Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
27 APRIL 2018. - Wet op de politie van de spoorwegen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-05-2018 en tekstbijwerking tot 26-05-2023)
Titre
27 AVRIL 2018. - Loi sur la police des chemins de fer(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-05-2018 et mise à jour au 26-05-2023)
Documentinformatie
Numac: 2018012126
Datum: 2018-04-27
Info du document
Numac: 2018012126
Date: 2018-04-27
Inhoud
TITEL 1. - Algemene bepaling en definities
TITEL 2. - Verplichtingen van het publiek en va...
HOOFDSTUK 1. - Verplichtingen van het publiek i...
Afdeling 1. - Algemeen
Afdeling 2. - Plaatsen die niet toegankelijk zi...
Afdeling 3. - Plaatsen die toegankelijk zijn vo...
HOOFDSTUK 2. - Verplichtingen van de reizigers
Afdeling 1. - Algemeen
Afdeling 2. - Vervoerbewijzen
Afdeling 3. - Passagiersvergoedingen
HOOFDSTUK 3. - Maatregelen betreffende de insta...
TITEL 3. - Naleving van de reglementering betre...
TITEL 4. - Sancties en andere maatregelen
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
HOOFDSTUK 2. - Bijzondere bepalingen
Afdeling 1. - Bijkomende gerechtelijke straffen
Afdeling 2. - Alternatieve of bijkomende admini...
HOOFDSTUK 3. - Procedure
Afdeling 1. - Strafvorderingsprocedure
Afdeling 2. - Administratieve procedure
HOOFDSTUK 4. - Inning van de administratieve boete
TITEL 5. - Slotbepalingen en overgangsbepalingen
Inhoud
TITRE 1er. - Disposition générale et définitions
TITRE 2. - Obligations du public et des voyageurs
CHAPITRE 1er. - Obligations du public en général
Section 1re. - Généralités
Section 2. - Des endroits non accessibles au pu...
Section 3. - Des endroits accessibles au public...
CHAPITRE 2. - Obligations des voyageurs
Section 1re. - Généralités
Section 2. - Titres de transport
Section 3. - Redevances passagers
CHAPITRE 3. - Mesures relatives à la conservati...
TITRE 3. - Respect de la réglementation relativ...
TITRE 4. - Sanctions et autres mesures
CHAPITRE 1er. - Généralités
CHAPITRE 2. - Dispositions particulières
Section 1re. - Peines judiciaires accessoires
Section 2. - Mesures administratives alternativ...
CHAPITRE 3. - Procédure
Section 1re. - Procédure relative à l'action pé...
Section 2. - Procédure administrative
CHAPITRE 4. - Perception de l'amende administra...
TITRE 5. - Dispositions finales et transitoires
Tekst (79)
Texte (79)
TITEL 1. - Algemene bepaling en definities
TITRE 1er. - Disposition générale et définitions
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art.2. Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder:
1° Vervoersvoorwaarden: alle bepalingen die de relaties tussen de reiziger en de spoorwegonderneming regelen of, de bepalingen bedoeld in de artikelen 13, 16 en 17 van de wet van 25 augustus 1891 tot herziening van het Wetboek van Koophandel betreffende de vervoersovereenkomst, voor zover die er betrekking op hebben. Deze bepalingen hebben een reglementair karakter vanaf het ogenblik van hun publicatie met een bericht in het Belgisch Staatsblad;
2° Spoorweginfrastructuur: alle elementen die bedoeld zijn in bijlage 23 van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex;
3° Infrastructuurbeheerder: elke instantie of onderneming die in het bijzonder belast is met de totstandbrenging, het beheer en het onderhoud van de spoorweginfrastructuur, met inbegrip van de verkeersleiding, het seingevings- en besturingssysteem. De taken van de infrastructuurbeheerder op een net of een deel van een net kunnen aan verschillende instanties of ondernemingen worden toegewezen;
4° Spoorwegonderneming: elke publiek- of privaatrechtelijke onderneming met een vergunning overeenkomstig de toepasselijke Europese wetgeving waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het leveren van spoorwegvervoerdiensten voor goederen en/of reizigers, waarbij die onderneming voor de tractie moet zorgen; hiertoe behoren ook ondernemingen die uitsluitend de tractie leveren;
5° Station: de ruimte die, naargelang het geval, bestaat uit:
- het stationsgebouw, zijnde het gebouw waar de reizigers een vervoerbewijs kunnen kopen of op de trein wachten, met inbegrip van de ruimtes die deel uitmaken van ditzelfde gebouw en waartoe het publiek geen toegang heeft;
- de stopplaats, zijnde de plaats, zonder dat het een stationsgebouw betreft, waar reizigers kunnen op- of afstappen volgens de vastgestelde dienstregeling;
- de stationsaanhorigheden, zoals bijvoorbeeld de perrons, de boven- en ondergrondse toegangswegen naar de perrons, de wachtruimtes, de sanitaire voorzieningen, de parkings behorende bij het station, de fietsenstallingen en in het algemeen de andere plaatsen van het spoorwegdomein die toegankelijk zijn voor het publiek en alle plaatsen die beheerd worden door de stationsbeheerder;
6° Stationsbeheerder: de rechtspersoon die instaat voor het beheer van één of meerdere stations of gedeelten van stations;
7° Spoorverkeer: alle verkeer van spoorvoertuigen op spoorwegen die onder het beheer vallen van de infrastructuurbeheerder;
8° Spoorvoertuig: voertuig dat geschikt is om zich met of zonder tractie op eigen wielen voort te bewegen over spoorlijnen. Worden met name bedoeld, de locomotieven, de (elektrische) motorstellen, de (diesel-)motorwagens en het gesleept treinmaterieel;
9° Trein: geheel van spoorvoertuigen;
10° Reiziger: iedere persoon die zich per trein tussen stations en/of stopplaatsen verplaatst;
11° Stationsverbod: het verbod om zich in de stations te bevinden;
12° Treinverbod: het verbod om zich in de spoorvoertuigen te bevinden;
13° Vervoerbewijs: ieder materieel of gedematerialiseerd bewijs, ongeacht de vorm, dat aantoont dat er een vervoerovereenkomst gesloten is tussen een reiziger en een spoorwegonderneming;
14° Geldig vervoerbewijs: vervoerbewijs dat conform de vervoersvoorwaarden gebruikt wordt;
15° Passagiersvergoeding: de vergoeding waarin artikel 12 van de wet van 30 april 2007 houdende dringende spoorwegbepalingen voorziet;
16° Veiligheidsdienst: de dienst die door de bevoegde federale overheden wordt aangewezen om de opdrachten van openbare dienst betreffende de veiligheids- en bewakingsactiviteiten op het gebied van de spoorwegen uit te voeren;
17° Vaststellende beambten: de personeelsleden van de stationsbeheerder, van de infrastructuurbeheerder, van de spoorwegondernemingen en van de veiligheidsdienst, aangewezen door de Koning en daartoe beëdigd;
18° Bestraffende beambten: beambten aangewezen onder het personeel van de stationsbeheerder, van de infrastructuurbeheerder en van de spoorwegondernemingen belast met taken van openbare dienst en met de hoedanigheid van een administratieve overheid, belast met het opleggen van de boetes en andere administratieve maatregelen waarin Titel 4 voorziet. De bestraffende beambte kan niet dezelfde persoon zijn als de vaststellende beambte maar mag tot hetzelfde bedrijf of dezelfde eenheid behoren op voorwaarde dat hij of zij behoort tot een verschillende en onderscheiden dienst die een totaal onafhankelijk optreden waarborgt;
19° Werkdag: weekdag van maandag tot en met vrijdag, met uitzondering van de wettelijke feestdagen.
1° Vervoersvoorwaarden: alle bepalingen die de relaties tussen de reiziger en de spoorwegonderneming regelen of, de bepalingen bedoeld in de artikelen 13, 16 en 17 van de wet van 25 augustus 1891 tot herziening van het Wetboek van Koophandel betreffende de vervoersovereenkomst, voor zover die er betrekking op hebben. Deze bepalingen hebben een reglementair karakter vanaf het ogenblik van hun publicatie met een bericht in het Belgisch Staatsblad;
2° Spoorweginfrastructuur: alle elementen die bedoeld zijn in bijlage 23 van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex;
3° Infrastructuurbeheerder: elke instantie of onderneming die in het bijzonder belast is met de totstandbrenging, het beheer en het onderhoud van de spoorweginfrastructuur, met inbegrip van de verkeersleiding, het seingevings- en besturingssysteem. De taken van de infrastructuurbeheerder op een net of een deel van een net kunnen aan verschillende instanties of ondernemingen worden toegewezen;
4° Spoorwegonderneming: elke publiek- of privaatrechtelijke onderneming met een vergunning overeenkomstig de toepasselijke Europese wetgeving waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het leveren van spoorwegvervoerdiensten voor goederen en/of reizigers, waarbij die onderneming voor de tractie moet zorgen; hiertoe behoren ook ondernemingen die uitsluitend de tractie leveren;
5° Station: de ruimte die, naargelang het geval, bestaat uit:
- het stationsgebouw, zijnde het gebouw waar de reizigers een vervoerbewijs kunnen kopen of op de trein wachten, met inbegrip van de ruimtes die deel uitmaken van ditzelfde gebouw en waartoe het publiek geen toegang heeft;
- de stopplaats, zijnde de plaats, zonder dat het een stationsgebouw betreft, waar reizigers kunnen op- of afstappen volgens de vastgestelde dienstregeling;
- de stationsaanhorigheden, zoals bijvoorbeeld de perrons, de boven- en ondergrondse toegangswegen naar de perrons, de wachtruimtes, de sanitaire voorzieningen, de parkings behorende bij het station, de fietsenstallingen en in het algemeen de andere plaatsen van het spoorwegdomein die toegankelijk zijn voor het publiek en alle plaatsen die beheerd worden door de stationsbeheerder;
6° Stationsbeheerder: de rechtspersoon die instaat voor het beheer van één of meerdere stations of gedeelten van stations;
7° Spoorverkeer: alle verkeer van spoorvoertuigen op spoorwegen die onder het beheer vallen van de infrastructuurbeheerder;
8° Spoorvoertuig: voertuig dat geschikt is om zich met of zonder tractie op eigen wielen voort te bewegen over spoorlijnen. Worden met name bedoeld, de locomotieven, de (elektrische) motorstellen, de (diesel-)motorwagens en het gesleept treinmaterieel;
9° Trein: geheel van spoorvoertuigen;
10° Reiziger: iedere persoon die zich per trein tussen stations en/of stopplaatsen verplaatst;
11° Stationsverbod: het verbod om zich in de stations te bevinden;
12° Treinverbod: het verbod om zich in de spoorvoertuigen te bevinden;
13° Vervoerbewijs: ieder materieel of gedematerialiseerd bewijs, ongeacht de vorm, dat aantoont dat er een vervoerovereenkomst gesloten is tussen een reiziger en een spoorwegonderneming;
14° Geldig vervoerbewijs: vervoerbewijs dat conform de vervoersvoorwaarden gebruikt wordt;
15° Passagiersvergoeding: de vergoeding waarin artikel 12 van de wet van 30 april 2007 houdende dringende spoorwegbepalingen voorziet;
16° Veiligheidsdienst: de dienst die door de bevoegde federale overheden wordt aangewezen om de opdrachten van openbare dienst betreffende de veiligheids- en bewakingsactiviteiten op het gebied van de spoorwegen uit te voeren;
17° Vaststellende beambten: de personeelsleden van de stationsbeheerder, van de infrastructuurbeheerder, van de spoorwegondernemingen en van de veiligheidsdienst, aangewezen door de Koning en daartoe beëdigd;
18° Bestraffende beambten: beambten aangewezen onder het personeel van de stationsbeheerder, van de infrastructuurbeheerder en van de spoorwegondernemingen belast met taken van openbare dienst en met de hoedanigheid van een administratieve overheid, belast met het opleggen van de boetes en andere administratieve maatregelen waarin Titel 4 voorziet. De bestraffende beambte kan niet dezelfde persoon zijn als de vaststellende beambte maar mag tot hetzelfde bedrijf of dezelfde eenheid behoren op voorwaarde dat hij of zij behoort tot een verschillende en onderscheiden dienst die een totaal onafhankelijk optreden waarborgt;
19° Werkdag: weekdag van maandag tot en met vrijdag, met uitzondering van de wettelijke feestdagen.
Art.2. Pour l'application de cette loi, il faut entendre par :
1° Conditions de transport: l'ensemble des dispositions régissant les relations entre le voyageur et l'entreprise ferroviaire ou, lorsqu'elles sont concernées, les dispositions visées par les articles 13, 16 et 17 de la loi du 25 août 1891 portant révision du titre du Code de commerce concernant les contrats de transport. Ces dispositions ont un caractère règlementaire dès leur publication par voie d'avis dans le Moniteur belge;
2° Infrastructure ferroviaire: l'ensemble des éléments visés à l'annexe 23 de la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire;
3° Gestionnaire de l'infrastructure: tout organisme ou toute entreprise chargée en particulier de l'établissement, de la gestion et de l'entretien de l'infrastructure ferroviaire, y compris la gestion du trafic, et du système de signalisation et de contrôle-commande. Les fonctions de gestionnaire de l'infrastructure sur tout ou partie d'un réseau peuvent être attribuées à plusieurs organismes ou entreprises;
4° Entreprise ferroviaire: toute entreprise à statut privé ou public et titulaire d'une licence conformément à la législation européenne applicable, dont l'activité principale est la fourniture de prestations de transport de marchandises et/ou de voyageurs par chemin de fer, la traction devant obligatoirement être assurée par cette entreprise; ce terme recouvre aussi les entreprises qui assurent uniquement la traction;
5° Gare: espace qui, selon le cas, comprend :
- le bâtiment de la gare, à savoir le bâtiment où les voyageurs peuvent se procurer un titre de transport ou y attendre les trains, y compris les espaces faisant partie de ce même bâtiment auxquels le public n'a pas accès ;
- le point d'arrêt, à savoir l'endroit, sans qu'il s'agisse d'un bâtiment de la gare, où les voyageurs peuvent monter dans le train ou descendre du train selon l'horaire établi;
- les dépendances de la gare, comme par exemple les quais, les voies d'accès de surface et souterraines aux quais, les espaces d'attente, les équipements sanitaires, les parkings liés à la gare, les parkings pour deux-roues et, en général, les autres espaces du domaine ferroviaire accessibles au public et tous les espaces gérés par le gestionnaire de gare;
6° Gestionnaire de la gare: la personne morale à qui la gestion d'une ou plusieurs gares ou parties de gares a été confiée ;
7° Trafic ferroviaire: tout trafic de véhicules ferroviaires sur voies ferrées relevant de la gestion du gestionnaire de l'infrastructure;
8° Véhicule ferroviaire: véhicule apte à circuler sur ses propres roues sur une ligne ferroviaire, avec ou sans traction. Sont visés notamment les locomotives, les automotrices (électriques), les autorails (diesel) et le matériel ferroviaire remorqué;
9° Train: ensemble de véhicules ferroviaires;
10° Voyageur: toute personne qui se déplace en train entre des gares et/ou des points d'arrêts;
11° Interdiction de gare: interdiction de se trouver dans les gares;
12° Interdiction de train: interdiction de se trouver dans les véhicules ferroviaires;
13° Titre de transport: tout titre, quelle qu'en soit la forme, matérielle ou dématérialisée, attestant de l'existence d'un contrat de transport conclu entre un voyageur et une entreprise ferroviaire;
14° Titre de transport valable: titre de transport utilisé conformément aux conditions de transport;
15° Redevance passager: la redevance prévue par l'article 12 de la loi du 30 avril 2007 portant dispositions urgentes concernant le chemin de fer;
16° Service de sécurité: le service désigné par les autorités fédérales compétentes pour assurer les missions de service public relatives aux activités de sécurité et de gardiennage dans le domaine ferroviaire;
17° Agents constatateurs: les membres du personnel du gestionnaire de la gare, du gestionnaire de l'infrastructure, des entreprises ferroviaires et du service de sécurité, désignés par le Roi et assermentés à cette fin;
18° Agents sanctionnateurs: agents désignés au sein du personnel du gestionnaire de la gare, du gestionnaire de l'infrastructure et des entreprises ferroviaires chargées de missions de service public et ayant la qualité d'autorité administrative, chargés d'infliger les amendes et autres mesures administratives prévues au Titre 4. L'agent sanctionnateur ne peut pas être la même personne que l'agent constatateur, mais peut relever de la même société ou entité que celui-ci pour autant qu'il ou elle se trouve dans un service différent et séparé de manière à assurer sa totale indépendance d'action ;
19° Jour ouvré: jour de la semaine allant du lundi au vendredi inclus, à l'exception des jours fériés légaux.
1° Conditions de transport: l'ensemble des dispositions régissant les relations entre le voyageur et l'entreprise ferroviaire ou, lorsqu'elles sont concernées, les dispositions visées par les articles 13, 16 et 17 de la loi du 25 août 1891 portant révision du titre du Code de commerce concernant les contrats de transport. Ces dispositions ont un caractère règlementaire dès leur publication par voie d'avis dans le Moniteur belge;
2° Infrastructure ferroviaire: l'ensemble des éléments visés à l'annexe 23 de la loi du 30 août 2013 portant le Code ferroviaire;
3° Gestionnaire de l'infrastructure: tout organisme ou toute entreprise chargée en particulier de l'établissement, de la gestion et de l'entretien de l'infrastructure ferroviaire, y compris la gestion du trafic, et du système de signalisation et de contrôle-commande. Les fonctions de gestionnaire de l'infrastructure sur tout ou partie d'un réseau peuvent être attribuées à plusieurs organismes ou entreprises;
4° Entreprise ferroviaire: toute entreprise à statut privé ou public et titulaire d'une licence conformément à la législation européenne applicable, dont l'activité principale est la fourniture de prestations de transport de marchandises et/ou de voyageurs par chemin de fer, la traction devant obligatoirement être assurée par cette entreprise; ce terme recouvre aussi les entreprises qui assurent uniquement la traction;
5° Gare: espace qui, selon le cas, comprend :
- le bâtiment de la gare, à savoir le bâtiment où les voyageurs peuvent se procurer un titre de transport ou y attendre les trains, y compris les espaces faisant partie de ce même bâtiment auxquels le public n'a pas accès ;
- le point d'arrêt, à savoir l'endroit, sans qu'il s'agisse d'un bâtiment de la gare, où les voyageurs peuvent monter dans le train ou descendre du train selon l'horaire établi;
- les dépendances de la gare, comme par exemple les quais, les voies d'accès de surface et souterraines aux quais, les espaces d'attente, les équipements sanitaires, les parkings liés à la gare, les parkings pour deux-roues et, en général, les autres espaces du domaine ferroviaire accessibles au public et tous les espaces gérés par le gestionnaire de gare;
6° Gestionnaire de la gare: la personne morale à qui la gestion d'une ou plusieurs gares ou parties de gares a été confiée ;
7° Trafic ferroviaire: tout trafic de véhicules ferroviaires sur voies ferrées relevant de la gestion du gestionnaire de l'infrastructure;
8° Véhicule ferroviaire: véhicule apte à circuler sur ses propres roues sur une ligne ferroviaire, avec ou sans traction. Sont visés notamment les locomotives, les automotrices (électriques), les autorails (diesel) et le matériel ferroviaire remorqué;
9° Train: ensemble de véhicules ferroviaires;
10° Voyageur: toute personne qui se déplace en train entre des gares et/ou des points d'arrêts;
11° Interdiction de gare: interdiction de se trouver dans les gares;
12° Interdiction de train: interdiction de se trouver dans les véhicules ferroviaires;
13° Titre de transport: tout titre, quelle qu'en soit la forme, matérielle ou dématérialisée, attestant de l'existence d'un contrat de transport conclu entre un voyageur et une entreprise ferroviaire;
14° Titre de transport valable: titre de transport utilisé conformément aux conditions de transport;
15° Redevance passager: la redevance prévue par l'article 12 de la loi du 30 avril 2007 portant dispositions urgentes concernant le chemin de fer;
16° Service de sécurité: le service désigné par les autorités fédérales compétentes pour assurer les missions de service public relatives aux activités de sécurité et de gardiennage dans le domaine ferroviaire;
17° Agents constatateurs: les membres du personnel du gestionnaire de la gare, du gestionnaire de l'infrastructure, des entreprises ferroviaires et du service de sécurité, désignés par le Roi et assermentés à cette fin;
18° Agents sanctionnateurs: agents désignés au sein du personnel du gestionnaire de la gare, du gestionnaire de l'infrastructure et des entreprises ferroviaires chargées de missions de service public et ayant la qualité d'autorité administrative, chargés d'infliger les amendes et autres mesures administratives prévues au Titre 4. L'agent sanctionnateur ne peut pas être la même personne que l'agent constatateur, mais peut relever de la même société ou entité que celui-ci pour autant qu'il ou elle se trouve dans un service différent et séparé de manière à assurer sa totale indépendance d'action ;
19° Jour ouvré: jour de la semaine allant du lundi au vendredi inclus, à l'exception des jours fériés légaux.
TITEL 2. - Verplichtingen van het publiek en van de reizigers
TITRE 2. - Obligations du public et des voyageurs
HOOFDSTUK 1. - Verplichtingen van het publiek in het algemeen
CHAPITRE 1er. - Obligations du public en général
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Art.3. Iedereen in de stations, de treinen en de spoorweginfrastructuur dient zich te voegen naar de instructies van de politiediensten en van het personeel, al naargelang het geval, van de veiligheidsdienst, van de infrastructuurbeheerder, van de stationsbeheerder of van de spoorwegondernemingen dat in uniform is of drager is van ieder ander onderscheidend teken.
Deze instructies moeten in de gegeven omstandigheden erop gericht zijn om de veiligheid en de orde te handhaven.
Deze instructies moeten in de gegeven omstandigheden erop gericht zijn om de veiligheid en de orde te handhaven.
Art.3. Toute personne présente dans les gares, dans les trains ou dans l'infrastructure ferroviaire est tenue de se conformer aux instructions des services de police et du personnel, selon les cas, du service de sécurité, du gestionnaire de l'infrastructure, du gestionnaire de la gare ou des entreprises ferroviaires, revêtu de son uniforme ou porteur de tout autre signe distinctif.
Ces instructions doivent dans les circonstances données viser à sauvegarder la sécurité et à maintenir l'ordre.
Ces instructions doivent dans les circonstances données viser à sauvegarder la sécurité et à maintenir l'ordre.
Art.4. Onverminderd de in andere wetten bepaalde beperkingen en met name de bepalingen van de Spoorcodex met betrekking tot de opdrachten van de veiligheidsinstantie, van het bestuur belast met het spoorwegvervoer en van het toezichthoudende orgaan, zijn de verbodsmaatregelen bepaald in deze titel niet van toepassing op de leden:
- van de politiediensten;
- van de militaire diensten;
- van de hulpdiensten;
- van de veiligheidsdiensten;
bij de uitoefening van hun functies.
Ze worden niettemin geacht het geheel van normen en veiligheidsregels na te leven.
- van de politiediensten;
- van de militaire diensten;
- van de hulpdiensten;
- van de veiligheidsdiensten;
bij de uitoefening van hun functies.
Ze worden niettemin geacht het geheel van normen en veiligheidsregels na te leven.
Art.4. Sans préjudice des restrictions prévues par d'autres lois, et notamment les dispositions du Code ferroviaire relatives aux missions de l'autorité de sécurité, de l'administration chargée du transport ferroviaire et de l'organe de contrôle, les interdictions prévues au présent titre ne sont pas applicables aux membres :
- des services de police;
- des services militaires;
- des services de secours;
- des services de sécurité;
agissant dans l'exercice de leurs fonctions.
Ceux-ci sont néanmoins tenus de se conformer à l'ensemble des normes et règles de sécurité.
- des services de police;
- des services militaires;
- des services de secours;
- des services de sécurité;
agissant dans l'exercice de leurs fonctions.
Ceux-ci sont néanmoins tenus de se conformer à l'ensemble des normes et règles de sécurité.
Art.5. Het is verboden om:
1° het spoorverkeer te beletten, te hinderen, te vertragen of in gevaar te brengen en, in het algemeen, de spoorwegexploitatie op om het even welke wijze te verstoren;
2° de personen belast met de exploitatie van de spoorweginfrastructuur, van een station of met de levering van spoorwegvervoerdiensten te misleiden, hetzij door dienstseinen na te bootsen, te bedienen of te gebruiken, hetzij door valse seinen te geven;
3° voertuigen te laten stilstaan of te parkeren of voorwerpen van om het even welke aard neer te leggen op een plaats waar ze de gemakkelijke doorgang van de spoorvoertuigen of de normale werking van de spoorweginfrastructuur of de onderdelen ervan hinderen of het zicht op de seinen van de spoorweg belemmeren, behoudens toestemming vooraf van de infrastructuurbeheerder;
4° op enigerlei wijze de spoorweginfrastructuur, de stations of de spoorvoertuigen te bevuilen, te vernielen of te beschadigen;
5° tekens of afbeeldingen aan te brengen op of in de stations, de spoorweginfrastructuur of de spoorvoertuigen, of in deze zelfde installaties en spoorvoertuigen, zonder schriftelijke en voorafgaande toestemming, afhankelijk van het geval, van de betrokken stationsbeheerder, de infrastructuurbeheerder of van de spoorwegonderneming;
6° de goede werking van de alarm- of beschermingsvoorzieningen van de roltrappen, liften, rolpaden, draaideuren, automaten, telefoons of andere voorzieningen of uitrustingen die ter beschikking van het publiek worden gesteld of die dienen om hen te informeren, te hinderen of om ze opzettelijk op een andere dan de toegestane wijze te gebruiken.
1° het spoorverkeer te beletten, te hinderen, te vertragen of in gevaar te brengen en, in het algemeen, de spoorwegexploitatie op om het even welke wijze te verstoren;
2° de personen belast met de exploitatie van de spoorweginfrastructuur, van een station of met de levering van spoorwegvervoerdiensten te misleiden, hetzij door dienstseinen na te bootsen, te bedienen of te gebruiken, hetzij door valse seinen te geven;
3° voertuigen te laten stilstaan of te parkeren of voorwerpen van om het even welke aard neer te leggen op een plaats waar ze de gemakkelijke doorgang van de spoorvoertuigen of de normale werking van de spoorweginfrastructuur of de onderdelen ervan hinderen of het zicht op de seinen van de spoorweg belemmeren, behoudens toestemming vooraf van de infrastructuurbeheerder;
4° op enigerlei wijze de spoorweginfrastructuur, de stations of de spoorvoertuigen te bevuilen, te vernielen of te beschadigen;
5° tekens of afbeeldingen aan te brengen op of in de stations, de spoorweginfrastructuur of de spoorvoertuigen, of in deze zelfde installaties en spoorvoertuigen, zonder schriftelijke en voorafgaande toestemming, afhankelijk van het geval, van de betrokken stationsbeheerder, de infrastructuurbeheerder of van de spoorwegonderneming;
6° de goede werking van de alarm- of beschermingsvoorzieningen van de roltrappen, liften, rolpaden, draaideuren, automaten, telefoons of andere voorzieningen of uitrustingen die ter beschikking van het publiek worden gesteld of die dienen om hen te informeren, te hinderen of om ze opzettelijk op een andere dan de toegestane wijze te gebruiken.
Art.5. Il est interdit :
1° d'empêcher, d'entraver, de ralentir ou de mettre en danger le trafic ferroviaire et, de manière générale, de perturber l'exploitation ferroviaire, de quelque manière que ce soit ;
2° d'induire en erreur les personnes chargées de l'exploitation de l'infrastructure ferroviaire, d'une gare ou de la fourniture de services de transport ferroviaire, soit en imitant, en commandant ou en utilisant des signaux de service, soit en donnant de faux signaux ;
3° d'immobiliser ou de garer des véhicules ou de déposer des objets de quelque nature que ce soit, à un endroit où ils entravent, soit le passage aisé des véhicules ferroviaires, ou le fonctionnement normal de l'infrastructure ferroviaire ou de ses composantes, soit la vue sur les signaux de la voie ferrée, sauf autorisation préalable du gestionnaire de l'infrastructure ;
4° de souiller, de détruire ou d'endommager de quelque manière que ce soit l'infrastructure ferroviaire, les gares ou les véhicules ferroviaires ;
5° d'apposer des signes ou des images sur ou dans les gares, l'infrastructure ferroviaire ou les véhicules ferroviaires, ou dans ces mêmes installations et véhicules ferroviaires, sans autorisation écrite et préalable, selon le cas, du gestionnaire de la gare, du gestionnaire de l'infrastructure ou de l'entreprise ferroviaire concernés;
6° d'entraver le bon fonctionnement, ou de faire volontairement un autre usage que celui autorisé, des dispositifs d'alarme ou de protection des escalators, ascenseurs, tapis roulants, portes tournantes, distributeurs, téléphones ou autres dispositifs ou équipements mis à disposition du public ou servant à son information.
1° d'empêcher, d'entraver, de ralentir ou de mettre en danger le trafic ferroviaire et, de manière générale, de perturber l'exploitation ferroviaire, de quelque manière que ce soit ;
2° d'induire en erreur les personnes chargées de l'exploitation de l'infrastructure ferroviaire, d'une gare ou de la fourniture de services de transport ferroviaire, soit en imitant, en commandant ou en utilisant des signaux de service, soit en donnant de faux signaux ;
3° d'immobiliser ou de garer des véhicules ou de déposer des objets de quelque nature que ce soit, à un endroit où ils entravent, soit le passage aisé des véhicules ferroviaires, ou le fonctionnement normal de l'infrastructure ferroviaire ou de ses composantes, soit la vue sur les signaux de la voie ferrée, sauf autorisation préalable du gestionnaire de l'infrastructure ;
4° de souiller, de détruire ou d'endommager de quelque manière que ce soit l'infrastructure ferroviaire, les gares ou les véhicules ferroviaires ;
5° d'apposer des signes ou des images sur ou dans les gares, l'infrastructure ferroviaire ou les véhicules ferroviaires, ou dans ces mêmes installations et véhicules ferroviaires, sans autorisation écrite et préalable, selon le cas, du gestionnaire de la gare, du gestionnaire de l'infrastructure ou de l'entreprise ferroviaire concernés;
6° d'entraver le bon fonctionnement, ou de faire volontairement un autre usage que celui autorisé, des dispositifs d'alarme ou de protection des escalators, ascenseurs, tapis roulants, portes tournantes, distributeurs, téléphones ou autres dispositifs ou équipements mis à disposition du public ou servant à son information.
Art.6. Het is verboden voor al wie niet behoort tot het daartoe aangewezen personeel van de betrokken spoorwegonderneming, infrastructuurbeheerder, veiligheidsdienst of stationsbeheerder:
1° om de installaties van de spoorweginfrastructuur of bepaalde delen ervan die niet bestemd zijn voor het publiek of voor de reizigers, aan te raken of te bedienen, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de infrastructuurbeheerder;
2° om op de spoorweginfrastructuur te klimmen, met uitzondering van de toegang tot de perrons, of op de spoorvoertuigen, of om er aan te hangen, op om het even welke wijze;
3° om de spoorvoertuigen, de werktuigen, het materieel en onderdelen van roerende goederen bestemd voor de realisatie van de spoorwegvervoerdiensten, waarvan het gebruik door het publiek niet is toegestaan, aan te raken of te bedienen, op om het even welke wijze, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de spoorwegonderneming.
1° om de installaties van de spoorweginfrastructuur of bepaalde delen ervan die niet bestemd zijn voor het publiek of voor de reizigers, aan te raken of te bedienen, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de infrastructuurbeheerder;
2° om op de spoorweginfrastructuur te klimmen, met uitzondering van de toegang tot de perrons, of op de spoorvoertuigen, of om er aan te hangen, op om het even welke wijze;
3° om de spoorvoertuigen, de werktuigen, het materieel en onderdelen van roerende goederen bestemd voor de realisatie van de spoorwegvervoerdiensten, waarvan het gebruik door het publiek niet is toegestaan, aan te raken of te bedienen, op om het even welke wijze, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de spoorwegonderneming.
Art.6. Il est interdit à quiconque qui ne fait pas partie du personnel de l'entreprise ferroviaire, du gestionnaire de l'infrastructure, du service de sécurité, ou du gestionnaire de la gare concernés, autorisé à cet effet :
1° de toucher ou de manipuler, de quelque manière que ce soit, les installations de l'infrastructure ferroviaire ou certaines parties de celle-ci, qui ne sont pas destinées au public ou aux voyageurs, sauf autorisation écrite et préalable du gestionnaire de l'infrastructure ;
2° de monter sur l'infrastructure ferroviaire, sans préjudice de l'accès aux quais, ou sur les véhicules ferroviaires ou de s'y accrocher, et ce de quelque manière que ce soit ;
3° de toucher ou de manipuler, de quelque manière que ce soit, les véhicules ferroviaires, les outils, le matériel et les éléments de biens mobiliers destinés à la réalisation des services de transport ferroviaire, dont l'utilisation n'est pas autorisée au public, sauf autorisation écrite et préalable de l'entreprise ferroviaire.
1° de toucher ou de manipuler, de quelque manière que ce soit, les installations de l'infrastructure ferroviaire ou certaines parties de celle-ci, qui ne sont pas destinées au public ou aux voyageurs, sauf autorisation écrite et préalable du gestionnaire de l'infrastructure ;
2° de monter sur l'infrastructure ferroviaire, sans préjudice de l'accès aux quais, ou sur les véhicules ferroviaires ou de s'y accrocher, et ce de quelque manière que ce soit ;
3° de toucher ou de manipuler, de quelque manière que ce soit, les véhicules ferroviaires, les outils, le matériel et les éléments de biens mobiliers destinés à la réalisation des services de transport ferroviaire, dont l'utilisation n'est pas autorisée au public, sauf autorisation écrite et préalable de l'entreprise ferroviaire.
Afdeling 2. - Plaatsen die niet toegankelijk zijn voor het publiek
Section 2. - Des endroits non accessibles au public
Art.7. Het is verboden voor al wie niet behoort tot het daartoe aangewezen personeel van de betrokken spoorwegonderneming, infrastructuurbeheerder, veiligheidsdienst of stationsbeheerder:
1° de stationsgebouwen te betreden of er zich te bevinden buiten de openingsuren voor het publiek;
2° de gedeelten van de stations die bij middel van signaletica zijn aangegeven als verboden voor het publiek, binnen te gaan of er zich te bevinden, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de stationsbeheerder;
3° de gedeelten van de infrastructuur, die niet toegankelijk zijn voor het publiek, te betreden of er zich te bevinden, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de infrastructuurbeheerder;
4° de ruimtes van de spoorvoertuigen die bestemd zijn voor de besturing, de treinbegeleiding of het bagagerijtuig van deze spoorvoertuigen te betreden zonder toestemming;
5° zich zonder schriftelijke toestemming vooraf van de infrastructuurbeheerder te begeven of te verplaatsen op de spoorweginfrastructuur naast de rijbaan.
1° de stationsgebouwen te betreden of er zich te bevinden buiten de openingsuren voor het publiek;
2° de gedeelten van de stations die bij middel van signaletica zijn aangegeven als verboden voor het publiek, binnen te gaan of er zich te bevinden, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de stationsbeheerder;
3° de gedeelten van de infrastructuur, die niet toegankelijk zijn voor het publiek, te betreden of er zich te bevinden, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de infrastructuurbeheerder;
4° de ruimtes van de spoorvoertuigen die bestemd zijn voor de besturing, de treinbegeleiding of het bagagerijtuig van deze spoorvoertuigen te betreden zonder toestemming;
5° zich zonder schriftelijke toestemming vooraf van de infrastructuurbeheerder te begeven of te verplaatsen op de spoorweginfrastructuur naast de rijbaan.
Art.7. Il est interdit à quiconque qui ne fait pas partie du personnel de l'entreprise ferroviaire, du gestionnaire de l'infrastructure, du service de sécurité ou du gestionnaire de la gare concernés, autorisé à cet effet :
1° d'entrer dans les bâtiments de la gare ou de s'y trouver en dehors des heures d'ouverture au public;
2° d'entrer ou de se trouver dans les parties des gares qui, moyennant une signalétique appropriée, sont interdites au public, sauf autorisation écrite et préalable du gestionnaire de la gare;
3° d'entrer dans les parties de l'infrastructure ferroviaire non accessibles au public ou de s'y trouver, sauf autorisation écrite et préalable du gestionnaire de l'infrastructure;
4° de pénétrer sans autorisation dans les espaces des véhicules ferroviaires affectés à la conduite, à l'accompagnement des trains ou encore dans le fourgon de ces véhicules ferroviaires;
5° de s'engager ou de circuler, sans autorisation écrite préalable du gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire, sur l'infrastructure ferroviaire établie en dehors de la chaussée.
1° d'entrer dans les bâtiments de la gare ou de s'y trouver en dehors des heures d'ouverture au public;
2° d'entrer ou de se trouver dans les parties des gares qui, moyennant une signalétique appropriée, sont interdites au public, sauf autorisation écrite et préalable du gestionnaire de la gare;
3° d'entrer dans les parties de l'infrastructure ferroviaire non accessibles au public ou de s'y trouver, sauf autorisation écrite et préalable du gestionnaire de l'infrastructure;
4° de pénétrer sans autorisation dans les espaces des véhicules ferroviaires affectés à la conduite, à l'accompagnement des trains ou encore dans le fourgon de ces véhicules ferroviaires;
5° de s'engager ou de circuler, sans autorisation écrite préalable du gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire, sur l'infrastructure ferroviaire établie en dehors de la chaussée.
Afdeling 3. - Plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek of voor de reizigers
Section 3. - Des endroits accessibles au public ou aux voyageurs
Art.8. Het is verboden in de stations en in de spoorvoertuigen:
1° verontreiniging of beschadiging te veroorzaken, of de orde te verstoren, dan wel de rust van de aanwezigen door:
a) een klaarblijkelijke staat van onzindelijkheid;
b) ongepaste en ongewenste fysieke contacten;
c) storende, beledigende, onzedelijke, intimiderende of bedreigende uitlatingen of handelingen;
2° gewelddadig gedrag erop na te houden;
3° de uitrustingen, toestellen en werktuigen die aan de stationsbeheerder of aan een spoorwegonderneming toebehoren of door een van hen gebruikt worden en die niet bestemd zijn voor het publiek of voor de reizigers te gebruiken of zich ervan te bedienen;
4° dieren binnen te brengen, met uitzondering van tamme huisdieren, op voorwaarde dat alle voorzorgen genomen zijn om te voorkomen dat personen worden gekwetst, in gevaar komen of worden gehinderd en dat schade aan goederen wordt aangebracht, en dit met naleving van de voorwaarden betreffende de aanwezigheid van dieren in de spoorvoertuigen bepaald in de vervoersvoorwaarden van de betrokken spoorwegonderneming;
5° te roken, behalve [1 ...]1 in plaatsen toegestaan door de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook.
1° verontreiniging of beschadiging te veroorzaken, of de orde te verstoren, dan wel de rust van de aanwezigen door:
a) een klaarblijkelijke staat van onzindelijkheid;
b) ongepaste en ongewenste fysieke contacten;
c) storende, beledigende, onzedelijke, intimiderende of bedreigende uitlatingen of handelingen;
2° gewelddadig gedrag erop na te houden;
3° de uitrustingen, toestellen en werktuigen die aan de stationsbeheerder of aan een spoorwegonderneming toebehoren of door een van hen gebruikt worden en die niet bestemd zijn voor het publiek of voor de reizigers te gebruiken of zich ervan te bedienen;
4° dieren binnen te brengen, met uitzondering van tamme huisdieren, op voorwaarde dat alle voorzorgen genomen zijn om te voorkomen dat personen worden gekwetst, in gevaar komen of worden gehinderd en dat schade aan goederen wordt aangebracht, en dit met naleving van de voorwaarden betreffende de aanwezigheid van dieren in de spoorvoertuigen bepaald in de vervoersvoorwaarden van de betrokken spoorwegonderneming;
5° te roken, behalve [1 ...]1 in plaatsen toegestaan door de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook.
Art.8. Dans les gares et les véhicules ferroviaires, il est interdit:
1° d'occasionner des souillures ou des dégâts, ou de perturber l'ordre ou le calme des personnes présentes:
a) en se trouvant en état de malpropreté évident;
b) par des contacts physiques inappropriés et non consentis;
c) par des déclarations ou actes incommodants, offensants, immoraux, intimidants ou menaçants;
2° de se livrer à des comportements violents;
3° de se servir ou d'utiliser les équipements, appareils et outillages appartenant au gestionnaire de gare ou à une entreprise ferroviaire, ou exploités par l'un d'eux, et qui ne sont pas destinés au public ou aux voyageurs;
4° de faire entrer des animaux, sauf les animaux domestiques apprivoisés, à condition d'avoir pris toutes les précautions afin d'éviter de causer des lésions, du danger ou de la gêne aux personnes et des dommages aux biens, et ce dans le respect des conditions relatives à la présence d'animaux dans les véhicules ferroviaires, prévues par les conditions de transport de l'entreprise ferroviaire concernée;
5° de fumer, sauf [1 ...]1 dans les lieux autorisés par la loi du 22 décembre 2009 instaurant une réglementation générale relative à l'interdiction de fumer dans les lieux fermés accessibles au public et à la protection des travailleurs contre la fumée du tabac.
1° d'occasionner des souillures ou des dégâts, ou de perturber l'ordre ou le calme des personnes présentes:
a) en se trouvant en état de malpropreté évident;
b) par des contacts physiques inappropriés et non consentis;
c) par des déclarations ou actes incommodants, offensants, immoraux, intimidants ou menaçants;
2° de se livrer à des comportements violents;
3° de se servir ou d'utiliser les équipements, appareils et outillages appartenant au gestionnaire de gare ou à une entreprise ferroviaire, ou exploités par l'un d'eux, et qui ne sont pas destinés au public ou aux voyageurs;
4° de faire entrer des animaux, sauf les animaux domestiques apprivoisés, à condition d'avoir pris toutes les précautions afin d'éviter de causer des lésions, du danger ou de la gêne aux personnes et des dommages aux biens, et ce dans le respect des conditions relatives à la présence d'animaux dans les véhicules ferroviaires, prévues par les conditions de transport de l'entreprise ferroviaire concernée;
5° de fumer, sauf [1 ...]1 dans les lieux autorisés par la loi du 22 décembre 2009 instaurant une réglementation générale relative à l'interdiction de fumer dans les lieux fermés accessibles au public et à la protection des travailleurs contre la fumée du tabac.
Wijzigingen
Art.9. Het is verboden in de stations en in de spoorvoertuigen, behoudens toestemming vooraf, afhankelijk van het geval, van de stationsbeheerder, van zijn gemachtigd filiaal of van de spoorwegonderneming:
1° enig voorwerp of document te verkopen of uit te reiken;
2° enige dienst tegen betaling aan te bieden;
3° beroepen uit te oefenen, activiteiten of gedragingen te ontwikkelen, van om het even welke aard, die de reizigers zouden kunnen hinderen bij het onbelemmerd gebruikmaken van de diensten van de stationsbeheerder of van de diensten van spoorwegvervoer;
4° om het even welke show op te zetten, al dan niet gepaard gaand met een geldinzameling;
5° zich voort te bewegen door middel van elk "voertuig" in de zin van artikel 2.14 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, met uitzondering van elk toestel die het mogelijk maakt dat een persoon met beperkte mobiliteit zich kan verplaatsen.
1° enig voorwerp of document te verkopen of uit te reiken;
2° enige dienst tegen betaling aan te bieden;
3° beroepen uit te oefenen, activiteiten of gedragingen te ontwikkelen, van om het even welke aard, die de reizigers zouden kunnen hinderen bij het onbelemmerd gebruikmaken van de diensten van de stationsbeheerder of van de diensten van spoorwegvervoer;
4° om het even welke show op te zetten, al dan niet gepaard gaand met een geldinzameling;
5° zich voort te bewegen door middel van elk "voertuig" in de zin van artikel 2.14 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, met uitzondering van elk toestel die het mogelijk maakt dat een persoon met beperkte mobiliteit zich kan verplaatsen.
Art.9. Dans les gares et les véhicules ferroviaires, il est interdit, sauf autorisation préalable, selon le cas, du gestionnaire de gare, de sa filiale habilitée ou de l'entreprise ferroviaire:
1° de vendre ou de distribuer quelqu'objet ou document que ce soit;
2° d'offrir quelque service rémunéré que ce soit;
3° de se livrer à l'exercice d'une profession, de développer une activité ou un comportement, de quelque nature que ce soit, susceptibles d'empêcher les voyageurs de jouir sans entrave des services du gestionnaire de la gare ou des services de transport ferroviaire;
4° de monter quelque spectacle que ce soit, allant ou non de pair avec une collecte d'argent;
5° de se déplacer à l'aide de tout "véhicule" au sens de l'article 2.14 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique, à l'exception des dispositifs permettant le déplacement d'une personne à mobilité réduite.
1° de vendre ou de distribuer quelqu'objet ou document que ce soit;
2° d'offrir quelque service rémunéré que ce soit;
3° de se livrer à l'exercice d'une profession, de développer une activité ou un comportement, de quelque nature que ce soit, susceptibles d'empêcher les voyageurs de jouir sans entrave des services du gestionnaire de la gare ou des services de transport ferroviaire;
4° de monter quelque spectacle que ce soit, allant ou non de pair avec une collecte d'argent;
5° de se déplacer à l'aide de tout "véhicule" au sens de l'article 2.14 de l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique, à l'exception des dispositifs permettant le déplacement d'une personne à mobilité réduite.
Art.10. Het is verboden te bedelen in de spoorvoertuigen en overlast te bezorgen in de stations door er op een opdringerige of agressieve wijze te bedelen.
Art.10. Il est interdit de mendier dans les véhicules ferroviaires et il est interdit de provoquer des nuisances dans les gares par le fait de mendier de manière envahissante ou agressive.
Art.11. § 1. Het verkeer, het stilstaan en het parkeren van voertuigen in de stations, met inbegrip van de parkings die worden beheerd door de stationsbeheerder of door een filiaal, is slechts toegelaten onder de voorwaarden vastgesteld door, al naar het geval, de stationsbeheerder of een filiaal.
Deze voorwaarden worden zichtbaar uitgehangen aan de ingang van de plaatsen waarop ze betrekking hebben, of bepaald in de algemene voorwaarden van de betrokken stationsbeheerder of parkingbeheerder en ze zijn tegenstelbaar aan eenieder.
Deze voorwaarden houden onder meer in:
1° dat gemarkeerde parkeerplaatsen kosteloos of tegen een specifiek tarief worden voorbehouden voor reizigers met een geldig vervoerbewijs waarvan de categorie, naargelang het geval, gepreciseerd is, of voor het personeel, naargelang het geval, van de infrastructuurbeheerder, van een spoorwegonderneming of van andere bedrijven;
2° dat niet voorbehouden gemarkeerde parkeerplaatsen uitsluitend kunnen worden gebruikt mits het parkeergeld tegen volle prijs wordt betaald.
§ 2. Het is verboden om:
1° zijn voertuig te besturen, tot stilstand te brengen of te parkeren in strijd met de voorwaarden bedoeld in § 1, eerste lid;
2° het verkeer op de parkings op enigerlei wijze te hinderen of in gevaar te brengen, met name door de wijze waarop men zijn voertuig parkeert.
Deze voorwaarden worden zichtbaar uitgehangen aan de ingang van de plaatsen waarop ze betrekking hebben, of bepaald in de algemene voorwaarden van de betrokken stationsbeheerder of parkingbeheerder en ze zijn tegenstelbaar aan eenieder.
Deze voorwaarden houden onder meer in:
1° dat gemarkeerde parkeerplaatsen kosteloos of tegen een specifiek tarief worden voorbehouden voor reizigers met een geldig vervoerbewijs waarvan de categorie, naargelang het geval, gepreciseerd is, of voor het personeel, naargelang het geval, van de infrastructuurbeheerder, van een spoorwegonderneming of van andere bedrijven;
2° dat niet voorbehouden gemarkeerde parkeerplaatsen uitsluitend kunnen worden gebruikt mits het parkeergeld tegen volle prijs wordt betaald.
§ 2. Het is verboden om:
1° zijn voertuig te besturen, tot stilstand te brengen of te parkeren in strijd met de voorwaarden bedoeld in § 1, eerste lid;
2° het verkeer op de parkings op enigerlei wijze te hinderen of in gevaar te brengen, met name door de wijze waarop men zijn voertuig parkeert.
Art.11. § 1er. La circulation, l'arrêt et le stationnement de véhicules dans les gares, y compris sur les parkings gérés par le gestionnaire de gare ou une filiale, ne sont autorisés qu'aux conditions établies par, selon le cas, le gestionnaire de la gare ou une filiale.
Ces conditions sont affichées de façon visible à l'entrée des endroits concernés, ou stipulées dans les conditions générales du gestionnaire de la gare ou du gestionnaire de parking concerné, et sont opposables à quiconque.
Ces conditions stipulent notamment que:
1° des places de stationnement marquées sont réservées, gratuitement ou à un tarif spécifique, aux voyageurs titulaires d'un titre de transport valable dont la catégorie est, selon le cas, précisée, ou au personnel, selon le cas, du gestionnaire de l'infrastructure, d'une entreprise ferroviaire ou d'autres sociétés;
2° des places de stationnement marquées non réservées ne peuvent être utilisées que moyennant paiement du prix de stationnement au plein tarif.
§ 2. Il est interdit:
1° de circuler, d'arrêter ou de stationner son véhicule en contradiction avec les conditions visées au § 1er, alinéa 1er;
2° d'entraver ou mettre en danger, de quelque façon que ce soit, la circulation dans les parkings, notamment par la manière dont est stationné le propre véhicule.
Ces conditions sont affichées de façon visible à l'entrée des endroits concernés, ou stipulées dans les conditions générales du gestionnaire de la gare ou du gestionnaire de parking concerné, et sont opposables à quiconque.
Ces conditions stipulent notamment que:
1° des places de stationnement marquées sont réservées, gratuitement ou à un tarif spécifique, aux voyageurs titulaires d'un titre de transport valable dont la catégorie est, selon le cas, précisée, ou au personnel, selon le cas, du gestionnaire de l'infrastructure, d'une entreprise ferroviaire ou d'autres sociétés;
2° des places de stationnement marquées non réservées ne peuvent être utilisées que moyennant paiement du prix de stationnement au plein tarif.
§ 2. Il est interdit:
1° de circuler, d'arrêter ou de stationner son véhicule en contradiction avec les conditions visées au § 1er, alinéa 1er;
2° d'entraver ou mettre en danger, de quelque façon que ce soit, la circulation dans les parkings, notamment par la manière dont est stationné le propre véhicule.
HOOFDSTUK 2. - Verplichtingen van de reizigers
CHAPITRE 2. - Obligations des voyageurs
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Art.12. Het is verboden voor de reizigers om in of uit een spoorvoertuig te stappen:
1° als de trein reeds rijdt of voordat hij volledig tot stilstand is gekomen;
2° bij de opening en sluiting van de deuren van het spoorvoertuig;
3° wanneer het personeel van de betrokken spoorwegonderneming dit verbiedt;
4° buiten de perrons en de stopplaatsen, behalve op uitdrukkelijk verzoek van het personeel van de betrokken spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder;
5° langs andere in- of uitgangen dan deze bestemd voor het in- of uitstappen van reizigers, behalve op uitdrukkelijk verzoek van het personeel van de betrokken spoorwegonderneming of van de infrastructuurbeheerder.
1° als de trein reeds rijdt of voordat hij volledig tot stilstand is gekomen;
2° bij de opening en sluiting van de deuren van het spoorvoertuig;
3° wanneer het personeel van de betrokken spoorwegonderneming dit verbiedt;
4° buiten de perrons en de stopplaatsen, behalve op uitdrukkelijk verzoek van het personeel van de betrokken spoorwegonderneming of de infrastructuurbeheerder;
5° langs andere in- of uitgangen dan deze bestemd voor het in- of uitstappen van reizigers, behalve op uitdrukkelijk verzoek van het personeel van de betrokken spoorwegonderneming of van de infrastructuurbeheerder.
Art.12. Il est interdit aux voyageurs de monter dans un véhicule ferroviaire ou de descendre d'un véhicule ferroviaire:
1° lorsque le train est déjà en marche ou avant son arrêt complet;
2° lors de l'ouverture et de la fermeture des portes du véhicule ferroviaire;
3° lorsque le personnel de l'entreprise ferroviaire concernée l'interdit;
4° en dehors des quais et des arrêts, sauf sur demande expresse du personnel de l'entreprise ferroviaire concernée ou du gestionnaire de l'infrastructure;
5° le long d'autres entrées ou sorties que celles prévues pour la montée ou la descente des voyageurs, sauf sur demande expresse du personnel de l'entreprise ferroviaire concernée ou du gestionnaire de l'infrastructure.
1° lorsque le train est déjà en marche ou avant son arrêt complet;
2° lors de l'ouverture et de la fermeture des portes du véhicule ferroviaire;
3° lorsque le personnel de l'entreprise ferroviaire concernée l'interdit;
4° en dehors des quais et des arrêts, sauf sur demande expresse du personnel de l'entreprise ferroviaire concernée ou du gestionnaire de l'infrastructure;
5° le long d'autres entrées ou sorties que celles prévues pour la montée ou la descente des voyageurs, sauf sur demande expresse du personnel de l'entreprise ferroviaire concernée ou du gestionnaire de l'infrastructure.
Art.13. Het is verboden in de spoorvoertuigen:
1° uit de spoorrijtuigen te hangen of de buitendeuren ervan te openen vóór de trein volledig stilstaat;
2° op welke wijze ook de werking van alarm-, veiligheids-, beschermings-, informatie- en verluchtingsvoorzieningen of voorzieningen voor het openen en sluiten van de deuren te hinderen, evenals om deze te gebruiken buiten de gevallen waarin de consignes van de spoorwegonderneming voorzien;
3° te reizen met voorwerpen die door hun aanwezigheid of gebruik de andere reizigers of het personeel van de betrokken spoorwegonderneming kunnen hinderen of in gevaar kunnen brengen;
4° vensters, deuren of andere voorzieningen te bedienen of te gebruiken, hetzij omdat die niet bestemd zijn voor gebruik door reizigers, hetzij omdat het niet is voorgeschreven in de consignes van de spoorwegonderneming;
5° enig voorwerp of enige stof uit het spoorvoertuig te gooien.
1° uit de spoorrijtuigen te hangen of de buitendeuren ervan te openen vóór de trein volledig stilstaat;
2° op welke wijze ook de werking van alarm-, veiligheids-, beschermings-, informatie- en verluchtingsvoorzieningen of voorzieningen voor het openen en sluiten van de deuren te hinderen, evenals om deze te gebruiken buiten de gevallen waarin de consignes van de spoorwegonderneming voorzien;
3° te reizen met voorwerpen die door hun aanwezigheid of gebruik de andere reizigers of het personeel van de betrokken spoorwegonderneming kunnen hinderen of in gevaar kunnen brengen;
4° vensters, deuren of andere voorzieningen te bedienen of te gebruiken, hetzij omdat die niet bestemd zijn voor gebruik door reizigers, hetzij omdat het niet is voorgeschreven in de consignes van de spoorwegonderneming;
5° enig voorwerp of enige stof uit het spoorvoertuig te gooien.
Art.13. Dans les véhicules ferroviaires, il est interdit:
1° de se pencher hors des véhicules ferroviaires ou d'ouvrir leurs portes avant l'arrêt complet du train;
2° d'entraver de quelque manière que ce soit le fonctionnement des dispositifs d'alarme, de sécurité, de protection, d'information ou de ventilation ou des dispositifs d'ouverture et de fermeture des portes, ainsi que de les utiliser en dehors des cas prévus par les consignes de l'entreprise ferroviaire;
3° de voyager avec des objets qui, par leur présence ou leur utilisation, peuvent gêner ou mettre en danger les autres passagers ou le personnel de l'entreprise ferroviaire concernée;
4° de manipuler ou utiliser des fenêtres, portes ou autres dispositifs, soit lorsqu'ils ne sont pas destinés à l'usage des voyageurs, soit en dehors des cas prévus par les consignes de l'entreprise ferroviaire;
5° de jeter hors du véhicule ferroviaire quelque objet ou substance.
1° de se pencher hors des véhicules ferroviaires ou d'ouvrir leurs portes avant l'arrêt complet du train;
2° d'entraver de quelque manière que ce soit le fonctionnement des dispositifs d'alarme, de sécurité, de protection, d'information ou de ventilation ou des dispositifs d'ouverture et de fermeture des portes, ainsi que de les utiliser en dehors des cas prévus par les consignes de l'entreprise ferroviaire;
3° de voyager avec des objets qui, par leur présence ou leur utilisation, peuvent gêner ou mettre en danger les autres passagers ou le personnel de l'entreprise ferroviaire concernée;
4° de manipuler ou utiliser des fenêtres, portes ou autres dispositifs, soit lorsqu'ils ne sont pas destinés à l'usage des voyageurs, soit en dehors des cas prévus par les consignes de l'entreprise ferroviaire;
5° de jeter hors du véhicule ferroviaire quelque objet ou substance.
Afdeling 2. - Vervoerbewijzen
Section 2. - Titres de transport
Art.14. § 1. In de gevallen en volgens de nadere regels waarin de vervoersvoorwaarden van de betrokken spoorwegonderneming voorzien, zijn de spoorvoertuigen die bestemd zijn voor de reizigers enkel toegankelijk voor de reizigers die in het bezit zijn van een geldig vervoerbewijs. Indien de controle van de geldigheid van een vervoerbewijs de controle noodzakelijk maakt van de identiteit van de reiziger, dan is deze laatste ertoe gehouden om een identiteitsstuk voorzien van een foto voor te leggen, dat de identiteit kan aantonen. Bij gebrek hieraan zal de reiziger worden beschouwd als zijnde niet in het bezit van een geldig vervoerbewijs.
De spoorwegonderneming kan in haar algemene vervoersvoorwaarden een aantal gevallen omschrijven waarin de spoorvoertuigen toch toegankelijk zijn voor personen die op het ogenblik dat ze instappen niet over een geldig vervoerbewijs beschikken.
Reizigers zonder geldig vervoerbewijs dienen zich in regel te stellen conform de vervoersvoorwaarden van de betrokken spoorwegonderneming, door betaling van de sommen die in deze vervoersvoorwaarden bepaald zijn.
§ 2. De perrons zijn enkel toegankelijk voor de reizigers die, conform de vervoersvoorwaarden van de betrokken spoorwegonderneming, in het bezit zijn van een geldig vervoerbewijs en voor de personen die een reiziger begeleiden bij diens vertrek of op de aankomst van een reiziger wachten.
Onverminderd het eerste lid kan de spoorwegonderneming in haar vervoersvoorwaarden, in overleg met de infrastructuurbeheerder of de stationsbeheerder, een aantal gevallen definiëren waarin de perrons toch toegankelijk zijn voor personen zonder geldig vervoerbewijs.
De spoorwegonderneming kan in haar algemene vervoersvoorwaarden een aantal gevallen omschrijven waarin de spoorvoertuigen toch toegankelijk zijn voor personen die op het ogenblik dat ze instappen niet over een geldig vervoerbewijs beschikken.
Reizigers zonder geldig vervoerbewijs dienen zich in regel te stellen conform de vervoersvoorwaarden van de betrokken spoorwegonderneming, door betaling van de sommen die in deze vervoersvoorwaarden bepaald zijn.
§ 2. De perrons zijn enkel toegankelijk voor de reizigers die, conform de vervoersvoorwaarden van de betrokken spoorwegonderneming, in het bezit zijn van een geldig vervoerbewijs en voor de personen die een reiziger begeleiden bij diens vertrek of op de aankomst van een reiziger wachten.
Onverminderd het eerste lid kan de spoorwegonderneming in haar vervoersvoorwaarden, in overleg met de infrastructuurbeheerder of de stationsbeheerder, een aantal gevallen definiëren waarin de perrons toch toegankelijk zijn voor personen zonder geldig vervoerbewijs.
Art.14. § 1er. Dans les cas et les modalités prévues dans les conditions de transport de l'entreprise ferroviaire concernée, les véhicules ferroviaires destinés aux voyageurs ne sont accessibles qu'aux voyageurs qui détiennent un titre de transport valable. Si le contrôle de la validité d'un titre de transport nécessite de vérifier l'identité du voyageur, ce dernier est tenu de présenter une pièce d'identité comprenant une photographie et pouvant établir son identité. A défaut, le voyageur sera traité comme ne disposant pas d'un titre de transport valable.
L'entreprise ferroviaire peut définir, dans ses conditions de transport générales, un nombre de cas où les véhicules ferroviaires sont néanmoins accessibles aux personnes sans titre de transport valable lors de l'embarquement.
En l'absence de titre de transport valable, les voyageurs sont tenus de se régulariser, conformément aux conditions de transport de l'entreprise ferroviaire concernée, par le paiement des sommes prévues dans ces conditions de transport.
§ 2. Les quais ne sont accessibles qu'aux voyageurs qui, conformément aux conditions de transport de l'entreprise ferroviaire concernée, détiennent un titre de transport valable et aux personnes qui accompagnent un voyageur avant son départ ou attendent l'arrivée d'un voyageur.
Sans préjudice de l'alinéa 1er , l'entreprise ferroviaire peut définir dans ses conditions de transport, en concertation avec le gestionnaire de l'infrastructure ou de la gare, un nombre de cas où les quais sont néanmoins accessibles aux personnes sans titre de transport valable.
L'entreprise ferroviaire peut définir, dans ses conditions de transport générales, un nombre de cas où les véhicules ferroviaires sont néanmoins accessibles aux personnes sans titre de transport valable lors de l'embarquement.
En l'absence de titre de transport valable, les voyageurs sont tenus de se régulariser, conformément aux conditions de transport de l'entreprise ferroviaire concernée, par le paiement des sommes prévues dans ces conditions de transport.
§ 2. Les quais ne sont accessibles qu'aux voyageurs qui, conformément aux conditions de transport de l'entreprise ferroviaire concernée, détiennent un titre de transport valable et aux personnes qui accompagnent un voyageur avant son départ ou attendent l'arrivée d'un voyageur.
Sans préjudice de l'alinéa 1er , l'entreprise ferroviaire peut définir dans ses conditions de transport, en concertation avec le gestionnaire de l'infrastructure ou de la gare, un nombre de cas où les quais sont néanmoins accessibles aux personnes sans titre de transport valable.
Art.15. Het is verboden zich te bevinden:
1° in de spoorvoertuigen, anders dan onder de voorwaarden bedoeld in artikel 14, § 1;
2° op de perrons, anders dan onder de voorwaarden bedoeld in artikel 14, § 2.
1° in de spoorvoertuigen, anders dan onder de voorwaarden bedoeld in artikel 14, § 1;
2° op de perrons, anders dan onder de voorwaarden bedoeld in artikel 14, § 2.
Art.15. Il est interdit de se trouver:
1° dans les véhicules ferroviaires, autrement qu'aux conditions visées à l'article 14, § 1er;
2° sur les quais, autrement qu'aux conditions visées à l'article 14, § 2.
1° dans les véhicules ferroviaires, autrement qu'aux conditions visées à l'article 14, § 1er;
2° sur les quais, autrement qu'aux conditions visées à l'article 14, § 2.
Art.16. Het is verboden een vervoerbewijs te vervalsen of na te maken, of de identiteit van een derde te misbruiken.
Art.16. Il est interdit de falsifier ou de contrefaire un titre de transport ou d'usurper l'identité d'un tiers.
Art.17. De personen die zich op de plaatsen bevinden waarvan de toegang uitsluitend is voorbehouden aan de reizigers die in het bezit zijn van een geldig vervoerbewijs dienen hun vervoerbewijs of, in voorkomend geval, ieder ander document waarin de vervoersvoorwaarden voorzien, te tonen en te overhandigen aan de vaststellende beambten, telkens zij dit vragen.
Art.17. Les personnes se trouvant aux endroits dont l'accès est exclusivement réservé aux voyageurs munis d'un titre de transport valable doivent, chaque fois que les agents constatateurs le demandent, présenter et remettre à ceux-ci leur titre de transport ou, le cas échéant, tout autre document prévu par les conditions de transport.
Afdeling 3. - Passagiersvergoedingen
Section 3. - Redevances passagers
Art.18. Het is verboden om van of naar de luchthaven van Brussel-Nationaal te reizen zonder de toeslag op de vervoersprijs te hebben betaald, zijnde de passagiersvergoeding die bedoeld is in artikel 12 van de wet van 30 april 2007 houdende dringende spoorwegbepalingen, en volgens de voorwaarden bepaald in deze wet.
Art.18. Il est interdit de voyager au départ ou à destination de l'aéroport de Bruxelles-National sans s'être acquitté du supplément sur le prix du voyage constituant la redevance passager visée à l'article 12 de la loi du 30 avril 2007 portant dispositions urgentes concernant le chemin de fer et selon les conditions prévues dans cette loi.
HOOFDSTUK 3. - Maatregelen betreffende de instandhouding van de spoorwegen en de veilige exploitatie ervan
CHAPITRE 3. - Mesures relatives à la conservation des chemins de fer et à la sûreté de leur exploitation
Art.19. De spoorwegen zijn ingedeeld in de grote wegenis.
De toegangswegen tot de stations, eigendom van de stationsbeheerder, worden beheerd door de lokale overheid, na inlijving in het administratiefrechtelijk statuut waarvoor de lokale overheid bevoegd is, behalve de door de Koning bepaalde uitzonderingen.
[1 Bij beslissingen over de afschaffing van overwegen die de infrastructuurbeheerder neemt overeenkomstig de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, wordt minimaal rekening gehouden met de volgende principes:
1° een afschaffing van een overweg wordt afdoende gemotiveerd;
2° de verkeersveiligheid, de impact op mobiliteit en de ontsluiting van aangrenzende percelen worden steeds in acht genomen;
3° de impact van het afschaffen van een overweg wordt zo nodig beoordeeld in een gemeentegrensoverschrijdend perspectief;
4° bij de afweging voor de afschaffing van een overweg wordt rekening gehouden met de actuele functie van de overweg, zonder daarbij de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen; daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen.
De gemeente op het grondgebied waarvan de overweg is gelegen, wordt om advies gevraagd en is ook gelast met de organisatie van een openbaar onderzoek over de voorgenomen afschaffing.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de adviesvraag en het openbaar onderzoek.]1
De toegangswegen tot de stations, eigendom van de stationsbeheerder, worden beheerd door de lokale overheid, na inlijving in het administratiefrechtelijk statuut waarvoor de lokale overheid bevoegd is, behalve de door de Koning bepaalde uitzonderingen.
[1 Bij beslissingen over de afschaffing van overwegen die de infrastructuurbeheerder neemt overeenkomstig de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, wordt minimaal rekening gehouden met de volgende principes:
1° een afschaffing van een overweg wordt afdoende gemotiveerd;
2° de verkeersveiligheid, de impact op mobiliteit en de ontsluiting van aangrenzende percelen worden steeds in acht genomen;
3° de impact van het afschaffen van een overweg wordt zo nodig beoordeeld in een gemeentegrensoverschrijdend perspectief;
4° bij de afweging voor de afschaffing van een overweg wordt rekening gehouden met de actuele functie van de overweg, zonder daarbij de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen; daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen.
De gemeente op het grondgebied waarvan de overweg is gelegen, wordt om advies gevraagd en is ook gelast met de organisatie van een openbaar onderzoek over de voorgenomen afschaffing.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de adviesvraag en het openbaar onderzoek.]1
Art.19. Les chemins de fer sont classés dans la grande voirie.
Sauf les exceptions à déterminer par arrêté royal, les chemins d'accès, créés pour aboutir aux gares et propriété du gestionnaire de la gare, sont gérés par l'autorité locale, après avoir été enrôlés dans le statut administratif pour lequel les pouvoirs locaux sont compétents.
[1 Les décisions concernant la suppression de passages à niveau prises par le gestionnaire de l'infrastructure conformément à la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques tiennent au moins compte des principes suivants:
1° la suppression d'un passage à niveau doit être dûment motivée;
2° la sécurité routière, les répercussions de la suppression sur la mobilité et le désenclavement de parcelles adjacentes sont toujours pris en considération;
3° les répercussions de la suppression d'un passage à niveau sont, au besoin, évaluées dans une perspective dépassant les limites communales;
4° lorsqu'il est envisagé de supprimer un passage à niveau, il est tenu compte de sa fonction à cette date, sans pour autant compromettre les besoins des générations futures. A cette occasion, un équilibre est recherché entre les besoins spatiaux des différentes activités sociales.
La commune sur le territoire de laquelle le passage à niveau est situé est invitée à rendre un avis et est également chargée de l'organisation d'une enquête publique sur la suppression envisagée.
Le Roi fixe les modalités de cette demande d'avis et de l'enquête publique.]1
Sauf les exceptions à déterminer par arrêté royal, les chemins d'accès, créés pour aboutir aux gares et propriété du gestionnaire de la gare, sont gérés par l'autorité locale, après avoir été enrôlés dans le statut administratif pour lequel les pouvoirs locaux sont compétents.
[1 Les décisions concernant la suppression de passages à niveau prises par le gestionnaire de l'infrastructure conformément à la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques tiennent au moins compte des principes suivants:
1° la suppression d'un passage à niveau doit être dûment motivée;
2° la sécurité routière, les répercussions de la suppression sur la mobilité et le désenclavement de parcelles adjacentes sont toujours pris en considération;
3° les répercussions de la suppression d'un passage à niveau sont, au besoin, évaluées dans une perspective dépassant les limites communales;
4° lorsqu'il est envisagé de supprimer un passage à niveau, il est tenu compte de sa fonction à cette date, sans pour autant compromettre les besoins des générations futures. A cette occasion, un équilibre est recherché entre les besoins spatiaux des différentes activités sociales.
La commune sur le territoire de laquelle le passage à niveau est situé est invitée à rendre un avis et est également chargée de l'organisation d'une enquête publique sur la suppression envisagée.
Le Roi fixe les modalités de cette demande d'avis et de l'enquête publique.]1
Wijzigingen
Art.19/1. [1 § 1. Onverminderd de bevoegdheid van de Raad van State krachtens artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan tegen de beslissing van de infrastructuurbeheerder tot afschaffing van een overweg, bedoeld in artikel 19, tweede lid, administratief beroep worden ingesteld bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer door:
1° de gemeente op het grondgebied waarvan de betrokken overweg is gelegen;
2° de beheerder van de wegverbinding die door de opheffing van de overweg zou worden afgesneden.
§ 2. Het administratief beroep ingesteld bij de FOD Mobiliteit en Vervoer wordt ingediend en behandeld volgens de procedure bepaald door de Koning.]1
1° de gemeente op het grondgebied waarvan de betrokken overweg is gelegen;
2° de beheerder van de wegverbinding die door de opheffing van de overweg zou worden afgesneden.
§ 2. Het administratief beroep ingesteld bij de FOD Mobiliteit en Vervoer wordt ingediend en behandeld volgens de procedure bepaald door de Koning.]1
Art.19/1. [1 § 1er. Sans préjudice de la compétence du Conseil d'Etat en vertu de l'article 14, § 1er, alinéa 1er, 1°, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, un recours peut être introduit auprès du Service public fédéral Mobilité et Transports contre la décision du gestionnaire de l'infrastructure de supprimer un passage à niveau, telle que visée dans l'article 19, alinéa 2, par:
1° la commune sur le territoire de laquelle le passage à niveau concerné est situé;
2° le gestionnaire de voirie de la liaison routière qui serait coupée en raison de la suppression du passage à niveau.
§ 2. Le recours administratif est introduit auprès du SPF Mobilité et Transports et traité selon la procédure définie par le Roi.]1
1° la commune sur le territoire de laquelle le passage à niveau concerné est situé;
2° le gestionnaire de voirie de la liaison routière qui serait coupée en raison de la suppression du passage à niveau.
§ 2. Le recours administratif est introduit auprès du SPF Mobilité et Transports et traité selon la procédure définie par le Roi.]1
Art.20. § 1. Behoudens door de infrastructuurbeheerder toegestane afwijking moet de plantengroei langs de spoorwegen minimaal anderhalve meter korter gehouden worden dan de afstand tussen de voet van de plant en de dichtstbijzijnde spoorstaaf. De kap- en snoeiwerken moeten worden gepland voordat de plantengroei deze maximumhoogte bereikt.
Wanneer de spoorweg op een grondverhoging of in ingraving is aangelegd, wordt die afstand berekend tussen de voet van de plantengroei en de bovenrand van de grondverhoging of de ingraving.
Plantengroei die zich bevindt achter muren die langsheen de sporen zijn opgetrokken, moet op dezelfde hoogte van deze muren worden gehouden, behoudens toegestane afwijkingen door de infrastructuurbeheerder.
§ 2. De infrastructuurbeheerder kan alle niet-kruidachtige plantengroei op een afstand van minder dan acht meter van de spoorstaven verbieden, indien deze plantengroei de veiligheid van het treinverkeer in gevaar kan brengen.
Voor de baanvakken waar de toegestane snelheid boven de tweehonderdtwintig kilometer per uur ligt, zijn er binnen een zone van vijfentwintig meter vanaf de dichtstbijzijnde spoorstaaf enkel kruidachtige gewassen toegestaan.
Wanneer de spoorweg op een grondverhoging of in ingraving is aangelegd, wordt die afstand berekend tussen de voet van de plantengroei en de bovenrand van de grondverhoging of de ingraving.
Plantengroei die zich bevindt achter muren die langsheen de sporen zijn opgetrokken, moet op dezelfde hoogte van deze muren worden gehouden, behoudens toegestane afwijkingen door de infrastructuurbeheerder.
§ 2. De infrastructuurbeheerder kan alle niet-kruidachtige plantengroei op een afstand van minder dan acht meter van de spoorstaven verbieden, indien deze plantengroei de veiligheid van het treinverkeer in gevaar kan brengen.
Voor de baanvakken waar de toegestane snelheid boven de tweehonderdtwintig kilometer per uur ligt, zijn er binnen een zone van vijfentwintig meter vanaf de dichtstbijzijnde spoorstaaf enkel kruidachtige gewassen toegestaan.
Art.20. § 1er. Sauf dérogation accordée par le gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire, la végétation doit être maintenue, le long des voies de chemin de fer, à une hauteur maximale de un mètre cinquante inférieure à la distance entre le pied de celle-ci et le rail le plus proche. Les interventions de coupe et d'élagage doivent être prévues avant que la végétation n'atteigne cette hauteur maximale.
Quand le chemin de fer est établi en remblai ou en déblai, la distance est calculée entre le pied de la végétation et l'arête supérieure du remblai ou du déblai.
Sauf dérogation accordée par le gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire, la végétation située derrière les murs érigés le long des voies devra être maintenue à hauteur égale à ces murs.
§ 2. Le gestionnaire de l'infrastructure pourra interdire toute végétation autre qu'herbacée située à moins de huit mètres des rails de chemins de fer, si cette végétation risque de mettre en péril la sécurité du trafic ferroviaire.
Pour les tronçons de ligne où la vitesse autorisée est supérieure à deux cent vingt kilomètres par heure, seule la présence d'herbacées est autorisée dans une zone de vingt-cinq mètres à partir du rail le plus proche.
Quand le chemin de fer est établi en remblai ou en déblai, la distance est calculée entre le pied de la végétation et l'arête supérieure du remblai ou du déblai.
Sauf dérogation accordée par le gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire, la végétation située derrière les murs érigés le long des voies devra être maintenue à hauteur égale à ces murs.
§ 2. Le gestionnaire de l'infrastructure pourra interdire toute végétation autre qu'herbacée située à moins de huit mètres des rails de chemins de fer, si cette végétation risque de mettre en péril la sécurité du trafic ferroviaire.
Pour les tronçons de ligne où la vitesse autorisée est supérieure à deux cent vingt kilomètres par heure, seule la présence d'herbacées est autorisée dans une zone de vingt-cinq mètres à partir du rail le plus proche.
Art.21. § 1. Zonder schriftelijke toestemming van de infrastructuurbeheerder en mits gegronde motivering van de exploitatieveiligheid, is het verboden op minder dan vijf meter gebouwen of werken op te trekken, te rekenen vanaf:
- de buitenste spoorstaaf indien de spoorbedding op gelijk niveau ligt met het aanpalende perceel;
- de teen van de talud bij het spoor in ophoging;
- de kop van de talud bij spoor in ingraving.
§ 3. Het is verboden, zonder schriftelijke toelating van de spoorwegbeheerder en dit voldoende gemotiveerd om veiligheidsredenen, om windturbines op te richten op een afstand die kleiner is dan de ashoogte van de windturbine, verhoogd met enerzijds de helft van de rotordiameter en anderzijds met 5 meter. Deze afstand is te rekenen vanaf:
- de buitenste rail indien het spoorwegplatform op hetzelfde niveau is gelegen als het aanpalende perceel;
- de voet van de talud bij een spoor in ophoging;
- de kop van de talud bij een spoor in ingraving.
In het geval van het gelijkgrondse niveau en indien het spoor zich in een bocht bevindt met een straal kleiner of gelijk aan 500 meter, wordt er vanaf de buitenste rail in plaats 10 meter in plaats van 5 meter gerekend.
Het is in ieder geval verboden om op de aangrenzende terreinen windmolenmasten op te trekken of te plaatsen op een afstand van minder dan tweehonderd meter van de dichtstbijzijnde spoorstaaf zonder schriftelijke toestemming van de infrastructuurbeheerder.
§ 2. Wanneer de spoorweg zich in een tunnel bevindt, is het verboden om zonder toelating van de infrastructuurbeheerder te bouwen op minder dan vijfentwintig meter van de tunnelingang of in een zone van vijfentwintig meter aan weerszijden van de tunnel, of in de zone die zich net boven de tunnel bevindt.
- de buitenste spoorstaaf indien de spoorbedding op gelijk niveau ligt met het aanpalende perceel;
- de teen van de talud bij het spoor in ophoging;
- de kop van de talud bij spoor in ingraving.
§ 3. Het is verboden, zonder schriftelijke toelating van de spoorwegbeheerder en dit voldoende gemotiveerd om veiligheidsredenen, om windturbines op te richten op een afstand die kleiner is dan de ashoogte van de windturbine, verhoogd met enerzijds de helft van de rotordiameter en anderzijds met 5 meter. Deze afstand is te rekenen vanaf:
- de buitenste rail indien het spoorwegplatform op hetzelfde niveau is gelegen als het aanpalende perceel;
- de voet van de talud bij een spoor in ophoging;
- de kop van de talud bij een spoor in ingraving.
In het geval van het gelijkgrondse niveau en indien het spoor zich in een bocht bevindt met een straal kleiner of gelijk aan 500 meter, wordt er vanaf de buitenste rail in plaats 10 meter in plaats van 5 meter gerekend.
Het is in ieder geval verboden om op de aangrenzende terreinen windmolenmasten op te trekken of te plaatsen op een afstand van minder dan tweehonderd meter van de dichtstbijzijnde spoorstaaf zonder schriftelijke toestemming van de infrastructuurbeheerder.
§ 2. Wanneer de spoorweg zich in een tunnel bevindt, is het verboden om zonder toelating van de infrastructuurbeheerder te bouwen op minder dan vijfentwintig meter van de tunnelingang of in een zone van vijfentwintig meter aan weerszijden van de tunnel, of in de zone die zich net boven de tunnel bevindt.
Art.21. § 1er. Il est interdit, sans autorisation écrite du gestionnaire d'infrastructure d'exploitation et dûment motivée pour des raisons de sécurité, d'ériger des bâtiments ou d'effectuer des travaux à moins de cinq mètres à partir:
- du rail extérieur si la plate-forme de la voie est située au même niveau que celui de la parcelle adjacente;
- du pied de talus pour une voie en remblais;
- de la tête de talus pour une voie en déblais.
§ 3. Il est interdit, sans autorisation écrite et dûment motivée - pour des raisons de sécurité - du gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire, d'ériger des éoliennes à une distance inférieure à la hauteur de l'axe du rotor de l'éolienne, majorée, d'une part, de la moitié du diamètre du rotor et, d'autre part, de cinq mètres. Cette distance est à calculer à partir:
- du rail situé le plus à l'extérieur si l'assise de la voie ferrée se situe au même niveau que la parcelle adjacente;
- du pied du talus si la voie est en remblai;
- du sommet du talus si la voie est dans un creux.
En cas de niveau de plain-pied, si la voie se situe dans une courbe dont le rayon est inférieur ou égal à 500 mètres, la majoration de la distance à partir du rail situé le plus à l'extérieur est de 10 mètres au lieu de 5 mètres.
Dans tous les cas, il est interdit d'ériger ou de placer sur les terrains riverains des mâts pour éoliennes, à une distance de moins de deux cents mètres du rail le plus proche, sans autorisation écrite du gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire.
§ 2. Lorsque le chemin de fer est en tunnel, il est interdit, sans autorisation du gestionnaire de l'infrastructure de construire à une distance de moins de vingt-cinq mètres des ouvrages d'entrée ou dans une zone de vingt-cinq mètres de part et d'autre du tunnel, ainsi que dans la zone qui se situe directement au-dessus du tunnel.
- du rail extérieur si la plate-forme de la voie est située au même niveau que celui de la parcelle adjacente;
- du pied de talus pour une voie en remblais;
- de la tête de talus pour une voie en déblais.
§ 3. Il est interdit, sans autorisation écrite et dûment motivée - pour des raisons de sécurité - du gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire, d'ériger des éoliennes à une distance inférieure à la hauteur de l'axe du rotor de l'éolienne, majorée, d'une part, de la moitié du diamètre du rotor et, d'autre part, de cinq mètres. Cette distance est à calculer à partir:
- du rail situé le plus à l'extérieur si l'assise de la voie ferrée se situe au même niveau que la parcelle adjacente;
- du pied du talus si la voie est en remblai;
- du sommet du talus si la voie est dans un creux.
En cas de niveau de plain-pied, si la voie se situe dans une courbe dont le rayon est inférieur ou égal à 500 mètres, la majoration de la distance à partir du rail situé le plus à l'extérieur est de 10 mètres au lieu de 5 mètres.
Dans tous les cas, il est interdit d'ériger ou de placer sur les terrains riverains des mâts pour éoliennes, à une distance de moins de deux cents mètres du rail le plus proche, sans autorisation écrite du gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire.
§ 2. Lorsque le chemin de fer est en tunnel, il est interdit, sans autorisation du gestionnaire de l'infrastructure de construire à une distance de moins de vingt-cinq mètres des ouvrages d'entrée ou dans une zone de vingt-cinq mètres de part et d'autre du tunnel, ainsi que dans la zone qui se situe directement au-dessus du tunnel.
Art.22. Zonder schriftelijke toestemming van de infrastructuurbeheerder is het verboden langs de spoorweg binnen een afstand van vijfentwintig meter van de dichtstbijzijnde spoorstaaf, zelfs voorlopig, opgravingen, uitgravingen of uithollingen te verrichten, mijnen, venen, steengroeven, zandputten of fosfaatmijnen, in open lucht of ondergronds, te openen, exploiteren of werken tot het opsporen van mijnen uit te voeren.
Art.22. Sans autorisation écrite du gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire, il est défendu d'exécuter des fouilles, déblais ou excavations quelconques, même à titre provisoire, d'ouvrir ou d'exploiter des minières, tourbières, carrières, sablières, phosphatières, soit à ciel ouvert, soit souterraines, ou d'effectuer des travaux de recherche de mines, le long du chemin de fer, dans la distance de vingt-cinq mètres à partir du rail le plus proche.
Art.23. Binnen de vijfentwintigmeterzone gemeten van de dichtstbijzijnde spoorstaaf, is het verboden, hetzij gebouwen op te trekken waarvan de dakbedekking voorzien is van brandbaar materiaal, hetzij een opslag te vestigen van brandbare materialen van welke oorsprong dan ook, met name van agrarische oorsprong of van brandbare vloeistoffen, brandstoffen of ontplofbare stoffen.
Tijdelijke oppers veldvruchten, die slechts gemaakt zijn voor de tijd van de oogst, vallen buiten dat verbod.
Zonder schriftelijke toestemming van de infrastructuurbeheerder is het verboden brandbare stoffen te stapelen binnen de vijfentwintigmeterzone gemeten vanaf de dichtstbijzijnde spoorstaaf. Geen schadeloosstelling kan worden gevorderd voor stapels brandbare stoffen welke binnen die zone, zelfs met machtiging, werden gemaakt en door de exploitatie zelf van de spoorweg in brand mochten raken.
Tijdelijke oppers veldvruchten, die slechts gemaakt zijn voor de tijd van de oogst, vallen buiten dat verbod.
Zonder schriftelijke toestemming van de infrastructuurbeheerder is het verboden brandbare stoffen te stapelen binnen de vijfentwintigmeterzone gemeten vanaf de dichtstbijzijnde spoorstaaf. Geen schadeloosstelling kan worden gevorderd voor stapels brandbare stoffen welke binnen die zone, zelfs met machtiging, werden gemaakt en door de exploitatie zelf van de spoorweg in brand mochten raken.
Art.23. Il est défendu, dans la zone de vingt-cinq mètres à partir du rail le plus proche, soit d'établir des constructions dont la toiture est revêtue de matière inflammable, soit d'établir des dépôts de matières inflammables de quelque origine que ce soit, notamment d'origine agricole, ainsi que des liquides inflammables, des combustibles ou des matières explosives.
Cette prohibition ne s'étend pas aux dépôts momentanés de récoltes faits seulement pour le temps de la moisson.
Il est défendu d'établir, sans autorisation écrite du gestionnaire de l'infrastructure, des dépôts de matières combustibles dans la zone de vingt-cinq mètres à partir du rail le plus proche. Aucune indemnité ne pourra être réclamée à raison des dépôts de matières combustibles établis dans cette zone, même avec autorisation, et qui viendraient à être incendiés du fait de l'exploitation du chemin de fer.
Cette prohibition ne s'étend pas aux dépôts momentanés de récoltes faits seulement pour le temps de la moisson.
Il est défendu d'établir, sans autorisation écrite du gestionnaire de l'infrastructure, des dépôts de matières combustibles dans la zone de vingt-cinq mètres à partir du rail le plus proche. Aucune indemnité ne pourra être réclamée à raison des dépôts de matières combustibles établis dans cette zone, même avec autorisation, et qui viendraient à être incendiés du fait de l'exploitation du chemin de fer.
Art.24. Voor nieuwe lijnen of de aanpassing van bestaande lijnen nemen de erfdienstbaarheden, opgelegd door deze wet, aanvang op de dag van de neerlegging in de gemeente van het plan van de te naasten gronden voor de aanleg van een nieuwe spoorweg of de aanpassing van een bestaande spoorweg.
Art.24. Pour les nouvelles lignes ou la modification de lignes existantes, les servitudes imposées par la présente loi prennent naissance à la date du dépôt, dans la commune, du plan des terrains à acquérir pour la construction d'un nouveau chemin de fer ou pour la modification d'un chemin de fer existant.
TITEL 3. - Naleving van de reglementering betreffende de politie der spoorwegen
TITRE 3. - Respect de la réglementation relative à la police des chemins de fer
Art.25. § 1. De vaststellende beambten en de leden van het operationeel kader van de politiediensten zien toe op de naleving van deze wet en van zijn uitvoeringsbesluiten.
Zij stellen de overtredingen omschreven in de voornoemde wetten en uitvoeringsbesluiten vast door middel van vaststellingen - uitsluitend met betrekking tot de overtredingen bedoeld in artikel 29 vastgesteld door de vaststellende beambten - of bij proces-verbaal die beide gelden tot het bewijs van het tegendeel.
Een kopie van de vaststelling van de overtreding of van het proces-verbaal wordt aan de overtreder overhandigd.
Zonder afbreuk te doen aan het tweede lid, zijn de vaststellende beambten die tot het treinbegeleidingspersoneel behoren van het spoorbedrijf enkel gemachtigd om vaststellingen te doen van de overtredingen bedoeld in de artikelen 8 tot 10 en 12 tot 18, en wat de overtredingen betreft bedoeld in de artikelen 8 tot 10 in zoverre deze worden begaan aan boord van het spoorvoertuig.
De vaststellende beambten identificeren zich door middel van een legitimatiekaart waarvan het model, voor wat de vaststellende beambten betreft, door de Koning wordt vastgesteld. [1 De vaststellende beambte moet ten allen tijde en op zichtbare wijze kunnen worden geïdentificeerd door een uniek nummer van maximum van vijf cijfers.]1
§ 2. Indien de vaststellende beambten bij de uitoefening van hun functies kennis krijgen van andere misdrijven, lichten zij de bevoegde politiediensten hiervan onmiddellijk in.
§ 3. De vaststellende beambten leggen voor de door de Koning aangewezen ambtenaren de volgende eed af:
"Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen. ".
§ 4. Een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt de selectie- en aanwervingsvoorwaarden van de vaststellende en bestraffende beambten evenals de minimum voorwaarden die inzake opleiding en kennis vereist zijn voor het uitoefenen van de bevoegdheden die hen in het kader van deze wet worden toegekend.
Bij de vaststelling van deze voorwaarden voor wat de vaststellende beambten betreft, houdt dit koninklijk besluit rekening met de bestaande opleidingsprogramma's. Hierbij wordt met name een onderscheid gemaakt tussen het betrokken personeel dat in dienst is op het ogenblik waarop deze wet in werking treedt en het personeel dat later wordt aangeworven.
§ 5. De vaststellende beambten kunnen overgaan tot identiteitscontroles om de naleving van de vervoersvoorwaarden van de spoorwegonderneming en van de bepalingen van deze wet te controleren.
Indien de personen aan wie wordt gevraagd om zich te identificeren aan de hand van een enig officieel document met foto dat hun identiteit kan aantonen, weigeren of een identiteit opgeven waaraan kan worden getwijfeld, kunnen de vaststellende beambten de hulp van de politiediensten vragen.
De politiediensten delen de vaststellende beambten binnen een redelijke termijn de identificatiegegevens mee die ze nodig hebben voor het opstellen van hun proces-verbaal.
§ 6. De leden van de veiligheidsdienst kunnen identiteitscontroles uitvoeren overeenkomstig de bepalingen in artikel 34, § 1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt voor de gevallen die bepaald zijn in een samenwerkingsprotocol gesloten tussen de geïntegreerde politie en de veiligheidsdienst.
Zij stellen de overtredingen omschreven in de voornoemde wetten en uitvoeringsbesluiten vast door middel van vaststellingen - uitsluitend met betrekking tot de overtredingen bedoeld in artikel 29 vastgesteld door de vaststellende beambten - of bij proces-verbaal die beide gelden tot het bewijs van het tegendeel.
Een kopie van de vaststelling van de overtreding of van het proces-verbaal wordt aan de overtreder overhandigd.
Zonder afbreuk te doen aan het tweede lid, zijn de vaststellende beambten die tot het treinbegeleidingspersoneel behoren van het spoorbedrijf enkel gemachtigd om vaststellingen te doen van de overtredingen bedoeld in de artikelen 8 tot 10 en 12 tot 18, en wat de overtredingen betreft bedoeld in de artikelen 8 tot 10 in zoverre deze worden begaan aan boord van het spoorvoertuig.
De vaststellende beambten identificeren zich door middel van een legitimatiekaart waarvan het model, voor wat de vaststellende beambten betreft, door de Koning wordt vastgesteld. [1 De vaststellende beambte moet ten allen tijde en op zichtbare wijze kunnen worden geïdentificeerd door een uniek nummer van maximum van vijf cijfers.]1
§ 2. Indien de vaststellende beambten bij de uitoefening van hun functies kennis krijgen van andere misdrijven, lichten zij de bevoegde politiediensten hiervan onmiddellijk in.
§ 3. De vaststellende beambten leggen voor de door de Koning aangewezen ambtenaren de volgende eed af:
"Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen. ".
§ 4. Een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt de selectie- en aanwervingsvoorwaarden van de vaststellende en bestraffende beambten evenals de minimum voorwaarden die inzake opleiding en kennis vereist zijn voor het uitoefenen van de bevoegdheden die hen in het kader van deze wet worden toegekend.
Bij de vaststelling van deze voorwaarden voor wat de vaststellende beambten betreft, houdt dit koninklijk besluit rekening met de bestaande opleidingsprogramma's. Hierbij wordt met name een onderscheid gemaakt tussen het betrokken personeel dat in dienst is op het ogenblik waarop deze wet in werking treedt en het personeel dat later wordt aangeworven.
§ 5. De vaststellende beambten kunnen overgaan tot identiteitscontroles om de naleving van de vervoersvoorwaarden van de spoorwegonderneming en van de bepalingen van deze wet te controleren.
Indien de personen aan wie wordt gevraagd om zich te identificeren aan de hand van een enig officieel document met foto dat hun identiteit kan aantonen, weigeren of een identiteit opgeven waaraan kan worden getwijfeld, kunnen de vaststellende beambten de hulp van de politiediensten vragen.
De politiediensten delen de vaststellende beambten binnen een redelijke termijn de identificatiegegevens mee die ze nodig hebben voor het opstellen van hun proces-verbaal.
§ 6. De leden van de veiligheidsdienst kunnen identiteitscontroles uitvoeren overeenkomstig de bepalingen in artikel 34, § 1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt voor de gevallen die bepaald zijn in een samenwerkingsprotocol gesloten tussen de geïntegreerde politie en de veiligheidsdienst.
Art.25. § 1er. Les agents constatateurs et les membres du cadre opérationnel des services de police sont chargés de veiller au respect de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution.
Ils constatent les infractions aux dispositions des lois précitées et de leurs arrêtés d'exécution par des constats - uniquement en ce qui concerne les infractions visées à l'article 29 constatées par des agents constatateurs - ou des procès-verbaux faisant, tous deux, foi jusqu'à preuve du contraire.
Une copie du constat d'infraction ou du procès-verbal est remise au contrevenant.
Sans préjudice du deuxième alinéa, les agents constatateurs faisant partie du personnel d'accompagnement de l'entreprise ferroviaire ne sont habilités à constater que les infractions visées aux articles 8 à 10 et 12 à 18, et en ce qui concerne les infractions visées aux articles 8 à 10 que pour autant qu'elles soient commises à bord du véhicule ferroviaire.
Les agents constatateurs s'identifient au moyen d'une carte de légitimation dont le Roi fixe le modèle en ce qui concerne les agents constatateurs. [1 L'agent constatateur doit en permanence et de manière visible être identifiable par un numéro unique de cinq chiffres au maximum.]1
§ 2. Les agents constatateurs informent immédiatement les services de police compétents de toute autre infraction dont ils apprennent l'existence dans l'exercice de leurs fonctions.
§ 3. Les agents constatateurs prêtent le serment suivant devant les fonctionnaires désignés par le Roi:
"Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, et de remplir fidèlement les fonctions qui me seront conférées.".
§ 4. Un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres fixe les conditions de sélection et de recrutement des agents constatateurs et des agents sanctionnateurs ainsi que les conditions minimales de formation et de qualification auxquelles ils doivent répondre pour exercer les compétences qui leur sont conférées dans le cadre de la présente loi.
Pour déterminer ces conditions, cet arrêté royal tient compte des programmes de formation existants en ce qui concerne les agents constatateurs. A cet égard, une distinction doit notamment être opérée entre le personnel concerné en service au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi et le personnel recruté après cette date.
§ 5. Les agents constatateurs peuvent procéder à des contrôles d'identité afin de vérifier le respect des conditions de transport de l'entreprise ferroviaire et des dispositions de la présente loi.
Si les personnes à qui il est demandé de s'identifier à l'aide de tout document officiel comprenant une photographie et pouvant établir leur identité refusent, ou communiquent une identité douteuse, les agents constatateurs peuvent demander l'aide des services de police.
Dans un délai raisonnable, les services de police communiquent aux agents constatateurs les données d'identification nécessaires à la rédaction de leur procès-verbal.
§ 6. Les membres du service de sécurité peuvent procéder à des contrôles d'identité conformément à l'article 34, § 1er de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police dans les cas prévus dans un protocole de coopération entre la police intégrée et le service de sécurité.
Ils constatent les infractions aux dispositions des lois précitées et de leurs arrêtés d'exécution par des constats - uniquement en ce qui concerne les infractions visées à l'article 29 constatées par des agents constatateurs - ou des procès-verbaux faisant, tous deux, foi jusqu'à preuve du contraire.
Une copie du constat d'infraction ou du procès-verbal est remise au contrevenant.
Sans préjudice du deuxième alinéa, les agents constatateurs faisant partie du personnel d'accompagnement de l'entreprise ferroviaire ne sont habilités à constater que les infractions visées aux articles 8 à 10 et 12 à 18, et en ce qui concerne les infractions visées aux articles 8 à 10 que pour autant qu'elles soient commises à bord du véhicule ferroviaire.
Les agents constatateurs s'identifient au moyen d'une carte de légitimation dont le Roi fixe le modèle en ce qui concerne les agents constatateurs. [1 L'agent constatateur doit en permanence et de manière visible être identifiable par un numéro unique de cinq chiffres au maximum.]1
§ 2. Les agents constatateurs informent immédiatement les services de police compétents de toute autre infraction dont ils apprennent l'existence dans l'exercice de leurs fonctions.
§ 3. Les agents constatateurs prêtent le serment suivant devant les fonctionnaires désignés par le Roi:
"Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, et de remplir fidèlement les fonctions qui me seront conférées.".
§ 4. Un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres fixe les conditions de sélection et de recrutement des agents constatateurs et des agents sanctionnateurs ainsi que les conditions minimales de formation et de qualification auxquelles ils doivent répondre pour exercer les compétences qui leur sont conférées dans le cadre de la présente loi.
Pour déterminer ces conditions, cet arrêté royal tient compte des programmes de formation existants en ce qui concerne les agents constatateurs. A cet égard, une distinction doit notamment être opérée entre le personnel concerné en service au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi et le personnel recruté après cette date.
§ 5. Les agents constatateurs peuvent procéder à des contrôles d'identité afin de vérifier le respect des conditions de transport de l'entreprise ferroviaire et des dispositions de la présente loi.
Si les personnes à qui il est demandé de s'identifier à l'aide de tout document officiel comprenant une photographie et pouvant établir leur identité refusent, ou communiquent une identité douteuse, les agents constatateurs peuvent demander l'aide des services de police.
Dans un délai raisonnable, les services de police communiquent aux agents constatateurs les données d'identification nécessaires à la rédaction de leur procès-verbal.
§ 6. Les membres du service de sécurité peuvent procéder à des contrôles d'identité conformément à l'article 34, § 1er de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police dans les cas prévus dans un protocole de coopération entre la police intégrée et le service de sécurité.
Wijzigingen
Art.26. § 1. In het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in deze wet en mits vooraf een machtiging wordt verkregen, respectievelijk van het Sectoraal Comité van het Rijksregister en het Sectoraal Comité voor de Federale Overheid:
- hebben de vaststellende beambten wier functie het vereist en de bestraffende beambten toegang tot het Rijksregister;
- hebben het personeel van de veiligheidsdienst en de bestraffende beambten toegang tot de Kruispuntbank van de Voertuigen.
§ 2. De stationsbeheerder, de infrastructuurbeheerder en de spoorwegonderneming zorgen als verantwoordelijken voor de verwerking van persoonsgegevens, voor de bewaring van de persoonsgegevens die gebruikt worden in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in deze wet, in een apart en beveiligd bestand.
De vaststellende beambte, de bestraffende beambte evenals het eventueel toegewezen administratief personeel zijn gemachtigd om toegang te hebben tot het bestand bedoeld in het vorig lid.
De verwerking van de persoonsgegevens in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in deze wet, strekt ertoe dat de vaststellingen van de overtredingen en de boetes die er mogelijk uit voortvloeien alsook de uitvoering ervan, beheerd worden.
De persoonsgegevens die vermeld worden in de processen-verbaal en de vastellingen van overtreding moeten toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn uitgaande van de doeleinden waarvoor ze worden verkregen.
De overtreders beschikken over een toegangsrecht en een recht van verbetering van de gegevens die hen aangaan.
§ 3. De persoonsgegevens die in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in deze wet worden verwerkt, worden gedurende vijf jaar bewaard, te rekenen vanaf de datum waarop de administratieve geldboete werd opgelegd of de alternatieve maatregel werd genomen. Zodra deze termijn verstreken is, worden zij vernietigd of geanonimiseerd.
- hebben de vaststellende beambten wier functie het vereist en de bestraffende beambten toegang tot het Rijksregister;
- hebben het personeel van de veiligheidsdienst en de bestraffende beambten toegang tot de Kruispuntbank van de Voertuigen.
§ 2. De stationsbeheerder, de infrastructuurbeheerder en de spoorwegonderneming zorgen als verantwoordelijken voor de verwerking van persoonsgegevens, voor de bewaring van de persoonsgegevens die gebruikt worden in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in deze wet, in een apart en beveiligd bestand.
De vaststellende beambte, de bestraffende beambte evenals het eventueel toegewezen administratief personeel zijn gemachtigd om toegang te hebben tot het bestand bedoeld in het vorig lid.
De verwerking van de persoonsgegevens in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in deze wet, strekt ertoe dat de vaststellingen van de overtredingen en de boetes die er mogelijk uit voortvloeien alsook de uitvoering ervan, beheerd worden.
De persoonsgegevens die vermeld worden in de processen-verbaal en de vastellingen van overtreding moeten toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn uitgaande van de doeleinden waarvoor ze worden verkregen.
De overtreders beschikken over een toegangsrecht en een recht van verbetering van de gegevens die hen aangaan.
§ 3. De persoonsgegevens die in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in deze wet worden verwerkt, worden gedurende vijf jaar bewaard, te rekenen vanaf de datum waarop de administratieve geldboete werd opgelegd of de alternatieve maatregel werd genomen. Zodra deze termijn verstreken is, worden zij vernietigd of geanonimiseerd.
Art.26. § 1er. Dans le cadre de l'exercice des compétences visées par la présente loi et moyennant l'obtention préalable d'une autorisation, respectivement du Comité sectoriel du Registre national et du Comité sectoriel pour l'Autorité fédérale:
- les agents constatateurs dont la fonction le requiert et les agents sanctionnateurs ont accès aux données du Registre national;
- le personnel du service de sécurité et les agents sanctionnateurs ont accès à la Banque-Carrefour des véhicules.
§ 2. Le gestionnaire de la gare, le gestionnaire de l'infrastructure et l'entreprise ferroviaire, en tant que responsables du traitement de données à caractère personnel, veillent à conserver ces données traitées dans le cadre de l'exercice des compétences visées par la présente loi, dans un fichier dédié et sécurisé.
L'agent constatateur, l'agent sanctionnateur, ainsi que leur éventuel personnel administratif dédié sont habilités à accéder au fichier visé à l'alinéa précédent.
Le traitement des données à caractère personnel traitées dans le cadre de l'exercice des compétences visées par la présente loi, vise à assurer la gestion des constats d'infraction, les sanctions qui sont susceptibles d'en découler et l'exécution de celles-ci.
Les données à caractère personnel qui figurent dans les procès-verbaux et les constats d'infraction sont adéquates, pertinentes et non excessives au regard des finalités pour lesquelles elles sont obtenues.
Les contrevenants disposent d'un droit d'accès et de rectification des données les concernant.
§ 3. Les données à caractère personnel traitées dans le cadre de l'exercice des compétences visées par la présente loi sont conservées pendant cinq ans à compter du jour où l'amende administrative a été infligée ou la mesure alternative a été prise. Passé ce délai, elles sont détruites ou anonymisées.
- les agents constatateurs dont la fonction le requiert et les agents sanctionnateurs ont accès aux données du Registre national;
- le personnel du service de sécurité et les agents sanctionnateurs ont accès à la Banque-Carrefour des véhicules.
§ 2. Le gestionnaire de la gare, le gestionnaire de l'infrastructure et l'entreprise ferroviaire, en tant que responsables du traitement de données à caractère personnel, veillent à conserver ces données traitées dans le cadre de l'exercice des compétences visées par la présente loi, dans un fichier dédié et sécurisé.
L'agent constatateur, l'agent sanctionnateur, ainsi que leur éventuel personnel administratif dédié sont habilités à accéder au fichier visé à l'alinéa précédent.
Le traitement des données à caractère personnel traitées dans le cadre de l'exercice des compétences visées par la présente loi, vise à assurer la gestion des constats d'infraction, les sanctions qui sont susceptibles d'en découler et l'exécution de celles-ci.
Les données à caractère personnel qui figurent dans les procès-verbaux et les constats d'infraction sont adéquates, pertinentes et non excessives au regard des finalités pour lesquelles elles sont obtenues.
Les contrevenants disposent d'un droit d'accès et de rectification des données les concernant.
§ 3. Les données à caractère personnel traitées dans le cadre de l'exercice des compétences visées par la présente loi sont conservées pendant cinq ans à compter du jour où l'amende administrative a été infligée ou la mesure alternative a été prise. Passé ce délai, elles sont détruites ou anonymisées.
Art.27. De leden van het operationeel kader van de politiediensten evenals de vaststellende beambten mogen het vervoerbewijs afnemen van eenieder die deze wet overtreedt, in de gevallen waarin de vervoersvoorwaarden van de betrokken spoorwegonderneming voorzien.
Art.27. Les membres du cadre opérationnel des services de police ainsi que les agents constatateurs peuvent retirer le titre de transport de toute personne qui contrevient à la présente loi, dans les cas prévus par les conditions de transport de l'entreprise ferroviaire concernée.
TITEL 4. - Sancties en andere maatregelen
TITRE 4. - Sanctions et autres mesures
HOOFDSTUK 1. - Algemeen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Art.28. § 1. Overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten worden bestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met geldboete van minstens 26 euro of met slechts een van deze straffen.
Onverminderd het eerste lid, in afwijking van artikel 29 en zonder afbreuk te doen aan artikel 32, § 1, kan eenieder die artikel 15, 1°, méér dan negen keer overtreden heeft tijdens een periode van twaalf maanden of minder, gestraft worden met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en geldboete van 1 000 euro, of met slechts één van deze straffen, vanaf de tiende overtreding binnen dezelfde termijn.
§ 2. Alle bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van de bepalingen van het hoofdstuk VII en het artikel 85, waarvan bij deze wet niet wordt afgeweken, zijn van toepassing op de overtredingen waarin deze wet en haar uitvoeringsbesluiten voorzien.
Onverminderd het eerste lid, in afwijking van artikel 29 en zonder afbreuk te doen aan artikel 32, § 1, kan eenieder die artikel 15, 1°, méér dan negen keer overtreden heeft tijdens een periode van twaalf maanden of minder, gestraft worden met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en geldboete van 1 000 euro, of met slechts één van deze straffen, vanaf de tiende overtreding binnen dezelfde termijn.
§ 2. Alle bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van de bepalingen van het hoofdstuk VII en het artikel 85, waarvan bij deze wet niet wordt afgeweken, zijn van toepassing op de overtredingen waarin deze wet en haar uitvoeringsbesluiten voorzien.
Art.28. § 1er. Les infractions à la présente loi et à ses arrêtés d'exécution sont sanctionnées par un emprisonnement de huit jours à cinq ans et par une amende de 26 euros au moins, ou par une de ces peines seulement.
Nonobstant l'alinéa 1er, par dérogation à l'article 29, et sans préjudice de l'article 32, § 1er, toute personne qui a contrevenu à l'article 15, 1° plus de neuf fois sur une période inférieure ou égale à douze mois, peut être punie d'un emprisonnement de quinze jours à six mois et d'une amende de 1 000 euros, ou par une de ces peines seulement, à partir de la 10ème infraction commise dans le même délai.
§ 2. Toutes les dispositions du Livre Ier du Code pénal, y compris les dispositions du chapitre VII et l'article 85, auxquelles il n'est pas dérogé par la présente loi sont applicables aux infractions prévues par la présente loi ou ses arrêtés d'exécution.
Nonobstant l'alinéa 1er, par dérogation à l'article 29, et sans préjudice de l'article 32, § 1er, toute personne qui a contrevenu à l'article 15, 1° plus de neuf fois sur une période inférieure ou égale à douze mois, peut être punie d'un emprisonnement de quinze jours à six mois et d'une amende de 1 000 euros, ou par une de ces peines seulement, à partir de la 10ème infraction commise dans le même délai.
§ 2. Toutes les dispositions du Livre Ier du Code pénal, y compris les dispositions du chapitre VII et l'article 85, auxquelles il n'est pas dérogé par la présente loi sont applicables aux infractions prévues par la présente loi ou ses arrêtés d'exécution.
Art.29. In afwijking van artikel 28 en overeenkomstig de procedure bedoeld in Titel IV, Hoofdstuk III, worden de overtredingen van de artikelen 3, 8, 4° en 5°, 9, 11, § 2, 1°, 13, 4°, 15, 17 en 18, bestraft met een administratieve geldboete.
Art.29. Par dérogation à l'article 28 et conformément à la procédure visée au Titre IV, Chapitre III, les infractions aux articles 3, 8, 4° et 5°, 9, 11, § 2, 1°, 13, 4°, 15, 17 et 18, sont sanctionnées par une amende administrative.
Art.30. In afwijking van artikel 28 en overeenkomstig de procedure bedoeld in Titel IV, Hoofdstuk III, kunnen de overtredingen van de artikelen 5 tot 7, 8, 1° tot 3°, 10, 11, § 2, 2 °, 12, 13, 1° tot 3° en 5°, 16, 20 tot 23, 35, 36, § 2, bestraft worden ofwel met straffen bepaald in artikel 28 ofwel met een administratieve geldboete.
Art.30. Par dérogation à l'article 28 et conformément à la procédure visée au Titre IV, Chapitre III, les infractions aux articles 5 à 7, 8, 1° à 3°, 10, 11, § 2, 2°, 12, 13, 1° à 3° et 5°, 16, 20 à 23, 35, 36, § 2, peuvent être sanctionnées soit par les peines prévues à l'article 28, soit par une amende administrative.
Art.31. § 1. De overtredingen van de artikelen 3, 8, 4° en 5°, 9, 11, § 2, 1°, 13, 3°, 15, 2° en 17 worden beschouwd als overtredingen van categorie 1.
Ze kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete van 50 euro.
Wanneer binnen de driehonderd vijfenzestig dagen na de vaststelling van de eerste overtreding een identieke tweede overtreding wordt begaan, dan kan deze bestraft worden met een administratieve geldboete van 75 euro. Dezelfde overtredingen die vervolgens binnen de vermelde periode worden begaan, kunnen bestraft worden met een administratieve geldboete van 150 euro.
§ 2. De overtredingen van de artikelen 5, 5° en 6°, 7, 1°, 8, 1°, 10, 12, 2° en 3°, 13, 4° en 5°, 35 en 36, § 2, worden beschouwd als overtredingen van categorie 2.
Ze kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete van 100 euro.
Wanneer binnen driehonderd vijfenzestig dagen na de vaststelling van de eerste overtreding een identieke tweede overtreding wordt begaan, dan kan deze bestraft worden met een administratieve geldboete van 250 euro. Dezelfde overtredingen die vervolgens binnen de vermelde periode worden begaan, kunnen bestraft worden met een administratieve geldboete van 350 euro.
§ 3. De overtredingen van de artikelen 15, 1° en 18 worden beschouwd als overtredingen van categorie 3.
Ze kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete van 250 euro.
Dezelfde overtreding die binnen driehonderd vijfenzestig dagen na de vaststelling van de eerste overtreding wordt begaan, kan worden bestraft met een administratieve geldboete van 500 euro.
§ 4. De overtredingen van de artikelen 5, 1° tot 4°, 6, 7, 2° tot 5°, 8, 2° en 3°, 11, § 2, 2°, 12, 1°, 4° en 5°, 13, 1° en 2°, 16, 20 tot 23 worden beschouwd als overtredingen van categorie 4.
Ze kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete van 300 euro.
Wanneer binnen driehonderd vijfenzestig dagen na de vaststelling van de eerste overtreding een identieke tweede overtreding wordt begaan, dan kan deze bestraft worden met een administratieve geldboete van 500 euro. Dezelfde overtredingen die vervolgens binnen de vermelde periode worden begaan, kunnen bestraft worden met een administratieve geldboete van 500 euro.
§ 5. Minderjarigen die de in artikelen 29 of 30 bedoelde overtreding begaan en die op het tijdstip van de feiten de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt, kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete waarvan het maximumbedrag is vastgesteld op 175 euro.
Ze kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete van 50 euro.
Wanneer binnen de driehonderd vijfenzestig dagen na de vaststelling van de eerste overtreding een identieke tweede overtreding wordt begaan, dan kan deze bestraft worden met een administratieve geldboete van 75 euro. Dezelfde overtredingen die vervolgens binnen de vermelde periode worden begaan, kunnen bestraft worden met een administratieve geldboete van 150 euro.
§ 2. De overtredingen van de artikelen 5, 5° en 6°, 7, 1°, 8, 1°, 10, 12, 2° en 3°, 13, 4° en 5°, 35 en 36, § 2, worden beschouwd als overtredingen van categorie 2.
Ze kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete van 100 euro.
Wanneer binnen driehonderd vijfenzestig dagen na de vaststelling van de eerste overtreding een identieke tweede overtreding wordt begaan, dan kan deze bestraft worden met een administratieve geldboete van 250 euro. Dezelfde overtredingen die vervolgens binnen de vermelde periode worden begaan, kunnen bestraft worden met een administratieve geldboete van 350 euro.
§ 3. De overtredingen van de artikelen 15, 1° en 18 worden beschouwd als overtredingen van categorie 3.
Ze kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete van 250 euro.
Dezelfde overtreding die binnen driehonderd vijfenzestig dagen na de vaststelling van de eerste overtreding wordt begaan, kan worden bestraft met een administratieve geldboete van 500 euro.
§ 4. De overtredingen van de artikelen 5, 1° tot 4°, 6, 7, 2° tot 5°, 8, 2° en 3°, 11, § 2, 2°, 12, 1°, 4° en 5°, 13, 1° en 2°, 16, 20 tot 23 worden beschouwd als overtredingen van categorie 4.
Ze kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete van 300 euro.
Wanneer binnen driehonderd vijfenzestig dagen na de vaststelling van de eerste overtreding een identieke tweede overtreding wordt begaan, dan kan deze bestraft worden met een administratieve geldboete van 500 euro. Dezelfde overtredingen die vervolgens binnen de vermelde periode worden begaan, kunnen bestraft worden met een administratieve geldboete van 500 euro.
§ 5. Minderjarigen die de in artikelen 29 of 30 bedoelde overtreding begaan en die op het tijdstip van de feiten de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt, kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete waarvan het maximumbedrag is vastgesteld op 175 euro.
Art.31. § 1er. Les infractions aux articles 3, 8, 4° et 5°, 9, 11, § 2, 1°, 13, 3°, 15, 2° et 17, sont considérées comme infractions de catégorie 1.
Elles peuvent être sanctionnées par une amende administrative de 50 euros.
Lorsque, dans les trois cent soixante-cinq jours suivant la constatation de la première infraction, une seconde infraction identique est commise, elle pourra être sanctionnée par une amende administrative de 75 euros. Les infractions identiques suivantes commises dans le délai précité pourront être sanctionnées par une amende administrative de 150 euros.
§ 2. Les infractions aux articles 5, 5° et 6°, 7, 1°, 8, 1°, 10, 12, 2° et 3°, 13, 4° et 5°, 35 et 36, § 2, sont considérées comme infractions de catégorie 2.
Elles peuvent être sanctionnées par une amende administrative de 100 euros.
Lorsque, dans les trois cent soixante-cinq jours suivant la constatation de la première infraction, une seconde infraction identique est commise, elle pourra être sanctionnée par une amende administrative de 250 euros. Les infractions identiques suivantes commises dans le délai précité pourront être sanctionnées par une amende administrative de 350 euros.
§ 3. Les infractions aux articles 15, 1° et 18 sont considérées comme infractions de catégorie 3.
Elles peuvent être sanctionnées par une amende administrative de 250 euros.
Toute infraction identique commise dans les trois cent soixante-cinq jours suivant la constatation de la première infraction pourra être sanctionnée par une amende administrative de 500 euros.
§ 4. Les infractions aux articles 5, 1° à 4°, 6, 7, 2° à 5°, 8, 2° et 3°, 11, § 2, 2°, 12, 1°, 4° et 5°, 13, 1° et 2°, 16, 20 à 23 sont considérées comme infractions de catégorie 4.
Elles peuvent être sanctionnées par une amende administrative de 300 euros.
Lorsque, dans les trois cent soixante-cinq jours suivant la constatation de la première infraction, une seconde infraction identique est commise, elle pourra être sanctionnée par une amende administrative de 500 euros. Les infractions identiques suivantes commises dans le délai précité pourront être sanctionnées par une amende administrative de 500 euros.
§ 5. Les mineurs d'âge qui commettent une infraction visée aux articles 29 ou 30 et ayant atteint l'âge de 14 ans accomplis au moment des faits, peuvent être sanctionnés par une amende administrative dont le maximum ne peut dépasser 175 euros.
Elles peuvent être sanctionnées par une amende administrative de 50 euros.
Lorsque, dans les trois cent soixante-cinq jours suivant la constatation de la première infraction, une seconde infraction identique est commise, elle pourra être sanctionnée par une amende administrative de 75 euros. Les infractions identiques suivantes commises dans le délai précité pourront être sanctionnées par une amende administrative de 150 euros.
§ 2. Les infractions aux articles 5, 5° et 6°, 7, 1°, 8, 1°, 10, 12, 2° et 3°, 13, 4° et 5°, 35 et 36, § 2, sont considérées comme infractions de catégorie 2.
Elles peuvent être sanctionnées par une amende administrative de 100 euros.
Lorsque, dans les trois cent soixante-cinq jours suivant la constatation de la première infraction, une seconde infraction identique est commise, elle pourra être sanctionnée par une amende administrative de 250 euros. Les infractions identiques suivantes commises dans le délai précité pourront être sanctionnées par une amende administrative de 350 euros.
§ 3. Les infractions aux articles 15, 1° et 18 sont considérées comme infractions de catégorie 3.
Elles peuvent être sanctionnées par une amende administrative de 250 euros.
Toute infraction identique commise dans les trois cent soixante-cinq jours suivant la constatation de la première infraction pourra être sanctionnée par une amende administrative de 500 euros.
§ 4. Les infractions aux articles 5, 1° à 4°, 6, 7, 2° à 5°, 8, 2° et 3°, 11, § 2, 2°, 12, 1°, 4° et 5°, 13, 1° et 2°, 16, 20 à 23 sont considérées comme infractions de catégorie 4.
Elles peuvent être sanctionnées par une amende administrative de 300 euros.
Lorsque, dans les trois cent soixante-cinq jours suivant la constatation de la première infraction, une seconde infraction identique est commise, elle pourra être sanctionnée par une amende administrative de 500 euros. Les infractions identiques suivantes commises dans le délai précité pourront être sanctionnées par une amende administrative de 500 euros.
§ 5. Les mineurs d'âge qui commettent une infraction visée aux articles 29 ou 30 et ayant atteint l'âge de 14 ans accomplis au moment des faits, peuvent être sanctionnés par une amende administrative dont le maximum ne peut dépasser 175 euros.
Art.32. § 1. De strafvordering of de administratieve vordering met betrekking tot de overtreding van de artikelen 15, 1°, 16 en 18 vervalt door de betaling aan de spoorwegonderneming van de prijs van het vervoerbewijs en van de forfaitaire vergoedingen die bepaald zijn in haar vervoersvoorwaarden.
Deze betaling moet worden verricht binnen de door de spoorwegonderneming aan de overtreder toegekende termijn. Indien de overtreder het van de betrokken spoorwegonderneming ontvangen voorstel tot regularisatie niet nakomt, zal er tegen hem een vaststelling of een proces-verbaal worden opgesteld dat, afhankelijk van het geval, gezonden wordt aan de bevoegde bestraffende beambte of aan de procureur des Konings.
§ 2. De strafvervolging of de administratieve vervolging met betrekking tot de overtreding van de artikelen 20 tot 23 kan slechts aanvangen wanneer de overtreder geen gevolg heeft gegeven aan twee opeenvolgende waarschuwingen die hem met aangetekende brief van de infrastructuurbeheerder werden toegestuurd en die hem per waarschuwing minstens een termijn van vijftien dagen moet geven om zijn situatie in orde te brengen.
Deze betaling moet worden verricht binnen de door de spoorwegonderneming aan de overtreder toegekende termijn. Indien de overtreder het van de betrokken spoorwegonderneming ontvangen voorstel tot regularisatie niet nakomt, zal er tegen hem een vaststelling of een proces-verbaal worden opgesteld dat, afhankelijk van het geval, gezonden wordt aan de bevoegde bestraffende beambte of aan de procureur des Konings.
§ 2. De strafvervolging of de administratieve vervolging met betrekking tot de overtreding van de artikelen 20 tot 23 kan slechts aanvangen wanneer de overtreder geen gevolg heeft gegeven aan twee opeenvolgende waarschuwingen die hem met aangetekende brief van de infrastructuurbeheerder werden toegestuurd en die hem per waarschuwing minstens een termijn van vijftien dagen moet geven om zijn situatie in orde te brengen.
Art.32. § 1er. L'action publique ou l'action administrative relative aux infractions aux articles 15, 1°, 16 et 18 est éteinte par le versement à l'entreprise ferroviaire concernée du prix du titre de transport et des indemnités forfaitaires prévues dans ses conditions de transport.
Ce versement doit être effectué endéans le délai que l'entreprise ferroviaire a octroyé au contrevenant. Si le contrevenant ne se conforme pas à la proposition de régularisation qu'il a reçue de l'entreprise ferroviaire concernée, un constat ou un procès-verbal, selon le cas, sera dressé contre lui et transmis, respectivement, à l'agent sanctionnateur ou au procureur du Roi compétents.
§ 2. L'action publique ou l'action administrative relative aux infractions aux articles 20 à 23 ne pourra prendre cours que si le contrevenant n'a pas donné suite à deux avertissements successifs adressés par lettre recommandée par le gestionnaire de l'infrastructure qui lui accorde, pour chacun de ces avertissements, un délai d'au moins quinze jours pour régulariser sa situation.
Ce versement doit être effectué endéans le délai que l'entreprise ferroviaire a octroyé au contrevenant. Si le contrevenant ne se conforme pas à la proposition de régularisation qu'il a reçue de l'entreprise ferroviaire concernée, un constat ou un procès-verbal, selon le cas, sera dressé contre lui et transmis, respectivement, à l'agent sanctionnateur ou au procureur du Roi compétents.
§ 2. L'action publique ou l'action administrative relative aux infractions aux articles 20 à 23 ne pourra prendre cours que si le contrevenant n'a pas donné suite à deux avertissements successifs adressés par lettre recommandée par le gestionnaire de l'infrastructure qui lui accorde, pour chacun de ces avertissements, un délai d'au moins quinze jours pour régulariser sa situation.
HOOFDSTUK 2. - Bijzondere bepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions particulières
Afdeling 1. - Bijkomende gerechtelijke straffen
Section 1re. - Peines judiciaires accessoires
Art.33. Onverminderd de hoofdstraffen en -sancties waarin de wet voorziet, kan de rechter de toegang tot het geheel of een deel van de exploitaties van de stationsbeheerder, de infrastructuurbeheerder of een of meer spoorwegondernemingen ontzeggen voor een periode van vijftien dagen tot een jaar, aan de persoon die schuldig wordt bevonden aan een overtreding van de artikelen 327 tot 330, van een van de artikelen van Boek II, Titel VIII, of van de artikelen 461, 463 en 466 tot 476 van het Strafwetboek, gepleegd in een trein, een station of aanhorigheid van deze.
Vanaf de tiende overtreding binnen een periode van driehonderdvijfenzestig dagen kan ook de rechter, op grond van de artikelen 29 en 30, de overtreder het in het eerste lid bedoelde verbod opleggen. In geval van herhaling bedraagt de in het eerste lid bepaalde verbodsperiode maximaal twee jaar.
Vanaf de tiende overtreding binnen een periode van driehonderdvijfenzestig dagen kan ook de rechter, op grond van de artikelen 29 en 30, de overtreder het in het eerste lid bedoelde verbod opleggen. In geval van herhaling bedraagt de in het eerste lid bepaalde verbodsperiode maximaal twee jaar.
Art.33. Sans préjudice des peines et sanctions principales prévues par la loi, le juge peut interdire l'accès à l'ensemble ou à une partie des exploitations du gestionnaire de la gare, du gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire ou d'une ou plusieurs entreprises ferroviaires, pour une période de quinze jours à un an, à une personne déclarée coupable d'une infraction aux articles 327 à 330, à un des articles du Livre II, Titre VIII, ou aux articles 461, 463 et 466 à 476 du Code pénal, commise dans un train, une gare ou une de ses dépendances.
L'interdiction visée à l'alinéa 1er peut également être ordonnée par le juge vis-à-vis de l'auteur d'infractions sur la base des articles 29 et 30, à partir de la commission de la dixième infraction commise au cours d'une période de trois cent soixante-cinq jours. Dans le cas d'une récidive, la période d'interdiction visée à l'alinéa 1er s'élève à maximum deux ans.
L'interdiction visée à l'alinéa 1er peut également être ordonnée par le juge vis-à-vis de l'auteur d'infractions sur la base des articles 29 et 30, à partir de la commission de la dixième infraction commise au cours d'une période de trois cent soixante-cinq jours. Dans le cas d'une récidive, la période d'interdiction visée à l'alinéa 1er s'élève à maximum deux ans.
Art.34. Onverminderd de door de wet bepaalde hoofdstraffen en -sancties, zullen de personen die een inbreuk plegen op de maatregelen betreffende de instandhouding van de spoorwegen en de veilige exploitatie ervan negeren, op vordering van het openbaar ministerie, bovendien veroordeeld worden tot het wegruimen, binnen een bij het vonnis te bepalen termijn, van alle onwettig aangelegde beplantingen, stapels of werken van om het even welke aard.
Bij het vervallen van de termijn die in het vonnis is bepaald, kan de infrastructuurbeheerder de onwettig bestaande beplantingen, stapels of werken van ambtswege doen wegruimen op kosten van de overtreder.
Bij het vervallen van de termijn die in het vonnis is bepaald, kan de infrastructuurbeheerder de onwettig bestaande beplantingen, stapels of werken van ambtswege doen wegruimen op kosten van de overtreder.
Art.34. Sans préjudice des peines et sanctions principales prévues par la loi, les personnes qui commettent une infraction aux mesures relatives à la conservation des chemins de fer et à la sûreté de leur exploitation, seront en outre condamnées, sur la réquisition du ministère public, à supprimer, dans un délai à déterminer par le jugement, les plantations, dépôts ou ouvrages quelconques illicitement établis.
A l'expiration du délai fixé par le jugement, le gestionnaire de l'infrastructure peut faire procéder d'office à la suppression des plantations, dépôts ou ouvrages illicites, aux frais du contrevenant.
A l'expiration du délai fixé par le jugement, le gestionnaire de l'infrastructure peut faire procéder d'office à la suppression des plantations, dépôts ou ouvrages illicites, aux frais du contrevenant.
Afdeling 2. - Alternatieve of bijkomende administratieve maatregelen
Section 2. - Mesures administratives alternatives ou accessoires
Art.35. Onverminderd de door de wet bepaalde hoofdstraffen en -sancties, is ieder persoon die de bepalingen van deze wet overtreedt, verplicht zodra hij daartoe aangemaand wordt door de leden van het operationeel kader van de politiediensten evenals door de vaststellende beambten, het spoorvoertuig, het station of de spoorweginfrastructuur te verlaten.
Art.35. Sans préjudice des peines et sanctions principales prévues par la loi, toute personne qui contrevient aux dispositions de la présente loi est tenue, dès qu'elle en est sommée par les membres du cadre opérationnel des services de police ainsi que par les agents constatateurs, de quitter le véhicule ferroviaire, la gare ou les infrastructures ferroviaires.
Art.36. § 1. Onverminderd de door de wet bepaalde hoofdstraffen en -sancties, kan de infrastructuurbeheerder de voertuigen of de voorwerpen bedoeld in artikel 5, 3°, laten verwijderen, in voorkomend geval op kosten van de overtreder en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen.
§ 2. Onverminderd de door de wet bepaalde hoofdstraffen en -sancties, dient iedere bestuurder van een stilstaand of geparkeerd voertuig, dat hinderlijk of gevaarlijk is voor het verkeer van reizigers of voertuigen, voor de uitvoering van werken, of voor het spoorverkeer, zijn voertuig te verplaatsen zodra hij daartoe aangemaand wordt door het personeel van de veiligheidsdienst of, naar gelang het geval, het personeel van de stationsbeheerder of van de beheerder van de parking.
Weigert de bestuurder zijn voertuig te verplaatsen of is hij afwezig, dan kan het personeel bedoeld in het eerste lid het voertuig laten verwijderen. In dat geval wordt het voertuig verplaatst op risico en kosten van de overtreder en de burgerlijk aansprakelijke personen.
§ 2. Onverminderd de door de wet bepaalde hoofdstraffen en -sancties, dient iedere bestuurder van een stilstaand of geparkeerd voertuig, dat hinderlijk of gevaarlijk is voor het verkeer van reizigers of voertuigen, voor de uitvoering van werken, of voor het spoorverkeer, zijn voertuig te verplaatsen zodra hij daartoe aangemaand wordt door het personeel van de veiligheidsdienst of, naar gelang het geval, het personeel van de stationsbeheerder of van de beheerder van de parking.
Weigert de bestuurder zijn voertuig te verplaatsen of is hij afwezig, dan kan het personeel bedoeld in het eerste lid het voertuig laten verwijderen. In dat geval wordt het voertuig verplaatst op risico en kosten van de overtreder en de burgerlijk aansprakelijke personen.
Art.36. § 1er. Sans préjudice des peines et sanctions principales prévues par la loi, le gestionnaire de l'infrastructure peut faire procéder à l'enlèvement des véhicules ou objets visés à l'article 5, 3°, le cas échéant aux frais du contrevenant et des personnes civilement responsables.
§ 2. Sans préjudice des peines et sanctions principales prévues par la loi, tout conducteur d'un véhicule à l'arrêt ou stationné sur les parkings, qui entrave ou met en danger la circulation des voyageurs ou des véhicules, l'exécution de travaux, le trafic ou l'exploitation ferroviaires, est tenu de déplacer son véhicule dès qu'il en est sommé par le personnel du service de sécurité ou, selon le cas, le personnel du gestionnaire de la gare ou du gestionnaire du parking.
En cas de refus du conducteur de déplacer son véhicule ou en l'absence du conducteur, le personnel visé à l'alinéa 1er peut faire procéder à l'enlèvement du véhicule. Dans ce cas le déplacement s'effectue aux risques et aux frais du contrevenant et des personnes civilement responsables.
§ 2. Sans préjudice des peines et sanctions principales prévues par la loi, tout conducteur d'un véhicule à l'arrêt ou stationné sur les parkings, qui entrave ou met en danger la circulation des voyageurs ou des véhicules, l'exécution de travaux, le trafic ou l'exploitation ferroviaires, est tenu de déplacer son véhicule dès qu'il en est sommé par le personnel du service de sécurité ou, selon le cas, le personnel du gestionnaire de la gare ou du gestionnaire du parking.
En cas de refus du conducteur de déplacer son véhicule ou en l'absence du conducteur, le personnel visé à l'alinéa 1er peut faire procéder à l'enlèvement du véhicule. Dans ce cas le déplacement s'effectue aux risques et aux frais du contrevenant et des personnes civilement responsables.
Art.37. § 1. In afwijking van artikel 34 kan de infrastructuurbeheerder zelf de algehele of gedeeltelijke wegruiming bevelen van de bouwwerken en stapels die dreigen in te vallen, alsmede het vellen van de bomen, die dreigen om te vallen binnen een zone van vijfentwintig meter vanaf de dichtstbijzijnde spoorstaaf en die de veiligheid van personen, treinen of van spoorweginfrastructuur in het gedrang zou brengen.
De eigenaars moeten dat bevel nakomen. Voeren zij de voorgeschreven werken niet uit binnen de bepaalde tijd, dan worden deze van ambtswege en op hun kosten uitgevoerd.
In spoedeisende gevallen kan de infrastructuurbeheerder, op kosten van de betrokken eigenaars, zelf van ambtswege overgaan tot de in het eerste lid bedoelde verrichtingen.
De betaling van de uitgaven die veroorzaakt worden door de in deze paragraaf bedoelde verrichtingen wordt vervolgd als in zaken van Staatsgronden, enkel op basis van een staat opgemaakt door de ambtenaar die de uitvoeringsmaatregelen heeft genomen.
§ 2. Wanneer de infrastructuurbeheerder het voor de veiligheid van de treinen of de instandhoudingvan de spoorwegen noodzakelijk acht, kan hij de wettig bestaande beplantingen, gebouwen, bouwwerken, uithollingen of stapels doen wegruimen mits vooraf tot een in der minne of door de rechter te bepalen schadevergoeding is overgegaan.
§ 3. De toelatingen die de infrastructuurbeheerder in het kader van deze wet geeft, ontslaan de houders van die toelatingen niet van hun aansprakelijkheid in geval van schade of incident.
§ 4. Wanneer een administratieve geldboete kan worden opgelegd in het kader van een overtreding van de bepalingen betreffende de instandhouding van de spoorwegen en de veilige exploitatie ervan, kan de bestraffende beambte de overtreders bovendien bevelen binnen een door hem bepaalde termijn alle onwettig aangelegde beplantingen, stapels of werken weg te ruimen.
Bij het vervallen van de door de bestraffende beambte vastgestelde termijn, kan de infrastructuurbeheerder de onwettig aangelegde beplantingen, stapels of werken doen wegruimen op kosten van de overtreder.
§ 5. Onverminderd de gerechtelijke en administratieve maatregelen bepaald in de wet, kan de infrastructuurbeheerder zich richten tot de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.
De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding overeenkomstig de artikelen 1035 tot 1038, 1040 en 1041 van het Gerechtelijk Wetboek.
Over de vordering wordt uitspraak gedaan niettegenstaande enige strafvervolging uitgeoefend wegens dezelfde feiten.
Tot de uitspraak van de beslissing met betrekking tot de in het derde lid bedoelde vordering wordt de verjaring van de strafvordering geschorst.
De eigenaars moeten dat bevel nakomen. Voeren zij de voorgeschreven werken niet uit binnen de bepaalde tijd, dan worden deze van ambtswege en op hun kosten uitgevoerd.
In spoedeisende gevallen kan de infrastructuurbeheerder, op kosten van de betrokken eigenaars, zelf van ambtswege overgaan tot de in het eerste lid bedoelde verrichtingen.
De betaling van de uitgaven die veroorzaakt worden door de in deze paragraaf bedoelde verrichtingen wordt vervolgd als in zaken van Staatsgronden, enkel op basis van een staat opgemaakt door de ambtenaar die de uitvoeringsmaatregelen heeft genomen.
§ 2. Wanneer de infrastructuurbeheerder het voor de veiligheid van de treinen of de instandhoudingvan de spoorwegen noodzakelijk acht, kan hij de wettig bestaande beplantingen, gebouwen, bouwwerken, uithollingen of stapels doen wegruimen mits vooraf tot een in der minne of door de rechter te bepalen schadevergoeding is overgegaan.
§ 3. De toelatingen die de infrastructuurbeheerder in het kader van deze wet geeft, ontslaan de houders van die toelatingen niet van hun aansprakelijkheid in geval van schade of incident.
§ 4. Wanneer een administratieve geldboete kan worden opgelegd in het kader van een overtreding van de bepalingen betreffende de instandhouding van de spoorwegen en de veilige exploitatie ervan, kan de bestraffende beambte de overtreders bovendien bevelen binnen een door hem bepaalde termijn alle onwettig aangelegde beplantingen, stapels of werken weg te ruimen.
Bij het vervallen van de door de bestraffende beambte vastgestelde termijn, kan de infrastructuurbeheerder de onwettig aangelegde beplantingen, stapels of werken doen wegruimen op kosten van de overtreder.
§ 5. Onverminderd de gerechtelijke en administratieve maatregelen bepaald in de wet, kan de infrastructuurbeheerder zich richten tot de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.
De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding overeenkomstig de artikelen 1035 tot 1038, 1040 en 1041 van het Gerechtelijk Wetboek.
Over de vordering wordt uitspraak gedaan niettegenstaande enige strafvervolging uitgeoefend wegens dezelfde feiten.
Tot de uitspraak van de beslissing met betrekking tot de in het derde lid bedoelde vordering wordt de verjaring van de strafvordering geschorst.
Art.37. § 1er. Par dérogation à l'article 34, le gestionnaire de l'infrastructure peut ordonner lui-même la suppression totale ou partielle des constructions et dépôts menaçant ruine ainsi que l'abattage des arbres dont la chute est imminente, dans une zone de vingt-cinq mètres à partir du rail le plus proche, et qui mettraient en péril la sécurité des personnes, des trains ou des infrastructures ferroviaires.
Les propriétaires sont tenus d'obtempérer à cet ordre. A défaut par eux de faire les travaux prescrits dans le délai déterminé, il y est procédé d'office et à leurs frais.
En cas d'extrême urgence, le gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire peut procéder d'office lui-même aux opérations visées à l'alinéa 1er, aux frais des propriétaires concernés.
Le remboursement des dépenses occasionnées par les opérations visées au présent paragraphe est poursuivi comme en matière domaniale, sur simple état dressé par le fonctionnaire qui aura pris les mesures d'exécution.
§ 2. Le gestionnaire de l'infrastructure peut, lorsque la sécurité des trains ou la conservation des chemins de fer lui paraît l'exiger, faire supprimer les plantations, bâtisses, constructions, excavations ou dépôts existant légalement, moyennant indemnité préalable à fixer de gré à gré ou par le juge.
§ 3. Les autorisations accordées par le gestionnaire de l'infrastructure dans le cadre de la présente loi n'exonèrent pas leurs titulaires de leur responsabilité en cas de dommage ou d'incident.
§ 4. Lorsqu'une amende administrative peut être infligée dans le cadre d'une infraction aux dispositions concernant les mesures relatives à la conservation des chemins de fer et à la sûreté de leur exploitation, l'agent sanctionnateur peut en outre ordonner aux contrevenants de supprimer, dans un délai qu'il aura déterminé, les plantations, dépôts ou ouvrages quelconques illicitement établis.
A l'expiration du délai fixé par l'agent sanctionnateur, le gestionnaire de l'infrastructure peut faire procéder d'office à la suppression des plantations, dépôts ou ouvrages illicites, aux frais du délinquant.
§ 5. Sans préjudice des mesures judiciaires et administratives prévues par la loi, le gestionnaire de l'infrastructure peut s'adresser au président du Tribunal de première instance.
L'action est formée et instruite selon les formes du référé conformément aux articles 1035 à 1038, 1040 et 1041 du Code judiciaire.
Il est statué sur la demande nonobstant toute action pénale exercée en raison des mêmes faits.
La prescription de l'action publique est suspendue jusqu'au prononcé de la décision relative à la demande visée à l'alinéa 3.
Les propriétaires sont tenus d'obtempérer à cet ordre. A défaut par eux de faire les travaux prescrits dans le délai déterminé, il y est procédé d'office et à leurs frais.
En cas d'extrême urgence, le gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire peut procéder d'office lui-même aux opérations visées à l'alinéa 1er, aux frais des propriétaires concernés.
Le remboursement des dépenses occasionnées par les opérations visées au présent paragraphe est poursuivi comme en matière domaniale, sur simple état dressé par le fonctionnaire qui aura pris les mesures d'exécution.
§ 2. Le gestionnaire de l'infrastructure peut, lorsque la sécurité des trains ou la conservation des chemins de fer lui paraît l'exiger, faire supprimer les plantations, bâtisses, constructions, excavations ou dépôts existant légalement, moyennant indemnité préalable à fixer de gré à gré ou par le juge.
§ 3. Les autorisations accordées par le gestionnaire de l'infrastructure dans le cadre de la présente loi n'exonèrent pas leurs titulaires de leur responsabilité en cas de dommage ou d'incident.
§ 4. Lorsqu'une amende administrative peut être infligée dans le cadre d'une infraction aux dispositions concernant les mesures relatives à la conservation des chemins de fer et à la sûreté de leur exploitation, l'agent sanctionnateur peut en outre ordonner aux contrevenants de supprimer, dans un délai qu'il aura déterminé, les plantations, dépôts ou ouvrages quelconques illicitement établis.
A l'expiration du délai fixé par l'agent sanctionnateur, le gestionnaire de l'infrastructure peut faire procéder d'office à la suppression des plantations, dépôts ou ouvrages illicites, aux frais du délinquant.
§ 5. Sans préjudice des mesures judiciaires et administratives prévues par la loi, le gestionnaire de l'infrastructure peut s'adresser au président du Tribunal de première instance.
L'action est formée et instruite selon les formes du référé conformément aux articles 1035 à 1038, 1040 et 1041 du Code judiciaire.
Il est statué sur la demande nonobstant toute action pénale exercée en raison des mêmes faits.
La prescription de l'action publique est suspendue jusqu'au prononcé de la décision relative à la demande visée à l'alinéa 3.
Art.38. Van elke persoon die artikel 16 van deze wet overtreedt, kan bovendien het vervoerbewijs worden ingetrokken, tijdelijk of definitief.
Art.38. Toute personne qui contrevient à l'article 16 de la présente loi peut à titre accessoire faire l'objet du retrait d'un titre de transport, temporaire ou définitif.
HOOFDSTUK 3. - Procedure
CHAPITRE 3. - Procédure
Afdeling 1. - Strafvorderingsprocedure
Section 1re. - Procédure relative à l'action pénale
Art.39. Behalve voor de overtredingen bedoeld in de artikelen 29 en 30 wordt het proces-verbaal ter vaststelling van een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, uiterlijk twee maanden na de vaststelling van de overtreding bezorgd aan de bevoegde procureur des Konings.
Art.39. A l'exception des infractions visées aux articles 29 et 30, le procès-verbal qui constate une infraction à la présente loi et à ses arrêtés d'exécution est envoyé au plus tard dans les deux mois de la constatation de l'infraction au procureur du Roi compétent.
Afdeling 2. - Administratieve procedure
Section 2. - Procédure administrative
Art.40. § 1. De vaststelling of het proces-verbaal van een overtreding bepaald in artikel 29 wordt ten laatste binnen de twee maanden na de vaststelling van de overtreding naar de bestraffende beambte van het bedrijf ten nadele waarvan de vastgestelde overtreding is begaan, verstuurd.
§ 2. Wanneer feiten die enkel bestraft kunnen worden met een administratieve geldboete vastgesteld worden ten laste van minderjarigen, bezorgen de vaststellende beambten steeds een kopie van de vaststellingen aan de bevoegde procureur des Konings.
§ 2. Wanneer feiten die enkel bestraft kunnen worden met een administratieve geldboete vastgesteld worden ten laste van minderjarigen, bezorgen de vaststellende beambten steeds een kopie van de vaststellingen aan de bevoegde procureur des Konings.
Art.40. § 1er. Le constat ou le procès-verbal d'une infraction prévue à l'article 29 est envoyé au plus tard dans les deux mois de la constatation de l'infraction à l'agent sanctionnateur relevant de l'entreprise au préjudice de laquelle l'infraction a été constatée.
§ 2. Lorsque des faits qui ne sont punissables que par une amende administrative sont constatés à charge de mineurs d'âge, une copie des constatations est toujours transmise par les agents constatateurs au procureur du Roi compétent.
§ 2. Lorsque des faits qui ne sont punissables que par une amende administrative sont constatés à charge de mineurs d'âge, une copie des constatations est toujours transmise par les agents constatateurs au procureur du Roi compétent.
Art.41. § 1. Het proces-verbaal tot vaststelling van een overtreding bepaald in artikel 30 wordt uiterlijk binnen twee maanden na de vaststelling van de overtreding naar de bevoegde procureur des Konings verstuurd.
Binnen dezelfde termijn wordt ook een kopie van dit proces-verbaal naar de bestraffende beambte van het bedrijf ten nadele waarvan de vastgestelde overtreding is begaan, verstuurd.
§ 2. De procureur des Konings beschikt vanaf de dag van de verzending van het proces-verbaal over een termijn van twee maanden om de bestraffende beambte mee te delen dat er een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek is geopend of dat vervolgingen zijn ingesteld, of dat hij oordeelt het dossier zonder gevolg te moeten klasseren.
Deze mededeling ontneemt de bestraffende beambte de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen.
De bestraffende beambte kan slechts een administratieve geldboete opleggen na het verstrijken van deze termijn, of vóór het verstrijken van deze termijn wanneer de procureur des Konings aan de bestraffende beambte heeft laten weten dat hij niet van plan is om de overtreding te vervolgen omdat het opleggen van een administratieve geldboete een meer geschikte maatregel is.
De bedrijven waarvan de bestraffende beambten afhangen sluiten protocolakkoorden met de procureurs des Konings om deze relaties te regelen en, in het bijzonder, om op voorhand die gedragingen te bepalen die de procureurs des Konings niet van plan zouden zijn te vervolgen omdat een administratieve geldboete een meer geschikte maatregel is.
De nadere regels en het model van deze protocolakkoorden worden door de Koning vastgesteld.
Binnen dezelfde termijn wordt ook een kopie van dit proces-verbaal naar de bestraffende beambte van het bedrijf ten nadele waarvan de vastgestelde overtreding is begaan, verstuurd.
§ 2. De procureur des Konings beschikt vanaf de dag van de verzending van het proces-verbaal over een termijn van twee maanden om de bestraffende beambte mee te delen dat er een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek is geopend of dat vervolgingen zijn ingesteld, of dat hij oordeelt het dossier zonder gevolg te moeten klasseren.
Deze mededeling ontneemt de bestraffende beambte de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen.
De bestraffende beambte kan slechts een administratieve geldboete opleggen na het verstrijken van deze termijn, of vóór het verstrijken van deze termijn wanneer de procureur des Konings aan de bestraffende beambte heeft laten weten dat hij niet van plan is om de overtreding te vervolgen omdat het opleggen van een administratieve geldboete een meer geschikte maatregel is.
De bedrijven waarvan de bestraffende beambten afhangen sluiten protocolakkoorden met de procureurs des Konings om deze relaties te regelen en, in het bijzonder, om op voorhand die gedragingen te bepalen die de procureurs des Konings niet van plan zouden zijn te vervolgen omdat een administratieve geldboete een meer geschikte maatregel is.
De nadere regels en het model van deze protocolakkoorden worden door de Koning vastgesteld.
Art.41. § 1er. Le procès-verbal qui constate une infraction prévue à l'article 30 est envoyé au plus tard dans les deux mois de la constatation de l'infraction au procureur du Roi compétent.
Une copie de ce procès-verbal est aussi envoyée dans le même délai à l'agent sanctionnateur relevant de l'entreprise au préjudice de laquelle l'infraction a été constatée.
§ 2. Le procureur du Roi dispose d'un délai de deux mois, à compter du jour de l'envoi du procès-verbal, pour informer l'agent sanctionnateur qu'une information ou une instruction a été ouverte ou que des poursuites ont été entamées ou qu'il estime devoir classer le dossier sans suite.
Cette communication éteint la possibilité pour l'agent sanctionnateur d'imposer une amende administrative.
L'agent sanctionnateur ne peut infliger une amende administrative qu'à l'échéance de ce délai ou avant l'échéance de celui-ci si le procureur du Roi communique au préalable à l'agent sanctionnateur qu'il ne compte pas poursuivre l'infraction car une amende administrative serait une réponse plus appropriée.
Les sociétés dont dépendent les agents sanctionnateurs concluent des protocoles d'accord avec les procureurs du Roi pour régler ces relations et, en particulier, pour déterminer à l'avance les comportements que les procureurs du Roi n'entendent pas poursuivre au motif qu'une amende administrative serait une réponse plus appropriée.
Les modalités et le modèle de ces protocoles d'accord sont fixés par le Roi.
Une copie de ce procès-verbal est aussi envoyée dans le même délai à l'agent sanctionnateur relevant de l'entreprise au préjudice de laquelle l'infraction a été constatée.
§ 2. Le procureur du Roi dispose d'un délai de deux mois, à compter du jour de l'envoi du procès-verbal, pour informer l'agent sanctionnateur qu'une information ou une instruction a été ouverte ou que des poursuites ont été entamées ou qu'il estime devoir classer le dossier sans suite.
Cette communication éteint la possibilité pour l'agent sanctionnateur d'imposer une amende administrative.
L'agent sanctionnateur ne peut infliger une amende administrative qu'à l'échéance de ce délai ou avant l'échéance de celui-ci si le procureur du Roi communique au préalable à l'agent sanctionnateur qu'il ne compte pas poursuivre l'infraction car une amende administrative serait une réponse plus appropriée.
Les sociétés dont dépendent les agents sanctionnateurs concluent des protocoles d'accord avec les procureurs du Roi pour régler ces relations et, en particulier, pour déterminer à l'avance les comportements que les procureurs du Roi n'entendent pas poursuivre au motif qu'une amende administrative serait une réponse plus appropriée.
Les modalités et le modèle de ces protocoles d'accord sont fixés par le Roi.
Art.42. § 1. De administratieve geldboete wordt opgelegd door een bestraffende beambte.
De administratieve sancties die het gevolg zijn van een overtreding die wordt vastgesteld door een politiedienst in het kader van deze wet, worden opgelegd door de bestraffende beambte die bevoegd is voor de overtredingen die worden vastgesteld door de vaststellende beambte van de veiligheidsdienst.
§ 2. De bestraffende beambten bedoeld in deze wet kunnen de voorbereiding van het administratief dossier delegeren aan het personeel van het bedrijf of entiteit waartoe ze behoren, voor zover dit personeel tot een verschillende dienst behoort en onafhankelijk is van de dienst waarvan de vaststellende beambten afhangen.
Enkel de personeelsleden die beantwoorden aan de voorwaarden inzake selectie, aanwerving, opleiding en kennis bedoeld in artikel 25, § 4 sprake is, kunnen een bevoegdheidsdelegatie krijgen zoals bedoeld in het eerste lid.
De administratieve sancties die het gevolg zijn van een overtreding die wordt vastgesteld door een politiedienst in het kader van deze wet, worden opgelegd door de bestraffende beambte die bevoegd is voor de overtredingen die worden vastgesteld door de vaststellende beambte van de veiligheidsdienst.
§ 2. De bestraffende beambten bedoeld in deze wet kunnen de voorbereiding van het administratief dossier delegeren aan het personeel van het bedrijf of entiteit waartoe ze behoren, voor zover dit personeel tot een verschillende dienst behoort en onafhankelijk is van de dienst waarvan de vaststellende beambten afhangen.
Enkel de personeelsleden die beantwoorden aan de voorwaarden inzake selectie, aanwerving, opleiding en kennis bedoeld in artikel 25, § 4 sprake is, kunnen een bevoegdheidsdelegatie krijgen zoals bedoeld in het eerste lid.
Art.42. § 1er. L'amende administrative est infligée par un agent sanctionnateur.
Les sanctions administratives consécutives à une infraction constatée par un service de police dans le cadre de la présente loi, sont infligées par l'agent sanctionnateur compétent pour les infractions constatées par un agent constatateur du service de sécurité.
§ 2. Les agents sanctionnateurs visés par la présente loi peuvent déléguer la préparation du dossier administratif au personnel de la société ou entité à laquelle ils appartiennent, pour autant que ce personnel fasse partie d'un service différent et indépendant du service dont ressortent les agents constatateurs.
Seuls les membres du personnel répondant aux conditions de sélection, de recrutement, de formation et de qualification visées à l'article 25, § 4 peuvent recevoir une délégation de compétence telle que visée à l'alinéa 1er.
Les sanctions administratives consécutives à une infraction constatée par un service de police dans le cadre de la présente loi, sont infligées par l'agent sanctionnateur compétent pour les infractions constatées par un agent constatateur du service de sécurité.
§ 2. Les agents sanctionnateurs visés par la présente loi peuvent déléguer la préparation du dossier administratif au personnel de la société ou entité à laquelle ils appartiennent, pour autant que ce personnel fasse partie d'un service différent et indépendant du service dont ressortent les agents constatateurs.
Seuls les membres du personnel répondant aux conditions de sélection, de recrutement, de formation et de qualification visées à l'article 25, § 4 peuvent recevoir une délégation de compétence telle que visée à l'alinéa 1er.
Art.43. § 1. Wanneer de bestraffende beambte beslist dat de administratieve procedure opgestart dient te worden, deelt hij of zij aan de overtreder, per aangetekende brief, het volgende mee:
- de feiten die aan de basis liggen van de aanvang van de procedure en hun kwalificatie;
- de sanctie die hij of zij riskeert;
- dat de overtreder de mogelijkheid heeft om bij aangetekende brief binnen een termijn van dertig dagen na de datum van kennisgeving zijn verweermiddelen uiteen te zetten, of zijn verweer mondeling uiteen te zetten indien de overtreder minderjarig is; indien hij of zij meerderjarig is, enkel wanneer het gaat over een overtreding bedoeld in artikel 31, § 4;
- dat de overtreder het recht heeft om zich te laten bijstaan door een raadsman;
- dat de overtreder het recht heeft om zijn dossier te raadplegen;
- een kopie van het proces-verbaal of de vaststelling bedoeld, al naargelang het geval, in artikel 40 of 41.
§ 2. Behalve in het geval van een overtreding bedoeld in de artikelen 15 tot 18 die hem voor de vijfde maal of minder ten laste wordt gelegd binnen een periode van twaalf maanden of minder, moet de bestraffende beambte overigens verplicht een aanbod van bemiddeling voorstellen indien de administratieve procedure wordt gestart voor een overtreding begaan door een minderjarige. Indien de uitvoering van een gemeenschapsdienst de aangewezen weg is in het kader van deze bemiddeling, wordt het dossier overgemaakt naar een externe en erkende bemiddelingsinstantie en onafhankelijk van het bedrijf waarvan de bestraffende beambte afhangt. De gemeenschapsdienst die aan de minderjarige wordt voorgesteld, houdt rekening met zijn leeftijd en capaciteiten. Hij mag in elk geval niet meer dan vijftien uur bedragen en moet worden uitgevoerd binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van instemming van de minderjarige met de gemeenschapsdienst.
Enkel in geval van weigering van het aanbod of falen van de bemiddeling, kan de bestraffende beambte een administratieve sanctie opleggen.
De aangetekende brief bedoeld in § 1 die het aanbod van bemiddeling bevat alsook iedere andere communicatie of beslissing, wordt verstuurd naar de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en naar de hoofdverblijfplaats van zijn vader en moeder, van zijn voogden of van de personen die de minderjarige overtreder onder hun hoede hebben. Deze partijen beschikken over dezelfde rechten als de overtreder zelf en zij mogen, op hun vraag, de minderjarige vergezellen bij de uitvoering van de gemeenschapsdienst.
De bestraffende beambte brengt tegelijk de stafhouder van de orde van advocaten op de hoogte, zodat ervoor gezorgd wordt dat de minderjarige door een advocaat bijgestaan kan worden.
De stafhouder of het bureau voor juridische bijstand stelt een advocaat aan, uiterlijk binnen twee werkdagen na voormelde kennisgeving.
Deze advocaat is ermee belast de minderjarige tijdens de volledige procedure bij te staan. Een afschrift van het bericht van de kennisgeving aan de stafhouder wordt bij het dossier van de rechtspleging gevoegd.
Wanneer er een risico op een belangenconflict bestaat, zorgt de stafhouder of het bureau voor juridische bijstand ervoor dat de betrokkene bijgestaan wordt door een andere advocaat dan die waarop zijn vader en moeder, voogd, of personen die hem onder hun hoede hebben of die een vorderingsrecht hebben, een beroep hebben gedaan.
§ 3. De bemiddeling bedoeld in § 2 gebeurt door een bemiddelaar die aan de minimum voorwaarden voldoet bepaald door de Koning.
- de feiten die aan de basis liggen van de aanvang van de procedure en hun kwalificatie;
- de sanctie die hij of zij riskeert;
- dat de overtreder de mogelijkheid heeft om bij aangetekende brief binnen een termijn van dertig dagen na de datum van kennisgeving zijn verweermiddelen uiteen te zetten, of zijn verweer mondeling uiteen te zetten indien de overtreder minderjarig is; indien hij of zij meerderjarig is, enkel wanneer het gaat over een overtreding bedoeld in artikel 31, § 4;
- dat de overtreder het recht heeft om zich te laten bijstaan door een raadsman;
- dat de overtreder het recht heeft om zijn dossier te raadplegen;
- een kopie van het proces-verbaal of de vaststelling bedoeld, al naargelang het geval, in artikel 40 of 41.
§ 2. Behalve in het geval van een overtreding bedoeld in de artikelen 15 tot 18 die hem voor de vijfde maal of minder ten laste wordt gelegd binnen een periode van twaalf maanden of minder, moet de bestraffende beambte overigens verplicht een aanbod van bemiddeling voorstellen indien de administratieve procedure wordt gestart voor een overtreding begaan door een minderjarige. Indien de uitvoering van een gemeenschapsdienst de aangewezen weg is in het kader van deze bemiddeling, wordt het dossier overgemaakt naar een externe en erkende bemiddelingsinstantie en onafhankelijk van het bedrijf waarvan de bestraffende beambte afhangt. De gemeenschapsdienst die aan de minderjarige wordt voorgesteld, houdt rekening met zijn leeftijd en capaciteiten. Hij mag in elk geval niet meer dan vijftien uur bedragen en moet worden uitgevoerd binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van instemming van de minderjarige met de gemeenschapsdienst.
Enkel in geval van weigering van het aanbod of falen van de bemiddeling, kan de bestraffende beambte een administratieve sanctie opleggen.
De aangetekende brief bedoeld in § 1 die het aanbod van bemiddeling bevat alsook iedere andere communicatie of beslissing, wordt verstuurd naar de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en naar de hoofdverblijfplaats van zijn vader en moeder, van zijn voogden of van de personen die de minderjarige overtreder onder hun hoede hebben. Deze partijen beschikken over dezelfde rechten als de overtreder zelf en zij mogen, op hun vraag, de minderjarige vergezellen bij de uitvoering van de gemeenschapsdienst.
De bestraffende beambte brengt tegelijk de stafhouder van de orde van advocaten op de hoogte, zodat ervoor gezorgd wordt dat de minderjarige door een advocaat bijgestaan kan worden.
De stafhouder of het bureau voor juridische bijstand stelt een advocaat aan, uiterlijk binnen twee werkdagen na voormelde kennisgeving.
Deze advocaat is ermee belast de minderjarige tijdens de volledige procedure bij te staan. Een afschrift van het bericht van de kennisgeving aan de stafhouder wordt bij het dossier van de rechtspleging gevoegd.
Wanneer er een risico op een belangenconflict bestaat, zorgt de stafhouder of het bureau voor juridische bijstand ervoor dat de betrokkene bijgestaan wordt door een andere advocaat dan die waarop zijn vader en moeder, voogd, of personen die hem onder hun hoede hebben of die een vorderingsrecht hebben, een beroep hebben gedaan.
§ 3. De bemiddeling bedoeld in § 2 gebeurt door een bemiddelaar die aan de minimum voorwaarden voldoet bepaald door de Koning.
Art.43. § 1er. Lorsque l'agent sanctionnateur décide qu'il y a lieu d'entamer une procédure administrative, il ou elle communique au contrevenant, par lettre recommandée:
- les faits à propos desquels la procédure a été entamée et leur qualification;
- la sanction à laquelle il ou elle s'expose;
- que le contrevenant a la possibilité d'exposer ses moyens de défense par lettre recommandée dans un délai de trente jours à compter du jour de la notification ou de présenter oralement sa défense, dans tous les cas, si le contrevenant est mineur, et uniquement s'il est majeur, s'il s'agit d'une infraction visée à l'article 31, § 4;
- que le contrevenant a le droit de se faire assister par un conseil;
- que le contrevenant a le droit de consulter son dossier
- une copie du procès-verbal ou du constat visé, selon les cas, à l'article 40 ou 41.
§ 2. Si la procédure administrative est entamée pour une infraction commise par un mineur d'âge, l'agent sanctionnateur est en outre tenu de proposer une offre de médiation sauf dans le cas d'une infraction visée aux articles 15 à 18 commise pour la cinquième fois ou moins dans une période de douze mois ou moins. Dans le cadre de cette médiation, si l'exécution d'une prestation citoyenne est la piste privilégiée, le dossier sera transmis à un organisme de médiation externe reconnu et indépendant de l'entreprise dont dépend l'agent sanctionnateur. La prestation citoyenne proposée au mineur tiendra compte de son âge et de ses capacités. Elle ne peut en tout cas pas excéder quinze heures et doit être exécutée dans un délai de six mois à partir de la date à laquelle le mineur a accepté la prestation citoyenne.
Ce n'est qu'en cas de refus de l'offre ou d'échec de la médiation, que l'agent sanctionnateur peut infliger une sanction administrative.
La lettre recommandée visée au § 1er contenant l'offre de médiation ainsi que toute autre communication ou décision est envoyée au domicile principal du mineur ainsi qu'au domicile principal de ses père et mère, de ses tuteurs ou des personnes qui en ont la garde. Ces parties disposent des mêmes droits que le contrevenant lui-même et peuvent, à leur demande, accompagner le mineur lors de l'exécution de la prestation citoyenne.
L'agent sanctionnateur avise en même temps le bâtonnier de l'ordre des avocats, afin qu'il soit veillé à ce que le mineur d'âge puisse être assisté d'un avocat.
Le bâtonnier ou le bureau d'aide juridique procède à la désignation d'un avocat, au plus tard dans les deux jours ouvrés à compter de cet avis.
Cet avocat est chargé d'assister le mineur d'âge pendant toute la procédure. Copie de l'avis informant le bâtonnier de la saisine est jointe au dossier de la procédure.
Lorsqu'il existe un risque de conflit d'intérêts, le bâtonnier ou le bureau d'aide juridique veille à ce que l'intéressé soit assisté par un avocat autre que celui auquel ont fait appel ses père et mère, tuteurs, ou personnes qui en ont la garde ou qui sont investies d'un droit d'action.
§ 3. La médiation visée au § 2 est menée par un médiateur qui répond aux conditions minimales définies par le Roi.
- les faits à propos desquels la procédure a été entamée et leur qualification;
- la sanction à laquelle il ou elle s'expose;
- que le contrevenant a la possibilité d'exposer ses moyens de défense par lettre recommandée dans un délai de trente jours à compter du jour de la notification ou de présenter oralement sa défense, dans tous les cas, si le contrevenant est mineur, et uniquement s'il est majeur, s'il s'agit d'une infraction visée à l'article 31, § 4;
- que le contrevenant a le droit de se faire assister par un conseil;
- que le contrevenant a le droit de consulter son dossier
- une copie du procès-verbal ou du constat visé, selon les cas, à l'article 40 ou 41.
§ 2. Si la procédure administrative est entamée pour une infraction commise par un mineur d'âge, l'agent sanctionnateur est en outre tenu de proposer une offre de médiation sauf dans le cas d'une infraction visée aux articles 15 à 18 commise pour la cinquième fois ou moins dans une période de douze mois ou moins. Dans le cadre de cette médiation, si l'exécution d'une prestation citoyenne est la piste privilégiée, le dossier sera transmis à un organisme de médiation externe reconnu et indépendant de l'entreprise dont dépend l'agent sanctionnateur. La prestation citoyenne proposée au mineur tiendra compte de son âge et de ses capacités. Elle ne peut en tout cas pas excéder quinze heures et doit être exécutée dans un délai de six mois à partir de la date à laquelle le mineur a accepté la prestation citoyenne.
Ce n'est qu'en cas de refus de l'offre ou d'échec de la médiation, que l'agent sanctionnateur peut infliger une sanction administrative.
La lettre recommandée visée au § 1er contenant l'offre de médiation ainsi que toute autre communication ou décision est envoyée au domicile principal du mineur ainsi qu'au domicile principal de ses père et mère, de ses tuteurs ou des personnes qui en ont la garde. Ces parties disposent des mêmes droits que le contrevenant lui-même et peuvent, à leur demande, accompagner le mineur lors de l'exécution de la prestation citoyenne.
L'agent sanctionnateur avise en même temps le bâtonnier de l'ordre des avocats, afin qu'il soit veillé à ce que le mineur d'âge puisse être assisté d'un avocat.
Le bâtonnier ou le bureau d'aide juridique procède à la désignation d'un avocat, au plus tard dans les deux jours ouvrés à compter de cet avis.
Cet avocat est chargé d'assister le mineur d'âge pendant toute la procédure. Copie de l'avis informant le bâtonnier de la saisine est jointe au dossier de la procédure.
Lorsqu'il existe un risque de conflit d'intérêts, le bâtonnier ou le bureau d'aide juridique veille à ce que l'intéressé soit assisté par un avocat autre que celui auquel ont fait appel ses père et mère, tuteurs, ou personnes qui en ont la garde ou qui sont investies d'un droit d'action.
§ 3. La médiation visée au § 2 est menée par un médiateur qui répond aux conditions minimales définies par le Roi.
Art.44. Bij het verstrijken van de termijn van dertig dagen voor het uiteenzetten van de verweermiddelen of, in voorkomend geval, na ontvangst van de verweermiddelen bedoeld in artikel 43, kan de bestraffende beambte een administratieve sanctie opleggen zoals bepaald door deze wet.
Art.44. A l'échéance du délai de trente jours pour exposer les moyens de défense ou, le cas échéant, après réception des moyens de défense visés à l'article 43, l'agent sanctionnateur peut imposer une sanction administrative telle que prévue par la présente loi.
Art.45. De beslissing om een administratieve sanctie op te leggen wordt met redenen omkleed. De beslissing vermeldt ook het bedrag van de administratieve geldboete en in voorkomend geval de bijkomende maatregelen zoals bedoeld in de artikelen 37, § 4, en 38.
Indien een persoon gelijktijdig meerdere overtredingen begaat die vatbaar zijn voor een administratieve geldboete, dan worden de bedragen van de administratieve geldboetes die kunnen worden opgelegd samengevoegd, zonder dat het totaalbedrag hoger mag zijn dan het dubbele van het bedrag van de hoogste administratieve geldboete.
Indien een persoon gelijktijdig meerdere overtredingen begaat die vatbaar zijn voor een administratieve geldboete, dan worden de bedragen van de administratieve geldboetes die kunnen worden opgelegd samengevoegd, zonder dat het totaalbedrag hoger mag zijn dan het dubbele van het bedrag van de hoogste administratieve geldboete.
Art.45. La décision d'infliger une sanction administrative est motivée. Elle mentionne également le montant de l'amende administrative et le cas échéant les mesures complémentaires telles que visées aux articles 37, § 4, et 38.
Si une personne commet plusieurs infractions concomitantes passibles d'amendes administratives, les montants des amendes administratives qui seraient susceptibles d'être infligées seront cumulés, sans que le montant total ne puisse excéder le double du montant de l'amende administrative la plus élevée.
Si une personne commet plusieurs infractions concomitantes passibles d'amendes administratives, les montants des amendes administratives qui seraient susceptibles d'être infligées seront cumulés, sans que le montant total ne puisse excéder le double du montant de l'amende administrative la plus élevée.
Art.46. De beslissing om een administratieve sanctie op te leggen wordt per aangetekende brief verstuurd naar het adres van de hoofdverblijfplaats van de overtreder en in het geval van een minderjarige overtreder, zowel naar de hoofdverblijfplaats van de minderjarige als naar de hoofdverblijfplaats van zijn vader en moeder, zijn voogden of de personen die de hoede over hem hebben.
De vader en de moeder, de voogden of de personen die de hoede over de minderjarige hebben, zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboete.
De vader en de moeder, de voogden of de personen die de hoede over de minderjarige hebben, zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboete.
Art.46. La décision d'infliger une sanction administrative est envoyée au domicile principal du contrevenant par lettre recommandée et dans le cas d'un contrevenant mineur, au domicile principal du mineur ainsi qu'au domicile principal de ses père et mère, ses tuteurs ou des personnes qui en ont la garde.
Le père et la mère, les tuteurs ou personnes qui ont la garde du mineur, sont civilement responsables du paiement de l'amende.
Le père et la mère, les tuteurs ou personnes qui ont la garde du mineur, sont civilement responsables du paiement de l'amende.
Art.47. § 1. Op straffe van onontvankelijkheid wordt binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de dag van betekening van de beslissing van de bestraffende beambte beroep hiertegen ingesteld met een schriftelijk verzoekschrift bij de bevoegde politierechtbank.
Dit beroep werkt opschortend en de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek zijn erop van toepassing.
Tegen de beslissing van de rechtbank staat geen hoger beroep open.
§ 2. Wanneer de beslissing genomen wordt tegen een minderjarige, wordt het beroep kosteloos ingesteld bij de bevoegde jeugdrechtbank bij verzoekschrift. Artikel 60 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade is van toepassing.
Het beroep kan ook worden ingesteld door de vader en moeder, de voogden of de personen die de hoede hebben over de minderjarige. De jeugdrechtbank blijft bevoegd indien de overtreder meerderjarig is geworden op het ogenblik waarop zij zich uitspreekt.
Wanneer de jeugdrechtbank beslist om de administratieve sanctie te vervangen door een bewakings-, beschermings- of opvoedingsmaatregel zoals bedoeld bij artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade staat tegen haar beslissing hoger beroep open. In dat geval zijn de procedures bepaald door de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade van toepassing voor de feiten die als misdrijf gekwalificeerd worden.
Dit beroep werkt opschortend en de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek zijn erop van toepassing.
Tegen de beslissing van de rechtbank staat geen hoger beroep open.
§ 2. Wanneer de beslissing genomen wordt tegen een minderjarige, wordt het beroep kosteloos ingesteld bij de bevoegde jeugdrechtbank bij verzoekschrift. Artikel 60 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade is van toepassing.
Het beroep kan ook worden ingesteld door de vader en moeder, de voogden of de personen die de hoede hebben over de minderjarige. De jeugdrechtbank blijft bevoegd indien de overtreder meerderjarig is geworden op het ogenblik waarop zij zich uitspreekt.
Wanneer de jeugdrechtbank beslist om de administratieve sanctie te vervangen door een bewakings-, beschermings- of opvoedingsmaatregel zoals bedoeld bij artikel 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade staat tegen haar beslissing hoger beroep open. In dat geval zijn de procedures bepaald door de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade van toepassing voor de feiten die als misdrijf gekwalificeerd worden.
Art.47. § 1er. Sous peine d'irrecevabilité, le recours contre la décision de l'agent sanctionnateur est introduit par requête auprès du tribunal de police compétent endéans un délai d'un mois à compter du jour de la notification de la décision de l'agent sanctionnateur.
Ce recours a un effet suspensif et les dispositions du Code judiciaire lui sont applicables.
La décision du tribunal n'est pas susceptible d'appel.
§ 2. Lorsque la décision est prise à l'encontre d'un mineur d'âge, le recours est introduit gratuitement par requête écrite auprès du tribunal de la jeunesse compétent. L'article 60 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié d'infraction et la réparation du dommage causé par ce fait est d'application.
Le recours peut également être introduit par les père et mère, les tuteurs ou les personnes qui ont la garde du mineur d'âge. Le tribunal de la jeunesse demeure compétent si le contrevenant est devenu majeur au moment où il se prononce.
Lorsque le tribunal de la jeunesse décide de remplacer la sanction administrative par une mesure de garde, de préservation ou d'éducation visée à l'article 37 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié d'infraction et la réparation du dommage causé par ce fait, sa décision est susceptible d'appel. Dans ce cas, les procédures prévues par la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié d'infraction et la réparation du dommage causé par ce fait pour les faits qualifiés d'infractions sont d'application.
Ce recours a un effet suspensif et les dispositions du Code judiciaire lui sont applicables.
La décision du tribunal n'est pas susceptible d'appel.
§ 2. Lorsque la décision est prise à l'encontre d'un mineur d'âge, le recours est introduit gratuitement par requête écrite auprès du tribunal de la jeunesse compétent. L'article 60 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié d'infraction et la réparation du dommage causé par ce fait est d'application.
Le recours peut également être introduit par les père et mère, les tuteurs ou les personnes qui ont la garde du mineur d'âge. Le tribunal de la jeunesse demeure compétent si le contrevenant est devenu majeur au moment où il se prononce.
Lorsque le tribunal de la jeunesse décide de remplacer la sanction administrative par une mesure de garde, de préservation ou d'éducation visée à l'article 37 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié d'infraction et la réparation du dommage causé par ce fait, sa décision est susceptible d'appel. Dans ce cas, les procédures prévues par la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié d'infraction et la réparation du dommage causé par ce fait pour les faits qualifiés d'infractions sont d'application.
Art.48. De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete heeft uitvoerbare kracht na het verstrijken van de termijn voor beroep bepaald in artikel 47.
Art.48. La décision d'infliger une amende administrative a force exécutoire à l'expiration du délai de recours visé à l'article 47.
Art.49. De bestraffende beambte kan geen administratieve boete meer opleggen na afloop van een termijn van één jaar volgend op de vaststelling of op het proces-verbaal waarin de overtreding wordt vastgesteld.
Art.49. L'agent sanctionnateur ne peut plus infliger une amende administrative à l'issue d'un délai d'un an à compter du constat ou du procès-verbal constatant l'infraction.
HOOFDSTUK 4. - Inning van de administratieve boete
CHAPITRE 4. - Perception de l'amende administrative
Art.50. Elke administratieve geldboete die werd opgelegd wegens één of meer overtredingen bedoeld in deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, wordt geïnd ten gunste van het bedrijf waarvan de bestraffende beambte afhangt, onverminderd de samenwerkingsovereenkomst bedoeld in artikel 156ter van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
Art.50. Chaque amende administrative infligée en raison d'une ou plusieurs infractions visées par la présente loi ou ses arrêtés d'exécution est perçue au bénéfice de la société dont dépend l'agent sanctionnateur, sans préjudice de la convention de coopération visée à l'article 156ter de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques.
TITEL 5. - Slotbepalingen en overgangsbepalingen
TITRE 5. - Dispositions finales et transitoires
Art.51. § 1. Artikel 587 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met een 16°, luidende:
"16°. over de aanvragen bedoeld in artikel 37, § 5, van de wet op de politie van de spoorwegen.".
§ 2. Artikel 601ter van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met een 6°, luidende:
"het beroep tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete bedoeld in de artikelen 29 en 30 van de wet op de politie van de spoorwegen, door de bestraffende beambte die daartoe aangewezen is.".
"16°. over de aanvragen bedoeld in artikel 37, § 5, van de wet op de politie van de spoorwegen.".
§ 2. Artikel 601ter van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met een 6°, luidende:
"het beroep tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete bedoeld in de artikelen 29 en 30 van de wet op de politie van de spoorwegen, door de bestraffende beambte die daartoe aangewezen is.".
Art.51. § 1er. L'article 587 du Code judiciaire est complété par le 16° rédigé comme suit:
"16°. Sur les demandes visées à l'article 37, § 5, de la loi sur la police des chemins de fer.".
§ 2. L'article 601ter du Code judiciaire est complété par le 6° rédigé comme suit:
"6°. du recours introduit contre la décision d'infliger la sanction visée aux articles 29 et 30 de la loi sur la police des chemins de fer, par l'agent sanctionnateur désigné à cet effet.".
"16°. Sur les demandes visées à l'article 37, § 5, de la loi sur la police des chemins de fer.".
§ 2. L'article 601ter du Code judiciaire est complété par le 6° rédigé comme suit:
"6°. du recours introduit contre la décision d'infliger la sanction visée aux articles 29 et 30 de la loi sur la police des chemins de fer, par l'agent sanctionnateur désigné à cet effet.".
Art.52. § 1. Artikel 36 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade wordt aangevuld met een 7°, luidende:
"7° van het beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie bedoeld in de artikelen 29 en 30 van de wet op de politie der spoorwegen, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten.".
§ 2. Artikel 38bis van dezelfde wet wordt aangevuld met een 3°, luidende:
"3° de artikelen 29 en 30 van de wet op de politie van de spoorwegen, indien de minderjarige de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt op het tijdstip van de feiten.".
"7° van het beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie bedoeld in de artikelen 29 en 30 van de wet op de politie der spoorwegen, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten.".
§ 2. Artikel 38bis van dezelfde wet wordt aangevuld met een 3°, luidende:
"3° de artikelen 29 en 30 van de wet op de politie van de spoorwegen, indien de minderjarige de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt op het tijdstip van de feiten.".
Art.52. § 1er. L'article 36 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait est complété par le 7° rédigé comme suit:
"7° du recours introduit par requête gratuite contre la décision d'imposer une sanction administrative visée aux articles 29 et 30 de la loi sur la police des chemins de fer, à l'égard des mineurs ayant atteint l'âge de quatorze ans accomplis au moment des faits.".
§ 2. L'article 38bis de la même loi est complété par le 3° rédigé comme suit:
"3° les articles 29 et 30 de la loi sur la police des chemins de fer, si le mineur a atteint l'âge de quatorze ans accomplis au moment des faits.".
"7° du recours introduit par requête gratuite contre la décision d'imposer une sanction administrative visée aux articles 29 et 30 de la loi sur la police des chemins de fer, à l'égard des mineurs ayant atteint l'âge de quatorze ans accomplis au moment des faits.".
§ 2. L'article 38bis de la même loi est complété par le 3° rédigé comme suit:
"3° les articles 29 et 30 de la loi sur la police des chemins de fer, si le mineur a atteint l'âge de quatorze ans accomplis au moment des faits.".
Art.53. Artikel 15 van de wet van 28 april 2010 houdende diverse bepalingen wordt aangevuld met een derde lid, luidende:
"De bemiddeling schorst de procedure inzake het opleggen van een administratieve geldboete aan de reiziger of de gebruiker niet.".
"De bemiddeling schorst de procedure inzake het opleggen van een administratieve geldboete aan de reiziger of de gebruiker niet.".
Art.53. L'article 15 de la loi du 28 avril 2010 portant des dispositions diverses est complété par un troisième alinéa rédigé comme suit:
"La médiation ne suspend pas la procédure d'amende administrative engagée à l'encontre du voyageur ou de l'usager.".
"La médiation ne suspend pas la procédure d'amende administrative engagée à l'encontre du voyageur ou de l'usager.".
Art.54. De wet van 25 juli 1891 houdende herziening der wet van 15 april 1843, op de politie der spoorwegen wordt opgeheven.
Art.54. La loi du 25 juillet 1891 révisant de la loi du 15 avril 1843 sur la police des chemins de fer est abrogée.
Art.55. De procedures die lopende zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet blijven onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die van kracht waren op het tijdstip van de inleiding van de procedure.
Deze wet is enkel van toepassing op de overtredingen die gepleegd werden na de inwerkingtreding ervan.
Deze wet is enkel van toepassing op de overtredingen die gepleegd werden na de inwerkingtreding ervan.
Art.55. Les procédures en cours au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi demeurent régies par les dispositions légales et réglementaires qui étaient en vigueur au moment de l'introduction de la procédure.
La présente loi ne s'applique qu'aux infractions commises après son entrée en vigueur.
La présente loi ne s'applique qu'aux infractions commises après son entrée en vigueur.
Art. 56. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand na die waarin hij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, uitgezonderd de artikelen 2, 17°, 25, 41, § 2 en 43, § 3 die in werking treden de tiende dag na de publicatie van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Art. 56. La présente loi entre en vigueur le premier jour du sixième mois qui suit celui de sa publication au Moniteur belge, à l'exception des articles 2, 17°, 25, 41, § 2 et 43, § 3 qui entrent en vigueur le dixième jour suivant la publication de la présente loi au Moniteur belge.