance sur place de tous les actes, documents et dossiers et de les demander, à l'exception des dossiers se rapportant à la vie privée des clients du centre public d'action sociale ou de leurs devoirs d'entretien, et de veiller à ce que le centre public d'action sociale ne déroge pas aux dispositions de volonté des donateurs et défunts concernant les charges légalement établies.
  Le collège des bourgmestre et échevins prend, par mission visée à l'alinéa premier, une décision distincte et désigne un ou plusieurs mandataires pour effectuer la visite sur place.
  Le collège des bourgmestre et échevins ou son mandataire détermine le support d'information et la forme dans laquelle les actes, documents et dossiers demandés seront fournis, et une copie lui en est remise immédiatement à sa demande.
  Une personne déléguée par le collège des bourgmestre et échevins a une obligation de confidentialité.
Art. 557. § 1. Als het college van burgemeester en schepenen van oordeel is dat een besluit van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vermeld in artikel 285, § 2, eerste lid, 1° en 2°, en 286, § 2, het gemeentelijk belang en inzonderheid de financiële belangen van de gemeente schaadt, kan het tegen dat besluit beroep instellen bij de toezichthoudende overheid, behalve als het betrokken besluit al was goedgekeurd of vastgesteld door de gemeenteraad.
  Het beroep, vermeld in het eerste lid, schorst de uitvoerbaarheid van het aangevochten besluit en wordt samen met een kopie van het bestreden besluit aan de toezichthoudende overheid verzonden. Dat beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van twintig dagen.
  § 2. De termijn, vermeld in paragraaf 1, derde lid, gaat in op de dag die volgt op de bekendmaking op de webtoepassing van de gemeente van de besluiten, vermeld in artikel 286, § 2, of van de lijst van de aangelegenheden, vermeld in artikel 285, § 2, eerste lid, 1° en 2°.
  § 3. De termijn, vermeld in paragraaf 1, derde lid, wordt gestuit door de opvraging door het college van burgemeester en schepenen bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarbij het college van burgemeester en schepenen een bepaald besluit, het dossier, bepaalde documenten of inlichtingen over een bepaald besluit opvraagt. De Vlaamse Regering kan de wijze van opvraging bepalen. De opvraging mag geen betrekking hebben op dossiers die betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer van de cliënten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of hun onderhoudsplichtigen.
  De termijn, vermeld in paragraaf 1, derde lid, gaat vervolgens opnieuw in op de dag die volgt op de verzending van alle gevraagde gegevens.
  § 4. Om ontvankelijk te zijn, moet het college van burgemeester en schepenen een kopie van dat beroep verzenden aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  § 5. In afwijking van artikel 332, § 2, gaat de termijn, vermeld in artikel 332, § 1, in op de dag die volgt op de verzending van het beroep, dat samen met een kopie van het bestreden besluit wordt verzonden.
  Die termijn, vermeld in het eerste lid, kan gestuit worden door het opvragen van het dossier, bepaalde documenten of inlichtingen bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  De toezichthoudende overheid toetst het bestreden besluit van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan het gemeentelijk belang.
  Als het beroep ontvankelijk en gegrond is, vernietigt de toezichthoudende overheid het bestreden besluit en verzendt ze het besluit aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn binnen de termijn, vermeld in artikel 332, § 1.
  De toezichthoudende overheid verzendt een kopie van het vernietigingsbesluit aan het college van burgemeester en schepenen binnen de termijn, vermeld in artikel 332, § 1.
Art. 557. § 1er. Si le collège des bourgmestre et échevins estime qu'une décision du centre public d'action sociale, visée à l'article 285, § 2, alinéa premier, 1° et 2°, et 286, § 2, porte atteinte à l'intérêt communal et en particulier aux intérêts financiers de la commune, il peut faire appel de ladite décision auprès de l'autorité de contrôle, sauf si la décision concernée avait déjà été approuvée ou constatée par le conseil communal.
  L'appel visé à l'alinéa premier, suspend le caractère exécutoire de la décision contestée et est transmis en même temps qu'une copie de la décision contestée à l'autorité de contrôle. L'appel en question doit être interjeté dans un délai de vingt jours.
  § 2. Le délai visé au paragraphe 1er, troisième alinéa, prend cours le jour suivant celui de la publication, sur l'application web de la commune, des décisions visées à l'article 286, § 2, ou la liste des questions visées à l'article 285, § 2, alinéa premier, 1° et 2°.
  § 3. Le délai visé au paragraphe 1er, troisième alinéa, est interrompu par la demande formulée par le collège des bourgmestre et échevins au centre public d'action sociale, lorsque le collège des bourgmestre et échevins demande une décision précise, le dossier, certains documents ou renseignements concernant une décision précise. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités de la demande. La demande ne peut pas porter sur des dossiers qui ont trait à la vie privée des clients du centre public d'action sociale ou à leurs débiteurs d'aliments.
  Le délai visé au paragraphe 1er, troisième alinéa, reprend cours le lendemain de l'envoi de toutes les données demandées.
  § 4. Pour que l'appel soit recevable, le collège des bourgmestre et échevins doit en envoyer une copie au centre public d'action sociale.
  § 5. Par dérogation à l'article 332, § 2, le délai visé à l'article 332, § 1er, prend cours le lendemain de l'envoi de l'appel avec une copie de la décision contestée.
  Le délai visé à l'alinéa premier peut être interrompu par la demande du dossier, de certains documents ou renseignements au centre public d'action sociale.
  L'autorité de contrôle évalue la décision contestée du centre public d'action sociale sur la base de l'intérêt communal.
  Si l'appel est recevable et fondé, l'autorité de contrôle annule la décision contestée et elle communique sa décision au centre public d'action sociale dans le délai visé à l'article 332, § 1er.
  L'autorité de contrôle envoie une copie de la décision d'annulation au collège des bourgmestre et échevins dans le délai visé à l'article 332, § 1er.
TITEL 8. - Vrijwillige samenvoeging van gemeenten
TITRE 8. - Fusion volontaire de communes
Art. 558. De bepalingen van deel 2, titel 8, van dit decreet zijn niet van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 558. Les dispositions de la partie 2, titre 8, du présent décret ne sont pas applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
TITEL 9. - Samenvoeging van gemeenten op initiatief van de Vlaamse Regering
TITRE 9. - Fusion de communes à l'initiative du Gouvernement flamand
Art. 559. De bepalingen van deel 2, titel 9, van dit decreet zijn niet van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 559. Les dispositions de la partie 2, titre 9, du présent décret ne sont pas applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
TITEL 10. - Deelname van de gemeente in rechtspersonen en samenwerking
TITRE 10. - Participation de la commune à des personnes morales et coopération
Art. 560. Artikel 386 tot en met 475 zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 560. Les articles 386 à 475 sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Art. 561. Artikel 476 van dit decreet is van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  Het met redenen omklede besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn tot oprichting van of tot toetreding tot een welzijnsvereniging of een autonome verzorgingsinstelling is onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad.
  De gemeenteraad verstuurt zijn besluit tot goedkeuring of niet-goedkeuring van dat besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn binnen een termijn van veertig dagen na het inkomen van het verzoek tot goedkeuring aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De gemeenteraad verstuurt op dezelfde dag een afschrift van zijn besluit naar de Vlaamse Regering.
Art. 561. L'article 476 du présent décret est applicable à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  La décision motivée du conseil de l'action sociale de constituer une association d'aide sociale ou un établissement autonome de soins ou d'y adhérer, est soumise à l'approbation du conseil communal.
  Le conseil communal communique sa décision d'approbation ou de non-approbation de ladite décision du conseil de l'action sociale dans un délai de quarante jours qui suivent la réception de la demande d'approbation par le centre public d'action sociale. Le conseil communal envoie le même jour une copie de sa décision au Gouvernement flamand.
Art. 562. Artikel 477 tot en met 501 van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 562. Les articles 477 à 501 du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Art. 563. Artikel 502 van dit decreet is van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  Het met redenen omklede besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn tot oprichting van of tot toetreding tot een ziekenhuisvereniging is onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad.
  De gemeenteraad verstuurt zijn besluit tot goedkeuring of niet-goedkeuring van dat besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn, binnen een termijn van veertig dagen na het inkomen van het verzoek tot goedkeuring aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  De gemeenteraad verstuurt op dezelfde dag een afschrift van zijn besluit naar de Vlaamse Regering.
Art. 563. L'article 502 du présent décret est applicable à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  La décision motivée du conseil de l'action sociale de constituer une association d'action sociale ou une association hospitalière ou d'y adhérer, est soumise à l'approbation du conseil communal.
  Le conseil communal communique sa décision d'approbation ou de non-approbation de ladite décision du conseil de l'action sociale dans un délai de quarante jours qui suivent la réception de la demande d'approbation par le centre public d'action sociale.
  Le conseil communal envoie le même jour une copie de sa décision au Gouvernement flamand.
Art. 564. Artikel 503 tot en met 507 van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 564. Les articles 503 à 507 du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Art. 565. Artikel 508 van dit decreet is van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  Het met redenen omklede besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn tot oprichting van of tot toetreding tot een vereniging of vennootschap voor sociale dienstverlening is onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad.
  De gemeenteraad verstuurt zijn besluit tot goedkeuring of niet-goedkeuring van het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn binnen een termijn van veertig dagen na het inkomen van het verzoek tot goedkeuring naar het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  In het geval, vermeld in artikel 508, § 1, derde lid, 3°, verstuurt de gemeenteraad op dezelfde dag een afschrift van zijn besluit naar de Vlaamse Regering.
Art. 565. L'article 508 du présent décret est applicable à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  La décision motivée du conseil de l'action sociale de constituer une association ou une société de services sociaux ou d'y adhérer, est soumise à l'approbation du conseil communal.
  Le conseil communal communique sa décision d'approbation ou de non-approbation de la décision du conseil de l'action sociale dans un délai de quarante jours qui suivent la réception de la demande d'approbation par le centre public d'action sociale.
  Dans le cas visé à l'article 508, § 1er, troisième alinéa, 3°, le conseil communal envoie le même jour une copie de sa décision au Gouvernement flamand.
Art. 566. Artikel 509 tot en met 513 van dit decreet zijn van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 566. Les articles 509 à 513 du présent décret sont applicables à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
Art. 567. Artikel 514 van dit decreet is van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  Het met redenen omklede besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn tot oprichting van of tot toetreding tot een woonzorgvereniging of woonzorgvennootschap is onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad.
  De gemeenteraad verstuurt zijn besluit tot goedkeuring of niet-goedkeuring van dat besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn binnen een termijn van veertig dagen na het inkomen van het verzoek tot goedkeuring aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De gemeenteraad verstuurt op dezelfde dag een afschrift van zijn besluit naar de Vlaamse Regering.
Art. 567. L'article 514 du présent décret est applicable à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  La décision motivée du conseil de l'action sociale de constituer une association ou société de soins à domicile ou d'y adhérer, est soumise à l'approbation du conseil communal.
  Le conseil communal communique sa décision d'approbation ou de non-approbation de ladite décision du conseil de l'action sociale dans un délai de quarante jours qui suivent la réception de la demande d'approbation par le centre public d'action sociale. Le conseil communal envoie le même jour une copie de sa décision au Gouvernement flamand.
Art. 568. Artikel 515 van dit decreet is van toepassing op de gemeente Voeren en de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Art. 568. L'article 515 du présent décret est applicable à la commune de Fourons et aux communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
DEEL 5. - WIJZIGINGSBEPALINGEN
PARTIE 5. - DISPOSITIONS MODIFICATIVES
Art. 569. In de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in artikel 6, § 3, vervangen bij het decreet van 7 juli 2006, worden de woorden "vermeld in artikel 5 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005" vervangen door de woorden "vermeld in artikel 4 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur";
  2° in artikel 17bis, ingevoegd bij de wet van 9 augustus 1988 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, worden de woorden "artikelen 8 tot en met 14 en artikel 16 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn" vervangen door de woorden "artikel 68 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur";
  3° in artikel 18bis, ingevoegd bij de wet van 9 augustus 1988 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. De in de artikelen 74 tot en met 77 van de Gemeentekieswet bepaalde regeling van de beroepen betreffende de verkiezing van de gemeenteraad is van overeenkomstige toepassing voor de geschillen betreffende de verkiezing van de raad of van het vast bureau van een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van een randgemeente bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren.";
  4° in artikel 25bis, ingevoegd bij de wet van 9 augustus 1988 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, worden de woorden "artikel 16 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn" vervangen door de woorden "artikel 6, § 3, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur";
  5° in artikel 25ter, § 3, ingevoegd bij de wet van 9 augustus 1988 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, worden de woorden "of artikel 53 en 54" opgeheven;
  6° in artikel 27bis, § 1, derde lid, ingevoegd bij de wet van 9 augustus 1988, gewijzigd bij de wet van 16 juni 1989 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, worden de woorden "artikel 60, § 3, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn" vervangen door de woorden "artikel 541, § 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur";
  7° in artikel 60, § 6, derde lid, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 244 van 31 december 1983 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, worden de woorden "het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn" vervangen door de woorden "het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur";
  8° in artikel 60, § 7, derde lid, vervangen bij wet van 24 december 1999 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, worden de woorden "het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking" vervangen door de woorden "deel 3, titel 3, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur" en de woorden "titel VIII, hoofdstuk I van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn" vervangen door de woorden "deel 3, titel 4, hoofdstuk 2 en 3, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur";
  9° in artikel 62bis, eerste lid, ingevoegd bij de wet van 13 juni 1985, vervangen bij de wet van 5 augustus 1992 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008, worden de woorden "de voorzitter van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn, of in voorkomend geval, de ondervoorzitter ingevolge artikel 58, § 2 en § 3, en artikel 59 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn" vervangen door de woorden "de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst ingevolge artikel 114 en 552 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur";
  10° in artikel 71, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 12 januari 1993 en bij het decreet van 19 december 2008, worden de woorden "de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, of in voorkomend geval, de ondervoorzitter ingevolge artikel 58, § 2 en § 3, en artikel 59 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn" vervangen door de woorden "de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst ingevolge artikel 114 en 552 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur";
  11° in artikel 113, ingevoegd bij wet van 9 augustus 1988, worden de woorden "Als een in het vorige lid" vervangen door de woorden "Als een in artikel 335 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur".
Art. 569. Les modifications suivantes sont apportées à la loi organique du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'action sociale :
  1° à l'article 6, § 3, remplacé par le décret du 7 juillet 2006, les mots " visé à l'article 5 du décret communal du 15 juillet 2005 " sont remplacés par les mots " visé à l'article 4 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
  2° à l'article 17bis, inséré par la loi du 9 août 1988 et modifié par le décret du 19 décembre 2008, les mots " articles 8 à 14 et article 16 du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale " sont remplacés par les mots " article 68 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
  3° à l'article 18bis, inséré par la loi du 9 août 1988 et modifié par le décret du 19 décembre 2008, le paragraphe 1er est remplacé comme suit :
  " § 1er. Le règlement, visé aux articles 74 à 77 de la loi électorale communale, des appels concernant l'élection du conseil communal s'applique par analogie aux litiges concernant l'élection du conseil ou du bureau permanent d'un centre public d'action sociale d'une commune de la périphérie visée à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, et des communes de Comines-Warneton et Fourons. " ;
  4° à l'article 25bis, inséré par la loi du 9 août 1988 et modifié par le décret du 19 décembre 2008, les mots " article 16 du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale " sont remplacés par les mots " article 6, § 3, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
  5° à l'article 25ter, § 3, inséré par la loi du 9 août 1988 et modifié par le décret du 19 décembre 2008, les mots " ou les articles 53 et 54 " sont supprimés ;
  6° à l'article 27bis, § 1er, troisième alinéa, inséré par la loi du 9 août 1988, modifié par le décret du 16 juin 1989 et modifié par le décret du 19 décembre 2008, les mots " l'article 60, § 3, du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale " sont remplacés par les mots " article 541, § 2, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
  7° à l'article 60, § 6, troisième alinéa, remplacé par l'arrêté royal n° 244 du 31 décembre 1983 et modifié par le décret du 19 décembre 2008, les mots " le décret du 19 décembre 2088 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale " sont remplacés par les mots " le décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
  8° à l'article 60, § 7, troisième alinéa, remplacé par la loi 24 décembre 1999 et modifié par le décret du 19 décembre 2008, les mots " le décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale " sont remplacés par les mots " partie 3, titre 3, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " et les mots " titre VIII, chapitre I du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale " sont remplacés par les mots " partie 3, titre 4, chapitres 2 et 3 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
  9° à l'article 62bis, alinéa premier, inséré par la loi du 13 juin 1985, remplacé par la loi du 5 août 1992 et modifié par le décret du 19 décembre 2008, les mots " le président du Conseil de l'action sociale, ou le cas échéant, le vice-président en conséquence de l'article 58, §§ 2 et 3, et de l'article 59 du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale " sont remplacés par les mots " le président du comité spécial du service social en conséquence des articles 114 et 552 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
  10° à l'article 71, alinéa premier, modifié par la loi du 12 janvier 1993 et par le décret du 19 décembre 2008, les mots " le président du conseil de l'action sociale, ou le cas échéant, le vice-président en conséquence de l'article 58, §§ 2 et 3, et de l'article 59 du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale " sont remplacés par les mots " le président du comité spécial du service social consécutivement aux articles 114 et 552 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
  11° à l'article 113, inséré par la loi du 9 août 1988, les mots " Si un visé à l'alinéa précédent " sont remplacés par les mots " Si un visé à l'article 335 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
Art. 570. In de Nieuwe Gemeentewet van 26 mei 1989 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° artikel 41, vervangen bij het koninklijk besluit van 30 mei 1989 en gewijzigd bij de wet van 24 mei 1991 en bij het decreet van 15 juli 2005, worden de woorden "artikel 123, derde lid," vervangen door de woorden "artikel 201 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur" en de woorden "artikel 79 van het Gemeentedecreet" door de woorden "artikel 165 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur";
  2° in artikel 83, ingevoegd bij de wet van 9 augustus 1988 en vervangen bij het decreet van 15 juli 2005, worden de woorden "artikel 71 van het Gemeentedecreet" vervangen door de woorden "artikel 156 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur";
  3° voor de gemeenten, vermeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en voor de gemeente Voeren worden in artikel 107, ingevoegd bij de wet van 9 augustus 1988 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 mei 1989, de woorden "in afwijking van artikel 54 van het Gemeentedecreet" vervangen door "in afwijking van artikel 53 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur" en de woorden "in afwijking van artikel 20 van het Gemeentedecreet" door de woorden "in afwijking van artikel 19 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur".
Art. 570. Les modifications suivantes sont apportées à la nouvelle Loi communale du 26 mai 1989 :
  1° à l'article 41, remplacé par l'arrêté royal du 30 mai 1989, et modifié par la loi du 24 mai 1991 et par le décret du 15 juillet 2005, les mots " articles 123, troisième alinéa, " sont remplacés par les mots " article 201 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " et les mots " article 79 du Décret communal " sont remplacés par les mots " article 165 du décret 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
  2° à l'article 83, inséré par la loi du 9 août 1988 et remplacé par le décret du 15 juillet 2005, les mots " article 71 du Décret communal " sont remplacés par les mots " article 156 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
  3° pour les communes visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, et pour la commune de Fourons, à l'article 107, inséré par la loi du 9 août 1998 et modifié par l'arrêté royal du 30 mai 1989, les mots " par dérogation à l'article 54 du Décret communal " sont remplacés par " par dérogation à l'article 53 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " et les mots " par dérogation à l'article 20 du Décret communal " sont remplacés par les mots " par dérogation à l'article 19 du décret 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
Art. 571. In het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten, gewijzigd bij het decreet van 20 januari 2006 en van 6 juli 2012, wordt een artikel 25/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 25/1. Een samenvoeging van gemeenten maakt een einde aan het bestaan van de centrale kerkbesturen van de samengevoegde gemeenten en aan het mandaat van alle leden van die centrale kerkbesturen. In de nieuwe gemeente wordt een nieuw centraal kerkbestuur opgericht.
  Artikel 4/7 tot en met 4/10 zijn in die situatie van toepassing, met dien verstande dat de hiernavolgende woorden worden gelezen als volgt:
  1° "de te behouden kerkfabriek" als "het nieuwe centraal kerkbestuur";
  2° "de kerkfabrieken van de samengevoegde parochies" als "de centrale kerkbesturen waarvan het bestaan beëindigd wordt".".
Art. 571. Dans le décret du 7 mai 2004 relatif à l'organisation matérielle et au fonctionnement des cultes reconnus, modifié par le décret du 20 janvier 2006 et du 6 juillet 2012, il est inséré un article 25/1, libellé comme suit :
  " Art. 25/1. Une fusion de communes met fin à l'existence des fabriques d'église centrales des communes fusionnées et au mandat de tous les membres desdites fabriques d'église centrales. Une nouvelle fabrique d'église centrale est créée dans la nouvelle commune.
  L'article 4/7 à 4/10 s'applique dans la situation précitée, étant entendu que les mots qui suivent ont la signification suivante :
  1° " la fabrique d'église à conserver " se lit " la nouvelle fabrique d'église centrale " ;
  2° " les fabriques d'église des paroisses fusionnées " se lit " les fabriques d'église centrales qui cessent d'exister ".
Art. 572. In het Provinciedecreet van 9 december 2005 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in artikel 68, § 4, tweede lid, 4°, gewijzigd bij decreet van 30 april 2009, worden de woorden "als vermeld in artikel 195 van het Gemeentedecreet" vervangen door de woorden "als vermeld in artikel 386 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur";
  2° in artikel 68, § 4, tweede lid, 6°, gewijzigd bij decreet van 30 april 2009, worden de woorden "als bedoeld in titel VIII, hoofdstukken I, II en III, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn" vervangen door de woorden "als vermeld in deel 3, titel 4, hoofdstuk 2 tot en met 6, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur";
  3° in artikel 133 worden de woorden "artikel 137 van het Gemeentedecreet" vervangen door de woorden "artikel 212 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur".
Art. 572. Les modifications suivantes sont apportées au Décret provincial du 9 décembre 2005 :
  1° à l'article 68, § 4, deuxième alinéa, modifié par le décret du 30 avril 2009, les mots " visé à l'article 195 du décret communal " sont remplacés par les mots " visé à l'article 386 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
  2° à l'article 68, § 4, deuxième alinéa, 6°, modifié par le décret du 30 avril 2009, les mots " visé au titre VIII, chapitres I, II et III, du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale " sont remplacés par les mots " visé à la partie 3, titre 4, chapitres 2 à 6, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
  3° à l'article 133, les mots " article 137 du Décret communal " sont remplacés par les mots " article 212 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
Art. 573. In het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in artikel 2, eerste lid, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° decreet over het lokaal bestuur : het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;";
  2° in artikel 2, eerste lid, 3°, worden de woorden "titel X van het Gemeentedecreet" vervangen door de woorden "deel 2, titel 1, hoofdstuk 7, van het decreet over het lokaal bestuur";
  3° in artikel 7, § 1, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) de woorden "artikel 5, § 3, eerste lid, en artikel 273, § 2, van het Gemeentedecreet" worden vervangen door de woorden "artikel 4, § 3, eerste lid, en artikel 118, tweede lid, van het decreet over het lokaal bestuur";
  b) in punt 1° worden de woorden "artikel 5, § 1, van het Gemeentedecreet" vervangen door de woorden "artikel 4, § 1, van het decreet over het lokaal bestuur";
  c) in punt 2° worden de woorden "artikel 273, § 2, van het Gemeentedecreet" vervangen door de woorden "artikel 118, eerste lid, van het decreet over het lokaal bestuur";
  4° in artikel 73, eerste lid, 2°, worden de woorden "artikel 11 van het Gemeentedecreet" vervangen door de woorden "artikel 10 van het decreet over het lokaal bestuur";
  5° in artikel 201/1, § 2, tweede lid, ingevoegd bij decreet van 3 juni 2016, worden de woorden "artikel 14 van het Gemeentedecreet" vervangen door de woorden "artikel 12 van het decreet over het lokaal bestuur";
  6° in artikel 218, § 1, 2°, gewijzigd bij decreet van 24 juni 2016, worden de woorden "het decreet vrijwillige samenvoeging van gemeenten van 24 juni 2016, en in de gevallen, vermeld in artikel 297, § 3, en artikel 298, § 2, tweede lid, van het Gemeentedecreet" vervangen door de woorden "deel 2, titel 8, van het decreet over het lokaal bestuur, en in de gevallen, vermeld in artikel 385, § 2, van het decreet over het lokaal bestuur".
Art. 573. Les modifications suivantes sont apportées au Décret électoral local et provincial du 8 juillet 2011 :
  1° à l'article 2, alinéa premier, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° décret sur l'administration locale : le décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale ; " ;
  2° à l'article 2, alinéa premier, 3°, les mots " titre X du Décret communal " sont remplacés par les mots " partie 2, titre 1er, chapitre 7, du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale " ;
  3° à l'article 7, § 1er, alinéa premier, les modifications suivantes sont apportées :
  a) les mots " article 5, § 3, alinéa premier, et article 273, § 2, du Décret communal " sont remplacés par les mots " article 4, § 3, alinéa premier, et article 118, deuxième alinéa, du décret sur l'administration locale " ;
  3° au point 1°, les mots " article 5, § 1er, du Décret communal " sont remplacés par les mots " article 4, § 1er, du décret sur l'administration locale " ;
  3° au point 2°, les mots " article 273, § 2, du Décret communal " sont remplacés par les mots " article 118, alinéa premier, du décret sur l'administration locale " ;
  4° à l'article 73, alinéa premier, 2°, les mots " article 11 du Décret communal " sont remplacés par les mots " article 10 du décret sur l'administration locale " ;
  5° à l'article 20/1, § 2, deuxième alinéa, inséré par le décret du 3 juin 2016, les mots " l'article 14 du décret communal " sont remplacés par les mots " l'article 12 du décret sur l'administration locale " ;
  6° à l'article 218, § 1er, 2°, modifié par le décret du 24 juin 2016, les mots " le décret fusion volontaire de communes du 24 juin 2016, et dans les cas visés à l'article 297, § 3, et à l'article 298, § 2, deuxième alinéa, du Décret communal " sont remplacés par les mots " partie 2, titre 8, du décret sur l'administration locale, et dans les cas visés à l'article 385, § 2, du décret sur l'administration locale ".
Art. 574. In artikel 13, § 6, 2°, van het decreet van 7 juni 2013 betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid worden de woorden "artikel 146 en 147 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005" vervangen door de woorden "artikel 254 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur".
Art. 574. A l'article 13, § 6, 2° du décret du 7 juin 2013 relatif à la politique flamande d'intégration et d'intégration civique, les mots " aux articles 146 et 147 du Décret communal du 15 juillet 2005 " sont remplacés par les mots " à l'article 254 du décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale ".
DEEL 6. - SLOTBEPALINGEN
PARTIE 6. - DISPOSITIONS FINALES
TITEL 1. - Opheffingsbepalingen
TITRE 1er. - Dispositions abrogatoires
Art. 575. Artikel 110 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, vervangen bij het decreet van 14 juli 1998, wordt opgeheven.
Art. 575. L'article 110 de la loi organique du 8 juillet 1976 sur les centres publics d'action sociale, remplacé par le décret du 14 juillet 1998, est abrogé.
Art. 576. De volgende bepalingen van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, laatst gewijzigd bij decreet van 13 mei 2016, worden opgeheven:
  1° artikel 1 tot en met 46, tweede lid;
  2° artikel 46, derde en vierde lid;
  3° artikel 47 tot en met 81.
Art. 576. Les dispositions suivantes du décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale, modifiées en dernier lieu par le décret du 13 mai 2016, sont abrogées :
  1° les articles 1er à 46, deuxième alinéa ;
  2° l'article 46, troisième et quatrième alinéas ;
  3° les articles 47 à 81.
Art. 577. De volgende bepalingen van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, het laatst gewijzigd bij decreet van 24 juni 2016, worden opgeheven:
  1° artikel 1 tot en met 4;
  2° artikel 5, § 1;
  3° artikel 5, § 2;
  4° artikel 5, § 3;
  5° artikel 6;
  6° artikel 7, § 1;
  7° artikel 7, § 2 tot en met § 6;
  8° artikel 8, § 1, eerste lid;
  9° artikel 8, § 1, tweede en derde lid;
  10° artikel 8, § 2 tot en met § 4;
  11° artikel 9;
  12° artikel 10 tot en met 12;
  13° artikel 13;
  14° artikel 14 tot en met 37;
  15° artikel 38;
  16° artikel 39 tot en met 43;
  17° artikel 44, § 1, eerste lid;
  18° artikel 44, § 1, tweede lid;
  19° artikel 44, § 2;
  20° artikel 44, § 3 tot en met § 6;
  21° artikel 45, § 1;
  22° artikel 45, § 2 tot en met § 4;
  23° artikel 46 tot en met 58;
  24° artikel 59, § 1;
  25° artikel 59, § 1bis;
  26° artikel 59, § 2, eerste lid;
  27° artikel 59, § 2, tweede lid;
  28° artikel 60, § 1;
  29° artikel 60, § 2;
  30° artikel 60, § 3;
  31° artikel 61 tot en met 145;
  32° artikel 146, § 1, eerste en tweede lid;
  33° artikel 146, § 1, derde lid;
  34° artikel 146, § 2 en § 3;
  35° artikel 146, § 4;
  36° artikel 147, § 1;
  37° artikel 147, § 2;
  38° artikel 148, § 1 en § 2;
  39° artikel 148, § 3 en § 4;
  40° artikel 149 en 150;
  41° artikel 151;
  42° artikel 152 tot en met 163;
  43° artikel 164;
  44° artikel 165 tot en met 171;
  45° artikel 172, eerste lid;
  46° artikel 172, tweede lid;
  47° artikel 172, derde tot en met vijfde lid;
  48° artikel 173;
  49° artikel 174;
  50° artikel 175 tot en met 242;
  51° artikel 243, eerste lid;
  52° artikel 243, tweede en derde lid;
  53° artikel 243, vierde lid;
  54° artikel 243bis tot en met 272;
  55° artikel 273, § 1;
  56° artikel 273, § 2;
  57° artikel 273, § 3;
  58° artikel 273, § 4;
  59° artikel 273, § 5;
  60° artikel 274, § 1, eerste en tweede lid;
  61° artikel 274, § 1, derde tot en met vijfde lid;
  62° artikel 274, § 2;
  63° artikel 274, § 3;
  64° artikel 274, § 4 tot en met § 6;
  65° artikel 275;
  66° artikel 276, eerste lid;
  67° artikel 276, tweede en derde lid;
  68° artikel 277 tot en met 289;
  69° artikel 290;
  70° artikel 291 tot en met 313.
Art. 577. Les dispositions suivantes du Décret communal du 15 juillet 2005, modifié en dernier lieu par le décret du 24 juin 2016, sont abrogées :
  1° les articles 1er à 4 ;
  2° l'article 5, § 1er ;
  3° l'article 5, § 2 ;
  4° l'article 5, § 3 ;
  5° l'article 6 ;
  6° l'article 7, § 1er ;
  7° l'article 7, §§ 2 à 6 ;
  8° l'article 8, § 1er, alinéa premier ;
  9° l'article 8, § 1er, deuxième et troisième alinéas ;
  10° l'article 8, §§ 2 à 4 ;
  11° l'article 9 ;
  12° les articles 10 à 12 ;
  13° l'article 13 ;
  14° les articles 14 à 37 ;
  15° l'article 38 ;
  16° les articles 39 à 43 ;
  17° l'article 44, § 1er, alinéa premier ;
  18° l'article 44, § 1er, deuxième alinéa ;
  19° l'article 44, § 2 ;
  20° l'article 44, §§ 3 à 6 ;
  21° l'article 45, § 1er ;
  22° l'article 45, §§ 2 à 4 ;
  23° les articles 46 à 58 ;
  24° l'article 59, § 1er ;
  25° l'article 59, § 1bis ;
  26° l'article 59, § 2, alinéa premier ;
  27° l'article 59, § 2, deuxième alinéa ;
  28° l'article 60, § 1er ;
  29° l'article 60, § 2 ;
  30° l'article 60, § 3 ;
  31° les articles 61 à 145 ;
  32° l'article 146, § 1er, premier et deuxième alinéas ;
  33° l'article 146, § 1er, troisième alinéa ;
  34° l'article 146, §§ 2 et 3 ;
  35° l'article 146, § 4 ;
  36° l'article 147, § 1er ;
  37° l'article 147, § 2 ;
  38° l'article 148, §§ 1er et 2 ;
  39° l'article 148, §§ 3 et 4 ;
  40° les articles 149 et 150 ;
  41° l'article 151 ;
  42° les articles 152 à 163 ;
  43° l'article 164 ;
  44° les articles 165 à 171 ;
  45° l'article 172, alinéa premier ;
  46° l'article 172, deuxième alinéa ;
  47° l'article 172, troisième à cinquième alinéas ;
  48° l'article 173 ;
  49° l'article 174 ;
  50° les articles 175 à 242 ;
  51° l'article 243, alinéa premier ;
  52° l'article 243, deuxième et troisième alinéas ;
  53° l'article 243, quatrième alinéa ;
  54° les articles 243bis à 272 ;
  55° l'article 273, § 1er ;
  56° l'article 273, § 2 ;
  57° l'article 273, § 3 ;
  58° l'article 273, § 4 ;
  59° l'article 273, § 5 ;
  60° l'article 274, § 1er, premier et deuxième alinéas ;
  61° l'article 274, § 1er, troisième à cinquième alinéas ;
  62° l'article 274, § 2 ;
  63° l'article 274, § 3 ;
  64° l'article 274, §§ 4 à 6 ;
  65° l'article 275 ;
  66° l'article 276, alinéa premier ;
  67° l'article 276, deuxième et troisième alinéas ;
  68° les articles 277 à 289 ;
  69° l'article 290 ;
  70° les articles 291 à 313.
(NOTA : bij arrest nr.129/2019 van 10-10-2019 (B.St. 28-10-2019, p. 102700), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 577, 50° vernietigd, in zoverre het artikel 194 van het Gemeentedecreet opheft)
(NOTE : par son arrêt n° 129/2019 du 10-10-2019 (M.B. 28-10-2019, p. 102700), la Cour constitutionnelle a annulé l'article 577, 50°, en ce qu'il abroge l'article 194 du décret communal du 15 juillet 2005)
Art. 578. De volgende bepalingen van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, het laatst gewijzigd bij decreet van 3 juni 2016, worden opgeheven:
  1° artikel 1 tot en met 4;
  2° artikel 5, § 1, eerste lid;
  3° artikel 5, § 1, tweede lid;
  4° artikel 5, § 2;
  5° artikel 6 tot en met 9;
  6° artikel 10, § 1;
  7° artikel 10, § 2 tot en met § 4;
  8° artikel 11 tot en met 15;
  9° artikel 16, § 1;
  10° artikel 16, § 2 tot en met § 5;
  11° artikel 17;
  12° artikel 18;
  13° artikel 19 tot en met 21;
  14° artikel 22;
  15° artikel 23 tot en met 145;
  16° artikel 146, § 1 tot en met § 3;
  17° artikel 146, § 4;
  18° artikel 147, § 1, eerste lid;
  19° artikel 147, § 1, tweede lid;
  20° artikel 147, § 1, derde lid;
  21° artikel 147, § 1, vierde lid;
  22° artikel 147, § 2;
  23° artikel 148;
  24° artikel 149, § 1;
  25° artikel 149, § 2 tot en met § 4;
  26° artikel 150 tot en met 152;
  27° artikel 153;
  28° artikel 154 tot en met 165;
  29° artikel 166;
  30° artikel 167 tot en met 172;
  31° artikel 173, eerste lid;
  32° artikel 173, tweede lid;
  33° artikel 173, derde tot en met vijfde lid;
  34° artikel 174;
  35° artikel 175;
  36° artikel 176 tot en met 229;
  37° artikel 230, eerste en tweede lid;
  38° artikel 230, derde lid;
  39° artikel 230, vierde en vijfde lid;
  40° artikel 231 tot en met 285.
Art. 578. Les dispositions suivantes du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale, modifié en dernier lieu par le décret du 3 juin 2016, sont supprimées ;
  1° les articles 1er à 4 ;
  2° l'article 5, § 1er, alinéa premier ;
  3° l'article 5, § 1er, deuxième alinéa ;
  4° l'article 5, § 2 ;
  5° les articles 6 à 9 ;
  6° l'article 10, § 1er ;
  7° l'article 10, §§ 2 à 4 ;
  8° les articles 11 à 15 ;
  9° l'article 16, § 1er ;
  10° l'article 16, §§ 2 à 5 ;
  11° l'article 17 ;
  12° l'article 18 ;
  13° les articles 19 à 21 ;
  14° l'article 22 ;
  15° les articles 23 à 145 ;
  16° l'article 146, §§ 1er à 3 ;
  17° l'article 146, § 4 ;
  18° l'article 147, § 1er, alinéa premier ;
  19° l'article 147, § 1er, deuxième alinéa ;
  20° l'article 147, § 1er, troisième alinéa ;
  21° l'article 147, § 1er, quatrième alinéa ;
  22° l'article 147, § 2 ;
  23° l'article 148 ;
  24° l'article 149, § 1er ;
  25° l'article 149, §§ 2 à 4 ;
  26° les articles 150 à 152 ;
  27° l'article 153 ;
  28° les articles 154 à 165 ;
  29° l'article 166 ;
  30° les articles 167 à 172 ;
  31° l'article 173, alinéa premier ;
  32° l'article 173, deuxième alinéa ;
  33° l'article 173, troisième à cinquième alinéas ;
  34° l'article 174 ;
  35° l'article 175 ;
  36° les articles 176 à 229 ;
  37° l'article 230, premier et deuxième alinéas ;
  38° l'article 230, troisième alinéa ;
  39° l'article 230, quatrième et cinquième alinéas ;
  40° les articles 231 à 285.
Art. 579. De volgende bepalingen van het decreet Vrijwillige Samenvoeging van 24 juni 2016 worden opgeheven:
  1° artikel 1 tot en met 14;
  2° artikel 15, § 1;
  3° artikel 15, § 2;
  4° artikel 15, § 3;
  5° artikel 15, § 4;
  6° artikel 15, § 5;
  7° artikel 16;
  8° artikel 17;
  9° artikel 18 tot en met 56;
  10° artikel 57;
  11° artikel 58 tot en met 68.
Art. 579. Les dispositions suivantes du décret Fusion volontaire du 24 juin 2016 sont supprimées :
  1° les articles 1 à 14 ;
  2° l'article 15, § 1er ;
  3° l'article 15, § 2 ;
  4° l'article 15, § 3 ;
  5° l'article 15, § 4 ;
  6° l'article 15, § 5 ;
  7° l'article 16 ;
  8° l'article 17 ;
  9° les articles 18 à 56 ;
  10° l'article 57 ;
  11° les articles 58 à 68.
TITEL 2. - Overgangsbepalingen
TITRE 2. - Dispositions transitoires
HOOFDSTUK 1. - Overgangsbepaling voor de politieke organisatie
CHAPITRE 1er. - Disposition transitoire concernant l'organisation politique
Art. 580. Tot aan de eerste installatie van het bijzonder comité voor de sociale dienst en van de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst gelden de volgende bepalingen:
  1° een lid van het college van burgemeester en schepenen of als er geen college van burgemeester en schepenen is geïnstalleerd, een uittredend lid van het college van burgemeester en schepenen, in volgorde van rang neemt het mandaat van voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst op tot aan de verkiezing van een nieuwe voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
  2° de raad voor maatschappelijk welzijn vormt het bijzonder comité voor de sociale dienst tot aan de installatie van een nieuw bijzonder comité voor de sociale dienst.
  [1 Tot aan de verkiezing van de nieuwe voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst is het bij de gemeenten die op 1 januari 2019 worden samengevoegd met toepassing van de bepalingen van het decreet Vrijwillige Samenvoeging van Gemeenten van 24 juni 2016, het uittredend lid van het college van burgemeester en schepenen, vermeld in het eerste lid, 1°, dat bevoegd was voor het grondgebied waar de dringende hulpverlening wordt vereist, die beslist over dringende hulpverlening als vermeld in artikel 114 van dit decreet.]1
  
Art. 580. Les dispositions suivantes produisent leurs effets jusqu'à la première installation du comité spécial du service social ainsi que du président du comité spécial du service social :
  1° un membre du collège des bourgmestre et échevins, ou si le collège des bourgmestre et échevins n'a pas été installé, un membre sortant du collège des bourgmestre et échevins par ordre de rang, assumera le mandat de président du comité spéciale du service social jusqu'à l'élection d'un nouveau président du comité spécial du service social ;
  2° le conseil de l'action sociale formera le comité spécial du service social jusqu'à l'installation d'un nouveau comité spécial du service social.
  [1 Jusqu'à l'élection du nouveau président du comité spécial du service social, dans les communes fusionnées le 1er janvier 2019 en application des dispositions du décret Fusion volontaire de communes du 24 juin 2016, le membre sortant du collège des bourgmestre et échevins, visé à l'alinéa premier, 1°, qui était compétent pour le territoire où l'aide urgente est requise, statue sur l'aide urgente visée à l'article 114 du présent décret.]1
  
HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepalingen inzake de ambtelijke organisatie van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
CHAPITRE 2. - Dispositions transitoires concernant l'organisation administrative de la commune et du centre public d'action sociale
Afdeling 1. - De algemeen directeur, de financieel directeur en hun waarnemers
Section 1er. - Le directeur général, le directeur financier et leurs suppléants
Art. 581. Als het ambt van gemeentesecretaris en het ambt van secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient door dezelfde persoon worden uitgeoefend, hetzij door zowel een aanstelling van de gemeenteraad als door een aanstelling van de raad voor maatschappelijk welzijn, hetzij met toepassing van artikel 76, § 3, 1°, van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 of artikel 75, § 3, 1°, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt die persoon met behoud van zijn dienstverband van rechtswege aangesteld als algemeen directeur bij de gemeente.
  Als het ambt van financieel beheerder van de gemeente en het ambt van financieel beheerder van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient door dezelfde persoon worden uitgeoefend, hetzij door zowel een aanstelling van de gemeenteraad als door een aanstelling van de raad voor maatschappelijk welzijn, hetzij met toepassing van artikel 76, § 3, 2°, van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 of artikel 75, § 3, 2°, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt deze persoon met behoud van zijn dienstverband van rechtswege aangesteld als financieel directeur bij de gemeente.
Art. 581. Si la fonction de [directeur général] et celle de [directeur général] du centre public d'action sociale qui dessert la commune sont exercées par la même personne, soit à la fois par une nomination du conseil communale et du conseil de l'action sociale, soit en application de l'article 76, § 3, 1°, du Décret communal du 15 juillet 2005 ou de l'article 75, § 3, 1°, du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale, la personne en question est nommée de plein droit directeur général de la commune en conservant son contrat.
  Si la fonction de gestionnaire financier de la commune et celle de gestionnaire financier du centre public d'action sociale qui dessert la commune sont exercées par la même personne, soit à la fois par une nomination du conseil communal et du conseil de l'action sociale, soit en application de l'article 76, § 3, 2°, du Décret communal du 15 juillet 2005 ou de l'article 75, § 3, 2°, du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale, la personne en question est nommée de plein droit directeur financier de la commune en conservant son contrat.
Art. 582. Als de ambten van gemeentesecretaris en van secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient, vacant zijn, vult de gemeenteraad het ambt van algemeen directeur in door aanwerving of bevordering. De gemeenteraad stelt de voorwaarden vast voor het ambt van algemeen directeur en stelt daarvoor de selectieprocedure vast. De algemeen directeur wordt gekozen in functie van de functiebeschrijving met functieprofiel en competentievereisten en van de toetsing aan de voorwaarden.
  Als de ambten van financieel beheerder van de gemeente en van financieel beheerder van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient, vacant zijn, vult de gemeenteraad het ambt van financieel directeur in door aanwerving of bevordering. De gemeenteraad stelt de voorwaarden vast voor het ambt van financieel directeur en stelt daarvoor de selectieprocedure vast. De financieel directeur wordt gekozen in functie van de functiebeschrijving met functieprofiel en competentievereisten en van de toetsing aan de voorwaarden.
Art. 582. Si les fonctions de secrétaire communal et de secrétaire] du centre public d'action sociale qui dessert la commune sont vacantes, le conseil communal pourvoira à la fonction de directeur général par recrutement ou promotion. Le conseil communal détermine les conditions de la fonction de directeur général et détermine la procédure de sélection à cette fin. Le directeur général est choisi en fonction de la description de fonction avec profil de la fonction et exigences de compétences ainsi qu'en fonction de l'évaluation par rapport aux conditions.
  Si les fonctions de gestionnaire financier de la commune et de gestionnaire financier du centre public d'action sociale qui dessert la commune sont vacantes, le conseil communal pourvoira à la fonction de directeur financier par recrutement ou promotion. Le conseil communal détermine les conditions de la fonction de directeur financier et détermine la procédure de sélection à cette fin. Le directeur financier est choisi en fonction de la description de fonction avec profil de la fonction et exigences de compétences ainsi qu'en fonction de l'évaluation par rapport aux conditions.
Art. 583. § 1. Als de titularis van het ambt van gemeentesecretaris en de titularis van het ambt van secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient verschillende personen zijn, of als maar een van beide ambten ingevuld is, kan de gemeenteraad de titularissen of, in voorkomend geval, de titularis, oproepen om zich binnen dertig dagen kandidaat te stellen voor het ambt van algemeen directeur. Na het verstrijken van de termijn stelt het college van burgemeester en schepenen vast wie zich tijdig en ontvankelijk kandidaat heeft gesteld.
  Als maar een van de personen, vermeld in het eerste lid, zich tijdig kandidaat heeft gesteld, wordt die persoon bij het verstrijken van de termijn om zich kandidaat te stellen, met behoud van zijn dienstverband, van rechtswege aangesteld als algemeen directeur bij de gemeente.
  Als twee van de personen, vermeld in het eerste lid, zich tijdig kandidaat stellen, stelt de gemeenteraad uiterlijk op 1 augustus 2018 op basis van een systematische vergelijking van de titels en verdiensten een van hen met behoud van zijn dienstverband aan als algemeen directeur.
  Als geen van de personen, vermeld in het eerste lid, zich tijdig kandidaat stelt of als de gemeenteraad geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid vermeld in het eerste lid, vult de gemeenteraad het ambt in door aanwerving of bevordering. De gemeenteraad stelt de voorwaarden vast voor het ambt van algemeen directeur en stelt daarvoor de selectieprocedure vast. De algemeen directeur wordt gekozen in functie van de functiebeschrijving met functieprofiel en competentievereisten en van de toetsing aan de voorwaarden.
  § 2. Als de titularis van het ambt van financieel beheerder van de gemeente en de titularis van het ambt van financieel beheerder van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient verschillende personen zijn, of als maar een van beide ambten ingevuld is, kan de gemeenteraad de titularissen, of, in voorkomend geval, de titularis oproepen om zich binnen dertig dagen kandidaat te stellen voor het ambt van financieel directeur. Na het verstrijken van de termijn stelt het college van burgemeester en schepenen vast wie zich tijdig en ontvankelijk kandidaat heeft gesteld.
  Als maar een van de personen, vermeld in het eerste lid, zich tijdig kandidaat heeft gesteld, wordt die persoon bij het verstrijken van de termijn om zich kandidaat te stellen, met behoud van zijn dienstverband van rechtswege aangesteld als financieel directeur bij de gemeente.
  Als twee van de personen, vermeld in het eerste lid, zich tijdig kandidaat stellen, stelt de gemeenteraad uiterlijk op 1 augustus 2018 op basis van een systematische vergelijking van de titels en verdiensten een van hen met behoud van zijn dienstverband aan als financieel directeur.
  Als geen van de personen, vermeld in het eerste lid, zich tijdig kandidaat stelt of als de gemeenteraad geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, vult de gemeenteraad het ambt in door aanwerving of bevordering. De gemeenteraad stelt voorwaarden vast voor het ambt van financieel directeur en stelt daarvoor de selectieprocedure vast. De financieel directeur wordt gekozen in functie van de functiebeschrijving met functieprofiel en competentievereisten en van de toetsing aan de voorwaarden.
Art. 583. § 1er. Si le titulaire de la fonction de secrétaire communal et celui de la fonction de secrétaire du centre public d'action sociale qui dessert la commune sont des personnes différentes, ou si l'une des deux fonctions est occupée, le conseil communal peut appeler les titulaires ou, le cas échéant, le titulaire, à poser, dans les trente jours, sa candidature à la fonction de directeur général. A l'expiration du délai, le collège des bourgmestre et échevins détermine quelles sont les personnes ayant posé une candidature recevable en temps opportun.
  Si une seule des personnes visées à l'alinéa premier a posé sa candidature à temps, la personne en question sera nommée de plein droit directeur général de la commune à l'expiration du délai de candidature, en conservant son contrat.
  Si deux des personnes visées à l'alinéa premier posent leur candidature à temps, le conseil communal nommera directeur général, au plus tard le 1er août 2018, l'une des deux personnes en question, qui conservera son contrat, sur la base d'une comparaison systématique des titres et mérites.
  Si aucune des personnes visées à l'alinéa premier ne pose sa candidature à temps ou si le conseil communal n'a pas eu recours à la possibilité visée à l'alinéa premier, le conseil communal pourvoira à la fonction par recrutement ou promotion. Le conseil communal détermine les conditions de la fonction de directeur général et détermine la procédure de sélection à cette fin. Le directeur général est choisi en fonction de la description de fonction avec profil de la fonction et exigences de compétences ainsi qu'en fonction de l'évaluation par rapport aux conditions.
  § 2. Si le titulaire de la fonction de gestionnaire financier de la commune et celui de la fonction de gestionnaire financier du centre public d'action sociale qui dessert la commune sont des personnes différentes, ou si l'une des deux fonctions est occupée, le conseil communal peut appeler les titulaires ou, le cas échéant, le titulaire, à poser, dans les trente jours, sa candidature à la fonction de directeur financier. A l'expiration du délai, le collège des bourgmestre et échevins détermine quelles sont les personnes ayant posé une candidature recevable en temps opportun.
  Si une seule des personnes visées à l'alinéa premier a posé sa candidature à temps, la personne en question sera nommée de plein droit directeur financier de la commune à l'expiration du délai de candidature, en conservant son contrat.
  Si deux des personnes visées à l'alinéa premier posent leur candidature à temps, le conseil communal nommera directeur financier, au plus tard le 1er août 2018, l'une des deux personnes en question, qui conservera son contrat, sur la base d'une comparaison systématique des titres et mérites.
  Si aucune des personnes visées à l'alinéa premier ne pose sa candidature à temps ou si le conseil communal n'a pas eu recours à la possibilité visée à l'alinéa premier, le conseil communal pourvoira à la fonction par recrutement ou promotion. Le conseil communal détermine les conditions de la fonction de directeur financier et détermine la procédure de sélection à cette fin. Le directeur financier est choisi en fonction de la description de fonction avec profil de la fonction et exigences de compétences ainsi qu'en fonction de l'évaluation par rapport aux conditions.
Art. 584. § 1. Als er op 1 augustus 2018 geen algemeen directeur noch een waarnemend algemeen directeur is, wordt met ingang van 1 augustus 2018 de persoon, vermeld in artikel 583, § 1, eerste lid, met de meeste anciënniteit in de betrekking van secretaris, van rechtswege aangesteld als waarnemend algemeen directeur. Bij afwezigheid, verhindering of beëindiging van die waarneming, regelt de gemeenteraad de vervanging met behoud van de toepassing van artikel 586.
  De waarnemend algemeen directeur oefent alle bevoegdheden uit van de algemeen directeur. Hij blijft in elk geval waarnemend algemeen directeur gedurende de periode van 1 augustus 2018 tot aan de aanstelling van de algemeen directeur door de gemeenteraad op de eerstvolgende vergadering volgend op de installatievergadering van de gemeenteraad na de algehele vernieuwing van de gemeenteraad.
  § 2. Als op 1 augustus 2018 er geen financieel directeur noch een waarnemend financieel directeur is, dan is met ingang van 1 augustus 2018 de persoon, vermeld in artikel 583, § 2, eerste lid, met de meeste anciënniteit in de betrekking van financieel beheerder, van rechtswege waarnemend financieel directeur. Bij afwezigheid, verhindering of beëindiging van deze waarneming, regelt de gemeenteraad, met behoud van de toepassing van artikel 586, de vervanging.
  De waarnemend financieel directeur oefent alle bevoegdheden uit van de financieel directeur. Hij blijft in elk geval waarnemend financieel directeur gedurende de periode van 1 augustus 2018 tot aan de aanstelling van de algemeen directeur door de gemeenteraad op de eerstvolgende vergadering die volgt op de installatievergadering van de gemeenteraad na de algehele vernieuwing van de gemeenteraad.
Art. 584. § 1er. A défaut de directeur général et de directeur général suppléant à la date du 1er août 2018, la personne visée à l'article 583, § 1er, alinéa premier, qui compte le plus d'ancienneté dans la fonction de secrétaire, sera nommée de plein droit directeur général suppléant avec prise d'effet au 1er août 2018. En cas d'absence, d'empêchement ou de fin de ladite suppléance, le conseil communal règlera le remplacement en préservant l'application de l'article 586.
  Le directeur général suppléant exerce toutes les compétences du directeur général. Il reste en tout cas directeur général suppléant durant la période comprise entre le 1er août 2018 et la nomination du directeur général par le conseil communal lors de la première réunion qui suit la réunion d'installation du conseil communal après le renouvellement complet du conseil communal.
  § 2. A défaut de directeur financier et de directeur financier suppléant à la date du 1er août 2018 suppléant, la personne visée à l'article 583, § 2, alinéa premier, qui compte le plus d'ancienneté dans la fonction de gestionnaire financier, sera nommée de plein droit directeur financier suppléant avec prise d'effet au 1er août 2018. En cas d'absence, d'empêchement ou de fin de ladite suppléance, le conseil communal règlera le remplacement en préservant l'application de l'article 586.
  Le directeur financier suppléant exerce toutes les compétences du directeur financier. Il reste en tout cas directeur financier suppléant durant la période comprise entre le 1er août 2018 et la nomination du directeur général par le conseil communal lors de la première réunion suivant la réunion d'installation du conseil communal après le renouvellement complet du conseil communal.
Art. 585. § 1. Als de gemeenteraad op 1 augustus 2018 geen algemeen directeur heeft aangesteld, zet de gemeenteraad op de eerstvolgende vergadering die volgt op de installatievergadering van de gemeenteraad na de algehele vernieuwing van de gemeenteraad en met toepassing van artikel 583, § 1, de procedure tot invulling van het ambt voort.
  In voorkomend geval, als de gemeenteraad nog geen oproep als vermeld in artikel 583, § 1, heeft gedaan noch een aanwervings- en of bevorderingsprocedure is opgestart, kan de gemeenteraad, met toepassing van artikel 583, § 1, een oproep doen tot kandidaatstelling bij de gemeentesecretaris en de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient, die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit artikel in dienst waren of overgaan tot bevordering of aanwerving.
  § 2. Als de gemeenteraad op 1 augustus 2018 geen financieel directeur heeft aangesteld, zet de gemeenteraad op de eerstvolgende vergadering die volgt op de installatievergadering van de gemeenteraad na de algehele vernieuwing van de gemeenteraad en met toepassing van artikel 583, § 2, de procedure tot invulling van het ambt verder.
  In voorkomend geval, als de gemeenteraad nog geen oproep als vermeld in artikel 583, § 2, heeft gedaan noch een aanwervings- en of bevorderingsprocedure is opgestart, kan de gemeenteraad, met toepassing van artikel 583, § 2, een oproep doen tot kandidaatstelling bij de financieel beheerder van de gemeente en de financieel beheerder van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient, die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit artikel in dienst waren of overgaan tot bevordering of aanwerving.
Art. 585. § 1er. Si le conseil communal n'a pas nommé de directeur général à la date du 1er août 2018, le conseil communal poursuivra la procédure d'engagement pour la fonction lors de la première réunion qui suit la réunion d'installation du conseil communal après le renouvellement complet du conseil communal et en application de l'article 583, § 1er.
  Le cas échéant, si le conseil communal n'a pas encore lancé d'appel visé à l'article 583, § 1er et n'a pas encore entamé une procédure de recrutement ou de promotion, le conseil communal pourra, en application de l'article 583, § 1er, lancer un appel à candidatures auprès du secrétaire communal et du secrétaire du centre public d'action sociale qui dessert la commune, et qui, au moment de l'entrée en vigueur du présent article, étaient en service, ou procéder à la promotion ou au recrutement.
  § 2. Si le conseil communal n'a pas nommé de directeur financier à la date du 1er août 2018, le conseil communal poursuivra la procédure d'engagement pour la fonction lors de la première réunion qui suit la réunion d'installation du conseil communal après le renouvellement complet du conseil communal et en application de l'article 583, § 2.
  Le cas échéant, si le conseil communal n'a pas encore lancé d'appel visé à l'article 583, § 2, et n'a pas encore entamé de procédure de recrutement ou de promotion, le conseil communal pourra, en application de l'article 583, § 1er, lancer un appel à candidatures auprès du gestionnaire financier de la commune et du gestionnaire financier du centre public d'action sociale qui dessert la commune, et qui, au moment de l'entrée en vigueur du présent article, étaient en service, ou procéder à la promotion ou au recrutement.
Art. 586. De adjunct-gemeentesecretaris is van rechtswege adjunct-algemeendirecteur van de gemeente. Hij wordt ingeschaald in de salarisschaal van adjunct-algemeendirecteur.
  De gemeenteraad stelt de salarisschaal van de adjunct-algemeen directeur vast. Die salarisschaal moet lager blijven dan de salarisschaal die voor de algemeen directeur vastgesteld is.
  De adjunct-algemeendirecteur oefent het ambt, de taak en de bevoegdheid uit die de wetten en decreten aan de adjunct-gemeentesecretaris hebben toevertrouwd.
Art. 586. Le secrétaire communal adjoint est de plein droit directeur général adjoint de la commune. Il est classé dans l'échelle de traitement de directeur général adjoint.
  Le conseil communal détermine l'échelle de traitement du directeur général adjoint. Cette échelle de traitement doit rester inférieure à celle fixée pour le directeur général.
  Le directeur général adjoint exerce la fonction, la tâche et les compétences qui sont dévolues par les lois et décrets au secrétaire communal adjoint.
Art. 587. De algemeen directeur oefent de taken en bevoegdheden uit die overeenkomstig artikel 58 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 en artikel 52 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra of overeenkomstig andere wettelijke of decretale bepalingen aan de gemeentesecretaris en aan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zijn toevertrouwd.
  De financieel directeur oefent de taken uit die door of krachtens de wet of het decreet aan de gemeenteontvanger, aan de financieel beheerder van de gemeente, aan de ontvanger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan de financieel beheerder van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zijn toevertrouwd.
  De directeurs, vermeld in het eerste en tweede lid, staan ten dienste van zowel de gemeente als van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient. De gemeenteraad regelt hun vervanging bij afwezigheid, verhindering en in geval van een vacature na 1 augustus 2018.
Art. 587. Le directeur général exerce les tâches et compétences qui sont dévolues au secrétaire communal et au secrétaire du centre public d'action sociale conformément à l'article 58 du Décret communal du 15 juillet 2005 et à l'article 52 du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale ou conformément à d'autres dispositions légales ou décrétales.
  Le directeur financier exerce les tâches qui sont dévolues par ou en vertu de la loi ou du décret au receveur communal, au gestionnaire financier, au receveur du centre public d'action social et au gestionnaire financier du centre public d'action sociale.
  Les directeurs visés aux premier et deuxième alinéas sont au service à la fois de la commune et du centre public d'action sociale qui dessert la commune. Le conseil communal règle leur remplacement en cas d'absence, d'empêchement ainsi qu'en cas de vacance après le 1er août 2018.
Art. 588. § 1. De algemeen directeur wordt met behoud van zijn geldelijke anciënniteit ingeschaald in de salarisschaal van algemeen directeur zoals die door de gemeenteraad wordt vastgesteld.
  De salarisschaal van de algemeen directeur is gelijk aan de salarisschaal van de gemeentesecretaris verhoogd met 30%.
  De waarnemend algemeen directeur, vermeld in artikel 584, § 1, krijgt een waarnemingstoelage die gelijk is aan het verschil tussen het salaris dat hij bij een aanstelling in het ambt van algemeen directeur zou ontvangen en het salaris dat de gemeentesecretaris respectievelijk de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kreeg.
  § 2. De financieel directeur wordt met behoud van zijn geldelijke anciënniteit ingeschaald in de salarisschaal van financieel directeur zoals die door de gemeenteraad wordt vastgesteld.
  De salarisschaal van de financieel directeur is gelijk aan de salarisschaal van de financieel beheerder verhoogd met 30%.
  De waarnemend financieel directeur, vermeld in artikel 584, § 2, krijgt een waarnemingstoelage die gelijk is aan het verschil tussen het salaris dat hij bij een aanstelling in het ambt van financieel directeur zou ontvangen en het salaris dat de financieel beheerder van de gemeente respectievelijk van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kreeg.
  § 3. Voor de ambten, vermeld in paragraaf 1 en 2, en voor de adjunct-algemeen directeur, vermeld in artikel 586, is de geldende rechtspositieregeling van de secretarissen, de adjunct-secretarissen en de financieel beheerders van overeenkomstige toepassing.
  De lopende tuchtprocedures en evaluatieprocedures worden verder afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van dit artikel.
Art. 588. § 1er. Tout en préservant son ancienneté pécuniaire, le directeur général est classé dans l'échelle de traitement de directeur général établie par le conseil communal.
  L'échelle de traitement du directeur général est identique à celle du secrétaire général, majorée de 30 %.
  Le directeur général suppléant visé à l'article 584, § 1er, reçoit une allocation de suppléance égale à la différence entre le salaire qu'il recevrait en cas de nomination à la fonction de directeur général et le salaire que recevait respectivement le secrétaire général ou le secrétaire du centre public d'action sociale.
  § 2. Tout en préservant son ancienneté pécuniaire, le directeur financier est classé dans l'échelle de traitement de directeur financier établie par le conseil communal.
  L'échelle de traitement du directeur financier est identique à celle du gestionnaire financier, majorée de 30 %.
  Le directeur financier suppléant visé à l'article 584, § 2, reçoit une allocation de suppléance égale à la différence entre le salaire qu'il recevrait en cas de nomination à la fonction de directeur financier et le salaire que recevait respectivement le gestionnaire financier de la commune ou le gestionnaire financier du centre public d'action sociale.
  § 3. En ce qui concerne les fonctions visées aux paragraphes 1er et 2, et en ce qui concerne le directeur général adjoint visé à l'article 586, le statut juridique en vigueur des secrétaires, secrétaires adjoints et gestionnaires financiers s'applique par analogie.
  Les procédures disciplinaires et d'évaluation en cours seront traitées conformément aux dispositions qui étaient d'application avant l'entrée en vigueur du présent article.
Art. 589. § 1. De persoon, vermeld in artikel 583, § 1, eerste lid, die niet wordt aangesteld als algemeen directeur, wordt op persoonlijke titel en met behoud van de aard van zijn dienstverband en geldelijke anciënniteit aangesteld hetzij als adjunct-algemeendirecteur bij de gemeente, hetzij in een passende functie van niveau A bij de gemeente, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient of bij een verzelfstandigde entiteit van de gemeente of vereniging van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient. Hij wordt aangesteld met behoud van de salarisschaal die hij kreeg als secretaris, zolang het salaris op basis daarvan gunstiger is dan het salaris dat hij zou krijgen na de inschaling in de passende functie.
  § 2. De persoon, vermeld in artikel 583, § 2, eerste lid, die niet wordt aangesteld als financieel directeur wordt op persoonlijke titel en met behoud van de aard van zijn dienstverband en geldelijke anciënniteit aangesteld hetzij als adjunct-financieel-directeur bij de gemeente, hetzij in een passende functie van niveau A bij de gemeente of bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient, of bij een verzelfstandigde entiteit van de gemeente of vereniging van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient. Hij wordt aangesteld met behoud van de salarisschaal die hij kreeg als financieel beheerder, zolang het salaris op basis daarvan gunstiger is dan het salaris dat hij zou krijgen na de inschaling in de passende functie.
  De adjunct-financieeldirecteur staat de financieel directeur bij in de vervulling van zijn ambt, overeenkomstig het organisatiebeheersingssysteem, vermeld in artikel 217 tot en met 220. In afwijking van artikel 166 vervangt de adjunct-financieel-directeur de financieel directeur als hij afwezig of verhinderd is. De gemeenteraad regelt die vervanging.
  § 3. Tot en met 31 december 2023 wordt de persoon, vermeld in paragraaf 1 en 2, geacht te voldoen aan de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden die door de gemeenteraad worden vastgesteld voor respectievelijk de functie van algemeen directeur of financieel directeur.
  De gemeenteraad kan bepalen dat de persoon, vermeld in paragraaf 1 en 2, wordt opgenomen in een wervingsreserve. De gemeenteraad stelt de regels voor de wervingsreserve vast. De gemeenteraad bepaalt:
  1° de maximale geldigheidsduur van de wervingsreserves, met inbegrip van eventuele verlenging;
  2° de regels volgens dewelke de kandidaten hun opname in de wervingsreserve behouden of verliezen.
  [1 § 4. Artikel 41, tweede lid, 6°, 163 tot en met 165, 169, 179, 194 en 208, § 2, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de adjunct-financieeldirecteur, met dien verstande dat het woord "adjunct-algemeen directeur" wordt gelezen als het woord "adjunct-financieeldirecteur.]1
  
Art. 589. § 1er. La personne visée à l'article 583, § 1er, alinéa premier, qui n'est pas nommée directeur général, est nommée à titre personnel et en conservant la nature de son contrat et son ancienneté pécuniaire, soit directeur général adjoint de la commune, soit dans une fonction appropriée de niveau A au sein de la commune, du centre public d'action sociale qui dessert la commune ou d'une entité autonomisée de la commune ou une association du centre public d'action sociale qui dessert la commune. Elle est nommée avec maintien de l'échelle de traitement qu'elle recevait comme secrétaire, aussi longtemps que le salaire perçu sur la base de ladite échelle est plus avantageux que le salaire qu'elle percevrait après le classement dans la fonction appropriée.
  § 2. La personne visée à l'article 583, § 2, alinéa premier, qui n'est pas nommée directeur financier, est nommée à titre personnel et en conservant la nature de son contrat et son ancienneté pécuniaire, soit directeur financier adjoint de la commune, soit dans une fonction appropriée de niveau A au sein de la commune, du centre public d'action sociale qui dessert la commune ou d'une entité autonomisée de la commune ou une association du centre public d'action sociale qui dessert la commune. Elle est nommée avec maintien de l'échelle de traitement qu'elle recevait comme gestionnaire financier, aussi longtemps que le salaire perçu sur la base de ladite échelle est plus avantageux que le salaire qu'elle percevrait après le classement dans la fonction appropriée.
  Le directeur financier adjoint assiste le directeur financier dans sa fonction, conformément au système de maîtrise de l'organisation visé aux articles 217 à 220 inclus. Par dérogation à l'article 166, le directeur financier adjoint remplace le directeur financier en cas d'absence ou d'empêchement. Le conseil communal règle ce remplacement.
  § 3. Jusqu'au 31 décembre 2023, la personne visée aux paragraphes 1er et 2 est censée satisfaire aux conditions de recrutement et de promotion établies par le conseil communal, respectivement pour la fonction de directeur général ou directeur financier.
  Le conseil communal peut déterminer que la personne visée aux paragraphes 1er et 2 est reprise dans une réserve de recrutement. Le conseil communal détermine les règles relatives à la réserve de recrutement. Le conseil communal détermine :
  1° la durée de validité maximale des réserves de recrutement, y compris une éventuelle prolongation ;
  2° les modalités selon lesquelles les candidats conservent ou perdent leur intégration dans la réserve de recrutement.
  [1 § 4. Les articles 41, alinéa 2, 6°, 163 à 165, 169, 179, 194 et 208, § 2, alinéa 2 s'appliquent mutatis mutandis au directeur financier adjoint, les mots " directeur général adjoint " étant lus comme " directeur financier adjoint.]1
  
Afdeling 2. - De gewestelijk ontvanger
Section 2. - Le receveur régional
Art. 590. § 1. De gemeenten waar op 31 juli 2018 de functie van financieel beheerder zowel in de gemeente als in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat die gemeente bedient, wordt vervuld door een gewestelijke ontvanger kunnen beslissen de taak van financieel directeur te laten uitoefenen door een gewestelijke ontvanger. Zowel de gemeenteraad als de raad voor maatschappelijk welzijn neemt daarover een beslissing voor 31 juli 2018.
  Die keuze geldt tot op het ogenblik dat de gemeenteraad een uitdrukkelijke beslissing heeft genomen om de taak van financieel directeur niet langer te laten uitoefenen door een gewestelijke ontvanger. Zolang een gemeente gebruikmaakt van een gewestelijke ontvanger, blijft ze bijdragen in de kosten ervan, volgens de regels die de Vlaamse Regering vaststelt.
  § 2. De gewestelijke ontvangers die in dienst zijn op 31 juli 2018, worden voor de wervingsprocedures van financieel directeur vrijgesteld van de diplomavereiste.
  § 3. Alle gemeenten en openbare centra voor maatschappelijk welzijn kunnen bij plotse onbeschikbaarheid van de financieel directeur en met terugbetaling van de daaraan verbonden kosten voor de vervanging van de titularis een beroep doen op een gewestelijke ontvanger.
  § 4. Dit artikel blijft gelden tot er geen gewestelijke ontvangers meer in dienst zijn.
Art. 590. § 1er. Les communes dans lesquelles, au 31 juillet 2018, la fonction de gestionnaire financier aussi bien dans la commune que dans le centre public d'action sociale qui dessert cette commune est exercée par un receveur régional, peuvent décider de faire exercer la tâche de directeur financier par un receveur régional. Le conseil communal comme le conseil de l'action sociale prendront une décision à ce sujet pour le 31 juillet 2018.
  Le choix en question s'appliquera jusqu'au moment où le conseil communal aura pris une décision expresse de ne plus confier la tâche de directeur financier à un receveur régional. Aussi longtemps qu'une commune a recours à un receveur régional, elle continuera à contribuer à ses frais selon les modalités déterminées par le Gouvernement flamand.
  § 2. Les receveurs régionaux en service au 31 juillet 2018 sont exonérés de l'exigence de diplôme pour les procédures de recrutement de directeur financier.
  § 3. Toutes les communes et centres publics d'action sociale peuvent faire appel à un receveur régional en cas d'indisponibilité subite du directeur financier et de remboursement des frais qui y sont liés pour remplacer le titulaire.
  § 4. Le présent article restera en vigueur jusqu'à qu'il n'y ait plus de receveurs régionaux en service.
Afdeling 3. - Tucht
Section 3. - Discipline
Art. 591. De tuchtvorderingen die op het moment van de inwerkingtreding van deel 2, titel 2, hoofdstuk 4, afdeling 6, hangende zijn, worden verder afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die vóór de inwerkingtreding van toepassing waren.
Art. 591. Les actions disciplinaires en cours au moment de l'entrée en vigueur de la partie 2, titre 2, chapitre 4, section 6, seront traitées conformément aux dispositions qui étaient d'application avant l'entrée en vigueur.
Afdeling 4. - Organisatiebeheersing
Section 4. - Maîtrise de l'organisation
Art. 592. Totdat een regeling wordt uitgewerkt met toepassing van artikel 217 tot en met 219 van dit decreet en uiterlijk tot en met 1 juli 2019 blijven de regelingen van toepassing die de gemeenten lokaal hebben uitgewerkt met toepassing van artikel 159 en 162 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005.
  Totdat een regeling wordt uitgewerkt met toepassing van artikel 217 tot en met 219 van dit decreet en uiterlijk tot en met 1 juli 2019 blijven de regelingen van toepassing die de openbare centra voor maatschappelijk welzijn hebben uitgewerkt met toepassing van artikel 161 en 164 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Art. 592. Jusqu'à ce qu'un règlement soit élaboré en application des articles 217 à 219 du présent décret et au plus tard jusqu'au 1er juillet 2019 inclus, les règlements établis localement par les communes, en application des articles 159 et 162 du Décret communal du 15 juillet 2015, continueront de produire leurs effets.
  Jusqu'à ce qu'un règlement soit élaboré en application des articles 217 à 219 du présent décret et au plus tard jusqu'au 1er juillet 2019 inclus, les règlements établis localement par les centres publics d'action sociale, en application des articles 161 et 164 du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale, continueront de produire leurs effets.
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepalingen inzake de autonome gemeentebedrijven
CHAPITRE 3. - Dispositions transitoires en matière de régies communales autonomes
Art. 593. Op het meerjarenplan 2020-2025 van het autonoom gemeentebedrijf zijn de volgende artikelen van overeenkomstige toepassing, met toepassing van artikel 241, ook al gebeurt de vaststelling al vóór 1 januari 2020:
  1° artikel 249;
  2° artikel 251;
  3° artikel 253;
  4° artikel 254;
  5° artikel 255.
Art. 593. Les articles suivants sont d'application au plan pluriannuel 2020-2025 de la régie communale autonome par analogie, en application de l'article 241, même si la détermination intervient avant le 1er janvier 2020 :
  1° l'article 249 ;
  2° l'article 251 ;
  3° l'article 253 ;
  4° l'article 254 ;
  5° l'article 255.
Art. 594. De Vlaamse Regering kan, op voorwaarde dat de gemeenteraad van de gemeente die het autonoom gemeentebedrijf heeft opgericht dat vraagt, de volgende artikelen al op 1 januari 2019 in werking laten treden bij bepaalde autonome gemeentebedrijven:
  1° artikel 241, wat betreft de toepassing van artikel 249, 251, 253, 254, 255, 257 en 263;
  2° artikel 242.
  Die autonome gemeentebedrijven stellen in het geval, vermeld in het eerste lid, in afwijking van artikel 254, tweede lid, van dit decreet, in het eerste kwartaal van 2019, een eenjarig meerjarenplan vast voor 2019. Dat meerjarenplan bestaat uit een strategische nota, een financiële nota en een toelichting, opgemaakt overeenkomstig artikel 255 van dit decreet.
  Bij die autonome gemeentebedrijven treedt artikel 241 van dit decreet, wat betreft de toepassing van artikel 258, 260, tweede lid, en artikel 261, in werking op 1 januari 2020.
  Op die autonome gemeentebedrijven is artikel 243 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, behalve voor de jaarrekening, niet langer van toepassing met ingang van 1 januari 2019.
  Op die autonome gemeentebedrijven is artikel 243 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, voor de jaarrekening, niet langer van toepassing met ingang van 1 januari 2020.
Art. 594. Le Gouvernement flamand peut, à condition que le conseil communal de la commune qui a constitué la régie communale autonome en formule la demande, faire entrer en vigueur les articles suivants dès le 1er janvier 2019 pour certaines régies communales autonomes :
  1° l'article 241, en ce qui concerne l'application des articles 249, 251, 253, 254, 255, 257 et 263 ;
  2° l'article 242.
  Lors du premier trimestre de 2019, les régies communales autonomes proposeront un plan pluriannuel d'un an pour 2019 dans le cas visé à l'alinéa premier, par dérogation à l'article 254, deuxième alinéa du présent décret. Le plan pluriannuel en question comprend une note stratégique, une note financière et des explications établies conformément à l'article 255 du présent décret.
  En ce qui concerne les régies communales autonomes, l'article 241 du présent décret entrera en vigueur le 1er janvier 2020 en ce qui concerne l'application des articles 258, 260, deuxième alinéa, et de l'article 261.
  L'article 243 du Décret communal du 15 juillet 2005, à l'exception des comptes annuels, ne sera plus d'application à partir du 1er janvier 2019.
  L'article 243 du Décret communal du 15 juillet 2005 sera d'application à partir du 1er janvier 2019 pour les comptes annuels.
HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepalingen inzake de beleids- en beheerscyclus
CHAPITRE 4. - Dispositions transitoires en matière de cycle politique et de gestion
Afdeling 1. - De jaarrekening
Section 1ère. - Les comptes annuels
Art. 595. De jaarrekening over 2018 van de gemeenten wordt vastgesteld door de gemeenteraad.
  De jaarrekening over 2018 van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn.
Art. 595. Les comptes annuels de 2018 des communes seront établis par le conseil communal.
  Les comptes annuels de 2018 des centres publics d'action sociale seront établis par le conseil de l'action sociale.
Afdeling 2. - De meerjarenplanning
Section 2. - Le planning pluriannuel
Art. 596. Op het meerjarenplan 2020-2025 van de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn zijn de volgende artikelen van toepassing, ook als dat meerjarenplan al vóór 1 januari 2020 wordt vastgesteld:
  1° artikel 249;
  2° artikel 251;
  3° artikel 253;
  4° artikel 254;
  5° artikel 255.
  Op het budget voor 2019 en de budgetwijzigingen voor datzelfde jaar is artikel 259 van toepassing, met dien verstande dat de volgende woorden worden gelezen als volgt:
  1° "het meerjarenplan of de aanpassing ervan" als "het budget of de budgetwijziging";
  2° "het meerjarenplan" als "het budget".
  In 2019 worden voor de toepassing van artikel 265 de woorden "binnen de limitatieve kredieten voor dat boekjaar in het meerjarenplan" gelezen als "binnen de limitatieve kredieten van het budget".
  Op de aanpassingen van het meerjarenplan, de budgetten en de budgetwijzigingen van de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn is vanaf 1 januari 2019 artikel 249, § 3, van overeenkomstige toepassing.
Art. 596. Les articles suivants sont d'application au plan pluriannuel 2020-2025 des communes et centres publics d'action sociale, même si ce plan pluriannuel est établi avant le 1er janvier 2020 :
  1° l'article 249 ;
  2° l'article 251 ;
  3° l'article 253 ;
  4° l'article 254 ;
  5° l'article 255 ;
  L'article 259 est d'application au budget de 2019 ainsi qu'aux modifications budgétaires pour cette même année, étant entendu que les mots qui suivent ont la signification suivante :
  1° " le plan pluriannuel ou sa modification " se lit " le budget ou la modification budgétaire " ;
  2° " le plan pluriannuel " se lit " le budget ".
  En 2019, les mots " dans les crédits limitatifs pour cet exercice du plan pluriannuel " se lisent " dans les crédits limitatifs du budget " pour l'application de l'article 265.
  A partir du 1er janvier 2019, l'article 249, § 3, s'appliquera par analogie aux modifications du plan pluriannuel, aux budgets ainsi qu'aux modifications budgétaires des communes et des centres publics d'action sociale.
Art. 597. § 1. De Vlaamse Regering kan, op voorwaarde dat zowel de gemeenteraad als de raad voor maatschappelijk welzijn dat vraagt, de volgende artikelen al op 1 januari 2019 in werking laten treden bij bepaalde gemeenten en openbare centra voor maatschappelijk welzijn:
  1° artikel 249;
  2° artikel 251;
  3° artikel 253;
  4° artikel 254;
  5° artikel 255;
  6° artikel 256;
  7° artikel 257;
  8° artikel 258;
  9° artikel 263;
  10° artikel 368, wat betreft de toepassing van artikel 249, 251, 253 tot en met 258 en 263.
  Artikel 596, tweede tot en met vierde lid, is niet van toepassing op de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, vermeld in het eerste lid.
  Die besturen stellen, in afwijking van artikel 254, tweede lid, van dit decreet, uiterlijk in het eerste kwartaal van 2019, een eenjarig meerjarenplan vast voor 2019. Dat meerjarenplan bestaat uit een strategische nota, een financiële nota en een toelichting, opgemaakt overeenkomstig artikel 255 van dit decreet.
  Bij die besturen treden de volgende artikelen van dit decreet dan in werking op 1 januari 2020:
  1° artikel 260, tweede lid;
  2° artikel 261;
  3° artikel 368, wat betreft de toepassing van artikel 260, tweede lid, en 261.
  Op die besturen zijn de volgende artikelen van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, met ingang van 1 januari 2019, niet langer van toepassing:
  1° artikel 146;
  2° artikel 147;
  3° artikel 148;
  4° artikel 149;
  5° artikel 150;
  6° artikel 151;
  7° artikel 154;
  8° artikel 155;
  9° artikel 164;
  10° artikel 174.
  Op die besturen is artikel 172 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 niet langer van toepassing met ingang van 1 januari 2020.
  Op die besturen zijn de volgende artikelen van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn met ingang van 1 januari 2019 niet langer van toepassing:
  1° artikel 145;
  2° artikel 146;
  3° artikel 147;
  4° artikel 148;
  5° artikel 149;
  6° artikel 150;
  7° artikel 151;
  8° artikel 152;
  9° artikel 153;
  10° artikel 156;
  11° artikel 157;
  12° artikel 166;
  13° artikel 175;
  14° artikel 178.
  Op die besturen is artikel 173 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn niet langer van toepassing, met ingang van 1 januari 2020.
  § 2. Als paragraaf 1 wordt toegepast op een gemeente waarin de gemeenteraad districten heeft opgericht, is paragraaf 1 van overeenkomstige toepassing op de inwerkingtreding van de bepalingen over de beleids- en beheerscyclus bij de districten van die gemeente.
Art. 597. § 1er. Le Gouvernement flamand peut, à condition que tant le conseil communal que le conseil de l'action sociale en formulent la demande, faire entrer en vigueur les articles suivants dès le 1er janvier 2019 dans certaines communes et centres publics d'action sociale :
  1° l'article 249 ;
  2° l'article 251 ;
  3° l'article 253 ;
  4° l'article 254 ;
  5° l'article 255 ;
  6° l'article 256 ;
  7° l'article 257 ;
  8° l'article 258 ;
  9° l'article 263 ;
  10° l'article 368, en ce qui concerne l'application des articles 249, 251, 253 à 258 et 263.
  L'article 596, deuxième à quatrième alinéas, ne s'applique pas aux communes et centres publics d'action sociale visés à l'alinéa premier.
  Par dérogation à l'article 254, deuxième alinéa, du présent décret, ces administrations établiront, au plus tard lors du premier trimestre 2019, un plan pluriannuel d'un an pour 2019. Le plan pluriannuel précité comprend une note stratégique, une note financière et des explications, établis conformément à l'article 255 du présent décret.
  Dans lesdites administrations, les articles suivants du présent décret entrent en vigueur le 1er janvier 2020 :
  1° l'article 260, deuxième alinéa ;
  2° l'article 261 ;
  3° l'article 368, en ce qui concerne l'application des articles 260, deuxième alinéa, et 261.
  Les articles suivants du Décret communal du 15 juillet 2005 ne s'appliqueront plus auxdites administrations à partir du 1er janvier 2019 :
  1° l'article 146 ;
  2° l'article 147 ;
  3° l'article 148 ;
  4° l'article 149 ;
  5° l'article 150 ;
  6° l'article 151 ;
  7° l'article 154 ;
  8° l'article 155 ;
  9° l'article 164 ;
  10° l'article 174.
  L'article 172 du Décret communal du 15 juillet 2005 ne s'appliquera plus auxdites administrations à partir du 1er janvier 2020.
  Les articles suivants du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale ne s'appliqueront plus auxdites administrations à partir du 1er janvier 2019 :
  1° l'article 145 ;
  2° l'article 146 ;
  3° l'article 147 ;
  4° l'article 148 ;
  5° l'article 149 ;
  6° l'article 150 ;
  7° l'article 151 ;
  8° l'article 152 ;
  9° l'article 153 ;
  10° l'article 156 ;
  11° l'article 157 ;
  12° l'article 166 ;
  13° l'article 175 ;
  14° l'article 178.
  L'article 173 du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale ne s'appliquera plus auxdites administrations à partir du 1er janvier 2020.
  § 2. Si le paragraphe 1er est appliqué à une commune dans laquelle le conseil communal a constitué des districts, il s'appliquera par analogie à l'entrée en vigueur des dispositions relatives au cycle de politique et de gestion dans les districts de cette commune.
HOOFDSTUK 5. - Overgangsbepaling over de werking van het lokaal bestuur
CHAPITRE 5. - Disposition transitoire concernant le fonctionnement de l'administration locale
Art. 598. De besluiten en de reglementen en verordeningen van de gemeente, het autonoom gemeentebedrijf, het district en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, genomen tot en met 31 december 2018 blijven onderworpen aan de toepassing van artikel 186 en 252, § 2, van het Gemeentedecreet, artikel 279 en 280 van het Gemeentedecreet, wat betreft de toepassing van artikel 186 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, artikel 295, § 2, van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, wat betreft de toepassing van artikel 252, § 2, van het voormelde decreet en artikel 187 en 254, tweede lid, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Art. 598. Les décisions, règlements et ordonnances de la commune, de la régie communal autonome, du district et du centre public d'action sociale pris jusqu'au 31 décembre 2018 resteront soumis à l'application des articles 186 et 252, § 2, du Décret communal, des articles 279 et 280 du Décret communal, en ce qui concerne l'application de l'article 186 du Décret communal du 15 juillet 2005, de l'article 295, § 2, du Décret communal du 15 juillet 2005, en ce qui concerne l'application de l'article 252, § 2, du décret précité et des articles 187 et 254, deuxième alinéa, du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale.
HOOFDSTUK 6. - Overgangsbepaling voor het bestuurlijk toezicht
CHAPITRE 6. - Disposition transitoire pour le contrôle administratif
Art. 599. De besluiten van de gemeenteoverheden, de eengemeentezones, de meergemeentezones en de hulpverleningszones vermeld in artikel 248 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, de besluiten van de districtsoverheden, vermeld in artikel 295, § 2, van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, wat betreft de toepassing van artikel 248 van het voormelde decreet, en de besluiten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vermeld in artikel 248 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, genomen tot en met 31 december 2018, blijven onderworpen aan de toepassing van de regels over het bestuurlijk toezicht die op dat ogenblik van kracht zijn.
Art. 599. Les décisions des autorités communales, des zones unicommunales, des zones pluricommunales et des zones de secours visées à l'article 248 du Décret communal du 15 juillet 2005, les décisions des autorités de district visées à l'article 295, § 2, du Décret communal du 15 juillet 2005, en ce qui concerne l'application de l'article 248 du décret précité, et les décisions du centre public d'action sociale, visées à l'article 248 du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale, prises jusqu'au 31 décembre 2018, resteront soumises à l'application des règles relatives au contrôle administratif alors en vigueur.
HOOFDSTUK 7. - Overgangsbepaling inzake de fusies
CHAPITRE 7. - Disposition transitoire en matière de fusions
Art. 600. § 1. Samenvoegingen van gemeenten met als samenvoegingsdatum 1 januari 2019 blijven onderworpen aan de toepassing van artikel 58 tot en met 60 van het decreet Vrijwillige Samenvoeging van Gemeenten van 24 juni 2016.
  § 2. Als twee of meerdere gemeenteraden principieel beslist hebben tot samenvoeging, overeenkomstig artikel 7 van het decreet Vrijwillige Samenvoeging van Gemeenten van 24 juni 2016 wijzen de gemeenteraden van de betrokken gemeenten in onderling overleg een van de algemeen directeurs aan die optreedt als algemeen directeur-coördinator van de samenvoegingsoperatie op ambtelijk niveau. Als de gemeenteraden voor 1 augustus 2018 geen algemeen directeur-coördinator hebben aangeduid, dan wordt de gemeentesecretaris-coördinator, vermeld in artikel 8, eerste lid, van het decreet Vrijwillige Samenvoeging van Gemeenten van 24 juni 2016, van rechtswege aangeduid als algemeen directeur-coördinator. Die algemeen directeur-coördinator oefent de opdrachten uit die met toepassing van artikel 8, eerste lid, en artikel 39, eerste lid, van het decreet Vrijwillige Samenvoeging van Gemeenten van 24 juni 2016 aan de gemeentesecretaris-coördinator en aan de secretaris-coördinator van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zijn toevertrouwd.
  Als twee of meerdere gemeenteraden principieel beslist hebben tot samenvoeging, overeenkomstig artikel 7 van het decreet Vrijwillige Samenvoeging van Gemeenten van 24 juni 2016, wijzen de gemeenteraden van de betrokken gemeenten in onderling overleg een van de financieel directeurs of gewestelijk ontvangers aan die optreedt als financieel directeur-coördinator van de samenvoegingsoperatie op ambtelijk niveau voor de coördinatie van de financiële aspecten van de samenvoeging. Als de gemeenteraden voor 1 augustus 2018 geen financieel directeur-coördinator hebben aangeduid, dan wordt de financieel beheerder-coördinator, vermeld in artikel 8, tweede lid, van het decreet Vrijwillige Samenvoeging van Gemeenten van 24 juni 2016, van rechtswege aangeduid als algemeen directeur-coördinator. Die financieel directeur-coördinator oefent de opdrachten uit die met toepassing van artikel 8, tweede lid, en artikel 39, tweede lid, van het decreet Vrijwillige Samenvoeging van Gemeenten van 24 juni 2016 aan de financieel beheerder-coördinator van de gemeente en aan de financieel beheerder-coördinator van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zijn toevertrouwd.
  § 3. Artikel 585 is niet van toepassing op de nieuwe gemeente die is opgericht met toepassing van het decreet Vrijwillige Samenvoeging van Gemeenten van 24 juni 2016.
  In geval van een samenvoeging van gemeenten met als ingangsdatum 1 januari 2019 waarbij een of meerdere van de samengevoegde gemeenten geen algemeen directeur hebben aangesteld, komen, bij de toepassing van artikel 358, ook de gemeentesecretaris en de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in aanmerking voor het ambt van algemeen directeur van de nieuwe gemeente en moeten ook zij, in voorkomend geval, worden opgeroepen.
  In geval van een samenvoeging van gemeenten met als ingangsdatum 1 januari 2019 waarbij een of meerdere van de samengevoegde gemeenten geen financieel directeur hebben aangesteld, komen, bij de toepassing van artikel 361, ook de financieel beheerder van de gemeente en de financieel beheerder van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in aanmerking voor het ambt van financieel directeur van de nieuwe gemeente en moeten ook zij, in voorkomend geval, worden opgeroepen.
Art. 600. § 1er. Les fusions de communes ayant comme date de fusion le 1er janvier 2019 resteront soumises à l'application des articles 58 à 60 du décret Fusion volontaire de communes du 24 juin 2016.
  § 2. Si deux ou plusieurs conseils communaux ont pris la décision de principe de fusionner, conformément à l'article 7 du décret Fusion volontaire de communes du 24 juin 2016, les conseils communaux des communes concernées désigneront de commun accord un des directeurs généraux qui agira comme directeur-coordinateur général de l'opération de fusion au niveau administratif. Si les conseils communaux n'ont pas désigné de directeur-coordinateur général pour le 1er août 2018, le secrétaire-coordinateur communal visé à l'article 8, alinéa premier, du décret Fusion volontaire de communes du 24 juin 2016, sera désigné de plein droit comme directeur-coordinateur général. Le directeur-coordinateur général exerce les missions qui sont dévolues au secrétaire-coordinateur communal et au secrétaire-coordinateur du centre public d'action sociale en application de l'article 8, alinéa premier, et de l'article 39, alinéa premier, du décret Fusion volontaire de communes du 24 juin 2016.
  Si deux ou plusieurs conseils communaux ont pris la décision de principe de fusionner, conformément à l'article 7 du décret Fusion volontaire de communes du 24 juin 2016, les conseils communaux des communes concernées désigneront de commun accord un des directeurs financiers ou receveurs régionaux qui agira comme directeur-coordinateur financier de l'opération de fusion au niveau administratif pour la coordination des aspects financier de la fusion. Si les conseils communaux n'ont pas désigné de directeur-coordinateur financier pour le 1er août 2018, le gestionnaire-coordinateur financier visé à l'article 8, deuxième alinéa, du décret Fusion volontaire de communes du 24 juin 2016, sera désigné de plein droit directeur-coordinateur général. Le directeur-coordinateur financier en question exerce les missions qui sont dévolues au gestionnaire-coordinateur financier de la commune et au gestionnaire-coordinateur financier du centre public d'action sociale en application de l'article 8, deuxième alinéa, et de l'article 39, deuxième alinéa, du décret Fusion volontaire de communes du 24 juin 2016.
  § 3. L'article 585 n'est pas d'application à la nouvelle commune constituée en application du décret Fusion volontaire de communes du 24 juin 2016.
  En cas de fusion de communes ayant comme date de prise d'effet le 1er janvier 2019 où une ou plusieurs des communes fusionnées n'ont pas désigné de directeur général, le secrétaire communal et le secrétaire du centre public d'action sociale entreront également en ligne de compte, en application de l'article 358, pour la fonction de directeur général de la nouvelle commune et devront également être convoqués le cas échéant.
  En cas de fusion de communes ayant comme date de prise d'effet le 1er janvier 2019 où une ou plusieurs des communes fusionnées n'ont pas désigné de directeur financier, le gestionnaire financier de la commune et le gestionnaire financier du centre public d'action sociale entreront également en ligne de compte, en application de l'article 361, pour la fonction de directeur financier de la nouvelle commune et devront également être convoqués le cas échéant.
HOOFDSTUK 8. - Overgangsbepalingen voor de intergemeentelijke samenwerking en OCMW-verenigingen
CHAPITRE 8. - Dispositions transitoires pour la coopération intercommunale et les associations de CPAS
Art. 601. De besluiten van de intergemeentelijke overheden, vermeld in artikel 71 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, en de verenigingen en vennootschappen, vermeld in titel VIII van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, genomen tot en met 31 december 2018 blijven onderworpen aan de toepassing van de regels over het bestuurlijk toezicht die op dat ogenblik van kracht waren.
Art. 601. Les décisions des autorités intercommunales, visées l'article 71 du décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale, ainsi que des associations et sociétés visées au titre VIII du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale, prises jusqu'au 31 décembre 2018, resteront soumises à l'application des règles relatives au contrôle administratif alors en vigueur.
Art. 602. Artikel 458, § 2, is slechts van toepassing op het personeel dat na de inwerkingtreding van dit decreet in dienst treedt.
Art. 602. L'article 458, § 2, s'applique uniquement au personnel entrant en service après l'entrée en vigueur du présent décret.
Art. 603. In afwijking van artikel 34 en 35 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking kunnen gemeenten voor 1 januari 2019 beslissen om uit te treden uit, toe te treden tot of hun deelneming te verlengen voor 18 jaar in:
  1° opdrachthoudende verenigingen die overeenkomstig artikel 4.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 zijn aangewezen als distributienetbeheerder, op voorwaarde dat voldaan is aan de voorwaarden van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
  2° opdrachthoudende verenigingen die, namens of in opdracht van een overeenkomstig artikel 4.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 aangewezen distributienetbeheerder, onder meer het realiseren van de opdrachten, vermeld in artikel 4.1.6. van het Energiedecreet van 8 mei 2009 als doelstelling hebben.
  In afwijking van artikel 423 kan de Vlaamse Regering op verzoek van de algemene vergadering van de opdrachthoudende verenigingen, die overeenkomstig artikel 4.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 werden aangewezen als distributienetbeheerder en die daartoe in de loop van het jaar 2018 op verzoek van drie vierden van het aantal gemeenten en met een meerderheid van drie vierden van de stemmen, op basis van een omstandig verslag dat de noodzaak van het verzoek aantoont, eenmalig en bij gemotiveerd besluit instemmen dat de einddatum van de statutaire duur verschoven wordt naar 1 april 2019.
  [1 3° een opdrachthoudende vereniging die een opdracht heeft verkregen die een onderdeel vormt van het beheer van de waterketen, vermeld in het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending.]1
  
Art. 603. Par dérogation aux articles 34 et 35 du décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale, les communes peuvent décider, pour le 1er janvier 2019, de sortir des associations suivantes, d'y adhérer ou de prolonger leur participation pour 18 ans :
  1° les associations chargées de mission qui, conformément à l'article 4.1.1 du Décret énergie du 8 mai 2009 ont été désignées comme gestionnaire de réseau de distribution, à condition que les conditions du Décret énergie du 8 mai 2009 soient satisfaites ;
  2° les associations chargées de mission qui ont pour objectif de réaliser notamment les missions visées à l'article 4.1.6. Du Décret énergie du 8 mai 2009, au nom ou pour le compte d'un gestionnaire de réseau de distribution désigné conformément à l'article 4.1.1 du Décret énergie du 8 mai 2009.
  Par dérogation à l'article 423, le Gouvernement flamand peut, à la demande de l'assemblée générale des associations chargées de mission qui ont, conformément à l'article 4.1.1 du Décret énergie du 8 mai 2009, été désignées gestionnaire de réseau de distribution et qui auront accepté à cet effet de manière unique et par décision motivée, dans le courant de l'année 2018, à la demande de trois quarts du nombre de communes et avec une majorité des trois quarts des voix, sur la base d'un rapport circonstanciée montrant la nécessité de la demande, de déplacer la date de fin de la durée statutaire au 1er avril 2019.
  [1 3° les associations chargées de mission ayant obtenu une mission de gestion de la chaîne de l'eau, telle que visée au décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine.]1
  
Art. 604. In afwijking van artikel 42 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking kunnen, om het distributienetbeheer te vereenvoudigen of als begeleidende maatregelen met het oog op vereenvoudiging van de structuur van het energiedistributienetbeheer in Vlaanderen, in de loop van het jaar 2018 statutenwijzigingen worden voorgelegd aan de deelnemers van:
  1° een opdrachthoudende vereniging die overeenkomstig artikel 4.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 is aangewezen als distributienetbeheerder;
  2° een opdrachthoudende vereniging die onder meer opdrachten, vermeld in artikel 4.1.6. van het Energiedecreet van 8 mei 2009 als doelstelling heeft.
  [1 3° opdrachthoudende verenigingen die een opdracht hebben verkregen die een onderdeel vormt van het beheer van de waterketen, vermeld in het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending.]1
  
Art. 604. Par dérogation à l'article 42 du décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale, des modifications statutaires peuvent être proposées aux participants suivants dans le courant de l'année 2018 afin de simplifier le gestionnaire de réseau de distribution ou en guise de mesures d'accompagnement en vue de simplifier la structure du gestionnaire de réseau de distribution en Flandre :
  1° une association chargée de mission qui a été désignée comme gestionnaire de réseau de distribution conformément à l'article 4.1.1 du Décret énergie du 8 mai 2009 ;
  2° une association chargée de mission qui a notamment pour objectif des missions visées à l'article 4.1.6 du Décret énergie du 8 mai 2009.
  [1 3° l'association chargée de mission ayant obtenu une mission de gestion de la chaîne de l'eau, telle que visée au décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine. ]1
  
Art. 605. In afwijking van artikel 42 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, kunnen statutenwijzigingen aan de deelnemers worden voorgelegd in de loop van het jaar 2018 om de samenstelling, wijze van voordracht en benoeming van de leden van de raad van bestuur, met inbegrip van de voordracht van onafhankelijke bestuurders als stemgerechtigde leden van de raad van bestuur te bepalen, alsook om te bepalen hoeveel leden van de raad van bestuur van hetzelfde geslacht kunnen zijn met een maximum van twee derden.
  [1 Artikel 434, § 1, en artikel 443, eerste lid, zijn van toepassing vanaf de eerste algehele vervanging van de raad van bestuur, vermeld in artikel 445, tweede lid.]1
  
Art. 605. Par dérogation à l'article 42 du décret du 6 juillet 2001 portant organisation de la coopération intercommunale, des modifications statutaires pourront être proposées aux participants dans le courant de l'année 2018 afin de déterminer la composition, les modalités de proposition et de nomination des membres du conseil d'administration, en ce compris la proposition d'administrateurs indépendants et de membres du conseil d'administration ayant voix délibérative, ainsi que de déterminer le nombre de membres du conseil d'administration pouvant être du même sexe, avec un maximum de deux tiers.
  [1 Les articles 434, § 1er, et 443, alinéa 1er s'appliquent à partir du premier remplacement complet du conseil d'administration, visé à l'article 443, alinéa 2. ]1
  
Art. 606. Verenigingen van gemeenten die niet zijn opgericht overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking en die deelnemen in intercommunales die onder de toepassing vallen van dit decreet overeenkomstig het samenwerkingsakkoord van 13 februari 2014 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de gewestgrensoverschrijdende intercommunales, treden uiterlijk op 1 juli 2019 uit die intercommunales. In afwijking van artikel 396 van dit decreet behouden ze tot die datum al hun rechten die aan hun deelneming verbonden zijn, en kunnen ze die rechten blijven uitoefenen en worden ze zoals de autonome gemeentebedrijven gelijkgesteld met gemeenten als vermeld in artikel 433 van dit decreet.
  De uittreders, vermeld in het eerste lid, zijn geen schadevergoeding verschuldigd en de toepassing van artikel 425, derde lid, van dit decreet kan hen niet worden verplicht.
Art. 606. Les associations de communes qui n'ont pas été constituées conformément aux dispositions du décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale et qui participent à des intercommunales qui relèvent de l'application du présent décret conformément à l'accord de coopération du 13 février 2014 entre la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif aux intercommunales interrégionales, sortiront au plus tard le 1er juillet 2019 desdites intercommunales. Par dérogation à l'article 396 du présent décret, elles conserveront jusqu'à la date précitée tous les droits liés à leur participation, elles pourront continuer d'exercer ces droits et elles seront assimilées, comme les régies communales autonomes, aux communes visées à l'article 433 du présent décret.
  Les sortants visés à l'alinéa premier ne seront pas redevables d'une indemnité de dédommagement et ne pourront être contraints à l'application de l'article 425, troisième alinéa, du présent décret.
Art. 607. Op het meerjarenplan 2020-2025 van de welzijnsvereniging zijn de volgende artikelen van overeenkomstige toepassing, met toepassing van artikel 489, ook al gebeurt de vaststelling al vóór 1 januari 2020:
  1° artikel 249;
  2° artikel 251;
  3° artikel 253;
  4° artikel 254;
  5° artikel 255.
Art. 607. Les articles suivants sont d'application au plan pluriannuel 2020-2025 de l'association d'aide sociale par analogie, en application de l'article 489, même si la détermination intervient avant le 1er janvier 2020 :
  1° l'article 249 ;
  2° l'article 251 ;
  3° l'article 253 ;
  4° l'article 254 ;
  5° l'article 255.
Art. 607/1. [1 Uiterlijk vanaf de vernieuwing van de raad van bestuur naar aanleiding van de gemeenteraadsverkiezingen van 2018, voldoet de samenstelling van de raad van bestuur van de welzijnsvereniging en de autonome verzorgingsinstelling waarvan alle leden openbare rechtspersonen zijn, aan de vereisten van artikel 474, § 3.]1
  
Art. 607/1. [1 Art. 607/1. Au plus tard dès le renouvellement du conseil d'administration suite aux élections communales de 2018, la composition du conseil d'administration de l'association d'aide sociale et de l'établissement de soins autonome dont tous les membres sont des personnes morales publiques, doit répondre aux exigences de l'article 474, § 3.]1
  
Art. 608. De Vlaamse Regering kan, op voorwaarde dat de raden voor maatschappelijk welzijn die de welzijnsvereniging hebben opgericht dat vragen, de volgende artikelen al op 1 januari 2019 in werking laten treden bij bepaalde welzijnsverenigingen:
  1° artikel 489, wat betreft de toepassing van artikel 249, 251, 253, 254, 255, 257, 258 en 263;
  2° artikel 490, § 1.
  Die welzijnsverenigingen stellen dan, in afwijking van artikel 254, tweede lid, in het eerste kwartaal van 2019, een eenjarig meerjarenplan vast voor 2019. Dat meerjarenplan bestaat uit een strategische nota, een financiële nota en een toelichting, opgemaakt overeenkomstig artikel 255 van dit decreet.
  Bij die welzijnsverenigingen treedt artikel 490, wat betreft de toepassing van artikel 260, tweede lid, en artikel 261, in werking op 1 januari 2020.
  Op die welzijnsverenigingen is artikel 228, § 1, eerste lid, eerste zin, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, behalve voor de jaarrekening, niet langer van toepassing met ingang van 1 januari 2019.
  Op die welzijnsverenigingen is artikel 228, § 1, eerste lid, eerste zin, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor de jaarrekening, niet langer van toepassing met ingang van 1 januari 2020.
Art. 608. Le Gouvernement flamand peut, à condition que les conseils de l'action sociale qui ont constitué l'association d'aide sociale en formulent la demande, faire entrer en vigueur les articles suivants dès le 1er janvier 2019 pour certaines associations d'aide sociale :
  1° l'article 489, en ce qui concerne l'application des articles 249, 251, 253, 254, 255, 257, 258 et 263 ;
  2° l'article 490, § 1er.
  Par dérogation à l'article 254, deuxième alinéa, les associations d'aide sociale en question établiront, au plus tard lors du premier trimestre 2019, un plan pluriannuel d'un an pour 2019. Le plan pluriannuel précité comprend une note stratégique, une note financière et des explications, établis conformément à l'article 255 du présent décret.
  En ce qui concerne ces associations d'aide sociale, l'article 490 entrera en vigueur le 1er janvier 2020 en ce qui concerne l'application des articles 260, deuxième alinéa, et de l'article 261.
  L'article 228, § 1er, alinéa premier, première phrase, du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale, ne s'appliquera plus auxdites associations d'aide sociale à partir du 1er janvier 2019, excepté pour les comptes annuels.
  L'article 228, § 1er, alinéa premier, première phrase, du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'action sociale, ne s'appliquera plus auxdites associations d'aide sociale à partir du 1er janvier 2020 pour les comptes annuels.
Art. 608/1. [1 § 1. Verenigingen als vermeld in titel VIII, hoofdstuk I en II, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die een ziekenhuis uitbaten, zijn, om in het kader van of ter ondersteuning van hun wettelijke opdrachten en met instemming van hun leden, gerechtigd lid te worden van een vereniging of vennootschap als vermeld in titel VIII van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, of om lid te worden van andere rechtspersonen dan die met een winstoogmerk. Met behoud van andersluidende decretale of wettelijke bepalingen kan dat gepaard gaan met de overdracht of terbeschikkingstelling van infrastructuur en personeel.
   § 2. Personeelsleden van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en personeelsleden van een vereniging als vermeld in titel VIII, hoofdstuk I, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die deelgenoot zijn van een vereniging als vermeld in titel VIII, hoofdstuk I, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, kunnen door die vereniging overgenomen worden.
   Ongeacht de regels die van toepassing zijn bij bevorderingen, worden de personeelsleden, vermeld in het eerste lid, met hun graad of met een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid overgeplaatst. Ze behouden de bezoldiging en de geldelijke anciënniteit die ze hadden of die ze verkregen zouden hebben op grond van de rechtspositieregeling die van toepassing is op het ogenblik van de overname als ze in hun dienst van herkomst het ambt dat ze bij hun overplaatsing bekleedden, verder hadden uitgeoefend.
   Op verzoek van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een vereniging als vermeld in titel VIII, hoofdstuk I, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of op verzoek van het betrokken personeelslid doet de bevoegde provinciegouverneur uitspraak over elke betwisting die betrekking heeft op de toepassing van deze paragraaf.
   § 3. De personeelsleden van een vereniging als vermeld in titel VIII, hoofdstuk I, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kunnen overgenomen worden door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat deelgenoot is van die vereniging.
   Bij de overname van personeelsleden die in dienst zijn van een deelgenoot van de privésector, kan bedongen worden dat die personeelsleden hun bezoldiging, anciënniteit, sociale zekerheid en verworven rechten onveranderd behouden.
   § 4. Als dat nader bepaald is in de rechtspositieregeling van het personeel van een vereniging als vermeld in titel VIII, hoofdstuk I, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, kunnen personeelsleden in statutair dienstverband ter beschikking gesteld worden van een vereniging als vermeld in titel VIII, hoofdstuk I, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
   De terbeschikkingstelling is tijdelijk en wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen een vereniging als vermeld in titel VIII, hoofdstuk I, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de rechtspersoon waaraan het personeel ter beschikking wordt gesteld.
   De aanstellende overheid beslist, in overeenstemming met de rechtspositieregeling, over de individuele terbeschikkingstelling van het personeelslid en sluit een overeenkomst van terbeschikkingstelling. ]1

  
Art. 608/1. [1 § 1er. Les associations visées au titre VIII, chapitres Ier et II du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale, qui exploitent un hôpital, ont le droit de s'affilier, dans le cadre de ou en appui à leurs missions légales et avec l'assentiment de leurs membres, à une association ou à une société telles que visées au titre VIII du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale, ou à des personnes morales autres que celles à but lucratif. Sans préjudice des dispositions décrétales ou légales contraires ceci peut impliquer le transfert ou la mise à disposition d'infrastructure ou de personnel.
   § 2. Les membres du personnel des centres publics d'aide sociale et des associations visées au titre VIII, chapitre Ier du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale, qui sont associés dans une association telle que visée au titre VIII, chapitre Ier du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale peuvent être repris par cette association.
   Indépendamment des règles applicables en cas de promotion les membres du personnel visés à l'alinéa 1er sont transférés avec leur grade ou un grade équivalent et en leur qualité. Ils conservent la rémunération et l'ancienneté pécuniaire qu'ils avaient ou auraient obtenu sur la base du statut juridique applicable au moment de la reprise s'ils avaient continué à exercer dans leur service d'origine la fonction qu'ils occupaient au moment de leur mutation.
   A la demande du centre public daction sociale d'une association telle que visée au titre VIII, chapitre Ier du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale ou à la demande du membre du personnel concerné, le gouverneur de province compétent se prononce sur toute contestation liée à l'application du présent paragraphe.
   § 3. Les membres du personnel des associations visées au titre III, chapitre Ier du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale peuvent être repris par un centre public daction sociale qui est associé dans cette association.
   En cas de reprise de membres du personnel en service d'un associé du secteur privé, il peut être convenu que ces personnels conservent intégralement leurs rémunération, ancienneté, sécurité sociale et droits acquis.
   § 4. Si cela est prévu au statut du personnel de l'association telle que visée au titre VIII, chapitre Ier du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale, les personnels peuvent être mis à disposition en régime statutaire d'une association telle que visée au titre VIII, chapitre Ier du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale.
   La mise à disposition est temporaire et fait l'objet d'une convention entre l'association telle que visée au titre VIII, chapitre Ier du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale et la personne morale à disposition de laquelle le personnel est mis.
   L'autorité de désignation décide, en conformité au statut, de la mise à disposition individuelle du membre du personnel et conclut la convention de mise à disposition.]1

  
TITEL 3. - Inwerkingtreding
TITRE 3. - Entrée en vigueur
Art. 609. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2019, met uitzondering van de bepalingen waarvan de datum van inwerkingtreding in het tweede tot en met het [1 negende]1 lid bepaald wordt.
Art. 609. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2019, à l'exception des dispositions dont la date d'entrée en vigueur est déterminée aux alinéas deux à [1 neuf ]1 inclus.
  De volgende artikelen van dit decreet treden in werking op de tiende dag na de datum van bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad:
  1° artikel 1;
  2° artikel 2;
  3° artikel 3;
  4° artikel 434, § 2 en § 3;
  5° artikel 576, 2° ;
  6° artikel 577, 1° ;
  7° artikel 578, 1° ;
  8° artikel 581 tot en met artikel 590;
  9° artikel 600, § 2 en § 3;
  10° artikel 604;
  11° artikel 605;
  12° artikel 609.
  Les articles suivants du présent décret entrent en vigueur le dixième jour qui suit la date de publication du présent décret au Moniteur belge :
  1° l'article 1er ;
  2° l'article 2 ;
  3° l'article 3 ;
  4° l'article 434, §§ 2 et 3 ;
  5° l'article 576, 2° ;
  6° l'article 577, 1° ;
  7° l'article 578, 1° ;
  8° les articles 581 à 590 ;
  9° l'article 600, §§ 2 et 3 ;
  10° l'article 604 ;
  11° l'article 605 ;
  12° l'article 609.
  De volgende artikelen van dit decreet treden met het oog op de algehele vernieuwing van de bestuursorganen in januari 2019 na de verkiezing, georganiseerd op 14 oktober 2018, in werking op 1 januari 2018:
  1° artikel 4, § 1 en § 3, wat betreft het opstellen van een lijst van het aantal te verkiezen gemeenteraadsleden per gemeente;
  2° artikel 42, § 1, eerste lid, en § 2, wat betreft het opstellen van een lijst van het maximale aantal per gemeente te verkiezen schepenen;
  3° artikel 87, § 1, eerste en derde lid, wat betreft het opstellen van een lijst van het aantal per gemeente te verkiezen leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
  4° artikel 118, wat betreft het opstellen van een lijst van het aantal te verkiezen districtsraadsleden per district;
  5° artikel 121, § 1;
  6° artikel 516, wat betreft de toepassing van artikel 4, § 1 en § 3, inzake het opstellen van een lijst van het aantal te verkiezen gemeenteraadsleden per gemeente;
  7° artikel 519, wat betreft de toepassing van artikel 42, § 2, inzake het opstellen van een lijst van het maximale aantal per gemeente te verkiezen schepenen, behalve wat betreft het opstellen van een lijst van het maximale aantal te verkiezen schepenen van de nieuwe gemeente in toepassing van artikel 355, § 1 en § 2;
  8° artikel 520, wat betreft de toepassing van artikel 42, § 1, eerste lid, inzake het opstellen van een lijst van het maximale aantal per gemeente te verkiezen schepenen;
  9° artikel 528, wat betreft het opstellen van een lijst van het aantal te verkiezen raadsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn per gemeente;
  10° artikel 544, eerste lid, wat betreft de toepassing van artikel 87, § 1, eerste en derde lid, inzake het opstellen van een lijst van het aantal per gemeente te verkiezen leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
  11° artikel 577, 2° en 4°, wat betreft het opstellen van een lijst van het aantal te verkiezen gemeenteraadsleden per gemeente;
  12° artikel 577, 17° en 19°, wat betreft het opstellen van een lijst van het maximale aantal per gemeente te verkiezen schepenen;
  13° artikel 577, 56°, wat betreft het opstellen van een lijst van het aantal te verkiezen districtsraadsleden per district;
  14° artikel 577, 63° ;
  15° artikel 578, 2° en 4°, wat betreft het opstellen van een lijst van het aantal te verkiezen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend;
  16° artikel 579, 8°, wat betreft het opstellen van een lijst van het maximale aantal per gemeente te verkiezen schepenen;
  17° artikel 352, tweede lid.
  Les articles suivants du présent décret entreront en vigueur le 1er janvier 2018, en vue du renouvellement complet des organes de direction en janvier 2019 après l'élection organisée le 14 octobre 2018 :
  1° l'article 4, §§ 1 et 3, en ce qui concerne l'établissement d'une liste du nombre de conseillers communaux à élire par commune ;
  2° l'article 42, § 1er, alinéa premier, et § 2, en ce qui concerne l'établissement d'une liste du nombre maximum d'échevins à élire par commune ;
  3° l'article 87, § 1er, premier et troisième alinéas, en ce qui concerne l'établissement d'une liste du nombre de membres du comité spécial du service social à élire par commune ;
  4° l'article 118, en ce qui concerne l'établissement d'une liste du nombre de conseillers de district à élire par district ;
  5° l'article 121, § 1er ;
  6° l'article 516, en ce qui concerne l'application de l'article 4, §§ 1er et 3, en matière d'établissement d'une liste du nombre de conseillers communaux à élire par commune ;
  7° l'article 519, en ce qui concerne l'application de l'article 42, § 2, en matière d'établissement d'une liste du nombre maximum d'échevins à élire par commune, excepté en ce qui concerne l'établissement d'une liste du nombre maximum d'échevins de la nouvelle commune à élire en application de l'article 355, §§ 1er et 2 ;
  8° l'article 520, en ce qui concerne l'application de l'article 42, § 1er, alinéa premier, en matière d'établissement d'une liste du nombre maximum d'échevins à élire par commune ;
  9° l'article 528, en ce qui concerne l'établissement d'une liste du nombre de conseillers du centre public d'action sociale à élire par district ;
  10° l'article 544, alinéa premier, en ce qui concerne l'application de l'article 87, § 1er, premier et troisième alinéas, en matière d'établissement d'une liste du nombre de membres du comité spécial du service social à élire par commune ;
  11° l'article 577, 2° et 4°, en ce qui concerne l'établissement d'une liste du nombre de conseillers communaux à élire par commune ;
  12° l'article 577, 17° et 19°, en ce qui concerne l'établissement d'une liste du nombre maximum d'échevins à élire par commune ;
  13° l'article 577, 56°, en ce qui concerne l'établissement d'une liste du nombre de conseillers de district à élire par district ;
  14° l'article 577, 63° ;
  15° l'article 578, 2° et 4°, en ce qui concerne l'établissement d'une liste du nombre de membres à élire du conseil de l'action sociale de la commune qui est desservie par le centre public d'action sociale ;
  16° l'article 579, 8°, en ce qui concerne l'établissement d'une liste du nombre maximum d'échevins à élire par commune ;
  17° l'article 352, deuxième alinéa.
  De volgende artikelen van dit decreet treden met het oog op de algehele vernieuwing van de bestuursorganen in januari 2019 na de verkiezing, georganiseerd op 14 oktober 2018, in werking op 15 september 2018:
  1° artikel 36, wat betreft de vorming van de fracties;
  2° artikel 126, wat betreft de toepassing van artikel 36 inzake de vorming van de fracties;
  3° artikel 353, § 5, wat betreft de toepassing van artikel 36 inzake de vorming van de fracties;
  4° artikel 517, wat betreft de toepassing van artikel 36 inzake de vorming van de fracties;
  5° artikel 558, wat betreft de toepassing van artikel 353, § 5, inzake de toepassing van artikel 36 inzake de vorming van de fracties;
  6° artikel 577, 15°, wat betreft de vorming van de fracties;
  7° artikel 577, 66°, wat betreft de toepassing van artikel 36 inzake de vorming van fracties;
  8° artikel 579, 6°, wat betreft de toepassing van artikel 36 inzake de vorming van fracties.
  Les articles suivants du présent décret entreront en vigueur le 1er janvier 2018, en vue du renouvellement complet des organes de direction en janvier 2019 après l'élection organisée le 15 septembre 2018 :
  1° l'article 36, en ce qui concerne la formation des fractions ;
  2° l'article 126, en ce qui concerne l'application de l'article 36, en matière de formation des fractions ;
  3° l'article 353, § 5, en ce qui concerne l'application de l'article 36, en matière de formation des fractions ;
  4° l'article 517, en ce qui concerne l'application de l'article 36, en matière de formation des fractions ;
  5° l'article 558, en ce qui concerne l'application de l'article 353, § 5, en matière de formation des fractions ;
  6° l'article 577, 15°, en ce qui concerne la formation des fractions ;
  7° l'article 577, 66°, en ce qui concerne l'application de l'article 36, en matière de formation des fractions ;
  8° l'article 579, 6°, en ce qui concerne l'application de l'article 36, en matière de formation des fractions ;
  De volgende artikelen van dit decreet treden met het oog op de algehele vernieuwing van de bestuursorganen in januari 2019 na de verkiezing, georganiseerd op 14 oktober 2018, in werking op 14 oktober 2018:
  1° artikel 6, § 1, wat betreft het op de hoogte brengen van de installatievergadering;
  2° artikel 7, § 1 en § 2, wat betreft de indiening van een akte van voordracht met het oog op de verkiezing van de voorzitter van de gemeenteraad;
  3° artikel 8, wat betreft de mogelijkheid om voor de installatie afstand te doen;
  4° artikel 43, § 1, wat betreft de indiening van een akte van voordracht met het oog op de verkiezing van de schepenen;
  5° artikel 58, § 1 tot en met § 3, eerste lid, wat betreft de benoeming van de burgemeester;
  6° artikel 59, tweede lid, wat betreft de benoeming van de burgemeester;
  7° artikel 71, wat betreft de toepassing van artikel 8;
  8° artikel 88, wat betreft het oproepen voor de vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn aansluitend op de installatievergadering van de gemeenteraad;
  9° artikel 90, § 1, wat betreft de indiening van een akte van voordracht met het oog op de verkiezing van een voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
  10° artikel 91, wat betreft de verdeling van de zetels in het bijzonder comité voor de sociale dienst aan de verschillende lijsten;
  11° artikel 92, wat betreft de voordracht van de leden en de kandidaat-leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
  12° artikel 98, wat betreft de mogelijkheid om voor de installatie afstand te doen;
  13° artikel 119, wat betreft de toepassing van artikel 6, § 1, inzake het op de hoogte brengen van de installatievergadering en artikel 8 inzake de mogelijkheid om voor de installatie afstand te doen;
  14° artikel 120, wat betreft de toepassing van artikel 7, § 1 en § 2, inzake de indiening van een akte van voordracht;
  15° artikel 122, wat betreft de toepassing van artikel 43, § 1, inzake de indiening van een akte van voordracht;
  16° artikel 147, wat betreft de betwisting van geschillen die rijzen in het kader van de algehele vernieuwing van de bestuursorganen;
  17° artikel 353, § 1, wat betreft het op de hoogte brengen van de installatievergadering;
  18° artikel 353, § 3, wat betreft de indiening van een akte van voordracht met het oog op de verkiezing van de voorzitter van de gemeenteraad, van de schepenen, van een voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst en wat betreft de voordracht van de leden en de kandidaat-leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
  19° artikel 516, wat betreft de toepassing van artikel 6, § 1, inzake het op de hoogte brengen van de installatievergadering, van artikel 7, § 1 en § 2, inzake de indiening van een akte van voordracht met het oog op de verkiezing van de voorzitter van de gemeenteraad en van artikel 8 inzake de mogelijkheid om voor de installatie afstand te doen;
  20° artikel 520, wat betreft de toepassing van artikel 43, § 1, inzake de indiening van een akte van voordracht met het oog op de verkiezing van de schepenen;
  21° artikel 524, wat betreft de toepassing van artikel 58, § 1 tot en met § 3, eerste lid, inzake de benoeming van de burgemeester, en artikel 59, tweede lid, inzake de benoeming van de burgemeester;
  22° artikel 530;
  23° artikel 531, § 1, wat betreft het op de hoogte brengen van de installatievergadering;
  24° artikel 532, wat betreft de indiening van een akte van voordracht met het oog op de verkiezing van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn;
  25° artikel 534, wat betreft de toepassing van artikel 8 inzake de mogelijkheid om voor de installatie afstand te doen;
  26° artikel 541, § 2, eerste lid, wat betreft de verkiezing van het vast bureau;
  27° artikel 544, eerste lid, wat betreft de toepassing van artikel 88 inzake het op de hoogte brengen van installatievergadering van de gemeenteraad, artikel 90, § 1, inzake de indiening van een akte van voordracht met het oog op de verkiezing van een voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst, artikel 91 inzake de verdeling van de zetels in het bijzonder comité voor de sociale dienst aan de verschillende lijsten, artikel 92 inzake de voordracht van de leden en de kandidaat-leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst en artikel 98 inzake de mogelijkheid om voor de installatie afstand te doen;
  28° artikel 545, wat betreft de toepassing van artikel 147 inzake de betwisting van geschillen die rijzen in het kader van de algehele vernieuwing van de bestuursorganen;
  29° artikel 558, wat betreft de toepassing van artikel 353, § 1, inzake het op de hoogte brengen van de installatievergadering;
  30° artikel 558, wat betreft de toepassing van artikel 353, § 3, inzake de indiening van een akte van voordracht met het oog op de verkiezing van de voorzitter van de gemeenteraad, van de schepenen en van een voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst en wat betreft de voordracht van de leden en de kandidaat-leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst;
  31° artikel 577, 6°, wat betreft het op de hoogte brengen van de installatievergadering;
  32° artikel 577, 8° en 9°, wat betreft de indiening van een akte van voordracht met het oog op de verkiezing van de voorzitter van de gemeenteraad;
  33° artikel 577, 11°, wat betreft de mogelijkheid om voor de installatie afstand te doen;
  34° artikel 577, 13°, wat betreft de betwisting van geschillen die rijzen in het kader van de algehele vernieuwing van de bestuursorganen;
  35° artikel 577, 21°, wat betreft de indiening van een akte van voordracht met het oog op de verkiezing van de schepenen;
  36° artikel 577, 24° tot en met 26°, wat betreft de benoeming van de burgemeester;
  37° artikel 577, 29°, wat betreft de benoeming van de burgemeester;
  38° artikel 577, 57°, wat betreft de toepassing van artikel 6, § 1, en artikel 8 inzake het op de hoogte brengen van de installatievergadering en inzake de mogelijkheid om voor de installatie afstand te doen;
  39° artikel 577, 60°, wat betreft de toepassing van artikel 7, § 1 en § 2, en artikel 43, § 1, inzake de indiening van een akte van voordracht;
  40° artikel 578, 6°, wat betreft de indiening van de voordrachtsakte van de kandidaat-werkende leden en de kandidaat-opvolgers van de raad voor maatschappelijk welzijn;
  41° artikel 578, 9°, wat betreft het bijeenroepen van de installatievergadering;
  42° artikel 578, 12°, wat betreft de mogelijkheid om voor de installatie afstand te doen;
  43° artikel 578, 14°, wat betreft de betwisting van geschillen die rijzen in het kader van de algehele vernieuwing van de bestuursorganen;
  44° artikel 579, 2°, wat betreft het op de hoogte brengen van de installatievergadering;
  45° artikel 579, 4°, wat betreft de indiening van een akte van voordracht met het oog op de verkiezing van de voorzitter van de gemeenteraad, van de schepenen, van een voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst en wat betreft de voordracht van de leden en de kandidaat-leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst.
  Les articles suivants du présent décret entreront en vigueur le 1er janvier 2018, en vue du renouvellement complet des organes de direction en janvier 2019 après l'élection organisée le 14 octobre 2018 :
  1° l'article 6, § 1er, en ce qui concerne l'information relative à la réunion d'installation ;
  2° l'article 7, §§ 1er et 2, en ce qui concerne le dépôt d'un acte de proposition en vue de l'élection du président du conseil communal ;
  3° l'article 8, en ce qui concerne la possibilité de renoncer à l'installation ;
  4° l'article 43, § 1er, en ce qui concerne le dépôt d'un acte de proposition en vue de l'élection des échevins ;
  5° l'article 58, §§ 1 à 3, alinéa premier, en ce qui concerne la nomination du bourgmestre ;
  6° l'article 59, deuxième alinéa, en ce qui concerne la nomination du bourgmestre ;
  7° l'article 71, en ce qui concerne l'application de l'article 8 ;
  8° l'article 88, en ce qui concerne la convocation à la réunion du conseil de l'action sociale à la suite de la réunion d'installation du conseil communal ;
  9° l'article 90, § 1er, en ce qui concerne le dépôt d'un acte de proposition en vue de l'élection d'un président du comité spécial du service social ;
  10° l'article 91, en ce qui concerne la répartition des sièges entre les différentes listes au sein du comité spécial du service social ;
  11° l'article 92, en ce qui concerne la proposition des membres et des candidats membres du comité spécial du service social ;
  12° l'article 98, en ce qui concerne la possibilité de renoncer à l'installation ;
  13° l'article 119, en ce qui concerne l'application de l'article 6, § 1er, en matière d'information relative à la réunion d'installation et de l'article 8 en matière de possibilité de renoncer à l'installation ;
  14° l'article 120, en ce qui concerne l'application de l'article 7, §§ 1er et 2, en matière de dépôt d'un acte de proposition ;
  15° l'article 122, en ce qui concerne l'application de l'article 43, § 1er, en matière de dépôt d'un acte de proposition ;
  16° l'article 147, en ce qui concerne la contestation de litiges qui voient le jour dans le cadre du renouvellement complet des organes de direction ;
  17° l'article 353, § 1er, en ce qui concerne l'information relative à la réunion d'installation ;
  18° l'article 353, § 3, en ce qui concerne le dépôt d'un acte de proposition en vue de l'élection d'un président du conseil communal, des échevins, d'un président du comité spécial du service social et en ce qui concerne la proposition des membres et des candidats membres du comité spécial du service social ;
  19° l'article 516, en ce qui concerne l'application de l'article 6, § 1er, en matière d'information relative à la réunion d'installation, de l'article 7, §§ 1er et 2, en matière d'acte de proposition en vue de l'élection du président du conseil communal et de l'article 8 en matière de possibilité de renoncer à l'installation ;
  20° l'article 520, en ce qui concerne l'application de l'article 43, § 1er, en matière de dépôt d'un acte de proposition en vue de l'élection des échevins ;
  21° l'article 524, en ce qui concerne l'application de l'article 58, §§ 1 erà 3, alinéa premier, en matière de nomination du bourgmestre, et l'article 59, deuxième alinéa, en matière de nomination du bourgmestre ;
  22° l'article 530 ;
  23° l'article 531, § 1er, en ce qui concerne l'information relative à la réunion d'installation ;
  24° l'article 532, en ce qui concerne le dépôt d'un acte de proposition en vue de l'élection du président du comité spécial du service social ;
  25° l'article 534, en ce qui concerne l'application de l'article 8 en matière de possibilité de renoncer à l'installation ;
  26° l'article 541, § 2, alinéa premier, en ce qui concerne l'élection du bureau permanent ;
  27° l'article 544, alinéa premier, en ce qui concerne l'application de l'article 88 en matière d'information relative à la réunion d'installation du conseil communal, l'article 90, § 1er, en matière de dépôt d'un acte de proposition en vue de l'élection d'un président du comité spécial du service social, l'article 91 en matière de répartition des sièges entre les différentes listes au sein du comité spécial du service social, l'article 92 en matière de proposition des membres et candidats membres du comité spécial du service social et l'article 98 en matière de possibilité de renoncer à l'installation ;
  28° l'article 545, en ce qui concerne l'application de l'article 147 en matière de contestation de litiges qui voient le jour dans le cadre du renouvellement complet des organes de direction ;
  29° l'article 558, en ce qui concerne l'application de l'article 353, § 1er, en matière d'information relative à la réunion d'installation ;
  30° l'article 558, en ce qui concerne l'application de l'article 353, § 3, en matière de dépôt d'un acte de proposition en vue de l'élection d'un président du conseil communal, des échevins et d'un président du comité spécial du service social et en ce qui concerne la proposition des membres et des candidats membres du comité spécial du service social ;
  31° l'article 577, 6°, en ce qui concerne l'information relative à la réunion d'installation ;
  32° l'article 577, 8° et 9°, en ce qui concerne le dépôt d'un acte de proposition en vue de l'élection du président du conseil communal ;
  33° l'article 577, 11°, en ce qui concerne la possibilité de renoncer à l'installation ;
  34° l'article 577, 13°, en ce qui concerne la contestation de litiges qui voient le jour dans le cadre du renouvellement complet des organes de direction ;
  35° l'article 577, 21°, en ce qui concerne le dépôt d'un acte de proposition en vue de l'élection des échevins ;
  36° l'article 577, 24° à 26°, en ce qui concerne la nomination du bourgmestre ;
  37° l'article 577, 29°, en ce qui concerne la nomination du bourgmestre ;
  38° l'article 577, 57°, en ce qui concerne l'application de l'article 6, § 1er, et de l'article 8 en matière d'information relative à la réunion d'installation et en matière de possibilité de renoncer à l'installation ;
  39° l'article 577, 60°, en ce qui concerne l'application de l'article 7, §§ 1er et 2, et de l'article 43, § 1er, en matière de dépôt d'un acte de proposition ;
  40° l'article 578, 6°, en ce qui concerne le dépôt d'un acte de proposition des candidats membres effectifs et des candidats suppléants du comité spécial du service social ;
  41° l'article 578, 9°, en ce qui concerne la convocation de la réunion d'installation ;
  42° l'article 578, 12°, en ce qui concerne la possibilité de renoncer à l'installation ;
  43° l'article 578, 14°, en ce qui concerne la contestation de litiges qui voient le jour dans le cadre du renouvellement complet des organes de direction ;
  44° l'article 579, 2°, en ce qui concerne l'information relative à la réunion d'installation ;
  45° l'article 579, 4°, en ce qui concerne le dépôt d'un acte de proposition en vue de l'élection d'un président du conseil communal, des échevins, d'un président du comité spécial du service social et en ce qui concerne la proposition des membres et des candidats membres du comité spécial de service social ;
  De volgende artikelen van dit decreet treden in werking op 1 januari 2020 :
  1° artikel 143, wat betreft de toepassing van artikel 249, 251, 253, 254, 255, 257, 258 en 263;
  2° artikel 241, wat betreft de toepassing van artikel 249, 251, 253, 254, 255, 257, 258 en 263;
  3° artikel 242;
  4° artikel 249;
  5° artikel 251;
  6° artikel 253 tot en met artikel 258;
  7° artikel 263;
  8° artikel 368, wat betreft de toepassing van artikel 249, 251, 253 tot en met 258 en 263;
  9° artikel 381, wat betreft de toepassing van artikel 368 inzake de toepassing van artikel 249, 251, 253 tot en met 258 en 263;
  10° artikel 489, wat betreft de toepassing van artikel 249, 251, 253, 254, 255, 257, 258 en 263;
  11° artikel 490, § 1;
  12° artikel 551, wat betreft de toepassing van artikel 241, eerste lid, inzake de toepassing van artikel 249, 251, 253, 254, 255, 257, 258 en 263;
  13° artikel 551, wat betreft de toepassing van artikel 242;
  14° artikel 552, wat betreft de toepassing van artikel 249, 251, 253 tot en met 258 en artikel 263;
  15° artikel 558, wat betreft de toepassing van artikel 368 inzake de toepassing van artikel 249, 251, 253 tot en met 258 en 263;
  16° artikel 562, wat betreft de toepassing van artikel 489 inzake de toepassing van artikel 249, 251, 253, 254, 255, 257, 258 en 263 en wat betreft de toepassing van artikel 490, § 1;
  17° artikel 577, 32° tot en met 38° ;
  18° artikel 577, 41° ;
  19° artikel 577, 43° ;
  20° artikel 577, 49° ;
  21° artikel 577, 51°, 52° en 69°, wat betreft de meerjarenplanning;
  22° artikel 578, 16° tot en met 18° ;
  23° artikel 578, 20° ;
  24° artikel 578, 22° ;
  25°[2 artikel 578, 24° en 25°]2 ;
  26° artikel 578, 27° ;
  27° artikel 578, 29° ;
  28° artikel 578, 35° ;
  29° artikel 578, 38° ;
  30° artikel 579, 10°, wat betreft de meerjarenplanning.
  Les articles suivants du présent décret entrent en vigueur le 1er janvier 2020 :
  1° l'article 143, en ce qui concerne l'application des articles 249, 251, 253, 254, 255, 257, 258 et 263 ;
  2° l'article 241, en ce qui concerne l'application des articles 249, 251, 253, 254, 255, 257, 258 et 263 ;
  3° l'article 242 ;
  4° l'article 249 ;
  5° l'article 251 ;
  6° les articles 253 à 258 ;
  7° l'article 263 ;
  8° l'article 368, en ce qui concerne l'application des articles 249, 251, 253 à 258 et 263 ;
  9° l'article 381, en ce qui concerne l'application de l'article 368 en matière d'application des articles 249, 251, 253 à 258 et 263 ;
  10° l'article 489, en ce qui concerne l'application des articles 249, 251, 253, 254, 255, 257, 258 et 263 ;
  11° article 490, § 1 ;
  12° l'article 551, en ce qui concerne l'application de l'article 241, alinéa premier, en matière d'application des articles 249, 251, 253, 254, 255, 257, 258 et 263 ;
  13° l'article 551, en ce qui concerne l'application de l'article 242 ;
  14° l'article 552, en ce qui concerne l'application des articles 249, 251, 253 à 258 et l'article 263 ;
  15° l'article 558, en ce qui concerne l'application de l'article 368 en matière d'application des articles 249, 251, 253 à 258 et 263 ;
  16° l'article 562, en ce qui concerne l'application de l'article 489 en matière d'application des articles 249, 251, 253, 254, 255, 257, 258 et 263 et en ce qui concerne l'application de l'article 490, § 1er ;
  17° l'article 577, 32° à 38° ;
  18° l'article 577, 41° ;
  19° l'article 577, 43° ;
  20° l'article 577, 49° ;
  21° l'article 577, 51°, 52° et 69°, en ce qui concerne le plan pluriannuel ;
  22° l'article 578, 16° à 18° ;
  23° l'article 578, 20° ;
  24° l'article 578, 22° ;
  25° [2 l'article 578, 24° et 25° ]2 ;
  26° l'article 578, 27° ;
  27° l'article 578, 29° ;
  28° l'article 578, 35° ;
  29° l'article 578, 38° ;
  30° l'article 579, 10°, en ce qui concerne le plan pluriannuel.
  De volgende artikelen van dit decreet treden in werking op 1 januari 2021:
  1° artikel 143, wat betreft de toepassing van artikel 260, tweede lid, en 261;
  2° artikel 241, eerste lid, wat betreft de toepassing van artikel 260, tweede lid, en 261;
  3° artikel 260, tweede lid;
  4° artikel 261;
  5° artikel 368, wat betreft de toepassing van artikel 260, tweede lid, en 261;
  6° artikel 381, wat betreft de toepassing van artikel 368 inzake de toepassing van artikel 260, tweede lid, en 261;
  7° artikel 489, wat betreft de toepassing van artikel 260, tweede lid, en 261;
  8° artikel 551, wat betreft de toepassing van artikel 241, eerste lid, inzake de toepassing van artikel 260, tweede lid, en 261;
  9° artikel 552, wat betreft de toepassing van artikel 260, tweede lid, en 261;
  10° artikel 558, wat betreft de toepassing van artikel 368 inzake de toepassing van artikel 260, tweede lid, en 261;
  11° artikel 562, wat betreft de toepassing van artikel 489 inzake de toepassing van artikel 260, tweede lid, en 261;
  12° artikel 577, 46° en 47° ;
  13° artikel 577, 51° en 69°, wat betreft de vorm van de jaarrekening;
  14° artikel 578, 32° en 33° ;
  15° artikel 579, 10°, wat betreft de vorm van de jaarrekening.
  Les articles suivants du présent décret entrent en vigueur le 1er janvier 2021 :
  1° l'article 143, en ce qui concerne l'application des articles 260, deuxième alinéa et 261 ;
  2° l'article 241, alinéa premier, en ce qui concerne l'application des articles 260, deuxième alinéa et 261 ;
  3° article 260, deuxième alinéa ;
  4° l'article 261 ;
  5° l'article 368, en ce qui concerne l'application des articles 260, deuxième alinéa et 261 ;
  6° l'article 381, en ce qui concerne l'application de l'article 368 en matière d'application des articles 260, deuxième alinéa, et 261 ;
  7° l'article 489, en ce qui concerne l'application des articles 260, deuxième alinéa et 261 ;
  8° l'article 551, en ce qui concerne l'application de l'article 241, alinéa premier, en matière d'application des articles 260, deuxième alinéa, et 261 ;
  9° l'article 552, en ce qui concerne l'application des articles 260, deuxième alinéa et 261 ;
  10° l'article 558, en ce qui concerne l'application de l'article 368 en matière d'application des articles 260, deuxième alinéa, et 261 ;
  11° l'article 562, en ce qui concerne l'application de l'article 489 en matière d'application des articles 260, deuxième alinéa, et 261 ;
  12° l'article 577, 46° et 47° ;
  13° l'article 577, 51° et 69°, en ce qui concerne la forme des comptes annuels ;
  14° l'article 578, 32° et 33° ;
  15° l'article 579, 10°, en ce qui concerne la forme des comptes annuels.
  De volgende artikelen van dit decreet treden in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum:
  1° artikel 153, derde lid;
  2° artikel 574;
  3° artikel 603.
  Les articles suivants du présent décret entreront en vigueur à une date à déterminer par le Gouvernement flamand :
  1° l'article 153, troisième alinéa ;
  2° l'article 574 ;
  3° l'article 603.
  [1 L'article 608/1 entre en vigueur le 1er juin 2018. ]1
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 603 fixée au 31-05-2018 par AGF 2018-04-27/22, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 153, L3 fixée au 01-01-2019 par AGF 2018-07-06/22, art. 69)
  
Art. 610. [1 1In afwijking van artikel 609, eerste lid, blijven de bepalingen van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, het decreet Vrijwillige Samenvoeging van Gemeenten van 24 juni 2016 en het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, zoals die golden op 31 december 2018, uitwerking hebben in die gemeenten waarin er bezwaar wordt ingediend tegen de verkiezing, georganiseerd op 14 oktober 2018, en waarover op 1 januari 2019 nog geen definitieve uitspraak is.
   Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder definitieve uitspraak verstaan: een in kracht van gewijsde gegaan arrest van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen of, in geval van beroep, van de Raad van State.
   § 2. Als het bezwaar ertoe leidt dat de verkiezing geldig wordt verklaard, houdt de regeling, vermeld in paragraaf 1, op uitwerking te hebben op de dag waarop de uitslag van de verkiezing definitief is.
   Als het bezwaar ertoe leidt dat de verkiezing ongeldig wordt verklaard, houdt de regeling, vermeld in paragraaf 1, op uitwerking te hebben op de dag waarop de uitslag van de nieuwe verkiezing definitief is.
   Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt de uitslag van een verkiezing definitief geacht zodra er geen beroepsmogelijkheden meer tegen openstaan. ]
  
Art. 610. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 609, alinéa 1er les dispositions du Décret communal du 15 juillet 2005, du décret du 19 décembre 2008 relatif à l'organisation des centres publics d'aide sociale, du décret du 24 juin 2016 sur la fusion volontaire de certaines communes et du décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale, telles qu'en vigueur au 31 décembre 2018, continuent à produire leurs effets dans les communes où des objections sont introduites contre l'élection du 14 octobre 2018 sans qu'un jugement définitif sur ces objections n'ait été prononcé au 1er janvier 2019.
   Pour l'application de l'alinéa 1er on entend par jugement définitif un arrêt ayant force de chose jugée du Conseil des Contestations électorales ou, en cas de recours, du Conseil d'Etat.
   § 2. Si l'objection conduit à la déclaration de validité de l'élection, le règlement visé au paragraphe 1er cesse de produire ses effets le jour où le résultat de l'élection est définitif.
   Si l'objection conduit à la déclaration de nullité de l'élection, le règlement visé au paragraphe 1er cesse de produire ses effets le jour où le résultat de la nouvelle élection est définitif.
   Aux fins des alinéas 1er et 2 le résultat de l'élection est réputé définitif dès que les voies de recours sont épuisées. ]1