Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
22 JULI 2018. - Wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
Titre
22 JUILLET 2018. - Loi modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Documentinformatie
Numac: 2018015491
Datum: 2018-07-22
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018015491
Date: 2018-07-22
Moniteur: Voir
Tekst (21)
Texte (21)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art. 2. Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van:
  1° richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen;
  2° richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven.
Art. 2. La présente loi transpose partiellement:
  1° la directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée;
  2° la directive 2011/98/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 établissant une procédure de demande unique en vue de la délivrance d'un permis unique autorisant les ressortissants de pays tiers à résider et à travailler sur le territoire d'un Etat membre et établissant un socle commun de droits pour les travailleurs issus de pays tiers qui résident légalement dans un Etat membre.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Art. 3. Artikel 1/1, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 19 december 2014 en gewijzigd bij de wetten van 1 juni 2016 en 18 december 2016, wordt aangevuld met een bepaling onder 11°, luidende:
  "11° artikel 61/25-1".
Art. 3. L'article 1er/1, § 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, inséré par la loi du 19 décembre 2014 et modifié par les lois du 1er juin 2016 et du 18 décembre 2016, est complété par le 11°, rédigé comme suit:
  " 11° l'article 61/25-1 ".
Art. 4. In artikel 61/7, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 19 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid worden de woorden "indien het een activiteit als zelfstandige betreft," ingevoegd tussen de woorden "Het bewijs van de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 1°, " en de woorden "is geleverd indien hij bewijst";
  2° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd luidende:
  "Indien de vreemdeling een activiteit als werknemer zoals bedoeld in het eerste lid, 1°, wenst uit te oefenen, zijn de paragrafen 2, 3, 4 en 6 niet van toepassing. De procedure voor de machtiging tot verblijf vindt plaats overeenkomstig hoofdstuk VIIbis van titel II.".
Art. 4. A l'article 61/7, § 1er de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007 et modifié par la loi du 19 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 2, les mots " s'il s'agit d'une activité non salariée, " sont insérés entre les mots " La preuve de la condition visée à l'alinéa 1er, 1°, " et les mots " est fournie s'il prouve " ;
  2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  " Si l'étranger souhaite exercer une activité salariée, telle que visée à l'alinéa 1er, 1°, les paragraphes 2, 3, 4 et 6 ne sont pas d'application. La procédure d'autorisation de séjour se fait conformément au chapitre VIIbis du titre II. "
Art. 5. In titel II van dezelfde wet wordt een hoofdstuk VIIbis ingevoegd, luidende:
  "Hoofdstuk VIIbis. Onderdanen van derde landen die met het oog op werk in het Rijk verblijven of er wensen te verblijven voor een periode van meer dan negentig dagen".
Art. 5. Dans le titre II de la même loi, il est inséré un chapitre VIIbis intitulé :
  " Chapitre VIIbis. Ressortissants de pays tiers qui séjournent ou souhaitent séjourner dans le Royaume à des fins d'emploi pour une période de plus nonante jours ".
Art. 6. In titel II, hoofdstuk VIIbis, ingevoegd bij artikel 5, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende:
  "Afdeling 1. Bepalingen met betrekking tot de gezamenlijke procedure met de overheid die bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers".
Art. 6. Dans le titre II, chapitre VIIbis, inséré par l'article 5, il est inséré une section 1re intitulée :
  " Section 1re. Dispositions relatives à la procédure conjointe avec l'autorité compétente en matière d'occupation des travailleurs étrangers ".
Art. 7. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 6, wordt een artikel 61/25-1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/25-1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die in het Rijk een aanvraag voor een toelating tot arbeid of de vernieuwing van deze vergunning bij de bevoegde overheid indienen, met uitzondering van de onderdanen van derde landen bedoeld in hoofdstuk VIII van titel II. De indiening van deze aanvraag geldt als indiening van een verblijfsaanvraag.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° "bevoegde overheid": de gewest- of gemeenschapsoverheid die, overeenkomstig de gewestelijke of communautaire decreten, verordeningen en besluiten, bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
  2° "samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018": samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.".
Art. 7. Dans la section 1re, insérée par l'article 6, il est inséré un article 61/25-1 rédigé comme suit :
  " Art. 61/25-1. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux ressortissants de pays tiers qui introduisent une demande d'autorisation de travail, ou de renouvellement de cette autorisation, dans le Royaume auprès de l'autorité compétente, à l'exception des ressortissants de pays tiers visés par le chapitre VIII du titre II. L'introduction de cette demande vaut introduction d'une demande de séjour.
  Pour l'application du présent chapitre, on entend par:
  1° " autorité compétente " : l'autorité régionale ou communautaire qui, conformément aux décrets, ordonnances et arrêtés régionaux ou communautaires, a l'occupation des travailleurs étrangers dans ses attributions ;
  2° " accord de coopération du 2 février 2018 " : l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers. ".
Art. 8. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 61/25-2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/25-2. § 1. De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing over de verblijfsaanvraag bedoeld in artikel 61/25-1.
  Onverminderd de mogelijkheid voor de minister of zijn gemachtigde om aanvullende inlichtingen en documenten te eisen overeenkomstig artikel 25, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 baseert de minister of zijn gemachtigde zich met name op de volgende documenten en inlichtingen om over de aanvraag te beslissen:
  1° een kopie van zijn geldig paspoort of de daarmee gelijkgestelde reistitel;
  2° het bewijs dat hij beschikt over voldoende bestaansmiddelen, de duur van zijn tewerkstelling als werknemer en, in voorkomend geval, het btw-nummer van de werkgever;
  3° behalve bij het hernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 61/25-1, het bewijs van de betaling van de bijdrage, zoals die geëist wordt door artikel 1/1;
  4° behalve bij het hernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 61/25-1, indien de aanvrager 18 jaar is of ouder, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
  5° behalve bij het hernieuwen van de aanvraag ingediend op basis van artikel 61/25-1, een medisch attest waaruit blijkt dat de aanvrager niet lijdt aan een van de ziekten bedoeld in de bijlage bij deze wet;
  6° het bewijs dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die alle risico's in België voor hemzelf en zijn familieleden dekt.
  Bij behoorlijk bewezen onmogelijkheid de in het eerste lid, 4°, 5° en 6° bedoelde documenten voor te leggen, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, de aanvrager echter machtigen in België te verblijven.
  § 2. De onderdaan van een derde land die toegelaten of gemachtigd is op het grondgebied van het Rijk te verblijven voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, of voor een periode van meer dan negentig dagen overeenkomstig titel I, hoofdstuk III, kan een aanvraag voor een arbeidsvergunning indienen bedoeld in artikel 61/25-1.
  Onverminderd de mogelijkheid om aanvullende inlichtingen en documenten te eisen, beslist de minister of zijn gemachtigde onder andere op basis van de documenten en inlichtingen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, 3° en 6°.
  § 3. Overeenkomstig artikel 29, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk gemachtigd wordt om op het grondgebied te verblijven, brengt de minister of zijn gemachtigde de bevoegde overheid daarvan op de hoogte per brief, fax of e-mail.
  Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot het verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land gemachtigd wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
  § 4. Overeenkomstig de artikelen 26, tweede lid, 28, tweede lid, 29, tweede lid, en 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 geeft de minister of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land kennis van een beslissing die de gecombineerde vergunning verleent wanneer hij tot het verblijf is gemachtigd krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk en van de bevoegde overheid mag werken.
  Deze beslissing neemt de vorm aan van één enkele administratieve handeling die zowel het verblijf als het werk toestaat.
  De minister of zijn gemachtigde informeert de werkgever hiervan.
  § 5. Overeenkomstig artikel 36, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 eindigt het verblijf van de onderdaan van een derde land negentig dagen na het einde van de arbeidsvergunning van rechtswege, indien hij niet meer mag werken, en dit onverminderd de mogelijkheid van de minister, of zijn gemachtigde, om met toepassing van de artikelen 61/25-7 een einde te maken aan het verblijf.
  De Koning bepaalt het verblijfsdocument dat wordt afgegeven aan de onderdaan van een derde land, en aan zijn familieleden, indien de geldigheid van hun verblijfstitel verstrijkt tijdens de periode van negentig dagen bedoeld in het eerste lid.
  § 6. Overeenkomstig de artikelen 26, derde lid, en 36, § 3, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de minister of zijn gemachtigde een beslissing neemt tot weigering of beëindiging van het verblijf, brengt hij de bevoegde overheid daarvan op de hoogte per brief, fax of e-mail.
  § 7. Overeenkomstig artikel 36, §§ 1 en 3 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt de onderdaan van een derde land kennisgegeven van elke beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde over een op grond van artikel 61/25-1 ingediende aanvraag. De minister of zijn gemachtigde informeert zijn werkgever.
  De onderdaan van een derde land wordt kennisgegeven van elke beslissing tot beëindiging van de machtiging betreffende een aanvraag ingediend op grond van artikel 61/25-1.
  De onderdaan van een derde land en zijn werkgever worden door de minister of zijn gemachtigde kennisgegeven van elke beslissing tot beëindiging van de arbeidsvergunning genomen door de bevoegde overheid. De minister of zijn gemachtigde informeert de bevoegde overheid van deze kennisgeving.".
Art. 8. Dans la même section il est inséré un article 61/25-2 rédigé comme suit :
  " Art. 61/25-2. § 1er. Le ministre ou son délégué statue sur la demande de séjour visée à l'article 61/25-1.
  Sans préjudice de la possibilité pour le ministre ou son délégué de demander des informations et des documents complémentaires conformément à l'article 25, § 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué se base notamment sur les documents et informations suivants pour statuer sur la demande :
  1° une copie de son passeport ou du titre de voyage en tenant lieu en cours de validité ;
  2° la preuve qu'il dispose de moyens de subsistance suffisants, la durée de son occupation en tant que travailleur, et, le cas échéant, le numéro de T.V.A. de l'employeur ;
  3° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite sur base de l'article 61/25-1, la preuve du paiement de la redevance tel qu'exigé par l'article 1er/1 ;
  4° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite sur base de l'article 61/25-1, un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent, et le cas échéant sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun pour autant que le demandeur soit âgé de 18 ans ou plus ;
  5° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite sur base de l'article 61/25-1, un certificat médical d'où il résulte que le demandeur n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi ;
  6° la preuve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille.
  En cas d'impossibilité dûment justifiée de pouvoir produire les documents visés à l'alinéa 1er, 4°, 5° et 6°, le ministre ou son délégué peut néanmoins, compte tenu des circonstances, autoriser le demandeur à séjourner en Belgique.
  § 2. Le ressortissant d'un pays tiers admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pour une période n'excédant pas nonante jours conformément au titre I, chapitre II, ou pour une période de plus de nonante jours conformément au titre I, chapitre III, peut introduire une demande d'autorisation de travail visée à l'article 61/25-1.
  Sans préjudice de la possibilité de demander des informations et documents complémentaires, le ministre ou son délégué statue notamment sur la base des documents et informations visés au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, 3° et 6°.
  § 3. Conformément à l'article 29, alinéa 1er, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner sur le territoire en application des dispositions du présent chapitre, le ministre ou son délégué en informe l'autorité compétente par courrier, par télécopie ou par courrier électronique.
  Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre, l'autorisation de séjour n'est valable que sous la condition que l'autorité compétente prenne une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
  § 4. Conformément aux articles 26 alinéa 2, 28, alinéa 2, 29, alinéa 2 et 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre et autorisé à travailler par l'autorité compétente, le ministre ou son délégué lui notifie une décision accordant le permis unique.
  Cette décision prend la forme d'un acte administratif unique autorisant à la fois le séjour et le travail.
  Le ministre ou son délégué en informe l'employeur.
  § 5. Conformément à l'article 36, § 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, si le ressortissant d'un pays tiers n'est plus autorisé à travailler, son séjour prend fin de plein droit nonante jours après la fin de l'autorisation de travail, sans préjudice de la faculté du ministre ou de son délégué de mettre fin à son séjour en application de l'article 61/25-7.
  Le Roi détermine le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers, et aux membres de sa famille, si la validité de leur titre de séjour arrive à échéance durant la période de nonante jours visée à l'alinéa 1er.
  § 6. Conformément aux articles 26, alinéa 3 et 36, § 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ministre ou son délégué prend une décision de refus ou de fin de séjour, il en informe l'autorité compétente par courrier, par télécopie ou par courrier électronique.
  § 7. Conformément à l'article 36, §§ 1er et 3 de l'accord de coopération du 2 février 2018, toute décision relative à une demande introduite sur base de l'article 61/25-1 prise par le ministre ou son délégué est notifiée au ressortissant d'un pays tiers. Le ministre ou son délégué en informe son employeur.
  Toute décision de fin d'autorisation relative à une demande introduite sur base de l'article 61/25-1 est notifiée au ressortissant d'un pays tiers.
  Toute décision de fin d'autorisation de travail prise par l'autorité compétente est notifiée par le ministre ou son délégué au ressortissant d'un pays tiers et à son employeur. Le ministre ou son délégué informe l'autorité compétente de cette notification. ".
Art. 9. In dezelfde afdeling wordt een artikel 61/25-3 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/25-3. Overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt de aanvraag tot vernieuwing op grond van artikel 61/25-1, eerste lid, die de voorwaarden bepaald door de bevoegde overheid vervult, ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de geldigheid van de vorige vergunning ingediend.
  Indien, bij deze aanvraag tot vernieuwing, de verblijfstitel vervalt, ontvangt de onderdaan van een derde land een document dat voorlopig zijn verblijf dekt in afwachting van een beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde of, in voorkomend geval, door de bevoegde overheid. De Koning bepaalt het verblijfsdocument dat aan de onderdaan van een derde land wordt afgegeven.".
Art. 9. Dans la même section, il est inséré un article 61/25-3 rédigé comme suit :
  " Art. 61/25-3. Conformément à l'article 21 de l'accord de coopération du 2 février 2018, la demande de renouvellement introduite sur la base de l'article 61/25-1, alinéa 1er, et répondant aux conditions déterminées par l'autorité compétente est introduite au plus tard deux mois avant l'expiration de la validité de l'autorisation précédente.
  Lors de la demande de renouvellement, si le titre de séjour vient à échéance, le ressortissant d'un pays tiers reçoit un document qui couvre provisoirement son séjour dans l'attente d'une décision prise par le ministre ou son délégué ou, le cas échéant, par l'autorité compétente. Le Roi détermine le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers. ".
Art. 10. In titel II, hoofdstuk VIIbis, ingevoegd bij artikel 5, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende:
  "Afdeling 2. Bepalingen met betrekking tot de machtiging om met het oog op werk op het grondgebied te verblijven voor een periode van negentig dagen".
Art. 10. Dans le titre II, chapitre VIIbis, inséré par l'article 5, il est inséré une section 2 intitulée :
  " Section 2. Dispositions relatives à l'autorisation de séjourner sur le territoire à des fins d'emploi pour une période de plus de nonante jours ".
Art. 11. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 10, wordt een artikel 61/25-4 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/25-4. Onverminderd de gunstigere bepalingen die zijn voorgeschreven door het recht van de Unie of de internationale overeenkomsten die België binden, zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing op de onderdanen van derde landen die een aanvraag voor een arbeidsvergunning indienen, overeenkomstig artikel 61/25-1 eerste lid, en die voor een periode van meer dan negentig dagen in het Rijk wensen te verblijven of er verblijven.".
Art. 11. Dans la section 2, insérée par l'article 10, il est inséré un article 61/25-4 rédigé comme suit :
  " Art. 61/25-4. Sans préjudice des dispositions plus favorables prévues par le droit de l'Union ou les conventions internationales liant la Belgique, les dispositions de la présente section s'appliquent aux ressortissants de pays tiers qui introduisent une demande d'autorisation de travail conformément à l'article 61/25-1, alinéa 1er, et qui souhaitent séjourner ou séjournent dans le Royaume pour une période de plus de nonante jours. ".
Art. 12. In dezelfde afdeling wordt een artikel 61/25-5 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/25-5. § 1. De onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/25-4, wordt gemachtigd om het grondgebied van het Rijk binnen te komen en er meer dan negentig dagen te verblijven om er te werken, of zijn machtiging tot verblijf wordt vernieuwd, mits:
  1° de onderdaan van een derde land zich niet bevindt in een van de gevallen vermeld in artikel 3, 5° tot 10° ;
  2° de onderdaan van een derde land, bij gebrek aan een arbeidsovereenkomst waarvan de geldigheidsduur niet verstreken is, over voldoende bestaansmiddelen beschikt voor de duur van het voorgenomen verblijf;
  3° de onderdaan van een derde land, wanneer hij op het grondgebied van het Rijk verblijft bij de indiening van de aanvraag bedoeld in artikel 61/25-1, reeds toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, of voor een periode van meer dan negentig dagen overeenkomstig titel I, hoofdstuk III.
  § 2. Overeenkomstig artikel 25, §§ 1, 3 en 4 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 beslist de minister of zijn gemachtigde over de verblijfsaanvraag, of over de aanvraag voor vernieuwing, binnen vier maanden na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag.
  De in het eerste lid bedoelde termijn kan in uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag worden verlengd. De minister of zijn gemachtigde brengt de onderdaan van een derde land en de bevoegde overheid daarvan op de hoogte.
  Indien de minister of zijn gemachtigde binnen de termijn bedoeld in het eerste lid geen beslissing neemt, wordt de onderdaan van een derde land tot het verblijf gemachtigd.
  § 3. Overeenkomstig artikel 25, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 kan tijdens het onderzoek van de aanvraag van de onderdaan van het derde land worden geëist dat hij aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt binnen een termijn van 15 dagen.
  Indien de aanvullende inlichtingen en documenten niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn zijn voorgelegd, wordt de machtiging tot verblijf of de vernieuwing ervan geweigerd.".
Art. 12. Dans la même section, il est inséré un article 61/25-5 rédigé comme suit :
  " Art. 61/25-5. § 1er. Le ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/25-4, est autorisé à entrer et à séjourner plus de nonante jours sur le territoire du Royaume afin d'y travailler, ou son autorisation de séjour est renouvelée, pour autant que :
  1° le ressortissant d'un pays tiers ne se trouve pas dans un des cas mentionnés à l'article 3, 5° à 10° ;
  2° en cas d'absence d'un contrat de travail en cours de validité, le ressortissant d'un pays tiers dispose des moyens de subsistance suffisants pour la durée du séjour envisagé ;
  3° lorsque le ressortissant de pays tiers séjourne sur le territoire du Royaume lors de l'introduction de la demande visée à l'article 61/25-1, il est déjà admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période n'excédant pas nonante jours conformément au titre I, chapitre II, ou pour une période de plus de nonante jours conformément au titre I, chapitre III.
  § 2. Conformément à l'article 25, §§ 1er, 3 et 4 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué statue sur la demande de séjour, ou de son renouvellement, dans les quatre mois suivant la notification du caractère complet de la demande.
  Le délai visé à l'alinéa 1er peut être prolongé dans des circonstances exceptionnelles liées à la complexité de l'examen de la demande. Le ministre ou son délégué en informe le ressortissant d'un pays tiers et l'autorité compétente.
  Si le ministre ou son délégué ne statue pas dans le délai visé à l'alinéa 1er, éventuellement prolongé, le ressortissant d'un pays tiers est autorisé au séjour.
  § 3. Conformément à l'article 25, § 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lors de l'examen de la demande, il peut être exigé du ressortissant du pays tiers de produire dans un délai de 15 jours des informations ou documents complémentaires.
  Si les informations et documents complémentaires ne sont pas produits dans le délai visé à l'alinéa 1er, l'autorisation de séjour, ou le renouvellement de celle-ci, est refusée. ".
Art. 13. In dezelfde afdeling wordt een artikel 61/25-6 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/25-6. § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt, onverminderd paragraaf 2, aan een onderdaan van een derde land, gemachtigd tot het verblijf in het Rijk krachtens artikel 61/25-5 en gemachtigd om te werken door de bevoegde overheid, die zich in het buitenland bevindt op de datum van de beslissing tot machtiging tot verblijf en werk, op zijn verzoek, een visum afgegeven. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de indiening van de visumaanvraag.
  § 2. Overeenkomstig artikel 34, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt de onderdaan van een derde land die krachtens artikel 61/25-5 tot het verblijf in het Rijk is gemachtigd en door de bevoegde overheid is gemachtigd om te werken, in het vreemdelingenregister ingeschreven. Hem wordt een gecombineerde vergunning, zoals bepaald in artikel 3, 10°, van het voornoemde akkoord, afgegeven.
  De Koning bepaalt:
  1° het model van de gecombineerde vergunning;
  2° het verblijfsdocument dat aan de onderdaan van een derde land wordt afgegeven in afwachting van de afgifte van de gecombineerde vergunning.
  § 3. De aanvraag tot inschrijving moet door de onderdaan van een derde land worden ingediend binnen acht werkdagen nadat hij het Rijk is binnengekomen, indien hij de machtiging tot verblijf in het buitenland heeft verkregen. Zij moet worden ingediend binnen acht werkdagen na de ontvangst van die vergunning, indien deze in het Rijk is verkregen.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en bij wijze van algemene bepaling, in uitzonderlijke omstandigheden een kortere termijn vaststellen.
  § 4. De machtiging tot verblijf wordt toegekend voor een beperkte duur gedurende een periode van vijf jaar. Bij het verstrijken van deze periode van vijf jaar wordt de machtiging tot verblijf voor een onbeperkte duur vernieuwd, onverminderd de voorwaarden van artikel 61/25-5.
  § 5. Indien de arbeidsvergunning door de bevoegde overheid voor een onbeperkte duur is verleend, beslist de minister of zijn gemachtigde over het verblijf, overeenkomstig dit hoofdstuk.
  Voor de vernieuwing van zijn machtiging tot verblijf dient de onderdaan van een derde land zijn aanvraag tot vernieuwing in bij de burgemeester van zijn verblijfplaats. De aanvraag omvat de documenten en inlichtingen die opgesomd worden in artikel 61/25-2, § 1,
  tweede lid, 1°, 2° en 6°, en de beslissing van de bevoegde overheid die de onderdaan van een derde land machtigt om voor een onbeperkte duur te werken.
  De burgemeester of zijn gemachtigde geeft een document af dat de aanvraag tot vernieuwing bewijst en het verblijf voorlopig dekt. De Koning bepaalt het model van dit document.
  De burgemeester of zijn gemachtigde zendt de aanvraag over aan de minister, of zijn gemachtigde.".
Art. 13. Dans la même section, il est inséré un article 61/25-6 rédigé comme suit :
  " Art. 61/25-6. § 1er. Conformément à l'article 34, alinéa 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, sans préjudice du paragraphe 2, lorsque le ressortissant d'un pays tiers autorisé au séjour dans le Royaume en application de l'article 61/25-5 et autorisé au travail par l'autorité compétente se trouve à l'étranger à la date de la décision d'autorisation de séjour et de travail, un visa lui est délivré, à sa demande. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'introduction de la demande de visa.
  § 2. Conformément à l'article 34, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ressortissant d'un pays tiers autorisé au séjour dans le Royaume en application de l'article 61/25-5 et autorisé à travailler par l'autorité compétente est inscrit au registre des étrangers. Un permis unique tel que défini à l'article 3, 10°, de l'accord précité lui est délivré.
  Le Roi détermine :
  1° le modèle du permis unique ;
  2° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance du permis unique.
  § 3. La demande d'inscription doit être introduite par le ressortissant d'un pays tiers dans les huit jours ouvrables de son entrée dans le Royaume s'il a obtenu l'autorisation de séjour à l'étranger. Elle doit être introduite dans les huit jours ouvrables de la réception de cette autorisation, si celle-ci a été obtenue dans le Royaume.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et par voie de disposition générale, fixer un délai plus court dans des circonstances exceptionnelles.
  § 4. L'autorisation de séjour est accordée pour une durée limitée pendant une période de cinq ans. A l'expiration de cette période de 5 ans, l'autorisation de séjour est renouvelée pour une durée illimitée sans préjudice des conditions prévues à l'article 61/25-5.
  § 5. Si l'autorisation de travailler est accordée par l'autorité compétente pour une durée illimitée, le ministre ou son délégué statue sur le séjour, conformément au présent chapitre.
  En cas de demande de renouvellement de l'autorisation de séjour, le ressortissant d'un pays tiers introduit sa demande auprès du bourgmestre de son lieu de résidence. La demande comprend les documents et informations énumérés à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2, 1°, 2° et 6°, ainsi que la décision de l'autorité compétente qui autorise le ressortissant d'un pays tiers à travailler pour une durée illimitée.
  Le bourgmestre ou son délégué délivre un document attestant de la demande de renouvellement et couvrant provisoirement son séjour. Le Roi détermine le modèle de ce document.
  Le bourgmestre ou son délégué transmet la demande au ministre, ou à son délégué. ".
Art. 14. In dezelfde afdeling wordt een artikel 61/25-7 ingevoegd, luidende:
  "Art. 61/25-7. § 1. In een van de volgende gevallen kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijf van de krachtens artikel 61/25-5 tot het verblijf in het Rijk gemachtigde onderdaan van een derde land:
  1° de onderdaan van een derde land vervult niet of niet meer de in artikel 61/25-5, § 1, 1°, bedoelde voorwaarde;
  2° de onderdaan van een derde land is een last voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk;
  3° de onderdaan van een derde land verblijft voor andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd.".
Art. 14. Dans la même section, il est inséré un article 61/25-7 rédigé comme suit :
  " Art. 61/25-7. Le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour du ressortissant de pays tiers autorisé au séjour dans le Royaume en application de l'article 61/25-5, dans l'un des cas suivants :
  1° le ressortissant d'un pays tiers ne remplit pas ou plus la condition visée à l'article 61/25-5, § 1er, 1° ;
  2° le ressortissant d'un pays tiers est une charge pour le système d'aide sociale du Royaume ;
  3° le ressortissant d'un pays tiers séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour. ".
Art. 15. Artikel 81 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 15 juli 1996, 2 augustus 2002, 10 augustus 2005 en 30 september 2017, wordt aangevuld met twee leden, luidende:
  "Zij bezorgen de minister of zijn gemachtigde alle documenten en inlichtingen die nuttig zijn voor het uitoefenen van zijn taken.
  De in het vorig lid bedoelde documenten of inlichtingen kunnen eveneens worden bezorgd door de inspecteurs van het Vlaamse Ministerie voor Werk en Sociale Economie, de inspecteurs van de "Direction générale opérationnelle Economie, Emploi et Recherche" van de Waalse overheid, de inspecteurs van de Directie van de Gewestelijke Arbeidsinspectie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en de inspecteurs van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap, afdeling werk.".
Art. 15. L'article 81 de la même loi, modifié par les lois du 15 juillet 1996, du 2 août 2002, du 10 août 2005 et du 30 septembre 2017, est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
  " Ils communiquent au ministre ou à son délégué tous documents et informations utiles à l'exercice de ses missions.
  Les documents ou informations visés à l'alinéa précédent peuvent également être communiqués par les inspecteurs du Ministère flamand du Travail et de l'Economie sociale, par les inspecteurs de la Direction générale opérationnelle Economie, Emploi et Recherche du Service public de Wallonie, par les inspecteurs de la Direction de l'Inspection régionale de l'emploi de la Région Bruxelles-Capitale, par les inspecteurs du Ministère de la Communauté germanophone, département emploi. ".
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling
CHAPITRE 3. - Disposition transitoire
Art. 16. Wanneer een onderdaan van een derde land, om in het Rijk te kunnen werken, een verblijfsaanvraag indient die op de datum van inwerkingtreding van deze wet in behandeling was, past de minister of zijn gemachtigde de oude reglementering toe wanneer hij een beslissing neemt in verband met het verblijf.
Art. 16. Lorsqu'un ressortissant d'un pays tiers introduit une demande de séjour afin de pouvoir travailler dans le Royaume, pendante à la date de l'entrée en vigueur de la présente loi, le ministre ou son délégué statue sur le séjour en application de l'ancienne réglementation.
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 4. - Entrée en vigueur
Art. 17. Deze wet treedt in werking op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad van de laatste instemmingsakte uitgaande van de partijen van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.
Art. 17. La présente loi entre en vigueur le jour de la publication au Moniteur belge du dernier des actes d'assentiment des parties à l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers.