Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
7 DECEMBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-12-2018 en tekstbijwerking tot 19-12-2025)
Titre
7 DECEMBRE 2018. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand portant exĂ©cution de la loi du 30 avril 1999 relative Ă  l'occupation des travailleurs Ă©trangers(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 21-12-2018 et mise Ă  jour au 19-12-2025)
Documentinformatie
Numac: 2018015432
Datum: 2018-12-07
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018015432
Date: 2018-12-07
Moniteur: Voir
Tekst (112)
Texte (112)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
  [2 1/1° aangetekend schrijven: een schrijven dat door de bevoegde overheid of de minister ter beschikking wordt gesteld via analoge dragers of via het gemeenschappelijk elektronisch platform als bedoeld in artikel 40 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018;]2
  1° arbeidsmarkt: de arbeidsmarkt van het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, alsook de markt van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
  2° beroepssporters: de sportlui die aangeworven zijn met een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars conform de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;
  3° bevoegde overheid: de dienst Economische Migratie van het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie, vermeld in artikel 25, § 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
  4° detacheren: het tijdelijk uitzenden van de werknemer voor het verrichten van arbeidsprestaties in opdracht van de buitenlandse werkgever voor een gebruiker gevestigd in het Vlaamse Gewest, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 5 maart 2002 betreffende de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden in geval van detachering van werknemers in België en de naleving ervan;
  5° diploma van het hoger onderwijs: alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels die uitgereikt zijn door een bevoegde overheid, waarbij het succesvol beëindigen van een postsecundair programma voor hogere studies wordt aangetoond. Het postsecundair programma omvat een geheel van lessen, verstrekt door een onderwijsinstituut dat erkend is als hoger onderwijsinstelling door de staat waarin het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies die nodig zijn om het diploma van hoger onderwijs te behalen,[2 ...]2 minstens geleid hebben tot kwalificatie niveau 5;
  [1 5° /1 internationaal docent: een persoon met ten minste kwalificatieniveau 7 die onderwijsactiviteiten uitvoert in een erkende hoger onderwijsinstelling;]1
  6° erkende onderzoeksinstelling: de onderzoeksinstelling die erkend is conform titel II van het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet-EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten;
  7° gastovereenkomst: een overeenkomst die wordt afgesloten tussen een in België erkende onderzoeksinstelling en een onderzoeker, waarin de onderzoeker zich ertoe verbindt een onderzoeksproject uit te voeren en de onderzoeksinstelling zich ertoe verplicht de onderzoeker als gast te ontvangen;
  8° gemiddeld bruto jaarloon: het twaalfvoud van het gemiddeld maandloon van een voltijds tewerkgestelde bediende in België, jaarlijks berekend op basis van gegevens van de Algemene Directie Statistiek van de FOD Economie, en bekendgemaakt door de bevoegde overheid;
  9° groep van ondernemingen: het geheel van verbonden en/of geassocieerde vennootschappen als vermeld in artikel 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen;
  10° kwalificatie: onderwijskwalificatie en/of beroepskwalificatie zoals bedoeld in hoofdstuk III, afdeling II van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, ingeschaald van niveau 1 tot en met 8 volgens het kwalificatieraamwerk overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II, II/1 en III van dit decreet, of een kwalificatie uitgereikt na het succesvol beëindigen van een programma ingeschaald in de niveaus van de International Standard Classification of Education 2011;
  11° leidinggevend personeel: een lid van het hogere personeel dat belast is met het dagelijks bestuur van de onderneming en gemachtigd is om de werkgever te vertegenwoordigen en te verbinden, en dat tevens leiding geeft aan de onderneming en toezicht houdt op de werkzaamheden van ondergeschikte werknemers;
  12° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid;
  13° [1 ...]1
  14° opleiding: het onderricht waardoor kennis en vaardigheden worden verkregen met de bedoeling de brede inzetbaarheid van de werknemer op de arbeidsmarkt rechtstreeks of onrechtstreeks te verbeteren;
  15° organisatie: de organisatie vermeld in artikel 3, eerste lid, 3° van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers;
  16° samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018: het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
  17° schouwspelartiest: de persoon die het beroep, vermeld in artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, uitoefent;
  18° stage: het opleidingsprogramma bij een werkgever om kennis, praktijk en ervaring in de beroepswereld op te doen, dat leidt tot een diploma van het hoger onderwijs of dat dient als voortzetting van de voorafgaande studie;
  19° uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018: het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
  [3 19° /1 VDAB: de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding .]3
  20° wet van 30 april 1999: de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
  21° wettig verblijf: de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is om op het grondgebied van het Rijk te verblijven voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt conform titel I, hoofdstuk II, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, of voor een periode van meer dan negentig dagen conform titel I, hoofdstuk III, [1 of titel II]1 van de voormelde wet.
  
Article 1er. Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
  [2 1/1° courrier recommandé : un courrier mis à disposition par l'autorité compétente ou le ministre via des supports analogiques ou via la plate-forme électronique commune telle que visée à l'article 40 de l'accord de coopération du 2 février 2018 ; ]2
  1° marché du travail : le marché du travail de la Région flamande, de la Région wallonne et de la Région de Bruxelles-Capitale, ainsi que le marché du travail des Etats membres de l'Espace économique européen ;
  2° sportifs professionnels : les sportifs recrutés dans les liens d'un contrat de travail de sportif rémunéré conformément aux dispositions de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré ;
  3° autoritĂ© compĂ©tente : le service de Migration Ă©conomique du dĂ©partement Environnement et Economie sociale du MinistĂšre flamand du Travail et de l'Economie sociale, visĂ© Ă  l'article 25, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif Ă  l'organisation de l'administration flamande ;
  4° détacher : le détachement temporaire du travailleur en vue de l'exécution de prestations de travail sur ordre de l'employeur étranger pour un utilisateur établi en Région flamande, conformément à l'article 2 de la loi du 5 mars 2002 concernant les conditions de travail, de rémunération et d'emploi en cas de détachement de travailleurs en Belgique et le respect de celles-ci ;
  5° diplÎme d'enseignement supérieur : tous les diplÎmes, certificats ou autres titres délivrés par un gouvernement, dans lesquels la réussite d'un programme d'enseignement supérieur de niveau postsecondaire est démontrée. Le programme postsecondaire comprend un ensemble de leçons dispensées par un établissement d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il est établi, à condition que les études nécessaires à l'obtention du diplÎme de l'enseignement supérieur [2 ...]2aient au moins donné lieu à une qualification de niveau 5 ;
  [1 5° /1 chargé de cours international : une personne ayant au moins le niveau de qualification 7, qui exerce des activités d'enseignement dans un établissement d'enseignement supérieur agréé ; ]1
  6° organisme de recherche agréé : l'organisme de recherche qui a Ă©tĂ© agréé conformĂ©ment au titre II de l'arrĂȘtĂ© royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrĂ©ment des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union europĂ©enne, et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent ĂȘtre conclues ;
  7° convention d'accueil : une convention conclue entre un organisme de recherche agréé en Belgique et un chercheur, par laquelle le chercheur s'engage à exécuter un projet de recherche et l'organisme de recherche s'engage à accueillir le chercheur en tant qu'invité ;
  8° salaire annuel brut moyen : le montant équivalant à douze fois le salaire mensuel moyen d'un employé occupé à temps plein en Belgique, calculé annuellement sur la base des données de la Direction générale Statistique du SPF Economie, et publié par l'autorité compétente ;
  9° groupe d'entreprises : l'ensemble des sociétés liées et/ou associées, telles que visées aux articles 11 et 12 du Code des sociétés ;
  10° qualification : qualification d'enseignement et/ou qualification professionnelle telle que visĂ©e au chapitre III, section II du dĂ©cret du 30 avril 2009 relatif Ă  la structure des qualifications, classĂ©es du niveau 1 au niveau 8 selon le cadre des certifications conformĂ©ment au chapitre IV, sections II, II/1 et III du mĂȘme dĂ©cret, ou une qualification dĂ©livrĂ©e Ă  l'issue de l'achĂšvement avec fruit d'un programme classĂ© selon les niveaux de la " International Standard Classification of Education 2011 " ;
  11° personnel dirigeant : un membre des cadres supérieurs chargé de la gestion journaliÚre de l'entreprise et habilité à représenter et à engager l'employeur, et qui en outre dirige l'entreprise et supervise les activités du personnel subalterne ;
  12° Ministre : le Ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions ;
  13° [1 ...]1
  14° formation : l'instruction permettant l'acquisition de connaissances et d'aptitudes dans le but d'améliorer directement ou indirectement l'adaptabilité du travailleur sur le marché du travail ;
  15° organisation : l'organisation visée à l'article 3, alinéa premier, 3°, de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires ;
  16° accord de coopération du 2 février 2018 : l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone en ce qui concerne la coordination entre la politique d'admission au travail et la politique en matiÚre de permis de séjour et en ce qui concerne les normes relatives à l'occupation et au séjour de travailleurs étrangers ;
  17° artiste de spectacle : la personne qui exerce la profession visĂ©e Ă  l'article 1bis de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs ;
  18° stage : le programme de formation suivi auprÚs d'un employeur afin d'acquérir des connaissances, de la pratique et de l'expérience dans le monde professionnel, donnant lieu à l'obtention d'un diplÎme de l'enseignement supérieur ou faisant office de continuation des études préalables ;
  19° accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 : l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone en ce qui concerne la coordination entre la politique d'admission au travail et la politique en matiÚre de permis de séjour et en ce qui concerne les normes relatives à l'occupation et au séjour de travailleurs étrangers ;
  [3 19° /1 VDAB : l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle, créé par le décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle) ; ]3
  20° loi du 30 avril 1999 : la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers ;
  21° séjour légal : la situation de séjour de l'étranger qui est autorisé ou habilité à séjourner sur le territoire du Royaume pour une période qui ne peut dépasser nonante jours, conformément au titre Ier, chapitre II, [1 ou au titre II, ]1 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accÚs au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, ou pour une période de plus de nonante jours, conformément au titre Ier, chapitre III, de la loi précitée.
  
HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions générales
Art. 2. § 1. [1 Een arbeidsvergunning en een arbeidskaart worden uitgereikt voor de tewerkstelling van de onderdaan van een derde land die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
   1° hij wordt toegelaten tot arbeid voor een aaneengesloten periode van maximaal negentig dagen, of voor een periode van maximaal negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend conform artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
   2° hij wordt toegelaten tot arbeid voor een bepaalde duur als grensarbeider;
   3° hij wordt toegelaten als au pair op grond van hoofdstuk VI, afdeling 2, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
   In het eerste lid, 2°, wordt verstaan onder grensarbeider: de werknemer die op het grondgebied van het Vlaamse Gewest werkt, maar die zijn verblijfplaats heeft op het grondgebied van een aangrenzend land en daarheen in principe dagelijks of ten minste een keer per week terugkeert.
   De bepalingen van hoofdstuk 10 zijn van toepassing op de aanvragen van toelating tot arbeid als vermeld in het eerste lid.]1
.
  § 2. De geldigheidsduur van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart stemmen overeen met de geldigheidsduur van de toelating tot arbeid.
  De arbeidsvergunning en de arbeidskaart verliezen hun geldigheid als de toelating tot arbeid niet langer geldig is, of ingetrokken is.
  § 3. In toepassing van de eerste paragraaf, 1°, kan voor aanvragen op basis van artikel 18 een gemeenschappelijke arbeidsvergunning uitgereikt worden voor een contingent van minstens vijftien werknemers.
  [2 Het personeelslid van de bevoegde overheid dat conform paragraaf 4 is aangewezen]2 wint, bij de beoordeling van de aanvraag vermeld in het eerste lid, het advies in van het bevoegde paritaire comité.
  [2 § 4. Het hoofd van het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie, Landbouw en Sociale Economie, vermeld in artikel 29/1, eerste lid van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie wijst bij de bevoegde overheid de personeelsleden aan die op basis van de wet van 30 april 1999 en conform dit besluit bevoegd zijn om te beslissen over al de volgende elementen:
   1° de toelatingen tot arbeid;
   2° de hernieuwing van de toelatingen tot arbeid;
   3° de weigering en intrekking van de toelatingen tot arbeid.]2

  
Art. 2. § 1er. [1 Un permis de travail et une carte de travail sont délivrés pour l'emploi d'un ressortissant d'un pays tiers qui satisfait à l'une des conditions suivantes :
   1° il est admis au travail pour une période ininterrompue de nonante jours au maximum, ou pour une période de nonante jours au maximum dans une période de cent quatre-vingt jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accÚs au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;
   2° il est admis au travail à durée déterminée en tant que travailleur frontalier ;
   3° il est admis en tant qu'au pair en vertu du chapitre VI, section 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1999 portant exĂ©cution de la loi du 30 avril 1999 relative Ă  l'occupation des travailleurs Ă©trangers.
   Dans l'alinéa 1er, 2°, on entend par travailleur frontalier : le travailleur qui travaille sur le territoire de la Région flamande mais qui réside sur le territoire d'un pays limitrophe et y retourne en principe tous les jours ou au moins une fois par semaine.
   Les dispositions du chapitre 10 sont applicables aux demandes d'admission au travail telles que visées à l'alinéa 1er]1
.
  § 2. La durée de validité du permis de travail et de la carte de travail correspond à la durée de validité de l'admission au travail.
  Le permis de travail et la carte de travail perdent leur validité lorsque l'admission au travail n'est plus valable ou est retirée.
  § 3. En application du paragraphe premier, 1°, une autorisation collective d'occupation peut ĂȘtre dĂ©livrĂ©e, dans le cas de demandes introduites sur la base de l'article 18, pour un contingent d'au moins quinze travailleurs.
  Lors de l'appréciation de la demande visée à l'alinéa premier, [2 le membre du personnel de l'autorité compétente désigné conformément au paragraphe 4 ]2 recueille l'avis de la commission paritaire compétente.
  [2 § 4. Le chef du dĂ©partement de l'Emploi, de l'Economie, des Sciences, de l'Innovation et de l'Economie sociale du MinistĂšre flamand de l'Emploi, de l'Economie, des Sciences, de l'Innovation, de l'Agriculture et de l'Economie sociale, visĂ© Ă  l'article 29/1, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif Ă  l'organisation de l'Administration flamande, dĂ©signe au sein de l'autoritĂ© compĂ©tente les membres du personnel qui, sur la base de la loi du 30 avril 1999 et conformĂ©ment au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, sont habilitĂ©s Ă  prendre des dĂ©cisions sur l'ensemble des Ă©lĂ©ments suivants :
   1° les autorisations de travail ;
   2° le renouvellement des autorisations de travail ;
   3° le refus et le retrait des autorisations de travail. ]2

  
Art. 3. Conform artikel 16 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 zitten de arbeidsvergunning en de arbeidskaart vervat in de gecombineerde vergunning of in een andere verblijfstitel met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen, als de onderdaan van het derde land zijn hoofdverblijfplaats vestigt op het Belgische grondgebied.
  De bepalingen van hoofdstuk 9 zijn van toepassing op de aanvragen van toelating tot arbeid met toepassing van het eerste lid.
Art. 3. Conformément à l'article 16 de l'accord de coopération du 2 février 2018, le permis de travail et la carte de travail sont inclus dans le permis combiné ou dans un autre titre de séjour en vue de l'occupation pour une période de plus de nonante jours, lorsque le ressortissant du pays tiers établit sa résidence principale sur le territoire belge.
  Les dispositions du chapitre 9 sont applicables aux demandes d'admission au travail, en application de l'alinéa premier.
Art. 4. [1 §1.]1 [2 Een werknemer kan in eenzelfde periode slechts één toelating tot arbeid bekomen. De toelating tot arbeid voor een bepaalde duur is beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever]2.
  In afwijking van het eerste lid:
  1° [1 kan wie toegelaten is tot arbeid op grond van artikel 17, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 5°, 6° of 11°, bijkomend activiteiten als internationaal docent [2 of onderzoeker]2 uitvoeren;]1;
  2° kan, in het geval van detachering, de werknemer prestaties uitvoeren bij verschillende gebruikers in het Vlaamse Gewest, indien de detacheringsovereenkomst de gegevens aangaande al deze gebruikers opgeeft;
  3° geldt de Europese blauwe kaart na afloop van [2 één]2 jaar tewerkstelling voor elke werkgever, voor zover de tewerkstelling voldoet aan de voorwaarden van artikel 21 [2 ;]2
  [2 kan de houder van een gecombineerde vergunning een flexi-job uitoefenen, overeenkomstig artikel 16, § 3, 3°.]2
  [1 § 2. De werkgever of de gebruiker heeft een maatschappelijke zetel of een vestigingseenheid in het Vlaamse Gewest.
   In afwijking van het eerste lid kan een toelating tot arbeid afgeleverd worden voor prestaties onderworpen aan de Belgische sociale zekerheid, [2 ...]2.]1

  [2 § 3. De toelating tot arbeid voor bepaalde duur overeenkomstig hoofdstuk 9 wordt toegekend als de onderdaan van een derde land minimaal 80 procent van een voltijdse tewerkstelling presteert.
   De voorwaarde van het presteren van minimaal 80 procent van een voltijdse tewerkstelling als vermeld in het eerste lid, geldt niet voor aanvragen overeenkomstig artikel 17 .]2

  
Art. 4. [1 §1.]1 [2 Un travailleur ne peut obtenir qu'une seule admission au travail dans la mĂȘme pĂ©riode. L'admission au travail Ă  durĂ©e dĂ©terminĂ©e est limitĂ©e Ă  l'occupation auprĂšs d'un seul employeur. ]2
  Par dérogation à l'alinéa premier :
  1° [1 1° celui qui est admis au travail sur la base de l'article 17, alinéa 1er, 1°, 2°, 3°, 5°, 6° ou 11°, peut également exercer des activités en tant que chargé de cours [2 ou chercheur ]2 international ]1 ;
  2° en cas de détachement, un travailleur peut exécuter des prestations auprÚs de différents utilisateurs en Région flamande, pour autant que la convention de détachement mentionne les données relatives à tous les utilisateurs en question ;
  3° la carte bleue européenne est valable à l'expiration d'une période de [2 un an ]2 d'occupation pour chaque employeur, pour autant que l'occupation remplisse les conditions de l'article 23 [2 ; ]2
  [2 4° le titulaire d'un permis combiné peut exercer un flexi-job, conformément à l'article 16, § 3, 3°. ]2
  [1 § 2. L'employeur ou l'utilisateur a un siÚge social ou une filiale en Région flamande.
   Par dĂ©rogation Ă  l'alinĂ©a 1er, une admission au travail peut ĂȘtre dĂ©livrĂ©e pour des prestations soumises Ă  la sĂ©curitĂ© sociale belge, [2 ...]2.]1

  [2 § 3. L'admission au travail à durée déterminée conformément au chapitre 9 est accordée si les prestations d'un ressortissant d'un pays tiers atteignent au moins 80 % d'un emploi à temps plein.
   La condition relative à des prestations atteignant au moins 80 % d'un emploi à temps plein, telle que visée à l'alinéa 1er, ne s'applique pas aux demandes conformément à l'article 17.]2

  
Art. 5. De toelating tot arbeid voor onbepaalde duur geldt voor alle beroepen die in loondienst worden uitgeoefend.
  Als de onderdaan van een derde land een toelating tot arbeid verkregen heeft voor onbepaalde duur, is geen arbeidsvergunning vereist voor de werkgever.
Art. 5. L'admission au travail à durée indéterminée s'applique à toutes les professions salariées.
  Lorsque le ressortissant d'un pays tiers s'est vu accorder une admission au travail à durée indéterminée, aucun permis de travail n'est requis pour l'employeur.
Art. 6. De persoon die conform artikel 16 van rechtswege toegelaten is tot arbeid, is vrijgesteld van aanvraag van toelating tot arbeid.
Art. 6. La personne admise au travail de plein droit conformément à l'article 16 est exemptée de la demande d'admission au travail.
Art. 7. [1 Overeenkomstig artikel 4, § 2, tweede lid, van de wet van 30 april 1999 kan de toelating tot arbeid van bepaalde duur in de volgende gevallen worden toegekend als de werknemer in België is binnengekomen voor de werkgever de toelating tot arbeid heeft verkregen en als de werknemer voldoet aan de verblijfsvoorwaarden, vermeld in artikel 61/25-2, § 2, van de wet van 15 december 1980:
   1° voor de tewerkstelling van de buitenlandse onderdanen, vermeld in artikel 17, met uitzondering van de personen, vermeld in punt 7°, voor de aanvragen van toelating tot arbeid in het kader van de vergunning voor een persoon die binnen een onderneming overgeplaatst is;
   2° voor de tewerkstelling van de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen;
   3° voor de tewerkstelling van de buitenlandse onderdanen, vermeld in artikel 18, § 2.
   Met toepassing van het eerste lid gelden voor de aanvraag van bijzondere categorieën van werknemers, vermeld in hoofdstuk 8, de volgende verblijfsvoorwaarden:
   1° de voorwaarden, vermeld in artikel 61/27-1, § 2, van de wet van 15 december 1980, als het de aanvraag van de blauwe kaart betreft;
   2° de voorwaarden, vermeld in artikel 61/12, § 3, van de wet van 15 december 1980, als het de aanvraag van een onderzoeker betreft;
   3° de voorwaarden, vermeld in artikel 61/13/18, § 3, van de wet van 15 december 1980, als het de aanvraag van een stagiair betreft,
   4° de voorwaarden, vermeld in artikel 61/13/27, § 3, van de wet van 15 december 1980, als het de aanvraag van een vrijwilliger betreft ]1
.
  
Art. 7. [1 Par dĂ©rogation Ă  l'article 4, § 2, alinĂ©a 2, de la loi du 30 avril 1999, l'admission au travail Ă  durĂ©e dĂ©terminĂ©e peut, dans les cas suivants, ĂȘtre accordĂ©e lorsque le travailleur est arrivĂ© en Belgique avant que l'employeur n'ait obtenu l'admission au travail, et Ă  condition que le travailleur rĂ©pond aux conditions de sĂ©jour visĂ©es Ă  l'article 61/25-2, § 2, de la loi du 15 dĂ©cembre 1980 :
   1° pour l'occupation des ressortissants étrangers visés à l'article 17, à l'exception des personnes visées au point 7°, pour ce qui concerne les demandes d'admission au travail dans le cadre du permis pour une personne faisant l'objet d'un transfert au sein d'une entreprise ;
   2° pour l'occupation des ressortissants étrangers ayant obtenu le statut de résident ressortissant de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne en vertu de la législation ou réglementation en transposition de la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée ;
   3° pour l'occupation des ressortissants étrangers, visés à l'article 18, § 2.
   En application de l'alinéa 1er, les conditions de séjour suivantes s'appliquent à la demande de catégories spéciales de travailleurs, visées au chapitre 8 :
   1° les conditions, visées à l'article 61/27-1, § 2, de la loi du 15 décembre 1980, lorsqu'il s'agit de la demande de la carte bleue ;
   2° les conditions, visées à l'article 61/12, § 3, de la loi du 15 décembre 1980, lorsqu'il s'agit de la demande d'un chercheur ;
   3° les conditions, visées à l'article 61/13/18, § 3, de la loi du 15 décembre 1980, lorsqu'il s'agit de la demande d'un stagiaire ;
   4° les conditions, visées à l'article 61/13/27, § 3, de la loi du 15 décembre 1980, lorsqu'il s'agit de la demande d'un bénévole ]1
.
  
Art. 8. § 1. De toelating tot arbeid van bepaalde duur wordt toegekend voor de duur van het arbeidscontract of van de opdracht, met een maximumduur van één jaar.
  De toelating tot arbeid vermeld in artikel 17, eerste lid, 1°, 2°, 3°, [1 ...]1, 5°, 6°, en 7°, voor wat betreft de leidinggevende-ICT en de specialist-ICT, wordt toegekend voor de duur van het arbeidscontract of van de opdracht, met een maximumduur van drie jaar.
  [1 Bij detachering wordt de toelating tot arbeid beperkt tot de geldigheidsduur van het document, vermeld in artikel 44, eerste lid, 2°. ]1
  § 2. De toelating tot arbeid van bepaalde duur kan hernieuwd worden voor een verdere tewerkstelling van dezelfde werknemer [1 ...]1, al dan niet bij dezelfde werkgever, conform de bepalingen van hoofdstuk 3.
  [1 ...]1
  
Art. 8. § 1er. L'admission au travail à durée déterminée est accordée pour la durée du contrat de travail ou de la mission, avec une durée maximale d'un an.
  L'admission au travail visée à l'article 17, alinéa premier, 1°, 2°, 3°, [1 ...]1 5°, 6°, et 7°, est, pour ce qui concerne le supérieur TIC et le spécialiste TIC, accordée pour la durée du contrat de travail ou de la mission, avec une durée maximale de trois ans.
  [1 En cas de détachement, l'admission au travail est limitée à la durée de validité du document, visé à l'article 44, alinéa 1er, 2°. ]1
  § 2. L'admission au travail Ă  durĂ©e dĂ©terminĂ©e peut ĂȘtre renouvelĂ©e afin de poursuivre l'occupation du mĂȘme travailleur [1 ...]1, Ă©ventuellement auprĂšs du mĂȘme employeur, conformĂ©ment aux dispositions du chapitre 3.
  [1 ...]1
  
Art. 9. [1 § 1. In de volgende gevallen brengt de werkgever de bevoegde overheid uiterlijk binnen vijftien kalenderdagen schriftelijk of op elektronische wijze op de hoogte tijdens de duurtijd van de toelating tot de arbeid:
   1° bij verbreking van de arbeidsovereenkomst;
   2° bij elke betekenisvolle wijziging van de arbeidsvoorwaarden die gevolgen kan hebben voor de geldigheid van de toelating.
   De bevoegde overheid brengt de werkgever op de hoogte als die een nieuwe toelating tot arbeid moet aanvragen. In het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, brengt de bevoegde overheid de werkgever op de hoogte binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de kennisgeving.
   § 2. Als tijdens de eerste twaalf maanden van de toelating tot arbeid die is afgeleverd in het kader van de Europese blauwe kaart, een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt gesloten, brengt de nieuwe werkgever de bevoegde overheid uiterlijk binnen 15 kalenderdagen schriftelijk of op elektronische wijze op de hoogte en bezorgt die een kopie van de arbeidsovereenkomst, vermeld in artikel 46, eerste lid, 1°.
   [2 De personeelsleden van de bevoegde overheid die conform artikel 2, § 4, zijn aangewezen, kunnen zich verzetten]2 tegen de wijziging overeenkomstig artikel 67, § 1, uiterlijk binnen dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving voor zover de voorwaarden in artikel 21 niet zijn vervuld.
   § 3. Als tijdens de geldigheid van een toelating tot arbeid afgeleverd in het kader van de seizoenarbeidersvergunning, een nieuwe arbeidsovereenkomst voor seizoenarbeid wordt gesloten, brengt de nieuwe werkgever de bevoegde overheid uiterlijk binnen 15 kalenderdagen onmiddellijk schriftelijk of op elektronische wijze op de hoogte, en bezorgt die een kopie van de arbeidsovereenkomst, gesloten overeenkomstig afdeling 2 van hoofdstuk 8.
   [2 De personeelsleden van de bevoegde overheid die conform artikel 2, § 4, zijn aangewezen, kunnen zich verzetten]2 tegen de wijziging overeenkomstig artikel 67, § 1, uiterlijk binnen dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving.
   In het eerste lid wordt onder seizoenarbeidersvergunning het volgende verstaan: de vergunning als bedoeld in artikel 12, 3° van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten ]1
.
  
Art. 9. [1 § 1er. Dans les cas suivants, l'employeur informe l'autorité compétente au plus tard dans les quinze jours civils, par écrit ou par voie électronique, pendant la durée de l'admission au travail :
   1° en cas de rupture du contrat de travail ;
   2° lors de toute modification significative des conditions de travail susceptible d'avoir des conséquences sur la validité de l'admission.
   L'autorité compétente informe l'employeur si celui-ci doit demander une nouvelle admission au travail. Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, l'autorité compétente informe l'employeur dans les quinze jours civils aprÚs la réception de la notification.
   § 2. Si un nouveau contrat de travail est conclu au cours des 12 premiers mois de l'admission au travail délivrée dans le cadre de la carte bleue européenne, le nouvel employeur en informe l'autorité compétente par écrit ou par voie électronique au plus tard dans les 15 jours civils et lui fournit une copie du contrat de travail visé à l'article 46, alinéa 1er, 1°.
   [2 Les membres du personnel de l'autoritĂ© compĂ©tente dĂ©signĂ©s conformĂ©ment Ă  l'article 2, § 4, peuvent s'opposer]2 Ă  la modification conformĂ©ment Ă  l'article 67, § 1er, au plus tard dans les trente jours aprĂšs la rĂ©ception de la notification, dans la mesure oĂč les conditions de l'article 21 ne sont pas remplies.
   § 3. Si un nouveau contrat de travail est conclu pendant la validité de l'admission au travail délivrée dans le cadre du permis de travailleur saisonnier, le nouvel employeur en informe l'autorité compétente immédiatement par écrit ou par voie électronique au plus tard dans les 15 jours civils et lui fournit une copie du contrat de travail, conclu conformément à la section 2 du chapitre 8.
   [2 Les membres du personnel de l'autorité compétente désignés conformément à l'article 2, § 4, peuvent s'opposer]2 à la modification conformément à l'article 67, § 1er, au plus tard dans les trente jours aprÚs la réception de la notification.
   Dans l'alinéa 1er, on entend par permis de travailleur saisonnier : le permis tel que visé à l'article 12, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone en ce qui concerne la coordination entre la politique d'admission à l'emploi et la politique en matiÚre de permis de séjour et en ce qui concerne les normes relatives à l'occupation et au séjour de travailleurs étrangers ]1
.
  
Art. 10. De toelating tot arbeid kan aan bijzondere voorwaarden worden verbonden. Die voorwaarden worden in de beslissing tot toekenning van de toelating tot arbeid vermeld.
Art. 10. L'admission au travail peut ĂȘtre subordonnĂ©e Ă  des conditions particuliĂšres. Les conditions prĂ©citĂ©es sont Ă©noncĂ©es dans la dĂ©cision d'octroi de l'admission au travail.
HOOFDSTUK 3. - Hernieuwing en wijziging van de toelating tot arbeid
CHAPITRE 3. - Renouvellement et modification de l'admission au travail
Art. 11. De aanvraag van hernieuwing of wijziging van de toelating tot arbeid wordt ingediend uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende toelating.
  In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag van hernieuwing van de toelating tot arbeid in het kader van seizoenarbeid ingediend uiterlijk een maand voor het verstrijken van de lopende toelating.
  [1 § 2. De aanvraag tot hernieuwing of wijziging wordt beoordeeld op basis van de criteria, vermeld in hoofdstuk 6.
   In afwijking van het eerste lid worden de voorwaarden, vermeld in artikel 18, § 1, eerste lid, vermoed vervuld te zijn als de hernieuwing van de toelating tot arbeid, aangevraagd door dezelfde werkgever, betrekking heeft op dezelfde functie als de functie waarvoor de lopende toelating op basis van artikel 18 werd afgeleverd. ]1

  [1 § 3. De toelating tot arbeid die in kader van een hernieuwing afgeleverd wordt, neemt aanvang vóór het einde van het wettig verblijf van de betrokken werknemer, dat is toegekend conform artikel 36, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018. ]1
  
Art. 11. La demande de renouvellement ou de changement de l'admission au travail est introduite au plus tard deux mois avant l'expiration de la durée de validité de l'admission en cours.
  Par dérogation à l'alinéa premier, la demande de renouvellement de l'admission au travail dans le cadre du travail saisonnier est introduite au plus tard un mois avant l'expiration de la durée de validité de l'admission en cours.
  [1 § 2. La demande de renouvellement ou de modification est évaluée sur la base des critÚres visés au chapitre 6.
   Par dĂ©rogation Ă  l'alinĂ©a 1er, les conditions visĂ©es Ă  l'article 18, § 1er, alinĂ©a 1er, sont censĂ©es ĂȘtre remplies si le renouvellement de l'admission au travail, demandĂ© par le mĂȘme employeur, concerne la mĂȘme fonction que celle pour laquelle l'admission en cours a Ă©tĂ© dĂ©livrĂ©e sur la base de l'article 18.]1

  [1 § 3. L'admission au travail délivrée dans le cadre d'un renouvellement prend cours avant la fin du séjour légal du travailleur concerné, qui est accordé conformément à l'article 36, § 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018.]1
  
HOOFDSTUK 4. - Weigering, intrekking en verlies van geldigheid van de toelating tot arbeid
CHAPITRE 4. - Refus, retrait et perte de validité de l'admission au travail
Art. 12. [1 § 1. De toelating tot arbeid wordt geweigerd als:
   1° de aanvraag onvolledige, onjuiste, vervalste of onrechtmatig verkregen gegevens, verklaringen of onrechtmatig verrichte aanpassingen bevat;
   2° de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 4, artikel 4/1 of artikel 5 van de wet van 30 april 1999, of in de uitvoeringsbesluiten niet zijn vervuld;
   3° de werkgever, de gastentiteit of de werknemer zich niet houdt aan de bijzondere voorwaarden, vermeld in artikel 10;
   4° de werkgever of de gastentiteit de wettelijke en de reglementaire verplichtingen voor de tewerkstelling van werknemers niet naleeft, met inbegrip van de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die voor de tewerkstelling gelden;
   5° de natuurlijke persoon die optreedt in naam en voor rekening van de werkgever en tevens bemiddelt tussen werkgever en werknemer, de wettelijke verplichtingen inzake private arbeidsbemiddeling niet naleeft, vermeld in hoofdstuk 2 van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling;
   6° de tewerkstelling strijdig is met de openbare orde of de openbare veiligheid, met de wetten en reglementen, of met de internationale overeenkomsten en akkoorden over de indienstneming en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
   7° aan de tewerkstelling onvoldoende inkomsten verbonden zijn die de werknemer in staat stellen te voorzien in zijn behoeften of in de behoeften van die van zijn gezin als bepaald in art. 76, § 1;
   8° de onderneming of de gastentiteit is opgericht of opereert met als belangrijkste doel de binnenkomst van buitenlandse werknemers te vergemakkelijken, of geen economische of maatschappelijke activiteiten uitvoert;
   9° de werkgever gedurende een periode van zes maanden voorafgaand aan de aanvraag een volledige betrekking heeft afgeschaft om de vacature te creëren die de werkgever met die aanvraag wil vervullen.
   De weigeringsgrond, vermeld in het eerste lid, 7°, is niet van toepassing op aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 8°, 10°, 11° en 18°.
   De weigeringsgrond, vermeld in het eerste lid, 9°, is niet van toepassing op aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°, 6° en 7°, en op aanvragen van seizoenarbeiders als vermeld in afdeling 2 van hoofdstuk 8.
   § 2. De toelating tot arbeid kan geweigerd worden als:
   1° [3 tegen de werkgever, de gastentiteit, of hun bestuurders of tegen de mandataris gedurende drie jaar voor de aanvraag een sanctie uitgesproken is op grond van een van de volgende bepalingen:
   a) artikel 12/1, § 1, artikel 12/3, § 1, of artikel 12/4 van de wet van 30 april 1999;
   b) artikel 13/5, en 13/6, § 2, § 4, of § 5, van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004;
   c) artikel 22 van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen;
   d) artikel 175/1, § 1, artikel 181, § 1, of artikel 181/1 van het Sociaal Strafwetboek;
   e) artikel 229, 232, 233, 234 of 235 van het Sociaal Strafwetboek;
   f) artikel 433quinquies tot en met artikel 433octies van het Strafwetboek]3
;
   2° [3 de werkgever, de gastentiteit, de mandataris of de werknemer gedurende drie jaar voor de aanvraag onjuiste, vervalste of onrechtmatig verkregen gegevens, verklaringen of onrechtmatig verrichte aanpassingen heeft gebruikt bij een aanvraag van een toelating tot arbeid]3;
   3° de werkgever, de gastentiteit of diens bestuurders in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verkeren, het voorwerp uitmaken van een procedure tot faillietverklaring, of de voorbije vijf jaar failliet zijn verklaard, of een gerechtelijke reorganisatie hebben aangevraagd of verkregen;
   4° het doel ervan is een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren die in het land van oorsprong een tekort aan gekwalificeerde werknemers hebben;
   5° gedurende een jaar voor de aanvraag een toelating tot arbeid voor dezelfde werknemer in dezelfde categorie geweigerd of ingetrokken werd, zonder dat de aanvrager nieuwe elementen kan laten gelden;
   6° de werkgever of de gastentiteit zich niet houdt aan de bepalingen van de fiscale, sociaalrechtelijke of vennootschapsrechtelijke wetgeving;
   7° de kredietwaardigheid van de onderneming of de gastentiteit ongunstig is;
   8° de werkgever of de gastentiteit onvoldoende economische of maatschappelijke activiteiten uitoefent die de tewerkstelling van buitenlandse werknemers verantwoordt;
   9° de onderneming waarin buitenlandse werknemers zullen worden tewerkgesteld, minder dan drie jaar geleden is opgericht of geen personeelsleden in dienst heeft.
  [3 10° het personeelsbestand van de onderneming of de gastentiteit voor meer dan 80% bestaat uit buitenlandse arbeidskrachten met een toelating tot arbeid van bepaalde duur.]3
   De weigeringsgrond, vermeld in het eerste lid, 4°, is alleen van toepassing op aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°.
   De weigeringsgronden, vermeld in het [3 eerste lid, 1°, e) en f), en 7° tot en met 10°]3, zijn niet van toepassing op de aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°, 6°, 7°, 8° en 18°, of op de aanvragen van seizoenarbeiders als vermeld in afdeling 2 van hoofdstuk 8.
   Bij de beoordeling van de toelating tot arbeid houdt [2 het personeelslid van de bevoegde overheid dat conform artikel 2, § 4, is aangewezen]2 rekening met de specifieke omstandigheden die eigen zijn aan de aanvraag, de belangen van de buitenlandse werknemer, het economische belang van de werkgever en het evenredigheidsbeginsel ]1
.
  
Art. 12. [1 § 1er. L'admission au travail est refusée lorsque :
   1° la demande comprend des données ou des déclarations incomplÚtes, inexactes, falsifiées ou illicites, ou encore des adaptations apportées de maniÚre illicite ;
   2° les conditions d'admission visĂ©es Ă  l'article 4, Ă  l'article 4/1 ou Ă  l'article 5 de la loi du 30 avril 1999, ou dans ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, ne sont pas remplies ;
   3° l'employeur, l'entité d'accueil ou le travailleur ne respecte pas les conditions spéciales, visées à l'article 10 ;
   4° l'employeur ou l'entité d'accueil ne respecte pas les obligations légales ou réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs, en ce compris les conditions de rémunération et autres conditions de travail applicables à l'occupation ;
   5° la personne physique qui agit au nom et pour le compte de l'employeur et qui fait également office de médiateur entre l'employeur et le travailleur, ne respecte pas les obligations légales relatives au placement privé, visées au chapitre 2 du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé ;
   6° l'occupation est contraire à l'ordre public ou à la sécurité publique, aux lois et rÚglements ou aux conventions et accords internationaux relatifs à l'engagement et l'occupation de travailleurs étrangers ;
   7° l'occupation n'est pas associée à des revenus suffisants qui permettent au travailleur de pourvoir à ses besoins ou à ceux de sa famille, tels que visés à l'art. 76, § 1er ;
   8° l'entreprise ou l'entité d'accueil a été fondée ou exerce ses activités principalement dans le but de faciliter l'entrée de travailleurs étrangers, ou n'exerce pas d'activités de nature économique ou sociale ;
   9° l'employeur a, pendant une période de six mois préalablement à la demande, supprimé un poste complet en vue de créer le poste qu'il souhaite pourvoir par la demande en question.
   Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 7°, ne s'applique pas aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 8°, 10°, 11° et 18°.
   Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 9°, ne s'applique pas aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 3°, 6° et 7°, ni aux demandes de travailleurs saisonniers tels que visés à la section 2 du chapitre 8.
   § 2. L'admission au travail peut ĂȘtre refusĂ©e lorsque :
   1°[3 une sanction a été prononcée à l'encontre de l'employeur, de l'entité d'accueil, de leurs administrateurs ou du mandataire au cours des trois années précédant la demande, sur la base de l'une des dispositions suivantes :
   a) l'article 12/1, § 1er, l'article 12/3, § 1er, ou l'article 12/4 de la loi du 30 avril 1999 ;
   b) l'article 13/5, l'article 13/6, § 2, § 4 ou § 5, du décret du 30 avril 2004 relatif au contrÎle des lois sociales ;
   c) l'article 22 du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers ;
   d) l'article 175/1, § 1er, l'article 181, § 1er, ou l'article 181/1 du Code pénal social ;
   e) les articles 229, 232, 233, 234 ou 235 du Code pénal social ;
   f) les articles 433quinquies à 433octies du Code pénal ]3
;
   2° [3 Lors d'une demande d'autorisation de travail, l'employeur, l'entité d'accueil, le mandataire ou l'employé a utilisé, au cours des trois années précédant la demande, des données ou des déclarations inexactes, falsifiées ou obtenues de maniÚre illicite ou apporté des adaptations de maniÚre illicite ; ]3 ;
   3° l'employeur, l'entité d'accueil ou ses administrateurs sont en état de faillite ou d'insolvabilité manifeste, ils font l'objet d'une procédure de déclaration de faillite au cours des cinq derniÚres années, ou a demandé ou obtenu une réorganisation judiciaire ;
   4° l'objectif est d'assurer un recrutement Ă©thique dans les secteurs oĂč il y a pĂ©nurie de travailleurs qualifiĂ©s dans le pays d'origine ;
   5° pendant l'annĂ©e prĂ©cĂ©dant la demande, une admission au travail pour le mĂȘme travailleur dans la mĂȘme catĂ©gorie a Ă©tĂ© refusĂ©e ou retirĂ©e, sans que le demandeur puisse faire valoir de nouveaux Ă©lĂ©ments ;
   6° l'employeur ou l'entité d'accueil ne respecte pas les dispositions du droit fiscal, social ou des sociétés ;
   7° la crédibilité de l'entreprise ou de l'entité d'accueil est défavorable ;
   8° l'employeur ou l'entité d'accueil n'exerce pas d'activités économiques ou sociales suffisantes pour justifier l'emploi de travailleurs étrangers ;
   9° l'entreprise dans laquelle des travailleurs étrangers seront occupés, a été établie depuis moins de trois ans ou n'occupe pas de membres du personnel.
  [3 10° le personnel de l'entreprise ou de l'entité d'accueil est composé à plus de 80 % de travailleurs étrangers titulaires d'une autorisation de travail de durée déterminée.]3
   Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 4°, s'applique uniquement aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 3°.
   Les motifs de refus visés à l'[3 alinéa 1er, 1°, e) et f), et 7° à 10°]3, ne s'appliquent pas aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 3°, 6°, 7°, 8° et 18°, ni aux demandes de travailleurs saisonniers tels que visés à la section 2 du chapitre 8.
   Lors de l'Ă©valuation de l'admission au travail, [2 le membre du personnel de l'autoritĂ© compĂ©tente dĂ©signĂ© conformĂ©ment Ă  l'article 2, § 4,]2 tient compte des circonstances spĂ©cifiques propres Ă  la demande, des intĂ©rĂȘts du travailleur Ă©tranger, de l'intĂ©rĂȘt Ă©conomique de l'employeur, et du principe de proportionnalitĂ©]1
.
  
Art. 13. [1 § 1. De toelating tot arbeid wordt ingetrokken als:
   1° voor de aanvraag gebruikgemaakt is van bedrieglijke praktijken, onvolledige, onjuiste of vervalste verklaringen, of als onrechtmatig verkregen gegevens werden bezorgd of onrechtmatig aanpassingen werden verricht;
   2° de onderneming of de gastentiteit is opgericht of opereert met als belangrijkste doel de binnenkomst van buitenlandse werknemers te vergemakkelijken, of geen economische of maatschappelijke activiteiten uitvoert;
   3° de tewerkstelling strijdig is met de openbare orde of openbare veiligheid, met de wetten en reglementen, of met de internationale overeenkomsten en akkoorden over de indienstneming en tewerkstelling van werknemers van buitenlandse nationaliteit;
   4° de werkgever of de gastentiteit de wettelijke en reglementaire verplichtingen voor de tewerkstelling van werknemers niet nakomt, met inbegrip van de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de werknemers;
   5° de werkgever, de gastentiteit of de werknemer zich niet houdt aan de bijzondere voorwaarden, vermeld in artikel 10.
   § 2. De toelating tot arbeid kan ingetrokken worden als:
   1° tegen de [3 werkgever, de gastentiteit of hun bestuurder]3 een sanctie uitgesproken is op grond van een van de volgende bepalingen:
   a) artikel 12/1, § 1, artikel 12/3, § 1, of artikel 12/4 van de wet van 30 april 1999;
   b) artikel 13/5, artikel 13/6, § 2, § 4, of § 5, van het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht;
   c) artikel 22 van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen;
   d) artikel 175/1, § 1, artikel 181, § 1, of artikel 181/1 van het Sociaal Strafwetboek;
  [3 e) artikel 229, 232, 233, 234 of 235 van het Sociaal Strafwetboek;
   f) artikel 433quinquies tot en met artikel 433octies van het Strafwetboek;]3

   2° de werkgever, de gastentiteit of diens bestuurders in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verkeren, het voorwerp uitmaken van een procedure tot faillietverklaring, of de voorbije vijf jaar failliet zijn verklaard, of een gerechtelijke reorganisatie hebben aangevraagd of verkregen;
   3° de werkgever of de gastentiteit zich niet houdt aan de verplichtingen die zijn opgelegd door fiscale, sociaalrechtelijke of vennootschapsrechtelijke wetgeving;
   4° de werkgever of de gastentiteit onvoldoende economische of maatschappelijke activiteiten uitoefent die de tewerkstelling van buitenlandse werknemers verantwoordt.
   De intrekkingsgrond, vermeld in het eerste lid, 2°, is niet van toepassing op de aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°.
   De intrekkingsgrond, vermeld in het [3 eerste lid, 1°, e) en f), en 4° ]3, is niet van toepassing op aanvragen van personen als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°, 6°, 7°, 8° en 18°, of op aanvragen van seizoenarbeiders als vermeld in afdeling 2 van hoofdstuk 8.
   Bij de beoordeling van de toelating houdt [2 het personeelslid van de bevoegde overheid dat conform artikel 2, § 4, is aangewezen]2 rekening met de specifieke omstandigheden die eigen zijn aan de aanvraag, de belangen van de buitenlandse werknemer, het economische belang van de werkgever en het evenredigheidsbeginse ]1
.
  
Art. 13. [1 § 1er. L'admission à l'emploi est retirée lorsque :
   1° pour les besoins de la demande, il a été fait usage de pratiques frauduleuses, de déclarations incomplÚtes, inexactes ou falsifiées, ou que des données ont été obtenues ou des adaptations apportées de maniÚre illicite ;
   2° l'entreprise ou l'entité d'accueil a été fondée ou exerce ses activités principalement dans le but de faciliter l'entrée de travailleurs étrangers, ou n'exerce pas d'activités de nature économique ou sociale ;
   3° l'occupation est contraire à l'ordre public ou à la sécurité publique, aux lois et rÚglements ou aux conventions et accords internationaux relatifs à l'engagement et l'occupation de travailleurs étrangers ;
   4° l'employeur ou l'entité d'accueil ne respecte pas les obligations légales ou réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs, en ce compris les conditions de rémunération et autres conditions de travail applicables aux travailleurs ;
   5° l'employeur, l'entité d'accueil ou le travailleur ne respecte pas les conditions spéciales, visées à l'article 10.
   § 2. L'admission Ă  l'emploi peut ĂȘtre retirĂ©e lorsque :
   1° une sanction a été prononcée à l'encontre [3 de l'employeur, de l'entité d'accueil ou de leurs administrateurs ]3 sur la base de l'une des dispositions suivantes :
   a) l'article 12/1, § 1er, l'article 12/3, § 1er, ou l'article 12/4 de la loi du 30 avril 1999 ;
   b) l'article 13/5, l'article 13/6, § 2, § 4, ou § 5, du décret du 30 avril 2004 relatif au contrÎle des lois sociales ;
   c) l'article 22 du décret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activités professionnelles indépendantes par des ressortissants étrangers ;
   d) l'article 175/1, § 1er, l'article 181, § 1er, ou l'article 181/1 du Code pénal social ;
  [3 e) les articles 229, 232, 233, 234 ou 235 du Code pénal social ;
   f) les articles 433quinquies à 433octies du Code pénal .]3

   2° l'employeur, l'entité d'accueil ou ses administrateurs sont en état de faillite ou d'insolvabilité manifeste, ils font l'objet d'une procédure de déclaration de faillite au cours des cinq derniÚres années, ou a demandé ou obtenu une réorganisation judiciaire ;
   3° l'employeur ou l'entité d'accueil ne respecte pas les obligations imposées par le droit fiscal, social ou des sociétés ;
   4° l'employeur ou l'entité d'accueil n'exerce pas d'activités économiques ou sociales suffisantes pour justifier l'emploi de travailleurs étrangers.
   Le motif de refus visé à l'alinéa 1er, 2°, ne s'applique pas aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 3°.
   Le motif de refus visé à l'[3 alinéa 1er, 1°, e) et f), et 4° ]3, ne s'applique pas aux demandes de personnes telles que visées à l'article 17, alinéa 1er, 3°, 6°, 7°, 8° et 18°, ni aux demandes de travailleurs saisonniers tels que visés à la section 2 du chapitre 8.
   Lors de l'Ă©valuation de l'admission, [2 le membre du personnel de l'autoritĂ© compĂ©tente dĂ©signĂ© conformĂ©ment Ă  l'article 2, § 4,]2 tient compte des circonstances spĂ©cifiques propres Ă  la demande, des intĂ©rĂȘts du travailleur Ă©tranger, de l'intĂ©rĂȘt Ă©conomique de l'employeur, et du principe de proportionnalitĂ© ]1
.
  
Art. 14. § 1. De toelating tot arbeid voor een bepaalde duur verliest haar geldigheid als de houder ervan niet langer beschikt over een wettig verblijf in België.
  De van rechtswege toelating tot arbeid in het kader van kortetermijnmobiliteit, vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid, 5° en 6°, vervalt als [1 het personeelslid van de bevoegde overheid dat conform artikel 2, § 4, is aangewezen,]1 de aanvraag van langetermijnmobiliteit die wordt ingediend voor de persoon, vermeld in artikel 17, eerste lid, 6° of 7°, afwijst.
  § 2. De toelating tot arbeid voor onbepaalde duur verliest haar geldigheid als de onderdaan van een derde land gedurende een periode van meer dan een jaar uit het land afwezig blijft, behalve als die afwezigheid niet het verlies van zijn recht of machtiging tot verblijf tot gevolg had conform artikel 39, § 3 of § 5 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  De vreemdeling die ambtshalve wordt geschrapt door het gemeentebestuur of van wie de verblijfstitel al meer dan drie maanden is verstreken, wordt verondersteld het land te hebben verlaten, behalve na bewijs van het tegendeel.
  
Art. 14. § 1er. L'admission au travail à durée déterminée perd sa validité lorsque son titulaire n'est plus en situation de séjour légal en Belgique.
  L'admission au travail de plein droit dans le cadre de la mobilité de courte durée visée à l'article 16, § 1er, alinéa premier, 5° et 6°, expire lorsque [1 le membre du personnel de l'autorité compétente désigné conformément au paragraphe 4,]1 rejette la demande de mobilité de longue durée introduite pour la personne visée à l'article 17, alinéa premier, 6° ou 7°.
  § 2. L'admission au travail Ă  durĂ©e dĂ©terminĂ©e perd sa validitĂ© lorsque le ressortissant d'un pays tiers reste absent du pays pendant une pĂ©riode de plus d'un an, sauf lorsque l'absence prĂ©citĂ©e n'a pas eu pour consĂ©quence la perte de son droit ou de son titre de sĂ©jour conformĂ©ment Ă  l'article 39, § 3 ou § 5 de l'arrĂȘtĂ© royal du 8 octobre 1981 sur l'accĂšs au territoire, le sĂ©jour, l'Ă©tablissement et l'Ă©loignement des Ă©trangers.
  L'étranger qui est radié d'office par l'administration communale ou dont le titre de séjour est périmé depuis plus de trois mois, est présumé, sauf preuve du contraire, avoir quitté le pays.
  
HOOFDSTUK 5. - Beroep
CHAPITRE 5. - Recours
Art. 15. In toepassing van hoofdstuk V van de wet van 30 april 1999, kan de minister voor individuele behartigenswaardige gevallen om economische of sociale redenen, de volgende afwijkingen toestaan:
  1° met toepassing van artikel 17, eerste lid, 1°, aangetoonde kwalificaties op basis van ervaring of opleiding, die niet gestaafd worden door een diploma van het hoger onderwijs, als gelijkwaardig aanvaarden, voor zover deze kwalificaties ten minste niveau 5 behalen;
  2°[1 ...]1
  
Art. 15. En application du chapitre V de la loi du 30 avril 1999, le Ministre peut, dans des cas individuels dignes d'intĂ©rĂȘt et pour des raisons Ă©conomiques ou sociales, accorder les dĂ©rogations suivantes :
  1° en application de l'article 17, alinéa premier, 1°, considérer comme équivalentes les qualifications prouvées sur la base de l'expérience ou de la formation, qui ne sont pas étayées par un diplÎme de l'enseignement supérieur, pour autant que lesdites qualifications atteignent au moins le niveau 5 ;
  2° [1 ...]1
  
HOOFDSTUK 6. - Toelatingen tot arbeid voor bepaalde duur
CHAPITRE 6. - Admissions au travail à durée déterminée
Art. 16. [1 § 1. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van internationale akkoorden zijn de volgende categorieën van personen van rechtswege toegelaten tot arbeid als ze voldoen aan de voorafgaande Limosa-aangifte conform titel IV, hoofdstuk 8, afdeling 2, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, en als hun arbeidsprestaties beperkt zijn tot maximaal negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend conform artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980:
   1° de onderdanen van derde landen die geen hoofdverblijfplaats hebben in België en die een van de volgende tijdelijke handelsactiviteiten verrichten die verband houden met de zakelijke belangen van de werkgever, waarbij geen diensten of goederen worden geleverd:
   a) het bijwonen van:
   1) conferenties en seminaries;
   2) interne en externe zakelijke bijeenkomsten;
   3) beurzen en tentoonstellingen;
   b) het onderhandelen over zakelijke overeenkomsten;
   c) het ondernemen van verkoops- of marketingactiviteiten;
   d) het uitvoeren van interne audits of klantenaudits;
   e) het verkennen van bedrijfsopportuniteiten;
   f) het geven of volgen van opleidingen;
   2° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een onderneming die in het buitenland gevestigd is, goederen in ontvangst te nemen die door de Belgische nijverheid geleverd zijn;
   3° de journalisten die in het buitenland verblijven en die verbonden zijn aan dagbladen die in het buitenland uitgegeven worden of persagentschappen of radio- of televisiestations die in het buitenland gevestigd zijn, en die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht;
   4° de werknemers die worden tewerkgesteld in een buitenlandse onderneming en die naar België komen om een opleiding te geven of te volgen in de Belgische zetel van de groep van ondernemingen waartoe hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van de groep van ondernemingen;
   5° de leidinggevende-ICT, specialist-ICT of stagiair-werknemer-ICT die zijn recht op kortetermijnmobiliteit uitoefent, op voorwaarde dat de bezoldiging niet minder gunstig is dan die van vergelijkbare functies overeenkomstig toepasselijke wetten, collectieve overeenkomsten of praktijken, conform artikel 79;
   6° de onderdanen van derde landen die als vertegenwoordigers van hotels, reisbureaus of reisorganisaties, of die als gidsen een congres of beurs bijwonen of daaraan deelnemen of een rondreis begeleiden die is begonnen op het grondgebied van een derde land;
   7° vertalers en tolken: de onderdanen van derde landen die als vertalers of tolken diensten verlenen als werknemers van een rechtspersoon die op het grondgebied van een derde land gevestigd is.
   In het eerste lid, 5°, wordt onder het recht op kortetermijnmobiliteit verstaan: het recht waarover de onderdaan van een derde land die in het bezit is van een geldige vergunning voor een persoon die binnen een onderneming overgeplaatst is, die afgegeven is door een andere lidstaat, beschikt om op het Belgische grondgebied te verblijven en te werken in elke entiteit die in België is gevestigd en die tot de onderneming of dezelfde groep van ondernemingen behoort, gedurende een maximale periode van negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen.
   § 2. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van internationale akkoorden zijn de volgende personen van rechtswege toegelaten tot arbeid als ze voldoen aan de voorafgaande Limosa-aangifte conform titel IV, hoofdstuk 8, afdeling 2, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen:
   1° de onderdanen van derde landen die in het kader van onderzoek hun recht op kortetermijnmobiliteit uitoefenen op voorwaarde dat aan hun tewerkstelling inkomsten zijn verbonden die hen in staat stellen om te voorzien in hun behoeften of in de behoeften van hun gezin, conform artikel 76, § 1, eerste lid;
   2° de werknemers die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld zijn door een onderneming die gevestigd is in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse Bondsstaat en die zich tijdelijk naar België begeven om diensten te verrichten, op voorwaarde dat ze voldoen aan [2 al]2 de volgende voorwaarden:
   a) ze verblijven in de lidstaat van de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse Bondsstaat en ze beschikken daar over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
   b) ze zijn wettig tewerkgesteld in de lidstaat waar ze verblijven, en de vergunning is ten minste geldig voor de duurtijd van het werk dat ze in België moeten uitvoeren;
   c) ze zijn in het bezit van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
   d) ze beschikken over een paspoort en een verblijfsvergunning met een duurtijd die minimaal gelijkwaardig is met de duurtijd van de dienstverlening om hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.
   In het eerste lid, 1°, wordt onder het recht op kortetermijnmobiliteit verstaan: het recht waarover de onderdaan van een derde land beschikt die in het bezit is van een geldige vergunning voor onderzoeker, die afgegeven is door een andere lidstaat, om op het Belgische grondgebied te verblijven om een deel van zijn onderzoek uit te voeren gedurende een periode van honderdtachtig dagen binnen elke periode van driehonderdzestig dagen.
   § 3. De volgende categorieën van personen worden van rechtswege toegelaten tot arbeid:
   1° de gedetacheerde werknemers die niet onderworpen zijn aan een voorafgaande Limosa-aangifte conform artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen als hun prestaties in België beperkt zijn tot maximaal negentig dagen binnen een periode van honderdtachtig dagen, berekend conform artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980;
   2° de onderzoekers of de internationale docenten die verbonden zijn aan een erkende Belgische onderzoeksinstelling, als hun prestaties beperkt zijn tot een periode van maximaal negentig dagen binnen elke periode van honderdtachtig dagen, berekend conform artikel 6, tweede en derde lid, van de wet van 15 december 1980;
   3° de houders van een geldige toelating tot arbeid die is afgeleverd conform hoofdstuk 9 die een flexi-job uitoefenen.
   In het eerste lid, 3°, wordt onder flexi-job verstaan: de tewerkstelling als vermeld in artikel 3, 1°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken ]1
.
  
Art. 16. [1 . § 1er. Sans préjudice de l'application des dispositions d'accords internationaux, les catégories suivantes de personnes sont de plein droit admises au travail si elles répondent à la déclaration Limosa préalable conformément au titre IV, chapitre 8, section 2, de la loi (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés, et que leurs prestations de travail sont limitées à un maximum de 90 jours dans une période de 180 jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980 :
   1° les ressortissants de pays tiers qui n'ont pas leur rĂ©sidence principale en Belgique et qui effectuent une des activitĂ©s commerciales temporaires suivantes liĂ©es aux intĂ©rĂȘts commerciaux de l'employeur, qui n'impliquent pas de fourniture de services ou de biens :
   a) participer à :
   1) des conférences et des séminaires ;
   2) des réunions d'affaires internes et externes ;
   3) des foires et des expositions ;
   b) négocier des accords commerciaux ;
   c) entreprendre des activités de vente ou de marketing ;
   d) réaliser des audits internes ou des audits de clients ;
   e) explorer des opportunités commerciales ;
   f) donner ou suivre des formations ;
   2° les personnes venues en Belgique pour procéder, pour le compte d'une entreprise établie à l'étranger, à la réception de biens fournis par l'industrie belge ;
   3° les journalistes résidant à l'étranger, qui sont liés à des journaux publiés à l'étranger ou à des agences de presse, stations de radio ou de télévision établies à l'étranger, qui viennent en Belgique dans le cadre de l'exécution de leur mission ;
   4° les travailleurs qui sont employés dans une entreprise étrangÚre, qui viennent en Belgique pour donner ou suivre une formation au siÚge belge du groupe d'entreprises auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'une convention de formation entre les siÚges dudit groupe d'entreprises ;
   5° le cadre TIC, le spécialiste TIC ou le travailleur stagiaire TIC qui exerce son droit à la mobilité à court terme, à condition que la rémunération ne soit pas moins favorable que celle de fonctions comparables conformément aux lois, conventions collectives ou pratiques applicables, conformément à l'article 79 ;
   6° les ressortissants de pays tiers qui, en tant que représentants d'hÎtels, d'agences ou organisations de voyage, ou qui, en tant que guides, assistent ou participent à un congrÚs ou une foire ou accompagnent un circuit touristique qui a commencé sur le territoire d'un pays tiers ;
   7° traducteurs et interprÚtes : les ressortissants de pays tiers qui fournissent des services de traduction ou d'interprétation en tant que travailleurs d'une personne morale établie sur le territoire d'un pays tiers.
   Dans l'alinĂ©a 1er, 5°, on entend par le droit Ă  la mobilitĂ© Ă  court terme : le droit dont dispose le ressortissant d'un pays tiers qui est en possession d'un titre valable pour une personne faisant l'objet d'un transfert temporaire au sein d'une entreprise, dĂ©livrĂ© par un autre Etat membre, de sĂ©journer sur le territoire belge et de travailler dans chaque entitĂ© Ă©tablie en Belgique et faisant partie de l'entreprise ou du mĂȘme groupe d'entreprises, pendant une pĂ©riode maximale de 90 jours au sein d'une pĂ©riode de 180 jours.
   § 2. Sans préjudice de l'application des dispositions d'accords internationaux, les personnes suivantes sont de plein droit admises au travail si elles répondent à la déclaration Limosa préalable conformément au titre IV, chapitre 8, section 2, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés :
   1° les ressortissants de pays tiers qui exercent leur droit à la mobilité de courte durée dans le cadre de recherches, à la condition que les revenus liés à leur occupation permettent aux travailleurs en question de pourvoir à leurs besoins et à ceux de leur famille, conformément à l'article 76, § 1er, alinéa 1er ;
   2° les travailleurs qui ne sont pas ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont employés par une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen ou par la Confédération suisse, et qui se rendent temporairement en Belgique pour y fournir des services, à la condition qu'ils remplissent [2 l'ensemble des conditions suivantes ]2 :
   a) ils sĂ©journent dans l'Etat membre de l'Espace Ă©conomique europĂ©en ou la ConfĂ©dĂ©ration suisse, oĂč ils disposent d'un droit de sĂ©jour ou d'un titre de sĂ©jour de plus de trois mois ;
   b) ils sont employĂ©s lĂ©galement dans l'Etat membre oĂč ils sĂ©journent et le permis est valable au moins pour la durĂ©e du travail qu'ils doivent effectuer en Belgique ;
   c) ils sont en possession d'un contrat de travail en rÚgle ;
   d) ils sont titulaires d'un passeport et d'un titre de séjour d'une durée au moins équivalente à la durée des services, afin de garantir leur retour dans leur pays d'origine ou de séjour.
   Dans l'alinéa 1er, 1°, on entend par le droit à la mobilité à court terme : le droit dont dispose le ressortissant d'un pays tiers qui est en possession d'un titre valable pour un chercheur, délivré par un autre Etat membre, de séjourner sur le territoire belge afin d'y effectuer une partie de ses recherches pendant une période maximale de 180 jours dans le cadre de chaque période de 360 jours.
   § 3. Les catégories de personnes suivantes sont admises de plein droit au travail :
   1° les travailleurs dĂ©tachĂ©s qui ne sont pas soumis Ă  une dĂ©claration Limosa prĂ©alable conformĂ©ment Ă  l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 20 mars 2007 pris en exĂ©cution du Chapitre 8 du Titre IV de la loi-programme (I) du 27 dĂ©cembre 2006 instaurant une dĂ©claration prĂ©alable pour les travailleurs salariĂ©s et indĂ©pendants dĂ©tachĂ©s, si leurs prestations en Belgique sont limitĂ©es Ă  un maximum de 90 jours dans une pĂ©riode de 180 jours, calculĂ©e conformĂ©ment Ă  l'article 6, alinĂ©as 2 et 3, de la loi du 15 dĂ©cembre 1980 ;
   2° les chercheurs ou les chargés de cours internationaux attachés à un institut de recherche belge agréé, si leurs prestations sont limitées à une période maximale de 90 jours dans le cadre de chaque période de 180 jours, calculée conformément à l'article 6, alinéas 2 et 3, de la loi du 15 décembre 1980 ;
   3° les titulaires d'une admission au travail en cours de validité délivrée conformément au chapitre 9, qui exercent un flexi-job.
   Dans l'alinéa 1er, 3°, on entend par flexi-job : l'occupation telle que visée à l'article 3, 1°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matiÚre sociale ]1
.
  
Art. 17. De volgende personen worden toegelaten tot arbeid:
  1° hooggeschoold personeel, op voorwaarde dat de buitenlandse werknemer hogere beroepskwalificaties aantoont aan de hand van een diploma van het hoger onderwijs [3 en een hooggekwalificeerde functie uitvoert waarvoor de bezoldiging]3 minstens 100% bedraagt van het gemiddeld bruto jaarloon.
  De bezoldiging bedraagt minstens 80% van het gemiddeld bruto jaarloon voor de werknemer, verbonden door een arbeidsovereenkomst met een in België gevestigde werkgever, voor zover de werknemer:
  a) ofwel de leeftijd van dertig jaar niet heeft bereikt;
  b) ofwel tewerkgesteld wordt als verpleegkundige;
  [2 c) ofwel als leerkracht wordt tewerkgesteld in een onderwijsinstelling die de Vlaamse Gemeenschap heeft erkend;]2
  2° leidinggevend personeel, op voorwaarde dat hun jaarlijkse bezoldiging minstens 160% bedraagt van het gemiddeld bruto jaarloon;
  3° hooggeschoold personeel dat in aanmerking komt voor de Europese blauwe kaart conform de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 8, afdeling 1, van dit besluit;
  4° [1 [3 seizoenarbeiders als vermeld in hoofdstuk 8, afdeling 2 van dit besluit;]3]1
  De bezoldiging bedraagt minstens 80% van het gemiddeld bruto jaarloon voor de werknemer, verbonden door een arbeidsovereenkomst met een in België gevestigde werkgever, voor zover de werknemer de leeftijd van dertig jaar niet heeft bereikt;
  5° postdoctoraal onderzoekers die een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek genieten voor een periode van maximum drie jaar;
  6° onderzoekers die, op basis van een gastovereenkomst met een erkende onderzoeksinstelling, in aanmerking komen voor een vergunning voor onderzoekers of een vergunning voor langetermijnmobiliteit voor onderzoekers conform de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 8, afdeling 4, van dit besluit;
  7° de binnen de onderneming overgeplaatste leidinggevende-ICT, specialist-ICT, of stagiair-werknemer-ICT die in aanmerking komt voor een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon of een vergunning voor langetermijnmobiliteit conform de voorwaarden, vermeld [2 in]2 hoofdstuk 8, afdeling 3, van dit besluit;
  8° buitenlandse stagiairs die in aanmerking komen voor een vergunning voor stagiairs conform de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 8, afdeling 5, van dit besluit;
  9° de houders van een universitair diploma die een verplichte stage verrichten om een vervolgdiploma te behalen;
  10° stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid of door een internationale instelling van publiek recht die in België gevestigd is en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma dat goedgekeurd is door die instelling;
  11° personen die tewerkgesteld worden ter uitvoering van internationale akkoorden die zijn goedgekeurd door een federale overheid, gewestelijke overheid of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;
  12° beroepssporters, scheidsrechters en trainers die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, op voorwaarde dat hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan 81.600 euro, berekend en aangepast conform artikel 78 van dit besluit. Trainers die niet verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, tonen een jaarlijkse bezoldiging aan van 40.800 euro, berekend en aangepast conform artikel 78 van dit besluit;
  13° schouwspelartiesten, op voorwaarde dat hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan 34.179 euro, berekend en aangepast conform artikel 78 van dit besluit;
  14° de bedienaars van de erkende erediensten, op voorwaarde dat hun activiteiten de bediening betreft binnen een lokale geloofsgemeenschap, erkend conform artikel 2, 79, 115, 151, 187 of 230 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten;
  15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen of radio- of televisiestations;
  16° [2 gespecialiseerde technici die krachtens een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld bij een werkgever die in het buitenland is gevestigd en die naar België komen om over te gaan tot de montage, het op gang brengen of de herstelling van een installatie die door die werkgever in het buitenland is vervaardigd of geleverd, of de voormelde diensten verlenen op grond van een garantiebeding in de oorspronkelijke leveringsovereenkomst, voor een periode van maximaal zes maanden]2;
  17° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding [1 geven of]1 volgen in een Vlaams bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst die toegevoegd is aan een verkoopcontract tussen dat Vlaamse bedrijf en de buitenlandse firma, op voorwaarde dat de duur van die opleiding niet langer duurt dan zes maanden;
  18° vrijwilligers die in aanmerking komen voor een vergunning voor vrijwilligers, conform de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 8, afdeling 6, van dit besluit;
  19° werknemers die tewerkgesteld worden in een buitenlandse onderneming, die naar België komen om een opleiding [1 te geven of]1 te volgen in de Belgische zetel van de groep van ondernemingen waartoe hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die groep.
  In het eerste lid, 5° wordt verstaan onder postdoctoraal onderzoeker: de personen met minimum kwalificatie niveau 8, die in het kader van internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit of een erkende onderzoeksinstelling tot een goed einde brengt om de wetenschappelijke kennis die hij heeft opgedaan in het kader van het doctoraat te valoriseren.
  
Art. 17. Sont admises au travail les personnes suivantes :
  1° le personnel hautement qualifié, à la condition que le travailleur étranger apporte la preuve de qualifications professionnelles supérieures au moyen d'un diplÎme de l'enseignement supérieur [3 et exerce une fonction hautement qualifiée pour laquelle la rémunération]3 s'élÚve à au moins 100 % du salaire annuel brut moyen.
  La rémunération s'élÚve à au moins 80 % du salaire annuel brut moyen pour le travailleur lié par un contrat de travail à un employeur établi en Belgique, pour autant que le travailleur :
  a) n'ait pas atteint l'ùge de trente ans ;
  b) ou qu'il soit employé en qualité d'infirmier ;
  [2 c) soit occupé comme enseignant dans un établissement d'enseignement reconnu par la Communauté flamande ; ]2
  2° le personnel dirigeant, à la condition que sa rémunération annuelle s'élÚve à au moins 160 % du salaire annuel brut moyen ;
  3° le personnel hautement qualifiĂ© qui entre en considĂ©ration pour la carte bleue europĂ©enne, conformĂ©ment aux conditions Ă©noncĂ©es au chapitre 8, section 1Ăšre, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  4° [1 [3 4° les travailleurs saisonniers figurant au chapitre 8, section 2, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;]3]1
  La rémunération s'élÚve à au moins 80 % du salaire annuel brut moyen pour le travailleur lié par un contrat de travail à un employeur établi en Belgique, pour autant que le travailleur n'ait pas atteint l'ùge de trente ans ;
  5° les chercheurs postdoctoraux qui reçoivent une allocation pour la recherche scientifique pour une durée maximale de trois ans ;
  6° les chercheurs qui, sur la base d'une convention d'accueil conclue avec un organisme de recherche agréé, entrent en considĂ©ration pour l'obtention d'un permis pour chercheurs ou d'une autorisation de mobilitĂ© de longue durĂ©e pour chercheurs, conformĂ©ment aux conditions Ă©noncĂ©es au chapitre 8, section 4, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  7° le supĂ©rieur TIC, le spĂ©cialiste TIC faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe ou le travailleur stagiaire TIC qui entre en considĂ©ration pour l'obtention d'un permis pour une personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe ou d'une autorisation de mobilitĂ© de longue durĂ©e, conformĂ©ment aux conditions Ă©noncĂ©es au chapitre 8, section 3, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  8° les stagiaires Ă©trangers qui entrent en considĂ©ration pour l'obtention d'un permis pour stagiaires, conformĂ©ment aux conditions Ă©noncĂ©es au chapitre 8, section 5, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  9° les titulaires d'un diplÎme universitaire qui effectuent un stage obligatoire afin d'obtenir un diplÎme complémentaire ;
  10° les stagiaires qui sont employés par une autorité belge ou par un organisme international de droit public établi en Belgique et dont le statut est régi par une convention entrée en vigueur, ou qui sont employés dans le cadre d'un programme approuvé par l'organisme en question ;
  11° les personnes qui sont employées en exécution d'accords internationaux adoptés par une autorité fédérale, régionale ou communautaire dans le cadre de leurs compétences respectives ;
  12° les sportifs professionnels, arbitres et entraĂźneurs liĂ©s par un contrat de travail de sportif rĂ©munĂ©rĂ©, Ă  la condition que leur rĂ©munĂ©ration annuelle ne soit pas infĂ©rieure Ă  81.600 euros, calculĂ©e et adaptĂ©e conformĂ©ment Ă  l'article 78 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Les entraĂźneurs qui ne sont pas liĂ©s par un contrat de travail de sportif rĂ©munĂ©rĂ© doivent apporter la preuve d'une rĂ©munĂ©ration annuelle de 40.800 euros, calculĂ©e et adaptĂ©e conformĂ©ment Ă  l'article 78 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  13° les artistes du spectacle, Ă  la condition que leur rĂ©munĂ©ration annuelle ne soit pas infĂ©rieure Ă  34.179 euros, calculĂ©e et adaptĂ©e conformĂ©ment Ă  l'article 78 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  14° les ministres des cultes reconnus, à la condition que leurs activités portent sur le ministÚre au sein d'une communauté religieuse locale, reconnue conformément à l'article 2, 79, 115, 151, 187 ou 230 du décret du 7 mai 2004 relatif à l'organisation matérielle et au fonctionnement des cultes reconnus ;
  15° les journalistes séjournant en Belgique qui sont liés exclusivement à des quotidiens publiés à l'étranger ou des agences de presse ou des stations de radio et chaßnes de télévisions établies à l'étranger ;
  16° [2 les techniciens spécialisés occupés par un contrat de travail auprÚs d'un employeur établi à l'étranger, qui viennent en Belgique pour procéder au montage, à la mise en marche ou à la réparation d'une installation fabriquée ou livrée à l'étranger par cet employeur, ou pour fournir les services précités en vertu d'une clause de garantie du contrat de fourniture initial, pour une période de 6 mois au maximum ]2 ;
  17° les travailleurs qui restent liés par un contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger et qui [1 donnent ou]1 suivent une formation professionnelle spécifique dans une entreprise flamande dans le cadre d'un contrat de formation accessoire à un contrat de vente conclu entre cette entreprise flamande et une entreprise étrangÚre, à la condition que la durée de cette formation n'excÚde pas six mois ;
  18° les volontaires qui entrent en considĂ©ration pour l'obtention d'un permis pour volontaires, conformĂ©ment aux conditions Ă©noncĂ©es au chapitre 8, section 6, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  19° les travailleurs qui sont employés dans une entreprise étrangÚre, qui viennent en Belgique pour [1 donner ou ]1 suivre une formation au siÚge belge du groupe d'entreprises auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'une convention de formation entre les siÚges dudit groupe.
  A l'alinéa premier, 5°, il faut entendre par chercheur postdoctoral : une personne possédant une qualification minimale de niveau 8, qui mÚne à bien des recherches scientifiques fondamentales dans le cadre de la mobilité internationale au sein d'une université d'accueil ou d'un organisme de recherche agréé, de façon à valoriser les connaissances scientifiques qu'elle a acquises dans le cadre du doctorat.
  
Art. 18. § 1. [1 [2 § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 16, 17 en 19 wordt de toelating tot arbeid van bepaalde duur uitgereikt aan de werkgever die in België gevestigd is, als er geen kandidaat is op de arbeidsmarkt van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die, al dan niet via een beroepsopleiding of individuele beroepsopleiding die nog moet worden gevolgd, geschikt is om de arbeidsplaats in kwestie op een gepaste wijze en binnen een billijke termijn te bekleden.
   De aanvraag voldoet, op straffe van onontvankelijkheid, aan al de volgende voorwaarden:
   1° de functie wordt vermeld op de knelpuntberoepenlijst die de VDAB jaarlijks publiceert;
   2° de functie vereist een kwalificatie van niveau 3 of niveau 4;
   3° de vacature voor de arbeidsplaats is gepubliceerd op de platformen van de VDAB en EURES, gedurende een aaneengesloten periode van minimaal negen weken in de periode van vier maanden die onmiddellijk voorafgaan aan de aanvraag van een toelating tot arbeid.
   In het tweede lid, 3°, wordt verstaan onder EURES: het Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening als vermeld in verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013.
   Bij de beoordeling door de bevoegde overheid van de vereisten, vermeld in het eerste lid, wordt een geschikte kandidaat vermoed aanwezig te zijn, in elk van de volgende situaties:
   1° de lokale spanningsindicator voor de functie in kwestie is tijdens de volledige periode van vier maanden die onmiddellijk voorafgaan aan de aanvraag van toelating tot arbeid, groter of gelijk aan twaalf;
   2° in de vacature, vermeld in het tweede lid, 3°, staan de gevraagde kwalificaties niet in verhouding tot de uit te voeren functie;
   3° de werkgever verleent tijdens de vacature, vermeld in het tweede lid, 3°, geen medewerking bij de bemiddeling door VDAB.
   In het vierde lid, 1°, wordt verstaan onder lokale spanningsindicator: het getal dat de verhouding weergeeft tussen het aantal werkzoekenden zonder werk, in bemiddeling, en het aantal beschikbare vacatures voor een bepaalde functie in het Vlaamse Gewest, die de VDAB maandelijks berekent en bekendmaakt.
   De bevoegde overheid kan bij de beoordeling van de vereisten, vermeld in het eerste lid, advies vragen aan de VDAB. Het advies van de VDAB wordt binnen acht dagen nadat de VDAB de adviesaanvraag heeft ontvangen, aan de bevoegde overheid bezorgd]2
.]1
.
  § 2. De voorwaarden vermeld in de eerste paragraaf, worden vermoed vervuld te zijn voor functies waarvoor de minister vaststelt dat er een structureel tekort is.
  In toepassing van het eerste lid, stelt de minister [1 uiterlijk om de twee jaar]1, na raadpleging van de Adviescommissie voor Economische Migratie, een lijst op met middengeschoolde functies waarvoor er, voor de toepassing van dit besluit, een structureel tekort aan arbeidskrachten is.
  [2 Bij de beoordeling van het structureel tekort houdt de minister rekening met al de volgende elementen:
   1° het aantal openstaande vacatures op de arbeidsmarkt;
   2° de oorzaak en de duurtijd van het tekort;
   3° de beschikbare arbeidsreserve.
   De minister kan rekening houden met het aanbod van beroepsopleidingen en de geografische spreiding van de tekorten.
   Bij indicaties dat een sector meer dan gemiddeld onderhevig is aan misbruiken, kunnen functies binnen die sector geweerd worden uit de lijst.
   Bij indicaties dat buitenlandse arbeidskrachten niet kunnen voldoen aan essentiële vereisten voor de uitoefening van of voor de toegang tot het beroep, kunnen functies geweerd worden uit de lijst.]2

  De minister deelt de lijst mee aan de Vlaamse Regering.
  In het tweede lid wordt verstaan onder middengeschoolde functies: functies waarvoor kwalificaties van niveau 3 of 4 vereist zijn op basis van ervaring of opleiding.
  
Art. 18. § 1er. [1 [2 Sans préjudice de l'application des articles 16, 17 et 19, l'autorisation de travail à durée déterminée est délivrée à l'employeur établi en Belgique, lorsqu'aucun candidat sur le marché du travail d'un Etat membre de l'Espace économique européen n'est apte à occuper le poste en question de maniÚre adéquate et dans un délai raisonnable, éventuellement dans la perspective d'une formation professionnelle ou d'une formation professionnelle individuelle encore à suivre.
   Sous peine d'irrecevabilité, la demande remplit l'ensemble des conditions suivantes :
   1° la fonction figure sur la liste des professions en pénurie, publiée annuellement par le VDAB ;
   2° la fonction requiert une qualification de niveau 3 ou 4 ;
   3° l'offre d'emploi en question a été publiée sur les plateformes du VDAB et d'EURES pendant une période ininterrompue d'au moins neuf semaines au cours des quatre mois précédant immédiatement la demande d'autorisation de travail.
   A l'alinéa 2, 3°, on entend par EURES : le réseau européen des services de l'emploi tel que visé au rÚglement 2016/589 (UE) du Parlement européen et du Conseil du 13 avril 2016 relatif à un réseau européen des services de l'emploi (EURES), à l'accÚs des travailleurs aux services de mobilité et à la poursuite de l'intégration des marchés du travail, et modifiant les rÚglements (UE) n° 492/2011 et (UE) n° 1296/2013.
   Lors de l'évaluation par l'autorité compétente des exigences énoncées à l'alinéa 1er, un candidat approprié est présumé exister dans chacune des situations suivantes :
   1° l'indice de tension locale pour le poste en question est supérieur ou égal à douze pendant toute la période de quatre mois précédant immédiatement la demande d'autorisation de travail ;
   2° dans l'offre d'emploi figurant à l'alinéa 2, 3°, les qualifications requises ne sont pas proportionnées à la fonction à exercer ;
   3° l'employeur ne fait pas preuve de coopération avec le VDAB dans le cadre de la médiation pendant la durée de l'offre d'emploi figurant à l'alinéa 2, 3°.
   A l'alinéa 4, 1°, on entend par indice de tension locale : le chiffre, calculé et publié chaque mois par le VDAB, qui reflÚte le rapport entre le nombre de demandeurs d'emploi sans emploi, en médiation, et le nombre d'offres d'emploi disponibles pour une fonction déterminée dans la Région flamande.
   Lors de l'évaluation des conditions requises, énoncées à l'alinéa 1er, l'autorité compétente peut demander l'avis du VDAB. L'avis du VDAB est transmis à l'autorité compétente dans les huit jours suivant la réception de la demande d'avis]2
.
  § 2. Les conditions énoncées au paragraphe premier sont réputées avoir été remplies pour les fonctions pour lesquelles le Ministre constate la présence d'un déficit structurel.
  En application de l'alinéa premier, le Ministre établit, [1 au plus tard tous les deux ans]1
et aprĂšs s'ĂȘtre concertĂ© avec la Commission consultative ce la Migration Ă©conomique, une liste des fonctions moyennement qualifiĂ©es pour lesquelles il existe un dĂ©ficit structurel de main-d'oeuvre pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  [2 Lors de l'évaluation de la pénurie structurelle, le ministre tient compte de l'ensemble des éléments suivants :
   1° le nombre de postes vacants sur le marché du travail ;
   2° la cause et la durée de la pénurie ;
   3° la réserve de main-d'oeuvre disponible.
   Le ministre peut tenir compte de l'offre des formations professionnelles et de la répartition géographique des pénuries.
   S'il existe des indications qu'un secteur dĂ©terminĂ© est plus que moyennement sujet Ă  des abus, des fonctions au sein de ce secteur peuvent ĂȘtre retirĂ©es de la liste.
   S'il existe des indications que les travailleurs Ă©trangers ne peuvent pas satisfaire aux exigences essentielles pour l'exercice de, ou l'accĂšs Ă  la profession, des fonctions peuvent ĂȘtre retirĂ©es de la liste. ]2

  Le Ministre communique la liste au Gouvernement flamand.
  A l'alinéa deux, il faut entendre par fonctions moyennement qualifiées : les fonctions requérant des qualifications de niveau 3 ou 4 sur la base de l'expérience ou de la formation.
  
HOOFDSTUK 7. - Toelatingen tot arbeid voor onbepaalde duur
CHAPITRE 7. - Admissions au travail à durée indéterminée
Art. 19. Onverminderd gunstiger bepalingen in internationale akkoorden, worden de volgende personen toegelaten tot arbeid voor onbepaalde duur:
  1° de buitenlandse onderdanen die beschikken over een wettig verblijf in België en die bewijzen dat ze [1 er]1 vier jaar arbeid hebben verricht gedurende vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag;
  2° de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, die beschikken over een wettig verblijf in België en die bewijzen dat ze [1 er]1 twaalf maanden arbeid hebben verricht gedurende maximaal achttien maanden onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag.
  [2 Voor de toepassing van het eerste lid worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een ziekte, beroepsziekte, arbeidsongeval of tijdelijke werkloosheid, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze tewerkgesteld was door een in België gevestigde werkgever.
   Onder tijdelijke werkloosheid wordt het volgende verstaan: tijdelijke werkloosheid wegens overmacht, slecht weer, collectieve sluiting, staking of lock-ou]2
.
  De volgende perioden van arbeid komen niet in aanmerking voor de toepassing van het eerste lid:
  1° de perioden die gedekt zijn door toelatingen tot arbeid die toegekend zijn [1 op basis van artikel 2, § 1, 2°, of]1 voor prestaties buiten de arbeidsovereenkomst;
  2° de perioden die gedekt zijn door toelatingen tot arbeid voor werknemers die door een arbeidsovereenkomst verbonden blijven met een in het buitenland gevestigde werkgever;
  3° de perioden die verricht zijn met toepassing van de normen voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers in het kader van de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen.
  
Art. 19. Sans préjudice de dispositions plus favorables dans des accords internationaux, les personnes suivantes sont admises au travail pour une durée indéterminée :
  1° les ressortissants étrangers qui sont en possession d'un titre de séjour légal en Belgique et qui prouvent qu'ils [1 y ]1 ont travaillé pendant une période ininterrompue de quatre ans pendant les cinq années qui précÚdent immédiatement la demande ;
  2° les ressortissants étrangers qui ont obtenu le statut de ressortissants résidents de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne en vertu de la législation ou de la réglementation en transposition de la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, qui sont en possession d'un titre de séjour légal en Belgique et qui prouvent qu'ils [1 y ]1 ont travaillé pendant une période ininterrompue de douze mois dans la période maximale de dix-huit mois qui précÚde immédiatement la demande.
  [2 Pour l'application de l'alinĂ©a 1er, sont assimilĂ©es aux pĂ©riodes d'emploi les pĂ©riodes d'incapacitĂ© de travail gĂ©nĂ©rale en consĂ©quence d'une maladie, d'une maladie professionnelle, d'un accident du travail ou du chĂŽmage temporaire, qui se sont produits Ă  un moment oĂč la personne concernĂ©e Ă©tait occupĂ©e de façon rĂ©guliĂšre par un employeur Ă©tabli en Belgique.
   On entend par chÎmage temporaire : le chÎmage temporaire pour cause de force majeure, d'intempéries, de fermeture collective, de grÚve ou de lock-out]2
.
  Les périodes de travail suivantes n'entrent pas en considération pour l'application de l'alinéa premier :
  1° les périodes couvertes par des admissions au travail accordées [1 sur la base de l'article 2, § 1er, 2°, ou ]1 pour des prestations fournies en dehors du contrat de travail ;
  2° les périodes couvertes par des admissions au travail pour des travailleurs qui restent liés par un contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger ;
  3° les périodes effectuées en application des normes relatives à l'engagement de travailleurs étrangers dans le cadre de la situation de séjour spécifique des personnes intéressées.
  
HOOFDSTUK 8. - Bijzondere categorieën van werknemers
CHAPITRE 8. - Catégories spéciales de travailleurs
Afdeling 1. - De Europese blauwe kaart
Section 1Úre. - La carte bleue européenne
Art. 20. [1 Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2021/1883 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2021 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en tot intrekking van Richtlijn 2009/50/EG van de Raad]1.
  Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 1 van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing.
  
Art. 20. [1 La présente section prévoit la transposition partielle de la directive 2021/1883 du Parlement européen et du Conseil du 20 octobre 2021 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi hautement qualifié, et abrogeant la directive 2009/50/CE du Conseil]1.
  En vue de l'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 1er, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 sont applicables.
  
Art. 21. De toelating tot arbeid in het kader van de Europese blauwe kaart wordt toegekend als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° de werkgever heeft met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst [1 voor een hooggekwalificeerde baan]1 gesloten van onbepaalde duur of voor minstens [1 zes maanden]1;
  2° de bezoldiging van de buitenlandse werknemer bedraagt minstens [1 130]1 van het gemiddeld bruto jaarloon;
  3° de werknemer toont hogere beroepskwalificaties aan aan de hand van een diploma van het [1 hoger onderwijs met een minimum kwalificatieniveau 6]1.
  [1 Met hogere beroepskwalificaties als vermeld in het eerste lid, 3°, wordt gelijkgesteld, beroepservaring die voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   1° de buitenlandse werknemer is leidinggevende op het gebied van informatie- en communicatietechnologie als vermeld in ISCO-08 code 133 of specialist op het gebied van informatie- en communicatietechnologie als vermeld in ISCO-08 code 25;
   2° de buitenlandse werknemer beschikt over minimaal drie jaar relevante beroepservaring die is verworven binnen zeven jaar voor de aanvraag van een Europese blauwe kaart.]1

  
Art. 21. L'admission au travail au titre de la carte bleue européenne sera accordée si toutes les conditions suivantes sont remplies :
  1° l'employeur doit avoir conclu avec le travailleur étranger un contrat de travail [1 pour un emploi hautement qualifié]1 à durée indéterminée ou d'une durée égale ou supérieure à [1 six mois]1;
  2° la rémunération du travailleur étranger s'élÚve à au moins [1 130 ]1% du salaire annuel brut moyen ;
  3° le travailleur apporte la preuve de qualifications professionnelles supérieures au moyen d'un diplÎme de [1 l'enseignement supérieur avec au minimum le niveau de qualification 6 ]1
  [1 Est assimilée aux qualifications professionnelles supérieures telles que visées à l'alinéa 1er, 3°, l'expérience professionnelle qui remplit toutes les conditions suivantes :
   1° le travailleur étranger est un cadre des technologies de l'information et de la communication tel que visé au code 133 de la CITP-08, ou un spécialiste des technologies de l'information et de la communication tel que visé au code 25 de la CITP-08 ;
   2° le travailleur étranger a au moins trois ans d'expérience professionnelle pertinente acquise dans les sept ans précédant la demande de carte bleue européenne.]1

  
Art. 21/1. [1 Houders van een geldige Europese blauwe kaart, afgeleverd door een andere Europese lidstaat, mogen in toepassing van artikel 16, § 1, 1° of artikel 16, § 2, 2° gedurende maximum 90 dagen binnen een periode van 180 dagen een tijdelijke activiteit uitoefenen in het Vlaamse gewest, op voorwaarde dat de tijdelijke activiteit rechtstreeks in verband staat met de belangen van de werkgever in de eerste Europese lidstaat en met de beroepsmatige verplichtingen van de houder van een Europese blauwe kaart op basis van de arbeidsovereenkomst in de eerste Europese lidstaat. ]1
  
Art. 21/1. [1 Les titulaires d'une carte bleue europĂ©enne en cours de validitĂ© dĂ©livrĂ©e par un autre Etat membre europĂ©en peuvent, en application de l'article 16, § 1er, 1° ou de l'article 16, § 2, 2°, exercer une activitĂ© temporaire en RĂ©gion flamande pendant 90 jours au maximum au cours d'une pĂ©riode de 180 jours, Ă  condition que l'activitĂ© temporaire soit directement liĂ©e aux intĂ©rĂȘts de l'employeur dans le premier Etat membre europĂ©en et aux obligations professionnelles du titulaire de la carte bleue europĂ©enne sur la base du contrat de travail dans le premier Etat membre europĂ©en. ]1
  
Afdeling 2. - De seizoenarbeiders
Section 2. - Les travailleurs saisonniers
Art. 22. Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider.
   Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 2 van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing.
  [1 De bepalingen van deze afdeling gelden voor elke aanvraag van een toelating tot arbeid ingediend overeenkomstig hoofdstuk 9 of hoofdstuk 10 van dit besluit. ]1
  
Art. 22. La présente section prévoit la transposition partielle de la directive 2014/36/UE du Conseil du 26 février 2014 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi en qualité de travailleur saisonnier.
  En vue de l'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 2, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, sont applicables.
  [1 Les dispositions de la prĂ©sente section s'appliquent Ă  toute demande d'autorisation de travail introduite conformĂ©ment au chapitre 9 ou au chapitre 10 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.]1
  
Art. 23. [1 . Een toelating tot arbeid voor seizoenarbeiders wordt toegekend voor maximaal vijf maanden per periode van twaalf maanden, als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
   1° de seizoenarbeider is gebonden door een arbeidsovereenkomst met de werkgever voor seizoenafhankelijke activiteiten in de sectoren landbouw, tuinbouw of horeca;
   2° de uit te voeren functie wordt vermeld op de knelpuntberoepenlijst die de VDAB jaarlijks publiceert.
   De minister kan, na raadpleging van de Adviescommissie voor Economische Migratie, bepaalde functies voor seizoenafhankelijke activiteiten uitsluiten van toelating tot arbeid, als er geen zwaarwichtig tekort aan arbeidskrachten bestaat voor die functies.
   Bij de beoordeling van het zwaarwichtig tekort, vermeld in het tweede lid, houdt de minister rekening met al de volgende elementen:
   1° het aantal openstaande vacatures op de arbeidsmarkt;
   2° de oorzaak van het tekort;
   3° de beschikbare arbeidsreserve.
   De uitsluiting van bepaalde functies voor seizoenafhankelijke activiteiten wordt uiterlijk om de twee jaar herzien ]1

  
Art. 23. [1 L'autorisation de travail pour travailleurs saisonniers est accordée pour une durée maximale de cinq mois par période de douze mois, lorsque les conditions suivantes sont réunies :
   1° le travailleur saisonnier est lié par un contrat de travail avec l'employeur dans le cadre d'activités saisonniÚres dans les secteurs de l'agriculture, de l'horticulture ou de l'horeca ;
   2° la fonction à exercer figure sur la liste des professions en pénurie publiée chaque année par le VDAB.
   AprÚs consultation de la Commission consultative pour la migration économique, le ministre peut exclure certaines fonctions pour des activités saisonniÚres de l'autorisation de travail s'il n'y a pas de pénurie grave de main-d'oeuvre pour ces fonctions.
   Lors de l'évaluation de la pénurie grave figurant à l'alinéa 2, le ministre tient compte de l'ensemble des éléments suivants :
   1° le nombre de postes vacants sur le marché du travail ;
   2° la cause de la pénurie ;
   3° la réserve de main-d'oeuvre disponible.
   L'exclusion de certaines fonctions pour des activités saisonniÚres est réexaminée au plus tard tous les deux ans ]1
.
  
Art. 24. De toelating tot arbeid, vermeld in artikel 23, wordt toegekend voor maximum vijf maanden.
Art. 24. L'admission au travail visée à l'article 23 est octroyée pour une durée maximale de cinq mois.
Art. 24/1. [1 Als de toelating tot arbeid is ingetrokken op basis van artikel 13, § 2, 1°, a), of artikel 13, § 2, 2°, of artikel 13, § 2, 3° betaalt de werkgever een schadevergoeding aan de seizoenarbeider.
   De schadevergoeding dekt alle verplichtingen die de werkgever had moeten nakomen als de toelating tot arbeid niet was ingetrokken. De werkgever betaalt een vergoeding die gelijk is aan het loon dat de seizoenarbeider zou ontvangen. ]1

  
Art. 24/1. [1 Si l'admission au travail a été retirée sur la base de l'article 13, § 2, 1°, a), ou de l'article 13, § 2, 2°, ou de l'article 13, § 2, 3°, l'employeur doit verser une indemnité au travailleur saisonnier.
   L'indemnité couvre toutes les obligations que l'employeur aurait dû remplir si l'admission au travail n'avait pas été retirée. L'employeur verse une indemnité égale au salaire que recevrait le travailleur saisonnier. ]1

  
Afdeling 3. - De binnen de onderneming overgeplaatste personen
Section 3. - Les personnes faisant l'objet d'un transfert intragroupe
Art. 25. Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2014/66/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming.
  Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 3 van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing.
Art. 25. La présente section prévoit la transposition partielle de la directive 2014/66/UE du Conseil du 15 mai 2014 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers dans le cadre d'un transfert intragroupe.
  En vue de l'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 3, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, sont applicables.
Art. 26. De toelating tot arbeid in het kader van de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon wordt toegekend als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming behoren tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen;
  2° de overgeplaatste werknemer is onmiddellijk voorafgaand aan de datum van de overplaatsing ten minste drie ononderbroken maanden in dienst bij die onderneming of groep van ondernemingen als leidinggevende, specialist of als stagiair-werknemer;
  3° [1 de overgeplaatste werknemer toont het volgende aan:
   a) de leidinggevende-ICT: een leidinggevende positie bekleden conform art. 1, 11° ;
   b) de specialist-ICT: beschikken over een minimum kwalificatie niveau 5 of beroepservaring indien al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
   1) de specialist-ICT is leidinggevende op het gebied van informatie- en communicatietechnologie als vermeld in ISCO-08 code 133 of specialist op het gebied van informatie- en communicatietechnologie als vermeld in ISCO-08 code 25;
   2) de specialist-ICT beschikt over minimaal drie jaar relevante beroepservaring die is verworven binnen zeven jaar voor de aanvraag van een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon;
   c) de stagiair-werknemer-ICT: beschikken over een minimum kwalificatie niveau 6 aan de hand van een universitair diploma]1
;
  4° de bezoldiging van de overgeplaatste werknemer is tijdens de gehele overplaatsing binnen een onderneming niet minder gunstig dan die van vergelijkbare functies overeenkomstig toepasselijke wetten of collectieve overeenkomsten of praktijken, conform artikel 79.
  
Art. 26. L'admission au travail dans le cadre d'un permis pour une personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe est accordée lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
  1° l'entitĂ© d'accueil et l'entreprise Ă©tablie dans un pays tiers font partie de la mĂȘme entreprise ou du mĂȘme groupe d'entreprises ;
  2° le travailleur faisant l'objet d'un transfert intragroupe a, immédiatement avant la date du transfert, travaillé pendant au moins trois mois consécutifs auprÚs de l'entreprise ou du groupe d'entreprises en question en qualité de supérieur, de spécialiste ou de travailleur stagiaire ;
  3° [1 travailleur transféré démontre ce qui suit :
   a) le cadre TIC : occuper une position dirigeante conformément à l'art. 1, 11° ;
   b) le spécialiste TIC : disposer d'une qualification minimale de niveau 5 ou une expérience professionnelle si toutes les conditions suivantes sont remplies :
   1) le spécialiste TIC est un cadre des technologies de l'information et de la communication tel que visé au code 133 de la CITP-08, ou un spécialiste des technologies de l'information et de la communication tel que visé au code 25 de la CITP-08 ;
   2) le spécialiste TIC a au moins trois ans d'expérience professionnelle pertinente acquise dans les sept ans précédant la demande d'un permis pour une personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe ;
   c) le travailleur stagiaire TIC : disposer d'une qualification minimale de niveau 6 sur la base d'un diplÎme universitaire]1
;
  4° pendant toute la durée du transfert intragroupe, la rémunération du travailleur faisant l'objet d'un transfert n'est pas moins favorable que la rémunération de fonctions comparables conformément aux lois, conventions collectives et pratiques applicables, conformément à l'article 79.
  
Art. 27. § 1. De toelating tot arbeid voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon wordt uitgereikt voor de duur van de overplaatsing, met een maximumduur van drie jaar voor leidinggevende-ICT en specialist-ICT en een maximumduur van één jaar voor stagiair-werknemer-ICT.
  De periode, vermeld in het eerste lid, kan eventuele periodes van mobiliteit naar andere Europese lidstaten omvatten.
  § 2. Wanneer de maximumduur van de overplaatsing binnen een onderneming, zoals voorzien in § 1, werd bereikt, kan een nieuwe aanvraag voor een overplaatsing van eenzelfde werknemer pas ingediend worden na verloop van een periode van drie maanden.
Art. 27. § 1er. L'admission au travail pour une personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe est délivrée pour la durée du transfert, avec une durée maximale de trois ans pour le supérieur TIC et le spécialiste TIC, et pour une durée maximale d'un an pour le travailleur stagiaire TIC.
  La période visée à l'alinéa premier peut éventuellement inclure des périodes de mobilité vers d'autres Etats membres de l'Union européenne.
  § 2. Lorsque la durĂ©e maximale du transfert intragroupe telle que visĂ©e au § 1er est atteinte, une nouvelle demande de transfert d'un mĂȘme travailleur ne peut ĂȘtre introduite qu'Ă  l'expiration d'une pĂ©riode de trois mois.
Art. 28. De toelating tot arbeid in het kader van de vergunning voor langetermijnmobiliteit van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon wordt toegekend als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° de overgeplaatste werknemer is gedurende de hele procedure houder van een geldige, door de eerste lidstaat afgegeven vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon;
  2° de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming behoren tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen;
  3° de bezoldiging van de overgeplaatste werknemer is tijdens de gehele overplaatsing binnen een onderneming niet minder gunstig dan die van vergelijkbare functies overeenkomstig toepasselijke wetten, collectieve overeenkomsten of praktijken, conform artikel 79.
Art. 28. L'admission au travail dans le cadre de l'autorisation de mobilité de longue durée d'une personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe est accordée lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
  1° le travailleur faisant l'objet d'un transfert est, pendant toute la durée de la procédure, en possession d'un permis valable délivré par le premier Etat membre pour une personne faisant l'objet d'un transfert ;
  2° l'entitĂ© d'accueil et l'entreprise Ă©tablie dans un pays tiers font partie de la mĂȘme entreprise ou du mĂȘme groupe d'entreprises ;
  3° pendant toute la durée du transfert intragroupe, la rémunération du travailleur faisant l'objet d'un transfert n'est pas moins favorable que la rémunération de fonctions comparables conformément aux lois, conventions collectives ou pratiques applicables, conformément à l'article 79.
Afdeling 4. - Onderzoekers
Section 4. - Chercheurs
Art. 29. Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten.
  Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 4 van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing.
Art. 29. La présente section prévoit la transposition partielle de la directive (UE) 2016/801 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relative aux conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers à des fins de recherche, d'études, de formation, de volontariat et de programmes d'échange d'élÚves ou de projets éducatifs et de travail au pair.
  En vue de l'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 4, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, sont applicables.
Art. 30. § 1. Een erkende onderzoeksinstelling kan een gastovereenkomst met een onderzoeker afsluiten, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° het onderzoeksproject waarin de onderzoeker wordt tewerkgesteld, is goedgekeurd door de bevoegde organen van de onderzoeksinstelling, na onderzoek van het voorwerp van het onderzoek, de duurtijd ervan en, zo nodig, de beschikbaarheid van de vereiste financiële middelen;
  2° de kwalificaties van de onderzoeker zijn op basis van zijn diploma's en met het oog op het te verrichten onderzoek onderzocht door de bevoegde organen van de onderzoeksinstelling;
  3° als een subsidie toegekend wordt, is die subsidie gelijk aan de subsidie die toegekend wordt aan een nationale onderdaan.
  § 2. De gastovereenkomst wordt opgemaakt conform het model dat de bevoegde overheid ter beschikking stelt. De gastovereenkomst vermeldt:
  1° de persoonlijke gegevens van de onderzoeksinstelling;
  2° de persoonlijke gegevens van de onderzoeker;
  3° de gegevens en de details over het onderzoeksproject en de tewerkstelling van de onderzoeker in het Vlaamse Gewest;
  4° informatie over de voorgenomen mobiliteit in een of meerdere tweede lidstaten, indien die mobiliteit op het moment van de aanvraag bekend is;
  5° de verklaring van de onderzoeksinstelling dat zij de onderzoeker ontvangt met het oog op de voltooiing van het onderzoek;
  6° de verklaring van de onderzoeker dat hij tracht de onderzoeksactiviteit volledig uit te voeren.
  De gastovereenkomst neemt van rechtswege een einde als de onderzoeker niet tot het grondgebied wordt toegelaten of als de juridische band met de onderzoeksinstelling wordt beëindigd.
Art. 30. § 1er. Un organisme de recherche agréé peut conclure une convention d'accueil avec un chercheur lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
  1° le projet de recherche dans le cadre duquel le chercheur est employé a été approuvé par les organes compétents de l'organisme de recherche, aprÚs examen de l'objet de la recherche, de sa durée et, si nécessaire, de la disponibilité des moyens financiers requis ;
  2° les qualifications du chercheur ont été examinées par les organes compétents de l'organisme de recherche sur la base de ses diplÎmes et en vue de la recherche à effectuer ;
  3° lorsqu'une subvention est octroyée, cette derniÚre est égale à la subvention octroyée à un ressortissant national.
  § 2. La convention d'accueil est établie conformément au modÚle mis à disposition par l'autorité compétente. La convention d'accueil mentionne :
  1° les données personnelles de l'organisme de recherche ;
  2° les données personnelles du chercheur ;
  3° les données et détails relatifs au projet de recherche et à l'occupation du chercheur en Région flamande ;
  4° les données et détails relatifs à la mobilité prévue dans un ou plusieurs Etats membres, pour autant que ladite mobilité soit connue au moment de la demande ;
  5° la déclaration de l'organisme de recherche par laquelle il accueille le chercheur en vue de mener à bien la recherche ;
  6° la déclaration du chercheur par laquelle il s'efforce d'exercer intégralement l'activité de recherche.
  La convention d'accueil prend fin de plein droit lorsque le chercheur n'est pas admis sur le territoire ou qu'il est mis fin à la relation juridique avec l'organisme de recherche.
Art. 31. De toelating tot arbeid in het kader van de vergunning voor onderzoekers wordt toegekend als de onderzoeker met de erkende onderzoeksinstelling, die in het Vlaamse Gewest ligt, verbonden is door een geldige gastovereenkomst als vermeld in artikel 30.
Art. 31. L'admission au travail dans le cadre du permis pour chercheurs est accordée lorsque le chercheur est lié à l'organisme de recherche agréé, situé en Région flamande, par une convention d'accueil valable telle que visée à l'article 30.
Art. 32. De toelating tot arbeid in het kader van de vergunning voor langetermijnmobiliteit voor onderzoekers wordt toegekend als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° de onderzoeker is gedurende de hele procedure houder van een geldige, door de eerste lidstaat afgegeven vergunning voor onderzoeker;
  2° de onderzoeker is met de erkende onderzoeksinstelling, die in het Vlaamse Gewest ligt, verbonden door een geldige gastovereenkomst als vermeld in artikel 30, om er een deel uit te voeren van het onderzoeksproject op basis waarvan de vergunning voor onderzoeker is afgegeven door de eerste lidstaat.
Art. 32. L'admission au travail dans le cadre de l'autorisation de mobilité de longue durée pour chercheurs est accordée lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
  1° le chercheur est, pendant toute la durée de la procédure, en possession d'un permis valable pour chercheur, délivré par le premier Etat membre ;
  2° le chercheur est lié à l'organisme de recherche agréé, situé en Région flamande, par une convention d'accueil valable telle que visée à l'article 30, afin d'exécuter une partie du projet de recherche sur la base duquel le permis pour chercheur a été délivré par le premier Etat membre.
Art. 33. De toelating tot arbeid die is toegekend met toepassing van artikel 31 of 32:
  1° wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de gastovereenkomst tussen de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling;
  2° omvat de activiteiten die de onderzoeker in het kader van het onderzoeksproject uitvoert als [1 internationaal docent]1 in een universiteit of in een inrichting van hoger onderwijs.
  
Art. 33. L'admission au travail accordée en application de l'article 31 ou 32 :
  1° est limitée à la durée du projet de recherche définie dans la convention d'accueil conclue entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé ;
  2° inclut les activités exercées par le chercheur dans le cadre du projet de recherche en qualité de [1 chargé de cours international ]1 dans une université ou un établissement d'enseignement supérieur.
  
Afdeling 5. - Stagiairs
Section 5. - Stagiaires
Art. 34. Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten.
  Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 5 van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing.
Art. 34. La présente section prévoit la transposition partielle de la directive (UE) 2016/801 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relative aux conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers à des fins de recherche, d'études, de formation, de volontariat et de programmes d'échange d'élÚves ou de projets éducatifs et de travail au pair.
  En vue de l'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 5, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, sont applicables.
Art. 35. De toelating tot arbeid in het kader van de vergunning voor stagiair wordt toegekend als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° de stagiair is verbonden met de werkgever door een stageovereenkomst met een maximumduur van zes maanden;
  2° de stagiair toont hogere beroepskwalificaties aan aan de hand van een diploma van hoger onderwijs, verkregen in de twee jaar voor de aanvraag, of toont aan dat hij een opleiding volgt die leidt tot dat diploma;
  3° de stage bevindt zich op het kwalificatieniveau en bestrijkt hetzelfde gebied als het diploma of de studie, vermeld in punt 2°.
Art. 35. L'admission au travail dans le cadre du permis pour stagiaire est accordée lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
  1° le stagiaire est lié à l'employeur par un contrat de stage d'une durée maximale de six mois ;
  2° le stagiaire apporte la preuve de qualifications professionnelles supérieures au moyen d'un diplÎme de l'enseignement supérieur, obtenu dans les deux ans qui précÚdent la demande, ou la preuve qu'il suit une formation donnant lieu à la délivrance du diplÎme précité ;
  3° le stage porte sur le mĂȘme niveau de qualification et couvre le mĂȘme domaine que le diplĂŽme ou les Ă©tudes visĂ©s au point 2°.
Art. 36. De toelating tot arbeid, vermeld in artikel 35, wordt toegekend voor een maximumduur van zes maanden, en kan één keer verlengd worden.
Art. 36. L'admission au travail visĂ©e Ă  l'article 35 est octroyĂ©e pour une durĂ©e maximale de six mois et peut ĂȘtre prolongĂ©e Ă  titre unique.
Afdeling 6. - Vrijwilligers
Section 6. - Bénévoles
Art. 37. Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten.
  Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 6 van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing.
Art. 37. La présente section prévoit la transposition partielle de la directive (UE) 2016/801 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 relative aux conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers à des fins de recherche, d'études, de formation, de volontariat et de programmes d'échange d'élÚves ou de projets éducatifs et de travail au pair.
  En vue de l'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 6 de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 sont applicables.
Art. 38. De toelating tot arbeid in het kader van de vergunning voor vrijwilliger wordt toegekend als de vrijwilliger verbonden is met de ontvangende organisatie door een goedgekeurd vrijwilligersprogramma in het kader van Europees vrijwilligerswerk, voor een maximumduur van twaalf maanden.
Art. 38. L'admission au travail dans le cadre du permis pour volontaires est accordée lorsque le volontaire est lié à l'organisation d'accueil par un programme de volontariat approuvé dans le cadre du service volontaire européen, pour une durée maximale de douze mois.
Art. 39. De toelating tot arbeid, vermeld in artikel 38, wordt toegekend voor een maximumduur van twaalf maanden.
Art. 39. L'admission au travail visée à l'article 38 est octroyée pour une durée maximale de douze mois.
HOOFDSTUK 9. - Procedure voor de toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om de gecombineerde vergunning, de Europese blauwe kaart of een andere verblijfstitel te verkrijgen voor werk voor een periode van meer dan negentig dagen
CHAPITRE 9. - Procédure d'admission au travail dans le cadre d'une procédure d'obtention du permis combiné, de la carte bleue européenne ou d'un autre permis de séjour aux fins de travail pour une période de plus de nonante jours
Art. 40. Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 van toepassing.
Art. 40. Le présent chapitre prévoit la transposition partielle de la directive 2011/98/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 établissant une procédure de demande unique en vue de la délivrance d'un permis combiné autorisant les ressortissants de pays tiers à résider et à travailler sur le territoire d'un Etat membre et établissant un socle commun de droits pour les travailleurs issus de pays tiers résidant légalement dans un Etat membre.
  Pour l'application du présent chapitre, les dispositions du chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018 sont applicables.
Art. 41. Voor de tewerkstelling van een werknemer, onderdaan van een derde land, vraagt de werkgever een toelating tot arbeid aan bij de bevoegde overheid conform de bepalingen van dit hoofdstuk. De werkgever treedt daarbij op als vertegenwoordiger van de werknemer. Door de arbeidsovereenkomst te ondertekenen, wijst de werknemer de werkgever aan als zijn vertegenwoordiger.
  De aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvoor de bevoegde overheid een model ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt:
  1° de persoonlijke gegevens en het e-mailadres van de werkgever of zijn mandataris en van de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor het verblijfsadres van de onderdaan van een derde land als die in het buitenland verblijft op het ogenblik waarop de werkgever de aanvraag indient;
  2° de persoonlijke gegevens van de werknemer;
  3° de gegevens en de details over de tewerkstelling van de werknemer in het Vlaamse Gewest.
  De werkgever vult de aanvraag naar behoren in, en ondertekent het gedateerde formulier.
Art. 41. En vue de l'occupation d'un travailleur ressortissant d'un pays tiers, l'employeur demande une admission au travail auprÚs de l'autorité compétente, conformément aux dispositions du présent chapitre. L'employeur agit à titre de représentant du travailleur. Par la signature du contrat de travail, le travailleur désigne l'employeur comme étant son représentant.
  La demande est introduite au moyen d'un formulaire dont le modÚle est mis à disposition par l'autorité compétente. Ce formulaire de demande précise :
  1° les donnĂ©es personnelles et l'adresse Ă©lectronique de l'employeur ou de son mandataire et de la reprĂ©sentation diplomatique ou consulaire compĂ©tente pour l'adresse de rĂ©sidence du ressortissant d'un pays tiers s'il rĂ©side Ă  l'Ă©tranger au moment oĂč l'employeur introduit la demande ;
  2° les données personnelles du travailleur ;
  3° les données et détails relatifs à l'occupation du travailleur en Région flamande.
  L'employeur doit dûment remplir la demande et signer le formulaire daté.
Art. 42. De aanvraag door tussenkomst van de werkgever wordt ingediend door een natuurlijke persoon die daarvoor over de vereiste rechtsbekwaamheid beschikt. Dat kan de werkgever zelf zijn, of een natuurlijke persoon die op regelmatige wijze in België verblijft en die in naam en voor rekening van de werkgever handelt. Als de werkgever in het buitenland gevestigd is, kan alleen de natuurlijke persoon voor hem optreden.
  [1 De natuurlijke persoon die in naam en voor rekening van de werkgever de aanvraag indient en tevens bemiddelt tussen werkgever en werknemer, voldoet aan de voorwaarden vermeld in hoofdstuk 2 van het decreet van 10 december 2020 betreffende de private arbeidsbemiddeling.]1
  
Art. 42. La demande par l'intermĂ©diaire de l'employeur est prĂ©sentĂ©e par une personne physique ayant la capacitĂ© juridique requise. Il peut s'agir de l'employeur lui-mĂȘme ou d'une personne physique rĂ©sidant rĂ©guliĂšrement en Belgique et agissant au nom et pour le compte de l'employeur. Si l'employeur est Ă©tabli Ă  l'Ă©tranger, seule la personne physique peut agir en son nom.
  [1 La personne physique qui introduit la demande au nom et pour le compte de l'employeur et qui fait également office de médiateur entre l'employeur et le travailleur, répond aux conditions visées au chapitre 2 du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé.]1
  
Art. 43. [2 De werkgever of, in voorkomend geval, de werknemer voegt bij het formulier, vermeld in artikel 41, al de volgende stukken:
   1° de documenten, vermeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980;
   2° een kopie van de geldige verblijfstitel, vermeld in artikel 7, als de aanvraag wordt ingediend vanuit een wettig verblijf in België ]2
.
  
Art. 43. [1 L'employeur ou, le cas échéant, le travailleur joint au formulaire visé à l'article 41 tous les documents suivants :
   1° les documents, visés à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980 ;
   2° une copie du titre de séjour valable, visé à l'article 7, si la demande est introduite à partir d'un séjour légal en Belgique ]1
.
  
Art. 44. De werkgever voegt de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van zijn identiteitsbewijs of dat van zijn volmachthouder;
  2° in geval van detachering, een kopie van het document, afgegeven door de buitenlandse instelling, dat verklaart dat de socialezekerheidswetgeving van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op het Belgische grondgebied, of, als een internationale overeenkomst daarover ontbreekt, een verklaring van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat de voorwaarden om onderworpen te zijn aan het Belgische stelsel voor werknemers, niet vervuld zijn;
  3° als de aanvraag betrekking heeft op de uitoefening van een gereglementeerd beroep, de documenten waaruit blijkt dat de werknemer voldoet aan de voorwaarden voor de uitoefening van dat beroep.
  Bij een hernieuwing worden de volgende stukken bij het formulier, vermeld in artikel 41, gevoegd:
  1° een fotokopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de toelating tot arbeid die verstrijkt, of een fotokopie van de individuele rekening na een volledig kalenderjaar waarin de betrokkene heeft gewerkt;
  2° het bewijs van inschrijving in het Limosakadaster als de aanvraag gaat over een detachering binnen het toepassingsgebied van titel IV, hoofdstuk 8, van de programmawet (I) van 27 december 2006.
Art. 44. L'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie de sa piÚce d'identité ou de celle de son mandataire ;
  2° en cas de dĂ©tachement, une copie du document dĂ©livrĂ© par l'institution Ă©trangĂšre attestant que la lĂ©gislation de sĂ©curitĂ© sociale de ce pays reste applicable pendant l'occupation sur le territoire belge ou, en l'absence d'un accord international Ă  cet effet, une dĂ©claration de l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale selon laquelle les conditions pour ĂȘtre soumis au rĂ©gime belge des travailleurs salariĂ©s ne sont pas remplies ;
  3° lorsque la demande porte sur l'exercice d'une profession réglementée, les documents dont il ressort que le travailleur satisfait aux conditions relatives à l'exercice de la profession en question.
  En cas de renouvellement, les documents suivants sont joints au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie des fiches de paie ou décomptes de paie pour toute la période d'admission au travail qui expire, ou une photocopie du compte individuel aprÚs une année civile complÚte durant laquelle la personne concernée a travaillé ;
  2° si la demande concerne un détachement dans le cadre du chapitre 8 du titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, le certificat d'inscription au cadastre Limosa.
Art. 45. Voor hooggeschoold personeel of personen die een leidinggevende functie bekleden als vermeld in artikel 17, eerste lid, 1° en 2°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° [1 een kopie van de arbeidsovereenkomst, vermeld in titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of van de arbeidsovereenkomst, vermeld in hoofdstuk II, afdeling 1, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, die beide partijen dagtekenen en ondertekenen, of het bewijs van aanstelling of, in geval van detachering, een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn werkgever die in het buitenland is gevestigd, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan ]1;
  2° in geval van detachering een attest, ondertekend door de werkgever, waarin hij de duur van de detachering bepaalt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de detachering;
  3° voor hooggeschoold personeel een fotokopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de werknemer heeft behaald, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan.
  [2 De Belgische arbeidsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, 1°, bevat al de volgende elementen:
   1° de persoonlijke gegevens van de werkgever en de werknemer;
   2° de duur en de plaats van de tewerkstelling;
   3° het loon;
   4° het nummer en de naam van het paritair comité waaronder de werkgever ressorteert;
   5° de functie van de werknemer en de classificatie van de functie.
   Op verzoek van de bevoegde overheid legt de werkgever het bewijs van attestering voor door een overheidsdienst of door de diplomatieke of consulaire post van het land waar de buitenlandse werknemer is gevestigd, dat de waarachtigheid van de documenten, vermeld in het eerste lid, 3°, aantoont]2

  
Art. 45. Pour le personnel hautement qualifié ou les personnes qui exercent une fonction de direction telle que visée à l'article 17, alinéa premier, 1° 2°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° [1 une copie du contrat de travail, visé aux titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, ou du contrat de travail, visé au chapitre II, section 1, de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, que les deux parties datent et signent, ou la preuve de la désignation ou, en cas de détachement, une copie du contrat de travail entre le travailleur et son employeur établi à l'étranger, le cas échéant avec une version traduite]1 ;
  2° en cas de détachement, un certificat signé par l'employeur, dans lequel l'employeur détermine la durée du détachement, ainsi que les conditions de travail et de salaire pendant la durée du détachement ;
  3° pour le personnel hautement qualifié, une photocopie des diplÎmes d'enseignement supérieur obtenus par le travailleur, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite.
  [2 Le contrat de travail belge, figurant à l'alinéa 1er, 1°, contient l'ensemble des éléments suivants :
   1° les données personnelles de l'employeur et de l'employé ;
   2° la durée et le lieu de l'emploi ;
   3° le salaire ;
   4° le numéro et le nom de la commission paritaire dont relÚve l'employeur ;
   5° la fonction de l'employé et la classification de la fonction.
   Sur demande de l'autoritĂ© compĂ©tente, l'employeur produit l'attestation dĂ©livrĂ©e par un service public ou par la reprĂ©sentation diplomatique ou consulaire du pays oĂč l'employĂ© Ă©tranger est Ă©tabli, afin de dĂ©montrer la vĂ©racitĂ© des documents figurant Ă  l'alinĂ©a 1er, 3°.]2

  
Art. 46. Voor werknemers als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst, vermeld in titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, [1 of van de arbeidsovereenkomst, vermeld in hoofdstuk II, afdeling 1, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers,]1 gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
  2° een fotokopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de werknemer heeft behaald, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan [2 of een bewijs van ervaring overeenkomstig artikel 21, tweede lid]2.
  [2 Voor werknemers als vermeld in artikel 17, eerste lid, 3°, in het kader van een aanvraag langetermijnmobiliteit, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
   1° een geldige Europese blauwe kaart die is afgeleverd door de eerste Europese lidstaat;
   2° het bewijs van twaalf maanden legaal verblijf in de eerste Europese lidstaat;
   3° een fotokopie van de naar behoren ingevulde arbeidsovereenkomst, vermeld in titel I en II of III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of van de arbeidsovereenkomst, vermeld in hoofdstuk II, afdeling 1, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
   4° een bewijs van bezoldiging conform artikel 21, 2°.
   In het tweede lid wordt onder langetermijnmobiliteit verstaan: houders van een Europese blauwe kaart die na twaalf maanden legaal verblijf in de eerste Europese lidstaat op het grondgebied van een tweede Europese lidstaat binnenkomen, er verblijven en er werken met het oog op een hooggekwalificeerde baan.]2

  
Art. 46. Pour les travailleurs tels que visés à l'article 17, alinéa premier, 3°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie du contrat de travail visé aux titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, [1 ou du contrat de travail, visé au chapitre II, section 1, de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs]1 datée et signée par les deux parties ;
  2° une photocopie des diplÎmes d'enseignement supérieur obtenus par la personne concernée, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite [2 , ou une preuve d'expérience conformément à l'article 21, alinéa 2 ]2.
  [2 Pour les travailleurs tels que visés à l'article 17, alinéa 1er, 3°, dans le cadre d'une demande de mobilité de longue durée, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
   1° une carte bleue européenne en cours de validité délivrée par le premier Etat membre européen ;
   2° la preuve d'un séjour légal de 12 mois dans le premier Etat membre européen ;
   3° une photocopie du contrat de travail visé aux titres I et II ou III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, ou du contrat de travail visé au chapitre II, section 1 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, dûment complété, daté et signé par les deux parties ;
   4° une preuve de rémunération conformément à l'article 21, 2°.
   Dans l'alinéa 2, on entend par mobilité de longue durée : les titulaires d'une carte bleue européenne qui, aprÚs 12 mois de séjour légal dans le premier Etat membre européen, entrent, séjournent et travaillent sur le territoire d'un deuxiÚme Etat membre européen aux fins d'un emploi hautement qualifié.]2

  
Art. 48. Voor de postdoctorale onderdanen van een derde land, vermeld in artikel 17, eerste lid, 5°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° het bewijs dat de postdoctorandus houder is van een doctorsgraad of over uitzonderlijke wetenschappelijke kwaliteiten beschikt die geattesteerd zijn door de gastuniversiteit;
  2° het bewijs dat de postdoctorandus een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek krijgt, met vermelding van het bedrag van de tegemoetkoming;
  3° het bewijs dat de postdoctorandus fundamenteel wetenschappelijk onderzoek volbrengt in de gastuniversiteit of de erkende onderzoeksinstelling, met vermelding van de duur van het onderzoek.
Art. 48. Pour les ressortissants postdoctoraux d'un pays tiers, visés à l'article 17, alinéa premier, 5°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° la preuve que le candidat postdoctoral est titulaire d'un doctorat ou possÚde des qualités scientifiques exceptionnelles certifiées par l'université d'accueil ;
  2° la preuve que le candidat postdoctoral reçoit une allocation pour la recherche scientifique, en indiquant le montant de l'allocation ;
  3° la preuve que le candidat postdoctoral effectue des recherches scientifiques fondamentales dans l'université d'accueil ou l'organisme de recherche agréé, en précisant la durée des recherches.
Art. 49. Voor de onderzoekers die in aanmerking komen voor een vergunning voor onderzoekers, vermeld in artikel 17, eerste lid, 6°, voegt de werkgever aan het formulier, vermeld in artikel 41, een fotokopie toe van de gastovereenkomst tussen de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.
  Voor de onderzoekers die in aanmerking komen voor een vergunning voor langetermijnmobiliteit voor onderzoekers, vermeld in artikel 17, eerste lid, 6°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van de vergunning voor onderzoekers, afgegeven door de eerste lidstaat, die geldig is gedurende de hele procedure;
  2° een fotokopie van de gastovereenkomst tussen de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling die in het Vlaamse Gewest ligt, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.
Art. 49. Pour les chercheurs qui entrent en considération pour l'obtention d'un permis pour chercheurs visé à l'article 17, alinéa premier, 6°, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 41 une photocopie de la convention d'accueil entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé, datée et signée par les deux parties.
  Pour les chercheurs qui entrent en considération pour l'obtention d'une autorisation de mobilité de longue durée visée à l'article 17, alinéa premier, 6°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie du permis pour chercheurs, délivré par le premier Etat membre et valable pendant toute la durée de la procédure ;
  2° une photocopie de la convention d'accueil entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé situé en Région flamande, datée et signée par les deux parties.
Art. 50. Voor de binnen de onderneming overgeplaatste leidinggevende-ICT of specialist-ICT die in aanmerking komt voor een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, vermeld in artikel 17, eerste lid, 7°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
  2° een opdrachtbrief, ondertekend door de werkgever, waarin hij de duur van de detachering bepaalt, de functiebeschrijving, de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de detachering, en de gegevens van de entiteit gelegen in een derde land waar de werknemer na de beëindiging van de overplaatsing kan worden overgeplaatst;
  3° [1 een fotokopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de betrokkene heeft behaald, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan, of een bewijs van ervaring overeenkomstig artikel 26, 3°, b)]1;
  4° het bewijs dat de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming tot dezelfde onderneming of groep van ondernemingen behoren.
  Voor de binnen de onderneming overgeplaatste stagiair-werknemer-ICT die in aanmerking komt voor een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, vermeld in artikel 17, eerste lid, 7°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
  2° een fotokopie van de stageovereenkomst, ondertekend door de werkgever, waarin hij de duur van de detachering bepaalt, het opleidingsprogramma, de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de detachering, en de gegevens van de entiteit gelegen in een derde land waar de werknemer na de beëindiging van de overplaatsing kan worden overgeplaatst;
  3° een fotokopie van de diploma's van universitair onderwijs die de betrokkene heeft behaald, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
  4° het bewijs dat de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming tot dezelfde onderneming of groep van ondernemingen behoren.
  Voor de binnen de onderneming overgeplaatste leidinggevende-ICT, specialist-ICT of stagiair-werknemer-ICT die in aanmerking komt voor een vergunning voor langetermijnmobiliteit, vermeld in artikel 17, eerste lid, 7°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van de vergunning voor de binnen een onderneming overgeplaatste persoon, afgegeven door de eerste lidstaat, die geldig is gedurende de procedure;
  2° een opdrachtbrief, ondertekend door de werkgever, waarin hij de duur van de detachering bepaalt, de functiebeschrijving, de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de detachering, en de gegevens van de entiteit gelegen in een derde land waar de werknemer na de beëindiging van de overplaatsing kan worden overgeplaatst;
  3° het bewijs dat de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming tot dezelfde onderneming of groep van ondernemingen behoren.
  
Art. 50. Pour le supérieur TIC ou le spécialiste TIC qui a fait l'objet d'un transfert intragroupe et qui entre en considération pour l'obtention d'un permis pour une personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe, telle que visée à l'article 17, alinéa premier, 7°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie du contrat de travail entre le travailleur et l'employeur établi à l'étranger, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite ;
  2° une lettre de mission signĂ©e par l'employeur, dans laquelle il dĂ©crit la durĂ©e du dĂ©tachement, la description de la fonction, les conditions de travail et de rĂ©munĂ©ration pendant la durĂ©e du dĂ©tachement, ainsi que les donnĂ©es de l'entitĂ© vers laquelle le travailleur peut ĂȘtre transfĂ©rĂ© Ă  l'issue de la pĂ©riode de dĂ©tachement ;
  3° [1 une photocopie des diplÎmes d'enseignement supérieur obtenus par la personne concernée, accompagnée, ler cas échéant, d'une version traduite, ou une preuve d'expérience conformément à l'article 26, 3°, b) ]1;
  4° la preuve que l'entitĂ© d'accueil et l'entreprise Ă©tablie dans un pays tiers font partie de la mĂȘme entreprise ou du mĂȘme groupe d'entreprises.
  Pour le travailleur stagiaire TIC qui a fait l'objet d'un transfert intragroupe et qui entre en considération pour l'obtention d'un permis pour une personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe, telle que visée à l'article 17, alinéa premier, 7°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie du contrat de travail entre le travailleur et l'employeur établi à l'étranger, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite ;
  2° une photocopie du contrat de stage, signĂ©e par l'employeur, dans laquelle il dĂ©crit la durĂ©e du dĂ©tachement, le programme de formation, les conditions de travail et de rĂ©munĂ©ration pendant la durĂ©e du dĂ©tachement, ainsi que les donnĂ©es de l'entitĂ© vers laquelle le travailleur peut ĂȘtre transfĂ©rĂ© Ă  l'issue de la pĂ©riode de dĂ©tachement ;
  3° une photocopie des diplÎmes d'enseignement universitaire par la personne concernée, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite ;
  4° la preuve que l'entitĂ© d'accueil et l'entreprise Ă©tablie dans un pays tiers font partie de la mĂȘme entreprise ou du mĂȘme groupe d'entreprises.
  Pour le supérieur TIC, le spécialiste TIC ou le travailleur stagiaire TIC qui a fait l'objet d'un transfert intragroupe et qui entre en considération pour l'obtention d'une autorisation de mobilité de longue durée telle que visée à l'article 17, alinéa premier, 7°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie du permis pour personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe, délivré par le premier Etat membre et valable pendant toute la durée de la procédure ;
  2° une lettre de mission signĂ©e par l'employeur, dans laquelle il dĂ©crit la durĂ©e du dĂ©tachement, la description de la fonction, les conditions de travail et de rĂ©munĂ©ration pendant la durĂ©e du dĂ©tachement, ainsi que les donnĂ©es de l'entitĂ© vers laquelle le travailleur peut ĂȘtre transfĂ©rĂ© Ă  l'issue de la pĂ©riode de dĂ©tachement ;
  3° la preuve que l'entitĂ© d'accueil et l'entreprise Ă©tablie dans un pays tiers font partie de la mĂȘme entreprise ou du mĂȘme groupe d'entreprises.
  
Art. 51. Voor stagiairs als vermeld in artikel 17, eerste lid, 8°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van de stageovereenkomst, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
  2° een fotokopie van het diploma of de behaalde studieresultaten van de studie in het verlengde waarvan de stage plaatsvindt, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan.
  De stageovereenkomst vermeld in het eerste lid, 1°, bevat een beschrijving van het stageprogramma, met inbegrip van het opleidingsprogramma, de duur van de stage, de voorwaarden voor de plaatsing en het toezicht, de stage-uren, de rechtsbetrekking tussen de werkgever en de stagiair en de verbintenis, ondertekend door de stagiair, om tijdens de stageperiode geen andere betrekking in België te bekleden dan die waarvoor de toelating wordt verleend.
Art. 51. Pour les stagiaires visés à l'article 17, alinéa premier, 8°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie du contrat de stage, datée et signée par les deux parties ;
  2° une photocopie du diplÎme ou certificat d'études dans la continuation desquelles le stage a lieu, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite ;
  Le contrat de stage visé à l'alinéa premier, 1°, comprend une description du programme de stage, en ce compris le programme de formation, la durée du stage, les conditions de placement et de surveillance, les horaires de stage, la relation juridique entre l'employeur et le stagiaire ainsi que l'engagement, signé par le stagiaire, de ne pas occuper en Belgique, pendant la période de stage, d'autre poste que celui pour lequel l'autorisation a été accordée.
Art. 52. Voor de houders van een universitair diploma die een verplichte stage verrichten met het oog op het behalen van een vervolgdiploma, vermeld in artikel 17, eerste lid, 9°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van het universitaire diploma van de betrokkenen, dat hen toelaat de vervolgopleiding te starten, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
  2° het vervolgprogramma dat is afgesloten met de bevoegde instelling, met vermelding van de begin- en einddatum, en de arbeids- en loonvoorwaarden.
Art. 52. Pour les détenteurs d'un diplÎme universitaire qui effectuent un stage obligatoire en vue de l'obtention d'un diplÎme complémentaire tel que visé à l'article 17, alinéa premier, 9°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie du diplÎme universitaire des personnes concernées, qui leur permet d'entamer la formation complémentaire, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite ;
  2° le programme ultérieur conclu avec l'organisme compétent, avec mention des dates de début et de fin ainsi que des conditions de travail et de rémunération.
Art. 53. Voor de stagiairs, vermeld in artikel 17, eerste lid, 10°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van de stageovereenkomst, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, met vermelding van de duur van de stage en de hoogte van de vergoeding;
  2° bij een stagiair die tewerkgesteld wordt in het kader van een programma dat goedgekeurd is door een internationale instelling van publiek recht die in België gevestigd is en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, het bewijs van goedkeuring van het programma door de internationale instelling;
  3° bij een wederkerig uitwisselingsprogramma, het bewijs van de wederkerigheid.
Art. 53. Pour les stagiaires visés à l'article 17, alinéa premier, 10°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie de la convention de stage, datée et signée par les deux parties, indiquant la durée du stage et le montant de la rémunération ;
  2° dans le cas d'un stagiaire employé dans le cadre d'un programme approuvé par un organisme international de droit public établi en Belgique et dont le statut est régi par une convention entrée en vigueur, la preuve de l'approbation du programme par l'organisme international ;
  3° la preuve de réciprocité dans le cas d'un programme d'échange réciproque.
Art. 54. Voor werknemers als vermeld in artikel 17, eerste lid, 11°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° [1 een kopie van de arbeidsovereenkomst, vermeld in titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, van de stageovereenkomst of van de plaatsingsovereenkomst, die is gedagtekend enondertekend door beide partijen]1;
  2° een afschrift van het internationale akkoord ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt;
  3° het bewijs dat het internationale akkoord ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt, bekrachtigd is door een gewestelijke overheid of gemeenschapsoverheid in het kader van haar respectieve bevoegdheden.
  
Art. 54. Pour les stagiaires visés à l'article 17, alinéa premier, 11°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° [1 une copie du contrat de travail visé aux titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, du contrat de stage ou du contrat de placement, datée et signée par les deux parties]1;
  2° une copie de l'accord international aux termes duquel l'occupation a lieu ;
  3° la preuve que l'accord international aux termes duquel l'occupation a lieu a été ratifié par une autorité régionale ou communautaire dans le cadre de ses compétences respectives.
  
Art. 55. Voor beroepssporters, scheidsrechters of trainers als vermeld in artikel 17, eerste lid, 12°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst van betaalde sportbeoefenaar, vermeld in artikel 2 tot en met 9 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
  2° voor trainers die niet verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst van betaalde sportbeoefenaar, een fotokopie van de arbeidsovereenkomst, vermeld in titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, [1 of van de arbeidsovereenkomst, vermeld in hoofdstuk II, afdeling 1, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers,]1 gedagtekend en ondertekend door beide partijen.
  
Art. 55. Pour les sportifs professionnels, arbitres ou entraßneurs tels que visés à l'article 17, alinéa premier, 12°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie du contrat de travail de sportif rémunéré visé aux articles 2 à 9 inclus de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail des sportifs rémunérés, datée et signée par les deux parties ;
  2° pour les entraßneurs qui ne sont pas liés par un contrat de travail de sportif rémunéré, une photocopie du contrat de travail visé aux titres Ier et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, [1 ou du contrat de travail, visé au chapitre II, section 1, de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs]1 datée et signée par les deux parties ;
  
Art. 56. Voor schouwspelartiesten als vermeld in artikel 17, eerste lid, 13°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van de naar behoren ingevulde arbeidsovereenkomst voor schouwspelartiest, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
  2° een brief met uitleg van de werkgever over de aard van de artistieke activiteiten in het kader van de toegang tot arbeid.
  De arbeidsovereenkomst vermeld in het eerste lid, 1°, bevat een beschrijving van de door de artiest te leveren prestaties, de data en plaatsen van optreden waarvoor de artiest werd aangeworven, de gepresteerde uren en hun verdeling per dag en per week, het brutobedrag van het dag-, week- of maandloon en de plaats, betaalwijze en -periode van het loon.
Art. 56. Pour les artistes de spectacle tels que visés à l'article 17, alinéa premier, 13°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie du contrat de travail pour artiste de spectacle dûment complété, daté et signé par les deux parties ;
  2° une lettre expliquant à l'employeur la nature des activités artistiques dans le cadre de l'admission au travail.
  Le contrat de travail visé à l'alinéa premier, 1°, comprend une description des prestations à fournir par l'artiste, les dates et lieux des représentations pour lesquelles l'artiste a été engagé, les heures prestées ainsi que leur répartition par jour et par semaine, le montant brut de la rémunération journaliÚre, hebdomadaire ou mensuelle ainsi que le lieu, le mode de paiement et la période de paiement de la rémunération.
Art. 57. [1 Voor de werknemers, vermeld in artikel 17, eerste lid, 14°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
   1° het bewijs dat het gaat om een erkende geloofsgemeenschap binnen een erkende eredienst;
   2° het bewijs dat de betrokkene bedienaar van de eredienst is. Het bewijs wordt geleverd met een bewijs van aanstelling door de Belgische verantwoordelijke van de erkende eredienst. De duur van de opdracht wordt vermeld op dat bewijs;
   3° het bewijs dat de wedde van de bedienaar van de eredienst ten laste genomen wordt door de Federale Overheidsdienst Justitie in het kader van artikel 181 van de Grondwet en de Wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten, van de bedienaars van de erkende erediensten en van de afgevaardigden van de Centrale vrijzinnige Raad ]1
.
  
Art. 57. [1 Pour les employés figurant à l'article 17, alinéa 1er, 14°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire figurant à l'article 41 :
   1° la preuve qu'il s'agit d'une communauté religieuse reconnue au sein d'un culte reconnu ;
   2° la preuve que la personne concernée est ministre du culte. La preuve est apportée par une attestation de nomination délivrée par le responsable belge du culte reconnu. La durée de la mission figure sur cette attestation ;
   3° la preuve que le traitement du ministre du culte est pris en charge par le Service public fédéral Justice dans le cadre de l'article 181 de la Constitution et de la loi du 2 août 1974 relative aux traitements des titulaires de certaines fonctions publiques, des ministres des cultes reconnus et des délégués du Conseil central laïque ]1
.
  
Art. 58. Voor de journalisten die in België verblijven en die uitsluitend verbonden zijn aan dagbladen die in het buitenland uitgegeven worden of aan persagentschappen, radio- of televisiestations die in het buitenland gevestigd zijn, vermeld in artikel 17, eerste lid, 15°, voegt de werkgever aan het formulier, vermeld in artikel 41, een afschrift toe van de voorlopige of definitieve perskaart van de journalist, afgegeven door de bevoegde Belgische diensten.
Art. 58. Pour les journalistes qui résident en Belgique et qui sont exclusivement liés à des journaux publiés à l'étranger ou à des agences de presse, stations de radio ou de télévision établies à l'étranger, tels que visés à l'article 17, alinéa premier, 15°, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 41 une copie de la carte de presse provisoire ou définitive du journaliste délivrée par les services belges compétents.
Art. 59. Voor gespecialiseerde technici als vermeld in artikel 17, eerste lid, 16°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van de leveringsovereenkomst waaruit blijkt dat de installatie die de gespecialiseerde technicus komt monteren, die hij in gang komt zetten of die hij komt herstellen, vervaardigd of geleverd is door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is [1 of de voormelde diensten die op grond van een garantiebeding in de oorspronkelijke leveringsovereenkomst verricht zijn]1;
  2° een nota met vermelding van de sector en het activiteitengebied van de werkgever die in het buitenland gevestigd is en die zijn werknemer detacheert;
  3° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de technicus en zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, waarbij een fotokopie gevoegd is van de dienstopdracht of de opdrachtbrief, ondertekend door de werkgever, met een beschrijving van de duur van de detachering, alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden voor de duur van de detachering, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan.
  
Art. 59. Pour les techniciens spécialisés tels que visés à l'article 17, alinéa premier, 16°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie du contrat de fourniture démontrant que l'installation que le technicien spécialisé doit monter, mettre en service ou réparer, a été fabriquée ou fournie par son employeur établi à l'étranger [1 ou les services précités qui sont fournis en vertu d'une clause de garantie du contrat de fourniture initial ]1 ;
  2° une note indiquant le secteur et le domaine d'activité de l'employeur établi à l'étranger qui détache son employé ;
  3° une photocopie du contrat de travail entre le technicien et son employeur établi à l'étranger, accompagnée d'une photocopie de la mission ou de la lettre de mission signée par l'employeur, décrivant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de salaire pour la durée du détachement, y compris, le cas échéant, une version traduite.
  
Art. 60. Voor werknemers als vermeld in artikel 17, eerste lid, 17°, die gedetacheerd worden om een opleiding [1 geven of te]1 te volgen gedurende hoogstens zes maanden in de nasleep van een met een Belgische onderneming gesloten verkoopcontract, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de werkgever die in het buitenland gevestigd is, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
  2° een fotokopie van de opleidingsovereenkomst die bij het verkoopcontract gevoegd is, met bepaling van de duur van de opleiding, alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de opleiding;
  3° een fotokopie van het verkoopcontract tussen de Belgische onderneming en de werkgever die in het buitenland gevestigd is.
  
Art. 60. Pour les travailleurs visés à l'article 17, alinéa premier, 17°, qui sont détachés pour [1 donner ou]1 suivre une formation d'une durée maximale de six mois à la suite d'un contrat de vente conclu avec une entreprise belge, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie du contrat de travail entre le salarié et l'employeur établi à l'étranger, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite ;
  2° une photocopie de la convention de formation jointe au contrat de vente, avec indication de la durée de la formation, ainsi que des conditions de travail et de salaire pendant la formation ;
  3° une photocopie du contrat de vente entre la société belge et l'employeur établi à l'étranger.
  
Art. 61. Voor de vrijwilligers als vermeld in artikel 17, eerste lid, 18°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° de vrijwilligersovereenkomst tussen de vrijwilliger en de ontvangende organisatie, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
  2° een attest van het nationaal Agentschap voor de uitvoering van het Europees Vrijwilligersprogramma dat de plaatsing van de vrijwilliger in het kader van een goedgekeurd vrijwilligersprogramma van Europees vrijwilligerswerk bij de ontvangende organisatie bevestigt.
  De vrijwilligersovereenkomst vermeld in het eerste lid, 1°, bevat een beschrijving van het vrijwilligersprogramma, de duur van het vrijwilligerswerk en het aantal uren dat de vrijwilliger presteert, de voorwaarden voor de plaatsing en het toezicht, eventueel voorziene opleiding aan de vrijwilliger, de beschikbare middelen en het minimum zakgeld voor de duur van het verblijf, en de verbintenis, ondertekend door de vrijwilliger, om tijdens de periode van verblijf geen andere betrekking in België te bekleden dan die waarvoor de toelating wordt verleend.
Art. 61. Pour les volontaires tels que visés à l'article 17, alinéa premier, 18°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° la convention de volontariat conclue entre le volontaire et l'organisation, datée et signée par les deux parties ;
  2° une attestation de l'Agence nationale d'exécution du service volontaire européen, qui confirme le placement du volontaire dans le cadre d'un programme de volontariat agréé du service volontaire européen auprÚs de l'organisation d'accueil.
  La convention de volontariat visée à l'alinéa premier, 1°, comprend une description du programme de volontariat, la durée du service volontaire et le nombre d'heures prestées par le volontaire, les conditions de placement et de surveillance, l'éventuelle formation prévue à l'intention du volontaire, les moyens disponibles et l'argent de poche minimum pour la durée du séjour, ainsi que l'engagement, signé par le volontaire, de ne pas occuper en Belgique, pendant la période du séjour, d'autre poste que celui pour lequel l'autorisation a été accordée.
Art. 62. Voor werknemers die worden gedetacheerd om een opleiding [1 geven of te]1 te volgen in een Belgische zetel van de groep waartoe hun onderneming behoort als vermeld in artikel 17, eerste lid, 19°, voegt de werkgever de volgende documenten toe aan het formulier, vermeld in artikel 41:
  1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de werkgever die in het buitenland gevestigd is, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
  2° het bewijs dat de Belgische zetel waar de opleiding plaatsvindt, deel uitmaakt van de groep van ondernemingen waartoe de onderneming van de werknemer behoort;
  3° een fotokopie van de opleidingsovereenkomst, met vermelding van de duur van de opleiding, alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de opleiding.
  
Art. 62. Pour les travailleurs détachés pour [1 donner ou]1 suivre une formation au siÚge belge du groupe auquel appartient leur société au sens de l'article 17, alinéa premier, 19°, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
  1° une photocopie du contrat de travail entre le salarié et l'employeur établi à l'étranger, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite ;
  2° la preuve que le siĂšge belge oĂč se dĂ©roule la formation fait partie du groupe d'entreprises auquel appartient l'entreprise du travailleur ;
  3° une photocopie de la convention de formation, précisant la durée de la formation, ainsi que les conditions de travail et de salaire pendant la formation.
  
Art. 63. [1 Voor de aanvragen, vermeld in artikel 18, voegt de werkgever al de volgende stukken bij het formulier, vermeld in artikel 41:
   1° een fotokopie van de naar behoren ingevulde arbeidsovereenkomst, vermeld in titel I en II of III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of van de arbeidsovereenkomst, vermeld in hoofdstuk II, afdeling 1, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
   2° een uitgebreide beschrijving van de functie en van het takenpakket;
   3° het curriculum vitae dat een volledig overzicht bevat van de gevolgde opleidingen, de werkervaring en de nevenactiviteiten van de buitenlandse werknemer;
   4° [2 ...]2 het diploma, het getuigschrift of het ervaringsbewijs dat de kwalificatie van de werknemer voor de specifieke functie aantoont.
  [2 5° stavingsstukken waaruit vruchteloze inspanningen blijken van de werkgever met het oog op de aanwerving van een kandidaat op de arbeidsmarkt, met inbegrip van opleidingsinitiatieven die de werkgever onderneemt om de functie in te vullen.]2
   De arbeidsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, 1°, bevat de persoonlijke gegevens van de werkgever en de werknemer, de duur en de plaats van de tewerkstelling, het werkrooster, het loon, het nummer en de naam van het paritair comité waaronder de werkgever ressorteert, de functie van de werknemer en de classificatie van de functie.
   De arbeidsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, 1°, kan geen arbeidsovereenkomst zijn als vermeld in hoofdstuk II, afdeling 2, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, en geen PWA-arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3 tot en met 6 van de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst.
   Op verzoek van de bevoegde overheid legt de werkgever het bewijs van attestering voor door de publieke arbeidsbemiddelingsdienst, een overheidsdienst of door de diplomatieke of consulaire post van het land waar de buitenlandse werknemer is gevestigd, dat de waarachtigheid van de gegevens, vermeld in het eerste lid, 3° tot en met 4°, aantoont.
  [2 Het document, vermeld in het eerste lid, 5°, is niet vereist voor de aanvraag voor functies waarvoor een structureel tekort bestaat, zoals vermeld in artikel 18, § 2.]2
   In het vierde lid wordt onder publieke arbeidsbemiddelingsdienst verstaan: de dienst die lid is van de internationale vereniging zonder winstoogmerk World Association of Public Employment Services ]1
.
  
Art. 63. [1 Pour les demandes visées à l'article 18, l'employeur joint tous les documents suivants au formulaire visé à l'article 41 :
   1° une photocopie du contrat de travail visé aux titres I et II ou III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, ou du contrat de travail visé au chapitre II, section 1 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, dûment complété, daté et signé par les deux parties ;
   2° une description détaillée de la fonction et des tùches ;
   3° le curriculum vitae contenant un aperçu complet des formations suivies, de l'expérience professionnelle et des activités secondaires du travailleur étranger ;
   4° [2 ...]2 le diplÎme, le certificat ou le certificat d'expérience qui prouve la qualification du travailleur pour la fonction spécifique.
  [2 5° les piÚces justificatives démontrant les efforts infructueux de l'employeur en vue du recrutement d'un candidat sur le marché du travail, y compris les initiatives de formation entreprises par l'employeur pour pourvoir le poste. ]2
   Le contrat de travail visé à l'alinéa 1er, 1°, comprend les données personnelles de l'employeur et du travailleur, la durée et le lieu d'occupation, l'horaire de travail, la rémunération, le numéro et le nom de la commission paritaire dont relÚve l'employeur, la fonction du travailleur ainsi que la classification de la fonction.
   Le contrat de travail, visĂ© Ă  l'alinĂ©a 1er, 1°, ne peut ni ĂȘtre de contrat de travail tel que visĂ© au chapitre II, section 2, de la loi du 20 juillet 2001 visant Ă  favoriser le dĂ©veloppement de services et d'emplois de proximitĂ©, ni ĂȘtre de contrat de travail ALE tel que visĂ© aux articles 3 Ă  6 de la loi du 7 avril 1999 relative au contrat de travail ALE.
   A la demande de l'autoritĂ© compĂ©tente, l'employeur prĂ©sente la preuve de l'attestation du service public de l'emploi, d'un service public ou du poste diplomatique ou consulaire du pays oĂč le travailleur Ă©tranger est Ă©tabli, qui prouve la vĂ©racitĂ© des donnĂ©es mentionnĂ©es Ă  l'alinĂ©a 1er, 3° Ă  4°.
  [2 Le document figurant à l'alinéa 1er, 5°, n'est pas requis pour les demandes qui concernent des postes pour lesquels il existe une pénurie structurelle, figurant à l'article 18, § 2. ]2
   Dans l'alinéa 4, on entend par service public de l'emploi : le service qui est membre de l'association internationale sans but lucratif World Association of Public Employment Services ]1
.
  
Art. 64. Overeenkomstig artikel 25, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, kan tijdens het onderzoek van de aanvraag aan de onderdaan van een derde land of aan de werkgever worden gevraagd om binnen vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voor te leggen.
Art. 64. Pendant l'examen de la demande, conformĂ©ment Ă  l'article 25, § 2, de l'accord de coopĂ©ration du 2 fĂ©vrier 2018, il peut ĂȘtre demandĂ© au ressortissant d'un pays tiers ou Ă  l'employeur de produire dans les quinze jours des renseignements ou documents complĂ©mentaires.
Art. 65. § 1. Voor de tewerkstelling, vermeld in artikel 19, vraagt de werknemer, onderdaan van een derde land, bij de bevoegde overheid een toelating tot arbeid voor onbepaalde duur, conform de bepalingen van dit hoofdstuk.
  De aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvoor de bevoegde overheid een model ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt:
  1° de persoonlijke gegevens van de werknemer;
  2° de gegevens over de voorgaande perioden van tewerkstelling in België.
  De onderdaan van een derde land vult de aanvraag naar behoren in en ondertekent het gedateerde formulier.
  § 2. De werknemer voegt naast de documenten, vermeld in artikel 43, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in paragraaf 1:
  1° een fotokopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de [1 de periode van de laatste zes maanden van de recentste toelating tot arbeid, die de aanvraag tot toelating tot arbeid van onbepaalde duur voorafgaat]1;
  2° een fotokopie van de lopende arbeidsovereenkomst of, bij het ontbreken daarvan, om het even welk ander document, aan de hand waarvan de onderdaan van een derde land aantoont dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt, overeenkomstig artikel 61/25-5, § 1, 2° van de wet van 15 december 1980.
  
Art. 65. § 1er. Pour l'emploi visé à l'article 19, le travailleur, ressortissant d'un pays tiers, demande à l'autorité compétente l'autorisation de travailler pour une durée indéterminée, conformément aux dispositions du présent chapitre.
  La demande est introduite au moyen d'un formulaire dont le modÚle est mis à disposition par l'autorité compétente. Ce formulaire de demande précise :
  1° les données personnelles du travailleur ;
  2° les données relatives aux périodes d'occupation antérieures en Belgique.
  Le ressortissant d'un pays tiers remplit dûment la demande et signe le formulaire daté.
  § 2. Outre les documents visés à l'article 43, le travailleur joint au formulaire visé au paragraphe 1er les documents suivants :
  1° une photocopie des fiches de paie ou décomptes de paie pour [1 la période des six derniers mois de la derniÚre admission au travail, qui précÚde la demande d'admission au travail à durée indéterminée]1 ;
  2° une photocopie du contrat de travail en cours ou, à défaut, tout autre document utilisé par le ressortissant d'un pays tiers pour prouver qu'il dispose de ressources suffisantes, conformément à l'article 61/25-5, § 1er, 2°, de la loi du 15 décembre 1980.
  
Art. 66. [2 De bevoegde overheid controleert binnen tien dagen vanaf de dag waarop ze de aanvraag, vermeld in artikel 41 of 65, heeft ontvangen, of de aanvraag volledig is, en brengt de aanvrager op de hoogte]2.
  Een onvolledige aanvraag kan aangevuld worden conform artikel 19, § 2 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.
  [2 Met toepassing van artikel 19, § 3 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, verklaart het personeelslid van de bevoegde overheid dat conform artikel 2, § 4, van dit besluit is aangewezen, de aanvraag onontvankelijk. De werkgever of de werknemer, vermeld in artikel 65 van dit besluit, wordt met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van de beslissing van onontvankelijkheid]2.
  
Art. 66. [2 Dans les dix jours à compter du jour de la réception de la demande visée à l'article 41 ou 65, l'autorité compétente contrÎle si la demande est complÚte et informe le demandeur de sa décision]2.
  Une demande incomplĂšte peut ĂȘtre complĂ©tĂ©e conformĂ©ment Ă  l'article 19, § 2, de l'accord de coopĂ©ration du 2 fĂ©vrier 2018.
  [2 En application de l'article 19, § 3, de l'accord de coopĂ©ration du 2 fĂ©vrier 2018, le membre du personnel de l'autoritĂ© compĂ©tente dĂ©signĂ© conformĂ©ment Ă  l'article 2, § 4, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, dĂ©clare la demande irrecevable. L'employeur ou le travailleur visĂ© Ă  l'article 65 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, est informĂ© de la dĂ©cision d'irrecevabilitĂ© par courrier recommandĂ©]2.
  
Art. 67. § 1. [1 De beslissing om de toelating tot arbeid te weigeren of in te trekken, wordt door de bevoegde overheid met een aangetekend schrijven betekend aan de aanvrager, en elektronisch ter kennis gegeven aan de werknemer]1.
  De beslissing vermeldt de mogelijkheid tot beroep, vermeld in artikel 9 van de wet van 30 april 1999, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.
  § 2. [1 Het beroep tegen een weigering of intrekking van een toelating van bepaalde duur blijft zonder gevolg wanneer voor de tewerkstelling van de werknemer die het voorwerp uitmaakt van het beroepsdossier, tijdens de behandeling van het beroep een toelating tot arbeid afgeleverd wordt]1.
  § 3. [1 De beslissing van de minister in beroep om de toelating tot arbeid te weigeren of in te trekken, wordt door de bevoegde overheid met een aangetekend schrijven betekend aan de beroepsindiener]1.
   De beslissing vermeldt de mogelijkheid van beroep, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.
  
Art. 67. § 1er. [1 La décision de refus ou de retrait de l'admission au travail est signifiée par l'autorité compétente au demandeur par courrier recommandé et notifiée au travailleur par voie électronique]1.
  La décision précise le droit de recours prévu à l'article 9 de la loi du 30 avril 1999, les autorités compétentes qui en prennent connaissance, ainsi que les conditions de forme et les délais à respecter.
  § 2. [1 L'appel contre le refus ou le retrait d'une admission à durée déterminée reste sans effet si, pour l'occupation du travailleur faisant l'objet du dossier d'appel, une admission au travail est délivrée pendant le traitement de l'appel ]1.
  § 3.[1 La décision du ministre en appel de refuser ou de retirer l'admission au travail est notifiée par l'autorité compétente par courrier recommandé à l'auteur de l'appel]1.
  La décision précise les procédures de recours, les organismes compétents qui en prennent connaissance, les conditions de forme et les délais à respecter.
  
Art. 68. De werkgever dient de aanvraag van hernieuwing of wijziging van de toelating tot arbeid conform de bepalingen van hoofdstuk 3, in bij de bevoegde overheid, conform artikel 41 tot en met 44, en, naargelang het geval, artikel 45 tot en met 63.
  In afwijking van het eerste lid worden de documenten, vermeld in artikel 45 tot en met 63, die ongewijzigd zijn gebleven sinds ze bezorgd zijn aan de bevoegde overheid, niet bij de aanvraag van hernieuwing gevoegd.
Art. 68. Conformément aux dispositions du chapitre 3, l'employeur introduit la demande de renouvellement ou de modification de l'admission au travail auprÚs de l'autorité compétente, conformément aux articles 41 à 44 inclus et, selon le cas aux articles 45 à 63 inclus.
  Par dérogation à l'alinéa premier, les documents visés aux articles 45 à 63 inclus, qui sont restés inchangés depuis leur introduction auprÚs de l'autorité compétente, ne sont pas joints à la demande de renouvellement.
HOOFDSTUK 10. - Procedure voor de toelating tot arbeid die leidt tot de afgifte van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart
CHAPITRE 10. - Procédure d'admission au travail donnant lieu à la délivrance du permis de travail et de la carte de travail
Art. 69. De werkgever vraagt voor de tewerkstelling van een werknemer, onderdaan van een derde land, een toelating tot arbeid aan bij de bevoegde overheid conform de bepalingen van dit hoofdstuk.
  De aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvoor de bevoegde overheid een model ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt:
  1° de persoonlijke gegevens en het e-mailadres van de werkgever of zijn mandataris;
  2° de persoonlijke gegevens van de werknemer;
  3° de gegevens en de details over de tewerkstelling van de werknemer in het Vlaamse Gewest.
  De werkgever vult de aanvraag naar behoren in, en ondertekent het gedateerde formulier.
Art. 69. En vue de l'occupation d'un travailleur ressortissant d'un pays tiers, l'employeur demande une admission au travail auprÚs de l'autorité compétente, conformément aux dispositions du présent chapitre.
  La demande est introduite au moyen d'un formulaire dont le modÚle est mis à disposition par l'autorité compétente. Ce formulaire de demande précise :
  1° les données personnelles et l'adresse électronique de l'employeur ou de son mandataire ;
  2° les données personnelles du travailleur ;
  3° les données et détails relatifs à l'occupation du travailleur en Région flamande.
  L'employeur doit dûment remplir la demande et signer le formulaire daté.
Art. 70. De aanvraag door de werkgever wordt ingediend door een natuurlijke persoon die daarvoor beschikt over de vereiste rechtsbekwaamheid. Dat kan de werkgever zelf zijn, of een natuurlijke persoon die op regelmatige wijze in België verblijft en die in naam en voor rekening van de werkgever handelt. Als de werkgever in het buitenland gevestigd is, kan alleen de natuurlijke persoon voor hem optreden.
  [1 De natuurlijke persoon die optreedt in naam en voor rekening van de werkgever en tevens bemiddelt tussen werkgever en werknemer, voldoet aan de wettelijke verplichtingen inzake private arbeidsbemiddeling, vermeld in hoofdstuk 2 van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling.]1
  
Art. 70. La demande effectuĂ©e par l'employeur est introduite par une personne physique ayant la capacitĂ© juridique requise. Il peut s'agir de l'employeur lui-mĂȘme ou d'une personne physique rĂ©sidant rĂ©guliĂšrement en Belgique et agissant au nom et pour le compte de l'employeur. Si l'employeur est Ă©tabli Ă  l'Ă©tranger, seule la personne physique peut agir en son nom.
  [1 La personne physique qui agit au nom et pour le compte de l'employeur et qui fait également office de médiateur entre l'employeur et le travailleur, respecte les obligations légales relatives au placement privé, visées au chapitre 2 du décret du 10 décembre 2010 relatif au placement privé.]1
  
Art. 71. De werkgever voegt de documenten, vermeld in artikel 44, en, al naargelang het geval, de documenten bepaald in artikel 45, [1 ...]1 48, 52 tot en met 60, 62 en 63, toe aan het formulier, vermeld in artikel 69.
  
Art. 71. L'employeur joint au formulaire visé à l'article 69 les documents visés à l'article 44 et, selon le cas, les documents visés aux articles 45, [1 ...]1 48, 52 à 60, 62 et 63.
  
Art. 72. § 1. [1 De bevoegde overheid controleert binnen tien dagen vanaf de dag waarop ze de aanvraag, vermeld in artikel 69, heeft ontvangen, of de aanvraag volledig is, en brengt de aanvrager op de hoogte]1.
  § 2. Als de aanvrager niet alle documenten voorlegt die vereist zijn om de aanvraag te staven, of als ze onvolledig zijn, deelt de bevoegde overheid hem schriftelijk mee welke aanvullende inlichtingen of documenten hij moet voorleggen. Ze doet dat binnen vijftien dagen na de betekening van de brief waarin die documenten gevraagd worden.
  § 3. Als de aanvullende documenten of inlichtingen niet binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, geleverd werden, verklaart [1 et personeelslid van de bevoegde overheid dat conform artikel 2, § 4, is aangewezen,]1 de aanvraag onontvankelijk.
  De werkgever wordt met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van de beslissing van onontvankelijkheid.
  
Art. 72. § 1er. [1 Dans les dix jours à compter du jour de la réception de la demande visée à l'article 69, l'autorité compétente contrÎle si la demande est complÚte et informe le demandeur]1.
  § 2. Si le demandeur ne produit pas tous les documents requis pour étayer sa demande, ou si les documents produits sont incomplets, l'autorité compétente communique par écrit au demandeur les renseignements ou documents complémentaires qu'il doit produire. La communication précitée a lieu dans les quinze jours qui suivent la notification du courrier dans lequel lesdits documents sont demandés.
  § 3. Si les documents ou renseignements complémentaires n'ont pas été produits dans le délai visé au paragraphe 2, [1 le membre du personnel de l'autorité compétente désigné conformément à l'article 2, § 4,]1 déclare la demande irrecevable.
  L'employeur est informé de la décision d'irrecevabilité par courrier recommandé.
  
Art. 73. § 1. [2 Het personeelslid van de bevoegde overheid dat conform artikel 2, § 4, is aangewezen, beslist over de aanvraag van een toelating tot arbeid uiterlijk honderdtwintig dagen nadat de bevoegde overheid de aanvrager op de hoogte heeft gebracht dat de aanvraag volledig is.
   In uitzonderlijke omstandigheden die verbonden zijn aan de complexiteit van de aanvraag, kan de bevoegde overheid de termijn, vermeld in het eerste lid, verlengen. De bevoegde overheid brengt de werkgever op de hoogte van de beslissing tot verlenging van de termijn, vermeld in het eerste lid.
   Als het personeelslid van de bevoegde overheid dat overeenkomstig artikel 2, § 4, is aangewezen nadat de termijnen, vermeld in het eerste en tweede lid, zijn verstreken, geen beslissing over de toelating tot arbeid neemt, wordt de aanvraag van toelating tot arbeid geacht gunstig te zijn beoordeeld]2
.
  § 2. Als de aanvraag een toelating tot arbeid als seizoenarbeider betreft, wordt de beslissing over de aanvraag van een toelating tot arbeid genomen uiterlijk negentig dagen na de kennisgeving van het feit dat de aanvraag volledig is.
  Als de aanvraag een toelating tot arbeid als seizoenarbeider betreft en de onderdaan van een derde land in de loop van de voorafgaande vijf jaar ten minste eenmaal als seizoenarbeider op het Belgische grondgebied is toegelaten en tijdens elk van zijn verblijven de voorwaarden die gelden voor seizoenarbeiders heeft nageleefd, wordt de beslissing over de aanvraag genomen uiterlijk zestig dagen na de kennisgeving van het feit dat de aanvraag volledig is.
  Als de aanvraag een toelating tot arbeid als seizoenarbeider betreft, wordt de beslissing over een aanvraag van [1 hernieuwing]1 of verlenging genomen uiterlijk dertig dagen na de kennisgeving van het feit dat de aanvraag volledig is.
  
Art. 73. § 1er. [2 Le membre de l'autorité compétente désigné conformément à l'article 2, § 4, statue sur la demande d'admission au travail au plus tard cent vingt jours aprÚs que l'autorité compétente a informé le demandeur que sa demande est complÚte.
   Dans des circonstances exceptionnelles liées à la complexité de la demande, l'autorité compétente peut prolonger le délai visé à l'alinéa 1er. L'autorité compétente informe l'employeur de la décision de prolonger le délai visé à l'alinéa 1er.
   Si, à l'expiration des délais visés aux alinéas 1er et 2, le membre du personnel de l'autorité compétente désigné conformément à l'article 2, § 4, ne prend pas de décision sur l'admission au travail, la demande d'admission au travail est réputée avoir fait l'objet d'une évaluation favorable]2
.
  § 2. Lorsque la demande concerne une admission au travail en tant que travailleur saisonnier, la décision relative à la demande d'admission au travail est prise au plus tard nonante jours aprÚs la notification du fait que la demande est complÚte.
  Lorsque la demande concerne une admission au travail en tant que travailleur saisonnier, que le ressortissant d'un pays tiers a été admis sur le territoire belge en tant que travailleur saisonnier au moins une fois au cours des cinq années qui précÚdent, et qu'il a respecté les conditions applicables aux travailleurs saisonniers pendant chacun de ses séjours, la décision relative à la demande est prise au plus tard soixante jours aprÚs la notification du fait que la demande est complÚte.
  Lorsque la demande concerne une admission au travail en tant que travailleur saisonnier, la décision relative à une demande de renouvellement ou de prolongation est prise au plus tard trente jours aprÚs la notification du fait que la demande est complÚte.
  
Art. 74. § 1. [2 De bevoegde overheid betekent de beslissing van het personeelslid van de bevoegde overheid dat conform artikel 2, § 4, is aangewezen, om de toelating tot arbeid toe te kennen, te weigeren of in te trekken, met een aangetekende brief aan de aanvrager, en brengt de werknemer elektronisch op de hoogte van die beslissing]2.
  De beslissing vermeldt de mogelijkheid tot beroep, vermeld in artikel 9 van de wet van 30 april 1999, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.
  § 2. Zolang het beroep bij de minister hangende is, wordt elke aanvraag die na het beroep wordt ingesteld, niet ontvankelijk verklaard wanneer het gaat om een arbeidsbetrekking voor dezelfde werknemer en het beroep dat bij de minister hangende is, een aanvraag betreft die ingediend is conform artikel 41 of artikel 69.
  § 3. [1 De beslissing van de minister in beroep om de toelating tot arbeid te weigeren of in te trekken, wordt door de bevoegde overheid met een aangetekend schrijven betekend aan de beroepsindiener]1.
  De beslissing vermeldt de mogelijkheid van beroep, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.
  
Art. 74. § 1er. [2 L'autorité compétente notifie par courrier recommandé au demandeur la décision du membre du personnel de l'autorité compétente désigné conformément à l'article 2, § 4, d'accorder, de refuser ou de retirer l'admission au travail, et en informe le travailleur par voie électronique]2.
   La décision précise le droit de recours prévu à l'article 9 de la loi du 30 avril 1999, les autorités compétentes qui en prennent connaissance, ainsi que les conditions de forme et les délais à respecter
  § 2. Tant que l'appel auprĂšs du Ministre est en instance, toute demande introduite aprĂšs le dĂ©pĂŽt de l'appel est dĂ©clarĂ©e irrecevable lorsqu'il s'agit d'une relation de travail pour le mĂȘme travailleur, et que l'appel en instance devant le Ministre concerne une demande introduite conformĂ©ment Ă  l'article 41 ou 69.
  § 3. [1 La décision du ministre en appel de refuser ou de retirer l'admission au travail est notifiée par l'autorité compétente par courrier recommandé à l'auteur de l'appel]1.
  La décision précise les procédures de recours, les organismes compétents qui en prennent connaissance, les conditions de forme et les délais à respecter.
  
Art. 75. De onderdaan van een derde land die toegelaten is tot arbeid voor een periode van maximum negentig dagen, en die de duur van zijn verblijf met het oog op werk wil verlengen, waarbij de totale periode de negentig dagen overschrijdt, dient een aanvraag in conform de procedure vermeld in hoofdstuk 9.
  [1 Het eerste lid is niet van toepassing indien de onderdaan van een derde land om uitzonderlijke reden onafhankelijk van zijn wil het land niet kan verlaten.]1
  
Art. 75. Le ressortissant d'un pays tiers qui est admis au travail pour une période maximale de nonante jours et qui souhaite prolonger la durée de son séjour en vue de travailler, dépassant ainsi la période totale de nonante jours, introduit une demande conformément à la procédure visée au chapitre 9.
  [1 L'alinéa 1er ne s'applique pas si le ressortissant d'un pays tiers ne peut pas quitter le pays pour une raison exceptionnelle indépendante de sa volonté.]1
  
HOOFDSTUK 11. - Bepalingen over de bezoldiging van buitenlandse arbeidskrachten
CHAPITRE 11. - Dispositions relatives à la rémunération de travailleurs étrangers
Art. 76. § 1. De inkomsten worden geacht de betrokkene in staat te stellen in zijn behoeften of in die van zijn gezin te voorzien als het betaalde loon niet lager is dan het gemiddeld gewaarborgde maandelijks minimuminkomen dat door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen wordt beoogd.
  [1 Het eerste lid is niet van toepassing op aanvragen van een toelating tot arbeid voor seizoenarbeiders als vermeld in hoofdstuk 8, afdeling 2.]1.
  [2 ...]2
  In afwijking van het [2 eerste ]2 lid, wordt met toepassing van artikel 17, eerste lid, [1 1°,]1, de toelating tot arbeid aan [1 internationaal docenten]1 toegekend voor deeltijdse prestaties, als het betaalde loon lager is dan het gemiddeld gewaarborgde maandelijks minimuminkomen dat door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 beoogd wordt, indien de betrokkene aantoont over voldoende bestaansmiddelen te beschikken.
  § 2. De eerste paragraaf van dit artikel geldt met behoud van de toepassing van de loonvoorwaarden die verschuldigd zijn krachtens door de Koning overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten.
  [3 Met toepassing van het eerste lid wordt een toelating tot arbeid voor een middengeschoolde functie uitgereikt op basis van artikel 18, als de werknemer niet ingeschaald wordt als ongeschoolde arbeidskrach]3
  [1 § 3. De bezoldiging van de buitenlandse werknemer die met toepassing van artikel 8, § 1, tweede lid, toegelaten wordt tot arbeid voor een periode langer dan een jaar, wordt jaarlijks aangepast conform paragraaf 1, eerste lid, of artikel 17, eerste lid, 1° en 2°, artikel 21, 2°, of artikel 26, 4°. ]1
  
Art. 76. § 1er. Les revenus sont supposés permettre à la personne concernée de pourvoir à ses besoins ou à ceux de sa famille lorsque le salaire payé n'est pas inférieur au revenu minimum mensuel moyen garanti visé par la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 relative à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen.
  [1 L'alinéa 1er ne s'applique pas aux demandes d'admission au travail pour les travailleurs saisonniers tels que visés au chapitre 8, section 2 ]1.
  [2 ...]2
  Par dérogation à l'alinéa [2 1er ]2 il est accordé aux [1 chargés de cours internationaux]1, en application de l'article 17, alinéa premier, [1 1°,]1, une admission au travail pour prestations à temps partiel, lorsque le salaire payé est inférieur au revenu minimum mensuel moyen garanti visé par la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 relative à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen, si la personne concernée apporte la preuve qu'elle dispose de moyens de subsistance suffisants.
  § 2. Le paragraphe premier du présent article s'applique sans préjudice de l'application des conditions de rémunération dues en vertu des conventions collectives de travail rendues obligatoires par le Roi conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires.
  [3 En application de l'alinéa 1er, une autorisation de travail pour une fonction moyennement qualifiée est délivrée sur la base de l'article 18, si l'employé n'est pas classé comme travailleur non qualifié.]3
  [1 § 3. La rémunération du travailleur étranger qui est admis au travail pour une période dépassant un an, en application de l'article 8, § 1er, alinéa 2, est adaptée annuellement conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou l'article 17, alinéa 1er, 1° et 2°, l'article 21, 2°, ou l'article 26, 4°. ]1
  
Art. 77. De bezoldigingsbedragen, vermeld in dit besluit, vormen de tegenprestatie van uitgevoerde arbeidsprestaties en zijn met zekerheid bekend bij de aanvang van de tewerkstelling van de werknemers in België.
  De toeslagen die rechtstreeks verbonden zijn aan de detachering van de werknemer, worden beschouwd als een deel van de loonvoorwaarden, als die niet uitgekeerd worden als vergoeding van onkosten die daadwerkelijk gemaakt zijn in verband met de detachering, zoals reiskosten, verblijfskosten en kosten voor voeding.
Art. 77. Les montants de rĂ©munĂ©ration visĂ©s dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ© constituent la contrepartie des prestations de travail effectuĂ©es et sont connus avec certitude au dĂ©but de l'occupation des travailleurs en Belgique.
  Les suppléments directement liés au détachement du travailleur sont considérés comme faisant partie des conditions de rémunération lorsqu'ils ne sont pas versés en tant qu'indemnisation de coûts réellement exposés en rapport avec le détachement, tels que frais de voyage, frais de séjour et frais de nourriture.
Art. 78. De bezoldigingsbedragen, vermeld in artikel 17, eerste lid, 12° en 13°, worden elk jaar op 1 januari aangepast aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde trimester (basis 2010 = 100) overeenkomstig de formule: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de aanvangsindex. Het resultaat wordt afgerond op de euro.
  In het eerste lid wordt verstaan onder:
  1° index van de conventionele lonen voor bedienden: de index die wordt vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
  2° basisbedragen: de bedragen die van kracht zijn op 1 januari 2019;
  3° nieuwe index: de index van het derde trimester, met als basis 2010 = 100 van het jaar dat voorafgaat aan de indexering;
  4° aanvangsindex: de index van het derde trimester 2018 met als basis 2010 = 100.
Art. 78. Les montants de rémunération visés à l'article 17, alinéa premier, 12° et 13°, sont adaptés chaque année, le 1er janvier, à l'indice des salaires conventionnels pour employés du troisiÚme trimestre (base 2010=100) conformément à la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ. Le résultat est arrondi à l'euro.
  A l'alinéa premier, il faut entendre par :
  1° indice des salaires conventionnels pour employés : l'indice établi par le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale sur la base du calcul de la moyenne du traitement des employés adultes du secteur privé tel qu'il est fixé par convention collective de travail ;
  2° montants de base : les montants en vigueur au 1er janvier 2019 ;
  3° nouvel indice : l'indice du troisiÚme trimestre en base 2010 = 100 de l'année précédant l'indexation ;
  4° indice de départ : l'indice du troisiÚme trimestre 2018 en base 2010 = 100 ;
Art. 79. In toepassing van artikel 16, § 1, eerste lid, 5°, artikel 26, 4° en artikel 28, 3°, wordt de bezoldiging vermoed niet minder gunstig te zijn dan die van vergelijkbare functies indien ze minstens 160% van het gemiddeld bruto jaarloon bedraagt voor wat betreft de leidinggevende-ICT, en minstens 100% van het gemiddeld bruto jaarloon wat betreft de specialist-ICT en de stagiair-werknemer-ICT.
  Bij de beoordeling of de betrokken werknemer niet minder gunstig verloond wordt dan vergelijkbare functies, wordt rekening gehouden met alle voorgelegde elementen van het individuele geval.
Art. 79. En application de l'article 16, § 1er, alinĂ©a premier, 5°, de l'article 26, 4°, et de l'article 28, 3°, la rĂ©munĂ©ration est prĂ©sumĂ©e ne pas ĂȘtre moins favorable que celle de fonctions comparables si elle s'Ă©lĂšve Ă  au moins 160 % du salaire annuel brut moyen pour ce qui concerne le supĂ©rieur TIC, et Ă  au moins 100 % du salaire annuel brut moyen pour ce qui concerne le spĂ©cialiste TIC et le travailleur stagiaire TIC.
  Lorsqu'il est examiné si le travailleur concerné ne perçoit pas une rémunération moins favorable que celle de fonctions comparables, il est tenu compte de tous les éléments du cas individuel produits.
HOOFDSTUK 11/1. [1 Bepalingen over de gegevens die aangebracht moeten worden bij onderaanneming]1
CHAPITRE 11/1 [1 Dispositions relatives au devoir de diligence dans le cadre de la responsabilité en chaßne]1
Art. 79/1. [1 Om aan te tonen dat de voorwaarde, vermeld in artikel 12/4, § 1, tweede lid, 2°, van de wet van 30 april 1999, is vervuld, laten [2 de opdrachtgever, de aannemer en de intermediaire aannemer de volgende gegevens aanbrengen door de rechtstreekse aannemer of onderaannemer, die behoort tot de risicosectore]2:
   1° in geval van de dienstverrichting, vermeld in [2 artikel 16, § 2, eerste lid, 2°]2, van dit besluit, of artikel 2, § 2, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2021 tot uitvoering van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen:
   a) het bewijs van een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel van alle onderdanen van derde landen die worden tewerkgesteld door de rechtstreekse [2 aannemer of onderaannemer]2 of die zelfstandige beroepsactiviteiten uitoefenen in opdracht van de rechtstreekse [2 aannemer of onderaannemer]2. Als de rechtstreekse onderaannemer een natuurlijke persoon betreft die onderdaan is van een derde land, wordt ook een bewijs van zijn geldige paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel aangebracht;
   b) het bewijs van het recht op verblijf of de verblijfsvergunning van meer dan drie maanden in de lidstaat van de Europese Economische ruimte of de Zwitserse bondsstaat waar de voormelde onderdanen van derde landen verblijven;
   c) het bewijs van de inschrijving in het Limosakadaster als de activiteiten kaderen binnen een detachering binnen het toepassingsgebied, vermeld in artikel 138 van de programmawet (I) van 27 december 2006;
   d) het bewijs van het document dat is afgegeven door de buitenlandse instelling, en dat verklaart dat de socialezekerheidswetgeving van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op het Belgische grondgebied;
   2° in geval van de tewerkstelling [2 bij een werkgever die in België gevestigd is of bij een gebruiker van een dienstverrichting die in België gevestigd is]2 van onderdanen van derde landen voor wie een toelating tot arbeid vereist is, of, in geval van een zelfstandige beroepsactiviteit waarvoor een beroepskaart vereist is met toepassing van het decreet van 15 oktober 2021 over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden de volgende gegevens aangebracht door de rechtstreekse [2 aannemer of onderaannemer, die behoort tot de risicosectoren]2:
   a) het gegeven, vermeld in punt 1°, a);
   b) het bewijs van het wettig verblijf;
   c) het bewijs van een geldige Belgische toelating tot arbeid of beroepskaart van de voormelde onderdanen van derde landen;
   d) in voorkomend geval, het bewijs van onmiddellijke aangifte van tewerkstelling van de onderdanen van derde landen als vermeld in het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels [2 , of het bewijs van de inschrijving in het Limosakadaster als de activiteiten kaderen binnen een detachering binnen het toepassingsgebied, vermeld in artikel 138 van de programmawet (I) van 27 december 2006.]2.
  [2 In het geval het document, vermeld in het eerste lid, 1°, d), niet aanwezig is bij de aanvang van de dienstverrichting, vermeld in het eerste lid, 1°, volstaat het dat het ontvangstbewijs van de aanvraag van het document, vermeld in het eerste lid, 1°, d), aangebracht wordt door de rechtstreekse aannemer of onderaannemer]2.]1

  
Art 79/1.. .[1 Pour démontrer que la condition visée à l'article 12/4, § 1er, alinéa 2, 2°, de la loi du 30 avril 1999, est remplie, l'entrepreneur et [2 le donneur d'ordre, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire font introduire les données suivantes par l'entrepreneur ou sous-traitant direct, qui appartient aux secteurs à risques]2 :
   1° en cas de prestation de services visĂ©e Ă  [2 l'article 16, § 2, alinĂ©a 1er, 2°]2, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ou Ă  l'article 2, § 2, 5°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 dĂ©cembre 2021 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activitĂ©s professionnelles indĂ©pendantes par des ressortissants Ă©trangers :
   a) la preuve d'un passeport en cours de validitĂ© ou d'un titre de voyage en tenant lieu de tous les ressortissants de pays tiers employĂ©s par [2 l'entrepreneur ou le sous-traitant ]2 direct ou exerçant des activitĂ©s professionnelles indĂ©pendantes pour le compte [2 de l'entrepreneur ou du sous-traitant ]2 direct. Si [2 l'entrepreneur ou le sous-traitant ]2 direct est une personne physique ressortissante d'un pays tiers, la preuve de son passeport en cours de validitĂ© ou d'un titre de voyage tenant lieu doit Ă©galement ĂȘtre introduite ;
   b) la preuve du droit de sĂ©jour ou du titre de sĂ©jour de plus de trois mois dans l'Etat membre de l'Espace Ă©conomique europĂ©en ou la ConfĂ©dĂ©ration suisse oĂč rĂ©sident les ressortissants de pays tiers prĂ©citĂ©s ;
   c) le certificat d'inscription au cadastre Limosa si les activités s'inscrivent dans un détachement relevant du champ d'application visé à l'article 138 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 ;
   d) la preuve du document délivré par l'institution étrangÚre attestant que la législation de sécurité sociale de ce pays reste d'application pendant l'occupation sur le territoire belge ;
   2° en cas d'occupation [2 auprĂšs d'un employeur Ă©tabli en Belgique ou auprĂšs d'un usager d'une prestation de services Ă©tablie en Belgique ]2 de ressortissants de pays tiers pour lesquels une admission au travail est requise, ou, en cas d'activitĂ© professionnelle indĂ©pendante pour laquelle une carte professionnelle est requise en application du dĂ©cret du 15 octobre 2021 sur l'exercice d'activitĂ©s professionnelles indĂ©pendantes par des ressortissants Ă©trangers et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, les donnĂ©es suivantes sont introduites par [2 l'entrepreneur ou le sous-traitant direct, qui appartient aux secteurs Ă  risque]2 :
   a) les données visées au point 1°, a) ;
   b) la preuve de séjour légal ;
   c) la preuve d'une admission au travail ou d'une carte professionnelle belge en cours de validité des ressortissants de pays tiers précités ;
   d) le cas Ă©chĂ©ant, la preuve de la dĂ©claration immĂ©diate d'occupation des ressortissants de pays tiers telle que visĂ©e Ă  l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions. [2 , ou la preuve d'inscription au cadastre Limosa si les activitĂ©s s'inscrivent dans un dĂ©tachement relevant du champ d'application visĂ© Ă  l'article 138 de la loi-programme (I) du 27 dĂ©cembre 2006.]2
  [2 Dans le cas oĂč le document visĂ© Ă  l'alinĂ©a 1er, 1°, d), n'est pas prĂ©sent au dĂ©but de la prestataire de services visĂ©e Ă  l'alinĂ©a 1er, 1°, il suffit que le rĂ©cĂ©pissĂ© de la demande du document visĂ© Ă  l'alinĂ©a 1er, 1°, d), soit introduit par l'entrepreneur ou sous-traitant direct]2.]1

  
Art. 79/2. [1 . De opdrachtgever, de aannemer en de intermediaire aannemer vragen de gegevens, vermeld in artikel 79/1, op bij hun rechtstreekse aannemer of onderaannemer en gaan na of die gegevens aanwezig zijn. Ze houden de gegevens, vermeld in artikel 79/1, ter beschikking van de sociale inspectiediensten.
   Als de gegevens, vermeld in het eerste lid, niet aanwezig zijn na het verzoek om deze aan te brengen, meldt de opdrachtgever, de aannemer of de intermediaire aannemer dat aan de Vlaamse Sociale Inspectie, via het elektronische meldloket dat de Vlaamse Sociale Inspectie daarvoor ter beschikking stelt.
   In het tweede lid wordt verstaan onder Vlaamse Sociale Inspectie: de sociaalrechtelijke inspecteurs, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.
   De opdrachtgever, de aannemer en de intermediaire aannemer kunnen zich voor de taken, vermeld in het eerste lid, laten bijstaan door een sociale dienstverrichter of erkend sociaal secretariaat als vermeld in artikel 31ter, § 2, 1° en 2°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers ]1
.
  
Art. 79/2. [1 Le donneur d'ordre, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire demandent à leur entrepreneur ou sous-traitant direct les données visées à l'article 79/1, et vérifient que ces données sont présentes. Ils tiennent les données visées à l'article 79/1 à la disposition des services d'inspection sociale.
   Si les données visées à l'alinéa 1er ne sont pas présentes aprÚs la demande de les fournir, le donneur d'ordre, l'entrepreneur ou l'entrepreneur intermédiaire en informe l'Inspection sociale flamande par le biais du guichet électronique mis à disposition à cet effet par l'Inspection sociale flamande.
   Dans l'alinéa 2, on entend par Inspection sociale flamande : les inspecteurs des lois sociales, visés à l'article 2, § 1er, du décret du 30 avril 2004 relatif au contrÎle des lois sociales.
   Le donneur d'ordre, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire peuvent se faire assister pour les tùches visées à l'alinéa 1er, par un prestataire de services sociaux ou un secrétariat social agréé tels que visés à l'article 31ter, § 2, 1° et 2°, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés ]1
.
  
Art. 79/3. [1 Met toepassing van artikel 12/4, § 1, tweede lid, 2°, van de wet van 30 april 1999, worden de volgende sectoren en activiteiten beschouwd als risicosectoren:
   1° de werken, vermeld in artikel 30bis, § 1, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
   2° de activiteiten, vermeld in artikel 30ter van de voormelde wet, met uitzondering van de activiteiten, vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 november 1983 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten en tot vaststelling van het aantal leden ervan;
   3° de activiteiten, vermeld in artikel 22, 2°, van de programmawet (I) van 26 december 2022;
   4° de diensten van de pakketbezorgers, vermeld in artikel 2, 34°, van de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten.
   Het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie, vermeld in artikel 29/1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, evalueert de lijst van sectoren en activiteiten, vermeld in het eerste lid, uiterlijk om de twee jaar. ]1

  
Art. 79/3. [1 . En application de l'article 12/4, § 1er, alinéa 2, 2°, de la loi du 30 avril 1999, les secteurs et activités suivants sont considérés comme des secteurs à risque :
   1° les travaux, visĂ©s Ă  l'article 30bis, § 1er, 1°, de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs ;
   2° les activitĂ©s, visĂ©es Ă  l'article 30ter de la loi prĂ©citĂ©e, Ă  l'exception des activitĂ©s visĂ©es Ă  l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 7 novembre 1983 instituant la Commission paritaire pour les services de gardiennage et/ou de surveillance et fixant sa dĂ©nomination et sa compĂ©tence et en fixant le nombre de membres ;
   3° les activités, visées à l'article 22, 2°, de la loi-programme (I) du 26 décembre 2022 ;
   4° les services des livreurs de colis, visés à l'article 2, 34°, de la loi du 26 janvier 2018 relative aux services postaux.
   Le DĂ©partement de l'Emploi, de l'Economie, des Sciences, de l'Innovation et de l'Economie sociale, visĂ© Ă  l'article 29/1, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif Ă  l'organisation de l'Administration flamande, Ă©value la liste des secteurs et activitĂ©s, visĂ©e Ă  l'alinĂ©a 1er, au plus tard tous les deux ans. ]1

  
HOOFDSTUK 12. - Bepalingen inzake gegevensverwerking
CHAPITRE 12. - Dispositions en matiÚre de traitement des données
Art. 80. § 1. De bevoegde overheid treedt op als verwerkingsverantwoordelijke zoals vermeld in artikel 4, 7) van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
  § 2. In toepassing van hoofdstuk 9 wisselt de bevoegde overheid de nodige persoonsgegevens uit met de Dienst Vreemdelingenzaken.
  De persoonsgegevens worden beveiligd volgens de dataclassificatie en beveiligingsrichtlijnen van het stuurorgaan, uitgevaardigd op grond van artikel 3, tweede lid, 3° van het decreet van 23 december 2016 houdende de oprichting van het stuurorgaan Vlaams Informatie- en ICT-beleid.
Art. 80. § 1er. L'autorité compétente intervient en tant qu'unique responsable du traitement, tel que visé à l'article 4, 7), du rÚglement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractÚre personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (rÚglement général sur la protection des données).
  § 2. En application du chapitre 9, l'autorité compétente échange les données à caractÚre personnel nécessaires avec l'Office des Etrangers.
  Les données à caractÚre personnel sont protégées selon la classification des données et les lignes directrices en matiÚre de sécurité de l'organe de pilotage, imposées par l'article 3, alinéa deux, 3°, du décret du 23 décembre 2016 portant création de l'organe de pilotage de la Politique flamande d'information et des TIC.
Art. 81. De persoonsgegevens die opgevraagd worden in toepassing van dit besluit worden slechts zo lang bewaard als nodig voor het uitreiken van de arbeidsvergunning, de arbeidskaart en de eventuele hernieuwing van de toelating tot arbeid.
Art. 81. Les donnĂ©es Ă  caractĂšre personnel demandĂ©es en application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne sont conservĂ©es que pour la durĂ©e nĂ©cessaire Ă  la dĂ©livrance du permis de travail, de la carte de travail et de l'Ă©ventuel renouvellement de l'admission au travail.
HOOFDSTUK 13. - Wijzigingsbepaling
CHAPITRE 13. - Disposition de modification
Art. 82. In het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet-EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten wordt titel III, die bestaat uit artikel 9 tot en met 11, opgeheven.
Art. 82. Dans l'arrĂȘtĂ© royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrĂ©ment des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union europĂ©enne, et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent ĂȘtre conclues, le titre III, constituĂ© des articles 9 Ă  11 inclus, est abrogĂ©.
HOOFDSTUK 14. - Slotbepalingen
CHAPITRE 14. - Dispositions finales
Art. 83. Het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 2018, wordt opgeheven.
Art. 83. L'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1999 portant exĂ©cution de la loi du 30 avril 1999 relative Ă  l'occupation des travailleurs Ă©trangers, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er juin 2018, est abrogĂ©.
Art. 84. De arbeidsvergunningen, arbeidskaarten en toelatingen tot arbeid die toegekend zijn met toepassing van de bepalingen die van kracht zijn vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijven geldig totdat ze verstrijken.
  De aanvragen van arbeidsvergunning, arbeidskaart of toelating tot arbeid die worden ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit, blijven onderworpen aan de bepalingen die van kracht zijn vóór die datum, tenzij die bepalingen minder gunstig zijn voor betrokkene.
Art. 84. Les permis de travail, cartes de travail et admissions au travail dĂ©livrĂ©s conformĂ©ment aux dispositions en vigueur avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© restent valables jusqu'Ă  leur expiration.
  Les demandes de permis de travail, de carte de travail et d'admission au travail introduites avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© restent soumises aux dispositions en vigueur avant la date prĂ©citĂ©e, sauf si lesdites dispositions sont moins favorables pour la personne concernĂ©e.
Art. 85. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019, met uitzondering van hoofdstuk 8 en artikel 82, die in werking treden op de dag van de inwerkingtreding van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.
  Artikel 83 van dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019, met uitzondering van volgende bepalingen van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, die van toepassing blijven tot de dag van de inwerkingtreding van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018:
  1° artikel 2, eerste lid, 26° ;
  2° artikel 9, eerste lid, 5°, en afdeling 1 van hoofdstuk VI;
  3° afdeling 1bis van hoofdstuk IV.
  In afwijking van artikel 3 van dit besluit worden aanvragen ingediend op grond van het tweede lid, 2° en 3°, tot de dag van de inwerkingtreding van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, behandeld overeenkomstig artikel 2 van dit besluit.
  In toepassing van het tweede lid, 3° levert de bevoegde overheid een voorlopige arbeidsvergunning af aan de werkgever.
Art. 85. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er janvier 2019, Ă  l'exception du chapitre 8 et de l'article 82, qui entrent en vigueur le jour de l'entrĂ©e en vigueur de l'accord de coopĂ©ration d'exĂ©cution du 6 dĂ©cembre 2018.
  L'article 83 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er janvier 2019, Ă  l'exception des dispositions suivantes de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1999 portant exĂ©cution de la loi du 30 avril 1999 relative Ă  l'occupation des travailleurs Ă©trangers, qui restent applicables jusqu'Ă  la date d'entrĂ©e en vigueur de l'accord de coopĂ©ration d'exĂ©cution du 6 dĂ©cembre 2018 :
  1° l'article 2, alinéa premier, 26° ;
  2° l'article 9, alinéa premier, 5°, et la section 1Úre du chapitre VI ;
  3° la section 1bis du chapitre IV.
  Par dĂ©rogation Ă  l'article 3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, les demandes introduites en vertu de l'alinĂ©a deux, 2° et 3°, jusqu'Ă  la date d'entrĂ©e en vigueur de l'accord de coopĂ©ration d'exĂ©cution du 6 dĂ©cembre 2018, sont traitĂ©es conformĂ©ment Ă  l'article 2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  En application de l'alinéa deux, 3°, l'autorité compétente délivre un permis de travail provisoire à l'employeur.
Art. 86. De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 86. Le Ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.