Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
9 MAART 2018. - Decreet betreffende het deeltijds kunstonderwijs(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 11-05-2018 en tekstbijwerking tot 30-12-2025)
Titre
9 MARS 2018. - Décret relatif à l'enseignement artistique à temps partiel(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 11-05-2018 et mise à jour au 30-12-2025)
Documentinformatie
Numac: 2018011963
Datum: 2018-03-09
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018011963
Date: 2018-03-09
Moniteur: Voir
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen HOOFDSTUK 2. - Opdracht en finaliteit van het d... Afdeling 1. - Opdracht van het deeltijds kunsto... Afdeling 2. - [1 onderwijsdoelen]1 Afdeling 3. - Leerplan en artistiek-pedagogisch... HOOFDSTUK 3. - Structuur van het deeltijds kuns... Afdeling 1. - Structuur Afdeling 2. - Domein beeldende en audiovisuele ... Afdeling 3. - Domein dans Afdeling 4. - Domein woordkunst-drama Afdeling 5. - Domein muziek Afdeling 6. - Gemeenschappelijke bepalingen Afdeling 7. - Koninklijke Beiaardschool Jef Den... Afdeling 8. - Netoverschrijdend Samenwerkingsfo... Afdeling 9. - Overleg fundamentele onderwijsher... HOOFDSTUK 4. - Leerlingen in het deeltijds kuns... Afdeling 1. - Toelatingsvoorwaarden Afdeling 2. - Rechten en plichten van leerlinge... Onderafdeling 1. - Inschrijving Onderafdeling 2. - Tijdelijke en definitieve ui... Afdeling 3. - Leerlingen met specifieke onderwi... Afdeling 4. - Les volgen in het deeltijds kunst... Afdeling 5. - Evaluatie en studiebekrachtiging Afdeling 6. - Organisatie van het schooljaar HOOFDSTUK 5. - Personeels- en werkingsmiddelen Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - Omkadering onderwijzend personeel Onderafdeling 1. - Berekening van de omkadering... Onderafdeling 2. - Aanwending van de omkadering... Onderafdeling 3. [1 Aanvullende lestijden voor ... Onderafdeling 3/1. [1 Aanvullende lestijden sam... Onderafdeling 4. - Bijzondere bepalingen Afdeling 3. - Omkadering bestuurspersoneel Afdeling 4. - Omkadering ondersteunend personee... Afdeling 5. - Personeel ten laste van de werkin... Afdeling 6. - Werkingsmiddelen Afdeling 7. - Terugvorderingen en sancties Onderafdeling 1. - Terugvorderingen Onderafdeling 2. - Sancties HOOFDSTUK 6. - Inschrijvingsgeld en bijdragereg... HOOFDSTUK 7. - Erkennings-, financierings- en s... Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - Erkenning van academies Afdeling 3. - Financiering en subsidiëring van ... Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Onderafdeling 2. - Programmatievoorwaarden voor... Onderafdeling 3. - Programmatienormen voor acad... Onderafdeling 4. - Rationalisatievoorwaarden vo... Onderafdeling 5. - Rationalisatienormen voor ac... Afdeling 4. - Verwerven en behouden van onderwi... Afdeling 5. - Overheveling, fusie, verhuis en t... HOOFDSTUK 8. - Lokale samenwerkingsinitiatieven... Afdeling 1. - Doelstellingen Afdeling 2. - Organisatievoorwaarden Afdeling 3. - Ondersteuning Afdeling 4. - Kwaliteitszorg HOOFDSTUK 9. - Zorgvuldig bestuur HOOFDSTUK 10. - Overgangs-, opheffings-, wijzig... Afdeling 1. - Overgangsbepalingen Afdeling 2. - Opheffingsbepalingen Afdeling 3. - Wijzigingsbepalingen Afdeling 4. - Inwerkingtreding BIJLAGEN.
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions introductives CHAPITRE 2. - Mission et finalité de l'enseigne... Section 1re. - Mission de l'enseignement artist... Section 2. [1 - Objectifs pédagogiques]1 Section 3. - Programme d'études et projet pédag... CHAPITRE 3. - Structure de l'enseignement artis... Section 1re. - Structure Section 2. - Domaine arts plastiques et audiovi... Section 3. - Domaine danse Section 4. - Domaine arts de la parole-théâtre Section 5. - Domaine musique Section 6. - Dispositions communes Section 7. - La Koninklijke Beiaardschool Jef D... Section 8. - Netoverschrijdend Samenwerkingsfor... Section 9. - Concertation relative aux réformes... CHAPITRE 4. - Elèves de l'enseignement artistiq... Section 1re. - Conditions d'admission Section 2. - Droits et obligations des élèves e... Sous-section 1re. - Inscription Sous-section 2. - Exclusion temporaire et défin... Section 3. - Elèves à besoins éducatifs spécifi... Section 4. - Suivre des cours dans l'enseigneme... Section 5. - Evaluation et validation des études Section 6. - Organisation de l'année scolaire CHAPITRE 5. - Moyens en personnel et moyens de ... Section 1re. - Dispositions générales Section 2. - Encadrement du personnel enseignant Sous-section 1re. - Calcul de l'encadrement pou... Sous-section 2. - Utilisation de l'encadrement ... Sous-section 3. [1 Périodes de cours complément... Sous-section 3/1. [1 Périodes de cours compléme... Sous-section 4. - Dispositions particulières Section 3. - Encadrement du personnel directeur Section 4. - Encadrement du personnel d'appui e... Section 5. - Personnel à charge des moyens de f... Section 6. - Moyens de fonctionnement Section 7. - Recouvrements et sanctions Sous-section 1re. - Recouvrements Sous-section 2. - Sanctions CHAPITRE 6. - Droits d'inscription et régime de... CHAPITRE 7. - Conditions d'agrément, de finance... Section 1re. - Dispositions générales Section 2. - Agrément d'académies Section 3. - Financement et subventionnement de... Sous-section 1re. - Dispositions générales Sous-section 2. - Conditions de programmation p... Sous-section 3. - Normes de programmation pour ... Sous-section 4. - Normes de rationalisation pou... Sous-section 5. - Normes de rationalisation pou... Section 4. - Acquisition et maintien de la comp... Section 5. - Transfert, fusion, déménagement et... CHAPITRE 8. - Des initiatives locales de coopér... Section 1re. - Objectifs Section 2. - Conditions d'organisation Section 3. - Soutien Section 4. - Gestion de la qualité CHAPITRE 9. - Bonne administration CHAPITRE 10. - Dispositions transitoires, abrog... Section 1re. - Dispositions transitoires Section 2. - Dispositions abrogatoires Section 3. - Dispositions modificatives Section 4. - Entrée en vigueur ANNEXES.
Tekst (244)
Texte (244)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions introductives
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire.
Art. 2. De bepalingen van dit decreet zijn van toepassing op erkend, gefinancierd en gesubsidieerd deeltijds kunstonderwijs, tenzij het uitdrukkelijk anders vermeld wordt.
Art. 2. Sauf disposition contraire expresse, les dispositions du présent décret s'appliquent à l'enseignement artistique à temps partiel, agréé, financé et subventionné.
Art. 3. In dit decreet wordt verstaan onder :
  1° academie : autonome entiteit die deeltijds kunstonderwijs organiseert. Zij staat onder leiding van een directie, vertrekt vanuit eenzelfde pedagogische visie en wordt door de Vlaamse overheid erkend, en desgevallend gefinancierd of gesubsidieerd. Een academie bestaat uit een of meerdere vestigingsplaatsen;
  2° academieraad : een niet verplicht participatieorgaan van leerlingen, betrokken personen, personeelsleden en de lokale gemeenschap dat het schoolbestuur adviseert over aangelegenheden die hen rechtstreeks aanbelangen;
  3° academiereglement : een reglement dat de betrekkingen tussen het schoolbestuur en de leerlingen en desgevallend de betrokken personen regelt;
  4° afstand : de afstand gemeten over de openbare weg;
  [5 4° /1 Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen: het agentschap, opgericht bij besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 tot oprichting van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen;]5
  5° Agentschap voor Onderwijsdiensten : het agentschap, opgericht bij besluit van de Vlaamse Regering van 2 september 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Onderwijsdiensten;
  6° alternatieve leercontext : een vorm van opleiding complementair aan de leeractiviteiten van de academie. Dit is mogelijk in een reële arbeidscontext bij een werkgever, waarbij de leerling onder gelijkaardige omstandigheden als reguliere werknemers effectieve arbeid verricht, of in de context van een socio-culturele vereniging, waarbij de leerling deelneemt aan de werking van die vereniging, met de bedoeling bepaalde competenties te verwerven;
  7° basiscompetenties : de doelen, afgeleid uit een referentiekader, voor de kennis, de vaardigheden en de attitudes die een leerling geïntegreerd inzet voor maatschappelijke activiteiten. De basiscompetenties worden binnen de domeinen vastgelegd per studierichting en per graad;
  8° beroepskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties waarmee een beroep kan worden uitgeoefend;
  9° betrokken personen : de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige leerling onder hun bewaring hebben of de meerderjarige leerling zelf;
  10° bewijs van beroepskwalificatie : een van rechtswege erkend studiebewijs, dat de academie uitreikt aan een leerling die met goed gevolg een langlopende studierichting heeft beëindigd en de overeenkomstige beroepskwalificatie heeft behaald;
  11° bewijs van competenties : een van rechtswege erkend studiebewijs dat de academie uitreikt aan een leerling die met goed gevolg een eerste, tweede of derde graad van een langlopende studierichting heeft beëindigd;
  12° bijdrage : een bedrag dat een schoolbestuur aan een leerling bij zijn inschrijving kan vragen bovenop het inschrijvingsgeld, vermeld in punt 30° ;
  13° [1 bijzondere vestigingsplaats: een gebouw of een gebouwencomplex waarin een orgel of beiaard tot het onroerend patrimonium behoort en waar uitsluitend orgel of beiaard gegeven worden of met moeilijk verplaatsbare slagwerkinstrumenten waar uitsluitend het vak slagwerk wordt gegeven die eigendom zijn van een socio-culturele vereniging, van een school voor secundair onderwijs of van een School of Arts en waar uitsluitend slagwerk gegeven wordt, of een gevangenis of een gesloten federaal centrum gelegen in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad [5 ...]5;]1
  14° capaciteit : het maximaal aantal leerlingen dat een schoolbestuur per opleiding vooropstelt om de onderwijskwaliteit te garanderen;
  15° cluster : opsomming van opties of muziekinstrumenten waarvoor een schoolbestuur als geheel onderwijsbevoegdheid kan verwerven;
  16° deeltijds kunstonderwijs : het artistiek onderwijs in de beeldende en audiovisuele kunsten, dans, woordkunst-drama en muziek dat door de Vlaamse overheid erkend wordt en geen deel uitmaakt van het basis-, secundair, volwassenenonderwijs of hoger onderwijs;
  17° dichtbevolkte gemeente : een gemeente met meer dan 200 inwoners per km. Voor de bepaling van het aantal inwoners per km wordt de meest recente berekening van het Nationaal Instituut voor de Statistiek gebruikt;
  18° domein : een artistieke uitdrukkingsvorm in respectievelijk beeldende en audiovisuele kunsten, dans, woordkunst-drama en muziek;
  19° domeinoverschrijdende initiatieopleiding : een opleiding op het niveau van de eerste graad waarin twee of meer domeinen maximaal aan bod komen;
  20° dunbevolkte gemeente : een gemeente met 200 inwoners per km of minder. Voor de bepaling van het aantal inwoners per km wordt de meest recente berekening van het Nationaal Instituut voor de Statistiek gebruikt;
  21° [2 onderwijsdoelen]2 : basiscompetenties, beroepskwalificaties of specifieke eindtermen;
  22° elektronisch : een elektronische verwerking van gegevens die voldoet aan de voorwaarden van artikel 2281 van het Burgerlijk Wetboek van 21 maart 1804 en bovendien een bewijs oplevert van deze verwerking, van het tijdstip waarop ze is verricht en van de authenticiteit en de integriteit van de verwerkte gegevens;
  23° erkenning : de bevoegdheid die de Vlaamse overheid aan het schoolbestuur toekent om aan leerlingen de van rechtswege geldende studiebewijzen toe te kennen;
  24° financierbare leerling : een regelmatige leerling in een kortlopende of langlopende studierichting die in dezelfde opleiding zijn leertraject met maximaal één leerjaar heeft verlengd en daarenboven aan artikel 67 voldoet;
  25° financierings- en subsidiëringsregeling : de regeling van de betaling van salarissen, salaristoelagen en werkingsmiddelen;
  26° fusie : de samenvoeging tot een academie van twee of meer academies;
  27° gezondheidsindex : het prijsindexcijfer, vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen;
  28° graad : een niveautrap die een horizontale onderverdeling in een langlopende studierichting aanbrengt, bestaande uit een aantal leerjaren. De graden worden aangeduid met de nummers 1 tot en met 4;
  29° individueel aangepast curriculum : een leertraject met leerdoelen op maat van een leerling in geval de leerling ondanks redelijke aanpassingen onvoldoende leerwinst kan boeken in het gemeenschappelijke curriculum;
  30° inschrijvingsgeld : het geld dat een regelmatige leerling betaalt bij de inschrijving voor de deelname aan de leeractiviteiten van een leerjaar van de kortlopende of langlopende studierichtingen;
  31° kortlopende studierichting : een leertraject van twee of drie leerjaren dat leidt tot een leerbewijs [3 , een bewijs van competenties of een bewijs van beroepskwalificatie]3;
  32° kunstacademie : een academie die minstens drie domeinen aanbiedt, waaronder beeldende en audiovisuele kunsten en muziek;
  33° langlopende studierichting : een leertraject over de verschillende graden dat leidt tot een beroepskwalificatie of het specifieke gedeelte van een onderwijskwalificatie;
  34° leefeenheid : één of meer meerderjarigen, ongeacht hun geslacht, met eventueel een of meer minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres, alsook één of meer minderjarige gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerlingen of studenten, ongeacht hun geslacht, met eventueel één of meer minder- en meerderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres;
  35° leeractiviteit : een activiteit binnen of buiten de academie waarbij een leerproces tot stand komt hetzij door interactie tussen leerling en leerkracht, hetzij door zelfstandig werk of andere werkvormen;
  36° leeractiviteiten op maat : leeractiviteiten op maat van leerlingen of afgestudeerden van een academie die een beperkte tijdspanne omvatten en flexibel ingepland worden in de loop van het schooljaar;
  37° leerbewijs : een van rechtswege erkend studiebewijs, dat de academie uitreikt aan een leerling die met goed gevolg een kortlopende studierichting of een graad binnen het individueel aangepast curriculum heeft beëindigd;
  38° leerjaar : een schooljaar als deel van een meerjarige opleiding, waarin een lesprogramma wordt gevolgd;
  39° lestijd : een periode van vijftig minuten in het domein beeldende en audiovisuele kunsten of zestig minuten in de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek of vijftig of zestig minuten in de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als eenheid voor de duur van een leeractiviteit en eenheid voor de toekenning van de omkadering van het onderwijzend personeel;
  40° lokaal comité : het lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan dat bevoegd is voor arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden;
  41° omkadering : de salarissubsidiëring of -financiering van het ondersteunend, bestuurs- en onderwijzend personeel en desgevallend opvoedend hulppersoneel van de academie door de Vlaamse overheid;
  42° omkaderingscoëfficiënt : de rekenfactor om de omkadering voor een bepaald structuuronderdeel te berekenen;
  43° omkaderingseenheden : prestatie-eenheden voor een administratieve opdracht in het deeltijds kunstonderwijs;
  44° onderwijsbevoegdheid : de toelating van de Vlaamse overheid om een optie of een muziekinstrument te organiseren;
  45° onderwijsinspectie : de inspectie, vermeld in titel IV van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
  46° onderwijskwalificatie : een afgerond en ingeschaald geheel van competenties die noodzakelijk zijn om maatschappelijk te functioneren en te participeren, waarmee verdere studies in het secundair of in het hoger onderwijs kunnen worden aangevat of waarmee beroepsactiviteiten kunnen worden uitgeoefend;
  47° onderwijsnet :
  - het gemeenschapsonderwijs : het gemeenschapsonderwijs zoals vermeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs;
  - het gesubsidieerd officieel onderwijs : het onderwijs dat door andere publiekrechtelijke rechtspersonen dan het gemeenschapsonderwijs wordt georganiseerd en dat in aanmerking komt voor subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;
  - het gesubsidieerd vrij onderwijs : het onderwijs dat door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen wordt georganiseerd en dat in aanmerking komt voor subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap;
  48° opleiding : Hieronder wordt verstaan :
  - de domeinoverschrijdende initiatieopleiding;
  - de eerste graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten, dans, woordkunst-drama of muziek;
  - de tweede graad van het domein dans of woordkunst-drama;
  - de tweede graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten ingevuld met een bepaalde optie;
  - de tweede graad van het domein muziek ingevuld met een bepaald muziekinstrument;
  - de derde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten, dans of woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie;
  - [4 de derde graad van het domein muziek ingevuld met een bepaalde optie en in voorkomend geval in combinatie met een bepaald muziekinstrument;]4;
  - [1 de vierde graad van een studierichting in het domein beeldende en audiovisuele kunsten]1, dans of woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie;
  - [1 [4 de vierde graad van een studierichting in het domein muziek ingevuld met een bepaalde optie en in voorkomend geval in combinatie met een bepaald muziekinstrument;]4;
  - de kortlopende studierichting beeldende en audiovisuele cultuur;
  - de kortlopende studierichting specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten ingevuld met een bepaalde optie;
  - de kortlopende studierichting danscultuur;
  - de kortlopende studierichting specialisatie dans ingevuld met een bepaalde optie;
  - de kortlopende studierichting woordkunst- en dramacultuur;
  - [3 de kortlopende studierichting schrijver ingevuld met een bepaalde optie]3;
  - de kortlopende studierichting specialisatie woordkunst-drama ingevuld met een bepaalde optie;
  - de kortlopende studierichting muziekcultuur;
  - [4 de kortlopende studierichting muziekgeschiedenis ingevuld met een bepaalde optie;]4;
  - [4 de kortlopende studierichting specialisatie muziek ingevuld met een bepaalde optie en in voorkomend geval in combinatie met een bepaald muziekinstrument;]4;
  49° optie : de inhoudelijke invulling van een studierichting die het karakteristieke van de opleiding bepaalt en die bestaat uit een of meer vakken, vastgelegd door de Vlaamse Regering;
  50° overheveling : de overbrenging van een of meer structuuronderdelen op een bepaalde vestigingsplaats van de ene naar de andere academie, al dan niet op grond van onderlinge uitwisseling;
  51° programmatienorm : het aantal regelmatige leerlingen dat op een welbepaalde teldag in een academie, domein of structuuronderdeel in een vestigingsplaats moet ingeschreven zijn om in de financierings- of subsidiëringsregeling te worden opgenomen;
  52° rationalisatienorm : het aantal regelmatige leerlingen dat op een welbepaalde teldag in een academie, domein of structuuronderdeel in een vestigingsplaats ingeschreven moet zijn om na de programmatieperiode nog gefinancierd of gesubsidieerd te blijven;
  53° redelijke aanpassingen : maatregelen die genomen zijn op basis van de principes en indicatoren vermeld in artikel 2 van het protocol van 19 juli 2007 betreffende het begrip redelijke aanpassingen in België krachtens de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding zodat leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften de leeractiviteiten in de academie kunnen volgen;
  54° regelmatige leerling : een leerling die voldoet aan de voorwaarden vermeld in punt 63° [1 ...]1
[3 en die vanaf zijn inschrijving het geheel van de leeractiviteiten van het leerjaar waarvoor hij is ingeschreven, werkelijk en regelmatig volgt gedurende heel het schooljaar, behalve in geval van gewettigde afwezigheid of in geval van vrijstelling van een vak]3;
  55° schoolbestuur : de inrichtende macht vermeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet; dit is de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor een of meer academies;
  56° schooljaar : de periode van 1 september tot en met 31 augustus van het daaropvolgende kalenderjaar;
  57° specialisatie : een kortlopende studierichting van een domein die gericht is op het geïndividualiseerd kunstenaarschap;
  58° structuuronderdeel : een kortlopende studierichting in een domein, het geheel van langlopende studierichtingen in een bepaalde graad van een domein met uitzondering van de derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen en de tweede graad muziek voor volwassenen, de domein-overschrijdende initiatieopleiding of de derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen of de tweede graad muziek voor volwassenen;
  59° studieomvang : de tijd die de leerling besteedt aan leeractiviteiten die de academie organiseert. De studieomvang wordt bepaald per studierichting en wordt uitgedrukt als een product van leerjaren en wekelijkse lestijden;
  60° studieperiode : de afgebakende tijdspanne in leerjaren waarbinnen een leerling een bepaalde opleiding in een bepaalde graad afwerkt;
  61° studierichting : een leertraject binnen een domein dat gericht is op het behalen van een bepaalde beroepskwalificatie, het specifieke gedeelte van een bepaalde onderwijskwalificatie of een bepaald leerbewijs;
  62° teldag : dag waarop de leerlingen worden geteld met het oog op de toekenning van omkadering en werkingsmiddelen en -toelagen en het behalen van de rationalisatie- en programmatienormen;
  63° toelatingsvoorwaarde : een voorwaarde waaraan een leerling moet voldoen om een opleiding te volgen;
  64° traject : het aantal leerjaren dat een bepaald structuuronderdeel duurt;
  65° unieke opties en muziekinstrumenten : opties en muziekinstrumenten die zeer weinig leerlingen volgen, zoals te bepalen door de Vlaamse Regering;
  66° vak : het gedeelte van een opleiding waarin een leerling een inhoudelijk samenhangend aantal leeractiviteiten volgt;
  67° vertrouwenspersoon : een persoon in wie de leerling of de betrokken personen vertrouwen stellen en die hen bijstaat in bepaalde gevallen;
  68° vestigingsplaats : gebouw of gebouwencomplex waarin een academie of een gedeelte van een academie gehuisvest is;
  69° Vlaamse Onderwijsraad : strategische adviesraad beschreven in titel IV van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad;
  70° volwassene : leerling van het domein woordkunst-drama, dans of muziek die de leeftijd van 15 jaar bereikt heeft op 31 december van het schooljaar of leerling van het domein beeldende en audiovisuele kunsten die de leeftijd van 18 jaar bereikt heeft op diezelfde datum;
  71° vrijstelling : het vak of het geheel van vakken waarvoor de leerling niet hoeft deel te nemen aan de leer- of evaluatieactiviteiten.
  
Art. 3. Dans le présent décret, on entend par :
  1° académie : une entité autonome organisant un enseignement artistique à temps partiel. Elle est dirigée par une direction, est fondée sur la même vision pédagogique et est agréée, le cas échéant, financée ou subventionnée par l'Autorité flamande. Une académie se compose d'une ou plusieurs implantations ;
  2° conseil d'académie : un organe de participation non obligatoire d'élèves, de personnes intéressées, de membres du personnel et de la communauté locale qui donne des avis à l'autorité scolaire sur des matières qui les concernent directement ;
  3° règlement de l'académie : un règlement régissant les relations entre l'autorité scolaire et les élèves et, le cas échéant, les personnes intéressées ;
  4° distance : la distance sur la voie publique ;
  [5 4° /1 Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes : l'agence créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009 portant création de l'agence autonomisée interne Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes ;]5
  5° Agentschap voor Onderwijsdiensten : l'agence créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 septembre 2005 portant création de l'agence autonomisée interne " Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) ;
  6° contexte d'apprentissage alternatif : une forme de formation qui est complémentaire aux activités d'apprentissage de l'académie. Ce contexte peut être un contexte professionnel réel chez un employeur, où l'élève dans des conditions similaires à celles des travailleurs réguliers de cet employeur effectue un travail effectif, ou un contexte d'une association socioculturelle où l'élève participe au fonctionnement de cette association dans le but d'acquérir certaines compétences ;
  7° compétences de base : les objectifs dérivés d'un cadre de référence pour les connaissances, les aptitudes et les attitudes utilisées par l'élève d'une façon intégrée pour des activités sociales. Les compétences de base sont déterminées par orientation d'études et par degré au sein des domaines ;
  8° qualification professionnelle : un ensemble complet et intégré de compétences grâce auxquelles une profession peut être exercée ;
  9° personnes intéressées : les personnes exerçant l'autorité parentale ou assumant la garde en droit ou en fait de l'élève mineur, ou l'élève majeur lui-même ;
  10° attestation de qualification professionnelle : un titre reconnu d'office, délivré par l'académie à un élève ayant terminé avec succès une orientation d'études de longue durée et ayant obtenu la qualification professionnelle correspondante ;
  11° attestation de compétences : un titre reconnu d'office, délivré par l'académie à un élève ayant terminé avec succès un premier, deuxième ou troisième degré d'une orientation d'études de longue durée ;
  12° contribution : une somme qu'une autorité scolaire peut exiger d'un élève à l'inscription en plus des droits d'inscription, visés au point 30° ;
  13° [1 implantation spéciale : un bâtiment ou complexe de bâtiments dans lequel se trouve un orgue ou carillon appartenant au patrimoine immobilier et seul le cours d'orgue ou de carillon est donné ou un bâtiment ou complexe de bâtiments où se trouvent des instruments de percussion difficiles à déplacer qui appartiennent à une association socioculturelle, à une école d'enseignement secondaire ou à une School of Arts et où seule la percussion est donnée, ou une prison ou un centre fédéral fermé situé dans la région de langue néerlandaise ou dans la région bilingue Bruxelles-Capitale [5 ...]5;]1
  14° capacité : le nombre maximum d'élèves prévu par formation par l'autorité scolaire en vue de garantir la qualité de l'enseignement ;
  15° cluster : énumération d'options ou d'instruments de musique pour lesquels une autorité scolaire dans leur ensemble peut acquérir compétence d'enseignement ;
  16° enseignement artistique à temps partiel : l'enseignement artistique en arts plastiques et audiovisuels, danse, arts de la parole-théâtre et musique, agréé par l'Autorité flamande et qui ne fait pas partie de l'enseignement fondamental, secondaire, l'éducation des adultes ou l'enseignement supérieur ;
  17° commune densément peuplée : une commune de plus de 200 habitants par km. Pour la détermination du nombre d'habitants par km, le calcul le plus récent de l'Institut national de la Statistique est utilisé ;
  18° domaine : une forme d'expression artistique en respectivement arts plastiques et audiovisuels, danse, arts de la parole-théâtre et musique ;
  19° formation d'initiation transversale : une formation au niveau du premier degré dans lequel deux domaines ou plus sont étudiés au maximum ;
  20° commune faiblement peuplée : une commune de 200 habitants par km ou moins. Pour la détermination du nombre d'habitants par km, le calcul le plus récent de l'Institut national de la Statistique est utilisé ;
  21° [2 objectifs pédagogiques]2 : compétences de base, qualifications professionnelles ou objectifs finaux spécifiques ;
  22° électronique : un traitement électronique des données qui satisfait aux conditions de l'article 2281 du Code civil du 21 mars 1804 et en outre fournit la preuve de ce traitement, du moment où il a été effectué et de l'authenticité et de l'intégrité des données traitées ;
  23° agrément : la compétence octroyée par l'Autorité flamande à l'autorité scolaire de délivrer aux élèves des titres valables de plein droit ;
  24° élève admissible au financement : un élève régulier dans une orientation d'études de courte durée ou de longue durée qui, dans la même formation a prolongé son parcours d'apprentissage d'une année d'études au maximum et, en outre, est conforme à l'article 67 ;
  25° règlement de financement et de subventionnement : le règlement du paiement des traitements, subventions-traitements et moyens de fonctionnement ;
  26° fusion : le regroupement de deux ou plusieurs académies en une seule académie ;
  27° indice santé : l'indice des prix, visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays ;
  28° degré : un niveau qui désigne une subdivision horizontale dans une orientation d'études de longue durée, se composant d'un nombre d'années d'études. Les degrés sont indiqués par les numéros 1 à 4 ;
  29° programme adapté individuellement : un parcours d'apprentissage avec des objectifs d'apprentissage sur mesure de l'élève si, malgré les aménagements raisonnables déjà mis en place, l'élève réalise insuffisamment de gains d'apprentissage dans le programme d'études commun ;
  30° droits d'inscription : les droits payés par l'élève régulier lors de son inscription pour participer à des activités d'apprentissage d'une année d'études des orientations d'études de courte durée ou de longue durée ;
  31° orientation d'études de courte durée : un parcours d'apprentissage de deux ou trois années d'études menant à une attestation d'apprentissage; [3 , une attestation de compétences, ou une attestation de qualification professionnelle]3.
  32° académie des arts : une académie qui propose au moins trois domaines, parmi lesquels arts plastiques et audiovisuels et musique ;
  33° orientation d'études de longue durée : un parcours d'apprentissage intégrant différents degrés menant à une qualification professionnelle ou à la partie spécifique d'une qualification d'enseignement ;
  34° unité de vie : une ou plusieurs personnes majeures, quel que soit leur sexe, avec éventuellement une ou plusieurs personnes mineures qui ont leur résidence principale à la même adresse, ainsi qu'un ou plusieurs élèves ou étudiants mineurs mariés, indépendants ou isolés, quel que soit leur sexe, avec éventuellement une ou plusieurs personnes mineures ou majeures qui ont leur résidence principale à la même adresse ;
  35° activité d'apprentissage : une activité au sein ou en dehors de l'académie permettant un processus d'apprentissage qui se concrétise par une interaction entre l'élève et l'enseignant, soit par le travail indépendant soit par d'autres formes de travail ;
  36° activités d'apprentissage sur mesure : activités d'apprentissage en fonction des besoins des élèves ou des diplômés d'une académie qui englobent une période de temps limitée et sont planifiées de manière flexible au cours de l'année scolaire ;
  37° une attestation d'apprentissage : un titre reconnu d'office, délivré par l'académie à un élève ayant terminé avec succès une orientation d'études de courte durée ou un degré au sein du programme adapté individuellement ;
  38° année d'études : une année scolaire comme partie d'une formation pluriannuelle dans laquelle un programme de cours est suivi ;
  39° période de cours : une période de cinquante minutes dans le domaine arts plastiques et audiovisuels ou de soixante minutes dans les domaines danse, arts de la parole-théâtre et musique ou de cinquante ou soixante minutes dans la formation d'initiation transversale comme unité pour la durée d'une activité d'apprentissage et unité pour l'attribution de l'encadrement du personnel enseignant ;
  40° comité local : l'organe local de concertation ou de négociation qui est compétent en matière de conditions de travail et de gestion des ressources humaines ;
  41° encadrement : la subvention ou le financement par l'Autorité flamande du traitement des personnels d'appui, directeur et enseignant et, le cas échéant, du personnel auxiliaire d'éducation de l'académie ;
  42° coefficient d'encadrement : le facteur de calcul pour calculer l'encadrement d'une certaine subdivision structurelle ;
  43° unités d'encadrement : unités de prestation pour la charge administrative dans l'enseignement artistique à temps partiel ;
  44° compétence d'enseignement : l'autorisation délivrée par l'Autorité flamande pour l'organisation d'une option ou d'un instrument de musique ;
  45° inspection de l'enseignement : l'inspection, visée au titre IV du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement ;
  46° qualification d'enseignement : un ensemble complet et intégré de compétences requises pour fonctionner et participer socialement, par lesquelles des études ultérieures dans l'enseignement secondaire ou supérieur peuvent être entamées ou des activités professionnelles peuvent être entreprises ;
  47° réseau d'enseignement :
  - l'enseignement communautaire : l'enseignement communautaire tel que visé à l'article 2 du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire ;
  - l'enseignement officiel subventionné : l'enseignement organisé par des personnes morales de droit public autres que l'enseignement communautaire et admissible au subventionnement par la Communauté flamande ;
  - l'enseignement libre subventionné : l'enseignement organisé par des personnes physiques ou des personnes morales de droit privé et admissible au subventionnement par la Communauté flamande ;
  48° formation : Par formation, il faut entendre :
  - la formation d'initiation transversale ;
  - le premier degré du domaine arts plastiques et audiovisuels, danse, arts de la parole-théâtre et musique ;
  - le deuxième degré du domaine danse ou arts de la parole-théâtre ;
  - le deuxième degré du domaine arts plastiques et audiovisuels, en suivant une option déterminée ;
  - le deuxième degré du domaine musique, en optant pour un certain instrument de musique ;
  - le troisième degré du domaine arts plastiques et audiovisuels, danse ou arts de la parole-théâtre, en suivant une option déterminée ;
  - [4 le troisième degré du domaine musique, en suivant une option déterminée et, le cas échéant, en combinaison avec un instrument de musique spécifique ; ]4
  - [1 le quatrième degré d'une orientation d'études dans le domaine arts plastiques et audiovisuels]1, danse ou arts de la parole-théâtre, en suivant une option déterminée ;
  - [1 [4 le quatrième degré d'une orientation d'études dans le domaine musique, en suivant une option déterminée et, le cas échéant, en combinaison avec un instrument de musique spécifique ; ]4 ;
  - l'orientation d'études de courte durée culture plastique et audiovisuelle ;
  - l'orientation d'études de courte durée spécialisation arts plastiques et audiovisuels, en suivant une option déterminée ;
  - l'orientation d'études de courte durée culture de la danse ;
  - l'orientation d'études de courte durée spécialisation danse en suivant une option spécifique ;
  - l'orientation d'études de courte durée arts de la parole-culture théâtrale ;
  - [3 -l'orientation d'études de courte durée écrivain en suivant une option déterminée]3 ;
  - l'orientation d'études de courte durée spécialisation arts de la parole-culture théâtrale en suivant une option déterminée ;
  - [4 l'orientation d'études de courte durée histoire de la musique, en suivant une option déterminée ;]4 ;
  - l'orientation d'études de courte durée histoire de la musique ;
  - [4 l'orientation d'études de courte durée spécialisation musique, en suivant une option déterminée et, le cas échéant, en combinaison avec un instrument de musique spécifique ;]4;
  49° option : le contenu d'une orientation d'études qui détermine les caractéristiques d'une formation et se compose d'un ou plusieurs cours fixés par le Gouvernement flamand ;
  50° transfert : le transfert d'une ou plusieurs subdivisions structurelles dans une implantation déterminée d'une académie à une autre, sur la base ou non d'un échange mutuel ;
  51° norme de programmation : le nombre d'élèves réguliers qui doit être inscrit à un jour de comptage déterminé dans une académie, un domaine ou une subdivision structurelle dans une implantation pour être inclus dans le règlement de financement ou de subventionnement ;
  52° norme de rationalisation : le nombre d'élèves réguliers qui doit être inscrit à un jour de comptage déterminé dans une académie, un domaine ou une subdivision structurelle dans une implantation pour continuer à être financée ou subventionnée après la période de programmation ;
  53° aménagements raisonnables : des mesures qui sont prises sur la base des principes et indicateurs visés à l'article 2 du protocole du 19 juillet 2007 relatif au concept d'aménagements raisonnables en Belgique en vertu de la loi du 25 février 2003 tendant à lutter contre la discrimination et modifiant la loi du 15 février 1993 créant un Centre pour l'égalité des chances et de lutte contre le racisme de manière à ce que les élèves à besoins éducatifs spécifiques puissent suivre les activités d'apprentissage dans l'académie ;
  54° élève régulier : un élève qui remplit les conditions visées au point 63° [1 ...]1
[3 et qui, dès son inscription, suit effectivement et régulièrement toutes les activités d'apprentissage de l'année pour laquelle il est inscrit pendant toute l'année scolaire, sauf en cas d'absence justifiée ou de dispense d'une matière ]3 ;
  55° autorité scolaire : le pouvoir organisateur visé à l'article 24, § 4, de la Constitution ; il s'agit de la personne morale ou physique responsable pour une ou plusieurs académies ;
  56° année scolaire : la période du 1er septembre au 31 août de l'année calendaire suivante ;
  57° spécialisation : une orientation d'études de courte durée d'un domaine s'axant sur le métier d'artiste individuel ;
  58° subdivision structurelle : une orientation d'études de courte durée dans un domaine, un ensemble d'orientations d'études de longue durée dans un degré déterminé d'un domaine à l'exception du troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour adultes et du deuxième degré musique pour adultes, de la formation d'initiation transversale ou du troisième degré arts plastiques ou audiovisuels pour adultes ou du deuxième degré musique pour adultes ;
  59° volume des études : le temps que l'élève consacre aux activités d'apprentissage proposées par l'académie. Le volume des études est déterminé par orientation d'études et est exprimé comme un produit d'années d'études et de périodes de cours hebdomadaires ;
  60° période d'études : une période de temps délimitée exprimée en années d'études au cours de laquelle un élève achève une formation déterminée dans un degré déterminé ;
  61° orientation d'études : un parcours d'apprentissage dans un domaine s'axant sur l'obtention d'une qualification professionnelle donnée, de la partie spécifique d'une qualification d'enseignement donnée ou d'une attestation d'apprentissage donnée ;
  62° jour de comptage : le jour auquel les élèves sont comptés en vue de l'attribution de l'encadrement et des moyens et subventions de fonctionnement et de l'obtention des normes de rationalisation et de programmation ;
  63° condition d'admission : une condition à laquelle un élève doit satisfaire pour suivre une formation ;
  64° parcours : le nombre d'années d'études que dure une subdivision structurelle donnée ;
  65° options et instruments de musique uniques : des options et des instruments de musique suivis par très peu d'élèves à déterminer par le Gouvernement flamand ;
  66° cours : la partie d'une formation dans laquelle un élève suit un nombre d'activités d'apprentissage cohérents sur le fond ;
  67° personne de confiance : une personne en qui l'élève ou les personnes concernées placent leur confiance et qui les aide dans certains cas ;
  68° implantation : un bâtiment ou complexe de bâtiments où est installé une académie ou une partie d'une académie ;
  69° Vlaamse Onderwijsraad : le Conseil flamand de l'Enseignement, le conseil consultatif stratégique tel que décrit au titre IV du décret du 2 avril 2004 relatif à la participation à l'école et au " Vlaamse Onderwijsraad " ;
  70° adulte : l'élève du domaine arts de la parole- théâtre, danse ou musique ayant atteint l'âge de 15 ans au 31 décembre de l'année scolaire ou l'élève du domaine arts plastiques et audiovisuels ayant atteint l'âge de 18 ans à la même date ;
  71° dispense : le cours ou l'ensemble de cours pour lesquels l'élève ne doit pas participer aux activités d'apprentissage ou d'évaluation.
  
HOOFDSTUK 2. - Opdracht en finaliteit van het deeltijds kunstonderwijs
CHAPITRE 2. - Mission et finalité de l'enseignement artistique à temps partiel
Afdeling 1. - Opdracht van het deeltijds kunstonderwijs
Section 1re. - Mission de l'enseignement artistique à temps partiel
Art. 4. Het deeltijds kunstonderwijs ontwikkelt de artistieke aanleg en competenties van de leerlingen door kunst te beoefenen, te maken, te beleven en te beschouwen zodat ze kunnen uitstromen naar kunstbeoefening of -beleving in de vrije tijd of de arbeidsmarkt of doorstromen naar het hoger kunstonderwijs.
  In het kader van de doelstelling, vermeld in het eerste lid, voert een academie de volgende opdrachten uit :
  1° artistiek onderwijs organiseren dat in overeenstemming is met de bepalingen van dit decreet;
  2° leerlingen begeleiden bij hun keuzes in de loop van het leertraject zodat ze zelfstandigheid verwerven in hun artistieke ontwikkeling;
  3° verworven competenties beoordelen en certificeren.
  Met het oog op verdieping of verbreding van het artistiek onderwijs, vermeld in het tweede lid, 1°, kan een academie een aanbod van leeractiviteiten op maat organiseren. Dit aanbod speelt in op één of meer van de volgende doelstellingen :
  1° interdisciplinaire samenwerking over de domeinen of over de studierichtingen in eenzelfde domein;
  2° organisatie van terugkommomenten voor afgestudeerden;
  3° innovatie van het onderwijs met betrekking tot de inhoud en methodiek.
  [1 4° organisatie van verdiepende leeractiviteiten voor studenten hoger onderwijs op advies van een instelling voor hoger onderwijs, met het oog op het versterken van hun artistieke en culturele competenties.]1
  Een academie kan een aanbod van leeractiviteiten organiseren met het oog op lokale samenwerkingsinitiatieven met scholen van het kleuter-, leerplicht- en hoger onderwijs.
  Een academie kan geen andere opdrachten uitvoeren of bevoegdheden uitoefenen dan diegene die haar door toepassing van dit decreet zijn toegekend.
  
Art. 4. L'enseignement artistique à temps partiel développe le talent et les compétences artistiques des élèves par la pratique, la réalisation, l'expérience et la contemplation de l'art de manière à ce qu'ils puissent passer à l'activité artistique pendant les loisirs ou sur le marché du travail ou faire la transition vers l'enseignement supérieur artistique.
  Dans le cadre de l'objectif, visé à l'alinéa 1er, une académie assure les missions suivantes :
  1° organiser un enseignement artistique conformément aux dispositions du présent décret ;
  2° accompagner les élèves dans leurs choix au cours du parcours d'apprentissage afin de leur permettre d'acquérir une autonomie dans leur développement artistique ;
  3° évaluer et certifier les compétences acquises.
  En vue de l'approfondissement ou l'élargissement de l'enseignement artistique, visé à l'alinéa 2, 1°, une académie peut proposer une offre d'activités d'apprentissage sur mesure. Cette offre répond à un ou plusieurs des objectifs suivants :
  1° une coopération interdisciplinaire à travers les domaines ou les orientations d'études dans le même domaine ;
  2° l'organisation de moments de retour pour les diplômés ;
  3° l'innovation de l'enseignement pour ce qui est contenu et méthodologie.
  [1 4° l'organisation d'activités privilégiant un apprentissage en profondeur pour les étudiants de l'enseignement supérieur sur avis d'une institution d'enseignement supérieur, en vue de renforcer leurs compétences artistiques et culturelles.]1
  Une académie peut organiser une offre d'activités d'apprentissage en vue des initiatives locales de coopération avec des écoles de l'enseignement maternel, obligatoire et supérieur.
  Une académie ne peut exécuter d'autres missions ou exercer d'autres compétences que celles qui lui sont attribuées par application du présent décret.
  
Afdeling 2. - [1 onderwijsdoelen]1
Section 2. [1 - Objectifs pédagogiques]1
Art. 5. Voor elke langlopende studierichting worden voor de eerste, tweede en derde graad basiscompetenties vastgelegd.
  Voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding worden basiscompetenties vastgelegd.
  Voor leerlingen [3 van de derde en vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten en de vierde graad van de domeinen dans, muziek en woordkunst-drama]3 die uitstromen naar kunstbeoefening in de vrije tijd of de arbeidsmarkt gelden beroepskwalificaties. Voor leerlingen [3 van de derde en vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten en de vierde graad van de domeinen dans, muziek en woordkunst-drama]3 die naar het hoger onderwijs willen doorstromen [1 gelden [4 de specifieke eindtermen van de onderdelen artistieke expressie en kunstbeschouwing van het wetenschapsdomein kunst en cultuur, vermeld in bijlage 3 bij het decreet van 14 juli 2023 over de onderwijsdoelen voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs]4]1.
  Voor elke kortlopende studierichting [1 , met uitzondering van de kortlopende studierichting schrijver,]1 selecteert het schoolbestuur een relevant en consistent geheel van specifieke eindtermen [2 of basiscompetenties deeltijds kunstonderwijs die hoofdzakelijk uit het artistieke domein in kwestie]2 worden geput.
  [1 Voor de kortlopende studierichting schrijver geldt de beroepskwalificatie amateur literair schrijver.]1
  
Art. 5. Pour toute orientation d'études de longue durée sont déterminées les compétences de base pour les premier, deuxième et troisième degrés.
  Pour la formation d'initiation transversale, les compétences de base sont déterminées.
  Les qualifications professionnelles s'appliquent aux élèves [3 des troisième et quatrième degré du domaine arts plastiques et audiovisuels, et du quatrième degré des domaines danse, musique et arts de la parole-théâtre]3 qui passent à l'activité artistique pendant les loisirs ou sur le marché du travail, des qualifications professionnelles sont d'application. [1 [4 Les objectifs finaux spécifiques des subdivisions expression artistique et appréciation de l'art du domaine scientifique art et culture, visés à l'annexe 3 au décret du 14 juillet 2023 relatif aux objectifs pédagogiques pour les deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire]4]1 aux élèves [3 des troisième et quatrième degré du domaine arts plastiques et audiovisuels, et du quatrième degré des domaines danse, musique et arts de la parole-théâtre ]3 souhaitant transiter vers l'enseignement supérieur.
  Pour toute orientation d'études de courte durée [1 , à l'exception de l'orientation d'étude de courte durée écrivain]1, l'autorité scolaire sélectionne un ensemble pertinent et consistent d'objectifs finaux spécifiques [2 ou des compétences de base de l'enseignement artistique à temps partiel relevant principalement du domaine artistique concerné ]2.
  [1 Pour l'orientation d'étude de courte durée, la qualification professionnelle d'écrivain littéraire amateur s'applique.]1
  
Art. 6. De specifieke eindtermen en basiscompetenties worden ontwikkeld gebruikmakend van descriptorelementen, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.
  De specifieke eindtermen worden vastgelegd door het Vlaams Parlement bij wijze van bekrachtiging van een besluit van de Vlaamse Regering, genomen op advies van de Vlaamse Onderwijsraad.
  Het voormelde besluit wordt uiterlijk zes maanden na de goedkeuring ervan door de Vlaamse Regering bekrachtigd bij decreet. Indien het Vlaams Parlement dat besluit niet bekrachtigt, houdt het op rechtskracht te hebben.
  De beroepskwalificaties worden erkend volgens de procedure, vermeld in artikel 10 tot en met 13/1 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.
  Voor langlopende studierichtingen die leiden naar een beroep waarvoor geen erkende beroepskwalificaties bestaan, en dit tot zolang er geen erkende beroepskwalificaties bestaan, bepaalt de Vlaamse Regering de referentiekaders waarvan de basiscompetenties worden afgeleid. De basiscompetenties worden, zoals bij erkende beroepskwalificaties, vastgelegd gebruikmakend van descriptorelementen uit het kwalificatieraamwerk. De Vlaamse Onderwijsraad, de socioculturele sector, de sectorfondsen en de beroepsfederaties van artistieke beroepsbeoefenaars zullen om advies gevraagd worden bij het besluit dat de referentiekaders, het proces en de actoren om tot deze competenties te komen, zal vastleggen.
  De basiscompetenties worden bepaald door de Vlaamse Regering.
  [1 Voor de kwaliteitscontrole met het oog op de erkenning en de doorlichting, vermeld in artikel 32, 1° en 2°, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, baseert de onderwijsinspectie zich op het verwerven van de basiscompetenties, de competenties van de beroepskwalificatie of de competenties van het specifieke gedeelte van de onderwijskwalificatie.]1
  
Art. 6. Les objectifs finaux spécifiques et les compétences de base sont développés à l'aide des éléments de descripteur, visés à l'article 6 du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications.
  Les objectifs finaux spécifiques sont fixés par le Parlement flamand, sous forme de sanction d'un arrêté du Gouvernement flamand fixé sur avis du Vlaamse Onderwijsraad.
  L'arrêté précité est sanctionné par décret au plus tard six mois après son approbation par le Gouvernement flamand. Si le Parlement flamand ne sanctionne pas cet arrêté, celui-ci cesse d'avoir force de droit.
  Les qualifications professionnelles sont reconnues suivant la procédure, visée aux articles 10 à 13/1 du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications.
  Pour les orientations d'études de longue durée conduisant à une profession pour laquelle il n'existe pas de qualifications professionnelles reconnues et ce, aussi longtemps qu'il n'y a pas de qualifications professionnelles reconnues, le Gouvernement flamand détermine les cadres de référence dont sont dérivées les compétences de base. Comme pour les qualifications professionnelles reconnues, les compétences de base sont déterminées en utilisant des éléments de descripteur du cadre de qualifications. Le Vlaamse Onderwijsraad, le secteur socioculturel, et les fonds sectoriels et les fédérations professionnelles des professionnels artistiques seront invités à donner leur avis sur l'arrêté qui fixera les cadres de référence, le processus et les acteurs pour acquérir ces compétences.
  Les compétences de base sont déterminées par le Gouvernement flamand.
  [1 Aux fins du contrôle de la qualité en vue de l'agrément et de l'audit visés à l'article 32, 1° et 2° du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, l'inspection de l'enseignement se base sur l'acquisition des compétences de base, des compétences de la qualification professionnelle ou des compétences de la partie spécifique de la qualification d'enseignement.]1
  
Art. 7. § 1. Als een schoolbestuur oordeelt dat de specifieke eindtermen of basiscompetenties onvoldoende ruimte laten voor zijn eigen onderwijskundige opvattingen of daarmee onverzoenbaar zijn, dient het bij de Vlaamse Regering een aanvraag tot afwijking in. Die aanvraag is alleen ontvankelijk, als precies wordt aangegeven waarom die specifieke eindtermen of basiscompetenties voor zijn eigen onderwijskundige opvattingen onvoldoende ruimte laten of waarom ze daarmee onverzoenbaar zijn. De academie stelt in dezelfde aanvraag vervangende specifieke eindtermen of basiscompetenties voor waaruit die gelijkwaardigheid met de specifieke eindtermen en basiscompetenties blijkt.
  § 2. De Vlaamse Regering beoordeelt of de aanvraag ontvankelijk is en beslist, in voorkomend geval, of de vervangende specifieke eindtermen of basiscompetenties in hun geheel gelijkwaardig zijn met de bij besluit vastgelegde en decretaal bekrachtigde specifieke eindtermen of de bij besluit van de Vlaamse Regering vastgelegde basiscompetenties en de mogelijkheid bieden om gelijkwaardige studie-bewijzen uit te reiken.
  De gelijkwaardigheid wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria :
  1° het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden;
  2° de vereiste inhoud : het onderwijsaanbod dat in de specifieke eindtermen en basiscompetenties vervat zit, omvat minstens inhouden voor de overeenstemmende studierichtingen. Die inhouden moeten alleen in hun geheel evenwaardig zijn met de inhouden waarvoor specifieke eindtermen bij besluit van de Vlaamse Regering zijn vastgelegd en vervolgens bij decreet bekrachtigd zijn of de inhouden waarvoor basiscompetenties bij besluit van de Vlaamse Regering zijn vastgelegd;
  3° de vervangende specifieke eindtermen of basiscompetenties zijn geformuleerd in termen die aangeven wat van leerlingen verwacht kan worden;
  4° de vervangende specifieke eindtermen of basiscompetenties slaan op kennis, inzichten, vaardigheden en attitudes;
  5° de vervangende specifieke eindtermen slaan op vaardigheden, specifieke kennis, inzichten en attitudes die de leerlingen toelaten vervolgonderwijs aan te vatten;
  6° de vervangende specifieke eindtermen of basiscompetenties zijn zo geformuleerd dat nagegaan kan worden in welke mate de leerlingen ze verwerven.
  De Vlaamse Regering vraagt voor de beoordeling van de ontvankelijkheid en van de gelijkwaardigheid het advies [1 van het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, en]1 van een commissie ad hoc van onafhankelijke deskundigen. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels van die procedure, met dien verstande dat de aanvrager gehoord wordt.
  § 3. De academie dient uiterlijk op 1 september van het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de specifieke eindtermen en basiscompetenties zullen gelden, een afwijkingsaanvraag in. De Vlaamse Regering beslist uiterlijk op 31 december van het voorafgaande schooljaar over de aanvraag.
  Een besluit over een afwijkingsaanvraag in verband met specifieke eindtermen, wordt binnen een termijn van zes maanden bekrachtigd bij decreet. Als het besluit niet binnen de voormelde termijn decretaal bekrachtigd wordt, houdt het op rechtskracht te hebben.
  § 4. In afwijking van paragraaf 3 kan de academie een afwijkingsaanvraag indienen binnen een termijn van een maand na de bekendmaking van een bekrachtigingsdecreet, als dat bekrachtigingsdecreet bekendgemaakt wordt na 1 september van het schooljaar dat voorafgaat aan de inwerkingtreding.
  In de gevallen, vermeld in het eerste lid, is de academie gebonden door de specifieke eindtermen vanaf de dag van 1 september die volgt op de bekendmaking van een decreet tot bekrachtiging van een besluit dat de gelijkwaardige specifieke eindtermen erkent of na de beslissing van de Vlaamse Regering die de afwijkingsaanvraag afwijst.
  
Art. 7. § 1er. Lorsqu'une autorité scolaire juge que les objectifs finaux spécifiques ou les compétences de base ne laissent pas assez de marge pour ses propres convictions pédagogiques ou sont inconciliables avec celles-ci, elle dépose une demande de dérogation auprès du Gouvernement flamand. Cette demande n'est recevable que s'il est indiqué précisément pourquoi ces objectifs finaux spécifiques ou ces compétences de base ne laissent pas assez de marge pour ses propres conceptions pédagogiques ou pourquoi ils sont inconciliables avec celles-ci. L'académie propose dans la même demande des objectifs finaux spécifiques ou compétences de base de remplacement dont apparaît l'équivalence avec les objectifs finaux spécifiques ou les compétences de base.
  § 2. Le Gouvernement flamand juge de la recevabilité de la demande et décide, le cas échéant, si les objectifs finaux spécifiques ou compétences de base de remplacement sont équivalents dans leur ensemble aux objectifs finaux spécifiques fixés par arrêté ou par décret ou aux compétences de base fixées par arrêté du Gouvernement flamand et permettent de délivrer des titres équivalents.
  L'équivalence est jugée sur la base des critères suivants :
  1° le respect des droits et libertés fondamentaux ;
  2° le contenu requis : l'offre d'enseignement que renferment les objectifs finaux spécifiques ou les compétences de base comprend au moins des contenus pour les orientations d'études correspondantes. Ces contenus ne doivent être équivalents que dans leur ensemble aux contenus pour lesquels des objectifs finaux spécifiques sont déterminés par arrêté du Gouvernement flamand ou aux contenus pour lesquels des compétences de base sont déterminées par arrêté du Gouvernement flamand ;
  3° les objectifs finaux spécifiques ou compétences de base de remplacement sont formulés en des termes qui indiquent ce que l'on peut attendre des élèves ;
  4° les objectifs finaux spécifiques ou compétences de base de remplacement portent sur les connaissances, notions, aptitudes et attitudes ;
  5° les objectifs finaux spécifiques de remplacement portent sur des aptitudes, connaissances spécifiques, notions et attitudes permettant aux élèves d'entamer un enseignement complémentaire ;
  6° les objectifs finaux spécifiques ou compétences de base de remplacement sont formulés de façon à permettre de vérifier la mesure dans laquelle les élèves les acquièrent.
  Afin de juger de la recevabilité et de l'équivalence, le Gouvernement flamand demande l'avis [1 de l'Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes, et]1 d'une commission ad hoc d'experts externes. Le Gouvernement flamand fixe les modalités de cette procédure, à condition que le demandeur soit entendu.
  § 3. L'académie dépose une demande de dérogation, au plus tard le 1er septembre de l'année scolaire précédant l'année scolaire pendant laquelle les objectifs finaux spécifiques et les compétences de base entreront en vigueur. Le Gouvernement flamand décide de la demande au plus tard le 31 décembre de l'année scolaire précédente.
  Un arrêté sur une demande de dérogation relative aux objectifs finaux spécifiques est ratifié par décret dans un délai de six mois. Lorsque l'arrêté n'est pas ratifié par décret dans le délai précité, celui-ci cesse d'avoir force de droit.
  § 4. Par dérogation aux dispositions du paragraphe 3, l'académie peut déposer une demande de dérogation, dans un délai d'un mois de la publication d'un décret de ratification, si ce décret de ratification est publié après le 1er septembre de l'année scolaire précédant l'entrée en vigueur.
  Dans les cas visés à l'alinéa 1er, l'académie est liée par les objectifs finaux spécifiques à compter du 1er septembre suivant soit la publication d'un décret ratifiant un arrêté reconnaissant les objectifs finaux spécifiques équivalents, soit la décision du Gouvernement flamand déclinant la demande de dérogation.
  
Afdeling 3. - Leerplan en artistiek-pedagogisch project
Section 3. - Programme d'études et projet pédagogique artistique
Art. 8. § 1. Met inachtneming van de door de Vlaamse Regering opgelegde of gelijkwaardig verklaarde basiscompetenties, beroepskwalificaties en specifieke eindtermen, beschikt elk schoolbestuur over een goedgekeurd leerplan en kiest het vrij zijn pedagogische methodes.
  De leerplannen bevatten desgewenst de doelen die het schoolbestuur uitdrukkelijk formuleert voor zijn leerlingen vanuit het eigen artistiek-pedagogisch project. In de leerplannen worden op een herkenbare wijze opgenomen :
  1° de basiscompetenties;
  2° de beroepskwalificaties;
  3° de specifieke eindtermen.
  [1 Het leerplan bevat een concordantietabel met de overeenkomst tussen de onderwijsdoelen vastgelegd bij decreet of besluit, en de leerplandoelen.]1
  § 2. [1 Om de kwaliteit van het deeltijds kunstonderwijs te waarborgen, ontwikkelt het schoolbestuur in omvang beperkte leerplannen die voldoende ruimte laten voor de inbreng van academies, leraren, lerarenteams of leerlingen.
   Leerplannen worden ter goedkeuring voorgelegd aan het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen. Voormeld agentschap toetst of de basiscompetenties, de beroepskwalificaties en de specifieke eindtermen volledig en correct zijn omgezet in het leerplan en dit plan geen elementen bevat die tegenstrijdig zijn met de vastgestelde minimumdoelen.
   De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vastleggen met betrekking tot de goedkeuringscriteria en indieningsmodaliteiten van de leerplannen. Leerplannen zijn een aanvullend instrument voor de onderwijsinspectie om het kwaliteitsbeleid van een academie te kaderen]1
.
  
Art. 8. § 1er. Dans le respect des compétences de base, qualifications professionnelles et objectifs finaux spécifiques imposés ou déclarés équivalents par le Gouvernement flamand, chaque autorité scolaire dispose d'un programme d'études approuvé et choisit librement ses propres méthodes pédagogiques
  Les programmes d'études contiennent, le cas échéant, les objectifs que l'autorité scolaire formule explicitement pour ses élèves, à partir du propre projet pédagogique artistique. Dans les programmes d'études sont inclus de manière identifiable :
  1° les compétences de base ;
  2° les qualifications professionnelles ;
  3° les objectifs finaux spécifiques.
  [1 Le programme d'études comprend un tableau de concordance entre les objectifs pédagogiques fixés par décret ou arrêté, et les objectifs du programme d'études. ]1
  § 2. [1 Afin de garantir la qualité de l'enseignement artistique à temps partiel, l'autorité scolaire élabore des programmes d'études limités en volume qui laissent assez de marge de manoeuvre aux académies, enseignants, équipes d'enseignants et élèves pour apporter leur propre contribution.
   Les programmes d'études sont soumis pour approbation à l'Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes. L'agence précitée vérifie si les compétences de base, les qualifications professionnelles et les objectifs finaux spécifiques ont été intégralement et correctement transposés dans le programme d'études et si celui-ci ne contient aucun élément contraire aux objectifs minimums fixés.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives aux critères d'approbation et aux modalités de soumission des programmes d'études. Les programmes d'études constituent un instrument complémentaire permettant à l'inspection de l'enseignement d'évaluer la politique de qualité d'une académie]1
.
  
Art. 9. Het schoolbestuur bepaalt vrij de organisatie van zijn deeltijds kunstonderwijs en zijn artistiek-pedagogische visie. Het legt die organisatie en visie vast in het artistiek-pedagogische project.
Art. 9. L'autorité scolaire détermine librement l'organisation de son enseignement artistique à temps partiel et sa vision artistique et pédagogique. Elle fixe cette organisation et vision dans le projet artistique et pédagogique.
HOOFDSTUK 3. - Structuur van het deeltijds kunstonderwijs
CHAPITRE 3. - Structure de l'enseignement artistique à temps partiel
Afdeling 1. - Structuur
Section 1re. - Structure
Art. 10. Het deeltijds kunstonderwijs omvat studierichtingen in de volgende artistieke domeinen :
  1° beeldende en audiovisuele kunsten;
  2° dans;
  3° woordkunst-drama;
  4° muziek.
Art. 10. L'enseignement artistique à temps partiel contient des orientations d'études dans les domaines artistiques suivants :
  1° arts plastiques et audiovisuels ;
  2° danse ;
  3° arts de la parole-théâtre ;
  4° musique.
Art. 11. De langlopende studierichtingen bestaan uit vier opeenvolgende graden die bestaan uit verschillende leerjaren.
  De kortlopende studierichtingen bestaan uit twee of drie leerjaren. Zij worden niet ondergebracht in de gradenstructuur.
Art. 11. Les orientations d'études de longue durée comportent quatre degrés consécutifs se composant de plusieurs années d'études.
  Les orientations d'études de courte durée comportent deux ou trois années d'études. Elles ne sont pas organisées en degrés.
Afdeling 2. - Domein beeldende en audiovisuele kunsten
Section 2. - Domaine arts plastiques et audiovisuels
Art. 12. § 1. In het domein beeldende en audiovisuele kunsten [1 kan een academie de volgende langlopende studierichtingen aanbieden die leiden tot een beroepskwalificatie]1 zoals bepaald door de socioculturele sector, de sectorfondsen en de beroepsfederaties van artistieke beroepsbeoefenaars :
  1° beeldend kunstenaar;
  2° cineast;
  3° fotograaf;
  4° juweelontwerper/goudsmid;
  5° kantwerker;
  6° ontwerper;
  7° restauratievakman meubel;
  8° siersmid/kunstsmid.
  [1 De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden.]1
  § 2. De [1 onderwijsdoelen]1 van de eerste, tweede en derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk[2 , met uitzondering van de derde graad voor de leerlingen die willen doorstromen naar het hoger onderwijs, waarvoor de specifieke eindtermen van het wetenschapsdomein kunst en cultuur gelden, conform artikel 5, derde lid]2.
  De [1 onderwijsdoelen]1 van de vierde graad zijn voor ieder van die studierichtingen verschillend.
  § 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste vier wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad bedraagt ten minste acht wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad voor jongeren bedraagt ten minste vierentwintig wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van zes of zeven leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad voor volwassenen bedraagt ten minste acht wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de vierde graad bedraagt ten minste veertig wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van tien, vijf of vier leerjaren.
  
Art. 12. § 1er. Dans le domaine arts plastiques et audiovisuels, [1 une académie peut proposer les orientations d'études de longue durée suivantes conduisant à une qualification professionnelle]1 telles que déterminées par le secteur socioculturel, les fonds de secteur et les fédérations professionnelles de professionnels artistiques :
  1° artiste plasticien ;
  2° cinéaste ;
  3° photographe ;
  4° créateur de bijoux/orfèvre ;
  5° dentellier ;
  6° créateur ;
  7° artisan restaurateur de meubles ;
  8° spécialiste du fer forgé/ferronnier d'art.
  [1 Le Gouvernement flamand détermine quelle qualification professionnelle peut être obtenue au moyen de quelle orientation d'études.]1
  § 2. Les [1 objectifs pédagogiques]1 des premier, deuxième et troisième degrés sont communes pour ces orientations d'études[2 , à l'exception du troisième degré pour les élèves souhaitant transiter vers l'enseignement supérieur, auxquels les objectifs finaux spécifiques du domaine scientifique art et culture s'appliquent, conformément à l'article 5, alinéa 3]2.
  Les [1 objectifs pédagogiques]1 du quatrième degré sont différentes pour chacune de ces orientations d'études.
  § 3. La somme du volume des études des années d'études du premier degré est d'au moins quatre périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de deux années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études du deuxième degré est d'au moins huit périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de quatre années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études du troisième degré pour jeunes est d'au moins vingt-quatre périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de six ou sept années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études du troisième degré pour adultes est d'au moins huit périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de deux années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études du quatrième degré est d'au moins quarante périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de dix, cinq ou quatre années d'études.
  
Art. 13. § 1. In het domein beeldende en audiovisuele kunsten kan een academie de volgende kortlopende studierichtingen aanbieden :
  1° beeldende en audiovisuele cultuur;
  2° specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten.
  § 2. De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichting beeldende en audiovisuele cultuur bedraagt zes wekelijkse lestijden gespreid over een traject van drie leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichting specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten bedraagt zestien wekelijkse lestijden gespreid over een traject van twee leerjaren.
Art. 13. § 1er. Dans le domaine arts plastiques et audiovisuels, une académie peut proposer les orientations d'études de courte durée suivantes :
  1° culture plastique et audiovisuelle ;
  2° spécialisation en arts plastiques et audiovisuels.
  § 2. La somme du volume des études des années d'études de l'orientation d'études culture plastique et audiovisuelle est d'au moins six périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de trois années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études de l'orientation d'études spécialisation en arts plastiques et audiovisuels est d'au moins seize périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de deux années d'études.
Afdeling 3. - Domein dans
Section 3. - Domaine danse
Art. 14. § 1. In het domein dans [1 kan een academie de volgende langlopende studierichtingen aanbieden die leiden tot een beroepskwalificatie]1 zoals bepaald door de socioculturele sector :
  1° choreograaf;
  2° creërend danser;
  3° vertolkend danser.
  [1 De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden.]1
  § 2. De [1 onderwijsdoelen]1 van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk.
  De [1 onderwijsdoelen]1 van de vierde graad zijn voor ieder van die studierichtingen verschillend.
  § 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad bedraagt ten minste acht wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier of twee leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad bedraagt ten minste zeveneneenhalf wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de vierde graad bedraagt ten minste negen wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.
  
Art. 14. § 1er. Dans le domaine danse, [1 une académie peut proposer les orientations d'études de longue durée suivantes conduisant à une qualification professionnelle]1 telles que déterminées par le secteur socioculturel :
  1° chorégraphe ;
  2° danseur-créateur ;
  3° danseur-interprète.
  [1 Le Gouvernement flamand détermine quelle qualification professionnelle peut être obtenue au moyen de quelle orientation d'études.]1
  § 2. Les [1 objectifs pédagogiques]1 des premier, deuxième et troisième degrés sont communes pour ces orientations d'études.
  Les [1 objectifs pédagogiques]1 du quatrième degré sont différentes pour chacune de ces orientations d'études.
  § 3. La somme du volume des études des années d'études du premier degré est d'au moins deux périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de deux années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études du deuxième degré est d'au moins huit périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de quatre ou deux années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études du troisième degré est d'au moins sept périodes de cours hebdomadaires et demie réparties sur un parcours de trois années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études du quatrième degré est d'au moins neuf périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de trois années d'études.
  
Art. 15. § 1. In het domein dans kan een academie de volgende kortlopende studierichtingen aanbieden :
  1° danscultuur;
  2° specialisatie dans.
  § 2. De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichting danscultuur bedraagt zes wekelijkse lestijden gespreid over een traject van drie leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichting specialisatie dans bedraagt vier wekelijkse lestijden gespreid over een traject van twee leerjaren.
Art. 15. § 1er. Dans le domaine danse, une académie peut proposer les orientations d'études de courte durée suivantes :
  1° culture de la danse ;
  2° spécialisation en danse.
  § 2. La somme du volume des études des années d'études de l'orientation d'études culture de la danse est d'au moins six périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de trois années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études de l'orientation d'études spécialisation en danse est d'au moins quatre périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de deux années d'études.
Afdeling 4. - Domein woordkunst-drama
Section 4. - Domaine arts de la parole-théâtre
Art. 16. § 1. In het domein woordkunst-drama [1 kan een academie de volgende langlopende studierichtingen aanbieden die leiden tot een beroepskwalificatie]1 zoals bepaald door de socioculturele sector :
  1° creërend acteur;
  2° theaterregisseur;
  3° vertolkend acteur.
  [1 De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden.]1
  § 2. De [1 onderwijsdoelen]1 van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk.
  De [1 onderwijsdoelen]1 van de vierde graad zijn voor ieder van die studierichtingen verschillend.
  § 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad bedraagt ten minste vier wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier of twee leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad bedraagt ten minste zes wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de vierde graad bedraagt ten minste zes wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.
  
Art. 16. § 1er. Dans le domaine arts de la parole-théâtre, [1 une académie peut proposer les orientations d'études de longue durée suivantes conduisant à une qualification professionnelle ]1 telles que déterminées par le secteur socioculturel :
  1° acteur-créateur ;
  2° metteur en scène de théâtre ;
  3° acteur-interprète.
  [1 Le Gouvernement flamand détermine quelle qualification professionnelle peut être obtenue au moyen de quelle orientation d'études.]1
  § 2. Les [1 objectifs pédagogiques]1 des premier, deuxième et troisième degrés sont communes pour ces orientations d'études.
  Les [1 objectifs pédagogiques]1 du quatrième degré sont différentes pour chacune de ces orientations d'études.
  § 3. La somme du volume des études des années d'études du premier degré est d'au moins deux périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de deux années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études du deuxième degré est d'au moins quatre périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de quatre ou deux années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études du troisième degré est d'au moins six périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de trois années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études du quatrième degré est d'au moins six périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de trois années d'études.
  
Art. 16 TOEKOMSTIG RECHT.    § 1. In het domein woordkunst-drama [1 kan een academie de volgende langlopende studierichtingen aanbieden die leiden tot een beroepskwalificatie]1 zoals bepaald door de socioculturele sector :
  1° creërend acteur;
  2° theaterregisseur;
  3° vertolkend acteur;
  [2 4° Audiomaker]2.
  [1 De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden.]1
  § 2. De [1 onderwijsdoelen]1 van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk.
  De [1 onderwijsdoelen]1 van de vierde graad zijn voor ieder van die studierichtingen verschillend.
  § 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad bedraagt ten minste vier wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier of twee leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad bedraagt ten minste zes wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de vierde graad bedraagt ten minste zes wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.
Art.16 DROIT FUTUR.
   § 1er. Dans le domaine arts de la parole-théâtre, [1 une académie peut proposer les orientations d'études de longue durée suivantes conduisant à une qualification professionnelle ]1 telles que déterminées par le secteur socioculturel :
  1° acteur-créateur ;
  2° metteur en scène de théâtre ;
  3° acteur-interprète;
  [2 4° créateur audio]2.
  [1 Le Gouvernement flamand détermine quelle qualification professionnelle peut être obtenue au moyen de quelle orientation d'études.]1
  § 2. Les [1 objectifs pédagogiques]1 des premier, deuxième et troisième degrés sont communes pour ces orientations d'études.
  Les [1 objectifs pédagogiques]1 du quatrième degré sont différentes pour chacune de ces orientations d'études.
  § 3. La somme du volume des études des années d'études du premier degré est d'au moins deux périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de deux années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études du deuxième degré est d'au moins quatre périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de quatre ou deux années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études du troisième degré est d'au moins six périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de trois années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études du quatrième degré est d'au moins six périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de trois années d'études.
Art. 17. § 1. In het domein woordkunst-drama kan een academie de volgende kortlopende studierichtingen aanbieden :
  1° woordkunst- en dramacultuur;
  2° schrijver;
  3° specialisatie woordkunst-drama.
  § 2. De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichting woordkunst- en dramacultuur bedraagt zes wekelijkse lestijden gespreid over een traject van drie leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichting schrijver bedraagt negen wekelijkse lestijden gespreid over een traject van drie leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichting specialisatie woordkunst-drama bedraagt vier wekelijkse lestijden gespreid over een traject van twee leerjaren.
Art. 17. § 1er. Dans le domaine arts de la parole-théâtre, une académie peut proposer les orientations d'études de courte durée suivantes :
  1° arts de la parole-théâtre ;
  2° écrivain ;
  3° spécialisation en arts de la parole-théâtre.
  § 2. La somme du volume des études des années d'études de l'orientation d'études arts de la parole-théâtre est de six périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de trois années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études de l'orientation d'études écrivain est de neuf périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de trois années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études de l'orientation d'études spécialisation en arts de la parole-théâtre est de quatre périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de deux années d'études.
Afdeling 5. - Domein muziek
Section 5. - Domaine musique
Art. 18. § 1. In het domein muziek [1 kan een academie de volgende langlopende studierichtingen aanbieden die leiden tot een beroepskwalificatie]1 zoals bepaald door de socioculturele sector :
  1° beiaardier;
  2° creërend muzikant;
  3° dirigent;
  4° dj;
  5° vertolkend muzikant.
  [1 De Vlaamse Regering bepaalt welke beroepskwalificatie met welke studierichting behaald kan worden.]1
  In afwijking van het eerste lid kan de studierichting beiaardier, vermeld in punt 1°, enkel georganiseerd worden in de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen.
  § 2. De [1 onderwijsdoelen]1 van de eerste, de tweede en de derde graad zijn voor die studierichtingen gemeenschappelijk.
  De [1 onderwijsdoelen]1 van de vierde graad zijn verschillend voor ieder van die studierichtingen.
  § 3. De som van de studieomvang van de leerjaren van de eerste graad bedraagt ten minste twee wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van twee leerjaren.
  Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor jongeren ten minste twaalf wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van vier leerjaren.
  Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de tweede graad voor volwassenen ten minste negen wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.
  Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de derde graad ten minste negen wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie of vier leerjaren.
  Met uitzondering van de studierichting beiaardier bedraagt de som van de studieomvang van de leerjaren van de vierde graad ten minste zes wekelijkse lestijden, gespreid over een traject van drie leerjaren.
  De Vlaamse Regering bepaalt de studieomvang en de trajecten van de tweede, derde en vierde graad van de studierichting beiaardier.
  
Art. 18. § 1er. Dans le domaine musique, [1 une académie peut proposer les orientations d'études de longue durée suivantes conduisant à une qualification professionnelle ]1 suivantes telles que déterminées par le secteur socioculturel :
  1° carillonneur ;
  2° musicien-créateur ;
  3° chef d'orchestre ;
  4° DJ ;
  5° musicien-interprète.
  [1 Le Gouvernement flamand détermine quelle qualification professionnelle peut être obtenue au moyen de quelle orientation d'études.]1
  Par dérogation à l'alinéa 1er, l'orientation d'études carillonneur, visée au point 1°, ne peut être organisée que dans la Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn à Mechelen.
  § 2. Les [1 objectifs pédagogiques]1 des premier, deuxième et troisième degrés sont communes pour ces orientations d'études.
  Les [1 objectifs pédagogiques]1 du quatrième degré sont différentes pour chacune de ces orientations d'études.
  § 3. La somme du volume des études des années d'études du premier degré est d'au moins deux périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de deux années d'études.
  A l'exception de l'orientation d'études carillonneur, la somme du volume des études des années d'études du deuxième degré pour jeunes est d'au moins douze périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de quatre années d'études.
  A l'exception de l'orientation d'études carillonneur, la somme du volume des études des années d'études du deuxième degré pour adultes est d'au moins neuf périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de trois années d'études.
  A l'exception de l'orientation d'études carillonneur, la somme du volume des études des années d'études du troisième degré est d'au moins neuf périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de trois ou quatre années d'études.
  A l'exception de l'orientation d'études carillonneur, la somme du volume des études des années d'études du quatrième degré est d'au moins six périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de trois années d'études.
  Le Gouvernement flamand détermine le volume des études et les parcours des deuxième, troisième et quatrième degrés de l'orientation d'études carillonneur.
  
Art. 19. § 1. In het domein muziek kan een academie de volgende kortlopende studierichtingen aanbieden :
  1° muziekgeschiedenis;
  2° muziekcultuur;
  3° specialisatie muziek.
  § 2. De som van de studieomvang van de leerjaren van de studierichtingen muziekgeschiedenis en muziekcultuur bedraagt elk zes wekelijkse lestijden gespreid over een traject van drie leerjaren.
  De som van de studieomvang van de leerjaren van de specialisatie muziek bedraagt vier wekelijkse lestijden gespreid over een traject van twee leerjaren.
Art. 19. § 1er. Dans le domaine musique, une académie peut proposer les orientations d'études de courte durée suivantes :
  1° histoire de la musique ;
  2° culture musicale ;
  3° spécialisation en musique.
  § 2. La somme du volume des études des années d'études des orientations d'études histoire de la musique et culture musicale est chacune de six périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de trois années d'études.
  La somme du volume des études des années d'études de la spécialisation en musique est de quatre périodes de cours hebdomadaires réparties sur un parcours de deux années d'études.
Afdeling 6. - Gemeenschappelijke bepalingen
Section 6. - Dispositions communes
Art. 20. In afwijking van artikel 10 tot en met 19 kan een academie in de eerste graad een domeinoverschrijdende initiatieopleiding organiseren waarin twee of meer domeinen maximaal aan bod komen. De som van de studieomvang van de leerjaren in de domeinoverschrijdende initiatieopleiding bedraagt twee lestijden gespreid over een traject van twee leerjaren.
Art. 20. Par dérogation aux articles 10 à 19, une académie peut organiser dans le premier degré une formation d'initiation transversale se focalisant au maximum sur les deux ou plusieurs domaines. La somme du volume des études des années d'études de la formation d'initiation transversale est de deux périodes de cours réparties sur un parcours de deux années d'études.
Art. 21. De kortlopende studierichtingen specialisatie bieden uitmuntende leerlingen de kans om te excelleren en op die manier bij te dragen tot de uitstraling van de academie en het deeltijds kunstonderwijs. De overige kortlopende studierichtingen zijn niet gericht op actieve kunstbeoefening en bevorderen de culturele participatie van de leerlingen.
Art. 21. Les orientations d'études de courte durée spécialisation offrent aux élèves brillants l'opportunité d'exceller et de contribuer ainsi à l'image de l'académie et de l'enseignement artistique à temps partiel. Les autres orientations d'études de courte durée ne ciblent pas la pratique artistique active et promeuvent la participation culturelle des élèves.
Art. 22. Het schoolbestuur verdeelt de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20, evenwichtig over de leerjaren. Met uitzondering van de derde graad van het domein dans bedraagt het aantal lestijden per leerjaar telkens een geheel getal. Elk leerjaar omvat een samenhangend geheel van leeractiviteiten.
  De verdeling van de studieomvang maakt voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité.
Art. 22. L'autorité scolaire répartit de façon équilibrée le volume des études, visé aux articles 12 à 20, sur les années d'études. A l'exception du troisième degré du domaine danse, le nombre de périodes de cours par année scolaire est toujours un nombre entier. Chaque année d'études contient un ensemble cohérent d'activités d'apprentissage.
  La répartition du volume des études est négociée dans le comité local.
Art. 23. Binnen de voorwaarden die de Vlaamse Regering oplegt, bepaalt het schoolbestuur per studierichting, per graad en in voorkomend geval per optie en voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding de vakken die de leerling volgt met het oog op het behalen van de basiscompetenties, specifieke eindtermen en beroepskwalificaties. Daarbij respecteert het de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20.
Art. 23. Dans le respect des conditions imposées par le Gouvernement flamand, l'autorité scolaire détermine par orientation d'études, par degré et, le cas échéant, par option et pour la formation d'initiation transversale les cours suivis par élève en vue de l'obtention des compétences de base, des objectifs finaux spécifiques et des qualifications professionnelles. Ce faisant, elle respecte le volume des études, visé aux articles 12 à 20.
Art. 24. De Vlaamse Regering bepaalt per domein en per studierichting de mogelijke opties en vakken.
Art. 24. Le Gouvernement flamand détermine par domaine et par orientation d'études les options et les cours possibles.
Art. 25. In het domein muziek bepaalt de Vlaamse Regering de mogelijke muziekinstrumenten.
Art. 25. Dans le domaine musique, le Gouvernement flamand détermine les instruments de musique possibles.
Afdeling 7. - Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen
Section 7. - La Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn à Mechelen
Art. 26. De Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen wordt als academie deeltijds kunstonderwijs erkend en gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering kan specifieke normen, structuren, vakken en bekwaamheidsbewijzen voor die academie vastleggen. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop die instelling gesubsidieerd wordt, de wijze waarop die academie rapporteert aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en welk statuut op het personeel van toepassing is.
  Het besluit van de Vlaamse Regering over de aangelegenheden in het eerste lid wordt decretaal bekrachtigd.
Art. 26. La Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn à Mechelen est agréée et subventionnée par la Communauté flamande comme académie de l'enseignement artistique à temps partiel. Le Gouvernement flamand peut arrêter des normes, structures, cours et titres pour cette académie. Le Gouvernement flamand détermine les modalités de subventionnement de cette institution, la manière dont l'académie rend compte au Ministère flamand de l'Enseignement et quel est le statut qui s'applique au personnel.
  L'arrêté du Gouvernement flamand sur les matières énoncées à l'alinéa 1er est ratifié par décret.
Afdeling 8. - Netoverschrijdend Samenwerkingsforum deeltijds kunstonderwijs Brussel
Section 8. - Netoverschrijdend Samenwerkingsforum deeltijds kunstonderwijs Brussel (Forum de coopération transréseau de l'enseignement artistique à temps partiel à Bruxelles)
Art. 27. De schoolbesturen van de academies die gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad maken deel uit van een netoverschrijdend Samenwerkingsforum.
  Het Samenwerkingsforum :
  1° optimaliseert het aanbod van opleidingen die door de academies voor deeltijds kunstonderwijs worden georganiseerd en stemt dit op elkaar af;
  2° streeft naar een samenwerking met Nederlandstalige instellingen voor basisonderwijs of secundair onderwijs;
  3° ontwikkelt socioculturele initiatieven en streeft daarbij naar een samenwerking met socioculturele organisaties en instellingen in de gemeenten van het Vlaamse Gewest, genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;
  4° signaleert knelpunten, behoeften en oplossingen inzake deeltijdse kunstopleidingen aan de overheid;
  5° optimaliseert de dienstverlening voor de leerlingen in de academies;
  6° stimuleert en ondersteunt alle mogelijke vormen van samenwerking tussen de academies.
  [2 ...]2.
  § 2. Het Samenwerkingsforum oefent tenminste de volgende opdrachten uit :
  1° de realisatie van de doelstellingen, vermeld in paragraaf 1;
  2° [1 een met redenen omkleed advies aan de Vlaamse Regering verlenen over de aanvragen van de academies voor de programmatie van domeinen en structuuronderdelen, conform de voorwaarden, vermeld in artikel 115 tot en met 118, en de aanvragen van de academies voor onderwijsbevoegdheid, vermeld in artikel 130;]1
  3° alle opdrachten, die een schoolbestuur apart aan het Samenwerkingsforum toewijst of die de academies gezamenlijk aan het Samenwerkingsforum toewijzen, uitvoeren.
  § 3. Het Samenwerkingsforum kan nooit zelf over onderwijsbevoegdheid beschikken.
  § 4. [2 ...]2
  
Art. 27. § 1. Les autorités scolaires des académies situées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale font partie d'un Forum de coopération transréseau.
  Le Forum de coopération :
  1° optimise l'offre de formations organisées par les académies d'enseignement artistique à temps partiel et les harmonise ;
  2° s'efforce de coopérer avec des établissements néerlandophones d'enseignement fondamental ou secondaire ;
  3° développe des initiatives socioculturelles et, ce faisant, s'efforce de parvenir à une coopération avec des organisations et institutions socioculturelles dans les communes situées en Région flamande, mentionnées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 ;
  4° signale à l'autorité des problèmes, des besoins et des solutions quant aux formations artistiques à temps partiel ;
  5° optimise les prestations de services aux élèves des académies ;
  6° stimule et soutient toutes les formes possibles de coopération entre les académies.
  [2 ...]2.
  § 2. Le Forum de coopération accomplit au moins les missions suivantes :
  1° réaliser les objectifs visés au paragraphe 1er ;
  2° [1 émettre un avis motivé au Gouvernement flamand sur les demandes des académies pour la programmation de domaines et subdivisions structurelles conformément aux conditions visées aux articles 115 à 118, et les demandes de compétence d'enseignement des académies, visées à l'article 130 ;]1
  3° accomplir toutes les missions qu'une autorité scolaire confère au Forum de coopération ou que les académies confèrent ensemble au Forum de coopération.
  § 3. Le Forum de coopération ne peut jamais disposer de compétence d'enseignement lui-même.
  § 4.[2 ...]2.
  
Afdeling 9. - Overleg fundamentele onderwijshervormingen
Section 9. - Concertation relative aux réformes fondamentales de l'enseignement
Art. 28. De Vlaamse Regering informeert de afgevaardigden van de schoolbesturen en de representatieve vakorganisaties over elke geplande fundamentele onderwijshervorming.
  Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de afgevaardigden van de schoolbesturen een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de afgevaardigden van de schoolbesturen.
  Vóór de Vlaamse Regering een eerste principiële beslissing ter zake neemt, wordt op vraag van ten minste één van de representatieve vakorganisaties een apart overleg georganiseerd over die fundamentele onderwijshervorming tussen de minister, bevoegd voor het onderwijs, of zijn afgevaardigde en de representatieve vakorganisaties.
Art. 28. Le Gouvernement flamand informe les délégués des autorités scolaires et des organisations syndicales représentatives sur tout projet de réforme fondamentale de l'enseignement.
  Avant que le Gouvernement flamand ne prenne une première décision de principe en la matière, une concertation séparée sur cette réforme fondamentale de l'enseignement est organisée, à la demande d'au moins un des délégués des autorités scolaires, entre le Ministre chargé de l'enseignement ou son délégué et les délégués des autorités scolaires.
  Avant que le Gouvernement flamand ne prenne une première décision de principe en la matière, une concertation séparée sur cette réforme fondamentale de l'enseignement est organisée, à la demande d'au moins une des organisations syndicales représentatives, entre le Ministre chargé de l'enseignement ou son délégué et les organisations syndicales représentatives.
HOOFDSTUK 4. - Leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs
CHAPITRE 4. - Elèves de l'enseignement artistique à temps partiel
Afdeling 1. - Toelatingsvoorwaarden
Section 1re. - Conditions d'admission
Art. 29. § 1. Om tot het deeltijds kunstonderwijs toegelaten te worden moet een leerling de leeftijd van zes jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 kan een leerling die de leeftijd van zes jaar niet bereikt heeft op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar in het deeltijds kunstonderwijs worden ingeschreven als hij is ingeschreven in het lager onderwijs.
  § 3. In afwijking van paragraaf 2 wordt een leerling die de leeftijd van zes jaar niet bereikt heeft op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar en niet ingeschreven is in een erkende lagere school maar huisonderwijs volgt als vermeld in artikel 3, 24°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, ook toegelaten tot het deeltijds kunstonderwijs.
Art. 29. § 1er. Pour être admis à l'enseignement artistique à temps partiel, un élève doit avoir atteint l'âge de six ans au 31 décembre suivant la rentrée scolaire.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, un élève qui n'a pas atteint l'âge de six ans à la date du 31 décembre suivant le début de l'année scolaire peut être inscrit dans l'enseignement artistique à temps partiel s'il est inscrit dans l'enseignement primaire.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 2, un élève qui n'a pas atteint l'âge de six ans le 31 décembre suivant le début de l'année scolaire et qui n'est pas inscrit dans une école primaire agréée mais qui suit l'enseignement à domicile visé à l'article 3, 24° du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, est également admis à l'enseignement artistique à temps partiel.
Art. 30. Een leerling die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor het lager onderwijs, vermeld in artikel 13, 14 en 14/1 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, kan worden toegelaten tot de eerste graad van het deeltijds kunstonderwijs.
Art. 30. Un élève qui remplit les conditions d'admission à l'enseignement primaire visées aux articles 13, 14 et 14/1 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, peut être admis au premier degré de l'enseignement artistique à temps partiel.
Art. 31. [1 Om toegelaten te worden tot de tweede graad van de domeinen dans of woordkunst-drama of de tweede graad voor jongeren van het domein muziek, moet de leerling voldoen aan de volgende voorwaarden:
   1° de basiscompetenties van de eerste graad verworven hebben of de leeftijd van acht jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar of minstens twee volledige schooljaren ingeschreven zijn in het lager onderwijs;
   2° in het geval van woordkunst-drama niet ouder zijn dan veertien jaar op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.
   Om toegelaten te worden tot de tweede graad voor volwassenen van het domein muziek moet de leerling de leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar. Mits toestemming van de directeur kan een leerling die op dat ogenblik minder dan vijftien jaar oud is toch om pedagogische redenen worden toegelaten tot de tweede graad voor volwassenen van het domein muziek.
   [2 Om toegelaten te worden tot de tweede graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten mag de leerling nog geen twaalf jaar zijn op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar en moet voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
   1° de basiscompetenties van de eerste graad verworven hebben;
   2° de leeftijd van acht jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.]2
]1

  [2 In afwijking van het derde lid kan[3 een leerling die twaalf jaar of ouder is]3 op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar en ingeschreven is in het lager onderwijs toegelaten worden tot de tweede graad.]2
  
Art. 31. [1 Pour être admis au deuxième degré dans les domaines danse, arts de la parole-théâtre ou au deuxième degré pour jeunes dans le domaine musique, l'élève doit remplir l'une des conditions suivantes :
   1° avoir acquis les compétences de base du premier degré ou avoir atteint l'âge de huit ans à la date du 31 décembre suivant le début de l'année scolaire ou être inscrit dans l'enseignement primaire depuis au moins deux années scolaires complètes ;
   2° dans le cas du domaine arts de la parole-théâtre ne pas être âgé de plus de quatorze ans à la date du 31 décembre suivant le début de l'année scolaire.
   Pour être admis au deuxième degré pour adultes du domaine musique, l'élève doit avoir atteint l'âge de quinze ans au 31 décembre suivant le début de l'année scolaire. Avec l'autorisation du directeur, un élève âgé de moins de quinze ans à ce moment peut toutefois être admis au deuxième degré pour adultes dans le domaine musique pour des raisons pédagogiques.
   [2 Pour être admis au deuxième degré du domaine arts plastiques et audiovisuels, l'élève ne doit pas avoir atteint l'âge de douze ans à la date du 31 décembre suivant le début de l'année scolaire et doit remplir l'une des conditions suivantes :
   1° avoir acquis les compétences de base du premier degré ;
   2° avoir atteint l'âge de huit ans à la date du 31 décembre suivant le début de l'année scolaire.]2
]1

  [2 Par dérogation à l'alinéa trois, peut être admis dans le second degré [3 l'élève qui est âgé de douze ans ou plus ]3 à la date du 31 décembre suivant le début de l'année scolaire et qui est inscrit dans l'enseignement primaire.]2
  
Art. 32. Om toegelaten te worden tot de derde graad van de domeinen dans of muziek moet de leerling de basiscompetenties van de tweede graad van het respectieve domein, verworven hebben.
  [1 In afwijking van het eerste lid kan de directeur op advies van de betrokken leerkrachten een leerling die de instrumenttechnische competenties van de tweede graad muziek niet volledig verworven heeft toch toelaten tot de derde graad muziek onder de volgende voorwaarden:
   1° de leerling heeft alle overige competenties verworven;
   2° de leerling volgt een instrumentvak in de tweede graad;
   3° de leerling is vrijgesteld voor het instrumentvak in de derde graad.]1

  Om toegelaten te worden tot de derde graad van het domein [1 woordkunst-drama]1 moet de leerling voldoen aan een van de volgende voorwaarden :
  1° de basiscompetenties van de tweede graad van het domein woordkunst-drama verworven hebben;
  2° de leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.
  [1 Om toegelaten te worden tot de derde graad voor jongeren van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling voldoen aan de volgende voorwaarden:
   1° de basiscompetenties van de tweede graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten verworven hebben of de leeftijd van twaalf jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar;
   2° niet ouder zijn dan zeventien jaar op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.]1
.
  Om toegelaten te worden tot de derde graad voor volwassenen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling de leeftijd van achttien jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.
  
Art. 32. Pour être admis au troisième degré des domaines danse ou musique, l'élève doit avoir acquis les compétences de base du deuxième degré du domaine respectif.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, le directeur peut, sur avis des enseignants concernés, admettre au troisième degré de musique un élève qui n'a pas acquis pleinement les compétences instrumentales du deuxième degré de musique aux conditions suivantes :
   1° l'élève a acquis toutes les autres compétences ;
   2° l'élève suit un cours d'instrument dans le deuxième degré ;
   3° l'élève est dispensé pour le cours d'instrument dans le troisième degré.]1

  Pour être admis au troisième degré du domaine arts de la parole-théâtre, l'étudiant doit remplir l'une des conditions suivantes :
  1° avoir acquis les compétences de base du deuxième degré du domaine arts de la parole-théâtre ;
  2° avoir atteint l'âge de quinze ans à la date du 31 décembre suivant le début de l'année scolaire.
  [1 Pour être admis au troisième degré pour jeunes du domaine des arts plastiques et audiovisuels, l'élève doit répondre aux conditions suivantes :
   1° avoir acquis les compétences de base du deuxième degré du domaine des arts plastiques et audiovisuels ou avoir atteint l'âge de douze ans au 31 décembre suivant la rentrée scolaire ;
   2° ne pas être âgé de plus de dix-sept ans au 31 décembre suivant la rentrée scolaire.]1

  Pour être admis au troisième degré pour adultes du domaine arts plastiques et audiovisuels, l'élève doit avoir atteint l'âge de dix-huit ans au 31 décembre suivant la rentrée scolaire.
  
Art. 33. § 1. Om toegelaten te worden tot een studierichting in de vierde graad van de domeinen dans, woordkunst-drama of muziek moet de leerling de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben.
  [1 In afwijking van het eerste lid kan de directeur op advies van de betrokken leerkrachten een leerling die de instrumenttechnische competenties van de derde graad muziek niet volledig verworven heeft toch toelaten tot de vierde graad muziek onder de volgende voorwaarden:
   1° de leerling heeft alle overige competenties verworven;
   2° de leerling volgt een instrumentvak in de derde graad;
   3° de leerling is vrijgesteld voor het instrumentvak in de vierde graad.]1

  § 2. Om toegelaten te worden tot een studierichting van de vierde graad van het domein beeldende en audiovisuele kunsten moet de leerling voldoen aan een van de volgende voorwaarden :
  1° de basiscompetenties van de derde graad van het domein waartoe de studierichting behoort, verworven hebben;
  2° de leeftijd van achttien jaar bereikt hebben op de dag van 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.
  
Art. 33. § 1er. Pour être admis à une orientation d'études dans le quatrième degré des domaines danse, arts de la parole-théâtre ou musique, l'élève doit avoir acquis les compétences de base du troisième degré du domaine auquel l'orientation d'études appartient.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, le directeur peut, sur l'avis des enseignants concernés, admettre au quatrième degré de musique un élève qui n'a pas acquis pleinement les compétences instrumentales du troisième degré de musique aux conditions suivantes :
   1° l'élève a acquis toutes les autres compétences ;
   2° l'élève suit un cours d'instrument dans le troisième degré ;
   3° l'élève est dispensé pour le cours d'instrument dans le quatrième degré.]1

  § 2. Pour être admis à une orientation d'études dans le quatrième degré du domaine arts plastiques et audiovisuels, l'étudiant doit remplir l'une des conditions suivantes :
  1° avoir acquis les compétences de base du troisième degré du domaine auquel l'orientation d'études appartient ;
  2° avoir atteint l'âge de dix-huit ans à la date du 31 décembre suivant le début de l'année scolaire.
  
Art. 34. De Vlaamse Regering bepaalt de manier waarop de leerling kan aantonen dat hij aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29 tot en met 33, voldoet of de basiscompetenties verworven heeft op basis waarvan hij toegang kan verkrijgen tot een bepaalde graad in een bepaald domein of tot een studierichting in de vierde graad.
Art. 34. Le Gouvernement flamand détermine la manière dont l'élève peut démontrer qu'il remplit les conditions d'admission prévues aux articles 29 à 33 ou a acquis les compétences de base lui permettant d'accéder à un certain degré dans un domaine donné ou à une orientation d'études dans le quatrième degré.
Art. 35. Het schoolbestuur bepaalt de minimumleeftijd voor de kortlopende studierichtingen en houdt daarbij rekening met de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29.
  Met behoud van toepassing van de toelatingsvoorwaarden, [1 vermeld in artikel 29 en 33]1, oordeelt de directeur op basis van de door de Vlaamse Regering vastgelegde modaliteiten, vermeld in artikel 34, na advies van de betrokken leerkrachten, of de leerling toegelaten wordt tot een van de kortlopende studierichtingen specialisatie, vermeld in artikel 13, § 1, 2°, 15, § 1, 2°, 17, § 1, 3°, en 19, § 1, 3°, op basis van de motivatie, de competenties en het potentieel van de leerling in relatie tot de finaliteit van de specialisatie, vermeld in artikel 3, 57°, en 21. De directeur motiveert zijn beslissing schriftelijk aan elke leerling.
  
Art. 35. L'autorité scolaire détermine l'âge minimum pour les orientations d'études de courte durée en tenant compte des conditions d'admission prévues à l'article 29.
  Sans préjudice de l'application des conditions d'admission [1 visées aux articles 29 et 33]1, le directeur décide, sur la base des modalités établies par le Gouvernement flamand visées à l'article 34, après avis des enseignants concernés, si l'étudiant est admis à l'une des orientations d'études de courte durée - spécialisation, visées à l'article 13, § 1er, 2°, 15, § 1er, 2°, 17, § 1er, 3°, et 19, § 1er, 3°, en fonction de la motivation, des compétences et du potentiel de l'élève par rapport à la finalité de la spécialisation, telle que visée aux articles 3, 57° et 21. Le directeur motive sa décision par écrit à chaque élève.
  
Art. 36. Het schoolbestuur bepaalt de toelatingsvoorwaarden voor de leeractiviteiten op maat, vermeld in artikel 4, derde lid, en houdt daarbij rekening met de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29.
Art. 36. L'autorité scolaire détermine les conditions d'admission aux activités d'apprentissage sur mesure prévues à l'article 4, alinéa 3, en tenant compte des conditions d'admission prévues à l'article 29.
Afdeling 2. - Rechten en plichten van leerlingen en de betrokken personen
Section 2. - Droits et obligations des élèves et des personnes concernées
Onderafdeling 1. - Inschrijving
Sous-section 1re. - Inscription
Art. 37. § 1. Elke persoon heeft, met behoud van de toepassing van de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29 tot en met 36, recht op inschrijving in de academie en opleiding van zijn keuze, rekening houdend met het aanwezige onderwijsaanbod. Een leerling schrijft zich voor elk leerjaar van de opleiding opnieuw in.
  [1 Als een academie voor een bepaalde opleiding verschillende trajecten aanbiedt, kan de leerling kiezen in welk traject hij de opleiding volgt. Een leerling kan na toestemming van de directeur [2 uiterlijk op de eerste lesdag na de kerstvakantie]2 van traject veranderen. Als de leerling daardoor de globale studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20, overschrijdt, wordt dat beschouwd als een verlenging van het leertraject, vermeld in artikel 62, tweede lid.]1
  [2 Leerlingen die veranderd zijn van traject en op het einde van hun laatste traject daardoor minder lestijden gevolgd hebben dan de globale studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20, kunnen een bijkomend leerjaar volgen. Het voormelde bijkomende leerjaar wordt niet beschouwd als een verlenging van het leertraject.]2
  Een leerling die in een bepaalde opleiding is ingeschreven kan zich niet meer opnieuw inschrijven voor dezelfde opleiding in dezelfde of een andere academie. Een leerling die in een bepaalde opleiding is afgestudeerd, kan zich niet meer opnieuw in dezelfde opleiding inschrijven.
  [1 Een leerling die voor de inwerkingtreding van dit decreet is afgestudeerd in een opleiding van de oude structuur, kan zich niet meer opnieuw inschrijven in de overeenkomstige opleiding van de nieuwe structuur[2 ...]2. De Vlaamse Regering bepaalt de overeenstemming tussen de opleidingen van de oude en de nieuwe structuur.]1
  § 2. Inschrijvingen voor een bepaald schooljaar kunnen ten vroegste starten op de eerste schooldag van maart van het voorafgaande schooljaar. Het schoolbestuur maakt de start van zijn inschrijvingen bekend aan alle belanghebbenden.
  Inschrijvingen kunnen uiterlijk tot 30 september van het lopende schooljaar plaatsvinden.
  § 3. In afwijking van paragraaf 2 kan het schoolbestuur de inschrijvingsperiode voor de leeractiviteiten op maat, vermeld in artikel 4, derde lid, vrij bepalen, als het daarover tijdig alle nodige informatie verstrekt aan de belanghebbenden.
  
Art. 37. § 1er. Sans préjudice de l'application des conditions d'admission visées aux articles 29 à 36, toute personne a le droit de s'inscrire dans l'académie et la formation de son choix, compte tenu de l'offre d'enseignement disponible. Un élève se réinscrit à chaque année d'études de la formation.
  [1 i une académie offre différents parcours pour une formation particulière, l'élève est libre de choisir le parcours de formation. Un élève peut changer de parcours[2 au plus tard le premier jour de classe suivant les vacances de Noël ]2 avec l'autorisation du directeur. Si, en conséquence, l'élève dépasse le volume des études global visé aux articles 12 à 20, ceci est considéré comme un prolongement du parcours d'apprentissage visé à l'article 62, alinéa 2.]1
  [2 Les élèves qui ont changé de parcours et qui, à la fin de leur dernier parcours, ont par conséquent suivi moins de périodes de cours que le volume global des études, visé aux articles 12 à 20, peuvent suivre une année d'études supplémentaire. L'année d'études supplémentaire susmentionnée n'est pas considérée comme une prolongation du parcours d'apprentissage.]2
  Un élève qui est inscrit à une certaine formation ne peut plus se réinscrire à la même formation dans la même académie ou dans une académie différente. Un élève sorti avec un diplôme d'une certaine formation ne peut plus se réinscrire dans la même formation.
  [1 Un élève qui, avant l'entrée en vigueur du présent décret, se voit décerner un diplôme d'une formation de l'ancienne structure, ne peut plus s'inscrire à nouveau dans la formation correspondante de la nouvelle structure[2 ...]2. Le Gouvernement flamand détermine la concordance entre les formations de l'ancienne et de la nouvelle structure.]1
  § 2. Les inscriptions pour une année scolaire déterminée peuvent démarrer au plus tôt le premier jour de classe de mars de l'année scolaire précédente. L'autorité scolaire publie le démarrage des inscriptions à toutes les personnes intéressées.
  Les inscriptions doivent être faites au plus tard le 30 septembre de l'année scolaire en cours.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 2, l'autorité scolaire peut déterminer librement la période d'inscription aux activités d'apprentissage sur mesure visées à l'article 4, alinéa 3, à condition qu'elle fournisse en temps utile aux personnes intéressées toutes les informations nécessaires à ce sujet.
  
Art. 38. De leerlingen worden ingeschreven in de volgorde dat ze zich bij de academie aanmelden en voldoen aan al de volgende voorwaarden :
  [1 [2 zich digitaal of schriftelijk akkoord verklaard hebben]2 met het academiereglement;
   2° [2 zich digitaal of schriftelijk akkoord verklaard hebben]2 met het eigen artistiek-pedagogische project van de academie.]1

  
Art. 38. Les élèves sont inscrits dans l'ordre dans lequel ils se présentent à l'académie et remplissent toutes les conditions suivantes :
  [1 [2 s'être déclaré d'accord numériquement ou par écrit ]2 avec le règlement d'académie ;
   2° [2 s'être déclaré d'accord numériquement ou par écrit ]2 avec le projet artistique et pédagogique de l'académie.]1

  
Art. 39. In afwijking van artikel 38 heeft elke leerling die al les volgt in een academie voorrang op alle nieuwe leerlingen [2 voor het vervolg van de opleiding die hij volgt en de opleiding die erop volgt]2, in diezelfde academie, als hij zich vóór [1 [2 5 juli]2]1 van het voorafgaande schooljaar waarop de inschrijving betrekking heeft, inschrijft.
  
Art. 39. Par dérogation à l'article 38, tout élève qui prend déjà des cours dans une académie a priorité sur tous les nouveaux étudiants [2 pour la suite de la formation qu'il suit et de la formation suivante]2, dans la même académie, s'il s'inscrit avant le [1 [2 5 juillet]2]1 de l'année scolaire précédente à laquelle se rapporte l'inscription.
  
Art. 40. Een schoolbestuur weigert de inschrijving van een persoon als regelmatige leerling als hij niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29 tot en met 36. Een inschrijving in de loop van het voorafgaande schooljaar is mogelijk onder de opschortende voorwaarde dat de persoon op de dag van de effectieve instap aan de toelatingsvoorwaarden voldoet.
Art. 40. Une autorité scolaire refuse d'inscrire une personne comme élève régulier si la personne ne remplit pas les conditions d'admission prévues aux articles 29 à 36. Une inscription dans le courant de l'année scolaire précédente est possible sous la condition suspensive que la personne remplisse les conditions d'admission le jour de l'entrée effective à l'école.
Art. 41. Een schoolbestuur kan de inschrijving van een persoon weigeren als het kan aantonen dat de capaciteit op het niveau van de opleiding waarvoor de regelmatige leerling zich wil inschrijven, ontoereikend is. Er kunnen wachtlijsten worden aangelegd.
  Als de capaciteit overschreden wordt, informeert het schoolbestuur de persoon over mogelijke alternatieven in de eigen of een andere academie.
Art. 41. Une autorité scolaire peut refuser d'inscrire une personne si elle peut démontrer l'insuffisance de capacité au niveau de la formation à laquelle l'élève régulier a l'intention de s'inscrire. Des listes d'attente peuvent être créées.
  Lorsque la capacité d'accueil est dépassée, l'autorité scolaire informera la personne des alternatives possibles dans sa propre académie ou dans une autre académie.
Art. 42. Een schoolbestuur kan de inschrijving weigeren in een academie waar de betrokken leerling het lopende, het vorige of het daaraan voorafgaande schooljaar, conform artikel 50, § 2, definitief werd uitgesloten.
Art. 42. Une autorité scolaire peut refuser l'inscription dans une académie où l'élève concerné fut définitivement exclu pendant l'année scolaire en cours, l'année scolaire précédente ou la pénultième année scolaire, conformément à l'article 50, § 2.
Art. 43. [1 Een schoolbestuur kan de inschrijving van de volgende leerlingen weigeren:
   1А een niet-regelmatige leerling;
   2А een leerling die voor een opleiding in hetzelfde domein al is ingeschreven in een andere academie.]1

  
Art. 43. [1 Une autorité scolaire peut refuser d'inscrire les élèves suivants :
   1° un élève non régulier ;
   2° un élève déjà inscrit à une formation dans le même domaine dans une autre académie.]1

  
Art. 44. Een schoolbestuur kan de inschrijving van een leerling die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3, 24°, weigeren op grond van ontoereikende capaciteit voor de financierbare leerlingen.
  Een schoolbestuur kan een inschrijving in een bijkomende opleiding in hetzelfde domein weigeren op grond van ontoereikende capaciteit voor de financierbare leerlingen.
Art. 44. Une autorité scolaire peut refuser l'inscription d'un élève qui ne remplit pas les conditions prévues à l'article 3, 24°, pour cause d'insuffisance de capacité pour les élèves admissibles au financement.
  Une autorité scolaire peut refuser l'inscription à une formation complémentaire dans le même domaine pour cause d'insuffisance de capacité pour les élèves admissibles au financement.
Art. 45. Het verloop van gerealiseerde en niet-gerealiseerde inschrijvingen en in voorkomend geval de weigeringsgronden kunnen onderworpen worden aan een controle door het Agentschap voor Onderwijsdiensten.
Art. 45. Le déroulement d'inscriptions réalisées et non réalisées, et le cas échéant, les motifs de refus peut être soumis à un contrôle par l'Agentschap voor Onderwijsdiensten.
Art. 46. Een schoolbestuur dat een leerling weigert, deelt zijn beslissing schriftelijk of elektronisch mee binnen een termijn van tien werkdagen. De leerling en de betrokken personen krijgen op hun verzoek toelichting bij de beslissing van het schoolbestuur.
  [1 In afwijking van het eerste lid deelt een schoolbestuur dat de inschrijving van een leerling weigert op grond van artikel 44, tweede lid, zijn beslissing schriftelijk of elektronisch mee ten laatste op 30 september van het schooljaar waarvoor de vraag tot inschrijving geldt.]1
  
Art. 46. Une autorité scolaire qui refuse l'accès à un élève doit communiquer sa décision par écrit ou par voie électronique dans les dix jours ouvrables. A la demande de l'élève et des personnes intéressées, la décision de l'autorité scolaire leur est expliquée.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, une autorité scolaire qui refuse d'inscrire un élève sur la base de l'article 44, alinéa 2, notifie sa décision par écrit ou par voie électronique au plus tard le 30 septembre de l'année scolaire à laquelle la demande d'inscription se rapporte.]1
  
Art. 47. Bij de inschrijving informeert de directeur of zijn afgevaardigde de leerling en de betrokken personen schriftelijk of elektronisch over :
  1° de juridische aard en de samenstelling van het schoolbestuur;
  2° het artistiek-pedagogische project van de academie;
  3° de organisatie van de leeractiviteiten;
  4° het academiereglement, vermeld in artikel 58;
  5° het inschrijvingsgeld en in het bijzonder het recht op verminderd inschrijvingsgeld en de bewijsstukken die daartoe moeten worden voorgelegd en de bijdrage-regeling;
  6° in voorkomend geval het feit dat voor de academie een aanvraag tot voorlopige erkenning bij de bevoegde overheid werd ingediend of een voorlopige erkenning voor een schooljaar van de bevoegde overheid werd verkregen;
  7° in voorkomend geval de samenstelling van de academieraad.
  Het schoolbestuur informeert de leerling of de betrokken personen onmiddellijk tijdens het schooljaar van voorlopige erkenning, vermeld in het eerste lid, 6°, over de beslissing van de bevoegde overheid over de aangevraagde erkenning.
Art. 47. Lors de l'inscription, le directeur ou son représentant informe l'élève et les personnes intéressées par écrit ou par voie électronique sur :
  1° la nature juridique et la composition de l'autorité scolaire ;
  2° le projet artistique et pédagogique de l'académie ;
  3° l'organisation des activités d'apprentissage ;
  4° le règlement de l'académie, visé à l'article 58 ;
  5° les droits d'inscription et, plus particulièrement, le droit aux droits d'inscription réduits et les pièces justificatives qui doivent être présentées à cet effet et le régime de contribution ;
  6° le cas échéant, le fait que pour l'académie une demande d'agrément provisoire a été présentée à l'autorité compétente ou qu'un agrément provisoire pour une année scolaire a été délivré par l'autorité compétente ;
  7° le cas échéant, la composition du conseil d'académie.
  L'autorité scolaire informe sans tarder l'élève ou les personnes intéressées pendant l'année scolaire d'agrément provisoire, visée à l'alinéa 1er, 6°, de la décision de l'autorité compétente sur l'agrément sollicité.
Art. 48. Als een leerling van academie verandert of in meerdere academies les volgt, kunnen de betrokken academies leerlingengegevens overdragen die betrekking hebben op de leerlingspecifieke onderwijsloopbaan, tenzij de leerling of de betrokken personen zich daar expliciet tegen verzetten.
Art. 48. Lorsqu'un élève change d'académie ou prend des cours dans plusieurs académies, les académies concernées peuvent transférer des données portant sur la carrière scolaire spécifique à l'élève, à moins que l'élève ou les personnes intéressées ne s'y opposent explicitement.
Art. 49. Voor iedere leerling houdt de academie de volgende gegevens bij, die ze aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten bezorgt [1 met het oog op het uniek identificeren van de leerlingen, het controleren van de toelatingsvoorwaarden en het toekennen van middelen]1:
  1° de naam, de voornaam en het adres;
  2° de geboortedatum;
  3° de nationaliteit;
  4° de al gevolgde opleidingen in een academie voor deeltijds kunstonderwijs en de resultaten;
  5° de huidige opleiding in het deeltijds kunstonderwijs;
  6° het rijksregisternummer of bisnummer;
  [1 7° de aan- en afwezigheden bij de leeractiviteiten.]1
  De Vlaamse Regering bepaalt de wijze en de data waarop de gegevens, vermeld in het eerste lid, uiterlijk bezorgd moeten zijn.
  Onder bisnummer als vermeld in het eerste lid, 6°, wordt verstaan : het identificatienummer van de sociale zekerheid voor de personen die rechten hebben binnen de Belgische sociale zekerheid, maar niet opgenomen zijn in het Rijksregister.
  [1 Het Agentschap voor Onderwijsdiensten, vermeld in het eerste lid, is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens, vermeld in het eerste lid. De maximale bewaartermijnen voor gegevens als vermeld in het eerste lid die worden bewaard conform artikel 5, lid 1, e), van de algemene verordening gegevensbescherming, worden vastgelegd in beheersregels als vermeld in artikel III.81, § 2, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Bij het bepalen van die bewaartermijnen wordt rekening gehouden met het kunnen garanderen van een vlot leertraject.]1
  
Art. 49. Pour chaque élève, l'académie enregistre les données suivantes, qu'elle transmet à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten [1 en vue de l'identification unique des élèves, du contrôle des conditions d'admission et de l'octroi de moyens]1 :
  1° le nom, le prénom et l'adresse ;
  2° la date de naissance ;
  3° la nationalité ;
  4° les formations déjà suivies dans une académie d'enseignement artistique à temps partiel et les résultats ;
  5° la formation actuelle dans l'enseignement artistique à temps partiel ;
  6° le numéro de registre national ou numéro Bis;
  [1 7° les absences et présences aux activités d'apprentissages.]1
  Le Gouvernement flamand détermine les modalités et les dates auxquelles les données visées à l'alinéa 1er doivent être fournies au plus tard.
  Par numéro Bis tel que mentionné à l'alinéa 1er, 6°, on entend : le numéro d'identification de la sécurité sociale pour les personnes qui ont des droits au sein de la sécurité sociale belge, mais qui ne sont pas inscrites au Registre National.
  [1 L'Agentschap voor Onderwijsdiensten, visée à l'alinéa 1er, est la responsable du traitement des données, visées à l'alinéa 1er. Les délais de conservation maximum des données visées à l'alinéa 1er qui sont conservées conformément à l'article 5, paragraphe 1er, e), du règlement général sur la protection des données, sont définis dans des règles de gestion visées à l'article III.81, § 2, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018. Pour définir ces délais de conservation, il est tenu compte de la garantie d'un bon déroulement du parcours d'apprentissage.]1
  
Onderafdeling 2. - Tijdelijke en definitieve uitsluiting van leerlingen
Sous-section 2. - Exclusion temporaire et définitive des élèves
Art. 50. § 1. De directeur kan in uitzonderlijke gevallen een leerling tijdelijk uitsluiten. Door de tijdelijke uitsluiting wordt de leerling het recht ontnomen om in de loop van het schooljaar de leeractiviteiten werkelijk en regelmatig te volgen gedurende een periode van, naargelang het geval, minimaal een lesdag en maximaal veertien opeenvolgende dagen.
  § 2. Het schoolbestuur kan in uitzonderlijke gevallen een leerling definitief uitsluiten. Een definitieve uitsluiting is een tuchtsanctie die inhoudt dat de gesanctioneerde leerling wordt uitgeschreven. Tegen die beslissing is beroep mogelijk conform het academiereglement, vermeld in artikel 58.
  § 3. In afwachting van een eventuele tijdelijke of definitieve uitsluiting, kan de leerling preventief worden geschorst door het schoolbestuur als bewarende maatregel. Bij preventieve schorsing wordt de leerling het recht ontnomen om in de loop van het schooljaar de leeractiviteiten werkelijk en regelmatig te volgen gedurende een periode van maximaal veertien opeenvolgende dagen.
  Het schoolbestuur kan, op voorwaarde dat een duidelijke motivering aan de leerling en de betrokken personen wordt gegeven, beslissen om de aanvankelijke periode eenmalig met maximaal veertien opeenvolgende dagen te verlengen, indien door externe factoren het tuchtonderzoek niet binnen die eerste periode kan worden afgerond.
  De schorsing kan onmiddellijk uitwerking hebben en de leerling en de betrokken personen worden daar in dat geval van op de hoogte gebracht.
Art. 50. § 1er. Le directeur peut, dans des cas exceptionnels, exclure temporairement un élève. Une telle exclusion temporaire prive l'élève du droit de suivre effectivement et régulièrement les activités d'apprentissage dans l'année scolaire pendant une période d'au moins un jour de cours et au plus 14 jours consécutifs, selon le cas.
  § 2. L'autorité scolaire peut, dans des cas exceptionnels, exclure définitivement un élève. Une exclusion définitive est une sanction disciplinaire qui implique que l'élève sanctionné est désinscrit. Cette décision peut faire l'objet d'un recours conformément au règlement de l'académie visé à l'article 58.
  § 3. Dans l'attente d'une éventuelle exclusion temporaire ou permanente, l'élève peut être suspendu par l'autorité scolaire à titre de mesure conservatoire. Une telle suspension préventive prive l'élève du droit de suivre effectivement et régulièrement les activités d'apprentissage dans l'année scolaire pendant une période d'au maximum 14 jours consécutifs.
  L'autorité scolaire peut décider, sous réserve d'une justification claire donnée à l'élève et aux personnes intéressées, de prolonger une fois la période initiale d'un maximum de 14 jours consécutifs si, en raison de facteurs externes, l'enquête disciplinaire ne peut être achevée dans ce délai initial.
  La suspension peut avoir un effet immédiat, auquel cas l'élève et les personnes intéressées en sont informés.
Art. 51. Tijdelijke en definitieve uitsluitingen kunnen alleen uitgevoerd worden na een procedure die de rechten van verdediging waarborgt en waarin de volgende principes gehanteerd worden :
  1° het voorafgaandelijke advies van de betrokken leerkrachten wordt ingewonnen;
  2° de leerling en de betrokken personen worden schriftelijk of elektronisch op de hoogte gebracht van de intentie om een tuchtmaatregel te nemen;
  3° de leerling en de betrokken personen hebben inzage in het tuchtdossier van de leerling, met inbegrip van het advies van de betrokken leerkrachten, en worden gehoord, daarbij eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon;
  4° de tuchtstraf is in overeenstemming met de ernst van de feiten;
  5° de betrokken leerling en desgevallend de betrokken personen worden schriftelijk of elektronisch op de hoogte gebracht van de genomen beslissing. De academie verwijst in de kennisgeving naar de mogelijkheid tot het instellen van het beroep en neemt de bepalingen op uit het academiereglement, vermeld in artikel 58, die daar betrekking op hebben, in die kennisgeving.
Art. 51. Les exclusions temporaires et définitives ne peuvent être effectuées qu'après une procédure garantissant les droits de la défense et appliquant les principes suivants :
  1° l'avis préalable des enseignants intéressés est sollicité ;
  2° l'élève et les personnes intéressées sont informés, par écrit ou par voie électronique, de l'intention d'imposer une mesure disciplinaire ;
  3° l'élève et les personnes intéressées ont accès au dossier disciplinaire de l'élève, y compris l'avis des enseignants concernés, et sont entendus, et assistés, si besoin, d'une personne de confiance ;
  4° la sanction disciplinaire est proportionnelle à la gravité des faits ;
  5° l'élève concerné et, le cas échéant, les personnes intéressées sont informés de la décision prise soit par écrit, soit par voie électronique ; Dans la notification, l'académie fait référence à la possibilité de recours et reprend les dispositions du règlement de l'académie visées à l'article 58 qui s'y rapportent.
Afdeling 3. - Leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften
Section 3. - Elèves à besoins éducatifs spécifiques
Art. 52. [3 Een leerling kan een individueel aangepast curriculum volgen als de directeur en de betrokken leerkrachten na overleg met de leerling en de betrokken personen motiveren dat de leerling ondanks redelijke aanpassingen onvoldoende leerwinst kan boeken in het gemeenschappelijke curriculum, als de leerling voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
   1° beschikken over een [4 IAC-verslag]4 als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
   2° beschikken over een [4 IAC-verslag]4 als vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs;
   3° erkend zijn als persoon met een handicap met toepassing van een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving;
   4° een medisch attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de leerling een aandoening heeft die de leerling verhindert om alle leeractiviteiten in het lessenrooster te volgen. Het attest is ondertekend door een arts, psycholoog of lid van een multidisciplinair team dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.]3

  Een leerling met een individueel aangepast curriculum kan afwijken van een of meer van de volgende bepalingen :
  1° de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20;
  2° de [1 bepalingen]1 over de [2 onderwijsdoelen]2 en de leerplannen, vermeld in artikel 5 en 8;
  3° de bepalingen over de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29, [1 paragraaf 2 en 3 en artikel 30]1, tot en met 36;
  4° de bepalingen over de evaluatie en de studiebekrachtiging, vermeld in artikel 59 tot en met 62.
  De directeur en de betrokken leerkrachten ontwikkelen het individueel aangepast curriculum in samenspraak met de leerling en de betrokken personen, bewaken de ontwikkelingsgerichtheid en nemen de nodige pedagogische, didactische en organisatorische maatregelen. De directeur en betrokken leerkrachten kunnen een beroep doen op externe deskundigen of op de pedagogische begeleidingsdienst.
  Een individueel aangepast curriculum duurt maximaal een leerjaar langer dan de graad waarin de leerling is ingeschreven. De leerling kan het leertraject niet verlengen. Bij het beëindigen van de graad reikt de academie aan de leerling een leerbewijs uit.
  [3 De onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten kunnen het individueel aangepast curriculum op elk moment inkijken in de academie. De coëfficiënten, vermeld in artikel 67, § 3, eerste en tweede lid, zijn van toepassing als de academie het individueel aangepast curriculum niet kan voorleggen en de leerling een lessenrooster volgt dat afwijkt van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20.]3
  
Art. 52. [3 Un élève peut suivre un programme adapté individuellement si le directeur et les enseignants concernés, après concertation avec l'élève et les personnes concernées, motivent l'incapacité de l'élève à réaliser des gains d'apprentissage suffisants dans le programme d'études commun en dépit d'aménagements raisonnables, si l'élève remplit l'une des conditions suivantes :
   1° être en possession d'un [4 rapport IAC]4 tel que visé à l'article 15 du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 ;
   2° être en possession d'un [4 rapport IAC]4 tel que visé à l'article 294 du Code de l'enseignement secondaire ;
   3° avoir été reconnu comme personne handicapée en application d'une législation flamande, d'une autre législation belge ou d'une législation étrangère ;
   4° être en mesure de présenter un certificat médical dont il ressort que l'élève est atteint d'une affection qui l'empêche de suivre toutes les activités d'apprentissage prévues dans l'horaire des cours. Le certificat est signé par un médecin, un psychologue ou un membre de l'équipe multidisciplinaire agréé par l'Agence flamande pour les Personnes handicapées (Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap).]3

  Un élève avec un programme adapté individuellement, peut déroger à une ou plusieurs des dispositions suivantes :
  1° les dispositions relatives au volume des études, visées aux articles 12 à 20 ;
  2° les dispositions relatives aux [2 objectifs pédagogiques]2 et programmes d'études, visées aux articles 5 et 8 ;
  3° les dispositions relatives aux conditions d'admission, visées aux articles 29, [1 paragraphes 2 et 3, et 30]1, à 36 ;
  4° les dispositions relatives à l'évaluation et la validation des études, visées aux articles 59 à 62.
  Le directeur et les enseignants concernés développent le programme adapté individuellement en concertation avec l'élève et les personnes intéressées, veillent à ce que ce programme soit axé sur le développement de l'élève et prennent les mesures pédagogiques, didactiques et organisationnelles nécessaires. Le directeur et les enseignants concernés peuvent faire appel à des experts externes ou au service d'accompagnement pédagogique.
  Un programme adapté individuellement dure au maximum une année d'études de plus que le degré concerné auquel l'élève est inscrit. L'élève ne peut pas prolonger le parcours d'apprentissage. Lors que l'élève achève le degré, l'académie délivre une attestation d'apprentissage à l'élève.
  [3 L'Inspection de l'Enseignement et l'Agence de Services d'Enseignement peuvent consulter à tout moment le programme adapté individuellement auprès de l'académie. Les coefficients visés à l'article 67, § 3, alinéas 1er et 2, s'appliquent si l'académie n'est pas en mesure de présenter le programme adapté individuellement et l'élève suit un horaire qui déroge aux dispositions relatives au volume des études énoncées aux articles 12 à 20.]3
  
Art. 52 TOEKOMSTIG RECHT.    [3 Een leerling kan een individueel aangepast curriculum volgen als de directeur en de betrokken leerkrachten na overleg met de leerling en de betrokken personen motiveren dat de leerling ondanks redelijke aanpassingen onvoldoende leerwinst kan boeken in het gemeenschappelijke curriculum, als de leerling voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
   1° beschikken over een [4 IAC-verslag]4 als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
   2° beschikken over een [4 IAC-verslag]4 als vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs [5 van 17 december 2010 of beschikken over een OV4-verslag als vermeld in artikel 294, § 2, 2°, van de voormelde codex]5;
   3° erkend zijn als persoon met een handicap met toepassing van een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving;
   4° een medisch attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de leerling een aandoening heeft die de leerling verhindert om alle leeractiviteiten in het lessenrooster te volgen. Het attest is ondertekend door een arts, psycholoog of lid van een multidisciplinair team dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.]3

  Een leerling met een individueel aangepast curriculum kan afwijken van een of meer van de volgende bepalingen :
  1° de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20;
  2° de [1 bepalingen]1 over de [2 onderwijsdoelen]2 en de leerplannen, vermeld in artikel 5 en 8;
  3° de bepalingen over de toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel 29, [1 paragraaf 2 en 3 en artikel 30]1, tot en met 36;
  4° de bepalingen over de evaluatie en de studiebekrachtiging, vermeld in artikel 59 tot en met 62.
  De directeur en de betrokken leerkrachten ontwikkelen het individueel aangepast curriculum in samenspraak met de leerling en de betrokken personen, bewaken de ontwikkelingsgerichtheid en nemen de nodige pedagogische, didactische en organisatorische maatregelen. De directeur en betrokken leerkrachten kunnen een beroep doen op externe deskundigen of op de pedagogische begeleidingsdienst.
  Een individueel aangepast curriculum duurt maximaal een leerjaar langer dan de graad [5 of de kortlopende studierichting]5 waarin de leerling is ingeschreven. De leerling kan het leertraject niet verlengen. Bij het beëindigen van de graad [5 of de kortlopende studierichting]5 reikt de academie aan de leerling een leerbewijs uit.
  [3 De onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten kunnen het individueel aangepast curriculum op elk moment inkijken in de academie. De coëfficiënten, vermeld in artikel 67, § 3, eerste en tweede lid, zijn van toepassing als de academie het individueel aangepast curriculum niet kan voorleggen en de leerling een lessenrooster volgt dat afwijkt van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20.]3
Art.52 DROIT FUTUR.
   [3 Un élève peut suivre un programme adapté individuellement si le directeur et les enseignants concernés, après concertation avec l'élève et les personnes concernées, motivent l'incapacité de l'élève à réaliser des gains d'apprentissage suffisants dans le programme d'études commun en dépit d'aménagements raisonnables, si l'élève remplit l'une des conditions suivantes :
   1° être en possession d'un [4 rapport IAC]4 tel que visé à l'article 15 du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 ;
   2° être en possession d'un [4 rapport IAC]4 tel que visé à l'article 294 du Code de l'enseignement secondaire [5 du 17 décembre 2010 ou être en possession d'un rapport OV4 tel que visé à l'article 294, § 2, 2°, du Code précité]5;
   3° avoir été reconnu comme personne handicapée en application d'une législation flamande, d'une autre législation belge ou d'une législation étrangère ;
   4° être en mesure de présenter un certificat médical dont il ressort que l'élève est atteint d'une affection qui l'empêche de suivre toutes les activités d'apprentissage prévues dans l'horaire des cours. Le certificat est signé par un médecin, un psychologue ou un membre de l'équipe multidisciplinaire agréé par l'Agence flamande pour les Personnes handicapées (Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap).]3

  Un élève avec un programme adapté individuellement, peut déroger à une ou plusieurs des dispositions suivantes :
  1° les dispositions relatives au volume des études, visées aux articles 12 à 20 ;
  2° les dispositions relatives aux [2 objectifs pédagogiques]2 et programmes d'études, visées aux articles 5 et 8 ;
  3° les dispositions relatives aux conditions d'admission, visées aux articles 29, [1 paragraphes 2 et 3, et 30]1, à 36 ;
  4° les dispositions relatives à l'évaluation et la validation des études, visées aux articles 59 à 62.
  Le directeur et les enseignants concernés développent le programme adapté individuellement en concertation avec l'élève et les personnes intéressées, veillent à ce que ce programme soit axé sur le développement de l'élève et prennent les mesures pédagogiques, didactiques et organisationnelles nécessaires. Le directeur et les enseignants concernés peuvent faire appel à des experts externes ou au service d'accompagnement pédagogique.
  Un programme adapté individuellement dure au maximum une année d'études de plus que le degré concerné [5 ou que l'orientation d'études de courte durée]5 auquel l'élève est inscrit. L'élève ne peut pas prolonger le parcours d'apprentissage. Lorsque l'élève achève le degré [5 ou que l'orientation d'études de courte durée]5, l'académie délivre une attestation d'apprentissage à l'élève.
  [3 L'Inspection de l'Enseignement et l'Agence de Services d'Enseignement peuvent consulter à tout moment le programme adapté individuellement auprès de l'académie. Les coefficients visés à l'article 67, § 3, alinéas 1er et 2, s'appliquent si l'académie n'est pas en mesure de présenter le programme adapté individuellement et l'élève suit un horaire qui déroge aux dispositions relatives au volume des études énoncées aux articles 12 à 20.]3
Art. 53. [1 Een leerling kan na overleg met de directeur en de betrokken leerkrachten, binnen het gemeenschappelijke curriculum afwijken van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20 en de bepalingen over de evaluaties, vermeld in artikel 61 en 62, als de leerling voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
   1° beschikken over een [2 GC-verslag]2 als vermeld in artikel 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
   2° [2 beschikken over een GC-verslag als vermeld in artikel 352 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010 of over een OV-4 verslag als vermeld in artikel 294, Ї 2, 2А, van de voormelde codex;]2;
   3° erkend zijn als persoon met een handicap met toepassing van een Vlaamse, een andere Belgische of buitenlandse wetgeving;
   4° een medisch attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de leerling een aandoening heeft die de leerling verhindert om alle leeractiviteiten in het lessenrooster te volgen. Het attest is ondertekend door een arts, psycholoog of lid van een multidisciplinair team dat erkend is door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.]1

  [2 5А beschikken over een IAC-verslag als vermeld in artikel 15 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
   6А beschikken over een IAC-verslag als vermeld in artikel 294 van de Codex Secundair Onderwijs.]2

  In het eerste lid wordt onder gemeenschappelijk curriculum verstaan de goedgekeurde leerplannen die ten minste herkenbaar de doelen bevatten die noodzakelijk zijn om de basiscompetenties, de beroepskwalificaties of de specifieke eindtermen te bereiken.
  [1 De directeur en de leerkrachten motiveren de afwijkingen in relatie tot de leerwinst met het oog op het behalen van het leerbewijs, het bewijs van competenties of bewijs van beroepskwalificatie. De onderwijsinspectie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten kunnen het motivatiedossier op elk moment inkijken in de academie. De coëfficiënten, vermeld in artikel 67, § 3, eerste en tweede lid, zijn van toepassing als de academie het motivatiedossier niet kan voorleggen en de leerling een lessenrooster volgt dat afwijkt van de bepalingen over de studieomvang, vermeld in artikel 12 tot en met 20.]1
  
Art. 53. [1 Après concertation avec le directeur et les enseignants concernés, un élève peut déroger, au sein du programme d'études commun, aux dispositions relatives au volume des études énoncées aux articles 12 à 20 et aux dispositions relatives aux évaluations énoncées aux articles 61 et 62, si l'élève remplit l'une des conditions suivantes :
   1° être en possession d'un [2 rapport GC ]2 tel que visé à l'article 16 du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 ;
   2° [2 disposer d'un rapport GC tel que visé à l'article 352 du Code de l'enseignement secondaire du 17 décembre 2010 ou d'un rapport OV4 tel que visé à l'article 294, § 2, 2° du même Code ;]2 ;
   3° avoir été reconnu comme personne handicapée en application d'une législation flamande, d'une autre législation belge ou d'une législation étrangère ;
   4° être en mesure de présenter un certificat médical dont il ressort que l'élève est atteint d'une affection qui l'empêche de suivre toutes les activités d'apprentissage prévues dans l'horaire des cours. Le certificat est signé par un médecin, un psychologue ou un membre de l'équipe multidisciplinaire agréé par l'Agence flamande pour les Personnes handicapées (Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap).]1

  [2 5° être en possession d'un rapport IAC tel que visé à l'article 15 du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 ;
   6° être en possession d'un rapport IAC tel que visé à l'article 294 du Code de l'enseignement secondaire.]2

  Dans l'alinéa 1er, il faut entendre par programme d'études commun, les programmes d'études approuvés comprenant au moins de manière reconnaissable les objectifs nécessaires pour atteindre les compétences de base, les qualifications professionnelles et les objectifs finaux spécifiques.
  [1 Le directeur et les enseignants motivent les dérogations par rapport au gain d'apprentissage en vue de l'obtention de la certification d'apprentissage, de la certification des compétences et de la certification professionnelle. L'Inspection de l'Enseignement et l'Agence de Services d'Enseignement peuvent consulter à tout moment le dossier de motivation auprès de l'académie. Les coefficients visés à l'article 67, § 3, alinéas 1er et 2, s'appliquent si l'académie n'est pas en mesure de présenter le dossier de motivation et l'élève suit un horaire qui déroge aux dispositions relatives au volume des études énoncées aux articles 12 à 20.]1
  
Afdeling 4. - Les volgen in het deeltijds kunstonderwijs
Section 4. - Suivre des cours dans l'enseignement artistique à temps partiel
Art. 54. Een regelmatige leerling [1 ...]1 is verplicht deel te nemen aan alle leeractiviteiten en zich te engageren om de vooropgestelde [2 onderwijsdoelen]2 te realiseren, behalve in geval van [3 ...]3 gewettigde afwezigheid of behalve in geval van vrijstelling van een vak.
  [4 Een leerling die gedurende drie opeenvolgende weken aan geen enkele leeractiviteit heeft deelgenomen, zonder gewettigd afwezig te zijn, is niet langer regelmatig en wordt beschouwd als uitgeschreven, tenzij hij één of meer van die afwezigheden wettigt binnen de maand na de derde week afwezigheid.]4
  [3 De Vlaamse Regering bepaalt de redenen voor gewettigde afwezigheid.]3
  De academie is vrij om de indeling in klasgroepen te bepalen van de leerlingen die een bepaald vak volgen. Daarbij houdt zij rekening met de leeftijdsgebonden cognitieve en psychosociale ontwikkeling van kinderen, jongeren en volwassenen.
  
Art. 54. L'élève régulier [1 ...]1 est tenu de participer à toutes les activités d'apprentissage et de s'engager à atteindre les [2 objectifs pédagogiques]2 fixés, sauf en cas d'absence justifiée [3 ...]3 ou sauf en cas de dispense d'un cours.
  [4 Un élève qui n'a participé à aucune activité d'apprentissage pendant trois semaines consécutives sans motif d'absence légitime n'est plus un élève régulier et est considéré comme désinscrit, sauf s'il justifie une ou plusieurs de ces absences dans le mois qui suit la troisième semaine d'absence.]4
  [3 Le Gouvernement flamand détermine les motifs d'absence justifiée.]3
  L'académie est libre de déterminer la répartition des élèves en groupes de classe en fonction d'un cours particulier. Ce faisant, elle tient compte du développement cognitif et psychosocial lié à l'âge des enfants, des jeunes et des adultes.
  
Art. 55. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder een leerling zijn opleiding kan spreiden over verschillende academies.
Art. 55. Le Gouvernement flamand détermine les conditions dans lesquelles un élève peut répartir sa formation sur différentes académies.
Art. 56. De Vlaamse Regering legt de procedures vast waardoor een leerling, die al vereiste competenties verworven heeft, recht heeft op een vrijstelling voor een vak.
Art. 56. Le Gouvernement flamand fixe les procédures selon lesquelles un élève ayant déjà acquis des compétences requises a droit à une dispense pour un cours.
Art. 57. § 1. Een leerling kan na overleg met directeur en betrokken leerkrachten een vak waarin kennis, vaardigheden of attitudes geïntegreerd verworven worden, geheel of gedeeltelijk vervangen door leeractiviteiten in een [1 kwaliteitsvolle]1 alternatieve leer-context die relevant is voor het verwerven van de basiscompetenties, specifieke eindtermen of het behalen van de beroepskwalificatie, [1 ...]1:
  1° [1 ...]1;
  2° [1 ...]1;
  3° de leeractiviteiten in de alternatieve leercontext vinden plaats in een gebouw dat voldoet aan de normen inzake bewoonbaarheid, veiligheid en hygiëne.
  [1 De Vlaamse Regering legt criteria op om de kwaliteit van de alternatieve leercontext, vermeld in het eerste lid, te waarborgen.
   De academie verzekert in samenspraak met alle betrokkenen de opvolging van het leerproces. Dit gebeurt met toepassing van de reglementering over overleg en onderhandeling zoals bepaald in het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, het besluit van de Vlaamse Regering van 28 augustus 2000 houdende oprichting en samenstelling van de lokale comités voor de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs]1
.
  De academie evalueert de leerling en neemt daarvoor de nodige maatregelen.
  Opleidings- en vormingsactiviteiten van andere private of publieke opleidingsverstrekkers komen niet in aanmerking.
  De academie informeert de leerlingen over de mogelijkheid om les te volgen in een alternatieve leercontext.
  
Art. 57. § 1er. Après consultation du directeur et des enseignants concernés, un élève peut remplacer un cours dans lequel des connaissances, des aptitudes ou des attitudes, sont acquises de façon intégrée, en tout ou en partie, par des activités d'apprentissage dans un contexte d'apprentissage [1 de qualité]1 alternatif pertinent pour acquérir des compétences de base, des objectifs finaux spécifiques ou obtenir la qualification professionnelle [1 ...]1:
  1° [1 ...]1 ;
  2° [1 ...]1 ;
  3° [1 ...]1.
  [1 Le Gouvernement flamand impose des critères afin de garantir la qualité du contexte d'apprentissage alternatif figurant à l'alinéa 1er.
   L'académie assure, en concertation avec toutes les parties concernées, le suivi du processus d'apprentissage. Cela se fait en application de la réglementation en matière de concertation et de négociation telle que prévue par l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 août 2000 créant et composant les comités locaux pour les personnels de l'enseignement communautaire et le décret du 5 avril 1995 portant création de comités de négociation dans l'enseignement libre subventionné]1
.
  L'académie évalue l'élève et prend toutes les mesures nécessaires à cet effet.
  Des activités d'enseignement et de formation d'autres dispensateurs de formation privés ou publics ne sont pas prises en considération.
  L'académie informe les élèves sur la possibilité de suivre des cours dans un contexte d'apprentissage alternatif.
  
Art. 57/1. [1 De leeractiviteiten worden georganiseerd via contactonderwijs waarbij de leerling en de leerkracht zich in dezelfde fysieke leeromgeving bevinden.
   In afwijking van het eerste lid kan een academie voor een klasgroep van een vak van een opleiding in de tweede graad muziek voor volwassenen, de derde of vierde graad van een langlopende studierichting of een kortlopende studierichting een gedeelte van de leeractiviteiten via interactief afstandsonderwijs organiseren als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de academie maakt een analyse van de beginsituatie, met minstens aandacht voor de beschikbaarheid en kennis van de benodigde ICT-materialen en -competenties, voor de leerling en de leerkracht;
   2° bij de inschrijving informeert de academie de leerling en de betrokken personen over het interactieve afstandsonderwijs;
   3° de academie beschikt over een jaarplanning die blijk geeft van een pedagogisch onderbouwd evenwicht tussen leeractiviteiten via contactonderwijs in de academie en interactief afstandsonderwijs. De jaarplanning wordt op de eerste lesdag van het schooljaar aan de leerlingen in kwestie bezorgd;
   4° de participatiekansen van de leerlingen worden gewaarborgd. De leerling krijgt altijd de mogelijkheid om het interactieve afstandsonderwijs in een vestigingsplaats van de academie te volgen.
   Interactief afstandsonderwijs als vermeld in het tweede lid bestaat uit leeractiviteiten die via digitale media plaatsonafhankelijk worden georganiseerd waarbij er synchrone interactie is tussen de leerling en de leerkracht, tijdens de openingsuren van de academie en met behoud van de toepassing van artikel 64.
   De academie bepaalt op basis van haar artistiek-pedagogische visie de verhouding tussen leeractiviteiten die via interactief afstandsonderwijs plaatsvinden en contactonderwijs dat fysiek in de academie plaatsvindt. De keuze om een vak volledig via interactief afstandsonderwijs te organiseren is daarbij uitgesloten.
   Een academie kan voor een individuele leerling die om een gewettigde reden afwezig was, een remediërende leeractiviteit organiseren via interactief afstandsonderwijs.
   § 2. Als de academie interactief afstandsonderwijs als vermeld in § 1, tweede lid, organiseert, worden enkel persoonsgegevens geregistreerd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen van synchrone interactie tussen de leerkracht en leerlingen via digitale media met het oog op het verstrekken van onderwijs en zodoende een taak van algemeen belang te vervullen als vermeld in artikel 6, lid 1, e), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). De persoonsgegevens betreffen de naam en voornaam van de betrokken leerkracht en leerlingen, het e-mailadres dat zij hebben doorgegeven om in een beveiligde online-omgeving een account te creëren en de communicatie tijdens de interactie.
   Het schoolbestuur is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid. Het schoolbestuur waakt erover dat de persoonsgegevens juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd. Het schoolbestuur informeert de leerling of zijn ouders over de verwerking van hun persoonsgegevens, zodat het voor hen duidelijk is wat hun rechten zijn en tot wie zij zich moeten richten voor de uitoefening van hun rechten.
   Het schoolbestuur bepaalt welke personeelsleden toegang kunnen hebben tot de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid. Het schoolbestuur en alle personeelsleden die toegang hebben tot de voormelde persoonsgegevens zijn gehouden tot het bewaren van de vertrouwelijkheid van deze persoonsgegevens.
   Het schoolbestuur neemt gepaste technische en organisatorische maatregelen om de geregistreerde gegevens, vermeld in het eerste lid, te beveiligen. Via het academiereglement en het arbeidsreglement neemt het schoolbestuur maatregelen om het opnemen en verspreiden van de leeractiviteiten die via interactief afstandsonderwijs op grond van dit decreet georganiseerd worden, aan banden te leggen.
   De geregistreerde gegevens, vermeld in het eerste lid, worden bewaard gedurende het schooljaar waarvoor de leerling ingeschreven is. Na afloop van deze bewaartermijn worden de voormelde gegevens vernietigd. ]1

  
Art.57/1.[1 § 1er. Les activités d'apprentissage sont organisées par le biais de l'enseignement en présentiel, où l'élève et l'enseignant se trouvent dans le même environnement physique d'apprentissage.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, une académie peut organiser une partie des activités d'apprentissage par le biais de l'enseignement interactif à distance pour un groupe de classe d'un cours d'une formation du deuxième degré de musique pour adultes, du troisième ou du quatrième degré d'une orientation d'études de longue durée ou d'une orientation d'études de courte durée, si les conditions suivantes sont remplies :
   1° l'académie procède à une analyse de la situation initiale, en prêtant attention au moins à la disponibilité et à la connaissance des matériels et des compétences nécessaires en matière de TIC, pour l'élève et l'enseignant ;
   2° lors de l'inscription, l'académie informe l'élève et les personnes concernées sur l'enseignement interactif à distance ;
   3° l'académie dispose d'une planification annuelle qui démontre un équilibre pédagogique entre les activités d'apprentissage par le biais de l'enseignement en présentiel dans l'académie et l'enseignement interactif à distance. La planification annuelle est remise aux élèves concernés le premier jour de classe de l'année scolaire ;
   4° les possibilités de participation des élèves sont garanties. L'élève a toujours la possibilité de suivre l'enseignement interactif à distance dans une implantation de l'académie.
   L'enseignement interactif à distance, tel que visé à l'alinéa 2, consiste en des activités d'apprentissage organisées via des médias numériques, indépendamment du lieu, où il y a une interaction synchrone entre l'élève et l'enseignant, pendant les heures d'ouverture de l'académie et sans préjudice de l'application de l'article 64.
   Sur la base de sa vision artistico-pédagogique, l'académie détermine le rapport entre les activités d'apprentissage qui se déroulent par le biais de l'enseignement interactif à distance et l'enseignement en présentiel qui se déroule physiquement dans l'académie. Cela exclut le choix d'organiser un cours entièrement par le biais de l'enseignement interactif à distance.
   Une académie peut organiser une activité d'apprentissage de remédiation par le biais de l'enseignement interactif à distance pour un élève individuel qui était absent pour une raison légitime.
   § 2. Si l'académie organise un enseignement interactif à distance tel que visé au § 1er, alinéa 2, seules les données à caractère personnel sont enregistrées qui sont nécessaires à l'établissement d'une interaction synchrone entre l'enseignant et les élèves via des médias numériques dans le but de dispenser un enseignement et de remplir ainsi une mission d'intérêt général telle que visée à l'article 6, paragraphe 1, e) du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données). Les données à caractère personnel comprennent le nom et le prénom de l'enseignant et des élèves concernés, l'adresse e-mail qu'ils ont fournie pour créer un compte dans un environnement en ligne sécurisé, et les communications au cours de l'interaction.
   L'autorité scolaire est le responsable du traitement à l'égard des données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er. L'autorité scolaire veille à ce que les données à caractère personnel soient correctes et mises à jour si nécessaire. L'autorité scolaire informe l'élève ou ses parents du traitement de leurs données à caractère personnel, afin qu'ils sachent clairement quels sont leurs droits et à qui ils doivent s'adresser pour les exercer.
   L'autorité scolaire détermine quels membres du personnel peuvent avoir accès aux données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er. L'autorité scolaire et tous les membres du personnel ayant accès aux données à caractère personnel précitées sont tenus de préserver la confidentialité de ces données à caractère personnel.
   L'autorité scolaire prend les mesures techniques et organisationnelles appropriées pour sécuriser les données enregistrées, visées à l'alinéa 1er. Par le biais du règlement de l'académie et du règlement de travail, l'autorité scolaire prend des mesures pour limiter l'enregistrement et la diffusion des activités d'apprentissage organisées par le biais de l'enseignement interactif à distance en vertu du présent décret.
   Les données enregistrées, visées à l'alinéa 1er, sont conservées pendant l'année scolaire pour laquelle l'élève est inscrit. Une fois ce délai de conservation écoulé, les données doivent être détruites.]1

  
Art. 57/2. [1 Een academie die interactief afstandsonderwijs als vermeld in artikel 57/1, § 1, tweede lid, organiseert, neemt de volgende elementen op in haar academiereglement, vermeld in artikel 58:
   1° de vakken die in interactief afstandsonderwijs worden georganiseerd;
   2° de vermelding of de leerstofonderdelen die via interactief afstandsonderwijs worden aangeboden, geëvalueerd worden;
   3° de mogelijkheid om het interactieve afstandsonderwijs in een vestigingsplaats van de academie te volgen. ]1

  
Art.57/2.[1 Une académie qui organise un enseignement interactif à distance tel que visé à l'article 57/1, § 1er, alinéa 2, inclut les éléments suivants dans son règlement d'académie, mentionné à l'article 58 :
   1° les cours organisés sous forme d'enseignement interactif à distance ;
   2° une indication de l'évaluation ou non des éléments du programme d'études offerts par le biais de l'enseignement interactif à distance ;
   3° la possibilité de suivre l'enseignement interactif à distance dans une implantation de l'académie. ]1

  
Art. 57/3. [1 Als een academie interactief afstandsonderwijs organiseert als vermeld in artikel 57/1, § 1, tweede lid, wordt de wijze waarop personeelsleden worden ingezet, vastgelegd in het arbeidsreglement. ]1
  
Art.57/3. [1 Si une académie organise l'enseignement interactif à distance tel que visé à l'article 57/1, § 1er, alinéa 2, la manière dont les membres du personnel sont déployés est fixée dans le règlement de travail. ]1
  
Art. 57/4. [1 Met het oog op een mogelijke bijsturing wordt het interactief afstandsonderwijs als vermeld in artikel 57/1, § 1, tweede lid, in het deeltijds kunstonderwijs in het schooljaar 2027-2028 geëvalueerd. ]1
  
Art.57/4.[1 En vue d'un éventuel ajustement, l'enseignement interactif à distance tel que visé à l'article 57/1, § 1er, alinéa 2, dans l'enseignement artistique à temps partiel sera évalué au cours de l'année scolaire 2027-2028. ]1
  
Art. 58. Een schoolbestuur stelt voor elk van zijn academies een academiereglement op.[2 Bij elke wijziging van het academiereglement informeert het schoolbestuur de leerlingen en de betrokken personen schriftelijk of via een elektronische drager over die wijziging. Het schoolbestuur geeft toelichting over de wijziging als de leerlingen en de betrokken personen dat willen. De leerlingen of betrokken personen verklaren zich daarna opnieuw digitaal of schriftelijk akkoord.]2
  Het academiereglement bevat de volgende elementen :
  1° het reglement over de tucht en de schending van de leefregels van de leerlingen, met inbegrip van een tijdelijke of een definitieve uitsluiting, en over de beroepsprocedure, vermeld in artikel 50 en 51, met inbegrip van het hanteren van redelijke en haalbare termijnen;
  2° de procedure die bepaalt hoe een bewijs van competenties, een bewijs van beroepskwalificatie of een leerbewijs deeltijds kunstonderwijs worden toegekend;
  3° richtlijnen over afwezigheden en te laat komen;
  4° afspraken in verband met de zelfstudie buiten de lessen, de agenda's en de leerlingenevaluatie, vermeld in artikel 60 en 61;
  5° geldelijke en niet-geldelijke ondersteuning die niet afkomstig is van de Vlaamse overheid en de rechtspersonen die daaronder ressorteren;
  6° de bijdrageregeling, vermeld in artikel 95 en 96;
  7° de engagementsverklaring tussen de academie en de leerling of de -betrokken personen waarin wederzijdse afspraken worden opgenomen over ouder-contact, voldoende aanwezigheden en vormen van individuele leerlingenbegeleiding;
  8° de afspraken over het rookverbod, vermeld in artikel 4 tot en met 8 van het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, de controle op de naleving ervan en de sancties die opgelegd kunnen worden bij overtreding van het rookverbod;
  9° de wijze waarop in voorkomend geval de academieraad wordt samengesteld;
  10° het recht op inzage door de leerling of de betrokken personen en hun recht op toelichting bij de gegevens die op de leerling betrekking hebben, waaronder de evaluatiegegevens, die de academie verzamelt. Als de academie een vergoeding vraagt voor het maken van een kopie als vermeld in het derde lid, is die voorzien in de bijdrageregeling van het academiereglement;
  11° informatie over extramurosactiviteiten;
  12° de vermelding dat bij verandering van academie leerlingengegevens worden overgedragen naar de nieuwe academie tenzij daar door de leerling of de betrokken personen expliciet verzet tegen wordt gepleegd nadat ze op hun verzoek die gegevens hebben ingezien;
  13° [3 de procedure van de kwaliteitstoets met betrekking tot de relevante alternatieve leercontext]3;
  [1 14° de uiterste datum waarop de leerling het inschrijvingsgeld betaalt conform artikel 90 en in voorkomend geval de mogelijkheden tot gespreide betaling[2 , de uitschrijvingsregeling en de terugbetaling van het inschrijvingsgeld bij uitschrijving conform artikel 90 van dit decreet]2.]1
  Als na de toelichting, vermeld in het tweede lid, 10°, blijkt dat de leerling of de betrokken personen een kopie van de leerlingengegevens willen, hebben ze kopierecht. Iedere kopie moet persoonlijk en vertrouwelijk behandeld worden, mag niet verspreid worden noch publiek gemaakt worden en mag alleen gebruikt worden in het kader van de leerloopbaan van de leerling. Als bepaalde gegevens ook een derde betreffen en volledige inzage in de gegevens door de leerling of de betrokken personen afbreuk zou doen aan het recht van de derde op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, wordt de toegang tot die gegevens verstrekt via een gesprek, gedeeltelijke inzage of rapportage.
  
Art. 58. Une académie rédige pour chacune de ses académies un règlement d'académie.[2 L'autorité scolaire informe les élèves et les personnes concernées par écrit ou par voie électronique de toute modification du règlement académique. L'autorité scolaire leur fournit des explications à ce sujet s'ils le souhaitent. Les élèves ou les personnes concernées se déclarent ensuite à nouveau d'accord numériquement ou par écrit.]2
  Le règlement de l'académie comprend les éléments suivants :
  1° le règlement régissant la procédure disciplinaire et la transgression des règles de vie des élèves, y compris une exclusion temporaire ou définitive et régissant la procédure de recours telle que visée aux articles 50 et 51, y compris la mise en place de délais raisonnables et réalisables ;
  2° la procédure régissant la délivrance d'une l'attestation de compétences, d'une attestation de qualification professionnelle ou d'une attestation d'apprentissage de l'enseignement artistique à temps partiel ;
  3° les directives sur les absences et les arrivées tardives ;
  4° les accords relatifs à l'auto-apprentissage en dehors des cours, les agendas et l'évaluation de l'élève, tels que visés aux articles 60 et 61 ;
  5° le soutien financier et non financier qui ne provient pas de l'Autorité flamande et des personnes morales relevant de sa compétence ;
  6° le régime de contribution visé aux articles 95 et 96;
  7° la déclaration d'engagement entre l'académie et l'élève ou les personnes intéressées, dans laquelle des accords mutuels sont formulés au sujet des contacts parents, de la fréquentation suffisante et des formes d'accompagnement individuel de l'élève ;
  8° les accords quant à l'interdiction de fumer, visés aux articles 4 à 8 du décret du 6 juin 2008 instituant une interdiction de fumer dans les établissements d'enseignement et les centres d'encadrement des élèves, le contrôle du respect de l'interdiction et les sanctions qui peuvent être imposées en cas d'infraction à l'interdiction de fumer ;
  9° la manière dont le conseil d'académie est composé le cas échéant ;
  10° le droit d'accès de l'élève ou des personnes intéressées et leur droit à une explication des données, y compris les données d'évaluation, relatives à l'élève recueillies par l'académie. Si l'académie demande le remboursement des frais de photocopie, visé à l'alinéa 3, ce remboursement est prévu dans le régime de contribution du règlement de l'académie ;
  11° l'information sur des activités extra-muros ;
  12° l'indication qu'en cas de changement d'académie les données des élèves seront transférées à la nouvelle académie, à moins que l'élève ou les personnes intéressées ne s'y opposent explicitement, après avoir consulté les données à leur demande ;
  13° [3 la procédure du contrôle de qualité relative au contexte d'apprentissage alternatif pertinent]3;
  [1 14° la date limite à laquelle l'élève paie les droits d'inscription conformément à l'article 90 et, le cas échéant, les possibilités de paiement échelonné[2 , le régime de désinscription et le remboursement du droit d'inscription en cas de désinscription conformément à l'article 90 du présent décret ]2.]1
  Si, après l'explication visée à l'alinéa 2, 10°, il apparaît que l'élève ou les personnes intéressées souhaitent avoir une copie des données de l'élève, ils ont droit de copie. Toute copie doit être traitée de manière personnelle et confidentielle, ne peut être distribuée ni rendue publique et ne peut être utilisée que dans le cadre de la carrière scolaire de l'élève. Au cas où certaines données concernent également un tiers et que la consultation complète des données par l'élève concerné et les personnes intéressées porterait préjudice au droit du tiers à la protection de sa vie privée, l'accès à ces données est accordé par le biais d'un entretien, d'une consultation partielle ou d'un rapportage.
  
Afdeling 5. - Evaluatie en studiebekrachtiging
Section 5. - Evaluation et validation des études
Art. 59. De academie waar de leerling is ingeschreven, reikt het leerbewijs, het bewijs van competenties of het bewijs van beroepskwalificatie uit. Door de uitreiking ervan krachtens dit decreet is het leerbewijs, bewijs van competenties en bewijs van beroepskwalificatie van rechtswege erkend en bekrachtigd.
  De Vlaamse Regering bepaalt de vorm van het leerbewijs, het bewijs van competenties en het bewijs van beroepskwalificatie, en de procedure en modaliteiten voor de toekenning.
Art. 59. L'académie où l'élève est inscrit, confère l'attestation d'apprentissage, l'attestation de compétences ou l'attestation de qualification professionnelle. La délivrance en vertu du présent décret, de l'attestation d'apprentissage, de l'attestation de compétences et de l'attestation de qualification professionnelle équivaut à la reconnaissance et à la validation de droit.
  Le Gouvernement flamand détermine la forme de l'attestation d'apprentissage, de l'attestation de compétences et de l'attestation de qualification professionnelle, ainsi que la procédure et les modalités de sa délivrance.
Art. 60. De academie heeft een gedragen artistiek-pedagogische visie op het transparant, valide en betrouwbaar evalueren van leerlingen. De visie expliciteert op welke wijze de evaluatie het leerproces van de leerlingen ondersteunt.
  De academie operationaliseert en motiveert die visie in concrete acties ten opzichte van de leerlingen en personeelsleden.
  De academie neemt in haar academiereglement, vermeld in artikel 58, de basisprincipes van haar visie op leerlingenevaluatie op en communiceert over de wijze waarop de evaluatie verloopt.
  De academie expliciteert de wijze waarop ze de kwaliteit van het evaluatie-proces bewaakt.
  De academie bespreekt minstens twee keer per schooljaar met iedere leerling zijn leervorderingen aan de hand van een schriftelijke neerslag.
  De leerlingen zijn verplicht deel te nemen aan de evaluatieactiviteiten.
Art. 60. L'académie dispose d'une vision artistique et pédagogique soutenue concernant l'évaluation transparente, valide et fiable d'élèves. La vision explicite de quelle manière l'évaluation supporte le processus d'apprentissage des élèves.
  L'académie met cette vision en pratique et la motive par des actions concrètes auprès des élèves et des membres du personnel.
  Dans son règlement, tel que mentionné à l'article 58, l'académie inclut les principes de base de sa vision de l'évaluation des élèves et communique de la manière dont l'évaluation se déroule.
  L'académie explicite la manière dont elle surveille la qualité du processus d'évaluation.
  Au moins deux fois par année scolaire, l'académie associe chaque élève à l'évaluation de son progrès au moyen d'impressions écrites et documentées.
  Les élèves sont obligés de participer aux activités d'évaluation.
Art. 62. De directeur en betrokken leerkrachten bewaken het studierendement van de leerling tijdens de verschillende leerjaren van de opleiding en nemen daartoe de nodige maatregelen voor leerlingenbegeleiding.
  Als de directeur en de betrokken leerkrachten oordelen dat een leerling ondanks de maatregelen voor leerlingenbegeleiding te weinig leerwinst geboekt heeft in relatie tot de [1 onderwijsdoelen]1 die hij moet bereiken, kunnen ze oordelen dat de leerling een verlengd leertraject kan krijgen. Per graad van een langlopende studierichting kan het leertraject met een leerjaar verlengd worden. Het leertraject van de kortlopende studierichtingen kan met een leerjaar verlengd worden.
  
Art. 62. Le directeur et les enseignants concernés surveillent le rendement d'étude de l'élève au cours des différentes années d'études de la formation et prennent les mesures nécessaires pour l'encadrement des élèves à cette fin.
  Si le directeur et les enseignants concernés considèrent que, malgré les mesures d'encadrement des élèves, un élève n'a pas réalisé de gains d'apprentissage suffisants par rapport aux [1 objectifs pédagogiques]1 à atteindre, ils peuvent considérer que l'élève peut bénéficier d'un parcours d'apprentissage prolongé. Par degré d'une orientation d'études de longue durée, le parcours d'apprentissage peut être prolongé d'une année d'études. Le parcours d'apprentissage des orientations d'études de courte durée peut être prolongé d'une année d'études.
  
Afdeling 6. - Organisatie van het schooljaar
Section 6. - Organisation de l'année scolaire
Art. 63. De Vlaamse Regering bepaalt de vakantieperioden, regelt de organisatie van het schooljaar en bepaalt in welke gevallen de leeractiviteiten geschorst kunnen worden.
Art. 63. Le Gouvernement flamand détermine les périodes de congé, l'organisation de l'année scolaire et les cas dans lesquels les activités d'apprentissage peuvent être suspendues.
Art. 64. De academie organiseert de leeractiviteiten voor leerplichtige leerlingen zodat ze niet overlappen met de leeractiviteiten van het leerplichtonderwijs.
Art. 64. L'académie organise les activités scolaires pour les élèves en âge scolaire de manière à ce qu'elles ne chevauchent pas les activités scolaires de l'enseignement obligatoire.
HOOFDSTUK 5. - Personeels- en werkingsmiddelen
CHAPITRE 5. - Moyens en personnel et moyens de fonctionnement
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 65. Dit hoofdstuk is van toepassing op het gefinancierd of gesubsidieerd deeltijds kunstonderwijs.
Art. 65. Le présent chapitre s'applique à l'enseignement artistique à temps partiel financé ou subventionné.
Art. 66. Een schoolbestuur verkrijgt voor haar personeelsleden die tot de categorieën ondersteunend, bestuurs- en onderwijzend personeel en desgevallend opvoedend hulppersoneel behoren een salaris als die personeelsleden voldoen aan al de volgende voorwaarden :
  1° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling;
  2° de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse Regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling, vermeld in punt 1° ;
  3° houder zijn van de bekwaamheidsbewijzen, vermeld in artikel 3, 6°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en artikel 5, 8°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
  4° aangeworven zijn met inachtname van de reglementering over de reaffectatie en wedertewerkstelling;
  5° in dienst zijn op grond van de reglementering over de omkadering;
  6° [1 ...]1.
  
Art. 66. Une autorité scolaire obtient pour ses membres du personnel appartenant aux catégories du personnel d'appui, directeur et enseignant et, le cas échéant, du personnel auxiliaire d'éducation un traitement si ces membres du personnel remplissent toutes les conditions suivantes :
  1° être ressortissant d'un Etat membre de l'Union européenne ou de l'Association européenne de Libre-Echange, sauf dispense à accorder par le Gouvernement flamand ;
  2° jouir des droits civils et politiques, sauf dispense à accorder par le Gouvernement flamand allant de pair avec la dispense visée au point 1° ;
  3° être porteur des titres visés à l'article 3, 6°, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire et à l'article 5, 8° du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
  4° être engagé conformément à la réglementation en matière de réaffectation et de remise au travail ;
  5° être en service sur la base de la réglementation en matière de l'encadrement ;
  6° [1 ...]1
  
Art. 67. § 1. Voor de berekening van de omkadering, vermeld in artikel 69 tot en met 72, worden alleen financierbare leerlingen geteld.
  § 2. Ongeacht het aantal opleidingen dat hij volgt, is een leerling per domein maar een keer financierbaar.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd.
  Een leerling die meer dan een derde van de leeractiviteiten georganiseerd tussen [2 [1 oktober en de]2 ]1 teldag voor de omkaderingberekening ongewettigd afwezig is, is niet financierbaar.
  In afwijking van het eerste lid is een leerling die tegelijkertijd een opleiding volgt in de vierde graad en in een kortlopende studierichting specialisatie financierbaar voor beide opleidingen.
  [1 Een leerling die voor 1 november van het betrokken schooljaar geen inschrijvingsgeld heeft betaald, is niet [2 regelmatig en niet]2 financierbaar.]1
  § 3. Elke financierbare leerling telt voor een teleenheid.
  In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen met een vrijstelling voor een of meer vakken in het domein beeldende en audiovisuele kunsten gewogen met de coëfficiënt 0,85.
  In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen met een vrijstelling voor een of meer vakken in de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek gewogen met de coëfficiënt 0,70.
  In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen die hun leertraject in de vierde graad of een kortlopende studierichting verlengen gewogen met de coëfficiënt 0,50.
  In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen, met uitzondering van de leerlingen in de vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten en in de kortlopende studierichtingen, die hun volledige opleiding volgen in vestigingsplaatsen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of de gemeente Voeren gewogen met de coëfficiënt 1,4.
  In afwijking van het eerste lid worden de financierbare leerlingen, die hun volledige opleiding volgen in vestigingsplaatsen gelegen in een dunbevolkte gemeente gewogen met de coëfficiënt 1,05.
  De wegingen, vermeld in het tweede, vierde en vijfde lid, en de wegingen, vermeld in het derde, vierde en vijfde lid, tellen cumulatief.
  De wegingen, vermeld in het tweede, vierde en zesde lid, en de wegingen, vermeld in het derde, vierde en zesde lid, tellen cumulatief.
  De wegingen, vermeld in het vijfde en het zesde lid, zijn niet cumulatief. De weging van het vijfde lid primeert.
  § 4. Voor de toepassing van de bepalingen in afdeling 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk wordt onder "leerlingen" "gewogen financierbare leerlingen" verstaan.
  [1 § 5. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, wordt een leerling die een of meer vakken die tot het lessenrooster van dezelfde opleiding behoren, in verschillende academies volgt, in maximaal twee academies voor 50% in rekening gebracht. De wegingen, vermeld in paragraaf 3, vijfde lid, worden alleen toegepast op de omkaderingsberekening van de academie met een vestigingsplaats in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of in de gemeente Voeren voor zover de leerling alle vakken volgt in een vestigingsplaats gelegen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of in de gemeente Voeren.
   De wegingen, vermeld in paragraaf 3, zesde lid, worden alleen toegepast op de omkaderingsberekening van de academie met een vestigingsplaats in een dunbevolkte gemeente voor zover de leerling alle vakken volgt in een vestigingsplaats gelegen in een dunbevolkte gemeente.
   Een leerling die meer opleidingen van hetzelfde domein in verschillende academies volgt, is maar in één academie financierbaar. Op basis van gegevens die het Agentschap voor Onderwijsdiensten aanreikt, beslissen de directeurs in onderling overleg in welke academie de leerling financierbaar is. Ze melden hun beslissing schriftelijk aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten voor 1 februari. Als de directeurs niet tot een akkoord komen, is de leerling financierbaar voor het schooljaar 2019-2020 in die academie waar hij het eerst zijn inschrijvingsgeld betaald heeft voor dat schooljaar. Vanaf het schooljaar 2020-2021 is de leerling financierbaar in de academie waar zijn inschrijving voor dat schooljaar het eerst is geregistreerd in het elektronisch systeem voor de uitwisseling van leerlingengegevens van het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]1

  [3 Ї 6. Een leerling kan in de loop van het schooljaar zijn opleiding voortzetten in een andere academie als de capaciteit van die academie toereikend is en de directeur toestemming geeft. De nieuwe academie meldt de inschrijving van de leerling aan de oorspronkelijke academie en het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Met behoud van de toepassing van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4, wordt de leerling geteld als financierbare leerling in de academie waar hij op 1 februari ingeschreven is.]3
  
Art. 67. §1er. Pour le calcul de l'encadrement, visé aux articles 69 à 72, seuls les élèves admissibles au financement sont comptés.
   § 2. Quel que soit le nombre de formations qu'il suit, un élève ne peut être financé qu'une seule fois par domaine.
   Pour l'application de l'alinéa 1er, la formation d'initiation transversale est considérée comme une formation dans un domaine séparé.
   Un élève qui accumule des absences injustifiées pour plus d'un tiers des activités d'apprentissage organisées entre [2 [1 le 1er octobre et le]2-]1 et le jour de comptage pour le calcul de l'encadrement n'est pas admissible au financement.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, un élève qui suit simultanément une formation dans le quatrième degré et dans une orientation d'études de spécialisation de courte durée est admissible au financement pour les deux formations.
   [1 Un élève qui n'a pas payé de droit d'inscription avant le 1er novembre de l'année scolaire concernée, n'est pas [3 régulier et pas ]3 admissible au financement.]1
   § 3. Tout élève admissible au financement compte pour une unité de comptage.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les élèves admissibles au financement avec une dispense pour un ou plusieurs cours dans le domaine arts plastiques et audiovisuels sont pondérés par le coefficient 0,85.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les élèves admissibles au financement avec une dispense pour un ou plusieurs cours dans les domaines danse, arts de la parole-théâtre et musique sont pondérés par le coefficient 0,70.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les élèves admissibles au financement qui prolongent leurs parcours d'apprentissage dans le quatrième degré ou une orientation d'études de courte durée sont pondérés par le coefficient 0,50.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les élèves admissibles au financement à l'exception des élèves dans le quatrième degré arts plastiques et audiovisuels et dans les orientations d'études de courte durée qui suivent leur formation entière dans des implantations en Région bilingue de Bruxelles-Capitale ou dans la commune de Fourons sont pondérés par le coefficient 1,4.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les élèves admissibles au financement qui suivent leur formation entière dans des implantations situées dans des communes faiblement peuplées sont pondérés par le coefficient 1,05.
   Les pondérations visées aux alinéas 2, 4 et 5 et les pondérations visées aux alinéas 3, 4 et 5 sont cumulatives.
   Les pondérations visées aux alinéas 2, 4 et 6 et les pondérations visées aux alinéas 3, 4 et 6 sont cumulatives.
   Les pondérations visées aux alinéas 5 et 6 ne sont pas cumulatives. La pondération de l'alinéa 5 prévaut.
   § 4. Pour l'application des dispositions de la section 2 à 7 du présent chapitre, on entend par " élèves " des " élèves admissibles au financement pondérés ".
   [1 § 5. Sans préjudice de l'application du paragraphe 2, un élève qui suit un ou plusieurs cours de l'horaire des cours de la même formation dans différentes académies, est porté en compte pour 50% dans deux académies au maximum. Les pondérations, visées au paragraphe 3, alinéa 5, ne sont appliquées que sur le calcul de l'encadrement de l'académie ayant une implantation en région bilingue de Bruxelles-Capitale ou dans la commune de Fourons dans la mesure où l'élève suit tous les cours dans une implantation située en région bilingue de Bruxelles-Capitale ou dans la commune de Fourons.
   Les pondérations, visées au paragraphe 3, alinéa 6, ne sont appliquées que sur le calcul de l'encadrement de l'académie ayant une implantation dans une commune faiblement peuplée dans la mesure où l'élève suit tous les cours dans une implantation située dans une commune faiblement peuplée.
   Un élève qui suit plusieurs formations du même domaine dans plusieurs académies, n'est admissible au financement que dans une seule académie. Sur la base des données fournies par l'Agence de Services d'Enseignement, les directeurs décident de commun accord dans quelle académie l'élève est admissible au financement. Elles communiquent leur décision par écrit à l'Agence de Services d'Enseignement avant le 1er février. Si les directeurs ne parviennent pas à un accord, l'élève est admissible au financement pour l'année scolaire 2019-2020 dans l'académie où il a payé en premier son droit d'inscription pour ladite année scolaire. A partir de l'année scolaire 2020-2021, l'élève est admissible au financement dans l'académie où son inscription pour ladite année scolaire est enregistrée en premier dans le système électronique d'échange des données des élèves de l'Agence de Services d'Enseignement.]1

  [3 § 6. Un élève peut, dans le courant de l'année scolaire, poursuivre sa formation dans une autre académie si la capacité de cette académie est suffisante et si le directeur donne son autorisation. La nouvelle académie avise l'académie d'origine et l' " Agentschap voor Onderwijsdiensten " (Agence de Services d'Enseignement) de l'inscription de l'élève. Sans préjudice de l'application des conditions visées aux paragraphes 1er à 4, l'élève est compté comme élève admissible au financement dans l'académie dans laquelle il est inscrit au 1er février.]3
  
Afdeling 2. - Omkadering onderwijzend personeel
Section 2. - Encadrement du personnel enseignant
Onderafdeling 1. - Berekening van de omkadering voor langlopende en kortlopende studierichtingen
Sous-section 1re. - Calcul de l'encadrement pour des orientations d'études de longue durée et de courte durée
Art. 68. Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling worden de studierichtingen, vermeld in artikel 10 tot en met 20, ondergebracht in structuuronderdelen.
  Alle langlopende studierichtingen van een bepaalde graad in een domein vormen daarbij eenzelfde structuuronderdeel.
  Alle kortlopende studierichtingen en de domeinoverschrijdende initiatieopleiding vormen elk een afzonderlijk structuuronderdeel.
  In afwijking van het tweede lid vormen de derde graad voor jongeren en de derde graad voor volwassenen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten afzonderlijke structuuronderdelen.
  In afwijking van het tweede lid vormen de tweede graad voor jongeren en de tweede graad voor volwassenen van het domein muziek afzonderlijke structuuronderdelen.
Art. 68. Pour l'application des dispositions de la présente section, les orientations d'études, visées aux articles 10 à 20, sont organisées en subdivisions structurelles.
  Toutes les orientations d'études de longue durée d'un certain degré dans un domaine forment une même subdivision structurelle.
  Toutes les orientations d'études de courte durée d'une formation d'initiation transversale forment chacune une subdivision structurelle distincte.
  Par dérogation à l'alinéa 2, le troisième degré pour jeunes et le troisième degré pour adultes du domaine des arts plastiques et audiovisuels forment des subdivisions structurelles distinctes.
  Par dérogation à l'alinéa 2, le deuxième degré pour jeunes et le deuxième degré pour adultes dans le domaine musique forment des subdivisions structurelles distinctes.
Art. 69. § 1. Voor het schooljaar X/X+1 heeft een academie recht op lestijden die berekend worden volgens de formule :
  leerlingen x OC x S,
  waarbij :
  1° leerlingen : het aantal leerlingen per traject in een structuuronderdeel op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de academie;
  2° OC : de omkaderingscoëfficiënt per traject van het structuuronderdeel, vermeld in artikel 70;
  3° S : de solidariteitsfactor, berekend conform artikel 71.
  Het aantal lestijden dat een academie voor een bepaalde graad verwerft, is de som van de lestijden van alle trajecten van alle structuuronderdelen in elke graad, over het geheel van de vestigingsplaatsen van die academie.
  Per traject in een structuuronderdeel worden de leerlingen altijd afzonderlijk geteld. Daarbij worden in een academie met verschillende vestigingsplaatsen de leerlingen van alle vestigingsplaatsen samengeteld.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 worden de lestijden voor de kortlopende studierichtingen specialisatie als volgt berekend :
  1° als in een domein in een academie het aantal leerlingen dat de specialisatie volgt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar kleiner dan of gelijk is aan 25% van het aantal leerlingen dat de vierde graad volgt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar, wordt het aantal leerlingen van de specialisatie op 1 februari van het voorafgaande schooljaar vermenigvuldigd met de omkaderingscoëfficiënt en de solidariteitsfactor, berekend conform artikel 71.
  2° als [2 in een domein in een academie]2 het aantal leerlingen dat de specialisatie volgt op 1 februari van het voorafgaande schooljaar groter is dan 25% van het aantal leerlingen in de vierde graad op 1 februari van het voorafgaande schooljaar, wordt 25% van het aantal leerlingen van de vierde graad op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in dat domein vermenigvuldigd met de omkaderingscoëfficiënt en de solidariteitsfactor, berekend conform artikel 71.
  § 3. De resultaten van de berekeningen, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier en naar het lagere geheel getal als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier.
  § 4. [1 In afwijking van paragraaf 1 en 2 is de teldag voor de berekening van de lestijden voor de structuuronderdelen van academies in oprichting en van domeinen waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 1 oktober van het lopende schooljaar.
   In het geval van de oprichting van een academie geldt die teldag voor de hele academie vanaf het schooljaar van oprichting tot en met de elf daaropvolgende schooljaren.
   In het geval van de oprichting van een domein waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 geldt die teldag enkel voor het domein in kwestie tot en met het schooljaar waarin alle leerjaren van de verschillende graden van het domein zijn uitgebouwd conform artikel 157.]1

  § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten en de salarisschalen waarin een academie met de lestijden, vermeld in paragraaf 1, 2 en 4, betrekkingen kan organiseren en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de lestijden, vermeld in paragraaf 1, 2 en 4, naar die betrekkingen worden omgerekend.
  
Art. 69. § 1er. Pour l'année scolaire X/X+1, une académie a droit à des périodes de cours calculées selon la formule suivante :
  élèves x OC x S,
  où :
  1° élèves : le nombre d'élèves par parcours dans une subdivision structurelle au 1er février de l'année scolaire précédente dans l'académie ;
  2° OC : le coefficient d'encadrement par parcours de la subdivision structurelle, visé à l'article 70 ;
  3° S : le facteur de solidarité calculé conformément à l'article 71.
  Le nombre de périodes de cours qu'une académie acquiert pour un certain degré est la somme des périodes de cours de tous les parcours de toutes les subdivisions structurelles dans chaque degré, sur l'ensemble des implantations de cette académie.
  Par parcours dans une subdivision structurelle, les élèves sont toujours comptés séparément. Dans une académie à plusieurs implantations, les élèves de toutes les implantations sont additionnés.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les périodes de cours pour les orientations d'études de spécialisation de courte durée sont calculées comme suit :
  1° si, dans un domaine d'une académie, le nombre d'élèves suivant une spécialisation au 1er février de l'année scolaire précédente est inférieur ou égal à 25 % du nombre d'élèves suivant le quatrième degré au 1er février de l'année scolaire précédente, le nombre d'élèves en spécialisation au 1er février de l'année scolaire précédente est multiplié par le coefficient d'encadrement et le facteur de solidarité, calculé conformément à l'article 71.
  2° si, [2 dans un domaine dans une académie]2, le nombre d'élèves suivant une spécialisation au 1er février de l'année scolaire précédente dépasse 25 % du nombre d'élèves dans le quatrième degré au 1er février de l'année scolaire précédente, 25 % du nombre d'élèves dans le quatrième degré au 1er février de l'année scolaire précédente dans ce domaine est multiplié par le coefficient d'encadrement et le facteur de solidarité, calculé conformément à l'article 71.
  § 3. Les résultats des calculs visés aux paragraphes 1er et 2 sont arrondis au nombre entier supérieur si la première décimale est supérieure à quatre, et au nombre entier inférieur si la première décimale est inférieure ou égale à quatre.
  § 4. [1 Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, le jour de comptage pour le calcul des périodes de cours pour les subdivisions structurelles des académies en cours de création et des domaines dont la création est entamée avant le 31 août 2018, est le 1er octobre de l'année scolaire en cours.
   En cas de création d'une académie ce jour de comptage s'applique à l'ensemble de l'académie à partir de l'année scolaire de création jusqu'aux onze années scolaires suivantes incluses.
   En cas de création d'un domaine dont la création est entamée avant le 31 août 2018, ce jour de comptage ne s'applique qu'au domaine en question jusqu'à l'année scolaire dans laquelle les années d'études des différents degrés du domaine sont développées conformément à l'article 157.]1

  § 5. Le Gouvernement flamand détermine les fonctions et les échelles de traitement dans lesquelles une académie peut organiser des emplois avec les périodes de cours visées aux paragraphes 1er, 2 et 4 ainsi que le mode de conversion des périodes de cours visées aux paragraphes 1er, 2 et 4 vers ces emplois.
  
Art. 70. De omkaderingscoëfficiënten per traject in de structuuronderdelen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten zijn :
Art. 70. Les coefficients d'encadrement par parcours dans les subdivisions structurelles du domaine arts plastiques et audiovisuels sont :
 Omkaderingscoëfficiënt
1e graad tweejarig traject 0,14545
2e graad vierjarig traject 0,14545
3e graad voor jongeren zesjarig traject 0,29091
3e graad voor jongeren zevenjarig traject 0,24935
3e graad voor volwassenen tweejarig traject 0,29091
4e graad tienjarig traject 0,29818
4e graad vijfjarig traject 0,59636
4e graad vierjarig traject 0,74545
specialisatie tweejarig traject 0,59636
beeldende en audiovisuele cultuur driejarig traject 0,25625
Omkaderingscoëfficiënt1e graad tweejarig traject 0,145452e graad vierjarig traject 0,145453e graad voor jongeren zesjarig traject 0,290913e graad voor jongeren zevenjarig traject 0,249353e graad voor volwassenen tweejarig traject 0,290914e graad tienjarig traject 0,298184e graad vijfjarig traject 0,596364e graad vierjarig traject 0,74545specialisatie tweejarig traject 0,59636beeldende en audiovisuele cultuur driejarig traject 0,25625
De omkaderingscoëfficiënten per traject in de structuuronderdelen van het domein dans zijn :
 Coefficient d'encadrement
1er degré parcours de deux années 0,14545
2e degré parcours de quatre années 0,14545
3e degré pour jeunes parcours de six années 0,29091
3e degré pour jeunes parcours de sept années 0,24935
3e degré pour adultes parcours de deux années 0,29091
4e degré parcours de dix années 0,29818
4e degré parcours de cinq années 0,59636
4e degré parcours de quatre années 0,74545
spécialisation parcours de deux années 0,59636
culture plastique et audiovisuelle parcours de trois années 0,25625
Coefficient d'encadrement1er degré parcours de deux années 0,145452e degré parcours de quatre années 0,145453e degré pour jeunes parcours de six années 0,290913e degré pour jeunes parcours de sept années 0,249353e degré pour adultes parcours de deux années 0,290914e degré parcours de dix années 0,298184e degré parcours de cinq années 0,596364e degré parcours de quatre années 0,74545spécialisation parcours de deux années 0,59636culture plastique et audiovisuelle parcours de trois années 0,25625
Les coefficients d'encadrement par parcours dans les subdivisions structurelles du domaine danse sont :
 Omkaderingscoëfficiënt
1e graad tweejarig traject 0,12500
2e graad vierjarig traject 0,25000
2e graad tweejarig traject 0,50000
3e graad driejarig traject 0,31250
4e graad driejarig traject 0,38438
specialisatie tweejarig traject 0,38438
danscultuur driejarig traject 0,25625
Omkaderingscoëfficiënt1e graad tweejarig traject 0,125002e graad vierjarig traject 0,250002e graad tweejarig traject 0,500003e graad driejarig traject 0,312504e graad driejarig traject 0,38438specialisatie tweejarig traject 0,38438danscultuur driejarig traject 0,25625
De omkaderingscoëfficiënten per traject in de structuuronderdelen van het domein woordkunst-drama zijn :
 Coefficient d'encadrement
1er degré parcours de deux années 0,12500
2e degré parcours de quatre années 0,25000
2e degré parcours de deux années 0,50000
3e degré parcours de trois années 0,31250
4e degré parcours de trois années 0,38438
spécialisation parcours de deux années 0,38438
culture de la danse parcours de trois années 0,25625
Coefficient d'encadrement1er degré parcours de deux années 0,125002e degré parcours de quatre années 0,250002e degré parcours de deux années 0,500003e degré parcours de trois années 0,312504e degré parcours de trois années 0,38438spécialisation parcours de deux années 0,38438culture de la danse parcours de trois années 0,25625
Les coefficients d'encadrement par parcours dans les subdivisions structurelles du domaine arts de la parole-théâtre sont :
 Omkaderingscoëfficiënt
1e graad tweejarig traject 0,06667
2e graad vierjarig traject 0,10782
2e graad tweejarig traject 0,21564
3e graad driejarig traject 0,42750
4e graad driejarig traject 0,76875
specialisatie tweejarig traject 0,76875
schrijver driejarig traject 0,76875
woordkunst- en dramacultuur driejarig traject 0,25625
Omkaderingscoëfficiënt1e graad tweejarig traject 0,066672e graad vierjarig traject 0,107822e graad tweejarig traject 0,215643e graad driejarig traject 0,427504e graad driejarig traject 0,76875specialisatie tweejarig traject 0,76875schrijver driejarig traject 0,76875woordkunst- en dramacultuur driejarig traject 0,25625
De omkaderingscoëfficiënten per traject in de structuuronderdelen van het domein muziek zijn :
 Coefficient d'encadrement
1er degré parcours de deux années 0,06667
2e degré parcours de quatre années 0,10782
2e degré parcours de deux années 0,21564
3e degré parcours de trois années 0,42750
4e degré parcours de trois années 0,76875
spécialisation parcours de deux années 0,76875
écrivain parcours de trois années 0,76875
arts de la parole-théâtre parcours de trois années 0,25625
Coefficient d'encadrement1er degré parcours de deux années 0,066672e degré parcours de quatre années 0,107822e degré parcours de deux années 0,215643e degré parcours de trois années 0,427504e degré parcours de trois années 0,76875spécialisation parcours de deux années 0,76875écrivain parcours de trois années 0,76875arts de la parole-théâtre parcours de trois années 0,25625
Les coefficients d'encadrement par parcours dans les subdivisions structurelles du domaine musique sont :
 Omkaderingscoëfficiënt
1e graad tweejarig traject 0,06667
2e graad voor jongeren vierjarig traject 0,44716
2e graad voor volwassenen driejarig traject 0,42750
3e graad driejarig traject 0,64400
3e graad vierjarig traject 0,48300
4e graad driejarig traject 1,12997
specialisatie tweejarig traject 1,12997
muziekcultuur 0,25625
muziekgeschiedenis 0,25625
Omkaderingscoëfficiënt1e graad tweejarig traject 0,066672e graad voor jongeren vierjarig traject 0,447162e graad voor volwassenen driejarig traject 0,427503e graad driejarig traject 0,644003e graad vierjarig traject 0,483004e graad driejarig traject 1,12997specialisatie tweejarig traject 1,12997muziekcultuur 0,25625muziekgeschiedenis 0,25625
De omkaderingscoëfficiënt voor het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding is 0,06667.
 Coefficient d'encadrement
1er degré parcours de deux années 0,06667
2e degré pour jeunes parcours de quatre années 0,44716
2e degré pour adultes parcours de trois années 0,42750
3e degré parcours de trois années 0,64400
3e degré parcours de quatre années 0,48300
4e degré parcours de trois années 1,12997
spécialisation parcours de deux années 1,12997
culture musicale 0,25625
histoire de la musique 0,25625
Coefficient d'encadrement1er degré parcours de deux années 0,066672e degré pour jeunes parcours de quatre années 0,447162e degré pour adultes parcours de trois années 0,427503e degré parcours de trois années 0,644003e degré parcours de quatre années 0,483004e degré parcours de trois années 1,12997spécialisation parcours de deux années 1,12997culture musicale 0,25625histoire de la musique 0,25625
Le coefficient d'encadrement pour la subdivision structurelle formation d'initiation transversale est de 0,06667.
Art. 71. § 1. De solidariteitsfactor wordt enerzijds berekend voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten en anderzijds voor het geheel van de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek.
  § 2. De solidariteitsfactor voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten wordt berekend volgens de formule :
  S = de solidariteitsfactor = 1 - (A/B),
  waarbij :
  1° A : de lestijden voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, met toepassing van solidariteitsfactor 1, van alle structuuronderdelen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten in vestigingsplaatsen die op 1 februari van het voorafgaande schooljaar nog in oprichting zijn conform artikel 114 tot en met 118;
  2° B : het totale aantal lestijden voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, met toepassing van solidariteitsfactor 1;
  3° [1 in afwijking van artikel 69 is de teldag voor de berekening van de solidariteitsfactor voor academies in oprichting conform artikel 114 en voor domeinen waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 conform artikel 157 1 februari van het voorgaande schooljaar.]1
  § 3. De solidariteitsfactor voor het geheel van de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek wordt berekend volgens de formule :
  S = de solidariteitsfactor = 1 - (C/D),
  waarbij :
  1° C : de lestijden voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, met toepassing van solidariteitsfactor 1, van alle structuuronderdelen van de domeinen dans, drama-woordkunst en muziek in vestigingsplaatsen die op 1 februari van het voorafgaande schooljaar nog in oprichting zijn conform artikel 114 tot en met 118;
  2° D : het totale aantal lestijden van de domeinen dans, drama-woordkunst en muziek voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, met toepassing van solidariteitsfactor 1;
  3° [1 in afwijking van artikel 69 is de teldag voor de berekening van de solidariteitsfactor voor academies in oprichting conform artikel 114 en voor domeinen waarvan de oprichting gestart is vóór 31 augustus 2018 conform artikel 157 1 februari van het voorgaande schooljaar.]1
  § 4. Voor de toepassing van paragraaf 2 en 3 worden de lestijden voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, voor het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding in vestigingsplaatsen die op 1 februari van het voorafgaande schooljaar nog in oprichting zijn, conform artikel 114 tot en met 118, vermenigvuldigd met 0,25, opgeteld bij de berekening van A en B en vermenigvuldigd met 0,75, opgeteld bij de berekening van C en D.
  Voor de toepassing van paragraaf 2 en 3 worden de lestijden voor het schooljaar X/X+1, berekend conform artikel 69 en 70, voor het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding in vestigingsplaatsen die niet verstaan worden onder het eerste lid, vermenigvuldigd met 0,25, opgeteld bij de berekening van B en vermenigvuldigd met 0,75, opgeteld bij de berekening van D.
  § 5. De impact van de solidariteitsfactor op de omkadering wordt jaarlijks gemonitord vanaf het schooljaar 2019-2020. Hierover wordt jaarlijks verslag uitgebracht aan het Vlaams Parlement.
  
Art. 71. § 1er. Le facteur de solidarité est calculé d'une part pour le domaine arts plastiques et audiovisuels et d'autre part pour l'ensemble des domaines danse, arts de la parole-théâtre et musique.
  § 2. Le facteur de solidarité pour le domaine arts plastiques et audiovisuels est calculé suivant la formule :
  S = le facteur de solidarité = 1 - (A/B),
  où :
  1° A : les périodes de cours pour l'année scolaire X/X+1, calculées conformément aux articles 69 et 70, au moyen d'un facteur de solidarité de 1, de toutes les subdivisions structurelles du domaine arts plastiques et audiovisuels dans les implantations qui, au 1er février de l'année scolaire précédente, sont encore en cours de création conformément aux articles 114 à 118 ;
  2° B : le nombre total de périodes de cours dans le domaine arts plastiques et audiovisuels pour l'année scolaire X/X+1, calculé conformément aux articles 69 et 70, au moyen du facteur de solidarité 1 ;
  3° [1 par dérogation à l'article 69, le jour de comptage pour le calcul du facteur de solidarité pour les académies en cours de création conformément à l'article 114 et pour les domaines dont la création est entamée avant le 31 août 2018 conformément à l'article 157, est le 1er février de l'année scolaire précédente.]1
  § 3. Le facteur de solidarité pour l'ensemble des domaines danse, arts de la parole-théâtre et musique est calculé suivant la formule :
  S = le facteur de solidarité = 1 - (C/D),
  où :
  1° C : les périodes de cours pour l'année scolaire X/X+1, calculées, conformément aux articles 69 et 70, au moyen d'un facteur de solidarité 1, de toutes les subdivisions structurelles des domaines danse, arts de la parole-théâtre et musique dans les implantations qui, au 1er février de l'année scolaire précédente, sont encore en cours de création conformément aux articles 114 à 118 ;
  2° D : le nombre total de périodes de cours dans les domaines danse, arts de la parole-théâtre ou musique pour l'année scolaire X/X+1, calculé conformément aux articles 69 et 70, au moyen du facteur de solidarité 1 ;
  3° [1 par dérogation à l'article 69, le jour de comptage pour le calcul du facteur de solidarité pour les académies en cours de création conformément à l'article 114 et pour les domaines dont la création est entamée avant le 31 août 2018 conformément à l'article 157, est le 1er février de l'année scolaire précédente.]1
  § 4. Aux fins des paragraphes 2 et 3, les périodes de cours pour l'année scolaire X/X+1, calculées conformément aux articles 69 et 70, pour la subdivision structurelle formation d'initiation transversale dans les implantations encore en cours de création au 1er février de l'année scolaire précédente, conformément aux articles 114 à 118, sont multipliées par 0,25, ajoutées au calcul de A et B et multipliées par 0,75, ajoutées au calcul de C et D.
  Aux fins des paragraphes 2 et 3, les périodes de cours pour l'année scolaire X/X+1, calculées conformément aux articles 69 et 70, pour la subdivision structurelle formation d'initiation transversale dans les implantations auxquelles il n'est pas fait référence dans l'alinéa 1er, sont multipliées par 0,25, ajoutées au calcul de B et multipliées par 0,75, ajoutées au calcul de D.
  § 5. L'impact du facteur de solidarité sur l'encadrement fait l'objet d'un suivi annuel à partir de l'année scolaire 2019-2020. Le Parlement flamand reçoit un rapport annuel à ce sujet.
  
Art. 72. De Vlaamse Regering kan, met in achtname van de beschikbare begrotingskredieten, een aanwendingspercentage vastleggen dat voor een of meer schooljaren toegepast wordt op het geheel of een gedeelte van de omkaderingsberekening, vermeld in artikel 69 en 70. Dat aanwendingspercentage is een rekenfactor die een omkaderingscoëfficiënt procentueel verlaagt of verhoogt.
Art. 72. Tout en respectant les crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand peut fixer un pourcentage d'utilisation à appliquer, pour une ou plusieurs années scolaires, à tout ou partie du calcul de l'encadrement visé aux articles 69 et 70. Ce pourcentage d'utilisation est un facteur de calcul qui diminue ou augmente en pourcentage le coefficient d'encadrement.
Art. 72/1. [1 In afwijking van de bepalingen in artikel 69 tot en met 72 en artikel 79 kan de Vlaamse Regering wegens uitzonderlijke redenen van overmacht toestaan dat voor de structuuronderdelen die in de door de overmacht getroffen vestigingsplaatsen worden georganiseerd, eenmalig hetzelfde aantal lestijden en administratieve omkaderingseenheden wordt toegekend als die van het vorige schooljaar. Als de academie meer leerlingen inschrijft in de getroffen structuuronderdelen dan in het vorige schooljaar, geldt in dat geval de reguliere omkaderingsberekening.]1
  
Art. 72/1. [1 Par dérogation aux dispositions des articles 69 à 72 et 79, le Gouvernement flamand peut, pour des raisons exceptionnelles de force majeure, autoriser que, pour les subdivisions structurelles organisées au sein des implantations touchées par la force majeure, le même nombre de périodes de cours et d'unités d'encadrement administratif que l'année scolaire précédente soient, une seule fois, attribuées. Si l'académie inscrit davantage d'élèves dans les subdivisions structurelles concernées qu'au cours de l'année scolaire précédente, le calcul de l'encadrement normal s'applique dans ce cas.]1
  
Onderafdeling 2. - Aanwending van de omkadering onderwijzend personeel
Sous-section 2. - Utilisation de l'encadrement du personnel enseignant
Art. 73. § 1. Het schoolbestuur beslist, met toepassing van de reglementering over overleg en onderhandeling, over de aanwending van de lestijden.
  Het schoolbestuur kan het totale aantal toegekende lestijden aanwenden voor de organisatie van leeractiviteiten, muzikaal begeleiden en leeractiviteiten op maat. Het schoolbestuur kan maximaal [4 5%]4 van het aantal toegekende lestijden aanwenden voor pedagogische coördinatie. [4 ...]4
  § 2. Elke lestijd die voor leeractiviteiten aangewend wordt resulteert elke week van het schooljaar in een leeractiviteit van minstens vijftig minuten voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten en ministens zestig minuten voor de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek, of minstens vijftig of zestig minuten voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding, rekening houdend met de bepalingen over de organisatie van het schooljaar, vermeld in artikel 63 en 64.
  In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder een academie de wekelijkse leeractiviteiten kan clusteren in grotere gehelen [1 , verplaatsen of vervangen door extra-murosactiviteiten.]1.
  § 3. [3 . Een schoolbestuur kan de lestijden die worden berekend conform artikel 69 tot en met 72, ook aanwenden om gastleraren in te zetten. Het aantal vacante lestijden dat aan gastleraren kan worden besteed, wordt door het schoolbestuur vastgelegd na onderhandeling in het lokaal comité.
   Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de academie. Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, geeft, in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, gastlessen in de academie of op een andere locatie in het kader van de realisatie van de basiscompetenties, specifieke eindtermen en beroepskwalificaties vanuit zijn deskundigheid of ervaring in de amateurkunsten, de professionele kunsten, de creatieve industrie of het cultureel erfgoed. Als de capaciteit dat toelaat, kunnen naast leerlingen van de academie ook andere geïnteresseerden de gastlessen bijwonen.
   Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is van onberispelijk gedrag. Het voormelde blijkt uit een uittreksel uit het strafregister met de finaliteit 596.2 - model bestemd voor contacten met minderjarigen, dat op het ogenblik van voorleggen niet langer dan een maand tevoren is afgegeven. Daarnaast toont de voormelde gastleraar die gastlessen geeft in een academie die in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, aan dat hij de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheerst op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De voormelde gastleraar bewijst de voormelde vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen:
   1° met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en dat behaald is in de onderwijstaal;
   2° met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   3° met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   4° met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont.
   In het vierde lid wordt verstaan onder Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages.
   Bij de wijze van aanwending, vermeld in het eerste lid, worden lestijden omgezet in een krediet ten belope van de lesopdracht van de gastleraar. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van voormelde omzetting aan de dienst van de administratie die de Vlaamse Regering aanwijst, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.
   De maatregelen vervat in deze paragraaf worden geëvalueerd tijdens het schooljaar 2024-2025. ]3
.
  In het eerste lid wordt verstaan onder voordrachtgever : een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de academie. Een voordrachtgever geeft, in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, voordrachten in de academie of op een andere locatie in het kader van de realisatie van de basiscompetenties, specifieke eindtermen en beroepskwalificaties vanuit zijn deskundigheid of ervaring in de amateurkunsten, de professionele kunsten, de creatieve industrie of het cultureel erfgoed. [2 Als de capaciteit dat toelaat, kunnen naast leerlingen van de academie ook andere geïnteresseerden de voordrachten bijwonen.]2
  Bij de aanwending van lestijden voor voordrachtgevers worden lestijden omgezet in een krediet. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding ervan aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.
  De aanwending van lestijden voor voordrachtgevers maakt voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité.
  § 4. Maximaal vijf percent van de lestijden, berekend volgens de bepalingen, vermeld in artikel 69 tot en met 72, kunnen aangewend worden om leeractiviteiten op maat, vermeld in artikel 4, derde lid, te organiseren. Leeractiviteiten op maat kunnen alleen ingezet worden voor de doelstellingen, vermeld in artikel 4, derde lid.
  Het schoolbestuur kan de leeractiviteiten op maat vrij inplannen in de loop van het schooljaar.
  [2 [3 Een schoolbestuur kan lestijden voor leeractiviteiten op maat omzetten in een krediet om experten te vergoeden die deskundig zijn in een of meer van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, derde lid. Het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs onderwijs van 27 maart 1991 en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs 27 maart 1991 zijn niet van toepassing op deze experten.
   Een expert als vermeld in het derde lid, is van onberispelijk gedrag. Het voormelde blijkt uit een uittreksel uit het strafregister met de finaliteit 596.2 - model bestemd voor contacten met minderjarigen, dat op het ogenblik van voorleggen niet langer dan een maand tevoren is afgegeven. Daarnaast toont de voormelde expert in een academie die in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, aan dat hij de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheerst op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De voormelde expert bewijst de voormelde vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen:
   1° met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en dat behaald is in de onderwijstaal;
   2° met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   3° met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   4° met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont.
   In het derde lid wordt verstaan onder Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages.]3
.
   De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop een academie aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten de omzetting meldt, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.]2

  
Art. 73. § 1er. En application de la réglementation en matière de concertation et de négociation, l'autorité scolaire décide de l'utilisation des périodes de cours.
  L'autorité scolaire peut utiliser le nombre total de périodes de cours attribuées pour organiser des activités d'apprentissage, l'accompagnement musical et des activités d'apprentissage sur mesure. Pour la coordination pédagogique, l'autorité scolaire peut utiliser un maximum de [4 5 %]4 du nombre de périodes de cours attribuées. [4 ...]4
  § 2. Chaque période de cours utilisée pour des activités d'apprentissage donne lieu, pour chaque semaine de l'année scolaire, à une activité d'apprentissage d'au moins cinquante minutes pour le domaine arts plastiques et audiovisuels et d'au moins soixante minutes pour les domaines danse, arts de la parole-théâtre et musique, ou d'au moins cinquante ou soixante minutes pour la formation initiale transversale, en tenant compte des dispositions relatives à l'organisation de l'année scolaire, visées aux articles 63 et 64.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le Gouvernement flamand détermine les conditions dans lesquelles une académie peut regrouper les activités d'apprentissage hebdomadaires en ensembles plus grands [1 les déplacer ou remplacer par des activités extra-muros]1.
  § 3. [3 ne autorité scolaire peut également utiliser les périodes de cours qui sont calculées conformément aux articles 69 à 72 inclus pour engager des enseignants invités. Le nombre de périodes de cours vacantes pouvant être affectées à des enseignants invités, est fixé par l'autorité scolaire après négociation dans le comité local.
   Un enseignant invité, tel que visé à l'alinéa 1er, est une personne qui ne fait pas partie de l'autorité scolaire ou du personnel de l'académie. Un enseignant invité, tel que visé à l'alinéa 1er, donne en nom propre ou au service d'une organisation ou entreprise du secteur public ou privé, des cours d'invité dans l'académie ou à un autre endroit dans le cadre de la réalisation des compétences de base, des objectifs finaux spécifiques et des qualifications professionnelles sur la base de son expertise ou expérience dans les arts amateurs, les arts professionnels, l'industrie créative ou le patrimoine culturel. Si la capacité le permet, outre les élèves de l'académie, d'autres personnes intéressées peuvent également assister aux cours d'invité.
   Un enseignant invité, tel que visé à l'alinéa 1er, a une conduite irréprochable. Ce qui précède ressort d'un extrait du casier judiciaire avec la finalité 596.2 - modèle destiné aux contacts avec des mineurs, qui n'a pas été délivré plus d'un mois avant sa présentation. De plus, l'enseignant invité précité qui donne des cours d'invité dans une académie située dans la région de langue néerlandaise, à l'exception des communes à facilités, démontre qu'il maîtrise la connaissance du néerlandais comme langue d'enseignement au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues. L'enseignant invité précité prouve la connaissance linguistique requise précitée de l'une des manières suivantes :
   1° avec un titre fixé par le Gouvernement flamand pour une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant et qui a été obtenu dans la langue d'enseignement ;
   2° avec un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
   3° avec un titre qui est équivalent à un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
   4° avec un certificat de fin d'études, un certificat ou une attestation démontrant le niveau C1 requis du Cadre européen de référence pour les langues.
   A l'alinéa 4, on entend par Cadre européen commun de référence pour les langues : la traduction française du Common European Framework of Reference for Languages publié par le Conseil de l'Europe.
   Dans le mode d'affectation, visé à l'alinéa 1er, des périodes de cours sont converties en crédit à concurrence de la mission d'enseignement de l'enseignant invité. Le Gouvernement flamand détermine le mode de notification de la conversion précitée au service de l'administration désignée par le Gouvernement flamand, le montant du crédit par période de cours qui est convertie et le mode d'attribution du crédit.
   Les mesures, contenues au présent paragraphe, seront évaluées pendant l'année scolaire 2024-2025.]3

  

Wijzigingen

-----------
-----------
§ 4. Un maximum de cinq pour cent des périodes de cours, calculé conformément aux dispositions des articles 69 à 72, peut être utilisé pour organiser des activités d'apprentissage sur mesure visées à l'article 4, alinéa 3. Des activités d'apprentissage sur mesure ne peuvent être utilisées qu'aux fins visées à l'article 4, alinéa 3.
L'autorité scolaire est libre de programmer les activités d'apprentissage sur mesure au cours de l'année scolaire.
[2][2[3 Une autorité scolaire peut convertir des périodes de cours pour des activités d'apprentissage sur mesure en un crédit pour rétribuer des experts spécialisés dans un ou plusieurs des objectifs visés à l'article 4, alinéa 3. Le décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991 et le décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 ne s'appliquent pas à ces experts.
Un expert, tel que visé à l'alinéa 3, a une conduite irréprochable. Ce qui précède ressort d'un extrait du casier judiciaire avec la finalité 596.2 - modèle destiné aux contacts avec des mineurs, qui n'a pas été délivré plus d'un mois avant sa présentation. De plus, l'expert précité dans une académie située dans la région de langue néerlandaise, à l'exception des communes à facilités, démontre qu'il maîtrise la connaissance du néerlandais comme langue d'enseignement au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues. L'expert précité prouve la connaissance linguistique requise précitée de l'une des manières suivantes :
1° avec un titre fixé par le Gouvernement flamand pour une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant et qui a été obtenu dans la langue d'enseignement ;
2° avec un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
3° avec un titre qui est équivalent à un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
4° avec un certificat de fin d'études, un certificat ou une attestation démontrant le niveau C1 requis du Cadre européen de référence pour les langues.
A l'alinéa 3, on entend par Cadre européen commun de référence pour les langues : la traduction française du Common European Framework of Reference for Languages publié par le Conseil de l'Europe.
Le Gouvernement flamand arrête le mode de notification de la conversion à l'Agence de Services d'Enseignement, le volume du crédit par période de cours qui est converti et le mode d'octroi du crédit.
----------
Art. 73 TOEKOMSTIG RECHT.    § 1. Het schoolbestuur beslist, met toepassing van de reglementering over overleg en onderhandeling, over de aanwending van de lestijden.
  Het schoolbestuur kan het totale aantal toegekende lestijden aanwenden voor de organisatie van leeractiviteiten, muzikaal begeleiden en leeractiviteiten op maat. Het schoolbestuur kan maximaal [4 5%]4 van het aantal toegekende lestijden aanwenden voor pedagogische coördinatie. [4 ...]4
  [5 Het resultaat van de berekening van dat percentage wordt afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier en naar het lagere geheel getal als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier.]5
  § 2. Elke lestijd die voor leeractiviteiten aangewend wordt resulteert elke week van het schooljaar in een leeractiviteit van minstens vijftig minuten voor het domein beeldende en audiovisuele kunsten en ministens zestig minuten voor de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek, of minstens vijftig of zestig minuten voor de domeinoverschrijdende initiatieopleiding, rekening houdend met de bepalingen over de organisatie van het schooljaar, vermeld in artikel 63 en 64.
  In afwijking van het eerste lid bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder een academie de wekelijkse leeractiviteiten kan clusteren in grotere gehelen [1 , verplaatsen of vervangen door extra-murosactiviteiten.]1.
  § 3. [3 . Een schoolbestuur kan de lestijden die worden berekend conform artikel 69 tot en met 72, ook aanwenden om gastleraren in te zetten. Het aantal vacante lestijden dat aan gastleraren kan worden besteed, wordt door het schoolbestuur vastgelegd na onderhandeling in het lokaal comité.
   Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de academie. Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, geeft, in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, gastlessen in de academie of op een andere locatie in het kader van de realisatie van de basiscompetenties, specifieke eindtermen en beroepskwalificaties vanuit zijn deskundigheid of ervaring in de amateurkunsten, de professionele kunsten, de creatieve industrie of het cultureel erfgoed. Als de capaciteit dat toelaat, kunnen naast leerlingen van de academie ook andere geïnteresseerden de gastlessen bijwonen.
   Een gastleraar als vermeld in het eerste lid, is van onberispelijk gedrag. Het voormelde blijkt uit een uittreksel uit het strafregister met de finaliteit 596.2 - model bestemd voor contacten met minderjarigen, dat op het ogenblik van voorleggen niet langer dan een maand tevoren is afgegeven. Daarnaast toont de voormelde gastleraar die gastlessen geeft in een academie die in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, aan dat hij de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheerst op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De voormelde gastleraar bewijst de voormelde vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen:
   1° met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en dat behaald is in de onderwijstaal;
   2° met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   3° met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   4° met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont.
   In het vierde lid wordt verstaan onder Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages.
   Bij de wijze van aanwending, vermeld in het eerste lid, worden lestijden omgezet in een krediet ten belope van de lesopdracht van de gastleraar. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding van voormelde omzetting aan de dienst van de administratie die de Vlaamse Regering aanwijst, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.
   De maatregelen vervat in deze paragraaf worden geëvalueerd tijdens het schooljaar 2024-2025. ]3
.
  In het eerste lid wordt verstaan onder voordrachtgever : een persoon die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het personeel van de academie. Een voordrachtgever geeft, in eigen naam of in dienst van een organisatie of onderneming uit de publieke of private sector, voordrachten in de academie of op een andere locatie in het kader van de realisatie van de basiscompetenties, specifieke eindtermen en beroepskwalificaties vanuit zijn deskundigheid of ervaring in de amateurkunsten, de professionele kunsten, de creatieve industrie of het cultureel erfgoed. [2 Als de capaciteit dat toelaat, kunnen naast leerlingen van de academie ook andere geïnteresseerden de voordrachten bijwonen.]2
  Bij de aanwending van lestijden voor voordrachtgevers worden lestijden omgezet in een krediet. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van melding ervan aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.
  De aanwending van lestijden voor voordrachtgevers maakt voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité.
  § 4. Maximaal vijf percent van de lestijden, berekend volgens de bepalingen, vermeld in artikel 69 tot en met 72, kunnen aangewend worden om leeractiviteiten op maat, vermeld in artikel 4, derde lid, te organiseren. Leeractiviteiten op maat kunnen alleen ingezet worden voor de doelstellingen, vermeld in artikel 4, derde lid.
  Het schoolbestuur kan de leeractiviteiten op maat vrij inplannen in de loop van het schooljaar.
  [2 [3 Een schoolbestuur kan lestijden voor leeractiviteiten op maat omzetten in een krediet om experten te vergoeden die deskundig zijn in een of meer van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, derde lid. Het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs onderwijs van 27 maart 1991 en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs 27 maart 1991 zijn niet van toepassing op deze experten.
   Een expert als vermeld in het derde lid, is van onberispelijk gedrag. Het voormelde blijkt uit een uittreksel uit het strafregister met de finaliteit 596.2 - model bestemd voor contacten met minderjarigen, dat op het ogenblik van voorleggen niet langer dan een maand tevoren is afgegeven. Daarnaast toont de voormelde expert in een academie die in het Nederlands taalgebied ligt met uitzondering van de faciliteitengemeenten, aan dat hij de kennis van het Nederlands als onderwijstaal beheerst op het niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen. De voormelde expert bewijst de voormelde vereiste taalkennis op een van de volgende wijzen:
   1° met een bekwaamheidsbewijs dat de Vlaamse Regering vastlegt voor een wervingsambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en dat behaald is in de onderwijstaal;
   2° met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   3° met een studiebewijs dat gelijkwaardig is met een studiebewijs van door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs en dat het vereiste niveau van taalkennis aantoont;
   4° met een getuigschrift, een certificaat of een attest dat het vereiste niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen aantoont.
   In het derde lid wordt verstaan onder Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen: de Nederlandstalige vertaling van het door de Raad van Europa gepubliceerde Common European Framework of Reference for Languages.]3
.
   De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop een academie aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten de omzetting meldt, de grootte van het krediet per lestijd dat wordt omgezet en de wijze van toekenning van het krediet.]2
Art.73 DROIT FUTUR.
   § 1er. En application de la réglementation en matière de concertation et de négociation, l'autorité scolaire décide de l'utilisation des périodes de cours.
  L'autorité scolaire peut utiliser le nombre total de périodes de cours attribuées pour organiser des activités d'apprentissage, l'accompagnement musical et des activités d'apprentissage sur mesure. Pour la coordination pédagogique, l'autorité scolaire peut utiliser un maximum de [4 5 %]4 du nombre de périodes de cours attribuées. [4 ...]4
  [5 Le résultat du calcul de ce pourcentage est arrondi au nombre entier supérieur si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre, et est arrondi au nombre entier inférieur si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre.]5
  § 2. Chaque période de cours utilisée pour des activités d'apprentissage donne lieu, pour chaque semaine de l'année scolaire, à une activité d'apprentissage d'au moins cinquante minutes pour le domaine arts plastiques et audiovisuels et d'au moins soixante minutes pour les domaines danse, arts de la parole-théâtre et musique, ou d'au moins cinquante ou soixante minutes pour la formation initiale transversale, en tenant compte des dispositions relatives à l'organisation de l'année scolaire, visées aux articles 63 et 64.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le Gouvernement flamand détermine les conditions dans lesquelles une académie peut regrouper les activités d'apprentissage hebdomadaires en ensembles plus grands [1 les déplacer ou remplacer par des activités extra-muros]1.
  § 3. [3 ne autorité scolaire peut également utiliser les périodes de cours qui sont calculées conformément aux articles 69 à 72 inclus pour engager des enseignants invités. Le nombre de périodes de cours vacantes pouvant être affectées à des enseignants invités, est fixé par l'autorité scolaire après négociation dans le comité local.
   Un enseignant invité, tel que visé à l'alinéa 1er, est une personne qui ne fait pas partie de l'autorité scolaire ou du personnel de l'académie. Un enseignant invité, tel que visé à l'alinéa 1er, donne en nom propre ou au service d'une organisation ou entreprise du secteur public ou privé, des cours d'invité dans l'académie ou à un autre endroit dans le cadre de la réalisation des compétences de base, des objectifs finaux spécifiques et des qualifications professionnelles sur la base de son expertise ou expérience dans les arts amateurs, les arts professionnels, l'industrie créative ou le patrimoine culturel. Si la capacité le permet, outre les élèves de l'académie, d'autres personnes intéressées peuvent également assister aux cours d'invité.
   Un enseignant invité, tel que visé à l'alinéa 1er, a une conduite irréprochable. Ce qui précède ressort d'un extrait du casier judiciaire avec la finalité 596.2 - modèle destiné aux contacts avec des mineurs, qui n'a pas été délivré plus d'un mois avant sa présentation. De plus, l'enseignant invité précité qui donne des cours d'invité dans une académie située dans la région de langue néerlandaise, à l'exception des communes à facilités, démontre qu'il maîtrise la connaissance du néerlandais comme langue d'enseignement au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues. L'enseignant invité précité prouve la connaissance linguistique requise précitée de l'une des manières suivantes :
   1° avec un titre fixé par le Gouvernement flamand pour une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant et qui a été obtenu dans la langue d'enseignement ;
   2° avec un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
   3° avec un titre qui est équivalent à un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
   4° avec un certificat de fin d'études, un certificat ou une attestation démontrant le niveau C1 requis du Cadre européen de référence pour les langues.
   A l'alinéa 4, on entend par Cadre européen commun de référence pour les langues : la traduction française du Common European Framework of Reference for Languages publié par le Conseil de l'Europe.
   Dans le mode d'affectation, visé à l'alinéa 1er, des périodes de cours sont converties en crédit à concurrence de la mission d'enseignement de l'enseignant invité. Le Gouvernement flamand détermine le mode de notification de la conversion précitée au service de l'administration désignée par le Gouvernement flamand, le montant du crédit par période de cours qui est convertie et le mode d'attribution du crédit.
   Les mesures, contenues au présent paragraphe, seront évaluées pendant l'année scolaire 2024-2025.]3

Wijzigingen

-----------
-----------
§ 4. Un maximum de cinq pour cent des périodes de cours, calculé conformément aux dispositions des articles 69 à 72, peut être utilisé pour organiser des activités d'apprentissage sur mesure visées à l'article 4, alinéa 3. Des activités d'apprentissage sur mesure ne peuvent être utilisées qu'aux fins visées à l'article 4, alinéa 3.
L'autorité scolaire est libre de programmer les activités d'apprentissage sur mesure au cours de l'année scolaire.
[2][2[3 Une autorité scolaire peut convertir des périodes de cours pour des activités d'apprentissage sur mesure en un crédit pour rétribuer des experts spécialisés dans un ou plusieurs des objectifs visés à l'article 4, alinéa 3. Le décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991 et le décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 ne s'appliquent pas à ces experts.
Un expert, tel que visé à l'alinéa 3, a une conduite irréprochable. Ce qui précède ressort d'un extrait du casier judiciaire avec la finalité 596.2 - modèle destiné aux contacts avec des mineurs, qui n'a pas été délivré plus d'un mois avant sa présentation. De plus, l'expert précité dans une académie située dans la région de langue néerlandaise, à l'exception des communes à facilités, démontre qu'il maîtrise la connaissance du néerlandais comme langue d'enseignement au niveau C1 du Cadre européen commun de référence pour les langues. L'expert précité prouve la connaissance linguistique requise précitée de l'une des manières suivantes :
1° avec un titre fixé par le Gouvernement flamand pour une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant et qui a été obtenu dans la langue d'enseignement ;
2° avec un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
3° avec un titre qui est équivalent à un titre de l'enseignement agréé, financé ou subventionné par la Communauté flamande démontrant le niveau requis de la connaissance linguistique ;
4° avec un certificat de fin d'études, un certificat ou une attestation démontrant le niveau C1 requis du Cadre européen de référence pour les langues.
A l'alinéa 3, on entend par Cadre européen commun de référence pour les langues : la traduction française du Common European Framework of Reference for Languages publié par le Conseil de l'Europe.
Le Gouvernement flamand arrête le mode de notification de la conversion à l'Agence de Services d'Enseignement, le volume du crédit par période de cours qui est converti et le mode d'octroi du crédit.
----------
Art. 74. Het schoolbestuur kan de lestijden van het domein beeldende en audiovisuele kunsten alleen in dat domein aanwenden. De lestijden van de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek kunnen onderling worden uitgewisseld. [1 ...]1.
  De lestijden van de structuuronderdelen van de vierde graad kunnen aangewend worden in de eerste, tweede en derde graad. De lestijden van de structuuronderdelen van de eerste, tweede en derde graad kunnen niet aangewend worden in structuuronderdelen van de vierde graad maar kunnen wel onderling worden uitgewisseld.
  [1 De lestijden van de kortlopende studierichtingen kunnen alleen onderling worden uitgewisseld. Enkel wanneer het gaat om de oprichting van een nieuwe studierichting, optie of een nieuw muziekinstrument, kunnen de lestijden van de kortlopende studierichtingen worden uitgewisseld met die van de vierde graad of omgekeerd en dit voor de duur van de oprichting.]1
  Voor de personeelsregelgeving worden de kortlopende studierichtingen beschouwd als een structuuronderdeel van de vierde graad.
  
Art. 74. L'autorité scolaire ne peut utiliser les périodes de cours du domaine arts plastiques et audiovisuels que pour ce domaine. Les périodes de cours des domaines danse, arts de la parole-théâtre et musique peuvent être échangées entre elles. [1 ...]1.
  Les périodes de cours des subdivisions structurelles du quatrième degré peuvent être utilisées dans les premier, deuxième et troisième degrés. Les périodes de cours des subdivisions structurelles des premier, deuxième et troisième degrés ne peuvent être utilisées dans les subdivisions structurelles du quatrième degré mais peuvent être échangées entre elles.
  [1 Les périodes de cours des orientations d'études de courte durée ne peuvent être échangées qu'entre elles. Ce n'est que dans le cas de la création d'une nouvelle orientation d'études, option ou d'un nouveau instrument de musique que les périodes de cours des orientations d'études de courte durée peuvent être échangées avec celles du quatrième degré ou vice versa et ce, pour la durée de la création.]1
  Aux fins de la réglementation applicable aux personnels, les orientations d'études de courte durée sont considérées comme une subdivision structurelle du quatrième degré.
  
Art. 75. Een schoolbestuur kan tijdens een bepaald schooljaar lestijden die het in een academie niet aanwendt, overdragen naar het volgend schooljaar [1 of naar een andere academie of naar een academie van een ander schoolbestuur]1 als het voldoet aan al de volgende voorwaarden :
  1° het maximaal aantal lestijden van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen wordt uiterlijk op 1 november van dat schooljaar vastgelegd;
  2° het maximaal aantal lestijden van een bepaald schooljaar dat wordt overgedragen, kan nooit hoger liggen dan 3% van het aantal lestijden van dat schooljaar. Het maximum aantal overgedragen lestijden wordt altijd naar boven afgerond naar een volledige lestijd;
  3° de lestijden kunnen alleen in het lopende of het volgende schooljaar worden aangewend;
  4° het schoolbestuur van de academie heeft op eer verklaard dat het tijdens dat schooljaar in de academie overeenkomstig de geldende reglementering geen nieuwe of bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel moet uitspreken of als de leden van het onderwijzend personeel die nieuw of bijkomend ter beschikking werden gesteld wegens ontstentenis van betrekking, kunnen worden gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante of niet-vacante organieke betrekking in een academie van het schoolbestuur voor de hele verdere duur van het schooljaar.
  In afwijking van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, worden voor de toepassing van het eerste lid in een kunstacademie, het domein beeldende en audiovisuele kunsten en het geheel van de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek als een afzonderlijke academie beschouwd.
  Als niet aan de voorwaarden voldaan is, vermeld in het eerste lid, en in het geval van een kunstacademie het eerste, tweede en derde lid, heeft een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking geen uitwerking ten aanzien van de overheid.
  In de overgedragen lestijden, vermeld in het eerste lid, kunnen geen personeelsleden vastbenoemd worden. Als niet aan de voormelde voorwaarde voldaan is, hebben de vaste benoemingen geen uitwerking ten aanzien van de overheid.
  [1 De Vlaamse Regering bepaalt de termijn en de wijze waarop de overgedragen lestijden gemeld worden aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]1
  
Art. 75. Au cours d'une année scolaire donnée, une autorité scolaire peut reporter à l'année scolaire suivante les périodes de cours qu'elle n'utilise pas dans une académie, [1 ou à une autre académie ou à une académie d'une autre autorité scolaire]1 si elle remplit toutes les conditions suivantes :
  1° le nombre maximum de périodes de cours d'une année scolaire donnée qui est reporté est fixé au plus tard le 1er novembre de l'année scolaire en question ;
  2° le nombre maximal de périodes de cours reportées d'une année scolaire à l'autre ne peut jamais dépasser 3 % du nombre de périodes de cours de cette année scolaire. Le nombre maximum de périodes de cours transférées est toujours arrondi à une période de cours entière ;
  3° les périodes de cours ne peuvent être utilisées que dans l'année scolaire en cours ou dans l'année scolaire suivante ;
  4° l'autorité scolaire de l'académie a déclaré sur l'honneur qu'elle ne doit prononcer, pendant cette année scolaire dans l'académie, conformément à la réglementation en vigueur, aucune mise en disponibilité par défaut d'emploi nouvelle ou supplémentaire dans la catégorie du personnel enseignant ou si les membres du personnel enseignant nouvellement ou supplémentairement mis en disponibilité par défaut d'emploi peuvent être réaffectés ou remis à l'emploi dans un emploi organique vacant ou non vacant dans une académie de l'autorité scolaire et ce, pour le reste de l'année scolaire.
  Par dérogation à la condition, visée à l'alinéa 1er, 4°, sont considérés pour l'application de l'alinéa 1er dans une académie des arts, le domaine arts plastiques et audiovisuels et l'ensemble des domaines danse, arts de la parole-théâtre et musique comme une académie séparée.
  S'il n'est pas satisfait aux conditions, visées à l'alinéa 1er, et, dans le cas d'une académie des arts, aux conditions visées aux alinéas 1er, 2 et 3, la mise en disponibilité par défaut d'emploi ne produit aucun effet à l'égard de l'autorité.
  Dans les périodes de cours transférées, visées à l'alinéa 1er, aucun membre du personnel ne peut être nommé à titre définitif. Lorsque la condition précitée n'est pas remplie, les nominations à titre définitif ne produisent aucun effet à l'égard de l'autorité.
  [1 Le Gouvernement flamand détermine le délai et la manière de communication des périodes de cours transférées à l'Agence de Services d'Enseignement.]1
  
Onderafdeling 3. [1 Aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel]1
Sous-section 3. [1 Périodes de cours complémentaires pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant]1
Art. 75/1. [1 § 1. Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het totale aantal aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel 604 lestijden.
   Voor het schooljaar X-X+1, vanaf het schooljaar 2022-2023, worden de lestijden, vermeld in het eerste lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A1=X/Y, waarbij:
   1° X: het totale aantal leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op de eerste schooldag van februari X;
   2° Y: het totale aantal leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op de eerste schooldag van februari 2021.
   § 2. Het aantal aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel waarop de academie voor deeltijds kunstonderwijs recht heeft, wordt berekend met de formule A*B, waarbij:
   1° A: de beschikbare lestijden voor het deeltijds kunstonderwijs, vermeld in paragraaf 1, gedeeld door het totale aantal lestijden in het deeltijds kunstonderwijs van het vorige schooljaar van alle academies samen;
   2° B: het totale aantal lestijden van de academie van het vorige schooljaar, waarbij onder het totale aantal lestijden van de academie de som van al de volgende elementen wordt verstaan:
   a) de lestijden, vermeld in artikel 69 van dit decreet;
   b) de overbruggingslestijden, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2021 tot het nemen van dringende tijdelijke maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis (VII);
   c) de bijkomende overbruggingslestijden, vermeld in artikel 7 van het voormelde decreet van 30 april 2021.
   De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een academie afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.
   § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten waarin een academie met de aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in paragraaf 1, betrekkingen kan inrichten en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel, vermeld in paragraaf 1, naar die betrekkingen.
   § 4. De aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel worden gebruikt om de werkdruk van het onderwijzend personeel te verminderen met een effect op de lesopdracht. Er kan aan een onderwijzend personeelslid maximaal één lestijd toegekend worden. Van dat principe kan alleen worden afgeweken tot maximaal drie lestijden per onderwijzend personeelslid op grond van een gemotiveerd verzoek en na onderhandeling in het lokaal comité. Dit gemotiveerd verzoek kan zowel van de afvaardiging van het schoolbestuur als van de afvaardiging van het personeel komen. Deze toegekende lestijden kunnen, in afwijking van artikel 75, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar.
   § 5. In afwijking van paragraaf 4 kan een schoolbestuur tijdens de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 bij een tekort aan onderwijzend personeel de aanvullende lestijden voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel ook aanwenden in ambten van het ondersteunend personeel. De criteria voor de bepaling van het tekort aan onderwijzend personeel worden bepaald in het bevoegd lokaal comité en de aanwending in ambten van het ondersteunend personeel kan enkel worden toegepast na onderhandeling in het bevoegd lokaal comité.
   De betrekkingen die ingericht worden in ambten van het ondersteunend personeel als vermeld in het eerste lid, komen niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekkingen.
   De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop omrekening gebeurt van de aanvullende lestijden naar administratieve omkaderingseenheden voor ambten van het ondersteund personeel.]1

  
Art. 75/1. [1 § 1er. Pour l'année scolaire 2021-2022, le nombre total de périodes de cours complémentaires pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant s'élève à 604 périodes de cours.
   Pour l'année scolaire X-X+1, à compter de l'année scolaire 2022-2023, les périodes de cours visées à l'alinéa premier sont multipliées par le coefficient d'adaptation A1 = X/Y, où :
   1° X : le nombre total d'élèves dans l'enseignement artistique à temps partiel au premier jour de classe de février X ;
   2° Y : le nombre total d'élèves dans l'enseignement artistique à temps partiel au premier jour de classe de février 2021.
   § 2. Le nombre de périodes de cours complémentaires pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant, auquel l'académie d'enseignement artistique à temps partiel a droit, est calculé au moyen de la formule A*B, où :
   1° A : le nombre de périodes de cours disponibles pour l'enseignement artistique à temps partiel, visé au paragraphe 1er, divisé par le nombre total de périodes de cours dans l'enseignement artistique à temps partiel de l'année scolaire précédente pour l'ensemble des académies ;
   2° B : le nombre total de périodes de cours de l'académie de l'année scolaire précédente, le nombre total de périodes de cours de l'académie étant la somme de tous les éléments suivants :
   a) les périodes de cours, visées à l'article 69 du présent décret ;
   b) les périodes de cours de transition, visées à l'article 6 du décret du 30 avril 2021 contenant des mesures temporaires urgentes dans le domaine de l'enseignement à la suite de la crise du coronavirus (VII) ;
   c) les périodes de cours de transition supplémentaires, visées à l'article 7 du décret précité du 30 avril 2021.
   Les périodes de cours, visées à l'alinéa premier, sont arrondies au sein d'une académie à l'unité supérieure si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre. Si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre, le nombre est arrondi à l'unité inférieure.
   § 3. Le Gouvernement flamand détermine les fonctions dans lesquelles une académie peut organiser des emplois avec les périodes de cours complémentaires pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant, visées au paragraphe 1er, ainsi que le mode de conversion des périodes de cours complémentaires pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant, visées au paragraphe 1er, en ces emplois.
   § 4. Les périodes de cours complémentaires pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant doivent être affectées à la diminution de la charge de travail du personnel enseignant avec un effet sur la mission d'enseignement. Au maximum une période de cours peut être accordée à un membre du personnel enseignant. Il ne peut être dérogé à ce principe que jusqu'à trois périodes de cours au maximum par membre du personnel enseignant, sur la base d'une demande motivée et après négociation au sein du comité local. Cette demande motivée peut être formulée tant par la délégation de l'autorité scolaire que par la délégation du personnel. Par dérogation à l'article 75, ces périodes de cours accordées ne peuvent pas être transférées à l'année scolaire suivante.
   § 5. Par dérogation au paragraphe 4, en cas de pénurie de personnel enseignant, une autorité scolaire peut également affecter les périodes de cours complémentaires pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant dans les fonctions du personnel d'appui pendant les années scolaires 2021-2022 et 2022-2023. Les critères de détermination de la pénurie de personnel enseignant sont arrêtés au sein du comité local compétent et l'affectation dans des fonctions du personnel d'appui ne peut être appliquée qu'après une négociation au sein du comité local compétent.
   Les emplois organisés dans des fonctions du personnel d'appui, tels que visés à l'alinéa premier, n'entrent pas en ligne de compte pour une déclaration de vacance d'emploi et l'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer un membre du personnel à titre définitif, l'affecter ou le muter dans un de ces emplois.
   Le Gouvernement flamand détermine le mode de conversion des périodes de cours complémentaires en unités d'encadrement administratif pour les fonctions du personnel d'appui.]1

  
Onderafdeling 3/1. [1 Aanvullende lestijden samen school maken]1
Sous-section 3/1. [1 Périodes de cours complémentaires pour faire l'école ensemble]1
Art. 75/2. [1 § 1. Vanaf het schooljaar 2021-2022 hebben academies recht op aanvullende lestijden samen school maken.
   § 2. Het aantal aanvullende lestijden samen school maken waarop de academie recht heeft, wordt berekend met de formule 0,002051981*B.
   In het eerste lid wordt verstaan onder B: het totale aantal lestijden van de academie van het vorige schooljaar, waarbij onder het totale aantal lestijden van de academie de som van al de volgende elementen wordt verstaan:
   a) de lestijden, vermeld in artikel 69 van dit decreet;
   b) de overbruggingslestijden, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 april 2021 tot het nemen van dringende tijdelijke maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis (VII);
   c) de bijkomende overbruggingslestijden, vermeld in artikel 7 van het voormelde decreet van 30 april 2021.
   De lestijden, vermeld in het eerste lid, worden binnen een academie afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.
   § 3. In afwijking van paragraaf 2 hebben academies die conform paragraaf 2 recht hebben op meer dan drie aanvullende lestijden samen school maken, recht op drie aanvullende lestijden.
   In afwijking van paragraaf 2 hebben academies die conform paragraaf 2 recht hebben op minder dan één aanvullende lestijd samen school maken, recht op één aanvullende lestijd.
   § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten waarin een academie met de aanvullende lestijden samen school maken, vermeld in paragraaf 1, betrekkingen kan inrichten en de wijze waarop de omrekening gebeurt van de aanvullende lestijden samen school maken, vermeld in paragraaf 1, naar die betrekkingen. De Vlaamse Regering bepaalt ook de wijze waarop de lestijden via omzettingstabellen omgezet kunnen worden in punten of uren.
   § 5. De Vlaamse Regering keurt het afsprakenkader tussen het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van schoolbesturen van het gesubsidieerd onderwijs en de representatieve vakorganisaties over de wijze van toekenning, de verdeling en de inzet van de aanvullende lestijden samen school maken die specifiek gericht zijn op het versterken van het lokale sociaal overleg goed.
   Voor de aanwending van de lestijden samen school maken kunnen de academies samenwerken. Voor die samenwerking kunnen die lestijden, via een overdracht als vermeld in artikel 75, samengelegd worden. De scholen die samenwerken, maken in dat geval afspraken over de inzet en aanwending van de lestijden. Deze toegekende lestijden kunnen, in afwijking van artikel 75, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar.]1

  
Art. 75/2. [1 § 1er. A partir de l'année scolaire 2021-2022, les académies ont droit à des périodes de cours complémentaires pour faire l'école ensemble.
   § 2. Le nombre de périodes de cours complémentaires pour faire l'école ensemble, auquel l'académie a droit, est calculé au moyen de la formule 0,002051981*B.
   Dans l'alinéa premier, on entend par B : le nombre total de périodes de cours de l'académie de l'année scolaire précédente, le nombre total de périodes de cours de l'académie étant la somme de tous les éléments suivants :
   a) les périodes de cours, visées à l'article 69 du présent décret ;
   b) les périodes de cours de transition, visées à l'article 6 du décret du 30 avril 2021 contenant des mesures temporaires urgentes dans le domaine de l'enseignement à la suite de la crise du coronavirus (VII) ;
   c) les périodes de cours de transition supplémentaires, visées à l'article 7 du décret précité du 30 avril 2021.
   Les périodes de cours, visées à l'alinéa premier, sont arrondies au sein d'une académie à l'unité supérieure si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre. Si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre, le nombre est arrondi à l'unité inférieure.
   § 3. Par dérogation au paragraphe 2, les académies qui, conformément au paragraphe 2, ont droit à plus de trois périodes de cours complémentaires pour faire l'école ensemble, ont droit à trois périodes de cours complémentaires.
   Par dérogation au paragraphe 2, les académies qui, conformément au paragraphe 2, ont droit à moins d'une période de cours complémentaire pour faire l'école ensemble, ont droit à une période de cours complémentaire.
   § 4. Le Gouvernement flamand détermine les fonctions dans lesquelles une académie peut organiser des emplois avec les périodes de cours complémentaires pour faire l'école ensemble, visées au paragraphe 1er, ainsi que le mode de conversion des périodes de cours complémentaires pour faire l'école ensemble, visées au paragraphe 1er, en ces emplois. Le Gouvernement flamand détermine également la manière dont les périodes de cours peuvent être converties en points ou heures par le biais de tableaux de conversion.
   § 5. Le Gouvernement flamand approuve le cadre d'accords entre l'enseignement communautaire et les associations représentatives des autorités scolaires de l'enseignement subventionné et les organisations syndicales représentatives sur le mode d'octroi, la répartition et l'utilisation des périodes de cours complémentaires pour faire l'école ensemble visant spécifiquement à renforcer la concertation sociale locale.
   Les académies peuvent collaborer pour l'affectation des périodes de cours pour faire l'école ensemble. Aux fins de cette collaboration, ces périodes de cours peuvent être regroupées par le biais d'un transfert tel que visé à l'article 75. Le cas échéant, les écoles collaborantes concluent des accords sur l'utilisation et l'affectation des périodes de cours. Par dérogation à l'article 75, ces périodes de cours accordées ne peuvent pas être transférées à l'année scolaire suivante.]1

  
Onderafdeling 4. - Bijzondere bepalingen
Sous-section 4. - Dispositions particulières
Art. 76. § 1. Kunstacademies hebben vanaf vierhonderd leerlingen zoals die geteld zijn op 1 februari van het voorafgaande schooljaar in de academie recht op twintig lestijden voor beleidsondersteuning. Onder dat minimum wordt het aantal lestijden voor beleidsondersteuning toegekend naar rato van 1/20 per volledige reeks van twintig leerlingen.
  In afwijking van het eerste lid is de teldag voor academies in oprichting 1 oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt vanaf het schooljaar van oprichting en de elf daaropvolgende schooljaren.
  Academies die op 1 september 2017 een tijdelijk project intergemeentelijke samenwerking of een tijdelijk project regionale samenwerking organiseerden, behouden de lestijden voor pedagogische coördinatie die hun krachtens de projectvoorwaarden zijn toegekend.
  De Vlaamse Regering bepaalt de ambten waarin een academie met de les-tijden, vermeld in het eerste en derde lid, betrekkingen kan organiseren en de wijze waarop de lestijden naar die betrekkingen worden omgerekend.
  § 2. Vanaf het schooljaar 2019-2020 hebben academies, vermeld in bijlage 2 bij dit decreet, recht op extra lestijden. Deze extra lestijden worden jaarlijks berekend volgens de formule opgenomen in het tweede lid.
  Als X voor de academies, vermeld in bijlage 2 bij dit decreet, kleiner is dan Z dan heeft de betrokken academie recht op Y extra lestijden, berekend volgens de formule :
  [1 ...]1
  Y wordt afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier en naar het lagere geheel getal als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier.
  Als de betrokken academie, conform artikel 155, recht heeft op additionele lestijden voor de eerste, tweede en derde graad dan wordt de helft van Y, voor de betrokken academie, afgetrokken van de lestijden bekomen voor de eerste, tweede en derde graad volgens artikel 155. Als het hierdoor bekomen aantal lestijden negatief is dan wordt het aantal lestijden volgens artikel 155 voor de betrokken academie voor de eerste, tweede en derde graad gelijkgesteld met nul.
  Als de betrokken academie, conform artikel 155, recht heeft op additionele lestijden voor de vierde graad en de kortlopende studierichtingen dan wordt de helft van Y, voor de betrokken academie, afgetrokken van de lestijden bekomen voor de vierde graad en de kortlopende studierichtingen, conform artikel 155. Als het hierdoor bekomen aantal lestijden negatief is, wordt het aantal lestijden, conform artikel 155, voor de betrokken academie voor vierde graad en de kortlopende studierichtingen gelijkgesteld met nul.
  
Art. 76. § 1er. A partir de quatre cents élèves comptés au 1er février de l'année scolaire précédente, les académies des arts ont droit à vingt périodes de cours pour l'appui à la gestion dans l'académie. En deçà de ce seuil, le nombre de périodes de cours pour l'appui à la gestion est attribué au prorata de 1/20 par série complète de vingt élèves.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le jour de comptage pour les académies en cours de création est le 1er octobre de l'année scolaire en cours. Ce jour de comptage s'applique à partir de l'année scolaire de création et pendant les onze années scolaires suivantes.
  Les académies qui, au 1er septembre 2017 organisaient un projet temporaire de coopération intercommunale ou un projet temporaire de coopération régionale, conservent les périodes de cours destinées à la coordination pédagogique qui leur sont attribuées en vertu des conditions du projet.
  Le Gouvernement flamand détermine les fonctions dans lesquelles une académie peut organiser des emplois avec les périodes de cours, visées aux alinéas 1er et 3, ainsi que le mode de conversion des périodes de cours vers ces emplois.
  § 2. A partir de l'année scolaire 2019-2020, les académies, visées à l'annexe 2 du présent décret, ont droit à des périodes supplémentaires. Ces périodes de cours supplémentaires sont calculées annuellement suivant la formule figurant à l'alinéa 2.
  Si X pour les académies, énumérées à l'annexe 2 du présent décret, est inférieur à Z, l'académie en question a droit à Y périodes supplémentaires, calculées selon la formule :
  Y = Z - X,
  [1 ...]1
  Y est arrondi au nombre entier supérieur si la première décimale est supérieure à quatre, et au nombre entier inférieur si la première décimale est inférieure ou égale à quatre.
  Si l'académie concernée a droit, conformément à l'article 155, à des périodes de cours additionnelles pour les premier, deuxième et troisième degrés, la moitié de Y sera déduite, pour l'académie concernée, des périodes de cours obtenues pour les premier, deuxième et troisième degrés, conformément à l'article 155. Si le nombre de périodes de cours ainsi obtenu est négatif, le nombre de périodes de cours pour l'académie concernée pour les premier, deuxième et troisième degrés est censé être égal à zéro conformément à l'article 155.
  Si l'académie concernée a droit, conformément à l'article 155, à des périodes de cours additionnelles pour le quatrième degré et les orientations d'études de courte durée, la moitié de Y sera déduite, pour l'académie concernée, des périodes de cours obtenues pour le quatrième degré et les orientations d'études de courte durée, conformément à l'article 155. Si le nombre de périodes de cours ainsi obtenu est négatif, le nombre de périodes de cours, pour l'académie concernée pour le quatrième degré et les orientations d'études de courte durée est censé être égal à zéro, conformément à l'article 155.
  
Art. 76/1. [1 § 1. [3 [4 Een academie heeft recht op aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding die berekend worden met de formule A*B, waarbij:
   1А A: het totale aantal lestijden van de academie van het voorafgaande schooljaar, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het daaraan voorafgaande schooljaar;
   2А B: X/Y, waarbij:
   a) X: het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs;
   b) Y: het totale aantal lestijden voor het deeltijds kunstonderwijs van het vorige schooljaar, dat wordt berekend conform artikel 69 op basis van de leerlingentelling van 1 februari van het daaraan voorafgaande schooljaar.]4

   Voor het schooljaar 2021-2022 bedraagt het totale aantal aanvullende lestijden voor aanvangsbegeleiding voor het deeltijds kunstonderwijs, vermeld in het eerste lid, 454 lestijden.
   Voor het schooljaar X-X+1, vanaf het schooljaar 2022-2023, worden de lestijden, vermeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met de aanpassingscoefficiënt A=X/Y, waarbij:
   1° X: het totale aantal financierbare leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs [4 op 1 februari X-1]4;
   2° Y: het totale aantal financierbare leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs op 1 februari 2021.
   Het resultaat van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt afgerond naar het hogere geheel getal als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier, wordt er afgerond naar de lagere eenheid.]3

   § 2. [3 De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de lestijden die conform paragraaf 1 worden berekend, gebruikt kunnen worden en bepaalt de personeelscategorieën en ambten waarin op basis van die lestijden betrekkingen kunnen worden opgericht. De Vlaamse Regering bepaalt ook hoe de lestijden via omzettingstabellen omgezet kunnen worden in punten of uren.]3
   § 3. [3 Als academies de aanvullende lestijden, vermeld in paragraaf 1, niet kunnen gebruiken voor aanvangsbegeleiding, moeten ze die lestijden gebruiken voor de ondersteuning van de kerntaak van het onderwijzend personeel conform artikel 75/1, § 4. Deze toegekende lestijden kunnen in afwijking van artikel 75, niet overgedragen worden naar het daaropvolgende schooljaar.]3
   § 4. [3 ...]3]1

  
Art. 76/1. [1 § 1er. [3 [4 Une académie a droit à des périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial qui sont calculées au moyen de la formule A*B, où :
   1° A : le nombre total de périodes de cours de l'académie de l'année scolaire précédente, qui est calculé conformément à l'article 69 sur la base du comptage des élèves au 1er février de l'année scolaire qui précède celle-ci ;
   2° B : X/Y, où :
   a) X : le nombre total de périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial pour l'enseignement artistique à temps partiel ;
   b) Y : le nombre total de périodes de cours pour l'enseignement artistique à temps partiel de l'année scolaire précédente, qui est calculé conformément à l'article 69 sur la base du comptage des élèves au 1er février de l'année scolaire qui précède celle-ci. ]4
.
   Pour l'année scolaire 2021-2022, le nombre total de périodes de cours complémentaires pour l'encadrement initial pour l'enseignement artistique à temps partiel, visé à l'alinéa premier, est de 454 périodes de cours.
   Pour l'année scolaire X-X+1, à compter de l'année scolaire 2022-2023, les périodes de cours visées à l'alinéa deux sont multipliées par le coefficient d'adaptation A = X/Y, où :
   1° X : le nombre total d'élèves admissibles au financement dans l'enseignement artistique à temps partiel [4 le 1er février X-1 ]4;
   2° Y : le nombre total d'élèves admissibles au financement dans l'enseignement artistique à temps partiel le 1er février 2021.
   Le résultat du calcul, visé à l'alinéa premier, est arrondi à l'unité supérieure si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre. Si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre, le nombre est arrondi à l'unité inférieure.]3

   § 2. [3 Le Gouvernement flamand détermine la manière dont les périodes de cours calculées conformément au paragraphe 1 peuvent être affectées, et détermine également les catégories de personnel et les fonctions dans lesquelles des emplois peuvent être créés sur la base de ces périodes de cours. Le Gouvernement flamand détermine également la manière dont les périodes de cours peuvent être converties en points ou heures par le biais de tableaux de conversion.]3
   § 3. [3 Si les académies ne peuvent pas utiliser les périodes de cours complémentaires, visées au paragraphe 1er, pour l'encadrement initial, elles doivent les utiliser pour le soutien de la tâche principale du personnel enseignant conformément à l'article 75/1, § 4. Par dérogation à l'article 75, ces périodes de cours accordées ne peuvent pas être transférées à l'année scolaire suivante.]3
   § 4. [3 ...]3
  
Art. 76/2. [1 Ї 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
   1А flexi-jobwerknemer: een werknemer als vermeld in artikel 3, 3А, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
   2А flexi-jobarbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als vermeld in artikel 3, 4А, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.
   Ї 2. Een schoolbestuur kan bij een tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt eigen middelen, werkingsmiddelen als vermeld in artikel 83 en 84, of een deel van zijn omkadering dat omgezet kan worden naar een krediet, voor de wervingsambten van het onderwijzend of ondersteunend personeel van een of meer van zijn academies aanwenden om via een flexi-jobarbeidsovereenkomst in die academie of academies een flexi-jobwerknemer in dienst te nemen.
   Het tekort aan onderwijzend of ondersteunend personeel op de arbeidsmarkt, vermeld in het eerste lid, blijkt uit het feit dat het schoolbestuur in de academie waar het de flexi-jobwerknemer, vermeld in het eerste lid, in dienst wil nemen voor een vacature in een wervingsambt van het onderwijzend of ondersteunend personeel, de voormelde vacature niet kan invullen via een reguliere aanstelling van een personeelslid dat daarvoor beschikt over een vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs.
   In het tweede lid wordt verstaan onder vacature: een volledige of onvolledige betrekking die vacant is of waarvan de afwezige titularis of zijn vervanger regulier kan worden vervangen.
   Ї 3. Het schoolbestuur sluit met de flexi-jobwerknemer een flexi-jobarbeidsovereenkomst af. De bepalingen in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en de uitvoeringsbesluiten van die decreten zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op de voormelde werknemers.
   In afwijking van het eerste lid, moet een flexi-jobwerknemer voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 17, Ї 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 of artikel 19, Ї 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991.
   De flexi-jobwerknemer mag daarnaast geen andere tewerkstelling bij het schoolbestuur hebben.
   Ї 4. Voor het aanwenden van een deel van de omkadering als vermeld in paragraaf 2 kan een schoolbestuur enkel het krediet gebruiken dat het verkrijgt via de omzetting van die omkadering, vermeld in artikel 73, Ї 3.
   De mogelijkheid om het krediet, vermeld in het eerste lid, te gebruiken, eindigt:
   1А vanaf het ogenblik dat de titularis van de betrekking die in aanmerking komt voor een reguliere vervanging vervroegd terugkeert uit zijn afwezigheid. Hierdoor eindigt ook de aanstelling van de flexi-jobwerknemer;
   2А als de flexi-jobwerknemer ontslag neemt.]1

  
Art. 76/2. [1 § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
   1° travailleur exerçant un flexi-job : un travailleur tel que visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale ;
   2° contrat de travail flexi-job : un contrat de travail tel que visé à l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale.
   § 2. En cas de pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, une autorité scolaire peut utiliser des fonds propres, moyens de fonctionnement tels que visés aux articles 83 et 84, ou une partie de son encadrement pouvant être converti en crédit, pour les fonctions de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui d'une ou de plusieurs de ses académies, afin d'employer dans cette ou ces académies, par le biais d'un contrat de travail flexi-job, un travailleur exerçant un flexi-job.
   La pénurie de personnel enseignant ou de personnel d'appui sur le marché du travail, visée à l'alinéa 1er, ressort du fait que l'autorité scolaire, dans l'académie où elle veut engager le travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'alinéa 1er, pour une vacance dans une fonction de recrutement du personnel enseignant ou du personnel d'appui, ne peut pas pourvoir la vacance précitée par le biais d'une désignation régulière d'un membre du personnel qui possède à cet effet un titre requis ou jugé suffisant.
   Dans l'alinéa 2, on entend par vacance : un emploi complet ou incomplet qui est vacant ou pour lequel le titulaire absent ou son remplaçant peut être remplacé de manière régulière.
   § 3. L'autorité scolaire conclut avec le travailleur exerçant un flexi-job un contrat de travail flexi-job. Les dispositions du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991 et les arrêtés d'exécution de ces décrets ne s'appliquent pas, sauf disposition expresse contraire, aux employés précités.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, un travailleur exerçant un flexi-job doit satisfaire aux conditions visées à l'article 17, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire ou à l'article 19, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
   Le travailleur exerçant un flexi-job ne peut par ailleurs pas avoir d'autre occupation auprès de l'autorité scolaire.
   § 4. Pour l'utilisation d'une partie de son encadrement telle que visée au paragraphe 2, une autorité scolaire peut uniquement utiliser le crédit obtenu via la conversion de cet encadrement, visée à l'article 73, § 3.
   La faculté d'utiliser le crédit, visée à l'alinéa 1er, prend fin :
   1° à partir du moment où le titulaire de l'emploi qui entre en ligne de compte pour un remplacement régulier revient de son absence de manière anticipée. De ce fait se termine également la désignation du travailleur exerçant un flexi-job ;
   2° lorsque le travailleur exerçant un flexi-job démissionne.]1

  
Afdeling 3. - Omkadering bestuurspersoneel
Section 3. - Encadrement du personnel directeur
Art. 77. Academies hebben vanaf tweehonderd leerlingen zoals die geteld zijn op 1 februari van het voorgaande schooljaar in de academie recht op een ambt van directeur. Onder dat minimum wordt het ambt van directeur toegekend naar rato van 1/20 per volledige reeks van tien leerlingen.
  In afwijking van het eerste lid is de teldag voor academies in oprichting 1 oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt vanaf het schooljaar van oprichting en de elf daaropvolgende schooljaren.
Art. 77. A partir de deux cents élèves comptés au 1er février de l'année scolaire précédente, les académies ont droit à une fonction de directeur. En deçà de ce seuil, une fonction de directeur est attribuée au prorata de 1/20 par série complète de dix élèves.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le jour de comptage pour les académies en cours de création est le 1er octobre de l'année scolaire en cours. Ce jour de comptage s'applique à partir de l'année scolaire de création et pendant les onze années scolaires suivantes.
Art. 78. Het personeelslid dat vastbenoemd is in het ambt van directeur in een academie en dat als gevolg van fusie van academies ter beschikking gesteld wordt wegens ontstentenis van betrekking, kan op persoonlijke titel tewerkgesteld worden in een niet-organieke betrekking van directeur die aan de gefuseerde academie wordt toegevoegd. De tewerkstelling in de niet-organieke betrekking wordt beschouwd als een reaffectatie en schort alle reaffectatie- en wedertewerkstellingsverplichtingen buiten de academie op.
  De niet-organieke betrekking, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend op basis van dezelfde berekening als voor het ambt van directeur, vermeld in artikel 77. De niet-organieke betrekking wordt alleen toegekend zolang het personeelslid, vermeld in het eerste lid, erin tewerkgesteld wordt.
  Zolang aan de kunstacademie een niet-organieke betrekking toegekend wordt als vermeld in het tweede lid, worden in die kunstacademie in afwijking van artikel 76, § 1, geen lestijden voor beleidsondersteuning gefinancierd of gesubsidieerd.
Art. 78. Le membre du personnel qui est nommé à titre définitif dans la fonction de directeur dans une académie et qui, à la suite de la fusion d'académies, est mis en disponibilité par défaut d'emploi, peut être mis au travail à titre personnel dans un emploi non organique de directeur qui est ajouté à l'académie fusionnée. La mise au travail dans un emploi non organique est considérée comme une réaffectation et suspend toutes les obligations de réaffectation et de remise au travail en dehors de l'académie.
  L'emploi non organique, visé à l'alinéa 1er, est attribué sur la base du même calcul que celui pour la fonction de directeur, visée à l'article 77. L'emploi non organique n'est accordé que pour la durée pendant laquelle le membre du personnel visé à l'alinéa 1er y est mis au travail.
  Tant qu'un emploi non organique, tel que visé à l'alinéa 2, est attribué à l'académie des arts, aucune période de cours pour l'appui à la gestion ne peut être financée ou subventionnée, par dérogation à l'article 76, § 1er, dans cette académie des arts.
Afdeling 4. - Omkadering ondersteunend personeel en opvoedend hulppersoneel
Section 4. - Encadrement du personnel d'appui et du personnel auxiliaire d'éducation
Art. 79. § 1. Elke academie heeft recht op administratieve omkaderingseenheden die berekend worden volgens de formule :
  (a x 0,001 x 38) - (b x 38/32),
  waarbij :
  1° a : het aantal leerlingen op 1 februari van het voorgaande schooljaar in de academie;
  2° b : het aantal uren van een betrekking studiemeester-opvoeder; beperkt tot de omvang, vermeld in paragraaf 3;
  3° 32 : het aantal uren van een voltijdse betrekking studiemeester-opvoeder;
  4° 38 : het aantal omkaderingseenheden voor een voltijdse betrekking administratief medewerker.
  In afwijking van de teldag, vermeld in het eerste lid, 1°, is de teldag voor academies in oprichting 1 oktober van het lopende schooljaar. Die teldag geldt vanaf het schooljaar van oprichting en de elf daaropvolgende schooljaren.
  § 2. Als het eerste cijfer na de komma groter dan of gelijk is aan vijf, wordt de uitkomst van die formule naar boven afgerond. Als dat cijfer kleiner is dan vijf, wordt de uitkomst naar beneden afgerond.
  § 3. In een academie die op 30 juni 2007 beschikte over een gefinancierde of gesubsidieerde betrekking in het ambt van studiemeester-opvoeder, waar een vastbenoemd personeelslid of een tijdelijk personeelslid in een vacante betrekking titularis van was, of waar op 30 juni 2007 een vast benoemd studiemeester-opvoeder ter beschikking gesteld was wegens ontstentenis van betrekking, wordt dat ambt gefinancierd of gesubsidieerd, zolang datzelfde personeelslid er titularis is.
  Het recht, vermeld in het eerste lid, is beperkt tot de omvang van de betrekking waarvan dat personeelslid titularis was op 30 juni 2007.
Art. 79. § 1er. Toute académie a droit à des unités d'encadrement administratif calculées selon la formule suivante :
  (a x 0,001 x 38) - (b x 38/32),
  où :
  1° a : le nombre d'élèves au 1er février de l'année scolaire précédente dans l'académie ;
  2° b : le nombre d'heures d'un emploi de surveillant-éducateur ; limité au volume visé au paragraphe 3 ;
  3° 32 : le nombre d'heures d'un emploi à temps plein de surveillant-éducateur ;
  4° 38 : le nombre d'unités d'encadrement administratif pour un emploi à temps plein de collaborateur administratif.
  Par dérogation au jour de comptage, visé à l'alinéa 1er, 1°, le jour de comptage pour les académies en cours de création est le 1er octobre de l'année scolaire en cours. Ce jour de comptage s'applique à partir de l'année scolaire de création et pendant les onze années scolaires suivantes.
  § 2. Si la première décimale est supérieure ou égale à cinq, le résultat de cette formule est arrondi à l'unité supérieure. Si ce chiffre est inférieur à cinq, le résultat est arrondi à l'unité inférieure.
  § 3. Dans une académie qui, au 30 juin 2007, disposait d'un emploi financé ou subventionné dans la fonction de surveillant-éducateur, dont le titulaire était un membre du personnel nommé à titre définitif ou un membre du personnel temporaire occupant un emploi vacant, ou dans laquelle, au 30 juin 2007, un surveillant-éducateur nommé à titre définitif était mis en disponibilité par défaut d'emploi, cette fonction est financée ou subventionnée tant que le même membre du personnel est le titulaire.
  Le droit, visé à l'alinéa 1er, se limite au volume de l'emploi dont ce membre du personnel était titulaire le 30 juin 2007.
Art. 80. De Vlaamse Regering bepaalt de ambten waarin een academie met de administratieve omkaderingseenheden, vermeld in artikel 79, § 1, betrekkingen kan organiseren en de wijze waarop de administratieve omkaderingseenheden naar die betrekkingen worden omgerekend.
Art. 80. Le Gouvernement flamand détermine les fonctions dans lesquelles une académie peut organiser des emplois avec les unités d'encadrement administratif, visées à l'article 79, § 1er, ainsi que le mode de conversion des unités d'encadrement administratif vers ces emplois.
Art. 81. § 1. Voor de academies, vermeld in bijlage 1 bij dit decreet, wordt de administratieve omkadering berekend op basis van de volgende formule, rekening houdend met het aantal lestijden berekend conform artikel 69 :
  [(15 x a + 16 x b + 13 x c)/5000-d/32] x 38,
  waarbij :
  1° a : aantal lestijden van de structuuronderdelen van de eerste en tweede graad;
  2° b : aantal lestijden van de structuuronderdelen van de derde graad;
  3° c : aantal lestijden van de structuuronderdelen van de vierde graad en van de kortlopende studierichtingen;
  4° d : het aantal uren van een betrekking studiemeester-opvoeder beperkt tot de omvang, vernoemd in artikel 79, § 3;
  5° 32 : het aantal uren van een voltijdse betrekking studiemeester-opvoeder;
  6° 38 : het aantal omkaderingseenheden voor een voltijdse betrekking administratief medewerker.
  De uitkomst van de berekening, vermeld in het eerste lid, wordt afgerond naar de onmiddellijk lagere eenheid.
  § 2. Vanaf het schooljaar waarvoor de methode, vermeld in artikel 79, voor de academies, vermeld in bijlage 1, bij dit decreet, evenveel of meer omkadering voor ondersteundend personeel en opvoedend hulppersoneel oplevert dan de methode, vermeld in paragraaf 1, wordt die omkadering berekend conform artikel 79.
Art. 81. § 1er. Pour les académies visées à l'annexe 1re au présent décret, l'encadrement administratif est calculé selon la formule suivante, en tenant compte du nombre de périodes de cours calculées conformément à l'article 69 :
  [(15 x a + 16 x b + 13 x c)/5000-d/32] x 38,
  où :
  1° a : le nombre de périodes de cours des subdivisions structurelles des premier et deuxième degrés ;
  2° b : le nombre de périodes de cours des subdivisions structurelles du troisième degré ;
  3° c : le nombre de périodes de cours des subdivisions structurelles du quatrième degré et des orientations d'études de courte durée ;
  4° d : le nombre d'heures d'un emploi de surveillant-éducateur limité au volume visé à l'article 79, § 3 ;
  5° 32 : le nombre d'heures d'un emploi à temps plein de surveillant-éducateur ;
  6° 38 : le nombre d'unités d'encadrement administratif pour un emploi à temps plein de collaborateur administratif.
  Le résultat du calcul, visé à l'alinéa 1er, est arrondi à l'unité immédiatement inférieure.
  § 2. A partir de l'année scolaire pour laquelle la méthode, visée à l'article 79, fournit aux académies, visées à l'annexe 1re du présent décret, un encadrement du personnel d'appui et du personnel auxiliaire d'éducation identique ou supérieur que la méthode visée au paragraphe 1er, cet encadrement est calculé conformément à l'article 79.
Afdeling 5. - Personeel ten laste van de werkingsmiddelen of van de eigen middelen
Section 5. - Personnel à charge des moyens de fonctionnement ou des propres moyens
Art. 82. [1 Het schoolbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 en 84, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, [2 en laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie,]2 of ten laste van de eigen middelen, personeel aanwerven.]1
  In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel.
  In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs.
  De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt georganiseerd kan niet vacant worden verklaard en de inrichtende macht kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekking.
  Het personeelslid dat door een schoolbestuur van een academie van het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven conform het tweede lid, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 is op hem van toepassing.
  Het personeelslid dat door een schoolbestuur van een academie van het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven conform het derde lid, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.
  Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug.
  
Art. 82. [1 L'autorité scolaire peut engager du personnel à charge des moyens de fonctionnement visés aux articles 83 et 84, à charge des subventions qu'octroie le domaine politique de l'Enseignement et de la Formation, visé à l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande, pour renforcer la qualité de l'enseignement, à charge de la prime de soutien flamande versée par le VDAB [2 , à charge d'une ou de plusieurs primes dans le cadre du travail adapté lors de l'intégration individuelle versée(s) par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale]2 ou à charge des fonds propres.]1
  Dans l'enseignement communautaire, une autorité scolaire peut tirer profit des moyens, visés à l'alinéa 1er, pour les catégories de personnel, visées à l'article 2, § 1er du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, d'application à l'enseignement artistique à temps partiel, à l'exception du personnel de maîtrise, gens de métier et de service statutaires.
  Dans l'enseignement subventionné, une autorité scolaire peut tirer profit des moyens, visés à l'alinéa 1er, pour les catégories de personnel, visées à l'article 4, § 1er, a) du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné, d'application à l'enseignement artistique à temps partiel.
  L'emploi organisé avec les moyens, visés à l'alinéa 1er, ne peut être déclaré vacant et le pouvoir organisateur ne peut en aucun cas nommer à titre définitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi.
  Le membre du personnel qui est recruté conformément à l'alinéa 2 par une autorité scolaire d'une académie de l'enseignement communautaire, est toujours désigné en qualité de membre du personnel temporaire. Le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire lui est applicable.
  Le membre du personnel qui est recruté par une autorité scolaire d'une académie de l'enseignement subventionné, est toujours désigné en qualité de membre du personnel temporaire. Le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné lui est applicable.
  L'Agentschap voor Onderwijsdiensten paie le traitement ou la subvention-traitement directement aux membres du personnel en question. Cette Agentschap voor Onderwijsdiensten réclame le traitement brut ou la subvention-traitement brute, y compris indemnités, allocations, pécule de vacance, prime de fin d'année et cotisation patronale, de l'autorité scolaire.
  
Art. 82 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 Het schoolbestuur kan ten laste van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 en 84, ten laste van subsidies die het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken, [3 ten laste van subsidies die de Stichting Leerpunt toekent om de kwaliteit van onderwijs te versterken,]3 ten laste van de Vlaamse ondersteuningspremie uitgekeerd door de VDAB, [2 en laste van een premie of premies in het kader van maatwerk bij individuele inschakeling uitgekeerd door het Departement Werk en Sociale Economie,]2 of ten laste van de eigen middelen, personeel aanwerven.]1
  In het gemeenschapsonderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 2, § 1, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs, met uitzondering van het statutaire meesters-, vak- en dienstpersoneel.
  In het gesubsidieerd onderwijs kan een schoolbestuur de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, aanwenden voor de personeelscategorieën, vermeld in artikel 4, § 1, a), van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, van toepassing in het deeltijds kunstonderwijs.
  De betrekking die met de middelen, vermeld in het eerste lid, wordt georganiseerd kan niet vacant worden verklaard en de inrichtende macht kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekking.
  Het personeelslid dat door een schoolbestuur van een academie van het gemeenschapsonderwijs wordt aangeworven conform het tweede lid, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 is op hem van toepassing.
  Het personeelslid dat door een schoolbestuur van een academie van het gesubsidieerd onderwijs wordt aangeworven conform het derde lid, wordt altijd als tijdelijk personeelslid aangesteld. Het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is op hem van toepassing.
  Het Agentschap voor Onderwijsdiensten betaalt het salaris of salaristoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten vordert het brutosalaris of de brutosalaristoelage, verhoogd met de vergoedingen, bijslagen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, van het schoolbestuur terug.
  [3 In het eerste lid wordt verstaan onder Stichting Leerpunt: de private stichting opgericht door de Vlaamse Regering bij beslissing van 16 december 2022, met ondernemingsnummer 0795.192.043.]3
Art.82 DROIT FUTUR.
   [1 L'autorité scolaire peut engager du personnel à charge des moyens de fonctionnement visés aux articles 83 et 84, à charge des subventions qu'octroie le domaine politique de l'Enseignement et de la Formation, visé à l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande, pour renforcer la qualité de l'enseignement, [3 à charge des subventions qu'octroie la fondation Leerpunt pour renforcer la qualité de l'enseignement,]3 à charge de la prime de soutien flamande versée par le VDAB [2 , à charge d'une ou de plusieurs primes dans le cadre du travail adapté lors de l'intégration individuelle versée(s) par le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale]2 ou à charge des fonds propres.]1
  Dans l'enseignement communautaire, une autorité scolaire peut tirer profit des moyens, visés à l'alinéa 1er, pour les catégories de personnel, visées à l'article 2, § 1er du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, d'application à l'enseignement artistique à temps partiel, à l'exception du personnel de maîtrise, gens de métier et de service statutaires.
  Dans l'enseignement subventionné, une autorité scolaire peut tirer profit des moyens, visés à l'alinéa 1er, pour les catégories de personnel, visées à l'article 4, § 1er, a) du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné, d'application à l'enseignement artistique à temps partiel.
  L'emploi organisé avec les moyens, visés à l'alinéa 1er, ne peut être déclaré vacant et le pouvoir organisateur ne peut en aucun cas nommer à titre définitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi.
  Le membre du personnel qui est recruté conformément à l'alinéa 2 par une autorité scolaire d'une académie de l'enseignement communautaire, est toujours désigné en qualité de membre du personnel temporaire. Le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire lui est applicable.
  Le membre du personnel qui est recruté par une autorité scolaire d'une académie de l'enseignement subventionné, est toujours désigné en qualité de membre du personnel temporaire. Le décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné lui est applicable.
  L'Agentschap voor Onderwijsdiensten paie le traitement ou la subvention-traitement directement aux membres du personnel en question. Cette Agentschap voor Onderwijsdiensten réclame le traitement brut ou la subvention-traitement brute, y compris indemnités, allocations, pécule de vacance, prime de fin d'année et cotisation patronale, de l'autorité scolaire.
  [3 Dans l'alinéa 1er, on entend par fondation Leerpunt : la fondation privée créée par le Gouvernement flamand par décision du 16 décembre 2022, portant le numéro d'entreprise 0795.192.043.]3
Afdeling 6. - Werkingsmiddelen
Section 6. - Moyens de fonctionnement
Art. 83. Elke academie van het gesubsidieerd onderwijs heeft recht op werkingsmiddelen. Het werkingsbudget voor het schooljaar (X/X+1) wordt berekend volgens de formule : aantal toegekende lestijden voor het schooljaar (X/X+1) x bedrag per lestijd.
  Het bedrag per lestijd in het domein beeldende en audiovisuele kunsten en de domeinoverschrijdende initiatie bedraagt 79,34 euro.
  Het bedrag per lestijd in de domeinen dans, woordkunst-drama en muziek bedraagt 26,45 euro.
  Vanaf het schooljaar 2019-2020 worden de bedragen van het voorgaande schooljaar jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A die als volgt berekend wordt :
  A = (CX-1/CX-2),
  waarbij :
  1° CX-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-1;
  2° CX-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-2.
  De A-coëfficiënt wordt voor 100% in rekening gebracht.
  [1 Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale werkingsbudget verminderd met 170.00 0 euro. Dit bedrag wordt over de academies gespreid a rato van het aantal [2 toegekende werkingsmiddelen]2 zoals hierboven vermeld.]1
  
Art. 83. Toute académie de l'enseignement subventionné à droit à des moyens de fonctionnement. Le budget de fonctionnement pour l'année scolaire (X/X+1) est calculé selon la formule : nombre de périodes de cours attribuées pour l'année scolaire (X/X+1) x -montant par période de cours.
  Le montant par période de cours dans le domaine arts plastiques et audiovisuels et dans la formation initiale transversale s'élève à 79,34 euros.
  Le montant par période de cours dans les domaines danse, arts de la parole-théâtre et musique s'élève à 26,45 euros.
  A partir de l'année scolaire 2019-2020, les montants de l'année scolaire précédente sont multipliés annuellement par le coefficient d'adaptation A, qui est calculé comme suit :
  A = (CX-1/CX-2),
  où :
  1° CX-1 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire X-1 ;
  2° CX-2 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire X-2.
  Le coefficient A est porté en compte pour 100%.
  [1 A partir de l'année budgétaire 2020, le budget total de fonctionnement est diminué de 170.00 0 euros. Ce montant est réparti sur les académies au prorata du nombre de [2 moyens de fonctionnement attribués]2 comme indiqué ci-dessus.]1
  
Art. 84. § 1. Voor het begrotingsjaar 2019, dat de kredieten omvat voor het schooljaar 2018-2019, is het bedrag dat bestemd is voor het deeltijds kunstonderwijs in het gemeenschapsonderwijs 1.729.877 euro.
  Vanaf het schooljaar 2019-2020 wordt het werkingsbudget van het voorgaande schooljaar jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A die voor een schooljaar (X/X+1) als volgt berekend wordt :
  A = (CX-1/CX-2),
  waarbij :
  1° CX-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-1;
  2° CX-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-2.
  De A-coëfficiënt wordt voor 100% in rekening gebracht.
  § 2. De Vlaamse Regering regelt de wijze waarop het bedrag, berekend conform paragraaf 1, uitbetaald wordt aan de academies.
  [1 § 3. Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag, vermeld in paragraaf 1, verminderd met 104.000 euro.]1
  
Art. 84. § 1er. Pour l'année budgétaire 2019, qui comprend les crédits pour l'année scolaire 2018-2019, le montant destiné à l'enseignement artistique à temps partiel dans l'enseignement communautaire s'élève à 1.729.877 euros.
  A partir de l'année scolaire 2019-2020, le budget de fonctionnement de l'année scolaire précédente est multiplié annuellement par le coefficient d'adaptation A, qui est calculé comme suit pour une année scolaire (X, X+1) :
  A = (CX-1/CX-2),
  où :
  1° CX-1 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire X-1 ;
  2° CX-2 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire X-2.
  Le coefficient A est porté en compte pour 100%.
  § 2. Le Gouvernement flamand arrête la manière dont le montant calculé conformément au paragraphe 1er est versé aux académies.
  [1 § 3. A partir de l'année budgétaire 2020, le montant visé au paragraphe 1er est diminué de 104.000 euros.]1
  
Art. 85. Een schoolbestuur dat werken, leveringen of diensten aanneemt die geheel of gedeeltelijk betaald worden met de middelen, vermeld in artikel 83 en 84, sluit een overeenkomst volgens de toepasselijke procedure en onder de toepasselijke voorwaarden die voor het Rijk gelden.
Art. 85. Pour les marchés publics de travaux, fournitures ou services payés en tout ou en partie par les moyens visés aux articles 83 et 84, l'autorité scolaire conclut un contrat conformément à la procédure applicable et aux conditions applicables qui s'appliquent à l'Etat.
Art. 86. Ieder schoolbestuur van een gesubsidieerde academie legt aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten verantwoording af over het gebruik van zijn werkingsmiddelen. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten kan ter plaatse controle uitoefenen zonder dat die controle betrekking mag hebben op de opportuniteit.
  De Vlaamse Regering bepaalt de controlemaatregelen nader en ontwikkelt een methode die het mogelijk maakt om jaarlijks een zicht te krijgen op de besteding van de werkingsmiddelen.
Art. 86. Chaque autorité scolaire d'une académie subventionnée est responsable devant l'Agentschap voor Onderwijsdiensten de l'utilisation de ses moyens de fonctionnement. L'Agentschap voor Onderwijsdiensten peut effectuer un contrôle sur place sans que ce contrôle soit motivés par des raisons d'opportunité.
  Le Gouvernement flamand détermine les mesures de contrôle de manière plus détaillée et développe une méthode permettant d'obtenir un aperçu annuel de l'utilisation des moyens de fonctionnement.
Art. 86/1. [1 De Vlaamse Regering kan binnen de beschikbare begrotingskredieten in middelen voorzien ter ondersteuning van projecten die de onderwijskwaliteit bevorderen, en bepaalt hiervoor de nadere modaliteiten.]1
  
Art. 86/1. [1 Le Gouvernement flamand peut, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, prévoir des moyens à l'appui de projets promouvant la qualité de l'enseignement, et arrête les modalités à cet effet.]1
  
Afdeling 7. - Terugvorderingen en sancties
Section 7. - Recouvrements et sanctions
Onderafdeling 1. - Terugvorderingen
Sous-section 1re. - Recouvrements
Art. 87. Conform artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, wordt elke ten onrechte uitbetaalde financiering of subsidiëring van het schoolbestuur teruggevorderd. Een ten onrechte uitbetaald salarisgedeelte wordt evenwel van het betrokken personeelslid teruggevorderd, als het schoolbestuur niet verantwoordelijk is voor de uitbetaling ervan.
Art. 87. Conformément à l'article 13 de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des comptes, tout financement ou subvention indûment versé est récupéré auprès de l'autorité scolaire. Une partie de traitement indûment payée est toutefois récupérée du membre du personnel intéressé, si l'autorité scolaire n'est pas responsable du paiement de celle-ci.
Onderafdeling 2. - Sancties
Sous-section 2. - Sanctions
Art. 88. § 1. Met behoud van toepassing van de strafvervolging waartoe een van onderstaande overtredingen aanleiding zou geven, kan het schoolbestuur gesanctioneerd worden voor :
  1° elke onnauwkeurige verklaring, afgelegd met de bedoeling om de berekening van het bedrag van een salaristoelage of werkingsbudget te beïnvloeden, die de berekening van het bedrag voor financiering of subsidiëring beïnvloedt;
  2° elke onnauwkeurige verklaring over de bezoldiging van het personeel;
  3° elke inbreuk op de verplichting om gegevens mee te delen, conform artikel 49, op de wijze en op de data waarop die uiterlijk verstrekt moeten zijn;
  4° elke inbreuk op de bepalingen van de vakantie- en de onderwijstijd;
  5° elke inbreuk op de aanwending van de financiële middelen;
  6° elke inbreuk op de verplichting om op de data, bepaald conform artikel 93, de inschrijvingsgelden te betalen;
  7° elke inbreuk op de naleving van de verplichtingen tot behandeling van de leerling en van de personeelsleden met respect voor hun rechten en plichten en de uitvoering van de administratieve en organisatorische opdrachten en bevoegdheden die door dit decreet of door de Vlaamse Regering worden toegewezen aan de academies.
  [1 8° elke inbreuk op artikel 147, tweede lid.]1
  § 2. De sanctie, vermeld in paragraaf 1, is een financiële sanctie van ten hoogste 10% van de werkingsmiddelen, vermeld in artikel 83 of 84.
  In afwijking van het eerste lid bedraagt de financiële sanctie voor de inbreuk, vermeld in paragraaf 1, 3°, maximaal 0,75 euro per leerling, gegenereerd door leerlingen over wie de academie de gegevens, conform artikel 49, niet correct en tijdig aangeleverd heeft.
  De financiële sanctie, vermeld in het eerste en tweede lid, kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat gebruikt wordt voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet getroffen zou worden.
  De teruggave van de ten onrechte als subsidiëring gestorte bedragen wordt geëist tenzij de fout te wijten is aan de betalende overheid.
  
Art. 88. § 1er. Sans préjudice de la poursuite pénale à laquelle peut donner lieu l'une des infractions suivantes, l'autorité scolaire peut être sanctionnée pour :
  1° toute déclaration inexacte faite dans l'intention d'influencer le calcul du montant d'une subvention-traitement ou d'un budget de fonctionnement, qui affecte le calcul du montant du financement ou de la subvention ;
  2° toute déclaration imprécise relative à la rémunération des personnels ;
  3° toute infraction à l'obligation de communiquer certaines données, conformément à l'article 49, de la manière dont et aux dates limites auxquelles elles doivent être transmises ;
  4° toute infraction aux dispositions relatives aux périodes des vacances et d'enseignement ;
  5° toute infraction à l'affectation des moyens financiers ;
  6° toute infraction à l'obligation de payer aux dates, conformément à l'article 93, les droits d'inscription ;
  7° tout non-respect des obligations de traiter l'élève et les membres du personnel dans le respect de leurs droits et obligations et de l'exercice des missions et compétences administratives et organisationnelles assignées aux académies par le présent décret ou par le Gouvernement flamand.
  [1 8° toute infraction à l'article 147, alinéa 2.]1
  § 2. La sanction, visée au paragraphe 1er, est une sanction financière de 10 % au maximum des moyens de fonctionnement visés aux articles 83 ou 84.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, la sanction financière pour l'infraction, visée au paragraphe 1er, 3°, s'élève à 0,75 euro au maximum par élève, générée par les élèves pour lesquels l'académie n'a pas fourni correctement et à temps les données, conformément à l'article 49.
  La sanction financière, visée aux alinéas 1er et 2, ne peut avoir comme effet que la proportion des moyens de fonctionnement à mettre au profit des personnels baisse, en chiffres absolus, au-dessous du niveau qu'elle atteindrait si la mesure n'avait pas été prise.
  La restitution des montants indûment versés comme subventionnement est exigée, sauf si la faute est due à l'autorité payante.
  
Art. 89. De Vlaamse Regering bepaalt de verdere regels voor de vaststelling van de overtredingen en voor de toepassing van de sancties. Het voormelde besluit waarborgt de rechten van de verdediging en voorziet in een mogelijkheid tot beroep.
Art. 89. Le Gouvernement flamand fixe les modalités de la constatation des infractions et de l'application des sanctions. L'arrêté précité garantit les droits de la défense et prévoit la possibilité de faire appel.
HOOFDSTUK 6. - Inschrijvingsgeld en bijdrageregeling
CHAPITRE 6. - Droits d'inscription et régime de contribution
Art. 90. Een regelmatige leerling betaalt inschrijvingsgeld voor elk domein waarvoor hij zich inschrijft. Het volledige inschrijvingsgeld wordt betaald vóór [1 1 november]1 van het betrokken schooljaar.[2 De leerling die het volledige inschrijvingsgeld niet betaald heeft voor 1 november wordt als een niet-regelmatige leerling beschouwd waarvan het schoolbestuur de inschrijving ongedaan kan maken.]2
  [2 Als de leerling zich voor 1 oktober van het schooljaar in kwestie uitschrijft, betaalt het schoolbestuur het inschrijvingsgeld volledig terug. Na de voormelde datum betaalt het schoolbestuur het inschrijvingsgeld volledig, gedeeltelijk of niet terug conform de bepalingen in het academiereglement. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten kan geen inschrijvingsgeld terugbetalen van leerlingen die op 1 oktober nog ingeschreven waren.]2
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt de domeinoverschrijdende initiatieopleiding als een opleiding in een afzonderlijk domein beschouwd.
  
Art. 90. Un élève régulier paie des droits d'inscription pour chaque domaine dans lequel il s'inscrit. La totalité des droits d'inscription est payée avant le [1 1er novembre]1 de l'année scolaire en question.[2 L'élève qui n'a pas payé la totalité du droit d'inscription avant le 1er novembre est considéré comme un élève non régulier dont l'inscription peut être annulée par l'autorité scolaire.]2
  [2 Si l'élève se désinscrit avant le 1er octobre de l'année scolaire en question, l'autorité scolaire lui rembourse intégralement le droit d'inscription. Après la date susmentionnée, l'autorité scolaire lui rembourse le droit d'inscription en tout ou en partie ou ne le lui rembourse pas conformément aux dispositions du règlement académique. L'Agence de Services d'Enseignement ne peut pas rembourser le droit d'inscription des élèves qui étaient encore inscrits au 1er octobre. ]2
  Pour l'application de l'alinéa 1er, la formation d'initiation transversale est considérée comme une formation dans un domaine séparé.
  
Art. 91. Voor het schooljaar 2018-2019 bedraagt het inschrijvingsgeld :
  1° 307 euro;
  2° 129 euro als de leerling de leeftijd van 25 jaar niet heeft bereikt of voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel 92, § 1 of § 2;
  3° 65 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie;
  4° 42 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het betrokken schooljaar en voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel 92.
  De inschrijvingsgelden voor het deeltijds kunstonderwijs worden jaarlijks vanaf het schooljaar 2019-2020 vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die als volgt berekend wordt :
  A = (CX-1/CX-2),
  waarbij :
  1° CX-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-1;
  2° CX-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-2.
  Het bedrag wordt afgerond naar de hogere eenheid.
Art. 91. Pour l'année scolaire 2018-2019, les droits d'inscription s'élèvent à :
  1° 307 euros ;
  2° 129 euros si l'élève n'a pas encore atteint l'âge de 25 ans ou remplit une condition telle que visée à l'article 92, § 1er ou § 2 ;
  3° 65 euros si l'élève n'a pas atteint l'âge de 18 ans au 31 décembre de l'année scolaire en question ;
  4° 42 euros si l'élève n'a pas atteint l'âge de 18 ans au 31 décembre de l'année scolaire concernée et remplit une condition telle que visée à l'article 92.
  A partir de l'année scolaire 2019-2020, les droits d'inscription pour l'enseignement artistique à temps partiel sont multipliés annuellement par le coefficient d'adaptation A, qui est calculé comme suit :
  A = (CX-1/CX-2),
  où :
  1° CX-1 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire X-1 ;
  2° CX-2 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire X-2.
  Le montant est arrondi à l'unité supérieure.
Art. 91 TOEKOMSTIG RECHT.    Voor het schooljaar 2018-2019 bedraagt het inschrijvingsgeld :
  1° 307 euro;
  2° 129 euro als de leerling de leeftijd van 25 jaar niet heeft bereikt [1 op 31 december van het schooljaar in kwestie]1 of voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel 92, § 1 of § 2;
  3° 65 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie;
  4° 42 euro als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het betrokken schooljaar en voldoet aan een voorwaarde als vermeld in artikel 92.
  De inschrijvingsgelden voor het deeltijds kunstonderwijs worden jaarlijks vanaf het schooljaar 2019-2020 vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die als volgt berekend wordt :
  A = (CX-1/CX-2),
  waarbij :
  1° CX-1 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-1;
  2° CX-2 : de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-2.
  Het bedrag wordt afgerond naar de hogere eenheid.
  
Art.91 DROIT FUTUR.
   Pour l'année scolaire 2018-2019, les droits d'inscription s'élèvent à :
  1° 307 euros ;
  2° 129 euros si l'élève n'a pas encore atteint l'âge de 25 ans [1 au 31 décembre de l'année scolaire en question]1 ou remplit une condition telle que visée à l'article 92, § 1er ou § 2 ;
  3° 65 euros si l'élève n'a pas atteint l'âge de 18 ans au 31 décembre de l'année scolaire en question ;
  4° 42 euros si l'élève n'a pas atteint l'âge de 18 ans au 31 décembre de l'année scolaire concernée et remplit une condition telle que visée à l'article 92.
  A partir de l'année scolaire 2019-2020, les droits d'inscription pour l'enseignement artistique à temps partiel sont multipliés annuellement par le coefficient d'adaptation A, qui est calculé comme suit :
  A = (CX-1/CX-2),
  où :
  1° CX-1 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire X-1 ;
  2° CX-2 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire X-2.
  Le montant est arrondi à l'unité supérieure.
  
Art. 92. § 1. Om in aanmerking te komen voor het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91, eerste lid, 2° of 4°, moet de leerling op de dag van de inschrijving aan minstens een van de volgende voorwaarden voldoen :
  1° [1 [3 werkzoekend uitkeringsgerechtigd volledig werkloos zijn;]3;]1
  2° [1 ...]1
  3° een leefloon van het OCMW ontvangen of een uitkering die daarmee gelijkgesteld is;
  4° een inkomensgarantie voor ouderen of een rentebijslag ontvangen;
  5° erkend zijn als persoon met een handicap en een tegemoetkoming van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid ontvangen[3 of een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood ontvangen als vermeld in artikel 4, eerste lid, 2А, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming, of met eenzelfde tegemoetkoming bij de equivalente instanties van de andere gemeenschappen zoals bepaald in de bijzondere wet tot hervorming der instellingen, artikel 1 en 5, Ї 1, II;]3;
  6° voor ten minste 66% arbeidsongeschikt zijn;
  7° [3 jongere zijn met een specifieke ondersteuningsbehoefte als vermeld in artikel 6, Ї 6, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 betreffende de nadere regels voor het verkrijgen van een zorgtoeslag;]3
  8° in een gezinsvervangend tehuis of in een medisch-pedagogische instelling of in een pleeggezin verblijven;
  9° het statuut van erkend politiek vluchteling bezitten;
  10° [3 begunstigde zijn van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming in de ziekteverzekering;]3.
  [1 11° houder zijn van een European Disability Card conform het protocolakkoord van 10 oktober 2016 over het project European Disability Card tussen de Federale Regering, de Vlaamse Regering, de Waalse Regering, de Franse Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Regering.]1
  § 2. Een leerling die ten laste is van een persoon die aan minstens een van de voorwaarden voldoet, vermeld in paragraaf 1, komt eveneens in aanmerking voor het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91, eerste lid, 2° of 4°.
  [3 § 2bis. Als voor de toepassing van paragraaf 1 gegevens op een elektronische wijze worden uitgewisseld met andere overheden, worden de volgende gegevens uitgewisseld:
   1А voor de leerlingen die voldoen aan de voorwaarden 1А, 3А, 4А, 5А, 6А, 7А en 10А : het rijksregisternummer of het identificatienummer beschikbaar in de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
   2А voor de leerlingen die voldoen aan de voorwaarde 8А : het identificatienummer beschikbaar in de databanken van het Agentschap Opgroeien;
   3А voor de leerlingen die voldoen aan de voorwaarde 9А : het rijksregisternummer.
   De gegevens worden verwerkt door de bevoegde dienst van de Vlaamse overheid die instaat voor de inning van het inschrijvingsgeld. Deze bevoegde dienst is de verwerkingsverantwoordelijke van de gegevens, vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). Het resultaat van de gegevensverwerking wordt gedeeld met de academies met het oog op het innen van het inschrijvingsgeld.
   De maximale bewaartermijnen voor deze gegevens, die worden bewaard conform artikel 5, eerste lid, e), van de algemene verordening gegevensbescherming, worden vastgelegd in beheersregels als vermeld in artikel III.81, Ї 2, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Daarbij wordt rekening gehouden met de volgende criteria:
   1А de termijn die nodig is voor de bevoegde dienst om op basis van de gegevens het inschrijvingsgeld van de onderwijsinstellingen te innen en te controleren;
   2А de termijn die nodig is voor de onderwijsinstellingen om het ontvangen inschrijvingsgeld te verantwoorden.]3

  § 3. Een leerling die de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie, betaalt het verminderde inschrijvingsgeld, vermeld in artikel 91, eerste lid, 4° :
  1° als op de dag van de inschrijving [2 een ander lid van de leefeenheid waartoe hij behoort of een broer, zus of ouder met een andere hoofdverblijfplaats]2 het inschrijvingsgeld al heeft betaald in dezelfde of een andere academie;
  2° voor iedere extra inschrijving in een ander domein aan dezelfde of een andere academie.
  § 4. In afwijking van paragraaf 1 en 2 komt een leerling die op de dag van inschrijving niet aan minstens een van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1 en 2, voldoet, in aanmerking voor vermindering onder de voorwaarde dat de leerling in de maand september eraan voldoet.
  § 5. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het recht van een leerling aangetoond wordt.
  
Art. 92. § 1er. Pour bénéficier de la réduction des droits d'inscription visée à l'article 91, alinéa 1er, 2° ou 4°, l'élève doit remplir au jour de l'inscription au moins une des conditions suivantes :
  1° [1 [3 être chômeur complet indemnisé à la recherche d'un emploi ; ]3;]1
  2° [1 ...]1
  3° recevoir un revenu d'intégration du CPAS ou une allocation équivalente ;
  4° recevoir un revenu garanti pour personnes âgées ou un supplément à la rente ;
  5° être reconnu comme personne handicapée et recevoir une allocation du Service public fédéral Sécurité sociale [3 ou percevoir un budget de soins pour les personnes âgées nécessitant des soins comme visé à l'article 4, alinéa 1er, 2°, du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande, ou une même intervention auprès des instances équivalentes des autres communautés, comme prévu dans la loi spéciale de réformes institutionnelles, articles 1 et 5, § 1er, II ;]3;
  6° être atteint d'une incapacité de travail d'au moins 66% ;
  7° [3 être un jeune ayant un besoin de soutien spécifique tel que visé à l'article 6, § 6, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 concernant les modalités d'obtention d'une allocation de soins ;]3
  8° résider dans un home familial ou dans un institut médico-pédagogique ou dans une famille d'accueil ;
  9° posséder le statut de réfugié politique reconnu ;
  10°[3 être bénéficiaire de l'intervention majorée dans l'assurance maladie ;]3
  [1 11° être titulaire d'une European Disability Card conformément au protocole d'accord du 10 octobre 2016 relatif au projet de European Disability Card entre le Gouvernement fédéral, le Gouvernement flamand, le Gouvernement wallon, la Commission communautaire française et le Gouvernement germanophone.]1
  § 2. Un [3 jeune qui fait partie de l'unité de vie]3 d'une personne remplissant au moins une des conditions visées au paragraphe 1er est également éligible à la réduction des droits d'inscription visée à l'article 91, alinéa 1er, 2° ou 4°.
  [3 § 2bis. Lorsque, aux fins de l'application du paragraphe 1er, des données sont échangées par voie électronique avec d'autres autorités, les données suivantes sont échangées :
   1° pour les élèves répondant aux conditions 1°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° et 10° : le numéro de registre national ou le numéro d'identification disponible dans la Banque Carrefour de la Sécurité sociale ;
   2° pour les élèves répondant à la condition 8° : le numéro d'identification disponible dans les bases de données de l'Agence Grandir ;
   3° pour les élèves répondant à la condition 9° : le numéro de registre national.
   Les données sont traitées par le service compétent de l'Autorité flamande chargé de la perception du droit d'inscription. Ce service compétent est le responsable du traitement des données, visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données). Le résultat du traitement des données est partagé avec les académies en vue de la perception du droit d'inscription.
   Les délais de conservation maximum de ces données qui sont conservées conformément à l'article 5, alinéa 1er, e), du règlement général sur la protection des données, sont définis dans des règles de gestion visées à l'article III.81, § 2, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018. A cette fin, les critères suivants sont pris en compte :
   1° le délai nécessaire au service compétent pour percevoir et contrôler le droit d'inscription des établissements d'enseignement sur base des données ;
   2° le délai nécessaire aux établissements d'enseignement pour justifier le droit d'inscription perçu.]3

  § 3. Un élève qui n'a pas atteint l'âge de 18 ans au 31 décembre de l'année scolaire concernée, paie les droits d'inscription réduits, visés à l'article 91, alinéa 1er, 4° ;
  1° si, au moment de l'inscription, [2 un autre membre de l'unité de vie à laquelle il appartient ou un frère, une soeur ou un parent ayant une autre résidence principale]2, a déjà payé les droits d'inscription dans la même académie ou dans une autre académie ;
  2° pour chaque inscription supplémentaire dans un domaine différent de la même académie ou d'une académie différente.
  § 4. Par dérogation aux paragraphes 1 et 2, un élève qui, au jour de l'inscription, ne remplit pas au moins une des conditions énoncées aux paragraphes 1 et 2 peut bénéficier de la réduction à moins que l'élève ne la remplisse en septembre.
  § 5. Le Gouvernement flamand détermine la manière dont le droit d'un élève est démontré.
  
Art. 93. Elk schoolbestuur betaalt jaarlijks aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten voor elk van zijn gesubsidieerde of gefinancierde academies een bedrag dat berekend wordt volgens de formule :
  B = B1 + B2,
  waarbij :
  1° B1 uiterlijk 15 november van het schooljaar (X/X+1) wordt betaald en voor het gefinancierd onderwijs wordt berekend volgens de formule : B1= i, en voor het gesubsidieerd onderwijs berekend wordt volgens de formule :
  B1 = i - w,
  waarbij :
  a) i : 95% van de inschrijvingsgelden van de regelmatige leerlingen die ingeschreven waren op 1 oktober van het schooljaar (X-1/X);
  b) w : de werkingsmiddelen voor het schooljaar (X/X+1) berekend volgens artikel 83;
  2° B2 uiterlijk 15 april van het schooljaar (X/X+1) wordt betaald en wordt berekend volgens de formule :
  B2 = I - i,
  waarbij :
  a) I : 100% van de inschrijvingsgelden van de regelmatige leerlingen die ingeschreven waren op 1 oktober van het schooljaar (X/X+1);
  b) i : 95% van de inschrijvingsgelden van de regelmatige leerlingen die ingeschreven waren op 1 oktober van het schooljaar (X-1/X).
  In afwijking van het eerste lid, 1°, is de component B1 voor de Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn in Mechelen gelijk aan i.
  De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het schoolbestuur de inschrijvingsgelden overmaakt aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.
Art. 93. Chaque autorité scolaire verse annuellement à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten, pour chacune de ses académies subventionnées ou financées, un montant calculé selon la formule suivante :
  B = B1 + B2,
  où :
  1° B1 est payé au plus tard le 15 novembre de l'année scolaire (X/X+1) et, pour l'enseignement financé, est calculé selon la formule suivante : B1= i, et pour l'enseignement subventionné, est calculé selon la formule suivante :
  B1 = i - w,
  où :
  a) i : 95% des droits d'inscription des élèves régulièrement inscrits au 1er octobre de l'année scolaire (X-1, X) ;
  b) w : les moyens de fonctionnement pour l'année scolaire (X/X+1) calculés selon l'article 83 ;
  2° B2 est payé au plus tard le 15 avril de l'année scolaire (X/X+1) et calculé selon la formule suivante :
  B2 = I - i,
  où :
  a) I : 100% des droits d'inscription des élèves régulièrement inscrits au 1er octobre de l'année scolaire (X/X+1) ;
  b) i : 95% des droits d'inscription des élèves régulièrement inscrits au 1er octobre de l'année scolaire (X-1, X).
  Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, la composante B1 pour la Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn à Mechelen est égale à i.
  Le Gouvernement flamand détermine la façon dont l'autorité scolaire effectue le transfert des droits d'inscription à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten.
Art. 94. [1 De bedragen, vermeld in artikel 91 en herrekend zoals bepaald in artikel 93, worden toegewezen aan het fonds Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs, verder genoemd `het Fonds'.]1
  In het eerste lid wordt verstaan onder fonds : een begrotingsfonds als vermeld in artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof.
  De middelen van het Fonds moeten worden aangewend voor uitgaven voor de betaling van salarissen en salaristoelagen in het deeltijds kunstonderwijs.
  De boekhoudkundige verwerking van de verrichtingen gebeurt voor elk onderwijsnet afzonderlijk.
  
Art. 94. [1 Les montants, visés à l'article 91 et recalculés comme prévu à l'article 93, sont affectés au fonds " Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs " (Droits d'inscription de l'enseignement artistique à temps partiel), ci-après dénommé " le Fonds ".]1
  Dans l'alinéa 1er, il faut entendre par fonds : un fonds budgétaire, tel que visé à l'article 12 du décret du 8 juillet 2011 réglant le budget, la comptabilité, l'attribution de subventions et le contrôle de leur utilisation, et le contrôle par la Cour des Comptes.
  Les moyens du Fonds doivent être affectés à des dépenses pour le paiement de traitements et de subventions de traitement dans l'enseignement artistique à temps partiel.
  Le traitement comptable des opérations se fait pour chaque réseau d'enseignement séparément.
  
Art. 95. Als een schoolbestuur bijkomende bijdragen vraagt aan de leerling, dan moet deze een billijke behandeling van alle leerlingen garanderen en mag deze de participatiekans niet in het gedrang brengen.
  Indien er een bijdrage gevraagd wordt voor cursusmateriaal of auteurs- of reprografierechten wordt deze aangerekend tegen kostprijs en moet deze bij het begin van elk schooljaar geraamd worden en moet voor de inschrijving aan de leerling meegedeeld worden.
  In het tweede lid wordt verstaan onder cursusmateriaal : alle benodigdheden die door het schoolbestuur als noodzakelijk voor het volgen van de opleiding worden opgegeven en die door het schoolbestuur worden aangerekend.
Art. 95. Si une autorité scolaire demande des contributions supplémentaires de l'élève, celle-ci doit garantir un traitement équitable à l'égard de tous les élèves et ne doit pas compromettre la possibilité de participer.
  Si une contribution est demandée pour du matériel didactique ou des droits d'auteur ou de reprographie, celle-ci est facturée au prix coûtant et doit être estimée au début de chaque année scolaire et communiquée à l'élève avant l'inscription.
  Par matériel didactique visé à l'alinéa 2, il faut entendre tout le matériel qui est spécifié par l'autorité scolaire comme étant nécessaire pour suivre la formation et qui est facturé par l'autorité scolaire.
Art. 96. Een schoolbestuur kan de bijdrage van niet-regelmatige leerlingen of leerlingen in leeractiviteiten op maat, vermeld in artikel 4, derde lid, vrij bepalen, op voorwaarde dat het bedrag niet hoger ligt dan het bedrag dat een regelmatige leerling voor zijn inschrijving in een domein zou betalen.
Art. 96. Une autorité scolaire peut déterminer librement la contribution des élèves non réguliers ou des élèves suivant des activités d'apprentissage sur mesure visées à l'article 4, alinéa 3, à condition que le montant n'excède pas le montant qu'un élève régulier paierait pour son inscription dans un domaine.
HOOFDSTUK 7. - Erkennings-, financierings- en subsidiëringsvoorwaarden van academies
CHAPITRE 7. - Conditions d'agrément, de financement et de subventionnement des académies
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 97. Een academie kan de volgende vormen van onderwijs organiseren :
  1° onderwijs dat conform dit decreet is erkend, waarvoor de academie onderwijsbevoegdheid heeft en waarvan de lestijden volledig comform dit decreet zijn gefinancierd of gesubsidieerd;
  2° onderwijs dat conform dit decreet is erkend, waarvoor de academie onderwijsbevoegdheid heeft en waarvan de lestijden geheel of gedeeltelijk door derden zijn gefinancierd of gesubsidieerd.
  Middelen van de Vlaamse overheid kunnen niet aangewend worden voor de organisatie van onderwijs dat noch gefinancierd noch gesubsidieerd wordt door de Vlaamse overheid.
Art. 97. Une académie peut organiser les formes d'enseignement suivantes :
  1° un enseignement agréé conformément au présent décret, pour lequel l'académie a compétence d'enseignement et dont les périodes de cours sont financées ou subventionnées dans le plein respect du présent décret ;
  2° un enseignement agréé conformément au présent décret, pour lequel l'académie a compétence d'enseignement et dont les périodes de cours sont financées ou subventionnées en tout ou en partie par des tiers.
  Des moyens de l'Autorité flamande ne peuvent pas être utilisés pour l'organisation de l'enseignement qui n'est ni financée ni subventionnée par l'Autorité flamande.
Art. 98. Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk worden de studierichtingen, vermeld in artikel 12 tot en met 20, ondergebracht in structuuronderdelen.
  Alle langlopende studierichtingen van een bepaalde graad in een domein vormen daarbij eenzelfde structuuronderdeel.
  Alle kortlopende studierichtingen en de domeinoverschrijdende initiatieopleiding vormen elk een afzonderlijk structuuronderdeel.
  In afwijking van het tweede lid vormen de derde graad voor jongeren en de derde graad voor volwassenen van het domein beeldende en audiovisuele kunsten afzonderlijke structuuronderdelen.
  In afwijking van het tweede lid vormen de tweede graad voor jongeren en de tweede graad voor volwassenen van het domein muziek afzonderlijke structuur-onderdelen.
Art. 98. Pour l'application des dispositions du présent chapitre, les orientations d'études, visées aux articles 12 à 20, sont organisées en subdivisions structurelles.
  Toutes les orientations d'études de longue durée d'un certain degré dans un domaine forment une même subdivision structurelle.
  Toutes les orientations d'études de courte durée et la formation d'initiation transversale forment chacune une subdivision structurelle distincte.
  Par dérogation à l'alinéa 2, le troisième degré pour jeunes et le troisième degré pour adultes du domaine des arts plastiques et audiovisuels forment des subdivisions structurelles distinctes.
  Par dérogation à l'alinéa 2, le deuxième degré pour jeunes et le troisième degré pour adultes du domaine musique forment des subdivisions structurelles distinctes.
Art.98/1. [1 In afwijking van artikel 100, 101, 102, 114, § 2, 115, § 1, 117, § 1, 118 en 130, § 2, kan een schoolbestuur in het schooljaar 2026-2027 geen nieuwe academies, domeinen en structuuronderdelen oprichten en geen nieuwe onderwijsbevoegdheid verkrijgen voor clusters van opties, clusters van muziekinstrumenten, een unieke optie of een uniek muziekinstrument.]1
  
Art.98/1. [1 Par dérogation aux articles 100, 101, 102, 114, § 2, 115, § 1er, 117, § 1er, 118 et 130, § 2, une direction d'école ne peut créer de nouvelles académies, de nouveaux domaines et de nouvelles subdivisions structurelles au cours de l'année scolaire 2026-2027 et ne peut obtenir une nouvelle compétence d'enseignement pour des groupes d'options, des groupes d'instruments de musique, une option unique ou un instrument de musique unique.]1
  
Afdeling 2. - Erkenning van academies
Section 2. - Agrément d'académies
Art. 99. Erkenning is noodzakelijk om in aanmerking te kunnen komen voor subsidiëring of financiering. Het opleidingsaanbod van erkende academies komt alleen in aanmerking voor subsidiëring of financiering als de onderwijsbevoegdheid is toegekend, conform artikel 131.
Art. 99. L'agrément est nécessaire pour être admissible au financement ou aux subventions. L'offre de formation d'académies agréées n'est admissible à une subvention ou à un financement que si la compétence d'enseignement a été attribuée conformément à l'article 131.
Art. 100. Een academie kan erkend worden als ze aan al de volgende voorwaarden voldoet :
  1° ze is georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur;
  2° ze is gevestigd in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden voor de hygiëne, de veiligheid en de bewoonbaarheid, voldoen;
  3° ze neemt een structuur aan als vermeld in artikel 10 tot en met 25 van dit decreet;
  4° ze vormt een pedagogisch geheel;
  5° ze beschikt over voldoende didactisch materiaal en over een aangepaste schooluitrusting;
  6° ze leeft de bepalingen over de taalregeling in het onderwijs en de taalkennis van het personeel na;
  7° ze maakt de controle van de onderwijsinspectie mogelijk;
  8° ze leeft de reglementering over de organisatie van het schooljaar na;
  9° ze leeft de reglementering betreffende de [1 onderwijsdoelen]1 en leerplannen na;
  10° ze eerbiedigt in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de Rechten van de Mens en van het Kind in het bijzonder;
  11° ze voert een doeltreffend beleid om het rookverbod, vermeld in artikel 4 van het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, en dat controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid, vermeld in het academie- of arbeidsreglement;
  [2 12° ze voert een kwaliteitsbeleid als vermeld in artikel 4, § 2, eerste lid, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, met het oog op het tegemoetkomen aan het referentiekader voor onderwijskwaliteit]2.
  
Art. 100. Une académie peut être agréée si elle remplit toutes les conditions suivantes :
  1° elle est organisée sous la responsabilité d'une autorité scolaire ;
  2° elle est établie dans des bâtiments et des locaux répondant aux conditions d'hygiène, de sécurité et d'habitabilité ;
  3° elle adopte une structure telle que visée aux articles 10 à 25 du présent décret ;
  4° elle forme un ensemble pédagogique ;
  5° elle dispose d'un matériel pédagogique suffisant et d'un équipement scolaire adapté ;
  6° elle respecte les dispositions relatives au régime linguistique dans l'enseignement et aux connaissances linguistiques du personnel ;
  7° elle se soumet au contrôle de l'inspection de l'enseignement ;
  8° elle respecte la réglementation sur l'organisation de l'année scolaire ;
  9° elle respecte la réglementation en matière des [1 objectifs pédagogiques]1 et programmes d'études ;
  10° elle respecte dans l'ensemble de son fonctionnement, les principes constitutionnels et de droit international au niveau des Droits de l'Homme et de l'Enfant en particulier ;
  11° elle mène une politique efficace pour faire connaître et faire respecter l'interdiction de fumer, visée à l'article 4 du décret du 6 juin 2008 instituant une interdiction de fumer dans les établissements d'enseignement et les centres d'encadrement des élèves, et qui contrôle le respect de l'interdiction et impose des sanctions aux contrevenants, conformément à sa propre politique de sanctions, comme indiquée dans le règlement de l'académie ou du travail;
  [2 12° elle mène une politique de qualité telle que visée à l'article 4, § 2, alinéa 1er, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, en vue de répondre au cadre de référence pour la qualité de l'enseignement]2.
  
Art. 101. Een academie die wordt opgericht, kan voorlopig erkend worden als ze voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 100, 1°, 2°, 3°, 7° en 10°.
  Een schoolbestuur dat voor een academie de voorlopige erkenning wil verkrijgen, dient uiterlijk op [1 de dag van 1 maart]1 die aan de oprichting voorafgaat een aanvraag in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die termijn geldt als vervaltermijn. De Vlaamse Regering legt het model van het aanvraagformulier vast.
  [1 ...]1. Conform artikel 35, § 1, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, gaat de onderwijsinspectie na of de academie voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 100, 1°, 2°, 3°, 7° en 10°, van dit decreet. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat daaruit volgt, beslist de Vlaamse Regering, conform artikel 35, § 1, van het voormelde decreet van 8 mei 2009, een voorlopige erkenning voor één schooljaar te verlenen, ofwel geen voorlopige erkenning te verlenen.
  Uiterlijk zes maanden na de start van het schooljaar waarin de academie voorlopig erkend wordt, onderzoekt de onderwijsinspectie, conform artikel 35, § 2, van het voormelde decreet van 8 mei 2009, via een doorlichting ter plaatse of de academie voldoet aan de voorwaarden voor een erkenning. Op basis van het advies van de onderwijsinspectie dat daaruit volgt, beslist de Vlaamse Regering, conform artikel 35, § 2, van het voormelde decreet van 8 mei 2009, uiterlijk op 31 maart van het schooljaar van de voorlopige erkenning, dat de academie voldoet aan de voorwaarden voor een erkenning als vermeld in artikel 100 van dit decreet, ofwel dat de academie niet erkend wordt vanaf het volgende schooljaar.
  
Art. 101. Une académie en cours de création peut être agréée provisoirement si elle répond aux conditions visées à l'article 100, 1°, 2°, 3°, 7° et 10°.
  Une autorité scolaire souhaitant obtenir l'agrément provisoire pour une académie, présente à cette fin une demande à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten au plus tard le [1 le 1er mars]1 précédant sa création. Ce délai vaut comme délai d'échéance. Le Gouvernement flamand fixe le modèle du formulaire de demande.
  [1 ...]1. Conformément à l'article 35, § 1er, du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, l'inspection de l'enseignement vérifie si l'académie remplit les conditions énoncées à l'article 100, 1°, 2°, 3°, 7° et 10° du présent décret. Sur la base de l'avis de l'inspection de l'enseignement qui en découle, le Gouvernement flamand décide, conformément à l'article 35, § 1er, du décret précité du 8 mai 2009, d'accorder un agrément provisoire pour une année scolaire ou de ne pas accorder d'agrément provisoire.
  Au plus tard six mois après le début de l'année scolaire au cours de laquelle l'académie est provisoirement agréée, l'inspection de l'enseignement examinera, conformément à l'article 35, § 2, du décret précité du 8 mai 2009, au moyen d'un audit sur place, si l'académie remplit les conditions d'agrément. Sur la base de l'avis de l'inspection de l'enseignement qui en découle, le Gouvernement flamand décide, conformément à l'article 35, § 2, du décret précité du 8 mai 2009, au plus tard le 31 mars de l'année scolaire de l'agrément provisoire, que l'académie remplit les conditions d'agrément visées à l'article 100 du présent décret, ou que l'académie ne sera pas agréée à partir de l'année scolaire suivante.
  
Art. 102. Een schoolbestuur dat een structuuronderdeel of domein van een academie wil laten erkennen dient [1 uiterlijk op 1 maart]1 van het schooljaar dat aan de erkenning voorafgaat een aanvraag in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten.
  [1 ...]1
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere aanvraagprocedure voor erkenning.
  
Art. 102. Une autorité scolaire souhaitant faire agréer une subdivision structurelle ou un domaine d'une académie doit présenter à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten une demande [1 au plus tard le 1er mars]1 de l'année scolaire précédant l'agrément.
  [1 ...]1
  Le Gouvernement flamand arrête les modalités de la procédure de demande.
  
Art. 103. De Vlaamse Regering kan de erkenning van een academie of een structuuronderdeel of domein ervan opheffen met inachtname van artikel 36 tot en met 42 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.
Art. 103. Le Gouvernement flamand peut supprimer l'agrément d'une académie ou d'une subdivision structurelle ou d'un domaine en tenant compte des articles 36 à 42 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement.
Art. 104. Een academie die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 100, of in geval van een voorlopige erkenning aan artikel 100, 1°, 2°, 3°, 7° en 10°, kan de benaming academie voor deeltijds kunstonderwijs niet dragen.
Art. 104. Une académie qui ne remplit pas les conditions énoncées à l'article 100, ou dans le cas d'agrément provisoire, à l'article 100, 1°, 2°, 3°, 7° et 10°, ne peut pas porter la dénomination " académie d'enseignement artistique à temps partiel ".
Art. 105. Als een academie uit meer vestigingsplaatsen bestaat, bepaalt het schoolbestuur vrij op welke vestigingsplaats de administratieve zetel van de academie wordt gevestigd. Deze vestigingsplaats wordt de hoofdvestigingsplaats genoemd.
Art. 105. Si une académie est composée de plusieurs implantations, l'autorité scolaire peut décider de l'implantation où elle situera son siège administratif. Cette implantation est qualifiée d'implantation principale.
Art. 106. De academies die op 31 augustus 2018 erkend zijn, behouden hun erkenning als academies voor deeltijds kunstonderwijs, met behoud van toepassing van artikel 100 en 103.
Art. 106. Les académies agréées au 31 août 2018 conservent leur agrément en tant qu'académie d'enseignement artistique à temps partiel, sans préjudice de l'application des articles 100 et 103.
Afdeling 3. - Financiering en subsidiëring van academies
Section 3. - Financement et subventionnement des académies
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 107. Deze afdeling is van toepassing op de academies die erkend of voorlopig erkend zijn en in aanmerking komen om gefinancierd of gesubsidieerd te worden.
Art. 107. La présente section est applicable aux académies qui sont agréées ou agréées provisoirement et éligibles à un financement ou à un financement.
Art. 108. De academies voor deeltijds kunstonderwijs die op 31 augustus 2018 erkend zijn en in de financierings- en subsidiëringsregeling opgenomen zijn, komen in aanmerking om gefinancierd of gesubsidieerd te worden, met behoud van toepassing van artikel 111.
Art. 108. Les académies d'enseignement artistique à temps partiel agréées le 31 août 2018 et incluses dans le régime de financement et de subvention sont éligibles à un financement ou un financement, sans préjudice de l'application de l'article 111.
Art. 109. Elk schoolbestuur draagt de financiële verantwoordelijkheid en desgevallend de kosten voor de organisatie van het onderwijs in zijn academies en vestigingsplaatsen.
  Voor de academies die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 111, komt de Vlaamse overheid financieel tussen, door een financiering voor het gemeenschapsonderwijs en door een subsidiëring in de vorm van omkadering en werkingsmiddelen, voor het gesubsidieerd onderwijs.
Art. 109. Chaque autorité scolaire assume la responsabilité financière et, le cas échéant, les coûts de l'organisation de l'enseignement dans ses académies et implantations.
  Pour les académies qui remplissent les conditions énoncées à l'article 111, l'Autorité flamande intervient financièrement, par le biais d'un financement pour l'enseignement communautaire et par le biais d'une subvention sous forme d'encadrement et de moyens de fonctionnement, pour l'enseignement subventionnée.
Art. 110. Voor het bereiken van de rationalisatie- en programmatienormen worden alleen regelmatige leerlingen geteld.
  [1 [2 Voor de programmatieof rationalisatienormen van een domein telt elke regelmatige leerling in dat domein voor één teleenheid. Voor de programmatieof rationalisatienormen van een structuuronderdeel in een vestigingsplaats telt elke regelmatige leerling in dat structuuronderdeel in die vestigingsplaats voor één teleenheid.]2]1
  [2 In afwijking van het tweede lid wordt het totale aantal dat de domeinoverschrijdende initiatieopleiding volgt in een academie, gedeeld door het aantal domeinen dat de academie organiseert. Het quotiënt telt mee voor het bereiken van de rationalisatieen programmatienormen van elk van die domeinen.]2
  De teldag voor de programmatie is 1 oktober van het lopende schooljaar.
  De teldag voor de rationalisatie is 1 februari van het voorgaande schooljaar.
  
Art. 110. Pour la réalisation des normes de rationalisation et de programmation, seuls les élèves réguliers sont comptés.
  [1 [2 Pour les normes de programmation ou de rationalisation d'un domaine, chaque élève régulier dans ce domaine compte pour une unité de comptage. Pour les normes de programmation ou de rationalisation d'une subdivision structurelle dans une implantation, chaque élève régulier dans cette subdivision structurelle dans cette implantation compte pour une unité de comptage.]2]1
  [2 Par dérogation à l'alinéa 2, le nombre total qui suit la formation d'initiation transversale dans une académie est divisé par le nombre de domaines que l'académie organise. Le quotient est pris en compte pour la réalisation des normes de rationalisation et de programmation de chacun de ces domaines.]2
  Le jour de comptage pour la programmation est le 1er octobre de l'année scolaire en cours.
  Le jour de comptage pour la rationalisation est le 1er février de l'année scolaire précédente.
  
Art. 111. § 1. Met behoud van toepassing van de specifieke voorwaarden voor het verkrijgen van salarissen als vermeld in artikel 66 van dit decreet, verkrijgt een schoolbestuur financiering of subsidiëring voor elk van zijn academies die voldoen aan al de volgende voorwaarden :
  1° voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 100, of voorlopig erkend zijn conform artikel 101;
  2° voldoen aan de programmatie- en rationalisatievoorwaarden, vermeld in artikel 114 tot en met 130;
  3° beschikken over een inspraakbeleid rond de afstemming van het opleidingsaanbod en de werking van de academie op haar lokale culturele omgeving, in het bijzonder de amateurkunstbeoefening.
  § 2. Een schoolbestuur dat voor een academie of onderdeel ervan financiering of subsidiëring wil verkrijgen, dient [1 uiterlijk op 1 maart]1 van het schooljaar dat aan de opname in de financiering- of subsidiëringsregeling voorafgaat, een aanvraag in bij het Agentschap voor Onderwijsdiensten.
  [1 ...]1
  De Vlaamse Regering neemt de beslissing over de opname in de financierings- of subsidiëringsregeling. De beslissing wordt schriftelijk of elektronisch meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur en gaat in bij aanvang van [2 de drie schooljaren die volgen]2 op de aanvraag tot financiering of subsidiëring.
  [1 Als het schoolbestuur niet overgaat tot de oprichting van de academie of het onderdeel van een academie in het schooljaar dat volgt op de goedkeuring van de aanvraag tot financiering of subsidiëring, verliest het de goedkeuring. Het schoolbestuur kan een nieuwe aanvraag indienen conform het eerste lid.]1
  § 3. In een voorlopig erkende academie is affectatie, mutatie of vaste benoeming van personeelsleden niet mogelijk.
  
Art. 111. § 1er. Sans préjudice de l'application des conditions particulières d'obtention des traitements prévues à l'article 66 du présent décret, une autorité scolaire obtient un financement ou une subvention pour chacune de ses académies qui remplissent toutes les conditions suivantes :
  1° remplir les conditions, visées à l'article 100, ou être agréée conformément à l'article 101 ;
  2° remplir les conditions de rationalisation et de programmation, visées aux articles 114 à 130 ;
  3° avoir une politique de participation concernant l'adaptation de l'offre d'enseignement et le fonctionnement de l'académie à son environnement culturel local, en particulier la pratique de l'art amateur.
  § 2. Une autorité scolaire souhaitant obtenir un financement ou un subventionnement pour une académie ou une partie de celle-ci, présente, [1 au plus tard le 1er mars]1 de l'année scolaire précédant l'admission au financement ou au subventionnement, une demande auprès de l'Agentschap voor Onderwijsdiensten.
  [1 ...]1
  Le Gouvernement flamand prend la décision sur l'admission au financement ou au subventionnement. La décision est notifiée soit par écrit, soit par voie électronique à l'autorité scolaire concernée et prend cours au début de l'année scolaire qui suit la demande de financement ou de subventionnement.
  [1 Si l'autorité scolaire ne procède pas à la création de l'académie ou de la partie d'une académie durant [2 les trois années scolaires suivant]2 l'approbation de la demande de financement ou de subvention, elle perd cette approbation. L'autorité scolaire peut introduire une nouvelle demande conformément à l'alinéa 1er.]1
  § 3. Dans une académie agréée provisoirement, l'affectation, la mutation ou la nomination à titre définitif de membres du personnel n'est pas possible.
  
Art. 112. Een schoolbestuur verliest de financiering of subsidiëring van zijn academie of een onderdeel ervan als niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 111.
Art. 112. Une autorité scolaire perd le financement ou le subventionnement de son académie ou d'une partie de celle-ci si les conditions énoncées à l'article 111 ne sont plus remplies.
Art. 113. Als voor een gefinancierde of gesubsidieerde academie of een onderdeel ervan niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 100, of in geval van een voorlopige erkenning, in artikel 100, 1°, 2°, 3°, 7° en 10°, van dit decreet, kan de Vlaamse Regering na toepassing van artikel 41 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs :
  1° de erkenning opheffen : de academie of een onderdeel ervan verliest de financiering of subsidiëring zodra de Vlaamse Regering de erkenning opheft;
  2° de financiering of subsidiëring geheel of gedeeltelijk inhouden als het schoolbestuur kan aantonen dat de voorwaarden, vermeld in artikel 100, of in geval van een voorlopige erkenning, in artikel 100, 1°, 2°, 3°, 7° en 10°, van dit decreet binnen een termijn die met de Vlaamse Regering wordt overeengekomen, opnieuw vervuld zullen zijn.
Art. 113. Si, pour une académie financée ou subventionnée ou une partie de celle-ci, les conditions, prévues à l'article 100 ou, en cas d'agrément provisoire, à l'article 100, 1°, 2°, 3°, 7° et 10° du présent décret, ne sont plus remplies, le Gouvernement flamand peut, après application de l'article 41 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement :
  1° supprimer l'agrément : l'académie ou une partie de celle-ci perd le financement ou le subventionnement dès que le Gouvernement flamand supprime l'agrément ;
  2° retenir, en tout ou en partie, le financement ou le subventionnement si l'autorité scolaire peut démontrer que les conditions, visées à l'article 100 ou, en cas d'agrément provisoire, à l'article 100, 1°, 2°, 3°, 7° et 10° du présent décret, seront à nouveau remplies dans un délai convenu avec le Gouvernement flamand.
Onderafdeling 2. - Programmatievoorwaarden voor nieuwe academies, domeinen en structuuronderdelen
Sous-section 2. - Conditions de programmation pour de nouvelles académies, domaines et subdivisions structurelles
Art. 114. § 1. Een nieuwe academie die vanaf 1 september 2018 is opgericht, organiseert, op het einde van haar programmatieperiode, alle structuuronderdelen van minstens het domein muziek of beeldende en audiovisuele kunsten, met uitzondering van de kortlopende studierichtingen.
  [1 Een nieuwe academie kan in plaats van de eerste graad van een domein het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten of zowel de eerste graad van een domein als de domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten.]1
  Een nieuwe academie moet het minimale aanbod, vermeld in het eerste lid, uiterlijk in het twaalfde schooljaar na de oprichting volledig uitgebouwd hebben. Daarbij kan ze de structuuronderdelen van een domein gelijktijdig oprichten, voor zover ze elk structuuronderdeel leerjaar per leerjaar opricht. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kan ze evenwel in een tijd oprichten.
  § 2. Een nieuwe academie wordt vanaf 1 september in de financierings- of subsidiëringsregeling opgenomen, als ze op 1 oktober van het oprichtingsjaar aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° minstens het eerste leerjaar van de tweede graad in de door haar opgerichte domeinen organiseren;
  2° [1 een twaalfde van de programmatienormen van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, bereiken;]1
  3° gelegen zijn in een gemeente waar in het schooljaar dat aan het oprichtingsjaar voorafgaat, de opgerichte opleidingen niet georganiseerd werden.
  [2 Het quotiënt van de deling, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.]2
  [3 n afwijking van het eerste lid, 3А, kan in een gemeente die als gevolg van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur het resultaat is van een fusie van verschillende gemeenten in 2019 of 2025, maximaal щщn nieuwe academie vanaf 1 september in de financierings- of subsidiыringsregeling opgenomen worden als ze op 1 oktober van het oprichtingsjaar voldoet aan de volgende voorwaarden:
   1А er is op het grondgebied van de gemeente nog geen hoofdvestigingsplaats van een academie gevestigd;
   2А gedurende drie opeenvolgende schooljaren draagt het schoolbestuur de financiering van het directeursambt, vermeld in artikel 77, en in voorkomend geval van de lestijden voor beleidsondersteuning, vermeld in artikel 76, op basis van artikel 82. In het gemeenschapsonderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, tweede lid. In het gesubsidieerd onderwijs stelt het schoolbestuur in het directeursambt en in voorkomend geval in de lestijden voor beleidsondersteuning steeds een tijdelijk personeelslid aan volgens artikel 82, derde lid.]3

  § 3. [1 Voor een verdere financiering of subsidiëring moet de nieuwe academie gedurende elf schooljaren na het oprichtingsjaar telkens op de teldag van het lopende schooljaar de programmatienormen bereiken van de door haar opgerichte domeinen, vermeld in artikel 119 en 120, a rato van het aantal schooljaren dat de nieuwe academie al in oprichting is.]1
  [2 Als de programmatienorm twee opeenvolgende teldagen niet gehaald wordt, wordt de academie met ingang van 1 september van hetzelfde schooljaar niet langer gefinancierd of gesubsidieerd.]2
  [2 Als de programmatienormen in het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode niet gehaald worden, wordt de oprichtingsperiode met maximaal één schooljaar verlengd, als de academie op de vorige teldag de programmatienormen gehaald heeft.]2
  § 4. [2 De rationalisatienorm geldt vanaf het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin het minimale aanbod van de nieuw opgerichte academie volledig is uitgebouwd en de programmatienormen, vermeld in artikel 119 of 120, bereikt worden. Een academie is volledig uitgebouwd op het einde van het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode.]2
  
Art. 114. § 1er. Une nouvelle académie, créée à partir du 1er septembre 2018, organise, à la fin de sa période de programmation, toutes les subdivisions structurelles d'au moins le domaine musique ou arts plastiques et audiovisuels, à l'exception des orientations d'études de courte durée.
  [1 Au lieu du premier degré d'un domaine, une nouvelle académie peut organiser une subdivision structurelle d'une formation d'initiation transversale ou organiser à la fois le premier degré d'un domaine et la formation d'initiation transversale.]1
  Une nouvelle académie doit avoir pleinement développé l'offre minimale visée à l'alinéa 1er au plus tard la douzième année scolaire suivant sa fondation. Dans ce contexte, elle peut créer simultanément les subdivisions structurelles d'un domaine, à condition qu'elle crée chaque subdivision structurelle, année d'études par année d'études. Toutefois, elle peut établir les subdivisions structurelles du premier degré dans une période de temps donnée.
  § 2. Une nouvelle académie est admise à partir du 1er septembre au régime de financement ou de subventionnement si elle remplit les conditions suivantes au 1er octobre de l'année de création :
  1° organiser au moins la première année d'études du deuxième degré dans les domaines qu'elle a créés ;
  2° [1 atteindre un douzième des normes de programmation pour les domaines qu'elle a créés, visées aux articles 119 et 120 ]1
  3° être située dans une commune où, au cours de l'année scolaire précédant l'année de création, les formations créées n'étaient pas organisées.
  [2 Le quotient de la division, visé à l'alinéa 1er, 2°, est arrondi comme suit : si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre, le nombre est arrondi à l'unité supérieure. Si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre, le nombre est arrondi à l'unité inférieure.]2
  [3 Par dérogation à l'alinéa 1er, 3°, dans une commune qui, suite au décret du 22 décembre 2017 sur l'administration locale, est le résultat de la fusion de plusieurs communes en 2019 ou 2025, au maximum une nouvelle académie peut être admise à partir du 1er septembre au régime de financement ou de subventionnement si elle remplit les conditions suivantes au 1er octobre de l'année de création :
   1° il n'y a pas encore d'implantation principale d'une académie établie sur le territoire de la commune ;
   2° pendant trois années scolaires consécutives, l'autorité scolaire prend en charge le financement de la fonction de directeur, visée à l'article 77, et le cas échéant les périodes de cours pour l'appui à la gestion, visées à l'article 76, sur base de l'article 82. Dans l'enseignement communautaire, l'autorité scolaire désigne toujours, dans la fonction de directeur et le cas échéant dans les périodes de cours pour l'appui à la gestion, un membre du personnel à titre temporaire conformément à l'article 82, alinéa 2. Dans l'enseignement subventionné, l'autorité scolaire désigne toujours, dans la fonction de directeur et le cas échéant dans les périodes de cours pour l'appui à la gestion, un membre du personnel à titre temporaire conformément à l'article 82, alinéa 3.]3

  § 3. [1 Pour sécuriser le financement ou le subventionnement, la nouvelle académie doit atteindre, pendant les onze années scolaires suivant l'année de sa création, chaque fois au jour de comptage de l'année scolaire en cours, les normes de programmation des domaines qu'elle a créés, visées aux articles 119 et 120, proportionnellement au nombre d'années scolaires que la nouvelle académie est déjà en cours de création.]1
  [2 Si la norme de programmation n'est pas atteinte deux jours de comptage successifs, l'académie n'est plus financée ou subventionnée à partir du 1er septembre de la même année scolaire.]2
  [2 Si les normes de programmation ne sont pas atteintes pendant la dernière année scolaire de la période de création, la période de création est prolongée d'une année scolaire au maximum si l'académie a atteint les normes de programmation au jour de comptage précédent.]2
  § 4. [2 La norme de rationalisation vaut à partir de l'année scolaire qui suit l'année scolaire dans laquelle l'offre minimale de l'académie nouvellement créée a été développée pleinement et les normes de programmation, visées à l'article 119 ou 120, sont atteintes. Une académie est pleinement développée à la fin de la dernière année scolaire de la période de création.]2
  
Art. 115. § 1. Een academie kan domeinen oprichten vanaf het tweede schooljaar dat ze in de financierings- of subsidiëringsregeling is opgenomen. Daartoe moet de academie [3 in al haar reeds opgerichte domeinen en structuuronderdelen de rationalisatienormen]3, bereiken op de teldag van het schooljaar vóór de oprichting van het nieuwe domein.
  De programmatie van een nieuw domein omvat de oprichting van de structuuronderdelen van minstens de eerste en tweede graad. Een academie kan in plaats van de eerste graad van het domein het structuuronderdeel domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten of zowel de eerste graad van een domein als de domeinoverschrijdende initiatieopleiding oprichten.
  [1 Een academie moet dit domein uiterlijk in het achtste schooljaar na de oprichting volledig uitgebouwd hebben. Daarbij kan ze de structuuronderdelen van een domein gelijktijdig oprichten, voor zover ze elk structuuronderdeel leerjaar per leerjaar opricht. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kan ze evenwel in één tijd oprichten.
   Een nieuw domein in een academie kan vanaf 1 september in de financierings- of subsidiëringsregeling opgenomen worden, als het op de teldag van het oprichtingsjaar een achtste van de programmatienormen, vermeld in artikel 119 en 120, bereikt.]1

  § 2. [1 [4 Voor een verdere financiering of subsidiëring moet het nieuwe domein gedurende de schooljaren na het oprichtingsjaar waarin het minimale aanbod van dat domein wordt uitgebouwd, telkens op de teldag van het lopende schooljaar een achtste van de programmatienormen bereiken, vermeld in artikel 119 en 120, vermenigvuldigd met het aantal schooljaren dat het nieuwe domein al in oprichting is. Het resultaat van de berekening wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.]4.]2
  [2 Als de programmatienorm twee opeenvolgende teldagen niet gehaald wordt, worden de leerlingen van het domein vanaf dat schooljaar niet meegeteld in de omkaderingsberekening, vermeld in artikel 69 en 70.]2
  [2 Als de programmatienorm in het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode niet gehaald wordt, wordt de oprichtingsperiode met maximaal één schooljaar verlengd, als het domein op de vorige teldag de programmatienorm gehaald heeft.]2
  § 3. [2 De rationalisatienorm geldt vanaf het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin het minimale aanbod van het nieuw opgerichte domein volledig is uitgebouwd en de programmatienorm, vermeld in artikel 119 of 120, bereikt wordt. Een domein is volledig uitgebouwd op het einde van het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode.]2
  
Art. 115. § 1er. Une académie peut créer des domaines à partir de la deuxième année scolaire de son admission au régime de financement ou de subventionnement. A cette fin, l'académie doit atteindre [3 les normes de rationalisation dans tous ses domaines et subdivisions structurelles déjà créés]3 au jour du comptage de l'année scolaire précédant la création du nouveau domaine.
  La programmation d'un nouveau domaine comprend la création des subdivisions structurelles des premier et deuxième degrés au moins. Au lieu du premier degré du domaine, une académie peut mettre en place une subdivision structurelle d'une formation d'initiation transversale ou mettre en place à la fois le premier degré d'un domaine et la formation d'initiation transversale.
  [1 Une académie doit avoir pleinement développé ce domaine au plus tard la huitième année scolaire suivant sa création. Dans ce contexte, elle peut créer simultanément les subdivisions structurelles d'un domaine, à condition qu'elle crée chaque subdivision structurelle, année d'études par année d'études. Toutefois, les subdivisions structurelles du premier degré peuvent être mises en place en une seule fois.
   Un nouveau domaine d'une académie peut être inclus dans le régime de financement ou de subventionnement à partir du 1er septembre, s'il atteint un huitième des normes de programmation visées aux articles 119 et 120 au jour de comptage de l'année de création.]1

  § 2. [1 [4 Pour bénéficier d'un financement ou de subventions supplémentaires, le nouveau domaine doit atteindre un huitième des normes de programme visées aux articles 119 et 120 le jour de comptage de l'année scolaire en cours, multiplié par le nombre d'années scolaires au cours desquelles le nouveau domaine a déjà été créé. Le résultat de ce calcul est arrondi comme suit : si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre, le nombre est arrondi au nombre entier supérieur. Si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre, le nombre est arrondi à l'unité inférieure]4.]2
  [2 Si la norme de programmation n'est pas atteinte deux jours de comptage successifs, les élèves du domaine ne sont pas inclus dans le calcul de l'encadrement, visé aux articles 69 et 70, à partir de ladite année scolaire.]2
  [2 Si la norme de programmation n'est pas atteinte dans la dernière année scolaire de la période de création, la période de création est prolongée d'une année scolaire au maximum, si le domaine a atteint la norme de programmation au jour de comptage précédent.]2
  § 3. [2 La norme de rationalisation vaut à partir de l'année scolaire qui suit l'année scolaire dans laquelle l'offre minimale du domaine nouvellement créé a été développée pleinement et la norme de programmation, visée à l'article 119 ou 120, est atteinte. Un domaine est pleinement développé à la fin de la dernière année scolaire de la période de création.]2
  
Art. 116. [1 [3 Onder de oprichting van een structuuronderdeel, vermeld in het derde lid en in artikel 117, wordt de oprichting van een nieuw structuuronderdeel van een domein waarvan de academie al een of meer structuuronderdelen organiseert in een of meer bestaande of nieuwe vestigingsplaatsen verstaan.]3]1
  [3 Een schoolbestuur kan het aantal vestigingsplaatsen van dat structuuronderdeel tijdens de oprichtingsperiode niet uitbreiden.]3
  [2 Structuuronderdelen worden leerjaar per leerjaar opgericht. De oprichtingsperiode duurt minimaal evenveel schooljaren als het kortste traject en maximaal evenveel schooljaren als het langste traject van het structuuronderdeel dat de academie organiseert. De leerjaren van de structuuronderdelen van de eerste graad kunnen evenwel in een tijd opgericht worden.]2
  [1 Voor de structuuronderdelen van een nieuw opgericht domein, conform artikel 115, die in het negende bestaansjaar van het nieuw opgerichte domein nog in oprichting zijn, gelden de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117 en 118 tot de structuuronderdelen volledig zijn opgericht.]1
  
Art. 116. [1 [3 Il faut entendre par la création d'une subdivision structurelle, visée à l'alinéa trois et à l'article 117, la création d'une nouvelle subdivision structurelle d'un domaine dont l'académie organise déjà une ou plusieurs subdivisions structurelles dans une ou plusieurs implantations existantes ou nouvelles.]3]1
  [3 Une autorité scolaire ne peut augmenter le nombre d'implantations de cette subdivision structurelle pendant sa période de création.]3
  [2 La création de subdivisions structurelles se fait année d'études par année d'études. La période de création dure au minimum autant d'années scolaires que le parcours le plus court et au maximum autant d'années scolaires que le parcours le plus long de la subdivision structurelle que l'académie organise. Toutefois, les années d'études des subdivisions structurelles du premier degré peuvent être créées dans une période de temps donnée.]2
  [1 Pour les subdivisions structurelles d'un domaine nouvellement créé, conformément à l'article 115, qui sont encore en cours de création dans la neuvième année d'existence du domaine nouvellement créé, les conditions de programmation mentionnées aux articles 117 et 118 s'appliquent jusqu'à ce que les subdivisions structurelles aient été complètement créées.]1
  
Art. 117. § 1. Een academie kan vanaf het tweede schooljaar dat ze in de financierings- of subsidiëringsregeling is opgenomen een structuuronderdeel oprichten onder de volgende voorwaarden :
  1° voor al haar domeinen en structuuronderdelen op 1 februari van het schooljaar vóór de programmatie van het nieuwe structuuronderdeel de rationalisatienormen bereiken;
  2° het domein waarin het structuuronderdeel wordt opgericht in het oprichtingsjaar van het structuuronderdeel organiseren of met de oprichting ervan gestart zijn in het vorige schooljaar;
  3° [2 voor het opgerichte structuuronderdeel per vestigingsplaats op de teldag van het oprichtingsjaar voldoen aan de programmatienorm, naar rato van het aantal opgerichte leerjaren van het langste traject, vermeld in artikel 70, dat de academie organiseert in die vestigingsplaats."]2
  [1 Het quotiënt van de deling, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt als volgt afgerond: als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier, wordt er afgerond naar het hogere geheel getal. Als het eerste cijfer na de komma kleiner is dan of gelijk is aan vier wordt er afgerond naar het lagere geheel getal.]1
  § 2. [1 [2 Tijdens de oprichtingsperiode wordt de programmatienorm telkens bereikt per vestigingsplaats naar rato van het aantal leerjaren van het langste traject dat in die vestigingsplaats georganiseerd wordt en het aantal schooljaren dat het nieuwe structuuronderdeel al in oprichting is.]2
   Als de programmatienorm twee opeenvolgende teldagen niet gehaald wordt, worden de leerlingen van het structuuronderdeel [2 in die vestigingsplaats]2 vanaf dat schooljaar niet meegeteld in de omkaderingsberekening, vermeld in artikel 69 en 70.
   Als de programmatienorm in het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode niet gehaald wordt, wordt de oprichtingsperiode met maximaal een schooljaar verlengd, als het structuuronderdeel [2 in die vestigingsplaats]2 op de vorige teldag de programmatienorm gehaald heeft.]1

  [3 De Vlaamse Regering kan wegens uitzonderlijke redenen van overmacht toelating geven om de academies, domeinen en structuuronderdelen die door de overmacht getroffen zijn vrij te stellen van het halen van de programmatienorm. De Vlaamse Regering bepaalt de duur van de vrijstelling.]3
  § 3. [1 [2 De rationalisatienorm geldt vanaf het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin in een vestigingsplaats minstens een traject van het nieuwe structuuronderdeel volledig is uitgebouwd en de programmatienorm, vermeld in artikel 121 of 122, in alle vestigingsplaatsen bereikt wordt.]2. Een structuuronderdeel is volledig uitgebouwd op het einde van het laatste schooljaar van de oprichtingsperiode.]1
  § 4. De bepalingen in paragraaf 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op de structuuronderdelen specialisatie.
  
Art. 117. § 1er. A partir de la deuxième année scolaire de son admission au régime de financement ou de subventionnement, une académie peut créer une subdivision structurelle aux conditions suivantes :
  1° atteindre les normes de rationalisation pour tous ses domaines et subdivisions structurelles au 1er février de l'année scolaire avant la programmation de la nouvelle subdivision structurelle.
  2° organiser le domaine dans lequel la subdivision structurelle est créée dans l'année de création de la subdivision structurelle ou avoir commencé la création au cours de l'année scolaire précédente;
  3° [2 remplir, pour la subdivision structurelle créée par implantation au jour de comptage de l'année de création, la norme de programmation, au prorata du nombre d'années scolaires créées dans le parcours le plus long, visé à l'article 70, que l'académie organise dans cette implantation.]2
  [1 Le quotient de la division, visé à l'alinéa 1er, 3°, est arrondi comme suit : si le premier chiffre après la virgule est supérieur à quatre, le nombre est arrondi à l'unité supérieure. Si le premier chiffre après la virgule est inférieur ou égal à quatre, le nombre est arrondi à l'unité inférieure.]1
  § 2. [1 [2 Pendant la période de création, la norme de programmation est atteinte par implantation au prorata du nombre d'années scolaires du parcours le plus long organisé dans cette implantation et du nombre d'années scolaires que la nouvelle subdivision structurelle est déjà en cours de création.]2
   Si la norme de programmation n'est pas atteinte deux jours de comptage successifs, les élèves de la subdivision structurelle [2 dans cette implantation]2 ne sont pas inclus dans le calcul de l'encadrement, visé aux articles 69 et 70, à partir de ladite année scolaire.
   Si la norme de programmation n'est pas atteinte pendant la dernière année scolaire de la période de création, la période de création est prolongée d'une année scolaire au maximum si la subdivision structurelle [2 dans cette implantation]2 a atteint la norme de programmation au jour de comptage précédent.]1

  [3 Le Gouvernement flamand peut, pour des raisons exceptionnelles de force majeure, donner l'autorisation d'exempter les académies, les domaines et les subdivisions structurelles touchés par la force majeure du respect de la norme de programmation. Le Gouvernement flamand détermine la durée de l'exemption.]3
  § 3. [1 [2 La norme de rationalisation vaut à partir de l'année scolaire qui suit l'année scolaire dans laquelle, dans une implantation, au moins un parcours de la nouvelle subdivision structurelle a été développé pleinement et la norme de programmation, visée à l'article 121 ou 122, est atteinte dans toutes les implantations.]2 Une subdivision structurelle est pleinement développée à la fin de la dernière année scolaire de la période de création.]1
  § 4. Les dispositions des paragraphes 1er, 2 et 3 ne s'appliquent pas aux subdivisions structurelles de spécialisation.
  
Art. 118. Een academie kan vanaf het tweede schooljaar dat ze in de financierings- of subsidiëringsregeling is opgenomen een structuuronderdeel specialisatie oprichten onder de volgende voorwaarden :
  1° voor al haar domeinen en structuuronderdelen op 1 februari van het schooljaar vóór de programmatie van het nieuwe structuuronderdeel de rationalisatienormen bereiken;
  2° het domein waarin het structuuronderdeel specialisatie wordt opgericht organiseren of met de oprichting ervan gestart zijn in het vorige schooljaar;
  3° het structuuronderdeel vierde graad in hetzelfde domein als waarin het structuuronderdeel specialisatie wordt opgericht organiseren of met de oprichting ervan gestart zijn in het vorige schooljaar.
Art. 118. Une académie peut créer une subdivision structurelle de spécialisation à partir de la deuxième année scolaire de son admission au régime de financement ou de subventionnement, aux conditions suivantes :
  1° atteindre les normes de rationalisation pour tous ses domaines et subdivisions structurelles au 1er février de l'année scolaire avant la programmation de la nouvelle subdivision structurelle ;
  2° organiser le domaine dans lequel la subdivision structurelle de spécialisation est créée ou avoir commencé sa création dans l'année scolaire précédente ;
  3° organiser la subdivision structurelle quatrième degré dans le même domaine dans lequel la subdivision structurelle de spécialisation est créée ou avoir commencé sa création dans l'année scolaire précédente.
Art. 118bis. [1 De Vlaamse Regering kan een schoolbestuur toestaan een bijzondere vestigingsplaats in gebruik te nemen, op voorwaarde dat er een protocol van de onderhandelingen in het bevoegde lokale comité over het in gebruik nemen van de vestigingsplaats is.
   De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten voor de melding van de ingebruikname van een bijzondere vestigingsplaats aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]1

  
Art. 118bis. [1 Le Gouvernement flamand peut autoriser une autorité scolaire à mettre en service une implantation spéciale, à condition qu'il existe un protocole des négociations au sein du comité local compétent concernant la mise en service de l'implantation.
   Le Gouvernement flamand arrête les modalités de notification de la mise en service d'une implantation spéciale à l'Agence de Services d'Enseignement.]1

  
Onderafdeling 3. - Programmatienormen voor academies, domeinen en structuuronderdelen in vestigingsplaatsen
Sous-section 3. - Normes de programmation pour les académies, domaines et subdivisions structurelles dans les implantations
Art. 119. De programmatienormen voor domeinen van academies, geheel of gedeeltelijk gelegen in het Vlaamse Gewest, zijn :
  1° domein beeldende en audiovisuele kunsten : 300;
  2° domein dans : 30;
  3° domein woordkunst-drama : 80;
  4° domein muziek : 300.
Art. 119. Les normes de programmation pour les domaines des académies, situées en tout ou en partie en Région flamande sont :
  1° domaine arts plastiques et audiovisuels 300 ;
  2° domaine danse : 30 ;
  3° domaine arts de la parole-théâtre 80 ;
  4° domaine musique 300.
Art. 120. De programmatienormen voor domeinen van academies, alleen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gelegen, zijn :
  1° domein beeldende en audiovisuele kunsten : 120;
  2° domein dans : 12;
  3° domein woordkunst-drama : 32;
  4° domein muziek : 120.
Art. 120. Les normes de programmation pour les domaines des académies, situées uniquement dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, sont les suivantes :
  1° domaine arts plastiques et audiovisuels 120 ;
  2° domaine danse : 12 ;
  3° domaine arts de la parole-théâtre 32 ;
  4° domaine musique 120.
Art. 121. De programmatienormen voor structuuronderdelen in een vestigingsplaats die in het Vlaamse Gewest gelegen is in een dichtbevolkte gemeente zijn :
Art. 121. Les normes de programmation pour les subdivisions structurelles dans une implantation située en Région flamande dans une commune densément peuplée sont :
 programmatienorm
eerste graad domeinoverschrijdende initiatieopleiding 15
programmatienormeerste graad domeinoverschrijdende initiatieopleiding 15
 norme de programmation
premier degré formation d'initiation transversale 15
norme de programmationpremier degré formation d'initiation transversale 15
 programmatienorm
eerste graad beeldende en audiovisuele kunsten 14
tweede graad beeldende en audiovisuele kunsten 21
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor jongeren 21
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen 21
vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten 42
specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten niet van toepassing
beeldende en audiovisuele cultuur 24
programmatienormeerste graad beeldende en audiovisuele kunsten 14tweede graad beeldende en audiovisuele kunsten 21derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor jongeren 21derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen 21vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten 42specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten niet van toepassingbeeldende en audiovisuele cultuur 24
 norme de programmation
premier degré arts plastiques et audiovisuels 14
deuxième degré arts plastiques et audiovisuels 21
troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour jeunes 21
troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour adultes 21
quatrième degré arts plastiques et audiovisuels 42
spécialisation en arts plastiques et audiovisuels. non applicable
culture plastique et audiovisuelle 24
norme de programmationpremier degré arts plastiques et audiovisuels 14deuxième degré arts plastiques et audiovisuels 21troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour jeunes 21troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour adultes 21quatrième degré arts plastiques et audiovisuels 42spécialisation en arts plastiques et audiovisuels. non applicableculture plastique et audiovisuelle 24
 programmatienorm
eerste graad dans 8
tweede graad dans 12
derde graad dans 12
vierde graad dans 12
specialisatie dans niet van toepassing
danscultuur 24
programmatienormeerste graad dans 8tweede graad dans 12derde graad dans 12vierde graad dans 12specialisatie dans niet van toepassingdanscultuur 24
 norme de programmation
premier degré danse 8
deuxième degré danse 12
troisième degré danse 12
quatrième degré danse 12
spécialisation danse. non applicable
culture de la danse 24
norme de programmationpremier degré danse 8deuxième degré danse 12troisième degré danse 12quatrième degré danse 12spécialisation danse. non applicableculture de la danse 24
 programmatienorm
eerste graad woordkunst-drama 15
tweede graad woordkunst-drama 21
derde graad woordkunst-drama 11
vierde graad woordkunst-drama 4
specialisatie woordkunst-drama niet van toepassing
woordkunst- en dramacultuur 24
schrijver 9
programmatienormeerste graad woordkunst-drama 15tweede graad woordkunst-drama 21derde graad woordkunst-drama 11vierde graad woordkunst-drama 4specialisatie woordkunst-drama niet van toepassingwoordkunst- en dramacultuur 24schrijver 9
 norme de programmation
premier degré arts de la parole-théâtre 15
deuxième degré arts de la parole-théâtre 21
troisième degré arts de la parole-théâtre 11
quatrième degré arts de la parole-théâtre 4
spécialisation en arts de la parole-théâtre non applicable
arts de la parole-culture théâtrale 24
écrivain 9
norme de programmationpremier degré arts de la parole-théâtre 15deuxième degré arts de la parole-théâtre 21troisième degré arts de la parole-théâtre 11quatrième degré arts de la parole-théâtre 4spécialisation en arts de la parole-théâtre non applicablearts de la parole-culture théâtrale 24écrivain 9
 programmatienorm
eerste graad muziek 15
tweede graad muziek voor jongeren 11
tweede graad muziek voor volwassenen 11
derde graad muziek 8
vierde graad muziek 3
specialisatie muziek niet van toepassing
muziekcultuur 24
muziekgeschiedenis 24
programmatienormeerste graad muziek 15tweede graad muziek voor jongeren 11tweede graad muziek voor volwassenen 11derde graad muziek 8vierde graad muziek 3specialisatie muziek niet van toepassingmuziekcultuur 24muziekgeschiedenis 24
 norme de programmation
premier degré musique 15
deuxième degré musique pour jeunes 11
deuxième degré musique pour adultes 11
troisième degré musique 8
quatrième degré musique 3
spécialisation musique non applicable
culture musicale 24
histoire de la musique 24
norme de programmationpremier degré musique 15deuxième degré musique pour jeunes 11deuxième degré musique pour adultes 11troisième degré musique 8quatrième degré musique 3spécialisation musique non applicableculture musicale 24histoire de la musique 24
Art. 122. De programmatienormen voor structuuronderdelen in een vestigingsplaats die in het Vlaamse Gewest in een dunbevolkte gemeente gelegen is of die in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gelegen is, zijn :
Art. 122. Les normes de programmation pour les subdivisions structurelles dans une implantation située en Région flamande dans une commune faiblement peuplée ou située dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale sont :
 programmatienorm
eerste graad domeinoverschrijdende initiatieopleiding 11
programmatienormeerste graad domeinoverschrijdende initiatieopleiding 11
 norme de programmation
premier degré formation d'initiation transversale 11
norme de programmationpremier degré formation d'initiation transversale 11
 programmatienorm
eerste graad beeldende en audiovisuele kunsten 10
tweede graad beeldende en audio-visuele kunsten 15
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor jongeren 15
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen 15
vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten 29
specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten niet van toepassing
beeldende en audiovisuele cultuur 17
programmatienormeerste graad beeldende en audiovisuele kunsten 10tweede graad beeldende en audio-visuele kunsten 15derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor jongeren 15derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen 15vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten 29specialisatie beeldende en audiovisuele kunsten niet van toepassingbeeldende en audiovisuele cultuur 17
 norme de programmation
premier degré arts plastiques et audiovisuels 10
deuxième degré arts plastiques et audiovisuels 15
troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour jeunes 15
troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour adultes 15
quatrième degré arts plastiques et audiovisuels 29
spécialisation en arts plastiques et audiovisuels. non applicable
culture plastique et audiovisuelle 17
norme de programmationpremier degré arts plastiques et audiovisuels 10deuxième degré arts plastiques et audiovisuels 15troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour jeunes 15troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour adultes 15quatrième degré arts plastiques et audiovisuels 29spécialisation en arts plastiques et audiovisuels. non applicableculture plastique et audiovisuelle 17
 programmatienorm
eerste graad dans 6
tweede graad dans 8
derde graad dans 8
vierde graad dans 8
specialisatie dans niet van toepassing
danscultuur 17
programmatienormeerste graad dans 6tweede graad dans 8derde graad dans 8vierde graad dans 8specialisatie dans niet van toepassingdanscultuur 17
 norme de programmation
premier degré danse 6
deuxième degré danse 8
troisième degré danse 8
quatrième degré danse 8
spécialisation danse. non applicable
culture de la danse 17
norme de programmationpremier degré danse 6deuxième degré danse 8troisième degré danse 8quatrième degré danse 8spécialisation danse. non applicableculture de la danse 17
 programmatienorm
eerste graad woordkunst-drama 11
tweede graad woordkunst-drama 15
derde graad woordkunst-drama 7
vierde graad woordkunst-drama 3
specialisatie woordkunst-drama niet van toepassing
woordkunst- en dramacultuur 8
schrijver 6
programmatienormeerste graad woordkunst-drama 11tweede graad woordkunst-drama 15derde graad woordkunst-drama 7vierde graad woordkunst-drama 3specialisatie woordkunst-drama niet van toepassingwoordkunst- en dramacultuur 8schrijver 6
 norme de programmation
premier degré arts de la parole-théâtre 11
deuxième degré arts de la parole-théâtre 15
troisième degré arts de la parole-théâtre 7
quatrième degré arts de la parole-théâtre 3
spécialisation en arts de la parole-théâtre non applicable
arts de la parole-culture théâtrale 8
écrivain 6
norme de programmationpremier degré arts de la parole-théâtre 11deuxième degré arts de la parole-théâtre 15troisième degré arts de la parole-théâtre 7quatrième degré arts de la parole-théâtre 3spécialisation en arts de la parole-théâtre non applicablearts de la parole-culture théâtrale 8écrivain 6
 programmatienorm
eerste graad muziek 11
tweede graad muziek voor jongeren 7
tweede graad muziek voor volwassenen 7
derde graad muziek 5
vierde graad muziek 2
specialisatie muziek niet van toepassing
muziekcultuur 17
muziekgeschiedenis 17
programmatienormeerste graad muziek 11tweede graad muziek voor jongeren 7tweede graad muziek voor volwassenen 7derde graad muziek 5vierde graad muziek 2specialisatie muziek niet van toepassingmuziekcultuur 17muziekgeschiedenis 17
 norme de programmation
premier degré musique 11
deuxième degré musique pour jeunes 7
deuxième degré musique pour adultes 7
troisième degré musique 5
quatrième degré musique 2
spécialisation en musique non applicable
culture musicale 17
histoire de la musique 17
norme de programmationpremier degré musique 11deuxième degré musique pour jeunes 7deuxième degré musique pour adultes 7troisième degré musique 5quatrième degré musique 2spécialisation en musique non applicableculture musicale 17histoire de la musique 17
Art. 123. De programmatienormen, vermeld in artikel 121 en 122, zijn niet van toepassing op bijzondere vestigingsplaatsen.
Art. 123. Les normes de programmation visées aux articles 121 et 122, ne sont pas d'application aux implantations spéciales.
Onderafdeling 4. - Rationalisatievoorwaarden voor academies, domeinen en structuuronderdelen in vestigingsplaatsen
Sous-section 4. - Normes de rationalisation pour les académies, domaines et subdivisions structurelles dans les implantations
Art. 124. § 1. Een academie blijft na de oprichting financierbaar als elk van de domeinen die ze organiseert, voldoet aan de rationalisatienorm, vermeld in artikel 126.
  Om na de oprichting nog financierbaar of subsidieerbaar te zijn, moet een domein voldoen aan de rationalisatienormen, vermeld in artikel 126.
  § 2. Om na de oprichting nog financierbaar of subsidieerbaar te zijn, moet een structuuronderdeel in een vestigingsplaats, naargelang zijn ligging, voldoen aan de rationalisatienormen, vermeld in artikel 127 of 128.
  Een structuuronderdeel in een vestigingsplaats voldoet aan de rationalisatienormen als het totale aantal leerlingen in dat structuuronderdeel over alle vestigingsplaatsen heen waar de academie het organiseert, groter is dan of gelijk is aan
  (X x a)+(Y x b),
  waarbij :
  1° X : de rationalisatienorm, vermeld in artikel 127;
  2° Y : de rationalisatienorm, vermeld in artikel 128;
  3° a : aantal vestigingsplaatsen in dichtbevolkte gebieden waar het structuuronderdeel ingericht wordt;
  4° b : aantal vestigingsplaatsen in dunbevolkte gebieden waar het structuuronderdeel ingericht wordt.
  [1 De vestigingsplaatsen van structuuronderdelen, vermeld in artikel 129, waarop de rationalisatienorm niet van toepassing is, worden in het tweede lid niet in rekening gebracht.]1
  
Art. 124. § 1er. Après sa création, une académie reste éligible à un financement si chacun des domaines qu'elle organise répond à la norme de rationalisation visée à l'article 126.
  Pour être éligible au financement ou à la subvention après sa création, un domaine doit répondre aux normes de rationalisation énoncées à l'article 126.
  § 2. Pour être éligible au financement ou à la subvention après sa création, une subdivision structurelle dans une implantation doit, selon sa situation géographique, répondre aux normes de rationalisation prévues à l'article 127 ou 128.
  Une subdivision structurelle dans une implantation répond aux normes de rationalisation si le nombre total d'élèves dans cette subdivision structurelle sur l'ensemble des lieux d'implantation où elle est organisée par l'académie est supérieur ou égal à
  (X x a)+(y x b),
  où :
  1° x : la norme de rationalisation, visée à l'article 127 ;
  2° y : la norme de rationalisation, visée à l'article 128 ;
  3° a : le nombre d'implantations dans des régions densément peuplées où la subdivision structurelle est organisée ;
  4° b : le nombre d'implantations dans des régions faiblement peuplées où la subdivision structurelle est organisée.
  [1 Les implantations des subdivisions structurelles visées à l'article 129, auxquelles la norme de rationalisation ne s'applique pas, ne sont pas prises en compte dans l'alinéa 2.]1
  
Art. 125. Academies, domeinen en structuuronderdelen in vestigingsplaatsen die op de teldag niet aan de voor hen geldende rationalisatienormen voldoen, blijven gesubsidieerd of gefinancierd als op de vorige teldag al de volgende voorwaarden vervuld waren :
  1° de academie voldeed in haar geheel aan de voor haar geldende rationalisatienormen;
  2° alle domeinen en alle structuuronderdelen in de vestigingsplaatsen voldeden aan de voor hen geldende rationalisatienormen.
  [1 Als een schoolbestuur overgaat tot de sluiting van een academie, een domein of een structuuronderdeel in een vestigingsplaats dat op een of twee opeenvolgende teldagen niet aan de rationalisatienorm voldoet, kunnen de leerlingen in het schooljaar van de teldag er les blijven volgen.De sluiting houdt in dat alle leerjaren van de academie, het domein in kwestie of het structuuronderdeel in de vestigingsplaats in kwestie gelijktijdig worden stopgezet. De sluiting heeft uitwerking op 1 september.]1
  [2 De Vlaamse Regering kan wegens uitzonderlijke redenen van overmacht toelating geven om de academies, domeinen en structuuronderdelen die door de overmacht getroffen zijn vrij te stellen van het halen van de rationalisatienorm. De Vlaamse Regering bepaalt de duur van de vrijstelling.]2
  
Art. 125. Les académies, domaines et subdivisions structurelles dans des implantations qui, au jour de comptage, ne répondent pas aux normes de rationalisation qui leur sont applicables, restent subventionnés ou financés si les conditions suivantes étaient remplies au jour de comptage précédent :
  1° l'académie dans son ensemble répondait aux normes de rationalisation qui lui sont applicables ;
  2° tous les domaines et toutes les subdivisions structurelles dans les implantations répondaient aux normes de rationalisation qui leur sont applicables.
  [1 Si une autorité scolaire procède à la fermeture d'une académie, d'un domaine ou d'une subdivision structurelle dans une implantation qui n'atteint pas la norme de rationalisation un ou deux jours de comptage successifs, les élèves peuvent continuer à y suivre les cours pendant l'année scolaire du jour de comptage. La fermeture implique que toutes les années d'études de l'académie, du domaine en question ou de la subdivision structurelle dans l'implantation en question sont cessées simultanément. La fermeture produit ses effets le 1er septembre.]1
  [2 Le Gouvernement flamand peut, pour des raisons exceptionnelles de force majeure, donner l'autorisation d'exempter les académies, les domaines et les subdivisions structurelles touchés par la force majeure du respect de la norme de rationalisation. Le Gouvernement flamand détermine la durée de l'exemption. ]2
  
Onderafdeling 5. - Rationalisatienormen voor academies, domeinen en structuuronderdelen in vestigingsplaatsen
Sous-section 5. - Normes de rationalisation pour les académies, domaines et subdivisions structurelles dans les implantations
Art. 126. § 1. De rationalisatienormen voor domeinen van academies, geheel of gedeeltelijk in het Vlaamse Gewest gelegen, zijn :
  1° domein beeldende en audiovisuele kunsten : 150;
  2° domein dans : 15;
  3° domein woordkunst-drama : 40;
  4° domein muziek : 150.
  § 2. De rationalisatienormen voor domeinen van academies, alleen gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, zijn :
  1° domein beeldende en audiovisuele kunsten : 60;
  2° domein dans : 6;
  3° domein woordkunst-drama : 16;
  4° domein muziek : 60.
  [1 In afwijking van het eerste lid bedraagt de rationalisatienorm van het domein beeldende en audiovisuele kunsten 42 leerlingen, als het schoolbestuur alleen de structuuronderdelen van de eerste graad, de tweede graad en de derde graad voor jongeren organiseert.]1
  [2 § 3. De rationalisatienormen, vermeld in paragraaf 1 en 2, zijn niet van toepassing op academies voor deeltijds kunstonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats gevestigd is in de gemeente Voeren.]2
  
Art. 126. § 1er. Les normes de rationalisation pour les domaines des académies, situées en tout ou en partie, en Région flamande sont :
  1° domaine arts plastiques et audiovisuels 150 ;
  2° domaine danse : 15 ;
  3° domaine arts de la parole-théâtre : 40 ;
  4° domaine musique : 150.
  § 2. Les normes de rationalisation pour les domaines des académies, situées uniquement en Région de Bruxelles-Capitale sont :
  1° domaine arts plastiques et audiovisuels : 60 ;
  2° domaine danse : 6 ;
  3° domaine arts de la parole-théâtre : 16 ;
  4° domaine musique : 60.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, la norme de rationalisation du domaine arts plastiques et audiovisuels est de 42 élèves, si l'autorité scolaire n'organise que les subdivisions structurelles du premier degré, du deuxième degré et du troisième degré pour jeunes.]1
  [2 § 3. Les normes de rationalisation visées aux paragraphes 1er et 2, ne s'appliquent pas aux académies d'enseignement artistique à temps partiel dont l'implantation principale est située dans la commune de Fourons.]2
  
Art. 127. De rationalisatienormen voor structuuronderdelen in een vestigingsplaats die in het Vlaamse Gewest in een dichtbevolkte gemeente gelegen is, zijn :
Art. 127. Les normes de rationalisation pour les subdivisions structurelles dans une implantation, située en Région flamande, dans une commune densément peuplée sont :
 rationalisatienorm
eerste graad domeinoverschrijdende initiatieopleiding 15
rationalisatienormeerste graad domeinoverschrijdende initiatieopleiding 15
 norme de rationalisation
premier degré formation d'initiation transversale 15
norme de rationalisationpremier degré formation d'initiation transversale 15
 rationalisatienorm
eerste graad beeldende en audiovisuele kunsten 14
tweede graad beeldende en audiovisuele kunsten 14
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor jongeren 14
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen 14
vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten 14
beeldende en audiovisuele cultuur 8
rationalisatienormeerste graad beeldende en audiovisuele kunsten 14tweede graad beeldende en audiovisuele kunsten 14derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor jongeren 14derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen 14vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten 14beeldende en audiovisuele cultuur 8
 norme de rationalisation
premier degré arts plastiques et audiovisuels 14
deuxième degré arts plastiques et audiovisuels 14
troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour jeunes 14
troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour adultes 14
quatrième degré arts plastiques et audiovisuels 14
culture plastique et audiovisuelle 8
norme de rationalisationpremier degré arts plastiques et audiovisuels 14deuxième degré arts plastiques et audiovisuels 14troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour jeunes 14troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour adultes 14quatrième degré arts plastiques et audiovisuels 14culture plastique et audiovisuelle 8
 rationalisatienorm
eerste graad dans 8
tweede graad dans 8
derde graad dans 8
vierde graad dans 8
danscultuur 8
rationalisatienormeerste graad dans 8tweede graad dans 8derde graad dans 8vierde graad dans 8danscultuur 8
 norme de rationalisation
premier degré danse 8
deuxième degré danse 8
troisième degré danse 8
quatrième degré danse 8
culture de la danse 8
norme de rationalisationpremier degré danse 8deuxième degré danse 8troisième degré danse 8quatrième degré danse 8culture de la danse 8
 rationalisatienorm
eerste graad woordkunst-drama 15
tweede graad woordkunst-drama 14
derde graad woordkunst-drama 7
vierde graad woordkunst-drama 3
woordkunst- en dramacultuur 8
schrijver 3
rationalisatienormeerste graad woordkunst-drama 15tweede graad woordkunst-drama 14derde graad woordkunst-drama 7vierde graad woordkunst-drama 3woordkunst- en dramacultuur 8schrijver 3
 norme de rationalisation
premier degré arts de la parole-théâtre 15
deuxième degré arts de la parole-théâtre 14
troisième degré arts de la parole-théâtre 7
quatrième degré arts de la parole-théâtre 3
arts de la parole-culture théâtrale 8
écrivain 3
norme de rationalisationpremier degré arts de la parole-théâtre 15deuxième degré arts de la parole-théâtre 14troisième degré arts de la parole-théâtre 7quatrième degré arts de la parole-théâtre 3arts de la parole-culture théâtrale 8écrivain 3
 rationalisatienorm
eerste graad muziek 15
tweede graad muziek voor jongeren 7
tweede graad muziek voor volwassenen 7
derde graad muziek 5
vierde graad muziek 2
muziekcultuur 8
muziekgeschiedenis 8
rationalisatienormeerste graad muziek 15tweede graad muziek voor jongeren 7tweede graad muziek voor volwassenen 7derde graad muziek 5vierde graad muziek 2muziekcultuur 8muziekgeschiedenis 8
 norme de rationalisation
premier degré musique 15
deuxième degré musique pour jeunes 7
deuxième degré musique pour adultes 7
troisième degré musique 5
quatrième degré musique 2
culture musicale 8
histoire de la musique 8
norme de rationalisationpremier degré musique 15deuxième degré musique pour jeunes 7deuxième degré musique pour adultes 7troisième degré musique 5quatrième degré musique 2culture musicale 8histoire de la musique 8
Art. 128. De rationalisatienormen voor structuuronderdelen in een vestigingsplaats die in het Vlaamse Gewest in een dunbevolkte gemeente gelegen is of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, zijn :
Art. 128. Les normes de rationalisation pour les subdivisions structurelles dans une implantation, située en Région flamande, dans une commune faiblement peuplée ou en Région de Bruxelles-Capitale sont :
 rationalisatienorm
eerste graad domeinoverschrijdende initiatieopleiding 11
rationalisatienormeerste graad domeinoverschrijdende initiatieopleiding 11
 norme de rationalisation
premier degré formation d'initiation transversale 11
norme de rationalisationpremier degré formation d'initiation transversale 11
 rationalisatienorm
eerste graad beeldende en audiovisuele kunsten 10
tweede graad beeldende en audiovisuele kunsten 10
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor jongeren 10
derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen 10
vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten 10
beeldende en audiovisuele cultuur 6
rationalisatienormeerste graad beeldende en audiovisuele kunsten 10tweede graad beeldende en audiovisuele kunsten 10derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor jongeren 10derde graad beeldende en audiovisuele kunsten voor volwassenen 10vierde graad beeldende en audiovisuele kunsten 10beeldende en audiovisuele cultuur 6
 norme de rationalisation
premier degré arts plastiques et audiovisuels 10
deuxième degré arts plastiques et audiovisuels 10
troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour jeunes 10
troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour adultes 10
quatrième degré arts plastiques et audiovisuels 10
culture plastique et audiovisuelle 6
norme de rationalisationpremier degré arts plastiques et audiovisuels 10deuxième degré arts plastiques et audiovisuels 10troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour jeunes 10troisième degré arts plastiques et audiovisuels pour adultes 10quatrième degré arts plastiques et audiovisuels 10culture plastique et audiovisuelle 6
 rationalisatienorm
eerste graad dans 6
tweede graad dans 6
derde graad dans 6
vierde graad dans 6
danscultuur 6
rationalisatienormeerste graad dans 6tweede graad dans 6derde graad dans 6vierde graad dans 6danscultuur 6
 norme de rationalisation
premier degré danse 6
deuxième degré danse 6
troisième degré danse 6
quatrième degré danse 6
culture de la danse 6
norme de rationalisationpremier degré danse 6deuxième degré danse 6troisième degré danse 6quatrième degré danse 6culture de la danse 6
 rationalisatienorm
eerste graad woordkunst-drama 11
tweede graad woordkunst-drama 10
derde graad woordkunst-drama 5
vierde graad woordkunst-drama 2
woordkunst- en dramacultuur 6
schrijver 2
rationalisatienormeerste graad woordkunst-drama 11tweede graad woordkunst-drama 10derde graad woordkunst-drama 5vierde graad woordkunst-drama 2woordkunst- en dramacultuur 6schrijver 2
 norme de rationalisation
premier degré arts de la parole-théâtre 11
deuxième degré arts de la parole-théâtre 10
troisième degré arts de la parole-théâtre 5
quatrième degré arts de la parole-théâtre 2
arts de la parole-culture théâtrale 6
écrivain 2
norme de rationalisationpremier degré arts de la parole-théâtre 11deuxième degré arts de la parole-théâtre 10troisième degré arts de la parole-théâtre 5quatrième degré arts de la parole-théâtre 2arts de la parole-culture théâtrale 6écrivain 2
 rationalisatienorm
eerste graad muziek 11
tweede graad muziek voor jongeren 5
tweede graad muziek voor volwassenen 5
derde graad muziek 4
vierde graad muziek 1
muziekcultuur 6
muziekgeschiedenis 6
rationalisatienormeerste graad muziek 11tweede graad muziek voor jongeren 5tweede graad muziek voor volwassenen 5derde graad muziek 4vierde graad muziek 1muziekcultuur 6muziekgeschiedenis 6
 norme de rationalisation
premier degré musique 11
deuxième degré musique pour jeunes 5
deuxième degré musique pour adultes 5
troisième degré musique 4
quatrième degré musique 1
culture musicale 6
histoire de la musique 6
norme de rationalisationpremier degré musique 11deuxième degré musique pour jeunes 5deuxième degré musique pour adultes 5troisième degré musique 4quatrième degré musique 1culture musicale 6histoire de la musique 6
Art. 129. De rationalisatienormen, vermeld in artikel 127 en 128, zijn niet van toepassing op :
  1° bijzondere vestigingsplaatsen;
  2° een structuuronderdeel dans dat gelegen is in een vestigingsplaats op meer dan 15 km van een vestigingsplaats waar een structuuronderdeel dans georganiseerd wordt;
  3° de structuuronderdelen specialisatie;
  4° op academies voor deeltijds kunstonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats gevestigd is in de gemeente Voeren.
Art. 129. Les normes de rationalisation, visées aux articles 127 et 128, ne sont pas d'application :
  1° aux implantations spéciales ;
  2° à une subdivision structurelle danse située dans une implantation à plus de 15 km d'une implantation où une subdivision structurelle danse est organisée ;
  3° aux subdivisions structurelles de spécialisation ;
  4° aux académies d'enseignement artistique à temps partiel dont l'implantation principale est située dans la commune de Fourons.
Afdeling 4. - Verwerven en behouden van onderwijsbevoegdheid
Section 4. - Acquisition et maintien de la compétence d'enseignement
Art. 130. § 1. Een academie kan in de structuuronderdelen waarvoor ze voldoet aan de voorwaarden vermeld in dit hoofdstuk alleen de clusters van opties, de clusters van muziekinstrumenten, een unieke optie of een uniek muziekinstrument organiseren waarvoor ze onderwijsbevoegdheid heeft verkregen.
  § 2. Een schoolbestuur kan onderwijsbevoegdheid aanvragen bij de Vlaamse Regering.
  Schoolbesturen die structuuronderdelen overgeheveld krijgen van een ander schoolbestuur en voor bepaalde clusters van opties, een cluster van muziekinstrumenten, een unieke optie of een uniek muziekinstrument in dat betrokken structuuronderdeel geen onderwijsbevoegdheid hebben, moeten daarvoor onderwijsbevoegdheid aanvragen bij de Vlaamse Regering.
  De Vlaamse Regering kan de aangevraagde bevoegdheid weigeren of toestaan.
  De Vlaamse Regering bepaalt de aanvraag- en beslissingsprocedure voor het toekennen van onderwijsbevoegdheid. Daarbij houdt ze rekening met :
  1° het al aanwezige opleidingsaanbod in de academie;
  2° de mate waarin de academie beschikt over een aangepaste infrastructuur en leermiddelen;
  3° de unieke opties en muziekinstrumenten en de rationele spreiding ervan.
  De Vlaamse Regering vraagt, voordat ze een beslissing als vermeld in het derde lid neemt, het advies van de Vlaamse Onderwijsraad [2 ...]2.
  § 3. [1 Een academie die gedurende drie opeenvolgende schooljaren geen enkele optie uit de clusters van opties, geen enkel muziekinstrument uit de clusters van muziekinstrumenten georganiseerd heeft, een optie of een muziekinstrument niet georganiseerd heeft, verliest vanaf het daaropvolgende schooljaar de onderwijsbevoegdheid voor die cluster van opties, cluster van muziekinstrumenten, optie of dat muziekinstrument.]1
  
Art. 130. § 1er. Dans les subdivisions structurelles pour lesquelles elle remplit les conditions visées au présent chapitre, une académie ne peut organiser que les clusters d'options, les clusters d'instruments de musique, une option unique ou un instrument de musique unique pour lesquels elle a obtenu la compétence d'enseignement.
  § 2. Toute autorité scolaire peut demander la compétence d'enseignement auprès du Gouvernement flamand.
  Les autorités scolaires qui reçoivent en transfert des subdivisions structurelles provenant d'une autre autorité scolaire et qui n'ont pas la compétence d'enseignement pour certains clusters d'options, un cluster d'instruments de musique, une option unique ou un instrument de musique unique doivent s'adresser au Gouvernement flamand pour obtenir la compétence d'enseignement à cet égard.
  Le Gouvernement flamand peut refuser ou octroyer la compétence sollicitée.
  Le Gouvernement flamand détermine la procédure de demande et de décision relative à l'octroi de la compétence d'enseignement. Pour ce faire, il tient compte des éléments suivants :
  1° l'offre de formation déjà existante dans l'académie ;
  2° la mesure dans laquelle l'académie dispose d'une infrastructure et de moyens didactiques adaptés ;
  3° les options et instruments de musique uniques et leur distribution rationnelle.
  Avant de prendre une décision telle que visée à l'alinéa 3, le Gouvernement flamand demande l'avis du Vlaamse Onderwijsraad [2 ...]2.
  § 3. [1 Une académie qui, pendant trois années scolaires consécutives, n'a organisé aucune option des clusters d'options, aucun instrument de musique des clusters d'instruments de musique, aucune option ou aucun instrument de musique perd, à partir de l'année scolaire suivante, la compétence d'enseignement pour ce cluster d'options, ce cluster d'instruments de musique, cette option ou cet instrument de musique.]1
  
Afdeling 5. - Overheveling, fusie, verhuis en tijdelijke onderbrenging
Section 5. - Transfert, fusion, déménagement et hébergement temporaire
Art. 131. § 1. Een schoolbestuur kan een of meer structuuronderdelen in een vestigingsplaats overhevelen naar [1 een academie van een ander schoolbestuur]1, op voorwaarde dat de overheveling de studiecontinuïteit voor de leerling naar een volgende graad niet in het gedrang brengt.
  De overheveling vindt in een keer plaats en heeft uitwerking op de dag van 1 september die volgt op de melding aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die melding moet gebeuren [1 uiterlijk 1 maart]1.
  [1 [2 In de overeenkomst van een overheveling van een structuuronderdeel die door beide schoolbesturen wordt ondertekend, wordt de overdracht van omkadering geregeld, die wordt berekend volgens de gegevens die het Agentschap voor Onderwijsdiensten aanreikt.
   Beide schoolbesturen kunnen tot één maand na de ontvangst van de geverifieerde omkaderingsgegevens van het Agentschap voor Onderwijsdiensten aanpassingen aan de regeling voor de overdracht van lestijden zoals gemeld voor 1 maart overeenkomen.]2
]1

  § 2. Elke overheveling maakt het voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité van zowel het overhevelende als het ontvangende schoolbestuur.
  § 3. Voor de subsidiëring of de financiering wordt de overheveling van het structuuronderdeel, vermeld in paragraaf 1, geacht al op de dag van 1 februari die aan de uitwerking van de overheveling voorafgaat, te hebben plaatsgevonden.
  
Art. 131. § 1er. Une autorité scolaire peut transférer une ou plusieurs subdivisions structurelles dans une implantation [1 une académie d'une autre autorité scolaire]1, pourvu que le transfert ne compromette pas la continuité des études de l'élève au degré suivant.
  Le transfert s'effectue en une seule opération et produit ses effets le jour du 1er septembre suivant la notification à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten. Cette notification doit se faire [1 au plus tard le 1er mars]1.
  [1[2 La convention d'un transfert d'une subdivision structurelle devant être signée par les deux autorités scolaires, règle le transfert de l'encadrement, qui est calculé selon les données fournies par l'Agence de Services d'Enseignement.
   Jusqu'à un mois après la réception des données en matière d'encadrement vérifiées, l'Agence de Services d'Enseignement, les deux autorités scolaires peuvent convenir d'ajustements au régime applicable au transfert de périodes de cours tel que communiqué pour le 1er mars.]2
-1
  § 2. Tout transfert fait l'objet de négociations au sein du comité local tant de l'autorité scolaire procédant au transfert que de l'autorité scolaire d'accueil.
  § 3. Pour le subventionnement ou le financement, le transfert de la subdivision structurelle visée au paragraphe 1er est réputé avoir eu lieu le jour du 1er février précédant la prise d'effet du transfert.
  
Art. 132. Een schoolbestuur kan een academie overnemen van een ander schoolbestuur.
  De overname heeft uitwerking op de dag van 1 september die volgt op de melding aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die melding moet gebeuren [1 uiterlijk 1 maart]1.
  [1 ...]1
  Elke overname maakt het voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité van zowel het schoolbestuur dat de academie overdraagt als het ontvangende schoolbestuur.
  
Art. 132. Une autorité scolaire peut reprendre une académie d'une autre autorité scolaire.
  La reprise produit ses effets le jour du 1er septembre suivant la notification à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten. Cette notification doit se faire [1 au plus tard le 1er mars]1.
  [1 ...]1
  Toute reprise fait l'objet de négociations au sein du comité local tant de l'autorité scolaire procédant au transfert que de l'autorité scolaire d'accueil.
  
Art. 133. § 1. Een fusie van academies heeft uitwerking op de dag van 1 september die volgt op de melding aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten. Die melding moet gebeuren [1 uiterlijk 1 maart]1.
  [1 ...]1
  Een academie die door fusie ontstaat, wordt niet als een nieuwe oprichting beschouwd. De programmatienormen zijn niet van toepassing. Voor de clusters van opties, clusters van muziekinstrumenten, unieke optie of uniek muziekinstrument waarvoor reeds onderwijsbevoegdheid verworven werd, dient geen onderwijsbevoegdheid aangevraagd te worden.
  De fusie vindt plaats door een van de volgende samenvoegingen :
  1° door samenvoeging tot één academie van twee of meer academies die gelijktijdig worden afgeschaft;
  2° door samenvoeging van twee of meer academies, waarbij één academie blijft bestaan die de andere opslorpt.
  § 2. Elke fusie maakt het voorwerp uit van onderhandeling in het lokaal comité van alle betrokken academies.
  § 3. Voor de subsidiëring of financiering wordt de fusie, vermeld in paragraaf 1, geacht al op de dag van 1 februari die aan de uitwerking van de overheveling voorafgaat, te hebben plaatsgevonden.
  
Art. 133. § 1er. Une fusion d'académies produit ses effets le jour du 1er septembre suivant la notification à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten. Cette notification doit se faire [1 au plus tard le 1er mars]1.
  [1 ...]1
  Une académie née d'une fusion, n'est pas considérée comme une création. Les normes de programmation ne sont pas d'application. Les clusters d'options, les clusters d'instruments de musique, l'option unique ou l'instrument de musique unique pour lesquels une compétence d'enseignement a déjà été acquise, ne doivent pas faire l'objet d'une demande de compétence d'enseignement.
  La fusion s'effectue par l'un des regroupements suivants :
  1° par le regroupement en une académie de deux ou plusieurs académies qui sont supprimées simultanément ;
  2° par le regroupement de deux ou plusieurs académies, où une des académies continue à exister en absorbant l'autre.
  § 2. Chaque fusion fait l'objet de négociations au sein du comité local de toutes les académies concernées.
  § 3. Pour le subventionnement ou le financement, la fusion visée au paragraphe 1er est réputée avoir eu lieu le jour du 1er février précédant la prise d'effet du transfert.
  
Art. 134. [1 Een academie of een volledige vestigingsplaats of een of meer structuuronderdelen in een vestigingsplaats kunnen definitief van adres wijzigen, waarbij alle leerlingen op hetzelfde moment naar het nieuwe adres verhuizen. Bij de verhuizing van een volledige academie, een volledige vestigingsplaats of een volledig structuuronderdeel zijn de programmatienormen niet van toepassing.]1
  [1 ...]1
  De ingebruikname van gebouwen op een nieuwe locatie naar aanleiding van de verhuizing van een academie of een deel ervan moet aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten worden gemeld uiterlijk op het tijdstip van de ingebruikname.
  [1 Een schoolbestuur kan bij het begin van het schooljaar een deel van de leerlingen van een volledig opgericht structuuronderdeel overbrengen naar een nieuwe vestigingsplaats omwille van infrastructurele noodwendigheden. De programmatienormen zijn niet van toepassing. De rationalisatienormen zijn wel van toepassing. Het schoolbestuur meldt de uitbreiding van een bestaand structuuronderdeel naar een nieuwe vestigingsplaats uiterlijk 30 september aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten.]1
  
Art. 134. [1 Une académie ou une implantation entière ou une ou plusieurs subdivisions structurelles dans une implantation peuvent changer définitivement d'adresse, tous les élèves déménageant à leur nouvelle adresse en même temps. En cas de déménagement d'une académie entière, d'une implantation entière ou d'une subdivision structurelle entière, les normes de programmation ne s'appliquent pas.]1
  [1 ...]1
  L'occupation des bâtiments implantés dans un nouveau lieu à la suite du déménagement d'une académie ou d'une partie d'une académie doit être notifiée à l'Agentschap voor Onderwijsdiensten au plus tard au moment de la mise en service.
  [1 Au début de l'année scolaire, une autorité scolaire peut transférer une partie des élèves d'une subdivision structurelle entièrement créée à une nouvelle implantation en raison des besoins en infrastructure. Les normes de programmation ne sont pas d'application. Les normes de rationalisation sont d'application. L'autorité scolaire avise l'Agentschap voor Onderwijsdiensten (Agence de Services d'Enseignement) de l'extension d'une subdivision structurelle existante à une nouvelle implantation au plus tard le 30 septembre.]1
  
Art. 135. Wegens uitzonderlijke redenen kan de Vlaamse Regering toelating geven om leerlingen onder te brengen in gebouwen buiten de bestaande vestigingsplaats. De programmatie- en rationalisatienormen zijn hier niet van toepassing voor de duur van de onderbrenging.
  De Vlaamse Regering bepaalt de duur van de onderbrenging.
Art. 135. Pour des raisons exceptionnelles, le Gouvernement flamand peut autoriser l'hébergement des élèves dans des bâtiments en dehors de l'implantation existante. Les normes de programmation et de rationalisation ne sont pas d'application dans ce cas pour la durée de cet hébergement.
  Le Gouvernement flamand détermine la durée de l'hébergement.
HOOFDSTUK 8. - Lokale samenwerkingsinitiatieven tussen academies en scholen voor basisonderwijs of secundair onderwijs of instellingen hoger onderwijs
CHAPITRE 8. - Des initiatives locales de coopération entre académies et écoles fondamentaleso u secondaires ou institutions d'enseignement supérieur
Afdeling 1. - Doelstellingen
Section 1re. - Objectifs
Art. 136. Vanaf het schooljaar 2019-2020 kunnen lokale samenwerkingsinitiatieven georganiseerd worden tussen academies en scholen voor basisonderwijs, secundair of hoger onderwijs. Die samenwerkingsinitiatieven realiseren de volgende doelstellingen :
  1° het cultureel bewustzijn en de culturele expressie van de betrokken leerlingen basisonderwijs of secundair onderwijs versterken;
  2° het cultureel bewustzijn en de culturele expressie van de studenten hoger onderwijs versterken met het oog op hun latere professionele activiteiten;
  3° een duurzaam delend netwerk tussen leerkrachten basisonderwijs, secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs voor het organiseren van culturele leeractiviteiten tot stand brengen;
  4° het toeleiden van leerlingen basisonderwijs of secundair onderwijs die blijk geven van artistieke interesse en aanleg naar het deeltijds kunstonderwijs bevorderen, in het bijzonder leerlingen uit scholen met een meerderheid van leerlingen die beantwoorden aan de leerlingenkenmerken, vermeld in artikel 78, § 1, 1°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de gelijkekansenindicatoren, vermeld in artikel 225, § 1, van de Codex Secundair Onderwijs.
  In het schooljaar 2022-2023 worden de lokale samenwerkingsinitiatieven die opgestart zijn in het schooljaar 2019-2020 geëvalueerd in functie van eventuele bijsturing. Daarbij wordt nagegaan of de duurtijd van de lokale samenwerkingsinitiatieven en de overige organisatievoorwaarden, de aanvraag- en gunningsprocedure en de toekenning van de ondersteuningsmiddelen bijdragen tot de realisatie van de doelstellingen, vermeld in het eerste lid.
Art. 136. A partir de l'année scolaire 2019-2020, des initiatives locales de coopération peuvent être organisées entre les académies et les écoles fondamentales ou secondaires ou les institutions d'enseignement supérieur. Ces initiatives locales de coopération réalisent les objectifs suivants :
  1° renforcer la conscience et l'expression culturelles des élèves concernés de l'enseignement fondamental ou secondaire ;
  2° renforcer la conscience et l'expression culturelles des étudiants de l'enseignement supérieur en vue de leurs activités professionnelles ultérieures ;
  3° créer un réseau de partage d'expériences durable entre les enseignants de l'enseignement fondamental, de l'enseignement secondaire et de l'enseignement artistique à temps partiel pour l'organisation d'activités d'apprentissage culturelles ;
  4° diriger vers l'enseignement artistique à temps partiel, les élèves de l'enseignement fondamental ou secondaire qui font preuve d'un intérêt et d'un talent pour l'art, plus particulièrement les élèves des écoles à majorité d'élèves répondant aux caractéristiques d'élèves visées à l'article 78, § 1er, 1° du décret du 25 février 1997 sur l'enseignement fondamental et aux indicateurs d'égalité des chances visés à l'article 225, § 1er, du Code de l'Enseignement secondaire.
  Au cours de l'année scolaire 2022-2023, les initiatives locales de coopération lancées au cours de l'année scolaire 2019-2020 seront évaluées en vue d'ajustements éventuels. Il sera examiné si la durée des initiatives locales de coopération et les autres conditions organisationnelles, la procédure de demande et d'attribution et l'octroi des aides contribuent à la réalisation des objectifs visés à l'alinéa 1er.
Afdeling 2. - Organisatievoorwaarden
Section 2. - Conditions d'organisation
Art. 137. Aan een lokaal samenwerkingsinitiatief nemen minstens één academie en één school voor basisonderwijs of secundair onderwijs of instelling voor hoger onderwijs deel. Op vraag van die partners kunnen andere externe partners die ze relevant achten voor het realiseren van de doelstellingen bij het samenwerkings-initiatief betrokken worden.
  De schoolbesturen van alle betrokken academies, scholen en instellingen voor hoger onderwijs sluiten een samenwerkingsovereenkomst af die de volgende elementen bevat :
  1° de planning van de leeractiviteiten;
  2° de wederzijdse verantwoordelijkheden van de deelnemende scholen en/of instellingen voor hoger onderwijs en academies voor de algemene coördinatie en het ter beschikking stellen van personeelsleden, schoolinfrastructuur, leermiddelen, materiaal en vervoer;
  3° als samengewerkt wordt met andere externe partners als vermeld in het eerste lid, de manier waarop de samenwerking wordt vormgegeven.
  Een lokaal samenwerkingsinitiatief duurt drie schooljaren.
Art. 137. Au moins une académie et une école fondamentale ou secondaire ou une institution d'enseignement supérieur participent à une initiative locale de coopération. A la demande de ces partenaires, d'autres partenaires extérieurs qu'ils jugent pertinents pour la réalisation des objectifs peuvent être associés à l'initiative de coopération.
  Les autorités scolaires de toutes les académies, écoles et institutions d'enseignement supérieur concluent un accord de coopération contenant les éléments suivants :
  1° le planning des activités d'apprentissage ;
  2° les responsabilités mutuelles des écoles et/ou institutions d'enseignement supérieur et académies participantes pour la coordination générale et la mise à disposition de personnels, d'infrastructures scolaires, de moyens didactiques, de matériel et de transport ;
  3° en cas de coopération avec d'autres partenaires extérieurs tels que visés à l'alinéa 1er, la manière dont la coopération est structurée.
  Une initiative locale de coopération dure trois années scolaires.
Art. 138. Het lokale samenwerkingsinitiatief gebruikt de puntenenveloppe en het werkingsbudget, vermeld in artikel 139 tot en met 141, voor de organisatie en coördinatie van culturele leeractiviteiten voor de deelnemende leerlingen van de basisschool of secundaire school of instelling voor hoger onderwijs.
  Het schoolbestuur van de academie organiseert daartoe tijdelijke betrekkingen in het ambt van leraar in om de opdracht, vermeld in het eerste lid, te vervullen.
  De leeractiviteiten vinden, wat betreft de samenwerkingsinitiatieven met het basisonderwijs of het secundair onderwijs, plaats tijdens de lessen van het basisonderwijs, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap op grond van artikel 48 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel 12 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.[1 of tijdens de lessen van het secundair onderwijs, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs]1
  
Art. 138. L'initiative locale de coopération utilise l'enveloppe de points et le budget de fonctionnement, visés aux articles 139 à 141, pour l'organisation et la coordination d'activités d'apprentissage culturelles pour les élèves participants de l'école fondamentale ou secondaire ou de l'institution d'enseignement supérieur.
  A cette fin, l'autorité scolaire de l'académie organise des emplois temporaires dans la fonction d'enseignant afin de remplir la mission, visée à l'alinéa 1er.
  En ce qui concerne les initiatives de coopération avec l'enseignement fondamental ou secondaire, les activités d'apprentissage ont lieu pendant les cours de l'enseignement fondamental, comme le prévoit l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 avril 1991 organisant l'année scolaire dans l'enseignement fondamental et dans l'enseignement à temps partiel organisé, agréé ou subventionné par la Communauté flamande sur la base de l'article 48 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental et de l'article 12 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010[1 ou pendant les cours de l'enseignement secondaire, visés à l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 août 2001 organisant l'année scolaire dans l'enseignement secondaire]1.
  
Afdeling 3. - Ondersteuning
Section 3. - Soutien
Art. 139. De Vlaamse Regering kent aan een academie van een goedgekeurd lokaal samenwerkingsinitiatief jaarlijks een puntenenveloppe en een werkingsbudget toe.
  [1 In een samenwerkingsinitiatief dat in 2019 of 2020 is goedgekeurd, maar omwille van een ontoereikend globaal beschikbaar volume van punten en werkingsmiddelen, vermeld in artikel 140, paragraaf 1 en 2, niet weerhouden is, kan een schoolbestuur gedurende maximaal 3 schooljaren personeelsleden aanstellen ten laste van de werkingsmiddelen of van eigen middelen, conform artikel 82. Artikel 144 is van toepassing. De bepalingen, vermeld in artikel 143, 1° en 2°, zijn niet van toepassing.]1
  
Art. 139. Chaque année, le Gouvernement flamand attribue une enveloppe de points et un budget de fonctionnement à une académie organisant une initiative locale de coopération approuvée.
  [1 Dans une initiative de coopération approuvée en 2019 ou 2020, mais non sélectionnée en raison d'un volume total insuffisant de points et de moyens de fonctionnement disponibles visés à l'article 140, paragraphes 1er et 2, une autorité scolaire peut désigner des membres du personnel pour un maximum de trois années scolaires à charge des moyens de fonctionnement ou des propres moyens, conformément à l'article 82. L'article 144 est applicable. Les dispositions visées à l'article 143, 1° et 2°, ne sont pas d'application.]1
  
Art. 140. § 1. Voor de door de Vlaamse Regering goedgekeurde lokale samenwerkingsinitiatieven wordt in het schooljaar 2019-2020 een totaal volume van 2938 punten en 100.333 euro werkingsmiddelen ter beschikking gesteld.
  § 2. In het schooljaar 2020-2021 bedraagt dit maximale volume 6303 punten en 200.667 euro werkingsmiddelen.
  § 3. In het schooljaar 2021-2022 bedraagt dit maximale volume 9686 punten en 301.000 euro werkingsmiddelen.
  § 4. [2 Voor]2 het schooljaar 2022-2023 wordt het totale volume punten berekend aan de hand van de volgende formule :
  P(X/X+1) = P(X-1/X) x y,
  waarbij :
  1° P(X/X+1) = het totale volume punten voor lokale samenwerkingsinitiatieven in het schooljaar waarin het aangewend wordt;
  2° P(X-1/X) = het totale volume punten voor lokale samenwerkingsinitiatieven in het voorgaande schooljaar;
  3° y = A/B,
  waarbij :
  a) A : de omkadering voor het deeltijds kunstonderwijs voor het schooljaar (XX-1/X);
  b) B : de omkadering voor het deeltijds kunstonderwijs voor het schooljaar (X-2/X-1).
  Daarbij wordt de omkadering telkens berekend conform artikel 68 tot en met 75.
  § 5. Vanaf het schooljaar 2022-2023 wordt het globale volume werkingsmiddelen berekend aan de hand van de volgende formule :
  W(X/X+1) = W(X-1/X) x z,
  waarbij :
  1° W(X/X+1) : het globale volume werkingsmiddelen voor lokale samenwerkingsinitiatieven in het schooljaar waarin ze aangewend worden;
  2° W(X-1/X) : het globale volume werkingsmiddelen voor lokale samenwerkingsinitiatieven in het voorgaande schooljaar;
  3° z = A/B,
  waarbij :
  A : de werkingsmiddelen voor het deeltijds kunstonderwijs die berekend worden voor het schooljaar (X-1/X);
  B : de werkingsmiddelen voor het deeltijds kunstonderwijs voor het schooljaar (X-2/X-1).
  Daarbij worden de werkingsmiddelen telkens berekend conform de bepalingen in artikel 83 tot en met 84.
  De totaliteit van het volume aan punten wordt berekend conform artikel 140, § 4.
  [1 § 6. Vanaf het begrotingsjaar 2020 worden de werkingsmiddelen, vermeld in de paragrafen 2 en 3, verminderd met 13.000 euro.]1
  [2 7. Vanaf het schooljaar 2023-2024 bedraagt het totale volume van de lokale samenwerkingsinitiatieven die de Vlaamse Regering goedkeurt, 9690 punten. Vanaf het voormelde schooljaar stelt de Vlaamse Regering jaarlijks maximaal 3230 punten van het voormelde totale volume ter beschikking voor nieuwe samenwerkingsinitiatieven.
   § 8. Het totale volume van het werkingsbudget voor het schooljaar 2023-2024 wordt vastgelegd op 289.000 euro.
   Vanaf het schooljaar 2024-2025 wordt het bedrag van het voorgaande schooljaar jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A, die als volgt berekend wordt: A = (CX-1/CX-2), waarbij:
   1° CX-1: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-1;
   2° CX-2: de gezondheidsindex van de maand januari van het begrotingsjaar X-2.
   De A-coëfficiënt, vermeld in het tweede lid, wordt voor 100% in rekening gebracht.]2

  
Art. 140. § 1er. Au cours de l'année scolaire 2019-2020, un volume total de 2938 points et 100.333 euros de moyens de fonctionnement sont mis à disposition pour les initiatives locales de coopération approuvées par le Gouvernement flamand.
  § 2. Pour l'année scolaire 2020-2021, ce volume maximal est de 6303 points et 200.667 euros de moyens de fonctionnement.
  § 3. Pour l'année scolaire 2021-2022, ce volume maximal est de 9686 points et 301.000 euros de moyens de fonctionnement.
  § 4. [2 Avant ]2 l'année budgétaire 2022-2023, le volume total de points est calculé au moyen de la formule suivante :
  P(X/X+1) = P(X-1/X) x y,
  où :
  1° P(X/X+1) = le volume total de points pour les initiatives locales de coopération pendant l'année scolaire au cours de laquelle il est affecté ;
  2° P(X-1/X) = le volume total de points pour les initiatives locales de coopération pendant l'année scolaire précédente ;
  3° y = A/B,
  où :
  a) A : l'encadrement pour l'enseignement artistique à temps partiel pendant l'année scolaire -(X-1/X);
  b) B : l'encadrement pour l'enseignement artistique à temps partiel pendant l'année scolaire -(X-2/X-1).
  Dans chaque cas, l'encadrement est calculé conformément aux articles 68 à 75.
  § 5. A partir de l'année budgétaire 2022-2023, le volume global de moyens de fonctionnement est calculé au moyen de la formule suivante :
  W(X/X+1) = W(X-1/X) x z,
  où :
  1° W(X/X+1) : le volume global de moyens de fonctionnement pour les initiatives locales de coopération pendant l'année scolaire au cours de laquelle ils sont affectés ;
  2° W(X-1/X) : le volume global de moyens de fonctionnement pour les initiatives locales de coopération pendant l'année scolaire précédente ;
  3° z = A/B,
  où :
  A : les moyens de fonctionnement pour l'enseignement artistique à temps partiel qui sont calculés pour l'année scolaire (X-1/X) ;
  B : les moyens de fonctionnement pour l'enseignement artistique à temps partiel pendant l'année scolaire (X-2/X-1).
  Dans chaque cas, les moyens de fonctionnement sont calculés conformément aux articles 83 à 84.
  La totalité du volume de points est calculée conformément à l'article 140, § 4.
  [1 § 6. A partir de l'année budgétaire 2020, les moyens de fonctionnement visés aux paragraphes 2 et 3 sont diminués de 13.000 euros.]1
  [2 § 7. A partir de l'année scolaire 2023-2024, le volume total des initiatives locales de coopération approuvées par le gouvernement flamand s'élève à 9690 points. A partir de l'année scolaire précitée, le Gouvernement flamand mettra chaque année à disposition un maximum de 3230 points du volume total susvisé pour de nouvelles initiatives de coopération.
   § 8. Le volume total du budget de fonctionnement pour l'année scolaire 2023-2024 est fixé à 289 000 euros.
   A partir de l'année scolaire 2024-2025, le montant de l'année scolaire précédente est multiplié annuellement par le coefficient d'adaptation A, qui est calculé comme suit : A = (CX-1/CX-2), où :
   1° CX-1 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-1 ;
   2° CX-2 : l'indice santé du mois de janvier de l'année budgétaire x-2.
   Le coefficient A, visé à l'alinéa 2, est pris en compte à 100 %.]2

  
Art. 141. § 1.[2 Het puntenvolume per samenwerkingsinitiatief bedraagt 35 punten als er minstens 53 leerlingen gewoon basis- of secundair onderwijs of studenten hoger onderwijs[3 of zestien leerlingen buitengewoon basis- of secundair onderwijs]3 aan deelnemen. Als er minder leerlingen deelnemen, wordt het puntenaantal pro rata verminderd.
   Het werkingsbudget per samenwerkingsinitiatief wordt bepaald door het aantal punten dat conform het eerste lid wordt toegekend, te vermenigvuldigen met de factor w, die jaarlijks berekend wordt door het totale volume van het werkingsbudget, dat wordt berekend conform artikel 140, § 8, te delen door 9690.]2
.
  § 2. Het maximale puntenvolume per samenwerkingsinitiatief bedraagt 35 punten.
  [2 ...]2]1.
  [2 ...]2
  
Art. 141. § 1er.[2 Le volume de points par initiative de coopération est de 35 points si au moins 53 élèves de l'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire ou étudiants de l'enseignement supérieur[3 u seize élèves de l'enseignement fondamental ou secondaire spécial ]3 y participent. Si moins d'élèves participent, le nombre de points sera réduit au prorata.
   Le budget de fonctionnement par initiative de coopération est déterminé en multipliant le nombre de points attribués conformément à l'alinéa 1er par le facteur w, qui est calculé annuellement en divisant le volume total du budget de fonctionnement calculé conformément à l'article 140, § 8, par 9690. ]2
.
  § 2. Le volume maximal de points par initiative de coopération est de 35 points.
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  
Art. 142. De Vlaamse Regering bepaalt de puntenwaarden op basis waarvan de betrekkingen in het ambt van leraar worden georganiseerd. Dit aantal punten wordt bepaald op basis van de salarisschaal van het personeelslid dat de betrekking uitoefent. De Vlaamse Regering legt de puntenwaarde vast volgens de salarisschaal.
Art. 142. Le Gouvernement flamand détermine les pondérations sur la base desquelles les emplois dans la fonction d'enseignant sont organisés. Ce nombre de points est fixé sur la base de l'échelle de traitement du membre du personnel exerçant l'emploi. Le Gouvernement flamand établit la pondération suivant l'échelle de traitement.
Art. 143. Het personeelslid wordt altijd aangesteld als tijdelijk personeelslid.
  De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 zijn van toepassing, met uitzondering van volgende bepalingen :
  1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering over terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling. Het schoolbestuur kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking. Die reaffectatie, wedertewerkstelling of tewerkstelling vindt altijd plaats met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid. De tewerkstelling wordt beschouwd als een wedertewerkstelling;
  2° het schoolbestuur is niet verplicht om in die betrekking een personeelslid aan te stellen dat voorrang heeft voor een tijdelijke aanstelling of dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven overeenkomstig de bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschaps-onderwijs van 27 maart 1991 en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
  3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in die betrekking.
Art. 143. Le membre du personnel est toujours désigné comme membre du personnel temporaire.
  Les dispositions du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné s'appliquent, à l'exception des dispositions suivantes :
  1° l'emploi n'est pas régi par la réglementation sur la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et à la remise au travail. L'autorité scolaire peut toutefois désigner, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi. Cette réaffectation, remise au travail ou mise au travail s'opère toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité. La mise au travail est considérée comme une remise au travail ;
  2° l'autorité scolaire n'est pas obligée de désigner à cet emploi un membre du personnel ayant la priorité pour une désignation temporaire ou ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, conformément aux dispositions du décret 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'Enseignement communautaire et du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné ;
  3° l'emploi ne peut être déclaré vacant. L'autorité scolaire ne peut en aucun cas nommer à titre définitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi.
Art. 144. Zonder afbreuk te doen aan de principes dat een personeelslid wordt aangesteld in de academie waar de betrekking reglementair wordt georganiseerd, kunnen de personeelsleden, vermeld in artikel 143, worden ingezet in de scholen die deelnemen aan het lokale samenwerkingsinitiatief.
  Hierbij moeten de volgende principes worden nageleefd :
  1° het personeelslid wordt altijd aangesteld aan de academie waar de betrekking reglementair wordt georganiseerd;
  2° de afstand tussen de hoofdvestigingsplaats van de academie van aanstelling en de school waar het personeelslid wordt ingezet, mag nooit meer dan 25 km bedragen. Dit geldt niet als het personeelslid ermee instemt om over een grotere afstand ingezet te worden;
  3° er wordt altijd rekening gehouden met de conform dit decreet bepaalde statutaire toestand van het personeelslid.
  De bepalingen over de inzetbaarheid, vermeld in het eerste en tweede lid, worden, met behoud van toepassing van artikel 20 van het decreet rechtspositie gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991 en artikel 18 van het decreet rechtspositie gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, opgenomen in de overeenkomst, het besluit of het geschrift waarin de aanstelling wordt vastgesteld, en in de functiebeschrijving.
Art. 144. Sans préjudice des principes selon lesquels un membre du personnel est nommé à l'académie où l'emploi est réglementairement organisé, les membres du personnel visés à l'article 143 peuvent être occupés dans les écoles qui participent à l'initiative locale de coopération.
  Les principes suivants doivent être respectés à cet égard :
  1° le membre du personnel est toujours désigné à l'académie où l'emploi est réglementairement organisé ;
  2° la distance entre l'implantation principale de l'académie d'affectation et l'école où le membre du personnel est occupé ne peut jamais dépasser 25 km. Cette disposition ne s'applique pas si le membre du personnel accepte d'être occupé à une plus grande distance ;
  3° la situation statutaire du membre du personnel telle qu'elle est déterminée conformément au présent décret est toujours prise en compte.
  Les dispositions relatives à l'employabilité visées aux alinéas 1er et 2, sont, sans préjudice de l'application de l'article 20 du décret 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'Enseignement communautaire et du décret du 27 mars 1991 relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, formalisées dans l'accord, l'arrêté ou le document établissant la désignation, ainsi que dans la description de fonction.
Art. 145. De ondersteuningsaanvraag van het lokaal samenwerkingsinitiatief wordt ingediend uiterlijk 1 maart van het kalenderjaar dat aan de start van het schooljaar waarin de samenwerking begint, voorafgaat.
  [1 De Vlaamse Regering bepaalt de uiterste indieningsdatum voor de ondersteuningsaanvragen van lokale samenwerkingsinitiatieven.]1
  De Vlaamse Regering bepaalt de manier waarop de lokale samenwerkingsinitiatieven rapporteren over de manier waarop de ondersteuning ingezet wordt. De Vlaamse Regering beperkt zich daarbij tot het opvragen van een jaarlijks beknopt verslag en een steekproefsgewijze financiële controle op het einde van de samenwerking.
  
Art. 145. [1 Le Gouvernement flamand détermine la date limite d'introduction pour les demandes de soutien au titre d'initiatives locales de coopération.]1
  Le Gouvernement flamand détermine la procédure de demande et d'attribution en tenant compte des objectifs et conditions organisationnelles, visées aux articles 136 à 138.
  Le Gouvernement flamand détermine la manière dont les initiatives locales de coopération rendent compte de la manière dont le soutien est utilisé. Le Gouvernement flamand se limite à demander un rapport de synthèse annuel et un audit financier aléatoire à la fin de la coopération.
  
Afdeling 4. - Kwaliteitszorg
Section 4. - Gestion de la qualité
Art. 146. De lokale samenwerkingsinitiatieven laten de controle door de onderwijsinspectie toe, zoals bepaald in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs.
Art. 146. Les initiatives locales de coopération permettent un contrôle par l'inspection de l'enseignement, comme le prévoit le décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement.
HOOFDSTUK 9. - Zorgvuldig bestuur
CHAPITRE 9. - Bonne administration
Art. 147. Een schoolbestuur mag informatie verstrekken over het eigen opvoedings- en onderwijsaanbod, maar het mag geen oneerlijke concurrentie voeren.
  [1 Bij die informatieverstrekking, met inbegrip van studiebekrachtiging, hanteert een academie minstens de benamingen van structuuronderdelen die zijn vastgelegd door of krachtens een decreet.]1
  
Art. 147. Une autorité scolaire peut fournir des informations sur sa propre offre d'éducation et d'enseignement, mais ne peut pas poser des actes de concurrence déloyale.
  [1 Lors de la fourniture de ces informations, y compris validation d'études, une académie utilise au moins les dénominations de subdivisions structurelles qui sont arrêtées par ou en vertu du présent décret.]1
  
Art. 148. Er mag in de academie geen politieke propaganda gevoerd worden en er mogen geen politieke activiteiten worden georganiseerd.
  In afwijking van het eerste lid kunnen politieke activiteiten in de academie worden toegelaten buiten de periodes waarin er schoolactiviteiten zijn en buiten de periode van negentig dagen vóór een verkiezing. Personeelsleden en leerlingen wordt niet gevraagd of worden niet aangezet om aan die activiteiten deel te nemen. Het schoolbestuur kan niet betrokken worden bij de organisatie van een politieke activiteit en houdt rekening met het beginsel van gelijke behandeling bij de toepassing van deze bepaling.
  In het eerste en tweede lid wordt verstaan onder politieke activiteiten : alle activiteiten die worden georganiseerd door politieke partijen of politieke mandatarissen van politieke partijen, van wie de standpunten en gedragingen niet in strijd zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Art. 148. Toute propagande politique est interdite dans l'académie et aucune activité politique ne peut y être organisée.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, des activités politiques sont admises dans l'académie en dehors des périodes dans lesquelles des activités scolaires ont lieu et en dehors de la période de 90 jours avant les élections. Les membres du personnel et les élèves ne sont pas sollicités ou incités à participer à ces activités. L'autorité scolaire ne peut pas être associée à l'organisation d'une activité politique et tient compte du principe de traitement égal lors de l'application de cette disposition.
  Aux paragraphes 1 et 2, on entend par activités politiques : toutes les activités qui sont organisées par des partis politiques ou des mandataires politiques de partis politiques, dont les positions et les comportements ne sont pas contraires à Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.
Art. 149. Een schoolbestuur kan handelsactiviteiten verrichten als die geen daden van koophandel zijn en als ze verenigbaar zijn met zijn onderwijsopdracht.
Art. 149. Une autorité scolaire peut effectuer des activités commerciales, à condition qu'il ne s'agisse pas d'actes de commerce et qu'elles soient compatibles avec la charge d'enseignement.
Art. 150. Een schoolbestuur dat sponsoring of mededelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen, toelaat, waakt erover dat :
  1° leermiddelen die door het schoolbestuur verstrekt worden, vrij blijven van de voormelde mededelingen;
  2° de activiteiten vrij blijven van de voormelde mededelingen, behalve als die mededelingen louter attenderen op het feit dat de activiteit of een gedeelte van de activiteit georganiseerd werd door middel van een gift, een schenking of een prestatie om niet of verricht onder reële prijs door een bij name genoemde natuurlijke persoon, rechtspersoon of feitelijke vereniging;
  3° de sponsoring en de voormelde mededelingen niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de academie;
  4° de sponsoring en de voormelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de academie niet in het gedrang brengen.
Art. 150. Une autorité scolaire autorisant le sponsoring ou des communications ayant directement ou indirectement pour but de promouvoir la vente de produits ou de services, veillent à ce que :
  1° les moyens didactiques fournis par l'autorité scolaire ne portent pas les communications précitées ;
  2° les activités restent libres des communications précitées, à moins que ces communications n'attirent simplement l'attention sur le fait que l'activité ou une partie de celle-ci a été organisée par le biais d'un don, d'une donation ou d'une prestation à titre gratuit ou a été effectuée en-dessous du prix réel par une personne physique, personne morale ou association de fait nommément désignée ;
  3° le sponsoring et les communications précitées soient manifestement incompatibles avec les missions et objectifs pédagogiques et didactiques de l'académie ;
  4° le sponsoring et les communications visées ne compromettent pas l'objectivité, la crédibilité, la fiabilité et l'indépendance de l'académie.
Art. 151. Vragen in verband met de toepassing van de beginselen van dit hoofdstuk en klachten in verband met inbreuken op die beginselen kunnen door iedere belanghebbende ingediend worden bij de Commissie zorgvuldig bestuur, vermeld in artikel V.21 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek.
Art. 151. Les questions relatives à l'application des principes du présent chapitre et les plaintes relatives aux infractions à ces principes peuvent être soumises par toute partie intéressée à la " Commissie Zorgvuldig Bestuur " (Commission de bonne administration), visée à l'article V.21 du décret du 13 juillet 2001 relatif à l'enseignement-XIII-Mosaïque.
HOOFDSTUK 10. - Overgangs-, opheffings-, wijzigings- en inwerkingtredingsbepalingen
CHAPITRE 10. - Dispositions transitoires, abrogatoires, modificatives et d'entrée en vigueur
Afdeling 1. - Overgangsbepalingen
Section 1re. - Dispositions transitoires
Art. 152. Leerlingen die in het schooljaar 2017-2018 in dezelfde of een andere academie ingeschreven zijn en zich opnieuw inschrijven voor het schooljaar 2018-2019, worden ingeschreven in het domein, de graad, het leerjaar en de opleiding die in de nieuwe structuur overeenkomen met hetzelfde of het volgende leerjaar van de opleiding in de graad en de studierichting in de structuur van voor 1 september 2018, naargelang ze geslaagd waren of niet.
  De Vlaamse Regering bepaalt welke opleidingen in de nieuwe structuur overeenkomen met welke opleidingen in de oude structuur.
Art. 152. Les élèves, inscrits dans la même académie ou dans une autre académie pendant l'année scolaire 2017-2018 et qui se réinscrivent pendant l'année scolaire 2018-2019, sont inscrits dans le domaine, le degré, l'année d'études et la formation qui, dans la nouvelle structure, correspondent à la même année d'études ou à l'année d'études suivante de la formation dans le degré et l'orientation d'études dans la structure existant avant le 1er septembre 2018, selon qu'ils ont ou non réussi ou non.
  Le Gouvernement flamand détermine les formations de la nouvelle structure qui correspondent aux formations de l'ancienne structure.
Art. 156. [1 In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een academie tot het schooljaar 2020-2021 starten met de organisatie van het structuuronderdeel beeldende en audiovisuele cultuur in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad beeldende kunst organiseerde. Dat structuuronderdeel voldoet naargelang van de toepassing aan de rationalisatienormen, vermeld in artikel 127 of 128. Vanaf het schooljaar 2021-2022 zijn de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117, 121 en 122, van toepassing.
   In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een academie tot het schooljaar 2020-2021 starten met de organisatie van het structuuronderdeel danscultuur in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad dans organiseerde. Dat structuuronderdeel voldoet naargelang van de toepassing aan de rationalisatienormen, vermeld in artikel 127 of 128. Vanaf het schooljaar 2021-2022 zijn de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117, 121 en 122, van toepassing.
   In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een academie tot het schooljaar 2020-2021 starten met de organisatie van het structuuronderdeel woordkunsten dramacultuur in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad woordkunst organiseerde. Dat structuuronderdeel voldoet aan de rationalisatienormen, vermeld in artikel 127 of 128. Vanaf het schooljaar 20212022 zijn de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117, 121 en 122, van toepassing.
   In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een academie tot het schooljaar 2020-2021 starten met de organisatie van de structuuronderdelen muziekcultuur en muziekgeschiedenis in een van haar vestigingsplaatsen waar ze op 31 augustus 2018 de hogere graad muziekgeschiedenis organiseerde. Dat structuuronderdeel voldoet aan de rationalisatienormen, vermeld in artikel 127 of 128. Vanaf het schooljaar 2021-2022 zijn de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117, 121 en 122, van toepassing.
   In afwijking van artikel 117, 121 en 122 kan een academie die het domein beeldende en audiovisuele kunsten organiseert zonder de eerste, tweede en derde graad tot het schooljaar 2020-2021 starten met de organisatie van het structuuronderdeel derde graad voor volwassenen. Dat structuuronderdeel voldoet aan de rationalisatienormen, vermeld in artikel 127 of 128. Vanaf het schooljaar 20212022 zijn de programmatievoorwaarden, vermeld in artikel 117, 121 en 122, van toepassing.]1

  
Art. 156. [1 Par dérogation aux articles 117, 121 et 122, une académie peut, jusqu'à l'année scolaire 2020-2021, commencer l'organisation d'une subdivision structurelle culture plastique et audiovisuelle dans une de ses implantations où elle organisait le degré supérieur en arts plastiques au 31 août 2018. Cette subdivision structurelle doit répondre, le cas échéant, aux normes de rationalisation prévues à l'article 127 ou 128. A partir de l'année scolaire 2021-2022, les conditions de programmation visées aux articles 117, 121 et 122 s'appliquent.
   Par dérogation aux articles 117, 121 et 122, une académie peut, jusqu'à l'année scolaire 2020-2021, commencer l'organisation d'une subdivision structurelle culture de la danse dans une de ses implantations où elle organisait le degré supérieur en danse au 31 août 2018. Cette subdivision structurelle doit répondre, le cas échéant, aux normes de rationalisation prévues à l'article 127 ou 128. A partir de l'année scolaire 2021-2022, les conditions de programmation visées aux articles 117, 121 et 122 s'appliquent.
   Par dérogation aux articles 117, 121 et 122, une académie peut, jusqu'à l'année scolaire 2020-2021, commencer l'organisation d'une subdivision structurelle arts de la parole-culture théâtrale dans une de ses implantations où elle organisait le degré supérieur en arts de la parole au 31 août 2018. Cette subdivision structurelle doit répondre aux normes de rationalisation prévues à l'article 127 ou 128. A partir de l'année scolaire 2021-2022, les conditions de programmation visées aux articles 117, 121 et 122 s'appliquent.
   Par dérogation aux articles 117, 121 et 122, une académie peut, jusqu'à l'année scolaire 2020-2021, commencer l'organisation des subdivisions structurelles culture musicale et histoire de la musique dans une de ses implantations où elle organisait le degré supérieur en histoire de la musique au 31 août 2018. Cette subdivision structurelle doit répondre aux normes de rationalisation prévues à l'article 127 ou 128. A partir de l'année scolaire 2021-2022, les conditions de programmation visées aux articles 117, 121 et 122 s'appliquent.
   Par dérogation aux articles 117, 121 et 122, une académie organisant le domaine arts plastiques et audiovisuels sans les premier, deuxième et troisième degrés peut, jusqu'à l'année scolaire 2020-2021, commencer l'organisation de la subdivision structurelle du troisième degré pour adultes. Cette subdivision structurelle doit répondre aux normes de rationalisation prévues à l'article 127 ou 128. A partir de l'année scolaire 2021-2022, les conditions de programmation visées aux articles 117, 121 et 122 s'appliquent.]1

  
Art. 157. Op programmaties die vóór 31 augustus 2018 van start gegaan zijn, blijven de toen geldende programmatievoorwaarden van toepassing.
Art. 157. Les programmations commencées avant le 31 août 2018 restent soumises aux conditions de programmation alors en vigueur.
Afdeling 2. - Opheffingsbepalingen
Section 2. - Dispositions abrogatoires
Art. 159. Artikel II.1 tot en met II.60 van deel II van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, met uitzondering van artikel II.54, worden opgeheven.
  Artikel II.54 en artikel IV.46 tot en met IV.51 van hetzelfde besluit worden op 31 augustus 2019 opgeheven.
Art. 159. Les articles II.1 à II.60 de la partie II de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement, à l'exception de l'article II.54 sont abrogés.
  L'article II.54 et les articles IV.46 à IV.51 du même arrêté sont abrogés au 31 août 2019.
Art. 160. De uitvoeringsbesluiten die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet van kracht zijn, blijven van toepassing tot ze door de steller ervan worden opgeheven.
Art. 160. Les arrêtés d'exécution en vigueur au moment de l'entrée en vigueur du présent décret continuent de s'appliquer jusqu'à ce qu'ils soient abrogés par leur auteur.
Afdeling 3. - Wijzigingsbepalingen
Section 3. - Dispositions modificatives
Art. 161. In artikel V.27, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs worden de woorden "en het deeltijds kunstonderwijs" opgeheven.
Art. 161. Dans l'article V.27, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement, les mots " l'enseignement artistique à temps partiel " sont abrogés.
Afdeling 4. - Inwerkingtreding
Section 4. - Entrée en vigueur
Art. 162. De bepalingen van dit decreet treden in werking op 1 september 2018, met uitzondering van de bepalingen, vermeld in artikel 97 tot en met 135, die in werking treden op de dag van de publicatie in het Belgisch Staatsblad.
  De bepalingen, vermeld in artikel 10 tot en met 25, treden in werking de dag van de publicatie in het Belgisch Staatsblad, in de mate dat dit noodzakelijk is voor de toepassing van artikel 97 tot en met 135.
Art. 162. Les dispositions du présent décret entrent en vigueur le 1er septembre 2018, à l'exception des dispositions mentionnées aux articles 97 à 135 qui entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge.
  Les dispositions, visées aux articles 10 à 25, entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge, dans la mesure où tel est nécessaire pour l'application des articles 97 à 135.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1.
Art. N1. Annexe 1.
IndicatiefNaam Fusiegemeente
BKANDERLECHT Academie Beeldende Kunsten van het Gemeenschapsonderwijs Anderlecht
BKANTWERPENKASK Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Deeltijds Kunstonderwijs Antwerpen
BKARENDONK Gemeentelijke Academie voor Schone Kunsten Arendonk
BKBERCHEM Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten Berchem & Instituut Roger Avermaete Antwerpen
BKDENDERMONDE Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Dendermonde
BKEEKLO Stedelijke Academie voor Schone Kunsten Eeklo
BKETTERBEEK Academie Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap (RHOK) Etterbeek
BKGENTSABK Academie voor Beeldende Kunst Gent
BKGENTSINTLUCAS Sint-Lucasacademie Gent
BKHERENTALS Stedelijke Academie voor Beeldende Kunst Herentals
BKHOBOKEN Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten Antwerpen
BKHOOGSTRATEN Instituut voor Kreatieve Opvoeding Hoogstraten
BKMECHELENIKA Instituut voor Kunst en Ambacht van het Gemeenschapsonderwijs Mechelen
BKMOL Gemeentelijke Academie voor Beeldende Kunsten Mol
BKSCHAARBEEK Sint-Lukasacademie Schaarbeek
IndicatiefNaam FusiegemeenteBKANDERLECHT Academie Beeldende Kunsten van het Gemeenschapsonderwijs AnderlechtBKANTWERPENKASK Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Deeltijds Kunstonderwijs AntwerpenBKARENDONK Gemeentelijke Academie voor Schone Kunsten ArendonkBKBERCHEM Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten Berchem & Instituut Roger Avermaete AntwerpenBKDENDERMONDE Koninklijke Academie voor Schone Kunsten DendermondeBKEEKLO Stedelijke Academie voor Schone Kunsten EekloBKETTERBEEK Academie Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap (RHOK) EtterbeekBKGENTSABK Academie voor Beeldende Kunst GentBKGENTSINTLUCAS Sint-Lucasacademie GentBKHERENTALS Stedelijke Academie voor Beeldende Kunst HerentalsBKHOBOKEN Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten AntwerpenBKHOOGSTRATEN Instituut voor Kreatieve Opvoeding HoogstratenBKMECHELENIKA Instituut voor Kunst en Ambacht van het Gemeenschapsonderwijs MechelenBKMOL Gemeentelijke Academie voor Beeldende Kunsten MolBKSCHAARBEEK Sint-Lukasacademie Schaarbeek
Indicatif Nom Commune fusionnée
BKANDERLECHT Academie Beeldende Kunsten van het Gemeenschapsonderwijs Anderlecht
BKANTWERPENKASK Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Deeltijds Kunstonderwijs Antwerpen
BKARENDONK Gemeentelijke Academie voor Schone Kunsten Arendonk
BKBERCHEM Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten Berchem & Instituut Roger Avermaete Antwerpen
BKDENDERMONDE Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Dendermonde
BKEEKLO Stedelijke Academie voor Schone Kunsten Eeklo
BKETTERBEEK Academie Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap (RHOK) Etterbeek
BKGENTSABK Academie voor Beeldende Kunst Gent
BKGENTSINTLUCAS Sint-Lucasacademie Gent
BKHERENTALS Stedelijke Academie voor Beeldende Kunst Herentals
BKHOBOKEN Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten Antwerpen
BKHOOGSTRATEN Instituut voor Kreatieve Opvoeding Hoogstraten
BKMECHELENIKA Instituut voor Kunst en Ambacht van het Gemeenschapsonderwijs Mechelen
BKMOL Gemeentelijke Academie voor Beeldende Kunsten Mol
BKSCHAARBEEK Sint-Lukasacademie Schaarbeek
Indicatif Nom Commune fusionnéeBKANDERLECHT Academie Beeldende Kunsten van het Gemeenschapsonderwijs AnderlechtBKANTWERPENKASK Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Deeltijds Kunstonderwijs AntwerpenBKARENDONK Gemeentelijke Academie voor Schone Kunsten ArendonkBKBERCHEM Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten Berchem & Instituut Roger Avermaete AntwerpenBKDENDERMONDE Koninklijke Academie voor Schone Kunsten DendermondeBKEEKLO Stedelijke Academie voor Schone Kunsten EekloBKETTERBEEK Academie Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap (RHOK) EtterbeekBKGENTSABK Academie voor Beeldende Kunst GentBKGENTSINTLUCAS Sint-Lucasacademie GentBKHERENTALS Stedelijke Academie voor Beeldende Kunst HerentalsBKHOBOKEN Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten AntwerpenBKHOOGSTRATEN Instituut voor Kreatieve Opvoeding HoogstratenBKMECHELENIKA Instituut voor Kunst en Ambacht van het Gemeenschapsonderwijs MechelenBKMOL Gemeentelijke Academie voor Beeldende Kunsten MolBKSCHAARBEEK Sint-Lukasacademie Schaarbeek
Art. N2. Bijlage 2.
Art. N2. Annexe 2.
Indicatief Naam Brusselvoordeel in lestijden/uren-leraar (2016-2017)
BKANDERLECHT Academie Beeldende Kunsten van het Gemeenschapsonderwijs 12
BKETTERBEEK Academie Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap (RHOK) 12
BKSCHAARBEEK Sint-Lukasacademie 3
MANDERLECHT Muziekacademie Anderlecht 91
MBRUSSEL Hoofdstedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans 87
METTERBEEK Muziekacademie van het Gemeenschapsonderwijs Etterbeek 46
MJETTE Jetse Academie Muziek - Woord - Dans 45
MSCHAARBEEKMAGO Muziekacademie Schaarbeek J. H. Fiocco 82
MSINTAGATHABERCHEM Academie Voor Muziek En Woord Sint-Agatha-Berchem 115
MSINTLAMBRECHTSWOLUWE Gemeentelijke academie voor muziek en woord Sint-Lambrechts-Woluwe 96
MSINTPIETERSWOLUWE Gemeentelijke muziekacademie van Sint-Pieters-Woluwe 72
Indicatief Naam Brusselvoordeel in lestijden/uren-leraar (2016-2017)BKANDERLECHT Academie Beeldende Kunsten van het Gemeenschapsonderwijs 12BKETTERBEEK Academie Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap (RHOK) 12BKSCHAARBEEK Sint-Lukasacademie 3MANDERLECHT Muziekacademie Anderlecht 91MBRUSSEL Hoofdstedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans 87METTERBEEK Muziekacademie van het Gemeenschapsonderwijs Etterbeek 46MJETTE Jetse Academie Muziek - Woord - Dans 45MSCHAARBEEKMAGO Muziekacademie Schaarbeek J. H. Fiocco 82MSINTAGATHABERCHEM Academie Voor Muziek En Woord Sint-Agatha-Berchem 115MSINTLAMBRECHTSWOLUWE Gemeentelijke academie voor muziek en woord Sint-Lambrechts-Woluwe 96MSINTPIETERSWOLUWE Gemeentelijke muziekacademie van Sint-Pieters-Woluwe 72
Indicatif Nom Avantage Bruxelles en périodes de cours/périodes-professeur (2016-2017)
BKANDERLECHT Academie Beeldende Kunsten van het Gemeenschapsonderwijs 12
BKETTERBEEK Academie Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap (RHOK) 12
BKSCHAARBEEK Sint-Lukasacademie 3
MANDERLECHT Muziekacademie Anderlecht 91
MBRUSSEL Hoofdstedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans 87
METTERBEEK Muziekacademie van het Gemeenschapsonderwijs Etterbeek 46
MJETTE Jetse Academie Muziek - Woord - Dans 45
MSCHAARBEEKMAGO Muziekacademie Schaarbeek J. H. Fiocco 82
MSINTAGATHABERCHEM Academie Voor Muziek En Woord Sint-Agatha-Berchem 115
MSINTLAMBRECHTSWOLUWE Gemeentelijke academie voor muziek en woord Sint-Lambrechts-Woluwe 96
MSINTPIETERSWOLUWE Gemeentelijke muziekacademie van Sint-Pieters-Woluwe 72
Indicatif Nom Avantage Bruxelles en périodes de cours/périodes-professeur (2016-2017)BKANDERLECHT Academie Beeldende Kunsten van het Gemeenschapsonderwijs 12BKETTERBEEK Academie Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap (RHOK) 12BKSCHAARBEEK Sint-Lukasacademie 3MANDERLECHT Muziekacademie Anderlecht 91MBRUSSEL Hoofdstedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans 87METTERBEEK Muziekacademie van het Gemeenschapsonderwijs Etterbeek 46MJETTE Jetse Academie Muziek - Woord - Dans 45MSCHAARBEEKMAGO Muziekacademie Schaarbeek J. H. Fiocco 82MSINTAGATHABERCHEM Academie Voor Muziek En Woord Sint-Agatha-Berchem 115MSINTLAMBRECHTSWOLUWE Gemeentelijke academie voor muziek en woord Sint-Lambrechts-Woluwe 96MSINTPIETERSWOLUWE Gemeentelijke muziekacademie van Sint-Pieters-Woluwe 72