Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° systeem van alternerend leren en werken: een onderwijssysteem dat enerzijds bestaat uit een theoretische vorming in een onderwijsinstelling of opleidingsinstelling ingericht, gesubsidieerd of erkend door de bevoegde overheid en anderzijds een praktische opleiding op de werkplek;
2° besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 betreffende de nadere regels voor het verkrijgen van een zorgtoeslag ;
3° beschutte werkplaats: een werkkader dat aangepast is aan de behoeften van personen met een arbeidshandicap die niet in staat zijn om in het normaal economisch circuit (NEC) te werken;
4° [1 ...]1
5° deelentiteit: de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, voor de gebiedsomschrijving van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad; de Vlaamse Gemeenschap, voor de gebiedsomschrijving van het Nederlandse taalgebied; het Waalse Gewest, voor de gebiedsomschrijving van het Franse taalgebied en de Duitstalige Gemeenschap, voor de gebiedsomschrijving van het Duitse taalgebied;
6° maatwerkbedrijf: het maatwerkbedrijf, zoals vermeld in artikel 3, 5° van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
7° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;
8° openbaar ambt: een ambt waarbij een burger op een permanente wijze aan de uitoefening van de openbare macht deelneemt;
9° zomervakantie: de periode tussen het einde van het schooljaar of academiejaar in de onderwijsinstelling die het kind vóór de vakantie bezocht en het begin van het schooljaar in de onderwijsinstelling waar het kind het volgende jaar de lessen volgt of het begin van het volgende academiejaar. Die periode mag evenwel niet meer dan vier maanden beslaan.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
5 OKTOBER 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de diverse hoedanigheden van het rechtgevend kind en betreffende de vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen, de startbedragen geboorte en adoptie en de universele participatietoeslagen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-12-2018 en tekstbijwerking tot 28-11-2025)
Titre
5 OCTOBRE 2018. - Arrêté du Gouvernement flamand établissant les diverses qualités de l'enfant bénéficiaire et relatif aux exemptions des conditions d'octroi pour les allocations familiales, les montants initiaux naissance et adoption, et les allocations de participation universelles(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 18-12-2018 et mise à jour au 28-11-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Definities
HOOFDSTUK 2. - Het kind dat toegelaten of gemac...
HOOFDSTUK 3. - Het kind dat het voorwerp uitmaa...
HOOFDSTUK 4. - Het kind dat verdwenen is
HOOFDSTUK 5. - Het kind met een specifieke onde...
HOOFDSTUK 6. - Het kind dat onderwijs volgt of ...
Afdeling 1. - Niet-hoger onderwijs
Afdeling 2. - Hoger onderwijs
Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen voo...
Afdeling 4. - Het kind dat verbonden is door ee...
Afdeling 5. - Het kind dat een stage doorloopt ...
Afdeling 6. - Schoolverlater
Afdeling 7. - Gemeenschappelijke bepalingen
HOOFDSTUK 7. - Kind met een specifieke onderste...
HOOFDSTUK 8. - Recht op gezinsbijslagen voor be...
HOOFDSTUK 9. - Algemene vrijstellingen van de t...
Afdeling 1. - Algemene vrijstellingen van de to...
Afdeling 2. - Algemene vrijstellingen van de to...
Afdeling 3. - Algemene vrijstellingen van de to...
Afdeling 4. - Bepaling van nadere voorwaarden v...
HOOFDSTUK 9/1. [1 - Samenloop van gezinsbijslag...
HOOFDSTUK 10. - Universele participatietoeslagen
HOOFDSTUK 11. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Définitions
CHAPITRE 2. - L'enfant admis ou autorisé à séjo...
CHAPITRE 3. - L'enfant qui fait l'objet d'un en...
CHAPITRE 4. - L'enfant disparu
CHAPITRE 5. - L'enfant ayant un besoin de souti...
CHAPITRE 6. - L'enfant qui suit un enseignement...
Section 1re. - Enseignement non supérieur
Section 2. - Enseignement supérieur
Section 3. - Dispositions communes pour les sec...
Section 4. - L'enfant lié par un contrat d'appr...
Section 5. - L'enfant qui accomplit un stage af...
Section 6. - Jeune sortant de l'école
Section 7. - Dispositions communes
CHAPITRE 7. - Enfant ayant un besoin de soutien...
CHAPITRE 8. - Droit aux allocations familiales ...
CHAPITRE 9. - Exemptions générales des conditio...
Section 1re. - Exemptions générales des conditi...
Section 2. - Exemptions générales des condition...
Section 3. - Exemptions générales des condition...
Section 4. - Détermination des modalités relati...
CHAPITRE 9/1. [1 - Cumul des allocations famili...
CHAPITRE 10. - Allocations de participation uni...
CHAPITRE 11. - Dispositions finales
Tekst (86)
Texte (86)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° système d'apprentissage et de travail en alternance : un système éducatif qui se compose d'une formation théorique dans un établissement d'enseignement ou un établissement de formation, organisé, subventionné ou agréé par l'autorité compétente d'une part, et d'une formation pratique sur le lieu de travail d'autre part ;
2° arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 relatif aux modalités relatives à l'obtention d'une allocation de soins ;
3° atelier protégé : un cadre professionnel adapté aux besoins de personnes ayant un handicap du travail qui ne sont pas capables de travailler dans le circuit économique régulier (CEN) ;
4° [1 ...]1
5° entité fédérée : la Commission communautaire commune, pour la circonscription de la région bilingue de Bruxelles-Capitale ; la Communauté flamande, pour la circonscription de la région de langue néerlandaise ; la Région wallonne, pour la circonscription de la région de langue française et la Communauté germanophone, pour la circonscription de la région de langue allemande ;
6° entreprise de travail adapté : l'entreprise de travail adapté, visée à l'article 3, 5°, du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
7° Ministre : le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions ;
8° fonction publique : une fonction par laquelle un citoyen participe d'une manière permanente à l'exercice du pouvoir public ;
9° vacances d'été : la période entre la fin de l'année scolaire ou de l'année académique dans l'établissement d'enseignement que l'enfant fréquentait avant les vacances et le début de l'année scolaire dans l'établissement d'enseignement où l'enfant suivra les cours pendant l'année suivante ou le début de l'année académique suivante. Cette période ne peut toutefois pas couvrir plus de quatre mois.
1° système d'apprentissage et de travail en alternance : un système éducatif qui se compose d'une formation théorique dans un établissement d'enseignement ou un établissement de formation, organisé, subventionné ou agréé par l'autorité compétente d'une part, et d'une formation pratique sur le lieu de travail d'autre part ;
2° arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 relatif aux modalités relatives à l'obtention d'une allocation de soins ;
3° atelier protégé : un cadre professionnel adapté aux besoins de personnes ayant un handicap du travail qui ne sont pas capables de travailler dans le circuit économique régulier (CEN) ;
4° [1 ...]1
5° entité fédérée : la Commission communautaire commune, pour la circonscription de la région bilingue de Bruxelles-Capitale ; la Communauté flamande, pour la circonscription de la région de langue néerlandaise ; la Région wallonne, pour la circonscription de la région de langue française et la Communauté germanophone, pour la circonscription de la région de langue allemande ;
6° entreprise de travail adapté : l'entreprise de travail adapté, visée à l'article 3, 5°, du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
7° Ministre : le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions ;
8° fonction publique : une fonction par laquelle un citoyen participe d'une manière permanente à l'exercice du pouvoir public ;
9° vacances d'été : la période entre la fin de l'année scolaire ou de l'année académique dans l'établissement d'enseignement que l'enfant fréquentait avant les vacances et le début de l'année scolaire dans l'établissement d'enseignement où l'enfant suivra les cours pendant l'année suivante ou le début de l'année académique suivante. Cette période ne peut toutefois pas couvrir plus de quatre mois.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 2. - Het kind dat toegelaten of gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen
CHAPITRE 2. - L'enfant admis ou autorisé à séjourner en Belgique ou à s'y établir
Art. 2. Het recht op gezinsbijslagen van een kind dat de Belgische nationaliteit niet bezit als vermeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 1°, van [2 het Groeipakketdecreet van 2018]2, ontstaat vanaf de datum waarop de beslissing tot toekenning van het verblijfsrecht conform de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wordt genomen.
[1 Met behoud van de toepassing van de in het vierde lid vermelde bevoegdheid van de minister, ontstaat het recht op gezinsbijslagen voor het kind dat erkend vluchteling is, vanaf de datum waarop de beslissing van erkenning van de vluchtelingenstatus, overeenkomstig artikel 48/3 van de voormelde wet, wordt genomen.]1
Als voor het rechtgevend kind zelf niet aangetoond kan worden dat het de toelating heeft of dat het gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen conform de voormelde wet, wordt die voorwaarde gecontroleerd via de persoon die het verblijfsrecht van het kind opent als vermeld in het Rijksregister.
De minister bepaalt wat met de voorwaarde van toegelaten of gemachtigd verblijf gelijkgesteld wordt.
[1 Met behoud van de toepassing van de in het vierde lid vermelde bevoegdheid van de minister, ontstaat het recht op gezinsbijslagen voor het kind dat erkend vluchteling is, vanaf de datum waarop de beslissing van erkenning van de vluchtelingenstatus, overeenkomstig artikel 48/3 van de voormelde wet, wordt genomen.]1
Als voor het rechtgevend kind zelf niet aangetoond kan worden dat het de toelating heeft of dat het gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen conform de voormelde wet, wordt die voorwaarde gecontroleerd via de persoon die het verblijfsrecht van het kind opent als vermeld in het Rijksregister.
De minister bepaalt wat met de voorwaarde van toegelaten of gemachtigd verblijf gelijkgesteld wordt.
Art. 2. Le droit aux allocations familiales d'un enfant qui n'a pas la nationalité belge, tel que visé à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, 1°, du [2 décret relatif au Panier de croissance de 2018]2, naît à partir de la date à laquelle la décision d'octroi du droit de séjour est prise conformément à la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
[1 Sans préjudice de l'application de la compétence du Ministre visée à l'alinéa 4, le droit aux allocations familiales pour l'enfant réfugié reconnu prend naissance à partir de la date à laquelle la décision de reconnaissance du statut de réfugié est prise, conformément à l'article 48/3 de la loi précitée.]1
S'il ne peut pas être démontré pour l'enfant bénéficiaire lui-même qu'il est admis ou autorisé à séjourner en Belgique ou à s'y établir conformément à la loi précitée, cette condition est contrôlée via la personne qui ouvre le droit de séjour de l'enfant, telle que visée au Registre national.
Le Ministre détermine ce qui est assimilé à la condition de séjour admis ou autorisé.
[1 Sans préjudice de l'application de la compétence du Ministre visée à l'alinéa 4, le droit aux allocations familiales pour l'enfant réfugié reconnu prend naissance à partir de la date à laquelle la décision de reconnaissance du statut de réfugié est prise, conformément à l'article 48/3 de la loi précitée.]1
S'il ne peut pas être démontré pour l'enfant bénéficiaire lui-même qu'il est admis ou autorisé à séjourner en Belgique ou à s'y établir conformément à la loi précitée, cette condition est contrôlée via la personne qui ouvre le droit de séjour de l'enfant, telle que visée au Registre national.
Le Ministre détermine ce qui est assimilé à la condition de séjour admis ou autorisé.
HOOFDSTUK 3. - Het kind dat het voorwerp uitmaakt van een ontvoering
CHAPITRE 3. - L'enfant qui fait l'objet d'un enlèvement
Art. 3. De gezinsbijslagen die verschuldigd zijn voor het kind dat het voorwerp uitmaakt van een ontvoering als vermeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, is gelijk aan het maandelijkse basisbedrag, vermeld in artikel 13 van het voormelde decreet.
Een recht op wezentoeslag als vermeld in artikel 14 van het voormelde decreet, kan gevestigd worden voor het ontvoerde kind conform de voorwaarden, vermeld in titel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018.
De toeslag, vermeld in artikel 16 van het voormelde decreet, kan verder worden betaald zolang de beslissing over de specifieke ondersteuningsnood van voor de ontvoering geldig is.
Een recht op een sociale toeslag als vermeld in artikel 18 van het voormelde decreet, kan toegekend worden conform de in dit artikel gestelde voorwaarden. Het ontvoerde kind telt mee voor de bepaling van de gezinsgrootte, vermeld in artikel 18, tweede lid, van het voormelde decreet.
Een recht op wezentoeslag als vermeld in artikel 14 van het voormelde decreet, kan gevestigd worden voor het ontvoerde kind conform de voorwaarden, vermeld in titel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018.
De toeslag, vermeld in artikel 16 van het voormelde decreet, kan verder worden betaald zolang de beslissing over de specifieke ondersteuningsnood van voor de ontvoering geldig is.
Een recht op een sociale toeslag als vermeld in artikel 18 van het voormelde decreet, kan toegekend worden conform de in dit artikel gestelde voorwaarden. Het ontvoerde kind telt mee voor de bepaling van de gezinsgrootte, vermeld in artikel 18, tweede lid, van het voormelde decreet.
Art. 3. Les allocations familiales dues pour l'enfant qui fait l'objet d'un enlèvement, tel que visé à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, 2°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, égalent le montant de base mensuel, visé à l'article 13 du décret précité.
Un droit à l'allocation d'orphelin tel que visé à l'article 14 du décret précité, peut être établi pour l'enfant enlevé conformément aux conditions visées au titre 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018.
L'allocation, visée à l'article 16 du décret précité, peut continuer à être payée tant que la décision relative au besoin de soutien spécifique datant d'avant l'enlèvement est valable.
Un droit à un supplément social tel que visé à l'article 18 du décret précité, peut être accordé conformément aux conditions fixées dans le présent article. L'enfant enlevé est pris en compte pour la détermination de la taille du ménage, visée à l'article 18, alinéa 2, du décret précité.
Un droit à l'allocation d'orphelin tel que visé à l'article 14 du décret précité, peut être établi pour l'enfant enlevé conformément aux conditions visées au titre 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018.
L'allocation, visée à l'article 16 du décret précité, peut continuer à être payée tant que la décision relative au besoin de soutien spécifique datant d'avant l'enlèvement est valable.
Un droit à un supplément social tel que visé à l'article 18 du décret précité, peut être accordé conformément aux conditions fixées dans le présent article. L'enfant enlevé est pris en compte pour la détermination de la taille du ménage, visée à l'article 18, alinéa 2, du décret précité.
Wijzigingen
Art. 4. De gezinsbijslagen die verschuldigd zijn voor het ontvoerde kind, worden toegekend vanaf de datum van de ontvoering van het kind en zolang het kind de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt.
Het recht, vermeld in het eerste lid, is afhankelijk van het ontbreken van een recht op gezinsbijslagen bij toepassing van andere Belgische of buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
Het recht, vermeld in het eerste lid, is afhankelijk van het ontbreken van een recht op gezinsbijslagen bij toepassing van andere Belgische of buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
Art. 4. Les allocations familiales dues pour l'enfant enlevé sont accordées à partir de la date de l'enlèvement de l'enfant et tant que l'enfant n'a pas atteint l'âge de dix-huit ans.
Le droit, visé à l'alinéa 1er, dépend de l'absence d'un droit aux allocations familiales en application d'autres dispositions légales ou réglementaires belges ou étrangères ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international.
Le droit, visé à l'alinéa 1er, dépend de l'absence d'un droit aux allocations familiales en application d'autres dispositions légales ou réglementaires belges ou étrangères ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international.
Art. 5. § 1. De gezinsbijslagen worden verder toegekend aan de personen die vlak voor de ontvoering de begunstigden voor het ontvoerde kind waren.
[1 Als een ouder met toepassing van artikel 57, § 2, van het Groeipakketdecreet van 2018 tijdens de ontvoering begunstigde wordt, worden de gezinsbijslagen verder toegekend aan die ouder.]1
De personen, vermeld in het eerste [1 en het tweede]1 lid, mogen alleen beschouwd worden als begunstigden als ze niet rechtstreeks, noch onrechtstreeks hebben deelgenomen aan de ontvoering van het kind.
Als de personen die voor de ontvoering de begunstigden voor het ontvoerde kind waren, overlijden voordat er een einde aan de ontvoering komt, kan de persoon die het ouderlijk gezag verkrijgt bij vonnis, als begunstigde aangewezen worden.
§ 2. Kinderen die voor zichzelf begunstigde waren, hebben geen recht op gezinsbijslagen tijdens de periode van ontvoering.
[1 Als een ouder met toepassing van artikel 57, § 2, van het Groeipakketdecreet van 2018 tijdens de ontvoering begunstigde wordt, worden de gezinsbijslagen verder toegekend aan die ouder.]1
De personen, vermeld in het eerste [1 en het tweede]1 lid, mogen alleen beschouwd worden als begunstigden als ze niet rechtstreeks, noch onrechtstreeks hebben deelgenomen aan de ontvoering van het kind.
Als de personen die voor de ontvoering de begunstigden voor het ontvoerde kind waren, overlijden voordat er een einde aan de ontvoering komt, kan de persoon die het ouderlijk gezag verkrijgt bij vonnis, als begunstigde aangewezen worden.
§ 2. Kinderen die voor zichzelf begunstigde waren, hebben geen recht op gezinsbijslagen tijdens de periode van ontvoering.
Art. 5. § 1er. Les allocations familiales restent accordées aux personnes qui étaient les bénéficiaires pour l'enfant enlevé juste avant l'enlèvement.
[1 Si un parent, en application de l'article 57, § 2, du décret relatif au Panier de croissance de 2018, devient bénéficiaire pendant la période de l'enlèvement, les allocations familiales restent accordées à ce parent.]1
Les personnes visées à l'alinéa 1er [1 et au deuxième alinéa]1 ne peuvent être considérées comme des bénéficiaires que si elles n'ont pas participé, ni directement ni indirectement, à l'enlèvement de l'enfant.
Si les personnes qui étaient les bénéficiaires pour l'enfant enlevé avant l'enlèvement décèdent avant la fin de l'enlèvement, la personne qui obtient l'autorité parentale par arrêt peut être désignée comme bénéficiaire.
§ 2. Les enfants qui étaient les bénéficiaires pour eux-mêmes n'ont pas droit aux allocations familiales pendant la période de l'enlèvement.
[1 Si un parent, en application de l'article 57, § 2, du décret relatif au Panier de croissance de 2018, devient bénéficiaire pendant la période de l'enlèvement, les allocations familiales restent accordées à ce parent.]1
Les personnes visées à l'alinéa 1er [1 et au deuxième alinéa]1 ne peuvent être considérées comme des bénéficiaires que si elles n'ont pas participé, ni directement ni indirectement, à l'enlèvement de l'enfant.
Si les personnes qui étaient les bénéficiaires pour l'enfant enlevé avant l'enlèvement décèdent avant la fin de l'enlèvement, la personne qui obtient l'autorité parentale par arrêt peut être désignée comme bénéficiaire.
§ 2. Les enfants qui étaient les bénéficiaires pour eux-mêmes n'ont pas droit aux allocations familiales pendant la période de l'enlèvement.
Wijzigingen
Art. 6. Voor het kind dat al als ontvoerd wordt beschouwd op 31 december 2018, blijft de bijslagtrekkende, vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 april 2005 tot uitvoering van artikel 69, § 2bis, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, de bijslagtrekkende vanaf 1 januari 2019 tot er zich een wijziging voordoet op het vlak van de ontvoering zelf. In dat geval worden de bepalingen voor de aanwijzing van de begunstigden en de regels van de uitbetaling overeenkomstig boek 2, deel 4, titel 1, hoofdstuk 1, en boek 2, deel 4, titel 2, hoofdstuk 1, toegepast. De bepalingen van boek 2, deel 4, titel 2, hoofdstuk 3 zijn van toepassing zowel op de bijslagtrekkende als de begunstigde.
Het kind heeft recht op gezinsbijslagen conform artikel 210 van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1.
Het kind heeft recht op gezinsbijslagen conform artikel 210 van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1.
Art. 6. Pour l'enfant qui est déjà considéré comme étant enlevé le 31 décembre 2018, l'allocataire visé à l'article 1er de l'arrêté royal du 19 avril 2005 portant exécution de l'article 69, § 2bis, des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, reste l'allocataire à partir du 1er janvier 2019 jusqu'à ce qu'une modification intervienne quant à l'enlèvement. Dans ce cas, les dispositions relatives à la désignation des bénéficiaires et les règles du paiement sont appliquées conformément au livre 2, partie 4, titre 1er, chapitre 1er, et livre 2, partie 4, titre 2, chapitre 1er. Les dispositions du livre 2, partie 4, titre 2, chapitre 3, s'appliquent tant à l'allocataire qu'au bénéficiaire.
L'enfant a droit aux allocations familiales conformément à l'article 210 du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1.
L'enfant a droit aux allocations familiales conformément à l'article 210 du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1.
Wijzigingen
Art. 7. Onder Belgische overheden die bevoegd zijn inzake de ontvoering van kinderen als vermeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, a), van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, wordt verstaan: het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden van de Federale Overheidsdienst Justitie en de Directie-generaal Consulaire Zaken van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Er wordt niet alleen rekening gehouden met een aangifte van ontvoering in het kader van een strafprocedure, maar ook met een aangifte in het kader van een burgerlijke procedure.
Er wordt niet alleen rekening gehouden met een aangifte van ontvoering in het kader van een strafprocedure, maar ook met een aangifte in het kader van een burgerlijke procedure.
Art. 7. Par autorités belges compétentes en matière d'enlèvement d'enfants, telles que visées à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, 2°, a), du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, on entend : la Direction générale de la Législation et des Libertés et Droits fondamentaux du Service public fédéral Justice et la Direction générale des Affaires consulaires du Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement.
Il est tenu compte non seulement d'une déclaration d'enlèvement dans le cadre d'une procédure pénale, mais également d'une déclaration dans le cadre d'une procédure civile.
Il est tenu compte non seulement d'une déclaration d'enlèvement dans le cadre d'une procédure pénale, mais également d'une déclaration dans le cadre d'une procédure civile.
Wijzigingen
Art. 8. De ontvoering neemt een einde zodra het kind is teruggekeerd naar de persoon, de personen of de instelling die het gezag hadden over het kind voor de ontvoering of als die persoon, personen of de instelling ermee instemmen dat het kind bij een derde verblijft.
De ontvoering neemt ook een einde als het kind niet hoeft terug te keren overeenkomstig artikel 13, eerste lid, en artikel 20 van het verdrag betreffende burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, ondertekend in 's-Gravenhage op 25 oktober 1980, en artikel 11 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000.
De ontvoering neemt ook een einde als het kind niet hoeft terug te keren overeenkomstig artikel 13, eerste lid, en artikel 20 van het verdrag betreffende burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, ondertekend in 's-Gravenhage op 25 oktober 1980, en artikel 11 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000.
Art. 8. L'enlèvement prend fin dès que l'enfant est retourné à la personne, aux personnes ou à l'institution qui avaient l'autorité de l'enfant avant l'enlèvement ou si cette personne, ces personnes ou l'institution consentent à ce que l'enfant séjourne chez un tiers.
L'enlèvement prend également fin si l'enfant ne doit pas retourner conformément à l'article 13, alinéa 1er, et l'article 20 de la Convention sur les aspects civils de l'enlèvement international d'enfants, faite à La Haye le 25 octobre 1980, et l'article 11 du Règlement (CE) n° 2201/2003 du Conseil du 27 novembre 2003 relatif à la compétence, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière matrimoniale et en matière de responsabilité parentale abrogeant le règlement (CE) n° 1347/2000.
L'enlèvement prend également fin si l'enfant ne doit pas retourner conformément à l'article 13, alinéa 1er, et l'article 20 de la Convention sur les aspects civils de l'enlèvement international d'enfants, faite à La Haye le 25 octobre 1980, et l'article 11 du Règlement (CE) n° 2201/2003 du Conseil du 27 novembre 2003 relatif à la compétence, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière matrimoniale et en matière de responsabilité parentale abrogeant le règlement (CE) n° 1347/2000.
HOOFDSTUK 4. - Het kind dat verdwenen is
CHAPITRE 4. - L'enfant disparu
Art. 9. De gezinsbijslagen voor het verdwenen kind, vermeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, zijn gelijk aan het maandelijkse basisbedrag, vermeld in artikel 13 van het voormelde decreet.
Een recht op wezentoeslag kan gevestigd worden voor het verdwenen kind volgens de voorwaarden, vermeld in titel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018.
De toeslag, vermeld in artikel 16 van het voormelde decreet, kan verder worden betaald zolang de beslissing over de specifieke ondersteuningsnood van voor de verdwijning geldig is.
Een recht op een sociale toeslag als vermeld in artikel 18 van het voormelde decreet, kan toegekend worden conform de in dit artikel gestelde voorwaarden.
Het verdwenen kind telt mee voor de bepaling van de gezinsgrootte, vermeld in artikel 18, tweede lid, van het voormelde decreet.
Een recht op wezentoeslag kan gevestigd worden voor het verdwenen kind volgens de voorwaarden, vermeld in titel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018.
De toeslag, vermeld in artikel 16 van het voormelde decreet, kan verder worden betaald zolang de beslissing over de specifieke ondersteuningsnood van voor de verdwijning geldig is.
Een recht op een sociale toeslag als vermeld in artikel 18 van het voormelde decreet, kan toegekend worden conform de in dit artikel gestelde voorwaarden.
Het verdwenen kind telt mee voor de bepaling van de gezinsgrootte, vermeld in artikel 18, tweede lid, van het voormelde decreet.
Art. 9. Les allocations familiales dues pour l'enfant disparu, visé à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, 2°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, égalent le montant de base mensuel, visé à l'article 13 du décret précité.
Un droit à l'allocation d'orphelin peut être établi pour l'enfant disparu conformément aux conditions visées au titre 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018.
L'allocation, visée à l'article 16 du décret précité, peut continuer à être payée tant que la décision relative au besoin de soutien spécifique datant d'avant la disparition est valable.
Un droit à un supplément social tel que visé à l'article 18 du décret précité, peut être accordé conformément aux conditions fixées dans le présent article.
L'enfant disparu est pris en compte pour la détermination de la taille du ménage, visée à l'article 18, alinéa 2, du décret précité.
Un droit à l'allocation d'orphelin peut être établi pour l'enfant disparu conformément aux conditions visées au titre 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018.
L'allocation, visée à l'article 16 du décret précité, peut continuer à être payée tant que la décision relative au besoin de soutien spécifique datant d'avant la disparition est valable.
Un droit à un supplément social tel que visé à l'article 18 du décret précité, peut être accordé conformément aux conditions fixées dans le présent article.
L'enfant disparu est pris en compte pour la détermination de la taille du ménage, visée à l'article 18, alinéa 2, du décret précité.
Wijzigingen
Art. 10. Op het moment van de verdwijning moet het kind rechtgevend zijn op gezinsbijslagen als vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 1° tot en met 3°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, of krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
De gezinsbijslagen worden voor ten hoogste vijf jaar toegekend vanaf de eerste dag van de maand van de verdwijning van het kind, als het niet de leeftijd van 21 jaar of van 25 jaar heeft bereikt, al naargelang het rechtgevend was conform artikel 8, § 2, eerste lid, 2° of 3°, van het voormelde decreet op het ogenblik van de verdwijning.
De gezinsbijslagen worden voor ten hoogste vijf jaar toegekend vanaf de eerste dag van de maand van de verdwijning van het kind, als het niet de leeftijd van 21 jaar of van 25 jaar heeft bereikt, al naargelang het rechtgevend was conform artikel 8, § 2, eerste lid, 2° of 3°, van het voormelde decreet op het ogenblik van de verdwijning.
Art. 10. Au moment de la disparition, l'enfant doit donner droit aux allocations familiales, tel que visé à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 1° à 3°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, ou en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée, de dispositions légales ou réglementaires étrangères ou de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international.
Les allocations familiales sont accordées pour au maximum cinq années à partir du premier jour du mois de la disparition de l'enfant, s'il n'a pas atteint l'âge de 21 ans ou de 25 ans, selon qu'il était bénéficiaire conformément à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 2° ou 3°, du décret précité au moment de la disparition.
Les allocations familiales sont accordées pour au maximum cinq années à partir du premier jour du mois de la disparition de l'enfant, s'il n'a pas atteint l'âge de 21 ans ou de 25 ans, selon qu'il était bénéficiaire conformément à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 2° ou 3°, du décret précité au moment de la disparition.
Wijzigingen
Art. 11. De gezinsbijslagen worden verder toegekend aan de persoon of personen die vlak voor de verdwijning de begunstigde of begunstigden voor het verdwenen kind waren.
Kinderen die voor zichzelf begunstigde waren, hebben geen recht op gezinsbijslagen tijdens de periode van verdwijning.
Als de personen die voor de verdwijning de begunstigden voor het verdwenen kind waren, overlijden voordat er een einde aan de verdwijning komt, kan de persoon die het ouderlijk gezag verkrijgt bij vonnis, als begunstigde aangewezen worden.
Voor het kind dat al als verdwenen wordt beschouwd op 31 december 2018, blijft de bijslagtrekkende, vermeld in artikel 69, § 1 van de Algemene Kinderbijslagwet van 19 december 1939, de bijslagtrekkende vanaf 1 januari 2019 tot er zich een wijziging voordoet op het vlak van de verdwijning zelf. In dat geval worden de bepalingen voor de aanwijzing van de begunstigden en de regels van de uitbetaling overeenkomstig boek 2, deel 4, titel 1, hoofdstuk 1, en boek 2, deel 4, titel 2, hoofdstuk 1, toegepast. De bepalingen van boek 2, deel 4, titel 2, hoofdstuk 3 zijn van toepassing zowel op de bijslagtrekkende als de begunstigde.
Het kind heeft recht op gezinsbijslagen conform artikel 210 van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1.
Kinderen die voor zichzelf begunstigde waren, hebben geen recht op gezinsbijslagen tijdens de periode van verdwijning.
Als de personen die voor de verdwijning de begunstigden voor het verdwenen kind waren, overlijden voordat er een einde aan de verdwijning komt, kan de persoon die het ouderlijk gezag verkrijgt bij vonnis, als begunstigde aangewezen worden.
Voor het kind dat al als verdwenen wordt beschouwd op 31 december 2018, blijft de bijslagtrekkende, vermeld in artikel 69, § 1 van de Algemene Kinderbijslagwet van 19 december 1939, de bijslagtrekkende vanaf 1 januari 2019 tot er zich een wijziging voordoet op het vlak van de verdwijning zelf. In dat geval worden de bepalingen voor de aanwijzing van de begunstigden en de regels van de uitbetaling overeenkomstig boek 2, deel 4, titel 1, hoofdstuk 1, en boek 2, deel 4, titel 2, hoofdstuk 1, toegepast. De bepalingen van boek 2, deel 4, titel 2, hoofdstuk 3 zijn van toepassing zowel op de bijslagtrekkende als de begunstigde.
Het kind heeft recht op gezinsbijslagen conform artikel 210 van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1.
Art. 11. Les allocations familiales restent accordées à la personne ou aux personnes qui étaient le bénéficiaire ou les bénéficiaires pour l'enfant disparu juste avant la disparition.
Les enfants qui étaient les bénéficiaires pour eux-mêmes n'ont pas droit aux allocations familiales pendant la période de la disparition.
Si les personnes qui étaient les bénéficiaires pour l'enfant disparu avant la disparition décèdent avant la fin de la disparition, la personne qui obtient l'autorité parentale par arrêt peut être désignée comme bénéficiaire.
Pour l'enfant qui est déjà considéré comme étant disparu le 31 décembre 2018, l'allocataire visé à l'article 69, § 1er, de la Loi générale relative aux allocations familiales du 19 décembre 1939, reste l'allocataire à partir du 1er janvier 2019 jusqu'à ce qu'une modification intervienne quant à la disparition. Dans ce cas, les dispositions relatives à la désignation des bénéficiaires et les règles du paiement sont appliquées conformément au livre 2, partie 4, titre 1er, chapitre 1er, et livre 2, partie 4, titre 2, chapitre 1er. Les dispositions du livre 2, partie 4, titre 2, chapitre 3, s'appliquent tant à l'allocataire qu'au bénéficiaire.
L'enfant a droit aux allocations familiales conformément à l'article 210 du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1.
Les enfants qui étaient les bénéficiaires pour eux-mêmes n'ont pas droit aux allocations familiales pendant la période de la disparition.
Si les personnes qui étaient les bénéficiaires pour l'enfant disparu avant la disparition décèdent avant la fin de la disparition, la personne qui obtient l'autorité parentale par arrêt peut être désignée comme bénéficiaire.
Pour l'enfant qui est déjà considéré comme étant disparu le 31 décembre 2018, l'allocataire visé à l'article 69, § 1er, de la Loi générale relative aux allocations familiales du 19 décembre 1939, reste l'allocataire à partir du 1er janvier 2019 jusqu'à ce qu'une modification intervienne quant à la disparition. Dans ce cas, les dispositions relatives à la désignation des bénéficiaires et les règles du paiement sont appliquées conformément au livre 2, partie 4, titre 1er, chapitre 1er, et livre 2, partie 4, titre 2, chapitre 1er. Les dispositions du livre 2, partie 4, titre 2, chapitre 3, s'appliquent tant à l'allocataire qu'au bénéficiaire.
L'enfant a droit aux allocations familiales conformément à l'article 210 du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1.
Wijzigingen
Art. 12. Het recht op gezinsbijslagen ten gunste van het verdwenen kind dooft uit op het einde van de maand waarin het kind is teruggevonden, tenzij er verder recht kan zijn op gezinsbijslagen, overeenkomstig artikel 8, § 2, eerste lid, 1° tot en met 3°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1.
Art. 12. Le droit aux allocations familiales en faveur de l'enfant disparu s'éteint à la fin du mois auquel l'enfant est retrouvé, sauf s'il subsiste un droit aux allocations familiales conformément à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 1° à 3°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1.
Wijzigingen
Art. 13. Weggelopen kinderen en kinderen van wie is vastgesteld dat ze in het buitenland verblijven, worden niet beschouwd als verdwenen kinderen.
Art. 13. Les enfants fugueurs et les enfants dont il est établi qu'ils séjournent à l'étranger, ne sont pas considérés comme des enfants disparus.
HOOFDSTUK 5. - Het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte
CHAPITRE 5. - L'enfant ayant un besoin de soutien spécifique
Art. 14. § 1. De zorgtoeslag voor het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte wordt toegekend tot de leeftijd van 21 jaar.
§ 2. Als het kind een winstgevende activiteit verricht, wordt de maandelijkse zorgtoeslag voor het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte geschorst, tenzij die activiteit:
1° gedurende maximaal [4 650 uur]4 waarvoor een verminderde sociale bijdrage verschuldigd is, wordt uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst voor studenten als vermeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° in een maand niet meer dan tachtig uur wordt uitgeoefend in het kader van elke tewerkstelling, die geen tewerkstelling is als vermeld in punt 1° ;
3° door een kind als zelfstandige wordt uitgeoefend en daarbij geen bijdragen als een zelfstandige in hoofdberoep verschuldigd is;
4° uitgeoefend wordt in een maatwerkbedrijf.
Als het kind een sociale uitkering ontvangt op basis van een Belgische of buitenlandse regeling over ziekte, invaliditeit, [3 ...]3 werkloosheid of loopbaanonderbreking als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, [1 of een inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming ontvangt als vermeld in artikel 2, § 1 en § 2, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap,]1 wordt de maandelijkse zorgtoeslag voor het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte geschorst voor de maand waarop de uitkering betrekking heeft. Als het kind een beroepsinschakelingsuitkering of een sociale uitkering die voortvloeit uit een activiteit in een maatwerkbedrijf, of die voortvloeit uit een tewerkstelling tijdens een systeem van alternerend leren, een leerovereenkomst of een bezoldigde stageovereenkomst, ontvangt, wordt de maandelijkse zorgtoeslag niet geschorst.
[4 ...]4
§ 3. De tewerkstelling van het kind dat een systeem van alternerend leren en werken volgt, in het kader van de praktische opleiding op de werkplek, of werkt met een bezoldigde stageovereenkomst wordt niet beschouwd als een winstgevende activiteit. Met betrekking tot de voorwaarden gesteld in het eerste lid van de tweede paragraaf van dit artikel, moeten de voorwaarden uit artikel 1, 2°, derde zin van het Koninklijk Besluit van 14 juli 1995 waarbij sommige categorieën studenten uit het toepassingsgebied van Titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten worden gesloten, vervuld worden in hoofde van de leerling die een systeem van alternerend leren en werken volgt.
§ 4. De tewerkstelling van het kind in het kader van een leerovereenkomst wordt niet beschouwd als een winstgevende activiteit.
§ 2. Als het kind een winstgevende activiteit verricht, wordt de maandelijkse zorgtoeslag voor het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte geschorst, tenzij die activiteit:
1° gedurende maximaal [4 650 uur]4 waarvoor een verminderde sociale bijdrage verschuldigd is, wordt uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst voor studenten als vermeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° in een maand niet meer dan tachtig uur wordt uitgeoefend in het kader van elke tewerkstelling, die geen tewerkstelling is als vermeld in punt 1° ;
3° door een kind als zelfstandige wordt uitgeoefend en daarbij geen bijdragen als een zelfstandige in hoofdberoep verschuldigd is;
4° uitgeoefend wordt in een maatwerkbedrijf.
Als het kind een sociale uitkering ontvangt op basis van een Belgische of buitenlandse regeling over ziekte, invaliditeit, [3 ...]3 werkloosheid of loopbaanonderbreking als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, [1 of een inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming ontvangt als vermeld in artikel 2, § 1 en § 2, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap,]1 wordt de maandelijkse zorgtoeslag voor het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte geschorst voor de maand waarop de uitkering betrekking heeft. Als het kind een beroepsinschakelingsuitkering of een sociale uitkering die voortvloeit uit een activiteit in een maatwerkbedrijf, of die voortvloeit uit een tewerkstelling tijdens een systeem van alternerend leren, een leerovereenkomst of een bezoldigde stageovereenkomst, ontvangt, wordt de maandelijkse zorgtoeslag niet geschorst.
[4 ...]4
§ 3. De tewerkstelling van het kind dat een systeem van alternerend leren en werken volgt, in het kader van de praktische opleiding op de werkplek, of werkt met een bezoldigde stageovereenkomst wordt niet beschouwd als een winstgevende activiteit. Met betrekking tot de voorwaarden gesteld in het eerste lid van de tweede paragraaf van dit artikel, moeten de voorwaarden uit artikel 1, 2°, derde zin van het Koninklijk Besluit van 14 juli 1995 waarbij sommige categorieën studenten uit het toepassingsgebied van Titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten worden gesloten, vervuld worden in hoofde van de leerling die een systeem van alternerend leren en werken volgt.
§ 4. De tewerkstelling van het kind in het kader van een leerovereenkomst wordt niet beschouwd als een winstgevende activiteit.
Art. 14. § 1er. L'allocation de soins pour l'enfant ayant un besoin de soutien spécifique est accordée jusqu'à l'âge de 21 ans.
§ 2. Si l'enfant exerce une activité lucrative, l'allocation de soins mensuelle pour l'enfant ayant un besoin de soutien spécifique est suspendue, sauf si cette activité :
1° est exercée pendant au maximum [4 650 heures]4 pour lesquelles une cotisation sociale réduite est due, dans le cadre d'un contrat de travail pour étudiants tel que visé au titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ;
2° est exercée, au cours d'un mois, pendant au maximum quatre-vingt heures dans le cadre de tout emploi qui n'est pas d'emploi tel que visé au point 1° ;
3° est exercée par un enfant comme indépendant, qui ne doit pas payer de contributions comme un indépendant à titre principal ;
4° est exercée dans une entreprise de travail adapté.
Si l'enfant reçoit une prestation sociale sur la base d'un règlement belge ou étranger concernant la maladie, l'invalidité, [3 ...]3 le chômage ou l'interruption de carrière, tel que visé au chapitre IV, section 5 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, [1 ou reçoit une allocation de remplacement de revenus ou une allocation d'intégration telles que visées à l'article 2, §§ 1er et 2, de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées,]1 l'allocation de soins mensuelle pour l'enfant ayant un besoin de soutien spécifique est suspendue pour le mois auquel la prestation se rapporte. Si l'enfant reçoit une allocation d'insertion professionnelle ou une prestation sociale résultant d'une activité dans une entreprise de travail adapté, ou résultant d'un emploi pendant un système d'apprentissage en alternance, d'un contrat d'apprentissage ou d'un contrat de stage rémunéré, l'allocation de soins mensuelle n'est pas suspendue.
[4 ...]4
§ 3. L'emploi de l'enfant qui suit un système d'apprentissage et de travail en alternance, dans le cadre de la formation pratique sur le lieu de travail, ou qui travail sur la base d'un contrat de stage rémunéré, n'est pas considéré comme une activité lucrative. En ce qui concerne les conditions fixées à l'alinéa 1er du paragraphe 2 du présent article, les conditions de l'article 1er, 2°, troisième phrase de l'arrêté royal du 14 juillet 1995 excluant certaines catégories d'étudiants du champ d'application du Titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, doivent être remplies dans le chef de l'élève qui suit un système d'apprentissage et de travail en alternance.
§ 4. L'emploi de l'enfant dans le cadre d'un contrat d'apprentissage n'est pas considéré comme une activité lucrative.
§ 2. Si l'enfant exerce une activité lucrative, l'allocation de soins mensuelle pour l'enfant ayant un besoin de soutien spécifique est suspendue, sauf si cette activité :
1° est exercée pendant au maximum [4 650 heures]4 pour lesquelles une cotisation sociale réduite est due, dans le cadre d'un contrat de travail pour étudiants tel que visé au titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ;
2° est exercée, au cours d'un mois, pendant au maximum quatre-vingt heures dans le cadre de tout emploi qui n'est pas d'emploi tel que visé au point 1° ;
3° est exercée par un enfant comme indépendant, qui ne doit pas payer de contributions comme un indépendant à titre principal ;
4° est exercée dans une entreprise de travail adapté.
Si l'enfant reçoit une prestation sociale sur la base d'un règlement belge ou étranger concernant la maladie, l'invalidité, [3 ...]3 le chômage ou l'interruption de carrière, tel que visé au chapitre IV, section 5 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, [1 ou reçoit une allocation de remplacement de revenus ou une allocation d'intégration telles que visées à l'article 2, §§ 1er et 2, de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées,]1 l'allocation de soins mensuelle pour l'enfant ayant un besoin de soutien spécifique est suspendue pour le mois auquel la prestation se rapporte. Si l'enfant reçoit une allocation d'insertion professionnelle ou une prestation sociale résultant d'une activité dans une entreprise de travail adapté, ou résultant d'un emploi pendant un système d'apprentissage en alternance, d'un contrat d'apprentissage ou d'un contrat de stage rémunéré, l'allocation de soins mensuelle n'est pas suspendue.
[4 ...]4
§ 3. L'emploi de l'enfant qui suit un système d'apprentissage et de travail en alternance, dans le cadre de la formation pratique sur le lieu de travail, ou qui travail sur la base d'un contrat de stage rémunéré, n'est pas considéré comme une activité lucrative. En ce qui concerne les conditions fixées à l'alinéa 1er du paragraphe 2 du présent article, les conditions de l'article 1er, 2°, troisième phrase de l'arrêté royal du 14 juillet 1995 excluant certaines catégories d'étudiants du champ d'application du Titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, doivent être remplies dans le chef de l'élève qui suit un système d'apprentissage et de travail en alternance.
§ 4. L'emploi de l'enfant dans le cadre d'un contrat d'apprentissage n'est pas considéré comme une activité lucrative.
Art. 15. De minister bepaalt de procedure voor de verificatie van de winstgevende activiteit en de uitbetaling van sociale uitkeringen aan het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte.
Art. 15. Le Ministre arrête la procédure de la vérification de l'activité lucrative et du paiement des prestations sociales à l'enfant ayant un besoin de soutien spécifique.
HOOFDSTUK 6. - Het kind dat onderwijs volgt of een vorming doorloopt
CHAPITRE 6. - L'enfant qui suit un enseignement ou une formation
Afdeling 1. - Niet-hoger onderwijs
Section 1re. - Enseignement non supérieur
Art. 16. De gezinsbijslagen worden verleend voor het kind dat [1 lessen volgt in een of meer onderwijsinstellingen die door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap worden georganiseerd, erkend of gesubsidieerd conform artikel 24 van de Grondwet,]1, of een systeem van alternerend leren en werken of een ondernemerschapstraject volgt. [1 De minister kan bepalen welke lessen gelijkgesteld worden met lessen in voormelde georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstellingen.]1
De lessen beslaan minstens zeventien uur per week. Een lestijd van vijftig minuten wordt gelijkgesteld met een uur.
De lessen beslaan minstens zeventien uur per week. Een lestijd van vijftig minuten wordt gelijkgesteld met een uur.
Art. 16. Les allocations familiales sont accordées pour l'enfant [1 qui suit des cours dans un ou plusieurs établissements d'enseignement organisés, reconnus ou subventionnés par la Communauté flamande, la Fédération Wallonie-Bruxelles, ou la Communauté germanophone conformément à l'article 24 de la Constitution,]1, ou suit un système d'apprentissage et de travail en alternance ou un parcours d'entrepreneuriat. [1 Le Ministre peut déterminer quels cours sont assimilés à des cours dans des établissements d'enseignement organisés, reconnus ou subventionnés.]1
Les cours comprennent au moins dix-sept heures par semaine. Un cours de cinquante minutes est assimilé à une heure.
Les cours comprennent au moins dix-sept heures par semaine. Un cours de cinquante minutes est assimilé à une heure.
Wijzigingen
Art. 17. De volgende uren en stages worden met uren les gelijkgesteld:
1° de uren die verplicht onder het toezicht van leraren in de onderwijsinstelling aan praktische oefeningen worden besteed;
2° hoogstens vier uur per week, de studie-uren die verplicht onder toezicht in de onderwijsinstelling doorgebracht worden;
3° de stages of werkcomponent, als de uitvoering ervan een voorwaarde vormt om een wettelijk, decretaal, ordonnantieel of reglementair erkend diploma, getuigschrift of brevet te behalen.
1° de uren die verplicht onder het toezicht van leraren in de onderwijsinstelling aan praktische oefeningen worden besteed;
2° hoogstens vier uur per week, de studie-uren die verplicht onder toezicht in de onderwijsinstelling doorgebracht worden;
3° de stages of werkcomponent, als de uitvoering ervan een voorwaarde vormt om een wettelijk, decretaal, ordonnantieel of reglementair erkend diploma, getuigschrift of brevet te behalen.
Art. 17. Les heures et stages suivants sont assimilés à des heures de cours :
1° les heures qui sont obligatoirement consacrées à des exercices pratiques sous la surveillance des enseignants dans l'établissement d'enseignement ;
2° jusqu'à concurrence de quatre heures par semaine au maximum, les heures d'études obligatoires passées sous surveillance dans l'établissement d'enseignement ;
3° les stages ou la composante de travail, si leur accomplissement est une condition à l'obtention d'un diplôme, certificat ou brevet reconnu légalement, par décret, par ordonnance ou réglementairement.
1° les heures qui sont obligatoirement consacrées à des exercices pratiques sous la surveillance des enseignants dans l'établissement d'enseignement ;
2° jusqu'à concurrence de quatre heures par semaine au maximum, les heures d'études obligatoires passées sous surveillance dans l'établissement d'enseignement ;
3° les stages ou la composante de travail, si leur accomplissement est une condition à l'obtention d'un diplôme, certificat ou brevet reconnu légalement, par décret, par ordonnance ou réglementairement.
Art. 18. De gezinsbijslagen worden ook toegekend voor het kind dat niet meer leerplichtig is en dat een systeem van alternerend leren en werken volgt of een van de types deeltijds gewoon of de opleidingsvormen buitengewoon secundair onderwijs volgt, dat georganiseerd is conform de voorwaarden, bepaald door de gemeenschappen, of dat een erkende opleiding volgt als vermeld in artikel 2 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht.
Art. 18. Les allocations familiales sont également accordées pour l'enfant qui n'est plus soumis à la scolarité obligatoire et qui suit un système d'apprentissage et de travail en alternance ou suit un des types d'enseignement secondaire ordinaire à temps partiel ou des formes d'enseignement secondaire spécial, organisé conformément aux conditions arrêtées par les communautés, ou qui suit une formation reconnue telle que visée à l'article 2 de la loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire.
Art. 19. De volgende onderwijstypes voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 16:
1° het onderwijs dat gevolgd wordt in een instelling voor buitengewoon onderwijs [1 die georganiseerd, erkend of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap conform artikel 24 van de Grondwet]1;
2° het onderwijs dat buiten België gevolgd wordt, waarvan het programma erkend is door de buitenlandse overheid of overeenstemt met een programma dat erkend is door die overheid.
1° het onderwijs dat gevolgd wordt in een instelling voor buitengewoon onderwijs [1 die georganiseerd, erkend of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap conform artikel 24 van de Grondwet]1;
2° het onderwijs dat buiten België gevolgd wordt, waarvan het programma erkend is door de buitenlandse overheid of overeenstemt met een programma dat erkend is door die overheid.
Art. 19. Les types d'enseignement suivants répondent aux conditions visées à l'article 16 :
1° l'enseignement suivi dans un établissement d'enseignement spécial [1 organisé, reconnu ou subventionné par la Communauté flamande, la Fédération Wallonie-Bruxelles ou la Communauté germanophone conformément à l'article 24 de la Constitution]1;
2° l'enseignement suivi en dehors de la Belgique, dont le programme est reconnu par l'autorité étrangère ou correspond à un programme reconnu par cette autorité.
1° l'enseignement suivi dans un établissement d'enseignement spécial [1 organisé, reconnu ou subventionné par la Communauté flamande, la Fédération Wallonie-Bruxelles ou la Communauté germanophone conformément à l'article 24 de la Constitution]1;
2° l'enseignement suivi en dehors de la Belgique, dont le programme est reconnu par l'autorité étrangère ou correspond à un programme reconnu par cette autorité.
Wijzigingen
Art.19/1. [1 § 1. In afwijking van artikel 16 is het kind dat ingeschreven is in een opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs met in totaal minstens 27 studiepunten per schooljaar, rechtgevend op gezinsbijslagen.
§ 2. Het kind, vermeld in paragraaf 1, geeft recht op gezinsbijslagen voor het volledige schooljaar als het een totaal van minstens 27 studiepunten heeft door:
1° een inschrijving uiterlijk op 30 november van het schooljaar in kwestie;
2° verschillende inschrijvingen waarvan de eerste uiterlijk op 30 november van het schooljaar in kwestie.
Als het kind in totaal minstens 27 studiepunten heeft als gevolg van een of meer inschrijvingen na 30 november van het schooljaar in kwestie, is er recht op gezinsbijslagen vanaf de datum van de eerste of enige inschrijving.
Het aantal studiepunten wordt in aanmerking genomen, ongeacht:
1° de spreiding ervan per semester;
2° de inschrijving voor een of meer opleidingen;
3° de inschrijving in een of meer instellingen die de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs inrichten.
§ 3. Als het kind voor minder dan 27 studiepunten is ingeschreven, maar het om een diplomajaar basisverpleegkunde gaat, blijft het recht op gezinsbijslagen behouden gedurende één jaar.
In het eerste lid wordt onder diplomajaar basisverpleegkunde verstaan: het schooljaar waarin het kind voor de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs waarvoor het is ingeschreven, het diploma kan behalen.]1
§ 2. Het kind, vermeld in paragraaf 1, geeft recht op gezinsbijslagen voor het volledige schooljaar als het een totaal van minstens 27 studiepunten heeft door:
1° een inschrijving uiterlijk op 30 november van het schooljaar in kwestie;
2° verschillende inschrijvingen waarvan de eerste uiterlijk op 30 november van het schooljaar in kwestie.
Als het kind in totaal minstens 27 studiepunten heeft als gevolg van een of meer inschrijvingen na 30 november van het schooljaar in kwestie, is er recht op gezinsbijslagen vanaf de datum van de eerste of enige inschrijving.
Het aantal studiepunten wordt in aanmerking genomen, ongeacht:
1° de spreiding ervan per semester;
2° de inschrijving voor een of meer opleidingen;
3° de inschrijving in een of meer instellingen die de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs inrichten.
§ 3. Als het kind voor minder dan 27 studiepunten is ingeschreven, maar het om een diplomajaar basisverpleegkunde gaat, blijft het recht op gezinsbijslagen behouden gedurende één jaar.
In het eerste lid wordt onder diplomajaar basisverpleegkunde verstaan: het schooljaar waarin het kind voor de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs waarvoor het is ingeschreven, het diploma kan behalen.]1
Art.19/1. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 16, l'enfant qui est inscrit à une formation en Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel avec au total au moins 27 unités d'études par année scolaire, est bénéficiaire d'allocations familiales.
§ 2. L'enfant, visé au paragraphe 1, ouvre le droit aux allocations familiales pour l'année scolaire complète s'il a un total d'au moins 27 unités d'études par :
1° une inscription au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire en question ;
2° différentes inscriptions dont la première au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire en question.
Si l'enfant a au total au moins 27 unités d'études par suite d'une ou de plusieurs inscriptions après le 30 novembre de l'année scolaire en question, il y a un droit aux allocations familiales à partir de la date de la première ou unique inscription.
Le nombre d'unités d'études est pris en compte :
1° quel qu'en soit l'étalement par semestre ;
2° que l'inscription concerne une ou plusieurs formations ;
3° que l'inscription soit effectuée dans un ou plusieurs établissements qui organisent la formation en Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel.
§ 3. Si l'enfant est inscrit pour moins de 27 unités d'études, mais qu'il s'agit d'une année de diplôme en soins infirmiers de base, le droit aux allocations familiales est maintenu pendant un an.
Dans l'alinéa 1er, on entend par année de diplôme en soins infirmiers de base : l'année scolaire durant laquelle l'enfant peut obtenir le diplôme pour la formation en Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel à laquelle il est inscrit.]1
§ 2. L'enfant, visé au paragraphe 1, ouvre le droit aux allocations familiales pour l'année scolaire complète s'il a un total d'au moins 27 unités d'études par :
1° une inscription au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire en question ;
2° différentes inscriptions dont la première au plus tard le 30 novembre de l'année scolaire en question.
Si l'enfant a au total au moins 27 unités d'études par suite d'une ou de plusieurs inscriptions après le 30 novembre de l'année scolaire en question, il y a un droit aux allocations familiales à partir de la date de la première ou unique inscription.
Le nombre d'unités d'études est pris en compte :
1° quel qu'en soit l'étalement par semestre ;
2° que l'inscription concerne une ou plusieurs formations ;
3° que l'inscription soit effectuée dans un ou plusieurs établissements qui organisent la formation en Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel.
§ 3. Si l'enfant est inscrit pour moins de 27 unités d'études, mais qu'il s'agit d'une année de diplôme en soins infirmiers de base, le droit aux allocations familiales est maintenu pendant un an.
Dans l'alinéa 1er, on entend par année de diplôme en soins infirmiers de base : l'année scolaire durant laquelle l'enfant peut obtenir le diplôme pour la formation en Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel à laquelle il est inscrit.]1
Art. 20. § 1. De gezinsbijslagen voor het kind dat afwezig is wegens ziekte, blijven maximaal behouden tot het einde van de zomervakantie van het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin het kind ziek geworden is.
De ziekte van het kind wordt bewezen met ziekteattesten. Na zes maanden ziekte moet de afwezigheid altijd gewettigd zijn door een onderzoek van de bevoegde dienst.[3 Er wordt bij de voormelde bevoegde dienst een aanvraag tot medische vaststelling van een specifieke ondersteuningsnood en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend.]3
De minister wijst de dienst aan die bevoegd is om het onderzoek, vermeld in het tweede lid, uit te voeren.
§ 2. Het kind dat zich wegens of ten gevolge van een ziekte inschrijft voor minder dan zeventien lesuren per week, heeft recht op gezinsbijslagen op voorwaarde dat een arts attesteert dat de leerling door of ten gevolge van een ziekte niet in staat is meer lesuren te volgen. [1 Het agentschap Opgroeien regie]1 stelt hiertoe een attest ter beschikking dat de arts dient te hanteren.
De minister bepaalt de nadere regels betreffende de vorm en inhoud van de attesten, vermeld in het eerste lid.
§ 3. Voor het kind dat zich wegens ziekte niet kan inschrijven en dat tijdens het vorige schooljaar niet ziek was, wordt een aanvraag tot medische vaststelling van een specifieke ondersteuningsnood en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend. Als de specifieke ondersteuningsnood werd vastgesteld overeenkomstig titel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018, heeft het kind onvoorwaardelijk recht op de basisgezinsbijslag en een recht op de zorgtoeslag onder de voorwaarden vermeld in artikel 14.[3 Als het kind alleen in de onmogelijkheid verkeert om de lessen te volgen, heeft het recht op de gezinsbijslagen vanaf het begin van dat schooljaar tot het einde van dat schooljaar.]3.
§ 4. Voor het kind dat al 21 jaar is op het moment dat het zich wegens ziekte niet kan inschrijven en dat tijdens het vorige schooljaar niet ziek was, bestaat er een recht op gezinsbijslagen gedurende maximaal één jaar binnen de leeftijdsgrenzen, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, van [2 het Groeipakketdecreet van 2018]2. Er is evenwel geen cumul mogelijk met een inkomensvervangende tegemoetkoming.
De ziekte van het kind wordt bewezen met attesten. Na zes maanden ziekte moet de afwezigheid altijd gewettigd zijn door een onderzoek van de bevoegde dienst.[3 Er wordt bij de voormelde bevoegde dienst een aanvraag tot medische vaststelling van een specifieke ondersteuningsnood en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend.]3
De minister wijst de dienst aan die bevoegd is om het onderzoek, vermeld in het tweede lid, uit te voeren.
§ 5. Als het kind zich na het einde van de ziekteperiode in de loop van een schooljaar voor minder dan zeventien lesuren inschrijft, blijft het recht op gezinsbijslagen voor het lopende schooljaar behouden, op voorwaarde dat de arts attesteert dat het kind zich niet kan inschrijven voor zeventien lesuren door de laattijdige inschrijving.
De ziekte van het kind wordt bewezen met ziekteattesten. Na zes maanden ziekte moet de afwezigheid altijd gewettigd zijn door een onderzoek van de bevoegde dienst.[3 Er wordt bij de voormelde bevoegde dienst een aanvraag tot medische vaststelling van een specifieke ondersteuningsnood en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend.]3
De minister wijst de dienst aan die bevoegd is om het onderzoek, vermeld in het tweede lid, uit te voeren.
§ 2. Het kind dat zich wegens of ten gevolge van een ziekte inschrijft voor minder dan zeventien lesuren per week, heeft recht op gezinsbijslagen op voorwaarde dat een arts attesteert dat de leerling door of ten gevolge van een ziekte niet in staat is meer lesuren te volgen. [1 Het agentschap Opgroeien regie]1 stelt hiertoe een attest ter beschikking dat de arts dient te hanteren.
De minister bepaalt de nadere regels betreffende de vorm en inhoud van de attesten, vermeld in het eerste lid.
§ 3. Voor het kind dat zich wegens ziekte niet kan inschrijven en dat tijdens het vorige schooljaar niet ziek was, wordt een aanvraag tot medische vaststelling van een specifieke ondersteuningsnood en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend. Als de specifieke ondersteuningsnood werd vastgesteld overeenkomstig titel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018, heeft het kind onvoorwaardelijk recht op de basisgezinsbijslag en een recht op de zorgtoeslag onder de voorwaarden vermeld in artikel 14.[3 Als het kind alleen in de onmogelijkheid verkeert om de lessen te volgen, heeft het recht op de gezinsbijslagen vanaf het begin van dat schooljaar tot het einde van dat schooljaar.]3.
§ 4. Voor het kind dat al 21 jaar is op het moment dat het zich wegens ziekte niet kan inschrijven en dat tijdens het vorige schooljaar niet ziek was, bestaat er een recht op gezinsbijslagen gedurende maximaal één jaar binnen de leeftijdsgrenzen, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, van [2 het Groeipakketdecreet van 2018]2. Er is evenwel geen cumul mogelijk met een inkomensvervangende tegemoetkoming.
De ziekte van het kind wordt bewezen met attesten. Na zes maanden ziekte moet de afwezigheid altijd gewettigd zijn door een onderzoek van de bevoegde dienst.[3 Er wordt bij de voormelde bevoegde dienst een aanvraag tot medische vaststelling van een specifieke ondersteuningsnood en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend.]3
De minister wijst de dienst aan die bevoegd is om het onderzoek, vermeld in het tweede lid, uit te voeren.
§ 5. Als het kind zich na het einde van de ziekteperiode in de loop van een schooljaar voor minder dan zeventien lesuren inschrijft, blijft het recht op gezinsbijslagen voor het lopende schooljaar behouden, op voorwaarde dat de arts attesteert dat het kind zich niet kan inschrijven voor zeventien lesuren door de laattijdige inschrijving.
Art. 20. § 1er. Les allocations familiales pour l'enfant qui est absent pour cause de maladie, sont maintenues au maximum jusqu'à la fin des vacances d'été de l'année scolaire qui suit l'année scolaire pendant laquelle l'enfant est devenu malade.
La maladie de l'enfant est prouvée à l'aide de certificats de maladie. Après six mois de maladie, l'absence doit toujours être légitimée par un examen du service compétent.[3 Une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours est introduite auprès du service compétent précité. ]3
Le Ministre désigne le service compétent pour effectuer l'examen visé à l'alinéa 2.
§ 2. L'enfant qui s'inscrit, en raison de ou suite à une maladie, pour moins de dix-sept heures de cours par semaine, a droit aux allocations familiales à condition qu'un médecin atteste que l'élève n'est pas capable, en raison de ou suite à une maladie, de suivre plus d'heures de cours. A cette fin, [1 l'agence Grandir régie]1 met un certificat à disposition que le médecin doit utiliser.
Le Ministre arrête les modalités relatives à la forme et au contenu des certificats, visés à l'alinéa 1er.
§ 3. Pour l'enfant qui ne peut pas s'inscrire en raison de maladie et qui n'était pas malade pendant l'année scolaire précédente, une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours, est introduite. Si le besoin de soutien spécifique a été constaté conformément au titre 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018, l'enfant a un droit inconditionnel aux allocations familiales de base et un droit à l'allocation de soins aux conditions visées à l'article 14.[3 Si l'enfant est uniquement dans l'impossibilité de suivre les cours, il a droit aux allocations familiales à partir du début de cette année scolaire et ce, jusqu'à la fin de celle-ci.]3.
§ 4. Pour l'enfant qui a déjà 21 ans au moment où il ne peut pas s'inscrire en raison de maladie et qui n'était pas malade pendant l'année scolaire précédente, il existe un droit aux allocations familiales pendant au maximum un an dans les limites d'âge visées à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3°, du [2 décret relatif au Panier de croissance de 2018]2. Un cumul avec une allocation de remplacement de revenus n'est toutefois pas possible.
La maladie de l'enfant est prouvée à l'aide de certificats. Après six mois de maladie, l'absence doit toujours être légitimée par un examen du service compétent.[3 Une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours est introduite auprès du service compétent précité.]3
Le Ministre désigne le service compétent pour effectuer l'examen visé à l'alinéa 2.
§ 5. Si l'enfant s'inscrit après la fin de la période de maladie au cours d'une année scolaire pour moins de dix-sept heures de cours, le droit aux allocations familiales pour l'année scolaire en cours reste maintenu, à condition que le médecin atteste que l'enfant ne peut pas s'inscrire pour dix-sept heures de cours en raison de l'inscription tardive.
La maladie de l'enfant est prouvée à l'aide de certificats de maladie. Après six mois de maladie, l'absence doit toujours être légitimée par un examen du service compétent.[3 Une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours est introduite auprès du service compétent précité. ]3
Le Ministre désigne le service compétent pour effectuer l'examen visé à l'alinéa 2.
§ 2. L'enfant qui s'inscrit, en raison de ou suite à une maladie, pour moins de dix-sept heures de cours par semaine, a droit aux allocations familiales à condition qu'un médecin atteste que l'élève n'est pas capable, en raison de ou suite à une maladie, de suivre plus d'heures de cours. A cette fin, [1 l'agence Grandir régie]1 met un certificat à disposition que le médecin doit utiliser.
Le Ministre arrête les modalités relatives à la forme et au contenu des certificats, visés à l'alinéa 1er.
§ 3. Pour l'enfant qui ne peut pas s'inscrire en raison de maladie et qui n'était pas malade pendant l'année scolaire précédente, une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours, est introduite. Si le besoin de soutien spécifique a été constaté conformément au titre 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018, l'enfant a un droit inconditionnel aux allocations familiales de base et un droit à l'allocation de soins aux conditions visées à l'article 14.[3 Si l'enfant est uniquement dans l'impossibilité de suivre les cours, il a droit aux allocations familiales à partir du début de cette année scolaire et ce, jusqu'à la fin de celle-ci.]3.
§ 4. Pour l'enfant qui a déjà 21 ans au moment où il ne peut pas s'inscrire en raison de maladie et qui n'était pas malade pendant l'année scolaire précédente, il existe un droit aux allocations familiales pendant au maximum un an dans les limites d'âge visées à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3°, du [2 décret relatif au Panier de croissance de 2018]2. Un cumul avec une allocation de remplacement de revenus n'est toutefois pas possible.
La maladie de l'enfant est prouvée à l'aide de certificats. Après six mois de maladie, l'absence doit toujours être légitimée par un examen du service compétent.[3 Une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours est introduite auprès du service compétent précité.]3
Le Ministre désigne le service compétent pour effectuer l'examen visé à l'alinéa 2.
§ 5. Si l'enfant s'inscrit après la fin de la période de maladie au cours d'une année scolaire pour moins de dix-sept heures de cours, le droit aux allocations familiales pour l'année scolaire en cours reste maintenu, à condition que le médecin atteste que l'enfant ne peut pas s'inscrire pour dix-sept heures de cours en raison de l'inscription tardive.
Art. 21. De gezinsbijslagen blijven behouden tijdens de kerst-, de paas- en de zomervakantie.
Als de zomervakantie, vermeld in het eerste lid, meer dan vier maanden bedraagt, wordt de resterende periode gedekt door en afgetrokken van de twaalf maanden als schoolverlater.
Als de zomervakantie, vermeld in het eerste lid, meer dan vier maanden bedraagt, wordt de resterende periode gedekt door en afgetrokken van de twaalf maanden als schoolverlater.
Art. 21. Les allocations familiales sont maintenues pendant les vacances de Noël, de Pâques et d'été.
Si les vacances d'été, visées à l'alinéa 1er, comprennent plus de quatre mois, la période restante est couverte par et déduite des douze mois comme jeune sortant de l'école.
Si les vacances d'été, visées à l'alinéa 1er, comprennent plus de quatre mois, la période restante est couverte par et déduite des douze mois comme jeune sortant de l'école.
Art. 22. Als het kind niet werkelijk de lessen hervat, worden de gezinsbijslagen toegekend tijdens de zomervakantie van de onderwijsinstelling die het kind verlaten heeft. Die vakantie wordt geacht uiterlijk op 31 augustus te eindigen.
Art. 22. Si l'enfant ne reprend pas effectivement les cours, les allocations familiales sont accordées pendant les vacances d'été de l'établissement d'enseignement que l'enfant a quitté. Ces vacances sont censées se terminer au plus tard le 31 août.
Afdeling 2. - Hoger onderwijs
Section 2. - Enseignement supérieur
Art. 23. De volgende onderwijstypes worden beschouwd als hoger onderwijs:
1° [1 het hoger onderwijs in België dat georganiseerd, erkend of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap conform artikel 24 van de Grondwet;]1
2° het hoger onderwijs dat buiten België georganiseerd wordt en waarvan het programma erkend is door de buitenlandse overheid of overeenstemt met een programma dat erkend is door die overheid;
3° de vorming van bedienaars voor erediensten die erkend zijn door de Staat [2 ...]2]1;
4° de wetenschappelijke leergangen als voorbereiding op de Koninklijke Militaire School of ingenieursstudies.
1° [1 het hoger onderwijs in België dat georganiseerd, erkend of gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap conform artikel 24 van de Grondwet;]1
2° het hoger onderwijs dat buiten België georganiseerd wordt en waarvan het programma erkend is door de buitenlandse overheid of overeenstemt met een programma dat erkend is door die overheid;
3° de vorming van bedienaars voor erediensten die erkend zijn door de Staat [2 ...]2]1;
4° de wetenschappelijke leergangen als voorbereiding op de Koninklijke Militaire School of ingenieursstudies.
Art. 23. Les types d'enseignement suivants sont considérés comme enseignement supérieur :
1° [1 l'enseignement supérieur en Belgique organisé, reconnu ou subventionné par la Communauté flamande, la Fédération Wallonie-Bruxelles ou la Communauté germanophone conformément à l'article 24 de la Constitution ;]1
2° l'enseignement supérieur organisé en dehors de la Belgique, dont le programme est reconnu par l'autorité étrangère ou correspond à un programme reconnu par cette autorité ;
3° la formation de ministres de cultes reconnus par l'Etat [1 [2 ...]2]1;
4° les cours scientifiques en guise de préparation à l'Ecole royale militaire ou des études en ingénierie.
1° [1 l'enseignement supérieur en Belgique organisé, reconnu ou subventionné par la Communauté flamande, la Fédération Wallonie-Bruxelles ou la Communauté germanophone conformément à l'article 24 de la Constitution ;]1
2° l'enseignement supérieur organisé en dehors de la Belgique, dont le programme est reconnu par l'autorité étrangère ou correspond à un programme reconnu par cette autorité ;
3° la formation de ministres de cultes reconnus par l'Etat [1 [2 ...]2]1;
4° les cours scientifiques en guise de préparation à l'Ecole royale militaire ou des études en ingénierie.
Art. 24. § 1. Het kind dat ingeschreven is in een of meer instellingen voor hoger onderwijs binnen of buiten België om er een of meer vormingen te doorlopen met in totaal minstens 27 studiepunten per academiejaar, is rechtgevend op gezinsbijslagen.
De studiepunten voor de redactie van een doctoraatsverhandeling worden niet in aanmerking genomen om de norm, vermeld in het eerste lid, te bereiken.
Als het kind ingeschreven is in een instelling voor hoger onderwijs binnen België en een opleiding volgt in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in een andere staat die deelneemt aan een communautair actieprogramma op onderwijsgebied, moet die opleiding integraal deel uitmaken van het studieprogramma van het kind in die instelling voor hoger onderwijs binnen België en volledig erkend worden door die instelling.
Als het kind een vorming volgt in een onderwijsinstelling voor hoger onderwijs buiten België waarvan het programma erkend is door de buitenlandse overheid of overeenstemt met een programma dat die overheid erkend heeft, worden de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, geacht voldaan te zijn.
§ 2. Het kind geeft recht op gezinsbijslagen voor het volledige academiejaar als het een totaal van minstens 27 studiepunten heeft door:
1° een inschrijving uiterlijk op 30 november van het academiejaar in kwestie;
2° verschillende inschrijvingen waarvan de eerste uiterlijk op 30 november van het academiejaar in kwestie.
Als het kind in totaal minstens 27 studiepunten heeft als gevolg van een of meer inschrijvingen na 30 november van het academiejaar in kwestie, is er recht op gezinsbijslagen vanaf de datum van de eerste of enige inschrijving.
Het aantal studiepunten wordt in aanmerking genomen, ongeacht de spreiding ervan per semester, de inschrijving voor een of meer opleidingen of de inschrijving in een of meer instellingen voor hoger onderwijs.
§ 3. Als de student voor minder dan 27 studiepunten is ingeschreven, maar het om een diplomajaar gaat, blijft het recht op gezinsbijslagen behouden gedurende één jaar per opleidingscyclus.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° diplomajaar: het academiejaar waarin de student voor de opleidingscyclus waarvoor hij is ingeschreven, een diploma kan behalen;
2° opleidingscyclus: een samenhangend geheel van onderwijs- en andere studieactiviteiten in of over een studiegebied, afgesloten met een graduaatsdiploma, bachelor diploma of een masterdiploma. De voortgezette academische opleidingen, zijnde een bachelor-na-bacheloropleiding, een master-na-masteropleiding, een doctoraat, een doctoraatsopleiding of een postgraduaatsopleiding, worden niet aanzien als een opleidingscyclus.
§ 4. De minister bepaalt de procedure om studiegegevens over de studenten in te winnen.
De studiepunten voor de redactie van een doctoraatsverhandeling worden niet in aanmerking genomen om de norm, vermeld in het eerste lid, te bereiken.
Als het kind ingeschreven is in een instelling voor hoger onderwijs binnen België en een opleiding volgt in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in een andere staat die deelneemt aan een communautair actieprogramma op onderwijsgebied, moet die opleiding integraal deel uitmaken van het studieprogramma van het kind in die instelling voor hoger onderwijs binnen België en volledig erkend worden door die instelling.
Als het kind een vorming volgt in een onderwijsinstelling voor hoger onderwijs buiten België waarvan het programma erkend is door de buitenlandse overheid of overeenstemt met een programma dat die overheid erkend heeft, worden de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, geacht voldaan te zijn.
§ 2. Het kind geeft recht op gezinsbijslagen voor het volledige academiejaar als het een totaal van minstens 27 studiepunten heeft door:
1° een inschrijving uiterlijk op 30 november van het academiejaar in kwestie;
2° verschillende inschrijvingen waarvan de eerste uiterlijk op 30 november van het academiejaar in kwestie.
Als het kind in totaal minstens 27 studiepunten heeft als gevolg van een of meer inschrijvingen na 30 november van het academiejaar in kwestie, is er recht op gezinsbijslagen vanaf de datum van de eerste of enige inschrijving.
Het aantal studiepunten wordt in aanmerking genomen, ongeacht de spreiding ervan per semester, de inschrijving voor een of meer opleidingen of de inschrijving in een of meer instellingen voor hoger onderwijs.
§ 3. Als de student voor minder dan 27 studiepunten is ingeschreven, maar het om een diplomajaar gaat, blijft het recht op gezinsbijslagen behouden gedurende één jaar per opleidingscyclus.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° diplomajaar: het academiejaar waarin de student voor de opleidingscyclus waarvoor hij is ingeschreven, een diploma kan behalen;
2° opleidingscyclus: een samenhangend geheel van onderwijs- en andere studieactiviteiten in of over een studiegebied, afgesloten met een graduaatsdiploma, bachelor diploma of een masterdiploma. De voortgezette academische opleidingen, zijnde een bachelor-na-bacheloropleiding, een master-na-masteropleiding, een doctoraat, een doctoraatsopleiding of een postgraduaatsopleiding, worden niet aanzien als een opleidingscyclus.
§ 4. De minister bepaalt de procedure om studiegegevens over de studenten in te winnen.
Art. 24. § 1er. L'enfant qui est inscrit dans un ou plusieurs établissements d'enseignement supérieur en Belgique ou en dehors de la Belgique afin d'y parcourir une ou plusieurs formations avec un total d'au moins 27 unités d'études par année académique, donne droit aux allocations familiales.
Les unités d'études pour la rédaction d'une thèse de doctorat ne sont pas prises en compte pour atteindre la norme visée à l'alinéa 1er.
Si l'enfant est inscrit dans un établissement d'enseignement supérieur en Belgique et suit une formation dans un autre Etat-membre de l'Espace économique européen ou dans un autre état participant à un programme d'action communautaire dans le domaine de l'enseignement, cette formation doit faire partie intégrante du programme d'études de l'enfant dans cet établissement d'enseignement supérieur en Belgique et être entièrement reconnue par cet établissement.
Si l'enfant suit une formation dans un établissement d'enseignement supérieur en dehors de la Belgique, dont le programme est reconnu par l'autorité étrangère ou correspond à un programme reconnu par cette autorité, les conditions visées à l'alinéa 1er sont censées être remplies.
§ 2. L'enfant donne droit aux allocations familiales pour l'année académique entière s'il a un total d'au moins 27 unités d'études suite à :
1° une inscription au plus tard le 30 novembre de l'année académique en question ;
2° plusieurs inscriptions dont la première au plus tard le 30 novembre de l'année académique en question.
Si l'enfant a un total d'au moins 27 unités d'études suite à une ou plusieurs inscriptions après le 30 novembre de l'année académique en question, il a droit aux allocations familiales à partir de la date de la première ou de la seule inscription.
Le nombre d'unités d'études est pris en compte, en dépit de la distribution de celles-ci par semestre, de l'inscription pour une ou plusieurs formations ou de l'inscription dans un ou plusieurs établissements d'enseignement supérieur.
§ 3. Si l'étudiant est inscrit pour moins de 27 unités d'études mais s'il s'agit d'une année diplômante, le droit aux allocations familiales reste maintenu pendant un an par cycle de formation.
Dans l'alinéa 1er, on entend par :
1° année diplômante : l'année académique dans laquelle l'étudiant peut obtenir un diplôme pour le cycle de formation pour lequel il est inscrit ;
2° cycle de formation : un ensemble cohérent d'activités d'enseignement et d'autres activités d'études dans ou sur une discipline, conclue par un diplôme de graduat, de bachelor ou de master. Les formations académiques continues, à savoir une formation de bachelor après bachelor, une formation de master après master, un doctorat, une formation de doctorat ou une formation post-graduate, ne sont pas considérées comme un cycle de formation.
§ 4. Le Ministre arrête la procédure pour recueillir des données d'études sur les étudiants.
Les unités d'études pour la rédaction d'une thèse de doctorat ne sont pas prises en compte pour atteindre la norme visée à l'alinéa 1er.
Si l'enfant est inscrit dans un établissement d'enseignement supérieur en Belgique et suit une formation dans un autre Etat-membre de l'Espace économique européen ou dans un autre état participant à un programme d'action communautaire dans le domaine de l'enseignement, cette formation doit faire partie intégrante du programme d'études de l'enfant dans cet établissement d'enseignement supérieur en Belgique et être entièrement reconnue par cet établissement.
Si l'enfant suit une formation dans un établissement d'enseignement supérieur en dehors de la Belgique, dont le programme est reconnu par l'autorité étrangère ou correspond à un programme reconnu par cette autorité, les conditions visées à l'alinéa 1er sont censées être remplies.
§ 2. L'enfant donne droit aux allocations familiales pour l'année académique entière s'il a un total d'au moins 27 unités d'études suite à :
1° une inscription au plus tard le 30 novembre de l'année académique en question ;
2° plusieurs inscriptions dont la première au plus tard le 30 novembre de l'année académique en question.
Si l'enfant a un total d'au moins 27 unités d'études suite à une ou plusieurs inscriptions après le 30 novembre de l'année académique en question, il a droit aux allocations familiales à partir de la date de la première ou de la seule inscription.
Le nombre d'unités d'études est pris en compte, en dépit de la distribution de celles-ci par semestre, de l'inscription pour une ou plusieurs formations ou de l'inscription dans un ou plusieurs établissements d'enseignement supérieur.
§ 3. Si l'étudiant est inscrit pour moins de 27 unités d'études mais s'il s'agit d'une année diplômante, le droit aux allocations familiales reste maintenu pendant un an par cycle de formation.
Dans l'alinéa 1er, on entend par :
1° année diplômante : l'année académique dans laquelle l'étudiant peut obtenir un diplôme pour le cycle de formation pour lequel il est inscrit ;
2° cycle de formation : un ensemble cohérent d'activités d'enseignement et d'autres activités d'études dans ou sur une discipline, conclue par un diplôme de graduat, de bachelor ou de master. Les formations académiques continues, à savoir une formation de bachelor après bachelor, une formation de master après master, un doctorat, une formation de doctorat ou une formation post-graduate, ne sont pas considérées comme un cycle de formation.
§ 4. Le Ministre arrête la procédure pour recueillir des données d'études sur les étudiants.
Art. 25. De gezinsbijslagen zijn niet langer verschuldigd als het kind, in de hoedanigheid van student, in de loop van het academiejaar zijn inschrijvingen terugbrengt onder de norm van 27 studiepunten of de vormingen waarvoor het ingeschreven was, in de loop van het academiejaar beëindigt.
Art. 25. Les allocations familiales ne sont plus dues si l'enfant, dans la qualité d'étudiant, réduit ses inscriptions au-dessous de la norme de 27 unités d'études au cours de l'année académique, ou termine les formations pour lesquelles il était inscrit, au cours de l'année académique.
Art. 26. § 1. De gezinsbijslagen blijven behouden voor een kind dat ten gevolge van een ziekte zijn inschrijving onder de 27 studiepunten moet terugbrengen of in de loop van het academiejaar de vorming waarvoor het was ingeschreven, moet beëindigen ten gevolge van een ziekte, tot het einde van de zomervakantie van het academiejaar dat volgt op het academiejaar waarin het kind ziek geworden is.
De ziekte van het kind wordt bewezen met ziekteattesten. Na zes maanden ziekte moet de afwezigheid altijd gewettigd zijn door een onderzoek van de bevoegde dienst.[3 Er wordt bij de voormelde bevoegde dienst een aanvraag tot medische vaststelling van een specifieke ondersteuningsnood en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend.]3
De minister wijst de dienst aan die bevoegd is om het onderzoek, vermeld in het tweede lid, uit te voeren.
§ 2. Het kind dat zich wegens ziekte niet voor minstens 27 studiepunten kan inschrijven, heeft recht op gezinsbijslagen op voorwaarde dat een arts attesteert dat de student wegens ziekte niet in staat is meer studiepunten op te nemen. [1 Het agentschap Opgroeien regie]1 stelt hiertoe een attest ter beschikking dat de arts dient te hanteren.
De minister bepaalt de nadere voorwaarden betreffende vorm en inhoud van de attesten, vermeld in het eerste lid.
§ 3. Voor het kind dat zich wegens ziekte bij het begin van een nieuw academiejaar niet kan inschrijven en dat tijdens het vorige academiejaar, of tijdens het voorgaande schooljaar, niet ziek was, wordt een aanvraag tot medische vaststelling van een zorgbehoefte en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend. Als de specifieke ondersteuningsnood werd vastgesteld overeenkomstig titel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018, heeft het kind onvoorwaardelijk recht op de basisgezinsbijslag en recht op de zorgtoeslag onder de voorwaarden vermeld in artikel 14.[3 Als het kind alleen in de onmogelijkheid verkeert om de lessen te volgen, heeft het recht op de gezinsbijslagen vanaf het begin van dat academiejaar tot het einde van dat academiejaar.]3.
§ 4. Voor het kind dat al 21 jaar is op het moment dat het zich wegens ziekte niet kan inschrijven en dat tijdens het vorige academiejaar niet ziek was, bestaat er een recht op gezinsbijslagen gedurende maximaal één jaar binnen de leeftijdsgrenzen, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, van [2 het Groeipakketdecreet van 2018]2. Er is evenwel geen cumul mogelijk met een inkomensvervangende tegemoetkoming.
De ziekte van het kind wordt bewezen met ziekteattesten. Na zes maanden ziekte moet de afwezigheid altijd gewettigd zijn door een onderzoek van de bevoegde dienst.[3 Er wordt bij de voormelde bevoegde dienst een aanvraag tot medische vaststelling van een specifieke ondersteuningsnood en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend.]3
De minister wijst de dienst aan die bevoegd is om het onderzoek, vermeld in het tweede lid, uit te voeren.
§ 5. Als het kind zich na het einde van de ziekteperiode in de loop van een academiejaar voor minder dan 27 studiepunten inschrijft, blijft het recht op gezinsbijslagen behouden voor het lopende academiejaar, op voorwaarde dat de arts attesteert dat het kind zich niet kan inschrijven voor minstens 27 studiepunten door de laattijdige inschrijving.
[1 Het agentschap Opgroeien regie]1 stelt hiertoe een attest ter beschikking dat de arts dient te hanteren.
De ziekte van het kind wordt bewezen met ziekteattesten. Na zes maanden ziekte moet de afwezigheid altijd gewettigd zijn door een onderzoek van de bevoegde dienst.[3 Er wordt bij de voormelde bevoegde dienst een aanvraag tot medische vaststelling van een specifieke ondersteuningsnood en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend.]3
De minister wijst de dienst aan die bevoegd is om het onderzoek, vermeld in het tweede lid, uit te voeren.
§ 2. Het kind dat zich wegens ziekte niet voor minstens 27 studiepunten kan inschrijven, heeft recht op gezinsbijslagen op voorwaarde dat een arts attesteert dat de student wegens ziekte niet in staat is meer studiepunten op te nemen. [1 Het agentschap Opgroeien regie]1 stelt hiertoe een attest ter beschikking dat de arts dient te hanteren.
De minister bepaalt de nadere voorwaarden betreffende vorm en inhoud van de attesten, vermeld in het eerste lid.
§ 3. Voor het kind dat zich wegens ziekte bij het begin van een nieuw academiejaar niet kan inschrijven en dat tijdens het vorige academiejaar, of tijdens het voorgaande schooljaar, niet ziek was, wordt een aanvraag tot medische vaststelling van een zorgbehoefte en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend. Als de specifieke ondersteuningsnood werd vastgesteld overeenkomstig titel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018, heeft het kind onvoorwaardelijk recht op de basisgezinsbijslag en recht op de zorgtoeslag onder de voorwaarden vermeld in artikel 14.[3 Als het kind alleen in de onmogelijkheid verkeert om de lessen te volgen, heeft het recht op de gezinsbijslagen vanaf het begin van dat academiejaar tot het einde van dat academiejaar.]3.
§ 4. Voor het kind dat al 21 jaar is op het moment dat het zich wegens ziekte niet kan inschrijven en dat tijdens het vorige academiejaar niet ziek was, bestaat er een recht op gezinsbijslagen gedurende maximaal één jaar binnen de leeftijdsgrenzen, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, van [2 het Groeipakketdecreet van 2018]2. Er is evenwel geen cumul mogelijk met een inkomensvervangende tegemoetkoming.
De ziekte van het kind wordt bewezen met ziekteattesten. Na zes maanden ziekte moet de afwezigheid altijd gewettigd zijn door een onderzoek van de bevoegde dienst.[3 Er wordt bij de voormelde bevoegde dienst een aanvraag tot medische vaststelling van een specifieke ondersteuningsnood en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend.]3
De minister wijst de dienst aan die bevoegd is om het onderzoek, vermeld in het tweede lid, uit te voeren.
§ 5. Als het kind zich na het einde van de ziekteperiode in de loop van een academiejaar voor minder dan 27 studiepunten inschrijft, blijft het recht op gezinsbijslagen behouden voor het lopende academiejaar, op voorwaarde dat de arts attesteert dat het kind zich niet kan inschrijven voor minstens 27 studiepunten door de laattijdige inschrijving.
[1 Het agentschap Opgroeien regie]1 stelt hiertoe een attest ter beschikking dat de arts dient te hanteren.
Art. 26. § 1er. Les allocations familiales restent maintenues pour un enfant qui doit réduire son inscription au-dessous des 27 unités d'études en raison d'une maladie, ou qui, au cours de l'année académique, doit terminer la formation pour laquelle il était inscrit, en raison d'une maladie, jusqu'à la fin des vacances d'été de l'année académique qui suit l'année académique pendant laquelle l'enfant est devenu malade.
La maladie de l'enfant est prouvée à l'aide de certificats de maladie. Après six mois de maladie, l'absence doit toujours être légitimée par un examen du service compétent.[3 Une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours est introduite auprès du service compétent précité.]3
Le Ministre désigne le service compétent pour effectuer l'examen visé à l'alinéa 2.
§ 2. L'enfant qui ne peut pas s'inscrire pour au moins 27 unités d'études en raison de maladie, a droit aux allocations familiales à condition qu'un médecin atteste que l'étudiant n'est pas capable, en raison de maladie, d'engager un nombre supérieur d'unités d'études. A cette fin, [1 l'agence Grandir régie]1 met un certificat à disposition que le médecin doit utiliser.
Le Ministre arrête les modalités relatives à la forme et au contenu des certificats, visés à l'alinéa 1er.
§ 3. Pour l'enfant qui ne peut pas s'inscrire au début d'une nouvelle année académique en raison de maladie et qui n'était pas malade pendant l'année académique précédente ou pendant l'année scolaire précédente, une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours, est introduite. Si le besoin de soutien spécifique a été constaté conformément au titre 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018, l'enfant a un droit inconditionnel aux allocations familiales de base et il a droit à l'allocation de soins aux conditions visées à l'article 14.[3 Si l'enfant est uniquement dans l'impossibilité de suivre les cours, il a droit aux allocations familiales à partir du début de cette année académique et ce, jusqu'à la fin de celle-ci. ]3.
§ 4. Pour l'enfant qui a déjà 21 ans au moment où il ne peut pas s'inscrire en raison de maladie et qui n'était pas malade pendant l'année académique précédente, il existe un droit aux allocations familiales pendant au maximum un an dans les limites d'âge visées à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3°, du [2 décret relatif au Panier de croissance de 2018]2. Un cumul avec une allocation de remplacement de revenus n'est toutefois pas possible.
La maladie de l'enfant est prouvée à l'aide de certificats de maladie. Après six mois de maladie, l'absence doit toujours être légitimée par un examen du service compétent.[3 Une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours est introduite auprès du service compétent précité.]3
Le Ministre désigne le service compétent pour effectuer l'examen visé à l'alinéa 2.
§ 5. Si l'enfant s'inscrit après la fin de la période de maladie au cours d'une année académique pour moins de 27 unités d'études, le droit aux allocations familiales pour l'année académique en cours reste maintenu, à condition que le médecin atteste que l'enfant ne peut pas s'inscrire pour au moins 27 unités d'études en raison de l'inscription tardive.
A cette fin, [1 l'agence Grandir régie]1 met un certificat à disposition que le médecin doit utiliser.
La maladie de l'enfant est prouvée à l'aide de certificats de maladie. Après six mois de maladie, l'absence doit toujours être légitimée par un examen du service compétent.[3 Une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours est introduite auprès du service compétent précité.]3
Le Ministre désigne le service compétent pour effectuer l'examen visé à l'alinéa 2.
§ 2. L'enfant qui ne peut pas s'inscrire pour au moins 27 unités d'études en raison de maladie, a droit aux allocations familiales à condition qu'un médecin atteste que l'étudiant n'est pas capable, en raison de maladie, d'engager un nombre supérieur d'unités d'études. A cette fin, [1 l'agence Grandir régie]1 met un certificat à disposition que le médecin doit utiliser.
Le Ministre arrête les modalités relatives à la forme et au contenu des certificats, visés à l'alinéa 1er.
§ 3. Pour l'enfant qui ne peut pas s'inscrire au début d'une nouvelle année académique en raison de maladie et qui n'était pas malade pendant l'année académique précédente ou pendant l'année scolaire précédente, une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours, est introduite. Si le besoin de soutien spécifique a été constaté conformément au titre 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018, l'enfant a un droit inconditionnel aux allocations familiales de base et il a droit à l'allocation de soins aux conditions visées à l'article 14.[3 Si l'enfant est uniquement dans l'impossibilité de suivre les cours, il a droit aux allocations familiales à partir du début de cette année académique et ce, jusqu'à la fin de celle-ci. ]3.
§ 4. Pour l'enfant qui a déjà 21 ans au moment où il ne peut pas s'inscrire en raison de maladie et qui n'était pas malade pendant l'année académique précédente, il existe un droit aux allocations familiales pendant au maximum un an dans les limites d'âge visées à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3°, du [2 décret relatif au Panier de croissance de 2018]2. Un cumul avec une allocation de remplacement de revenus n'est toutefois pas possible.
La maladie de l'enfant est prouvée à l'aide de certificats de maladie. Après six mois de maladie, l'absence doit toujours être légitimée par un examen du service compétent.[3 Une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours est introduite auprès du service compétent précité.]3
Le Ministre désigne le service compétent pour effectuer l'examen visé à l'alinéa 2.
§ 5. Si l'enfant s'inscrit après la fin de la période de maladie au cours d'une année académique pour moins de 27 unités d'études, le droit aux allocations familiales pour l'année académique en cours reste maintenu, à condition que le médecin atteste que l'enfant ne peut pas s'inscrire pour au moins 27 unités d'études en raison de l'inscription tardive.
A cette fin, [1 l'agence Grandir régie]1 met un certificat à disposition que le médecin doit utiliser.
Art. 27. De gezinsbijslagen blijven behouden tijdens de zomervakantie.
Als deze vakantie meer dan vier maanden bedraagt, wordt de resterende periode gedekt door en afgetrokken van de twaalf maanden als schoolverlater.
Als deze vakantie meer dan vier maanden bedraagt, wordt de resterende periode gedekt door en afgetrokken van de twaalf maanden als schoolverlater.
Art. 27. Les allocations familiales sont maintenues pendant les vacances d'été.
Si ces vacances comprennent plus de quatre mois, la période restante est couverte par et déduite des douze mois comme jeune sortant de l'école.
Si ces vacances comprennent plus de quatre mois, la période restante est couverte par et déduite des douze mois comme jeune sortant de l'école.
Art. 28. Als het kind geen nieuwe vorming begint door zich in te schrijven in een instelling voor hoger onderwijs, worden de gezinsbijslagen verleend tijdens de zomervakantie van de instelling voor hoger onderwijs die het kind verlaten heeft. Die vakantie wordt geacht uiterlijk op 30 september te eindigen.
Art. 28. Si l'enfant ne commence pas de nouvelle formation en s'inscrivant dans un établissement d'enseignement supérieur, les allocations familiales sont accordées pendant les vacances d'été de l'établissement d'enseignement supérieur que l'enfant a quitté. Ces vacances sont censées se terminer au plus tard le 30 septembre.
Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen voor afdeling 1 en 2
Section 3. - Dispositions communes pour les sections 1re et 2
Art. 29. § 1. De winstgevende activiteit van het kind dat onderwijs volgt of een vorming doorloopt, leidt tot de schorsing van de gezinsbijslagen, tenzij die activiteit:
1° gedurende maximaal [3 650 uur]3, waarvoor een verminderde sociale bijdrage verschuldigd is, uitgeoefend wordt in het kader van een arbeidsovereenkomst voor studenten als vermeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° in een maand niet meer dan tachtig uren uitgeoefend wordt in het kader van elke tewerkstelling, die geen tewerkstelling is als vermeld in punt 1° ;
3° uitgeoefend wordt door een kind als zelfstandige en daarbij geen bijdragen verschuldigd is als een zelfstandige in hoofdberoep.
Als het kind dat onderwijs volgt of een vorming doorloopt, een sociale uitkering ontvangt op basis van een Belgische of buitenlandse regeling over ziekte, invaliditeit, [2 ...]2 werkloosheid of loopbaanonderbreking als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, worden de gezinsbijslagen geschorst voor de maand waarop de uitkering betrekking heeft. Als het een sociale uitkering ontvangt die voortvloeit uit een tewerkstelling tijdens een systeem van alternerend leren of een bezoldigde stageovereenkomst, worden de maandelijkse gezinsbijslagen niet geschorst.
[3 ...]3
§ 2. De tewerkstelling die het kind dat een systeem van alternerend leren en werken volgt, uitoefent in het kader van de praktische opleiding op de werkplek, of die het kind uitoefent tijdens een bezoldigde stageovereenkomst, worden niet beschouwd als een winstgevende activiteit. Met betrekking tot de voorwaarden gesteld in het eerste lid van de eerste paragraaf van dit artikel, moeten de voorwaarden uit artikel 1, 2°, derde zin van het Koninklijk Besluit van 14 juli 1995 waarbij sommige categorieën studenten uit het toepassingsgebied van Titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten worden gesloten, vervuld worden in hoofde van de leerling die een systeem van alternerend leren en werken volgt.
1° gedurende maximaal [3 650 uur]3, waarvoor een verminderde sociale bijdrage verschuldigd is, uitgeoefend wordt in het kader van een arbeidsovereenkomst voor studenten als vermeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° in een maand niet meer dan tachtig uren uitgeoefend wordt in het kader van elke tewerkstelling, die geen tewerkstelling is als vermeld in punt 1° ;
3° uitgeoefend wordt door een kind als zelfstandige en daarbij geen bijdragen verschuldigd is als een zelfstandige in hoofdberoep.
Als het kind dat onderwijs volgt of een vorming doorloopt, een sociale uitkering ontvangt op basis van een Belgische of buitenlandse regeling over ziekte, invaliditeit, [2 ...]2 werkloosheid of loopbaanonderbreking als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, worden de gezinsbijslagen geschorst voor de maand waarop de uitkering betrekking heeft. Als het een sociale uitkering ontvangt die voortvloeit uit een tewerkstelling tijdens een systeem van alternerend leren of een bezoldigde stageovereenkomst, worden de maandelijkse gezinsbijslagen niet geschorst.
[3 ...]3
§ 2. De tewerkstelling die het kind dat een systeem van alternerend leren en werken volgt, uitoefent in het kader van de praktische opleiding op de werkplek, of die het kind uitoefent tijdens een bezoldigde stageovereenkomst, worden niet beschouwd als een winstgevende activiteit. Met betrekking tot de voorwaarden gesteld in het eerste lid van de eerste paragraaf van dit artikel, moeten de voorwaarden uit artikel 1, 2°, derde zin van het Koninklijk Besluit van 14 juli 1995 waarbij sommige categorieën studenten uit het toepassingsgebied van Titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten worden gesloten, vervuld worden in hoofde van de leerling die een systeem van alternerend leren en werken volgt.
Art. 29. § 1er. L'activité lucrative de l'enfant qui parcourt un enseignement ou une formation, aboutit à la suspension des allocations familiales, sauf si cette activité :
1° est exercée pendant au maximum [3 650 heures ]3 pour lesquelles une cotisation sociale réduite est due, dans le cadre d'un contrat de travail pour étudiants tel que visé au titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ;
2° est exercée, au cours d'un mois, pendant au maximum quatre-vingt heures dans le cadre de tout emploi qui n'est pas d'emploi tel que visé au point 1° ;
3° est exercée par un enfant comme indépendant, qui ne doit pas payer de contribution comme un indépendant à titre principal.
Si l'enfant qui suit un enseignement ou parcourt une formation reçoit une prestation sociale sur la base d'un règlement belge ou étranger concernant la maladie, l'invalidité, [2 ...]2 le chômage ou l'interruption de carrière, tel que visé au chapitre IV, section 5 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, les allocations familiales sont suspendues pour le mois auquel la prestation se rapporte. S'il reçoit une prestation sociale résultant d'un emploi pendant un système d'apprentissage en alternance ou d'un contrat de stage rémunéré, les allocations familiales mensuelles ne sont pas suspendues.
[3 ...]3
§ 2. L'emploi qu'exerce l'enfant qui suit un système d'apprentissage et de travail en alternance, dans le cadre de la formation pratique sur le lieu de travail, ou qu'exerce l'enfant pendant un contrat de stage rémunéré, n'est pas considéré comme une activité lucrative. En ce qui concerne les conditions fixées à l'alinéa 1er du paragraphe 1er du présent article, les conditions de l'article 1er, 2°, troisième phrase de l'arrêté royal du 14 juillet 1995 excluant certaines catégories d'étudiants du champ d'application du Titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, doivent être remplies dans le chef de l'élève qui suit un système d'apprentissage et de travail en alternance.
1° est exercée pendant au maximum [3 650 heures ]3 pour lesquelles une cotisation sociale réduite est due, dans le cadre d'un contrat de travail pour étudiants tel que visé au titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ;
2° est exercée, au cours d'un mois, pendant au maximum quatre-vingt heures dans le cadre de tout emploi qui n'est pas d'emploi tel que visé au point 1° ;
3° est exercée par un enfant comme indépendant, qui ne doit pas payer de contribution comme un indépendant à titre principal.
Si l'enfant qui suit un enseignement ou parcourt une formation reçoit une prestation sociale sur la base d'un règlement belge ou étranger concernant la maladie, l'invalidité, [2 ...]2 le chômage ou l'interruption de carrière, tel que visé au chapitre IV, section 5 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, les allocations familiales sont suspendues pour le mois auquel la prestation se rapporte. S'il reçoit une prestation sociale résultant d'un emploi pendant un système d'apprentissage en alternance ou d'un contrat de stage rémunéré, les allocations familiales mensuelles ne sont pas suspendues.
[3 ...]3
§ 2. L'emploi qu'exerce l'enfant qui suit un système d'apprentissage et de travail en alternance, dans le cadre de la formation pratique sur le lieu de travail, ou qu'exerce l'enfant pendant un contrat de stage rémunéré, n'est pas considéré comme une activité lucrative. En ce qui concerne les conditions fixées à l'alinéa 1er du paragraphe 1er du présent article, les conditions de l'article 1er, 2°, troisième phrase de l'arrêté royal du 14 juillet 1995 excluant certaines catégories d'étudiants du champ d'application du Titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, doivent être remplies dans le chef de l'élève qui suit un système d'apprentissage et de travail en alternance.
Art. 30. De minister bepaalt de procedure voor de verificatie van de winstgevende activiteit en de uitbetaling van sociale uitkeringen voor de studenten.
Art. 30. Le Ministre arrête la procédure de la vérification de l'activité lucrative et du paiement des prestations sociales pour les étudiants.
Art. 31. Het kind dat de lessen onderbreekt die het gevolgd heeft in het buitenland in de periode tussen het einde van de vakantie in het buitenland en het begin van de zomervakantie in België, heeft recht op gezinsbijslagen tijdens de zomervakantie in België en dit gedurende maximaal vier maanden, indien het zich ten laatste op dertig november terug inschrijft voor een opleiding in België of een andere EER-lidstaat of Zwitserland.
Het kind dat de lessen of de opleiding onderbreekt die het gevolgd heeft in België of in een andere EER-lidstaat of Zwitserland in de periode tussen het einde van de zomervakantie in België en het begin van de vakantie in het buitenland, heeft recht op gezinsbijslagen tijdens de vakantieperiode in het buitenland en dit gedurende maximaal vier maanden, indien het de lessen in het buitenland hervat op de dag dat de lessen terug starten na de vakantieperiode.
In het eerste en tweede lid wordt verstaan onder vakantie in het buitenland: de periode die overeenstemt met de werkelijke vakantie in het buitenland, waarvan het bewijs geleverd moet worden. Die periode mag evenwel niet meer dan vier maanden beslaan. Als de periode tussen twee school- of academiejaren meer dan vier maanden bedraagt, wordt de resterende periode gedekt door en afgetrokken van de twaalf maanden als schoolverlater.
Het kind dat de lessen of de opleiding onderbreekt die het gevolgd heeft in België of in een andere EER-lidstaat of Zwitserland in de periode tussen het einde van de zomervakantie in België en het begin van de vakantie in het buitenland, heeft recht op gezinsbijslagen tijdens de vakantieperiode in het buitenland en dit gedurende maximaal vier maanden, indien het de lessen in het buitenland hervat op de dag dat de lessen terug starten na de vakantieperiode.
In het eerste en tweede lid wordt verstaan onder vakantie in het buitenland: de periode die overeenstemt met de werkelijke vakantie in het buitenland, waarvan het bewijs geleverd moet worden. Die periode mag evenwel niet meer dan vier maanden beslaan. Als de periode tussen twee school- of academiejaren meer dan vier maanden bedraagt, wordt de resterende periode gedekt door en afgetrokken van de twaalf maanden als schoolverlater.
Art. 31. L'enfant qui interrompt les cours qu'il a suivis à l'étranger dans la période entre la fin des vacances à l'étranger et le début des vacances d'été en Belgique, a droit aux allocations familiales pendant les vacances d'été en Belgique, pendant au maximum quatre mois, s'il se réinscrit au plus tard le 30 novembre pour une formation en Belgique ou dans un autre Etat de l'Espace économique européen ou en Suisse.
L'enfant qui interrompt les cours ou la formation qu'il a suivis en Belgique ou dans un autre Etat de l'Espace économique européen ou en Suisse dans la période entre la fin des vacances d'été en Belgique et le début des vacances à l'étranger, a droit aux allocations familiales dans la période de vacances à l'étranger, pendant au maximum quatre mois, s'il reprend les cours à l'étranger le jour auquel les cours reprennent après la période de vacances.
Dans les alinéas 1er et 2, on entend par vacances à l'étranger : la période correspondant aux vacances réelles à l'étranger, dont il faut fournir la preuve. Cette période ne peut toutefois pas couvrir plus de quatre mois. Si la période entre deux années scolaires ou académiques comprend plus de quatre mois, la période restante est couverte par et déduite des douze mois comme jeune sortant de l'école.
L'enfant qui interrompt les cours ou la formation qu'il a suivis en Belgique ou dans un autre Etat de l'Espace économique européen ou en Suisse dans la période entre la fin des vacances d'été en Belgique et le début des vacances à l'étranger, a droit aux allocations familiales dans la période de vacances à l'étranger, pendant au maximum quatre mois, s'il reprend les cours à l'étranger le jour auquel les cours reprennent après la période de vacances.
Dans les alinéas 1er et 2, on entend par vacances à l'étranger : la période correspondant aux vacances réelles à l'étranger, dont il faut fournir la preuve. Cette période ne peut toutefois pas couvrir plus de quatre mois. Si la période entre deux années scolaires ou académiques comprend plus de quatre mois, la période restante est couverte par et déduite des douze mois comme jeune sortant de l'école.
Art. 32. Een kind dat ingeschreven is voor een of meer vormingen van het hoger onderwijs [1 of een opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs]1 met in totaal minder dan 27 studiepunten, en dat daarnaast een opleiding in het niet-hoger onderwijs volgt, heeft recht op gezinsbijslagen als aan de voorwaarde, vermeld in artikel 16, tweede lid, is voldaan.
Voor de toepassing van dit artikel worden de studiepunten die toegekend zijn in het kader van het hoger onderwijs [1 en de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs]1, omgezet in lesuren waarbij mag worden aangenomen dat één studiepunt overeenstemt met dertig minuten les.
Voor de toepassing van dit artikel worden de studiepunten die toegekend zijn in het kader van het hoger onderwijs [1 en de opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs]1, omgezet in lesuren waarbij mag worden aangenomen dat één studiepunt overeenstemt met dertig minuten les.
Art. 32. Un enfant qui est inscrit pour une ou plusieurs formations de l'enseignement supérieur [1 ou une formation en Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel]1 avec un total de moins de 27 unités d'études, et qui suit en outre une formation dans l'enseignement non supérieur, a droit aux allocations familiales si la condition visée à l'article 16, alinéa 2 est remplie.
Pour l'application du présent article, les unités d'études attribuées dans le cadre de l'enseignement supérieur [1 ou une formation en Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel]1 sont converties en des heures de cours, où l'on peut supposer qu'une unité d'étude correspond à trente minutes de cours.
Pour l'application du présent article, les unités d'études attribuées dans le cadre de l'enseignement supérieur [1 ou une formation en Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel]1 sont converties en des heures de cours, où l'on peut supposer qu'une unité d'étude correspond à trente minutes de cours.
Wijzigingen
Art.32/1. [1 Een kind dat ingeschreven is voor een of meer vormingen van het hoger onderwijs met in totaal minder dan 27 studiepunten, en dat daarnaast ingeschreven is in een opleiding Basisverpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, heeft recht op gezinsbijslagen als het in totaal voor minstens 27 studiepunten ingeschreven is.]1
Art.32/1. [1 Un enfant qui est inscrit à une ou plusieurs formations de l'enseignement supérieur avec au total moins de 27 unités d'études, et qui est en outre inscrit à une formation en Soins infirmiers de base de l'enseignement supérieur professionnel, a droit aux allocations familiales s'il est inscrit au total pour au moins 27 unités d'études.]1
Art. 33. Het kind dat uitsluitend lessen volgt in het hoger onderwijs waarvan de modaliteiten niet uitgedrukt worden in studiepunten, heeft recht op gezinsbijslagen als het ingeschreven is in een instelling voor hoger onderwijs die in of buiten België gevestigd is, en er cursussen volgt die overeenstemmen met een volledig studieprogramma en leerplan, of als het, met de toelating van de academische overheid of de schooloverheid, voor zichzelf een programma heeft samengesteld van minstens dertien lesuren per week.
Als het kind ingeschreven is voor een bijkomend jaar voor de geïntegreerde proef in het onderwijs voor sociale promotie die geen dertien lesuren per week beslaat, blijft het recht op gezinsbijslagen gedurende een jaar behouden.
De minister kan de procedure tot vaststelling van het recht, vermeld in het eerste lid, bepalen.
Als het kind ingeschreven is voor een bijkomend jaar voor de geïntegreerde proef in het onderwijs voor sociale promotie die geen dertien lesuren per week beslaat, blijft het recht op gezinsbijslagen gedurende een jaar behouden.
De minister kan de procedure tot vaststelling van het recht, vermeld in het eerste lid, bepalen.
Art. 33. L'enfant qui suit uniquement des cours dans l'enseignement supérieur dont les modalités ne sont pas exprimées en unités d'études, a droit aux allocations familiales s'il est inscrit dans un établissement d'enseignement supérieur situé en Belgique ou en dehors de la Belgique, et y suit des cours qui correspondent à un programme d'études complet et de plein exercice ou s'il a composé pour lui-même, avec l'autorisation de l'autorité académique ou de l'autorité scolaire, un programme d'au moins treize heures de cours par semaine.
Si l'enfant est inscrit pour une année supplémentaire pour l'épreuve intégrée dans l'enseignement de promotion sociale, qui ne comprend pas treize heures de cours par semaine, le droit aux allocations familiales est maintenu pendant un an.
Le Ministre peut déterminer la procédure d'établissement du droit, visé à l'alinéa 1er.
Si l'enfant est inscrit pour une année supplémentaire pour l'épreuve intégrée dans l'enseignement de promotion sociale, qui ne comprend pas treize heures de cours par semaine, le droit aux allocations familiales est maintenu pendant un an.
Le Ministre peut déterminer la procédure d'établissement du droit, visé à l'alinéa 1er.
Afdeling 4. - Het kind dat verbonden is door een leerovereenkomst
Section 4. - L'enfant lié par un contrat d'apprentissage
Art. 34. De gezinsbijslagen worden verleend voor de leerling op voorwaarde dat zijn leerovereenkomst of -verbintenis erkend en gecontroleerd is:
1° conform de reglementering over de leertijden of de ondernemerschapstrajecten;
2° door het Nationaal Paritair Comité voor de diamantnijverheid, als het om een leerovereenkomst in die nijverheid gaat;
3° conform artikel 19 van de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de mindervaliden.
1° conform de reglementering over de leertijden of de ondernemerschapstrajecten;
2° door het Nationaal Paritair Comité voor de diamantnijverheid, als het om een leerovereenkomst in die nijverheid gaat;
3° conform artikel 19 van de wet van 16 april 1963 betreffende de sociale reclassering van de mindervaliden.
Art. 34. Les allocations familiales sont accordées pour l'élève à condition que son contrat ou engagement d'apprentissage est reconnu et contrôlé :
1° conformément à la réglementation relative aux apprentissages ou aux parcours d'entrepreneuriat ;
2° par le Comité paritaire national de l'industrie diamantaire, s'il s'agit d'un contrat d'apprentissage dans cette industrie ;
3° conformément à l'article 19 de la loi du 16 avril 1963 relative au reclassement social des handicapés.
1° conformément à la réglementation relative aux apprentissages ou aux parcours d'entrepreneuriat ;
2° par le Comité paritaire national de l'industrie diamantaire, s'il s'agit d'un contrat d'apprentissage dans cette industrie ;
3° conformément à l'article 19 de la loi du 16 avril 1963 relative au reclassement social des handicapés.
Art. 35. § 1. De gezinsbijslagen blijven behouden voor het kind waarvan de erkende en gecontroleerde leerovereenkomst of leerverbintenis wordt opgeschort wegens ziekte van het kind, tot uiterlijk 31 augustus van het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin de ziekte is begonnen.
De ziekte van het kind wordt bewezen met ziekteattesten. Na zes maanden ziekte moet de afwezigheid altijd gewettigd zijn door een onderzoek van de bevoegde dienst.[2 Er wordt bij de voormelde bevoegde dienst een aanvraag tot medische vaststelling van een specifieke ondersteuningsnood en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend.]2
De minister wijst de dienst aan die bevoegd is om het onderzoek, vermeld in het tweede lid, uit te voeren.
§ 2. Voor het kind dat zich wegens ziekte bij het begin van een nieuwe opleidingscyclus niet kan inschrijven en dat tijdens het vorige schooljaar niet ziek was, wordt een aanvraag tot medische vaststelling van een zorgbehoefte en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend. Als de specifieke ondersteuningsnood werd vastgesteld overeenkomstig titel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018, heeft het kind onvoorwaardelijk recht op de basisgezinsbijslag en recht op de zorgtoeslag onder de voorwaarden vermeld in artikel 14.[2 Als het kind alleen in de onmogelijkheid verkeert om de lessen te volgen, heeft het recht op de gezinsbijslagen vanaf het begin van de nieuwe opleidingscyclus tot het einde van die opleidingscyclus.]2.
§ 3. Voor het kind dat al 21 jaar is op het moment dat het zich wegens ziekte niet kan inschrijven en dat tijdens het vorige schooljaar niet ziek was, bestaat er een recht op gezinsbijslagen gedurende maximaal één jaar binnen de leeftijdsgrenzen, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1. Er is evenwel geen cumul mogelijk met een inkomensvervangende tegemoetkoming.
De ziekte van het kind wordt bewezen met ziekteattesten. Na zes maanden ziekte moet de afwezigheid altijd gewettigd zijn door een onderzoek van de bevoegde dienst.[2 Er wordt bij de voormelde bevoegde dienst een aanvraag tot medische vaststelling van een specifieke ondersteuningsnood en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend.]2
De minister wijst de dienst aan die bevoegd is om het onderzoek, vermeld in het tweede lid, uit te voeren.
De ziekte van het kind wordt bewezen met ziekteattesten. Na zes maanden ziekte moet de afwezigheid altijd gewettigd zijn door een onderzoek van de bevoegde dienst.[2 Er wordt bij de voormelde bevoegde dienst een aanvraag tot medische vaststelling van een specifieke ondersteuningsnood en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend.]2
De minister wijst de dienst aan die bevoegd is om het onderzoek, vermeld in het tweede lid, uit te voeren.
§ 2. Voor het kind dat zich wegens ziekte bij het begin van een nieuwe opleidingscyclus niet kan inschrijven en dat tijdens het vorige schooljaar niet ziek was, wordt een aanvraag tot medische vaststelling van een zorgbehoefte en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend. Als de specifieke ondersteuningsnood werd vastgesteld overeenkomstig titel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018, heeft het kind onvoorwaardelijk recht op de basisgezinsbijslag en recht op de zorgtoeslag onder de voorwaarden vermeld in artikel 14.[2 Als het kind alleen in de onmogelijkheid verkeert om de lessen te volgen, heeft het recht op de gezinsbijslagen vanaf het begin van de nieuwe opleidingscyclus tot het einde van die opleidingscyclus.]2.
§ 3. Voor het kind dat al 21 jaar is op het moment dat het zich wegens ziekte niet kan inschrijven en dat tijdens het vorige schooljaar niet ziek was, bestaat er een recht op gezinsbijslagen gedurende maximaal één jaar binnen de leeftijdsgrenzen, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1. Er is evenwel geen cumul mogelijk met een inkomensvervangende tegemoetkoming.
De ziekte van het kind wordt bewezen met ziekteattesten. Na zes maanden ziekte moet de afwezigheid altijd gewettigd zijn door een onderzoek van de bevoegde dienst.[2 Er wordt bij de voormelde bevoegde dienst een aanvraag tot medische vaststelling van een specifieke ondersteuningsnood en van de onmogelijkheid om de lessen te volgen ingediend.]2
De minister wijst de dienst aan die bevoegd is om het onderzoek, vermeld in het tweede lid, uit te voeren.
Art. 35. § 1er. Les allocations familiales restent maintenues pour l'enfant dont le contrat d'apprentissage ou l'engagement d'apprentissage reconnu et contrôlé est suspendu en raison de maladie de l'enfant, jusqu'au 31 août au plus tard de l'année scolaire qui suit l'année scolaire pendant laquelle la maladie a commencé.
La maladie de l'enfant est prouvée à l'aide de certificats de maladie. Après six mois de maladie, l'absence doit toujours être légitimée par un examen du service compétent.[2 Une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours est introduite auprès du service compétent précité.]2
Le Ministre désigne le service compétent pour effectuer l'examen visé à l'alinéa 2.
§ 2. Pour l'enfant qui ne peut pas s'inscrire au début d'un nouveau cycle de formation en raison de maladie et qui n'était pas malade pendant l'année scolaire précédente, une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours, est introduite. Si le besoin de soutien spécifique a été constaté conformément au titre 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018, l'enfant a un droit inconditionnel aux allocations familiales de base et il a droit à l'allocation de soins aux conditions visées à l'article 14. [2 Si l'enfant est uniquement dans l'impossibilité de suivre les cours, il a droit aux allocations familiales à partir du début du nouveau cycle de formation et ce, jusqu'à la fin de celui-ci]2.
§ 3. Pour l'enfant qui a déjà 21 ans au moment où il ne peut pas s'inscrire en raison de maladie et qui n'était pas malade pendant l'année scolaire précédente, il existe un droit aux allocations familiales pendant au maximum un an dans les limites d'âge visées à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1. Un cumul avec une allocation de remplacement de revenus n'est toutefois pas possible.
La maladie de l'enfant est prouvée à l'aide de certificats de maladie. Après six mois de maladie, l'absence doit toujours être légitimée par un examen du service compétent.[2 Une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours est introduite auprès du service compétent précité.]2
Le Ministre désigne le service compétent pour effectuer l'examen visé à l'alinéa 2.
La maladie de l'enfant est prouvée à l'aide de certificats de maladie. Après six mois de maladie, l'absence doit toujours être légitimée par un examen du service compétent.[2 Une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours est introduite auprès du service compétent précité.]2
Le Ministre désigne le service compétent pour effectuer l'examen visé à l'alinéa 2.
§ 2. Pour l'enfant qui ne peut pas s'inscrire au début d'un nouveau cycle de formation en raison de maladie et qui n'était pas malade pendant l'année scolaire précédente, une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours, est introduite. Si le besoin de soutien spécifique a été constaté conformément au titre 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018, l'enfant a un droit inconditionnel aux allocations familiales de base et il a droit à l'allocation de soins aux conditions visées à l'article 14. [2 Si l'enfant est uniquement dans l'impossibilité de suivre les cours, il a droit aux allocations familiales à partir du début du nouveau cycle de formation et ce, jusqu'à la fin de celui-ci]2.
§ 3. Pour l'enfant qui a déjà 21 ans au moment où il ne peut pas s'inscrire en raison de maladie et qui n'était pas malade pendant l'année scolaire précédente, il existe un droit aux allocations familiales pendant au maximum un an dans les limites d'âge visées à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1. Un cumul avec une allocation de remplacement de revenus n'est toutefois pas possible.
La maladie de l'enfant est prouvée à l'aide de certificats de maladie. Après six mois de maladie, l'absence doit toujours être légitimée par un examen du service compétent.[2 Une demande de constatation médicale d'un besoin de soutien spécifique et de l'impossibilité de suivre les cours est introduite auprès du service compétent précité.]2
Le Ministre désigne le service compétent pour effectuer l'examen visé à l'alinéa 2.
Art. 36. § 1. Een winstgevende activiteit van het kind leidt tot de schorsing van de gezinsbijslagen, tenzij die activiteit:
1° gedurende [2 maximaal 650 uur,]2 waarvoor een verminderde sociale bijdrage verschuldigd is, uitgeoefend wordt in het kader van een arbeidsovereenkomst voor studenten als vermeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° in een maand gedurende niet meer dan tachtig uur uitgeoefend wordt in het kader van elke tewerkstelling, die geen tewerkstelling is als vermeld in punt 1° ;
3° uitgeoefend wordt door een kind als zelfstandige en daarbij geen bijdragen verschuldigd is als een zelfstandige in hoofdberoep.
Als het kind een sociale uitkering ontvangt op basis van een Belgische of buitenlandse regeling over ziekte, invaliditeit, [1 ...]1 werkloosheid of loopbaanonderbreking als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, worden de gezinsbijslagen geschorst voor de maand waarop de uitkering betrekking heeft. Als het kind een sociale uitkering ontvangt die voortvloeit uit een activiteit in het kader van een leerovereenkomst, worden de maandelijkse gezinsbijslagen niet geschorst.
§ 2. De tewerkstelling die het kind dat verbonden is door een leerovereenkomst, uitoefent in het kader van die leerovereenkomst, wordt niet beschouwd als een winstgevende activiteit.
1° gedurende [2 maximaal 650 uur,]2 waarvoor een verminderde sociale bijdrage verschuldigd is, uitgeoefend wordt in het kader van een arbeidsovereenkomst voor studenten als vermeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° in een maand gedurende niet meer dan tachtig uur uitgeoefend wordt in het kader van elke tewerkstelling, die geen tewerkstelling is als vermeld in punt 1° ;
3° uitgeoefend wordt door een kind als zelfstandige en daarbij geen bijdragen verschuldigd is als een zelfstandige in hoofdberoep.
Als het kind een sociale uitkering ontvangt op basis van een Belgische of buitenlandse regeling over ziekte, invaliditeit, [1 ...]1 werkloosheid of loopbaanonderbreking als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, worden de gezinsbijslagen geschorst voor de maand waarop de uitkering betrekking heeft. Als het kind een sociale uitkering ontvangt die voortvloeit uit een activiteit in het kader van een leerovereenkomst, worden de maandelijkse gezinsbijslagen niet geschorst.
§ 2. De tewerkstelling die het kind dat verbonden is door een leerovereenkomst, uitoefent in het kader van die leerovereenkomst, wordt niet beschouwd als een winstgevende activiteit.
Art. 36. § 1er. Une activité lucrative de l'enfant aboutit à la suspension des allocations familiales, sauf si cette activité :
1° est exercée pendant [2 au maximum 650 heures pour lesquelles ]2 une cotisation sociale réduite est due, dans le cadre d'un contrat de travail pour étudiants tel que visé au titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ;
2° est exercée, au cours d'un mois, pendant au maximum quatre-vingt heures dans le cadre de tout emploi qui n'est pas d'emploi tel que visé au point 1° ;
3° est exercée par un enfant comme indépendant, qui ne doit pas payer de contribution comme un indépendant à titre principal.
Si l'enfant reçoit une prestation sociale sur la base d'un règlement belge ou étranger concernant la maladie, l'invalidité, [1 ...]1 le chômage ou l'interruption de carrière, tel que visé au chapitre IV, section 5 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, les allocations familiales sont suspendues pour le mois auquel la prestation se rapporte. Si l'enfant reçoit une prestation sociale résultant d'une activité dans le cadre d'un contrat d'apprentissage, les allocations familiales mensuelles ne sont pas suspendues.
§ 2. L'emploi qu'exerce l'enfant qui est lié par un contrat d'apprentissage dans le cadre de ce contrat d'apprentissage, n'est pas considéré comme une activité lucrative.
1° est exercée pendant [2 au maximum 650 heures pour lesquelles ]2 une cotisation sociale réduite est due, dans le cadre d'un contrat de travail pour étudiants tel que visé au titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ;
2° est exercée, au cours d'un mois, pendant au maximum quatre-vingt heures dans le cadre de tout emploi qui n'est pas d'emploi tel que visé au point 1° ;
3° est exercée par un enfant comme indépendant, qui ne doit pas payer de contribution comme un indépendant à titre principal.
Si l'enfant reçoit une prestation sociale sur la base d'un règlement belge ou étranger concernant la maladie, l'invalidité, [1 ...]1 le chômage ou l'interruption de carrière, tel que visé au chapitre IV, section 5 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, les allocations familiales sont suspendues pour le mois auquel la prestation se rapporte. Si l'enfant reçoit une prestation sociale résultant d'une activité dans le cadre d'un contrat d'apprentissage, les allocations familiales mensuelles ne sont pas suspendues.
§ 2. L'emploi qu'exerce l'enfant qui est lié par un contrat d'apprentissage dans le cadre de ce contrat d'apprentissage, n'est pas considéré comme une activité lucrative.
Art. 36/1. [1 De minister bepaalt de procedure voor de verificatie van de winstgevende activiteit en de uitbetaling van sociale uitkeringen aan het kind dat verbonden is door een leerovereenkomst.]1
Art.36/1. [1 Le Ministre arrête la procédure de vérification de l'activité lucrative et du paiement des prestations sociales pour l'enfant lié par un contrat d'apprentissage.]1
Art. 37. De gezinsbijslagen worden ook toegekend, voor een periode van ten hoogste drie maanden die volgt op de datum van de beslissing tot weigering of intrekking van de erkenning, of op de datum van verbreking van de leerovereenkomst of -verbintenis, op voorwaarde dat het kind gedurende die periode geen winstgevende bedrijvigheid uitoefent, de leergangen van de basisopleiding in de leertijd blijft volgen en niet uitgesloten is van het voordeel van een latere erkenning.
Art. 37. Les allocations familiales sont également accordées, pour une période maximale de trois mois suivant la date de la décision de refus ou de retrait de l'agrément, ou à la date de rupture du contrat ou de l'engagement d'apprentissage, à condition que pendant cette période l'enfant n'exerce pas d'activité lucrative, continue à suivre les cours de la formation de base dans l'apprentissage et n'est pas exclu de l'avantage d'un agrément ultérieur.
Afdeling 5. - Het kind dat een stage doorloopt om in een openbaar ambt te worden benoemd
Section 5. - L'enfant qui accomplit un stage afin d'être nommé dans une fonction publique
Art. 38. Het kind van minder dan 25 jaar dat een stage doorloopt om in een openbaar ambt te kunnen worden benoemd, geeft recht op gezinsbijslagen voor de stageperiode als het kind voor die stage geen vergoeding of loon krijgt. De toekenningsperiode mag evenwel de normaal vereiste duur van de stage niet overschrijden.
Art. 38. L'enfant de moins de 25 ans qui accomplit un stage afin de pouvoir être nommé dans une fonction publique, donne droit aux allocations familiales pour la période de stage si l'enfant ne reçoit pas d'indemnité ou de salaire pour ce stage. La période d'octroi ne peut toutefois pas dépasser la durée requise normale du stage.
Art. 39. De stage, vermeld in artikel 38, is ofwel de voorwaarde die rechtstreeks vereist is voor de benoeming in een openbaar ambt of kan de aanleiding geven om in een openbaar ambt te worden benoemd.
Art. 39. Le stage, visé à l'article 38 est soit la condition directement requise pour la nomination dans une fonction publique, soit peut donner lieu à être nommé dans une fonction publique.
Afdeling 6. - Schoolverlater
Section 6. - Jeune sortant de l'école
Art. 40. [1 De gezinsbijslagen worden toegekend aan de schoolverlater voor een periode van in totaal twaalf maanden vanaf de maand dat het kind niet meer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, en aan de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, § 3, tweede lid, van het Groeipakketdecreet van 2018, met uitzondering van de voorwaarden voor schoolverlaters, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, van het voormelde decreet.
De termijn van twaalf maanden, vermeld in het eerste lid, start op de volgende tijdstippen:
1° de maand nadat het rechtgevende kind 18 jaar is geworden conform artikel 8, § 2, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, als het kind niet aansluitend een recht op gezinsbijslagen kan openen op basis van artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet of op basis van de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet;
2° de maand nadat het rechtgevende kind 21 jaar is geworden conform artikel 8, § 2, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet of na het einde van de erkenning, als het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte, tussen de leeftijd van 18 en 21 jaar conform artikel 8, § 2, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet, niet aansluitend een recht op gezinsbijslagen kan openen op basis van artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet of op basis van de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet;
3° de maand na de datum waarop een studie, leertijd of vorming voortijdig is beëindigd op basis van artikel 16 [2 , 19/1]2 en 24 van dit besluit;
4° de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarden over niet-hoger onderwijs op basis van artikel 16 [2 en 19/1]2 van dit besluit;
5° de maand na de einddatum van de vakanties op basis van artikel 22 en 28 van dit besluit;
6° de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarden voor hoger onderwijs op basis van artikel 24 van dit besluit;
7° de maand na het bereiken van de zes maanden afwezigheid wegens ziekte als die afwezigheid niet gewettigd wordt na onderzoek door de bevoegde dienst conform artikel 20, § 1, artikel 26, § 1, en artikel 35, § 1, van dit besluit;
8° de maand nadat meer dan vier maanden is verstreken tussen twee school- of academiejaren in België of een andere EER-lidstaat of Zwitserland op basis van artikel 31 van dit besluit;
9° de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 16, [2 tweede lid,]2 van dit besluit, als het kind is ingeschreven voor een of meer vormingen van het hoger onderwijs met in totaal minder dan 27 studiepunten en daarnaast een opleiding in het niet-hoger onderwijs volgt, op basis van artikel 32 van dit besluit [2 of niet meer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 32/1 van dit besluit]2;
10° de maand waarin het rechtgevende kind niet meer uitsluitend lessen volgt in het hoger onderwijs waarvan de modaliteiten niet uitgedrukt worden in studiepunten, of de maand waarin het rechtgevende kind niet meer ingeschreven is voor een bijkomend jaar voor de geïntegreerde proef in het onderwijs voor sociale promotie, op basis van artikel 33 van dit besluit;
11° de maand na het einde van de stageperiode die vereist is om in een openbaar ambt te worden benoemd of de maand na de onderbreking van die stage, op basis van artikel 38 van dit besluit;
12° de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarden voor de algemene vrijstellingen voor kinderen buiten België op basis van artikel 47, [3 47/1,]3 48 en 49 van dit besluit.
Vanaf de maand dat het kind weer aan de voorwaarden van een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte, leerling, student of stagiair of van de algemene vrijstellingen voldoet, wordt het recht, vermeld in het eerste lid, geschorst en worden de gezinsbijslagen toegekend conform artikel 8, § 2, van het voormelde decreet en de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet. De periode die al krachtens dit artikel is toegekend, wordt in mindering gebracht van de termijn van twaalf maanden, vermeld in het eerste lid. De schorsing loopt zolang er een recht op gezinsbijslagen toegekend kan worden conform artikel 8, § 2, van het voormelde decreet en de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet, met uitzondering van het recht van de schoolverlater.]1
De termijn van twaalf maanden, vermeld in het eerste lid, start op de volgende tijdstippen:
1° de maand nadat het rechtgevende kind 18 jaar is geworden conform artikel 8, § 2, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, als het kind niet aansluitend een recht op gezinsbijslagen kan openen op basis van artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet of op basis van de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet;
2° de maand nadat het rechtgevende kind 21 jaar is geworden conform artikel 8, § 2, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet of na het einde van de erkenning, als het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte, tussen de leeftijd van 18 en 21 jaar conform artikel 8, § 2, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet, niet aansluitend een recht op gezinsbijslagen kan openen op basis van artikel 8, § 2, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet of op basis van de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet;
3° de maand na de datum waarop een studie, leertijd of vorming voortijdig is beëindigd op basis van artikel 16 [2 , 19/1]2 en 24 van dit besluit;
4° de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarden over niet-hoger onderwijs op basis van artikel 16 [2 en 19/1]2 van dit besluit;
5° de maand na de einddatum van de vakanties op basis van artikel 22 en 28 van dit besluit;
6° de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarden voor hoger onderwijs op basis van artikel 24 van dit besluit;
7° de maand na het bereiken van de zes maanden afwezigheid wegens ziekte als die afwezigheid niet gewettigd wordt na onderzoek door de bevoegde dienst conform artikel 20, § 1, artikel 26, § 1, en artikel 35, § 1, van dit besluit;
8° de maand nadat meer dan vier maanden is verstreken tussen twee school- of academiejaren in België of een andere EER-lidstaat of Zwitserland op basis van artikel 31 van dit besluit;
9° de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 16, [2 tweede lid,]2 van dit besluit, als het kind is ingeschreven voor een of meer vormingen van het hoger onderwijs met in totaal minder dan 27 studiepunten en daarnaast een opleiding in het niet-hoger onderwijs volgt, op basis van artikel 32 van dit besluit [2 of niet meer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 32/1 van dit besluit]2;
10° de maand waarin het rechtgevende kind niet meer uitsluitend lessen volgt in het hoger onderwijs waarvan de modaliteiten niet uitgedrukt worden in studiepunten, of de maand waarin het rechtgevende kind niet meer ingeschreven is voor een bijkomend jaar voor de geïntegreerde proef in het onderwijs voor sociale promotie, op basis van artikel 33 van dit besluit;
11° de maand na het einde van de stageperiode die vereist is om in een openbaar ambt te worden benoemd of de maand na de onderbreking van die stage, op basis van artikel 38 van dit besluit;
12° de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarden voor de algemene vrijstellingen voor kinderen buiten België op basis van artikel 47, [3 47/1,]3 48 en 49 van dit besluit.
Vanaf de maand dat het kind weer aan de voorwaarden van een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte, leerling, student of stagiair of van de algemene vrijstellingen voldoet, wordt het recht, vermeld in het eerste lid, geschorst en worden de gezinsbijslagen toegekend conform artikel 8, § 2, van het voormelde decreet en de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet. De periode die al krachtens dit artikel is toegekend, wordt in mindering gebracht van de termijn van twaalf maanden, vermeld in het eerste lid. De schorsing loopt zolang er een recht op gezinsbijslagen toegekend kan worden conform artikel 8, § 2, van het voormelde decreet en de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet, met uitzondering van het recht van de schoolverlater.]1
Art. 40. [1 Les allocations familiales sont accordées au jeune sortant de l'école pour une période de douze mois au total à compter du mois où l'enfant ne satisfait plus aux conditions visées à l'article 8, § 2, alinéa 1er, et aux exemptions générales accordées conformément à l'article 8, § 3, alinéa 2, du décret relatif au Panier de croissance de 2018, à l'exception des conditions pour le jeune sortant de l'école, visées à l'article 8, § 2, alinéa 1er, du décret précité.
Le délai de douze mois, visé à l'alinéa 1er, commence :
1° le mois après que l'enfant bénéficiaire a atteint l'âge de 18 ans, conformément à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 1°, du décret précité, si l'enfant ne peut pas consécutivement ouvrir un droit en application de l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3°, du décret précité ou en application des exemptions générales accordées conformément à l'article 8, § 3, alinéa 2, du décret précité ;
2° le mois après que l'enfant bénéficiaire a atteint l'âge de 21 ans, conformément à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 2°, du décret précité, ou après la fin de l'agrément, si l'enfant ayant un besoin de soutien spécifique entre l'âge de 18 et de 21 ans, conformément à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 2°, du décret précité, ne peut pas consécutivement ouvrir un droit aux allocations familiales en application de l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3°, du décret précité ou en application des exemptions générales accordées conformément à l'article 8, § 3, alinéa 2, du décret précité ;
3° le mois après la date à laquelle une étude, un apprentissage ou une formation a été prématurément terminé(e) en application des articles 16 [2 , 19/1 ]2 et 24 du présent arrêté ;
4° le mois auquel l'enfant bénéficiaire ne satisfait plus aux conditions relatives à l'enseignement non supérieur en application de l'article 16 [2 et 19/1 ]2 du présent arrêté ;
5° le mois après la date de fin des vacances en application des articles 22 et 28 du présent arrêté ;
6° le mois auquel l'enfant bénéficiaire ne satisfait plus aux conditions relatives à l'enseignement supérieur en application de l'article 24 du présent arrêté ;
7° le mois après avoir atteint six mois d'absence pour cause de maladie si cette absence n'a pas été légitimée par un examen du service compétent conformément à l'article 20, § 1er, l'article 26, § 1er, et l'article 35, § 1er, du présent arrêté ;
8° le mois après que plus de quatre mois se sont écoulés entre deux années scolaires ou académiques en Belgique ou dans un autre Etat de l'Espace économique européen ou en Suisse en application de l'article 31 du présent arrêté ;
9° le mois auquel l'enfant bénéficiaire ne satisfait plus à la condition visée à l'article 16, deuxième alinéa, du présent arrêté, si l'enfant est inscrit pour une ou plusieurs formations de l'enseignement supérieur avec un total de moins de 27 unités d'études, et qui suit en outre une formation dans l'enseignement non supérieur, en application de l'article 32 du présent arrêté ;
10° le mois auquel l'enfant bénéficiaire ne suit plus de uniquement des cours dans l'enseignement supérieur dont les modalités ne sont pas exprimées en unités d'études, ou le mois auquel l'enfant bénéficiaire n'est plus inscrit pour une année supplémentaire pour l'épreuve intégrée dans l'enseignement de promotion sociale, en application de l'article 33 du présent arrêté ;
11° le mois suivant la fin de la période de stage afin d'être nommé dans une fonction publique ou le mois suivant l'interruption de ce stage, en application de l'article 38 du présent arrêté ;
12° le mois auquel l'enfant bénéficiaire ne satisfait plus aux conditions des exemptions générales pour les enfants en dehors de la Belgique en application des articles 47, [3 47/1,]3 48 et 49 du présent arrêté.
A partir du mois auquel l'enfant satisfait de nouveau aux conditions d'enfant ayant un besoin de soutien spécifique, d'élève, d'étudiant ou de stagiaire, ou aux conditions des exemptions générales, le droit visé à l'alinéa 1er est suspendu et les allocations familiales sont accordées conformément à l'article 8, § 2, du décret précité et aux exemptions générales accordées conformément à l'article 8, § 3, alinéa 2, du décret précité. La période qui est déjà octroyée en vertu du présent article, est déduite du délai de douze mois, visé à l'alinéa 1er. La suspension court tant qu'un droit aux allocations familiales peut être accordé conformément à l'article 8, § 2 du décret précité et les exemptions générales accordées conformément à l'article 8, § 3, alinéa 2, du décret précité, à l'exception du droit dans le chef du jeune sortant de l'école.]1
Le délai de douze mois, visé à l'alinéa 1er, commence :
1° le mois après que l'enfant bénéficiaire a atteint l'âge de 18 ans, conformément à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 1°, du décret précité, si l'enfant ne peut pas consécutivement ouvrir un droit en application de l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3°, du décret précité ou en application des exemptions générales accordées conformément à l'article 8, § 3, alinéa 2, du décret précité ;
2° le mois après que l'enfant bénéficiaire a atteint l'âge de 21 ans, conformément à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 2°, du décret précité, ou après la fin de l'agrément, si l'enfant ayant un besoin de soutien spécifique entre l'âge de 18 et de 21 ans, conformément à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 2°, du décret précité, ne peut pas consécutivement ouvrir un droit aux allocations familiales en application de l'article 8, § 2, alinéa 1er, 3°, du décret précité ou en application des exemptions générales accordées conformément à l'article 8, § 3, alinéa 2, du décret précité ;
3° le mois après la date à laquelle une étude, un apprentissage ou une formation a été prématurément terminé(e) en application des articles 16 [2 , 19/1 ]2 et 24 du présent arrêté ;
4° le mois auquel l'enfant bénéficiaire ne satisfait plus aux conditions relatives à l'enseignement non supérieur en application de l'article 16 [2 et 19/1 ]2 du présent arrêté ;
5° le mois après la date de fin des vacances en application des articles 22 et 28 du présent arrêté ;
6° le mois auquel l'enfant bénéficiaire ne satisfait plus aux conditions relatives à l'enseignement supérieur en application de l'article 24 du présent arrêté ;
7° le mois après avoir atteint six mois d'absence pour cause de maladie si cette absence n'a pas été légitimée par un examen du service compétent conformément à l'article 20, § 1er, l'article 26, § 1er, et l'article 35, § 1er, du présent arrêté ;
8° le mois après que plus de quatre mois se sont écoulés entre deux années scolaires ou académiques en Belgique ou dans un autre Etat de l'Espace économique européen ou en Suisse en application de l'article 31 du présent arrêté ;
9° le mois auquel l'enfant bénéficiaire ne satisfait plus à la condition visée à l'article 16, deuxième alinéa, du présent arrêté, si l'enfant est inscrit pour une ou plusieurs formations de l'enseignement supérieur avec un total de moins de 27 unités d'études, et qui suit en outre une formation dans l'enseignement non supérieur, en application de l'article 32 du présent arrêté ;
10° le mois auquel l'enfant bénéficiaire ne suit plus de uniquement des cours dans l'enseignement supérieur dont les modalités ne sont pas exprimées en unités d'études, ou le mois auquel l'enfant bénéficiaire n'est plus inscrit pour une année supplémentaire pour l'épreuve intégrée dans l'enseignement de promotion sociale, en application de l'article 33 du présent arrêté ;
11° le mois suivant la fin de la période de stage afin d'être nommé dans une fonction publique ou le mois suivant l'interruption de ce stage, en application de l'article 38 du présent arrêté ;
12° le mois auquel l'enfant bénéficiaire ne satisfait plus aux conditions des exemptions générales pour les enfants en dehors de la Belgique en application des articles 47, [3 47/1,]3 48 et 49 du présent arrêté.
A partir du mois auquel l'enfant satisfait de nouveau aux conditions d'enfant ayant un besoin de soutien spécifique, d'élève, d'étudiant ou de stagiaire, ou aux conditions des exemptions générales, le droit visé à l'alinéa 1er est suspendu et les allocations familiales sont accordées conformément à l'article 8, § 2, du décret précité et aux exemptions générales accordées conformément à l'article 8, § 3, alinéa 2, du décret précité. La période qui est déjà octroyée en vertu du présent article, est déduite du délai de douze mois, visé à l'alinéa 1er. La suspension court tant qu'un droit aux allocations familiales peut être accordé conformément à l'article 8, § 2 du décret précité et les exemptions générales accordées conformément à l'article 8, § 3, alinéa 2, du décret précité, à l'exception du droit dans le chef du jeune sortant de l'école.]1
Art. 41. Een winstgevende activiteit van het kind leidt tot de schorsing van de gezinsbijslagen die worden toegekend gedurende de periode vermeld in artikel 40, tenzij die activiteit:
1° gedurende maximaal [3 650 uur]3 uitgeoefend wordt, waarvoor een verminderde sociale bijdrage verschuldigd is, in het kader van een arbeidsovereenkomst voor studenten als vermeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° in een maand gedurende niet meer dan tachtig uur uitgeoefend wordt in het kader van elke tewerkstelling, die geen tewerkstelling is als vermeld in punt 1° ;
3° door een kind als zelfstandige uitgeoefend wordt en daarbij geen bijdragen verschuldigd is als een zelfstandige in hoofdberoep.
Als het kind een sociale uitkering ontvangt op basis van een Belgische of buitenlandse regeling over ziekte, invaliditeit, [2 ...]2 werkloosheid of loopbaanonderbreking als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen of een inkomensvervangende tegemoetkoming, worden de gezinsbijslagen geschorst voor de maand waarop de uitkering betrekking heeft.
[3 ...]3
1° gedurende maximaal [3 650 uur]3 uitgeoefend wordt, waarvoor een verminderde sociale bijdrage verschuldigd is, in het kader van een arbeidsovereenkomst voor studenten als vermeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° in een maand gedurende niet meer dan tachtig uur uitgeoefend wordt in het kader van elke tewerkstelling, die geen tewerkstelling is als vermeld in punt 1° ;
3° door een kind als zelfstandige uitgeoefend wordt en daarbij geen bijdragen verschuldigd is als een zelfstandige in hoofdberoep.
Als het kind een sociale uitkering ontvangt op basis van een Belgische of buitenlandse regeling over ziekte, invaliditeit, [2 ...]2 werkloosheid of loopbaanonderbreking als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen of een inkomensvervangende tegemoetkoming, worden de gezinsbijslagen geschorst voor de maand waarop de uitkering betrekking heeft.
[3 ...]3
Art. 41. Une activité lucrative de l'enfant aboutit à la suspension des allocations familiales qui sont accordées pendant la période visée à l'article 40, sauf si cette activité :
1° est exercée pendant au maximum [3 650 heures ]3 pour lesquelles une cotisation sociale réduite est due, dans le cadre d'un contrat de travail pour étudiants tel que visé au titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ;
2° est exercée, au cours d'un mois, pendant au maximum quatre-vingt heures dans le cadre de tout emploi qui n'est pas d'emploi tel que visé au point 1° ;
3° est exercée par un enfant comme indépendant, qui ne doit pas payer de contribution comme un indépendant à titre principal.
Si l'enfant reçoit une prestation sociale sur la base d'un règlement belge ou étranger concernant la maladie, l'invalidité, [2 ...]2 le chômage ou l'interruption de carrière, tel que visé au chapitre IV, section 5 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, ou une allocation de remplacement de revenus, les allocations familiales sont suspendues pour le mois auquel la prestation se rapporte.
[3 ...]3
1° est exercée pendant au maximum [3 650 heures ]3 pour lesquelles une cotisation sociale réduite est due, dans le cadre d'un contrat de travail pour étudiants tel que visé au titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ;
2° est exercée, au cours d'un mois, pendant au maximum quatre-vingt heures dans le cadre de tout emploi qui n'est pas d'emploi tel que visé au point 1° ;
3° est exercée par un enfant comme indépendant, qui ne doit pas payer de contribution comme un indépendant à titre principal.
Si l'enfant reçoit une prestation sociale sur la base d'un règlement belge ou étranger concernant la maladie, l'invalidité, [2 ...]2 le chômage ou l'interruption de carrière, tel que visé au chapitre IV, section 5 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, ou une allocation de remplacement de revenus, les allocations familiales sont suspendues pour le mois auquel la prestation se rapporte.
[3 ...]3
Art. 41/1. [1 De minister bepaalt de procedure voor de verificatie van de winstgevende activiteit en de uitbetaling van sociale uitkeringen aan de schoolverlater.]1
Art.41/1. [1 Le Ministre arrête la procédure de vérification de l'activité lucrative et du paiement des prestations sociales pour le jeune sortant de l'école.]1
Afdeling 7. - Gemeenschappelijke bepalingen
Section 7. - Dispositions communes
Art. 42. [1 § 1.]1 Voor de toepassing van dit besluit wordt vrijwilligerswerk als vermeld in artikel 3, 1° van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, niet beschouwd als een winstgevende activiteit als vermeld in de artikelen 14, 29, 36 en 41 van dit besluit.
Voor de vrijwilliger, vermeld in artikel 3, 2° van voormelde wet worden de vergoedingen, vermeld in artikel 10 van diezelfde wet, niet beschouwd als een inkomen, een winst, een brutoloon of een sociale uitkering als vermeld in de artikelen 14, 29, 36 en 41 van dit besluit, als het vrijwilligerswerk zijn onbezoldigde karakter niet verliest conform artikel 10 van voormelde wet.
[1 § 2. Voor de toepassing van dit besluit worden de prestaties, vermeld in artikel 17 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, niet beschouwd als een winstgevende activiteit als vermeld in artikel 14, 29, 36 en 41 van dit besluit.
§ 3. Voor de toepassing van dit besluit worden de prestaties als kinderbegeleider die werkt volgens het sociaal statuut van de aangesloten onthaalouders, vermeld in artikel 27bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, niet beschouwd als een winstgevende activiteit als vermeld in artikel 14, 29, 36 en 41 van dit besluit.]1
Voor de vrijwilliger, vermeld in artikel 3, 2° van voormelde wet worden de vergoedingen, vermeld in artikel 10 van diezelfde wet, niet beschouwd als een inkomen, een winst, een brutoloon of een sociale uitkering als vermeld in de artikelen 14, 29, 36 en 41 van dit besluit, als het vrijwilligerswerk zijn onbezoldigde karakter niet verliest conform artikel 10 van voormelde wet.
[1 § 2. Voor de toepassing van dit besluit worden de prestaties, vermeld in artikel 17 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, niet beschouwd als een winstgevende activiteit als vermeld in artikel 14, 29, 36 en 41 van dit besluit.
§ 3. Voor de toepassing van dit besluit worden de prestaties als kinderbegeleider die werkt volgens het sociaal statuut van de aangesloten onthaalouders, vermeld in artikel 27bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, niet beschouwd als een winstgevende activiteit als vermeld in artikel 14, 29, 36 en 41 van dit besluit.]1
Art. 42. [1 § 1er.]1 Pour l'application du présent arrêté, le volontariat tel que visé à l'article 3, 1°, de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires, n'est pas considéré comme une activité lucrative telle que visée aux articles 14, 29, 36 et 41 du présent arrêté.
Pour le bénévole visé à l'article 3, 2°, de la loi précitée, les indemnités visées à l'article 10 de la même loi ne sont pas considérées comme un revenu, un bénéfice, un salaire brut ou une prestation sociale tels que visés aux articles 14, 29, 36 et 41 du présent arrêté, si le volontariat ne perd pas son caractère non rémunéré conformément à l'article 10 de la loi précitée.
[1 § 2. Pour l'application du présent arrêté, les prestations visées à l'article 17 de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ne sont pas considérées comme une activité lucrative telle que visée aux articles 14, 29, 36 et 41 du présent arrêté.
§ 3. Pour l'application du présent arrêté, les prestations d'assistant maternel travaillant conformément au statut social des assistants maternels affiliés, visées à l'article 27bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ne sont pas considérées comme une activité lucrative telle que visée aux articles 14, 29, 36 et 41 du présent arrêté.]1
Pour le bénévole visé à l'article 3, 2°, de la loi précitée, les indemnités visées à l'article 10 de la même loi ne sont pas considérées comme un revenu, un bénéfice, un salaire brut ou une prestation sociale tels que visés aux articles 14, 29, 36 et 41 du présent arrêté, si le volontariat ne perd pas son caractère non rémunéré conformément à l'article 10 de la loi précitée.
[1 § 2. Pour l'application du présent arrêté, les prestations visées à l'article 17 de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ne sont pas considérées comme une activité lucrative telle que visée aux articles 14, 29, 36 et 41 du présent arrêté.
§ 3. Pour l'application du présent arrêté, les prestations d'assistant maternel travaillant conformément au statut social des assistants maternels affiliés, visées à l'article 27bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ne sont pas considérées comme une activité lucrative telle que visée aux articles 14, 29, 36 et 41 du présent arrêté.]1
Wijzigingen
Art. 43. Voor de toepassing van dit besluit wordt het verrichten van een vrijwillige dienst van collectief nut als vermeld in artikel 2 van de wet van 11 april 2003 tot instelling van een vrijwillige dienst van collectief nut, niet beschouwd als een winstgevende activiteit als vermeld in de artikelen 14, 29, 36 en 41 van dit besluit.
Voor de persoon die toegelaten is tot een vrijwillige dienst van collectief nut als vermeld in artikel 4 van voormelde wet, wordt de soldij, vermeld in artikel 5, § 3, van diezelfde wet, niet beschouwd als een inkomen, een winst, een brutoloon of een sociale uitkering als vermeld in de artikelen 14, 29, 36 en 41 van dit besluit.
Voor de persoon die toegelaten is tot een vrijwillige dienst van collectief nut als vermeld in artikel 4 van voormelde wet, wordt de soldij, vermeld in artikel 5, § 3, van diezelfde wet, niet beschouwd als een inkomen, een winst, een brutoloon of een sociale uitkering als vermeld in de artikelen 14, 29, 36 en 41 van dit besluit.
Art. 43. Pour l'application du présent arrêté, l'accomplissement d'un service volontaire d'utilité collective tel que visé à l'article 2 de la loi du 11 avril 2003 instituant un service volontaire d'utilité collective, n'est pas considéré comme une activité lucrative telle que visée aux articles 14, 29, 36 et 41 du présent arrêté.
Pour la personne admise à un service volontaire d'utilité collective, telle que visée à l'article 4 de la loi précitée, la solde visée à l'article 5, § 3, de la même loi, n'est pas considérée comme un revenu, un bénéfice, un salaire brut ou une prestation sociale tels que visés aux articles 14, 29, 36 et 41 du présent arrêté.
Pour la personne admise à un service volontaire d'utilité collective, telle que visée à l'article 4 de la loi précitée, la solde visée à l'article 5, § 3, de la même loi, n'est pas considérée comme un revenu, un bénéfice, un salaire brut ou une prestation sociale tels que visés aux articles 14, 29, 36 et 41 du présent arrêté.
Art. 44. Voor de toepassing van dit besluit wordt het verrichten van een vrijwillige militaire inzet, als vermeld in artikel 21 van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel, tot de eerste dag van de achtste week die volgt op de week waarin de militair de dienstneming, vermeld in artikel 21, tweede lid, van voormelde wet, aangaat, niet beschouwd als een winstgevende activiteit als vermeld in de artikelen 14, 29, 36 en 41 van dit besluit.
Voor de militairen, vermeld in artikel 22 van voormelde wet worden de voordelen, vermeld in artikel 50, tweede lid, van diezelfde wet, niet beschouwd als een inkomen, een winst, een brutoloon of een sociale uitkering als vermeld in de artikelen 14, 29, 36 en 41 van dit besluit.
Voor de militairen, vermeld in artikel 22 van voormelde wet worden de voordelen, vermeld in artikel 50, tweede lid, van diezelfde wet, niet beschouwd als een inkomen, een winst, een brutoloon of een sociale uitkering als vermeld in de artikelen 14, 29, 36 en 41 van dit besluit.
Art. 44. Pour l'application du présent arrêté, l'accomplissement d'un engagement volontaire militaire, tel que visé à l'article 21 de la loi du 10 janvier 2010 instituant l'engagement volontaire militaire et modifiant diverses lois applicables au personnel militaire, jusqu'au premier jour de la huitième semaine qui suit la semaine au cours de laquelle le militaire souscrit l'engagement visé à l'article 21, alinéa 2, de la loi précitée, n'est pas considéré comme une activité lucrative telle que visée aux articles 14, 29, 36 et 41 du présent arrêté.
Pour les militaires visés à l'article 22 de la loi précitée, les bénéfices visés à l'article 50, alinéa 2, de la même loi, ne sont pas considérés comme un revenu, un bénéfice, un salaire brut ou une prestation sociale tels que visés aux articles 14, 29, 36 et 41 du présent arrêté.
Pour les militaires visés à l'article 22 de la loi précitée, les bénéfices visés à l'article 50, alinéa 2, de la même loi, ne sont pas considérés comme un revenu, un bénéfice, un salaire brut ou une prestation sociale tels que visés aux articles 14, 29, 36 et 41 du présent arrêté.
HOOFDSTUK 7. - Kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte dat ten minste 21 jaar oud was op 1 juli 1987
CHAPITRE 7. - Enfant ayant un besoin de soutien spécifique, qui avait au moins 21 ans le 1er juillet 1987
Art. 45. De gezinsbijslagen blijven ten goede komen aan het rechtgevend kind dat ten minste 21 jaar oud was op 1 juli 1987, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 4°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, als dat kind aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° wegens zijn lichaams- of geestesgesteldheid volledig ongeschikt blijken om enig beroep uit te oefenen;
2° ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn en tewerkgesteld zijn in een beschutte werkplaats;
3° ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn en tijdelijk buiten de werkplaats, vermeld in punt 2°, tewerkgesteld zijn in het kader van een herscholing, en onder de verantwoordelijkheid van de vermelde werkplaats;
4° ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn en tijdens de tewerkstelling, vermeld in punt 2° of 3°, getroffen worden door een of meer aandoeningen die op zichzelf een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66% veroorzaken;
5° gerechtigd zijn op gezinsbijslagen conform punt 4° of 7°, en gerechtigd worden op werkloosheidsuitkeringen of op een uitkering door onderbreking van de beroepsloopbaan als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
6° ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn en tijdens zijn tewerkstelling, vermeld in punt 2° of 3°, gerechtigd worden op werkloosheidsuitkeringen of op een uitkering door onderbreking van de beroepsloopbaan als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepaling;
7° gerechtigd zijn op gezinsbijslagen conform punt 5° of 6°, en getroffen worden door een of meer aandoeningen die op zichzelf een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66% veroorzaken.
Het kind dat voldoet aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, mag, behalve als het zich in de toestand bevindt, vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 7° :
1° geen activiteit uitoefenen die aanleiding geeft tot verzekeringsplicht met toepassing van een van de regelingen van sociale zekerheid;
2° geen sociale uitkeringen ontvangen wegens arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid, behalve een tegemoetkoming die toegekend wordt conform de regelgeving over de toekenning van tegemoetkomingen aan mindervaliden;
3° geen rustpensioen ontvangen dat hoger is dan het gewaarborgde inkomen voor bejaarden, behalve als dat pensioen voortvloeit uit een tewerkstelling of een toestand als vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 7°.
De ongeschiktheid, vermeld in het eerste lid, moet begonnen zijn voor het kind wegens het bereiken van de leeftijdsgrens, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 1°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, opgehouden is rechtgevend op gezinsbijslagen te zijn en moet zonder onderbreking blijven bestaan. Er wordt geen rekening gehouden met een verhoging van de voormelde ongeschiktheid na de leeftijdsgrens, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 1°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1.
1° wegens zijn lichaams- of geestesgesteldheid volledig ongeschikt blijken om enig beroep uit te oefenen;
2° ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn en tewerkgesteld zijn in een beschutte werkplaats;
3° ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn en tijdelijk buiten de werkplaats, vermeld in punt 2°, tewerkgesteld zijn in het kader van een herscholing, en onder de verantwoordelijkheid van de vermelde werkplaats;
4° ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn en tijdens de tewerkstelling, vermeld in punt 2° of 3°, getroffen worden door een of meer aandoeningen die op zichzelf een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66% veroorzaken;
5° gerechtigd zijn op gezinsbijslagen conform punt 4° of 7°, en gerechtigd worden op werkloosheidsuitkeringen of op een uitkering door onderbreking van de beroepsloopbaan als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
6° ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn en tijdens zijn tewerkstelling, vermeld in punt 2° of 3°, gerechtigd worden op werkloosheidsuitkeringen of op een uitkering door onderbreking van de beroepsloopbaan als vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepaling;
7° gerechtigd zijn op gezinsbijslagen conform punt 5° of 6°, en getroffen worden door een of meer aandoeningen die op zichzelf een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66% veroorzaken.
Het kind dat voldoet aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, mag, behalve als het zich in de toestand bevindt, vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 7° :
1° geen activiteit uitoefenen die aanleiding geeft tot verzekeringsplicht met toepassing van een van de regelingen van sociale zekerheid;
2° geen sociale uitkeringen ontvangen wegens arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid, behalve een tegemoetkoming die toegekend wordt conform de regelgeving over de toekenning van tegemoetkomingen aan mindervaliden;
3° geen rustpensioen ontvangen dat hoger is dan het gewaarborgde inkomen voor bejaarden, behalve als dat pensioen voortvloeit uit een tewerkstelling of een toestand als vermeld in het eerste lid, 2° tot en met 7°.
De ongeschiktheid, vermeld in het eerste lid, moet begonnen zijn voor het kind wegens het bereiken van de leeftijdsgrens, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 1°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, opgehouden is rechtgevend op gezinsbijslagen te zijn en moet zonder onderbreking blijven bestaan. Er wordt geen rekening gehouden met een verhoging van de voormelde ongeschiktheid na de leeftijdsgrens, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, 1°, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1.
Art. 45. Les allocations familiales continuent à servir à l'enfant bénéficiaire qui avait au moins 21 ans le 1er juillet 1987, visé à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 4°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, si cet enfant satisfait à l'une des conditions suivantes :
1° s'avérer totalement incapable d'exercer une profession quelconque en raison de son état physique ou psychique ;
2° être atteint d'une incapacité de travail d'au moins 66% et être employé dans un atelier protégé ;
3° être atteint d'une incapacité de travail d'au moins 66% et être employé temporairement en dehors de l'atelier, visé au point 2°, dans le cadre d'un recyclage, et sous la responsabilité de l'atelier précité ;
4° être atteint d'une incapacité de travail d'au moins 66% et être atteint, pendant l'emploi, visé au point 2° ou 3°, d'une ou plusieurs affections qui causent par elles-mêmes une incapacité de travail d'au moins 66% ;
5° avoir droit aux allocations familiales conformément au point 4° ou 7°, et pouvoir prétendre aux allocations de chômage ou à une allocation suite à l'interruption de la carrière professionnelle telle que visée au chapitre IV, section 5, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales ;
6° être atteint d'une incapacité de travail d'au moins 66% et, pendant l'emploi visé au point 2° ou 3°, pouvoir prétendre aux allocations de chômage ou à une allocation suite à l'interruption de la carrière professionnelle telle que visée au chapitre IV, section 5, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales ;
7° avoir droit aux allocations familiales conformément au point 5° ou 6°, et être atteint d'une ou plusieurs affections qui causent par elles-mêmes une incapacité de travail d'au moins 66%.
L'enfant qui répond à la condition visée à l'alinéa 1er, 1°, ne peut, sauf s'il se trouve dans la situation visée à l'alinéa 1er, 2° à 7° :
1° pas exercer d'activité aboutissant à l'obligation d'assurance en application d'un des règlements en matière de sécurité sociale ;
2° pas recevoir de prestations sociales en raison d'incapacité de travail ou de chômage involontaire, à l'exception d'une intervention accordée conformément à la réglementation relative à l'octroi d'interventions à des handicapés ;
3° pas recevoir de pension de retraite supérieure au revenu garanti aux personnes âgées, sauf si cette pension résulte d'un emploi ou d'une situation tels que visés à l'alinéa 1er, 2° à 7°.
L'incapacité, visée à l'alinéa 1er, doit avoir commencé avant que l'enfant, en ayant atteint la limite d'âge, visée à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 1°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, a cessé de donner droit aux allocations familiales, et doit continuer sans interruption. Il n'est pas tenu compte d'une augmentation de l'incapacité précitée après la limite d'âge visée à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 1°, du décret du 27 avril 2018.
1° s'avérer totalement incapable d'exercer une profession quelconque en raison de son état physique ou psychique ;
2° être atteint d'une incapacité de travail d'au moins 66% et être employé dans un atelier protégé ;
3° être atteint d'une incapacité de travail d'au moins 66% et être employé temporairement en dehors de l'atelier, visé au point 2°, dans le cadre d'un recyclage, et sous la responsabilité de l'atelier précité ;
4° être atteint d'une incapacité de travail d'au moins 66% et être atteint, pendant l'emploi, visé au point 2° ou 3°, d'une ou plusieurs affections qui causent par elles-mêmes une incapacité de travail d'au moins 66% ;
5° avoir droit aux allocations familiales conformément au point 4° ou 7°, et pouvoir prétendre aux allocations de chômage ou à une allocation suite à l'interruption de la carrière professionnelle telle que visée au chapitre IV, section 5, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales ;
6° être atteint d'une incapacité de travail d'au moins 66% et, pendant l'emploi visé au point 2° ou 3°, pouvoir prétendre aux allocations de chômage ou à une allocation suite à l'interruption de la carrière professionnelle telle que visée au chapitre IV, section 5, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales ;
7° avoir droit aux allocations familiales conformément au point 5° ou 6°, et être atteint d'une ou plusieurs affections qui causent par elles-mêmes une incapacité de travail d'au moins 66%.
L'enfant qui répond à la condition visée à l'alinéa 1er, 1°, ne peut, sauf s'il se trouve dans la situation visée à l'alinéa 1er, 2° à 7° :
1° pas exercer d'activité aboutissant à l'obligation d'assurance en application d'un des règlements en matière de sécurité sociale ;
2° pas recevoir de prestations sociales en raison d'incapacité de travail ou de chômage involontaire, à l'exception d'une intervention accordée conformément à la réglementation relative à l'octroi d'interventions à des handicapés ;
3° pas recevoir de pension de retraite supérieure au revenu garanti aux personnes âgées, sauf si cette pension résulte d'un emploi ou d'une situation tels que visés à l'alinéa 1er, 2° à 7°.
L'incapacité, visée à l'alinéa 1er, doit avoir commencé avant que l'enfant, en ayant atteint la limite d'âge, visée à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 1°, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, a cessé de donner droit aux allocations familiales, et doit continuer sans interruption. Il n'est pas tenu compte d'une augmentation de l'incapacité précitée après la limite d'âge visée à l'article 8, § 2, alinéa 1er, 1°, du décret du 27 avril 2018.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 8. - Recht op gezinsbijslagen voor bepaalde categorieën van kinderen die voor 1 januari 2019 recht hadden op kinderbijslag of toeslagen op basis van de kinderbijslagreglementering
CHAPITRE 8. - Droit aux allocations familiales pour certaines catégories d'enfants qui avaient droit, avant le 1er janvier 2019, aux allocations familiales ou à des suppléments sur la base de la réglementation relative aux allocations familiales
Art. 46. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder koninklijk besluit van 12 augustus 1985: het koninklijk besluit van 12 augustus 1985 tot uitvoering van artikel 62, § 5 van de Algemene kinderbijslagwet.
§ 2. De volgende categorieën van kinderen die voor 1 januari 2019 recht hadden op kinderbijslag of toeslagen op basis van de kinderbijslagreglementering, en die uitgesloten worden van dat recht conform artikel 8, § 2, eerste lid, van [2 het Groeipakketdecreet van 27 april 2018]2, blijven recht geven op gezinsbijslagen:
1° het kind dat zich bevindt in de initiële toekenningsperiode van 360 kalenderdagen, vermeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1985, voor de resterende toekenningsperiode, zonder verlengingen. Het kind waarvoor de voormelde initiële toekenningsperiode van 360 dagen werd verlengd, totdat de jongere twee, al dan niet opeenvolgende, positieve evaluaties van zijn zoekgedrag naar werk gekregen heeft, voor een periode van zes maanden die aanvangt op de datum van de laatste evaluatie vóór de inwerkingtreding van dit besluit;
2° het kind dat door ziekte belet is zich tijdig in te schrijven als werkzoekende of dat ziek wordt tijdens de beroepsinschakelingstijd, als hij blijft voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1985. De voorwaarde om zich aansluitend aan de ziekteperiode in te schrijven als werkzoekende vervalt. De duur van de ziekte wordt geattesteerd door een arts;
3° de leerling, student of stagiair die voor 1 januari 2019 recht had op kinderbijslag en die uitgesloten wordt van het recht overeenkomstig artikel 29 of 36, voor het school- of academiejaar 2018-2019, als hij blijft voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 13 en 14 van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat onderwijs volgt of een vorming doorloopt;
4° het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte dat voor 1 januari 2019 recht had op een maandelijkse toeslag en dat uitgesloten wordt van het recht door de toepassing van artikel 14 van dit besluit, als hij blijft voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen, en tot de eerstvolgende herziening na 1 januari 2019 of het einde van de erkenning;
5° het kind dat overeenkomstig de toepassing van ministeriële omzendbrief 335 van 8 juni 1976 op 31 december 2018 recht had op kinderbijslag in het niet-hoger onderwijs op basis van de afwijking die voorzien werd voor het regelmatig volgen van de lessen voor een ziek kind, behoudt dit recht overeenkomstig deze toepassing ten laatste tot het einde van de zomervakantie volgend het schooljaar waarin de ziekte werd vastgesteld.
De kinderen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, behouden hun recht op gezinsbijslagen als ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 40 en 41 van dit besluit. Als er voor die kinderen met toepassing van artikel 40 en 41 van dit besluit niet langer een recht op gezinsbijslagen bestaat, worden de voorwaarden, vermeld in artikel 4, § 1/2 en § 2, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1985, toegepast.
[1 § 3. Als er op basis van artikel 5,? § 1, van dit besluit geen recht op gezinsbijslagen bestaat, kan aan de ouder van het ontvoerde kind die vlak voor de ontvoering geen bijslagtrekkende was voor dat kind, de gezinsbijslag toegekend worden als die ouder niet uitgesloten kan worden om begunstigde te zijn op basis van artikel 57, § 2, van het Groeipakketdecreet van 2018.
De ouder, vermeld in het eerste lid, mag alleen beschouwd worden als begunstigde als hij niet rechtstreeks of onrechtstreeks heeft deelgenomen aan de ontvoering van het kind.]1
§ 2. De volgende categorieën van kinderen die voor 1 januari 2019 recht hadden op kinderbijslag of toeslagen op basis van de kinderbijslagreglementering, en die uitgesloten worden van dat recht conform artikel 8, § 2, eerste lid, van [2 het Groeipakketdecreet van 27 april 2018]2, blijven recht geven op gezinsbijslagen:
1° het kind dat zich bevindt in de initiële toekenningsperiode van 360 kalenderdagen, vermeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1985, voor de resterende toekenningsperiode, zonder verlengingen. Het kind waarvoor de voormelde initiële toekenningsperiode van 360 dagen werd verlengd, totdat de jongere twee, al dan niet opeenvolgende, positieve evaluaties van zijn zoekgedrag naar werk gekregen heeft, voor een periode van zes maanden die aanvangt op de datum van de laatste evaluatie vóór de inwerkingtreding van dit besluit;
2° het kind dat door ziekte belet is zich tijdig in te schrijven als werkzoekende of dat ziek wordt tijdens de beroepsinschakelingstijd, als hij blijft voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1985. De voorwaarde om zich aansluitend aan de ziekteperiode in te schrijven als werkzoekende vervalt. De duur van de ziekte wordt geattesteerd door een arts;
3° de leerling, student of stagiair die voor 1 januari 2019 recht had op kinderbijslag en die uitgesloten wordt van het recht overeenkomstig artikel 29 of 36, voor het school- of academiejaar 2018-2019, als hij blijft voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 13 en 14 van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat onderwijs volgt of een vorming doorloopt;
4° het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte dat voor 1 januari 2019 recht had op een maandelijkse toeslag en dat uitgesloten wordt van het recht door de toepassing van artikel 14 van dit besluit, als hij blijft voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 12, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen, en tot de eerstvolgende herziening na 1 januari 2019 of het einde van de erkenning;
5° het kind dat overeenkomstig de toepassing van ministeriële omzendbrief 335 van 8 juni 1976 op 31 december 2018 recht had op kinderbijslag in het niet-hoger onderwijs op basis van de afwijking die voorzien werd voor het regelmatig volgen van de lessen voor een ziek kind, behoudt dit recht overeenkomstig deze toepassing ten laatste tot het einde van de zomervakantie volgend het schooljaar waarin de ziekte werd vastgesteld.
De kinderen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, behouden hun recht op gezinsbijslagen als ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 40 en 41 van dit besluit. Als er voor die kinderen met toepassing van artikel 40 en 41 van dit besluit niet langer een recht op gezinsbijslagen bestaat, worden de voorwaarden, vermeld in artikel 4, § 1/2 en § 2, van het koninklijk besluit van 12 augustus 1985, toegepast.
[1 § 3. Als er op basis van artikel 5,? § 1, van dit besluit geen recht op gezinsbijslagen bestaat, kan aan de ouder van het ontvoerde kind die vlak voor de ontvoering geen bijslagtrekkende was voor dat kind, de gezinsbijslag toegekend worden als die ouder niet uitgesloten kan worden om begunstigde te zijn op basis van artikel 57, § 2, van het Groeipakketdecreet van 2018.
De ouder, vermeld in het eerste lid, mag alleen beschouwd worden als begunstigde als hij niet rechtstreeks of onrechtstreeks heeft deelgenomen aan de ontvoering van het kind.]1
Art. 46. § 1er. Dans le présent article, on entend par arrêté royal du 12 août 1985 : l'arrêté royal du 12 août 1985 portant exécution de l'article 62, § 5, de la loi générale relative aux allocations familiales.
§ 2. Les catégories suivantes d'enfants qui, avant le 1er janvier 2019, avaient droit aux allocations familiales ou à des suppléments sur la base de la réglementation relative aux allocations familiales, et qui sont exclus de ce droit conformément à l'article 8, § 2, alinéa 1er, du [2 décret relatif au Panier de croissance de 2018]2, continuent à donner droit aux allocations familiales :
1° l'enfant qui se trouve dans la période d'octroi initiale de 360 jours calendaires, visée à l'article 1er, § 1er, de l'arrêté royal du 12 août 1985, pour la période d'octroi restante, sans prolongations. L'enfant pour lequel la période d'octroi initiale précitée de 360 jours a été prolongée, jusqu'à ce que le jeune a obtenu deux évaluations positives, successives ou non, de son comportement de recherche d'un emploi, pour une période de six mois qui commence à la date de la dernière évaluation précédant l'entrée en vigueur du présent arrêté ;
2° l'enfant qui est empêché, pour cause de maladie, de s'inscrire à temps comme demandeur d'emploi ou qui devient malade pendant le stage d'insertion professionnelle, s'il continue à répondre aux conditions visées à l'article 4, § 1er, de l'arrêté royal du 12 août 1985. La condition de s'inscrire comme demandeur d'emploi faisant suite à la période de maladie échoit. La durée de la maladie est attestée par un médecin ;
3° l'élève, l'étudiant ou le stagiaire qui, avant le 1er janvier 2019, avait droit aux allocation familiales et qui est exclu du droit conformément à l'article 29 ou 36, pour l'année scolaire ou académique 2018-2019, s'il continue à répondre aux conditions visées aux articles 13 et 14 de l'arrêté royal du 10 août 2005 fixant les conditions auxquelles les allocations familiales sont accordées en faveur de l'enfant qui suit des cours ou parcourt sa formation ;
4° l'enfant ayant un besoin de soutien spécifique qui, avant le 1er janvier 2019, avait droit à un supplément mensuel et qui est exclu de ce droit en application de l'article 14 du présent arrêté, s'il continue à répondre aux conditions visées à l'article 12, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 3 mai 1991 portant exécution des articles 47, 56septies, et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 96 de la loi du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales, et jusqu'à la prochaine révision après le 1er janvier 2019 ou la fin de l'agrément ;
5° l'enfant qui, conformément à l'application de la circulaire ministérielle 335 du 8 juin 1976, avait droit, le 31 décembre 2018, aux allocations familiales dans l'enseignement non supérieur sur la base de la dérogation prévue pour la fréquentation régulière des cours pour un enfant malade, conserve ce droit conformément à cette application, au plus tard jusqu'à la fin des vacances d'été suivant l'année scolaire pendant laquelle la maladie a été constatée.
Les enfants visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, conservent leur droit aux allocations familiales s'ils répondent aux conditions visées aux articles 40 et 41 du présent arrêté. S'il n'existe plus de droit aux allocations familiales pour ces enfants en application des articles 40 et 41 du présent arrêté, les conditions visées à l'article 4, § 1/2 et § 2, de l'arrêté royal du 12 août 1985 sont appliquées.
[1 § 3. Si en application de l'article 5,? § 1er, du présent arrêté, il n'existe aucun droit aux allocations familiales, le parent de l'enfant enlevé qui n'était pas bénéficiaire de cet enfant juste avant l'enlèvement, peut se voir accorder ces allocations familiales si ce parent ne peut être exclu comme bénéficiaire en application de l'article 57, § 2, du décret relatif au Panier de croissance de 2018.
Le parent, visé à l'alinéa 1er, ne peut être considéré comme bénéficiaire que s'il n'a pas participé, ni directement ni indirectement, à l'enlèvement de l'enfant. ]1
§ 2. Les catégories suivantes d'enfants qui, avant le 1er janvier 2019, avaient droit aux allocations familiales ou à des suppléments sur la base de la réglementation relative aux allocations familiales, et qui sont exclus de ce droit conformément à l'article 8, § 2, alinéa 1er, du [2 décret relatif au Panier de croissance de 2018]2, continuent à donner droit aux allocations familiales :
1° l'enfant qui se trouve dans la période d'octroi initiale de 360 jours calendaires, visée à l'article 1er, § 1er, de l'arrêté royal du 12 août 1985, pour la période d'octroi restante, sans prolongations. L'enfant pour lequel la période d'octroi initiale précitée de 360 jours a été prolongée, jusqu'à ce que le jeune a obtenu deux évaluations positives, successives ou non, de son comportement de recherche d'un emploi, pour une période de six mois qui commence à la date de la dernière évaluation précédant l'entrée en vigueur du présent arrêté ;
2° l'enfant qui est empêché, pour cause de maladie, de s'inscrire à temps comme demandeur d'emploi ou qui devient malade pendant le stage d'insertion professionnelle, s'il continue à répondre aux conditions visées à l'article 4, § 1er, de l'arrêté royal du 12 août 1985. La condition de s'inscrire comme demandeur d'emploi faisant suite à la période de maladie échoit. La durée de la maladie est attestée par un médecin ;
3° l'élève, l'étudiant ou le stagiaire qui, avant le 1er janvier 2019, avait droit aux allocation familiales et qui est exclu du droit conformément à l'article 29 ou 36, pour l'année scolaire ou académique 2018-2019, s'il continue à répondre aux conditions visées aux articles 13 et 14 de l'arrêté royal du 10 août 2005 fixant les conditions auxquelles les allocations familiales sont accordées en faveur de l'enfant qui suit des cours ou parcourt sa formation ;
4° l'enfant ayant un besoin de soutien spécifique qui, avant le 1er janvier 2019, avait droit à un supplément mensuel et qui est exclu de ce droit en application de l'article 14 du présent arrêté, s'il continue à répondre aux conditions visées à l'article 12, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal du 3 mai 1991 portant exécution des articles 47, 56septies, et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 96 de la loi du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales, et jusqu'à la prochaine révision après le 1er janvier 2019 ou la fin de l'agrément ;
5° l'enfant qui, conformément à l'application de la circulaire ministérielle 335 du 8 juin 1976, avait droit, le 31 décembre 2018, aux allocations familiales dans l'enseignement non supérieur sur la base de la dérogation prévue pour la fréquentation régulière des cours pour un enfant malade, conserve ce droit conformément à cette application, au plus tard jusqu'à la fin des vacances d'été suivant l'année scolaire pendant laquelle la maladie a été constatée.
Les enfants visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°, conservent leur droit aux allocations familiales s'ils répondent aux conditions visées aux articles 40 et 41 du présent arrêté. S'il n'existe plus de droit aux allocations familiales pour ces enfants en application des articles 40 et 41 du présent arrêté, les conditions visées à l'article 4, § 1/2 et § 2, de l'arrêté royal du 12 août 1985 sont appliquées.
[1 § 3. Si en application de l'article 5,? § 1er, du présent arrêté, il n'existe aucun droit aux allocations familiales, le parent de l'enfant enlevé qui n'était pas bénéficiaire de cet enfant juste avant l'enlèvement, peut se voir accorder ces allocations familiales si ce parent ne peut être exclu comme bénéficiaire en application de l'article 57, § 2, du décret relatif au Panier de croissance de 2018.
Le parent, visé à l'alinéa 1er, ne peut être considéré comme bénéficiaire que s'il n'a pas participé, ni directement ni indirectement, à l'enlèvement de l'enfant. ]1
HOOFDSTUK 9. - Algemene vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen en de startbedragen geboorte en adoptie
CHAPITRE 9. - Exemptions générales des conditions d'octroi pour les allocations familiales et les montants initiaux naissance et adoption
Afdeling 1. - Algemene vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen
Section 1re. - Exemptions générales des conditions d'octroi pour les allocations familiales
Art. 47. § 1. Voor de volgende kinderen gelden algemene vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor gezinsbijslagen, vermeld in artikel 8, § 3, eerste lid, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1:
1° kinderen die in België al een einddiploma secundair onderwijs hebben verworven en die niet-hoger onderwijs volgen buiten België. Deze afwijking wordt beperkt tot maximaal één schooljaar. De vakantieperiodes, vermeld in artikel 21, eerste lid, van dit besluit, maken deel uit van het schooljaar;
2° kinderen die hoger onderwijs volgen buiten België. Deze afwijking geldt voor de hele periode van het gevolgde onderwijs. De vakantieperiodes, vermeld in artikel 28 van dit besluit, maken deel uit van het academiejaar;
3° kinderen die tijdens de twaalf maanden, vermeld in artikel 40 van dit besluit, vrijwilligerswerk verrichten of een opleiding of stage volgen buiten België, op voorwaarde dat ze een attest, waarvan de minister het model bepaalt, kunnen voorleggen, respectievelijk van de betrokken vrijwilligersorganisatie, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
4° kinderen die gedurende maximaal drie jaar buiten België verblijven wegens medische redenen van het kind of van de ouder, de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad van de ouder en met wie de ouder feitelijk samenwoont of de echtgenoot of echtgenote van de ouder. De medische redenen worden gestaafd met een medisch getuigschrift. Het medisch attest, ondertekend en gedagtekend door een arts, vermeldt dat het voor het kind of voor de ouder, de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad van de ouder en met wie de ouder feitelijk samenwoont of de echtgenoot of echtgenote van de ouder, onmogelijk is om terug te reizen naar België. Een buitenlands medisch attest wordt bevestigd door een arts die in België gevestigd is;
5° kinderen die tijdelijk buiten België verblijven, waarbij dit verblijf, in één of verscheidene keren, geen twee maand in de loop van hetzelfde kalenderjaar overschrijdt, terwijl ze hun woonplaats in het Nederlandse taalgebied hebben;
6° kinderen die hun woonplaats in het Nederlandse taalgebied hebben en die alleen tijdens de schoolvakantie, vermeld in artikel 21, eerste lid, en artikel 28 van dit besluit, buiten België verblijven;
7° [3 ...]3
8° kinderen die hun woonplaats in het Nederlandse taalgebied hebben en naar een school gaan die buiten België ligt, op voorwaarde dat ze elke dag terugkeren naar hun ouders of naar hun opvoeders, die hun ouders vervangen;
9° kinderen die een studietoelage ontvangen om lessen buiten België te volgen. Een binnenlandse of buitenlandse instelling kan die studietoelage toekennen. Het Departement Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 22, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, deelt de toekenning van die studietoelage door een instelling binnen het Nederlandse taalgebied mee. Als een instelling van een andere deelentiteit of een buitenlandse instelling die studietoelage toekent, wordt dat bewezen met een officieel attest;
10° kinderen die hun woonplaats in het Nederlandse taalgebied hebben en het voorwerp uitmaken van een ontvoering conform de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 3 van dit besluit, en buiten België verblijven;
11° [3 ...]3
[4 12° kinderen die niet-hoger onderwijs volgen buiten België via een Belgisch erkend uitwisselingsprogramma, op voorwaarde dat de inschrijving in de Belgische onderwijsinstelling blijft behouden en dat ze een attest van het Belgisch erkend uitwisselingsprogramma kunnen voorleggen.]4
§ 2. De algemene vrijstellingen, vermeld in paragraaf 1, zijn alleen geldig als de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
1° de kinderen hebben geen recht op gezinsbijslagen krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling. De minister kan bepalen wat onder recht op gezinsbijslagen krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling wordt verstaan;
2° noch een van de ouders, noch de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad van een van de ouders en met wie de ouder feitelijk of wettelijk samenwoont, noch de echtgenoot of echtgenote van een van de ouders, oefent een winstgevende activiteit uit in het raam van een arbeidsovereenkomst of van een zelfstandige activiteit of in opdracht van een openbare dienst in het land waar de kinderen verblijven.
1° kinderen die in België al een einddiploma secundair onderwijs hebben verworven en die niet-hoger onderwijs volgen buiten België. Deze afwijking wordt beperkt tot maximaal één schooljaar. De vakantieperiodes, vermeld in artikel 21, eerste lid, van dit besluit, maken deel uit van het schooljaar;
2° kinderen die hoger onderwijs volgen buiten België. Deze afwijking geldt voor de hele periode van het gevolgde onderwijs. De vakantieperiodes, vermeld in artikel 28 van dit besluit, maken deel uit van het academiejaar;
3° kinderen die tijdens de twaalf maanden, vermeld in artikel 40 van dit besluit, vrijwilligerswerk verrichten of een opleiding of stage volgen buiten België, op voorwaarde dat ze een attest, waarvan de minister het model bepaalt, kunnen voorleggen, respectievelijk van de betrokken vrijwilligersorganisatie, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
4° kinderen die gedurende maximaal drie jaar buiten België verblijven wegens medische redenen van het kind of van de ouder, de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad van de ouder en met wie de ouder feitelijk samenwoont of de echtgenoot of echtgenote van de ouder. De medische redenen worden gestaafd met een medisch getuigschrift. Het medisch attest, ondertekend en gedagtekend door een arts, vermeldt dat het voor het kind of voor de ouder, de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad van de ouder en met wie de ouder feitelijk samenwoont of de echtgenoot of echtgenote van de ouder, onmogelijk is om terug te reizen naar België. Een buitenlands medisch attest wordt bevestigd door een arts die in België gevestigd is;
5° kinderen die tijdelijk buiten België verblijven, waarbij dit verblijf, in één of verscheidene keren, geen twee maand in de loop van hetzelfde kalenderjaar overschrijdt, terwijl ze hun woonplaats in het Nederlandse taalgebied hebben;
6° kinderen die hun woonplaats in het Nederlandse taalgebied hebben en die alleen tijdens de schoolvakantie, vermeld in artikel 21, eerste lid, en artikel 28 van dit besluit, buiten België verblijven;
7° [3 ...]3
8° kinderen die hun woonplaats in het Nederlandse taalgebied hebben en naar een school gaan die buiten België ligt, op voorwaarde dat ze elke dag terugkeren naar hun ouders of naar hun opvoeders, die hun ouders vervangen;
9° kinderen die een studietoelage ontvangen om lessen buiten België te volgen. Een binnenlandse of buitenlandse instelling kan die studietoelage toekennen. Het Departement Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 22, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, deelt de toekenning van die studietoelage door een instelling binnen het Nederlandse taalgebied mee. Als een instelling van een andere deelentiteit of een buitenlandse instelling die studietoelage toekent, wordt dat bewezen met een officieel attest;
10° kinderen die hun woonplaats in het Nederlandse taalgebied hebben en het voorwerp uitmaken van een ontvoering conform de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 3 van dit besluit, en buiten België verblijven;
11° [3 ...]3
[4 12° kinderen die niet-hoger onderwijs volgen buiten België via een Belgisch erkend uitwisselingsprogramma, op voorwaarde dat de inschrijving in de Belgische onderwijsinstelling blijft behouden en dat ze een attest van het Belgisch erkend uitwisselingsprogramma kunnen voorleggen.]4
§ 2. De algemene vrijstellingen, vermeld in paragraaf 1, zijn alleen geldig als de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
1° de kinderen hebben geen recht op gezinsbijslagen krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling. De minister kan bepalen wat onder recht op gezinsbijslagen krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling wordt verstaan;
2° noch een van de ouders, noch de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad van een van de ouders en met wie de ouder feitelijk of wettelijk samenwoont, noch de echtgenoot of echtgenote van een van de ouders, oefent een winstgevende activiteit uit in het raam van een arbeidsovereenkomst of van een zelfstandige activiteit of in opdracht van een openbare dienst in het land waar de kinderen verblijven.
Art. 47. § 1er. Pour les enfants suivants, des exemptions générales des conditions d'octroi pour les allocations familiales, visées à l'article 8, § 3, alinéa 1er, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, s'appliquent :
1° les enfants qui ont déjà obtenu un diplôme de fin d'études d'enseignement secondaire en Belgique et suivent un enseignement non supérieur en dehors de la Belgique. Cette dérogation est limitée à une année scolaire au maximum. Les périodes de vacances, visées à l'article 21, alinéa 1er, du présent arrêté, font partie de l'année scolaire ;
2° les enfants qui suivent un enseignement supérieur en dehors de la Belgique. Cette dérogation s'applique à la période entière de l'enseignement suivi. Les périodes de vacances, visées à l'article 28 du présent arrêté, font partie de l'année académique ;
3° les enfants qui, au cours des douze mois visés à l'article 40 du présent arrêté, effectuent du bénévolat ou suivent une formation ou un stage en dehors de la Belgique, à condition qu'ils peuvent soumettre une attestation, dont le Ministre arrête le modèle, respectivement de l'organisation de bénévoles concernée, de l'Office national de l'Emploi ou de l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle ;
4° les enfants qui résident pendant au maximum trois ans en dehors de la Belgique pour des raisons médicales de l'enfant ou du parent, de la personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré du parent et avec qui le parent cohabite de fait, ou l'époux ou l'épouse du parent. Les raisons médicales sont confirmées par une attestation médicale. L'attestation médiale, signée et datée par un médecin, mentionne qu'il est impossible pour l'enfant ou pour le parent, la personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré du parent et avec qui le parent cohabite de fait, ou l'époux ou l'épouse du parent, de retourner en Belgique. Une attestation médicale étrangère est confirmée par un médecin établi en Belgique ;
5° les enfants qui résident temporairement en dehors de la Belgique, où ce séjour, en une ou plusieurs fois, ne dépasse pas deux mois au cours de la même année calendaire, pendant qu'ils ont leur domicile en région de langue néerlandaise ;
6° les enfants qui ont leur domicile en région de langue néerlandaise et qui ne résident en dehors de la Belgique que pendant les vacances scolaires, visées à l'article 21, alinéa 1er, et l'article 28 du présent arrêté ;
7° [3 ...]3
8° les enfants qui ont leur domicile en région de langue néerlandaise et vont à une école qui se situe en dehors de la Belgique, à condition qu'ils retournent chaque jour à leurs parents ou leurs éducateurs qui remplacent leurs parents ;
9° les enfants qui reçoivent une allocation d'études pour suivre des cours en dehors de la Belgique. Un établissement belge ou étranger peut accorder cette allocation d'études. Le Département de l'Enseignement et de la Formation, visé à l'article 22, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande, communique l'octroi de cette allocation d'études par un établissement au sein de la région de langue néerlandaise. Si un établissement d'une autre entité fédérée ou un établissement étranger octroie cette allocation d'études, une attestation officielle en fournit la preuve ;
10° les enfants qui ont leur domicile en région de langue néerlandaise et qui font l'objet d'un enlèvement conformément aux conditions, visées au chapitre 3 du présent arrêté, et résident en dehors de la Belgique ;
11° [3 ...]3
[4 12° les enfants qui suivent l'enseignement non supérieur, à condition que l'inscription dans l'établissement d'enseignement belge soit maintenue et qu'ils puissent présenter une attestation du programme d'échange belge agréé.]4
§ 2. Les exemptions générales, visées au paragraphe 1er, ne s'appliquent que lorsque les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
1° les enfants n'ont pas droit aux allocations familiales en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée, en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international. Le Ministre peut arrêter ce qu'on entend par droit aux allocations familiales en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international ;
2° ni un des parents, ni la personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré d'un des parents et avec qui le parent cohabite de fait ou légalement, ni l'époux ou l'épouse d'un des parents, n'exerce une activité lucrative dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une activité indépendante ou sur l'ordre d'un service public au pays où les enfants résident.
1° les enfants qui ont déjà obtenu un diplôme de fin d'études d'enseignement secondaire en Belgique et suivent un enseignement non supérieur en dehors de la Belgique. Cette dérogation est limitée à une année scolaire au maximum. Les périodes de vacances, visées à l'article 21, alinéa 1er, du présent arrêté, font partie de l'année scolaire ;
2° les enfants qui suivent un enseignement supérieur en dehors de la Belgique. Cette dérogation s'applique à la période entière de l'enseignement suivi. Les périodes de vacances, visées à l'article 28 du présent arrêté, font partie de l'année académique ;
3° les enfants qui, au cours des douze mois visés à l'article 40 du présent arrêté, effectuent du bénévolat ou suivent une formation ou un stage en dehors de la Belgique, à condition qu'ils peuvent soumettre une attestation, dont le Ministre arrête le modèle, respectivement de l'organisation de bénévoles concernée, de l'Office national de l'Emploi ou de l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle ;
4° les enfants qui résident pendant au maximum trois ans en dehors de la Belgique pour des raisons médicales de l'enfant ou du parent, de la personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré du parent et avec qui le parent cohabite de fait, ou l'époux ou l'épouse du parent. Les raisons médicales sont confirmées par une attestation médicale. L'attestation médiale, signée et datée par un médecin, mentionne qu'il est impossible pour l'enfant ou pour le parent, la personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré du parent et avec qui le parent cohabite de fait, ou l'époux ou l'épouse du parent, de retourner en Belgique. Une attestation médicale étrangère est confirmée par un médecin établi en Belgique ;
5° les enfants qui résident temporairement en dehors de la Belgique, où ce séjour, en une ou plusieurs fois, ne dépasse pas deux mois au cours de la même année calendaire, pendant qu'ils ont leur domicile en région de langue néerlandaise ;
6° les enfants qui ont leur domicile en région de langue néerlandaise et qui ne résident en dehors de la Belgique que pendant les vacances scolaires, visées à l'article 21, alinéa 1er, et l'article 28 du présent arrêté ;
7° [3 ...]3
8° les enfants qui ont leur domicile en région de langue néerlandaise et vont à une école qui se situe en dehors de la Belgique, à condition qu'ils retournent chaque jour à leurs parents ou leurs éducateurs qui remplacent leurs parents ;
9° les enfants qui reçoivent une allocation d'études pour suivre des cours en dehors de la Belgique. Un établissement belge ou étranger peut accorder cette allocation d'études. Le Département de l'Enseignement et de la Formation, visé à l'article 22, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande, communique l'octroi de cette allocation d'études par un établissement au sein de la région de langue néerlandaise. Si un établissement d'une autre entité fédérée ou un établissement étranger octroie cette allocation d'études, une attestation officielle en fournit la preuve ;
10° les enfants qui ont leur domicile en région de langue néerlandaise et qui font l'objet d'un enlèvement conformément aux conditions, visées au chapitre 3 du présent arrêté, et résident en dehors de la Belgique ;
11° [3 ...]3
[4 12° les enfants qui suivent l'enseignement non supérieur, à condition que l'inscription dans l'établissement d'enseignement belge soit maintenue et qu'ils puissent présenter une attestation du programme d'échange belge agréé.]4
§ 2. Les exemptions générales, visées au paragraphe 1er, ne s'appliquent que lorsque les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
1° les enfants n'ont pas droit aux allocations familiales en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée, en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international. Le Ministre peut arrêter ce qu'on entend par droit aux allocations familiales en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international ;
2° ni un des parents, ni la personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré d'un des parents et avec qui le parent cohabite de fait ou légalement, ni l'époux ou l'épouse d'un des parents, n'exerce une activité lucrative dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une activité indépendante ou sur l'ordre d'un service public au pays où les enfants résident.
Art.47/1. [1 § 1. Voor de volgende kinderen gelden algemene vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarde voor gezinsbijslagen, vermeld in artikel 8, § 1, eerste lid, 1°, van het Groeipakketdecreet van 2018, wat betreft de woonplaats in het Nederlandse taalgebied, en van artikel 8, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet:
1° kinderen die buiten België geboren worden, terwijl een van de ouders in het Nederlandse taalgebied woont, op voorwaarde dat het verblijf van een van de ouders en van het kind buiten België niet langer dan twee maanden na de geboorte duurt;
2° kinderen die buiten België geadopteerd worden en binnen twee maanden na de adoptie in het Nederlandse taalgebied wonen.
§ 2. De algemene vrijstellingen, vermeld in paragraaf 1, zijn alleen geldig als al de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de kinderen hebben geen recht op gezinsbijslagen krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling. De minister kan bepalen wat onder recht op gezinsbijslagen krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling wordt verstaan;
2° noch een van de ouders, noch de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad van een van de ouders en met wie de ouder feitelijk of wettelijk samenwoont, noch de echtgenoot of echtgenote van een van de ouders, oefent een winstgevende activiteit uit in het raam van een arbeidsovereenkomst of van een zelfstandige activiteit of in opdracht van een openbare dienst in het land waar de kinderen verblijven.]1
1° kinderen die buiten België geboren worden, terwijl een van de ouders in het Nederlandse taalgebied woont, op voorwaarde dat het verblijf van een van de ouders en van het kind buiten België niet langer dan twee maanden na de geboorte duurt;
2° kinderen die buiten België geadopteerd worden en binnen twee maanden na de adoptie in het Nederlandse taalgebied wonen.
§ 2. De algemene vrijstellingen, vermeld in paragraaf 1, zijn alleen geldig als al de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de kinderen hebben geen recht op gezinsbijslagen krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling. De minister kan bepalen wat onder recht op gezinsbijslagen krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling wordt verstaan;
2° noch een van de ouders, noch de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad van een van de ouders en met wie de ouder feitelijk of wettelijk samenwoont, noch de echtgenoot of echtgenote van een van de ouders, oefent een winstgevende activiteit uit in het raam van een arbeidsovereenkomst of van een zelfstandige activiteit of in opdracht van een openbare dienst in het land waar de kinderen verblijven.]1
Art.47/1. [1 § 1er. Des exemptions générales des conditions d'octroi pour les allocations familiales, visées à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, 1°, du Décret relatif au Panier de croissance de 2018, s'appliquent en ce qui concerne le domicile en région de langue néerlandaise, et visées à l'article 8, § 3, alinéa 1er, du décret précité, s'appliquent aux enfants suivants :
1° les enfants qui sont nés en dehors de la Belgique, pendant qu'un des parents a son domicile en région de langue néerlandaise, à condition que le séjour de l'un des parents et de l'enfant en dehors de la Belgique ne dure pas plus de deux mois après la naissance ;
2° les enfants qui sont adoptés en dehors de la Belgique et ont leur domicile en région de langue néerlandaise dans les deux mois après l'adoption.
§ 2. Les exemptions générales, visées au paragraphe 1er, ne s'appliquent que lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° les enfants n'ont pas droit aux allocations familiales en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée, en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international. Le ministre peut arrêter ce qu'on entend par droit aux allocations familiales en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international ;
2° ni un des parents, ni la personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré d'un des parents et avec qui le parent cohabite de fait ou légalement, ni l'époux ou l'épouse d'un des parents, n'exerce une activité lucrative dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une activité indépendante ou sur l'ordre d'un service public dans le pays où les enfants résident.]1
1° les enfants qui sont nés en dehors de la Belgique, pendant qu'un des parents a son domicile en région de langue néerlandaise, à condition que le séjour de l'un des parents et de l'enfant en dehors de la Belgique ne dure pas plus de deux mois après la naissance ;
2° les enfants qui sont adoptés en dehors de la Belgique et ont leur domicile en région de langue néerlandaise dans les deux mois après l'adoption.
§ 2. Les exemptions générales, visées au paragraphe 1er, ne s'appliquent que lorsque toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° les enfants n'ont pas droit aux allocations familiales en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée, en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international. Le ministre peut arrêter ce qu'on entend par droit aux allocations familiales en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international ;
2° ni un des parents, ni la personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré d'un des parents et avec qui le parent cohabite de fait ou légalement, ni l'époux ou l'épouse d'un des parents, n'exerce une activité lucrative dans le cadre d'un contrat de travail ou d'une activité indépendante ou sur l'ordre d'un service public dans le pays où les enfants résident.]1
Art. 48. Een algemene vrijstelling van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 8, § 3, eerste lid, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, geldt gedurende maximaal één jaar voor de kinderen van de werknemer die buiten België gedetacheerd is, die de werknemer vergezellen naar het land van detachering, of voor de kinderen die tijdens die periode van detachering in het gezin van de werknemer geboren zijn.
Art. 48. Une exemption générale des conditions d'octroi pour les allocations familiales, visées à l'article 8, § 3, alinéa 1er, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1 vaut pendant au maximum un an pour les enfants du travailleur détaché en dehors de la Belgique, qui accompagnent le travailleur vers le pays du détachement, ou pour les enfants nés dans la famille du travailleur pendant cette période de détachement.
Wijzigingen
Art. 49. Een algemene vrijstelling van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 8, § 3, eerste lid, van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, geldt voor de kinderen van bepaalde overheidspersoneelsleden die gedurende meer dan zes opeenvolgende maanden hun ambt buiten België uitoefenen, en die daar opgevoed worden of de lessen volgen. Nadat die overheidspersoneelsleden teruggekeerd zijn naar België, blijft die algemene vrijstelling behouden voor hun kinderen die buiten België voortstuderen. De minister bepaalt op welke overheidspersoneelsleden de algemene vrijstelling betrekking heeft.
Art. 49. Une exemption générale des conditions d'octroi pour les allocations familiales, visées à l'article 8, § 3, alinéa 1er, du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, vaut pour les enfants de certains membres du personnel de la fonction publique qui exercent leur fonction pendant plus de six mois consécutifs en dehors de la Belgique, et qui y sont éduqués ou y suivent les cours. Après le retour de ces membres du personnel de la fonction publique en Belgique, cette exemption générale est maintenue pour leurs enfants qui continuent leurs études en dehors de la Belgique. Le Ministre détermine les membres du personnel de la fonction publique auxquels l'exemption générale a trait.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Algemene vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor het startbedrag geboorte
Section 2. - Exemptions générales des conditions d'octroi pour le montant initial naissance
Art. 50. Voor de volgende kinderen gelden algemene vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de startbedragen geboorte:
1° voor een kind dat geboren wordt buiten België, als er een recht op gezinsbijslagen toegekend wordt voor dat kind op basis van een algemene vrijstelling als vermeld in artikel 47 tot en met 49 van dit besluit, en als de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
a) de gezinsbijslagen worden toegekend vanaf de eerste dag van de maand van de geboorte;
b) er bestaat geen recht op het startbedrag geboorte krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling. De minister kan bepalen wat wordt verstaan onder recht op een startbedrag geboorte krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling;
2° voor een kind dat geboren wordt in een land waarop de Europese Verordening nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie van toepassing is, als de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
a) een van de ouders, de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met derde graad van de ouder en met wie de ouder feitelijk of wettelijk samenwoont, of de echtgenoot of echtgenote van de ouder is een zelfstandige;
b) de gezinsbijslagen worden toegekend vanaf de eerste dag van de maand van de geboorte;
c) het kind heeft binnen twee maanden na de geboorte zijn woonplaats in het Nederlandse taalgebied;
d) er bestaat geen recht op startbedrag geboorte krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit.
[1 3° voor een kind dat geboren wordt buiten België, en overlijdt in het buitenland binnen twee maanden na de geboorte en als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
a) terwijl een van de ouders op het moment van de geboorte en het overlijden in het Nederlandse taalgebied woont;
b) een van de ouders reist binnen de twee maanden na het overlijden terug naar België;
c) er bestaat geen recht op het startbedrag geboorte krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling;
4° voor een kind dat geboren wordt buiten België en overlijdt in het buitenland binnen twaalf maanden na de geboorte, en als al de volgende voorwaarden vervuld zijn:
a) door medische redenen was het voor het kind onmogelijk om terug te reizen naar België. De medische redenen worden gestaafd met een medisch getuigschrift. Het medisch attest dat is ondertekend en gedagtekend door een arts, vermeldt dat het voor het kind onmogelijk was om terug te reizen naar België. Een buitenlands medisch attest wordt bevestigd door een arts die in België gevestigd is;
b) terwijl een van de ouders op het moment van de geboorte en het overlijden in het Nederlandse taalgebied woont;
c) een van de ouders reist binnen de twaalf maanden na het overlijden terug naar België;
d) er bestaat geen recht op het startbedrag geboorte krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.]1
1° voor een kind dat geboren wordt buiten België, als er een recht op gezinsbijslagen toegekend wordt voor dat kind op basis van een algemene vrijstelling als vermeld in artikel 47 tot en met 49 van dit besluit, en als de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
a) de gezinsbijslagen worden toegekend vanaf de eerste dag van de maand van de geboorte;
b) er bestaat geen recht op het startbedrag geboorte krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling. De minister kan bepalen wat wordt verstaan onder recht op een startbedrag geboorte krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling;
2° voor een kind dat geboren wordt in een land waarop de Europese Verordening nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie van toepassing is, als de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
a) een van de ouders, de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met derde graad van de ouder en met wie de ouder feitelijk of wettelijk samenwoont, of de echtgenoot of echtgenote van de ouder is een zelfstandige;
b) de gezinsbijslagen worden toegekend vanaf de eerste dag van de maand van de geboorte;
c) het kind heeft binnen twee maanden na de geboorte zijn woonplaats in het Nederlandse taalgebied;
d) er bestaat geen recht op startbedrag geboorte krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit.
[1 3° voor een kind dat geboren wordt buiten België, en overlijdt in het buitenland binnen twee maanden na de geboorte en als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
a) terwijl een van de ouders op het moment van de geboorte en het overlijden in het Nederlandse taalgebied woont;
b) een van de ouders reist binnen de twee maanden na het overlijden terug naar België;
c) er bestaat geen recht op het startbedrag geboorte krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling;
4° voor een kind dat geboren wordt buiten België en overlijdt in het buitenland binnen twaalf maanden na de geboorte, en als al de volgende voorwaarden vervuld zijn:
a) door medische redenen was het voor het kind onmogelijk om terug te reizen naar België. De medische redenen worden gestaafd met een medisch getuigschrift. Het medisch attest dat is ondertekend en gedagtekend door een arts, vermeldt dat het voor het kind onmogelijk was om terug te reizen naar België. Een buitenlands medisch attest wordt bevestigd door een arts die in België gevestigd is;
b) terwijl een van de ouders op het moment van de geboorte en het overlijden in het Nederlandse taalgebied woont;
c) een van de ouders reist binnen de twaalf maanden na het overlijden terug naar België;
d) er bestaat geen recht op het startbedrag geboorte krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.]1
Art. 50. Pour les enfants suivants, des exemptions générales des conditions d'octroi pour les montants initiaux naissance s'appliquent :
1° pour un enfant né en dehors de la Belgique, si un droit aux allocations familiales est accordé pour cet enfant sur la base d'une exemption générale telle que visée aux articles 47 à 49 du présent arrêté, et si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
a) les allocations familiales sont accordées à partir du premier jour du mois de la naissance ;
b) il n'existe pas de droit au montant initial naissance en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée, en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international. Le Ministre peut arrêter ce qu'on entend par droit au montant initial naissance en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international ;
2° pour un enfant né dans un pays auquel s'applique le Règlement européen n° 492/2011 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2011 relatif à la libre circulation des travailleurs à l'intérieur de l'Union, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
a) un des parents, la personne qui n'est pas de parent ou d'allié jusqu'au troisième degré du parent et avec qui le parent cohabite de fait ou légalement, ou l'époux ou l'épouse du parent est un travailleur indépendant ;
b) les allocations familiales sont accordées à partir du premier jour du mois de la naissance ;
c) l'enfant a son domicile en région de langue néerlandaise dans les deux mois après la naissance ;
d) il n'existe pas de droit au montant initial naissance en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée.
[1 3° pour un enfant né en dehors de la Belgique, et qui décède à l'étranger dans les deux mois suivant la naissance, et si toutes les conditions suivantes sont remplies :
a) pendant qu'un des parents a son domicile en région de langue néerlandaise au moment de la naissance et du décès ;
b) un des parents rentre en Belgique dans les deux mois suivant le décès ;
c) il n'existe pas de droit au montant initial naissance en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée, en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international ;
4° pour un enfant né en dehors de la Belgique, et qui décède à l'étranger dans les douze mois suivant la naissance, et si toutes les conditions suivantes sont remplies :
a) pour des raisons médicales, l'enfant était dans l'impossibilité de rentrer en Belgique. Les raisons médicales sont étayées par un certificat médical. L'attestation médicale qui est signée et datée par un médecin, indique que l'enfant était dans l'impossibilité de rentrer en Belgique. Une attestation médicale étrangère est confirmée par un médecin établi en Belgique ;
b) pendant qu'un des parents a son domicile en région de langue néerlandaise au moment de la naissance et du décès ;
c) un des parents rentre en Belgique dans les douze mois suivant le décès ;
d) il n'existe pas de droit au montant initial naissance en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée, en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international. ]1
1° pour un enfant né en dehors de la Belgique, si un droit aux allocations familiales est accordé pour cet enfant sur la base d'une exemption générale telle que visée aux articles 47 à 49 du présent arrêté, et si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
a) les allocations familiales sont accordées à partir du premier jour du mois de la naissance ;
b) il n'existe pas de droit au montant initial naissance en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée, en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international. Le Ministre peut arrêter ce qu'on entend par droit au montant initial naissance en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international ;
2° pour un enfant né dans un pays auquel s'applique le Règlement européen n° 492/2011 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2011 relatif à la libre circulation des travailleurs à l'intérieur de l'Union, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
a) un des parents, la personne qui n'est pas de parent ou d'allié jusqu'au troisième degré du parent et avec qui le parent cohabite de fait ou légalement, ou l'époux ou l'épouse du parent est un travailleur indépendant ;
b) les allocations familiales sont accordées à partir du premier jour du mois de la naissance ;
c) l'enfant a son domicile en région de langue néerlandaise dans les deux mois après la naissance ;
d) il n'existe pas de droit au montant initial naissance en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée.
[1 3° pour un enfant né en dehors de la Belgique, et qui décède à l'étranger dans les deux mois suivant la naissance, et si toutes les conditions suivantes sont remplies :
a) pendant qu'un des parents a son domicile en région de langue néerlandaise au moment de la naissance et du décès ;
b) un des parents rentre en Belgique dans les deux mois suivant le décès ;
c) il n'existe pas de droit au montant initial naissance en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée, en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international ;
4° pour un enfant né en dehors de la Belgique, et qui décède à l'étranger dans les douze mois suivant la naissance, et si toutes les conditions suivantes sont remplies :
a) pour des raisons médicales, l'enfant était dans l'impossibilité de rentrer en Belgique. Les raisons médicales sont étayées par un certificat médical. L'attestation médicale qui est signée et datée par un médecin, indique que l'enfant était dans l'impossibilité de rentrer en Belgique. Une attestation médicale étrangère est confirmée par un médecin établi en Belgique ;
b) pendant qu'un des parents a son domicile en région de langue néerlandaise au moment de la naissance et du décès ;
c) un des parents rentre en Belgique dans les douze mois suivant le décès ;
d) il n'existe pas de droit au montant initial naissance en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée, en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international. ]1
Wijzigingen
Art. 51. Algemene vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor het startbedrag geboorte gelden voor het kind dat deel uitmaakt van het gezin van een pleegvoogd, op voorwaarde dat een overeenkomst, die de pleegvoogdij tot stand brengt, verleden is binnen een jaar na de geboorte van het betrokken kind, die de wil uitdrukt van de pleegvoogd of van de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad van de pleegvoogd en met wie de pleegvoogd feitelijk of wettelijk samenwoont, of van de echtgenoot of echtgenote van de pleegvoogd, om het kind onder pleegvoogdij te nemen.
Als vóór de ondertekening van de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, de vader of de moeder het startbedrag geboorte niet heeft aangevraagd, is dat startbedrag geboorte uitsluitend verschuldigd aan de pleegvoogd of aan de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad van de pleegvoogd en met wie de pleegvoogd feitelijk of wettelijk samenwoont, of aan de echtgenoot of echtgenote van de pleegvoogd. Als die overeenkomst echter verleden is binnen drie maanden na de geboorte, is het startbedrag geboorte alleen verschuldigd aan een van de voormelde personen als de vader of de moeder het startbedrag geboorte niet binnen dezelfde termijn heeft aangevraagd.
Het bedrag van het startbedrag geboorte dat toegekend wordt voor het onder pleegvoogdij genomen kind, is van toepassing op de datum van de ondertekening van de overeenkomst, vermeld in het eerste lid.
Als vóór de ondertekening van de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, de vader of de moeder het startbedrag geboorte niet heeft aangevraagd, is dat startbedrag geboorte uitsluitend verschuldigd aan de pleegvoogd of aan de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad van de pleegvoogd en met wie de pleegvoogd feitelijk of wettelijk samenwoont, of aan de echtgenoot of echtgenote van de pleegvoogd. Als die overeenkomst echter verleden is binnen drie maanden na de geboorte, is het startbedrag geboorte alleen verschuldigd aan een van de voormelde personen als de vader of de moeder het startbedrag geboorte niet binnen dezelfde termijn heeft aangevraagd.
Het bedrag van het startbedrag geboorte dat toegekend wordt voor het onder pleegvoogdij genomen kind, is van toepassing op de datum van de ondertekening van de overeenkomst, vermeld in het eerste lid.
Art. 51. Les exemptions générales des conditions d'octroi pour le montant initial naissance valent pour l'enfant qui fait partie de la famille d'un tuteur officieux, à condition qu'un contrat établissant la tutelle officieuse est passé dans le délai d'un an après la naissance de l'enfant concerné, qui exprime la volonté du tuteur officieux ou de la personne qui n'est pas de parent ou d'allié jusqu'au troisième degré et avec qui le tuteur officieux cohabite de fait ou légalement, ou de l'époux ou l'épouse du tuteur officieux, de prendre l'enfant sous tutelle officieuse.
Si le père ou la mère n'a pas demandé le montant initial naissance avant la signature du contrat, visé à l'alinéa 1er, ce montant initial naissance est exclusivement dû au tuteur officieux ou à la personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré du tuteur officieux et avec qui le tuteur officieux cohabite de fait ou légalement, ou à l'époux ou l'épouse du tuteur officieux. Si ce contrat est toutefois passé dans les trois mois après la naissance, le montant initial naissance est uniquement dû à une des personnes précitées si le père ou la mère n'a pas demandé le montant initial naissance dans le même délai.
Le montant du montant initial naissance accordé pour l'enfant pris sous tutelle officieuse, s'applique à la date de la signature du contrat visé à l'alinéa 1er.
Si le père ou la mère n'a pas demandé le montant initial naissance avant la signature du contrat, visé à l'alinéa 1er, ce montant initial naissance est exclusivement dû au tuteur officieux ou à la personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré du tuteur officieux et avec qui le tuteur officieux cohabite de fait ou légalement, ou à l'époux ou l'épouse du tuteur officieux. Si ce contrat est toutefois passé dans les trois mois après la naissance, le montant initial naissance est uniquement dû à une des personnes précitées si le père ou la mère n'a pas demandé le montant initial naissance dans le même délai.
Le montant du montant initial naissance accordé pour l'enfant pris sous tutelle officieuse, s'applique à la date de la signature du contrat visé à l'alinéa 1er.
Afdeling 3. - Algemene vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor het startbedrag adoptie
Section 3. - Exemptions générales des conditions d'octroi pour le montant initial adoption
Art. 52. Voor de volgende kinderen gelden algemene vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor het startbedrag adoptie, op voorwaarde dat er een verzoekschrift tot binnen- of buitenlandse adoptie, ingediend bij de bevoegde rechtbank, wordt voorgelegd, of, bij gebrek daaraan, een buitenlandse adoptiebeslissing of een buitenlandse beslissing tot plaatsing met het oog op adoptie:
1° voor een kind dat geadopteerd wordt buiten België, als er een recht op gezinsbijslagen toegekend wordt voor dat kind op basis van een algemene vrijstelling als vermeld in artikel 47 tot en met 49 van dit besluit, op voorwaarde dat de gezinsbijslagen toegekend worden vanaf het moment dat het kind deel uitmaakt van het gezin van de adoptant en dat er geen recht op het startbedrag adoptie bestaat krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling. De minister kan bepalen wat wordt verstaan onder recht op een startbedrag adoptie krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
2° voor een kind dat geadopteerd wordt in een land waarop de Europese Verordening (EG) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie van toepassing is, als de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
a) een van de adoptanten, de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met derde graad van de adoptant en met wie de adoptant feitelijk of wettelijk samenwoont, of de echtgenoot of echtgenote van de adoptant is een zelfstandige;
b) de gezinsbijslagen worden toegekend vanaf de eerste dag van de maand waarin het kind deel uitmaakt van het gezin van de adoptant;
c) het kind heeft binnen twee maanden na de adoptie zijn woonplaats in het Nederlandse taalgebied;
d) er bestaat geen recht op het startbedrag adoptie krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling. De minister kan bepalen wat wordt verstaan onder recht op een startbedrag adoptie krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
1° voor een kind dat geadopteerd wordt buiten België, als er een recht op gezinsbijslagen toegekend wordt voor dat kind op basis van een algemene vrijstelling als vermeld in artikel 47 tot en met 49 van dit besluit, op voorwaarde dat de gezinsbijslagen toegekend worden vanaf het moment dat het kind deel uitmaakt van het gezin van de adoptant en dat er geen recht op het startbedrag adoptie bestaat krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling. De minister kan bepalen wat wordt verstaan onder recht op een startbedrag adoptie krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
2° voor een kind dat geadopteerd wordt in een land waarop de Europese Verordening (EG) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie van toepassing is, als de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
a) een van de adoptanten, de persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met derde graad van de adoptant en met wie de adoptant feitelijk of wettelijk samenwoont, of de echtgenoot of echtgenote van de adoptant is een zelfstandige;
b) de gezinsbijslagen worden toegekend vanaf de eerste dag van de maand waarin het kind deel uitmaakt van het gezin van de adoptant;
c) het kind heeft binnen twee maanden na de adoptie zijn woonplaats in het Nederlandse taalgebied;
d) er bestaat geen recht op het startbedrag adoptie krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling. De minister kan bepalen wat wordt verstaan onder recht op een startbedrag adoptie krachtens buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
Art. 52. Pour les enfants suivants, des exemptions générales des conditions d'octroi pour le montant initial adoption s'appliquent, à condition qu'une demande d'adoption nationale ou internationale, introduite auprès du tribunal compétent ou, à défaut de celle-ci, une décision étrangère d'adoption ou une décision étrangère de placement en vue de l'adoption, est soumise :
1° pour un enfant adopté en dehors de la Belgique, si un droit aux allocations familiales est accordé pour cet enfant sur la base d'une exemption générale telle que visée aux articles 47 à 49 du présent arrêté, à condition que les allocations familiales sont accordées à partir du moment où l'enfant fait partie de la famille de l'adoptant et qu'il n'existe pas de droit au montant initial adoption en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée, en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international. Le Ministre peut arrêter ce qu'on entend par droit au montant initial adoption en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international;
2° pour un enfant adopté dans un pays auquel s'applique le Règlement européen n° 492/2011 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2011 relatif à la libre circulation des travailleurs à l'intérieur de l'Union, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
a) un des adoptants, la personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré de l'adoptant et avec qui l'adoptant cohabite de fait ou légalement, ou l'époux ou l'épouse de l'adoptant est un travailleur indépendant ;
b) les allocations familiales sont accordées à partir du premier jour du mois auquel l'enfant fait partie de la famille de l'adoptant ;
c) l'enfant a son domicile en région de langue néerlandaise dans les deux mois après l'adoption ;
d) il n'existe pas de droit au montant initial adoption en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée, en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international. Le Ministre peut arrêter ce qu'on entend par droit au montant initial adoption en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international.
1° pour un enfant adopté en dehors de la Belgique, si un droit aux allocations familiales est accordé pour cet enfant sur la base d'une exemption générale telle que visée aux articles 47 à 49 du présent arrêté, à condition que les allocations familiales sont accordées à partir du moment où l'enfant fait partie de la famille de l'adoptant et qu'il n'existe pas de droit au montant initial adoption en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée, en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international. Le Ministre peut arrêter ce qu'on entend par droit au montant initial adoption en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international;
2° pour un enfant adopté dans un pays auquel s'applique le Règlement européen n° 492/2011 du Parlement européen et du Conseil du 5 avril 2011 relatif à la libre circulation des travailleurs à l'intérieur de l'Union, si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
a) un des adoptants, la personne qui n'est pas de parent ou allié jusqu'au troisième degré de l'adoptant et avec qui l'adoptant cohabite de fait ou légalement, ou l'époux ou l'épouse de l'adoptant est un travailleur indépendant ;
b) les allocations familiales sont accordées à partir du premier jour du mois auquel l'enfant fait partie de la famille de l'adoptant ;
c) l'enfant a son domicile en région de langue néerlandaise dans les deux mois après l'adoption ;
d) il n'existe pas de droit au montant initial adoption en vertu de la réglementation d'une autre entité fédérée, en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international. Le Ministre peut arrêter ce qu'on entend par droit au montant initial adoption en vertu de dispositions légales ou réglementaires étrangères, ou en vertu de règles applicables au personnel d'un établissement de droit international.
Afdeling 4. - Bepaling van nadere voorwaarden voor de vrijstellingen
Section 4. - Détermination des modalités relatives aux exemptions
Art. 53. De minister kan nadere voorwaarden voor de algemene vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor gezinsbijslagen, startbedragen geboorte en adoptie, vermeld in dit hoofdstuk, bepalen.
Art. 53. Le Ministre peut déterminer des modalités relatives aux exemptions générales des conditions d'octroi pour les allocations familiales, les montants initiaux naissance et adoption, visés au présent chapitre.
HOOFDSTUK 9/1. [1 - Samenloop van gezinsbijslagen]1
CHAPITRE 9/1. [1 - Cumul des allocations familiales]1
Art. 53/1. [1 Ter uitvoering van artikel 23, derde lid, van het Groeipakketdecreet van 2018 worden de volgende regels gelijkgesteld met de statutaire regels die van toepassing zijn op de ambtenaren en andere agenten van de Europese Unie:
1° de statutaire regels die van toepassing zijn op het onderwijzend personeel van de Europese scholen;
2° de statutaire regels die van toepassing zijn op het vast personeel van Eurocontrol.]1
1° de statutaire regels die van toepassing zijn op het onderwijzend personeel van de Europese scholen;
2° de statutaire regels die van toepassing zijn op het vast personeel van Eurocontrol.]1
Art.53/1. [1 En exécution de l'article 23, alinéa 3, du décret relatif au Panier de croissance de 2018, les règles suivantes sont assimilées aux règles statutaires applicables aux fonctionnaires et autres agents de l'Union européenne :
1° les règles statutaires applicables au personnel enseignant des écoles européennes ;
2° les règles statutaires applicables au personnel permanent d'Eurocontrol.]1
1° les règles statutaires applicables au personnel enseignant des écoles européennes ;
2° les règles statutaires applicables au personnel permanent d'Eurocontrol.]1
HOOFDSTUK 10. - Universele participatietoeslagen
CHAPITRE 10. - Allocations de participation universelles
Art. 54. De jaarlijkse universele participatiestoeslag, vermeld in artikel 19, 20, 21 en 22 van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1, is verschuldigd als er recht is op de basisgezinsbijslag voor de maand juli van het betrokken jaar.
De universele participatietoeslag wordt betaald in augustus, gelijktijdig met de basisgezinsbijslag voor juli.
De universele participatietoeslag wordt betaald aan de begunstigden die de basisgezinsbijslag voor de maand juli ontvangen.
De universele participatietoeslag wordt betaald in augustus, gelijktijdig met de basisgezinsbijslag voor juli.
De universele participatietoeslag wordt betaald aan de begunstigden die de basisgezinsbijslag voor de maand juli ontvangen.
Art. 54. L'allocation de participation universelle annuelle, visée aux articles 19, 20, 21 et 22 du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, est due s'il existe un droit aux allocations familiales de base pour le mois de juillet de l'année concernée.
L'allocation de participation universelle est payée au mois d'août, en même temps que les allocations familiales de base pour le mois de juillet.
L'allocation de participation universelle est payée aux bénéficiaires qui reçoivent les allocations de base familiales pour le mois de juillet.
L'allocation de participation universelle est payée au mois d'août, en même temps que les allocations familiales de base pour le mois de juillet.
L'allocation de participation universelle est payée aux bénéficiaires qui reçoivent les allocations de base familiales pour le mois de juillet.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 11. - Slotbepalingen
CHAPITRE 11. - Dispositions finales
Art. 55. Overeenkomstig artikel 211 van [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1 blijven algemene en individuele afwijkingen van de toekenningsvoorwaarden voor kinderbijslag, die op 31 december 2018 in overeenstemming met de kinderbijslagreglementering toegekend zijn, gelden onder de volgende voorwaarden:
1° kinderen die recht hebben op kinderbijslag op basis van een individuele afwijking van de kinderbijslagreglementering, kunnen rechten putten uit die beslissing voor de periode, vermeld in die beslissing. Verlenging of hernieuwing van die beslissing is niet mogelijk;
2° algemene afwijkingen van de kinderbijslagreglementering die zijn toegekend voor een bepaalde periode, vervallen na verloop van de desbetreffende periode. Verlenging of hernieuwing is niet mogelijk;
3° algemene afwijkingen van de kinderbijslagreglementering die zijn toegekend voor een onbepaalde periode, blijven gelden tot er zich een wijziging voordoet in de gezinssituatie of tot er niet meer wordt voldaan aan de toekenningsvoorwaarden van de afwijking;
4° individuele en algemene afwijkingen vervallen als het kind recht heeft op gezinsbijslagen conform de voorwaarden, vermeld in [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1;
5° individuele en algemene afwijkingen vervallen indien Vlaanderen overeenkomstig de toepassing van artikel 2 van het Samenwerkingsakkoord van 6 september 2017 tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de aanknopingsfactoren, het beheer van de lasten van het verleden, de gegevensuitwisseling inzake de gezinsbijslagen en de praktische regels betreffende de bevoegdheidsoverdracht tussen de kinderbijslagfondsen, niet langer bevoegd is inzake de gezinsbijslagen.
In het eerste lid, punt 5°, wordt onder aanknopingsfactor verstaan: een situatie op basis waarvan een gezinsbijslagendossier aan een deelentiteit kan worden toegewezen en die de bevoegdheid van die entiteit exclusief bepaalt.
1° kinderen die recht hebben op kinderbijslag op basis van een individuele afwijking van de kinderbijslagreglementering, kunnen rechten putten uit die beslissing voor de periode, vermeld in die beslissing. Verlenging of hernieuwing van die beslissing is niet mogelijk;
2° algemene afwijkingen van de kinderbijslagreglementering die zijn toegekend voor een bepaalde periode, vervallen na verloop van de desbetreffende periode. Verlenging of hernieuwing is niet mogelijk;
3° algemene afwijkingen van de kinderbijslagreglementering die zijn toegekend voor een onbepaalde periode, blijven gelden tot er zich een wijziging voordoet in de gezinssituatie of tot er niet meer wordt voldaan aan de toekenningsvoorwaarden van de afwijking;
4° individuele en algemene afwijkingen vervallen als het kind recht heeft op gezinsbijslagen conform de voorwaarden, vermeld in [1 het Groeipakketdecreet van 2018]1;
5° individuele en algemene afwijkingen vervallen indien Vlaanderen overeenkomstig de toepassing van artikel 2 van het Samenwerkingsakkoord van 6 september 2017 tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de aanknopingsfactoren, het beheer van de lasten van het verleden, de gegevensuitwisseling inzake de gezinsbijslagen en de praktische regels betreffende de bevoegdheidsoverdracht tussen de kinderbijslagfondsen, niet langer bevoegd is inzake de gezinsbijslagen.
In het eerste lid, punt 5°, wordt onder aanknopingsfactor verstaan: een situatie op basis waarvan een gezinsbijslagendossier aan een deelentiteit kan worden toegewezen en die de bevoegdheid van die entiteit exclusief bepaalt.
Art. 55. Conformément à l'article 211 du [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1, les dérogations générales et individuelles aux conditions d'octroi pour les allocations familiales, accordées le 31 décembre 2018 en concordance avec la réglementation relative aux allocations familiales, s'appliquent aux conditions suivantes :
1° les enfants qui ont droit aux allocations familiales sur la base d'une dérogation individuelle à la réglementation relative aux allocations familiales, peuvent faire valoir des droits sur la base de cette décision pour la période visée dans la décision. Une prolongation ou un renouvellement de cette décision n'est pas possible ;
2° les dérogations générales à la réglementation relative aux allocations familiales qui sont accordées pour une période déterminée, échoient à l'issue de la période concernée. Une prolongation ou un renouvellement n'est pas possible ;
3° les dérogations générales à la réglementation relative aux allocations familiales qui sont accordées pour une période indéterminée, continuent à s'appliquer jusqu'à ce qu'une modification de la situation familiale se produise ou jusqu'à ce que les conditions d'octroi de la dérogation ne soient plus remplies ;
4° les dérogations individuelles et générales échoient si l'enfant donne droit aux allocations familiales conformément aux conditions visées au [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1 ;
5° les dérogations individuelles et générales échoient si la Flandre n'est plus compétente en matière d'allocations familiales conformément à l'application de l'article 2 de l'Accord de Coopération du 6 septembre 2017 entre la Communauté flamande, la Région wallonne, la Commission communautaire commune et la Communauté germanophone concernant les facteurs de rattachement, la gestion des charges du passé, l'échange de données en matière d'allocations familiales et les règles pratiques concernant le transfert de compétences entre les caisses d'allocations familiales.
Dans l'alinéa 1er, point 5°, on entend par facteur de rattachement : une situation sur la base de laquelle un dossier d'allocations familiales peut être attribué à une entité fédérée et qui arrête exclusivement la compétence de cette entité.
1° les enfants qui ont droit aux allocations familiales sur la base d'une dérogation individuelle à la réglementation relative aux allocations familiales, peuvent faire valoir des droits sur la base de cette décision pour la période visée dans la décision. Une prolongation ou un renouvellement de cette décision n'est pas possible ;
2° les dérogations générales à la réglementation relative aux allocations familiales qui sont accordées pour une période déterminée, échoient à l'issue de la période concernée. Une prolongation ou un renouvellement n'est pas possible ;
3° les dérogations générales à la réglementation relative aux allocations familiales qui sont accordées pour une période indéterminée, continuent à s'appliquer jusqu'à ce qu'une modification de la situation familiale se produise ou jusqu'à ce que les conditions d'octroi de la dérogation ne soient plus remplies ;
4° les dérogations individuelles et générales échoient si l'enfant donne droit aux allocations familiales conformément aux conditions visées au [1 décret relatif au Panier de croissance de 2018]1 ;
5° les dérogations individuelles et générales échoient si la Flandre n'est plus compétente en matière d'allocations familiales conformément à l'application de l'article 2 de l'Accord de Coopération du 6 septembre 2017 entre la Communauté flamande, la Région wallonne, la Commission communautaire commune et la Communauté germanophone concernant les facteurs de rattachement, la gestion des charges du passé, l'échange de données en matière d'allocations familiales et les règles pratiques concernant le transfert de compétences entre les caisses d'allocations familiales.
Dans l'alinéa 1er, point 5°, on entend par facteur de rattachement : une situation sur la base de laquelle un dossier d'allocations familiales peut être attribué à une entité fédérée et qui arrête exclusivement la compétence de cette entité.
Wijzigingen
Art. 56. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019.
Art. 56. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2019.
Art. 57. De Vlaamse minister bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 57. Le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.