Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
21 MAART 2018. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-03-2018 en tekstbijwerking tot 03-04-2025)
Titre
21 MARS 2018. - Arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale portant le statut administratif et pécuniaire des agents des services publics régionaux de Bruxelles(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-03-2018 et mise à jour au 03-04-2025)
Documentinformatie
Numac: 2018011463
Datum: 2018-03-21
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2018011463
Date: 2018-03-21
Moniteur: Voir
Inhoud
BOEK I. - ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - Algemene bepalingen TITEL II. - De organisatie van de Gewestelijke ... HOOFDSTUK I. - De ambtenaren HOOFDSTUK II. - Rechten en plichten HOOFDSTUK III. - De graden HOOFDSTUK IV. - Het personeelsplan en het organ... HOOFDSTUK V. - De ambtenaren-generaal HOOFDSTUK VI. - De directieraad HOOFDSTUK VII. - De gewestelijke kamer van beroep Afdeling 1. - Opdracht en samenstelling van de ... Afdeling 2. - De werking van de gewestelijke ka... TITEL III. - De werving, de stage en de benoeming HOOFDSTUK I. - De werving en de selectie Afdeling 1. - Algemene bepaling Afdeling 2. - De benoemings-, toelaatbaarheids-... Afdeling 3. - Organisatie van de selecties en s... HOOFDSTUK II. - Vergelijkende selecties Afdeling 1. - De selectieproeven, over de samen... Afdeling 2. - Regels voor de toelating van de g... Afdeling 3. - Oproep tot indiensttreding van de... HOOFDSTUK III. - De stage Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - De inhoud van de stage Afdeling 3. - Het verloop van de stage Afdeling 4. - Vrijstelling van stage Afdeling 5. - Het einde van de stage Afdeling 6. - Vroegtijdige beëindiging van de s... Afdeling 7. - De beroepsprocedure HOOFDSTUK IV. - De benoeming TITEL IV. - De loopbaan HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK II. - De hiërarchische loopbaan Afdeling 1. - Bevordering door verhoging in graad. Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Onderafdeling 2. - De bevordering tot een graad... Onderafdeling 3. - De bevordering tot een graad... Afdeling 2. - De bevordering door overgang naar... Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen Onderafdeling 2. - Examen voor de overgang naar... Onderafdeling 3. - De overgang naar niveau B en C HOOFDSTUK III. - De functionele loopbaan Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - De gewone functionele loopbaan HOOFDSTUK IV. - De uitoefening van een hoger ambt TITEL V. [1 De interne mobiliteit ]1 HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK II. [1 De vrijwillige interne mobilit... HOOFDSTUK III. [1 De ambtshalve interne mobilit... HOOFDSTUK IV. - De herplaatsing TITEL V/I. [1 De conventionele tijdelijke terbe... TITEL VI. - De evaluatie HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK II. - Het verloop van de evaluatie Afdeling 1. - Algemene bepaling Afdeling 2. - Voorwerp van de evaluatie Afdeling 3. - Tijdens de evaluatieperiode Afdeling 4. - De evaluatie Afdeling 5. - De eindvermeldingen HOOFDSTUK III. - De beroepsprocedure HOOFDSTUK IV. - De gevolgen van de vermelding "... TITEL VII. - De administratieve standen, de afw... HOOFDSTUK I. - De administratieve standen Afdeling 1. - De dienstactiviteit Afdeling 2. - De non-activiteit Afdeling 3. - De disponibiliteit Onderafdeling 1. - De disponibiliteit wegens am... Onderafdeling 2. - De disponibiliteit wegens zi... Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen HOOFDSTUK II. - De afwezigheden HOOFDSTUK III. - De verloven van loopbaanonderb... Afdeling 1. - Het verlof voor loopbaanonderbreking Afdeling 2. - Verlof in het kader van de vierda... Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen Onderafdeling 2. - Het stelsel van de vrijwilli... Onderafdeling 3. - Het stelsel van de vrijwilli... Onderafdeling 4. - Halftijds werken vanaf 50 of... HOOFDSTUK IV. - Verminderde prestaties om perso... HOOFDSTUK V. - De verloven van korte duur Afdeling 1. - De jaarlijkse vakantie Afdeling 2. - De feestdagen Afdeling 3. - Het verlof om familiale redenen Onderafdeling 1. - Het omstandigheidsverlof Onderafdeling 2. - Het verlof wegens dwingende ... Onderafdeling 3. - Het ouderschapsverlof buiten... Onderafdeling 4. - Adoptieverlof, het verlof vo... Afdeling 4. - Het bevallingsverlof Afdeling 5. - Het verlof om medische of humanit... Afdeling 6. - Uitzonderlijk verlof HOOFDSTUK VI. - De verloven van lange duur Afdeling 1. - Het verlof om persoonlijke redenen Afdeling 2. - Het verlof om een stage te doen i... Afdeling 3. - Het verlof wegens opdracht Afdeling 4. [1 Het verlof wegens intraregionale... HOOFDSTUK VII. - Het verlof wegens ziekte Afdeling 1. - De ziekteverlofdagen Afdeling 2. - Het toezicht en de definitieve on... Afdeling 3. - De verminderde prestaties wegens ... HOOFDSTUK VIII. - De verloven om politieke redenen Afdeling 1. - Het verlof om zich kandidaat te s... Afdeling 2. - Het verlof om een functie uit te ... Afdeling 3. - Het verlof voor detachering bij e... Afdeling 4. - Het verlof om een politiek mandaa... HOOFDSTUK IX. - Het beroep inzake verlof, afwez... TITEL VIII. - De vorming HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK II. - Het verloop van de vorming Afdeling 1. - De doorlopende beroepsvorming Afdeling 2. - De vrijwillige beroepsvorming. TITEL IX. - De tuchtregeling HOOFDSTUK I. - De tuchtstraffen HOOFDSTUK II. - De tuchtvordering Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - Het voorstel van straf HOOFDSTUK III. - Het beroep inzake tuchtaangele... Afdeling 1. - Algemene bepaling Afdeling 2. - De beroepsprocedure in tuchtzaken HOOFDSTUK IV. - Uitspraak van de tuchtstraf HOOFDSTUK V. - De inschrijving en de schrapping... TITEL X. - De schorsing in het belang van de di... TITEL XI. - Onverenigbaarheden en cumulatie van... TITEL XII. - De inschakeling van personen met e... TITEL XIII. - Het verlies van de hoedanigheid v... BOEK II. - DE BEZOLDIGINGSREGELING TITEL I. - De wedde HOOFDSTUK I. - De weddeschalen HOOFDSTUK II. - De vaststelling van de wedde va... Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - De berekening van de wedde HOOFDSTUK III. - De gewaarborgde bezoldiging, d... Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - De gewaarborgde bezoldiging Afdeling 3. - De haard- of standplaatstoelage Afdeling 4. - Het vakantiegeld Afdeling 5. - De eindejaarstoelage TITEL II. - De toelagen HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK II. - De toelage voor het uitoefenen ... HOOFDSTUK III. - De toelage verbonden aan de ge... Afdeling 1. - De toelage voor overuren Afdeling 2. - De toelage voor nacht-, zaterdag-... Afdeling 3. - Stelsel van toelagen toegekend aa... Afdeling 4. - De toelage voor ongezonde, hinder... HOOFDSTUK IV. - De toelagen aan de rekenplichtigen Afdeling 1. - De verantwoordelijkheidstoelagen Afdeling 2. - De toelage bij het beheren van me... HOOFDSTUK V. - De tweetaligheidstoelage HOOFDSTUK VI. - De premies toegekend in toepass... HOOFDSTUK VII. - Toelagen voor interne opleiders HOOFDSTUK VIII. - De ingenieurstoelage HOOFDSTUK IX. - De projecttoelagen HOOFDSTUK X. - De toelage die wordt toegekend a... TITEL III. - De vergoedingen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK II. - De vergoedingen voor verplaatsi... Afdeling 1. - Algemene bepalingen Afdeling 2. - Het gebruik van het openbaar vervoer Afdeling 3. - Het gebruik van het eigen voertuig HOOFDSTUK III. - De vergoeding voor verblijfkosten HOOFDSTUK IV. - De vergoeding voor vervoerskost... Afdeling 1. - De fietsvergoeding Afdeling 2. - De vergoeding voor het gebruik va... HOOFDSTUK IV/1. [1 - Telewerkvergoeding]1 HOOFDSTUK V. - Huisvestingskosten Afdeling 1. - Het genot van een dienstwoning Afdeling 2. - De huisvestingstoelage HOOFDSTUK VI. - De toelage voor huisbewaarders ... HOOFDSTUK VII. - Vergoeding van de begrafenisko... HOOFDSTUK VIII. - De terbeschikking-stelling va... BOEK III. - DE VASTSTELLING VAN DE ADMINISTRATI... TITEL I. - Algemene bepalingen TITEL II. - De berekening van de administratiev... TITEL III. - De geldelijke anciënniteit HOOFDSTUK I. - In aanmerking komende diensten HOOFDSTUK II. - De berekening van de geldelijke... BOEK IV. - HET MANDAAT TITEL I. - Algemene bepalingen TITEL II. - Selectie, aanwerving en aanwijzing ... HOOFDSTUK I. - De toelatingsvoorwaarden HOOFDSTUK II. - De vacantverklaring en de funct... HOOFDSTUK III. - Selectiecommissie HOOFDSTUK IV. - De selectieprocedure Afdeling 1. - De ontvankelijkheid Afdeling 2. - De selectie Afdeling 3. - De aanwijzing van de mandaathouders TITEL III. - Administratieve en geldelijke situ... HOOFDSTUK 1. - Administratieve situatie Afdeling 1. - De aard van de arbeidsrelatie Afdeling 2. - De uitoefening van het mandaat HOOFDSTUK II. - Geldelijke situatie HOOFDSTUK III. - Anciënniteit TITEL IV. - De evaluatie HOOFDSTUK 1. - Evaluatiecommissie HOOFDSTUK II. - Het verloop van de evaluatie Afdeling 1. - Voorwerp van evaluatie Afdeling 2. - De voorbereiding van het evaluati... Afdeling 3. - Het evaluatieverslag en de vermel... Afdeling 4. - Beroepsprocedure TITEL V. - Einde van het mandaat HOOFDSTUK I. - Beëindiging van het mandaat van ... HOOFDSTUK II. - Vroegtijdige beëindiging HOOFDSTUK III. - De graad en de schaal na het m... BOEK V. - De EINDELOOPBAANREGELING EN DE REGELI... BOEK VI. - OPHEFFINGS-, OVERGANGS- EN SLOTBEPAL... TITEL I. - Overgangsbepalingen TITEL II. - Opheffingsbepalingen TITEL III. - Slotbepalingen BIJLAGEN.
Inhoud
LIVRE PREMIER. - DU STATUT ADMINISTRATIF TITRE Ier. - Dispositions générales TITRE II. - De l'organisation du Service public... CHAPITRE Ier. - Des agents CHAPITRE II. - Des droits et devoirs CHAPITRE III. - Des grades CHAPITRE IV. - Du plan du personnel et de l'org... CHAPITRE V. - Des fonctionnaires généraux CHAPITRE VI. - Du Conseil de direction CHAPITRE VII. - De la chambre de recours régionale Section 1re. - De la mission et de la compositi... Section 2. - Du fonctionnement de la chambre de... TITRE III. - Du recrutement, du stage et de la ... CHAPITRE Ier. - Du recrutement et de la sélection Section 1re. - Disposition générale Section 2. - Conditions de nomination, d'admiss... Section 3. - Organisation des sélections et con... CHAPITRE II. - Des sélections comparatives Section 1re. - Des épreuves de la sélection, de... Section 2. - Des modalités d'admission des laur... Section 3. - De l'appel en service des lauréats CHAPITRE III. - Du stage Section 1re. - Dispositions générales Section 2. - L'objet du stage Section 3. - Le déroulement du stage Section 4. - Dispense du stage Section 5. - De la fin du stage Section 6. - De la fin anticipée du stage Section 7. - De la procédure de recours CHAPITRE IV. - De la nomination TITRE IV. - De la carrière CHAPITRE Ier. - Dispositions générales CHAPITRE II. - De la carrière hiérarchique Section 1re. - De la promotion par avancement d... Sous-section 1re. - Dispositions générales Sous-section 2. - De la promotion à un grade de... Sous-section 3. - De la promotion à un grade de... Section 2. - De la promotion par accession au n... Sous-section 1re. - Dispositions générales Sous-section 2. - Du concours d'accession au ni... Sous-section 3. - De l'accession aux niveaux B, C CHAPITRE III. - De la carrière fonctionnelle. Section 1re. - Dispositions générales Section 2. - De la carrière fonctionnelle CHAPITRE IV. - De l'exercice d'une fonction sup... TITRE V. [1 De la mobilité interne ]1 CHAPITRE Ier. - Dispositions générales CHAPITRE II. [1 De la mobilité interne volontai... CHAPITRE III. [1 De la mobilité interne d'offic... CHAPITRE IV. - De la réaffectation TITRE V/1. [1 De la mise à disposition conventi... TITRE VI. - De l'évaluation CHAPITRE Ier. - Dispositions générales CHAPITRE II. - Du déroulement de l'évaluation Section 1re. - Disposition générale Section 2. - Objet de l'évaluation Section 3. - Durant la période d'évaluation Section 4. - De l'évaluation Section 5. - Des mentions CHAPITRE III. - De la procédure de recours CHAPITRE IV. - Des conséquences de la mention "... TITRE VII. - Des positions administratives, des... CHAPITRE Ier. - Des positions administratives Section 1re. - De l'activité de service Section 2. - De la non-activité Section 3. - De la disponibilité Sous-section 1re. - De la disponibilité par ret... Sous-section 2. - De la disponibilité pour maladie Sous-section 3. - Dispositions communes CHAPITRE II. - Des absences CHAPITRE III. - Des congés dans le cadre de l'i... Section 1re. - Du congé pour interruption de ca... Section 2. - Des congés dans le cadre de la sem... Sous-section 1re. - Dispositions communes Sous-section 2. - Du régime de la semaine de qu... Sous-section 3. - Du régime de la semaine de qu... Sous-section 4. - Du travail à mi-temps à parti... CHAPITRE IV. - Des prestations réduites pour co... CHAPITRE V. - Des congés de courte durée Section 1re. - Des vacances annuelles Section 2. - Des jours fériés Section 3. - Du congé pour raisons familiales Sous-section 1re. - Des congés de circonstance Sous-section 2. - Du congé pour des motifs impé... Sous-section 3. - Du congé parental hors de l'i... Sous-section 4. - Du congé d'adoption, du congé... Section 4. - Du congé de maternité Section 5. - Du congé pour raisons médicales ou... Section 6. - Congés exceptionnels CHAPITRE VI. - Des congés de longue durée Section 1re. - Du congé pour convenances person... Section 2. - Du congé pour accomplir un stage d... Section 3. - Du congé pour mission Section 4. [1 Du congé pour mobilité intrarégio... CHAPITRE VII. - Du congé pour maladie Section 1re. - Des jours de congé de maladie Section 2. - Du contrôle et de la déclaration d... Section 3. - Prestations réduites pour raisons ... CHAPITRE VIII. - Des congés pour raisons politi... Section 1re. - Du congé pour présenter sa candi... Section 2. - Du congé pour l'exercice d'une fon... Section 3. - Du congé pour détachement auprès d... Section 4. - Du congé pour exercer un mandat po... CHAPITRE IX. - Du recours en matière de congés,... TITRE VIII. - De la formation CHAPITRE Ier. - Dispositions générales CHAPITRE II. - Du déroulement de la formation Section 1re. - De la formation professionnelle ... Section 2. - De la formation professionnelle vo... TITRE IX. - Du régime disciplinaire CHAPITRE Ier. - Des peines disciplinaires CHAPITRE II. - De l'action disciplinaire Section 1re. - Dispositions générales Section 2. - De la proposition de la peine CHAPITRE III. - Du recours en matière disciplin... Section 1re. - Disposition générale Section 2. - De la procédure de recours en mati... CHAPITRE IV. - Du prononcé de la peine discipli... CHAPITRE V. - De l'inscription et de la radiati... TITRE X. - De la suspension dans l'intérêt du s... TITRE XI. - Des incompatibilités et des cumuls ... TITRE XII. - De l'intégration des personnes han... TITRE XIII. - De la perte de la qualité d'agent... LIVRE II. - DU STATUT PECUNIAIRE TITRE Ier. - Du traitement CHAPITRE Ier. - Des échelles de traitement CHAPITRE II. - De la fixation du traitement de ... Section 1re. - Des dispositions générales Section 2. - Du calcul du traitement CHAPITRE III. - De la rétribution garantie, de ... Section 1re. - Dispositions communes Section 2. - De la rétribution garantie Section 3. - De l'allocation de foyer ou de rés... Section 4. - Du pécule de vacances Section 5. - De l'allocation de fin d'année TITRE II. - DES ALLOCATIONS CHAPITRE Ier. - Dispositions générales CHAPITRE II. - De l'allocation pour exercice d'... CHAPITRE III. - Des allocations liées au travai... Section 1re. - De l'allocation pour heures supp... Section 2. - De l'allocation pour prestations d... Section 3. - Du régime des allocations octroyée... Section 4. - De l'allocation pour travaux insal... CHAPITRE IV. - Des allocations allouées aux com... Section 1re. - Des allocations de responsabilité Section 2. - Des allocations liées à la gestion... CHAPITRE V. - De l'allocation de bilinguisme CHAPITRE VI. - Des primes octroyées aux agents ... CHAPITRE VII. - De l'allocation octroyée aux fo... CHAPITRE VIII. - De la prime d'ingénieur CHAPITRE IX. - Des primes de projet CHAPITRE X. - De l'allocation octroyée aux agen... TITRE III. - Des indemnités CHAPITRE Ier. - Des dispositions générales CHAPITRE II. - Des indemnités liées aux déplace... Section 1re. - Disposition générales Section 2. - De l'utilisation des moyens de tra... Section 3. - De l'utilisation d'un véhicule per... CHAPITRE III. - Du remboursement des frais de s... CHAPITRE IV. - Des indemnités pour frais de dép... Section 1re. - De l'indemnité [1 vélo]1 Section 2. - Des indemnités pour utilisation de... CHAPITRE IV/1. [1 - De l'indemnité pour frais d... CHAPITRE V. - Des frais de logement Section 1re. - De la jouissance d'un logement d... Section 2. - De l'allocation de logement CHAPITRE VI. - De l'allocation aux concierges o... CHAPITRE VII. - De l'indemnité pour frais funér... CHAPITRE VIII. - De la mise à disposition de so... LIVRE III. - DE LA DETERMINATION DE DES ANCIENN... TITRE I. - Dispositions générales TITRE II. - Du calcul de l'ancienneté administr... TITRE III. - De l'ancienneté pécuniaire CHAPITRE Ier. - Des services admissibles CHAPITRE II. - Du calcul de l'ancienneté pécuni... LIVRE IV. - DU MANDAT TITRE Ier. - Dispositions générales TITRE II. - De la sélection, du recrutement et ... CHAPITRE Ier. - Des conditions d'admissibilité CHAPITRE II. - De la déclaration de vacance et ... CHAPITRE III. - Commission de sélection CHAPITRE IV. - De la procédure de sélection Section 1re. - De la recevabilité Section 2. - De la sélection Section 3. - De la désignation des mandataires TITRE III. - Situation administrative et pécuni... CHAPITRE Ier. - De la situation administrative Section 1re. - De la nature de la relation de t... Section 2. - De l'exercice du mandat CHAPITRE II. - De la situation pécuniaire CHAPITRE III. - De l'ancienneté TITRE IV. - De l'évaluation CHAPITRE Ier. - Commission d'évaluation CHAPITRE II. - Du déroulement de l'évaluation Section 1re. - Objet de l'évaluation Section 2. - De la préparation de l'entretien d... Section 3. - Du rapport d'évaluation et de la m... Section 4. - Des voies de recours TITRE V. - De la fin de mandat CHAPITRE Ier. - De la fin de mandat de plein droit CHAPITRE II. - De la fin anticipée CHAPITRE III. - Du grade et de l'échelle après ... LIVRE V. - DE L'AMENAGEMENT DES FINS DE CARRIER... LIVRE VI. - DISPOSITIONS ABROGATOIRES, TRANSITO... TITRE I. - Dispositions transitoires TITRE II. - Dispositions abrogatoires TITRE III. - Dispositions finales ANNEXES.
Tekst (723)
Texte (723)
BOEK I. - ADMINISTRATIEF STATUUT
LIVRE PREMIER. - DU STATUT ADMINISTRATIF
TITEL I. - Algemene bepalingen
TITRE Ier. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren binnen de Gewestelijke Overheidsdiensten van Brussel.
  Telkens wanneer voorliggend besluit verwijst naar de " Gewestelijke Overheidsdienst Brussel ", dient dit te worden gelezen als de betrokken Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
  Telkens wanneer voorliggend besluit verwijst naar de "directieraad", dient dit te worden gelezen als de directieraad van de betrokken Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
  De bevoegdheden door dit besluit toegekend aan de secretaris generaal en de adjunct secretaris generaal, worden, voor deze Gewestelijke Overheidsdiensten Brussel waar de leidende ambtenaren de directeur generaal en adjunct directeur generaal zijn, door deze laatste uitgeoefend.
  De bevoegdheden door dit besluit toegekend aan de directeurs generaal worden uitgeoefend door de directeur generaal, desgevallend bijgestaan door de adjunct directeur generaal.
Article 1er. Le présent arrêté est applicable aux agents des Services publics régionaux de Bruxelles.
  Chaque fois que le présent arrêté fait référence au "Service public régional de Bruxelles", il y a lieu de lire le Service public régional de Bruxelles concerné.
  Chaque fois que le présent arrêté fait référence au "conseil de direction", il y a lieu de lire le conseil de direction du Service public régional de Bruxelles concerné.
  Les compétences attribuées au Secrétaire général et au Secrétaire général adjoint par le présent arrêté sont exercées, pour ce qui concerne les Services publics régionaux de Bruxelles dans lesquels les fonctionnaires dirigeants sont le Directeur général et le Directeur général adjoint, par ces derniers.
  Les compétences attribuées aux directeurs généraux par le présent arrêté sont exercées par le Directeur général, le cas échéant assisté du Directeur général adjoint.
Art. 2. § 1. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder :
  1° De Regering : de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  2° de minister : de minister bevoegd voor Openbaar Ambt;
  3° de functioneel bevoegde minister : de minister of staatssecretaris waarvan een dienst van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel afhangt in functie van de bevoegdheden die hij uitoefent;
  4° de administratieve eenheid : onderdeel van het organogram van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;
  5° de verantwoordelijke van een administratieve eenheid (VAE) : personeelslid dat, ongeacht zijn graad of positie, de activiteiten van een administratieve eenheid beheert, zoals bepaald in het organogram;
  6° de functionele chef : personeelslid dat de leiding of de dagelijkse controle heeft over het functioneren van een team ingevolge zijn functiebeschrijving;
  7° de vakorganisaties : de representatieve vakorganisaties die zetelen in het bevoegde Sectorcomité, in uitvoering van artikel 8, § 1, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de personeelsvakbonden;
  8° HRM : de dienst binnen de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel belast met het personeelsbeheer;
  9° De HRM-verantwoordelijke : het personeelslid van minimum rang A3 dat bevoegd is voor het personeelsbeheer;
  10° budgettair correspondent : het personeelslid dat de coördinatie, centralisatie, verificatie en consolidatie van alle budgettaire informatie verzekert overeenkomstig artikel 42 van het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 13 juli 2006 betreffende de administratieve en begrotingscontrole evenals de begrotingsopmaak;
  11° getuigschriften van competenties verworven buiten diploma : getuigschriften die werden afgeleverd door de Gemeenschappen of de instellingen erkend door deze laatste.
  12° wettelijk tweetalige : personeelslid dat bewijst de tweede taal die niet onder zijn taalrol valt te kennen, op de bij artikel 43, § 3, 3e alinea voorgeschreven wijze van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurzaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;
  13° SELOR : Selectiebureau van de federale overheid.
  14° Brussel Openbaar ambt : Gewestelijke overheidsdienst Brussel Openbaar ambt
  [2 15° flexibele werkregelingen: de mogelijkheid voor werknemers om hun werkregeling aan te passen, voorzien in het arbeidsreglement, onder meer door middel van telewerkregelingen, flexibele werkschema's of verminderde werkuren.]2
  [3 16° langdurige pleegzorg: pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleegouder of dezelfde pleegouders zal verblijven en waarbij het kind als deel uitmakend van dat gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar het gezin, de pleegouder of pleegouders zijn/hun verblijfplaats heeft/hebben, is ingeschreven;
   17° kortdurende pleegzorg: alle vormen van pleegzorg die niet voldoen aan de voorwaarden van langdurige pleegzorg;
   18° pleegkind: het kind waarvoor de ambtenaar of zijn echtgenote of samenwonende partner in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
   19° pleegvader of-moeder: de pleegouder die in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming.]3

  § 2. [1 ...]1
  § 3. [1 ...]1
  § 4. Het gebruik in dit besluit van mannelijke woorden is gemeenslachtig met het oog op het waarborgen van de leesbaarheid van de tekst.
  
Art. 2. § 1er. Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
  1° Le Gouvernement : le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale;
  2° le ministre : le ministre chargé de la Fonction publique;
  3° le ministre fonctionnellement compétent : le ministre ou le secrétaire d'Etat dont relève un service du Service public régional de Bruxelles en fonction des compétences qu'il exerce;
  4° Unité administrative : composante de l'organigramme du Service public régional de Bruxelles;
  5° Responsable d'unité administrative (RUA) : membre du personnel qui, indépendamment de son grade ou de son statut, gère les activités liées à une unité administrative, telle que définie dans l'organigramme;
  6° le chef fonctionnel : membre du personnel qui a la direction ou le contrôle journalier du fonctionnement d'une équipe en vertu de sa description de fonction;
  7° Organisations syndicales : les organisations syndicales représentatives qui siègent au Comité de Secteur compétent en exécution de l'article 8, § 1er, de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités;
  8° GRH : l'entité au sein du Service public régional de Bruxelles assurant la gestion du personnel;
  9° le responsable GRH : le membre du personnel de rang A3 au moins ayant la gestion des ressources humaines dans ses attributions;
  10° correspondant budgétaire : le membre du personnel qui assure la coordination, la centralisation, la vérification et la consolidation de toutes les informations budgétaires conformément à l'article 42 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 13 juillet 2006 relatif au contrôle administratif et budgétaire ainsi qu'à l'établissement du budget;
  11° certificats de compétences acquises hors diplôme : certificats qui sont délivrés par les Communautés ou des organismes agréés par elles.
  12° bilingue légal : membre du personnel qui prouve la connaissance de la deuxième langue qui ne relève pas de son rôle linguistique de la manière prescrite par l'article 43, § 3, alinéa 3 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966;
  13° SELOR : Bureau de sélection de l'administration fédérale.
  14° Bruxelles Fonction publique : Service public régional de Bruxelles Fonction publique
  [2 15° formule souple de travail : la possibilité pour les travailleurs d'aménager leur régime de travail, prévu dans le règlement de travail, y compris par le recours au travail à distance, à des horaires de travail souples ou à une réduction du temps de travail. ]2
  [3 16° placement familial de longue durée: le placement à propos duquel il est clair dès le début que l'enfant séjournera au minimum six mois au sein de la même famille d'accueil auprès du ou des mêmes parents d'accueil et dans le cadre duquel l'enfant est inscrit en tant que membre de cette famille dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de la commune où la famille, le parent d'accueil ou les parents d'accueil ont leur résidence ;
   17° placement familial de courte durée: toutes les formes de placement familial qui ne remplissent pas les conditions du placement familial de longue durée ;
   18° enfant placé: l'enfant pour lequel l'agent, son conjoint ou son partenaire cohabitant a été désigné dans le cadre du placement familial par le tribunal, par un service de placement agréé par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse ;
   19° père ou mère d'accueil: le parent d'accueil qui a été désigné dans le cadre du placement familial par le tribunal, par un service de placement agréé par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse.]3

  § 2. [1 ...]1
  § 3. [1 ...]1
  § 4. L'emploi dans le présent arrêté des noms masculins est épicène en vue d'assurer la lisibilité du texte.
  
Art. 2/1. [1 § 1. De kennisgeving of de betekening van een stuk in dit besluit geschiedt, behoudens uitzondering:
   - Hetzij middels de afgifte tegen een gedateerd en getekend ontvangstbewijs;
   - Hetzij middels aangetekende zending;
   - Hetzij middels aangetekende zending met ontvangstbewijs.
   § 2. Elke termijn wordt berekend, behoudens uitzondering:
   - Wanneer de kennisgeving is gebeurd bij afgifte tegen een getekend en gedateerd ontvangstbewijs, de dag volgend op de afgifte, en deze dag is inbegrepen in de termijn;
   - Wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende zending, vanaf de derde werkdag die volgt op de verzending van de brief, en is die dag inbegrepen in de termijn;
   - Wanneer de kennisgeving is gebeurd bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd, en deze eerste dag is inbegrepen in de termijn.
   Het postmerk geldt als bewijs, zowel voor de verzending als voor de ontvangst of de weigering.
   Wanneer dit besluit voorziet in een termijn, wordt deze berekend in kalenderdagen, met inbegrip van zaterdagen, zondagen en de feestdagen bepaald in artikel 193, § 1.
   Wanneer dit besluit voorziet in een termijn uitgedrukt in werkdagen, dan omvat deze termijn alle dagen van de week behalve zaterdagen, zondagen en feestdagen bepaald in artikel 193, § 1.
   De termijn omvat de vervaldag. Wanneer de vervaldag evenwel een zaterdag, een zondag of een feestdag is, zoals bedoeld in artikel 193, § 1, wordt de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. Als deze dag valt tussen 25 december en 1 januari, wordt hij verplaatst naar de eerst volgende werkdag na 1 januari.
   Indien dit besluit voorziet in de versturing via aangetekende zending met of zonder ontvangstbewijs wordt het versturen via een elektronische procedure, die op een aantoonbare wijze en aangepast aan de omstandigheden, de authenticiteit en de integriteit van de inhoud van de communicatie waarborgt, beschouwd als equivalent. Het gebruik van de elektronische identiteitskaart of de elektronische vreemdelingenkaart kan verplicht worden opgelegd.]1

  
Art. 2/1. [1 § 1. La prise de connaissance ou la notification d'une pièce dans le présent arrêté consiste, sauf dispositions contraires :
   - Soit en la remise contre accusé de réception daté et signé ;
   - Soit en un envoi par lettre recommandée ;
   - Soit en un envoi par lettre recommandée avec accusé de réception.
   § 2. Tout délai est calculé, sauf dispositions contraires :
   - Quand la prise de connaissance consiste en la remise contre accusé de réception daté et signé, à partir du lendemain de la remise et ce jour est compris dans le délai ;
   - Quand la prise de connaissance consiste en un envoi par lettre recommandée, à partir du troisième jour ouvrable qui suit l'envoi du pli et ce jour est compris dans le délai ;
   - Quand la prise de connaissance consiste en un envoi par lettre recommandée avec accusé de réception, à partir du premier jour qui suit le jour de la réception du pli et ce premier jour est compris dans le délai.
   La date de la poste fait foi tant pour l'envoi que pour la réception ou pour le refus.
   Lorsque le présent arrêté prévoit un délai, celui-ci contient tous les jours de la semaine, y compris le samedi, le dimanche et les jours fériés visés à l'article 193, § 1er.
   Lorsque le [2 présent]2 arrêté prévoit un délai exprimé en jours ouvrables, celui-ci comprend tous les jours de la semaine autres qu'un samedi, un dimanche et les jours fériés visés à l'article 193, § 1er.
   Le jour de l'échéance est compris dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié visé à l'article 193, § 1er, le jour de l'échéance est reporté au prochain jour ouvrable. Lorsque ce jour tombe entre le 25 décembre et le 1er janvier, il est reporté au premier jour ouvrable après le 1er janvier.
   Lorsque le présent arrêté prévoit un envoi par lettre recommandée avec ou sans accusé de réception, l'envoi suivant une procédure électronique qui, de façon démontrable et adaptée aux circonstances, garantit l'authenticité et l'intégrité du contenu de la communication est considéré comme équivalent. L'utilisation de la carte d'identité électronique ou de la carte d'étranger électronique peut être rendue obligatoire.]1

  
Art. 2/2. [1 § 1. De selectieprocedures kunnen geheel of gedeeltelijk op digitale wijze worden georganiseerd.
   Onder "op digitale wijze" wordt in dit artikel verstaan ofwel dat de schriftelijke proeven op afstand op computer worden afgelegd, ofwel dat de mondelinge proef via videoconferentie wordt georganiseerd.
   Nadat de voorwaarden van de selectie kenbaar zijn gemaakt in het selectiereglement kan een kandidaat die in de onmogelijkheid is om de proef of de proeven op digitale wijze af te leggen, de organisator van de selectie vragen om de proef of proeven ter plaatse af te leggen.
   De organisator moet ervoor zorgen dat de betrokken kandidaat beschikt over alle technische mogelijkheden om deel te nemen aan de proeven op digitale wijze. Indien dit niet het geval is, worden de nodige maatregelen genomen om hierin te voorzien.
   De procedures bedoeld in het eerste lid zijn de volgende:
   - Aanwerving;
   - Bevordering;
   - Intraregionale mobiliteit;
   - Externe mobiliteit;
   - Interne [2 mobiliteit]2;
   - Overgang naar het hogere niveau;
   - Selectie van mandaathouders.
   § 2. De organisator dient erop toe te zien dat de kandidaat dezelfde rechten geniet als bedoeld in het kader van de procedure met fysieke aanwezigheid. De modaliteiten inzake de organisatie van deze procedures op digitale wijze worden meegedeeld aan het kandidaat aan het begin van de procedure aan de hand van het reglement dat de selectievoorwaarden vastlegt. Deze modaliteiten dienen minstens, voor iedere procedure of voor iedere stap van de procedure indien van toepassing:
   - Het aantal personen vermelden die aanwezig zullen zijn als lid van de jury of als observator;
   - Een effectieve collegiale discussie garanderen met mogelijkheid tot stemming en de uitvoering van een objectieve selectieproef waarbij de kandidaat op optimale wijze kan worden ondervraagd;
   - Te voorzien dat de dossiers van alle kandidaten op veilige wijze ter beschikking worden gesteld van alle personen die deelnemen aan de deliberatie;
   - Erop toe te zien dat de schriftelijke proef daadwerkelijk door de betrokken kandidaat wordt afgelegd;
   - Erop toe te zien dat de kandidaat zich tijdens de proef niet door derden kan laten helpen;
   - Erop toe te zien dat de kandidaat geen hulpmiddelen gebruikt die niet zijn toegestaan.
   De organisator moet gebruik maken van beveiligde technische procedés die geen enkele verwerking van persoonsgegevens inhouden met uitzondering van die welke nodig zijn voor de genoemde procedure om de identiteit van de kandidaat te verifiëren en elke poging tot fraude bij de op digitale wijze georganiseerde proeven te voorkomen; de organisator kan een beroep doen op een onderaannemer die alle persoonsgegevens, na hun noodzakelijk gebruik, in een gestructureerd, algemeen gebruikt en leesbaar (digitaal) formaat aan hem bezorgt en geen fysieke of elektronische kopieën bewaart. Die gegevens zullen zo snel mogelijk worden bezorgd, uiterlijk binnen een maand na het einde van de opdracht, zoals bepaald in de samenwerkingsovereenkomst.
   Indien een kandidaat tijdens de proeven te maken krijgt met technologische problemen en als uit het onderzoek van het probleem blijkt dat dit niet aan de kandidaat zelf te wijten is, kan hij in de gelegenheid gesteld worden om de proef opnieuw af te leggen. In dergelijke omstandigheden kan de duur van de proef ook verlengd worden om een gelijke behandeling van de kandidaten te waarborgen.
   § 3.De mondelinge proef die door middel van videoconferentie wordt afgenomen, kan worden opgenomen (beeld en/of geluid), uitsluitend om na te gaan of er sprake is van fraude (of poging tot fraude).
   § 4. De gegevens van de schriftelijke en mondelinge proeven en de opname kunnen worden bewaard tot het einde van de wettelijke termijn voor het instellen van een beroep bij de Raad van State, en tot het einde van de beroepsprocedure wanneer een kandidaat beslist om een beroep in te stellen nadat hij kennis heeft genomen van de beslissing van de jury in verband met zijn kandidatuur.]1

  
Art. 2/2. [1 § 1er. Les procédures de sélection peuvent être organisées entièrement ou partiellement sous format numérique.
   On entend par " format numérique " dans le présent article soit la réalisation des épreuves écrites à distance sur ordinateur soit l'organisation de l'épreuve orale par vidéoconférence.
   Une fois les conditions de la sélection communiquées dans le règlement de sélection, le candidat qui est dans l'impossibilité de réaliser l'épreuve ou les épreuves sous format numérique, peut demander à l'organisateur de la sélection de réaliser l'épreuve ou les épreuves concernée(s) en présentiel.
   L'organisateur doit s'assurer que le candidat visé dispose de toutes les possibilités techniques lui permettant de participer à ces épreuves sous format numérique. A défaut, les mesures adéquates sont prises pour y remédier.
   Les procédures visées à l'alinéa 1er sont les suivantes :
   - Le recrutement ;
   - La promotion ;
   - La mobilité intra-régionale ;
   - La mobilité externe ;
   - La [2 mobilité ]2 interne ;
   - L'accession au niveau supérieur ;
   - La sélection de mandataires.
   § 2. L'organisateur veille à ce que le candidat bénéficie des mêmes droits que ceux prévus dans le cadre de la procédure en présentiel. Les modalités concernant l'organisation de ces procédures sous format numérique sont communiquées au candidat au début de la procédure via le règlement de sélection qui fixe les conditions de la sélection. Ces modalités doivent, pour chaque procédure ou chaque épreuve de la procédure si le cas échet, au minimum :
   - Indiquer le nombre de personnes qui seront présentes comme membre du jury ou comme observateurs ;
   - Garantir une véritable discussion collégiale avec possibilité de vote et la réalisation d'une épreuve de sélection objective où le candidat peut être interrogé de manière optimale ;
   - Prévoir que les dossiers de tous les candidats soient bien d'une manière sécurisée mis à la disposition de chacune des personnes qui délibèrent ;
   - Garantir que l'épreuve écrite soit effectivement passée par le candidat concerné ;
   - Garantir que le candidat ne puisse pas se faire aider par des tiers au cours de l'épreuve ;
   - Garantir que le candidat ne recourt pas à des outils non autorisés.
   L'organisateur doit recourir à des procédés techniques sécurisés qui n'impliquent aucun traitement de données à caractère personnel hormis ceux nécessaires à ladite procédure aux fins de vérification de l'identité du candidat et de lutter contre toute tentative de fraude aux épreuves organisées sous format numérique ; l'organisateur peut faire appel à un sous-traitant qui lui restituera après usage nécessaire l'ensemble des données à caractère personnel dans un format structuré, couramment utilisé et lisible (de manière numérique) et n'en conservera aucune copie physique ou électronique. Cette restitution aura lieu le plus rapidement possible, et au plus tard dans un délai d'un mois à compter de la fin de la mission telle qu'elle sera définie dans le contrat de collaboration.
   Si un candidat rencontre des problèmes technologiques pendant les épreuves et si l'examen du problème révèle qu'il n'est pas dû au candidat lui-même, il peut avoir la possibilité de repasser l'épreuve. Dans cette situation, la durée de l'examen peut également être prolongée en vue d'assurer un traitement équitable entre les candidats.
   § 3. L'épreuve orale réalisée par vidéoconférence peut être enregistrée (images et/ou son) aux fins exclusives de vérification des cas de fraude (ou de tentative de fraude).
   § 4. Les données issues des épreuves écrites et orales, et de l'enregistrement peuvent être conservées jusqu'à l'issue du délai légal de recours auprès du Conseil d'Etat, et jusqu'à l'issue de la procédure de recours lorsqu'un candidat décide d'introduire un recours à la suite de la notification de la décision prise par le jury à l'égard de sa candidature.]1

  
Art. 2/3. [1 § 1. Naast de in artikel 2/2 bedoelde procedures kan de organisator besluiten de in lid 2, eerste alinea, bedoelde mondelinge administratieve procedures in digitale vorm te organiseren.
   De ambtenaar die om objectieve redenen in de onmogelijkheid verkeert zich op fysieke wijze te verplaatsen, kan ook aan de bevoegde organisator vragen om een procedure als bedoeld in lid 2, eerste alinea, op digitale wijze te organiseren, ten minste 48 uur voorafgaand aan de procedure.
   Een personeelslid dat niet in staat is de procedure in digitale vorm uit te voeren, kan de betrokken organisator vragen de procedure op fysieke wijze uit te voeren, ten minste 48 uur voorafgaand aan de procedure.
   Onder "op digitale wijze" in dit artikel wordt de organisatie van de mondelinge administratieve procedure door middel van videoconferentie verstaan.
   § 2.De procedures die onder het toepassingsgebied van lid 1, eerste alinea, vallen, zijn de volgende:
   - Functiegesprekken;
   - De gesprekken in het kader van de evaluatie van de ambtenaar of de mandaathouder;
   - Gesprekken in het kader van een stage;
   - De gesprekken in het kader van de disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst;
   - De gesprekken in het kader van de tuchtvordering en schorsing in het belang van de dienst;
   - Gesprekken in het kader van de ambtshalve [2 mobiliteit]2;
   - Gesprekken in het kader van de herplaatsing;
   - Hoorzittingen voor de gewestelijke kamer van beroep, onverminderd het huishoudelijk reglement.
   De overheid moet ervoor zorgen dat het betrokken personeelslid beschikt over de technische middelen om deel te nemen aan de procedures op digitale wijze. Indien dit niet het geval is, wordt het nodige materiaal ter beschikking gesteld.
   § 3. De modaliteiten betreffende de organisatie van deze administratieve procedures op digitale wijze worden vóór aanvang van de procedure ter kennis gebracht van de ambtenaar. De bevoegde organisator dient erop toe te zien dat de ambtenaar dezelfde rechten geniet als bedoeld in het kader van de procedure met fysieke aanwezigheid.
   Deze modaliteiten dienen minstens, voor iedere procedure:
   - Het aantal personen te vermelden die aanwezig zullen zijn;
   - Gebruik te maken van beveiligde technische processen waarbij persoonsgegevens niet worden verwerkt, met uitzondering van deze die noodzakelijk zijn voor de procedure en die een effectieve discussie tussen het personeelslid en de vertegenwoordiger van de overheid garanderen;
   - Te voorzien dat het dossier van het betrokken personeelslid op veilige wijze ter beschikking wordt gesteld van iedere persoon die hierover dient te beschikken.
   § 4. Het is verboden om beelden of geluid van de mondelinge administratieve procedure per videoconferentie op te nemen.]1

  
Art. 2/3. [1 § 1er.Outre les procédures visées à l'article 2/2, l'organisateur peut décider d'organiser les procédures administratives orales visées au paragraphe 2, alinéa 1er, sous format numérique.
   L'agent, qui pour des raisons objectives se trouve dans l'impossibilité de se déplacer en présentiel, peut également demander à l'organisateur compétent qu'une procédure visée au paragraphe 2, alinéa 1er, soit réalisée sous format numérique, au minimum 48 heures avant celle-ci.
   L'agent qui est dans l'impossibilité de réaliser cette procédure sous format numérique, peut demander à l'organisateur compétent de réaliser la procédure concernée en présentiel, au minimum 48 heures avant celle-ci.
   On entend par " format numérique " dans le présent article l'organisation de la procédure administrative orale par vidéoconférence.
   § 2. Les procédures entrant dans le champ d'application du paragraphe 1er, alinéa 1er, sont les suivantes :
   - Les entretiens de fonction ;
   - Les entretiens dans le cadre de l'évaluation de l'agent ou du mandataire ;
   - Les entretiens prévus dans le cadre du stage ;
   - Les entretiens de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service ;
   - Les entretiens dans le cadre de l'action disciplinaire et de la suspension dans l'intérêt du service ;
   - Les entretiens dans le cadre de la [2 mobilité ]2 d'office ;
   - Les entretiens dans le cadre de la réaffectation ;
   - Les audiences devant de la chambre de recours régionale sans préjudices du règlement d'ordre intérieur.
   L'autorité doit s'assurer que l'agent visé dispose des moyens techniques lui permettant de participer à ces procédures sous format numérique. A défaut, le matériel requis est mis à sa disposition.
   § 3. Les modalités concernant l'organisation de ces procédures administratives sous format numérique sont communiquées à l'agent avant l'entame de la procédure. L'organisateur compétent veille à ce que l'agent bénéficie des mêmes droits que ceux prévus dans le cadre de la procédure en présentiel.
   Ces modalités doivent, pour chaque procédure au minimum :
   - Indiquer le nombre de personnes qui seront présentes ;
   - Recourir à des procédés techniques sécurisés qui n'impliquent aucun traitement de données à caractère personnel hormis ceux nécessaires à ladite procédure et qui garantissent une véritable discussion entre l'agent et le représentant de l'autorité ;
   - Assurer que le dossier du membre du personnel concerné soit bien d'une manière sécurisée mis à la disposition de chacune des personnes qui doivent en disposer.
   § 4. Tout enregistrement d'images ou de son de la procédure administrative orale réalisée par vidéoconférence est proscrit.]1

  
TITEL II. - De organisatie van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel
TITRE II. - De l'organisation du Service public de Bruxelles
HOOFDSTUK I. - De ambtenaren
CHAPITRE Ier. - Des agents
Art. 3. Ambtenaar is elkeen die in vast dienstverband in de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel tewerkgesteld is.
  De ambtenaar valt onder de bepalingen van dit statuut.
  Aan de statutaire toestand van de ambtenaar kan alleen een einde worden gemaakt in de gevallen voorzien door de statutaire bepalingen die op hem toepasselijk zijn.
Art. 3. La qualité d'agent est reconnue à toute personne qui est occupée au Service public régional de Bruxelles à titre définitif.
  L'agent est soumis aux dispositions du présent statut.
  Il ne peut être mis fin à la situation statutaire de l'agent que dans les cas fixés par les dispositions statutaires qui lui sont applicables.
Art. 4. De ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel worden benoemd in graden.
Art. 4. Les agents du Service public régional de Bruxelles sont nommés à des grades.
HOOFDSTUK II. - Rechten en plichten
CHAPITRE II. - Des droits et devoirs
Art. 5. De ambtenaar oefent zijn functies op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit.
  Hij dient daartoe :
  1° de van kracht zijnde wetten en reglementeringen, alsmede de richtlijnen waaronder de gedragsregels inzake deontologie, van de overheid waartoe hij behoort, na te leven;
  2° nauwgezet en correct zijn adviezen te formuleren en zijn verslagen op te stellen;
  3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren.
Art. 5. L'agent remplit ses fonctions avec loyauté, conscience et intégrité.
  A cet effet, il est tenu de :
  1° respecter les lois et règlements en vigueur ainsi que les directives parmi lesquelles les règles de conduite concernant la déontologie, de l'autorité dont il relève;
  2° formuler ses avis et rédiger ses rapports avec rigueur et exactitude;
  3° exécuter les décisions avec diligence et conscience professionnelle.
Art. 6. De ambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, door zijn collega's, als door zijn ondergeschikten.
  Hij dient zijn collega's, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden.
Art. 6. L'agent a le droit d'être traité avec dignité et courtoisie tant par ses supérieurs hiérarchiques, ses collègues que ses subordonnés.
  Il a le devoir de traiter ses collègues, ses supérieurs hiérarchiques et ses subordonnés avec dignité et courtoisie. Il évite toute parole, toute attitude, toute présentation qui pourrait compromettre cette dignité et cette courtoisie ou obérer le bon fonctionnement du service.
Art. 7. § 1. Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering stelt de ambtenaar zijn hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hiërarchische meerdere van hogere rand of graad op de hoogte van elke onwettigheid of onregelmatigheid waarvan hij kennis heeft.
  § 2. De ambtenaar kan, buiten de gevallen van valse aangifte die een dienst of persoon schade toebrengen, niet onderworpen worden aan een tuchtstraf of een andere vorm van openlijke of verdoken sanctie, om de enkele reden dat hij onregelmatigheden aangeeft of bekend maakt.
Art. 7. § 1. Sans préjudice de l'article 29 du Code d'instruction criminelle, l'agent informe son supérieur hiérarchique ou, si nécessaire, un supérieur hiérarchique de rang ou de grade plus élevé, de toute illégalité ou irrégularité dont il a connaissance.
  § 2. Sauf dans le cas de déclaration fausse qui nuit à un service ou à une personne, l'agent ne peut pas être soumis à une sanction disciplinaire ou toute autre forme de sanction publique ou déguisée, pour la seule raison qu'il dénonce ou rend publiques des irrégularités.
Art. 8. De ambtenaar behandelt de gebruikers van zijn diensten met welwillendheid. In de manier waarop hij de vragen van de gebruikers beantwoordt of waarop hij de dossiers behandelt, eerbiedigt hij op een strikte manier de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen.
  Zelfs buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de ambtenaar elk gedrag dat in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Hij vermijdt evenzeer elke situatie waarbij hij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zou kunnen gebracht worden met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt.
Art. 8. L'agent traite les usagers de ses services avec bienveillance. Dans la manière dont il répond aux demandes des usagers ou dont il traite les dossiers, il respecte strictement les principes de neutralité, d'égalité de traitement et de respect des lois, règlements et directives.
  Même en dehors de l'exercice de ses fonctions, l'agent évite tout comportement contraire à la dignité de ses fonctions. Il évite aussi toute situation où, même par personne interposée, il pourrait être associé à des occupations contraires à la dignité de ses fonctions.
Art. 9. De ambtenaar mag, noch rechtstreeks, noch door een tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambtsuitoefening, maar op basis ervan, giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen. Dit slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen ambtenaren in de normale uitoefening van hun ambt.
Art. 9. L'agent ne peut solliciter, exiger ou recevoir, directement ou par personne interposée, même en-dehors de ses fonctions mais à raison de celles-ci, des dons, gratifications ou avantages quelconques. Ne sont pas visés les cadeaux symboliques de faible valeur échangés entre agents dans l'exercice normal de leurs fonctions.
Art. 10. De ambtenaar plaatst zich niet en laat zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed.
  Wanneer een ambtenaar van oordeel is dat hij een belangenconflict heeft of vreest te hebben, brengt hij zijn hiërarchische meerdere hierover onmiddellijk op de hoogte. Deze verleent hem hiervan schriftelijk akte.
  In geval van een erkend belangenconflict, neemt de hiërarchische meerdere de passende maatregelen om daar een einde aan te stellen.
  De ambtenaar kan schriftelijk om het advies van de voorzitter van de directieraad of van diens afgevaardigde vragen, betreffende de toestand waarin hij zich bevindt, om te weten of deze de oorzaak is van een belangenconflict.
Art. 10. L'agent ne se place pas et ne se laisse pas placer dans une situation de conflits d'intérêts, c'est-à-dire une situation dans laquelle il a par lui-même ou par personne interposée un intérêt personnel susceptible d'influer sur l'exercice impartial et objectif de ses fonctions ou à créer la suspicion légitime d'une telle influence.
  Lorsqu'un agent estime qu'il a un conflit d'intérêt ou qu'il craint d'en avoir un, il en informe immédiatement son supérieur hiérarchique. Celui-ci lui en donne acte par écrit.
  En cas de conflit d'intérêt avéré, le supérieur hiérarchique prend les mesures adéquates pour y mettre fin.
  L'agent peut solliciter par écrit l'avis du président du Conseil de direction ou de son délégué sur une situation dans laquelle il se trouve afin de savoir si elle est constitutive d'un conflit d'intérêt.
Art. 11. De ambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt.
  Het is hem enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op de nationale veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en vrijheden van de burger, en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privéleven; dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen, evenals voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, de mededingingspositie van de instelling waar de ambtenaar werkzaam is, kunnen schaden.
  De bepalingen van de voorgaande leden gelden eveneens voor de ambtenaar die zijn ambt heeft neergelegd.
Art. 11. L'agent jouit de la liberté d'expression à l'égard des faits dont il a connaissance dans l'exercice de ses fonctions.
  Il lui est uniquement interdit de révéler des faits qui ont trait à la sécurité nationale, à la protection de l'ordre public, aux intérêts financiers de l'autorité, à la prévention et à la répression des faits délictueux, au secret médical, aux droits et libertés du citoyen, et notamment le droit au respect de la vie privée; cette interdiction vaut également pour les faits qui ont trait à la préparation de toutes les décisions aussi longtemps qu'une décision finale n'a pas encore été prise, ainsi que pour les faits qui, lorsqu'ils sont divulgués, peuvent porter préjudice à la position de concurrence de l'organisme dans lequel l'agent est occupé.
  Les dispositions des alinéas précédents s'appliquent également à l'agent qui a cessé ses fonctions.
Art. 12. De ambtenaar heeft recht op informatie betreffende alle aspecten die nuttig zijn voor de uitvoering van zijn taken.
  De ambtenaar houdt zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling betreffende technieken, regelingen en onderzoekingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is.
  De ambtenaar neemt op actieve wijze deel aan de kennisdeling binnen de openbare dienst.
Art. 12. L'agent a droit à l'information pour tous les aspects utiles à l'exercice de ses tâches.
  L'agent se tient au courant d'une façon permanente de l'évolution des techniques, réglementations et recherches dans les matières dont il est professionnellement chargé.
  L'agent participe activement au partage des connaissances au sein du service public.
Art. 13. De ambtenaar heeft recht op de opleiding die nuttig is voor zijn functioneren in de organisatie. De overheid voorziet in die opleiding en waarborgt tevens de toegang tot de voortgezette opleiding onder meer met het oog op de uitbouw van de beroepsloopbaan.
  Periodes van afwezigheid, gerechtvaardigd door deelname aan voortgezette beroepsopleidingen, worden in ieder opzicht gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit.
Art. 13. L'agent a droit à la formation utile à son travail au sein de l'organisation. L'autorité pourvoit à cette formation et garantit à cet effet l'accès à la formation continue entre autres en vue du développement de la carrière professionnelle.
  Les périodes d'absence justifiées par la participation aux activités de formations professionnelles continuées, sont à tout point de vue assimilées à des périodes d'activité de service.
Art. 14. Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen en hiervan een kopie te krijgen.
Art. 14. Tout agent a le droit de consulter son dossier personnel et d'en obtenir une copie.
Art. 14/1. [1 § 1. De ambtenaar heeft recht op deconnectie.
   Dit is het recht om buiten zijn werktijd niet verbonden te zijn met professionele digitale hulpmiddelen en om professionele oproepen en berichten niet te beantwoorden, behalve:
   1° om uitzonderlijke en onvoorziene redenen die maatregelen vereisen die niet tot de volgende werkperiode kunnen wachten, of
   2° indien de ambtenaar voor een wachtdienst is aangewezen en gedurende de perioden dat de ambtenaar daadwerkelijk wachtdienst heeft, of
   3° indien vooraf anders is overeengekomen, om een gemotiveerde reden, tussen de functioneel chef en de ambtenaar.
   De ambtenaar mag geen nadelige gevolgen ondervinden van het niet beantwoorden van de telefoon of het lezen van werk gerelateerde berichten buiten zijn/haar normale werkuren.
   § 2. De Secretaris-Generaal organiseert op geregelde tijdstippen in de bevoegde overlegcommissie een overleg over het thema ontkoppeling van het werk en het gebruik van digitale communicatiemiddelen.
   Dit overleg vindt ten minste eenmaal per jaar plaats.
   Dit moet ervoor zorgen dat de rusttijden, de jaarlijkse vakantie en andere verloven van de ambtenaren worden gerespecteerd en dat het evenwicht tussen werk en privéleven wordt bewaard.
   Ook kan het advies van de preventieadviseur worden ingewonnen.
   § 3. Elke betrokken Gewestelijke Overheidsdienst zorgt ervoor dat het bestaan van het in paragraaf 1 bedoelde recht op deconnectie, alsmede de concrete uitvoeringsbepalingen daarvan, in haar arbeidsreglement worden opgenomen.]1

  
Art. 14/1. [1 § 1. L'agent a un droit à la déconnexion.
   Il s'agit du droit de ne pas être connecté en dehors de son temps de travail, aux outils numériques professionnels et de ne pas répondre aux appels et messages professionnels, sauf :
   1° pour des raisons exceptionnelles et imprévues nécessitant une action qui ne peut attendre la prochaine période de travail, ou
   2° si l'agent est désigné à un service de garde, et durant les périodes pendant lesquelles l'agent est effectivement de garde, ou
   3° s'il en a été préalablement convenu autrement, pour une raison dument justifiée, entre le chef fonctionnel et l'agent.
   L'agent ne peut subir de conséquences défavorables s'il ne répond pas au téléphone ou ne lit pas de messages liés au travail en dehors de son régime de travail habituel.
   § 2. Le Secrétaire général organise une concertation, au sein du comité de concertation compétent, à des intervalles réguliers, au sujet de la déconnexion du travail et de l'utilisation des moyens de communication numériques.
   Cette concertation a lieu au minimum une fois par an.
   Cela en vue d'assurer le respect des temps de repos, des vacances annuelles et des autres congés des agents, ainsi que de préserver l'équilibre entre le travail et la vie privée.
   L'avis du conseiller en prévention peut en outre être demandé.
   § 3. Chaque Service public régional concerné veille à intégrer dans son règlement de travail, l'existence du droit à la déconnexion, repris au paragraphe 1er, ainsi que ses modalités concrètes de mise en oeuvre.]1

  
HOOFDSTUK III. - De graden
CHAPITRE III. - Des grades
Art. 15. De graad is de titel op grond waarvan de ambtenaar met een rang bekleed is en waardoor hij gemachtigd is een betrekking uit te oefenen die met deze graad overeenstemt.
  De graden worden gerangschikt per niveau en per rang.
  Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie overeenkomstig de kwalificatie van de vorming en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven opdat die graad kan worden toegekend.
  De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau.
Art. 15. Le grade est le titre qui situe l'agent à un rang et qui l'habilite à occuper un des emplois qui correspondent à ce grade.
  Les grades sont classés par niveau et par rang.
  Le niveau d'un grade détermine la place de celui-ci dans la hiérarchie, selon la qualification de la formation et des aptitudes qui doivent être attestées pour que ce grade puisse être attribué.
  Le rang détermine l'importance relative d'un grade dans son niveau.
Art. 16. Elke rang wordt aangeduid met een letter gevolgd door een cijfer, de letter verwijst naar het niveau, het cijfer naar de rang binnen het niveau. Het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang.
  De rangen worden als volgt verdeeld onder de niveaus :
  1° in niveau A, acht rangen, nl. A1, A2, A3, A4, A4+, A5, A6 et A7.
  2° in niveau B, twee rangen, nl. B1 en B2.
  3° in niveau C, twee rangen, nl. C1 en C2.
  4° in niveau D, twee rangen, nl. D1 en D2.
  Het niveau A is het hoogste niveau.
Art. 16. Chaque rang est désigné par une lettre suivie d'un chiffre, la lettre renvoie au niveau, le chiffre situe le rang dans le niveau, le plus haut chiffre correspondant au rang le plus élevé.
  Les rangs sont répartis entre les niveaux comme suit :
  1° au niveau A, huit rangs à savoir A1, A2, A3, A4, A4+, A5, A6 et A7.
  2° au niveau B, deux rangs à savoir B1 et B2.
  3° au niveau C, deux rangs à savoir C1 et C2.
  4° au niveau D, deux rangs à savoir D1 et D2.
  Le niveau A est le niveau le plus élevé.
Art. 17. De volgende graden worden gecreëerd :
  in rang A7 : secretaris generaal
  in rang A6 : adjunct secretaris generaal
  in rang A5 : directeur-generaal of directrice-generaal
  in rang A4+ : adjunct-directeur-generaal of adjunct-directrice-generaal
  in rang A4 : directeur-diensthoofd of directrice-diensthoofd
  in rang A3 : ingenieur-directeur of ingenieur-directrice
  directeur of directrice
  in rang A2 : raadgever-deskundige of raadgeefster-deskundige
  eerste ingenieur
  eerste attaché
  in rang A1 : ingenieur
  attaché
  in rang B2 : eerste assistent of eerste assistente
  in rang B1 : assistent of assistente
  in rang C2 : eerste adjunct
  in rang C1 : adjunct
  in rang D2 : eerste klerk
  in rang D1 : klerk
Art. 17. Les grades suivants sont créés :
  au rang A7 : Secrétaire général ou Secrétaire générale
  au rang A6 : Secrétaire général adjoint ou Secrétaire générale adjointe
  au rang A5 : directeur général ou directrice générale
  au rang A4+ : directeur général adjoint ou directrice générale adjointe
  au rang A4 : directeur-chef de service ou directrice-chef de service
  au rang A3 : ingénieur directeur ou ingénieure directrice
  directeur ou directrice
  au rang A2 : conseiller-expert ou conseillère-experte
  premier ingénieur ou première ingénieure
  premier attaché ou première attachée
  au rang A1 : ingénieur ou ingénieure
  attaché ou attaché
  au rang B2 : assistant principal ou assistante principale
  au rang B1 : assistant ou assistante
  au rang C2 : adjoint principal ou adjointe principale
  au rang C1 : adjoint ou adjointe
  au rang D2 : commis principal ou commise principale
  au rang D1 : commis ou commise
HOOFDSTUK IV. - Het personeelsplan en het organogram
CHAPITRE IV. - Du plan du personnel et de l'organigramme
Art. 18. Om het werk te organiseren, werkt de directieraad het personeelsplan en organogrammen uit. Het personeelsplan is een plan waarin per bestuur, per niveau, per rang en per graad het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, vastgelegd wordt dat noodzakelijk geacht wordt om de opdrachten, toegewezen aan de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, uit te oefenen.
Art. 18. A des fins d'organisation du travail, le Conseil de direction élabore le plan de personnel et les organigrammes. Le plan de personnel est un plan dans lequel est déterminé, par administration, par niveau, par rang et par grade, le nombre de membres du personnel exprimé en équivalents temps plein jugés nécessaires à l'exécution des missions assignées au Service public régional de Bruxelles.
Art. 19. § 1. De directieraad werkt een voorstel van personeelsplan uit op basis van de door de besturen opgestelde ontwerpen in samenspraak met hun voogdijminister. De directieraad bereidt minstens één personeelsplan per begrotingsjaar voor en legt het voor aan de Regering ten laatste op 28 februari van het jaar waarin het plan wordt uitgevoerd .
  Het personeelsplan moet verenigbaar zijn met de beschikbare budgettaire middelen voor het betrokken begrotingsjaar.
  § 2. De Regering keurt het personeelsplan op voorstel van de directieraad goed. Bij ontstentenis van een voorstel van de directieraad binnen de daartoe vastgestelde termijnen, kan de Regering zelf een personeelsplan opstellen.
  § 3. Bij gebreke van een vastlegging van het personeelsplan door de Regering, blijft het laatste bepaalde plan van toepassing.
  § 4. [1 De vaststelling van het personeelsplan door de Regering houdt de toestemming in van de bezetting van de betrekkingen die door aanwerving, promotie, mobiliteit of indienstneming worden voorzien, binnen de grenzen van de gewestelijke begrotingskredieten in een volledig jaar ]1.
  § 5. Het personeelsplan, en alle wijzigingen ervan, worden meegedeeld aan alle personeelsleden en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
  
Art. 19. § 1er. Le Conseil de direction élabore une proposition de plan de personnel sur base des projets établis par les administrations en concertation avec leur(s) ministre(s) de tutelle. Le Conseil de direction prépare au moins un plan de personnel par année budgétaire et le soumet au Gouvernement au plus tard le 28 février de l'année de l'exécution dudit plan.
  Le plan de personnel doit être compatible avec les moyens budgétaires disponibles pour l'année budgétaire concernée.
  § 2. Le Gouvernement adopte sur proposition du Conseil de direction le plan de personnel. En l'absence de proposition du Conseil de direction dans les délais impartis, le Gouvernement peut fixer un plan de personnel.
  § 3. En l'absence de fixation par le Gouvernement du plan de personnel, le dernier plan fixé reste d'application.
  § 4. [1 La fixation par le Gouvernement du plan de personnel implique l'autorisation d'occupation des emplois y prévus par recrutement, promotion, mobilité ou engagement dans les limites des crédits budgétaires régionaux en année pleine]1.
  § 5. Le plan de personnel, ainsi que toutes les modifications qui y sont apportées sont communiqués à tous les membres du personnel et publiés au Moniteur belge.
  
Art. 20. Het organogram geeft de functionele, organisatorische en hiërarchische verbanden binnen elk bestuur weer.
  De directieraad werkt het organogram uit rekening houdend met de hem toevertrouwde opdrachten en met de aanbevelingen van de Regering.
  Het organogram, evenals elke wijziging ervan, wordt aan alle personeelsleden meegedeeld.
Art. 20. L'organigramme représente les liens fonctionnels, organisationnels et hiérarchiques au sein de chaque administration.
  Le Conseil de direction élabore l'organigramme en tenant compte des missions confiées et des recommandations du Gouvernement.
  L'organigramme, ainsi que toutes les modifications qui y sont apportées, sont communiqués à tous les membres du personnel.
HOOFDSTUK V. - De ambtenaren-generaal
CHAPITRE V. - Des fonctionnaires généraux
Art. 21. Ambtenaren-generaal zijn de ambtenaren die titularis zijn van een graad van ten minste rang A4+. Ze worden aangeduid per mandaat in overeenstemming in de artikelen 437 tot 480.
Art. 21. Sont fonctionnaires généraux les agents titulaires d'un grade de rang A4+ au moins. Ils sont désignés par mandat conformément aux articles 437 à 480.
Art. 22. § 1. De secretaris generaal, bijgestaan door de adjunct secretaris generaal :
  1° leidt de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel en zorgt voor de goede werking en de coördinatie van het geheel van de besturen;
  2° oefent het hoge gezag uit over het personeel van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel in navolging van de missies die hem worden toegekend op basis van het huidig statuut en is in het bijzonder belast met de handhaving van tucht en orde.
  3° leidt, organiseert en coördineert de gemeenschappelijke diensten;
  4° beslist over de verdeling van de werkingsmiddelen van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;
  5° leidt en coördineert de uitwerking van de begroting van zijn bestuur en waakt over de uitvoering ervan, bijgestaan door de budgettair correspondent;
  6° ziet toe op de uitvoering van de regeringsbeslissingen. Dit houdt in :
  - Als de dossiers en de instructies van de ministers of staatssecretarissen meerdere besturen betreffen, maakt hij ze aan de bevoegde besturen over, samen met de noodzakelijke informatie;
  - Hij ziet eveneens toe op de door de besturen naar de ministers of staatssecretairssen gezonden dossiers als deze een coördinatie tussen besturen vergen en voegt er zo nodig zijn opmerkingen aan toe.
  7° coördineert de transversale dossiers, namelijk de dossiers die de hele Gewestelijke Overheidsdienst Brussel op het gebied van ondersteuning, bijstand en organisatie van de diensten beïnvloeden.
  § 2. De secretaris generaal en de adjunct secretaris generaal verdelen op billijke en evenwichtige wijze de verantwoordelijkheden; deze verdeling wordt ter goedkeuring aan de Regering voorgelegd.
  § 3. De adjunct secretaris generaal :
  - vervangt de secretaris generaal wanneer die verhinderd of afwezig is;
  - doet uit eigen beweging elk nuttig voorstel aan de minister in verband met de werking van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel en brengt deze ter kennis van de secretaris generaal.
Art. 22. § 1er. Le Secrétaire général, assisté par le Secrétaire général adjoint :
  1° dirige le Service public régional de Bruxelles et assure le bon fonctionnement et la coordination de l'ensemble des administrations;
  2° exerce la haute autorité sur le personnel du Service public régional de Bruxelles suivant les missions que le présent statut lui attribue et veille en particulier au respect de la discipline et de l'ordre;
  3° dirige, organise et coordonne les services communs;
  4° décide de la répartition des moyens de fonctionnement du Service public régional de Bruxelles;
  5° dirige et coordonne l'élaboration du budget de son administration et en surveille l'exécution, assisté de son correspondant budgétaire;
  6° veille à l'exécution des décisions Gouvernementales. Pour ce faire :
  - Lorsque les dossiers et les instructions des ministres ou secrétaires d'Etat concernent plusieurs administrations, il les transmet aux administrations compétentes accompagnées des informations nécessaires.
  - Il vise également les dossiers transmis aux ministres ou secrétaires d'Etat par les administrations si ceux-ci requièrent une coordination et y joint ses observations s'il y a lieu.
  7° coordonne les dossiers transversaux, à savoir les dossiers qui ont un impact sur l'ensemble du Service public régional de Bruxelles en termes de support, d'appui et d'organisation des services.
  § 2. Le Secrétaire général et le Secrétaire général adjoint élaborent une répartition équitable et équilibrée des responsabilités; cette répartition est soumise pour accord au Gouvernement.
  § 3. Le Secrétaire général adjoint :
  - remplace le Secrétaire général en cas d'empêchement ou d'absence de celui-ci;
  - formule d'initiative toute proposition utile relative au fonctionnement du Service public régional de Bruxelles à l'attention du ministre et il en informe le Secrétaire général.
Art. 23. De directeurs-generaal :
  1° behandelen rechtstreeks met de functioneel bevoegde ministers de voor hun bestuur specifieke aangelegenheden;
  2° leiden, organiseren en coördineren de diensten van hun bestuur;
  3° oefenen het gezag uit over het personeel van hun bestuur en zien toe op de eerbiediging van orde en tucht;
  4° kunnen elk voorstel doen aan de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal betreffende de organisatie en de coördinatie van de besturen van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;
  5° leiden en coördineren de uitwerking van de begroting van hun bestuur en waken over de uitvoering ervan, bijgestaan door de budgettair correspondent;
Art. 23. Les directeurs généraux :
  1° traitent directement avec les ministres fonctionnellement compétents les matières spécifiques à leur administration;
  2° dirigent, organisent et coordonnent les services de leur administration;
  3° exercent l'autorité sur le personnel de leur administration et veillent au respect de l'ordre et de la discipline;
  4° peuvent formuler à l'attention du Secrétaire général ou du Secrétaire général adjoint, toute proposition relative à l'organisation et la coordination des administrations du Service public régional de Bruxelles;
  5° dirigent et coordonnent l'élaboration du budget de leur administration et en surveillent l'exécution, assisté de leur correspondant budgétaire.
Art. 24. De ambtenaren-generaal kunnen binnen hun bevoegdheden bedoeld in de artikelen 22 en 23, delegatie verlenen aan de ambtenaren van niveau A die zij aanwijzen.
Art. 24. Dans les limites de leurs compétences visées aux articles 22 et 23, les fonctionnaires généraux peuvent déléguer celles-ci aux agents de niveau A qu'ils désignent.
HOOFDSTUK VI. - De directieraad
CHAPITRE VI. - Du Conseil de direction
Art. 25. De directieraad bestaat uit de secretaris generaal, de adjunct secretaris generaal en de directeurs-generaal.
  De directieraad wordt voorgezeten door de secretaris generaal of, bij diens afwezigheid of verhindering, door de adjunct secretaris generaal.
  Als er geen secretaris-generaal is, bestaat de de directieraad uit de directeur-generaal, de adjunct directeur-generaal en de ambtenaren van A4; deze kan worden aangevuld door ambtenaren van rang A3 aangewezen door de benoemende overheid. Hij wordt voorgezeten door de Directeur-generaal of, bij diens afwezigheid of verhindering, door de adjunct directeur-generaal.
  Zijn beiden verhinderd, wordt de directieraad voorgezeten door zijn oudste lid.
  Wanneer het organogram, het personeelsplan of door de Regering gedefinieerde strategische krachtlijnen op de agenda van de directieraad staan, worden de regeringssecretaris en de kabinetsdirecteur van de minister uitgenodigd zonder over stemrecht te beschikken.
  Strategische krachtlijnen zijn de agendapunten die een algemeen en onpersoonlijk karakter hebben, en die in het kader van de ontwikkeling van het Gewest van belang zijn.
Art. 25. Le Conseil de direction se compose du Secrétaire général, du Secrétaire général adjoint et des directeurs généraux.
  Le Conseil de direction est présidé par le Secrétaire général ou, en cas d'absence ou d'empêchement, par le Secrétaire général adjoint.
  S'il n'y a pas de secrétaire général, le Conseil de direction se compose du Directeur général, du directeur général adjoint et des agents de rang A4; il peut être complété par des agents de rang A3 désignés par l'autorité investie du pouvoir de nomination. Il est présidé par le Directeur général ou, en cas d'absence ou d'empêchement, par le Directeur général adjoint.
  Dans le cas où les deux sont empêchés, le Conseil de direction est présidé par son membre le plus ancien.
  Lorsque l'organigramme, le plan de personnel ou de grandes orientations stratégiques définies par le Gouvernement sont mis à l'ordre du jour du Conseil de direction, le secrétaire du Gouvernement ainsi que le directeur du cabinet du Ministre sont invités sans pour autant disposer de voix délibérative.
  Les grandes orientations stratégiques sont les points à l'ordre du jour qui ont un caractère général et impersonnel qui présentent un intérêt dans le cadre du développement de la Région.
Art. 26. De directieraad stelt zijn huishoudelijk reglement op.
Art. 26. Le Conseil de direction établit son règlement d'ordre intérieur.
Art. 27. De directieraad is belast met de opdrachten die dit statuut hem toekent.
  Bij de directieraad kan elke aangelegenheid die betrekking heeft op de organisatie van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel aanhangig gemaakt worden voor advies door één van haar leden.
  Elk voorstel of elke individuele beslissing, door de directieraad genomen ten opzichte van een personeelslid, gebeurt bij geheime stemming. Minstens één wettelijk tweetalig lid van de directieraad, of een lid van de directieraad van dezelfde taalrol als het personeelslid, is aanwezig.
Art. 27. Le Conseil de direction est chargé des missions que le présent statut lui attribue.
  Le Conseil de direction peut être saisi pour avis de toute question touchant à l'organisation du Service public régional de Bruxelles par un de ses membres.
  Toute proposition ou décision individuelle prise à l'égard d'un fonctionnaire par le Conseil de direction a lieu au scrutin secret. Sauf en cas de présence d'un membre du Conseil de direction bilingue légal, un membre du Conseil de direction du rôle linguistique du fonctionnaire est présent.
HOOFDSTUK VII. - De gewestelijke kamer van beroep
CHAPITRE VII. - De la chambre de recours régionale
Afdeling 1. - Opdracht en samenstelling van de gewestelijke kamer van beroep.
Section 1re. - De la mission et de la composition de la chambre de recours régionale
Art. 29. § 1. Er wordt een regionale kamer van beroep opgericht bevoegd voor de beroepen :
  1° inzake stage, evaluatie, afwezigheden, verloven, disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid van de ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel en van de instellingen en organismen die onderworpen zijn aan de regels van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  2° In tuchtaangelegenheden voor ambtenaren van alle niveaus van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel die onderworpen zijn aan de regels van onderhavig besluit, alsook de ambtenaren van alle niveaus van de instellingen en organismen onderworpen aan de regels van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,
  3° de evaluatie, afwezigheden en verloven van de contractuele personeelsleden van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel die onderworpen zijn aan de regels van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 tot bepaling van de rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de contractuele personeelsleden van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, alsook van de contractuele personeelsleden van de instellingen van openbaar nut die onderworpen zijn aan de regels van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 tot bepaling van de rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de contractuele personeelsleden van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  Voor de aangelegenheden bedoeld onder 1° en 3°, heeft de gewestelijke kamer van beroep een beslissingsbevoegdheid.
  § 2. In afwijking van § 1, is de gewestelijke kamer van beroep niet bevoegd voor wat betreft de evaluatie van de mandaathouders.
Art. 29. § 1er. Il est institué une chambre de recours régionale compétente pour les recours :
  1° en matière de stage, d'évaluation, d'absences, de congés, de disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et de déclaration d'inaptitude professionnelle définitive des agents du Service public régional de Bruxelles et des institutions et organismes soumis aux règles de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région de Bruxelles-Capitale;
  2° En matière disciplinaire des agents de tous les niveaux du service public régional de Bruxelles soumis aux règles du présent arrêté ainsi que des agents de tous les niveaux des institutions et organismes soumis aux règles de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région de Bruxelles-Capitale;
  3° en matière d'évaluation, d'absences et de congés des membres du personnel contractuel du Service public régional soumis aux règles de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant réglementation de la situation administrative et pécuniaire des membres du personnel contractuel du Service public régional de Bruxelles, ainsi que des membres du personnel contractuel des organismes d'intérêt public soumis aux règles de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant réglementation de la situation administrative et pécuniaire des membres du personnel contractuel des organismes d'intérêt public de la Région de Bruxelles-Capitale.
  Pour les matières visées aux points 1° et 3°, la chambre de recours régionale dispose d'un pouvoir de décision.
  § 2. Par dérogation au § 1er, la chambre de recours régionale n'est pas compétente en matière d'évaluation des mandataires.
Art. 30. § 1. De gewestelijke kamer van beroep is onderverdeeld in een Franstalige en een Nederlandstalige afdeling.
  De taalrol of het taalstelsel van het personeelslid bepaalt de afdeling waarvoor hij verschijnt.
  Wanneer het dossier de aanwezigheid van personeelsleden vereist die te maken hebben met de zaak of van getuigen van de andere taalrol, dan treedt de kamer in verenigde afdelingen op.
  § 2. Elk van de twee afdelingen is samengesteld uit :
  1° een effectieve en een plaatsvervangende voorzitter :
  - hetzij magistraten, magistraten op rust of emeritus-magistraten;
  - hetzij advocaten met minstens tien jaar ervaring inzake administratief recht.
  Ze worden door de Regering aangewezen.
  2° drie effectieve en zes plaatsvervangende assessoren, gekozen onder de personeelsleden van minstens rang A2 en van dezelfde taalrol als het betrokken personeelslid en benoemd door de Regering, die opgeroepen worden om te zetelen telkens wanneer de gewestelijke kamer van beroep gevat wordt door een vordering of een dossier dat geen betrekking heeft op een ambtenaar-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel of op een leidend ambtenaar van de instellingen en organismen die onderworpen zijn aan de regels van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  3° drie effectieve en drie plaatsvervangende assessoren van minstens rang A5 of, bij gebreke daaraan, van rang A4+ van dezelfde taalrol als het betrokken personeelslid, en benoemd door de Regering, die worden opgeroepen om te zetelen, telkens wanneer de kamer van beroep gevat wordt door een vordering of een dossier dat betrekking heeft op een ambtenaar-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel of een leidend ambtenaar van de instellingen of organismen die onderworpen zijn aan de regels van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  4° drie effectieve en negen plaatsvervangende assessoren van dezelfde taalrol als het betrokken personeelslid, aangewezen door de vakorganisaties.
  5° één effectieve en minstens één plaatsvervangende griffier-verslaggever gekozen binnen de personeelsleden van dezelfde taalrol als het betrokken personeelslid, aangewezen door Brussel Openbaar ambt.
  § 3. Wanneer de kamer van beroep gevat wordt door een vordering of een dossier met betrekking tot een personeelslid van een instelling onderworpen aan de regels van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, onverminderd § 2, moet minstens één lid, aangewezen door de overheid, tot één van deze instellingen of organismes behoren.
  § 4. Wanneer de kamer van beroep in tuchtzaken en op gebied van stage zetelt, moeten de leden, aangewezen door de overheid, statutaire medewerkers zijn.
  § 5. De Minister bepaalt de toelage verleend aan de voorzitter of aan de plaatsvervangende voorzitter.
Art. 30. § 1er. La chambre de recours régionale comprend une section d'expression française et une section d'expression néerlandaise.
  Le rôle ou le régime linguistique du membre du personnel détermine la section devant laquelle il comparaît.
  Lorsque le dossier nécessite la présence de membres du personnel liés à la cause ou de témoins de l'autre rôle linguistique la chambre statue toutes sections réunies
  § 2. Chacune des deux sections se compose comme suit :
  1° un président et un président suppléant :
  - soit, magistrats, magistrats honoraires ou magistrats émérites;
  - soit, avocats ayant au moins dix ans d'expérience dans le droit administratif.
  Ils sont désignés par le Gouvernement.
  2° trois assesseurs effectifs et six suppléants choisis parmi les membres du personnel de rang A2 au moins, du même rôle linguistique que le membre du personnel concerné, appelés à siéger lorsque la chambre de recours régionale aura à connaître d'une demande ou d'un dossier qui ne concerne pas un fonctionnaire général du Service public régional de Bruxelles ou un fonctionnaire dirigeant des institutions et organismes soumis aux règles de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018, désignés par le Gouvernement.
  3° trois assesseurs effectifs et trois suppléants, de rang A5 au moins ou à défaut A4+, du même rôle linguistique que le membre du personnel concerné, appelés à siéger lorsque la chambre de recours est saisie d'une demande ou d'un dossier qui concerne un fonctionnaire général du Service public régional de Bruxelles ou un fonctionnaire dirigeant des institutions et organismes soumis aux règles de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région de Bruxelles-Capitale, désignés par le Gouvernement
  4° trois assesseurs effectifs et neuf suppléants, du même rôle linguistique que le membre du personnel concerné et désignés par les organisations syndicales;
  5° un greffier-rapporteur effectif et au moins un greffier-rapporteur suppléant choisis parmi les membres du personnel et du même rôle linguistique que le membre du personnel concerné et désignés par Bruxelles Fonction publique.
  § 3. Sans préjudice du § 2, lorsque la chambre de recours est saisie d'une demande ou d'un dossier qui concerne un membre du personnel d'une institution ou organisme soumis aux règles de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région de Bruxelles-Capitale, au minimum un assesseur désigné par l'autorité appartiendra à une de ces institutions ou organismes précités.
  § 4. Les assesseurs désignés par l'autorité seront des agents lorsque la chambre de recours est saisie d'un dossier disciplinaire et en matière de stage.
  § 5. Le ministre fixe l'allocation accordée au président ou au président suppléant.
Afdeling 2. - De werking van de gewestelijke kamer van beroep
Section 2. - Du fonctionnement de la chambre de recours régionale
Art. 31. De voorzitters van de twee afdelingen stellen een gemeenschappelijk huishoudelijk reglement op, na raadpleging van de leden van deze afdelingen, en leggen het ter goedkeuring voor aan de Regering. Dit reglement houdt rekening met de procedure in tuchtzaken zoals beschreven in de artikelen 300 en volgende.
Art. 31. Les présidents des deux sections établissent leur règlement d'ordre intérieur commun, après consultation des membres desdites sections, et le soumettent à l'approbation du Gouvernement. Ce règlement tient compte de la procédure de recours en matière disciplinaire telle que décrite aux articles 300 et suivants.
Art. 32. Elke afdeling van de gewestelijke kamer van beroep beraadslaagt slechts geldig indien de meerderheid van de leden aanwezig is.
  Tijdens de stemming moet het aantal assessoren aangewezen door de Regering en door de vakorganisaties gelijk zijn; desgevallend wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van één of meerdere leden na loting.
Art. 32. Chaque section de la chambre de recours régionale ne délibère valablement que si la majorité des membres est présente.
  Lors du vote, les assesseurs désignés par le Gouvernement et par les organisations syndicales doivent être en nombre égal; le cas échéant, la parité est rétablie par l'élimination d'un ou de plusieurs membres, après tirage au sort.
Art. 33. Behoudens toepassing van artikel 309, lid 4, van dit besluit en van artikel 302, lid 4, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, is elk lid van de gewestelijke kamer van beroep, met inbegrip van de voorzitter, met uitzondering van de griffier-verslaggevers stemgerechtigd.
Art. 33. Sans préjudice de l'article 309, alinéa 4 du présent arrêté et de l'article 302, alinéa 4, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 mars 2018 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région de Bruxelles-Capitale, chaque membre de la Chambre de recours régionale, y compris le Président hormis les greffiers-rapporteurs a une voix délibérative.
TITEL III. - De werving, de stage en de benoeming
TITRE III. - Du recrutement, du stage et de la nomination
HOOFDSTUK I. - De werving en de selectie
CHAPITRE Ier. - Du recrutement et de la sélection
Afdeling 1. - Algemene bepaling
Section 1re. - Disposition générale
Art. 34. [1 De werving van het personeel verloopt via SELOR. De minister en de afgevaardigd bestuurder van SELOR sluiten een samenwerkingsprotocol voor de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel.]1
  
Art. 34. [1 Le recrutement du personnel se déroule par l'intermédiaire du SELOR. Le ministre et l'administrateur délégué de SELOR concluent un protocole de collaboration pour les services publics régionaux de Bruxelles. ]1
  
Afdeling 2. - De benoemings-, toelaatbaarheids- en wervingsvoorwaarden
Section 2. - Conditions de nomination, d'admissibilité et de recrutement
Art. 35. Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende voorwaarden :
  1° Voldoen aan de opgelegde toelatingsvoorwaarden van de in te vullen betrekking;
  2° Slagen voor de voorziene vergelijkende proeven;
  3° Met goed gevolg de stage volbrengen, behalve in geval van vrijstelling zoals bepaald in artikel 61;
Art. 35. Nul ne peut être nommé agent s'il ne remplit les conditions suivantes :
  1° Réunir les conditions d'admissibilité imposées pour l'emploi à conférer;
  2° Réussir la sélection comparative prévue
  3° Accomplir avec succès le stage, sauf en cas de dispense conformément à l'article 61;
Art. 36. Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvereisten.
  1° Belg zijn wanneer de uit te oefenen betrekkingen een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan het openbaar gezag inhouden of werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Staat of andere openbare instanties;
  2° gedrag vertonen in overeenstemming met de eisen van de beoogde betrekking;
  3° de burgerlijke en politieke rechten genieten.
  4° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, of houder zijn van getuigschrift afgeleverd door de Gemeenschappen of de instellingen erkend door deze laatste en die toegang verlenen tot de functie waarvoor de selectie georganiseerd wordt, overeenkomstig de tabel in bijlage bij onderhavig besluit, of houder zijn van een instapkaart bekomen ten gevolge van proeven voor een kwalitatieve selectie die nagaan of de kandidaat beschikt over de basisvaardigheden en cognitieve vaardigheden die vereist worden op een hoger niveau dan datgene waar hij krachten zijn diploma(`s) of zijn studiegetuigschrift(en) aanspraak op kan maken.
  [1 Met uitzondering van de beroepen waarvoor specifieke diploma's vereist zijn en onder voorbehoud van de wettelijke bepalingen inzake de statutaire graden waarvan niet mag worden afgeweken, kan de Minister een afwijking van de in lid 1, 4° bedoelde voorwaarde toestaan voor de beroepen die zijn opgenomen in de jaarlijks door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering opgestelde lijst, op basis van de jaarlijks door Actiris opgestelde lijst van knelpuntberoepen en de analyse door Brussel Openbaar Ambt van de resultaten van de selecties die zijn afgerond zonder dat dit een voldoende aantal kandidaten of geslaagde kandidaten heeft opgeleverd in verhouding tot de in te vullen betrekkingen. Het voordeel van de afwijking wordt afhankelijk gesteld van een of meerdere van de volgende voorwaarden:
   - het bezit van een diploma of getuigschrift van een voor de te vervullen functie relevante opleiding;
   - een relevante beroepservaring in verband met de te vervullen functie;
   - het met goed gevolg afleggen van een door Brussel Openbaar Ambt georganiseerd kwalificatie-examen;
   - het bezit van een titel van kennis, verkregen in het kader van een validering van vaardigheden;
   - de in het buitenland opgedane relevante beroepservaring, binnen de grenzen van de artikelen 432 en 433 van dit besluit.
   De toepassing en de uitvoeringsvoorwaarden van deze afwijking staan vermeld in het advies bedoeld in artikel 40, § 1.]1

  [1 Wanneer de leidende ambtenaar van Brussel Openbaar Ambt de afwijking bedoelde in lid 2 toepast, brengt hij onmiddellijk de leidende ambtenaar van Actiris op de hoogte, die verantwoordelijk is voor het informeren van werkzoekenden die aan de deelnamevoorwaarden kunnen voldoen en hen aanmoedigt zich in te schrijven voor de selectie.]1
  
Art. 36. Nul ne peut être nommé agent s'il ne remplit les conditions générales d'admissibilité qui suivent :
  1° être Belge lorsque les emplois comportent une participation directe ou indirecte à l'exercice de la puissance publique ou que les fonctions ont pour objet la sauvegarde des intérêts généraux de l'Etat ou d'autres collectivités publiques;
  2° être d'une conduite répondant aux exigences de l'emploi;
  3° jouir des droits civils et politiques;
  4° Etre porteur d'un diplôme ou certificat d'études en rapport avec le niveau du grade à conférer, ou être porteur d'un certificat délivré par les Communautés ou des organismes agréés par elles, donnant accès à la fonction pour laquelle la sélection est organisée, selon le tableau annexé au présent arrêté, ou être porteur d'une carte d'accès obtenue suite à une série d'épreuves de sélection qualitative qui vérifie si le candidat dispose des compétences de base et aptitudes cognitives qui sont exigées au niveau supérieur à celui auquel il peut prétendre en vertu de son ou ses diplôme(s) ou de son ou ses certificat(s) d'études.
  [1 Excepté pour les métiers nécessitant des diplômes spécifiques et sous réserve des dispositions légales en matière de grades légaux auxquels il ne peut être dérogé, une dérogation de la condition visée à l'alinéa 1er, 4° peut être accordée par le Ministre pour les métiers repris sur la liste établie annuellement par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale sur base de la liste des métiers en pénurie établie annuellement par Actiris et de l'analyse par Bruxelles Fonction publique des résultats des sélections clôturées sans parvenir à produire un nombre suffisant de candidats ou lauréats au regard des emplois à pourvoir. Le bénéfice de la dérogation est assorti de conditions choisies parmi les conditions suivantes :
   - la possession d'un diplôme ou d'un certificat d'étude en rapport avec le métier à pourvoir ;
   - une expérience professionnelle pertinente en relation avec le métier à pourvoir ;
   - la réussite d'un examen de qualification organisé par Bruxelles fonction publique ;
   - la détention d'un titre de compétences obtenu dans le cadre d'une validation des compétences ;
   - l'expérience professionnelle pertinente acquise à l'étranger, dans les limites des articles 432 et 433 du présent arrêté.
   L'application et les conditions de mise en oeuvre de cette dérogation sont renseignées dans l'avis visé à l'article 40, § 1er.]1
.
  [1 Lorsque le fonctionnaire dirigeant de Bruxelles Fonction publique fait application de la dérogation visée à l'alinéa 2, il en avise aussitôt le fonctionnaire dirigeant d'Actiris, à charge pour ce dernier d'informer les chercheurs d'emploi pouvant remplir les conditions de participation et les inciter à s'inscrire à la sélection.]1
  
Art. 37. Voor bepaalde selecties kunnen volgende bijzondere toelaatbaarheidsvoorwaarden voorzien worden :
  1° het bezitten van een specifiek diploma dat in het bijzonder toegang verleent tot de functie waarvoor de selectie georganiseerd wordt;
  2° relevante werkervaring wanneer de aard van de te verlenen betrekking zodanige eisen wettigt;
  3° het toelaten van studenten die in het laatste jaar zitten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift, wanneer de organisator van de selectie vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden te kunnen weerhouden; in welk geval zij die geslaagd zijn voor het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen, ook tot dat wervingsexamen worden toegelaten. Voor hun benoeming kunnen de geslaagden van deze selecties zich slechts vanaf de dag waarop zij aan de organisator van de selectie het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd, op hun rangschikking beroepen;
  4° behalve de in artikel 36, 4° vermelde diploma's en getuigschriften, de volgende diploma's en getuigschriften aanvaarden voor de selectie in een bepaalde graad wanneer de vereisten van de uit te oefenen functies dit toelaten :
  a) diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socioculturele promotie;
  b) diploma's en getuigschriften van het technisch onderwijs, kunstonderwijs of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;
  5° voor de selectie van bepaalde functies van niveaus D, het bezit van bepaalde diploma's, vormingsattesten of bevoegheidstitels als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen functies;
  6° voor de selectie in bepaalde graden van de niveaus A, B en C de vormingsdiploma's of vormingsgetuigschriften of competentie titels eisen als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen functies en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in artikel 36, 4°.
  7° medische geschiktheid voor de uit te oefenen functie, indien de aard van de functie dit vereist;
  8° andere voorwaarden vereist door de aard van het ambt.
Art. 37. Pour une sélection déterminée, des conditions spécifiques d'admissibilité peuvent être prévues parmi les conditions suivantes :
  1° la possession d'un diplôme spécifique conférant l'accès à la fonction pour laquelle la sélection est organisée;
  2° une expérience professionnelle pertinente, lorsque de telles conditions sont justifiées par la nature de l'emploi à conférer;
  3° admettre les étudiants qui accomplissent la dernière année d'études requises pour qu'ils obtiennent le diplôme ou le certificat d'études exigé lorsque l'organisateur de la sélection présume que les participants ne seront pas assez nombreux pour qu'il y ait suffisamment de candidats ou de lauréats; en ce cas, sont également admis à cette sélection ceux qui ont satisfait à l'épreuve relative à l'avant-dernière année et qui déclarent qu'ils se présenteront devant le jury de leur Communauté pour l'épreuve relative à la dernière année; les lauréats de ces sélections ne peuvent toutefois faire valoir, en vue d'une nomination, le bénéfice de leur classement qu'à partir du jour où ils auront produit devant l'organisateur de la sélection, le diplôme ou certificat d'études exigé;
  4° admettre, pour la sélection à un grade déterminé et lorsque les exigences des fonctions à exercer ne s'y opposent pas, outre les diplômes et certificats d'études indiqués à l'article 36, 4°, d'autres diplômes et certificats parmi les suivants :
  a) diplômes et certificats d'enseignement de promotion sociale et de l'enseignement artistique de promotion socioculturelle;
  b) diplômes et certificats d'enseignement technique, artistique ou professionnel secondaire de plein exercice;
  5° pour la sélection à des fonctions déterminées des niveaux D, la possession de certains diplômes, certificats de formation ou titres de compétences lorsque cette condition est justifiée par le caractère technique ou spécialisé des fonctions à exercer;
  6° exiger, pour la sélection à des grades déterminés des niveaux A, B et C, les diplômes ou certificats de formation ou titres de compétences lorsque cette condition est justifiée par le caractère technique ou spécialisé des fonctions à exercer, et pour autant que les détenteurs de ces diplômes ou certificats soient également porteurs d'un des titres d'études prévus à l'article 36, 4°.
  7° l'aptitude médicale exigée pour la fonction à exercer, si la nature de la fonction l'exige;
  8° d'autres conditions exigées par la nature de la fonction.
Afdeling 3. - Organisatie van de selecties en samenstelling van de selectiecommissies
Section 3. - Organisation des sélections et constitution des commissions de sélection
Art. 38. Op voorstel van het HRM kiest de [2 leidende ambtenaar of zijn adjunct]2 van het bestuur waar de betrekking moet worden ingevuld, [2 één van de volgende mogelijkheden]2 :
  - Interne [1 mobiliteit]1 zoals bepaald in artikel 118;
  - Intraregionale mobiliteit zoals bepaald in de artikelen 5 tot 13 van het besluit van 27 maart 2014 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  - Externe mobiliteit zoals bepaald in de artikelen 23 tot 25 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  - Overgang tot een hoger niveau zoals bepaald in de artikelen 99 en volgende;
  - Aanwerving.
  [2 De leidende ambtenaar, of zijn adjunct, van het bestuur waar de post vacant is geworden, kan ook beslissen om meerdere selectiewijzen te combineren op hetzelfde ogenblik. In dit kader worden de kandidaten van tevoren geïnformeerd over de nadere regels voor indiening van hun kandidatuur en wordt er slechts selectiecommissie samengesteld. In geval van combinatie van mobiliteitsprocedures en een andere selectiewijze, zijn de regels betreffende de vergelijkende selectieprocedure van toepassing, bedoeld in Boek I, Titel III, hoofdstuk 2 van onderhavig besluit.]2
  
Art. 38. Sur proposition de la GRH, le [2 fonctionnaire dirigeant,]2de l'administration où l'emploi est devenu vacant détermine parmi les modes suivants, [2 le mode auquel ]2 il est fait appel :
  - [1 mobilité ]1 interne telle que définie par l'article 118;
  - Mobilité intra-régionale telle que prévue aux articles 5 à 13 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 27 mars 2014 fixant le régime de mobilité au sein de certaines institutions de la Région de Bruxelles-Capitale;
  - Mobilité externe telle que prévue aux articles 23 à 25 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 27 mars 2014 fixant le régime de mobilité au sein de certaines institutions de la Région de Bruxelles-Capitale;
  - Accession au niveau supérieur telle que définie aux articles 99 et suivants;
  - Recrutement.
  [2 Le fonctionnaire dirigeant, ou son adjoint, de l'administration où l'emploi est devenu vacant peut également décider de combiner plusieurs modes de sélection en même temps. Dans ce cadre, les candidats seront préalablement informés sur les modalités d'introduction de leur candidature et une seule commission de sélection sera constituée. En cas de combinaison des procédures de mobilité et d'un autre mode de sélection, les règles relatives à la procédure de sélection comparative visées au Livre Ier, Titre III, Chapitre 2 du présent arrêté sont d'application.]2
  
Art. 39. Er kunnen vergelijkende selecties georganiseerd worden voor alle graden, behalve voor de graden die bij mandaat verleend moeten worden.
  [1 Indien voor de intraregionale of de externe mobiliteit gekozen wordt, zal de betreffende overheidsdienst de vergelijkende selectie alleen organiseren.
   Indien de aanwerving werd gekozen, zal de selectiecommissie bestaan uit :
   - een voorzitter, afgevaardigd door SELOR;
   - twee bijzitters.]1

  [2 Ten hoogste twee derden van de leden van de selectiecommissie behoren tot hetzelfde gender.
   Bij het voorzitterschap van vergelijkende selectiecommissies wordt voor genderwisseling gezorgd.
   Leden van vergelijkende selectiecommissies krijgen vooraf een specifieke vorming over stereotypen en gendervooroordelen.]2

  
Art. 39. Des sélections comparatives peuvent être organisées pour tous les grades sauf pour les grades à conférer par mandat.
  [1 Lorsque les modes de la mobilité intra-régionale ou de la mobilité externe sont choisis, le service public concerné organise seul la sélection comparative.
   Lorsque le mode du recrutement est choisi, la composition de la commission de la sélection comparative comprend :
   - un président, délégué par le SELOR ;
   - deux assesseurs.]1

  [2 Les deux tiers au plus des membres de la commission de sélection appartiennent au même genre.
   Une alternance de genre est assurée dans la présidence des commissions de sélections comparatives.
   Les membres des commissions de sélections comparatives reçoivent au préalable une formation spécifique aux stéréotypes et aux biais de genre].-2
  
Art. 40. § 1er. De vergelijkende selectie wordt minstens door middel van publicatie in het Belgisch Staatsblad aankondigd[1 en gepubliceerd op de gewestelijke site van Brussel Openbaar Ambt.]1.
  Het bericht vermeldt minstens de laatste dag waarop kan worden gesolliciteerd en of er eventueel een wervingsreserve wordt aangelegd van de laureaten. Desgevallend wordt de geldigheidsduur van en het aantal laureaten dat opgenomen wordt in de wervingsreserve vermeld.
  § 2. Wanneer een vergelijkende selectie wordt georganiseerd, wordt de datum bepaald waarop de kandidaten moeten voldoen aan de diplomavoorwaarden of de voorwaarden met betrekking tot studiegetuigschriften, en in voorkomend geval, de datum waarop de kandidaten een minimumleeftijd bereikt moeten hebben of over specifieke professionele vaardigheden [1 of relevante beroepservaring]1 moeten beschikken.
  § 3. [1 De kandidaten die in aanmerking komen, worden opgeroepen door Brussel Openbaar Ambt voor de modules van proeven zoals vastgelegd in het selectieprogramma.]1.
  § 4.[1 De algemene en de specifieke toelatingsvoorwaarden voor de selectieprocedure, zijn het voorwerp van een controle door Brussel Openbaar Ambt.]1.
  Vanaf het moment dat vastgesteld wordt dat een kandidaat niet voldoet of niet kan voldoen aan één van de algemene voorwaarden of aan de bijzondere toelatingsvoorwaarden gesteld voor de betrekking waarvoor de kandidaat solliciteert, dan wordt de kandidaat uitgesloten van de vergelijkende selectie en de beslissing en de redenen hiertoe worden hem meegedeeld.
  
Art. 40. § 1er. Les sélections comparatives sont annoncées au moins par un avis au Moniteur belge[1 et publiées sur le site régional de Bruxelles Fonction publique.]1.
  L'avis mentionne au moins la date limite de candidature et la constitution éventuelle d'une réserve des lauréats. Le cas échéant, il précise la durée de validité et le nombre de lauréats repris au sein de cette réserve.
  § 2. Lors de l'organisation d'une sélection comparative, la date à laquelle les candidats doivent satisfaire aux conditions relatives aux diplômes ou certificats d'études et le cas échéant à la condition d'un âge minimum ou à des conditions spéciales d'aptitudes professionnelles [1 ou d'expérience professionnelle pertinente]1 est fixée.
  § 3.[1 § 3. Les candidats admissibles sont convoqués par Bruxelles Fonction publique aux modules d'épreuves prévus par le programme de sélection.]1.
  § 4. [1 Les conditions générales et spécifiques d'admissibilité requises pour la procédure de sélection font l'objet d'une vérification par Bruxelles Fonction publique.]1.
  Dès qu'il est constaté qu'un candidat ne remplit pas, ou ne pourra pas remplir, une des conditions générales ou spéciales d'admissibilité requises pour l'emploi pour lequel l'intéressé concourt, celui-ci est exclu de la sélection comparative et la décision ainsi que les motifs de celle-ci est notifiée.
  
HOOFDSTUK II. - Vergelijkende selecties
CHAPITRE II. - Des sélections comparatives
Afdeling 1. - De selectieproeven, over de samenstelling en de raadpleging van de wervingsreserve en van de wervingsreserve van de andere overheden.
Section 1re. - Des épreuves de la sélection, de la constitution et de la consultation des réserves de lauréats et des réserves de lauréats des autres autorités
Art. 41. § 1. Een vergelijkende selectie is een selectie die leidt tot een rangschikking van de geslaagden op basis van een functiebeschrijving.
  [1 De functiebeschrijving wordt opgesteld door HRM onder verantwoordelijkheid van de leidende ambtenaar, of zijn adjunct.]1.
  De benoemende overheid is gehouden door de rangschikking van de geslaagden.
  § 2. Een vergelijkende selectie kan meerdere opeenvolgende modules van proeven omvatten waarbij de kandidaat enkel tot de volgende module wordt toegelaten op voorwaarde dat hij geslaagd is voor de vorige. In dit geval wordt de rangschikking enkel vastgelegd op basis van de resultaten van de laatste module.
  [1 Indien een testmodule gemeenschappelijk is voor verscheidene vergelijkende selecties binnen hetzelfde niveau, kunnen de geslaagden van deze testmodule hiervan worden vrijgesteld wanneer zij aan een andere vergelijkende selectie deelnemen, mits deze vrijstelling uitdrukkelijk in het selectiereglement is opgenomen. De geldigheidsduur van de vrijstelling wordt vermeld op de betekening van het resultaat. Deze bedraagt minimaal een jaar.]1.
  [1 Een kandidaat die niet geslaagd is voor een module van een vergelijkende selectie wordt gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het afleggen van deze proef, uitgesloten van het opnieuw afleggen van dezelfde module, mits deze uitsluiting uitdrukkelijk in het selectiereglement is opgenomen.]1.
  § 3. Een bijkomende [1 mondelinge]1 vergelijkende proef kan worden georganiseerd op beslissing van het HRM, indien de aard van de te betrekken functie dit vereist en op basis van een functiebeschrijving. Deze proef leidt, voor deze functie, tot een aparte rangschikking van de geslaagden.
  De deelname aan de bijkomende vergelijkende proef is niet verplicht.
  Een maximum aantal deelnemers wordt voor deze proef bepaald, rekening houdend met de rangschikking.
  De geslaagden voor deze proef, evenals de kandidaten die niet geslaagd zijn, behouden de rangschikking bedoeld in § 2.
  § 4. De vergelijkende selecties worden georganiseerd voor de benoeming in de rangen A1 tot A3 en in de niveaus B, C en D.
  
Art. 41. § 1er. Une sélection comparative est une sélection qui conduit à un classement des lauréats sur base d'une description de fonction.
  [1 La description de fonction est élaborée par la GRH sous la responsabilité du fonctionnaire dirigeant ou de son adjoint. ]1
  L'autorité investie du pouvoir de nomination est liée par le classement des lauréats.
  § 2. Une sélection comparative peut comprendre plusieurs modules d'épreuves successifs auxquelles le candidat n'est admis que sous réserve de la réussite du module précédent. Dans ce cas, le classement n'est établi que sur base des résultats du dernier module.
  [1 Si un module d'épreuves est commun à plusieurs sélections comparatives au sein d'un même niveau, les lauréats de ce module d'épreuves peuvent en être dispensés lors de leur participation à une autre sélection comparative, à condition que cette dispense soit expressément prévue dans le règlement de sélection. La durée de validité de la dispense est mentionnée sur la notification du résultat. Celle-ci est valable durant au moins un an.]1
  [1 Un candidat qui n'a pas réussi un module d'une sélection comparative est exclu de se présenter à nouveau pour ce même module pendant une durée de six mois à dater du jour de la présentation de l'épreuve, si cette exclusion est expressément prévue dans le règlement de sélection. ]1.
  § 3. Une épreuve [1 orale]1 comparative complémentaire peut-être organisée sur décision de la GRH, si la nature de la fonction à conférer l'exige et sur base d'une description de fonction. Cette épreuve conduit, pour cette fonction, à un classement distinct des lauréats.
  La participation à l'épreuve comparative complémentaire est facultative.
  Un nombre maximum de participants à cette épreuve est fixé en tenant compte du classement.
  Les lauréats de cette épreuve, ainsi que les candidats qui n'ont pas réussi, maintiennent le classement visé au § 2.
  § 4. Les sélections comparatives sont organisées pour la nomination aux rangs A1 à A3 ainsi qu'aux niveaux B, C et D.
  
Art. 42. [1 Wanneer er een wervingsreserve wordt aangelegd op basis van artikel 41 zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
   1А Het aantal geslaagden dat in deze reserve wordt opgenomen, wordt vooraf bepaald op basis van het aantal voorspelbare vacatures;
   2А De geldigheidsduur van een reserve bedraagt minimaal zes maanden en maximaal twee jaar. De leidende ambtenaar van Brussel Openbaar Ambt kan de geldigheidsduur van de aangelegde wervingsreserves tweemaal verlengen, telkens met een periode van maximum een jaar, indien de behoeften van de dienst dat rechtvaardigen.]1

  
Art. 42. [1 Lorsqu'une réserve de recrutement est constituée sur base de l'article 41, les conditions suivantes s'appliquent :
   1° le nombre de lauréats admis dans cette réserve est déterminé au préalable sur la base du nombre de vacances d'emplois prévisibles ;
   2° la durée de validité d'une réserve est de six mois minimum et de deux ans maximum. Le fonctionnaire dirigeant de Bruxelles Fonction publique peut prolonger deux fois la durée de validité des réserves de recrutement constituées, à concurrence d'une période d'un an maximum lorsque les besoins des services le justifient.]1

  
Art. 43. De geslaagden van een wervingsreserve worden uitgenodigd om deel te nemen aan een complementaire vergelijkende selectie zoals geviseerd door artikel 41 § 3 met het oog op het invullen van een andere betrekking dan degene waarvoor de kandidaten werden gerangschikt.
Art. 43. Les lauréats d'une réserve de recrutement sont invités à participer à l'épreuve comparative complémentaire visé par l'article 41 § 3 en vue de pourvoir à un autre emploi que celui pour lequel ils ont été classés.
Art. 44. [1 De leidende ambtenaar van het Brussel Openbaar Ambt, of zijn adjunct, in het kader van een aanwervingsprocedure voor de Brusselse Gewestelijke Overheidsdienst, raadpleegt de reserve van geslaagde kandidaten die is aangelegd door de federale overheid, met zijn akkoord, indien er geen gewestelijke reserve is met kandidaten die voldoen aan de specifieke behoeften geformuleerd door de betrokken gewestelijke overheid.]1
  
Art. 44. [1 Le Fonctionnaire dirigeant de Bruxelles fonction publique, ou son adjoint, dans le cadre d'un recrutement pour le Service public régional de Bruxelles, consulte la réserve de lauréats constituée par l'autorité fédérale, avec son accord, dès lors qu'aucune réserve régionale ne contient des candidats répondant aux besoins spécifiques formulés par l'administration régionale concernée.]1
  
Art. 45. De [1 leidende ambtenaar van Brussel Openbaar Ambt, of zijn adjunct]1 kan een andere instelling toestaan de wervingsreserve van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te consulteren.
  
Art. 45. Le[1 fonctionnaire dirigeant de Bruxelles Fonction publique, ou son adjoint]1peut autoriser une autre institution à consulter les réserves de recrutement de la Région de Bruxelles-Capitale.
  
Afdeling 2. - Regels voor de toelating van de geslaagden
Section 2. - Des modalités d'admission des lauréats
Art. 46. § 1. Elke geslaagde krijgt bericht van zijn resultaat en zijn rangschikking.
  § 2. De geslaagden die een betrekking aanvaarden, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die na deze aanvaarding weigeren in dienst te treden, worden ambtshalve uit de reserve geschrapt, behalve in een met redenen omkleed geval van overmacht.
  Als de geslaagde de betrekking aanvaard heeft, vergewist het HRM zich ervan dat hij aan alle vereiste voorwaarden voldoet.
Art. 46. § 1er. Chaque lauréat reçoit communication de ses résultats et de son classement.
  § 2. Les lauréats qui acceptent un emploi s'engagent à l'occuper. Sauf cas de force majeure dûment motivée, ceux qui, après cette acceptation, refusent d'entrer en fonction, sont rayés d'office de la réserve.
  Lorsque le lauréat a accepté l'emploi, la GRH s'assure qu'il réunit l'ensemble des conditions requises.
Art. 47. Na het afsluiten van het proces-verbaal van de selectie, worden de batig gerangschikte geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de volgorde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de functie waarvoor zij hebben meegedongen.
  Zij worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen.
Art. 47. Après clôture du procès-verbal de la sélection, les lauréats classés en ordre utile et qui satisfont aux conditions requises sont, dans l'ordre de leur classement, admis en stage dans la fonction pour laquelle ils ont concouru.
  Ils sont affectés à un emploi vacant de ce grade.
Afdeling 3. - Oproep tot indiensttreding van de geslaagden
Section 3. - De l'appel en service des lauréats
Art. 48. Het HRM roept de geselecteerde kandidaat op tot indiensttreding. Het HRM stelt een maximumtermijn vast voor zijn indiensttreding.
  Wanneer de geslaagde nog gebonden is door een arbeidsovereenkomst houdt het HRM rekening met een eventuele opzegtermijn.
  Indien de geslaagde de betrekking niet binnen de gestelde termijn kan invullen, roept het HRM de volgende gerangschikte op.
Art. 48. La GRH appelle en service le candidat sélectionné. Elle fixe un délai maximum pour son entrée en service.
  Toutefois, lorsque le lauréat se trouve dans les liens d'un contrat de travail, la GRH tient compte d'un délai de préavis éventuel.
  Lorsqu'un lauréat ne peut occuper l'emploi dans les délais fixés, la GRH fait appel au suivant dans le classement.
HOOFDSTUK III. - De stage
CHAPITRE III. - Du stage
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 49. De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit.
  De volgende in dit besluit opgenomen bepalingen zijn op de stagiair van toepassing :
  1° de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;
  2° de tuchtregeling;
  3° de administratieve standen;
  4° het geldelijk statuut;
  5° het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging;
  6° de gemiddelde maximale arbeidsduur;
  De stagiair geniet :
  1° het jaarlijks vakantieverlof;
  2° de feestdagen;
  3° het omstandigheidsverlof;
  4° het verlof wegens ziekte;
  5° het bevallingsverlof;
  6° de disponibiliteit wegens ziekte;
  7° verloven om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met hem onder hetzelfde dak woont[1 en het verlof wegens dwingende familiale redenen]1;
  8° het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
  9° het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen;
  10° [1 verlof voor loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging, in het kader van ouderschapsverlof, alsook in het kader van het verlof voor erkende mantelzorgers;]1;
  11° verlof voor wederoproeping als reservist;
  12° verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen.
  13° het verlof wegens opdracht.
  [2 14° het verlof voor de opleiding van een assistentiehond. ]2
  Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.
  
Art. 49. Le stagiaire n'a pas la qualité d'agent au sens du présent arrêté.
  Sont applicables au stagiaire les dispositions reprises dans le présent arrêté relatives :
  1° aux droits, devoirs, incompatibilités et cumuls d'activités;
  2° au régime disciplinaire;
  3° aux positions administratives;
  4° au statut pécuniaire;
  5° à la perte d'office de la qualité d'agent et de la cessation définitive des fonctions;
  6° à la durée moyenne maximum du temps de travail.
  Le stagiaire bénéficie :
  1° des congés de vacances annuelles;
  2° des jours fériés;
  3° des jours de congé de circonstances;
  4° du congé de maladie;
  5° du congé de maternité;
  6° de la disponibilité pour maladie;
  7° des congés pour prendre soin d'une personne gravement malade ou accidentée habitant sous son toit [1 et du congé pour des motifs impérieux d'ordre familial]1;
  8° du congé pour détachement auprès d'un cabinet ministériel du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale;
  9° du congé pour exercer un mandat politique;
  10° [1 du congé pour interruption de carrière pour soins palliatifs, dans le cadre du congé parental lors de la naissance ou de l'adoption d'un enfant, ainsi que dans le cadre du congé pour les aidants proches reconnus ]1;
  11° du congé pour rappel à l'armée en tant que réserviste;
  12° du congé pour participer à un jury de Cour d'Assises.
  13° du congé pour mission.
  [2 14° du congé pour formation d'un chien d'assistance.]2
  Pour l'application du présent article, le stagiaire est considéré comme étant titulaire du grade auquel il s'est porté candidat.
  
Art. 50. Perioden van afwezigheid gedurende de stage hebben een verlenging van de stage tot gevolg zodra ze, buiten de verloven bedoeld in artikel 49, tweede lid, 1° tot 3° en 7°, vijftien dagen gewettigde afwezigheid overschrijden, verspreid over een of meerdere malen, zelfs als de stagiair in dienstactiviteit is.
  Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair.
  Hij behoudt zijn hoedanigheid van stagiair eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of ontslag wordt genomen.
Art. 50. Les périodes d'absence en cours de stage entraînent une prolongation de celui-ci dès que le stagiaire compte, en dehors des congés visés à l'article 49, alinéa 2, 1° à 3° et 7°, plus de quinze jours d'absence en une ou plusieurs fois dûment justifiés, même si le stagiaire est dans la position d'activité de service.
  Pendant la suspension du stage, l'intéressé conserve sa qualité de stagiaire.
  Il conserve également celle-ci jusqu'à la date où une décision définitive de nomination ou de licenciement est prise.
Art. 51. De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt tot de stage toegelaten door de Secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal die hem voorlopig aanstelt in de betrekking waarvoor hij in dienst werd geroepen.
Art. 51. Le lauréat appelé en service est admis au stage par le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint qui l'affecte provisoirement à l'emploi pour lequel il a été appelé en service.
Art. 52. De secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal kan de aanwijzing wijzigen :
  1° in het belang van de dienst;
  2° op vraag van de stagiair.
Art. 52. Le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint peut modifier l'affectation :
  1° dans l'intérêt du service;
  2° à la demande du stagiaire.
Afdeling 2. - De inhoud van de stage
Section 2. - L'objet du stage
Art. 53. § 1er. De stage is bedoeld om de stagiair optimaal te integreren in zijn bestuur, in de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel en in het gewestelijk openbaar ambt in het algemeen. Daartoe duidt de ambtenaar-generaal van het bestuur waarin de stagiair is aangesteld, in overleg met de functionele chef van de stagiair, het personeelslid aan dat, als hiërarchische meerdere, bevoegd is voor de stagebegeleiding, hierna de `stagebegeleider' genoemd, en dit volgens de taalrol van de stagiair.
  § 2. Het HRM waakt eveneens over het goede verloop van de stage. Hiertoe kan zij deelnemen aan alle stagegesprekken.
  Als de stagebegeleider meer dan tien werkdagen afwezig is, brengt het HRM de ambtenaar-generaal van het bestuur waaraan de stagiair is toegewezen daarvan op de hoogte opdat hij een "vervangende stagebegeleider" zou aanstellen die de stagebegeleider tijdens diens afwezigheid vervangt. De vervangende stagebegeleider wordt aangeduid conform de daartoe voorziene modaliteiten neergelegd in paragraaf 1. In dat opzicht beschikt hij over dezelfde bevoegdheden als de stagebegeleider.
Art. 53. § 1er. Le stage vise à permettre l'intégration optimale du stagiaire au sein de son administration, du Service public régional de Bruxelles et de la fonction publique régionale en général. A cet effet, le fonctionnaire général de l'administration dans laquelle le stagiaire est affecté désigne, en concertation avec le chef fonctionnel du stagiaire, le membre du personnel, supérieur hiérarchiquement, chargé de l'accompagnement du stage, nommé ci-après " l'accompagnateur de stage ", selon le rôle linguistique du stagiaire.
  § 2. La GRH veille également au bon déroulement du stage. A ce titre, elle peut participer à tous les entretiens de stage.
  En cas d'absence de l'accompagnateur de stage pendant plus de dix jours ouvrables, la GRH informe le fonctionnaire général de l'administration dans laquelle le stagiaire est affecté en vue de faire désigner par lui un " accompagnateur de stage remplaçant " qui le remplacera pendant son absence. L'accompagnateur de stage remplaçant est désigné selon les modalités prévues au paragraphe 1er. A ce titre, il dispose des mêmes compétences que l'accompagnateur de stage.
Afdeling 3. - Het verloop van de stage
Section 3. - Le déroulement du stage
Art. 54. Aan het begin van de stage heeft de stagebegeleider een eerste gesprek met de stagiair waarbij de volgende punten verduidelijkt worden :
  - De verwachte resultaten en houdingen bij de verwezenlijking van de taken die overeenkomen met de functiebeschrijving van de stagiair;
  - De opleidingsactiviteiten die de stagiair moet volgen;
  - De andere middelen ter ontwikkeling van de vaardigheden zodat de inzetbaarheid van de stagiair vergroot wordt.
Art. 54. Au début du stage, l'accompagnateur de stage a un premier entretien avec le stagiaire au cours duquel sont précisés :
  - Les résultats et attitudes attendus dans la réalisation des tâches en rapport avec la description de fonction du stagiaire;
  - Les activités de formation que devra suivre le stagiaire;
  - Les autres moyens de développement de compétence visant à favoriser l'employabilité du stagiaire.
Art. 55. Met het oog op de voorbereiding van dit eerste stagegesprek, pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met het HRM.
Art. 55. En vue de préparer ce premier entretien de stage, l'accompagnateur de stage se concerte au préalable avec le chef fonctionnel du stagiaire et avec la GRH.
Art. 56. De stagebegeleider maakt de verslagen bedoeld in de artikelen 60 § 2, 62 en 64.
  De stagebegeleider kan, in overleg met het HRM en de functionele chef, en desgevallend met de vervangende stagebegeleider, beslissen dat bijkomende vormingsactiviteiten vereist zijn.
  De HRM-verantwoordelijke legt het model van het stageverslag vast.
Art. 56. L'accompagnateur de stage rédige les rapports visés aux articles 60, § 2, 62 et 64.
  L'accompagnateur de stage peut décider, en concertation avec la GRH et le chef fonctionnel, et le cas échéant avec l'accompagnateur de stage remplaçant, que des formations complémentaires sont nécessaires.
  Le responsable GRH arrête le modèle du rapport de stage.
Art. 57. De stage duurt één jaar voor de stagiairs van de niveaus A en B.
  Ze duurt 6 maanden voor de stagiairs van de niveaus C en D.
Art. 57. La durée du stage pour les stagiaires des niveaux A et B est d'un an.
  La durée du stage pour les stagiaires des niveaux C et D est de 6 mois.
Art. 58. De directieraad kan een vormingstraject per functietype vastleggen.
Art. 58. Le Conseil de direction peut déterminer un parcours de formation par type de fonction.
Art. 59. Na het eerste gesprek, voorzien in artikel 54, organiseert de stagebegeleider tweemaandelijks voor de stages van zes maanden en driemaandelijks voor de stages van een jaar, een stagegesprek over het verloop van de stage. Wanneer hij het nodig acht, kunnen bijkomende gesprekken georganiseerd worden.
  Met het oog op de voorbereiding van de stagegesprekken pleegt de stagebegeleider vooraf overleg met de functionele chef van de stagiair en met het HRM.
Art. 59. Après le premier entretien prévu à l'article 54, l'accompagnateur de stage organise tous les deux mois pour les stages de six mois et tous les trois mois pour les stages d'un an un entretien de stage relatif au déroulement du stage. Lorsqu'il le juge nécessaire, des entretiens supplémentaires peuvent être organisés.
  En vue de préparer les entretiens de stage, il se concerte au préalable avec le chef fonctionnel et avec la GRH.
Art. 60. § 1 Het gesprek gaat over :
  1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan voor de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiair;
  2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;
  3° de uitvoering van zijn werkopdrachten.
  Het gesprek heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen.
  Het beoogt eveneens de beoordeling mogelijk te maken van zowel de gunstige als de ongunstige feiten. Ingeval ongunstige feiten worden vastgesteld, geeft de stagebegeleider een verwittiging aan de stagiair.
  § 2. De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag. Het verslag wordt betekend aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan het HRM.
  Bij afwezigheid van de stagebegeleider voert de vervangende stagebegeleider het stagegesprek en stelt hij het stageverslag op. In dat geval hebben het gesprek en het verslag betrekking op de periode waarin de vervangende stagebegeleider de stage heeft opgevolgd. Bij terugkeer van de stagebegeleider moet deze een verslag opstellen over de periode waarin hij de stage effectief opgevolgd heeft.
  In geval van toepassing van artikel 53, § 2, tweede lid, vraagt de vervangende stagebegeleider aan de officiële stagebegeleider of aan de hiërarchie de informatie die hij nodig heeft voor het opstellen van zijn stageverslag. Als er geen informatie beschikbaar is, dan geeft de in artikel 53, § 2, tweede lid bedoelde periode aanleiding tot een gunstige beoordeling van de stagiair.
  Wanneer de stagebegeleider de dienst hervat, stelt de vervangende stagebegeleider een verslag op over de periode waarin hij de stage opgevolgd heeft. Dit verslag beantwoordt aan de vereisten van § 2 van deze bepaling. Het verslag wordt betekend aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Vervolgens wordt het overgemaakt aan het HRM en aan de stagebegeleider. Laatstgenoemde houdt er rekening mee tijdens het volgende stagegesprek.
Art. 60. § 1er. L'entretien se déroule au sujet :
  1° des activités de formation et de leurs résultats dans le développement des compétences du stagiaire;
  2° de la façon dont le stagiaire s'intègre dans le service;
  3° de l'exécution des tâches qui lui sont confiées.
  L'entretien a pour but d'évaluer les progrès du stagiaire ainsi que de mettre en évidence les points susceptibles d'être améliorés.
  Il vise également à permettre une appréciation tant des faits favorables que défavorables. En cas de constatation de faits défavorables, l'accompagnateur de stage donne un avertissement au stagiaire.
  § 2. Les conclusions de chaque entretien sont consignées dans le rapport de stage. Le rapport est communiqué au stagiaire qui peut, le cas échéant, y ajouter ses observations. Il est ensuite transféré à la GRH.
  L'accompagnateur de stage remplaçant procède à l'entretien et à la rédaction du rapport en l'absence de l'accompagnateur de stage. L'entretien et le rapport portent alors sur la période pendant laquelle l'accompagnateur de stage remplaçant a supervisé le stage. L'accompagnateur de stage est tenu à son retour de rédiger un rapport relatif à la période pendant laquelle il a effectivement supervisé le stage.
  En cas d'application de l'article 53, § 2 alinéa 2, l'accompagnateur remplaçant demande à l'accompagnateur en titre ou à la hiérarchie les informations nécessaires à la rédaction de son rapport de stage. A défaut d'informations disponibles, la période visée à l'article 53, § 2 alinéa 2 devra être considérée comme donnant lieu à une appréciation favorable pour le stagiaire.
  Lorsque l'accompagnateur de stage reprend du service, l'accompagnateur de stage remplaçant rédige un rapport portant sur la période pendant laquelle il a supervisé le stage. Ce rapport répond aux conditions du § 2 de la présente disposition. Il est communiqué au stagiaire qui peut, le cas échéant, y ajouter ses observations. Il est ensuite transféré à la GRH et à l'accompagnateur de stage. Ce dernier en tient compte dans le cadre du prochain entretien de stage.
Afdeling 4. - Vrijstelling van stage
Section 4. - Dispense du stage
Art. 61. De geslaagde die in dienst wordt geroepen, wordt vrijgesteld van de stage en onmiddellijk benoemd in de wervingsgraad waarvoor hij geslaagd is indien hij de drie volgende voorwaarden vervult :
  - door middel van een arbeidsovereenkomst, op ononderbroken wijze gedurende minstens een jaar voltijds of gedurende minstens twee jaar deeltijds op het moment van de publicatie van de vacante betrekking bij dezelfde administratieve eenheid tewerk gesteld zijn;
  - dezelfde functie sinds minstens één jaar vervullen als die waarvoor hij aangesteld werd in het kader van zijn bovengenoemd arbeidsovereenkomst;
  - een gunstige evaluatie gekregen hebben bij de laatste evaluatie.
Art. 61. Le lauréat appelé en service est dispensé de stage et immédiatement nommé dans le grade de son affectation s'il remplit les trois conditions suivantes :
  - au moment de la publication de la vacance d'emploi, être sous contrat de travail de manière ininterrompue depuis au moins un an à temps plein ou au moins deux ans à temps partiel auprès de l'unité administrative dans laquelle l'emploi est à pouvoir;
  - être affecté depuis au moins un an dans la même fonction que celle à laquelle il était désigné dans le cadre de son contrat de travail susmentionné;
  - avoir reçu une évaluation favorable lors du dernier cycle d'évaluation.
Afdeling 5. - Het einde van de stage
Section 5. - De la fin du stage
Art. 62. De stage wordt afgesloten met een laatste stagegesprek, zoals beschreven in artikel 63. De stagebegeleider stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met het HRM en de functionele chef. Hij voegt er een van de voorstellen bedoeld in artikel 64 aan toe.
  Hij deelt het eindverslag aan de stagiair mee, die over vijftien dagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen.
Art. 62. Un dernier entretien de stage, tel que défini à l'article 63, a lieu au terme du stage. L'accompagnateur de stage rédige le rapport final du stage en concertation avec la GRH et le chef fonctionnel. Il y ajoute une des propositions, visées à l'article 64.
  Il communique le rapport final au stagiaire qui dispose de quinze jours pour y ajouter ses observations.
Art. 63. De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, zowel gunstig als ongunstig, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties.
Art. 63. L'évaluation finale tient compte de tous les faits, tant favorables que défavorables qui ont été établis pendant le stage, et des évaluations intermédiaires.
Art. 64. De stagebegeleider overhandigt het eindverslag aan de directeur-generaal van het bestuur waarbij de stagiair wordt ingedeeld.
  Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stelt de directeur-generaal aan de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal voor de benoeming van de stagiair voor te leggen aan de voor de benoeming bevoegde overheid conform artikel 72.
  Indien het eindverslag ongunstig is, stelt de directeur-generaal :
  ofwel een eenmalige verlenging van de stage voor, met een periode die maximaal een derde van de duur van de stage bedraagt. Deze verlenging is niet hernieuwbaar;
  ofwel aan de voor de benoeming bevoegde overheid, conform artikel 72, voor om over te gaan tot ontslag wegens ongeschiktheid voor een functie bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
  De secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal beslist om de verlenging van de stage toe te staan of te weigeren.
  Het voorstel tot ontslag wegens ongeschiktheid van een stagiair van niveau A kan enkel met toestemming van de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal geformuleerd worden.
Art. 64. L'accompagnateur du stage transmet le rapport final au directeur général de l'administration où est affecté le stagiaire.
  Si le rapport final relatif à l'ensemble du stage est favorable, le directeur général propose au Secrétaire général ou au Secrétaire général adjoint de soumettre la nomination du stagiaire à l'autorité investie du pouvoir de nomination visée à l'article 72.
  Si le rapport final est défavorable le directeur général propose :
  soit la prolongation du stage pour une période unique maximum d'un tiers de la durée du stage. Cette prolongation n'est pas renouvelable;
  soit le licenciement pour inaptitude à l'exercice d'une fonction au Service public régional de Bruxelles à l'autorité investie du pouvoir de nomination visée à l'article 72.
  Le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint décide d'accorder ou de refuser la prolongation de stage.
  La proposition de licenciement pour inaptitude professionnelle d'un stagiaire de niveau A ne peut être formulée qu'avec l'assentiment du Secrétaire général ou du Secrétaire général adjoint.
Art. 65. Het eindverslag, na verlenging van de stage, wordt aan de secretaris generaal of aan de adjunct secretaris generaal voorgelegd, die desgevallend de in het vorige artikel bedoelde voorstellen doet.
Art. 65. Le rapport final, après prolongation du stage,est soumis au Secrétaire général ou au Secrétaire général adjoint qui, le cas échéant, font les propositions visées à l'article précédent.
Afdeling 6. - Vroegtijdige beëindiging van de stage
Section 6. - De la fin anticipée du stage
Art. 66. Als de stagiair in de loop van de stage een ernstige fout begaat waardoor elke professionele samenwerking tussen de overheid en de stagiair onmiddellijk en definitief onmogelijk wordt, roept de stagebegeleider, of bij afwezigheid van deze laatste de vervangende stagebegeleider, binnen de vijf werkdagen nadat hij kennis genomen heeft van de handeling die een ernstige tekortkoming uitmaakt, de stagiair op om gehoord te worden en zijn verweermiddelen te vernemen.
  De oproepingsbrief vermeldt de feiten die het personeelslid ten laste worden gelegd, de normen waartegen deze feiten indruisen, het feit dat er overwogen wordt zijn stage vroegtijdig te beëindigen, het recht om zich door een verdediger naar keuze te laten bijstaan, met uitzondering van de personen die zich moeten uitspreken over de feiten die hem ten laste worden gelegd, en het recht om bijkomende onderzoeksmaatregelen te vragen.
  Er wordt een proces-verbaal opgesteld en in aanwezigheid der partijen ondertekend.
  Na de hoorzitting stelt de stagebegeleider een verslag op. Dat verslag kan de vroegtijdige beëindiging van de stage voorstellen.
  Indien het verslag betrekking heeft op een stagiair van niveau A, dan kan het verslag enkel worden opgesteld met de instemming van de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal.
  De definitieve beslissing wordt genomen door de benoemende overheid. Deze laatste doet uitspraak binnen de vijf werkdagen na de hoorzitting.
Art. 66. Si au cours du stage, le stagiaire commet une faute grave rendant immédiatement et définitivement impossible toute collaboration professionnelle entre l'autorité et le stagiaire, l'accompagnateur de stage, ou, en l'absence de celui-ci, l'accompagnateur de stage remplaçant, dans les cinq jours ouvrables de la prise de connaissance par lui de l'acte constitutif de la faute grave convoque le stagiaire pour être entendu en ses moyens de défense.
  La convocation mentionne les faits qui sont reprochés à l'agent, les normes auxquelles ces faits contreviennent, le fait qu'il est envisagé de mettre fin anticipativement à son stage et le droit pour l'agent de se faire assister par un défenseur de son choix, à l'exception de toute personne appelée à se prononcer sur les faits mis à charge, le droit pour l'agent de solliciter l'accomplissement de mesures d'instruction complémentaires
  Un procès-verbal est rédigé et signé contradictoirement.
  A l'issue de l'audition, l'accompagnateur de stage rédige un rapport. Ce rapport peut proposer la fin anticipée du stage.
  Si ce rapport concerne un stagiaire de niveau A, il ne peut être rédigé qu'avec l'assentiment du Secrétaire général ou du Secrétaire général adjoint.
  La décision définitive revient à l'autorité investie du pouvoir de nomination. Celle-ci est tenue de statuer dans les cinq jours ouvrables qui suivent l'audition.
Afdeling 7. - De beroepsprocedure
Section 7. - De la procédure de recours
Art. 67. In de gevallen bedoeld in de artikelen 64, lid 3 en 66, beschikt de stagiair over een termijn van vijftien dagen vanaf de kennisname van het eindverslag of van het ongunstig verslag om per aangetekend schrijven een beroep in te dienen bij de in artikel 29 bedoelde kamer van beroep. Het beroep is schorsend, behalve wanneer het beroep is ingesteld tegen een beslissing genomen met toepassing van artikel 66.
  [1 ...]1
  De stagiair ontvangt een ontvangstbewijs van het beroep.
  
Art. 67. Dans les cas visés aux articles 64, alinéa 3 et 66, le stagiaire dispose d'un délai de quinze jours à dater de la prise de connaissance du rapport final ou du rapport défavorable pour introduire un recours par courrier recommandé auprès de la chambre visée à l'article 29. Le recours est suspensif sauf lorsqu'il est introduit suite à une décision prise sur pied de l'article 66.
  [1 ...]1
  Le stagiaire se voit délivrer un accusé de réception du recours.
  
Art. 68. De voorzitter van de kamer roept de stagiair op. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze
Art. 68. Le président de la chambre convoque le stagiaire. Ce dernier peut être assisté d'une personne de son choix.
Art. 69. De stagebegeleider brengt verslag uit over het verloop van de stage.
  Hij wordt gehoord.
Art. 69. L'accompagnateur de stage fait rapport quant au déroulement du stage.
  Il est entendu.
Art. 70. De kamer beslist tot hetzij :
  1° de benoeming;
  2° de eenmalige verlenging van de stage, met een periode die maximaal een derde van de duur van de stage bedraagt;
  3° ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
  In de hypothese die in artikel 66 beoogd wordt, beslist de kamer van beroep om hetzij de stage voort te zetten, hetzij ze vroegtijdig te beëindigen.
  De kamer spreekt zich uit binnen de twee maanden na de verzending van het ontvangstbewijs van het beroep.
  De beslissing wordt betekend aan de verzoeker, de secretaris generaal en de adjunct secretaris generaal. Als er beslist wordt de stage voort te zetten, wordt er onmiddellijk na ontvangst van de beslissing een nieuwe stagebegeleider aangeduid, in overeenstemming met artikel 53, § 1.
Art. 70. La chambre décide soit :
  1° la nomination;
  2° la prolongation du stage pour une période unique maximum d'un tiers de la durée du stage;
  3° le licenciement pour inaptitude à l'exercice d'une fonction au Service public régional de Bruxelles.
  Dans l'hypothèse visée à l'article 66, la Chambre de recours décide soit de la poursuite du stage soit de la fin anticipée du stage.
  La chambre se prononce dans les deux mois à dater de l'envoi de l'accusé de réception du recours.
  La décision est notifiée au requérant et au Secrétaire général et au Secrétaire général adjoint. Lorsque la poursuite du stage est décidée, un nouvel accompagnateur de stage est désigné conformément à l'article 53, § 1er dès réception de la décision.
Art. 71. Het ontslag wegens ongeschiktheid wordt betekend door de benoemende overheid.
  Bij een ernstige fout wordt de stagiair zonder opzegtermijn of opzegvergoeding ontslagen. Het ontslag wordt definitief wanneer de kamer van beroep het ingestelde beroep door de ontslagen stagiair in overeenstemming met art. 66 verwerpt.
Art. 71. Le licenciement pour cause d'inaptitude professionnelle est notifié par l'autorité investie du pouvoir de nomination.
  En cas de faute grave, le stagiaire est licencié sans préavis ou indemnité de rupture. Dans l'hypothèse où la chambre de recours rejette le recours introduit par le stagiaire licencié conformément à la procédure prévue à l'article 66, la décision de licenciement mettant anticipativement fin au stage devient définitive.
HOOFDSTUK IV. - De benoeming
CHAPITRE IV. - De la nomination
Art. 72. De geschikt verklaarde stagiair of de overeenkomstig artikel 61 van de stage vrijgestelde geslaagde, wordt benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.
  De minister benoemt de ambtenaren van niveau A, in de graden A1, A2 en A3.
  De secretaris generaal of de adjunct secretaris- generaal benoemt de ambtenaren van niveau B, C en D.
Art. 72. Le stagiaire jugé apte ou le lauréat dispensé du stage conformément à l'article 61, est nommé en qualité d'agent au grade auquel il s'est porté candidat.
  Le Ministre nomme les agents de niveau A, dans les grades A1, A2 et A3.
  Le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint nomme les agents de niveaux B, C et D.
Art. 73. De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de termen die bepaald zijn door artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.
  De ambtenaren van niveau A leggen de eed af in handen van de minister. De andere ambtenaren leggen de eed af in handen van de secretaris generaal of van de adjunct secretaris generaal.
Art. 73. La qualité d'agent est sanctionnée par le serment dans les termes fixés par l'article 2 du décret du 20 juillet 1831.
  Les agents des niveaux A prêtent serment entre les mains du ministre. Les autres agents prêtent serment entre les mains du Secrétaire général ou du Secrétaire général adjoint.
Art. 74. De secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal wijst de pas benoemde ambtenaar een betrekking van zijn graad toe
Art. 74. Le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint affecte l'agent nouvellement nommé à un emploi correspondant à son grade.
TITEL IV. - De loopbaan
TITRE IV. - De la carrière
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Art. 75. Voor een vacant geworden betrekking van rang 2 of 3 bepaalt de ambtenaar-generaal van het bestuur waarin de betrekking ingevuld moet worden op voorstel van het HRM de selectieprocedure.
  Er wordt prioritair beroep gedaan op de promotie door verhoging in graad van de ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel of op de interne [1 mobiliteit]1.
  Bij gebreke daaraan kan er op volgende procedés een beroep worden gedaan :
  - Bevordering door verhoging in graad zonder zich te beperken tot de personeelsleden van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;
  - Intraregionale mobiliteit;
  - Externe mobiliteit;
  - Aanwerving.
  Binnen het kader van de twee voorgaande leden, beslist de ambtenaar-generaal van het betrokken bestuur over de bevorderingswijze(n).
  
Art. 75. Pour un emploi devenu vacant à un rang 2 ou 3, le fonctionnaire général de l'administration où l'emploi est à pourvoir détermine sur proposition de la GRH, la procédure de sélection.
  Il est recouru, par priorité, à la promotion par avancement de grade des agents du Service public régional de Bruxelles ou à la [1 mobilité ]1 interne.
  A défaut, il peut être recouru aux modes suivants :
  - La promotion par avancement de grade sans se limiter aux agents du Service public régional de Bruxelles;
  - La mobilité intra régionale;
  - La mobilité externe;
  - Le recrutement.
  Dans le respect des deux alinéas qui précèdent, le fonctionnaire général de l'administration concernée décide du ou des modes de promotion.
  
HOOFDSTUK II. - De hiërarchische loopbaan
CHAPITRE II. - De la carrière hiérarchique
Afdeling 1. - Bevordering door verhoging in graad.
Section 1re. - De la promotion par avancement de grade
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 76. De in artikelen 85 en 94 bedoelde bevorderingscommissies vergelijken de titels en verdiensten van de kandidaten op basis van het functieprofiel, het cv en de motivatiebrief.
  Voor alle bevorderingsbetrekkingen omvat/omvatten de proef/proeven altijd op zijn minst een gesprek met de in de artikelen 85 en 94 bedoelde commissies.
  De kandidaten worden vooraf op de hoogte gebracht van de organisatie van de vergelijkende proef/proeven.
Art. 76. Les commissions de promotion visées aux articles 85 et 94 comparent les titres et mérites des candidats sur base du profil de fonction, du CV, de la lettre de motivation.
  Pour tous les emplois de promotion, la ou les épreuves contiennent toujours au moins un entretien avec les commissions visées aux articles 85 et 94.
  Les candidats sont préalablement informés de l'organisation de la ou des épreuves comparatives.
Art. 77. § 1. Een vacante betrekking in een graad van de rang A3, A2, B2, C2 en D2, wordt per dienstnota ter kennis gebracht van de ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel die mogelijks de benoemingsvoorwaarden zouden kunnen vervullen.
  De geïnteresseerden brengen voor ontvangst hun visum aan op de dienstnota.
  Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs naar zijn woonplaats gezonden.
  § 2. Wanneer de promotie toegankelijk wordt gemaakt voor kandidaten die niet onder de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel vallen, wordt de openstaande betrekking gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
  § 3 De openstaande betrekking bevat :
  - Het programma van de vergelijkende proef/proeven, zoals bepaald in artikel 76;
  - De termijn waarbinnen en ter attentie van wie de kandidatuur ingediend dient te worden;
  - De elementen die het sollicitatiedossier dienen te bevatten;
  - De coördinaten van de dienst waar een functiebeschrijving van de openstaande betrekking en een standaard cv zoals bedoeld in artikel 78, § 2, bekomen kunnen worden.
Art. 77. § 1er. L'emploi vacant dans un grade de rang A3, A2, B2, C2 ou D2 est porté par note de service à la connaissance des agents du Service public régional de Bruxelles susceptibles de remplir les conditions de nomination.
  Les intéressés visent la note de service pour réception.
  Un exemplaire de la note est envoyé par lettre recommandée avec accusé de réception au domicile de l'agent qui est temporairement éloigné du service pour quelque motif que ce soit.
  § 2. Lorsque la promotion est rendue accessible à des candidats qui n'appartiennent pas au Service public régional de Bruxelles, la vacance de l'emploi est publiée au Moniteur belge.
  § 3 La vacance d'emploi comprend :
  - Le programme de la ou des épreuves comparatives fixées conformément à l'article 76;
  - Le délai dans lequel et à l'attention de qui la candidature doit être introduite;
  - Les éléments que l'acte de candidature doit contenir;
  - Les coordonnées du service auprès duquel la description de fonction de l'emploi à conférer et le CV standardisé visé à l'article 78, § 2 peuvent être obtenus.
Art. 78. § 1. [1 Enkel kandidaatstellingen die aan de voorzitter van de directieraad middels aangetekende brief werden gericht binnen een termijn van twintig dagen worden in aanmerking genomen. Deze termijn begint te lopen op de dag die volgt op de publicatie in het Belgisch Staatsblad voor kandidaten die niet tot de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel behoren.]1
  § 2. Kandidaturen die een bevorderingbeogen moeten voorzien zijn van een motivatiebrief, alsook van een uiteenzetting van de titels en verdiensten die de kandidaat laat gelden. De kandidaat maakt gebruik van het standaard cv opgesteld door het HRM.
  Kandidaturen die niet voldoen aan de instructies betreffende het gebruik van het standaard cv zijn onontvankelijk door het HRM.
  
Art. 78. § 1er. [1 Sont seules prises en considération, les candidatures qui ont été adressées par lettre recommandée au président du Conseil de direction, dans un délai de vingt jours. Ce délai commence à courir, pour les candidats qui n'appartiennent pas au Service public régional de Bruxelles, le jour qui suit la publication au Moniteur belge.]1
  § 2. Tout acte de candidature à un emploi de promotion doit comporter une lettre de motivation ainsi qu' un exposé des titres et mérites que le candidat fait valoir pour postuler l'emploi avec l'utilisation d'un CV standardisé dont le modèle est fixé par la GRH.
  Les candidatures ne respectant pas les instructions relatives à l'utilisation du CV standardisés sont déclarées irrecevables par la GRH.
  
Art. 79. Het HRM controleert de geldigheid van de kandidaturen.
  De ontvankelijkheidsvoorwaarden vervat in de artikelen 81 tot 84 en 91 tot 93 moeten vervuld zijn voor afloop van de termijn die vereist is om de kandidatuur in te dienen.
  De kandidaten die niet voldoen aan de voorwaarden worden uitgesloten van de procedure tot bevordering bij gemotiveerde beslissing door de verantwoordelijke van het HRM.
  Elke uitsluiting van de bevorderingsprocedure wordt aan de betrokken kandidaten bekendgemaakt door een door de HRM-verantwoordelijke gemotiveerde beslissing per aangetekende brief.
Art. 79. La GRH vérifie la validité des candidatures.
  Les conditions d'admissibilité visées aux articles 81 à 84 et 91 à 93 doivent être remplies à l'expiration du délai requis pour poser sa candidature.
  Les candidats qui ne satisfont pas aux conditions sont exclus de la procédure de promotion. par décision motivée du responsable de la GRH.
  Toute exclusion de la procédure de promotion est notifiée aux candidats concernés par décision motivée du responsable de la GRH via une lettre recommandée.
Art. 80. De bevorderingen in de hiërarchische loopbaan worden verleend door de voor het niveau bevoegde benoemende overheid.
Art. 80. Les promotions dans la carrière hiérarchique sont conférées par l'autorité investie du pouvoir de nomination dans le niveau concerné.
Onderafdeling 2. - De bevordering tot een graad van rang A3, A2 en tot de betrekking van eerste attaché A2, raadgever deskundige
Sous-section 2. - De la promotion à un grade de rang A3, A2 et à l'emploi de premier attaché A2, conseiller-expert
Art. 81. De betrekkingen van directeur van rang A3 staan open voor de ambtenaren, titularissen van de graden van attaché van rang A1 en van eerste attaché en raadgever deskundige van rang A2 die ten minste zes jaar niveau-anciënniteit hebben.
  De betrekkingen van ingenieur-directeur van rang A3 staan open voor de ambtenaren, titularissen van de graden van ingenieur van rang A1 en van eerste ingenieur van rang A2 die ten minste zes jaar niveau-anciënniteit hebben.
Art. 81. Les emplois de directeur de rang A3 sont ouverts aux agents, titulaires des grades d'attaché de rang A1 et de premier attaché et de conseiller-expert de rang A2 qui comptent au moins six ans d'ancienneté de niveau
  Les emplois d'ingénieur directeur de rang A3 sont ouverts aux agents, titulaires des grades d'ingénieur de rang A1 et de premier ingénieur de rang A2 qui comptent au moins six ans d'ancienneté de niveau.
Art. 82. De betrekkingen van raadgever deskundige van rang A2, staan open voor attachés van rang A1, die minstens zes jaar graadanciënniteit hebben, en voor ambtenaren van rang A2 titularissen van de graad van eerste attaché die drie jaar graadanciënniteit hebben.
  De betrekkingen van eerste attaché van rang A2 staan open voor ambtenaren, titularissen van de graad van attaché van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit hebben.
  De betrekkingen van eerste ingenieur van rang A2 staan open voor ambtenaren, titularissen van de graad van ingenieur van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit hebben.
Art. 82. Les emplois de conseiller-expert de rang A2, sont ouverts aux attachés de rang A1 qui comptent au moins six années d'ancienneté de grade et aux agents de rang A2 titulaires du grade de premier attaché qui disposent de trois années d'ancienneté de grade.
  Les emplois de premier attaché de rang A2 sont ouverts aux agents, titulaires du grade d'attaché de rang A1 qui comptent au moins trois années d'ancienneté de grade.
  Les emplois de premier ingénieur de rang A2 sont ouverts aux agents, titulaires du grade d'ingénieur de rang A1 qui comptent au moins trois années d'ancienneté de grade.
Art. 83. De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking van rang A2 of A3 moet een evaluatie met vermelding "gunstig" hebben en moet zich in een administratieve positie bevinden waarin hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf.
  Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft gekregen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is geschrapt in overeenstemming met artikel 316.
Art. 83. L'agent qui pose sa candidature à un emploi de rang A2 ou A3 doit disposer d'une évaluation "favorable" et doit être dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion et ne pas être sous le coup d'une peine disciplinaire définitive.
  Un agent qui a fait l'objet d'une peine disciplinaire ne peut pas être promu tant que sa sanction n'a pas été radiée conformément à l'article 316.
Art. 84. § 1. Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig artikel 75, tweede en derde lid, streepjes 1 en 2, wordt van de ambtenaren van een andere instelling vereist te voldoen aan bevorderingsvoorwaarden die equivalent zijn met diegene bedoeld in de artikelen 81 tot 83.
  § 2. Wanneer externe kandidaten kunnen deelnemen aan een selectie wordt van hen een nuttige ervaring voor de functie geëist van zes jaar voor rang A3 en van drie jaar voor rang A2.
  Voor de betrekking van raadgever-deskundige van rang A2 wordt een nuttige ervaring van zes jaar voor de functie geëist.
Art. 84. § 1er. Lorsque l'emploi est attribué conformément à l'article 75, alinéas 2 et 3, tirets 1 et 2, il est exigé des agents d'une autre institution de remplir des conditions de promotion équivalentes à celles visées aux articles 81 à 83.
  § 2. Lorsque des candidats externes peuvent participer à la sélection, il est exigé qu'ils démontrent une expérience utile à la fonction de six ans pour le rang A3 et de trois ans pour le rang A2.
  Pour l'emploi de conseiller-expert de rang A2, une expérience utile à la fonction de six ans est exigée.
Art. 85. § 1. Voor elke bevordering stelt de directieraad een bevorderingscommissie samen. Die commissie bestaat uit maximaal drie leden, met inbegrip van de persoon bedoeld in het tweede lid van paragraaf 2 van dit artikel.
  § 2. Voor de betrekkingen van rang A3 of A2 bestaat de commissie uit :
  1° een personeelslid van minstens rang A3;
  2° een personeelslid van minstens rang A2;
  3° de HRM-verantwoordelijke of diens afgevaardigde van minstens rang A1.
  Het commissielid van rang A3 mag vervangen worden door een personeelslid van rang A3 afkomstig uit een andere instelling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  § 3. Wanneer een betrekking vacant wordt verklaard voor kandidaten van twee taalrollen, dient één lid van de bevorderingscommissie de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  § 4. Ten hoogste twee derden van de leden van de commissie behoren tot hetzelfde [1 gender]1.
  Geen lid van de commissie mag zetelen wanneer hij zich in een situatie bevindt die ertoe kan leiden dat zijn onpartijdigheid in het gedrang komt.
  [1 Bij het voorzitterschap van bevorderingscommissies wordt voor genderwisseling gezorgd.
   Leden van bevorderingscommissies krijgen vooraf een specifieke vorming over stereotypen en gendervooroordelen.]1

  
Art. 85. § 1er. Pour toute promotion, une commission de promotion est constituée par le Conseil de direction. La commission est composée d'un maximum de trois membres, y compris la personne visée à l'alinéa 2 du paragraphe 2 du présent article.
  § 2. Pour les emplois de rang A3 ou A2, la commission est composée :
  1° d'un membre du personnel de rang A3 au moins;
  2° d'un membre du personnel de rang A2 au moins;
  3° du responsable GRH ou de son délégué de rang A1 au moins.
  Le membre de la commission de rang A3 peut être remplacé par un membre du personnel de rang A3 d'une autre institution de la Région de Bruxelles-Capitale.
  § 3. Lorsqu'un emploi est ouvert à des candidats des deux rôles linguistiques, un des membres de la commission de promotion doit avoir prouvé la connaissance de la seconde langue conformément à l'article 43, § 3, alinéa 3, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  § 4. Les deux tiers au plus des membres de la commission appartiennent au même [1 genre]1.
  Aucun membre de la commission ne peut siéger s'il se trouve dans une situation de nature à mettre en péril son impartialité.
  [1 Une alternance de genre est assurée dans la présidence des commissions de promotions.
   Les membres des commissions de promotions reçoivent au préalable une formation spécifique aux stéréotypes et aux biais de genre. ]1

  
Art. 86. § 1. De commissie is bevoegd om de geschiktheden van de kandidaten om de bevorderingsgraad uit te oefenen, te evalueren op basis van het competentieprofiel van de in te vullen betrekking.
  § 2. Zij neemt in overweging :
  1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;
  2° de titels en verdiensten die de kandidaat doet gelden ten aanzien van de vacante betrekking;
  3° de mate waarin de kandidaat geschikt is, rekening houdend met de resultaten van de proeven en de gesprekken.
  § 3. De commissie organiseert een gesprek met elke kandidaat.
Art. 86. § 1er. La commission est chargée d'évaluer les aptitudes des candidats à exercer l'emploi lié au grade de promotion sur base du profil de compétences de l'emploi à pourvoir.
  § 2. Elle prend en considération :
  1° la description de la fonction et la qualification requise du candidat;
  2° les titres et mérites que le candidat fait valoir pour obtenir une promotion dans l'emploi vacant;
  3° L'adéquation du profil du candidat au regard des résultats des épreuves et entretiens.
  § 3. La commission organise un entretien avec chacun des candidats.
Art. 87. § 1. Voor elke bevordering geeft de bevorderingscommissie een gemotiveerd advies rekening houdend met de criteria en elementen bepaald in artikel 86.
  § 2. De kandidaten worden ingeschreven hetzij in de groep A " geschikt ", hetzij in de groep B " niet geschikt ".
  In de groep A worden de kandidaten gerangschikt rekening houdend met de criteria vermeld in § 2 van artikel 86.
  § 3. Deze rangschikking wordt voorgelegd aan de directieraad.
Art. 87. § 1er. Pour chaque promotion, la commission de promotion émet un avis motivé en tenant compte des critères et éléments définis à l'article 86.
  § 2. Les candidats sont inscrits soit dans le groupe A " apte ", soit dans le groupe B " pas apte ".
  Dans le groupe A, les candidats sont classés en tenant compte des critères définis au § 2 de l'article 86
  § 3. Ce classement est soumis au Conseil de direction.
Art. 88. De directieraad werkt het definitievevoorstel tot rangschikking van de kandidaten van groep A uit.
  Indien het voorstel niet overeenkomt met de rangschikking opgesteld door de bevorderingscommissie, dient de directieraad haar beslissing omstandig te motiveren.
Art. 88. Le Conseil de direction établit la proposition de classement définitif parmi les candidats du groupe A.
  Si la proposition ne correspond pas au classement rendu par la commission de promotion, le Conseil de direction motive sa décision de manière circonstanciée.
Art. 89. Het voorstel wordt per dienstnota ter kennis gebracht van de kandidaten die solliciteerden voor de desbetreffende betrekking.
  De betrokkenen ondertekenen de dienstnota voor kennisname. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk niet op de dienst is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats verzonden.
  De kandidaat die zich benadeeld acht, kan binnen tien dagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad.
  [1 ...]1
  De kandidaat wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
  
Art. 89. La proposition est portée par note de service à la connaissance des candidats qui ont posé leur candidature pour occuper l'emploi à conférer.
  Les intéressés visent la note de service pour réception. Un exemplaire de la note est envoyé par lettre recommandée, au domicile de l'agent qui est temporairement éloigné du service pour quelque motif que ce soit.
  Le candidat qui s'estime lésé peut, dans les dix jours, introduire une réclamation auprès du président du Conseil de direction.
  [1 ...]1
  A sa demande, le candidat est entendu par le Conseil de direction. Il peut se faire assister par une personne de son choix.
  
Art. 90. § 1. Het definitieve voorstel van rangschikking wordt voorgelegd aan de Regering.
  § 2. De Regering volgt de definitieve klassering die eenparig wordt uitgebracht.
  Indien het voorstel van klassement niet eenparig wordt uitgebracht en de Regering een andere kandidaat benoemt dan de persoon aan het hoofd van het rangschikkingsvoorstel, dan moet zij haar beslissing omstandig motiveren.
  § 3. [1 . Bij gelijk resultaat tussen kandidaten wordt de voorkeur gegeven aan de kandidaat die behoort tot het gender dat het minst vertegenwoordigd is in deze bevorderingsrang binnen de betrokken Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
   De bepaling in het voorgaande lid is van toepassing in overeenstemming met de bepalingen inzake positieve acties opgenomen in artikel 16 van het Gezamenlijk decreet en ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie van 4 april 2024 houdende het Brussels Wetboek inzake de gelijkheid, de non-discriminatie en de bevordering van diversiteit ]1
.
  § 4. Er wordt afgeweken van de voorgaande paragraaf wanneer [1 1° hetzij door de toepassing van de wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, het onmogelijk is deze kandidaat te benoemen;
   2° hetzij het aantal kandidaturen van beide genders "M" en "V" onvoldoende is;
   3° hetzij personen die hun genderidentiteit niet als " M " of " V " ervaren, kandidaat zijn.
   Indien punt 2° of 3° van de eerste alinea van toepassing is en onverminderd de naleving van punt 1°, wordt de gelijkheid tussen kandidaten opgeheven door voorrang te geven aan de kandidaat met de hoogste anciënniteit in de graad.]1
.
  
Art. 90. § 1er. La proposition défintive de classement est soumise au Gouvernement.
  § 2. Le Gouvernement suit la proposition de classement qui est émise à l'unanimité.
  Si la proposition du classement n'est pas unanime et que le Gouvernement nomme un autre candidat que celui en tête de la proposition de classement, il motive sa décision de manière circonstanciée.
  § 3.[1 § . En cas d'égalité entre les candidats, la préférence est donnée à celui qui appartient au genre le moins représenté à ce rang de promotion dans le Service public régional de Bruxelles concerné.
   La disposition prévue à l'alinéa précédent s'applique dans le respect des dispositions relatives aux actions positives prévues à l'article 16 du décret et ordonnance conjoints de la Région de Bruxelles-Capitale, de la Commission communautaire commune et de la Commission communautaire française du 4 avril 2024 portant le Code bruxellois de l'égalité, de la non-discrimination et de la promotion de la diversité.]1
.
  § 4. Il est dérogé au paragraphe précédent si, [21 1° soit par application des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, il est impossible de procéder à la nomination de ce candidat ;
   2° soit le nombre de candidatures des deux genres " M " et " F " est insuffisant ;
   3° soit des personnes n'optant pas pour le genre " M " ou " F " sont candidates.
   En cas de survenance des points 2° ou 3° du premier alinéa, et sans préjudice du respect du point 1°, l'égalité entre les candidats est résolue en donnant la préférence à celui qui possède l'ancienneté de grade la plus élevée. ]1.
  
Onderafdeling 3. - De bevordering tot een graad van rang B2, C2 en D2
Sous-section 3. - De la promotion à un grade des rangs B2, C2 et D2
Art. 91. De betrekkingen van rang B2, C2, en D2 staan open voor ambtenaren van respectievelijk rang B1, C1 en D1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen.
Art. 91. Les emplois des rangs B2, C2 et D2 sont ouverts aux agents des rangs respectivement B1, C1 et D1 qui comptent au moins trois années d'ancienneté de grade.
Art. 92. Om bevorderd te worden, moet de kandidaat over een vermelding "gunstig" beschikken en zich in een administratieve positie bevinden waar hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden. Hij mag niet onderworpen zijn aan een definitieve tuchtstraf. Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft opgelopen kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is geschrapt, in overeenstemming met artikel 316.
Art. 92. Pour être promu, le candidat doit disposer d'une évaluation "favorable" et être dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion. Il ne peut pas être sous le coup d'une peine disciplinaire définitive. Un agent qui a fait l'objet d'une peine disciplinaire, ne peut pas être promu tant que sa sanction n'a pas été radiée conformément à l'article 316.
Art. 93. § 1. Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig artikel 75, lid 2 et 3, streepjes 1 en 2, wordt van de ambtenaren van een andere instelling vereist te voldoen aan bevorderingsvoorwaarden gelijkwaardig aan deze neergelegd in de artikelen 91 en 92.
  § 2. Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig de regels inzake aanwerving wordt van de kandidaten een nuttige ervaring van drie jaar geëist.
Art. 93. § 1er. Lorsque l'emploi est attribué conformément à l'article 75, alinéas 2 et 3, tirets 1 et 2, il est exigé des agents d'une autre institution de remplir des conditions de promotion équivalentes à celles visées aux articles 91 à 92.
  § 2. Lorsque l'emploi est attribué conformément aux règles prévues en matière de recrutement, il est exigé des candidats une expérience utile de trois ans.
Art. 94. Voor elke bevordering stelt de directieraad een bevorderingscommissie samen.
  Deze commissie is samengesteld uit drie personen :
  1° de HRM-verantwoordelijke of diens afgevaardigde van minstens rang C1;
  2° twee leden die behoren tot het bestuur waarin de betrekking moet worden ingevuld en die beschikken over een kwalificatie en professionele ervaring aangaande deze in te vullen betrekking of over een expertise beschikken met betrekking tot de materies die tot de in te vullen betrekking behoren.
  De personeelsleden die worden aangeduid voor elk van de commissies hebben een rang die minimaal gelijk is aan de rang van de betrekking die ingevuld moet worden.
  Ten hoogste twee derden van de leden behoren tot het hetzelfde [1 gender]1.
  [1 Bij het voorzitterschap van bevorderingscommissies wordt voor genderwisseling gezorgd .
   Leden van bevorderingscommissies krijgen vooraf een specifieke vorming over stereotypen en gendervooroordelen.]1

  Wanneer een bevorderingsbetrekking vacant wordt verklaard voor kandidaten van de twee taalrollen, dient één lid van de bevorderingscommissie de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  
Art. 94. Pour toute promotion, une commission de promotion est constituée par le Conseil de direction.
  Cette commission est composée de trois personnes :
  1° du responsable GRH ou de son délégué de rang C1 au moins;
  2° de deux membres appartenant à l'administration où l'emploi est vacant, dotés d'une qualification et d'une expérience professionnelles en adéquation avec le profil de l'emploi à conférer ou disposant d'une expertise en rapport avec les matières qui relèvent de l'emploi à attribuer.
  Les membres du personnel désignés pour chacune des commissions sont de rang au moins égal à celui de l'emploi à pourvoir.
  Les deux tiers au plus des membres appartiennent au même [1 genre]1.
  [1 Une alternance de genre est assurée dans la présidence des commissions de promotion.
   Les membres des commissions de promotion reçoivent au préalable une formation spécifique aux stéréotypes et aux biais de genre.]1

  Lorsqu'un emploi de promotion est ouvert à des candidats des deux rôles linguistiques, un des membres de la commission de promotion doit avoir prouvé la connaissance de la seconde langue conformément à l'article 43, § 3, alinéa 3, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  
Art. 95. § 1. De commissie is bevoegd om de geschiktheden van de kandidaten om de bevorderingsgraad uit te oefenen, te evalueren op basis van het competentieprofiel van de in te vullen betrekking.
  § 2. Zij neemt in overweging :
  1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;
  2° de titels en verdiensten die de kandidaat doet gelden om een bevordering in de vacante betrekking te verkrijgen;
  3° de adequaatheid van het profiel van de kandidaat rekening houdend met de resultaten van de proeven en de gesprekken.
  § 3. De commissie organiseert een gesprek met elke kandidaat.
Art. 95. § 1er. La commission est chargée d'évaluer les aptitudes des candidats à exercer le grade de promotion sur base du profil de compétences de l'emploi à pourvoir.
  § 2. Elle prend en considération :
  1° la description de la fonction et la qualification requise du candidat;
  2° les titres et mérites que le candidat fait valoir pour obtenir une promotion dans l'emploi vacant;
  3° l'adéquation du profil du candidat au regard des résultats des épreuves et entretiens.
  § 3. La commission organise un entretien avec chacun des candidats.
Art. 96. § 1. Voor elke bevordering geeft de bevorderingscommissie een gemotiveerd advies rekening houdend met de criteria en elementen zoals bepaald in artikel 95.
  § 2. De kandidaten worden ingeschreven hetzij in de groep A " geschikt " hetzij in de groep B " niet geschikt ".
  In de groep A worden de kandidaten gerangschikt rekening houdend met de criteria zoals bepaald in § 2 van artikel 95.
  § 3. Deze rangschikking wordt voorgesteld aan de overheid die de bevoegdheid heeft om tot benoeming over te gaan.
Art. 96. § 1er. Pour chaque promotion, la commission de promotion émet un avis motivé en tenant compte des critères et éléments définis à l'article 95.
  § 2. Les candidats sont inscrits soit dans le groupe A " apte ", soit dans le groupe B " pas apte ".
  Dans le groupe A, les candidats sont classés suivant les critères définis au § 2 de l'article 95.
  § 3. Ce classement est soumis à l'autorité ayant le pouvoir de nomination.
Art. 97. Van het voorstel wordt kennis gegeven per dienstnota aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te verlenen betrekking.
  De betrokkenen ondertekenen de dienstnota voor kennisname. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk niet op de dienst is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats verzonden.
  De kandidaat die zich benadeeld acht, kan binnen tien dagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad.
  [1 ...]1
  De kandidaat wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
  
Art. 97. La proposition est portée par note de service à la connaissance des agents qui ont posé leur candidature pour occuper l'emploi à conférer.
  Les intéressés visent la note de service pour réception. Un exemplaire de la note est envoyé par lettre recommandée, au domicile de l'agent qui est temporairement éloigné du service pour quelque motif que ce soit.
  L'agent qui s'estime lésé peut, dans les dix jours, introduire une réclamation auprès [1 du président du Conseil de direction]1.
  [1 ...]1
  A sa demande, l'agent est entendu par [1 le Conseil de direction]1. Il peut se faire assister par une personne de son choix.
  
Art. 98. § 1 Als de overheid die de bevoegdheid heeft om tot benoeming over te gaan afwijkt van de rangschikking voorgesteld door de bevorderingscommissie dan moet zij haar beslissing omstandig motiveren.
  § 2.[1 .Bij gelijk resultaat tussen kandidaten wordt de voorkeur gegeven aan de kandidaat die behoort tot het gender dat het minst vertegenwoordigd is in deze bevorderingsrang binnen de betrokken Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
   De bepaling in het voorgaande lid is van toepassing in overeenstemming met de bepalingen inzake positieve acties opgenomen in artikel 16 van het Gezamenlijk decreet en ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie van 4 april 2024 houdende het Brussels Wetboek inzake de gelijkheid, de non-discriminatie en de bevordering van diversiteit.]1
.
  § 3. Er wordt afgeweken van de voorgaande paragraaf wanneer, [1 1° hetzij door de toepassing van de wetten op het taalgebruik in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, het onmogelijk is deze kandidaat te benoemen;
   2° hetzij het aantal kandidaturen van beide genders "M" en "V" onvoldoende is;
   3° hetzij personen die hun genderidentiteit niet als " M " of " V " ervaren, kandidaat zijn.
   Indien punt 2° of 3° van de eerste alinea van toepassing is en onverminderd de naleving van punt 1°, wordt de gelijkheid tussen kandidaten opgeheven door voorrang te geven aan de kandidaat met de hoogste anciënniteit in de graad.]1
.
  
Art. 98. § 1er. Si l'autorité investie du pouvoir de nomination s'écarte du classement proposé par la commission de promotion, elle motive de manière circonstanciée les raisons de sa décision.
  § 2. [1 En cas d'égalité entre les candidats, la préférence est donnée à celui qui appartient au genre le moins représenté à ce rang de promotion dans le Service public régional de Bruxelles concerné.
   La disposition prévue à l'alinéa précédent s'applique dans le respect des dispositions relatives aux actions positives prévues à l'article 16 du décret et ordonnance conjoints de la Région de Bruxelles-Capitale, de la Commission communautaire commune et de la Commission communautaire française du 4 avril 2024 portant le Code bruxellois de l'égalité, de la non-discrimination et de la promotion de la diversité]1
.
  § 3. Il est dérogé au paragraphe précédent si, [1 1° soit par application des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, il est impossible de procéder à la nomination de ce candidat ;
   2° soit le nombre de candidatures des deux genres " M " et " F " est insuffisant ;
   3° soit des personnes n'optant pas pour le genre " M " ou " F " sont candidates.
   En cas de survenance des points 2° ou 3° du premier alinéa, et sans préjudice du respect du point 1°, l'égalité entre les candidats est résolue en donnant la préférence à celui qui possède l'ancienneté de grade la plus élevée]1
.
  
Afdeling 2. - De bevordering door overgang naar een hoger niveau
Section 2. - De la promotion par accession au niveau supérieur
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 99. § 1. De procedure voor overgang naar een hoger niveau wordt georganiseerd door het HRM.
  § 2. Om van een bevordering door overgang naar een hoger niveau te kunnen genieten, moet de ambtenaar zich in een administratieve positie bevinden waarin hij zijn bevorderingstitels kan laten gelden en moet hij beschikken over een evaluatie met vermelding "gunstig" en niet onder een definitieve tuchtstraf vallen. Een ambtenaar die een tuchtstraf kreeg opgelegd kan niet worden bevorderd alvorens zijn straf is geschrapt, in overeenstemming met artikel 316.
Art. 99. § 1er. La procédure d'accession au niveau supérieur est organisée par la GRH.
  § 2. Pour bénéficier d'une promotion par accession au niveau supérieur, l'agent doit se trouver dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion et avoir obtenu une mention d'évaluation "favorable" et ne pas être sous le coup d'une sanction disciplinaire définitive. Un agent qui a fait l'objet d'une peine disciplinaire, ne peut pas être promu tant que sa sanction n'a pas été radiée conformément à l'article 316.
Art. 100. De ambtenaar moet batig gerangschikt zijn in het klassement van de vergelijkende selectie en een betrekking die overeenstemt met het profiel van de selectie waarvoor de ambtenaar geslaagd is moet worden voorzien.
Art. 100. L'agent doit être en ordre utile dans le classement de la sélection comparative et un emploi correspondant au profil de la sélection dont l'agent est lauréat doit être à pourvoir.
Onderafdeling 2. - Examen voor de overgang naar niveau A
Sous-section 2. - Du concours d'accession au niveau A
Art. 101. § 1. De ambtenaar kan bevorderd worden van niveau B of C tot niveau A.
  De proeven voor de overgang naar niveau A worden in drie reeksen opgedeeld.
  § 2. De eerste reeks wordt georganiseerd door het HRM. De proeven in deze reeks zijn bedoeld om de bekwaamheden van de ambtenaar om te functioneren op het niveau A na te gaan. Ze leiden tot het afleveren van een getuigschrift voor het slagen of een vaststelling van niet-slagen. Het getuigschrift voor het slagen is onbeperkt geldig in de tijd.
  Het HRM kan vrijstelling geven voor reeds geslaagde proeven.
  § 3. [1 ...]1
  § 4. De tweede reeks proeven is enkel toegankelijk voor de laureaten van de eerste reeks proeven.
  De tweede reeks bestaat uit vier proeven die de verworven kennis evalueren. Elk van deze proeven bestaat uit het met succes volgen van hiertoe voorziene cursussen in de opleidingscatalogus die hiertoe werd opgesteld door Brussel Openbaar ambt.
  Voor elke nieuwe proef uit deze reeks is het getuigschrift van slagen onbeperkt geldig in de tijd.
  [1 ...]1
  [1 De kosten van de proeven in deze reeks komen ten laste van de betrokken Gewestelijke Overheidsdienst, op voorwaarde dat de ambtenaar zich er formeel toe verbindt deze cursussen te volgen en hij bij het HRM een bewijs van deelname aan deze cursussen indient. Als de ambtenaar in de onmogelijkheid verkeert om de cursus bij te wonen, moet hij onmiddellijk zijn afwezigheid verantwoorden bij het HRM.
   Er wordt dienstvrijstelling verleend indien de cursussen en de examens plaatsvinden tijdens de diensturen. Als de bovenvermelde cursussen en examens buiten de diensturen plaatsvinden, wordt hiervoor in een compensatie per uur voorzien. Het totaal van de dienstvrijstellingen en de uurvergoeding mag niet meer bedragen dan 120 uren per schooljaar.]1

  § 5. De kandidaat van niveau B ou C met een diploma of studiegetuigshrift die in aanmerking komt voor de toelating tot niveau A wordt vrijgesteld van de proeven bedoeld in § 4.
  § 6. De derde reeks bestaat uit een modelinge proef georganiseerd door de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel. Ze is enkel toegankelijk voor de laureaten van twee eerste reeksen proeven. Ze bestaat uit een test met het oog op de evaluatie van de specifieke vaardigheden op basis van het functieprofiel.
  De derde reeks eindigt met de rangschikking van de kandidaten die geschikt worden bevonden voor het uitoefenen van de functie.
  
Art. 101. § 1er. L'agent peut être promu des niveaux B ou C au niveau A.
  Les épreuves d'accession au niveau A se répartissent en trois séries.
  § 2. La première série est organisée par la GRH. Les épreuves de cette série visent à évaluer la capacité d'un agent à fonctionner au niveau A. Elles se concluent par une attestation de réussite ou un constat d'échec. L'attestation de réussite est valable sans limitation de temps.
  La GRH peut accorder dispense d'épreuves déjà réussies.
  § 3. [1 ...]1
  § 4. La deuxième série d'épreuves n'est accessible qu'aux lauréats de la première série d'épreuves.
  La deuxième série comprend quatre épreuves qui visent à évaluer l'acquisition de connaissances. Chacune des quatre épreuves consiste dans le suivi et la réussite de cours figurant à cet effet dans le catalogue de formations prévues par Bruxelles Fonction publique.
  Pour chaque épreuve de cette série, la réussite est valable sans limitation de temps.
  [1 ...]1
  [1 Les frais des épreuves de la présente série sont supportés par le Service public régional concerné pour autant que l'agent s'engage formellement à suivre ces cours et présente à la GRH une attestation de présence à ces cours. Si l'agent est empêché d'y assister, il doit immédiatement communiquer la justification de son absence à la GRH.
   Une dispense de service est accordée lorsque les cours et les examens ont lieu durant les heures de service. Lorsque les cours et les examens susmentionnés ont lieu en dehors des heures de service, ils donnent lieu à une compensation horaire. Le total des dispenses de service et de la compensation horaire ne peut pas dépasser 120 heures par année scolaire.]1

  § 5. Le candidat de niveau B ou C titulaire d'un diplôme ou d'un certificat pris en considération pour l'admission au niveau A défini à l'annexe I au présent arrêté est dispensé des épreuves visées au § 4.
  § 6. La troisième série consiste en une épreuve orale organisée par le Service public régional de Bruxelles. Elle n'est accessible qu'aux lauréats de la première et de la deuxième série d'épreuves. Sa finalité est d'évaluer les compétences spécifiques sur base du profil de fonction.
  La troisième série se conclut par un classement des candidats reconnus aptes à exercer la fonction.
  
Onderafdeling 3. - De overgang naar niveau B en C
Sous-section 3. - De l'accession aux niveaux B, C
Art. 102. De selectie omvat twee proeven.
  De eerste proef is anoniem en bestaat uit een test, computergestuurd of schriftelijk, met de bedoeling de algemene vaardigheden van de kandidaten te evalueren. Deze proef is eliminerend.
  De tweede proef is mondeling. Ze heeft als doelstelling de evaluatie van de motivatie voor de in te vullen functie en van de specifieke vaardigheden op basis van het functieprofiel.
  Na afloop van deze proef worden de kandidaten gerangschikt op basis van hun resultaten en aangeworven volgens deze rangschikking.
  De kandidaten worden ten minste veertien dagen op voorhand geïnformeerd over de organisatie van deze proeven.
Art. 102. La sélection comprend deux épreuves.
  La première épreuve est anonyme et consiste en un test, informatisé ou écrit, dont la finalité est d'évaluer les compétences génériques des candidats. Cette épreuve est éliminatoire.
  La deuxième épreuve est orale. Elle est destinée à évaluer la motivation à occuper la fonction et les compétences spécifiques sur base du profil de fonction.
  A l'issue de cette épreuve, les candidats sont classés sur base de leurs résultats et recrutés dans l'ordre de classement.
  Les candidats sont informés de l'organisation de ces épreuves au moins quatorze jours à l'avance.
HOOFDSTUK III. - De functionele loopbaan
CHAPITRE III. - De la carrière fonctionnelle.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 103. De functionele loopbaan houdt in dat een ambtenaar, zonder van graad te veranderen, kan genieten van een weddeschaal die een of twee weddeschalen hoger ligt dan de weddeschaal die aan zijn graad verbonden is, zolang hij voldoet aan de vereisten inzake anciënniteit, evaluatie en opleiding waarin het statuut voorziet.
Art. 103. La carrière fonctionnelle consiste pour l'agent, à bénéficier sans changer de grade, d'une ou de deux échelles de traitement supérieures à l'échelle de traitement liée à son grade, aussi longtemps qu'il satisfait aux exigences prévues par le statut en matière d'ancienneté, d'évaluation, et de formation.
Art. 104. De secretaris generaal, de adjunct secretaris generaal of de ambtenaar dat ze daartoe aanwijzen, kent aan de ambtenaar een hogere weddeschaal toe zodra laatstgenoemde aan de voorwaarden inzake anciënniteit, evaluatie en opleiding voldoet.
Art. 104. Le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint ou l'agent qu'ils désignent octroie à l'agent une échelle de traitement plus élevée dès que celui-ci remplit les conditions en matière d'ancienneté, d'évaluation, et de formation.
Afdeling 2. - De gewone functionele loopbaan
Section 2. - De la carrière fonctionnelle
Art. 105. [1 De weddeschalen 101, 102 en 103 zijn gekoppeld aan de rangen van attaché, assistent, adjunct en klerk.]1
  Aan de graad van ingenieur zijn de weddeschalen 111, 112 en 113 verbonden.
  Aan de graad van eerste attaché zijn de weddeschalen 200, 210 en 220 verbonden.
  Aan de graad van eerste ingenieur is de weddeschaal 220 verbonden.
  Aan de graad van raadgever deskundige zijn de weddeschalen 220 en 230 verbonden.
  Aan de graad van directeur zijn de weddeschalen 300 en 310 verbonden.
  Aan de graad van ingenieur-directeur is de weddeschaal 310 verbonden.
  De weddeschaal 101 of 111, naargelang van de graad, wordt toegekend vanaf de aanwerving of de overgang naar een hoger niveau.
  De weddeschaal 220 wordt toegekend aan de eerste ingenieur vanaf de aanwerving of de bevordering door verhoging in graad.
  De weddeschaal 220 wordt toegekend aan de raadgever deskundige vanaf de aanwerving of de bevordering door verhoging in graad.
  De weddeschaal 300 of 310, naargelang van de graad, wordt toegekend vanaf de aanwerving of de bevordering door verhoging in graad.
  De weddeschaal 102, 112, 210, 230 of 310, naargelang van de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die :
  1° zes jaar anciënniteit telt, zoals berekend overeenkomstig artikel 428, in de schaal 101, 111, 200, 220 of 300 in de hoedanigheid van statutair ambtenaar;
  2° over een evaluatie "gunstig" beschikt;
  3° de in artikel 280 bedoelde vorming heeft gevolgd, binnen de periode zoals bedoeld in 1°.
  
Art. 105. [1 Aux grades d'attaché, d'assistant, d'adjoint et de commis sont liées les échelles de traitement 101, 102 et 103]1.
  Au grade d'ingénieur sont liées les échelles de traitement 111, 112 et 113.
  Au grade de premier attaché sont liées les échelles de traitement 200, 210 et 220.
  Au grade de premier ingénieur est liée l'échelle de traitement 220.
  Au grade de conseiller-expert sont liées l'échelle de traitement 220 et 230.
  Au grade de directeur sont liées les échelles de traitement 300 et 310.
  Au grade d'ingénieur directeur est liée l'échelle de traitement 310.
  L'échelle de traitement 101 ou 111, selon le grade, est attribuée lors du recrutement ou de l'accession au niveau supérieur.
  L'échelle de traitement 220 est attribuée au premier ingénieur lors du recrutement ou de la promotion par avancement de grade.
  L'échelle de traitement 220 est attribuée au conseiller-expert lors du recrutement ou de la promotion par avancement de grade.
  L'échelle de traitement 300 ou 310, selon le grade, est attribuée lors du recrutement ou de la promotion par avancement de grade.
  L'échelle de traitement 102, 112, 210, 230 ou 310, selon le grade, est accordée à l'agent qui :
  1° compte six années d'ancienneté calculée conformément à l'article 428 dans l'échelle 101, 111, 200, 220 ou 300 en tant qu'agent statutaire;
  2° dispose d'une évaluation "favorable";
  3° a suivi la formation visée a l'article 280, durant la période visée au 1°.
  
Art. 106. De weddeschaal 103, 113 of 220, naargelang van de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die :
  1° negen jaar anciënniteit telt, zoals berekend overeenkomstig artikel 428, in de schaal 102, 112 of 210;
  2° over een evaluatie "gunstig" beschikt;
  3° de in artikel 280 bedoelde vorming heeft gevolgd, binnen de periode zoals bedoeld in 1°.
Art. 106. L'échelle de traitement 103, 113 ou 220, selon le grade, est accordée à l'agent qui :
  1° compte neuf années d'ancienneté calculée conformément à l'article 428 dans l'échelle 102, 112 ou 210;
  2° dispose d'une évaluation "favorable";
  3° a suivi la formation visée a l'article 280, durant la période visée au 1°.
HOOFDSTUK IV. - De uitoefening van een hoger ambt
CHAPITRE IV. - De l'exercice d'une fonction supérieure
Art. 107. Onder hoger ambt wordt verstaan elk ambt dat overeenstemt met een in het personeelsplan voorkomende betrekking van een graad van hogere rang in het niveau waartoe de ambtenaar behoort.
Art. 107. Par fonction supérieure, il y a lieu d'entendre toute fonction qui correspond à un emploi prévu au plan du personnel attaché à un grade d'un rang supérieur au sein du niveau auquel appartient l'agent.
Art. 108. Een ambtenaar kan worden aangesteld in een hoger ambt voor een betrekking die tijdelijk onbezet is.
Art. 108. Un agent peut être désigné à une fonction supérieure pour un emploi temporairement inoccupé.
Art. 109. Om in een hoger ambt aangesteld te worden moet de ambtenaar voldoen aan de benoemingsvoorwaarden voor de tijdelijk onbezette betrekking.
  Hij moet de evaluatie "gunstig" ontvangen hebben.
  Een ambtenaar die een tuchtstraf kreeg opgelegd mag niet worden aangesteld alvorens zijn straf is geschrapt overeenkomstig artikel 316.
Art. 109. Pour être désigné à une fonction supérieure, l'agent doit remplir les conditions de nomination à l'emploi temporairement inoccupé.
  Il doit avoir reçu la mention d'évaluation " favorable ".
  Un agent qui a fait l'objet d'une peine disciplinaire, ne peut pas être désigné tant que sa sanction n'a pas été radiée conformément à l'article 316.
Art. 110. In een tijdelijk onbezette betrekking kan een ambtenaar alleen worden aangesteld indien de titularis ten minste een maand afwezig is.
  De aanstelling kan gebeuren vanaf de dag van de kennisname van de afwezigheid van meer dan een maand of de eerste dag die volgt op het verstrijken van die termijn van een maand.
Art. 110. Un agent ne peut être désigné pour occuper un emploi temporairement inoccupé que lorsque le titulaire est absent pour un mois au moins.
  La désignation peut se faire dès le jour de la prise de connaissance de l'absence de plus d'un mois ou le premier jour qui suit l'expiration de ce délai d'un mois.
Art. 111. De aanwijzing voor de uitoefening van een hoger ambt gebeurt voor een duur van maximaal een jaar. De Directieraad kan de uitoefening van een hoger ambt door de aangestelde ambtenaar verlengen voor een duur van maximaal een jaar. Deze verlening kan slechts tweemaal plaatsvinden.
Art. 111. La désignation pour l'exercice d'une fonction supérieure est faite pour une durée maximum d'un an. Le Conseil de direction peut prolonger l'exercice d'une fonction supérieure par l'agent désigné pour une durée maximum d'un an. Cette prolongation ne peut avoir lieu que deux fois.
Art. 112. § 1. De oproep tot kandidaatstelling voor een hoger ambt wordt ter kennis gebracht van de ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel door een dienstnota.
  § 2. De geïnteresseerde ambtenaren dienen hun kandidatuur in, vergezeld van een motivatiebrief tegen ontvangstbevestiging bij de voorzitter van de directieraad, binnen de twintig dagen na het versturen van de dienstnota.
Art. 112. § 1er. L'appel à candidature pour une fonction supérieure est porté à la connaissance des agents du Service public régional de Bruxelles par note de service.
  § 2. Les agents intéressés introduisent leur candidature accompagnée d'une lettre de motivation contre accusé de réception auprès du président du Conseil de direction, dans les vingt jours à dater de l'envoi de la note de service.
Art. 113. Een gemotiveerd voorstel tot rangschikking van de kandidaten wordt door het HRM samen met de functionele chef van het ambt dat tijdelijk moet worden ingevuld voorgesteld bij de directieraad.
  Zij stelt de kandidaat die het meest geschikt is om het ambt uit te oefenen voor, rekening houdend met de motivatie van de kandidaten en hun profiel.
Art. 113. Une proposition motivée de classement des candidats est faite conjointement par la GRH et le chef fonctionnel de la fonction à pourvoir temporairement auprès du Conseil de direction.
  Elle propose l'agent qui présente le plus d'aptitude pour exercer la fonction en tenant compte de la motivation de candidats et de leur profil.
Art. 114. De directieraad beslist over de toewijzing van het hoger ambt.
  Indien hij afwijkt van het voorstel geformuleerd door het HRM en de functionele chef, dan moet de beslissing gemotiveerd worden.
Art. 114. Le Conseil de direction décide de l'attribution d'une fonction supérieure.
  S'il s'éloigne de la proposition formulée par la GRH et le chef fonctionnel, il motive sa décision.
Art. 115. De akte tot aanstelling vermeldt :
  1° een omschrijving van het ambt dat tijdelijk niet wordt ingevuld en de reden waarom deze functie niet wordt ingevuld;
  2° een verantwoording van de noodzaak om een hoger ambt toe te kennen;
  3° een verantwoording van de keuze van de voorgestelde ambtenaar.
Art. 115. L'acte de désignation mentionne :
  1° une description de la fonction temporairement inocupée et la raison de l'inoccupation;
  2° une justification de la nécessité de conférer une fonction supérieure;
  3° une justification du choix de l'agent proposé.
Art. 116. Een ambtenaar die met een hoger ambt is belast, beschikt over alle aan dat ambt verbonden prerogatieven.
Art. 116. L'agent chargé d'une fonction supérieure dispose de toutes les prérogatives liées à cette fonction.
Art. 117. De uitoefening van een hoger ambt verleent geen recht op een benoeming in de graad van dat ambt.
Art. 117. L'exercice d'une fonction supérieure ne confère aucun droit à une nomination au grade de cette fonction.
TITEL V. [1 De interne mobiliteit ]1
TITRE V. [1 De la mobilité interne ]1
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Art. 118. De interne [1 mobiliteit]1 is de overgang van een ambtenaar naar een andere vacante betrekking van zijn graad behorend tot hetzelfde bestuur of tot een ander bestuur [2 vallend onder dit besluit]2.
  
Art. 118. La [1 mobilité ]1 interne est le passage d'un agent à un autre emploi vacant correspondant à son grade dans la même administration ou dans une autre administration [2 relevant du présent arrêté]2.
  
Art. 119. De ambtenaar behoudt hoe dan ook zijn graad en de daaraan verbonden weddeschaal. Hij behoudt tevens de voordelen die hij in zijn functionele loopbaan heeft verkregen, met inachtneming van de bepalingen inzake vorming en evaluatie.
Art. 119. L'agent garde, en tout cas, son grade et l'échelle y afférente. Il garde également les avantages qu'il a obtenus au cours de sa carrière fonctionnelle, dans le respect des dispositions en matière de formation et d'évaluation.
Art. 120. De [1 interne mobiliteit]1 vindt plaats hetzij door [1 vrijwillige interne mobiliteit ]1, hetzij door [1 ambtshalve interne mobiliteit ]1, hetzij door herplaatsing.
  
Art. 120. La [1 ]mobilité interne-1 est réalisée soit par [1 mobilité interne volontaire]1, soit par [1 mobilité interne d'office]1, soit par réaffectation.
  
Art. 121. [1 § 1 Een aanvraag tot interne mobiliteit die wordt ingediend door een ambtenaar die het slachtoffer is van de in § 2 vermelde feiten, wordt prioritair behandeld.
   § 2 In het geval van pesterijen, een gewelddaad of discriminatie waarvan de ambtenaar het slachtoffer is, ten gevolge van een advies van de welzijnsverantwoordelijke van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, of in de volgende gevallen:
   - de pesterijen moeten erkend zijn door een rechterlijke beslissing of een verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in boek II, titel III van de Codex met betrekking tot welzijn op het werk van 28 april 2017;
   - de gewelddaad moet erkend zijn door een rechterlijke beslissing, door een tuchtrechtelijke beslissing, door een bewijs van arbeidsongeval of een verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in boek II, titel III van de Codex met betrekking tot welzijn op het werk van 28 april 2017;
   - de discriminatie moet erkend zijn door een rechterlijke beslissing of door een tuchtrechtelijke beslissing.
   § 3. Het verval van de strafvordering door toepassing van artikel 216bis of 216ter van het Wetboek van Strafvordering leidt evenzeer tot de erkenning van de gevallen geviseerd in paragraaf 2 ]1
.
  
Art. 121. [1 § 1er Une demande de mobilité interne introduite par un agent victime de l'un des actes mentionnés au § 2, sera traitée en priorité.
   § 2. En cas de harcèlement, d'acte de violence ou de discrimination dont est victime l'agent, suite à un avis du responsable du bien-être du Service public régional de Bruxelles, ou dans les conditions suivantes :
   - le harcèlement doit avoir été reconnu par une décision de justice, ou par un rapport du service externe de prévention et de protection au travail visé au Livre II, Titre III du Code du bien-être au travail du 28 avril 2017 ;
   - l'acte de violence doit avoir été reconnu par une décision de justice, par une décision disciplinaire, par une décision d'accident de travail ou par un rapport du service externe de prévention et de protection au travail visé au Livre II, Titre III du Code du bien-être au travail du 28 avril 2017 ;
   - la discrimination doit avoir été reconnue par une décision de justice ou par une décision disciplinaire.
   § 3. Une extinction de l'action publique par application de l'article 216bis ou 216ter du Code d'instruction criminelle emporte également la reconnaissance des cas visés au paragraphe 2 ]1
.
  
HOOFDSTUK II. [1 De vrijwillige interne mobiliteit ]1
CHAPITRE II. [1 De la mobilité interne volontaire ]1
Art. 122. § De ambtenaar dient zijn verzoek voor [1 interne mobiliteit]1 in :
  - 1° hetzij door te antwoorden op een [1 aanbod van interne mobiliteit ]1 dat door het HRM minstens per dienstnota wordt meegedeeld;
  - 2° hetzij door zijn kandidatuur in te dienen bij HRM zonder dat er een [1 aanbod van interne mobiliteit]1 bestaat;
  - 3° hetzij door te antwoorden op een oproep tot kandidaatstelling in het kader van een selectie die openstaat voor kandidaten extern aan de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel. In dat geval wordt de ambtenaar vrijgesteld van de vergelijkende selectie bedoeld in artikel 41 § 2.
  § 2 De onder § 1, 1° vermelde dienstnota vermeldt het volgende :
  1° de functiebeschrijving;
  2° het gewenste profiel van de kandidaten;
  3° binnen welke termijn de ambtenaar zijn belangstelling voor de betrekking moet kenbaar maken.
  Zij wordt ter kennis gebracht aan alle ambtenaren.
  
Art. 122. § 1er. L'agent introduit sa demande de [1 mobilité interne ]1 :
  - 1° soit en répondant à une [1 offre de mobilité interne ]1 communiquée par la GRH au moins par note de service;
  - 2° soit en posant sa candidature auprès de la GRH indépendamment de l'existence d'une [1 offre de mobilité interne]1;
  - 3° soit en répondant à un appel aux candidats dans le cadre d'une sélection ouverte à des candidats externes au Service public régional de Bruxelles. Dans ce cas, l'agent est dispensé de la sélection comparative visée à l'article 41 § 2.
  § 2. La note de service évoquée au § 1, 1° du présent article mentionne :
  1° la description de la fonction;
  2° le profil requis des candidats;
  3° dans quel délai l'agent doit faire connaître son intérêt pour l'emploi.
  Elle est portée à la connaissance de tous les agents.
  
Art. 123. De ambtenaar die zijn kandidatuur voor een vacante betrekking indient via de interne [1 mobiliteit]1, is slechts aan de proef onderworpen zoals voorzien in artikel 41, § 3, van dit besluit.
  
Art. 123. L'agent qui pose sa candidature à un emploi vacant via la [1 mobilité ]1 interne n'est soumis qu'à l'épreuve prévue à l'article 41, § 3, du présent arrêté.
  
Art. 124. [1 De vrijwillige interne mobiliteit wordt geformaliseerd aan de hand van een door de leidende ambtenaren ondertekend document ]1.
  
Art. 124. [1 La mobilité interne volontaire est formalisée au moyen d'un document signé par les fonctionnaires dirigeants ]1.
  
Art. 125. De geselectioneerde ambtenaar begint zijn nieuwe functie uit te oefenen na verloop van een termijn die in wederzijds akkoord tussen zijn vroegere en nieuwe functionele chef wordt bepaald. [1 ...]1.
  
Art. 125. L'agent sélectionné commence à exercer sa nouvelle fonction au terme d'un délai fixé de commun accord entre son ancien et son nouveau chef fonctionnel. Ce délai ne peut excéder trois mois. [1 ...]1.
  
HOOFDSTUK III. [1 De ambtshalve interne mobiliteit ]1
CHAPITRE III. [1 De la mobilité interne d'office ]1
Art. 126. [1 § 1. De leidende ambtenaar kan over een ambtshalve interne mobiliteit beslissen in de volgende vier gevallen:
   1° De procedure van de vrijwillige interne mobiliteit heeft geen resultaat opgeleverd;
   2° Er zijn bijzondere eisen inzake kennis of ervaring vereist om een betrekking te bekleden;
   3° Er werd op een gemotiveerde wijze vastgesteld dat de ambtenaar niet meer over de vereiste kwalificaties beschikt om zijn betrekking te bekleden;
   4° De beslissing wordt gerechtvaardigd door dienstbehoeften of noodwendigheid.
   § 2. De ambtenaar wordt gehoord door de leidende ambtenaar of zijn afgevaardigde.
   § 3. De beslissing wordt gemotiveerd aan de hand van de functiebeschrijving en het gewenste profiel om de betrekking te kunnen bekleden.
   § 4. Indien het gaat om de ambtshalve interne mobiliteit tussen twee verschillende overheidsdiensten die vallen onder dit besluit, wordt de beslissing genomen in samenspraak tussen de leidende ambtenaren van deze twee overheidsdiensten.
   Hiervoor wordt een document opgesteld dat door de betrokken leidende ambtenaren wordt ondertekend.
   De ambtshalve interne mobiliteit kan plaatsvinden binnen een termijn van 30 dagen na ondertekening van het bovenvermelde document.
   Deze paragraaf is niet van toepassing op contractuele personeelsleden ]1
.
  
Art. 126. [1 § 1er. Le fonctionnaire dirigeant peut décider d'une mobilité interne d'office dans les quatre cas suivants :
   1° La procédure de mobilité interne volontaire n'a pas abouti ;
   2° Des exigences particulières de connaissance ou d'expérience sont requises pour occuper un emploi ;
   3° Il a été établi de manière motivée qu'un agent n'a plus les qualifications requises pour occuper son emploi ;
   4° La décision est justifiée par des besoins ou des nécessités du service.
   § 2. L'agent est entendu par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué.
   § 3. La décision est motivée sur base de la description de fonction et du profil souhaité pour occuper l'emploi.
   § 4. S'il s'agit de la mobilité interne d'office entre deux administrations différentes relevant du présent arrêté, la décision est prise en concertation avec les fonctionnaires dirigeants de ces deux administrations.
   Un document est rédigé et signé à cet effet par les fonctionnaires dirigeants concernés.
   La mobilité interne d'office a lieu dans un délai de 30 jours après la signature du document précité.
   Le présent paragraphe ne s'applique pas aux membres du personnel contractuel. ]1
.
  
HOOFDSTUK IV. - De herplaatsing
CHAPITRE IV. - De la réaffectation
Art. 128. De herplaatsing vindt plaats :
  1° indien de opheffing of de wijziging van een opdracht van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel de afschaffing van één of meer betrekkingen met zich meebrengt;
  2° indien een ambtenaar medisch ongeschikt wordt bevonden voor de uitoefening van zijn ambt, maar opnieuw kan worden geplaatst in een betrekking die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand.
  3° indien een ambtenaar in disponibiliteit wordt gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst;
  4° wanneer de ambtenaar niet meer is toegewezen aan een betrekking;
  [1 "5° indien de betrekking van de ambtenaar na afwezigheid wegens langdurige ziekte, niet langer bestaat;
   6° indien de ambtenaar na afwezigheid wegens langdurige ziekte zich in de onmogelijkheid bevindt terug te keren naar zijn huidige betrekking.]1

  
Art. 128. La réaffectation a lieu :
  1° si la suppression ou la modification d'une mission du Service public régional de Bruxelles entraîne la suppression d'un ou de plusieurs emplois;
  2° si un agent s'avère médicalement inapte à exercer sa fonction, mais peut être réaffecté à un emploi que son état de santé lui permet d'exercer;
  3° si un agent est en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service;
  4° si l'agent n'est plus affecté à aucun emploi;
  [1 5° si l'emploi de l'agent, après une absence pour cause de maladie de longue durée, n'existe plus ;
   6° si l'agent se trouve dans l'impossibilité de reprendre son poste actuel après une absence due à une maladie de longue durée.]1

  
Art. 129. De herplaatsing van een ambtenaar gebeurt in een betrekking behorend tot hetzelfde of tot een ander bestuur.
  De Directieraad raadpleegt de betrokken ambtenaren-generaal.
  De ambtenaar wordt gehoord door de directieraad of zijn afgevaardigde.
Art. 129. La réaffectation d'un agent a lieu dans un emploi relevant de la même ou d'une autre administration.
  Le Conseil de direction consulte les fonctionnaires généraux concernés.
  L'agent est entendu par le Conseil de direction ou son délégué.
Art. 130. De herplaatsing wordt beslist door de directieraad.
  Een herplaatste ambtenaar behoudt zijn rechten inzake wedde en zijn aanspraken op bevordering;
  De herplaatsingsperiode wordt aangerekend voor de administratieve en de geldelijke anciënniteit.
Art. 130. La réaffectation est décidée par le Conseil de direction.
  L'agent réaffecté conserve ses droits au traitement et ses titres à la promotion.
  La période de réaffectation est prise en compte dans l'ancienneté administrative et dans l'ancienneté pécuniaire.
TITEL V/I. [1 De conventionele tijdelijke terbeschikkingstelling van een ambtenaar]1
TITRE V/1. [1 De la mise à disposition conventionnelle temporaire d'un agent ]1
Art. 130/1. [1 § 1. Een ambtenaar mag ter beschikking worden gesteld van iedere federale, gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale, gemeentelijke overheidsorganisatie, van een sociale dienst of van een rechtspersoon, ongeacht hun vorm en aard, die specifiek zijn opgericht om te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn, die rechtspersoonlijkheid bezitten en die afhankelijk zijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (hetzij door de meerderheidsfinanciering van hun activiteiten, hetzij door de controle op hun beheer, hetzij door de benoeming van meer dan de helft van de leden van hun bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen), voor een tijdelijke duur van maximaal 12 maanden.
  § 2 De ambtenaar dient zijn verzoek voor een tijdelijke terbeschikkingstelling in:
  1° hetzij door te antwoorden op een aanbod van tijdelijke terbeschikkingstelling dat door het HRM minstens per dienstnota wordt meegedeeld;
  2° hetzij door zijn kandidatuur in te dienen bij het HRM zonder dat er een aanbod tot tijdelijke terbeschikkingstelling bestaat;
  § 3 De onder § 2, 1° vermelde dienstnota vermeldt het volgende:
  1° de functiebeschrijving;
  2° het gewenste profiel van de kandidaten;
  3° binnen welke termijn de ambtenaar zijn belangstelling voor de betrekking moet kenbaar maken.
  Zij wordt ter kennis gebracht aan alle ambtenaren.
  § 4. De ambtenaar die voor een tijdelijke duur ter beschikking wordt gesteld, begint zijn nieuwe opdracht uit te oefenen na afloop van een termijn die zijn overheid en de ontvangende organisatie in onderlinge overeenstemming vaststellen. De twee organisaties leggen de voorwaarden van de terbeschikkingstelling, met inbegrip van een eventuele proefperiode, vast in een overeenkomst.
  Deze overeenkomst bevat verder de regeling waarop de ontvangende organisatie de overheid van herkomst terugbetaalt indien van toepassing voor het door deze laatste aan de ambtenaar uitbetaalde brutowedde en andere financiële voordelen.
  § 5. De periode van de tijdelijke terbeschikkingstelling wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
  § 6. De arbeidsvoorwaarden van de ontvangende organisatie zijn van toepassing.
  § 7. De functionele chef in de overheid van herkomst evalueert de ambtenaar voor zijn vertrek naar de ontvangende organisatie in het kader van de tijdelijke terbeschikkingstelling.
  Een nieuwe evaluatie periode begint te lopen bij aanvang van de tijdelijke terbeschikkingstelling in de ontvangende organisatie.
  De evaluatieregels van de ontvangende organisatie zijn bij aanvang van toepassing.
  Op het einde van de tijdelijke terbeschikkingstelling wordt de ambtenaar geëvalueerd door zijn functionele chef in de ontvangende organisatie.
  Op het ogenblik dat de ambtenaar terugkeert naar de overheid van herkomst begint een nieuwe evaluatie periode te lopen.
  § 8. Dit artikel is niet van toepassing op mandaathouders.]1

  
Art. 130/1. [1 § 1er. Un agent peut être mis à disposition d'une organisation publique fédérale, régionale, communautaire, provinciale, communale, d'un service social ou d'une personne morale, quelles que soient leur forme et leur nature, qui ont été créées pour satisfaire spécifiquement des besoins d'intérêt général ayant un caractère autre qu'industriel ou commercial, qui sont dotées de la personnalité juridique, et qui dépendent de la Région de Bruxelles-Capitale (soit par le financement majoritaire de leurs activités, soit par le contrôle de leur gestion, soit par la désignation de plus de la moitié des membres de leur organe d'administration, de direction ou de surveillance), pour une durée temporaire de maximum 12 mois.
   § 2 L'agent introduit sa demande de mise à disposition temporaire :
   1° soit en répondant à une offre de mise à disposition temporaire communiquée par la GRH au moins par note de service ;
   2° soit en soumettant sa candidature à la GRH sans offre de mise à disposition temporaire préalable ;
   § 3 La note de service visée au § 2, 1° comporte les mentions suivantes :
   1° la description de fonction ;
   2° le profil souhaité des candidats ;
   3° le délai dans lequel l'agent doit manifester son intérêt pour le poste.
   Elle est notifiée à tous les agents.
   § 4. L'agent mis à disposition pour une durée temporaire commence à exercer sa nouvelle mission au terme d'un délai fixé de commun accord entre l'autorité dont il dépend et l'organisation d'accueil. Les deux organisations fixent les conditions, en ce compris une éventuelle période d'essai, de la mise à disposition d'un commun accord dans une convention.
   Cette convention fixe également les dispositions en vertu desquelles l'organisation d'accueil, rembourse le cas échéant à l'autorité d'origine le traitement brut et les autres avantages financiers versé par cette dernière à l'agent.
   § 5. La période de mise à disposition temporaire est assimilée à une période d'activité de service.
   § 6. Les conditions de travail de l'organisation d'accueil s'appliquent.
   § 7. Le chef fonctionnel de l'autorité d'origine évalue l'agent avant son départ pour l'organisme d'accueil dans le cadre de la mise à disposition temporaire.
   Une nouvelle période d'évaluation commence à courir dès le début de la mise à disposition temporaire dans l'organisme d'accueil.
   Les règles d'évaluation de l'organisme d'accueil sont applicables dès ce moment.
   A la fin de la mise à disposition temporaire, l'agent est évalué par son chef fonctionnel dans l'organisme d'accueil.
   Une nouvelle période d'évaluation commence lorsque l'agent retourne au sein de son autorité d'origine.
   § 8. Cet article ne s'applique pas aux titulaires de mandats. ]1

  
TITEL VI. - De evaluatie
TITRE VI. - De l'évaluation
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Art. 131. De evaluatie heeft tot doel het werk van de ambtenaar in de functie die hij vervult, aan de hand van de functiebeschrijving ervan en aan de hand van de doelstellingen bepaald ten tijde van het functiegesprek, doorlopend te beoordelen.
Art. 131. L'évaluation a pour but d'apprécier de manière continue le travail effectué par l'agent dans la fonction qu'il exerce par référence à la description de cette fonction et aux objectifs fixés lors de l'entretien de fonction.
Art. 132. § 1. De evaluator van de ambtenaar is zijn hiërarchische meerdere. Hij wordt minstens aangeduid door de verantwoordelijke van een administratieve eenheid van de ambtenaar. Indien hij niet tot dezelfde taalrol als de ambtenaar behoort, dient de hiërarchische meerdere, om evaluator te zijn, te slagen voor het taalexamen over de functionele kennis voor de evaluatie, bedoeld in artikel 43ter, § 7, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966 of voor een ander taalexamen die hem vrijstelt van het bovenvermeld examen.
  § 2. Indien de hiërarchische meerdere niet aan deze voorwaarde voldoet, wijst zijn verantwoordelijke van de administratieve eenheid het personeelsid aan die met de evaluatie wordt belast, met inachtneming van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken. In dit geval raadpleegt de evaluator de hiërarchische meerdere.
  Van deze consultatie wordt een verslag opgesteld dat gevoegd wordt bij het evaluatiedossier.
  § 3. De hiërarchische meerdere die de ambtenaar op geen enkel moment van de evaluatieperiode onder zijn gezag had, raadpleegt de vorige hiërarchische meerderen van de ambtenaar vóór het evaluatiegesprek.
  De hiërarchische meerdere, als hij niet de functionele chef van de ambtenaar is, raadpleegt die functionele chef vóór het evaluatiegesprek. Hij bezorgt hem een kopie van de functie- en evaluatiegesprekken.
  Van deze consultatie wordt een verslag opgesteld dat gevoegd wordt bij het evaluatiedossier.
  § 4. Een personeelslid mag geen evaluatie uitvoeren zonder eerst een passende opleiding te hebben gevolgd.
Art. 132. § 1er. L'évaluateur de l'agent est son supérieur hiérarchique. Il est désigné au moins par le responsable d'unité administrative de l'agent. S'il n'est pas du même rôle linguistique que l'agent, le supérieur hiérarchique, pour être évaluateur, doit avoir réussi l'examen linguistique sur la connaissance fonctionnelle de l'autre langue pour l'évaluation, visé à l'article 43ter, § 7, alinéa 1er, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative coordonnées le 18 juillet 1966 ou avoir réussi un autre examen le dispensant de l'examen susvisé.
  § 2. Si le supérieur hiérarchique ne remplit pas cette condition, son responsable d'unité administrative désigne le membre du personnel en charge de l'évaluation dans le respect des lois coordonnées du 18 juillet 1966 sur l'emploi des langues en matière administrative. Dans ce cas, l'évaluateur consulte le supérieur hiérarchique.
  Cette consultation fait l'objet d'un rapport écrit qui est versé au dossier d'évaluation.
  § 3. Le supérieur hiérarchique qui n'a pas eu l'agent sous son autorité durant toute la période d'évaluation, consulte les précédents supérieurs hiérarchiques de l'agent avant l'entretien d'évaluation.
  Le supérieur hiérarchique, s'il n'est pas le chef fonctionnel de l'agent, consulte ce chef fonctionnel avant les entretiens de fonction et d'évaluation. Il lui transmet copie des rapports d'entretien de fonction et d'évaluation.
  Cette consultation fait l'objet d'un rapport écrit qui est versé au dossier d'évaluation.
  § 4. Aucun membre du personnel ne peut effectuer une évaluation sans avoir suivi au préalable une formation appropriée.
Art. 133. De evaluatie gebeurt op basis van een evaluatiedossier.
  Dit dossier bevat :
  1° de functiebeschrijving;
  2° het verslag van het functiegesprek dat onder meer de individuele doelstellingen bevat;
  3° de documenten betreffende de vaststellingen en de gunstige of ongunstige beoordelingen bedoeld in artikel 139;
  4° de tussentijdse verslagen bedoeld in artikel 140;
  5° het evaluatieverslag evenals alle voorgaande evaluatieverslagen;
  6° in voorkomend geval, de verslagen bedoeld in art. 132;
  7° het zelfevaluatieverslag indien de ambtenaar dit wenst;
  8° de eventuele beslissing van de kamer van beroep;
  9° elk document dat de ambtenaar wenst dat toegevoegd wordt aan zijn dossier.
  De modellen voor de documenten bedoeld in de punten 1° tot 7° worden opgesteld door het HRM.
  Het evaluatiedossier staat ter beschikking van de ambtenaar, van zijn hiërarchische meerdere, desgevallend van zijn evaluator, van de directeur generaal van de ambtenaar en van het HRM.
  Het door de ambtenaar opgestelde zelfevaluatieverslag heeft enkel informatieve waarde in het kader van de voorbereiding van het evaluatiegesprek.
  Het evaluatiedossier maakt deel uit van het persoonlijke dossier van de ambtenaar.
Art. 133. L'évaluation s'effectue sur base d'un dossier d'évaluation.
  Ce dossier comporte :
  1° la description de fonction;
  2° le rapport de l'entretien de fonction qui reprend notamment les objectifs individuels;
  3° les documents portant sur les constatations et appréciations favorables ou défavorables visés à l'article 139;
  4° Le ou les rapports intermédiaires visés à l'article 140;
  5° le rapport d'évaluation ainsi que les précédents rapports d'évaluation;
  6° le cas échéant, les rapports visés à l'article 132;
  7° le rapport d'auto-évaluation, si l'agent le souhaite;
  8° l'éventuelle décision de la chambre de recours;
  9° tout document que l'agent souhaite voir ajouté à son dossier
  Les modèles des documents visés aux points 1° à 7° sont établis par la GRH.
  Le dossier d'évaluation est à disposition de l'agent, de son supérieur hiérarchique, le cas échéant de son évaluateur, du directeur général de l'agent et de la GRH.
  Le rapport d'auto-évaluation réalisé par l'agent a uniquement une portée informative dans le cadre de la préparation de l'entretien d'évaluation.
  Le dossier d'évaluation fait partie du dossier personnel de l'agent.
HOOFDSTUK II. - Het verloop van de evaluatie
CHAPITRE II. - Du déroulement de l'évaluation
Afdeling 1. - Algemene bepaling
Section 1re. - Disposition générale
Art. 134. Op vraag van de ambtenaar kan een vakbondsafgevaardigde als waarnemer deelnemen aan de onderhouden georganiseerd binnen het kader van de evaluatieprocedure voorzien in de artikelen 131 tot 154.
Art. 134. A la demande de l'agent, un délégué syndical peut assister comme observateur aux entretiens organisés dans le cadre de la procédure d'évaluation prévue aux articles 131 à 154.
Afdeling 2. - Voorwerp van de evaluatie
Section 2. - Objet de l'évaluation
Art. 135. De evaluatie is verplicht voor elke ambtenaar die effectief in dienst is. De evaluatieperiode van de ambtenaar is de periode tussen het functiegesprek en het evaluatiegesprek.
  Die periode bedraagt twee jaar.
  De ambtenaar die tijdens de evaluatieperiode zijn prestaties niet effectief heeft uitgevoerd, wordt geëvalueerd op het ogenblik dat hij zes maanden effectieve prestatie totaliseert.
Art. 135. L'évaluation est obligatoire pour tout agent qui est effectivement en service. La période d'évaluation de l'agent est celle qui s'étend entre l'entretien de fonction et l'entretien d'évaluation.
  Cette période est de deux ans.
  L'agent qui n'a pas exercé de manière effective ses prestations pendant la période d'évaluation est évalué au moment où il totalise six mois de prestations effectives.
Art. 136. De directieraad bepaalt de praktische modaliteiten voor de organisatie van de evaluaties.
Art. 136. Le Conseil de direction fixe les modalités pratiques de l'organisation des évaluations.
Art. 137. § 1. Aan het begin van elke evaluatieperiode en bij elke benoeming of dienstaanwijzing van de ambtenaar heeft de evaluator een functiegesprek met hem, waarbij de te bereiken doelstellingen waarop de ambtenaar zal worden geëvalueerd op basis van de functiebeschrijving, worden omschreven.
  Deze betreffen :
  - de prestatie die beoordeeld wordt rekening houdend met de kwalitatieve resultaten of kwantitatieve en kwalitatieve resultaten van de prestaties van de geëvalueerde gedurende de evaluatieperiode, rekening houdend met zijn functiebeschrijving en de doelstellingen die voorafgaandelijk werden bepaald;
  - De vaardigheden worden beoordeeld rekening houdend met het competentieprofiel bepaald in de functiebeschrijving;
  - de werkattitude.
  § 2. Van zodra een personeelslid aan een project als hoofd van het project of assistent van het project deelneemt en waarvoor hij een premie ontvangt bedoeld in artikel 385, wordt hij geëvalueerd op zijn bekwaamheden om een projectgroep efficiënt te leiden of op zijn bekwaamheid tot samenwerken.
Art. 137. § 1er. Au début de chaque période d'évaluation et lors de chaque nomination ou affectation de l'agent, l'évaluateur a un entretien de fonction avec celui-ci, au cours duquel sont précisés les objectifs à atteindre sur lesquels l'agent sera évalué en rapport avec la description de fonction.
  Ceux-ci portent sur :
  - La performance qui est appréciée au regard des résultats qualitatifs ou des résultats quantitatifs et qualitatifs des prestations de l'évalué au cours de la période d'évaluation, eu égard à sa description de fonction et aux objectifs préalablement fixés;
  - Les compétences qui sont appréciées au regard du profil de compétence précisé dans la description de fonction;
  - L'attitude au travail.
  § 2. Dès lors que le membre du personnel prend part à un projet à titre de chef de projet ou d'assistant de projet et pour lequel il reçoit une prime visée à l'article 385, il est évalué sur ses aptitudes à diriger ou à collaborer efficacement avec une équipe de projet.
Art. 138. Binnen vijftien dagen na het gesprek stelt de evaluator een verslag op van het functiegesprek. Dit verslag wordt geviseerd door de ambtenaar. Als de ambtenaar het verslag van het functiegesprek niet tekent voor ontvangst, wordt het verslag hem aangetekend toegestuurd. De evaluator stuurt dit verslag naar het HRM binnen dertig dagen na het functiegesprek.
Art. 138. Dans les quinze jours qui suivent l'entretien, l'évaluateur rédige un rapport d'entretien de fonction. Ce rapport est visé par l'agent. Si l'agent ne vise pas pour réception le rapport d'entretien de fonction, celui-ci lui est envoyé par lettre recommandée. L'évaluateur transmet à la GRH ledit rapport dans les trente jours qui suivent l'entretien de fonction.
Afdeling 3. - Tijdens de evaluatieperiode
Section 3. - Durant la période d'évaluation
Art. 139. In de loop van elke evaluatieperiode kan de evaluator gunstige of ongunstige vaststellingen op basis van de doelstellingen en de evaluatiecriteria bedoeld in artikel 137, aan het evaluatiedossier toevoegen.
  [1 Deze bevindingen worden ter kennis van de ambtenaar gebracht, hetzij door persoonlijke afgifte tegen ontvangstbewijs, gedateerd en ondertekend, hetzij per aangetekende brief. De ambtenaar maakt eventuele opmerkingen binnen de 15 dagen over.]1
  Wanneer de ambtenaar zijn eventuele opmerkingen niet heeft kunnen maken op een ongunstige vaststelling, dan wordt de vaststelling niet in overweging genomen en verwijderd uit het evaluatiedossier.
  [1 De ambtenaar kan een document met een gunstige beoordeling betreffende de uitvoering van zijn werk aan zijn evaluatiedossier toevoegen, na zijn evaluator hiervan op de hoogte te hebben gebracht.]1
  
Art. 139. Dans le courant de chaque période d'évaluation, l'évaluateur peut joindre au dossier d'évaluation des constatations favorables ou défavorables en rapport avec les objectifs et les éléments d'évaluation précisés à l'article 137.
  [1 Ces constatations sont portées à la connaissance de l'agent, soit par remise en main propre contre accusé de réception daté et signé, soit par lettre recommandée. Il peut y ajouter ses remarques éventuelles dans un délai de 15 jours.]1
  Dans l'hypothèse où l'agent n'a pas pu faire valoir ses remarques éventuelles sur une constatation défavorable, la constation n'est pas prises en considération et écartée du dossier d'évaluation.
  [1 L'agent peut ajouter à son dossier d'évaluation un document portant une appréciation favorable sur l'exécution de son travail, après avoir informé son évaluateur. ]1
  
Art. 140. Gedurende elke evaluatieperiode, kunnen één of meerdere tussentijdse gesprekken plaatsvinden binnen de vijftien dagen na het verzoek van de ambtenaar of de evaluator.
  Voor zover de laatste evaluatie minimaal drie maanden geleden plaats vond, vindt [1 een tussentijds onderhoud]1 plaats telkens wanneer de evaluator dit nodig acht of wanneer de geëvalueerde erom vraagt.
  In een tussentijds gesprek kunnen onder meer aan bod komen :
  1° problemen in verband met het functioneren van de geëvalueerde en de oplossingen voor deze problemen;
  2° problemen die het bereiken van de afgesproken doelstellingen bemoeilijken en de oplossingen voor deze problemen; deze problemen kunnen zowel betrekking hebben op de organisatie en de werking van de dienst, de begeleiding door de verantwoordelijke van de administratieve eenheid als op externe factoren;
  3° de ontwikkeling van de ambtenaar binnen de huidige functie;
  4° [1 ...]1
  Ter gelegenheid van dit gesprek kunnen bijsturingen worden aangebracht aan de individuele doelstellingen van de ambtenaar.
  De evaluator voegt een verslag van dit gesprek toe aan het evaluatiedossier. Dit verslag wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar die eventuele opmerkingen aan dit verslag mag toevoegen [1 binnen 15 dagen na kennisname van het verslag]1.
  Wanneer de ambtenaar het voorwerp uitmaakt van interne [2 mobiliteit]2, vindt een tussentijds gesprek plaats voor zijn [2 mobiliteit]2.
  
Art. 140. Durant chaque période d'évaluation, un ou plusieurs entretiens intermédiaires peuvent avoir lieu dans les quinze jours à dater de la demande de l'agent ou de l'évaluateur.
  Pour autant que la dernière évaluation remonte à un délai minimum de trois mois, [1 un entretien intermédiaire]1 a lieu à chaque fois que l'évaluateur l'estime nécessaire ou que l'évalué le demande.
  Durant l'entretien intermédiaire peuvent notamment être exposés :
  1° des problèmes qui concernent le fonctionnement de l'évalué et leur solution;
  2° des problèmes qui entravent la réalisation des objectifs convenus et leur solution; ces problèmes peuvent concerner aussi bien l'organisation et le fonctionnement du service, l'accompagnement par le responsable d'unité administrative que des facteurs externes;
  3° le développement de l'agent au sein de sa fonction actuelle;
  4° [1 ...]1
  A l'occasion de cet entretien, des adaptations peuvent être apportées aux objectifs individuels de l'agent.
  L'évaluateur joint au dossier d'évaluation le rapport de cet entretien. Ce rapport est porté à la connaissance de l'agent qui peut y ajouter ses remarques éventuelles [1 ...]1.
  Lorsque l'agent fait l'objet d'une [2 mobilité ]2 interne, un entretien intermédiaire a lieu avant sa [2 mobilité ]2.
  
Afdeling 4. - De evaluatie
Section 4. - De l'évaluation
Art. 141. Op het einde van elke evaluatieperiode heeft de evaluator een evaluatiegesprek met de ambtenaar.
  § 2 Indien de ambtenaar hoofd is van een project, dan verzoekt de evaluator aan de promotor van het project om zijn vaststellingen te formuleren in verband met de doelstellingen van het project.
  § 3 Indien de ambtenaar assistent is bij een project, dan verzoekt de evaluator het hoofd van het project om zijn vaststellingen te formuleren
Art. 141. § 1er. A la fin de chaque période d'évaluation, l'évaluateur a un entretien d'évaluation avec l'agent.
  § 2. Si l'agent est chef de projet, l'évaluateur demandera au promoteur du projet de remettre ses constatations en rapport avec les objectifs du projet.
  § 3. Si l'agent est assistant de projet, l'évaluateur demandera au chef de projet de remettre ses constatations.
Art. 142. De evaluator houdt rekening met de onvoorziene of onafhankelijke omstandigheden die de gehele of gedeeltelijke realisatie van de doelstellingen bedoeld in artikel 137 onmogelijk hebben gemaakt voor de verlening van een vermelding.
Art. 142. L'évaluateur tient compte des circonstances imprévisibles ou indépendantes, qui ont rendu impossible la réalisation totale ou partielle des objectifs visés à l'article 137 pour l'attribution d'une mention.
Art. 143. [1 Behalve in geval van overmacht stelt de evaluator binnen 15 dagen na het beoordelingsgesprek een beoordelingsrapport op en kent hij de vermelding "gunstig", "onder voorbehoud" of "onvoldoende" toe, vergezeld van een motivering.]1 Het evaluatieverslag wordt binnen dezelfde termijn ondertekend door de evaluator; het wordt geviseerd voor ontvangst door de geëvalueerde ambtenaar die er zijn opmerkingen kan aan toevoegen. De evaluator bezorgt het verslag vervolgens onmiddellijk aan het HRM.
  Indien de ambtenaar het evaluatieverslag niet viseert voor ontvangst, dan wordt deze aan hem toegestuurd per aangetekend schrijven.
  
Art. 143. [1 Sauf cas de force majeure, l'évaluateur rédige un rapport d'évaluation dans les quinze jours qui suivent l'entretien d'évaluation, et attribue la mention " favorable ", " avec réserve " ou " insuffisant " accompagnée d'une motivation.]1 Ce rapport d'évaluation est signé dans le même délai par l'évaluateur. Il est visé pour réception par l'agent évalué qui peut y ajouter ses commentaires. Le rapport est ensuite immédiatement transmis à la GRH par l'évaluateur.
  Si l'agent ne vise pas pour réception le rapport d'évaluation, celui-ci lui est envoyé par lettre recommandée.
  
Art. 144. Bij toekenning van een vermelding "onvoldoende" of "onder voorbehoud" vindt ten minsten om de drie maanden een tussentijds opvolgingsgesprek plaats. Een nieuwe evaluatie vindt plaats na zes maanden.
Art. 144. En cas d'attribution d'une mention " insuffisant " ou avec " réserve ", un entretien de suivi intermédiaire a lieu au moins tous les trois mois. Une nouvelle évaluation intervient après 6 mois.
Art. 145. Op het einde van het evaluatiegesprek heeft een nieuw functiegesprek plaats over de volgende evaluatieperiode conform artikel 137, hetzij op hetzelfde ogenblik, hetzij binnen de vijftien dagen.
Art. 145. Au terme de l'entretien d'évaluation, un nouvel entretien de fonction relatif à la période d'évaluation suivante a lieu conformément à l'article 137, soit au même moment, soit dans les quinze jours.
Afdeling 5. - De eindvermeldingen
Section 5. - Des mentions
Art. 146. Na het evaluatiegesprek kent de evaluator de ambtenaar één van de volgende vermeldingen toe :
  o "gunstig"
  o "onder voorbehoud"
  o "onvoldoende"
  De evaluator moet de vermelding verplicht motiveren aan de hand van feiten en objectieve elementen.
Art. 146. A l'issue de l'entretien d'évaluation, l'évaluateur attribue à l'agent une des mentions suivantes :
  o " favorable "
  o " avec réserve "
  o " insuffisant "
  La mention doit obligatoirement être motivée par l'évaluateur au moyen de faits et d'éléments objectifs.
Art. 147. De ambtenaar die zijn prestaties niet effectief gedurende ten minste zes maanden heeft geleverd en die afwezig is, met verlof is, of zijn functie niet vervult, behoudt zijn laatste evaluatie.
  Buiten de gevallen bedoeld in alinea 1, ontvangt de ambtenaar die niet werd geëvalueerd terwijl geen overmacht kan worden ingeroepen, een gunstige evaluatie.
  Na afloop van de stage, ontvangt de benoemde ambtenaar ambtshalve een gunstige evaluatie.
Art. 147. L'agent qui n'a pas exercé de manière effective ses prestations pendant six mois au moins et qui est absent, en congé ou n'exerce pas sa fonction, conserve sa dernière mention d'évaluation.
  Hormis les cas visés à l'alinéa 1er, l'agent qui n'a pas été évalué alors qu'aucun cas de force majeure ne peut être invoqué reçoit une évaluation favorable.
  A l'issue du stage, l'agent nommé reçoit d'office une évaluation favorable.
HOOFDSTUK III. - De beroepsprocedure
CHAPITRE III. - De la procédure de recours
Art. 148. De ambtenaar die niet akkoord gaat met de hem toegekende vermelding "onvoldoende" of "onder voorbehoud", beschikt over een termijn van twintig dagen om een schorsend beroep in te dienen per aangetekend schrijven bij de gewestelijke kamer van beroep. [1 Er wordt aan de ambtenaar een ontvangstbewijs van het beroep gegeven.]1
  
Art. 148. L'agent qui est en désaccord avec la mention "insuffisant" ou "avec réserve" qui lui est attribué, dispose d'un délai de vingt jours pour introduire un recours suspensif par lettre recommandée auprès de la chambre de recours régionale. [1 L'agent se voit délivrer un accusé de réception du recours.]1
  
Art. 150. De gewestelijke kamer van beroep moet zich uitspreken binnen de 60 dagen na ontvangst van het beroep, behalve bij overmacht, en beschikt over beslissingsbevoegdheid.
  De gewestelijke kamer van beroep hoort de evaluator die de betwiste vermelding heeft toegekend, eventueel bijgestaan door een lid van het HRM. De afwezigheid van de evaluator is geen reden van uitstel.
  De ambtenaar wordt gehoord en kan zich laten bijstaan door een persoon naar keuze. Indien de ambtenaar, ofschoon behoorlijk opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, bevestigt de gewestelijke kamer van beroep de vermelding en doet het dossier toekomen aan de secretaris generaal en de adjunct secretaris generaal.
Art. 150. La chambre de recours régionale doit se prononcer dans les 60 jours de la réception du recours, sauf cas de force majeure, et dispose d'une compétence de décision.
  La chambre de recours régionale entend l'évaluateur qui a attribué la mention contestée, éventuellement accompagné par un membre de la GRH. L'absence de l'évaluateur ne constitue pas une cause de remise.
  L'agent est entendu et peut se faire assister par la personne de son choix. Si, bien que régulièrement convoqué, l'agent s'abstient sans excuse valable, de comparaître, la chambre de recours régionale confirme la mention et transmet le dossier aux Secrétaire général et Secrétaire général adjoint.
Art. 151. De gewestelijke kamer van beroep bevestigt de aan de ambtenaar toegekende vermelding of ze kent een andere vermelding uit artikel 146 toe. De vermelding mag niet worden verzwaard.
  De gewestelijke kamer van beroep deelt haar beslissing binnen de vijftien dagen aan de verzoeker mee per aangetekend schrijven.
  Tegelijkertijd betekent ze het volledige dossier samen met de beslissing aan de secretaris generaal en de adjunct secretaris generaal.
  De secretaris generaal en de adjunct secretaris generaal betekenen deze beslissing aan de evaluator.
Art. 151. La chambre de recours régionale soit confirme la mention attribuée à l'agent, soit attribue une des autres mentions prévues à l'article 146. La mention ne peut pas être aggravée.
  La chambre de recours régionale notifie dans les quinze jours sa décision au requérant par courrier recommandé.
  Concomitamment, elle envoie le dossier complet ainsi que la décision aux Secrétaire général et Secrétaire général adjoint.
  Le Secrétaire général et Secrétaire général adjoint notifie cette décision à l'évaluateur.
HOOFDSTUK IV. - De gevolgen van de vermelding "onder voorbehoud " of " onvoldoende "
CHAPITRE IV. - Des conséquences de la mention "avec réserve" ou "insuffisant"
Art. 152. De periode voor welke de ambtenaar de vermelding "onder voorbehoud" of "onvoldoende" krijgt, wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de graadanciënniteit vereist voor het bekomen van een hogere weddeschaal met toepassing van de functionele loopbaan.
Art. 152. La période pendant laquelle l'agent se voit attribuer la mention "avec réserve" ou la mention "insuffisant" n'est pas prise en compte pour le calcul de l'ancienneté de grade nécessaire à l'obtention d'une échelle supérieure en application de la carrière fonctionnelle.
Art. 153. De ambtenaar die een evaluatie heeft met de vermelding "onvoldoende" of "onder voorbehoud" kan niet worden aangesteld als evaluator.
Art. 153. Un agent ayant une évaluation avec mention " insuffisant " ou " avec réserve " ne peut pas être désigné comme évaluateur.
Art. 154. § 1. De ambtenaar die twee opeenvolgende evaluaties de vermelding "onvoldoende" ontvangt, wordt definitief beroepsongeschikt verklaard door de benoemende overheid.
  § 2. In geval van bevestiging zoals bepaald in artikel 151 van de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid, of indien de ambtenaar tegen de verklaring van beroepsongeschiktheid niet in beroep is gegaan, wordt de ambtenaar door de benoemende overheid ontslagen.
  Aan de wegens beroepsongeschiktheid ontslagen ambtenaar wordt een vergoeding wegens ontslag toegekend.
  Deze vergoeding is gelijk aan twaalf maal de laatste maandbezoldiging van de ambtenaar indien hij ten minste twintig jaar dienst heeft, aan acht maal of zes maal deze bezoldiging naargelang de ambtenaar tien jaar dienst of minder dan tien jaar dienst heeft.
  Voor de toepassing van dit artikel moet onder "bezoldiging" worden verstaan elke wedde, elk loon of elke vergoeding geldend als wedde of loon, rekening houdend met de verhogingen of verminderingen die te wijten zijn aan de schommelingen van de index der kleinhandelsprijzen. De in aanmerking te nemen bezoldiging is die welke verschuldigd is voor volledige prestaties, eventueel met inbegrip van de haard- of standplaatstoelage, en rekening houdend met de verhogingen of verminderingen die te wijten zijn aan de schommelingen van de index der kleinhandelsprijzen.
Art. 154. § 1er. L'agent qui obtient deux évaluations consécutives avec la mention " insuffisant ", est déclaré inapte professionnellement par l'autorité investie du pouvoir de nomination.
  § 2. En cas de confirmation visé à l'article 151 de la déclaration d'inaptitude professionnelle ou lorsque l'agent n'a pas été en recours contre la déclaration d'inaptitude professionnelle, l'agent est licencié par l'autorité investie du pouvoir de nomination.
  Une indemnité de départ est accordée à l'agent licencié pour inaptitude professionnelle.
  Cette indemnité est égale à douze fois la dernière rémunération mensuelle de l'agent si celui-ci compte au moins vingt années de service, à huit fois ou à six fois cette rémunération selon que l'agent compte dix ans de service ou moins de dix ans de service.
  Pour l'application du présent article, il faut entendre par " rémunération ", tout traitement, salaire ou indemnité tenant lieu de traitement ou de salaire, compte tenu des augmentations ou des diminutions dues aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation. La rémunération à prendre en considération est celle qui est due pour des prestations complètes, en ce compris éventuellement l'allocation de foyer ou de résidence, compte tenu des augmentations ou des diminutions dues aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation.
TITEL VII. - De administratieve standen, de afwezigheden en de verloven
TITRE VII. - Des positions administratives, des absences et des congés
HOOFDSTUK I. - De administratieve standen
CHAPITRE Ier. - Des positions administratives
Afdeling 1. - De dienstactiviteit
Section 1re. - De l'activité de service
Art. 155. De dienstactiviteit is de gewone administratieve stand van de ambtenaar.
  Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in dienstactiviteit recht op wedde en op verhoging in zijn weddeschaal.
  Hij kan zijn aanspraken op bevordering, op toekenning van een mandaat of op een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan doen gelden.
Art. 155. L'activité de service est la position administrative habituelle de l'agent.
  Sauf dispositions contraires, l'agent en activité de service a droit à son traitement et à l'avancement dans son échelle de traitement.
  Il peut faire valoir ses titres à la promotion, à l'attribution d'un mandat ou à l'octroi d'une échelle de traitement plus élevée dans sa carrière fonctionnelle.
Afdeling 2. - De non-activiteit
Section 2. - De la non-activité
Art. 156. De ambtenaar kan, krachtens de bepalingen van dit besluit, van rechtswege of bij beslissing van de bevoegde overheid in non-activiteit worden geplaatst.
  Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in deze stand geen recht op wedde en op verhoging in zijn weddeschaal.
  Hij verliest zijn aanspraken op :
  1° bevordering of toekenning van een mandaat;
  2° een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan.
Art. 156. L'agent peut, conformément aux dispositions du présent arrêté, être mis en non-activité de plein droit ou sur décision de l'autorité compétente
  Sauf dispositions contraires, l'agent dans cette position, n'a droit ni à son traitement, ni à l'avancement dans son échelle de traitement.
  Il ne peut faire valoir ses titres à :
  1° la promotion ou à l'attribution d'un mandat;
  2° l'octroi d'une échelle de traitement plus élevée dans sa carrière fonctionnelle.
Art. 157. Niemand kan in non-activiteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de voorwaarden voldoet om te worden gepensioneerd.
Art. 157. Nul ne peut être mis ou maintenu en non-activité s'il se trouve dans les conditions de mise à la retraite.
Afdeling 3. - De disponibiliteit
Section 3. - De la disponibilité
Onderafdeling 1. - De disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst
Sous-section 1re. - De la disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service
Art. 158. De ambtenaar kan, zonder opzegging, in disponibiliteit worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst wanneer hij een bepaald ambt niet kan uitoefenen en hij niet onmiddellijk in een beter geschikte betrekking wederom tewerkgesteld kan worden.
  Op voorstel van de directieraad neemt de benoemende overheid een beslissing omtrent de indisponibiliteitstelling. De betrokkene wordt vooraf door de directieraad gehoord en kan worden bijgestaan door een persoon naar zijn keuze.
Art. 158. L'agent peut, sans préavis, être mis en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service s'il ne peut exercer une fonction déterminée et s'il ne peut pas être immédiatement réaffecté à un emploi plus adapté.
  Sur la proposition du Conseil de direction, l'autorité investie du pouvoir de nomination se prononce sur la mise en disponibilité. L'intéressé est préalablement entendu par le Conseil de direction et peut être assisté par la personne de son choix.
Art. 159. De ambtenaar in disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst heeft geen recht op wedde of op verhoging in zijn weddeschaal.
  Hij verliest zijn aanspraken op :
  1° bevordering of toekenning van een mandaat;
  2° een hogere weddeschaal in zijn functionele loopbaan.
  Hij geniet het eerste jaar een wachtgeld gelijk aan zijn laatste activiteitswedde. Vanaf het tweede jaar is dit wachtgeld gelijk aan 1/60e van de laatste activiteitswedde per dienstjaar dat hij telt op de datum waarop hij in disponibiliteit werd gesteld.
Art. 159. L'agent en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service n'a droit ni au traitement, ni à l'avancement dans son échelle de traitement.
  Il ne peut faire valoir ses titres à :
  1° la promotion ou l'attribution d'un mandat;
  2° l'octroi d'une échelle de traitement plus élevée dans sa carrière fonctionnelle.
  Il bénéficie durant la première année d'un traitement d'attente équivalant à son dernier traitement d'activité. A partir de la deuxième année, ce traitement d'attente est égal à 1/60ème du dernier traitement d'activité, multiplié par le nombre d'années de service qu'il compte à la date de sa mise en disponibilité.
Onderafdeling 2. - De disponibiliteit wegens ziekte
Sous-section 2. - De la disponibilité pour maladie
Art. 160. § 1. Onverminderd artikel 238 is de ambtenaar die wegens ziekte afwezig is na het maximaal aantal verlofdagen hem toegekend bij artikel 234, van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte.
  Hij behoudt zijn recht op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal.
  Artikel 239 is van toepassing op de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte.
  § 2. De ambtenaar die in disponibiliteit wegens ziekte is, ontvangt een wachtgeld dat gelijk is aan 60 % van zijn laatste activiteitswedde.
  Het bedrag van dit wachtgeld mag echter in geen geval lager liggen dan :
  1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde toestand zou ontvangen indien de socialezekerheidsregeling op hem toepasselijk was geweest sinds het begin van zijn afwezigheid;
  2° het pensioen dat hij zou verkregen hebben indien hij, op de datum van zijn indisponibiliteitstelling, tot de vervroegde oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid was toegelaten.
  Het wachtgeld wordt vastgesteld op basis van de laatste activiteitswedde.
  In geval van cumulatie van betrekkingen wordt het wachtgeld slechts toegekend op grond van het hoofdambt.
  § 3. De ambtenaar heeft recht op een maandelijks wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitswedde indien de kwaal waaraan hij lijdt door het Bestuur van de medische expertise van de Staat als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend. Dit recht heeft slechts uitwerking nadat de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte werd gesteld voor een ononderbroken periode van ten minste drie maanden.
  Dit recht heeft een herziening van de toestand van de ambtenaar tot gevolg met geldelijke uitwerking op de dag waarop zijn disponibiliteit wegens ziekte een aanvang heeft genomen.
  § 4. De disponibiliteit wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking bedoeld in de artikelen 167 tot 172, noch aan de stelsels van halftijdse vervroegde uittreding vanaf 50 of 55 jaar en de vierdagenweek zoals bedoeld in artikelen 173 tot 180, noch aan verminderde prestaties om persoonlijke redenen bedoeld in de artikelen 181 tot 183.
  Voor de toepassing van § 2 van dit artikel, is de laatste activiteitswedde deze welke voor de verminderde prestaties verschuldigd was.
Art. 160. § 1er. Sans préjudice de l'article 238, l'agent qui est absent pour maladie après avoir atteint le nombre de jours de congés accordés en vertu de l'article 234 se trouve de plein droit en disponibilité pour maladie.
  Il conserve ses titres à la promotion et à l'avancement dans son échelle de traitement.
  L'article 239 est applicable à l'agent en disponibilité pour maladie.
  § 2. L'agent en disponibilité pour maladie reçoit un traitement d'attente égal à 60 % de son dernier traitement d'activité.
  Toutefois, le montant de ce traitement d'attente ne peut en aucun cas être inférieur :
  1° aux indemnités que l'intéressé obtiendrait dans la même situation si le régime de la sécurité sociale lui avait été applicable dès le début de son absence;
  2° à la pension qu'il obtiendrait si, à la date de sa mise en disponibilité, il avait été admis à la retraite anticipée pour cause d'inaptitude physique.
  Le traitement d'attente est établi sur base du dernier traitement d'activité.
  En cas de cumul de fonctions, le traitement d'attente n'est accordé qu'en raison de la fonction principale.
  § 3. L'agent a droit à un traitement d'attente mensuel égal au montant de son dernier traitement d'activité si l'affection dont il souffre est reconnue comme maladie grave et de longue durée par l'Administration de l'expertise médicale. Ce droit ne produit ses effets qu'à partir du moment où l'agent a été mis en disponibilité pour une période ininterrompue de trois mois au moins.
  Ce droit entraîne une révision de la situation de l'agent avec effet pécuniaire au jour où sa disponibilité a débuté.
  § 4. La disponibilité pour maladie ne met pas fin aux régimes de l'interruption de la carrière professionnelle visés aux articles 167 à 172, ni aux régimes du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans et de la semaine de quatre jours visés aux articles 173 à 180, ni aux prestations réduites pour convenances personnelles visées aux articles 181 à 183.
  Pour l'application du § 2 du présent article, le dernier traitement d'activité est celui qui était dû avant les prestations réduites.
Art. 161. § 1. De ambtenaar die in disponibiliteit werd gesteld wegens een ernstige ziekte van lange duur, wordt ieder jaar medisch onderzocht door de medische controledienst bedoeld in artikel 241 in de loop van de maand overeenstemmend met die waarin hij in disponibiliteit werd gesteld.
  § 2. De ambtenaar die in disponibiliteit werd gesteld wegens ziekte, wordt minstens ieder jaar medisch onderzocht door de medische controledienst bedoeld in artikel 241.
  § 3. Verschijnt de ambtenaar niet voor de medische controledienst bedoeld in artikel 241 op het tijdstip bepaald in het eerste lid, dan wordt de uitkering van zijn wachtgeld vanaf dat tijdstip geschorst tot hij verschijnt.
Art. 161. § 1er. L'agent qui est mis en disponibilité pour maladie grave et de longue durée, subit chaque année un examen médical auprès du service de contrôle médical visé à l'article 241, dans le courant du mois correspondant à celui au cours duquel il a été mis en disponibilité.
  § 2. L'agent qui est mis en disponibilité pour maladie, subit chaque année au moins un examen médical auprès du service de contrôle médical visé à l'article 241.
  § 3. Si l'agent ne comparaît pas devant le service de contrôle médical prévu par l'article 241 le paiement de son traitement d'attente est suspendu depuis cette époque jusqu'à sa comparution.
Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
Sous-section 3. - Dispositions communes
Art. 162. De directieraad kan de betrekking waarvan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar titularis was, onmiddellijk vacant verklaren in geval van disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst.
  De vacantverklaring kan slechts worden beslist na verloop van een jaar in geval van disponibiliteit wegens ziekte.
Art. 162. Le Conseil de direction peut déclarer immédiatement vacant l'emploi dont l'agent placé en disponibilité était titulaire, en cas de disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service.
  En cas de disponibilité pour maladie, la déclaration de vacance ne peut être décidée qu'après un an.
Art. 163. De directieraad kan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar in actieve dienst terugroepen indien hij de vereiste beroepsgeschiktheid en lichamelijke geschiktheid bezit.
  De ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte, wiens betrekking niet vacant werd verklaard, neemt zijn betrekking opnieuw op wanneer hij zijn dienst hervat.
  De ambtenaar is in elk geval gehouden binnen de termijn bepaald door de directieraad, de betrekking te bekleden die hem werd toegewezen. De ambtenaar die dit zonder geldige reden weigert, wordt na tien werkdagen afwezigheid ambtshalve ontslagen.
Art. 163. Le Conseil de direction peut rappeler en activité de service l'agent placé en disponibilité s'il possède les aptitudes professionnelles et physiques requises.
  L'agent en disponibilité pour maladie dont l'emploi n'a pas été déclaré vacant, le reprend lorsqu'il réintègre son service.
  L'agent est tenu en tous cas d'occuper, dans les délais fixés par le Conseil de direction, l'emploi qui lui est assigné. L'agent qui s'y refuse sans raison valable, est, après dix jours ouvrables d'absence, démis d'office.
Art. 164. Niemand kan in disponibiliteit gesteld of gehouden worden wanneer hij voldoet aan de voorwaarden om gepensioneerd te worden.
Art. 164. Nul ne peut être mis ou maintenu en disponibilité s'il se trouve dans les conditions de mise à la retraite.
HOOFDSTUK II. - De afwezigheden
CHAPITRE II. - Des absences
Art. 165. De ambtenaar mag niet afwezig zijn zonder verlof of dienstvrijstelling te hebben gekregen.
  Onder dienstvrijstelling wordt verstaan de toestemming gegeven aan een ambtenaar om gedurende de diensturen afwezig te zijn voor een bepaalde duur met het behoud van al zijn rechten.
  Met uitzondering van de in dit besluit bepaalde gevallen worden de verloven en dienstvrijstellingen door de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal of de door hem aangewezen ambtenaar toegekend.
Art. 165. L'agent ne peut s'absenter s'il n'a pas obtenu un congé ou une dispense de service.
  Par dispense de service, il y a lieu d'entendre l'autorisation accordée à l'agent de s'absenter pendant les heures de service pour une durée déterminée avec maintien de ses droits.
  A l'exception des cas prévus dans le présent arrêté, le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint ou l'agent désigné par lui accorde les congés et dispenses de service.
Art. 166. § 1. Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf, bevindt de ambtenaar die zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof zonder geldige reden overschrijdt, zich van rechtswege in non-activiteit.
  § 2. De deelname van een ambtenaar aan een overlegde werkstaking wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Hij heeft echter geen recht op zijn wedde.
  § 3. Indien de ambtenaar zonder geldige reden meer dan tien werkdagen afwezig is, wordt hij ambtshalve ontslagen.
Art. 166. § 1er. Sans préjudice de l'application éventuelle d'une peine disciplinaire, l'agent qui s'absente sans autorisation ou dépasse le terme de son congé sans motif valable, se trouve de plein droit en non-activité.
  § 2. La participation de l'agent à une cessation concertée de travail est assimilée à une période d'activité de service. Il n'a pas droit toutefois à son traitement.
  § 3. L'agent qui, sans raison valable, s'absente plus de dix jours ouvrables, est démis d'office.
HOOFDSTUK III. - De verloven van loopbaanonderbreking, van vierdagenweek en van halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar
CHAPITRE III. - Des congés dans le cadre de l'interruption de carrière, de la semaine de quatre jours et du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans
Afdeling 1. - Het verlof voor loopbaanonderbreking
Section 1re. - Du congé pour interruption de carrière
Art. 167. § 1. De ambtenaar krijgt verlof om zijn loopbaan te onderbreken volgens de herstelwet van 22 januari 1985 onder het stelsel van het Koninklijk Besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen alsmede van alle bepalingen die deze regeling mochten wijzigen of vervangen.
  § 2. De ambtenaar kan verlof voor loopbaanonderbreking krijgen volgens de voorwaarden en modaliteiten van het Koninklijk Besluit bedoeld in de eerste alinea :
  1° volledig;
  2° gedeeltelijk, naar rata van een vijfde of de helft van de duur van de dienstprestaties die normaal behoren te worden verricht;
  3° met het oog op hulpverlening aan of verzorging van een gezins- of familielid tot de tweede graad dat aan een ernstige kwaal lijdt;
  4° met het oog op palliatieve verzorging;
  5° in het kader van het ouderschapsverlof bij de geboorte of de adoptie van een kind.
  [1 6° in het kader van het verlof voor erkende mantelzorgers.]1
  
Art. 167. § 1er. L'agent bénéficie d'un congé pour interruption de carrière accordée en vertu de la loi de redressement du 22 janvier 1985 selon le régime fixé par l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations ainsi que par toutes les dispositions qui les modifieraient ou les remplaceraient.
  § 2. L'agent peut obtenir, aux conditions et selon les modalités prévues par l'arrêté royal visé à l'alinéa 1er, un congé pour interrompre sa carrière professionnelle :
  1° de manière complète;
  2° de manière partielle à raison d'un cinquième ou de la moitié de la durée des prestations qui lui sont normalement imposées;
  3° pour l'assistance ou l'octroi de soins à un membre de son ménage ou à un membre de sa famille jusqu'au deuxième degré, qui souffre d'une maladie grave;
  4° pour donner des soins palliatifs;
  5° dans le cadre du congé parental lors de la naissance ou de l'adoption d'un enfant.
  [1 6° dans le cadre du congé pour les aidants proches reconnus.]1
  
Art. 168. § 1. Iedere ambtenaar heeft recht op de verloven voor loopbaanonderbreking [1 bedoeld in artikel 167, § 2, 4°, 5° en 6°]1.
  § 2. De ambtenaren van rang 1 hebben recht op de verloven voor volledige loopbaanonderbreking, voor gedeeltelijke loopbaanonderbreking en voor loopbaanonderbreking in het kader van de medische bijstand bedoeld in artikel 167 § 2, 1° tot en met 3°.
  De houders van een bevorderingsgraad kunnen deze verloven genieten, middels de toelating van de secretaris generaal [1 , de adjunct-secretaris-generaal of hun afgevaardigde]1.
  De mandaathouders worden ervan uitgesloten.
  
Art. 168. § 1er. Tous les agents ont droit aux congés pour interruption de carrière [1 visés à l'article 167, § 2, 4°, 5° et 6°]1.
  § 2. Ont droit aux congés pour interruption de la carrière complète, pour interruption de la carrière partielle et pour interruption de la carrière dans le cadre de l'assistance médicale visés à l'article 167 § 2, 1° à 3°, les agents de rang 1.
  Peuvent bénéficier de ces congés les agents titulaires d'un grade de promotion, moyennant l'autorisation du Secrétaire général [1 , du Secrétaire général adjoint ou de leur délégué]1.
  En sont exclus les agents titulaires d'un mandat.
  
Art. 169. [1 § 1. Bij gedeeltelijke loopbaanonderbreking worden de dienstprestaties ofwel dagelijks ofwel volgens een andere indeling van de werkweek, ofwel volgens een andere indeling van de vijftien dagen.
   In afwijking van het eerste lid kan de secretaris-generaal, de adjunct-secretaris-generaal of hun afgevaardigde beslissen voor sommige door hem bepaalde functies een indeling van de dienstprestaties per maand op te leggen.
   § 2. De ambtenaar mag gebruik van flexibele werkregelingen vragen in de gevallen bedoeld in artikel 167, § 2, 3°, 4°, 5° en 6°. De secretaris- generaal, de adjunct-secretaris-generaal of hun afgevaardigde onderzoekt en antwoordt op de aanvraag om flexibele werkregelingen binnen een redelijke termijn, rekening houdend met de behoeften van zowel de ambtenaar als deze van de betrokken dienst.
   Hij motiveert de weigering of het uitstel van de toekenning van het verlof en van de flexibele werkregelingen schriftelijk.
   Wanneer flexibele werkregelingen worden toegekend heeft de ambtenaar het recht om terug te keren naar de oorspronkelijke werkregeling aan het einde van de overeengekomen periode. De ambtenaar heeft ook het recht om te vragen om terug te keren naar de oorspronkelijke werkregeling vóór het einde van de overeengekomen periode, wanneer een verandering in de omstandigheden dit rechtvaardigt.
   De secretaris-generaal, de adjunct-secretaris-generaal of hun afgevaardigde, onderzoekt een verzoek om eerder terug te keren naar de oorspronkelijke werkregeling en antwoordt binnen een redelijke termijn, rekening houdend met de behoeften van zowel de ambtenaar als deze van de betrokken dienst.
   § 3. Onverminderd artikel 170 kan de ambtenaar zijn functie hervatten vooraleer de periode van loopbaanonderbreking verstreken is met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden die per aangetekend schrijven aan de secretaris-generaal, de adjunct-secretaris- generaal of hun afgevaardigde ter kennis wordt gebracht, tenzij laatstgenoemde een kortere termijn aanvaardt.
   § 4. Onverminderd artikel 170, aan het einde van het verlof:
   a) de rechten die verworven zijn of zullen worden verworven, met inbegrip van wijzigingen voortvloeiend uit de wetgeving of nationale of regionale praktijk, zijn van toepassing;
   b) heeft de ambtenaar het recht zijn functie opnieuw uit te oefenen of, indien dat onmogelijk is, een gelijkwaardige functie, op voorwaarden die niet minder gunstig zijn voor hem, terug te keren;
   c) geniet de ambtenaar elke verbetering van de arbeidsvoorwaarden waarop hij recht zou hebben gehad indien hij geen verlof had opgenomen ]1
.
  
Art. 169. [1 § 1er. En cas d'interruption partielle de la carrière, les prestations s'effectuent soit chaque jour soit selon une autre répartition sur la semaine ou la quinzaine.
   En dérogation à l'alinéa 1er, le Secrétaire général, le Secrétaire général adjoint ou leur délégué peut décider d'une répartition par mois pour certaines fonctions qu'il détermine.
   § 2. L'agent peut demander des formules souples de travail dans les cas visés à l'article 167 § 2, 3°, 4°, 5° et 6°. Le Secrétaire général, le Secrétaire général adjoint ou leur délégué examine et répond à la demande des formules souples de travail dans un délai raisonnable en tenant compte des besoins de l'agent et de ceux du service concerné.
   Il justifie le refus ou le report de l'octroi des formules souples de travail par écrit.
   Lorsque des formules souples de travail sont octroyées, l'agent a le droit de revenir au régime de travail de départ à la fin de la période convenue. L'agent a aussi le droit de demander à revenir au régime de travail de départ avant la fin de la période convenue, dès lors qu'un changement de circonstances le justifie.
   Le Secrétaire général, le Secrétaire général adjoint ou leur délégué examine une demande visant à revenir plus tôt au régime de travail de départ et y répond dans un délai raisonnable, en tenant compte des besoins de l'agent et de ceux du service concerné.
   § 3. Sans préjudice de l'article 170, l'agent peut reprendre sa fonction avant l'échéance de la période d'interruption de carrière moyennant un préavis de trois mois, communiqué par lettre recommandée au Secrétaire général, au Secrétaire général adjoint ou à leur délégué, à moins que celui-ci n'accepte un délai plus court.
   § 4. Sans préjudice de l'article 170, à l'issue du congé :
   a) les droits acquis ou en cours d'acquisition, y compris les changements découlant de la législation ou de la pratique nationale ou régionale, s'appliquent ;
   b) l'agent a le droit de retrouver sa fonction ou, en cas d'impossibilité, une fonction équivalente à des conditions qui ne lui soient pas moins favorables ;
   c) l'agent bénéficie de toute amélioration des conditions de travail à laquelle il aurait eu droit s'il n'avait pas pris congé ]1
.
  
Art. 170. § 1. Een ambtenaar die de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt en die verlof verkrijgt tot loopbaanonderbreking overeenkomstig artikel 8 van het Koninklijk Besluit van 7 mei 1999 bedoeld in artikel 167, § 1, is ertoe gehouden zijn loopbaan gedeeltelijk te onderbreken tot aan zijn pensionering. Hij kan voor een andere regeling opteren, op voorwaarde dat de duur van de verrichte dienstprestaties wordt beperkt.
  § 2. Een ambtenaar die de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en die verlof verkrijgt tot loopbaanonderbreking overeenkomstig artikel 8bis van het Koninklijk Besluit van 7 mei 1999 bedoeld in artikel 167, § 1, is ertoe gehouden zijn loopbaan gedeeltelijk te onderbreken tot aan zijn pensionering. Hij kan voor een andere regeling opteren, op voorwaarde dat de duur van de verrichte dienstprestaties wordt beperkt.
Art. 170. § 1er. L'agent qui a atteint l'âge de 55 ans et qui obtient un congé pour interrompre sa carrière professionnelle, conformément à l'article 8 de l'arrêté royal du 7 mai 1999 visé à l'article 167, § 1er, est tenu de s'engager à interrompre partiellement sa carrière jusqu'à sa retraite. Il peut changer de régime pour autant que la durée de ses prestations de travail s'en trouve réduite.
  § 2. L'agent qui a atteint l'âge de 50 ans et qui obtient un congé pour interrompre sa carrière professionnelle, conformément à l'article 8bis de l'arrêté royal du 7 mai 1999 visé à l'article 167, § 1er, est tenu de s'engager à interrompre partiellement sa carrière jusqu'à sa retraite. Il peut changer de régime pour autant que la durée de ses prestations de travail s'en trouve réduite.
Art. 171. De ambtenaar kan tijdens zijn verlof geen aanspraak maken op zijn wedde.
  Dit verlof wordt voor het overige gelijkgesteld aan een periode van dienstactiviteit.
Art. 171. L'agent n'a pas droit à son traitement durant son congé.
  Ce congé est, pour le surplus, assimilé à une période d'activité de service.
Art. 172. Het verlof voor loopbaanonderbreking wordt in verlof voor persoonlijke redenen omgezet wanneer de ambtenaar een beroepsactiviteit uitoefent, uitgezonderd in de gevallen bedoeld in artikel 24, tweede lid, van voormeld Koninklijk Besluit van 7 mei 1999 of indien de ambtenaar een bijkomende beroepsactiviteit uitoefent als bezoldigd werknemer.
Art. 172. Le congé pour interruption de carrière est converti en congé pour convenances personnelles lorsque l'agent exerce une activité professionnelle, excepté dans les cas visés à l'article 24, alinéa 2 de l'arrêté royal du 7 mai 1999 susmentionné ou si l'agent exerce une activité professionnelle accessoire en tant que travailleur salarié.
Afdeling 2. - Verlof in het kader van de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar
Section 2. - Des congés dans le cadre de la semaine de quatre jours et du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans
Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen
Sous-section 1re. - Dispositions communes
Art. 173. § 1. Op grond van de artikelen 4 tot en met 8 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, hierna de wet van 19 juli 2012, alsook op grond van alle bepalingen die voornoemde bepalingen wijzigen of vervangen, kan de ambtenaar een regime van een vierdagenweek met premie en halftijds werken genieten vanaf 50 of 55 jaar.
  § 2. De ambtenaren van rang 1 hebben recht op de stelsels van de vierdagenweek met en zonder premie of het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar.
  De houders van een andere rang dan rang 1 kunnen deze stelsels genieten, met toestemming van de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal.
  De mandaathouders worden van deze stelsels uitgesloten.
  § 3. Dit verlof is niet bezoldigd en wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit.
Art. 173. § 1er. En vertu des articles 4 à 8 de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public, ci-après la loi du 19 juillet 2012, ainsi que de toutes les dispositions qui les modifieraient ou les remplaceraient, l'agent peut bénéficier du régime de la semaine de quatre jours avec prime et du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans.
  § 2. Ont droit aux régimes de la semaine de quatre jours avec et sans prime ou du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans, les agents de rang 1.
  Peuvent bénéficier de ces régimes les agents titulaires d'un rang autre que le rang 1, moyennant l'autorisation du Secrétaire général ou du Secrétaire général adjoint.
  Sont exclus de ces régimes les agents titulaires d'un mandat.
  § 3. Ce congé n'est pas rémunéré et est, pour le surplus, assimilé à une période d'activité de service.
Art. 174. De ambtenaar kan het verlof genieten overeenkomstig volgende modaliteiten :
  1° de ambtenaar die dit verlof wil genieten dient een aanvraag in bij zijn functionele chef;
  2° de aanvraag geschiedt minstens drie maanden vóór de aanvang van de periode van het verlof. Deze termijn kan in gemeenschappelijk overleg worden ingekort. De aanvraag bevat een voorstel van werkschema waarin bepaald wordt hoe de arbeidsprestaties worden geregeld;
  3° de periode van het verlof neemt een aanvang op de eerste dag van de maand.
Art. 174. L'agent peut bénéficier du congé selon les modalités suivantes :
  1° l'agent qui désire bénéficier de ce congé introduit une demande auprès de son chef fonctionnel;
  2° la demande est introduite au moins trois mois avant le début du congé. Ce délai peut être réduit de commun accord. La demande contient une proposition de calendrier précisant le régime des prestations de travail;
  3° la période de congé prend cours le premier jour d'un mois.
Onderafdeling 2. - Het stelsel van de vrijwillige vierdaagse werkweek met premie
Sous-section 2. - Du régime de la semaine de quatre jours avec prime
Art. 175. § 1. De ambtenaar die voltijds werkt, geniet de vierdagenweek met premie zoals voorzien in de artikelen 4 tot en met 6 van de wet van 19 juli 2012 gedurende een periode van minimaal drie maanden en maximaal vierentwintig maanden. Voor elke verlenging, is een verzoek van de ambtenaar vereist. Dit verzoek moet worden ingediend minimaal één maand voor het vervallen van de lopende periode.
  § 2. De secretaris generaal, de adjunct secretaris generaal of hun afgevaardigde kent het verlof toe en bepalen de arbeidsagenda. Hij kan het begin van het verlof uitstellen met maximaal drie maanden voor noodwendigheden van de dienst.
  In functie van de noodwendigheden van de dienst of op verzoek van de ambtenaar, kan de werkkalender worden aangepast door de secretaris generaal of zijn afgevaardigde. Hij brengt de ambtenaar minimaal twee maanden op voorhand op de hoogte van de beslissing.
  Een tijdelijke aanpassing van de werkkalender is mogelijk mits wederzijds akkoord.
  § 3. Gedurende de periode tijdens welke de ambtenaar geen prestaties dient te leveren binnen het kader van de vierdagenweek met premie, mag hij geen andere professionele activiteiten uitoefenen. Onder professionele activiteit dient te worden begrepen elke activiteit waarvan het resultaat een professionele inkomst is zoals bedoeld in artikel 23 van het Wetboek Inkomstenbelastingen van 1992. De politieke mandaten bedoeld in artikel 259 en volgende worden niet beschouwd als een professionele activiteit.
Art. 175. § 1er. L'agent occupé à temps plein bénéficie de la semaine de quatre jours avec prime telle que visée aux articles 4 à 6 de la loi du 19 juillet 2012 pendant une période de minimum trois mois et maximum vingt-quatre mois. Pour chaque prolongation, une demande de l'agent est requise. Cette demande doit être introduite au moins un mois avant l'expiration de la période en cours.
  § 2. Le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint ou leur délégué accorde le congé et détermine le calendrier de travail. Il peut reporter le début du congé de maximum trois mois pour les besoins du service.
  En fonction des besoins du service ou à la demande de l'agent, le calendrier de travail peut être adapté par le Secrétaire général ou son délégué. Il informe l'agent de cette adaptation deux mois à l'avance
  Une adaptation temporaire du calendrier de travail est possible par accord mutuel
  § 3. Pendant la période durant laquelle l'agent n'a pas de prestations à fournir dans le cadre de la semaine de quatre jours avec prime, il ne peut exercer aucune activité professionnelle. Par activité professionnelle, il faut entendre toute occupation dont le produit est un revenu professionnel visé à l'article 23 du Code des impôts sur les revenus 1992. Les mandats politiques visés aux articles 259 et suivants ne sont pas considérés comme une activité professionnelle.
Art. 176. Gedurende de periode van de vierdagenweek met premie, kan het de ambtenaar niet toegelaten worden verminderde prestaties uit te voeren voor welke reden dan ook. Hij kan ook geen beroep doen op een regime van deeltijdse loopbaanonderbreking.
  Het verlof voor de vierdagenweek met premie wordt ambtshalve geschorst indien de ambtenaar één van de volgende verloven geniet :
  1° moederschapsverlof en het verlof voor arbeidsvrijstelling in toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 en van artikel 18 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector;
  2° ouderschapsverlof;
  3° adoptieverlof en verlof voor onthaal;
  4° verlof voor loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen [1 , voor erkende mantelzorgers, ]1 of om bijstand te verlenen of zorgen te verlenen aan een gezinslid of familie;
  5° verminderde prestaties ingevolge medische redenen in toepassing van artikel 245.
  Wanneer een ambtenaar een schorsing verkrijgt door toepassing van lid 2, dan worden deze periodes niet meegeteld voor een periode van maximaal 60 maanden bedoeld in artikel 4 § 2 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, alsook niet voor de lopende periode van de vierdagenweek.
  
Art. 176. Pendant la période de la semaine de quatre jours avec prime, l'agent ne peut pas être autorisé à exercer des prestations réduites pour quelque raison que ce soit. Il ne peut pas non plus prétendre à un régime d'interruption à temps partiel de la carrière professionnelle.
  Le congé pour la semaine de quatre jours avec prime est d'office suspendu lorsque l'agent bénéficie de l'un des congés suivants :
  1° congé de maternité et le congé pour dispense de travail en application des articles 42 et 43 de la loi sur le travail du 16 mars 1971 et de l'article 18 de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public;
  2° congé parental;
  3° congé d'adoption et congé d'accueil;
  4° congé pour interruption de la carrière professionnelle pour soins palliatifs [1 , pour aidants proches reconnus,]1 ou pour assister ou prodiguer des soins à un membre du ménage ou de la famille;
  5° prestations réduites pour raisons médicales en application de l'article 245.
  Lorsqu'un agent obtient une suspension en application de l'alinéa 2, ces périodes de suspension ne sont pas imputées sur la période maximale de 60 mois visée à l'article 4, § 2, de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public, ni sur la période en cours de la semaine de quatre jours.
  
Art. 177. De ambtenaar kan een einde maken aan de regeling van de vierdagenweek met premie mits inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden die per aangetekend schrijven aan de secretaris generaal, de adjunct secretaris generaal of hun afgevaardigde ter kennis wordt gebracht, tenzij deze een kortere termijn aanvaardt.
Art. 177. L'agent peut mettre fin au régime de la semaine de quatre jours avec prime moyennant un préavis de trois mois, communiqué par lettre recommandée au Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint ou leur délégué, à moins que celui-ci n'accepte un délai plus court.
Onderafdeling 3. - Het stelsel van de vrijwillige vierdaagse werkweek zonder premie
Sous-section 3. - Du régime de la semaine de quatre jours sans prime
Art. 178. § 1. Onverminderd het recht op de vierdagenweek met premie, toegekend in uitvoering van de artikelen 4 tot 6 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, heeft de ambtenaar die voltijds tewerkgesteld is, het recht om vier vijfde te verrichten van de prestaties die normaal worden opgelegd, zonder bijkomende premie. De prestaties worden verricht over vier werkdagen per week.
  § 2. De ambtenaar die gebruik maakt van het recht bedoeld in § 1, ontvangt tachtig procent van zijn wedde. De periode van afwezigheid wordt als verlof beschouwd en met dienstactiviteit gelijkgesteld.
  § 3. De ambtenaar die gebruik wenst te maken van het recht op de vierdagenweek zonder premie bedoeld in § 1, dient daartoe een aanvraag in, minstens drie maanden vóór aanvang van die periode.
  De machtiging voor de arbeidsregeling bedoeld in § 1 wordt door de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal toegekend voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vierentwintig maanden. Voor elke verlenging wordt een aanvraag van het betrokken personeelslid vereist. Zij moet ten minste een maand vóór het verstrijken van de lopende periode worden ingediend.
  De bevordering door verhoging in graad of door overgang naar een hoger niveau maakt ambtshalve een einde aan de machtiging tot de arbeidsregeling bedoeld in § 1.
  § 4. De artikelen 175 § 3 en 176 zijn van toepassing op de arbeidsregeling bedoeld in § 1.
  § 5. De ambtenaar kan een einde maken aan de in § 1 bedoelde arbeidsregeling met een opzegging van drie maanden, die per aangetekend schrijven aan de secretaris generaal, de adjunct secretaris generaal of hun afgevaardigde ter kennis wordt gebracht, tenzij laatstgenoemde een kortere termijn aanvaardt.
Art. 178. § 1er. Sans préjudice du droit à la semaine de quatre jours avec prime accordée en application des articles 4 à 6 de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public, l'agent à temps plein a le droit de fournir quatre cinquième des prestations qui lui sont normalement imposées sans bénéficier d'une prime complémentaire. Les prestations sont effectuées sur quatre jours ouvrables par semaine.
  § 2. L'agent qui fait usage du droit visé au § 1er, reçoit quatre-vingts pour cent du traitement. La période d'absence est considérée comme un congé et assimilée à de l'activité de service.
  § 3. L'agent qui désire faire usage du droit à la semaine de quatre jours sans prime visé au § 1er, introduit à cet effet sa demande au moins trois mois avant le début de la période.
  L'autorisation pour le régime de travail visé au § 1er est accordée par le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint ou leur délégué pour une période de minimum trois mois et maximum vingt-quatre mois. Pour chaque prolongation, une demande de l'agent est requise. Cette demande doit être introduite au moins un mois avant l'expiration de la période en cours.
  La promotion par avancement de grade ou par accession à un niveau supérieur met fin d'office à l'autorisation de régime de travail visé au § 1er.
  § 4. Les articles 175, § 3 et 176 sont applicables au régime de travail visé au § 1er.
  § 5. L'agent peut mettre fin au régime de travail visé au § 1er moyennant un préavis de trois mois, communiqué par lettre recommandée au Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint ou leur délégué, à moins que celui-ci n'accepte un délai plus court.
Onderafdeling 4. - Halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar
Sous-section 4. - Du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans
Art. 179. § 1. Halftijdse prestaties zoals bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de wet van 19 juli 2012 worden geleverd volgens de volgende voorwaarden :
  - ofwel dagelijks;
  - ofwel volgens een andere verdeling over de week of over vijftien dagen.
  Ter afwijking van het voorgaande lid, kan de minister beslissen tot een verdeling over de maand voor bepaalde specifieke functies die hij vastlegt.
  § 2. De secretaris generaal of zijn afgevaardigde verleent het verlof en bepaalt de werkkalender. Hij kan het begin van het verlof met maximaal drie maanden uitstellen voor de noodwendigheden van de dienst.
  In functie van de noodwendigheden van de dienst of op verzoek van de ambtenaar, kan de werkkalender worden aangepast door de secretaris generaal of zijn afgevaardigde. Deze laatsten informeren de ambtenaar over deze aanpassing 60 dagen van tevoren.
  Een tijdelijke aanpassing van de werkkalender is mogelijk mits wederzijds akkoord.
  § 3. Tijdens de periode gedurende welke de ambtenaar geen prestaties levert tijdens het regime van halftijds werken, mag hij geen andere professionele activiteit uitoefenen. Onder professionele activiteit dient te worden begrepen elke activiteit waarvan het resultaat een professionele inkomst is zoals bedoeld in artikel 23 van het Wetboek Inkomstenbelastingen van 1992. De politieke mandaten bedoeld in artikel 259 en volgende worden niet beschouwd als een professionele activiteit.
Art. 179. § 1er. Les prestations à mi-temps visées aux articles 7 et 8 de la loi du 19 juillet 2012 sont accomplies selon les modalités suivantes :
  - soit chaque jour;
  - soit selon une autre répartition sur la semaine ou la quinzaine.
  En dérogation à l'alinéa précédent, le ministre peut décider d'une répartition par mois pour certaines fonctions qu'il détermine.
  § 2. Le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint ou leur délégué accorde le congé et détermine le calendrier de travail. Il peut reporter le début du congé de maximum trois mois pour les besoins du service.
  En fonction des besoins du service ou à la demande de l'agent, le calendrier de travail peut être adapté par le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint ou leur délégué. Ces derniers informent l'agent de cette adaptation 60 jours à l'avance.
  Une adaptation temporaire du calendrier de travail est possible par accord mutuel.
  § 3. Pendant la période durant laquelle l'agent n'a pas de prestations à fournir dans le cadre du régime de travail à mi-temps, il ne peut exercer aucune activité professionnelle. Par activité professionnelle, il faut entendre toute occupation dont le produit est un revenu professionnel visé à l'article 23 du Code des impôts sur les revenus 1992. Les mandats politiques visés aux articles 259 et suivants ne sont pas considérés comme une activité professionnelle.
Art. 180. Gedurende de periode van halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar, kan het de ambtenaar niet toegestaan worden verminderde prestaties uit te voeren voor welke reden dan ook. Hij kan ook geen beroep doen op een regime van deeltijdse loopbaanonderbreking.
Art. 180. Pendant la période du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans, l'agent ne peut pas être autorisé à exercer des prestations réduites pour quelque raison que ce soit. Il ne peut pas non plus prétendre à un régime d'interruption à temps partiel de la carrière professionnelle.
HOOFDSTUK IV. - Verminderde prestaties om persoonlijke redenen
CHAPITRE IV. - Des prestations réduites pour convenances personnelles
Art. 181. § 1. De ambtenaren van rang 1 hebben recht op verminderde prestaties om persoonlijke redenen.
  De houders van een andere rang dan rang 1 kunnen deze verloven genieten, met toestemming van de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal.
  De mandaathouders worden van deze verloven uitgesloten.
  § 2. De ambtenaar moet de helft, zes tienden, zeven tienden, acht tienden of negen tienden van de prestaties volbrengen die hem normaal worden opgelegd.
  Deze prestaties worden ofwel elke dag verricht, ofwel volgens een andere vaste verdeling over de week, ofwel volgens een andere verdeling bepaald binnen een periode van 15 dagen, ofwel over een vaste verdeling bepaald binnen een maand .
  De verminderde prestaties moeten steeds een aanvang nemen bij het begin van de maand.
  § 3. De machtiging om verminderde prestaties te leveren wordt toegekend voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vierentwintig maanden. Verlengingen van minstens drie maanden en maximaal vierentwintig maanden kunnen worden toegekend. Voor elke verlenging wordt een aanvraag van de betrokken ambtenaar vereist. Zij moet ten minste een maand vóór het verstrijken van het lopende verlof worden ingediend.
  § 4. Het werkschema wordt op dezelfde wijze geregeld als bepaald in artikel 175, § 2.
  § 5. De ambtenaar kan zijn ambt volledig hervatten voordat de toegestane periode verstrijkt mits inachtneming van een opzegperiode van drie maanden tenzij de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal een kortere periode aanvaardt.
Art. 181. § 1er. Ont droit aux prestations réduites pour convenances personnelles, les agents de rang 1.
  Peuvent bénéficier de ces congés les agents titulaires d'un d'un rang autre que le rang 1, moyennant l'autorisation du Secrétaire général ou du Secrétaire général adjoint.
  Sont exclus de ces congés les agents titulaires d'un mandat.
  § 2. L'agent est tenu d'accomplir la moitié, les six dixième, sept dixième, huit dixième ou neuf dixième de la durée de prestations qui lui sont normalement imposées.
  Ces prestations s'effectuent soit chaque jour, soit selon une autre répartition fixée sur la semaine, soit selon une autre répartition fixée sur une période de 15 jours, soit selon une autre répartition fixée sur le mois.
  Les prestations réduites doivent toujours prendre cours au début du mois.
  § 3. L'autorisation d'exercer des prestations réduites est accordée pour une période de trois mois au moins et de vingt-quatre mois au plus. Des prorogations de trois mois au moins et de vingt-quatre mois au plus peuvent être accordées. Chaque prorogation est subordonnée à une demande de l'agent intéressé, introduite au moins un mois avant l'expiration du congé en cours.
  § 4. Le calendrier de travail est fixé selon les mêmes modalités que celles visées à l'article 175, § 2.
  § 5. L'agent peut reprendre ses fonctions à temps plein avant l'expiration de la période accordée moyennant un préavis de trois mois à moins que le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint n'accepte un délai plus court.
Art. 182. § 1. Tijdens de afwezigheidperiode is de ambtenaar die gebruik maakt van de regeling van verminderde prestaties om persoonlijke redenen op non-activiteit. Hij kan niettemin zijn aanspraken op bevordering doen gelden naar ratio van de verrichte dienstprestaties.
  De bevordering tot een hogere graad maakt een einde aan de machtiging tot het uitoefenen van zijn ambt met verminderde prestaties.
  § 2. De ambtenaar geniet de wedde die verschuldigd is voor de verminderde prestaties.
  De wedde van de ambtenaar, die de leeftijd van vijftig jaar heeft bereikt en de ambtenaar die ten minste twee kinderen die niet de volle leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben ten laste heeft, wordt vermeerderd met een vijfde van de wedde dat verschuldigd zou zijn voor de prestaties die niet worden verstrekt.
Art. 182. § 1er. Durant la période d'absence, l'agent bénéficiant du régime de prestations réduites pour convenances personnelles est en non-activité. Il peut néanmoins faire valoir ses titres à la promotion, proportionnellement aux services qu'il preste.
  La promotion par avancement de grade ou par accession au niveau supérieur met fin d'office à l'autorisation d'exercer ses fonctions par prestations réduites.
  § 2. L'agent bénéficie du traitement dû en raison des prestations réduites.
  Le traitement de l'agent qui a atteint l'âge de cinquante ans et de l'agent qui a la charge d'au moins deux enfants n'ayant pas atteint l'âge de quinze ans accomplis, est augmenté du cinquième du traitement qui aurait été dû pour les prestations qui ne sont pas fournies.
Art. 183. De machtiging om verminderde prestaties te verrichten wordt opgeschort zodra de ambtenaar één van de volgende verloven verkrijgt :
  1° bevallingsverlof, [1 geboorteverlof,]1, ouderschapsverlof [1 , het verlof voor erkende mantelzorgers,]1 of opvangverlof;
  2° verlof om dwingende redenen van familiaal belang;
  3° verlof om een stage of een proefperiode te vervullen;
  4° verlof om kandidaat te zijn voor de verkiezingen;
  5° verlof om in vredestijd prestaties te verrichten bij het korps Civiele Bescherming;
  6° verlof om een ambt uit te oefenen bij een ministerieel kabinet;
  7° verlof voor opdracht;
  8° verlof voor werkzaamheden bij een erkende politieke fractie in een federale wetgevende vergadering of een wetgevende vergadering van een Gemeenschap of een Gewest of bij de voorzitter van één van die groepen;
  9° het verlof bedoeld in artikel 77, § 1, van het Koninklijk Besluit van 28 september 1984 houdende de uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
  
Art. 183. L'autorisation d'exercer ses fonctions par prestations réduites est suspendue dès que l'agent obtient un des congés suivants :
  1° le congé de maternité, le [1 congé de naissance, ]1, le congé parental [1 , le congé pour les aidants proches reconnus,]1 et le congé d'accueil;
  2° le congé pour motifs impérieux d'ordre familial;
  3° le congé pour accomplir un stage ou une période d'essai;
  4° le congé pour présenter sa candidature aux élections;
  5° le congé pour remplir en temps de paix des prestations au Corps de protection civile;
  6° le congé pour exercer une fonction dans un cabinet ministériel;
  7° le congé pour mission;
  8° le congé pour exercer une activité auprès d'un groupe politique reconnu d'une assemblée législative fédérale, communautaire ou régionale ou auprès du président d'un de ces groupes;
  9° le congé visé à l'article 77, § 1er, de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités.
  
HOOFDSTUK V. - De verloven van korte duur
CHAPITRE V. - Des congés de courte durée
Afdeling 1. - De jaarlijkse vakantie
Section 1re. - Des vacances annuelles
Art. 184. De ambtenaar heeft jaarlijks recht op 35 werkdagen vakantie.
  Hij geniet een bijkomende jaarlijkse vakantie van :
  1° één werkdag na vijf jaar dienstanciënniteit;
  2° twee werkdagen na tien jaar dienstanciënniteit.
Art. 184. L'agent a droit à 35 jours ouvrables par an de congé de vacances.
  Il bénéficie d'un supplément de congé annuel de vacances :
  1° d'un jour ouvrable après cinq années d'ancienneté de service;
  2° de deux jours ouvrables après dix années d'ancienneté de service.
Art. 185. De vakantiedagen worden genomen naar keuze van de ambtenaar doch met inachtneming van de behoeften van de dienst. Ze worden toegekend door de functionele chef.
  De ambtenaar heeft recht op een onafgebroken periode van ten minste tien werkdagen vakantie.
Art. 185. Les congés de vacances sont pris selon les convenances de l'agent tout en tenant compte des nécessités du service. Ils sont accordés par le chef fonctionnel.
  L'agent a droit à un congé de vacances d'au moins dix jours ouvrables consécutifs.
Art. 186. De ambtenaar heeft het recht om binnen het aantal van 35 werkdagen, vier werkdagen verlof te nemen zonder dat het dienstbelang daar tegenover kan worden gesteld om in geval van ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont.
  De persoon die onder hetzelfde dak woont dient bovendien te zijn : de echtgenoot, de persoon met wie hij samenleeft, een bloedverwant hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van de persoon met wie de ambtenaar samenleeft, een persoon opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij.
  De ambtenaar moet een medisch attest voorleggen ter staving van de noodzakelijkheid van zijn aanwezigheid bij de zieke persoon of de persoon die slachtoffer is van een ongeval.
Art. 186. L'agent a le droit de prendre, dans les limites des 35 jours ouvrables, quatre jours ouvrables de congé sans que l'intérêt du service puisse lui être opposé pour prendre soin d'une personne habitant sous son toit qui est victime d'une maladie ou d'un accident.
  La personne qui vit sous le même toit doit, en outre, être : le conjoint, la personne avec laquelle il vit en couple, un parent soit de l'agent, soit du conjoint ou de la personne avec laquelle l'agent vit en couple, une personne accueillie en vue de son adoption ou de l'exercice d'une tutelle officieuse.
  L'agent doit produire un certificat médical attestant de la nécessité de sa présence auprès de la personne malade ou accidentée.
Art. 187. Indien de ambtenaar de in artikel 186, eerste lid bedoelde vier werkdagen heeft opgebruikt of indien hij volledig de werkdagen waarin artikel 184 voorziet heeft opgebruikt, heeft hij recht op twee bijkomende werkdagen om dezelfde redenen en onder dezelfde voorwaarden als deze bepaald in artikel 186.
Art. 187. Si l'agent a utilisé les quatre jours ouvrables visés à l'article 186, alinéa 1er ou s'il a utilisé intégralement les jours ouvrables prévus à l'article 184, il a droit à deux jours ouvrables supplémentaires, pour les mêmes motifs et dans les mêmes conditions qu'à l'article 186.
Art. 188. De niet-bestede vakantiedagen worden ambtshalve naar de volgende jaar overgedragen. De overdracht is maximum één jaar geldig.
  Als de ambtenaar het geheel of een deel van zijn vakantiedagen niet kon opnemen wegens een afwezigheid door ziekte, als gevolg van een werkongeval, een ongeval op weg naar het werk of een beroepsziekte, mag de overdracht de termijn van één jaar overschrijden. Bij terugkomst van de ambtenaar worden de jaarlijkse vakantiedagen naar keuze van de ambtenaar opgenomen, maar er moet evenwel rekening gehouden worden met de behoeften van de dienst.
  
Art. 188. Les jours d'absence non utilisés sont d'office [1 reportés]1 à l'année suivante. Ce report est valable un an maximum.
  Lorsque l'agent n'a pas pu prendre la totalité ou une partie de son congé annuel à cause d'une absence pour maladie, par suite d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle, le report n'est pas limité à un an. Au retour de l'agent, le congé annuel est pris au choix de l'agent dans le respect toutefois des nécessités de service.
  
Art. 189. In de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel geldt een standaardwerktijdregeling met onderscheid tussen stamtijden, glijtijden en bereikbaarheid van de dienst waarvan de modaliteiten worden vastgesteld door de minister of zijn gemachtigde.
  In afwijking van deze werktijdregeling kan de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal voor specifieke organisatorische eenheden of werkzaamheden een bijzondere werktijdregeling bepalen.
  De maximale gemiddelde werktijd mag de 38 uren per week niet overschrijden.
Art. 189. Le Service public régional de Bruxelles est doté d'un régime de travail standard qui prévoit des plages fixes, des plages mobiles et des permanences de service dont les modalités sont fixées par le ministre ou son délégué.
  Par dérogation à ce régime de travail, le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint peut arrêter un régime de travail particulier s'appliquant à des unités organisationnelles ou des activités spécifiques.
  La moyenne du temps de travail maximum ne peut dépasser 38 heures par semaine.
Art. 190. Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijkse vakantie. Deze laatste wordt in evenredige mate verminderd :
  1° wanneer de ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn ambt definitief neerlegt;
  2° wanneer hij tijdens het jaar verlof verkrijgt :
  - om een stage of een proefperiode te vervullen bij een andere overheidsdienst, zoals bepaald in artikel 223;
  - om kandidaat te zijn voor de parlements-, gewest-, provincie-, gemeente-, of Europese raadsverkiezingen bedoeld in artikel 250;
  - om dwingende redenen van familiaal belang bedoeld in artikel 196;
  - wegens halftijdse werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in artikel 173;
  - met toepassing van de vierdagenweek bedoeld in artikel 175 en 178;
  - voor onderbreking van de beroepsloopbaan bedoeld in 167;
  - om een opdracht uit te voeren zoals bepaald in artikel 225;
  - [1 voor ouderschapsverlof buiten loopbaanonderbreking bedoeld in de artikelen 198 en 199.]1
  De afwezigheden waarbij de ambtenaar in non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst, geven eveneens aanleiding tot een evenredige vermindering van de vakantie.
  Het aldus berekende aantal dagen bedraagt steeds een hele of een halve dag. De afronding gebeurt naar de hogere halve of hele dag.
  
Art. 190. Toute période d'activité de service donne droit aux vacances annuelles. Ces dernières sont réduites à due concurrence :
  1° lorsque l'agent entre en service dans le courant de l'année ou démissionne de ses fonctions;
  [1 2° lorsqu'il obtient au cours de l'année des congés :]1
  - pour accomplir un stage ou une période d'essai auprès d'un autre service public tel que défini à l'article 223;
  - pour présenter sa candidature aux élections fédérales, régionales, provinciales, communales ou européennes défini dans l'article 250;
  - pour des raisons impérieuses d'ordre familial défini dans l'article 196;
  - en raison d'un travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans défini dans l'article 173;
  - en application de la semaine de quatre jours défini dans les articles 175 et 178;
  - pour interruption de la carrière professionnelle définie dans l'article 167;
  - pour effectuer une mission telle que définie dans l'article 225;
  - pour congé parental hors interruption de carrière visé aux articles 198 et 199.
  Les absences pendant lesquelles l'agent se trouve dans la position administrative de non-activité ou de disponibilité donnent également lieu à une réduction proportionnelle du congé de vacances.
  Le nombre de jours ainsi calculé est toujours un demi-jour ou un jour complet. Ce nombre est arrondi au demi-jour ou au jour complet supérieur.
  
Art. 191. De in deze afdeling bepaalde vakantiedagen worden opgeschort bij ziekte voor zover de geneeskundige controle mogelijk is.
Art. 191. Les jours de vacances fixés dans la présente section sont suspendus en cas de maladie pour autant que le contrôle médical soit possible.
Art. 192. De jaarlijkse vakantie wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Dit geldt eveneens voor de twee bijkomende dagen voorzien in artikel 187.
Art. 192. Le congé annuel de vacances est assimilé à une période d'activité de service. Il en est de même pour les deux jours supplémentaires prévus à l'article 187.
Afdeling 2. - De feestdagen
Section 2. - Des jours fériés
Art. 193. § 1. [1 De ambtenaar heeft verlof op wettelijke feestdagen en tevens op 8 mei, 2 en 15 november en 26 december.]1
  § 2. De in § 1 vermelde verlofdagen die samenvallen met een zaterdag of een zondag, worden gecompenseerd door een verlof van 27 december tot en met 31 december.
  § 3. De ambtenaar die krachtens de arbeidsregeling die op hem van toepassing is, of ten gevolge van de behoeften van de dienst verplicht is te werken op één van de dagen bedoeld in § 1 of gedurende de periode bedoeld in § 2, verkrijgt vervangende verlofdagen die genomen kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof.
  Bij definitieve ambtsneerlegging of oppensioenstelling voor de periode bedoeld in § 2, heeft de ambtenaar recht op een aantal verlofdagen gelijk aan het aantal feestdagen dat samenviel met een niet-werkdag in de periode dat hij nog wel in dienst was. Deze kunnen genomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof.
  § 4. De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
  
Art. 193. § 1er. [1 L'agent est en congé les jours fériés légaux, ainsi que le 8 mai, les 2 et 15 novembre et le 26 décembre.]1
  § 2. Les jours de congés visés au § 1er qui coïncident avec un samedi ou un dimanche sont compensés par un congé du 27 décembre au 31 décembre inclus.
  § 3. L'agent qui en vertu du régime de travail qui lui est applicable ou en raison des nécessités du service, est obligé de travailler l'un des jours mentionnés au § 1er ou pendant la période visée au § 2 obtient en substitution des jours de vacances qui peuvent être pris aux mêmes conditions que le congé annuel de vacances.
  En cas de démission de ses fonctions ou de mise à la pension avant la période visée au § 2, l'agent a droit à un nombre de jours de congé égal au nombre de jours fériés qui coïncidaient avec un jour non-ouvrable au cours de la période où il était encore en service. Ceux-ci peuvent être pris aux mêmes conditions que le congé annuel de vacances.
  § 4. Les congés visés au présent article sont assimilés à une période d'activité de service.
  
Afdeling 3. - Het verlof om familiale redenen
Section 3. - Du congé pour raisons familiales
Onderafdeling 1. - Het omstandigheidsverlof
Sous-section 1re. - Des congés de circonstance
Art. 194. De ambtenaar krijgt verlof, binnen de hierna gestelde perken, naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen :
  1° het huwelijk of de inschrijving in het bevolkingsregister van het samenlevingscontract van de ambtenaar : 4 werkdagen;
  2° [1 [5 de geboorte van een kind indien de ambtenaar wordt erkend als de vader van dat kind of gelijkgestelde tweede ouder, om voor dat kind te zorgen]5:
   - 15 werkdagen;
   [2 - 20 werkdagen vanaf 1 januari 2023]2];]1

  3° de geboorte van een kleinkind : 1 werkdag;
  [6 3° /1. het verlies van een zwangerschap van een vrouwelijke ambtenaar vóór de 181e dag van de zwangerschap, op voorwaarde dat de zwangerschap vooraf schriftelijk is gemeld aan de secretaris-generaal, aan de adjunct-secretaris-generaal of aan hun afgevaardigde, en het verlies van een zwangerschap van de echtgenote of de samenwonende partner van de ambtenaar die als vader of gelijkgestelde tweede ouder is erkend vóór de 181e dag, op voorwaarde dat de zwangerschap vooraf schriftelijk is gemeld aan de secretaris-generaal, aan de adjunct-secretaris-generaal of aan hun afgevaardigde. De vrouwelijke ambtenaar verstrekt eveneens een zwangerschapsattest gelijktijdig met of na haar voormelde aangifte : 2 werkdagen ;]6
  4° [6 het overlijden van de echtgenoot van de ambtenaar of van de samenwonende partner van de ambtenaar ; het overlijden van het natuurlijk kind, het adoptiekind van de ambtenaar, of van diens echtgenoot, of van de samenwonende partner van de ambtenaar; het overlijden van het pleegkind in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden of in het verleden die geplaatst was bij de ambtenaar, of diens echtgenoot, of de samenwonende partner van de ambtenaar: 10 werkdagen, waarbij drie werkdagen door de ambtenaar te kiezen tijdens de periode beginnend op de dag van het overlijden en eindigend op de dag van de begrafenis en zeven werkdagen door de ambtenaar te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van beide periodes waarin deze verlofdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van de ambtenaar met instemming van de hiërarchisch meerdere;]6;
  5° [6 het overlijden van de vader, adoptievader, moeder, adoptiemoeder, schoonvader, tweede echtgenoot van de moeder of adoptiemoeder, tweede echtgenote van de moeder of adoptiemoeder schoonmoede, schoonmoeder, tweede echtgenote van de vader of adoptievader, tweede echtgenoot van de vader of adoptievader, schoondochter, schoonzoon van de ambtenaar, of van diens echtgenoot, of van de samenwonende partner van de ambtenaar : 10 werkdagen, waarbij drie werkdagen door de ambtenaar te kiezen tijdens de periode beginnend op de dag van het overlijden en eindigend op de dag van de begrafenis en zeven werkdagen door de ambtenaar te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van beide periodes waarin deze verlofdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van de ambtenaar met instemming van de hiërarchisch meerdere]6;
  [6 5° /1. het overlijden van de pleegvader, pleegmoeder, stiefpleegvader of stiefpleegmoeder bij wie de ambtenaar, of zijn echtgenoot, of de samenwonende partner van de ambtenaar die geplaatst was in het kader van langdurige pleegzorg op het moment van het overlijden of in het verleden; 10 werkdagen, waarbij drie werkdagen door de ambtenaar te kiezen tijdens de periode beginnend op de dag van het overlijden en eindigend op de dag van de begrafenis en zeven werkdagen door de ambtenaar te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van beide periodes waarin deze verlofdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van de ambtenaar met instemming van de hiërarchisch meerdere;]6
  6° het huwelijk of de inschrijving in het bevolkingsregister van het samenlevingscontract van een kind van de ambtenaar of van de samenwonende partner van de ambtenaar : 2 werkdagen;
  7° het overlijden van een bloedverwant [6 of aanverwant]6 in om het even welke graad hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot of van de samenwonende partner van de ambtenaar, onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 2 werkdagen;
  8° het overlijden van een bloedverwant in de tweede graad, hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgeno(o)t(e) of van de samenwonende partner van de ambtenaar maar niet onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 2 werkdagen;
  9° het overlijden van een bloedverwant [6 of aanverwant]6 in de derde graad, hetzij van de ambtenaar, hetzij van de echtgeno(o)t(e) of van de samenwonende partner van de ambtenaar maar niet onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 1 werkdag [6 ;]6
  [6 10°. Het overlijden van een pleegkind of van de pleegmoeder, pleegvader, stiefpleegvader of stiefpleegmoeder van de ambtenaar, hetzij van de echtgenoot, hetzij van de samenwonende partner van de ambtenaar in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden of in het verleden: 1 werkdag.]6
  Als het voorval zich voordoet tijdens een periode van deeltijdse arbeid wordt de duur van het verlof in evenredige mate verminderd.
  Het verlof mag in halve werkdagen genomen worden.
  
Art. 194. L'agent obtient, dans les limites fixées ci-après, un congé à l'occasion des événements suivants :
  1° le mariage ou l'inscription au registre de la population du contrat de cohabitation légale de l'agent : 4 jours ouvrables;
  2° [1 [2 [5 la naissance d'un enfant si l'agent est reconnu comme père de cet enfant ou second parent équivalent, pour s'occuper de cet enfant]5:
   - 15 jours ouvrables ]2
;]1

   - 20 jours ouvrables à partir du 1er janvier 2023;]1
  3° la naissance d'un petit-enfant : 1 jour ouvrable;
  [6 3° /1. la perte d'une grossesse de l'agent féminin se produisant avant le 181e jour de gestation à condition que la grossesse ait été préalablement déclarée par écrit au secrétaire général, au secrétaire général adjoint ou à leur délégué et la perte de grossesse de la conjointe ou de la personne avec laquelle vit en couple l'agent reconnu comme père ou second parent équivalent se produisant avant le 181e jour de gestation, à condition que la grossesse ait été préalablement déclarée par écrit au secrétaire général, au secrétaire général adjoint ou à leur délégué. L'agent féminin fournit également une attestation de grossesse concomitamment ou ultérieurement à sa déclaration précitée: 2 jours ouvrables ; ]6
  4° [6 4° le décès du conjoint de l'agent ou de la personne avec laquelle l'agent vivait en couple, le décès de l'enfant naturel, de l'enfant adoptif de l'agent, de son conjoint ou de la personne avec laquelle l'agent vit en couple, le décès de l'enfant qui était, au moment du décès ou dans le passé, placé dans le cadre d'un placement familial de longue durée chez l'agent, chez son conjoint ou chez la personne avec laquelle l'agent vit en couple : 10 jours ouvrables, dont trois jours ouvrables à choisir par l'agent pendant la période débutant le jour du décès et s'achevant le jour des funérailles et sept jours ouvrables à choisir par l'agent dans l'année qui suit le jour du décès. Il peut être dérogé, à la demande de l'agent et moyennant l'accord de son supérieur hiérarchique, aux deux périodes au cours desquelles ces jours de congé doivent être pris ]6;
   5° [6 le décès du père, du père adoptif, de la mère, de la mère adoptive, du beau-père, du second mari de la mère ou de la mère adoptive, de la seconde femme de la mère ou de la mère adoptive, de la belle-mère, de la seconde femme du père ou du père adoptif, du second mari du père ou du père adoptif, de la belle-fille, du beau-fils de l'agent, de son conjoint ou de la personne avec laquelle l'agent vit en couple : 10 jours ouvrables, dont trois jours ouvrables à choisir par l'agent pendant la période débutant le jour du décès et s'achevant le jour des funérailles et sept jours ouvrables à choisir par l'agent dans l'année qui suit le jour du décès. Il peut être dérogé, à la demande de l'agent et moyennant l'accord de son supérieur hiérarchique, aux deux périodes au cours desquelles ces jours de congé doivent être pris ]6;
  [6 5° /1. le décès du père d'accueil, de la mère d'accueil, du beau-père d'accueil, de la belle-mère d'accueil auprès desquels l'agent, son conjoint ou la personne avec laquelle l'agent vit en couple était placé dans le cadre d'un placement familial de longue durée au moment du décès ou dans le passé :10 jours ouvrables, dont trois jours ouvrables à choisir par l'agent pendant la période débutant le jour du décès et s'achevant le jour des funérailles et sept jours ouvrables à choisir par l'agent dans l'année qui suit le jour du décès. Il peut être dérogé, à la demande de l'agent et moyennant l'accord de son supérieur hiérarchique, aux deux périodes au cours desquelles ces jours de congé doivent être pris ;]6
  6° le mariage ou l'inscription au registre de la population du contrat de vie commune d'un enfant de l'agent ou de la personne avec laquelle l'agent vit en couple : 2 jours ouvrables;
  7° le décès d'un parent [6 ou allié]6, à quelque degré que ce soit, soit de l'agent, soit du conjoint ou de la personne avec laquelle l'agent vit en couple, habitant sous le même toit que l'agent : 2 jours ouvrables;
  8° le décès d'un parent au deuxième degré, soit de l'agent, soit du conjoint ou de la personne avec laquelle l'agent vit en couple, n'habitant pas sous le même toit que l'agent : 2 jours ouvrables;
  9° le décès d'un parent [6 ou allié]6 au troisième degré, soit de l'agent, soit du conjoint ou de la personne avec laquelle l'agent vit en couple, n'habitant pas sous le même toit que l'agent : 1 jour ouvrable [6 ;]6
  [6 10° le décès d'un enfant placé ou de la mère d'accueil, du père d'accueil, du beau-père d'accueil ou de la belle-mère d'accueil de l'agent ou de son conjoint ou de la personne avec laquelle l'agent vit en couple dans le cadre d'un placement familial de courte durée au moment du décès ou dans le passé : un jour ouvrable.]6
  Si l'événement se produit au cours d'une période de travail à temps partiel, la durée du congé est réduite à due concurrence.
  Les congés peuvent être pris par demi-jour ouvrable.
  
Art. 195. Het omstandigheidsverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.
Art. 195. Les congés de circonstance sont assimilés à des périodes d'activité de service.
Onderafdeling 2. - Het verlof wegens dwingende familiale redenen
Sous-section 2. - Du congé pour des motifs impérieux d'ordre familial
Art. 196. [1 § 1. De ambtenaar heeft het recht afwezig te zijn wegens overmacht in verband met dringende familiale redenen in geval van ziekte of ongeval waardoor zijn onmiddellijke aanwezigheid vereist is.
   § 2. Met een maximum van vijfenveertig werkdagen per kalenderjaar, kan de ambtenaar verlof krijgen wegens:
   1° ziekenhuisopname of autonomieverlies van een persoon die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont of van een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad die niet met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;
   2° opvang van zijn kinderen en kleinkinderen die niet de leeftijd van 18 jaar bereikt hebben.
   Het verlof wordt genomen per volledige of per halve dag. Het wordt toegekend door de functionele chef.
   Indien het verlof wegens dwingende familiale redenen tijdens een periode van deeltijdse arbeid genomen wordt, wordt de duur van het verlof in evenredige mate verminderd.
   § 3. Voor het in paragraaf 1 bedoelde verlof mag de ambtenaar gebruik van flexibele werkregelingen vragen.
   De secretaris-generaal, de adjunct-secretaris-generaal of hun afgevaardigde onderzoekt en antwoordt op de aanvraag om flexibele werkregelingen binnen een redelijke termijn, rekening houdend met de behoeften van zowel de ambtenaar als deze van de betrokken dienst.
   Hij motiveert de weigering of het uitstel van de toekenning van de flexibele werkregelingen schriftelijk.
   Wanneer flexibele werkregelingen worden toegekend heeft de ambtenaar het recht om terug te keren naar de oorspronkelijke werkregeling aan het einde van de overeengekomen periode. De ambtenaar heeft ook het recht om te vragen om terug te keren naar de oorspronkelijke werkregeling vóór het einde van de overeengekomen periode, wanneer een verandering in de omstandigheden dit rechtvaardigt.
   De secretaris-generaal, de adjunct-secretaris-generaal of hun afgevaardigde onderzoekt een verzoek om eerder terug te keren naar de oorspronkelijke werkregeling en antwoordt binnen een redelijke termijn, rekening houdend met de behoeften van zowel de ambtenaar als deze van de betrokken dienst.
   § 4. De rechten die verworven zijn of zullen worden verworven op de aanvangsdatum van deze verlofperiode blijven behouden tot het einde van de verlofperiode bedoeld in paragraaf 1.
   Deze rechten, met inbegrip van wijzigingen voortvloeiend uit de wetgeving of regionale of nationale praktijk, zijn van toepassing na afloop van de periode van verlof ]1

  
Art. 196. [1 L'agent a le droit de s'absenter pour raisons de force majeure liée à des raisons familiales urgentes en cas de maladie ou d'accident qui rend indispensable sa présence immédiate.
   § 2. L'agent peut obtenir un congé de maximum quarante-cinq jours ouvrables par année civile en raison de :
   1° l'hospitalisation ou la perte d'autonomie d'une personne habitant sous le même toit que l'agent, ou d'un parent ou allié au premier ou au deuxième degré n'habitant pas sous le même toit que l'agent;
   2° la garde de ses enfants et de ses petits-enfants qui n'ont pas atteint l'âge de 18 ans.
   Le congé est pris par jour entier ou par demi-jour. Il est accordé par le chef fonctionnel.
   Si le congé pour des motifs impérieux d'ordre familial est pris au cours d'une période de travail à temps partiel, sa durée est réduite à due concurrence.
   § 3. Pour le congé visé au paragraphe 1er l'agent peut demander des formules souples de travail.
   Le Secrétaire général, le Secrétaire général adjoint ou leur délégué examine et répond à la demande des formules souples de travail dans un délai raisonnable en tenant compte des besoins de l'agent et de ceux du service concerné.
   Il justifie le refus ou le report de l'octroi des formules souples de travail par écrit.
   Lorsque des formules souples de travail sont octroyées, l'agent a le droit de revenir au régime de travail de départ à la fin de la période convenue. L'agent a aussi le droit de demander à revenir au régime de travail de départ avant la fin de la période convenue, dès lors qu'un changement de circonstances le justifie.
   Le Secrétaire général, le Secrétaire général adjoint ou leur délégué examine une demande visant à revenir plus tôt au régime de travail de départ et y répond dans un délai raisonnable, en tenant compte des besoins de l'agent et de ceux du service concerné.
   § 4. Les droits acquis ou en cours d'acquisition à la date du début du congé visé au paragraphe 1er sont maintenus jusqu'à la fin de ce congé.
   Ces droits, y compris les changements découlant de la législation ou de la pratique nationale ou régionale, s'appliquent à l'issue de ce congé ]1
.
  
Art. 197. Dit verlof is niet bezoldigd. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
Art. 197. Ce congé n'est pas rémunéré. Il est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.
Onderafdeling 3. - Het ouderschapsverlof buiten de loopbaanonderbreking
Sous-section 3. - Du congé parental hors de l'interruption de carrière
Art. 198. [1 § 1. Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt, bij de geboorte of de adoptie van een kind of de plaatsing van een kind in een opvanggezin in het kader van de pleegzorg, vier maanden ouderschapsverlof buiten loopbaanonderbreking toegestaan.
   § 2. Dit verlof moet genomen worden vóór het kind de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt.
   Het verlof mag enkel gesplitst worden in maanden en mag enkel genomen worden met volledige dagen.
   De ambtenaar mag, in het kader van dit verlof, gebruik van flexibele werkregelingen vragen.
   § 3. De verlofaanvraag en de aanvraag om flexibele werkregelingen worden ingediend bij de secretaris-generaal, de adjunct-secretaris-generaal of hun afgevaardigde.
   Deze moeten de aanvang en het einde van de verlofperiode vermelden.
   Deze worden ingediend minstens drie maanden vóór de aanvang van de periode van het verlof. Deze termijn kan in onderling akkoord worden verkort.
   § 4. De secretaris-generaal, de adjunct-secretaris-generaal of hun afgevaardigde, onderzoekt en antwoordt op de aanvraag om flexibele werkregelingen binnen een redelijke termijn rekening houdend met de behoeften van zowel de ambtenaar als van de betrokken dienst.
   Hij motiveert de weigering of het uitstel van de toekenning van de flexibele werkregelingen schriftelijk.
   § 5. Wanneer flexibele werkregelingen worden toegekend heeft de ambtenaar het recht om terug te keren naar de oorspronkelijke werkregeling aan het einde van de overeengekomen periode. De ambtenaar heeft ook het recht om te vragen om terug te keren naar de oorspronkelijke werkregeling vóór het einde van de overeengekomen periode wanneer een verandering in de omstandigheden dit rechtvaardigt.
   De secretaris-generaal, de adjunct-secretaris-generaal of hun afgevaardigde, onderzoekt een verzoek om eerder terug te keren naar de oorspronkelijke werkregeling en antwoordt binnen een redelijke termijn, rekening houdend met de behoeften van zowel de ambtenaar als deze van de betrokken dienst.
   § 6. Aan het einde van dit verlof:
   a) de rechten die verworven zijn of zullen worden verworven, met inbegrip van wijzigingen voortvloeiend uit de wetgeving of nationale of regionale praktijk, zijn van toepassing;
   b) heeft de ambtenaar het recht zijn functie opnieuw uit te oefenen of, indien dat onmogelijk is, een gelijkwaardige functie, op voorwaarden die niet minder gunstig zijn voor hem, terug te keren;
   c) geniet de ambtenaar elke verbetering van de arbeidsvoorwaarden waarop hij recht zou hebben gehad indien hij geen verlof had opgenomen ]1
.
  
Art. 198. [1 § 1er. Un congé parental de quatre mois est accordé hors de l'interruption de carrière à l'agent en activité de service, après la naissance ou l'adoption d'un enfant ou le placement d'un enfant dans une famille d'accueil dans le cadre de la politique d'accueil.
   § 2. Ce congé doit être pris avant que l'enfant n'ait atteint l'âge de 12 ans.
   Le congé ne peut être fractionné que par mois et ne peut être pris que par jour entier.
   L'agent peut, dans le cadre de ce congé, demander des formules souples de travail.
   § 3. La demande de congé et la demande des formules souples de travail sont introduites auprès du Secrétaire général, du Secrétaire général adjoint ou de leur délégué.
   Elles doivent mentionner le début et la fin de la période de congé.
   Elles sont introduites au moins trois mois avant le début du congé. Ce délai peut être réduit de commun accord.
   § 4. Le Secrétaire général, le Secrétaire général adjoint ou leur délégué, examine et répond à la demande des formules souples de travail dans un délai raisonnable en tenant compte des besoins de l'agent et du service concerné.
   Il justifie le refus ou le report de l'octroi des formules souples de travail par écrit.
   § 5. Lorsque des formules souples de travail sont octroyées, l'agent a le droit de revenir au régime de travail de départ à la fin de la période convenue. L'agent a aussi le droit de demander à revenir au régime de travail de départ avant la fin de la période convenue, dès lors qu'un changement de circonstances le justifie.
   Le Secrétaire général, le Secrétaire général adjoint ou leur délégué, examine une demande visant à revenir plus tôt au régime de travail de départ et y répond dans un délai raisonnable, en tenant compte des besoins de l'agent et de ceux du service concerné.
   § 6. A l'issue de ce congé :
   a) les droits acquis ou en cours d'acquisition, y compris les changements découlant de la législation ou de la pratique nationale ou régionale, s'appliquent ;
   b) l'agent a le droit de retrouver sa fonction ou, en cas d'impossibilité, une fonction équivalente à des conditions qui ne lui soient pas moins favorables ;
   c) l'agent bénéficie de toute amélioration des conditions de travail à laquelle il aurait eu droit s'il n'avait pas pris congé ]1
.
  
Art. 199. Het ouderschapsverlof wordt niet vergoed. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
Art. 199. Le congé parental n'est pas rémunéré. Il est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.
Onderafdeling 4. - Adoptieverlof, het verlof voor de opvang met het oog op pleegvoogdij of plaatsing in een onthaalgezin naar aanleiding van een rechterlijke beslissing
Sous-section 4. - Du congé d'adoption, du congé d'accueil en vue de la tutelle officieuse ou du placement dans une famille d'accueil à la suite d'une décision judiciaire
Art. 200. Een adoptieverlof wordt toegekend aan de ambtenaar die een kind van minder dan twaalf jaar adopteert.
  Het verlof bedraagt ten hoogste 6 weken. Het verlof kan gesplitst worden in weken en dient te worden genomen uiterlijk binnen de vier maanden die volgen op de inschrijving van het kind als deeluitmakend van het gezin van de ambtenaar in het bevolkingsregister of het register van vreemdelingen in de gemeente van zijn verblijfplaats. Op vraag van de ambtenaar kan ten hoogste drie weken van dit verlof opgenomen worden vooraleer het kind effectief in het gezin wordt opgenomen
  De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld en de leeftijdsgrens van het kind wordt vastgesteld op 21 jaar wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag.
  De ambtenaar die het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert, de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand voor de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
  De ambtenaar dient de volgende documenten voor te leggen :
  1° een attest, uitgereikt door de bevoegde centrale autoriteit van de Gemeenschap, waarin de toewijzing van het kind aan de ambtenaar, wordt bevestigd, om het verlof van ten hoogste drie weken te verkrijgen vooraleer het kind opgenomen wordt in het gezin;
  2° een attest dat de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister bevestigt om het resterend verlof te kunnen opnemen.
Art. 200. Un congé d'adoption est accordé à l'agent qui adopte un enfant de moins de douze ans.
  Le congé est de 6 semaines au plus. Le congé peut être fractionné par semaine et doit être pris au plus tard dans les quatre mois qui suivent l'inscription de l'enfant comme faisant partie du ménage de l'agent dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de sa commune de résidence. A la demande de l'agent, trois semaines au plus de ce congé peuvent être prises avant que l'enfant n'ait été effectivement accueilli dans la famille.
  La durée maximum du congé d'adoption est doublée et la limite d'âge de l'enfant est fixée à 21 ans lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66% au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
  L'agent qui désire bénéficier du congé par application du présent article communique à l'autorité dont il relève la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée. Cette communication se fait par écrit au moins un mois avant le début du congé à moins que l'autorité n'accepte un délai plus court à la demande de l'intéressé.
  L'agent doit présenter les documents suivants :
  1° une attestation, délivrée par l'autorité centrale compétente de la Communauté, qui confirme l'attribution de l'enfant à l'agent pour obtenir le congé de trois semaines au plus avant que l'enfant ne soit accueilli dans la famille;
  2° une attestation qui confirme l'inscription de l'enfant au registre de la population ou au registre des étrangers pour pouvoir prendre le congé restant.
Art. 201. De ambtenaar kan verlof krijgen wanneer een kind beneden de twaalf jaar in zijn gezin wordt opgenomen met het oog op pleegvoogdij. Hij kan ook dit verlof krijgen wanneer hij een minderjarige opneemt in zijn gezin ingevolge een rechterlijke beslissing tot plaatsing in een opvanggezin.
  De maximumduur van het verlof bedraagt vier weken indien het opgenomen kind ouder is dan drie jaar en zes weken indien het die leeftijd nog niet heeft bereikt. Het verlof kan gesplitst worden opgenomen per week. Het verlof vangt aan op de dag dat het kind in het gezin wordt opgenomen.
  De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag.
Art. 201. L'agent peut obtenir un congé d'accueil lorsqu'un enfant de moins de douze ans est accueilli dans sa famille en vue de sa tutelle officieuse. Il peut obtenir également ce congé lorsqu'il accueille un mineur dans sa famille suite à une décision judiciaire de placement dans une famille d'accueil.
  La durée maximum du congé est de quatre semaines si l'enfant accueilli a atteint l'âge de trois ans et de six semaines s'il n'a pas encore atteint cet âge. Le congé peut être fractionné par semaine. Le congé débute le jour où l'enfant est accueilli dans la famille.
  La durée maximum du congé d'accueil est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66% au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
Art. 202. Het adoptieverlof, het verlof voor de opvang met het oog op pleegvoogdij en plaatsing in een onthaalgezin van een minderjarige naar aanleiding van een rechterlijke beslissing wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art. 202. Le congé de l'adoption, le congé d'accueil pour la tutelle officieuse et du placement d'un mineur suite à une décision judiciaire de placement est rémunéré et assimilé à une période d'activité de service.
Afdeling 4. - Het bevallingsverlof
Section 4. - Du congé de maternité
Art. 203. § 1. Het bevallingsverlof bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
  § 2. De bezoldiging over de periode gedurende welke de vrouwelijke ambtenaar bevallingsverlof geniet, mag niet meer dan vijftien weken bestrijken of negentien weken in geval van meervoudige geboorte.
  De bezoldiging voor de verlenging van het postnatale verlof toegestaan in toepassing van artikel 204, mag niet meer dan één week bestrijken.
  De bezoldiging voor de verlenging van de postnatale rust toegestaan in toepassing van artikel 209, § 5 mag niet meer dan 24 weken bestrijken.
  § 3. De periodes van afwezigheid wegens ziekte die te wijten zijn aan de zwangerschap gedurende de vijf weken die vallen vóór de zevende dag welke de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat, worden voor het bepalen van de administratieve stand van de vrouwelijke ambtenaar veranderd in bevallingsverlof.
  Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de periodes van afwezigheid wegens ziekte die te wijten zijn aan de zwangerschap gedurende de zeven weken die, in geval van geboorte van een meerling, vallen vóór de zevende dag welke de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat.
Art. 203. § 1er. Le congé de maternité prévu par l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail est assimilé à une période d'activité de service.
  § 2. La rémunération due pour la période pendant laquelle l'agent féminin se trouve en congé de maternité ne peut couvrir plus de quinze semaines ou de dix-neuf semaines en cas de naissance multiple.
  La rémunération due pour la prolongation du congé postnatal accordée en application de l'article 204, ne peut couvrir plus d'une semaine.
  La rémunération due pour la prolongation du repos postnatal accordé en application de l'article 209 § 5 ne peut couvrir plus de 24 semaines.
  § 3. Les périodes d'absences pour maladie dues à la grossesse qui se situent pendant les cinq semaines qui tombent avant le septième jour qui précède la date réelle de l'accouchement sont converties en congé de maternité pour la détermination de la position administrative de l'agent féminin.
  Le présent paragraphe est également applicable lorsque les périodes d'absence pour maladie dues à la grossesse se situent pendant les sept semaines qui, en cas de naissance multiple, tombent avant le septième jour qui précède la date réelle de l'accouchement.
Art. 204. § 1. Wanneer de vrouwelijke ambtenaar het prenataal verlof heeft opgebruikt en de bevalling na de voorziene datum gebeurt, wordt het prenataal verlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling. Tijdens deze periode bevindt de vrouwelijke ambtenaar zich in bevallingsverlof.
  In afwijking van artikel 203 § 2 is de bezoldiging verschuldigd.
  § 2. Op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar wordt het moederschapsverlof, in toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gewerkt heeft vanaf de zesde week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat.
  § 3. Worden gelijkgesteld met werkdagen die tot na het postnataal verlof verschoven kunnen worden, de volgende afwezigheden gedurende de zes weken of, in geval van de geboorte van een meerling, gedurende de acht weken die vallen vóór de zevende dag welke aan de werkelijke bevallingsdatum voorafgaan :
  1° het jaarlijks vakantieverlof;
  2° de in artikel 193 bedoelde feestdagen;
  3° de in de artikelen 186, 187 en 194 bedoelde verloven;
  4° het verlof om dwingende redenen van familiaal belang;
  5° de afwezigheden wegens ziekte met uitsluiting van de afwezigheden bedoeld in artikel 203 § 3.
Art. 204. § 1er. Lorsque l'agent féminin a épuisé le congé prénatal et que l'accouchement se produit après la date prévue, le congé prénatal est prolongé jusqu'à la date réelle de l'accouchement. Durant cette période, l'agent féminin se trouve en congé de maternité.
  Par dérogation à l'article 203 § 2, la rémunération est due.
  § 2. A la demande de l'agent féminin, le congé de maternité est, en application de l'article 39 de la loi sur le travail du 16 mars 1971, prolongé, après la neuvième semaine, d'une période dont la durée est égale à la durée de la période au cours de laquelle elle a continué à travailler à partir de la sixième semaine avant la date réelle de l'accouchement ou à partir de la huitième semaine lorsqu'une naissance multiple est attendue. En cas de naissance prématurée, cette période est réduite à concurrence des jours pendant lesquels elle a travaillé pendant la période de sept jours qui précède l'accouchement.
  § 3. Sont assimilées à des journées de travail susceptibles d'être reportées au-delà du congé postnatal les absences suivantes se situant pendant les six semaines ou, en cas de naissance multiple, pendant les huit semaines qui tombent avant le septième jour qui précède la date réelle de l'accouchement :
  1° le congé annuel de vacances;
  2° les jours fériés visés à l'article 193;
  3° les congés visés aux articles 186, 187, et 194;
  4° le congé pour motifs impérieux d'ordre familial;
  5° les absences pour maladie à l'exclusion des absences visées à l'article 203 § 3.
Art. 205. Op vraag van de vrouwelijke ambtenaar wordt de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, verlengd met één week, wanneer de vrouwelijke ambtenaar afwezig is geweest wegens ziekte gedurende de ganse periode vanaf de zesde week voorafgaand aan de werkelijke datum van de bevalling, of de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht.
  Ingeval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, eventueel verlengd met een periode van maximaal twee weken.
Art. 205. A la demande de l'agent féminin, la période d'interruption de travail est prolongée, après la neuvième semaine, d'une période d'une semaine, lorsque l'agent féminin a été absent pour maladie pendant l'ensemble de la période à partir de la sixième semaine avant la date réelle de l'accouchement ou à partir de la huitième semaine lorsqu'une naissance multiple est attendue.
  En cas de naissance multiple, à la demande de l'agent féminin, la période d'interruption de travail après la neuvième semaine, éventuellement prolongée, est prolongée au maximum d'une période de deux semaines.
Art. 206. Zwangere of borstvoedinggevende ambtenaren mogen geen overuren verrichten. Als overuren dienen, voor de toepassing van dit artikel, te worden beschouwd, alle werk bovenop de 38 uren per week
Art. 206. En période de grossesse ou d'allaitement, les agents féminins ne peuvent effectuer du travail supplémentaire. Est à considérer comme travail supplémentaire, pour l'application du présent article, tout travail effectué au-delà de 38 heures par semaine.
Art. 207. De ambtenaar die, met toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 en het artikel 18 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector is vrijgesteld van arbeid, wordt ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art. 207. L'agent qui, en application des articles 42 et 43 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail et de l'article 18 de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public, est dispensé de travail, est mis d'office en congé pour la durée nécessaire. Le congé est assimilé à une période d'activité de service.
Art. 208. Het artikel 203 is niet van toepassing in geval van een miskraam vóór de 181e dag van de zwangerschap.
Art. 208. L'article 203 ne s'applique pas en cas de fausse couche se produisant avant le 181e jour de gestation.
Art. 209. § 1. Als de moeder van het kind overlijdt bij de bevalling of tijdens het moederschapsverlof of als zij opnieuw in het ziekenhuis wordt opgenomen, verkrijgt de vader van het kind of de ambtenaar waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft, op eigen verzoek een verlof ter vervanging van het moederschapsverlof om in de opvang van het kind te voorzien.
  § 2. In geval van overlijden van de moeder is de duur van het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof ten hoogste gelijk aan de duur van het bevallingsverlof dat de moeder nog niet opgebruikt had. De ambtenaar die vader van het kind is of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft en die het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof wenst te genieten, stelt daar schriftelijk de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte binnen zeven dagen vanaf het overlijden van de moeder. De brief waarin hij dat doet vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof. Hij legt zo spoedig mogelijk een uittreksel van de overlijdensakte van de moeder voor.
  § 3. In geval van hospitalisatie van de moeder kan de ambtenaar die vader van het kind is of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft, een verlof ter vervanging van het moederschapsverlof krijgen onder de volgende voorwaarden :
  1° de pasgeborene moet het ziekenhuis verlaten hebben;
  2° de hospitalisatie van de moeder moet langer dan zeven dagen duren.
  Het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof kan niet aanvangen vóór de zevende dag volgend op de dag van de geboorte van het kind en moet beëindigd zijn op het ogenblik dat de hospitalisatie van de moeder ten einde loopt en uiterlijk op het einde van het gedeelte van het bevallingsverlof dat door de moeder nog niet was opgebruikt.
  De ambtenaar die de vader van het kind is of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft en die het verlof ter vervanging van het moederschapsverlof wenst te genieten, stelt daar schriftelijk de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte. De brief waarin hij dat doet vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof. De verlofaanvraag wordt gestaafd met een getuigschrift dat de duur van de hospitalisatie van de moeder vermeldt bovenop de zeven dagen volgend op de datum van de bevalling en de datum waarop de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
  § 4. Het verlof van de vader van het kind of de persoon waarmee de moeder op het ogenblik van de geboorte van het kind samenleeft ter vervanging van het moederschapsverlof is bezoldigd en wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
  § 5. Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waaronder zij ressorteert :
  1° bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting is opgenomen na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;
  2° in voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname.
Art. 209. § 1er. Si la mère de l'enfant décède lors de l'accouchement ou durant le congé de maternité ou si elle est hospitalisée à nouveau, le père de l'enfant ou l'agent avec lequel la mère vit en couple au moment de la naissance de l'enfant obtient, à sa demande, un congé en remplacement du congé de maternité en vue d'assurer l'accueil de l'enfant
  § 2. En cas de décès de la mère, la durée du congé en remplacement du congé de maternité est au maximum égale à la durée du congé de maternité non encore épuisée par la mère. L'agent qui est le père de l'enfant ou la personne avec laquelle la mère vit en couple au moment de la naissance de l'enfant et qui souhaite bénéficier du congé en remplacement du congé de maternité en informe par écrit l'autorité dont il relève dans les sept jours à dater du décès de la mère. Cet écrit mentionne la date du début de congé en remplacement du congé de maternité et sa durée probable. Un extrait de l'acte de décès de la mère est produit dans les meilleurs délais.
  § 3. En cas d'hospitalisation de la mère, l'agent qui est le père de l'enfant ou la personne avec laquelle la mère vit en couple au moment de la naissance de l'enfant peut bénéficier du congé en remplacement du congé de maternité aux conditions suivantes :
  1° le nouveau-né doit avoir quitté l'hôpital;
  2° l'hospitalisation de la mère doit avoir une durée de plus de sept jours.
  Le congé en remplacement du congé de maternité ne peut débuter avant le septième jour suivant le jour de la naissance de l'enfant et se termine au moment où prend fin l'hospitalisation de la mère et au plus tard au terme de la partie du congé de maternité non encore épuisé par la mère.
  L'agent qui est le père de l'enfant ou la personne avec laquelle la mère vit en couple au moment de la naissance de l'enfant et qui souhaite bénéficier du congé en remplacement du congé de maternité en informe par écrit l'autorité dont il relève. Cet écrit mentionne la date du début du congé et sa durée probable. La demande de congé est appuyée par une attestation certifiant la durée de l'hospitalisation de la mère au-delà des sept jours qui suivent la date de l'accouchement et la date à laquelle le nouveau-né est sorti de l'hôpital.
  § 4. Le congé du père de l'enfant ou de la personne avec laquelle la mère vit en couple au moment de la naissance de l'enfant en remplacement du congé de maternité est rémunéré et assimilé à une période d'activité de service.
  § 5. Dans le cas où, après les sept premiers jours à compter de sa naissance, le nouveau-né doit rester dans l'établissement hospitalier, le congé de repos postnatal peut, à la demande de l'agent féminin, être prolongé d'une durée égale à la période pendant laquelle son enfant est resté hospitalisé après les sept premiers jours. La durée de cette prolongation ne peut dépasser vingt-quatre semaines. A cet effet, l'agent féminin remet à l'autorité dont elle relève :
  1° à la fin de la période de repos postnatal, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né est resté hospitalisé après les sept premiers jours à dater de sa naissance et mentionnant la durée de l'hospitalisation;
  2° le cas échéant, à la fin de la période de prolongation qui résulte des dispositions prévues dans le présent alinéa, une nouvelle attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né n'a pas encore quitté l'établissement hospitalier et mentionnant la durée de l'hospitalisation.
Art. 210. § 1. De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden en/of melk af te kolven na de geboorte van het kind.
  § 2. De borstvoedingspauze duurt een half uur. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag drie uur achtenveertig minuten of langer werkt, heeft die dag recht op één pauze. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag ten minste zeven en een half uur werkt, heeft die dag recht op twee pauzes. Als de vrouwelijke ambtenaar recht heeft op twee pauzes tijdens een werkdag, kan zij deze op die dag opnemen in één keer of twee keer.
  De duur van borstvoedingspauze(s) is in de duur van de prestaties van de werkdag inbegrepen.
  § 3. De vrouwelijke ambtenaar die de borstvoedingspauzes wenst te genieten brengt de functionele chef twee weken op voorhand schriftelijk op de hoogte, tenzij deze op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
  Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs dat borstvoeding wordt geleverd. Het bewijs wordt vanaf het begin van de uitoefening van het recht, naar keuze van de vrouwelijke ambtenaar geleverd door een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen (Kind en Gezin, O.N.E. of Dienst für Kind und Familie) of door een medisch getuigschrift.
  Nadien bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waarvan zij afhangt elke maand een attest of een medisch getuigschrift, telkens op de datum waarop de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes voor het eerst is ingegaan.
Art. 210. § 1er. L'agent féminin a droit à une dispense de service afin d'allaiter son enfant au lait maternel et/ou de tirer son lait après la naissance de l'enfant.
  § 2. La pause d'allaitement dure une demi-heure. L'agent féminin qui preste un demi-jour de travail de 3 heures quarante-huit minutes ou plus a droit à une pause à prendre pendant ce même jour. L'agent féminin qui preste au moins sept heures et demie par journée de travail a droit à deux pauses à prendre ce même jour. Lorsque l'agent féminin a droit à deux pauses au cours de la journée de travail, elle peut les prendre en une ou deux fois sur cette même journée.
  La durée de la ou des pause(s) d'allaitement est incluse dans la durée des prestations de la journée de travail.
  § 3. L'agent féminin qui souhaite obtenir le bénéfice des pauses d'allaitement avertit par écrit deux semaines à l'avance le chef fonctionnel, à moins que celui-ci n'accepte de réduire ce délai à la demande de l'intéressée.
  Le droit aux pauses d'allaitement est accordé moyennant la preuve de l'allaitement. La preuve de l'allaitement est, à partir du début de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement apportée, au choix de l'agent féminin, par une attestation d'un centre de consultation des nourrissons (O.N.E., Kind en Gezin ou Dienst für Kind und Familie) ou par un certificat médical.
  Une attestation ou un certificat médical doit ensuite être remis par l'agent féminin chaque mois à l'autorité dont elle relève, à la date anniversaire de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement.
Afdeling 5. - Het verlof om medische of humanitaire redenen
Section 5. - Du congé pour raisons médicales ou humanitaires
Art. 211. De ambtenaar kan dienstvrijstelling krijgen om naar medische onderzoeken te gaan bij een specialist die niet buiten de diensturen kunnen plaatsvinden.
  De aanvraag moet worden gestaafd door [1 een getuigschrift voor verstrekte hulp]1.
  
Art. 211. L'agent peut obtenir à sa demande une dispense de service pour subir des examens médicaux chez un spécialiste qui ne peuvent avoir lieu en dehors des heures de service.
  La demande doit être appuyée par [1 une attestation de soins]1.
  
Art. 212. De ambtenaar verkrijgt een dienstvrijstelling om bloed, bloedplasma en bloedplaatjes te geven op voorwaarde dat hij de toelating heeft van zijn functionele chef voor de donatie. Die dienstvrijstelling kan geweigerd worden om dienstredenen.
  De ambtenaar verkrijgt een dienstvrijstelling voor de noodzakelijke duur van de bloed-, plasma- en bloedplaatjesdonatie alsook voor de verplaatsingstijd van maximaal twee uur.
Art. 212. L'agent obtient une dispense de service pour don de sang, de plasma sanguin et de plaquettes à condition qu'il ait reçu l'autorisation de son chef fonctionnel avant le don. Cette dispense de service peut être refusée pour des raisons de service.
  L'agent obtient une dispense pour la durée nécessaire pour le don de sang, de plasma sanguin ou de plaquettes ainsi que pour un temps de déplacement maximum de deux heures.
Art. 213. De ambtenaar krijgt verlof voor het afstaan van beenmerg, van organen of van weefsel. De duur van dit verlof is die van de ziekenhuisopname en de herstelperiode. De tijd noodzakelijk voor de voorafgaande medische onderzoeken kan eveneens in aanmerking komen.
  De aanvraag moet worden gestaafd door een medisch attest.
Art. 213. L'agent obtient un congé pour don de moelle osseuse, d'organes ou de tissus. La durée de ce congé est celle requise par l'hospitalisation et la convalescence. Le temps nécessaire pour effectuer les examens médicaux préalables peut également être pris en compte.
  La demande doit être appuyée par un certificat médical.
Art. 214. Wanneer de echtgenoot of de levenspartner of een inwonend familielid van de ambtenaar aan een ziekte lijdt die door zijn arts als ernstig en uitermate besmettelijk wordt beschouwd, dient de ambtenaar zijn arts te vragen zich tot de hoofdarts van het geneeskundig centrum van de Administratieve Gezondheidsdienst waaronder de ambtenaar ressorteert te wenden om na gemeenschappelijk overleg de meest gepaste preventieve maatregelen te treffen waaronder chemoprofylaxe en eventueel verlof.
Art. 214. Lorsque le conjoint ou la personne avec laquelle il vit en couple ou un membre de leur famille, habitant sous le même toit que l'agent est atteint d'une maladie dont son médecin établit la gravité et le haut degré de contagiosité, l'agent doit demander à son médecin de contacter le médecin-chef du centre médical du service de contrôle médical du Service de Santé Administratif dont relève l'agent afin de déterminer de commun accord les mesures préventives les mieux appropriées, en ce compris la chimioprophylaxie et les congés éventuels.
Art. 215. De ambtenaar kan verlof krijgen om :
  1° de cursussen bij te wonen van de school van het korps voor civiele bescherming;
  2° in vredestijd prestaties te verrichten als vrijwilliger bij dit korps.
Art. 215. L'agent peut obtenir un congé pour :
  1° suivre les cours de l'école du corps de la protection civile;
  2° effectuer en temps de paix des prestations en qualité d'engagé volontaire auprès de ce corps.
Art. 216. Met een maximum van vijf werkdagen per jaar en voor zover het belang van de dienst er zich niet tegen verzet, kan de ambtenaar verlof krijgen om mindervaliden en zieken te vergezellen of om andere humanitaire zendingen te vervullen tijdens verblijven en reizen in België of het buitenland.
  Deze verblijven of reizen moeten georganiseerd zijn door een openbare instelling of een vereniging die de zorg voor mindervaliden en zieken of de humanitaire zendingen als opdracht heeft. De instelling of vereniging moet erkend zijn door de Belgische Staat of één van haar gefedereerde entiteiten.
  De verlofaanvraag moet worden gestaafd met een attest waarin de vereniging of instelling verklaart dat de reis of het verblijf onder haar verantwoordelijkheid gebeurt.
Art. 216. Pour autant que l'intérêt du service ne s'y oppose pas, l'agent peut obtenir un congé de maximum cinq jours ouvrables par an, pour accompagner des handicapés et des malades ou pour effectuer d'autres missions humanitaires au cours de voyages et de séjours en Belgique ou à l'étranger.
  Ces voyages ou séjours doivent être organisés par un organisme public ou une association dont la mission est la prise en charge de handicapés, de malades ou est humanitaire. L'organisme ou l'association doit être reconnue par l'Etat belge ou une de ses entités fédérées.
  La demande de congé doit être appuyée par une attestation par laquelle l'association ou l'institution certifie que le voyage ou le séjour est placé sous sa responsabilité.
Art. 217. De verloven om medische of humanitaire redenen zijn bezoldigd en worden gelijkgesteld met dienstactiviteit.
Art. 217. Les congés pour raisons médicales ou humanitaires sont rémunérés et assimilés à des périodes d'activités de service.
Afdeling 6. - Uitzonderlijk verlof
Section 6. - Congés exceptionnels
Art. 218. § 1. De ambtenaar krijgt verlof om gevolg te geven aan een wederoproeping als reservist.
  § 2. De ambtenaar verkrijgt verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen en dit tijdens de duur van de zitting.
  § 3. Deze verloven worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
Art. 218. § 1er. L'agent obtient un congé pour effectuer un rappel à l'armée en tant que réserviste.
  § 2. L'agent obtient un congé pour participer à un jury de Cour d'Assises et ce, pour la durée de la session.
  § 3.Ces congés sont assimilés à une période d'activité de service.
HOOFDSTUK VI. - De verloven van lange duur
CHAPITRE VI. - Des congés de longue durée
Afdeling 1. - Het verlof om persoonlijke redenen
Section 1re. - Du congé pour convenances personnelles
Art. 219. Indien het belang van de dienst er zich niet tegen verzet, kan de ambtenaar verlof om persoonlijke redenen krijgen.
Art. 219. Pour autant que l'intérêt du service ne s'y oppose pas, l'agent peut obtenir un congé pour convenances personnelles.
Art. 220. Het verlof om persoonlijke redenen wordt enkel voltijds en voor minstens een maand en ten hoogste zes maanden toegekend. Het kan verlengd worden of na een onderbreking opnieuw worden aangevraagd.
  Behoudens afwijking door de minister en op gunstig advies van de Secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal voor hun respectievelijke diensten of de directeur generaal voor zijn bestuur, mag dit verlof niet meer bedragen dan 24 maanden over de gehele loopbaan.
  Iedere vraag tot verlenging moet ten minste één maand voor het verstrijken van het lopende verlof worden aangevraagd.
Art. 220. Le congé pour convenances personnelles n'est accordé qu'à temps plein et pour une période d'un mois au moins et de six mois au plus. Il peut être prolongé ou, après une interruption, faire l'objet d'une nouvelle demande.
  Sauf dérogation du ministre et sur avis favorable du Secrétaire général ou Secrétaire général adjoint pour leurs services respectifs ou du Directeur général pour son administration, ce congé ne peut excéder 24 mois sur toute la carrière.
  Chaque demande de prolongation doit être introduite au moins un mois avant l'expiration de la période de congé en cours.
Art. 221. Het verlof om persoonlijke redenen is niet bezoldigd en wordt gelijkgesteld met een periode van non-activiteit.
Art. 221. Le congé pour convenances personnelles n'est pas rémunéré. Il est assimilé à une période de non-activité.
Art. 222. Met ziekten of ongevallen opgelopen gedurende deze verlofperiode wordt geen rekening gehouden.
Art. 222. Les maladies ou accidents survenus durant cette période de congé ne sont pas pris en compte.
Afdeling 2. - Het verlof om een stage te doen in een overheidsdienst
Section 2. - Du congé pour accomplir un stage dans un service public
Art. 223. De ambtenaar krijgt verlof om een stage of proefperiode te doen in een betrekking bij een overheidsdienst.
  Een betrekking in het gesubsidieerd of het universitair onderwijs wordt gelijkgesteld met een betrekking in een overheidsdienst.
  Het verlof wordt toegestaan voor een periode die overeenstemt met de duur van de stage of van de proefperiode.
Art. 223. L'agent obtient un congé pour accomplir un stage ou effectuer une période d'essai dans un emploi dans un service public.
  Un emploi dans l'enseignement subventionné ou l'enseignement universitaire est assimilé à un emploi dans un service public.
  Le congé est accordé pour la période correspondant à la durée du stage ou de la période d'essai.
Art. 224. Dit verlof is niet bezoldigd en wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit.
Art. 224. Ce congé n'est pas rémunéré et est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.
Afdeling 3. - Het verlof wegens opdracht
Section 3. - Du congé pour mission
Art. 225. § 1. De Regering kan een ambtenaar, met zijn instemming, belasten met een opdracht.
  § 2. Iedere ambtenaar kan eveneens met instemming van de Regering een opdracht aanvaarden :
  1° bij een instelling van openbaar nut die afhangt van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  2° bij een overheidsdienst, bij een Ministerie,een instelling van openbaar nut die afhangt van de federale overheid, van een Gewest, van een Gemeenschap of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of bij een lokaal bestuur van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of bij een rechtspersoon in de welke de publieke overheden een overwicht uit oefenen in de bestuurs- en beheersorganen.
  3° op internationaal vlak buiten België uitgeoefend, die wordt toevertrouwd hetzij door één van de regeringen van het Rijk of een Belgisch openbaar bestuur, hetzij door een buitenlandse regering of door een buitenlandse openbaar bestuur;
  4° op internationaal vlak in of buiten België uitgeoefend, bij een internationale instelling;
  5° in een ontwikkelingsland opgenomen in de lijst opgesteld door het Comité voor Ontwikkelingshulp van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).
Art. 225. § 1er. Le Gouvernement peut, avec l'accord de l'agent, charger ce dernier d'une mission.
  § 2. Un agent peut également, avec l'accord du Gouvernement, accepter une mission :
  1° auprès d'un organisme d'intérêt public qui dépend de la Région de Bruxelles-Capitale;
  2° auprès d'un service public, d'un ministère, d'un organisme d'intérêt public qui dépend de l'autorité fédérale, d'une Région, d'une Communauté ou de la Commission communautaire française, de la Commission communautaire flamande ou de la Commission communautaire commune, d'un pouvoir local de la Région de Bruxelles-Capitale ou d'une personne morale dans laquelle les pouvoirs publics exercent une prépondérance dans les organes d'administration et de gestion.
  3° internationale exercée en dehors de la Belgique, confiée soit par un des Gouvernements du Royaume ou une administration publique belge, soit par un Gouvernement étranger ou une administration publique étrangère;
  4° internationale exercée en Belgique ou ailleurs, auprès d'une institution internationale;
  5° dans un pays en développement figurant sur la liste établie par le Comité d'aide au développement de l'Organisation de Coopération et de Développement Economiques (OCDE).
Art. 226. § 1. De Regering verleent de opdracht voor ten hoogste twee jaar. Zij kan haar verlengen voor telkens maximaal dezelfde duur.
  § 2. In afwijking met § 1, wordt de ambtenaar die wordt aangewezen om een mandaat in een overheidsdienst uit te oefenen ambtshalve in opdracht geplaatst voor de duur van het mandaat.
Art. 226. § 1er. Le Gouvernement autorise la mission pour deux ans au plus. Il peut, à chaque fois, la prolonger au maximum de la même durée.
  § 2. Par dérogation au § 1er, l'agent désigné pour exercer un mandat dans un service public est mis d'office en mission pour la durée du mandat.
Art. 227. § 1. Tijdens de duur van een opdracht die door een eerste machtiging is gedekt, is de ambtenaar met verlof. Dit verlof wegens opdracht wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
  § 2. [1 Het verlof wordt evenwel bezoldigd wanneer de ambtenaar wordt aangewezen als nationaal deskundige krachtens de beschikking van 26 juli 1988, van 7 januari 1998 of van 12 november 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van de regeling die geldt voor nationale deskundigen die bij de diensten van de Commissie gedetacheerd zijn.
   Het kan eveneens worden bezoldigd met instemming van de Regering wanneer de opdracht in het kader van de programma's van de Europese Unie wordt toegewezen.
   Het is eveneens bezoldigd wanneer de ambtenaar, overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 mei 2018 betreffende de Hoge Raad van Financiën, wordt aangesteld als lid van het secretariaat van de afdeling Financieringsbehoeften van de Hoge Raad van Financiën.]1

  
Art. 227. § 1er. Pendant la durée d'une mission couverte par une première autorisation, l'agent est placé en congé. Ce congé pour mission n'est pas rémunéré. Il est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.
  § 2. [1 Le congé est toutefois rémunéré lorsque l'agent est désigné en qualité d'expert national en vertu de la décision du 26 juillet 1988, du 7 janvier 1998 ou du 12 novembre 2008 de la Commission des Communautés européennes fixant le régime applicable aux experts nationaux détachés auprès des services de la Commission.
   Il peut également être rémunéré, avec l'accord du Gouvernement, lorsque la mission est accordée dans le cadre des programmes de l'Union européenne.
   Il est également rémunéré lorsque l'agent est désigné, conformément à l'arrêté royal du 23 mai 2018 relatif au Conseil supérieur des Finances, comme membre du Secrétariat de la Section besoins de financement du conseil supérieur des finances.]1

  
Art. 228. § 1. Tijdens de duur van een opdracht die door volgende machtigingen is gedekt, wordt aan de ambtenaar verlof verleend indien de opdracht welke hij uitvoert als zijnde van algemeen belang is erkend. Dit verlof wegens opdracht wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
  § 2. Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend :
  1° voor de opdrachten welke de uitoefening bevatten van een functie in een ontwikkelingsland, opgenomen in de lijst opgesteld door het Comité voor Ontwikkelingshulp van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)..
  2° voor opdrachten uitgevoerd door de als nationaal deskundige aangewezen ambtenaar krachtens de beschikking van 26 juli 1988, van 7 januari 1998 of van 12 november 2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of wanneer de opdracht in het kader van de programma's van de Europese Unie wordt toegewezen;
  3° om een mandaat in een Belgische overheidsdienst uit te oefenen.
  § 3. Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend voor de internationale opdrachten bedoeld in artikel 225, § 2, 3°, 4° en 5° wanneer zij door de minister geacht worden van overwegend belang te zijn hetzij voor het land, hetzij voor een regering of een openbaar bestuur in België.
  § 4. In uitzonderlijke gevallen wordt het karakter van algemeen belang voor de in artikel 225, § 2, 1° en 2° bedoelde opdrachten erkend onder dezelfde voorwaarden als die vastgesteld in § 3 van dit artikel.
  § 5. In afwijking van §§ 2 en 3 van dit artikel, verliest iedere opdracht van rechtswege haar karakter van algemeen belang vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de ambtenaar een dienstanciënniteit heeft bereikt die volstaat om aanspraak te kunnen maken op het krijgen van een onmiddellijk ingaand dan wel uitgesteld pensioen ten laste van een buitenlandse regering, van het buitenlands openbaar bestuur of van de internationale instelling ten behoeve waarvan de opdracht werd vervuld.
Art. 228. § 1er. Pendant la durée d'une mission couverte par des autorisations ultérieures, l'agent est placé en congé si la mission qu'il exerce est reconnue d'intérêt général. Ce congé pour mission n'est pas rémunéré. Il est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.
  § 2. Le caractère d'intérêt général est reconnu de plein droit aux missions :
  1° qui comportent l'exercice d'une fonction dans un pays en développement figurant sur la liste établie par le Comité d'aide au développement de l'Organisation de Coopération et de Développement Economiques (OCDE);
  2° exercées par l'agent désigné en qualité d'expert national en vertu de la décision du 26 juillet 1988, du 7 janvier 1998 ou du 12 novembre 2008 de la Commission des Communautés européennes ou lorsque la mission est accordée dans le cadre des programmes de l'Union européenne;
  3° pour exercer un mandat dans un service public belge.
  § 3. Le caractère d'intérêt général est reconnu aux missions internationales visées à l'article 225, § 2, 3°, 4° et 5° lorsqu'elles sont considérées par le ministre comme présentant un intérêt prépondérant soit pour le pays, soit pour un Gouvernement ou une administration publique belges.
  § 4. Dans des cas exceptionnels, le caractère d'intérêt général est reconnu à des missions visées à l'article 225, § 2, 1° et 2°, selon les mêmes conditions que celles fixées au § 3 du présent article.
  § 5. Par dérogation au §§ 2 et 3 du présent article, toute mission perd de plein droit son caractère d'intérêt général à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'agent a atteint une ancienneté de service suffisante pour pouvoir prétendre à l'obtention d'une pension immédiate ou différée à charge du Gouvernement étranger, de l'administration publique étrangère ou de l'organisme international au profit duquel la mission est accomplie.
Art. 229. Tijdens de duur van een opdracht die door achteraf verleende machtigingen is gedekt doch niet erkend van algemeen belang te zijn, wordt de ambtenaar op non-activiteit gesteld. In die hoedanigheid heeft hij geen recht op bezoldiging en kan hij zijn aanspraak op promotie of verhoging in zijn weddeschaal niet doen gelden
  Voor de toepassing van het eerste lid van dit besluit wordt als achteraf verleende machtiging beschouwd, die welke iedere volgende periode dekt van een opdracht in dienst van dezelfde regering, van hetzelfde openbaar bestuur of van dezelfde instelling voor zover de beschouwde periode van de voorafgaande periode niet wordt gescheiden door een termijn die zes maanden overschrijdt.
Art. 229. Pendant la durée d'une mission qui est couverte par des autorisations ultérieures mais qui n'est pas reconnue d'intérêt général, l'agent est placé en non-activité. Dans cette position, il n'a pas droit au traitement et ne peut faire valoir ses titres à la promotion ou à l'avancement dans son échelle de traitement.
  Pour l'application de l'alinéa premier du présent article, est considéré comme autorisation ultérieure, celle qui couvre toute période ultérieure d'une mission au service du même Gouvernement, de la même administration publique ou du même organisme, pour autant que la période considérée ne soit pas séparée par plus de six mois de celle qui la précède.
Art. 230. De ambtenaar die door de Regering met een internationale opdracht wordt belast, kan een vergoeding genieten.
  De Regering stelt de vergoeding vast rekening houdend met :
  1° de bezoldiging toegekend ter uitvoering van de opdracht;
  2° de duur van de opdracht, de levensduurte in het land waar de opdracht wordt uitgevoerd, de sociale rang die met deze opdracht overeenstemt en de verhoogde gezinslasten verbonden aan de expatriatie.
  De vergoeding mag niet worden toegekend indien de ambtenaar hetzij krachtens andere wets- of verordeningsbepalingen, hetzij wegens de vervulling van zijn opdracht, gelijkwaardige voordelen geniet.
Art. 230. L'agent qui est chargé d'une mission internationale par le Gouvernement, peut bénéficier d'une indemnité.
  Le Gouvernement fixe l'indemnité en tenant compte :
  1° de la rétribution accordée pour l'exécution de la mission;
  2° de la durée de la mission, du coût de la vie dans le pays où il remplit sa mission, du rang social correspondant à cette mission ainsi que des charges familiales accrues inhérentes à l'expatriation.
  L'indemnité ne peut être accordée si l'agent bénéficie d'avantages équivalents soit en vertu d'autres dispositions légales ou réglementaires, soit en raison de l'accomplissement de sa mission.
Art. 231. Zodra de ambtenaar twee jaar met verlof wegens opdracht is, kan de directieraad beslissen of de betrekking die hij bekleedt, in het belang van de dienst als vacant moet worden beschouwd. De met een opdracht belaste ambtenaar van wie de betrekking vacant verklaard is, blijft aan het bestuur toegewezen waaraan hij toegewezen was vóór de vacantverklaring.
Art. 231. Lorsque l'agent est en congé pour mission depuis deux ans, le Conseil de direction peut décider que l'emploi que l'agent occupait, doit être considéré comme vacant dans l'intérêt du service. L'agent en mission dont l'emploi a été déclaré vacant reste affecté à l'administration dans laquelle il était affecté avant la déclaration de vacance de son emploi.
Art. 232. Met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden en ten hoogste zes maanden, kan de Regering op ieder ogenblik een eind maken aan de opdracht waarmee de ambtenaar is belast.
Art. 232. En tenant compte d'un délai de préavis d'au moins trois mois et de six mois au plus, le Gouvernement peut, à tout moment, mettre un terme à la mission dont il a chargé l'agent.
Art. 233. De ambtenaar wiens opdracht verstreken is of door zijn toedoen wordt beëindigd, stelt zich opnieuw ter beschikking van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
Art. 233. L'agent dont la mission s'est achevée ou qui a mis fin à sa mission, se trouve à nouveau à la disposition du Service public régional de Bruxelles.
Afdeling 4. [1 Het verlof wegens intraregionale mobiliteit ]1
Section 4. [1 Du congé pour mobilité intrarégionale ]1
Art. 233/1. [1 § 1. De ambtenaar die in het kader van de intraregionale mobiliteit uit dienst treedt, bevindt zich in een verlof wegens intraregionale mobiliteit gedurende maximum zes maanden na indiensttreding bij de ontvangende instelling in de zin van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende regeling van de mobiliteit in sommige instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
   § 2. Dit verlof bedraagt maximaal zes maanden.
   Indien de ambtenaar binnen deze termijn niet terug in dienst treedt bij de instelling die hem het verlof voor intraregionale mobiliteit heeft toegekend, wordt de overplaatsing definitief.
   § 3. Dit verlof is niet bezoldigd en wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit bij terugkeer uit dit verlof. ]1

  
Art. 233/1. [1 § 1er. L'agent qui quitte sa fonction dans le cadre de la mobilité intrarégionale se trouve en congé pour mobilité intrarégionale pendant maximum six mois à dater de son entrée en service auprès de l'institution d'accueil au sens de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 27 mars 2014 fixant le régime de mobilité au sein de certaines institutions de la Région de Bruxelles-Capitale.
   § 2. La durée de ce congé est de six mois maximum.
   Si l'agent ne reprend pas le service dans ce délai au sein de l'institution qui lui a octroyé le congé pour mobilité intrarégionale, le transfert devient définitif.
   § 3. Ce congé n'est pas rémunéré et est assimilé à une période d'activité de service au retour de ce congé. ]1

  
HOOFDSTUK VII. - Het verlof wegens ziekte
CHAPITRE VII. - Du congé pour maladie
Afdeling 1. - De ziekteverlofdagen
Section 1re. - Des jours de congé de maladie
Art. 234. Tijdens zijn volledige loopbaan heeft de ambtenaar, die wegens ziekte verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, recht op ziekteverlof tot maximaal eenentwintig werkdagen per twaalf maanden dienstanciënniteit. Als hij nog geen 36 maanden in dienst is, wordt zijn wedde hem niettemin gedurende 63 werkdagen gewaarborgd.
  Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
  Om de dienstanciënniteit te berekenen, komen ook in aanmerking alle daadwerkelijke prestaties die de ambtenaar in welke hoedanigheid ook verricht heeft, als titularis van ambten met volledige prestaties in een andere overheidsdienst of een onderwijsinstelling, een dienst voor beroepskeuze, een psycho-medisch-sociaal centrum of een medisch-pedagogisch instituut voor zover zij werden opgericht, erkend of gesubsidieerd door de Staat, een Gewest of een Gemeenschap.
  Voor de ambtenaar die oorlogsinvalide is wordt het aantal in het eerste lid vastgestelde dagen respectievelijk op 32 en 95 gebracht.
Art. 234. Pour l'ensemble de sa carrière, l'agent qui, par suite de maladie, est empêché d'exercer normalement ses fonctions, a droit à des congés de maladie à concurrence de vingt et un jours ouvrables par douze mois d'ancienneté de service. S'il n'est pas en service depuis 36 mois, son traitement lui est néanmoins garanti pendant 63 jours ouvrables.
  Ce congé est assimilé à une période d'activité de service.
  Pour calculer l'ancienneté de service, sont également pris en considération l'ensemble des services effectifs que l'agent a accomplis, à quelque titre que ce soit, comme titulaire de fonctions comportant des prestations complètes, en faisant partie d'un autre service public ou d'un établissement d'enseignement, un service d'orientation professionnelle, un centre psycho-medico-social ou un institut médico-pédagogique pour autant que ceux-ci soient créés, reconnus ou subventionnés par l'Etat, une Région ou une Communauté.
  Pour l'agent invalide de guerre, le nombre de jours fixé à l'alinéa premier est porté respectivement à 32 et 95.
Art. 235. Het aantal werkdagen, bedoeld in artikel 234, wordt in evenredigheid verminderd, wanneer hij tijdens zijn loopbaan verlof heeft gekregen :
  1° van arbeidsherverdelende aard;
  2° binnen het kader van de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar;
  3° om een stage te vervullen in een andere overheidsdienst;
  4° om een opdracht te vervullen buiten het Gewest;
  5° om kandidaat te zijn bij verkiezingen;
  6° het verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan;
  7° wegens ziekte of invaliditeit, behalve in geval van een arbeidsongeval of op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte.
  De ambtenaar die op non-activiteit werd geplaatst wegens ongewettigde afwezigheid, is onderworpen aan dezelfde regel.
  Indien het aldus berekende aantal dagen ziekteverlof geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.
  Enkel de werkdagen begrepen in de periode van afwezigheid wegens ziekte worden aangerekend.
Art. 235. Le nombre de jours ouvrables, visé à l'article 234, est réduit à due concurrence lorsqu'au cours de sa carrière, l'agent a obtenu un congé :
  1° dans le cadre de la redistribution du travail
  2° dans le cadre de la semaine de 4 jours et le travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans;
  3° pour effectuer un stage auprès d'un autre service public;
  4° pour remplir une mission en dehors de la Région;
  5° pour être candidat aux élections;
  6° le congé pour interruption de la carrière professionnelle;
  7° pour cause de maladie ou d'invalidité, sauf en cas d'accident de travail ou sur le chemin du travail ou de maladie professionnelle.
  L'agent qui a été placé en non-activité en raison d'absence injustifiée, est soumis à la même règle.
  Si le nombre de jours de congé de maladie ainsi calculé ne forme pas un nombre entier, il est arrondi à l'unité immédiatement supérieure.
  Seuls les jours ouvrables compris dans la période d'absence pour maladie sont comptabilisés.
Art. 236. § 1. Verlof wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking zoals bedoeld in de artikelen 167 tot 172, noch aan de stelsels van de vierdagenweek of halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar bedoeld in de artikelen 173 tot 180, noch aan verminderde prestaties om persoonlijke redenen zoals bedoeld in de artikelen 181 tot 183.
  De ambtenaar blijft de voor zijn verminderde prestaties verschuldigde wedde ontvangen.
  § 2. Wanneer de ambtenaar deeltijdse prestaties verricht, worden de afwezigheden wegens ziekte aangerekend op het aantal verlofdagen waarop hij krachtens artikel 234 recht heeft, naar rata van de prestaties die hij had moeten verrichten.
  Als het totale aantal aldus verrekende dagen per twaalf maanden dienstanciënniteit geen geheel getal is, worden de gedeelten van een dag niet meegeteld.
  Voor de ambtenaar die deeltijdse prestaties verricht, worden als dagen ziekteverlof de dagen afwezigheid aangerekend tijdens welke de ambtenaar prestaties diende te verrichten.
Art. 236. § 1er. Le congé de maladie ne met pas fin aux régimes d'interruption de la carrière professionnelle visés aux articles 167 à 172, ni au régime de congés dans le cadre de la semaine de quatre jours et du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans visés aux articles 173 à 180, ni aux prestations réduites pour convenances personnelles visées aux articles 181 à 183.
  L'agent continue à percevoir le traitement dû en raison des prestations réduites.
  § 2. Lorsque l'agent effectue des prestations à temps partiel, les absences pour cause de maladie sont imputées sur le nombre de jours de congé auxquels il a droit en vertu de l'article 234, au prorata des prestations qu'il aurait dû accomplir.
  Si le nombre total des jours ainsi comptabilisés par douze mois d'ancienneté de service n'est pas un nombre entier, la fraction de jour est négligée.
  Pour l'agent qui effectue des prestations à temps partiel, sont à comptabiliser comme congé de maladie les jours d'absence pendant lesquels l'agent aurait dû fournir des prestations.
Art. 237. Het verlof wegens ziekte wordt tijdelijk onderbroken tijdens het verlof om dwingende redenen van familiaal belang. De dagen verlof om dwingende redenen die samenvallen met een ziekteverlof worden niet als ziekteverlofdagen beschouwd.
Art. 237. Le congé de maladie est temporairement interrompu pendant le congé pour motifs impérieux d'ordre familial. Les jours de congé pour motifs impérieux qui coïncident avec le congé de maladie ne sont pas considérés comme des jours de congé de maladie.
Art. 238. § 1. Onder voorbehoud van artikel 240 en in afwijking van artikel 236, wordt het verlof wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan, naar aanleiding van :
  1° een arbeidsongeval;
  2° een ongeval op de weg van en naar het werk;
  3° een beroepsziekte.
  Bovendien komen de verlofdagen toegestaan naar aanleiding van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte, niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal verlofdagen dat de ambtenaar overeenkomstig artikel 234 nog kan krijgen, zelfs niet na de datum van consolidatie.
  § 2. De ambtenaren die door een beroepsziekte bedreigd worden en die, onder de door de minister vastgestelde voorwaarden, daardoor tijdelijk ophouden hun ambt uit te oefenen, worden ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art. 238. § 1er. Sous réserve de l'article 240 et par dérogation à l'article 236, le congé de maladie est accordé sans limite de temps, lorsqu'il est provoqué par :
  1° un accident de travail;
  2° un accident survenu sur le chemin du travail;
  3° une maladie professionnelle.
  En outre, les jours de congé accordés suite à un accident de travail, à un accident survenu sur le chemin du travail ou à une maladie professionnelle ne sont pas pris en considération, même après la date de consolidation, pour déterminer le nombre de jours de congé que l'agent peut encore obtenir en vertu de l'article 234.
  § 2. Les agents menacés par une maladie professionnelle et qui, selon des modalités fixées par le ministre, sont amenés à cesser temporairement d'exercer leurs fonctions, sont mis d'office en congé pour la durée nécessaire. Le congé est assimilé à une période d'activité de service.
Art. 239. De verlofdagen wegens ziekte ingevolge een ongeval veroorzaakt door de schuld van een derde dat geen ongeval is als bedoeld in artikel 238, worden niet in aanmerking genomen om het aantal verlofdagen te bepalen die de ambtenaar nog krachtens artikel 234 kan krijgen ten belope van het percentage aansprakelijkheid dat aan de derde is toegewezen en dat als grondslag dient voor de indeplaatsstelling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Art. 239. Les jours de congé de maladie accordés à la suite d'un accident causé par la faute d'un tiers et autre qu'un accident visé à l'article 238 ne sont pas pris en considération pour déterminer le nombre de jours de congé que l'agent peut encore obtenir en vertu de l'article 234, à concurrence du pourcentage de responsabilité imputé au tiers et qui sert de fondement à la subrogation de la Région de Bruxelles-Capitale.
Art. 239/1. [1 De ziekteverlofdagen verleend als gevolg van pesten die werden erkend door een rechterlijke beslissing en waartegen geen beroep mogelijk is komen niet in rekening bij het bepalen van het aantal dagen waarop het personeelslid nog recht heeft in hoofde van artikel 234.]1
  
Art. 239/1. [1 Les jours de congé de maladie accordés à la suite de harcèlement qui a été reconnu par une décision de justice qui n'est plus susceptible de recours ne sont pas pris en considération pour déterminer le nombre de jours de congé que l'agent peut encore obtenir en vertu de l'article 234.]1
  
Art. 240. Wanneer de ambtenaar verminderde prestaties verricht die gespreid zijn over alle werkdagen, wordt het ziekteverlof aangerekend pro rata van het aantal uren dat hij gedurende zijn afwezigheid had moeten presteren.
  Indien het aldus berekende aantal werkdagen geen geheel getal is, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.
  Indien aldus het totaal aantal aangerekende dagen per twaalf maanden dienstanciënniteit geen geheel getal is, wordt het gedeelte van de dag niet meegerekend.
  Indien de ambtenaar deeltijds verlof geniet op basis van een wettelijke bepaling met betrekking tot de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar, worden als ziekteverlof meegerekend de werkdagen tijdens welke hij op basis van een voltijdse werkregeling prestaties had moeten verrichten.
Art. 240. Lorsque l'agent effectue des prestations réduites réparties sur l'ensemble des jours ouvrables, les absences pour cause de maladie sont comptabilisées au prorata du nombre d'heures qu'il aurait dû prester pendant son absence.
  Si le nombre de jours ouvrables ainsi calculé ne forme pas un nombre entier, il est arrondi à l'unité supérieure.
  Si le nombre total des jours ainsi comptabilisés par douze mois d'ancienneté de service n'est pas un nombre entier, la fraction de jour est négligée.
  Si l'agent bénéficie d'un congé à temps partiel en vertu d'une disposition légale relative à la semaine de quatre jours et du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans, les jours ouvrables pendant lesquels l'agent aurait dû fournir des prestations sur la base d'un régime de travail à temps plein, sont comptabilisés comme congés de maladie.
Afdeling 2. - Het toezicht en de definitieve ongeschiktheidsverklaring
Section 2. - Du contrôle et de la déclaration d'inaptitude définitive
Art. 241. De wegens ziekte afwezige ambtenaar staat onder het geneeskundig toezicht van de door de minister aangewezen medische controledienst. De minister bepaalt de regels die van toepassing zijn inzake de medische controle.
  Indien de ambtenaar niet akkoord gaat met de beslissing van de controlearts, neemt deze laatste binnen 24 uur contact met de behandelende arts. Als de beide geneesheren het oneens zijn, wijzen zij onmiddellijk in gemeen overleg een arbitrerend arts aan. De beslissing van de arbitrerend arts is definitief.
  In toepassing van artikel 166 is de ambtenaar ambtshalve in non-activiteit voor alle niet gewettigde afwezigheden wegens ziekte.
  Niettemin kan de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal de afwezigheid omzetten in jaarlijks vakantieverlof.
Art. 241. L'agent absent pour raison de maladie est soumis à la surveillance sanitaire du service de contrôle médical désigné par le ministre. Le ministre fixe les règles applicables en matière de contrôle médical.
  Si l'agent n'est pas d'accord avec la décision du médecin contrôleur, ce dernier prend contact endéans les 24 heures avec le médecin traitant. En cas de désaccord entre les deux médecins, ils désignent immédiatement de commun accord un médecin d'arbitrage. La décision du médecin d'arbitrage est définitive.
  En application de l'article 166, l'agent est de plein droit en non activité pour toute absence pour maladie injustifiée.
  Toutefois, le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint peut convertir l'absence en congé de vacances annuelles.
Art. 242. De ambtenaar blijft onderworpen aan de reglementering van het Bestuur van de medische expertise van de Staat voor wat betreft de arbeidsongevallen, de beroepsziekten en de definitieve medische ongeschiktheidsverklaring.
Art. 242. L'agent reste soumis à la réglementation de l'Administration de l'expertise médicale de l'Etat pour ce qui concerne les accidents de travail, les maladies professionnelles et les déclarations d'inaptitude médicale définitive.
Art. 243. Op grond van de geldende procedure bij het Bestuur van de medische expertise van de Staat, heeft de ambtenaar een recht van beroep tegen de beslissingen van deze dienst voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 242.
Art. 243. En vertu de la procédure en vigueur auprès de l'Administration de l'expertise médicale de l'Etat, l'agent a le droit d'intenter un recours contre les décisions dudit service pour les matières visées à l'article 242.
Art. 244. De ambtenaar kan niet definitief ongeschikt worden verklaard wegens ziekte alvorens hij het aantal werkdagen heeft uitgeput waarop hij recht heeft als ziekteverlof.
  Het eerste lid is niet toepasselijk op de ambtenaar die een opdracht heeft vervuld bij een buitenlandse regering, een buitenlands openbaar bestuur of een internationale instelling, en die op grond daarvan op pensioen werd gesteld wegens invaliditeit en een pensioen ontvangt.
Art. 244. L'agent ne peut être déclaré définitivement inapte pour cause de maladie avant d'avoir épuisé le nombre de jours de congé de maladie auxquels il a droit.
  L'alinéa premier n'est pas applicable à l'agent qui, après avoir accompli une mission auprès d'un Gouvernement étranger, d'une administration publique étrangère ou d'une institution internationale, a été, à ce titre, mis à la retraite pour cause d'invalidité et bénéficie d'une pension.
Afdeling 3. - De verminderde prestaties wegens ziekte
Section 3. - Prestations réduites pour raisons médicales
Art. 245. De ambtenaar kan verzoeken zijn functie uit te oefenen binnen het kader van verminderde prestaties wegens ziekte :
  1° met het oog op zich opnieuw aan te passen aan het normale arbeidsritme, na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van ten minste dertig dagen;
  2° wanneer, ten gevolge van een langdurige medische ongeschiktheid, hij niet voltijds kan werken na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van ten minste dertig dagen;
  De beoordeling van de medische situatie van de ambtenaar en het toekennen van verminderde prestaties wegens medische redenen wordt gewaarborgd door een arts van de medische controle zoals bedoeld in artikel 241, lid 1.
Art. 245. L'agent peut demander d'exercer sa fonction dans le cadre de prestations réduites pour raisons médicales :
  1° en vue de se réadapter au rythme de travail normal, après une absence ininterrompue pour maladie d'au moins trente jours;
  2° lorsque, suite à une inaptitude médicale de longue durée, il est empêché de travailler à temps plein après une absence ininterrompue pour maladie d'au moins trente jours;
  L'appréciation de la situation médicale de l'agent et l'octroi des prestations réduites pour raisons médicales sont assurés par un médecin du service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er.
Art. 246. § 1. De ambtenaar bedoeld in artikel 245, 1°, kan zijn functie opnieuw vervullen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximaal drie maanden.
  Verminderde prestaties kunnen worden toegekend voor de duur van een maand. Verlengingen kunnen worden verleend voor een equivalente periode, indien de medische controledienst zoals bedoeld in artikel 241, lid 1, na een nieuw onderzoek van mening is dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar dit rechtvaardigt. De bepalingen van artikel 249, alinea 1 en 2 zijn van toepassing.
  § 2. De ambtenaar bedoeld in artikel 245, 2° kan zijn functie hervatten ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van de normale prestaties voor een maximumduur van twaalf maanden, tenzij dat de arts van de medische controledienst zoals bedoeld in artikel 241, lid 1 van mening is dat een nieuw onderzoek vroeger dient plaats te vinden.
  De verlengingen kunnen worden toegekend per periodes van maximum twaalf maanden, indien de medische controledienst bedoeld in artikel 241, lid 1 na een nieuw onderzoek van mening is dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar het rechtvaardigt. De bepalingen van artikel 249 zijn van toepassing.
  § 3. Bij elk onderzoek oordeelt de arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 241, lid 1 of de ambtenaar geschikt is om 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties te verrichten.
  Gedurende de periode van verminderde prestaties om medische redenen, kan de ambtenaar, zoals bedoeld in § 2, om een nieuw onderzoek verzoeken bij de medische controledienst zoals bedoeld in artike 241, lid 1 met het oog op het aanpassen van zijn werkregime.
  § 4. De verminderde prestaties bedoeld in § 1 worden elke dag uitgevoerd, tenzij de arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 241, lid 1, anders beslist.
  De verminderde prestaties bedoeld in § 2, worden uitgevoerd volgens een spreiding van de prestaties over de week, conform het advies van de arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 241, lid 1.
Art. 246. § 1er. L'agent visé à l'article 245, 1°, peut reprendre sa fonction à concurrence de 50 %, 60 % ou 80 % de ses prestations normales pour une période de maximum trois mois.
  Les prestations réduites peuvent être accordées pour une période d'un mois. Des prolongations peuvent être accordées, tout au plus, pour une période équivalente, si le service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er, estime lors d'un nouvel examen que l'état de santé de l'agent le justifie. Les dispositions de l'article 249, alinéa 1 et 2 sont d'application.
  § 2. L'agent visé à l'article 245, 2°, peut reprendre sa fonction à concurrence de 50 %, 60 % ou 80 % de ses prestations normales pour une période de maximum douze mois, à moins que le médecin du service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er, estime que le nouvel examen doit avoir lieu plus tôt.
  Des prolongations peuvent être accordées par périodes de douze mois maximum, si le service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er, estime lors d'un nouvel examen que l'état de santé de l'agent le justifie. Les dispositions de l'article 249 sont d'application.
  § 3. A chaque examen, le médecin du service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er, juge si l'agent est apte à prester 50 %, 60 % ou 80 % de ses prestations normales.
  Au cours d'une période de prestations réduites pour raisons médicales, l'agent visé au § 2, peut demander un nouvel examen médical auprès du service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er, en vue d'adapter son régime de travail.
  § 4. Les prestations réduites visées au § 1er sont effectuées tous les jours, à moins que le médecin du service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er, en décide autrement.
  Les prestations réduites visées au § 2, sont effectuées selon une répartition des prestations sur la semaine, conformément à l'avis du médecin du service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er.
Art. 247. § 1. De dagen dat een ambtenaar afwezig is tijdens een periode van verminderde prestaties wegens ziekte worden beschouwd als verlof. Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
  Niettemin moet de ambtenaar die zijn ambt uitoefent met verminderde prestaties wegens ziekte, zijn vakantieverlofdagen opnemen met volledige dagen.
  Indien de verminderde prestaties niet elke dag worden geleverd, dan worden de verlofdagen toegekend pro rata aan de prestaties voor de gepresteerde periode binnen het kader van de verminderde prestaties.
  § 2. De ambtenaar bedoeld in artikel 245, 1° en 2° geniet zijn volledige wedde voor de eerste drie maanden van de verminderde prestaties voor medische redenen. Met wedde wordt de wedde bedoeld zoals gedefinieerd in artikelen 340 tot 355, alsook de toelagen bedoeld in artikel 358.
  De ambtenaar bedoeld in artikel 245, 2° geniet vanaf de vierde maand een wedde voor de verminderde prestaties, verhoogd met 60 % van de wedde die hij gekregen zou hebben voor de niet geleverde prestaties.
  § 3. De verminderde prestaties voor medische redenen worden geschorst door :
  1° loopbaanonderbreking;
  2° halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar;
  3° de vierdagenweek;
  4° de verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheden;
  5° de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke redenen;
  6° moederschapsverlof;
  7° ouderschapsverlof zoals voorzien in artikel 198;
  8° adoptieverlof, het verlof voor de opvang met het oog op pleegvoogdij of plaatsing in een onthaalgezin naar aanleiding van een rechterlijke beslissing.
  De toelating om verminderde prestaties te verrichten omwille van medische redenen wordt tijdelijk onderbroken bij afwezigheid wegens ziekte, door een arbeidsongeval of door een ongeval op de weg van en naar het werk of wegens een arbeidsziekte.
Art. 247. § 1er. Les jours d'absence d'un agent pendant cette période de prestations réduites pour raisons médicales sont considérés comme congé. Ce congé est assimilé à une période d'activité de service.
  Toutefois, l'agent qui exerce ses fonctions par prestations réduites pour raisons médicales, est tenu de prendre ses jours de congé de vacances par jours entiers.
  Si les prestations réduites ne sont pas effectuées tous les jours, les jours de congé de vacances sont octroyés au prorata des prestations pour la période prestée dans le cadre des prestations réduites.
  § 2. L'agent visé à l'article 245, 1° et 2° bénéficie de son traitement complet pour les trois premiers mois des prestations réduites pour raisons médicales. Par traitement il faut entendre le traitement tel que défini par les articles 340 à 355 ainsi que les allocations visées à l'article 358.
  L'agent visé à l'article 245, 2°, bénéficie à partir du quatrième mois du traitement dû pour les prestations réduites, augmenté de 60 % du traitement qui aurait été dû pour les prestations non fournies.
  § 3. Les prestations réduites pour raisons médicales sont suspendues par :
  1° l'interruption de la carrière professionnelle;
  2° le travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans;
  3° la semaine de quatre jours;
  4° les prestations réduites pour convenance personnelle;
  5° l'absence de longue durée pour raisons personnelles;
  6° le congé de maternité;
  7° le congé parental prévu à l'article 198;
  8° le congé d'accueil en vue de l'adoption et de la tutelle officieuse ou du placement dans une famille d'accueil à la suite d'une décision judiciaire.
  L'autorisation d'effectuer des prestations réduites pour raisons médicales est temporairement interrompue lors d'une absence pour maladie, pour un accident du travail, pour un accident survenu sur le chemin du travail et pour une maladie professionnelle.
Art. 248. § 1. De ambtenaar die verminderde prestaties voor medische redenen wenst te genieten moet een advies verkrijgen van de arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 241, lid 1, minimaal vijf werkdagen voor het begin van de verminderde prestaties.
  De ambtenaar, bedoeld in artikel 245, 1°, moet een medisch getuigschrift voorleggen en een reïntegratieplan opgesteld door de behandelende arts. In het reïntegratieplan vermeldt de arts de vermoedelijke datum van het volledig hervatten van de arbeid.
  De ambtenaar bedoeld in artikel 245, 2° moet een omstandig medisch verslag voorleggen, opgesteld door een arts specialist.
  § 2. De arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 241, lid 1, spreekt zich uit over de medische geschiktheid van de ambtenaar om zijn functies te hervatten ter belope van 50 %, 60 % of 80 % van de normale prestaties. Deze bezorgt zo snel mogelijk, naargelang het geval, na consultatie van de behandelende arts bedoeld in § 1, lid 2, zijn schriftelijke bevindingen aan de ambtenaar.
  § 3. Na het bezorgen van de bevindingen door de arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 241, lid 1 binnen het kader van een verzoek tot verminderde prestaties voor medische redenen, bedoeld in artikel 245, 1° en 2° kan de ambtenaar, die niet akkoord gaat met de vaststellingen, verzoeken dat een arts-scheidsrechter wordt aangesteld, in overeenstemming met de procedure bedoeld in artikel 241, lid 2.
  De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist over het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Elke andere vaststelling blijft beschermd door het beroepsgeheim.
  De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van de ambtenaar, vallen ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.
  De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 246, lid 1 op de hoogte van zijn beslissing. De medische controledienst bedoeld in artikel 246, lid 1 en de ambtenaar worden onmiddellijk bij een ter post aangetekende brief verwittigd door de arts-scheidsrechter.
Art. 248. § 1er. L'agent qui désire bénéficier de prestations réduites pour raisons médicales doit avoir obtenu l'avis du médecin du service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er, au moins cinq jours ouvrables avant le début des prestations réduites.
  L'agent, visé à l'article 245, 1°, doit produire un certificat médical et un plan de réintégration établis par son médecin traitant. Dans le plan de réintégration, le médecin traitant mentionne la date probable de reprise intégrale du travail.
  L'agent, visé à l'article 245, 2°, doit produire un rapport médical circonstancié, établi par un médecin spécialiste.
  § 2. Le médecin du service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er, se prononce sur l'aptitude médicale de l'agent à reprendre ses fonctions à concurrence de 50 %, de 60 % ou de 80 % des prestations normales. Celui-ci remet aussi rapidement que possible, le cas échéant, après avoir consulté le médecin traitant visé au § 1er, alinéa 2, ses constatations écrites à l'agent.
  § 3. Après la remise des constatations par le médecin du service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er, dans le cadre d'une demande de prestations réduites pour raisons médicales visées à l'article 245, 1° et 2°, l'agent peut, s'il n'est pas d'accord avec ces constatations, demander qu'un médecin-arbitre soit désigné, conformément à la procédure visée à l'article 241, alinéa 2.
  Le médecin-arbitre effectue l'examen médical et statue sur le litige médical dans les trois jours ouvrables qui suivent sa désignation. Toute autre constatation demeure couverte par le secret professionnel.
  Les frais de cette procédure, ainsi que les éventuels frais de déplacement de l'agent, sont à charge de la partie qui succombe.
  Le médecin-arbitre porte sa décision à la connaissance de celui qui a délivré le certificat médical et du médecin du service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er. Le service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er et l'agent en sont immédiatement avertis par lettre recommandée par le médecin-arbitre.
Art. 249. § 1. Indien de medische controledienst bedoeld in artikel 241, lid 1, beslist dat een ambtenaar afwezig wegens ziekte geschikt is om de uitoefening van zijn functies te hervatten ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van de normale prestaties, dan informeert hij de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal hierover.
  De secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal nodigen de ambtenaar uit het werk te hervatten en laten hem toe de verminderde prestaties te vervullen voor zover deze in overeenstemming zijn met de eisen opgelegd voor de goede functionering van de dienst.
  Indien de ambtenaar geen gevolg geeft aan dit verzoek om het werk te hervatten, dan wordt hij in non-activiteit geplaatst.
  § 2. De ambtenaar die niet akkoord gaat met de vaststellingen, kan verzoeken dat een arts-scheidsrechter wordt aangesteld, in overeenstemming met de procedure bedoeld in artikel 241, lid 2.
  De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist over het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Elke andere vaststelling blijft beschermd door het beroepsgeheim.
  De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van de ambtenaar, vallen ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.
  De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de arts van de medische controledienst bedoeld in artikel 241, lid 1 op de hoogte van zijn beslissing. De medische controledienst bedoeld in artikel 241, lid 1 en de ambtenaar worden onmiddellijk bij een ter post aangetekende brief verwittigd door de arts-scheidsrechter.
Art. 249. § 1er. Si le service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er, décide qu'un agent absent pour cause de maladie est apte à reprendre l'exercice de ses fonctions à concurrence de 50 %, de 60 % ou de 80 % des prestations normales, il en informe le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint.
  Le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint invite l'agent à reprendre le travail en lui permettant d'accomplir lesdites prestations réduites pour autant que celles-ci soient compatibles avec les exigences imposées par le bon fonctionnement du service.
  Si l'agent ne donne pas suite à cette demande de reprendre le travail, il est placé en non-activité.
  § 2. L'agent peut, s'il n'est pas d'accord avec cette décision, demander qu'un médecin-arbitre soit désigné, conformément à la procédure visée à l'article 241, alinéa 2.
  Le médecin-arbitre effectue l'examen médical et statue sur le litige médical dans les trois jours ouvrables qui suivent sa désignation. Toute autre constatation demeure couverte par le secret professionnel.
  Les frais de cette procédure, ainsi que les éventuels frais de déplacement de l'agent, sont à charge de la partie qui succombe.
  Le médecin-arbitre porte sa décision à la connaissance de celui qui a délivré le certificat médical et du médecin du service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er. Le service de contrôle médical visé à l'article 241, alinéa 1er et l'agent en sont immédiatement avertis par lettre recommandée par le médecin-arbitre.
HOOFDSTUK VIII. - De verloven om politieke redenen
CHAPITRE VIII. - Des congés pour raisons politiques
Afdeling 1. - Het verlof om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen
Section 1re. - Du congé pour présenter sa candidature aux élections
Art. 250. De ambtenaar kan een verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor parlements-, gewest-, gemeente- provincie- of Europese raadsverkiezingen.
  Dit verlof wordt toegekend voor een periode die overeenstemt met de duur van de verkiezingscampagne waaraan hij deelneemt.
Art. 250. L'agent peut obtenir un congé lui permettant de présenter sa candidature aux élections législatives, régionales, provinciales, communales ou européennes.
  Ce congé est accordé pour la durée de la campagne électorale à laquelle participe l'intéressé en tant que candidat.
Art. 251. Dit verlof wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art. 251. Ce congé n'est pas rémunéré. Il est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.
Afdeling 2. - Het verlof om een functie uit te oefenen bij een erkende politieke fractie
Section 2. - Du congé pour l'exercice d'une fonction auprès d'un groupe politique reconnu
Art. 252. Een erkende politieke fractie is een groep verkozenen die als dusdanig is erkend overeenkomstig het reglement van de wetgevende vergadering waartoe zij behoren.
Art. 252. Il y a lieu d'entendre par groupe politique reconnu un groupe d'élus reconnu comme tel conformément au règlement de l'assemblée législative à laquelle ces élus appartiennent.
Art. 253. De ambtenaar kan verlof krijgen om een ambt uit te oefenen bij een erkende politieke fractie.
  De Voorzitter van een politieke fractie dient hiertoe een verzoek in bij de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal.
  De directieraad gaat na of het belang van de dienst er zich niet tegen verzet.
  Met de instemming van de ambtenaar en van de functioneel bevoegde minister, kent de benoemende overheid het verlof toe.
Art. 253. L'agent peut obtenir un congé pour exercer une fonction dans un groupe politique reconnu.
  Le Président d'un groupe politique introduit à cet effet une demande auprès du Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint.
  Le Conseil de direction vérifiera que ce congé ne va pas à l'encontre de l'intérêt du service.
  Avec l'accord de l'agent et du ministre fonctionnellement compétent, l'autorité investie du pouvoir de nomination accorde le congé.
Art. 254. Het besluit vermeldt de duur van het toegekende verlof, alsmede de politieke fractie waarbij de ambtenaar een ambt zal uitoefenen.
Art. 254. L'arrêté mentionne la durée du congé accordé, ainsi que le groupe politique au sein duquel l'agent exercera une fonction.
Art. 255. De minister kan om dienstredenen het verlof beëindigen mits hij een opzeggingstermijn van een maand respecteert.
Art. 255. Le ministre peut mettre fin au congé pour des raisons de service moyennant le respect d'un délai de préavis d'un mois.
Art. 256. Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het is niet bezoldigd.
Art. 256. Ce congé est assimilé à une période d'activité de service. Il n'est pas rémunéré.
Afdeling 3. - Het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet
Section 3. - Du congé pour détachement auprès d'un cabinet ministériel
Art. 257. § 1. De ambtenaar krijgt verlof wanneer hij aangewezen wordt om een functie te vervullen op :
  1° het secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of de cel algemeen beleid of, in voorkomend geval, het kabinet van een lid van de federale Regering;
  2° het kabinet van een minister of Staatssecretaris van de regering van een Gemeenschap of Gewest;
  3° het kabinet van een minister of staatssecretaris van het College van de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
  De detachering bij een andere regering dan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is slechts toegestaan indien de bezoldiging van de gedetacheerde ambtenaar wordt terugbetaald.
  § 2. Op het einde van zijn detachering en tenzij hij naar een ander secretariaat, cel algemene beleidscoördinatie of cel algemeen beleid van de federale Regering of kabinet overgaat, krijgt de ambtenaar, per maand activiteit in deze organen, één dag verlof met een minimum van drie werkdagen en een maximum van vijftien werkdagen.
Art. 257. § 1er. L'agent obtient un congé lorsqu'il est désigné pour exercer une fonction :
  1° dans le secrétariat, la cellule de coordination générale de la politique ou la cellule politique générale ou, le cas échéant, le cabinet d'un membre du Gouvernement fédéral;
  2° dans le cabinet d'un ministre ou d'un secrétaire d'Etat du Gouvernement d'une Communauté ou Région;
  3° dans le cabinet d'un ministre ou d'un secrétaire d'Etat du Collège de la Commission communautaire française, de la Commission communautaire flamande ou de la Commission communautaire commune.
  Le détachement effectué auprès d'un Gouvernement autre que celui de la Région de Bruxelles-Capitale n'est autorisé que moyennant le remboursement de la rémunération de l'agent détaché.
  § 2. Au terme de son détachement et à moins d'un nouveau détachement dans un(e) autre secrétariat, cellule de coordination générale de la politique ou cellule politique générale du Gouvernement fédéral ou cabinet, l'agent obtient un jour de congé par mois d'activité presté dans ces organes, avec un minimum de trois jours ouvrables et un maximum de quinze jours ouvrables.
Art. 258. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art. 258. Ce congé est assimilé à une période d'activité de service.
Afdeling 4. - Het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen
Section 4. - Du congé pour exercer un mandat politique
Art. 259. De ambtenaar krijgt een dienstvrijstelling van twee dagen per maand voor de uitoefening van de volgende politieke mandaten :
  a) gemeenteraadslid dat noch burgemeester noch schepen noch voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn is;
  b) lid van een raad voor maatschappelijk welzijn, de voorzitter uitgezonderd;
  c) lid van een districtsraad, de bureauleden en de voorzitter uitgezonderd;
  d) provincieraadslid, niet-lid van de bestendige deputatie.
Art. 259. L'agent peut obtenir une dispense de service deux jours par mois pour l'exercice des mandats politiques suivants :
  a) conseiller communal qui n'est ni bourgmestre ni échevin ni président d'un conseil de l'aide sociale;
  b) membre d'un conseil de l'aide sociale, autre que le président;
  c) membre d'un conseil de district autre que les membres du bureau et le président;
  d) conseiller provincial non membre du collège provincial.
Art. 260. De vrijstelling van dienst bepaald in artikel 259 wordt naar keuze door de betrokkene genomen in dagen of halve dagen. Zij mag niet van de ene naar de andere maand worden overgedragen tenzij zij is toegekend voor het uitoefenen van een mandaat van provincieraadslid.
Art. 260. La dispense de service prévue à l'article 259 se prend à la convenance de l'intéressé par jour ou demi-jour. Elle ne peut être reportée d'un mois à l'autre sauf lorsqu'elle est accordée pour l'exercice d'un mandat de conseiller provincial.
Art. 261. De ambtenaar kan, binnen de hierna bepaalde grenzen, op zijn aanvraag een facultatief politiek verlof krijgen voor de uitoefening van volgende politieke mandaten :
  1° [1 gemeenteraadslid dat noch burgemeester noch schepen noch voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn is, lid van een raad voor maatschappelijk welzijn of van een bijzonder comité voor de sociale dienst dat noch voorzitter noch lid van het vast bureau is of lid van een districtsraad dat noch voorzitter noch lid van het bureau is, van een gemeente:
   a) tot 80.000 inwoners: 2 dagen per maand;
   b) met meer dan 80.000 inwoners: 4 dagen per maand;]1

  2° [1 schepen, voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, voorzitter van een bijzonder comité voor de sociale dienst of lid van het bureau van een districtsraad van een gemeente:
   a) tot 30.000 inwoners: 4 dagen per maand;
   b) van 30.001 tot 50.000 inwoners: een vierde van een voltijds ambt;
   c) van 50.001 tot 80.000 inwoners: de helft van een voltijds ambt;]1

  3° burgemeester van een gemeente of voorzitter van een districtsraad van een gemeente :
  a) tot 30.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt;
  b) van 30.001 tot 50.000 inwoners : de helft van een voltijds ambt;
  4° lid van het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente :
  a) tot 10.000 inwoners : 1 of 2 dagen per maand;
  b) van 10.001 tot 20.000 inwoners : 1, 2 of 3 dagen per maand;
  c) met meer dan 20.000 inwoners : 1, 2, 3, 4 of 5 dagen per maand;
  5° provincieraadslid, niet-lid van de bestendige deputatie : 4 dagen per maand.
  
Art. 261. L'agent peut, dans les limites fixées ci-après, obtenir un congé politique facultatif pour l'exercice des mandats politiques suivants :
  1° [1 conseiller communal qui n'est ni bourgmestre ni échevin ni président d'un conseil de l'aide sociale, membre d'un conseil de l'aide sociale ou d'un comité spécial du service social, qui n'est ni président ni membre du bureau permanent, ou membre d'un conseil de district qui n'est ni président ni membre du bureau, d'une commune comptant :
   a) jusqu'à 80.000 habitants : 2 jours par mois;
   b) plus de 80.000 habitants : 4 jours par mois;]1

  2° [1 échevin, président du conseil de l'aide sociale, président d'un comité spécial du service social ou membre du bureau d'un conseil de district d'une commune comptant :
   a) jusqu'à 30.000 habitants : 4 jours par mois;
   b) de 30.001 à 50.000 habitants : le quart d'un emploi à temps plein;
   c) de 50.001 à 80.000 habitants : la moitié d'un emploi à temps plein;]1

  3° bourgmestre d'une commune ou président d'un conseil de district d'une commune :
  a) jusqu'à 30.000 habitants : un quart d'un emploi à temps plein;
  b) de 30.001 à 50.000 habitants : la moitié d'un emploi à temps plein;
  4° membre du bureau permanent d'un conseil de l'aide sociale dans une commune comptant :
  a) jusqu'à 10.000 habitants : 1 ou 2 jours par mois;
  b) de 10.001 à 20.000 habitants : 1, 2 ou 3 jours par mois;
  c) plus de 20.000 habitants : 1, 2, 3, 4 ou 5 jours par mois;
  5° conseiller provincial n'étant pas membre de la députation permanente : 4 jours par mois.
  
Art. 262. De ambtenaar is, binnen de hierna bepaalde grenzen, in politiek verlof van ambtswege voor de uitoefening van volgende politieke mandaten :
  1° burgemeester van een gemeente :
  a) tot 20.000 inwoners : 3 dagen per maand;
  b) van 20.001 tot 30.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt;
  c) van 30.001 tot 50.000 inwoners : de helft van een voltijds ambt;
  d) met meer dan 50.000 inwoners : voltijds;
  2° de voorzitter van een districtsraad van een gemeente wordt wat betreft het politiek verlof van ambtswege gelijkgesteld met een burgemeester van een gemeente waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt met dat van het district, waarbij de duur van het ambtshalve politiek verlof beperkt wordt tot het percentage van de wedde van die burgemeester die hij ontvangt;
  3° schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van een gemeente :
  a) tot 20.000 inwoners : 2 dagen per maand;
  b) van 20.001 tot 30.000 inwoners : 4 dagen per maand;
  c) van 30.001 tot 50.000 inwoners : een vierde van een voltijds ambt;
  d) van 50.001 tot 80.000 inwoners : de helft van een voltijds ambt;
  e) met meer dan 80.000 inwoners : voltijds;
  4° een lid van het bureau van een districtsraad van een gemeente wordt wat betreft het politiek verlof van ambtswege gelijkgesteld met een schepen van een gemeente waarvan het bevolkingsaantal overeenstemt met dat van het district, waarbij de duur van het ambtshalve politiek verlof wordt beperkt tot het percentage van de wedde van die schepen die hij ontvangt;
  5° lid van de bestendige deputatie van een provincieraad : voltijds.
Art. 262. L'agent est, dans les limites fixées ci-après, en congé politique d'office pour l'exercice des mandats politiques suivants :
  1° bourgmestre d'une commune comptant :
  a) jusqu'à 20.000 habitants : 3 jours par mois;
  b) de 20.001 à 30.000 habitants : le quart d'un emploi à temps plein;
  c) de 30.001 à 50.000 habitants : la moitié d'un emploi à temps plein;
  d) plus de 50.000 habitants : à temps plein;
  2° le président d'un conseil de district d'une commune est assimilé, en ce qui concerne le congé politique d'office, à un bourgmestre d'une commune dont le nombre d'habitants correspond à celui du district, la durée du congé politique d'office étant limitée au pourcentage du traitement de ce bourgmestre qu'il perçoit;
  3° échevin ou président du conseil de l'aide sociale dans une commune comptant :
  a) jusqu'à 20.000 habitants : 2 jours par mois;
  b) de 20.001 à 30.000 habitants : 4 jours par mois;
  c) de 30.001 à 50.000 habitants : le quart d'un emploi à temps plein;
  d) de 50.001 à 80.000 habitants : la moitié d'un emploi à temps plein;
  e) plus de 80.000 habitants : à temps plein;
  4° un membre d'un conseil de district d'une commune est assimilé, en ce qui concerne le congé politique d'office, à un échevin d'une commune dont le nombre d'habitants correspond à celui du district, la durée du congé politique d'office étant limitée au pourcentage du traitement de cet échevin qu'il perçoit;
  5° membre de la députation permanente d'un conseil provincial : à temps plein.
Art. 263. Onverminderd de bepalingen van de ordonnantie van 27 april 1995 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering met het oog op de uitoefening van een mandaat van lid van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad of de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is de ambtenaar in politiek verlof van ambtswege, ten belope van een voltijds ambt, voor de uitoefening van een mandaat van :
  1° lid van één der wetgevende Kamers of van de federale Regering;
  2° lid van het Vlaams Parlement, van het Waals Parlement, van het Parlement van de Franse Gemeenschap en van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap;
  3° lid van de Vlaamse Regering, van de Waalse Gewestregering, van de Franse Gemeenschapsregering en van de Duitstalige Gemeenschapsregering;
  4° lid van het Europees Parlement of van de Europese Commissie.
Art. 263. Sans préjudice des dispositions de l'ordonnance du 27 avril 1995 instituant le congé politique pour les membres du personnel des services du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale en vue d'exercer un mandat de membre du Conseil ou du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, l'agent est en congé politique d'office à raison d'un emploi à temps plein pour exercer un mandat de :
  1° membre d'une des Chambres législatives ou du Gouvernement fédéral;
  2° membre du Parlement wallon, du Parlement de la Communauté française, du Parlement flamand et du Parlement de la Communauté germanophone;
  3° membre du Gouvernement de la Région wallonne, du Gouvernement de la Communauté française, du Gouvernement flamand et du Gouvernement de la Communauté germanophone;
  4° membre du Parlement européen ou de la Commission européenne.
Art. 264. Het politiek verlof van ambtswege vangt aan op de datum van de eedaflegging.
Art. 264. Le congé politique d'office prend cours à la date de la prestation de serment.
Art. 265. Voor de toepassing van de artikelen 261 en 262, wordt het aantal inwoners bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 van de Nieuwe Gemeentewet.
Art. 265. Pour l'application des articles 261 et 262, le nombre d'habitants est déterminé conformément aux dispositions de l'article 5 de la Nouvelle loi communale.
Art. 266. De ambtenaar die geen voltijds ambt uitoefent wordt op voltijds politiek verlof van ambtswege gezonden indien aan zijn politiek mandaat reeds een politiek verlof van ambtswege beantwoordt waarvan de duur ten minste de helft van een voltijds ambt beloopt.
  Het aantal politieke verlofdagen wordt vastgesteld in verhouding tot de effectief door de ambtenaar gepresteerde diensten.
Art. 266. L'agent qui n'exerce pas une fonction à temps plein est mis en congé politique d'office à temps plein dès lors que son mandat politique correspond déjà à un congé politique d'office d'au moins la moitié d'un emploi à temps plein.
  Le nombre de jours de congé politique est fixé proportionnellement aux services effectivement prestés par l'agent.
Art. 267. De ambtenaar die recht heeft op een politiek verlof waarvan de duur niet de helft van een voltijds ambt overschrijdt, kan, op zijn aanvraag, halftijds of voltijds politiek verlof krijgen.
  De ambtenaar die recht heeft op een halftijds politiek verlof, kan op zijn aanvraag, voltijds politiek verlof krijgen.
Art. 267. L'agent qui a droit à un congé politique dont la durée n'excède pas la moitié d'un emploi à temps plein, peut, à sa demande, obtenir un congé politique à mi-temps ou à temps plein.
  L'agent qui a droit à un congé politique à mi-temps, peut, à sa demande, obtenir un congé politique à temps plein.
Art. 268. De periodes welke door facultatief politiek verlof of politiek verlof van ambtswege worden gedekt, worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Ze worden evenwel niet bezoldigd.
Art. 268. Les périodes couvertes par le congé politique facultatif ou le congé politique d'office sont assimilées à des périodes d'activité de service. Elles ne sont toutefois pas rémunérées.
Art. 269. Het politiek verlof eindigt uiterlijk op de laatste dag van de maand die volgt op de maand tijdens welke het mandaat een einde neemt.
  Vanaf dat ogenblik, herkrijgt de belanghebbende zijn rechten. Wanneer hij niet in zijn betrekking werd vervangen, bezet hij die betrekking wanneer hij zijn dienst hervat. Indien hij wel werd vervangen, wordt hij voor een andere betrekking aangewezen.
Art. 269. Le congé politique expire au plus tard le dernier jour du mois qui suit celui de la fin du mandat.
  A ce moment, l'intéressé recouvre ses droits. S'il n'a pas été remplacé dans son emploi, il réintègre cet emploi lorsqu'il reprend son activité. S'il a été remplacé, il est affecté à un autre emploi.
Art. 270. De ambtenaar mag na zijn reïntegratie zijn wedde niet cumuleren met voordelen die verbonden zijn aan de uitoefening van een politiek mandaat en die een wederaanpassingsvergoeding betreffen.
Art. 270. Après sa réintégration, l'agent ne peut pas cumuler son traitement avec des avantages qui sont liés à l'exercice d'un mandat politique et qui tiennent lieu d'indemnité de réadaptation.
HOOFDSTUK IX. - Het beroep inzake verlof, afwezigheid en disponibiliteit
CHAPITRE IX. - Du recours en matière de congés, d'absences et de disponibilité
Art. 271. Het personeelslid kan in beroep gaan bij de kamer van beroep bedoeld in artikel 29 wanneer hij niet akkoord gaat met een beslissing inzake verlof, afwezigheden of disponibiliteit behalve :
  1° inzake ziekteverlof,
  2° in geval van disponibiliteit wegens ziekte,
  3° inzake verlof voor opdracht,
  4° in geval van ontslag van ambtswege wegens ongerechtvaardigde afwezigheid van meer dan tien werkdagen.
Art. 271. Le membre du personnel peut introduire un recours auprès de la chambre de recours visée à l'article 29 lorsqu'il est en désaccord avec une décision en matière de congés, d'absences ou de disponibilité sauf :
  1° pour un congé de maladie,
  2° en cas de disponibilité pour maladie,
  3° pour un congé pour mission,
  4° en cas de démission d'office pour absence injustifiée de plus de dix jours ouvrables.
Art. 272. Het personeelslid beschikt voor het instellen van zijn beroep over een termijn van tien dagen ingaande op de dag waarop hem kennis is gegeven van de beslissing tot afwijzing van zijn aanvraag.
  Hij kan op zijn vraag worden gehoord door de kamer van beroep en mag zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
Art. 272. Le membre du personnel dispose, pour introduire son recours, d'un délai de dix jours à compter de la date à laquelle il a été avisé de la décision de refus opposée à sa demande.
  Il est entendu par la chambre de recours à sa demande et peut se faire assister par une personne de son choix.
Art. 273. De betwiste beslissing wordt verdedigd door een personeelslid aangewezen door de overheid die de beslissing heeft genomen.
  De kamer van beroep velt een beslissing en bezorgt die aan de secretaris generaal en het betrokken personeelslid binnen een termijn van een maand die aanvangt op de dag dat het beroep werd ingediend.
Art. 273. La décision contestée est défendue par un membre du personnel désigné par l'autorité qui a pris cette décision.
  La chambre de recours rend une décision et l'envoie au Secrétaire général et au membre du personnel concerné dans le délai d'un mois qui débute le jour où le recours est introduit.
TITEL VIII. - De vorming
TITRE VIII. - De la formation
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Art. 274. Onder beroepsvorming dient te worden verstaan, elke vorming die de ambtenaar toelaat zijn kennis en bekwaamheden te verbeteren of te onderhouden, in verband met de betrekking en de functie die hij uitoefent of die hij zou kunnen uitoefenen binnen de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, een andere Overheidsdienst of een instelling van openbaar nut.
  Een vorming wordt slechts erkend als beroepsvorming mits akkoord van het HRM.
  Ingeval de vorming op initiatief van de ambtenaar voorgesteld wordt, is bovendien het akkoord van de functionele chef vereist.
Art. 274. Il faut entendre par formation professionnelle, toute formation qui permet à l'agent d'améliorer ou de maintenir ses connaissances et compétences, en rapport avec l'emploi et la fonction qu'il exerce ou qu'il pourrait exercer au Service public régional de Bruxelles, dans un autre Service public ou dans un organisme d'intérêt public.
  Une formation ne sera reconnue formation professionnelle qu'avec l'accord de la GRH.
  Lorsque la formation est proposée à l'initiative de l'agent, l'accord du chef fonctionnel est en outre requis.
Art. 274bis. [1 § 1. Het scholingsbeding is het beding waarbij de ambtenaar, dat tijdens zijn dienstverband binnen de Gewestelijke Overheidsdienst van Brussel een vorming volgt op kosten van de werkgever, zich ertoe verbindt om aan deze laatste een gedeelte van de vormingskosten terug te betalen ingeval hij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel verlaat voor het einde van de in paragraaf 3 overeengekomen periode.
   § 2. Op straffe van nietigheid moet het beding schriftelijk worden vastgesteld door de HRM voor elke ambtenaar afzonderlijk ten laatste op het moment van inschrijving voor de opleiding die onder deze clausule valt.
   Het geschrift moet het volgende bevatten:
   1° een omschrijving van de overeengekomen vorming, de duur van de vorming en de plaats waar de vorming zal doorgaan;
   2° de kost van deze vorming of, in het geval waarin de kost niet kan worden bepaald in zijn geheel, de kostenelementen die toelaten om de waarde te schatten van de vorming. De beloning verschuldigd aan de ambtenaar in het kader van de uitvoering van zijn functie evenals de verplaatsings- of verblijfskosten kunnen geen onderdeel vormen van de vormingskost;
   3° de begindatum en de geldingsduur van het scholingsbeding. Indien de vorming aanleiding geeft tot het afleveren van een attest, valt de begindatum van de gelding van het scholingsbeding samen met de aflevering daarvan;
   4° het terug te betalen bedrag van een gedeelte van de scholingskosten dat ten laste is genomen door de werkgever met betrekking tot dewelke de ambtenaar zich ertoe verbindt deze te betalen na afloop van de vorming, dit bedrag wordt op degressieve wijze uitgedrukt in functie van de geldingsduur van het scholingsbeding. Dit bedrag mag niet hoger liggen dan de grenzen vastgesteld door paragraaf 3;
   5° dat de ambtenaar vooraf is geïnformeerd over het scholingsbeding, de duur en de gevolgen ervan.
   § 3. De geldingsduur van het scholingsbeding mag niet langer dan drie jaar zijn en moet worden vastgesteld in de paragraaf 2 bedoelde individuele schriftelijke overeenkomst rekening houdend met de kosten en de duur van de vorming.
   Het bedrag van terugbetaling verschuldigd door de ambtenaar ingeval de duur overeengekomen in het scholingsbeding niet wordt gerespecteerd wordt als volgt vastgelegd:
   1° 80 % van de vormingskost ingeval van vertrek van de ambtenaar voor 1/3 van de overeengekomen periode;
   2° 50 % van de vormingskost ingeval van vertrek van de ambtenaar tussen 1/3 en uiterlijk 2/3 van de overeengekomen periode;
   3° 20 % van de vormingskost ingeval van vertrek van de ambtenaar na 2/3 van de overeengekomen periode.
   In elk geval mag dit bedrag nooit meer dan 30 % van het jaarlijks loon van de ambtenaar bedragen.
   § 4. Het scholingsbeding wordt geacht onbestaande te zijn:
   1° wanneer het bruto jaarsalaris van de ambtenaar dat op het ogenblik van de aanvraag van kracht is, niet hoger is dan 16.100 euro. Dit bedrag is gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de regels vastgesteld bij de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Het is gekoppeld aan de spilindex 138,01;
   2° wanneer het niet gaat om een specifieke opleiding die de ambtenaar in staat stelt zijn kennis en vaardigheden te verbeteren of op peil te houden met betrekking tot de baan en de functie die hij uitoefent of zou kunnen uitoefenen, of nieuwe beroepsvaardigheden te verwerven die hij binnen of buiten de Brusselse Gewestelijke Overheidsdienst zou kunnen gebruiken;
   3° wanneer de aan de ambtenaar verstrekte vorming, in de zin van dit statuut, past in het regelgevende of wettelijke kader dat vereist is voor de uitoefening van het beroep waarvoor de ambtenaar is aangeworven;
   4° wanneer de vorming valt onder de vormingen bedoeld in artikel 21 van de wet van 7 oktober 2022 houdende gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie;
   5° wanneer de vorming in de zin van dit statuut geen 80 uur duurt of een waarde heeft die gelijk is aan tweemaal het gemiddelde maandelijkse gegarandeerde minimuminkomen.
   § 5. De ambtenaar is verplicht de vormingskosten degressief te vergoeden indien hij voor het verstrijken van de periode die is overeengekomen in de in § 2 bedoelde individuele schriftelijke overeenkomst:
   1° ontslag neemt;
   2А ontslagen van ambtswege werd of er tot zijn afzetting werd beslist in het kader van een tuchtprocedure;
   3° de vorming voor het einde van de periode zonder geldige reden verlaat. De HRM beslist of de ambtenaar wordt geacht zich zonder geldige reden voortijdig uit de vorming te hebben teruggetrokken.
   § 6. Het scholingsbeding heeft geen uitwerking:
   1° wanneer de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel de tewerkstelling van de ambtenaar definitief beëindigt, zonder dat er sprake is van een tuchtprocedure;
   2° in geval de ambtenaar ontslag neemt wegens een zware fout van het Brusselse gewestelijke overheidsdienst, die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt;
   3° wanneer de arbeidsverhouding tijdens de stageperiode wordt beëindigd;
   4° Wanneer de ambtenaar zijn functie verlaat voor een betrekking in щщn van de volgende entiteiten:
   a) een openbare dienst of een instelling van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   b) een Brusselse Gemeenschapscommissie;
   c) de diensten van het Brussels Parlement;
   d) een gemeentebestuur van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   e) een entiteit, ongeacht haar rechtsvorm en aard, die specifiek is opgericht om te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn, die rechtspersoonlijkheid heeft, en die afhankelijk is van een of meer van de entiteiten bedoeld in de punten a) tot d), op een van de volgende wijzen:
   -of haar werkzaamheden in hoofdzaak worden gefinancierd door een of meer van de onder a) tot en met d) bedoelde entiteiten;
   -of haar beheer onder het toezicht staat van een of meer van de onder a) tot en met d) bedoelde entiteiten;
   -of meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende orgaan aangewezen zijn door een of meer van de onder a) tot en met d) bedoelde entiteiten.
   § 7. De ambtenaar blijft de bezitter van zijn diploma's of certificaten behaald tijdens de vorming en moet beschikken over het origineel of een door de vormingsinstantie gewaarmerkt afschrift, of het scholingsbeding al dan uitwerking of niet heeft.
   § 8. De voorwaarden voorzien in paragraaf 4, 1А en 3А, zijn niet van toepassing indien het scholingsbeding betrekking heeft op een opleiding voor een beroep dat of een functie die voorkomt op de lijsten van knelpuntberoepen of moeilijk in te vullen functies binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.]1

  
Art. 274bis. [1 § 1er. La clause d'écolage est la clause par laquelle l'agent qui, durant son occupation au sein du service public régional de Bruxelles, suit une formation aux frais de l'employeur, s'engage à rembourser à ce dernier une partie des frais de formation en cas de départ du Service public régional de Bruxelles avant l'expiration de la période convenue au paragraphe 3.
   § 2. Sous peine de nullité, la clause doit être constatée par un écrit établi par la GRH pour chaque agent individuellement au plus tard au moment de l'inscription à la formation visée par cette clause.
   L'écrit doit mentionner :
   1° une description de la formation convenue, la durée de la formation et le lieu où sera dispensée la formation ;
   2° le coût de cette formation ou, dans le cas où ce coût ne peut être déterminé dans sa totalité, les éléments de coûts susceptibles de permettre une estimation de la valeur de la formation. La rémunération due à l'agent dans le cadre de l'exécution de sa fonction ainsi que les frais de transport ou de résidence ne peuvent être inclus dans le coût de la formation ;
   3° la date de début et la durée de validité de la clause d'écolage. Lorsque la formation donne lieu à la délivrance d'une attestation, la date de début de la validité de la clause d'écolage coïncide avec la délivrance de ladite attestation ;
   4° le montant du remboursement d'une partie des frais d'écolage, pris en charge par l'employeur, que l'agent s'engage à payer, à l'issue de la formation, montant exprimé de manière dégressive par rapport à la durée de validité de la clause d'écolage. Ce montant ne pourra pas dépasser les limites fixées par le paragraphe 3 ;
   5° que l'information relative à la clause d'écolage, sa durée et ses conséquences, a été fournie au préalable à l'agent.
   § 3. La durée de validité de la clause d'écolage ne peut excéder trois ans et doit être fixée, dans l'écrit individuel visé au paragraphe 2, en tenant compte du coût et de la durée de la formation.
   Le montant du remboursement dû par l'agent en cas de non-respect de la période convenue dans la clause d'écolage est fixé comme suit :
   1° 80 % du coût de la formation en cas de départ de l'agent avant 1/3 de la période convenue ;
   2° 50 % du coût de la formation en cas de départ de l'agent dans la période comprise entre 1/3 et 2/3 au plus tard de la période convenue ;
   3° 20 % du coût de la formation en cas de départ de l'agent au-delà de 2/3 de la période convenue.
   Toutefois, ce montant ne peut en aucun cas excéder 30 % de la rémunération annuelle de l'agent.
   § 4. La clause d'écolage est réputée inexistante :
   1° lorsque le traitement annuel brut de l'agent, en cours au moment de la demande ne dépasse pas 16.100 euros. Ce montant est lié aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, conformément aux règles prescrites par la loi du 1er mars 1977, organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. Il est rattaché à l'indice-pivot 138,01 ;
   2° lorsqu'il ne s'agit pas d'une formation spécifique qui permet à l'agent d'améliorer ou de maintenir ses connaissances et compétences, en rapport avec l'emploi et la fonction qu'il exerce ou qu'il pourrait exercer, ou d'acquérir de nouvelles compétences professionnelles qu'il pourrait valoriser au sein ou en dehors du Service public régional de Bruxelles ;
   3° lorsque la formation, au sens du présent statut, dispensée à l'agent se situe dans le cadre réglementaire ou légal requis pour l'exercice de la profession pour laquelle l'agent a été engagé ;
   4 ° lorsque la formation rentre dans les formations prévues à l'article 21 de la loi du 7 octobre 2022 transposant partiellement la directive (UE) 2019/1152 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 relative à des conditions de travail transparentes et prévisibles dans l'Union européenne ;
   5° lorsque la formation au sens du présent statut n'atteint pas une durée de 80 heures ou une valeur égale au double du revenu minimum mensuel moyen garanti.
   § 5. L'agent est tenu au remboursement dégressif des frais de la formation si, avant l'expiration de la période convenue dans l'écrit individuel visé au § 2, il :
   1° démissionne ;
   2° est démis d'office ou révoqué dans le cadre d'une procédure disciplinaire ;
   3° abandonne la formation avant son terme sans motif légitime. La GRH décide si l'agent est considéré comme ayant abandonné la formation avant terme sans motif légitime.
   § 6. La clause d'écolage ne produit pas ses effets :
   1° Lorsque le service public régional de Bruxelles met fin définitivement à l'emploi de l'agent en dehors de toute procédure disciplinaire ;
   2° Lorsque l'agent démissionne en raison de la faute grave du service public régional de Bruxelles, qui rend immédiatement et définitivement impossible toute collaboration professionnelle entre l'employeur et le travailleur ;
   3° Lorsqu'il est mis fin à la relation de travail durant la période de stage ;
   4° Lorsque l'agent quitte sa fonction pour un emploi au sein de l'une des entités suivantes :
   a) un service public ou organisme d'intérêt public de la Région de Bruxelles-Capitale ;
   b) une commission communautaire bruxelloise ;
   c) les services du parlement bruxellois ;
   d) une administration communale de la Région de Bruxelles-Capitale ;
   e) une entité, quelle que soit sa forme juridique et sa nature, qui a été créée pour satisfaire spécifiquement des besoins d'intérêt général ayant un caractère autre qu'industriel ou commercial, qui est dotée de la personnalité juridique, et qui dépend d'une ou de plusieurs des entités visées aux points a) à d), de l'une des manières suivantes :
   -soit ses activités sont financées majoritairement par une ou plusieurs des entités visées aux points a) à d) ;
   -soit sa gestion est soumise au contrôle d'une ou plusieurs des entités visées aux points a) à d) ;
   -soit plus de la moitié des membres de son organe d'administration, de direction ou de surveillance sont désignés par une ou plusieurs des entités visées aux points a) à d).
   § 7. L'agent reste titulaire des diplômes ou certificats acquis durant la formation et doit disposer de l'original ou d'une copie certifiée conforme par l'instance responsable pour la formation, que la clause d'écolage sorte ou non ses effets.
   § 8.Les conditions prévues au paragraphe 4, 1° et 3° ne s'appliquent pas si la clause d'écolage concerne une formation à un métier ou une fonction figurant sur les listes des professions en pénurie ou des fonctions difficiles à remplir au sein de la Région de Bruxelles-Capitale.]1

  
Art. 275. Het HRM vertrouwt de vormingsprogramma's toe aan interne of externe opleiders.
Art. 275. La GRH confie les programmes de formation à des formateurs internes ou externes.
Art. 276. Het HRM heeft tot taak :
  1° het onthaal van de nieuwe personeelsleden te organiseren en samen met de functionele chef een individueel opleidingsprogramma vast te leggen;
  2° het jaarlijks vormingsplan op te stellen;
  3° de opleidingen te organiseren.
Art. 276. La GRH est tenue :
  1° d'organiser l'accueil des nouveaux membres du personnel et de fixer un programme de formation individuel en collaboration avec le chef fonctionnel;
  2° d'établir le plan de formation annuel;
  3° d'organiser les formations.
Art. 277. Er wordt voor elk begrotingsjaar een vormingsplan opgesteld. Dit plan houdt in :
  1° de te bereiken algemene doelstellingen van de vorming, zowel kwalitatief als kwantitatief;
  2° de prioriteiten voor het komende jaar;
  3° de te voorziene opleidingen naar inhoud, vorm en duur;
  4° het al dan niet verplicht karakter van de verschillende opleidingen;
  5° de begroting te voorzien voor ieder van de vormingsdoelstellingen;
  6° een evaluatie van het vorige vormingsplan.
Art. 277. Un plan de formation est établi pour chaque année budgétaire. Ce plan comprend :
  1° les objectifs généraux de la formation qu'il faut atteindre, tant sur le plan qualitatif que quantitatif;
  2° les priorités pour l'année à venir;
  3° les formations à prévoir en ce qui concerne le contenu, la forme et la durée;
  4° le caractère obligatoire ou non de différentes formations;
  5° le budget à prévoir pour chacun des objectifs de la formation;
  6° une évaluation du plan de formation précédent.
Art. 278. Het vormingsplan wordt opgesteld in samenwerking met de diensten.
Art. 278. Le plan de formation est établi en collaboration avec les services.
Art. 279. Het jaarlijkse vormingsplan wordt goedgekeurd door de directieraad.
  Het wordt voor 1 november van het jaar dat aan zijn inwerkingtreding voorafgaat, ter overleg aan de vakorganisaties voorgelegd.
Art. 279. Le plan de formation annuel est approuvé par le Conseil de direction.
  Il est soumis à la concertation avec les organisations syndicales avant le premier novembre de l'année précédant son entrée en vigueur.
HOOFDSTUK II. - Het verloop van de vorming
CHAPITRE II. - Du déroulement de la formation
Afdeling 1. - De doorlopende beroepsvorming
Section 1re. - De la formation professionnelle continuée
Art. 280. § 1. De doorlopende beroepsvorming is de vorming die :
  - tot doel heeft de aanpassing van de ambtenaar aan de evolutie van de organisatie, de technieken en de werkomstandigheden te vergemakkelijken en de beroepsbekwaamheid te behouden of te verbeteren;
  - in verband staat met de huidige functie van de ambtenaar;
  - wordt voorgesteld door het HRM of door de functionele chef van de ambtenaar, of aangevraagd wordt door de ambtenaar.
  De kosten verbonden aan de doorlopende beroepsvorming worden gedragen door de betrokken Gewestelijke Overheidsdienst voor zover de ambtenaar de in artikel 281 bepaalde voorwaarden in acht neemt.
  Het HRM of de functionele chef kan de ambtenaar opleggen bepaalde van deze vormingen te volgen, op voorwaarde dat deze overeenkomen met de tijdens het functiegesprek bepaalde doelstellingen bedoeld in artikel 137.
  Wordt uitgesloten van de doorlopende beroepsvorming, elke vrijwillige beroepsvorming, behoudens een uitdrukkelijke door de secretaris generaal toegekende afwijking middels een met redenen omkleed advies van de directeur-generaal onder wie de ambtenaar ressorteert.
  De taalvormingen in het Nederlands en het Frans worden niet als doorlopende beroepsvorming beschouwd. Niettemin geniet de ambtenaar de in paragraaf 2 bedoelde dienstvrijstelling om ze te volgen.
  § 2. [1 Dienstvrijstelling wordt verleend ingeval de doorlopende beroepsvorming plaatsvindt tijdens de diensturen, om cursussen te volgen en examens af te leggen.
   Als de bovengenoemde opleiding buiten de diensturen plaatsvindt, wordt hiervoor een compensatie per uur voorzien. Het totaal van de dienstvrijstellingen en van de compensatie per uur mag niet meer dan 120 uren per kalenderjaar bedragen, tenzij de Secretaris generaal vrijstelling verleent.]1

  
Art. 280. § 1er. La formation professionnelle continuée est la formation qui :
  - a pour objectifs de faciliter l'adaptation de l'agent à l'évolution de l'organisation, des techniques et des conditions de travail et de maintenir ou améliorer la qualification professionnelle;
  - est en lien avec la fonction actuelle qu'exerce l'agent;
  - est proposée par la GRH ou par le chef fonctionnel de l'agent, ou est demandée par l'agent.
  Les frais de formation professionnelle continuée sont supportés par le Service public régional concerné pour autant que l'agent respecte les conditions précisées à l'article 281.
  La GRH ou le chef fonctionnel peut imposer à l'agent de suivre certaines de ces formations, à condition que celles-ci soient en rapport avec les objectifs convenus lors de l'entretien de fonction visé à l'article 137.
  Est exclue de la formation professionnelle continuée, toute formation professionnelle volontaire, sauf dérogation expresse accordée par le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint moyennant un accord motivé du Directeur général dont relève l'agent.
  La formation linguistique en français et en néerlandais, n'est pas considérée comme de la formation professionnelle continuée. L'agent bénéficie néanmoins de la dispense de service visée au paragraphe 2 pour les suivre.
  § 2. [1 Une dispense de service est accordée lorsque la formation professionnelle continuée a lieu durant les heures de service, pour assister aux cours et passer les examens.
   Lorsque la formation susmentionnée a lieu en dehors des heures de service, elle donne lieu à une compensation horaire. Le total des dispenses de service et de la compensation horaire ne peut pas dépasser 120 heures par année civile sauf dérogation accordée par le Secrétaire général.]1

  
Art. 281. De inschrijving van de ambtenaar voor een vorming impliceert zijn formele verbintenis om de vorming te volgen, ongeacht of het gaat om een vrijwillige dan wel om een opgelegde vorming.
  Als de ambtenaar in de onmogelijkheid verkeert om de vorming bij te wonen, moet hij onmiddellijk zijn afwezigheid verantwoorden bij het HRM.
Art. 281. L'inscription de l'agent à une formation implique son engagement formel à suivre la formation, que celle-ci soit choisie à l'initiative de l'agent ou qu'elle lui soit imposée.
  Si l'agent est empêché d'y assister, il doit immédiatement communiquer la justification de son absence à la GRH.
Afdeling 2. - De vrijwillige beroepsvorming.
Section 2. - De la formation professionnelle volontaire.
Art. 282. De vrijwillige beroepsvorming is de vorming die door de ambtenaar wordt aangevraagd en die hem toelaat zijn loopbaan te ontwikkelen in verband met de betrekking en de functie die de ambtenaar momenteel uitoefent of zou kunnen uitoefenen in de toekomst bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, een andere overheidsdienst of een instelling van openbaar nut.
  Tenzij het HRM akkoord gaat, worden de kosten van de vrijwillige beroepsvorming gedragen door de ambtenaar.
  De secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal bepalen de voorwaarden waaronder de kosten inherent aan de vrijwillige beroepsvorming ten laste genomen worden.
Art. 282. La formation professionnelle volontaire est la formation demandée par l'agent et qui lui permet de développer sa carrière professionnelle en rapport avec l'emploi et la fonction que l'agent exerce actuellement ou pourrait exercer à l'avenir au Service public régional de Bruxelles, dans un autre Service public ou dans un organisme d'intérêt public.
  Sauf en cas d'accord de la GRH, les frais de la formation professionnelle volontaire sont supportés par l'agent.
  Le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint fixe les conditions dans lesquelles les frais inhérents à la formation professionnelle volontaire sont pris en charge.
Art. 283. § 1. Worden erkend als vrijwillige beroepsvorming :
  A. In de Vlaamse Gemeenschap :
  1° de vormingen in het kader van het Onderwijs voor sociale promotie georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de Gemeenschap;
  2° de vormingen in het kader van de basiseducatie;
  3° de volgende vormingen van de hogescholen en de universiteiten waarvoor een diploma of een getuigschrift behaald kan worden :
  a) de basisvormingen en de academische vormingen, de voortgezette vormingen en voortgezette academische vormingen of de doctoraatsvormingen, die 's avonds of in het weekend gegeven worden;
  b) de postgraduaten en de postacademische vormingen, ongeacht het tijdstip waarop ze gegeven worden;
  c) iedere andere vorming, ongeacht het tijdstip waarop ze gegeven wordt;
  d) de cursussen die deel uitmaken van de vormingen vermeld onder a) en b), die men als vrije student kan volgen, ongeacht het tijdstip waarop ze gegeven worden;
  4° de cursussen van het open hoger onderwijs die door de hogescholen en de universiteiten aangeboden worden.
  B. In de Franse Gemeenschap :
  1° de cursussen in het kader van het Onderwijs voor sociale promotie georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de Gemeenschap;
  2° de volgende vormingen van het hoger niet-universitair onderwijs, van de hogescholen en van de universiteiten waarvoor een diploma, een getuigschrift of elke andere titel behaald kan worden :
  a) de vormingen van het korte type en van het lange type en de universitaire vormingen van de eerste en de tweede cyclus, de cycli van aangevulde studies en de vormingen van de derde cyclus, die 's avonds of in het weekend gegeven worden;
  b) iedere andere vorming, ongeacht het tijdstip waarop ze gegeven wordt;
  c) de cursussen die deel uitmaken van de vormingen vermeld onder a) en b), die men als vrije student kan volgen, ongeacht het tijdstip waarop ze gegeven worden;
  C. In de Duitstalige Gemeenschap :
  de vormingen van het hoger niet-universitair onderwijs van het korte type en van het lange type, die 's avonds of in het weekend gegeven worden.
  § 2. Worden eveneens erkend als vrijwillige beroepsvorming, de vormingen georganiseerd door private actoren mits voorafgaandelijke instemming van het HRM is.
  [1 ...]1
  
Art. 283. § 1. Sont reconnues comme étant de la formation professionnelle volontaire :
  A. Dans la communauté flamande :
  1° les formations dans le cadre de l'Enseignement de promotion sociale, organisées, subventionnées ou reconnues par la Communauté;
  2° les formations dans le cadre des études de base;
  3° les formations suivantes des instituts supérieurs et des universités, pour lesquelles un diplôme ou un certificat peut être obtenu :
  a) les formations initiales et les formations académiques, les formations continues et les formations académiques continues ou les formations de doctorat, organisées le soir ou le week-end;
  b) les formations de postgraduat et les formations postacadémiques quel que soit le moment où elles se donnent;
  c) toute autre formation, quel que soit le moment où elle se donne;
  d) les cours qui font partie des formations citées en a) et b), qui peuvent être suivis comme élève libre, quel que soit le moment où ils se donnent;
  4° les cours de l'enseignement supérieur ouvert qui sont offerts par les instituts supérieurs et les universités.
  B. Dans la Communauté Française :
  1° les cours dans le cadre de l'Enseignement de promotion sociale, organisés, subventionnés ou reconnus par la Communauté;
  2° les formations suivantes de l'enseignement supérieur non universitaire, des hautes écoles et des universités, pour lesquelles un diplôme, un certificat ou tout autre titre peut être obtenu :
  a) les formations de type court et de type long et les formations universitaires des premier et deuxième cycles, les formations de tout cycle d'études complémentaires et les formations de troisième cycle, organisées le soir ou le week-end;
  b) toute autre formation, quel que soit le moment où elle se donne;
  c) les cours qui font partie des formations citées en a) et b), et qui peuvent être suivis comme élève libre, quel que soit le moment où ils se donnent;
  C. Dans la Communauté germanophone :
  les formations de l'Enseignement non-universitaire de type court et de type long, organisées le soir ou le week-end.
  § 2 Sont également reconnus comme étant de la formation professionnelle volontaire, les formations organisées par des acteurs privés en cas d'accord préalable de la GRH.
  [1 ...]1
  
Art. 284. [1 § 1. In het kader van de vrijwillige beroepsvorming kan de ambtenaar een vormingsverlof van maximaal 120 uren per schooljaar verkrijgen om de cursussen bij te wonen en de examens af te leggen. Met schooljaar wordt bedoeld de periode van 1 september tot 31 augustus.
   Het vormingsverlof wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
   § 2. Het maximum dat in de eerste paragraaf van dit artikel vastgesteld is, wordt evenredig verminderd naargelang de volgende verloven en afwezigheden gedurende het lopende schooljaar verkregen zijn:
   1° De afwezigheden waarbij de ambtenaar in de administratieve toestand van non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst;
   2° het verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan;
   3° het halftijds werken vanaf de leeftijd van 50 en 55 jaar;
   4° de vierdagenweek;
   5° het verlof om een stage te doen in een openbare dienst;
   6° het verlof voor opdracht;
   7° het verlof om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen.]1

  
Art. 284. [1 § 1er. Dans le cadre de la formation professionnelle volontaire, l'agent peut obtenir un congé de formation de maximum 120 heures par année scolaire pour assister aux cours et passer les examens. Par année scolaire, on entend la période du 1er septembre au 31 août.
   Le congé de formation est rémunéré et assimilé à une période d'activité de service.
   § 2. Le maximum fixé par le paragraphe premier du présent article est diminué proportionnellement aux congés et absences ci-après obtenus durant l'année scolaire en cours :
   1° les absences pendant lesquelles l'agent est placé dans la position administrative de non-activité ou de disponibilité ;
   2° le congé pour interruption de la carrière professionnelle ;
   3° le travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans ;
   4° la semaine de quatre jours ;
   5° le congé pour accomplir un stage dans un service public ;
   6° le congé pour mission ;
   7° le congé pour présenter sa candidature aux élections.]1

  
Art. 285. § 1. Het vormingsverlof wordt toegekend door de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal; hij kan deze bevoegdheid delegeren aan de ambtenaar die hij aanwijst bij het HRM. De ambtenaar richt zijn verzoek voor een vormingsverlof tot de secretaris generaal of tot de adunct-secretaris generaal of tot de aangewezen ambtenaar, met het advies van zijn functionele chef. Indien er een maand nadat het verzoek werd ingediend geen beslissing werd genomen, wordt het vormingsverlof geacht toegekend te zijn.
  Dit verlof kan geheel of gedeeltelijk geweigerd worden als het onverenigbaar is met het belang van de dienst. Het belang van de dienst mag echter niet twee maal voor dezelfde vorming worden ingeroepen om een vormingsverlof te weigeren.
  Voor vormingen waarbij men in de les aanwezig moet zijn, mag het vormingsverlof niet meer dan twee keer worden toegekend voor eenzelfde vorming.
  § 2. Het vormingsverlof wordt toegekend middels een controle van inschrijving en nauwgezetheid, indien deze laatste mogelijk is.
  Deze controles gebeuren aan de hand van een inschrijvingsbewijs en een nauwgezetheidsbewijs indien voorhanden dat de ambtenaar gehouden is over te maken volgens de voorschriften en binnen de termijnen vastgelegd door het HRM. De ambtenaar wordt verzocht de inschrijvings- en nauwgezetheidsbewijzen aan de instelling die de vorming organiseert aan het begin van de vorming voor te leggen, zodanig dat deze laatste ze tijdig kan invullen.
  Als de ambtenaar voortijdig stopt met de vorming, komt er op dat ogenblik een einde aan het vormingsverlof. In dit geval meldt de ambtenaar zijn stopzetting onmiddellijk aan het HRM en bezorgt hem, indien voorhanden, het nauwgezetheidsbewijs.
  § 3. Het vormingsverlof moet gebruikt worden tijdens de periode waarin de lessen gegeven worden, deze periode wordt verlengd met de examenzittijden waaraan de ambtenaar deelneemt.
  Als de vorming uit een groot aantal uren bestaat, kan het HRM een planning voor het vormingsverlof opleggen, na raadpleging van de hiërarchische meerdere en de ambtenaar. Deze planning houdt rekening met het belang van de dienst maar ze mag geen afbreuk doen aan het recht om aan lessen en examens deel te nemen.
  § 4. Het recht op een vormingsverlof wordt geschorst indien uit het nauwgezetheidsbewijs blijkt dat de ambtenaar de vorming waarvoor hij een vormingsverlof heeft gekregen, niet nauwgezet heeft gevolgd. De schorsing geldt voor het resterende gedeelte van het schooljaar en voor de drie volgende schooljaren.
Art. 285. § 1er. Le congé de formation est accordé par le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint; celui-ci peut déléguer cette compétence à l'agent qu'il désigne auprès de la GRH. L'agent adresse sa demande de congé de formation au Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint ou à l'agent désigné, avec l'avis de son chef fonctionnel. Si aucune décision n'est intervenue un mois après l'introduction de la demande, le congé de formation est considéré comme accordé.
  Ce congé peut être refusé totalement ou partiellement s'il est incompatible avec l'intérêt du service. Cependant, un refus motivé par l'intérêt du service ne peut pas être opposé à l'agent deux fois pour la même formation.
  Pour les formations qui nécessitent d'être présent aux cours, un congé de formation ne peut être accordé que deux fois pour une même formation.
  § 2. Le congé de formation est accordé moyennant un contrôle de l'inscription et un contrôle de l'assiduité si ce dernier est possible.
  Ces contrôles se font sur base d'une attestation d'inscription et, le cas échéant, d'une attestation d'assiduité que l'agent est tenu de produire selon les prescriptions et les délais fixés par la GRH. L'agent est invité à transmettre les attestations d'inscription et d'assiduité dès le début de la formation à l'établissement qui organise la formation afin que ce dernier les complète en temps utile.
  Si l'agent abandonne prématurément la formation, le congé de formation prend fin à ce moment. Dans ce cas, l'agent signale immédiatement son abandon à la GRH et lui transmet, le cas échéant, l'attestation d'assiduité.
  § 3. Le congé de formation doit être utilisé pendant la période où les cours se donnent, cette période étant prolongée le temps des sessions d'examens auxquelles participe l'agent
  Si la formation comporte un grand nombre d'heures, la GRH peut planifier le congé de formation, après avoir consulté le supérieur hiérarchique et l'agent. Cette planification tient compte de l'intérêt du service mais elle ne peut pas porter atteinte au droit de participer aux examens.
  § 4. Le droit à un congé de formation est suspendu si l'attestation d'assiduité fait apparaître que l'agent n'a pas suivi régulièrement la formation pour laquelle il a obtenu un congé de formation. La suspension s'étend à la partie restante de l'année scolaire et aux trois années scolaires suivantes.
TITEL IX. - De tuchtregeling
TITRE IX. - Du régime disciplinaire
HOOFDSTUK I. - De tuchtstraffen
CHAPITRE Ier. - Des peines disciplinaires
Art. 286. De tuchtstraffen die kunnen worden uitgesproken zijn :
  1° de terechtwijzing;
  2° de inhouding van wedde;
  3° de verplaatsing bij tuchtmaatregel;
  4° de tuchtschorsing;
  5° de lagere inschaling;
  6° de terugzetting in graad;
  7° het ontslag van ambtswege;
  8° de afzetting.
Art. 286. Les peines disciplinaires qui peuvent être prononcées sont :
  1° le rappel à l'ordre;
  2° la retenue de traitement;
  3° le déplacement disciplinaire;
  4° la suspension disciplinaire;
  5° la régression barémique;
  6° la rétrogradation;
  7° la démission d'office;
  8° la révocation.
Art. 287. De inhouding van wedde kan niet worden toegepast voor een periode van meer dan drie maanden.
  Zij mag niet meer bedragen dan deze bepaald in artikel 23, tweede lid van de wet van 12 april 1965 op de bescherming van het loon der werknemers.
Art. 287. La retenue de traitement ne peut être infligée pour une période de plus de trois mois.
  Elle ne peut excéder celle prévue à l'article 23, alinéa 2 de la loi du 12 avril 1965 sur la protection de la rémunération des travailleurs.
Art. 288. De bij tuchtmaatregel verplaatste ambtenaar kan op zijn aanvraag geen nieuwe aanwijzing noch overplaatsing verkrijgen gedurende de termijn die voor de uitwissing van zijn tuchtstraf is bepaald.
Art. 288. L'agent déplacé par mesure disciplinaire, ne peut obtenir à sa demande ni une nouvelle affectation, ni un transfert pendant le délai qui est fixé pour l'effacement de sa peine disciplinaire.
Art. 289. De tuchtschorsing mag niet langer dan drie maanden duren.
  Zij plaatst de ambtenaar van rechtswege in de stand van non-activiteit.
  Tijdens de tuchtschorsing kan de ambtenaar zijn rechten op bevordering of weddeverhoging niet laten gelden.
  Hij ondergaat een inhouding van wedde die het maximum bepaald in artikel 287, tweede lid, niet mag overschrijden.
Art. 289. La suspension disciplinaire ne peut excéder une période de trois mois.
  Elle place de plein droit l'agent dans la position administrative de non-activité.
  Durant la suspension disciplinaire, l'agent ne peut faire valoir ses titres à la promotion ou à l'avancement de traitement.
  Une retenue de traitement qui ne peut excéder le maximum prévu à l'article 287, alinéa 2 lui est infligée.
Art. 290. De lagere inschaling wordt, naar gelang van het geval, opgelegd door toekenning :
  1° van een lagere weddeschaal in dezelfde graad;
  2° van een graad van dezelfde rang met een lagere weddeschaal.
Art. 290. La régression barémique est infligée, selon le cas, par l'attribution :
  1° d'une échelle de traitement inférieure dans le même grade;
  2° d'un grade du même rang doté d'une échelle de traitement inférieure.
Art. 291. De terugzetting in graad wordt opgelegd door toekenning van een graad van een lagere rang die in hetzelfde of in een lager niveau is ingedeeld.
Art. 291. La rétrogradation est infligée par l'attribution d'un grade de rang inférieur classé dans le même niveau ou dans un niveau inférieur.
Art. 292. De afzetting en het ontslag van ambtswege verbreken definitief de banden van de ambtenaar met de openbare dienst.
Art. 292. La révocation et la démission d'office rompent définitivement les liens de l'agent avec le service public.
HOOFDSTUK II. - De tuchtvordering
CHAPITRE II. - De l'action disciplinaire
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 293. De tuchtvordering mag enkel betrekking hebben op feiten die zich hebben voorgedaan of die werden vastgesteld door het orgaan bevoegd om de tuchtprocedure op te starten binnen de zes maanden voorafgaand aan het voorstel van straf geviseerd in artikel 299 § 5, lid 1.
Art. 293. L'action disciplinaire ne peut se rapporter qu'à des faits qui se sont produits ou qui ont été constatés par l'organe compétent pour initier la procédure disciplinaire dans les six mois précédant la proposition de peine visée à l'article 299 § 5, alinéa 1.
Art. 294. In geval van strafvordering en indien het openbaar ministerie de einduitspraak van het gerecht heeft meegedeeld, wordt de tuchtvordering niet later ingesteld dan zes maanden na de ontvangst van deze mededeling door het orgaan bevoegd om de tuchtprocedure op te starten.
  De strafvordering gelinkt aan de feiten die het voorwerp uitmaken van een tuchtprocedure kan de procedure en de tuchtuitspraak schorsen.
  Het komt de tuchtoverheid toe te oordelen of het gepast is de tuchtprocedure al dan niet te schorsen op basis van de elementen waarover ze beschikt. Vindt ze die elementen onvoldoende, dan schorst ze de procedure. Die beslissing moet geformaliseerd worden in een administratieve akte. De overheid neemt ook het beginsel van de redelijke termijn in aanmerking.
Art. 294. Lorsqu'une action pénale est intentée et que le ministère public a communiqué la décision judiciaire définitive, l'action disciplinaire ne peut être entamée au-delà des six mois qui suivent la réception de cette communication par l'organe compétent pour initier la procédure disciplinaire.
  L'action pénale relative aux faits qui font l'objet d'une procédure disciplinaire peut être suspensive de la procédure et du prononcé disciplinaire.
  Il appartient à l'autorité disciplinaire d'apprécier l'opportunité de suspendre ou non la procédure disciplinaire en fonction des éléments dont elle dispose. Si elle estime ces éléments insuffisants elle suspend la procédure. Cette décision doit être formalisée dans un acte administratif. Elle prend également en considération le principe du délai raisonnable.
Art. 295. Wanneer de ambtenaar meerdere feiten ten laste worden gelegd, dan wordt er echter slechts één enkele procedure aangevat die tot de uitspraak van slechts één tuchtstraf aanleiding kan geven.
Art. 295. Lorsque plusieurs faits sont reprochés à la personne poursuivie, il n'est toutefois entamé qu'une seule procédure qui peut donner lieu au prononcé d'une seule peine disciplinaire.
Art. 296. Op elk ogenblik van de tuchtprocedure kan de vervolgde ambtenaar, ter zijner/harer verdediging, zijn/haar dossier raadplegen en mag hij/zij worden bijgestaan door een verdediger naar keuze, met uitzondering van elke persoon die gevraagd wordt zich uit te spreken over de ten laste gelegde feiten.
Art. 296. A tout moment de la procédure disciplinaire, la personne poursuivie peut, pour sa défense, consulter son dossier et se faire assister par le défenseur de son choix, à l'exception de toute personne appelée à se prononcer sur les faits mis à charge.
Afdeling 2. - Het voorstel van straf
Section 2. - De la proposition de la peine
Art. 298. De secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal duidt de hiërarchische meerdere aan bevoegd voor de toepassing van de huidige afdeling.
Art. 298. Le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint désigne le supérieur hiérarchique habilité pour l'application de la présente section.
Art. 299. § 1 De oproeping voor de hoorzitting wordt minstens zeven werkdagen vóór de hoorzitting betekend aan de vervolgde persoon.
  De oproeping vermeldt het volgende :
  - de feiten die ten laste van de vervolgde persoon worden gelegd,
  - de normen die deze feiten overtreden,
  - de tuchtstraffen die uitgesproken kunnen worden tegen de vervolgde persoon,
  - het recht van de vervolgde persoon om zich te laten bijstaan door een verdediger naar keuze, met uitzondering van elke persoon die gevraagd wordt zich uit te spreken over de ten laste gelegde feiten,
  - het recht van de vervolgde persoon om zijn verweermiddelen over te leggen aan de hand van een schriftelijke nota wanneer hij beroep kan doen op een geldige reden om niet te verschijnen op de hoorzitting.
  - het recht van de vervolgde persoon om de uitvoering van aanvullende onderzoeksmaatregelen te vragen.
  Het tuchtdossier wordt geïnventariseerd en gevoegd bij de oproeping gericht aan de vervolgde persoon.
  Als de vervolgde persoon of zijn/haar verdediger, hoewel regelmatig opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, spreekt de hiërarchisch meerdere zich uit op basis van de stukken in het dossier. Hetzelfde geldt zodra de zaak het voorwerp uitmaakt van een tweede oproeping, zelfs als de vervolgde persoon of zijn/haar verdediger een geldige reden kunnen inroepen
  § 2. Het tuchtdossier omvat het volgende :
  - de oproeping;
  - elk document en elke inlichting die de administratie heeft ontvangen in verband met de feiten die de vervolgde persoon ten laste worden gelegd;
  - elke tuchtstraf die niet geschrapt is;
  - elk document ingediend door de vervolgde persoon of zijn/haar verdediger;
  - elk document opgemaakt door de administratie tijdens de tuchtprocedure of bezorgd aan de administratie door een derde;
  - het resultaat van elke eventuele onderzoeksmaatregel;
  - een uittreksel van de bepalingen van dit hoofdstuk over de tuchtprocedure.
  § 3. De hiërarchische meerdere bedoeld in artikel 298 hoort de vervolgde persoon over de feiten die hem/haar worden verweten en desgevallend ook de getuigen, of gaat over tot elke andere onderzoeksmaatregel.
  Als de vervolgde persoon de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal is, gaat de minister bevoegd voor ambtenarenzaken over tot het verhoor. De minister verhoort in voorkomend geval ook de getuigen of gaat over tot elke andere onderzoeksmaatregel.
  § 4. Van de verhoren wordt een proces-verbaal opgemaakt.
  De vervolgde persoon ontvangt het proces-verbaal en geeft het binnen een termijn van zeven dagen terug. Als hij/zij bezwaren heeft, geeft hij/zij het proces-verbaal met een bijgevoegde geschreven nota terug.
  § 5. Na kennis genomen te hebben van de eventuele opmerkingen van de vervolgde persoon of na het tuchtdossier te hebben geanalyseerd als de vervolgde persoon zonder geldige reden niet verschenen is, stelt de hiërarchische meerdere de ambtenaar in kennis van welke tuchtstraf hij/zij van plan is voor te stellen, en bezorgt hij/zij het voorstel aan de overheid bevoegd om de straf uit te spreken.
  Als de vervolgde persoon geen beroep heeft ingediend zoals bedoeld in artikel 300, wordt het tuchtstrafvoorstel van rechtswege definitief.
  § 6. De beteking van het tuchtstrafvoorstel zet de tuchtvordering in.
Art. 299. § 1er. La convocation à l'audition est notifiée à la personne poursuivie sept jours ouvrables au moins avant l'audition.
  La convocation mentionne :
  - les faits mis à charge de la personne poursuivie,
  - les normes auxquelles ces faits contreviennent,
  - les sanctions disciplinaires qui peuvent être prononcées à l'encontre de la personne poursuivie,
  - le droit pour la personne poursuivie de se faire assister par un défenseur de son choix, à l'exception de toute personne appelée à se prononcer sur les faits mis à charge,
  - le droit pour la personne poursuivie de faire valoir ses moyens de défense par une note écrite lorsqu'il peut invoquer une excuse valable l'empêchant de comparaître à l'audition.
  - le droit pour la personne poursuivie de solliciter l'accomplissement de mesures d'instruction complémentaires.
  Le dossier disciplinaire est inventorié et joint à la convocation adressée à la personne poursuivie
  Si, bien que régulièrement convoqué, la personne poursuivie ou son défenseur s'abstient, sans excuse valable, de comparaître, le supérieur hiérarchique se prononce sur base des pièces du dossier. Il en va de même dès que l'affaire fait l'objet d'une deuxième convocation, même si la personne poursuivie ou son défenseur peut se prévaloir d'une excuse valable.
  § 2. Le dossier disciplinaire contient :
  - la convocation;
  - tout document et toute information parvenus à l'administration en rapport avec les faits mis à charge de la personne poursuivie;
  - toute sanction disciplinaire non radiée;
  - tout document déposé par la personne poursuivie ou son défenseur;
  - tout document produit en cours de procédure disciplinaire par l'administration ou communiquée à celle-ci par un tiers;
  - le résultat de toute mesure d'instruction éventuelle;
  - un extrait des dispositions du présent chapitre relatif à la procédure disciplinaire.
  § 3. Le supérieur hiérarchique visé à l'article 298 entend la personne poursuivie sur les faits qui lui sont reprochés et procède, le cas échéant, à l'audition de témoins ou à toute autre mesure d'instruction.
  Lorsque la personne poursuivie est le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint, le Ministre ayant la fonction publique dans ses attributions procède à l'audition. Il procède également, le cas échéant à l'audition de témoins ou à toute autre mesure d'instruction.
  § 4. Il est établi un procès-verbal de ces auditions.
  La personne poursuivie vise le procès-verbal et le restitue dans les sept jours. S'il a des objections à présenter, il restitue le procès-verbal accompagné d'une note écrite.
  § 5. Après avoir pris connaissance des éventuelles observations de la personne poursuivie ou après avoir analysé le dossier disciplinaire lorsque la personne poursuivie a sans raison valable manqué de comparaître, le supérieur hiérarchique notifie à l'agent la peine disciplinaire qu'il entend proposer à son égard et transmet la proposition à l'autorité compétente pour prononcer la peine.
  Si la personne poursuivie n'a pas introduit le recours visé à l'article 300, la proposition de peine disciplinaire acquiert de plein droit un caractère définitif.
  § 6. La notification de la proposition de peine entame l'action disciplinaire.
HOOFDSTUK III. - Het beroep inzake tuchtaangelegenheden
CHAPITRE III. - Du recours en matière disciplinaire
Afdeling 1. - Algemene bepaling
Section 1re. - Disposition générale
Art. 300. De vervolgde persoon die door de straf wordt geviseerd, kan binnen een termijn van twintig dagen na de betekening van het voorstel, hetzij persoonlijk, hetzij door tussenkomst van een advocaat, beroep indienen bij de gewestelijke kamer van beroep.
  Bij ontvangst van het beroep maakt de griffier een eensluidend afschrift van het beroep over aan de overheid die bevoegd is om de straf uit te spreken.
  Het beroep wordt aangetekend aan de voorzitter gericht op het adres vastgesteld door het huishoudelijk reglement.
  De betekening van het voorstel van straf vermeldt de te eerbiedigen termijn en formaliteiten voor de indiening van het beroep.
Art. 300. La personne poursuivie à l'encontre de laquelle la sanction est proposée, peut introduire, soit personnellement, soit par son avocat, dans les vingt jours de la notification de la proposition, un recours contre celle-ci auprès de la chambre de recours régionale.
  Dès réception du recours, le greffier en communique une copie conforme à l'autorité compétente pour prononcer la peine.
  Le recours est adressé au président par lettre recommandée à l'adresse fixée par le règlement d'ordre intérieur.
  La notification de la proposition de sanction mentionne le délai et les formalités à respecter pour l'introduction du recours.
Afdeling 2. - De beroepsprocedure in tuchtzaken
Section 2. - De la procédure de recours en matière disciplinaire
Art. 301. Op verzoek van de voorzitter van de gewestelijke kamer van beroep, bezorgt de bevoegde hiërarchische meerdere hem of haar het volledige dossier.
  Als de vervolgde persoon de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal is, bezorgt de minister bevoegd voor het Openbaar Ambt op vraag van de voorzitter van de gewestelijke kamer van beroep hem/haar het volledige dossier.
Art. 301. A la demande du président de la chambre de recours régionale, le supérieur hiérarchique habilité lui transmet le dossier complet.
  A la demande du président de la chambre de recours régionale, lorsque la personne poursuivie est le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint, le Ministre ayant la fonction publique dans ses attributions lui transmet le dossier complet.
Art. 302. De gemachtigde hiërarchische meerdere verdedigt het aangevochten strafvoorstel voor de gewestelijke kamer van beroep.
  De gemachtigde hiërarchische meerdere mag niet deelnemen aan de beraadslaging
  Als de vervolgde een ambtenaar-generaal is, kan de minister bevoegd voor het Openbare Ambt ofwel persoonlijk het voorstel van straf verdedigen ofwel een van zijn kabinetsleden afvaardigen.
Art. 302. Le supérieur hiérarchique habilité défend la proposition de peine contestée devant la chambre de recours régionale.
  Le supérieur hiérarchique habilité ne peut assister aux délibérations.
  Lorsque la personne poursuivie est un fonctionnaire général, le Ministre ayant la fonction publique dans ses attributions peut soit défendre en personne la proposition de sanction soit déléguer un membre de son cabinet.
Art. 303. De gewestelijke kamer van beroep die zetelt op tuchtvlak kan ambtshalve bijkomende onderzoeksmaatregelen opleggen, op vraag van de vervolgde persoon of zijn/haar verdediger.
  Iedere vraag om een bijkomende onderzoeksmaatregel te bevelen is afdoende gemotiveerd teneinde de gewestelijke kamer van beroep toe te laten de pertinentie ervan te beoordelen.
  Iedere weigering om een bijkomende onderzoeksmaatregel te bevelen is uitdrukkelijk gemotiveerd en antwoordt afdoende op de argumenten van de verzoeker.
  De gewestelijke kamer van beroep kan twee assessoren die hebben deelgenomen aan de beraadslagingen gelasten om de onderzoeksmaatregelen bij te wonen en er verslag over uit te brengen bij de gewestelijke kamer van beroep.
  De ene wordt gekozen onder de assessoren aangewezen door de Regering en de andere onder de assessoren aangewezen door de vakorganisaties.
  De overheidsdiensten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hun ambtenaren moeten hun medewerking verlenen aan het goede verloop van de onderzoeksmaatregel, alsook de consultatie ter plaatse toelaten van ieder document waarvan de assessoren-onderzoekers de voorlegging vragen. Tenzij zij ervan weerhouden worden door een discretie- of geheimhoudingsplicht, moeten de ambtenaren loyaal antwoorden op iedere vraag die hen door de assessoren-onderzoekers wordt gesteld.
  De termijn bedoeld in artikel 308 wordt geschorst om de verwezenlijking van de onderzoeksmaatregelen mogelijk te maken.
Art. 303. La chambre de recours régionale qui siège en matière disciplinaire peut ordonner des mesures d'instruction complémentaires d'office, à la demande de la personne poursuivie ou de son défenseur.
  Toute demande de mesure d'instruction complémentaire est formellement motivée afin de permettre à la chambre de recours régionale d'en apprécier la pertinence.
  Toute décision de refus d'ordonner une mesure d'instruction complémentaire est formellement motivée et répond adéquatement aux arguments du demandeur.
  La chambre de recours régionale peut charger deux assesseurs qui ont assisté aux délibérations d'assister à l'exécution des mesures d'instruction complémentaires et d'en faire rapport à la chambre de recours régionale.
  Les assesseurs sont choisis, l'un parmi ceux désignés par le Gouvernement, l'autre parmi ceux désignés par les organisations syndicales.
  Les services publics de la Région de Bruxelles-Capitale et leurs agents doivent collaborer au bon déroulement de la mesure d'instruction et permettre la consultation sur place de tout document dont les assesseurs-enquêteurs demandent la production. A moins d'en être empêchés par une obligation de discrétion ou de secret, les agents doivent répondre loyalement à toute question posée par les assesseurs-enquêteurs.
  Le délai visé à l'article 308 est suspendu en vue de permettre la réalisation des mesures d'instructions.
Art. 304. De vervolgde persoon verschijnt persoonlijk.
  Hij mag zich laten bijstaan door een persoon naar keuze, met uitzondering van elke persoon die gevraagd wordt zich uit te spreken over de ten laste gelegde feiten.
  Ingeval van overmacht of ziekte, kan hij zich laten vertegenwoordigen door een persoon naar keuze en een schriftelijke nota voorleggen waarin hij zijn verweermiddelen te kennen geeft.
Art. 304. La personne poursuivie comparaît en personne.
  Elle peut se faire assister par la personne de son choix, à l'exception de toute personne appelée à se prononcer sur les faits mis à charge.
  Elle peut se faire représenter en cas de force majeure ou de maladie par la personne de son choix et communiquer une note écrite dans laquelle elle fait valoir ses moyens de défense.
Art. 305. Als de vervolgde persoon, hoewel behoorlijk opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, voert de betrokken gewestelijke kamer van beroep de zaak af en stuurt het dossier terug naar de bevoegde overheid bedoeld in artikel 313. Hetzelfde geldt zodra de zaak het voorwerp uitmaakt van een tweede oproeping, zelfs als de vervolgde persoon of zijn/haar verdediger een geldige reden kunnen inroepen.
  In dat geval betekent de voorzitter de afvoering van de zaak aan de vervolgde persoon en zijn/haar verdediger, en de oorspronkelijk voorgestelde straf wordt opgelegd.
Art. 305. Si, bien que régulièrement convoqué, la personne poursuivie ne comparaît pas sans fournir de motif valable, la chambre de recours régionale concernée se dessaisit du dossier et le renvoie à l'autorité compétente visée à l'article 313. Il en va de même dès que l'affaire fait l'objet d'une deuxième convocation, même si la personne poursuivie ou son défenseur peut se prévaloir d'une excuse valable.
  Dans ce cas, le président notifie le dessaisissement à la personne poursuivie et son défenseur et la sanction proposée initialement est prise.
Art. 306. Ieder lid van de gewestelijke kamer van beroep die weet dat tegen hem een wrakingsgrond bestaat, moet zich wraken uit eigen initiatief. De vervolgde ambtenaar en het personeelslid dat het voorstel van straf verdedigt, hebben het recht een of meerdere leden van de gewestelijke kamer van beroep te wraken.
  Dit recht kan slechts eenmaal worden uitgeoefend voor eenzelfde zaak, tenzij de wrakingsgrond slechts aan het licht komt nadat van deze mogelijkheid gebruik gemaakt werd.
  De griffier-verslaggever betekent aan de vervolgde ambtenaar en aan het personeelslid dat het voorstel van straf verdedigt, per aangetekend schrijven de lijst van de leden van de gewestelijke kamer van beroep die werden opgeroepen.
  Een verzoek tot wraking kan per aangetekend schrijven worden ingediend binnen een termijn van acht dagen vanaf de betekening van de lijst. Na deze termijn worden de vervolgde ambtenaar en het personeelslid dat het voorstel van straf verdedigt geacht af te zien van hun recht op wraking. Het verzoek tot wraking preciseert tegen wie het gericht is en om welke reden.
  Het verzoek tot wraking wordt betekend aan het betrokken lid. Deze beschikt over een termijn van acht dagen om erop te antwoorden. Zijn antwoord wordt per aangetekend schrijven betekend aan de verzoeker.
  Alvorens in te gaan op de grond van de zaak, beslist de voorzitter of er reden is om het verzoek tot wraking van een assessor in te willigen.
  De voorzitter wraakt bovendien ambtshalve elke assessor die niet voldoende neutraal en onpartijdig is.
  Indien het verzoek tot wraking gericht is tegen de voorzitter, spreekt de gewestelijke kamer van beroep zich over dit verzoek uit in zijn afwezigheid. Haar beslissing is gemotiveerd.
  Alle in onderhavige Titel bepaalde termijnen worden geschorst tussen de dag van ontvangst van het verzoek tot schorsing en die van de betekening van de beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over dit verzoek.
Art. 306. Tout membre de la chambre de recours régionale qui sait qu'il existe contre lui une cause de récusation, doit se récuser de sa propre initiative. L'agent poursuivi et le membre du personnel qui défend la proposition de sanction, ont le droit de récuser un ou plusieurs membres de la chambre de recours régionale.
  Ce droit ne peut être exercé qu'une seule fois pour une même affaire, à moins que la cause de récusation n'apparaisse après le premier usage de cette faculté.
  Le greffier-rapporteur notifie à l'agent poursuivi et au membre du personnel qui défend la proposition de sanction, par lettre recommandée, la liste des membres de la chambre de recours régionale convoqués.
  Une demande de récusation peut être envoyée par lettre recommandée dans un délai de huit jours à partir de la notification de la liste. Passé ce délai, l'agent poursuivi et le membre du personnel qui défend la proposition de sanction sont censés renoncer à leur droit de récusation. La demande de récusation précise contre qui elle est dirigée et pour quelle raison.
  La demande de récusation est notifiée au membre visé. Celui-ci dispose d'un délai de huit jours pour y répondre. Sa réponse est notifiée par courrier recommandé au demandeur.
  Avant d'aborder le fond de l'affaire, le président décide s'il y a lieu de faire droit à la demande de récusation qui vise un assesseur.
  Le président récuse en outre d'office tout assesseur qui n'est pas suffisamment neutre et impartial.
  Si la demande de récusation vise le président, la chambre de recours régionale se prononce en son absence sur la demande de récusation. Elle motive sa décision.
  Tous les délais visés au présent Titre sont suspendus entre le jour de la réception de la demande de récusation et celui de la notification de la décision quant à cette demande.
Art. 307. De gewestelijke kamer van beroep beraadslaagt slechts indien de meerderheid van de assessoren opgeroepen voor de hoorzitting, aanwezig is.
  De kamer beraadslaagt in afwezigheid van de vervolgde persoon, zijn/haar verdediger en het personeelslid dat het strafvoorstel verdedigt.
  Ze oordeelt over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het beroep.
Art. 307. La chambre de recours régionale qui siège en matière disciplinaire ne délibère qu'en présence de la majorité des assesseurs convoqués à l'audience.
  Elle délibère en l'absence de la personne poursuivie, de son défenseur et du membre du personnel qui défend la proposition de sanction.
  Elle juge de la recevabilité du recours et du bien fondé de celui-ci.
Art. 308. De gewestelijke kamer van beroep die zetelt op tuchtvlak brengt een gemotiveerd advies uit binnen de 60 dagen volgend op de indiening van het beroep, tenzij in geval van overmacht.
  [1 Deze termijn gaat in op de eerste werkdag volgend op de dag dat de aangetekende brief houdende het beroep aan de postdiensten overhandigd werd.]1
  
Art. 308. La chambre de recours régionale qui siège en matière disciplinaire émet un avis motivé dans les 60 jours de l'introduction du recours, sauf cas de force majeure.
  [1 Ce délai commence à courir à partir du premier jour qui suit le dépôt du courrier recommandé introduisant le recours.]1
  
Art. 309. De stemming is geheim.
  Er nemen evenveel door de overheid aangewezen assessoren als door de vakorganisaties aangewezen assessoren deel aan de stemming.
  Tijdens de stemming moet het aantal leden aangewezen door de Regering en aangewezen door de vakorganisaties gelijk zijn; in voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van één of meerdere leden, na loting.
  Bij afwijking van artikel 33 van dit besluit neemt de voorzitter niet deel aan de stemming.
  Bij staking van stemmen wordt het advies gunstig geacht voor de vervolgde persoon.
Art. 309. Le vote est secret.
  Les assesseurs désignés par l'autorité et les assesseurs désignés par les organisations syndicales participent au vote en nombre égal.
  Lors du vote, les membres désignés par le Gouvernement et par les organisations syndicales doivent être en nombre égal; le cas échéant, la parité est rétablie par l'élimination d'un ou de plusieurs membres, après tirage au sort.
  Par dérogation à l'article 33 du présent arrêté, le président ne prend pas part au vote.
  En cas de partage des voix, l'avis est considéré favorable à la personne poursuivie.
Art. 310. Indien de gewestelijke kamer van beroep, behalve in geval van overmacht, haar advies niet binnen de voorgeschreven termijn geeft, wordt het advies gunstig geacht voor de vervolgde ambtenaar.
Art. 310. Au cas où la chambre de recours régionale, hormis les cas de force majeure, ne rend pas son avis dans le délai imparti, celui-ci est réputé favorable à l'agent poursuivi.
Art. 311. De gewestelijke kamer van beroep stuurt haar advies alsook het volledige dossier naar de bevoegde overheid bedoeld in artikel 313, ten laatste twintig dagen na het uitbrengen van het advies. Het advies vermeldt met hoeveel stemmen, voor of tegen, de stemming werd bereikt.
  De gewestelijke kamer van beroep betekent binnen diezelfde termijn het advies aan de vervolgde persoon en aan het personeelslid dat het strafvoorstel verdedigt.
Art. 311. La chambre de recours régionale envoie son avis ainsi que le dossier complet à l'autorité compétente visée à l'article 313, au plus tard vingt jours après que l'avis a été rendu. L'avis mentionne par quel nombre de voix, pour ou contre, le vote a été acquis.
  La chambre de recours régionale notifie dans le même délai l'avis à la personne poursuivie et au membre du personnel qui défend la proposition de sanction.
Art. 312. Als de overheid die ermee belast is de uiteindelijke beslissing te nemen overweegt om noch het strafvoorstel van de gemachtigde hiërarchische meerdere noch het advies van de gewestelijke kamer van beroep volledig te volgen, stelt ze een ontwerp van gemotiveerde beslissing op.
  Dit ontwerp moet voorzien zijn van een bijzondere motivering met betrekking tot alle punten waarvan de overheid overweegt af te wijken van het advies van de gewestelijke kamer van beroep.
  Het wordt betekend aan de vervolgde ambtenaar en aan het personeelslid dat het voorstel van straf verdedigt per aangetekende brief en per elektronisch schrijven.
  De vervolgde persoon en het personeelslid dat het strafvoorstel verdedigt, beschikken over een termijn van vijftien dagen om hun eventuele opmerkingen mee te delen.
  [1 ...]1
  De vervolgde ambtenaar en het personeelslid dat het voorstel van straf verdedigt, moeten hun eventuele opmerkingen ten laatste op de vijftiende dag volgens de modaliteiten voorzien in het vorig lid verzenden per schrijven aan het adres vermeld in de betekening van het ontwerp van beslissing. De overheid belast met het nemen van de eindbeslissing bevestigt de goede ontvangst langs dezelfde weg.
  
Art. 312. Si l'autorité chargée de prendre la décision finale envisage de ne pas entièrement faire sienne ni la proposition de sanction du supérieur hiérarchique habilité ni l'avis de la chambre de recours régionale, elle rédige un projet de décision motivée.
  Ce projet doit être pourvu d'une motivation particulière pour tous les points sur lesquels l'autorité envisage de s'écarter de l'avis de la chambre de recours régionale.
  Il est notifié à la personne poursuivie et au membre du personnel qui défend la proposition de sanction par courrier recommandé et par courrier électronique.
  La personne poursuivie et le membre du personnel qui défend la proposition de sanction disposent d'un délai de quinze jours pour faire part de leurs observations éventuelles.
  [1 ...]1
  La personne poursuivie et le membre du personnel qui défend la proposition de sanction doivent adresser leurs observations éventuelles au plus tard le quinzième jour selon les modalités prévues à l'alinéa précédent par courrier à l'adresse indiquée dans la notification du projet de décision. L'autorité chargée de prendre la décision finale en accuse réception par la même voie.
  
HOOFDSTUK IV. - Uitspraak van de tuchtstraf
CHAPITRE IV. - Du prononcé de la peine disciplinaire
Art. 313. De benoemende overheid spreekt de tuchtstraf uit.
  Als de vervolgde persoon een ambtenaar-generaal is, is de regering bevoegd om de tuchtstraf uit te spreken.
  De bevoegde overheid kan geen zwaardere straf uitspreken dan de voorgestelde straf en kan ook geen andere feiten inroepen dan die welke het voorstel van straf hebben gemotiveerd.
  De uiteindelijke beslissing moet een passend antwoord bieden op de opmerkingen geformuleerd door de vervolgde persoon en het personeelslid dat het strafvoorstel verdedigt in de ontwerpbeslissing.
Art. 313. L'autorité investie du pouvoir de nomination prononce la peine disciplinaire.
  Lorsque la personne poursuivie est un fonctionnaire général, le Gouvernement est compétent pour prononcer la peine disciplinaire.
  L'autorité compétente ne peut prononcer une peine plus lourde que celle proposée ni ne peut invoquer d'autres faits que ceux ayant motivé la proposition.
  La décision finale doit répondre adéquatement aux observations formulées par la personne poursuivie et le membre du personnel qui défend la proposition de sanction sur le projet de décision.
Art. 314. De in het vorige artikel bedoelde overheid spreekt zich uit binnen de 60 dagen na ontvangst van het door de kamer van beroep uitgebrachte advies.
  De beslissing wordt betekend via een per post aangetekende brief. De beslissing wordt uitvoerbaar vanaf de eerste dag die volgt op de kennisgeving.
Art. 314. L'autorité visée à l'article précédent, se prononce dans les 60 jours de la réception de l'avis émis par la chambre de recours.
  La décision est notifiée par courrier recommandé. Celle-ci devient exécutoire le premier jour qui suit la notification.
HOOFDSTUK V. - De inschrijving en de schrapping van de straf.
CHAPITRE V. - De l'inscription et de la radiation de la peine.
Art. 315. Elke tuchtstraf wordt ingeschreven op de tuchtfiche van de ambtenaar.
Art. 315. Toute peine disciplinaire fait l'objet d'une inscription sur la fiche disciplinaire de l'agent.
Art. 316. De schrapping van de tuchtstraffen gebeurt van ambtswege na een periode waarvan de duur wordt vastgesteld op :
  1° zes maanden voor de terechtwijzing;
  2° een jaar voor de inhouding van wedde;
  3° achttien maanden voor de verplaatsing bij tuchtmaatregel;
  4° twee jaar voor de tuchtschorsing;
  5° dertig maanden voor lagere inschaling;
  6° drie jaar voor de terugzetting in graad.
  De termijn gaat in vanaf de betekening van de straf.
  De schrapping heeft tot gevolg dat er geen rekening meer mag worden gehouden met de geschrapte tuchtstraf.
Art. 316. La radiation des peines disciplinaires est automatique après une période dont la durée est fixée à :
  1° six mois pour le rappel à l'ordre;
  2° un an pour la retenue de traitement;
  3° dix-huit mois pour le déplacement disciplinaire;
  4° deux ans pour la suspension disciplinaire;
  5° trente mois pour la régression barémique;
  6° trois ans pour la rétrogradation.
  Le délai prend cours à partir de la notification de la sanction.
  La radiation a pour effet qu'il ne peut plus être tenu compte de la peine disciplinaire radiée.
TITEL X. - De schorsing in het belang van de dienst
TITRE X. - De la suspension dans l'intérêt du service
Art. 317. De ambtenaar kan in het belang van de dienst in zijn ambt worden geschorst :
  1° in geval van strafrechtelijke vervolgingen;
  2° in geval van tuchtrechtelijke vervolging wegens een ernstige fout waarbij de betrokkene op heterdaad is betrapt of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn.
  De ambtenaar kan het recht ontzegd worden om zijn aanspraken op bevordering en op verhoging in wedde te doen gelden en zijn wedde kan verminderd worden in een mate niet hoger dan die welke is genoemd in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
Art. 317. L'agent peut, dans l'intérêt du service être suspendu de sa fonction :
  1° lorsqu'il fait l'objet de poursuites pénales;
  2° lorsqu'il fait l'objet d'une poursuite disciplinaire en raison d'une faute grave pour laquelle il y a flagrant délit ou des indices probants.
  L'agent peut être privé de la faculté de faire valoir ses titres à la promotion et de son droit à l'avancement de traitement et peut faire l'objet d'une réduction de rémunération qui ne peut être supérieure à la retenue visée à l'article 23, alinéa 2 de la loi du 12 avril 1965 sur la protection de la rémunération des travailleurs.
Art. 318. De maatregelen bedoeld in artikel 317 worden uitgesproken door :
  1° de minister in verband met ambtenaren-generaal;
  2° de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal in verband met de andere ambtenaren;
  Zij horen de ambtenaar vooraf, uiterlijk vijftien dagen nadat ze kennis hebben gekregen van de feiten die de ambtenaar ten laste worden gelegd. De ambtenaar mag zich laten bijstaan door een persoon naar keuze, met uitzondering van elke persoon die gevraagd wordt zich uit te spreken in het kader van een eventuele tuchtprocedure.
  Indien de ambtenaar wegens overmacht niet kan worden gehoord binnen deze termijn, mag hij zich laten vertegenwoordigen en een schriftelijke nota voorleggen waarin hij zijn verweermiddelen te kennen geeft .
  [1 Een kennisgeving aan de ambtenaar volgt op de schorsingsbeslissing.]1
  
Art. 318. Les mesures visées par l'article 317 sont prononcées par :
  1° le ministre, à l'encontre des fonctionnaires généraux;
  2° le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint, à l'encontre des autres agents.
  Ils entendent l'agent au préalable, au plus tard quinze jours après avoir eu connaissance des faits qui sont à charge de celui-ci. L'agent peut se faire assister par une personne de son choix, à l'exception de toute personne appelée à se prononcer dans le cadre d'une éventuelle procédure disciplinaire.
  Si l'agent ne peut être entendu pour cas de force majeure endéans ce délai, il peut se faire représenter et communiquer une note écrite dans laquelle il fait valoir ses moyens de défense..
  [1 Ils font prendre connaissance à l'agent de la décision de suspension.]1
  
Art. 319. De ambtenaar kan binnen acht dagen na de betekening in beroep gaan bij de kamer van beroep bedoeld in artikel 29 naargelang zijn graad.
Art. 319. L'agent peut, dans les huit jours de la notification, introduire un recours devant la chambre de recours visée à l'article 29 selon son grade.
Art. 320. De kamer van beroep bedoeld in artikel 29 is bevoegd voor de beroepen in verband met de schorsing in het belang van de dienst.
  De beroepsprocedure is die welke geldt voor beroepen aangaande tuchtzaken. Het beroep is niet schorsend.
  Indien het door de betrokken kamer van beroep uitgebrachte advies anders luidt dan de door de bevoegde overheid in eerste aanleg getroffen beslissing :
  1° spreekt de minister zich uit over de te treffen maatregel voor de ambtenaren behalve de ambtenaren-generaal;
  2° spreekt de Regering zich uit over de te treffen maatregel voor de ambtenaren-generaal.
  Indien het door de betrokken kamer van beroep uitgebrachte advies in overeenstemming is met de door de bevoegde overheid in eerste aanleg getroffen beslissing, bevestigt de bevoegde overheid bedoeld in het derde lid de maatregel.
Art. 320. La chambre de recours visée à l'article 29 est compétente en matière de recours relatifs à la suspension dans l'intérêt du service.
  La procédure de recours est celle prévue pour le recours en matière disciplinaire. Le recours n'est toutefois pas suspensif.
  Si l'avis rendu par la chambre de recours concernée diffère de la décision rendue par l'autorité compétente en première instance :
  1° le ministre se prononce sur la mesure à prendre pour les fonctionnaires autres que les fonctionnaires généraux;
  2° le Gouvernement se prononce sur la mesure à prendre pour les fonctionnaires généraux.
  Si l'avis rendu par la chambre de recours concernée est conforme à la décision rendue par l'autorité compétente en première instance, l'autorité compétente visée à l'alinéa 3 confirme la mesure.
Art. 321. Behalve in geval van strafrechtelijke vervolging, mag de duur van de schorsing ten hoogste zes maanden bedragen.
  Zij kan worden verlengd met zesmaandelijkse termijnen in geval van strafrechtelijke vervolging.
Art. 321. Sauf en cas de poursuite pénale, la durée de la suspension s'élève à six mois maximum.
  Elle peut être renouvelée par périodes de six mois en cas de poursuite pénale.
Art. 322. De schorsing in het belang van de dienst alsmede de maatregelen bedoeld in artikel 317, tweede lid eindigen van rechtswege :
  1) wanneer het strafvonnis wordt uitgesproken en aan de overheid wordt meegedeeld;
  2) wanneer de tuchtrechtelijke uitspraak voor een ernstige fout bedoeld in artikel 317 eerste lid, 2° definitief wordt;
  3) wanneer de ambtenaar onschuldig wordt verklaard.
  Indien een tuchtrechtelijke schorsing wordt opgelegd, brengt de tuchtoverheid de duur van de preventieve schorsing in mindering van de duur van de tuchtstraf.
Art. 322. La suspension dans l'intérêt du service ainsi que les mesures visées à l'article 317, alinéa 2, prennent fin d'office :
  1) lorsque la décision pénale est prononcée et portée à la connaissance de l'autorité;
  2) lorsque la sanction disciplinaire prononcée suite à une faute grave visée à l'article 317 alinéa 1er, 2° est définitive;
  3) lorsque l'agent est mis hors de cause.
  Lorsque la mesure disciplinaire de la suspension est infligée, l'autorité disciplinaire déduit la durée de la suspension préventive de la durée de la peine disciplinaire.
TITEL XI. - Onverenigbaarheden en cumulatie van beroepsactiviteiten
TITRE XI. - Des incompatibilités et des cumuls d'activités professionnelles
Art. 323. Met de hoedanigheid van ambtenaar is onverenigbaar elke activiteit die de ambtenaar zelf of via een tussenpersoon uitoefent en die :
  1° verhindert dat hij zijn ambtsplichten vervult, of;
  2° strijdigheid van belangen tot gevolg heeft of
  3° niet past met de waardigheid van zijn ambt.
  De ambtenaar die deze bepaling niet eerbiedigt, stelt zich bloot aan een tuchtvordering.
Art. 323. Est incompatible avec la qualité d'agent, toute activité que ce dernier exerce lui-même ou par l'intermédiaire d'une autre personne et qui :
  1° l'empêche de remplir ses devoirs d'agent, ou
  2° engendre des conflits d'intérêt ou
  3° n'est pas en accord avec la dignité de sa fonction.
  L'agent qui ne respecte pas cette disposition, s'expose à une action disciplinaire.
Art. 324. De cumulatie van beroepsactiviteiten is verboden tenzij daar toestemming is voor verleend.
  Onder beroepsactiviteit wordt verstaan elke bezigheid die een belastbaar beroepsinkomen verschaft en die niet inherent is aan de uitoefening van het ambt.
  Inherent aan het ambt is elke opdracht die ingevolge een wettelijke of reglementaire bepaling verbonden is aan het ambt of waarvoor de ambtenaar wordt aangewezen door de overheid waaronder hij ressorteert.
Art. 324. Le cumul d'activités professionnelles est interdit à moins qu'une autorisation ait été accordée.
  Par activité professionnelle, il faut entendre toute occupation qui procure des revenus professionnels imposables et qui n'est pas inhérente à l'exercice de la fonction.
  Est inhérente à sa fonction, toute mission qui, conformément à une disposition légale ou réglementaire, est liée à cette fonction ou toute mission pour laquelle l'agent est désigné par l'autorité dont il dépend.
Art. 325. Een politiek mandaat wordt niet beschouwd als een beroepsactiviteit.
  De ambtenaar die verkozen is moet het HRM hiervan verwittigen, die op zijn beurt de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal op de hoogte brengt.
  De uitoefening van een mandaatfunctie zoals bedoeld in artikel 437 is onverenigbaar met een politiek mandaat van burgemeester, schepen, voorzitter van een O.C.M.W. of lid van een provinciecollege. Elk ander politiek mandaat waarvan het overeenstemmende politiek verlof een vierde van een voltijdse betrekking overschrijdt, is eveneens onverenigbaar met de uitoefening van een mandaatfunctie.
Art. 325. Un mandat politique n'est pas considéré comme une activité professionnelle.
  L'agent qui est élu doit en avertir la GRH, lequel en informe le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint.
  L'exercice d'une fonction de mandat telle que visée à l'article 437 est incompatible avec un mandat politique de Bourgmestre, échevin, président de C.P.A.S. et membre d'un conseil provincial. Tout autre mandat politique dont le congé politique correspondant excède un quart temps d'un emploi à temps plein est également incompatible avec l'exercice d'une fonction de mandat.
Art. 326. Er kan aan een ambtenaar toestemming worden verleend voor de uitoefening van een beroepsactiviteit buiten de diensturen, indien deze niet in strijd is met de bepalingen van artikel 323.
Art. 326. Une autorisation peut être accordée à un agent pour exercer une activité professionnelle en dehors des heures de service si celle-ci n'est pas en contradiction avec les dispositions de l'article 323.
Art. 327. Er kan aan een ambtenaar toestemming worden verleend voor de uitoefening van een beroepsactiviteit binnen de diensturen, indien deze :
  1° niet in strijd is met de bepalingen van artikel 323;
  2° van algemeen belang is voor het Gewest;
  3° zonder nadeel voor de dienst of voor het publiek kan worden uitgeoefend.
  Onder diensturen dient te worden verstaan : de stamtijden die de glijdende werktijdregeling vastlegt.
  Deze ambtenaar is in actieve dienst.
Art. 327. Une autorisation peut être accordée à un agent pour exercer une activité professionnelle durant les heures de service si cette activité :
  1° n'est pas en contradiction avec les dispositions de l'article 323;
  2° est d'intérêt général pour la Région;
  3° peut être exercée sans inconvénient pour le service ou pour le public.
  Par heures de service, il faut entendre les plages fixes qui déterminent le régime de l'horaire variable.
  Cet agent est en activité de service.
Art. 328. De aanvraag tot cumulatie wordt schriftelijk ingediend bij de directeur-generaal of de ambtenaar aangewezen door de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal in hun diensten, door middel van een modelformulier dat door het HRM wordt verstrekt.
  De hiërarchische meerdere geeft vooraf in het vak dat op het formulier daartoe is voorzien, een gemotiveerd advies. De directeur-generaal voegt er zijn/haar advies aan toe alvorens het dossier door te sturen naar de secretaris- generaal of de adjunct secretaris generaal.
Art. 328. La demande de cumul est introduite par écrit auprès du directeur général ou du fonctionnaire désigné par le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint dans leurs services, à l'aide d'un formulaire type qui est fourni par la GRH.
  Le supérieur hiérarchique donne au préalable un avis motivé à l'endroit du formulaire réservé à cet effet. Le directeur général y ajoute son avis avant d'envoyer le dossier au Secrétaire général ou au Secrétaire général adjoint.
Art. 329. De toestemming wordt verleend of geweigerd door de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal.
  Voor de mandaathouders wordt de toestemming verleend of geweigerd door de Regering.
Art. 329. L'autorisation est accordée ou refusée par le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint.
  Pour les mandataires, l'autorisation est accordée ou refusée par le Gouvernement.
Art. 330. De ambtenaar wordt binnen dertig dagen na datum van zijn aanvraag in kennis gesteld van de beslissing.
Art. 330. L'agent est informé de la décision dans les trente jours à dater de sa demande.
Art. 331. De toestemming kan worden opgeheven door de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal. Zijn beslissing moet gemotiveerd worden.
Art. 331. Le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint peut toujours mettre fin à son autorisation. Il motive sa décsion.
TITEL XII. - De inschakeling van personen met een handicap
TITRE XII. - De l'intégration des personnes handicapées
Art. 332. § 1. De Gewestelijke Overheidsdienst Brussel moet een aantal gehandicapte personen tewerkstellen dat gelijk is aan minstens twee percent van de personeelsformatie voorzien in het personeelsplan.
  Deze doelstelling kan bereikt worden door de aanwerving of door de erkenning van de handicap van ambtenaren gedurende hun loopbaan.
  § 2. Voor de toepassing van deze titel, wordt verstaan onder "erkenningsinstellingen" de vier volgende instellingen :
  1° L'Agence pour une vie de qualité, afgekort A.V.I.Q.;
  2° de Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor personen met een handicap (Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung);
  3° de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling, in het kort VDAB, en/of het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
  4° de Brusselse Franstalige dienst voor mindervaliden, gekend als Personne Handicapée Autonomie Recherchée, afgekort PHARE.
  § 3. De betrekkingen die voor gehandicapte personen bestemd zijn, kunnen bekleed worden door kandidaten die bij hun aanwerving of tijdens hun loopbaan ten minste één van de volgende voorwaarden vervullen :
  1° ingeschreven zijn bij één van de erkenningsinstellingen bedoeld in § 2 of het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot tegemoetkoming vanwege één van deze instellingen en één van deze instellingen in kennis te hebben gesteld van elke beslissing betreffende maatregelen inzake hulp of sociale integratie of inschakeling in het arbeidsproces, die door de federale overheid of gemeenschapsoverheid is genomen;
  2° het slachtoffer zijn geweest van een arbeidsongeval en een attest overleggen van het Fonds voor Arbeidsongevallen of van de Sociaal-Medische Rijksdienst waarbij een ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;
  3° door een beroepsziekte zijn getroffen en een attest voorleggen van het Fonds voor Beroepsziekten of van de Sociaal-Medische Rijksdienst waarbij een ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;
  4° het slachtoffer zijn geweest van een gemeenrechtelijk ongeval en een door de griffie van de rechtbank afgeven afschrift van het vonnis overleggen waarbij een handicap of een ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;
  5° het slachtoffer zijn geweest van een thuisongeval en een afschrift van de beslissing van de verzekeringsinstelling overleggen waarbij een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 % wordt bevestigd;
  6° een inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming genieten krachtens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan personen met een handicap.
  7° in het bezit zijn van een attest afgeleverd door de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid voor het verstrekken van sociale en fiscale voordelen.
Art. 332. § 1er. Le Service public régional de Bruxelles est tenu d'occuper un nombre de personnes handicapées fixé à au moins deux pour cent de l'effectif prévu au plan de personnel.
  Cet objectif peut être atteint par recrutement ou par la reconnaissance d'agents dont le handicap est reconnu en cours de carrière.
  § 2. Pour l'application du présent titre, il y a lieu d'entendre par "organismes de reconnaissance" les quatre organismes suivants :
  1° L'Agence pour une vie de qualité, en abrégé l'A.V.I.Q.;
  2° l'Office de la Communauté germanophone pour les personnes handicapées (Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung);
  3° le Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling, en abrégé VDAB, et/ou la Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
  4° le Service bruxellois francophone des personnes handicapées, connu comme Personne Handicapée Autonomie Recherchée, en abrégé PHARE.
  § 3. Peuvent occuper un emploi du quota réservé aux personnes handicapées les candidats qui remplissent au moment du recrutement ou en cours de carrière au moins l'une des conditions suivantes :
  1° avoir été enregistré auprès d'un des organismes de reconnaissance visés au § 2, ou avoir fait l'objet d'une décision d'intervention de la part d'un de ceux-ci, et avoir communiqué à un de ceux-ci toute décision relative aux dispositions d'aide ou d'intégration sociale ou professionnelle prise par le pouvoir fédéral ou communautaire;
  2° avoir été victime d'un accident du travail et fournir une attestation délivrée par le Fonds des Accidents du Travail ou par l'Office médico-social de l'Etat certifiant une incapacité d'au moins 66 %;
  3° avoir été victime d'une maladie professionnelle et fournir une attestation délivrée par le Fonds des Maladies professionnelles ou par l'Office médico-social de l'Etat certifiant une incapacité d'au moins 66 %;
  4° avoir été victime d'un accident de droit commun et fournir une copie du jugement délivré par le greffe du tribunal certifiant que le handicap ou l'incapacité est d'au moins 66 %;
  5° avoir été victime d'un accident domestique et fournir une copie de la décision de l'organe assureur certifiant que l'incapacité permanente est d'au moins 66 %;
  6° bénéficier d'une allocation de remplacement de revenu ou d'intégration en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
  7° être en possession d'une attestation délivrée par la Direction Générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale pour l'octroi des avantages sociaux et fiscaux.
Art. 333. De gehandicapte persoon heeft de mogelijkheid om deel te nemen aan een selectieprocedure bedoeld in artikel 34 en volgende. Hij kan bij deze gelegenheid aan de organisator van de selectie meedelen dat een redelijke aanpassing tijdens zijn deelname aan de proeven dient voorzien te worden.
  Indien het percentage van tewerkstelling zoals bepaald in artikel 332, § 1 niet wordt bereikt, dan kan de directieraad beslissen om één of meerdere selectieprocedures voor te behouden aan de gehandicapte personen zoals bedoeld in artikel 332, § 3.
  Onverminderd de bepalingen van huidig artikel, zijn de in dit besluit bedoelde regels betreffende de werving van toepassing op de selectie en werving van gehandicapte personen.
Art. 333. La personne handicapée a la possibilité de participer à une procédure de sélection visée aux articles 34 et suivants. Elle peut, à cette occasion, indiquer à l'organisateur de la sélection la nécessité de bénéficier d'aménagements raisonnables lors de sa participation aux épreuves.
  Si le pourcentage d'emploi fixé à l'article 332 § 1 n'est pas atteint, le Conseil de direction peut décider qu'une ou plusieurs procédures de sélections sont réservées aux personnes handicapées visées à l'article 332 § 3.
  Sans préjudice des dispositions du présent article, les règles relatives au recrutement visées au présent arrêté, sont applicables à la sélection et au recrutement des personnes handicapées.
Art. 334. Als het percentage dat bepaald is in artikel 332, § 1, eerste lid, niet bereikt is, geeft het HRM bij de aanwerving voorrang aan personen met een handicap die geslaagd zijn.
Art. 334. Si le pourcentage fixé à l'article 332, § 1er, alinéa 1er, n'est pas atteint, la GRH donne priorité, lors du recrutement, aux personnes handicapées lauréates.
Art. 335. § 1. De overgangsprocedure naar een hoger niveau is aangepast aan de handicapgerelateerde beperkingen. De gehandicapte persoon kan aan de organisator bewijsstukken overhandigen waaruit de noodzaak van redelijke aanpassingen ten behoeve van zijn persoon blijken.
  § 2. In geval van verandering van betrekking kan het advies van de arbeidsgeneesheer in samenspraak met de behandelende arts vereist worden om de bekwaamheid van de gehandicapte persoon tot het bekleden van de nieuwe betrekking na te gaan.
  § 3. Het HRM organiseert in samenwerking met de erkenningsinstellingen bedoeld in artikel 332, § 2, het onthaal, de vorming en de inschakeling in het arbeidsproces van de gehandicapte personen .
Art. 335. § 1er. La procédure d'accession au niveau supérieur est adaptée aux contraintes liées aux handicaps. La personne handicapée peut indiquer à l'organisateur des épreuves la nécessité de bénéficier d'aménagements raisonnables.
  § 2. En cas de changement d'affectation, l'avis du médecin du travail en concertation avec le médecin traitant peut être requis en vue de vérifier l'aptitude de la personne handicapée à occuper le nouvel emploi.
  § 3. La GRH organise, en collaboration avec les organismes de reconnaissance visés à l'article 332, § 2, l'accueil, la formation et l'intégration professionnelle des personnes handicapées.
Art.335/1. [1 § 1 De ambtenaar met een handicap die gebruik wenst te maken van een assistentiehond en daarvoor opleiding dient te volgen, krijgt hiervoor verlof ten belope van maximaal 20 werkdagen per assistentiehond, indien aan volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
   1) het dient om een assistentiehond te gaan zoals gedefinieerd in artikel 2 van de ordonnantie van 18 december 2008 betreffende de toegang van assistentiehonden tot voor het publiek toegankelijke plaatsen;
   2) de opleiding dient plaats te vinden bij een onderwijsinstelling die daartoe is gemachtigd door een van volgende organen:
   - Vlaanderen: CELMA (Cel Machtiging Assistentiehondenscholen)
   - Wallonië: AVIQ (l'Agence pour une Vie de Qualité)
   - Brussel: Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie
   3) de ambtenaar dient een attest van de gemachtigde onderwijsinstelling voor te leggen als bewijs van het volgen van de opleiding aan het HRM en aan zijn functionele chef.
   § 2 Het verlof bepaald in paragraaf 1 wordt door de functionele chef van de ambtenaar toegekend.
   Dit verlof is bezoldigd en wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit.
   § 3 Voor het in paragraaf 1 bedoelde verlof kan de ambtenaar gebruik maken van flexibele werkregelingen.
   De secretaris-generaal, de adjunct-secretaris-generaal of hun afgevaardigde onderzoekt en antwoordt op de aanvraag om flexibele werkregelingen binnen een redelijke termijn, rekening houdend met de behoeften van zowel de ambtenaar als van de betrokken dienst.
   Hij motiveert de weigering of het uitstel van de toekenning van de flexibele werkregelingen schriftelijk.
   Wanneer flexibele werkregelingen worden toegekend heeft de ambtenaar het recht om terug te keren naar de oorspronkelijke werkregeling aan het einde van de overeengekomen periode. De ambtenaar heeft ook het recht om te vragen om terug te keren naar de oorspronkelijke werkregeling vóór het einde van de overeengekomen periode, wanneer een verandering in de omstandigheden dit rechtvaardigt.
   De secretaris-generaal, de adjunct-secretaris-generaal of hun afgevaardigde, onderzoekt een verzoek om eerder terug te keren naar de oorspronkelijke werkregeling en antwoordt binnen een redelijke termijn, rekening houdend met de behoeften van zowel de ambtenaar als van de betrokken dienst.
   § 4 De rechten die verworven zijn of zullen worden verworven op de aanvangsdatum van het verlof bedoeld in paragraaf 1, blijven behouden tot het einde van het verlof.
   Deze rechten, met inbegrip van wijzigingen voortvloeiend uit de wetgeving of regionale of nationale praktijk, zijn van toepassing na afloop van het verlof. ]1

  
Art. 335/1. [1 . § 1er L'agent porteur d'un handicap qui souhaite utiliser un chien d'assistance et qui doit suivre une formation à cet effet, obtient un congé, pour une durée maximale de 20 jours ouvrables par chien d'assistance, si les conditions cumulatives suivantes sont remplies :
   1) il doit s'agir d'un chien d'assistance tel que défini à l'article 2 de l'ordonnance du 18 décembre 2008 relative à l'accès des chiens d'assistance aux lieux ouverts au public ;
   2) la formation doit se dérouler dans un établissement d'enseignement agréé à cet effet par l'un des organismes suivants :
   - Flandres : CELMA (Cel Machtiging Assistentiehondenscholen) ;
   - Wallonie : AVIQ (l'Agence pour une Vie de Qualité) ;
   - Bruxelles : Commission Communautaire Commune ;
   3) L'agent doit soumettre un attestation de l'établissement d'enseignement agréé, comme preuve du suivi de la formation, à la GRH et à son chef fonctionnel.
   2. Le congé visé au paragraphe 1er est octroyé par le chef fonctionnel de l'agent.
   Ce congé est rémunéré et assimilé à une période d'activité de service.
   3. Pour le congé visé au paragraphe 1er l'agent peut demander des formules souples de travail.
   Le Secrétaire général, le Secrétaire général adjoint ou leur délégué examine et répond à la demande des formules souples de travail dans un délai raisonnable en tenant compte des besoins de l'agent et de ceux du service concerné.
   Il justifie le refus ou le report de l'octroi des formules souples de travail par écrit.
   Lorsque des formules souples de travail sont octroyées, l'agent a le droit de revenir au régime de travail de départ à la fin de la période convenue. L'agent a aussi le droit de demander à revenir au régime de travail de départ avant la fin de la période convenue, dès lors qu'un changement de circonstances le justifie.
   Le Secrétaire général, le Secrétaire général adjoint ou leur délégué examine une demande visant à revenir plus tôt au régime de travail de départ et y répond dans un délai raisonnable, en tenant compte des besoins de l'agent et de ceux du service concerné.
   4. Les droits acquis ou en cours d'acquisition à la date du début du congé visé au paragraphe 1er sont maintenus jusqu'à la fin de ce congé.
   Ces droits, y compris les changements découlant de la législation ou de la pratique nationale ou régionale, s'appliquent à l'issue de ce congé. ]1

  
TITEL XIII. - Het verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging
TITRE XIII. - De la perte de la qualité d'agent et de la cessation définitive des fonctions
Art. 336. Niemand kan zijn hoedanigheid van ambtenaar verliezen vóór de wettelijke pensioenleeftijd, behalve in de gevallen waarin voorzien is in de wetgeving met betrekking tot de pensioenen en het huidig besluit.
Art. 336. Nul ne peut perdre la qualité d'agent avant l'âge normal de la retraite, sauf dans les cas prévus par la législation relative aux pensions et par le présent arrêté.
Art. 337. § 1. Er wordt van rechtswege een einde gesteld aan de hoedanigheid van ambtenaar wanneer de ambtenaar de wettelijke pensioenleeftijd bereikt.
  § 2. In afwijking van § 1, indien ze ermee akkoord gaan en indien de noodwendigheid van de dienst dit vereist, kunnen de ambtenaren uitzonderlijk in dienst gehouden worden na de wettelijke pensioenleeftijd bereikt te hebben en dit gedurende een periode van zes maanden.
  De ambtenaren die in dienst blijven na de wettelijke pensioensleeftijd, behouden tijdens die periode hun hoedanigheid van functionaris.
  De beslissing wordt genomen door de benoemende overheid.
  De beslissing tot verlenging wordt gemotiveerd.
Art. 337. § 1er. Il est mis fin d'office à la qualité de fonctionnaire lorsque l'agent atteint l'âge légal de la retraite.
  § 2. Par dérogation au § 1er et avec l'accord de ceux-ci, à titre exceptionnel et si les nécessités du service l'exigent, les agents peuvent être maintenus en service pour une période de six mois après avoir atteint l'âge légal de la retraite.
  Les agents qui sont maintenus en service au-delà de l'âge légal de la retraite, conservent pendant cette période leur qualité de fonctionnaire.
  La décision est prise par l'autorité investie du pouvoir de nomination.
  La décision de prolongation est motivée.
Art. 338. Verliest ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar :
  1° de ambtenaar van wie de benoeming niet regelmatig is, op voorwaarde dat, met uitzondering van misleiding of bedrog, die onregelmatigheid door de overheid die hem heeft benoemd is vastgesteld binnen de termijn bepaald voor het instellen van beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State of, als een zodanig beroep is ingesteld, tijdens de procedure;
  2° de ambtenaar die niet meer voldoet aan de Belgische nationaliteitsvoorwaarde en waarvan de functies een rechtstreekse of onrechtstreekse deelname noodzaken in de uitoefening van de openbare macht of als doel hebben de bescherming van de algemene belangen van de staat of andere overheidsinstanties;
  3° de ambtenaar die zijn burgerlijke en politieke rechten niet meer geniet [1 ...]1 of wiens medische ongeschiktheid behoorlijk werd vastgesteld;
  4° de ambtenaar die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien opeenvolgende werkdagen afwezig blijft en die naar behoren en voorafgaandelijk werd gewaarschuwd;
  5° de ambtenaar die zich in een geval bevindt waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;
  6° de ambtenaar die om tuchtredenen wordt ambtshalve ontslagen of afgezet.
  
Art. 338. Perd d'office et sans préavis la qualité d'agent :
  1° l'agent dont la nomination n'est pas régulière, à condition que, sauf fraude ou dol, cette irrégularité ait été constatée par l'autorité qui l'a nommé dans le délai imparti pour introduire un recours en annulation devant le Conseil d'Etat ou, si un tel recours a été introduit, pendant la procédure;
  2° l'agent qui ne satisfait plus à la condition de nationalité belge et dont les fonctions comportent une participation directe ou indirecte à l'exercice de la puissance publique ou ont pour objet la sauvegarde des intérêts généraux de l'Etat ou des autres collectivités publique;
  3° l'agent qui ne jouit plus de ses droits civils et politiques [1 ...]1 ou dont l'inaptitude médicale a été dûment constatée;
  4° l'agent qui, sans motif valable, abandonne son poste et reste absent pendant plus de dix jours ouvrables successifs et qui a été dûment et préalablement averti;
  5° l'agent qui se trouve dans un cas où l'application des lois civiles et pénales entraîne la cessation des fonctions;
  6° l'agent qui, pour raisons disciplinaires, est démis d'office ou révoqué.
  
Art. 339. Geven aanleiding tot ambtsneerlegging :
  1° [1 het vrijwillig ontslag. In deze situatie mag de ambtenaar zijn post niet eerder verlaten dan minimaal dertig dagen na kennisgeving van zijn ontslag per aangetekend schrijven aan de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal. Deze termijn kan verkort worden in onderling akkoord.]1
  2° de oppensioenstelling;
  3° een tweede benoeming in een andere openbare dienst, van zodra deze benoeming niet meer kan aangevochten worden voor de Raad van State.
  4° de definitief bevestigde professionele ongeschiktheid, volgens de procedure zoals bepaald in dit besluit.
  
Art. 339. Entraînent la cessation des fonctions :
  1° [1 la démission volontaire. Dans ce cas, l'agent ne peut abandonner son service que trente jours au moins après avoir envoyé sa démission par lettre recommandée au Secrétaire général ou au Secrétaire général adjoint. Ce délai peut être réduit de commun accord.]1
  2° la mise à la retraite;
  3° une deuxième nomination dans un autre service public, dès que cette nomination n'est plus susceptible d'être attaquée devant le Conseil d'Etat;
  4° l'inaptitude professionnelle définitivement confirmée, selon la procédure fixée par le présent arrêté.
  
BOEK II. - DE BEZOLDIGINGSREGELING
LIVRE II. - DU STATUT PECUNIAIRE
TITEL I. - De wedde
TITRE Ier. - Du traitement
HOOFDSTUK I. - De weddeschalen
CHAPITRE Ier. - Des échelles de traitement
Art. 340. Iedere weddeschaal wordt aangeduid met een letter gevolgd door drie cijfers.
  De letter duidt het niveau van de graad aan, het eerste cijfer de rang, het tweede de graad overeenstemmend met een bijzondere kwalificatie in dezelfde rang, het derde de code van de weddeschaal.
  Het cijfer nul betekent dat de code niet bepaald is.
Art. 340. Chaque échelle de traitement est désignée par une lettre suivie de trois chiffres.
  La lettre désigne le niveau du grade, le premier chiffre son rang, le deuxième chiffre le grade correspondant à une qualification particulière dans le même rang, le troisième chiffre le code de l'échelle de traitement.
  Le chiffre zéro signifie que le code n'est pas déterminé.
Art. 341. Aan de graden die de ambtenaren kunnen bekleden, zijn de volgende schalen verbonden :
  NIVEAU A
  Secretaris generaal A700
  Adjunct secretaris generaal A600
  Directeur-generaal A600 of A500 of A410
  Adjunct Directeur-generaal A500 of A410 of A400
  Directeur-dienshoofd A400
  Ingenieur-directeur I310
  Directeur A310 A300
  Raadgever-deskundige A220 A230
  Eerste ingenieur I220
  Eerste attaché A200 A210 A220
  Ingenieur I113 I112 I111
  Attaché A103 A102 A101
  NIVEAU B
  eerste assistent B200
  assistent B103 B102 B101
  NIVEAU C
  eerste adjunct C200
  adjunct C103 C102 C101
  NIVEAU D
  eerste klerk D200
  klerk D103 D102 D101
Art. 341. Les grades que peuvent porter les agents bénéficient des échelles qui suivent :
  NIVEAU A
  Secrétaire général A700
  Secrétaire général adjoint A600
  Directeur général A600 ou A500 ou A410
  Directeur général adjoint A500 ou A410 ou A400
  Directeur-chef de service A400
  Ingénieur directeur I310
  Directeur A310 A300
  Conseiller-expert A220 A230
  Premier ingénieur I220
  Premier attaché A200 A210 A220
  Ingénieur I113 I112 I111
  Attaché A103 A102 A101
  NIVEAU B
  assistant principal B200
  assistant B103 B102 B101
  NIVEAU C
  adjoint principal C200
  adjoint C103 C102 C101
  NIVEAU D
  commis principal D200
  commis D103 D102 D101
Art. 342. De weddeschalen die gelden in de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel zijn opgenomen in bijlage II.
  De bedragen van de weddeschaal volgen de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen in overeenstemming met de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. De wedde wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer van 138,01.
Art. 342. Les échelles de traitement en vigueur au Service public régional de Bruxelles sont reprises à l'annexe II.
  Les montants repris dans les échelles de traitement sont liés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public ou à toute autre disposition qui la modifierait. Le traitement est rattaché à l'indice-pivot 138,01.
Art. 343. De tussentijdse verhogingen worden toegekend op grond van de geldelijke anciënniteit, conform de artikelen 432 tot 436.
Art. 343. Les augmentations intercalaires sont accordées sur la base de l'ancienneté pécuniaire, conformément aux articles 432 à 436.
HOOFDSTUK II. - De vaststelling van de wedde van de ambtenaar
CHAPITRE II. - De la fixation du traitement de l'agent
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Des dispositions générales
Art. 344. Onverminderd de tegengestelde reglementaire bepalingen, wordt de wedde van elke ambtenaar vastgesteld in één van de schalen van zijn graad.
Art. 344. Sans préjudice des dispositions réglementaires contraires, le traitement de tout agent est fixé dans une des échelles de son grade.
Art. 345. Bij wijziging van het geldelijke statuut van een graad, wordt de eraan verbonden wedde opnieuw vastgesteld alsof het nieuwe geldelijke statuut altijd had bestaan.
  Indien de gewijzigde wedde lager ligt dan degene die de ambtenaar genoot in zijn graad bij de inwerkingtreding van het wijzigende besluit, behoudt hij zijn hoogste wedde tot hij een op zijn minst daaraan gelijke wedde heeft.
Art. 345. A chaque modification du statut pécuniaire d'un grade, tout traitement établi compte tenu de ce grade est à nouveau fixé comme si le nouveau statut pécuniaire avait existé de tout temps.
  Si le traitement modifié est inférieur à celui dont l'agent bénéficiait dans son grade à l'entrée en vigueur de l'arrêté modificatif, le traitement le plus élevé est maintenu jusqu'à ce que l'agent obtienne un traitement au moins égal.
Art. 346. De vaste ambtenaar die werd bevorderd, heeft in zijn nieuwe graad nooit een lagere wedde dan hij zou hebben genoten in zijn vorige graad.
  Wanneer de schaal van zijn vorige graad tot niveau B en de schaal van zijn nieuwe graad tot niveau A behoort, verkrijgt de ambtenaar in zijn nieuwe graad altijd ten minste een wedde die 1.000 euro, op jaarbasis en voor 100 % gekoppeld aan het spilindexcijfer van 138,01, hoger ligt dan die welke hij zou genoten hebben in zijn vorige graad.
  De toepassing van deze bepaling mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van de ambtenaar hoger ligt dan de maximumwedde hetzij van de schaal van zijn nieuwe graad, hetzij van de schaal van zijn vorige graad als deze hoger is.
Art. 346. L'agent définitif qui a été promu n'obtient, à aucun moment, dans son nouveau grade, un traitement inférieur à celui dont il eût bénéficié dans son ancien grade.
  Lorsque l'échelle de son ancien grade relève du niveau B et l'échelle de son nouveau grade du niveau A, l'agent obtient au moins, à tout moment, dans son nouveau grade, un traitement supérieur de 1.000 euros annuel à 100% lié à l'indice-pivot 138.01 à celui dont il eût bénéficié dans son ancien grade.
  L'application de cette disposition ne peut avoir pour effet de porter le traitement de l'agent au-delà du traitement maximum, soit de l'échelle de son nouveau grade, soit de l'échelle de son ancien grade s'il est plus élevé.
Art. 347. De wedde wordt betaald na vervallen termijn.
  De ambtenaar ontvangt zijn wedde uiterlijk de laatste werkdag van de maand.
Art. 347. Le traitement est payé à terme échu.
  L'agent reçoit son traitement au plus tard le dernier jour ouvrable du mois.
Afdeling 2. - De berekening van de wedde
Section 2. - Du calcul du traitement
Art. 348. De maandwedde is gelijk aan 1/12 van de jaarwedde.
Art. 348. Le traitement mensuel est égal à 1/12e du traitement annuel.
Art. 349. Wanneer de vaste of stagedoende ambtenaar op een andere datum dan de eerste van de maand wordt benoemd in een nieuwe graad die geen basisgraad is bedoeld in artikel 436, tweede lid, wordt de wedde van de lopende maand niet aangepast.
  Wanneer de vaste of stagedoende ambtenaar overlijdt of op rust gesteld wordt, blijft de wedde van de lopende maand verschuldigd.
Art. 349. Lorsque l'agent définitif ou stagiaire est, à une date autre que le premier du mois, nommé à un nouveau grade ne constituant pas le grade de base visé à l'article 436, alinéa 2, le traitement du mois en cours n'est pas sujet à modification.
  Lorsque l'agent définitif ou stagiaire décède ou est admis à la retraite, le traitement du mois en cours reste dû.
Art. 350. Wanneer de maandwedde niet volledig verschuldigd is, wordt de wedde voor volledige prestaties vermenigvuldigd met de volgende breuk :
  (het percentage van de prestaties x het aantal gepresteerde werkdagen) /
  het aantal te presteren werkdagen op basis van het werkschema
  Het aantal gepresteerde of te presteren werkdagen is gelijk aan het aantal gepresteerde of te presteren uren gedeeld door 7,6.
  Wordt verstaan onder :
  a) "werkdag" : elke dag, feestdagen inbegrepen, uitgezonderd zaterdagen en zondagen;
  b) "gepresteerde werkdag" : elke werkdag waarvoor een bezoldiging verschuldigd is;
  c) "werkschema" : het aantal te presteren werkdagen in een maand.
Art. 350. Lorsque le traitement du mois n'est pas dû entièrement, le traitement à temps plein est multiplié par la fraction suivante :
  le pourcentage de prestations x le nombre de jours ouvrables prestés
  le nombre de jours ouvrables devant être prestés sur base du calendrier de travail
  Le nombre de jours ouvrables prestés ou devant être prestés est égal au nombre d'heures prestées ou devant être prestées divisé par 7,6.
  Il faut entendre par :
  a) " jour ouvrable " : chaque jour de la semaine, y compris les jours fériés, à l'exception du samedi et du dimanche;
  b) " jour ouvrable presté " : chaque jour ouvrable pour lequel est due une rémunération;
  c) " calendrier de travail " : le nombre de jours ouvrables à prester dans un mois.
HOOFDSTUK III. - De gewaarborgde bezoldiging, de haard- of standplaatstoelage, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage
CHAPITRE III. - De la rétribution garantie, de l'allocation de foyer ou de résidence, du pécule de vacances et de l'allocation de fin d'année
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions communes
Art. 351. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  "volledige prestaties", de prestaties zoals bepaald in artikel 423.
Art. 351. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par :
  " prestations complètes ", les prestations telles que définies à l'article 423.
Afdeling 2. - De gewaarborgde bezoldiging
Section 2. - De la rétribution garantie
Art. 352. § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt verstaan onder "bezoldiging", de wedde vermeerderd met de haardtoelage of met de standplaatstoelage.
  De kinderbijslagen en de maandelijkse supplementen daarvan komen niet in aanmerking voor de vaststelling van de bezoldiging.
  § 2. [1 De gewaarborgde loon komt overeen met het wettelijk minimumloon in de zin van artikel 3, 2) van Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 inzake passende minimumlonen in de Europese Unie.]1
  De jaarlijkse gewaarborgde bezoldiging van de ambtenaar bedraagt nooit, voor volledige prestaties, minder dan :
  - 13.234,20 euro, indien de betrokkene, wat betreft de sociale zekerheid, enkel onderworpen is aan de regeling inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering gezondheidssector;
  - 12.478,10 euro, in de andere gevallen.
  § 3. Het verschil tussen de in § 2 bedoelde jaarlijkse gewaarborgde bezoldiging en de bezoldiging waarop de ambtenaar normaal recht zou hebben, wordt hem toegekend in de vorm van een weddebijslag en wordt in zijn wedde opgenomen.
  § 4. Wanneer de ambtenaar onvolledige prestaties verricht dan wordt hem de overeenkomstig § 3 vastgestelde wedde slechts toegekend naar rata van die prestaties.
  § 5. De jaarlijkse gewaarborgde bezoldiging wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
  [1 § 6. De toereikendheid van de jaarlijkse gewaarborgde bezoldiging wordt met ingang van 1 november 2024 om de vier jaar opnieuw beoordeeld, rekening houdend met:
   - de koopkracht van de ambtenaren die de in § 2 bedoelde jaarlijkse bezoldiging ontvangen, rekening houdend met de kosten voor levensonderhoud;
   - het algemene niveau van de wedden en lonen en de verdeling ervan;
   - het groeipercentage van de wedden en lonen;
   - nationale productiviteitsniveaus en -ontwikkelingen op lange termijn;
   - de indicatieve referentiewaarde van 50 % van de gemiddelde brutowedde en -loon.
   Ter gelegenheid van deze herbeoordeling houdt de minister bevoegd voor Openbaar Ambt, in voorkomend geval, rekening met het bestaande advies van het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten afgeleverd overeenkomstig de federale wetgeving.]1
Art. 352. § 1er. Pour l'application des dispositions de la présente section, il faut entendre par " rétribution ", le traitement augmenté de l'allocation de foyer ou de résidence.
  Les allocations familiales et leurs suppléments mensuels n'interviennent pas dans la détermination de la rétribution.
  § 2. [1 La rétribution garantie correspond au salaire minimum légal au sens de l'article 3, 2) de la directive (UE) 2022/2041 du Parlement européen et du Conseil du 19 octobre 2022 relative aux salaires minimaux adéquats dans l'Union européenne.]1
  La rétribution annuelle garantie de l'agent n'est jamais inférieure, pour des prestations complètes à :
  - - 13.234,20 euros, si, en matière de sécurité sociale, l'intéressé est soumis uniquement au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé;
  - - 12.478,10 euros, dans les autres cas.
  § 3. La différence entre la rétribution annuelle garantie visée au § 2 et la rétribution qui reviendrait normalement à l'agent, lui est octroyée sous la forme d'un supplément de traitement et incorporée à son traitement.
  § 4. Si l'agent effectue des prestations incomplètes, le traitement fixé conformément au § 3 ne lui est accordé qu'au prorata de ces prestations.
  § 5. La rétribution annuelle garantie est rattachée à l'indice-pivot 138,01.
  [1 § 6. Le caractère adéquat de la rétribution annuelle garantie est réévalué tous les quatre ans à partir du 1er novembre 2024, en tenant compte :
   - du pouvoir d'achat des agents percevant la rétribution annuelle visée au paragraphe 2, compte tenu du coût de la vie ;
   - du niveau général et de la répartition des traitements et salaires ;
   - du taux de croissance des traitements et salaires ;
   - des niveaux et évolutions de la productivité nationale à long terme ;
   - de la valeur de référence indicative de 50 % des traitement et salaire moyens bruts.
   A l'occasion de cette réévaluation, le ministre ayant la Fonction publique dans ses attributions prend en compte, le cas échéant, l'avis existant rendu par le comité commun à l'ensemble des services publics conformément à la législation fédérale.]1
Afdeling 3. - De haard- of standplaatstoelage
Section 3. - De l'allocation de foyer ou de résidence
Art. 353. § 1. In het geval dat de jaarwedde, vastgesteld voor volledige prestaties van een ambtenaar, de in § 5 vermelde bedragen niet overschrijdt :
  1° heeft recht op een haardtoelage :
  - de gehuwde ambtenaar of de ambtenaar die samenleeft tenzij de toelage toegekend wordt aan zijn echtgenoot of aan de persoon met wie hij samenleeft;
  - de alleenstaande ambtenaar van wie één of meer kinderen deel uitmaken van het gezin en die recht geven op kinderbijslag;
  2° heeft recht op een standplaatstoelage, de niet in 1° bedoelde ambtenaar.
  § 2. In het geval dat de twee echtgenoten of de twee personen die samenleven elk beantwoorden aan de voorwaarden om de haardtoelage of de standplaatstoelage te verkrijgen, wijzen ze in wederzijds akkoord diegene van de twee aan, aan wie de toelage zal uitbetaald worden.
  De uitbetaling van deze toelage wordt afhankelijk gesteld van een verklaring op erewoord die door de ambtenaar wordt opgesteld volgens het door het HRM vastgesteld model.
  § 3. Een standplaatstoelage wordt toegekend aan de ambtenaar die geen haardtoelage krijgt.
  § 4. De in disponibiliteit gestelde ambtenaren genieten noch de haardtoelage, noch de standplaatstoelage.
  § 5. Het jaarlijks bedrag van de haardtoelage of van de standplaatstoelage wordt vastgesteld als volgt :
  1° wedden die 16.099,84 euro niet te boven gaan :
  haardtoelage : 719,89 euro;
  standplaatstoelage : 359,95 euro;
  2° wedden die hoger liggen dan 16.099,84 euro doch 18.329,27 euro niet te boven gaan :
  haardtoelage : 359,95 euro;
  standplaatstoelage : 179,98 euro.
  De bezoldiging van de ambtenaar wiens wedde 16.099,84 euro te boven gaat, mag niet kleiner zijn dan die welke hij zou verkrijgen indien zijn wedde gelijk zou zijn aan dit bedrag. In voorkomend geval wordt het verschil hem toegekend in de vorm van een gedeeltelijke haardtoelage of van een gedeeltelijke standplaatstoelage.
  De bezoldiging van de ambtenaar wiens wedde 18.329,27 euro te boven gaat, mag niet kleiner zijn dan die welke hij zou verkrijgen ware zijn wedde gelijk aan dit bedrag. In voorkomend geval wordt het verschil hem toegekend in de vorm van een gedeeltelijke haardtoelage of van een gedeeltelijke standplaatstoelage.
  Onder bezoldiging moet in dit geval worden verstaan het salaris verhoogd met de volledige of gedeeltelijke haardtoelage of de volledige of gedeeltelijke standplaatstoelage, verminderd met de inhouding voor de samenstelling van het overlevingspensioen.
  § 6. De haard- of standplaatstoelage en de grenswedden vastgesteld voor de toekenning ervan worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
  § 7. De haardtoelage of de standplaatstoelage wordt betaald terzelfdertijd als de wedde van de maand waarop zij betrekking heeft. Zij wordt betaald in dezelfde verhouding en volgens dezelfde modaliteiten als de wedde wanneer deze voor geen volledige maand verschuldigd is.
  Wanneer zich in de loop van een maand een feit voordoet dat het recht op de haard- of standplaatstoelage wijzigt, zoals bepaald in de §§ 1 tot 4 van dit artikel, wordt het voordeligste stelsel voor de volle maand toegepast.
Art. 353. § 1er. Au cas où le traitement annuel, fixé pour des prestations complètes d'un agent n'excède pas les montants repris au § 5 :
  1° est attributaire d'une allocation de foyer :
  - l'agent marié ou qui vit en couple à moins que l'allocation ne soit attribuée à son conjoint ou à la personne avec laquelle il vit en couple;
  - l'agent isolé dont un ou plusieurs enfants font partie du ménage et qui sont bénéficiaires d'allocations familiales;
  2° est attributaire d'une allocation de résidence, l'agent qui n'est pas visé au 1°.
  § 2. Au cas où les deux conjoints ou les deux personnes qui vivent en couple répondent chacune aux conditions pour obtenir l'allocation de foyer ou de résidence, ils désignent de commun accord celui des deux à qui sera payée l'allocation.
  La liquidation de cette allocation est subordonnée à une déclaration sur l'honneur de l'agent selon le modèle établi par la GRH.
  § 3. Une allocation de résidence est attribuée aux agents qui n'obtiennent pas l'allocation de foyer.
  § 4. Les agents en disponibilité ne bénéficient ni de l'allocation de foyer, ni de l'allocation de résidence.
  § 5. Le montant annuel de l'allocation de foyer ou de l'allocation de résidence est fixé comme suit :
  1° traitements n'excédant pas 16.099,84 euros :
  - allocation de foyer : 719,89 euros;
  - allocation de résidence : 359,95 euros;
  2° traitements excédant 16.099,84 euros sans toutefois dépasser 18.329,27 euros :
  - allocation de foyer : 359,95 euros;
  - allocation de résidence : 179,98 euros.
  La rétribution de l'agent dont le traitement dépasse 16.099,84 euros ne peut être inférieure à celle qu'il obtiendrait si son traitement était de ce montant. S'il échet, la différence lui est attribuée sous forme d'allocation partielle de foyer ou d'allocation partielle de résidence.
  La rétribution de l'agent dont le traitement dépasse 18.329,27 euros ne peut être inférieure à celle qu'il obtiendrait si son traitement était de ce montant. S'il échet, la différence lui est attribuée sous forme d'allocation partielle de foyer ou d'allocation partielle de résidence.
  Par rétribution il faut entendre dans ce cas le traitement augmenté de l'allocation complète ou partielle de foyer ou de l'allocation complète ou partielle de résidence, diminuée de la retenue destinée au financement de la pension de survie.
  § 6. L'allocation de foyer ou l'allocation de résidence, ainsi que les traitements-limites fixés pour leur attribution sont rattachés à l'indice-pivot 138,01.
  § 7. L'allocation de foyer ou l'allocation de résidence est payée en même temps que le traitement du mois auquel elle se rapporte. Elle est payée dans la même mesure et d'après les mêmes modalités que le traitement si celui-ci n'est pas dû pour le mois entier.
  Lorsqu'au cours d'un mois survient un fait qui modifie le droit à l'allocation de foyer ou à l'allocation de résidence tel qu'il est défini aux §§ 1er à 4 du présent article, le régime le plus favorable est appliqué pour le mois entier.
Afdeling 4. - Het vakantiegeld
Section 4. - Du pécule de vacances
Art. 354. § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt verstaan onder :
  1° "referentiejaar" : het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de vakantie moet worden toegestaan;
  2° "jaarwedde" : de wedde, het loon, de gewaarborgde bezoldiging of de daarmee gelijkgestelde vergoeding of toelage, met inbegrip van de eventuele haardtoelage of de standplaatstoelage.
  § 2. De ambtenaren genieten ieder jaar vakantiegeld waarvan het bedrag gelijk is aan 92 % van een twaalfde van de jaarlijkse wedde(n), zoals die gekoppeld is (zijn) aan de index van de consumptieprijzen, die de wedden bepalen die verschuldigd zijn voor de maand maart van het vakantiejaar.
  Dit percentage wordt berekend op basis van de wedde(n) die zou(den) verschuldigd zijn voor de desbetreffende maand, wanneer de ambtenaar voor die maand geen of slechts een gedeeltelijke wedde ontvangen heeft.
  § 3. Voor volledige prestaties verricht gedurende het gehele referentiejaar, geniet de ambtenaar een volledig vakantiegeld.
  § 4. Wanneer de ambtenaar niet het volledig voordeel van de in § 3 bedoelde bezoldiging heeft genoten, als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties, wordt het vakantiegeld verminderd naar rata van de bezoldiging die hij werkelijk heeft ontvangen.
  § 5. In afwijking van § 4, worden voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld in aanmerking genomen de perioden waarin de ambtenaar, tijdens het referentiejaar :
  1° zijn functies heeft opgeschort wegens de verplichtingen die hem opgelegd zijn krachtens de wet van 16 mei 2001 houdende statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht;
  2° met ouderschapsverlof was;
  3° afwezig geweest is ingevolge een verlof of een arbeidsonderbreking zoals vermeld in de artikelen 39 en 42 tot 43bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 of in artikel 18, tweede lid van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de arbeidstijd.
  § 6. Voor de berekening van het vakantiegeld wordt eveneens in aanmerking genomen de periode vanaf 1 januari van het referentiejaar tot de dag welke voorafgaat aan die waarop de ambtenaar die hoedanigheid heeft verkregen, op voorwaarde dat hij :
  1° minder dan 25 jaar oud is op het einde van het referentiejaar;
  2° uiterlijk in dienst is getreden op de laatste werkdag van de vier maanden volgend op :
  a) hetzij de datum waarop de ambtenaar de inrichting heeft verlaten waarin hij zijn studie heeft gedaan onder de voorwaarden bepaald in artikel 62 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;
  b) hetzij de datum waarop de leerovereenkomst werd beëindigd.
  De ambtenaar moet het bewijs leveren dat hij aan de gestelde voorwaarden voldoet.
  § 7. Twee of meer vakantiegelden met inbegrip van die verkregen in toepassing van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers, kunnen niet gecumuleerd worden boven het bedrag dat overeenstemt met het hoogste vakantiegeld dat verkregen wordt wanneer de vakantiegelden van al de uitgeoefende ambten of activiteiten berekend worden op basis van volledige prestaties.
  Hiertoe wordt het vakantiegeld van één of meerdere ambten verminderd of ingehouden, met uitzondering van het vakantiegeld in uitvoering van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers.
  Indien de inhoudingen of verminderingen moeten of kunnen gebeuren op verscheidene vakantiegelden, wordt eerst het kleinste vakantiegeld ingehouden of verminderd.
  Voor de toepassing van voorgaande leden moet onder het vakantiegeld in uitvoering van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers worden verstaan, het gedeelte van het vakantiegeld dat niet overeenstemt met het loon voor de vakantiedagen.
  Voor de toepassing van voorgaande leden is het personeelslid dat vakantiegelden cumuleert, gehouden het bedrag ervan, evenals eventueel het bedrag berekend voor volledige prestaties, mede te delen aan elke personeelsdienst waarvan hij afhangt.
  Iedere inbreuk op het voorgaande lid kan aanleiding geven tot tuchtstraffen.
  § 8. Het vakantiegeld wordt uitbetaald ten laatste op 15 mei van het jaar waarin de vakantie moet worden toegekend.
  In afwijking van de in het vorige lid omschreven regel, wordt het vakantiegeld uitbetaald tijdens de maand volgend op de datum waarop de ambtenaar op pensioen wordt gesteld, of op de datum van overlijden, van ontslagneming, van afdanking of van afzetting van de belanghebbende.
  Voor de toepassing van het vorige lid wordt het vakantiegeld berekend rekening houdend met het percentage en de eventuele inhouding die op de desbetreffende datum gelden; het percentage wordt toegepast op de jaarwedde die als basis dient voor de berekening van de wedde die de ambtenaar op die datum geniet.
  Wanneer hij op die datum geen wedde of een verminderde wedde geniet wordt het percentage berekend op de wedde(n) die hem dan verschuldigd zouden geweest zijn.
  § 9. [1 ...]1
  
Art. 354. § 1er. Pour l'application des dispositions de la présente section, il faut entendre par :
  1° " année de référence " : l'année civile précédant l'année pendant laquelle les vacances doivent être accordées;
  2° " traitement annuel " : le traitement, le salaire, la rétribution garantie, l'indemnité ou l'allocation tenant lieu de traitement ou de salaire y compris l'allocation de foyer ou l'allocation de résidence éventuelle.
  § 2. Les agents bénéficient chaque année d'un pécule de vacances dont le montant est égal à 92 % d'un douzième du (ou des) traitement(s) annuel(s), lié(s) à l'indice des prix à la consommation, qui détermine(nt) le (ou les) traitement(s) du(s) pour le mois de mars de l'année de vacances.
  Ce pourcentage se calcule sur le (ou les) traitement(s) qui aurai(en)t été du(s) pour le mois considéré, lorsque l'agent n'a bénéficié pour ledit mois d'aucun traitement ou seulement d'un traitement réduit.
  § 3. Pour des prestations complètes accomplies durant toute l'année de référence, l'agent bénéficie d'un pécule de vacances complet.
  § 4. Si l'agent, en tant que titulaire d'une fonction comportant des prestations complètes ou incomplètes, n'a pas perçu la totalité de sa rémunération visée au § 3, il bénéficie d'un pécule de vacances dont le montant est réduit au prorata de la rémunération qu'il a effectivement perçue.
  § 5. En dérogation au § 4, sont prises en considération pour le calcul du montant du pécule de vacances, les périodes pendant lesquelles, au cours de l'année de référence, l'agent :
  1° a suspendu ses fonctions à cause des obligations lui incombant en vertu de la loi du 16 mai 2001 portant statut des militaires du cadre de réserve des forces armées;
  2° a bénéficié d'un congé parental;
  3° a été absent suite à un congé ou à une interruption visés aux articles 39 et 42 à 43bis de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou à l'article 18, alinéa 2 de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail.
  § 6. Est également prise en considération pour le calcul du pécule de vacances, la période allant du 1er janvier de l'année de référence jusqu'au jour précédant celui où l'agent a acquis cette qualité, à condition :
  1° d'être âgé de moins de 25 ans à la fin de l'année de référence;
  2° d'être entré en fonction au plus tard le dernier jour ouvrable de la période de quatre mois qui suit :
  a) soit la date à laquelle l'agent a quitté l'établissement où il a effectué ses études dans les conditions prévues à l'article 62 des lois coordonnées relatives aux les allocations familiales pour travailleurs salariés;
  b) soit à la date à laquelle le contrat d'apprentissage prend fin.
  L'agent doit faire la preuve qu'il réunit les conditions requises.
  § 7. Deux ou plusieurs pécules de vacances, y compris ceux acquis par application des lois coordonnées relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, ne peuvent être cumulés au-delà du montant correspondant au pécule de vacances le plus élevé, qui est obtenu lorsque les pécules de vacances de toutes les fonctions ou activités sont calculés sur base de prestations complètes.
  A cet effet, le pécule de vacances d'une ou de plusieurs fonctions est réduit ou retenu à l'exception du pécule de vacances en exécution des lois coordonnées relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés.
  Si les retenues ou réductions doivent ou peuvent se faire sur plusieurs pécules de vacances, le pécule de vacances le moins élevé est d'abord réduit ou supprimé.
  Pour l'application des alinéas précédents, il y a lieu d'entendre par pécule de vacances en exécution des lois coordonnées relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, la partie du pécule de vacances qui ne correspond pas à la rémunération des jours de vacances.
  Pour l'application des alinéas précédents, l'agent qui cumule des pécules de vacances est tenu d'en communiquer le montant calculé pour des prestations complètes, à chaque service du personnel dont il dépend.
  Toute infraction à l'alinéa précédent peut entraîner des peines disciplinaires.
  § 8. Le pécule de vacances est payé au plus tard le 15 mai de l'année pendant laquelle les vacances doivent être accordées.
  En dérogation à la règle énoncée à l'alinéa précédent, le pécule de vacances est payé dans le courant du mois qui suit la date de la mise à la retraite, du décès, de la démission, du licenciement ou de la révocation de l'intéressé.
  Pour l'application de l'alinéa précédent, le pécule de vacances est calculé compte tenu du pourcentage et de la retenue éventuelle en vigueur à la date considérée; le pourcentage est appliqué au traitement annuel qui sert de base au calcul du traitement dont l'agent bénéficie à la même date.
  S'il ne bénéficie à cette date d'aucun traitement ou d'un traitement réduit, le pourcentage se calcule sur le (ou les) traitement(s) qui lui aurai(en)t été du(s).
  § 9. [1 ...]1
  
Afdeling 5. - De eindejaarstoelage
Section 5. - De l'allocation de fin d'année
Art. 355. § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt verstaan onder :
  1° "bezoldiging", iedere wedde, loon of in plaats daarvan gestelde vergoeding, zonder rekening te houden met de vermeerderingen of verminderingen ingevolge de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen;
  2° "verloning", de bezoldiging zoals deze bedoeld is in 1°, eventueel vermeerderd met de haardtoelage of met de standplaatstoelage;
  3° "brutoverloning", de verloning zoals deze bedoeld is in 2°, rekening gehouden met vermeerderingen of verminderingen ten gevolge van de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen;
  4° "referentieperiode" : de periode van 1 januari tot en met 30 september van het in aanmerking genomen jaar.
  § 2. De ambtenaren genieten een eindejaarstoelage onder de voorwaarden en volgens de regelen die in deze afdeling worden bepaald.
  § 3. De belanghebbende geniet het volledige bedrag van de in §§ 6 tot 9 bepaalde toelage, indien hij als titularis van een ambt met volledige prestaties het volledig voordeel van zijn bezoldiging heeft genoten tijdens de hele duur van de referentieperiode.
  § 4. Wanneer de ambtenaar niet het volledig voordeel van de in § 3 bedoelde bezoldiging heeft genoten, als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties, wordt het bedrag van de toelage verminderd naar rata van de bezoldiging die hij werkelijk heeft ontvangen.
  § 5. Wanneer de ambtenaar, als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties, tijdens de referentieperiode :
  1° met ouderschapsverlof was;
  2° niet in dienst is kunnen treden of zijn ambtsverrichtingen heeft geschorst wegens de verplichtingen hem opgelegd door de militiewetten, gecoördineerd op 30 april 1962, of de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980, met uitsluiting in beide gevallen van de wederoproeping om tuchtredenen;
  worden deze periodes gelijkgesteld met periodes tijdens welke hij het volledig voordeel van zijn bezoldiging heeft genoten.
  § 6. Het bedrag van de eindejaarstoelage bestaat uit een vast gedeelte en een veranderlijk gedeelte.
  § 7. Het bedrag van de eindejaarstoelage wordt als volgt berekend :
  1° het bedrag van het vast gedeelte wordt vastgesteld op [1 439,27]1 euro. Dit bedrag is gekoppeld aan de schommelingen van de spilindex 138,01 en wordt geïndexeerd op dezelfde wijze als de voor de maand oktober van het lopende jaar verschuldigde wedde.
  2° voor het variabel gedeelte : het variabel gedeelte bedraagt [1 3]1 pct. van de jaarlijkse brutoverloning die tot grondslag diende voor de berekening van de verloning aan de gerechtigde verschuldigd voor de maand oktober van het in aanmerking genomen jaar.
  § 8. Wanneer de ambtenaar het voordeel van zijn verloning niet heeft genoten voor de maand oktober van het in aanmerking genomen jaar, komt voor de berekening van het variabel deel van de toelage die jaarlijkse brutoverloning in aanmerking welke voor de berekening van zijn verloning voor deze maand tot grondslag zou hebben gediend, indien deze laatste verloning verschuldigd was geweest.
  § 9. Voor de ambtenaar die een gewaarborgde bezoldiging overeenkomstig artikel 352 geniet, zal het bedrag van de gewaarborgde bezoldiging in aanmerking moeten genomen worden voor de berekening van het variabel deel van de eindejaarstoelage.
  § 10. Op de eindejaarstoelage worden de inhoudingen verricht welke zijn vastgesteld krachtens de bepalingen van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders behalve voor de gerechtigden die uitsluitend onderworpen zijn aan de regeling van verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, gezondheidssector.
  § 11. De eindejaarstoelage wordt uitbetaald ten laatste op 15 december van het in aanmerking genomen jaar.
  
Art. 355. § 1er. Pour l'application des dispositions de la présente section, il faut entendre par :
  1° " rémunération ", tout traitement, salaire ou indemnité tenant lieu de traitement ou de salaire, compte non tenu des augmentations ou de diminutions dues aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation;
  2° " rétribution ", la rémunération telle qu'elle est visée au 1° augmentée éventuellement de l'allocation de foyer ou de résidence;
  3° " rétribution brute ", la rétribution telle qu'elle est visée au 2°, compte tenu des augmentations ou de diminutions dues aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation;
  4° " période de référence ", la période qui s'étend du 1er janvier au 30 septembre de l'année considérée.
  § 2. Les agents bénéficient d'une allocation de fin d'année aux conditions et modalités fixées dans la présente section.
  § 3. L'agent qui, en tant que titulaire d'une fonction comportant des prestations complètes, a perçu la totalité de sa rémunération pendant toute la période de référence, bénéficie de la totalité du montant de l'allocation de fin d'année prévu aux §§ 6 à 9.
  § 4. Si l'agent, en tant que titulaire d'une fonction comportant des prestations complètes ou incomplètes, n'a pas perçu la totalité de sa rémunération visée au § 3, il bénéficie d'une allocation de fin d'année dont le montant est réduit au prorata de la rémunération qu'il a effectivement perçue.
  § 5. Si durant la période de référence, l'agent, titulaire d'une fonction comportant des prestations complètes ou incomplètes :
  1° a bénéficié d'un congé parental;
  2° n'a pas pu entrer en fonction ou a suspendu ses fonctions à cause des obligations qui lui incombent en vertu des lois sur la milice, coordonnées le 30 avril 1962, ou des lois portant le statut des objecteurs de conscience, coordonnées le 20 février 1980, à l'exclusion dans les deux cas du rappel par mesure disciplinaire;
  ces périodes sont assimilées à des périodes durant lesquelles il a bénéficié de la totalité de sa rémunération.
  § 6. Le montant de l'allocation de fin d'année est composé d'une partie forfaitaire et d'une partie variable.
  § 7. Le montant de l'allocation de fin d'année se calcule comme suit :
  1° pour la partie forfaitaire, le montant de celle-ci est fixé à la somme de [1 439,27]1 euros. Ce montant est lié aux fluctuations de l'indice-pivot 138,01 et sera indexé de la même manière que le traitement dû pour le mois d'octobre de l'année en cours;
  2° pour la partie variable : la partie variable s'élève à [1 3]1 p.c. de la rétribution annuelle brute qui a servi de base au calcul de la rétribution due au bénéficiaire pour le mois d'octobre de l'année considérée.
  § 8. Si l'agent n'a pas bénéficié de sa rétribution pour le mois d'octobre de l'année considérée, la rétribution annuelle brute à prendre en considération pour le calcul de la partie variable de l'allocation, est celle qui aurait servi de base pour calculer sa rétribution pour ce mois, si elle avait été due.
  § 9. Pour l'agent qui bénéficie de la rétribution garantie conformément à l'article 352, le montant à prendre en considération pour le calcul de la partie variable de l'allocation de fin d'année est celui de la rémunération garantie.
  § 10. L'allocation de fin d'année est soumise aux retenues prévues en application des dispositions de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, sauf pour les bénéficiaires qui sont exclusivement soumis au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé.
  § 11. L'allocation de fin d'année est payée au plus tard le 15 décembre de l'année considérée.
  
TITEL II. - De toelagen
TITRE II. - DES ALLOCATIONS
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Art. 356. Het vervullen van prestaties die niet als normaal en eigen aan de functie kunnen worden beschouwd, kan aanleiding geven tot het toekennen van een toelage.
Art. 356. L'accomplissement de prestations qui ne peuvent être considérées comme normales et inhérentes à la fonction, peut donner lieu à l'octroi d'une allocation.
Art. 357. In het geval van onderbreking van de ambtsuitoefening is de toelage slechts verschuldigd als die onderbreking niet langer duurt dan dertig werkdagen en de ambtenaar het recht op zijn wedde niet verliest.
Art. 357. En cas d'interruption de l'exercice de la fonction, l'allocation n'est due que si cette interruption ne dépasse pas trente jours ouvrables et n'enlève pas à l'agent le bénéfice de son traitement.
Art. 358. Als de maandelijkse wedde niet volledig verschuldigd is, worden de toelagen en de premies bedoeld in artikel 360 betreffende de toelagen verbonden met de loopbaan, in artikelen 371 tot 373 betreffende toelagen toegekend aan boekhouders, in artikelen 374 tot 379 betreffende de tweetaligheidstoelage, in artikel 384 betreffende de ingenieurstoelage, [1 ...]1 in artikel 386 betreffende de toelage die wordt toegekend aan medewerkers die instaan voor bijzondere opdrachten uitbetaald volgens de pro rata toegepast op de wedde.
  
Art. 358. Si le traitement du mois n'est pas dû entièrement, les allocations et primes visées à l'article 360 concernant les allocations liées à la carrière, aux articles 371 à 373 concernant les allocations allouées aux comptables, aux articles 374 à 379 concernant l'allocation de bilinguisme, à l'article 384 concernant la prime d'ingénieur, et à l'article 386 concernant l'allocation octroyée aux agents en charge de missions particulières sont payées au prorata appliqué pour le traitement.
  
Art. 359. Onverminderd de regels betreffende de administratieve controle en de begrotingscontrole worden de toelagen door de Regering vastgesteld.
Art. 359. Sans préjudice des règles relatives au contrôle administratif et budgétaire, les allocations sont fixées par le Gouvernement.
HOOFDSTUK II. - De toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt
CHAPITRE II. - De l'allocation pour exercice d'une fonction supérieure
Art. 360. De ambtenaar die een hoger ambt onafgebroken waarneemt gedurende een periode van ten minste negentig dagen, krijgt een toelage die gelijk is aan het verschil tussen de bezoldiging die de ambtenaar zou genieten in de graad van het hoger ambt en de bezoldiging die hij geniet in zijn effectieve graad.
  De in het eerste lid bedoelde bezoldiging omvat de haard- of standplaatstoelage.
  Deze toelage wordt retroactief toegekend tot de eerste dag waarop de ambtenaar de hogere functie effectief uitoefende.
  Zolang hij voormelde functie bekleedt, heeft de ambtenaar recht op tussentijdse verhogingen volgens de bij artikel 343 vastgestelde regels.
  De toelage wordt gekoppeld aan de schommelingen van de spilindex 138,01.
Art. 360. L'agent qui assume une fonction supérieure ininterrompue pendant une période d'au moins nonante jours, reçoit une allocation égale à la différence entre la rémunération dont l'agent bénéficierait dans le grade de la fonction supérieure et la rémunération dont il bénéficie dans son grade effectif.
  La rémunération visée à l'alinéa 1er comprend l'allocation de foyer ou de résidence.
  Cette allocation est octroyée avec effet rétroactif au 1er jour où l'agent a effectivement exercé la fonction supérieure.
  Aussi longtemps qu'il occupe ladite fonction, l'agent a droit aux augmentations intercalaires d'après les règles fixées à l'article 343.
  L'allocation est liée aux fluctuations de l'indice-pivot 138,01.
HOOFDSTUK III. - De toelage verbonden aan de gepresteerde arbeid
CHAPITRE III. - Des allocations liées au travail presté
Afdeling 1. - De toelage voor overuren
Section 1re. - De l'allocation pour heures supplémentaires
Art. 361. Onder overuren dient te worden verstaan de prestaties verstrekt door een ambtenaar voltijds in dienst en die uitzonderlijk worden opgelegd op werkdagen tussen 18.00 uur en 07.30 uur en op zaterdag, zondag of feestdag.
  [1 De diensten die de ambtenaar verkiest te verrichten in het kader van de flexibele werktijden vormen geen overuren in de zin van dit artikel.]1
  
Art. 361. Par heures supplémentaires il y a lieu d'entendre les prestations fournies par un agent occupé à temps plein et imposées exceptionnellement les jours ouvrables entre 18.00 heures et 07.30 heures et le samedi, dimanche ou jour férié.
  [1 Les prestations que l'agent choisit d'accomplir dans le cadre des plages mobiles de son horaire ne constituent pas des heures supplémentaires au sens du présent article.]1
  
Art. 362. Elk overuur wordt, bij voorrang, gecompenseerd door een verlof dat gelijk is aan :
  - 125 % van de geleverde bijkomende prestaties op werkdagen tussen 18.00 uur en 22.00 uur;
  - 150 % van de geleverde bijkomende prestaties op zaterdag;
  - 150 % van de geleverde bijkomende prestaties op werkdagen tussen 22.00 uur en 07.30 uur;
  - 200 % van de geleverde bijkomende prestaties op zondag of feestdag.
  Indien het compensatieverlof niet kon worden toegekend binnen de vier maanden, wordt een toelage toegekend respectievelijk van 1,25/1850ste, 1,5/1850ste of 2/1850ste van de jaarlijkse brutobezoldiging per overuur.
Art. 362. Chaque heure supplémentaire est compensée prioritairement par un congé égal à :
  125 % des prestations supplémentaires fournies les jours ouvrables entre 18.00 heures et 22.00 heures;
  150 % des prestations supplémentaires fournies le samedi;
  150 % des prestations supplémentaires fournies les jours ouvrables entre 22.00 heures et 07.30 heures;
  200 % des prestations supplémentaires fournies le dimanche ou jour férié.
  Si le congé compensatoire n'a pas pu être accordé endéans les quatre mois, une allocation de respectivement 1,25/1850e, 1,5/1850e ou 2/1850e de la rémunération globale annuelle est octroyée.
Art. 363. De ambtenaar die uitzonderlijk buiten zijn dienstverplichtingen teruggeroepen wordt om deel te nemen aan een onvoorzien en dringend werk, ontvangt een toelage die gelijk is aan 4/1850e van de jaarlijkse brutobezoldiging. Deze toelage staat los van de betaling van de overuren.
Art. 363. L'agent rappelé extraordinairement en dehors de ses obligations de service, pour participer à un travail imprévu et urgent, reçoit une allocation égale à la valeur des 4/1850e de la rémunération globale annuelle brute. Cette allocation est indépendante de la rétribution des heures supplémentaires.
Art. 364. De minister of zijn gemachtigde beslist, op advies van de Inspecteur van Financiën, of het opportuun is dat er bezoldigde overuren worden gepresteerd.
Art. 364. Le ministre ou son délégué décide de l'opportunité d'accomplir des heures supplémentaires rétribuées, sur l'avis de l'Inspecteur des finances.
Afdeling 2. - De toelage voor nacht-, zaterdag-, en zondagswerk
Section 2. - De l'allocation pour prestations de nuit, du samedi et du dimanche
Art. 365. Voor de toepassing van deze afdeling dient te worden verstaan onder :
  1° nachtprestaties : prestaties die tussen 22.00 uur en 07.30 uur worden verricht, of tussen 18.00 uur en 08.00 uur op voorwaarde dat deze prestaties eindigen op of na 22.00 uur en beginnen op of vóór 07.30 uur.
  2° zaterdagprestaties : prestaties die op een zaterdag worden verricht tussen 00.00 uur en 24.00 uur.
  3° zondagprestaties : prestaties die op een zondag of op een wettelijke of erkende feestdag tussen 00.00 uur en 24.00 uur worden verricht.
Art. 365. Pour l'application de cette section, il y a lieu d'entendre par :
  1° prestations de nuit : les prestations accomplies entre 22.00 heures et 07.30 heures, ou entre 18.00 heures et 08.00 heures à condition que ces prestations se terminent à ou après 22.00 heures et commencent à ou avant 07.30 heures;
  2° prestations du samedi : les prestations accomplies le samedi entre 00.00 heures et 24.00 heures;
  3° prestations du dimanche : les prestations accomplies le dimanche ou un jour férié légal ou reconnu entre 00.00 heures et 24.00 heures.
Art. 366. De nacht-, zaterdag- en zondagprestaties geven, bij voorrang recht op een compensatieverlof.
  Het compensatieverlof is gelijk aan :
  - zondagprestaties : 100 % van de geleverde prestaties;
  - zaterdagprestaties : 50 % van de geleverde prestaties;
  - nachtprestaties : 25 % van de geleverde prestaties.
  Indien het compensatieverlof niet kon worden toegekend binnen de vier maanden, wordt een toelage toegekend van 25 %, 50 % of 100 % van het bedrag per gepresteerd uur.
  Het bedrag per gepresteerd uur van de toelage wordt vastgesteld op 1/1850ste van het salaris vermeerderd met de haard- of standplaatstoelage en/of de toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt.
Art. 366. Les prestations de nuit, du samedi et du dimanche donnent droit prioritairement à un congé compensatoire.
  Le congé compensatoire est égal à :
  prestations dominicales : 100 % des prestations accomplies;
  prestations du samedi : 50 % des prestations accomplies;
  prestations de nuit : 25 % des prestations accomplies.
  Si le congé compensatoire n'a pas pu être accordé endéans les quatre mois, une allocation de 25 %, 50 % ou 100 % du montant par heure de prestation est octroyée.
  Le montant par heure de prestation de l'allocation est fixé à 1/1850e de la rémunération augmentée des allocations de foyer ou résidence et/ou pour fonction supérieure.
Art. 367. De toelage voor nachtprestaties verricht op zaterdagen, zondagen en wettelijke of erkende feestdagen mag gecumuleerd worden met de toelagen voor zaterdag- en zondagprestaties.
  De toelagen, bedoeld in deze afdeling, mogen niet gecumuleerd worden met de toelagen voor het presteren van overuren. De betrokken ambtenaar geniet het gunstigste stelsel.
Art. 367. L'allocation pour prestations de nuit accomplies les samedis, les dimanches ou les jours fériés légaux ou reconnus peut être cumulée aux allocations pour prestations du samedi et du dimanche.
  Les allocations visées dans la présente section ne peuvent être cumulées avec les allocations pour prestations d'heures supplémentaires. L'agent concerné bénéficie du régime le plus favorable.
Art. 368. De toelage wordt maandelijks uitbetaald, na het vervallen van de termijn. Het uurgedeelte van het maandelijks totaal van de prestaties wordt naar boven afgerond wanneer het gelijk of meer is dan dertig minuten. Het wordt genegeerd indien het minder is.
Art. 368. L'allocation est payée mensuellement, à terme échu. La fraction d'heure que comporte la somme mensuelle des prestations est arrondie à l'heure supérieure si elle est égale ou supérieure à trente minutes. Elle est négligée si elle n'atteint pas cette durée.
Afdeling 3. - Stelsel van toelagen toegekend aan de winterdienst van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel
Section 3. - Du régime des allocations octroyées au service d'hiver du Service public régional de Bruxelles
Art. 369. In afwijking in artikelen 361 tot 368, kan de Regering voorzien in een bijzonder stelsel van toelagen aan de ambtenaren die behoren tot de winterdienst van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
Art. 369. En dérogation aux articles 361 à 368, le Gouvernement peut prévoir un régime particulier d'allocations aux agents faisant partie du service d'hiver du Service public régional de Bruxelles.
Afdeling 4. - De toelage voor ongezonde, hinderlijke of lastige werken of werken die een gevoel van onveiligheid, vrees en onzekerheid oproepen bij de personeelsleden die ermee belast zijn
Section 4. - De l'allocation pour travaux insalubres, incommodes ou pénibles, ou pouvant provoquer des sentiments d'insécurité, d'appréhension et d'inquiétude chez les agents qui en sont chargés.
Art. 370. Aan de ambtenaren die belast zijn met ongezonde, hinderlijke of lastige werken of werken die een gevoel van onveiligheid, vrees en onzekerheid oproepen bij de personeelsleden die ermee belast zijn wordt een vaste uurtoelage van 2,50 euro toegekend, gebonden aan de schommelingen van de spilindex 138,01.
  De minister stelt na advies van de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het werk met de instemming van de minister van Begroting de lijst met werken vast die recht geven op de toelage bedoeld in het eerste lid.
Art. 370. Il est accordé aux agents qui sont chargés de travaux insalubres, incommodes ou pénibles, ou pouvant provoquer des sentiments d'insécurité, d'appréhension et d'inquiétude chez les agents qui en sont chargés, une allocation horaire forfaitaire de 2,50 euros liée aux fluctuations de l'indice-pivot 138,01.
  Le ministre fixe, après avis du Service interne pour la prévention et la protection au travail, et avec l'accord du ministre du Budget, la liste des travaux qui donnent droit à l'allocation prévue à l'alinéa 1er.
HOOFDSTUK IV. - De toelagen aan de rekenplichtigen
CHAPITRE IV. - Des allocations allouées aux comptables - trésoriers.
Afdeling 1. - De verantwoordelijkheidstoelagen
Section 1re. - Des allocations de responsabilité
Art. 371. Er wordt een jaarlijkse forfaitaire verantwoordelijkheidstoelage toegekend :
  1° van 3.570 euro aan de personeelsleden aangesteld door de Minister van Financiën als centraliserende rekenplichtige van de uitgaven, centraliserende rekenplichtige van de ontvangsten, rekenplichtige van de geschillen en rekenplichtige van de liggende gelden;
  2° van 1.000 euro aan de personeelsleden aangesteld door de Minister van Financiën als plaatsvervangers van de personeelsleden bedoeld in 1° ;
  3° van 900 euro aan de personeelsleden aangesteld door de Minister van Financiën als rekenplichtigen van de ontvangsten, rekenplichtigen voor rekening van derden en beheerders van de voorschotten;
  4° van 350 euro aan de personeelsleden aangesteld door de Minister van Financiën als plaatsvervangers van de personeelsleden bedoeld in 3°.
  Als de toekenningsvoorwaarden van een verantwoordelijkheidstoelage slechts voor een deel van het jaar vervuld worden, wordt het bedrag berekend in verhouding tot dit deel van het jaar.
  Het bedrag van de krachtens dit artikel aan één ambtenaar toegekende toelagen mag de hoogste verantwoordelijkheidstoelage niet overschrijden.
Art. 371. Il est octroyé une allocation forfaitaire annuelle de responsabilité :
  1° de 3.570 euros aux agents désignés par le Ministre des Finances comptable centralisateur des dépenses, comptable centralisateur des recettes, comptable du contentieux et comptable des fonds en souffrance;
  2° de 1.000 euros aux agents désignés par le Ministre des Finances suppléants des agents visés au 1° ;
  3° de 900 euros aux agents désignés par le Ministre des Finances comptables des recettes, comptables pour compte de tiers et régisseurs d'avances;
  4° de 350 euros aux agents désignés par le Ministre des Finances suppléants des agents visés au 3°.
  Si les conditions d'octroi d'une allocation de responsabilité sont remplies pendant une période de l'année seulement, son montant est calculé proportionnellement à cette période de l'année.
  Le montant des allocations octroyées à un agent en vertu du présent article ne peut dépasser celui de l'allocation de responsabilité la plus élevée.
Afdeling 2. - De toelage bij het beheren van meerdererekeningen
Section 2. - Des allocations liées à la gestion de plusieurs comptes
Art. 372. Er wordt een jaarlijkse forfaitaire toelage van 900 euro toegekend :
  1° aan de titelvoerende centraliserende rekenplichtige van de uitgaven die minstens vijfentwintig rekeningen beheert;
  2° aan de andere titelvoerende rekenplichtigen die minstens vijf rekeningen beheren.
  Het toezichthoudende orgaan deelt aan de directie die belast is met het uitbetalen van de toelage bij het beheren van meerdere rekeningen, de lijst met rekenplichtigen mee die beantwoorden aan de toekenningsvoorwaarden.
Art. 372. Il est octroyé une allocation forfaitaire annuelle de 900 euros :
  1° au comptable centralisateur des dépenses titulaire et gestionnaire de vingt-cinq comptes bancaires au moins;
  2° aux autres comptables-trésoriers titulaires et gestionnaires de cinq comptes bancaires au moins.
  L'organe de surveillance communique à la direction chargée du paiement des allocations liées à la gestion de plusieurs comptes la liste des comptables qui en réunissent les conditions d'octroi.
Art. 373. De toelagen bedoeld in artikelen 371 en 372 worden samen met de wedde uitbetaald.
  Het bedrag wordt gekoppeld aan de schommelingen van de spilindex 138,01.
  Ze zijn niet verschuldigd in geval van schorsing van de begunstigde, voor de gehele duur van de schorsing.
  Als de toekenningsvoorwaarden van een verantwoordelijkheidstoelage of van een toelage bij het beheren van meerdere rekeningen slechts voor een deel van het jaar vervuld worden, wordt het bedrag berekend in verhouding tot dit deel van het jaar.
Art. 373. Les allocations visées aux articles 371 et 372 sont payées simultanément au traitement .
  Leur montant est lié aux fluctuations de l'indice-pivot 138,01.
  Elles ne sont pas dues en cas de suspension du bénéficiaire, pour toute la durée de la suspension.
  Si les conditions d'octroi d'une allocation de responsabilité ou liée à la gestion de plusieurs comptes sont remplies pendant une période de l'année seulement, son montant est calculé proportionnellement à cette période de l'année.
HOOFDSTUK V. - De tweetaligheidstoelage
CHAPITRE V. - De l'allocation de bilinguisme
Art. 374. § 1. Er wordt een tweetaligheidspremie toegekend aan de ambtenaren die het bewijs hebben geleverd dat zij een schriftelijke en/of mondelinge kennis hebben van de tweede taal.
  Deze schriftelijke en/of mondelinge kennis wordt bepaald door middel van :
  A. hetzij het Koninklijk Besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 en gestaafd door een taalcertificaat uitgereikt door SELOR.
  B. of één van de niveaus van taalbeheersing bepaald door het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen en gestaafd door een taalcertificaat uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenshap of de Franse Gemeenschap erkende taalonderwijsinstelling.
  § 2. Het jaarlijkse bedrag van de toelage verschilt naargelang het aan de ambtenaar uitgereikte certificaat van taalkennis.
  A. Overeenkomstig § 1, A., wordt het bedrag bepaald op basis van de examens bedoeld in de volgende artikelen van voornoemd koninklijk besluit van 8 maart 2001 :
  - artikel 9, § 1 alinea 2, of artikel 10 (elementaire mondelinge kennis) : 600 euro;
  - artikel 9, § 2, 2de lid of artikelen 8 en 9, § 1, alinea 2 of artikel 10 (elementaire mondelinge en schriftelijke kennis) : 2.400 euro;
  - artikelen 11 en 9, § 1 (voldoende mondelinge en schriftelijke kennis) of artikel 12 : 3.200 euro.
  B. Overeenkomstig § 1, B., wordt het bedrag bepaald op basis van de volgende niveaus van taalbeheersing van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen :
  - kennisniveau A1 : 600 euro;
  - kennisniveau B1 : 2.400 euro;
  - kennisniveau C1 voor de lees- en luistervaardigheid en B2 voor de modelinge en schriftelijke kennis : 3.200 euro.
  De verschillende toelagen kunnen niet gecumuleerd worden.
Art. 374. § 1er. Une allocation de bilinguisme est accordée aux agents qui ont apporté la preuve qu'ils ont de la deuxième langue une connaissance écrite et/ou orale.
  Cette connaissance écrite et/ou orale est déterminée :
  A. soit par l'arrêté royal du 8 mars 2001 fixant les conditions de délivrance des certificats de connaissance linguistique prévues par les lois sur l'emploi des langues en matière administrative coordonnées le 18 juillet 1966 et attestée par un certificat de connaissance linguistique délivré par SELOR.
  B. soit par un des niveaux de compétence linguistique déterminé par le Cadre Européen Commun de Référence pour les Langues et attestée par un certificat de connaissance linguistique délivré par un établissement d'enseignement des langues agréé par la Communauté flamande ou par la Communauté française.
  § 2. Le montant annuel de l'allocation varie en fonction du certificat de connaissance linguistique délivré à l'agent.
  A. En application du § 1er, A., le montant est fixé sur base des examens visés aux articles suivants de l'arrêté royal précité du 8 mars 2001 :
  - article 9, § 1er, alinéa 2, ou article 10 (connaissance orale élémentaire) : 600 euros;
  - article 9, § 2, alinéa 2 ou les articles 8 et, soit 9, § 1er, alinéa 2, soit article 10 (connaissance élémentaire orale et écrite) : 2.400 euros;
  - articles 11 et 9, § 1er (connaissance suffisante orale et écrite) ou article 12 : 3200 euros.
  B. En application du § 1er, B., le montant est fixé sur base des niveaux de compétences linguistiques suivants du Cadre Européen Commun de Référence pour les Langues :
  - niveau de compétence A1 : 600 euros;
  - niveau de compétence B1 : 2.400 euros;
  - niveaux de compétence C1 pour les compétences de lecture et d'écoute et B2 pour les compétences orale et écrite : 3.200 euros.
  Les différentes allocations ne peuvent être cumulées.
Art. 375. De ambtenaren, die geslaagd zijn voor het in artikel 7 van voormeld Koninklijk Besluit van 8 maart 2001 bedoelde examen, verkrijgen een tweetaligheidstoelage volgens hun niveau.
  Het jaarbedrag van de tweetaligheidstoelage wordt vastgesteld als volgt :
  - ambtenaren van niveau A en B : 3.200 euro;
  - ambtenaren van niveau C, D : 2.400 euro.
Art. 375. Les agents ayant réussi l'examen visé à l'article 7 de l'arrêté royal précité du 8 mars 2001 reçoivent une allocation de bilinguisme selon leur niveau administratif.
  Le montant annuel de l'allocation de bilinguisme est fixé comme suit :
  - agents des niveaux A et B : 3.200 euros;
  - agents des niveaux C, D : 2.400 euros.
Art. 376. De tweetaligheidspremies worden maandelijks en samen met de wedde vereffend. Zij zijn gebonden aan de schommelingen van de spilindex 138,01.
Art. 376. Les primes de bilinguisme sont liquidées mensuellement et en même temps que le traitement. Elles sont liées aux fluctuations de l'indice-pivot 138,01.
Art. 377. Een premie wordt toegekend aan de personeelsleden die hun kennis bewijzen van een gebarentaal die overeenstemt met het Frans of Nederlands voor zover de leden in een dienst zijn aangesteld die in contact staat met de bevolking of in een dienst waarin die kennis nuttig is voor de communicatie binnen de dienst.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt de kennis van een gebarentaal bewezen door het slagen in een proef die door SELOR georganiseerd wordt.
Art. 377. Une allocation est octroyée aux membres du personnel qui prouvent la connaissance d'une langue des signes correspondant au français ou au néerlandais pour autant qu'ils soient affectés à un service en contact avec le public ou à un service dans lequel cette connaissance est utile à la communication au sein du service.
  Pour l'application du présent article, la connaissance d'une langue des signes est prouvée par la réussite d'une épreuve organisée par SELOR.
Art. 378. De jaarlijkse premie bedraagt 2.400 euro. Ze is gekoppeld aan de spilindex 138,01.
Art. 378. Le montant annuel de l'allocation est de 2 400 euros. Il est rattaché à l'indice-pivot 138.01.
Art. 379. De kennis van zowel de Franse als de Nederlandse gebarentalen, geeft slechts recht op één premie.
Art. 379. La connaissance des langues des signes française et néerlandaise ne donne droit qu'à une seule allocation.
HOOFDSTUK VI. - De premies toegekend in toepassing van de stelsels van loopbaanonderbreking en van de vierdagenweek en van het deeltijds werk vanaf 50 of 55 jaar
CHAPITRE VI. - Des primes octroyées aux agents en application des régimes d'interruption de carrière et de la semaine de quatre jours et du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans
Art. 380. De ambtenaren in loopbaanonderbreking in toepassing van artikel 167, ontvangen tijdens hun verlof een toelage waarvan het bedrag, de toekenningsvoorwaarden en de betalingsinstelling vastgesteld zijn door het Koninklijk Besluit van 7 mei 1999 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van het personeel van de besturen, evenals door elke bepaling die het zou wijzigen of vervangen.
Art. 380. Les agents qui sont en interruption de carrière en application de l'article 167 perçoivent durant leur congé une allocation dont le montant, les conditions d'octroi et l'entité de paiement sont fixés par l'arrêté royal du 7 mai 1999 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle du personnel des administrations ainsi que par toutes les dispositions qui le modifieraient ou le remplaceraient.
Art. 381. De ambtenaren die gebruik maken van het recht bedoeld in artikel 175 krijgen, gedurende het verlof, een premie waarvan het bedrag bepaald wordt door de minister.
  Wanneer 80 % van de wedde niet volledig wordt betaald, dan wordt de premie bedoeld in alinea 1 proportioneel verminderd met de prestaties van de ambtenaar.
Art. 381. Les agents qui font usage du droit visé à l'article 175 bénéficient, durant leur congé, d'une prime dont le montant est fixé par le ministre.
  Lorsque les quatre-vingts pour cent du traitement ne sont pas entièrement payés, la prime visée à l'alinéa premier est réduite proportionnellement au calendrier des prestations de l'agent.
Art. 382. De ambtenaren die gebruik maken van het recht bedoeld in artikel 179 krijgen, gedurende hun verlof, een premie waarvan het bedrag bepaald wordt door de minister.
  Wanneer 50 % van de wedde niet volledig wordt betaald, dan wordt de premie bedoeld in alinea 1 proportioneel verminderd met de prestaties van de ambtenaar.
Art. 382. Les agents qui font usage du droit visé à l'article 179 bénéficient, durant leur congé, d'une prime dont le montant est fixé par le ministre.
  Lorsque les cinquante pour cent du traitement ne sont pas entièrement payés, la prime visée à l'alinéa premier est réduite proportionnellement au calendrier des prestations de l'agent.
HOOFDSTUK VII. - Toelagen voor interne opleiders
CHAPITRE VII. - De l'allocation octroyée aux formateurs internes
Art. 383. § 1°. Een forfaitaire vergoeding van 30 euro per halve dag van ten minste drie uren voorbereiding wordt toegekend aan de ambtenaar van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel die aanvaardt een vorming te geven aan de ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
  Een forfaitaire vergoeding van 30 euro per halve dag van ten minste drie uur vormingswerk wordt toegekend aan de ambtenaar van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel die aanvaardt een vorming te geven aan de personeelsleden van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
  In afwijking van het tweede lid van dit artikel kan de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal een forfaitaire toelage van 10 euro toekennen per vormingsuur als de vorming wordt gegeven in tijdsbestekken van minder dan drie uur.
  De toelage bedoeld in het eerste en tweede lid van deze paragraaf wordt eveneens toegekend wanneer de vorming wordt gegeven aan de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor zover dat de inhoud beantwoordt aan een gemeenschappelijke behoefte bepaald door het HRM in de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel en door het HRM in een instelling van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  Het maximumbedrag van de vergoeding toegekend per ambtenaar bedraagt 1.200 euro per jaar.
  De bedragen bedoeld in deze paragraaf zijn gekoppeld aan de spilindex 138,01.
  § 2. De modaliteiten van de organisatie van de vorming (nl. de doelstellingen, de inhoud, het documentatiemateriaal, de voorbereidingsfase, de doelgroep, de data en de duur) worden in overleg geregeld door de opleider en het HRM in de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel. Zij zijn onderworpen aan de goedkeuring van de secretaris generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
  De vorming wordt geëvalueerd zowel door het HRM als door de ambtenaren die de vorming genieten en door de opleider zelf.
  
Art. 383. § 1er. Une allocation forfaitaire de 30 [1 euros]1 par demi-journée de préparation de trois heures au moins est octroyée à tout agent du Service public régional de Bruxelles qui accepte de dispenser une formation aux agents du Service public régional de Bruxelles.
  Une allocation forfaitaire de 30 euros par demi-journée de formation dispensée pendant trois heures au moins est octroyée à tout agent du Service public régional de Bruxelles qui accepte de dispenser une formation aux agents du Service public régional de Bruxelles.
  Par dérogation à l'alinéa 2 du présent article, le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint peut accorder une allocation forfaitaire de 10 euros par heure de formation lorsqu'une formation est dispensée par plage horaire de moins de trois heures.
  L'allocation visée aux alinéas 1 et 2 du présent paragraphe est également octroyée lorsque cette formation est dispensée aux agents des organismes d'intérêt public de la Région de Bruxelles-Capitale dans la mesure où le contenu de la formation répond à un besoin commun déterminé par la GRH au sein du Service public régional de Bruxelles et par la GRH au sein d'un organisme d'intérêt public de la Région de Bruxelles-Capitale.
  Le montant maximal de l'allocation octroyée par agent est de 1.200 euros par an.
  Les montants visés dans le présent paragraphe sont liés à l'indice-pivot 138,01.
  § 2. Les modalités d'organisation de la formation (notamment les objectifs, le contenu, le support de formation, la phase de préparation, le public-cible, les dates et la durée) sont réglées en concertation par le formateur et la GRH au sein du Service public régional de Bruxelles. Elles sont soumises à l'approbation du Secrétaire général du Service public régional de Bruxelles.
  La formation est évaluée tant par la GRH que par les agents auxquels la formation est dispensée et par le formateur lui-même.
  
HOOFDSTUK VIII. - De ingenieurstoelage
CHAPITRE VIII. - De la prime d'ingénieur
Art. 384. § 1. Er wordt aan de ambtenaren, titularis van de graad van ingenieur, eerste ingenieur of ingenieur-directeur, een ingenieurstoelage toegekend voor zover zij de specifieke functie van ingenieur uitoefenen zoals voorzien in hun functiebeschrijving.
  § 2. Het jaarlijks forfaitair bedrag van de ingenieurstoelage wordt vastgesteld op 3.500 euro.
  De ingenieurstoelage wordt maandelijks en op dezelfde voorwaarden als de wedde uitbetaald. Ze wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01.
  § 3. De ingenieurstoelage kan niet worden gecumuleerd met het bij overgangsmaatregel toegekende geldelijk voordeel voorzien bij het Koninklijk Besluit van 14 januari 1969 betreffende de productiviteitspremie ten gunste van de burgerlijk ingenieurs bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel van Openbare Werken.
Art. 384. § 1er. Il est accordé aux agents titulaires des grades d'ingénieur, de premier ingénieur, et d'ingénieur directeur une prime d'ingénieur pour autant qu'ils exercent la fonction spécifique d'ingénieur comme prévue dans leur description de fonction.
  § 2. Le montant annuel forfaitaire de la prime d'ingénieur est fixé à 3.500 euros.
  La prime d'ingénieur est payée mensuellement et aux mêmes conditions que le traitement. Elle est liée à l'indice-pivot 138,01.
  § 3. La prime d'ingénieur ne peut être cumulée avec l'avantage pécuniaire prévu par mesure transitoire par l'arrêté royal du 14 janvier 1969 concernant la prime de productivité en faveur des ingénieurs du Service public régional de Bruxelles des Travaux Publics.
HOOFDSTUK IX. - De projecttoelagen
CHAPITRE IX. - Des primes de projet
Art. 385. § 1.Een projectpremie wordt toegekend aan de ambtenaren belast met de realisatie van tijdelijke projecten die een strategische of transversale aard hebben die de mutualisering beogen van diensten of de ontwikkeling van gemeenschappelijke of uitzonderlijke projecten.
  Is transversaal, zonder dat deze voorwaarden limitatief zijn, een project die verbindt :
  - verschillende administraties binnen de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;
  - verschillende regionale overheidsdiensten tussen elkaar, of met instellingen van openbaar nut, of elke andere organisatie opgericht door de Regering.
  Telkens wanneer dit mogelijk is, moet elk project een mutualiseringsmechanisme van middelen en resultaten in werking stellen tussen de gewestelijke overheidsdiensten, de instellingen van openbaar nut en elke andere organisatie opgericht door de Regering.
  De missies opgenoemd in het project maken geen deel uit van de gewoonlijke taken van een betrekking binnen een gewestelijke overheidsdienst, een Brusselse instelling van openbaar nut of elke andere organisatie opgericht door de Regering.
  § 2. De minister of functioneel bevoegde minister keurt het project goed.
  § 3. De indiener van het project, in samenwerking met de HRM, publiceert een oproep tot kandidaten voor de posten van projectleider en projectassistent. Elke kandidaatstelling moet een uiteenzetting bevatten van elementen die de kandidaatstelling ondersteunen.
  De indiener van het project legt aan de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal een rangschikking van de kandidaten voor de posten projectleider en projectassistent voor.
  De minister duidt de projectleider en projectassistenten aan op voorstel van de Secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal.
  De aanduiding van een ambtenaar als projectleider veronderstelt de voltijdse uitoefening van de functie.
  De aanduiding van een ambtenaar als projectassistent veronderstelt minimum een halftijdse uitoefening van de functie.
  § 4. De secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal bereidt een projectdossier voor.
  Het projectdossier bevat minimum :
  2. een omschrijving van het project;
  3. het strategische en transversale karkater van het project;
  4. de institutionele en privéactoren indien voorhanden;
  5. het mechanisme van de mutualisering van de middelen en de resultaten;
  5. de duur van het project;
  6. de doelstellingen;
  7. de verdeling van de taken tussen de projectleider en de projectassistenten, alsmede het belang van de prestaties door elk van hen verricht;
  8. de regels met betrekking tot de evaluatie van het project;
  De duur van het project is maximum twee jaar. De indiener van het project kan een verlenging van deze periode vragen aan de Secretaris-generaal of de adjunct-Secretaris-generaal, na evaluatie van het project en de akkoordbevinding van de minister.
  § 5. Het bedrag van de jaarlijkse projectpremie wordt bepaald op :
  - 5500 euro voor de projectleider;
  - 2500 euro voor de projectassistent.
  § 6. De projectpremie wordt maandelijks betaald.
  § 7. De premie is slechts verschuldigd wanneer er geen onderbrekening van de uitoefening van de functie plaatsvindt gedurende 30 opeenvolgende werkdagen, met uitzondering van de jaarlijkse vakantie en het verlof toegekend in het kader van de zwangerschapsbescherming.
  De premie is gekoppeld aan de spilindex 138,01.
  Wanneer het project een einde neemt voor de verwachte einddatum, dan is de premie verschuldiging proportioneel met de gepresteerde termijn.
Art. 385. § 1er. Une prime de projet est octroyée aux agents chargés de la réalisation de projets temporaires qui présentent un caractère stratégique ou transversal qui visent la mutualisation de services ou le développement de projets communs ou exceptionnels.
  Est transversal, sans que ces conditions soient limitatives, un projet qui associe :
  - plusieurs administrations au sein du Service public régional de Bruxelles;
  - plusieurs Services publics bruxellois entre eux ou avec des organismes d' intérêt public ou tout autre organisation créée par le Gouvernement.
  Chaque fois que cela est possible, tout projet doit mettre en place un mécanisme de mutualisation des moyens et des résultats entre les Services publics régionaux, les organismes d'intérêt public ou tout autre organisation créée par le Gouvernement.
  Les missions énumérées dans le projet ne relèvent pas des tâches ordinaires d'une fonction au sein d'un Service public régional, d'un organisme d'intérêt public ou de tout autre organisation créée par le Gouvernement.
  § 2. Le ministre ou le ministre fonctionnellement compétent approuve le projet.
  § 3. Le commanditaire du projet avec l'assistance de la GRH publie un appel à candidatures pour les postes de chef de projet et d'assistant de projet. Tout acte de candidature doit comporter un exposé des éléments qui soutiennent la candidature.
  Le commanditaire du projet soumet au Secrétaire général ou au Secrétaire général adjoint un classement des candidats à la fonction de chef de projet et d'assistant de projet.
  Le ministre désigne le chef et les assistants de projet sur proposition du Secrétaire général ou du Secrétaire général adjoint.
  La désignation d'un agent comme chef de projet suppose l'exercice de la fonction à temps plein.
  La désignation d'un agent comme assistant de projet suppose l'exercice de la fonction à mi-temps au moins.
  § 4. Le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint prépare un dossier de projet.
  Le dossier comporte au moins les données suivantes :
  1. la description du projet;
  1. le caractère stratégique et transversal du projet;
  2. Les acteurs institutionnels et privés s'il y a lieu;
  3. Les mécanismes de mutualisation des moyens et des résultats;
  4. la durée du projet;
  6. les objectifs;
  7. la répartition des tâches entre le chef de projet et les assistants de projet ainsi que l'importance des prestations effectuées par chacun d'eux;
  8. les règles d'évaluation du projet;
  La durée du projet est de maximum deux ans. Le commanditaire du projet peut demander une prolongation de cette période au Secrétaire général ou au Secrétaire général adjoint, après évaluation du projet et accord du ministre.
  § 5. Le montant annuel de la prime de projet est fixé à :
  - de 5500 EUR pour le chef de projet;
  - de 2500 EUR pour l'assistant de projet.
  § 6. La prime de projet est payée mensuellement.
  § 7. La prime n'est due que s'il n'y a pas d'interruption de l'exercice de la fonction pendant plus de 30 jours ouvrables successifs, à l'exception des congés annuels et du congé octroyé dans le cadre de la protection de la maternité.
  Elle est liée à l'indice-pivot 138,01.
  En cas de fin du projet avant son échéance, la prime est due proportionnellement au temps presté.
HOOFDSTUK X. - De toelage die wordt toegekend aan medewerkers die instaan voor bijzondere opdrachten.
CHAPITRE X. - De l'allocation octroyée aux agents en charge de missions particulières.
Art. 386. Aan de ambtenaren die bevoegd zijn voor het beheren van de directe en de gewaarborgde schuld van het Gewest en/of voor de centralisatie van de pararegionale thesaurieën en/of voor de verschijning in persoon in naam van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in het kader van betwistingen met betrekking tot de toepassing van een fiscale wet, wordt een toelage toegekend waarvan het jaarlijks bedrag vastgesteld is op 5.000 euro.
Art. 386. Il est octroyé aux agents chargé de la gestion de la dette directe et garantie de la Région et/ou de la centralisation des trésoreries pararégionales et/ou d'assurer la comparution en personne au nom de la Région de Bruxelles-Capitale dans le cadre des contestations relatives à l'application d'une loi fiscale, une allocation dont le montant annuel est fixé à 5.000 euro.
Art. 387. De toelage wordt maandelijks uitgekeerd en dit tegelijkertijd met de wedde. De toelage is onderhevig aan schommelingen van de spilindex 138.01.
Art. 387. L'allocation est liquidée mensuellement et en même temps que le traitement. Elle est liée aux fluctuations de l'indice-pivot 138.01.
TITEL III. - De vergoedingen
TITRE III. - Des indemnités
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Des dispositions générales
Art. 388. Een vergoeding wordt toegekend aan de ambtenaar die verplicht wordt werkelijke lasten te dragen die niet als normaal of inherent aan het ambt kunnen worden beschouwd.
Art. 388. Il est accordé une indemnité à l'agent qui est astreint à supporter des charges réelles qui ne peuvent être considérées comme normales et inhérentes à la fonction.
HOOFDSTUK II. - De vergoedingen voor verplaatsingskosten
CHAPITRE II. - Des indemnités liées aux déplacements
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Disposition générales
Art. 389. De ambtenaar heeft recht op de terugbetaling van de kosten verbonden aan dienstverplaatsingen.
  Elke verplaatsing vereist de toestemming van de functioneel bevoegde minister of zijn gemachtigde.
  De toestemming kan algemeen zijn, ondermeer in geval de betrokkenen zich regelmatig moeten verplaatsen.
Art. 389. L'agent a droit au remboursement des frais liés aux déplacements de service.
  Tout déplacement est subordonné à l'autorisation du ministre fonctionnellement compétent ou de son délégué.
  Cette autorisation peut être générale, notamment dans les cas où les intéressés sont appelés à se déplacer régulièrement.
Art. 390. Behalve wanneer het belang van de dienst het vereist, gebeurt elke dienstverplaatsing met het goedkoopste vervoermiddel.
Art. 390. Hormis quand l'intérêt du service l'exige, chaque déplacement pour le service doit être effectué par le moyen de transport le moins onéreux.
Afdeling 2. - Het gebruik van het openbaar vervoer
Section 2. - De l'utilisation des moyens de transports en commun
Art. 391. De onkosten van een verplaatsing met het openbaar vervoer worden terugbetaald volgens de officiële tarieven.
Art. 391. Les débours d'un déplacement en transport en commun sont remboursés sur la base des tarifs officiels.
Art. 392. De ambtenaren ontvangen hetzij een reisorder in te ruilen voor een gewoon ticket, hetzij een terugbetaling in ruil voor het vervoersbewijs.
Art. 392. Les agents obtiennent soit des réquisitoires à échanger contre un billet ordinaire, soit un remboursement en échange du titre de transport.
Art. 393. Als het vertrekstation gelegen is in de gemeente van de werkelijke woonplaats van de betrokkene en deze niet overeenstemt met zijn administratieve standplaats mag dit niet leiden tot bijkomende lasten. De eventuele toeslag van de reis is voor rekening van de betrokkene.
Art. 393. Si la gare de départ est située dans la commune de résidence effective de l'intéressé et que celle-ci ne correspond pas avec sa résidence administrative, il ne peut en résulter de charges supplémentaires. Le supplément éventuel resultant du déplacement incombe à l'intéressé.
Art. 394. Voor zijn dienstreizen binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geniet de ambtenaar een vrij abonnement op het vervoersnet van de M.I.V.B.
Art. 394. Pour ses déplacements de service à l'intérieur de la Région de Bruxelles-Capitale, l'agent bénéficie d'un abonnement sur le réseau de la S.T.I.B.
Afdeling 3. - Het gebruik van het eigen voertuig
Section 3. - De l'utilisation d'un véhicule personnel
Art. 395. De machtigingen om de eigen wagen te gebruiken voor dienstnoodwendigheden worden gegeven door de minister, binnen de kredieten van zijn begrotingsafdeling en op gunstig advies van de Inspecteur van Financiën.
  Zij zijn slechts geldig tot 31 december van elk jaar.
  De minister bepaalt eveneens het maximale aantal jaarlijkse kilometers dat wordt toegestaan. Dit aantal kan per dienst worden vastgesteld.
Art. 395. Les autorisations d'utiliser son véhicule personnel dans le cadre des besoins du service sont délivrées par le ministre, dans les limites des crédits prévus à sa division budgétaire, et sur avis de l'Inspecteur des Finances.
  Elles ne sont valables que jusqu'au 31 décembre de chaque année.
  Le Ministre fixe également le maximum de kilomètres annuel autorisé. Ce maximum peut être fixé par service.
Art. 396. Behoudens uitdrukkelijke machtiging mag de ambtenaar geen dienstverplaatsingen binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in rekening brengen.
  In voorkomend geval stelt de machtiging van de minister een afzonderlijk maximaal aantal kilometers vast.
Art. 396. Sauf autorisation expresse, l'agent ne peut porter en compte les déplacements de service à l'intérieur de la Région de Bruxelles-Capitale.
  Le cas échéant, l'autorisation du ministre fixe un maximum kilométrique distinct pour ces déplacements.
Art. 397. De kilometervergoeding komt overeen met het bedrag dat voor de Staatsambtenaren wordt bepaald.
  Deze kilometervergoeding dekt alle kosten van het gebruik van het eigen voertuig, behalve de kosten van een all-riskverzekering die de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel ten laste neemt.
Art. 397. L'indemnité kilométrique correspond au montant prévu pour les agents de l'Etat.
  Cette indemnité kilométrique couvre tous les frais résultant de l'utilisation de la voiture personnelle, excepté les frais d'assurance tous risques qui sont pris en charge par le Service public régional de Bruxelles.
Art. 398. De kilometervergoeding wordt in onderlinge overeenstemming bepaald door de functioneel bevoegde minister en de minister voor de dienstverplaatsingen van in het buitenland verblijvende ambtenaren.
Art. 398. L'indemnité kilométrique est fixée de commun accord par le ministre fonctionnellement compétent et le ministre pour les déplacements de service d'agents résidant à l'étranger.
Art. 399. Een ambtenaar die van de fiets gebruik maakt voor de behoeften van de dienst op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of daarbuiten, maakt aanspraak op een vergoeding volgens de in de artikelen 409 tot 411 bepaalde regeling.
Art. 399. L'agent qui effectue des déplacements à vélo dans le cadre des besoins du service, sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale ou en dehors de celui-ci, obtient une indemnité aux mêmes conditions que celles visées aux articles 409 à 411.
Art. 400. De ambtenaren die zich verplaatsen met hun gebruikelijke woonplaats als vertrek- of aankomstpunt, kunnen geen vergoeding verkrijgen die hoger ligt dan die welke hen verschuldigd zou zijn indien zij hun administratieve standplaats als vertrek- en aankomstpunt zouden nemen.
Art. 400. Les agents qui se déplacent en prenant comme point de départ ou de retour leur résidence habituelle, ne peuvent obtenir une indemnité supérieure à celle qui leur serait due si les déplacements avaient comme point de départ et de retour leur résidence administrative.
Art. 401. De vergoedingen worden betaald op overlegging van een aangifte op erewoord met een overzicht van het aantal voor de dienst afgelegde kilometers.
Art. 401. Les indemnités sont liquidées sur production d'une déclaration sur l'honneur, appuyée d'un relevé établissant le nombre de kilomètres parcourus pour le service.
HOOFDSTUK III. - De vergoeding voor verblijfkosten
CHAPITRE III. - Du remboursement des frais de séjour
Art. 402. Er wordt aan de ambtenaren die dienstverplaatsingen moeten maken een dagelijkse forfaitaire vergoeding van hun verblijfkosten toegekend.
Art. 402. Il est alloué une indemnité forfaitaire journalière pour frais de séjour aux agents qui doivent effectuer des déplacements pour le service.
Art. 403. De vergoeding voor verblijfkosten in het binnenland wordt vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.
Art. 403. L'indemnité pour frais de séjour à l'intérieur du pays est fixée conformément à. l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale.
Art. 404. De vergoeding bedoeld in artikel 402 wordt niet toegekend voor verplaatsingen binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  Niettemin kan in uitzonderlijke gevallen de minister een bijzonder forfaitair stelsel invoeren.
Art. 404. L'indemnité visée à l'article 402 n'est pas allouée du chef des déplacements qui sont effectués dans la Région de Bruxelles-Capitale.
  Toutefois, dans les cas exceptionnels, un régime forfaitaire particulier peut être établi par le ministre.
Art. 405. De ambtenaren die worden afgevaardigd om deel te nemen aan internationale conferenties in het binnenland hebben recht op terugbetaling van de werkelijke uitgaven op overlegging van een verantwoordingsnota.
Art. 405. Les agents délégués pour participer aux travaux de conférences internationales tenues dans le pays, ont droit au remboursement de la dépense réellement effectuée, sur production d'une note justificative.
Art. 406. Het verblijf in het buitenland geeft aanleiding tot de terugbetaling van de werkelijke uitgaven op overlegging van een verantwoordingsnota.
  De minister is evenwel gemachtigd dagelijkse forfaitaire bedragen vast te stellen voor de officiële reizen in sommige landen.
Art. 406. Le séjour à l'étranger donne lieu au remboursement de la dépense réellement effectuée par l'intéressé sur la production d'une note justificative.
  Le ministre est toutefois autorisé à arrêter des taux journaliers forfaitaires pour les déplacements officiels dans certains pays.
Art. 407. De minister en de functioneel bevoegde minister regelen de bijzondere situaties voortvloeiend onder meer uit de uitoefening van een reizende functie of uit detachering.
Art. 407. Les situations particulières résultant notamment de l'exercice de fonctions itinérantes ou de détachements, sont réglées par le ministre et le ministre fonctionnellement compétent.
Art. 408. Onverminderd de eventuele toepassing van tuchtmaatregelen, kan de minister de verblijfsvergoeding weigeren als hij vaststelt dat de rechthebbende misbruik maakt van de rechten die hem bij dit besluit worden toegekend.
Art. 408. Sans préjudice de mesures disciplinaires éventuelles, le ministre a la faculté de refuser l'indemnité de séjour s'il est constaté que le bénéficiaire abuse des droits qui lui sont reconnus par le présent arrêté.
HOOFDSTUK IV. - De vergoeding voor vervoerskosten op de weg van en naar het werk
CHAPITRE IV. - Des indemnités pour frais de déplacement sur le chemin du travail
Afdeling 1. - De fietsvergoeding
Section 1re. - De l'indemnité [1 vélo]1
Art. 409. [1 § 1. De ambtenaar die zich per fiets van zijn woonplaats naar zijn standplaats begeeft of een gedeelte van het traject tussen zijn woonplaats en zijn standplaats aflegt, heeft recht op een vergoeding.
   Onder "fiets" wordt verstaan elk tweewielig voertuig uitgerust met pedalen, voortbewogen door de spierkracht van de fietser, eventueel, voor het primaire doel van hulp bij het trappen, uitgerust met een hulpaandrijving waarvan de energievoorziening wordt onderbroken wanneer het voertuig een maximumsnelheid van 25 km per uur bereikt.
   Een gemotoriseerde of niet gemotoriseerde rolstoel of een ander ongemotoriseerd licht vervoermiddel wordt beschouwd als een fiets.
   Het gebruik van een speed pedelec wordt beschouwd als het gebruik van een fiets.
   § 2. Wanneer deze verplaatsingen geheel of gedeeltelijk via een zelfbedieningsfietssysteem in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verlopen, krijgt het personeelslid, op zijn verzoek, de bijdrage terugbetaald.]1

  
Art. 409. [1 § 1. L'agent qui se déplace à vélo pour se rendre de sa résidence vers son lieu de travail ou pour faire une partie du trajet entre sa résidence et son lieu de travail a droit à une indemnité.
   Par vélo, on entend tout véhicule à deux roues, équipé de pédales, propulsé par l'énergie musculaire du cycliste, éventuellement équipé, dans le but premier d'aider au pédalage, d'un mode de propulsion auxiliaire dont l'alimentation est interrompue lorsque le véhicule atteint une vitesse maximale de 25 km à l'heure.
   Est assimilé à l'utilisation du vélo un fauteuil roulant motorisé ou non-motorisé ou un autre moyen de transport léger non motorisé.
   L'utilisation d'un speed pédélec est assimilée à l'utilisation du vélo.
   § 2. Lorsque ces déplacements sont effectués partiellement ou totalement avec un système de vélos en libre-service dans la Région de Bruxelles-capitale, l'agent obtient, sur demande, le remboursement de l'abonnement.]1

  
Art. 410. De vergoeding komt overeen met het bedrag per kilometer vrijgesteld van inkomstenbelasting en sociale zekerheidsbijdragen.
Art. 410. L'indemnité correspond au montant par kilomètre, exonéré d'impôt sur les revenus et de cotisations sociales.
Art. 411. De vergoeding wordt uitbetaald op overlegging van een aangifte op erewoord en een driemaandelijks overzicht.
Art. 411. L'indemnité est liquidée sur production d'une déclaration sur l'honneur appuyée d'un relevé trimestriel.
Afdeling 2. - De vergoeding voor het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer op de weg van en naar het werk
Section 2. - Des indemnités pour utilisation des transports en commun publics sur le chemin du travail
Art. 412. § 1. De ambtenaar die van een gemeenschappelijk openbaar vervoermiddel per spoor gebruik maakt, al dan niet in combinatie met andere gemeenschappelijke openbare vervoermiddelen, om zich regelmatig te verplaatsen tussen de verblijfplaats en de werkplaats, geniet een tegemoetkoming in de abonnementskosten.
  § 2. De tegemoetkoming ten laste van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel wordt geregeld door overeenkomsten gesloten tussen de verschillende federale en gewestelijke maatschappijen voor gemeenschappelijk openbaar vervoer, enerzijds en de minister of zijn afgevaardigde, anderzijds.
  [1 In het kader van deze conventie bedraagt het percentage van de tussenkomst van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel 100% van de prijs van de treinkaart, geassimileerd met het sociale abonnement op basis van een tabel die in gemeen overleg wordt opgesteld.]1
  § 3. Voor het stads- en streekvervoer georganiseerd door de gewestelijke maatschappijen voor openbaar vervoer wordt de tegemoetkoming in de prijs van het abonnement vastgesteld overeenkomstig § 2 van dit artikel.
  
Art. 412. § 1er. L'agent qui utilise les transports en commun publics par chemin de fer, combinés ou non avec d'autres transports en commun publics, bénéficie d'une intervention dans les frais d'abonnement pour effectuer régulièrement le déplacement de sa résidence à son lieu de travail et inversement.
  § 2. L'intervention à charge du Service public régional de Bruxelles est réglée par des conventions conclues entre les différentes sociétés de transports en commun public fédérale et régionales, d'une part et le ministre ou son délégué, d'autre part.
  [1 Dans le cadre de cette convention, le taux de l'intervention du service public régional de Bruxelles est de 100 % du prix de la carte de train assimilée à l'abonnement social, sur base d'un tableau établi de commun accord.]1
  § 3. Pour le transport urbain et suburbain organisé par les sociétés régionales de transports publics, l'intervention dans le prix de l'abonnement est fixée conformément au § 2 du présent article.
  
HOOFDSTUK IV/1. [1 - Telewerkvergoeding]1
CHAPITRE IV/1. [1 - De l'indemnité pour frais de télétravail]1
Art. 412/1. [1 Een aansluitingsvergoeding van twintig euro per maand, niet-indexeerbaar, wordt toegekend aan de ambtenaar die ten minste 1 dag per maand telewerkt.
   Aanvullend wordt een kantoorvergoeding van dertig euro per maand, niet-indexeerbaar, toegekend aan de ambtenaar die ten minste 4 dagen per maand telewerkt.
   Werkdagen in een satellietkantoor worden niet meegerekend.]1

  
Art. 412/1. [1 Une indemnité de connexion de vingt euros par mois, non indexable, est octroyée à l'agent qui effectue du télétravail au minimum 1 jour par mois.
   Complémentairement, une indemnité de bureau de trente euros par mois, non indexable, est octroyée à l'agent qui effectue du télétravail au minimum 4 jours par mois.
   Les jours de travail en bureau satellite n'entrent pas dans ce décompte.]1

  
HOOFDSTUK V. - Huisvestingskosten
CHAPITRE V. - Des frais de logement
Afdeling 1. - Het genot van een dienstwoning
Section 1re. - De la jouissance d'un logement de service
Art. 413. De ambtenaren die verplicht een bepaalde woonst betrekken omdat hun ambt hun permanente aanwezigheid vereist op de werkplaats, genieten kosteloze woongelegenheid.
Art. 413. Les agents astreints à occuper des logements déterminés parce que leurs fonctions réclament leur présence permanente sur les lieux du travail bénéficient gratuitement de ce logement.
Art. 414. Een maandelijkse inhouding wordt uitgevoerd op de wedde van de ambtenaren die een woonst betrekken waarvan het gebruik hen is toegestaan teneinde hun taak te vergemakkelijken.
  Deze inhouding wordt vastgesteld op het bedrag van de huurwaarde van de woonst, eventueel verhoogd met de verwarmings- en verlichtingswaarde. Zij mag evenwel voor de woonst niet meer bedragen dan 10% van het brutobedrag van de gemiddelde wedde en 12,5% van dit bedrag voor de woonst, de verwarming en de verlichting .
Art. 414. Une retenue mensuelle est opérée sur le traitement des agents qui occupent un logement dont la jouissance leur est concédée en vue de faciliter l'accomplissement de leur tâche.
  Cette retenue est fixée au montant de la valeur locative du logement, éventuellement majoré de la valeur du chauffage et l'éclairage. Elle ne peut toutefois dépasser 10% du montant brut du traitement moyen pour le logement et 12,5% de ce montant pour le logement, le chauffage et l'éclairage.
Art. 415. De Regering bepaalt de functies, bedoeld in artikel 413, waaraan naast een woonst, ook verwarming en verlichting zijn verbonden.
  Zij onderscheidt ook :
  1° die functies waarvan de titularissen onderworpen zijn aan bijzondere verplichtingen, zelfs indien hun bestuur zich in de materiële onmogelijkheid bevindt hen ter plaatse te huisvesten;
  2° die functies waarvan de titularissen niet onderworpen zijn aan die bijzondere verplichtingen indien hun bestuur hen niet ter plaatse kan huisvesten.
Art. 415. Le Gouvernement détermine les fonctions visées à l'article 413, en précisant celles auxquelles sont attachées outre le logement, le chauffage et l'éclairage.
  Il distingue en outre :
  1° celles dont les titulaires assument des sujétions spéciales, même lorsque leur administration se trouve dans l'impossibilité matérielle de les loger sur place;
  2° celles dont les titulaires échappent à ces sujétions spéciales, lorsque leur administration ne peut les loger sur place.
Art. 416. Voor de toepassing van artikel 414 stelt de minister bevoegd voor Financiën de huurwaarde van de woonst vast.
  Voor de toepassing van artikel 414, tweede lid, wordt de gemiddelde wedde bepaald door het rekenkundig gemiddelde van de minimum- en maximumwedde van de weddeschaal van de uitgeoefende functie.
Art. 416. Pour l'application de l'article 414 la valeur locative du logement est fixée par le ministre qui a les Finances dans ses attributions.
  Pour l'application de l'article 414, alinéa 2, le traitement moyen est déterminé par la moyenne arithmétique des traitements minimum et maximum du barème de la fonction exercée.
Afdeling 2. - De huisvestingstoelage
Section 2. - De l'allocation de logement
Art. 417. De ambtenaren die één van de in artikel 415, tweede lid, 1° bedoelde functies uitoefenen, ontvangen een vervangende toelage indien ze niet werkelijk het voordeel van hetzij een woonst, hetzij een woonst met verwarming en verlichting genieten.
  Deze toelage wordt verleend door de minister. Zij bedraagt nooit meer dan 10% van het brutobedrag van de gemiddelde wedde.
  Ze wordt maandelijks uitbetaald na het verstrijken van de termijn.
  Ingeval de toelage niet voor een volledige maand verschuldigd is, wordt zij berekend in dertigsten.
Art. 417. Les agents qui exercent une des fonctions visées à l'article 415, alinéa 2, 1° reçoivent, lorsqu'ils ne bénéficient pas effectivement soit du logement, soit du logement avec chauffage et éclairage, une allocation qui en tient lieu.
  Cette allocation est accordée par le ministre. Elle ne dépasse en aucun cas 10% du montant brut du traitement moyen.
  Elle est payée mensuellement et à terme échu.
  Lorsqu'elle n'est pas due pour le mois entier, elle se décompte par trentièmes.
HOOFDSTUK VI. - De toelage voor huisbewaarders of hun vervangers
CHAPITRE VI. - De l'allocation aux concierges ou à leurs remplaçants
Art. 418. De ambtenaren waaraan een ambt van huisbewaarder wordt toegekend, genieten uit hoofde daarvan enkel de kosteloosheid van woonst, verwarming en verlichting. Zij genieten een wedde uit hoofde van een ander ambt dat zij uitoefenen binnen de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
Art. 418. Les agents auxquels une fonction de concierge est attribuée ne bénéficient, à ce titre que de la gratuité du logement, du chauffage et de l'éclairage. Ils bénéficient d'un traitement en vertu d'une autre fonction qu'ils exercent au sein du Service public régional de Bruxelles.
Art. 419. De instelling neemt de inhoudingen en de bijdragen ten laste, die de betrokkenen uit hoofde van hun functie van huisbewaarder verschuldigd zijn aan hetzij het Fonds voor Overlevingspensioenen, hetzij aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
Art. 419. L'organisme prend à sa charge les retenues ou cotisations dues par les intéressés du chef de leur fonction de concierge, soit au Fonds des pensions de survie, soit à l'Office national de sécurité sociale.
Art. 420. Een toelage wordt toegekend aan de persoon vreemd aan het bestuur die, met instemming van de bevoegde overheid, de huisbewaarder vervangt gedurende een jaarlijkse vakantie van minstens een week.
  De toelage wordt per dag toegekend. Elke dag wordt gelijkgesteld met een prestatie van 7 uur en bezoldigd op basis van het minimumuurloon vastgesteld in de weddenschaal D101.
Art. 420. Une allocation est également accordée à la personne étrangère à l'administration qui, de l'accord de l'autorité compétente, remplace le concierge durant un congé annuel de vacances d'au moins une semaine.
  L'allocation est octroyée par jour. Chaque jour est assimilé à une prestation de 7 h. et rémunéré sur la base du salaire horaire minimum fixé dans l'échelle de traitement D101.
HOOFDSTUK VII. - Vergoeding van de begrafeniskosten bij overlijden van een ambtenaar
CHAPITRE VII. - De l'indemnité pour frais funéraires en cas de décès d'un agent
Art. 421. § 1. Een vergoeding van de begrafeniskosten wordt toegekend indien de uitkering voor begrafeniskosten bepaald in het artikel 61 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling van een regeling voor verplichte geneeskundige verzorging en uitkeringen, niet kan worden toegekend en wanneer de overleden ambtenaar zich in een van de volgende standen bevond :
  - in dienstactiviteit;
  - in disponibiliteit wegens ziekte;
  - in disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst;
  - op non-activiteit in het kader van een verlof om persoonlijke redenen.
  § 2. In geval van overlijden van een in § 1 bedoelde ambtenaar wordt ten bate van zijn niet uit de echt gescheiden echtgenoot of de persoon met wie hij samenleeft, of bij diens ontstentenis van zijn erfgenamen in rechte lijn, als compensatie voor de begrafeniskosten een vergoeding uitgekeerd die overeenstemt met het maandelijks bedrag van de laatste bruto-activiteitswedde van de ambtenaar. Deze bezoldiging omvat, in voorkomend geval, de toelagen die het karakter van een toebehoren van de wedde hebben.
  Voor ambtenaren in disponibiliteit wordt de laatste bruto-activiteitswedde, indien nodig :
  a) aangepast aan de wijzigingen als gevolg van de schommelingen van het algemeen indexcijfer der kleinhandelsprijzen van het Rijk;
  b) herzien overeenkomstig artikel 350.
  De vergoeding mag het twaalfde deel niet overschrijden van het bedrag vastgesteld bij toepassing van artikel 39, eerste, derde en vierde lid van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
  § 3. Bij ontstentenis van de in § 2 bedoelde rechthebbenden, mag de vergoeding worden uitgekeerd ten bate van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die bewijst dat hij de begrafeniskosten heeft gedragen. In dit geval is de vergoeding gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten zonder dat zij evenwel meer mag bedragen dan het bedrag dat bij dit besluit is voorzien ten gunste van de echtgenoot of van de erfgenamen in rechte lijn.
  § 4. Wegens het gedrag van de gerechtigde ten opzichte van de overledene, kan de minister of zijn gemachtigde, in uitzonderingsgevallen, beslissen de vergoeding niet uit te keren of ze ten bate van één of meer gerechtigden uit te keren.
  § 5. De bij dit besluit bepaalde vergoeding mag met soortgelijke, krachtens andere bepalingen toegekende vergoedingen, slechts ten belope van het in § 2 bedoelde bedrag worden gecumuleerd.
Art. 421. § 1er. Une indemnité pour frais funéraires est octroyée lorsque l'allocation pour frais funéraires prévue par l'article 61 de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités ne peut être accordée et si l'agent décédé se trouvait dans une des positions suivantes :
  - en activité de service;
  - en disponibilité pour maladie;
  - en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service;
  - en non-activité dans le cadre d'un congé pour convenances personnelles.
  § 2. En cas de décès d'un agent visé au § 1er, il est liquidé au profit de son conjoint non divorcé, ou de la personne avec laquelle il vit en couple ou, à défaut, de ses héritiers en ligne directe, en compensation des frais funéraires, une indemnité correspondant à un mois de la dernière rémunération brute d'activité de l'agent. Cette rémunération comprend éventuellement les allocations ayant le caractère d'un accessoire du traitement.
  Pour les agents en disponibilité, la dernière rémunération brute d'activité est s'il échet :
  a) adaptée aux modifications résultant des fluctuations de l'indice général des prix de détail du royaume;
  b) revue conformément à l'article 350.
  L'indemnité ne peut dépasser le douzième du montant fixé en application de l'article 39 alinéas 1er, 3 et 4 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
  § 3. A défaut des ayants droits visés au § 2, l'indemnité peut être liquidée au profit de toute personne physique ou morale qui justifie avoir assumé les frais funéraires. Dans ce cas l'indemnité est équivalente aux frais réellement exposés, sans qu'elle puisse cependant excéder la somme prévue par le présent arrêté en faveur du conjoint ou des héritiers en ligne directe.
  § 4. En raison de la conduite du bénéficiaire à l'égard du défunt, le ministre ou son délégué peut décider, dans des cas exceptionnels, que l'indemnité ne sera pas liquidée ou qu'elle le sera au profit de l'un des bénéficiaires ou de plusieurs d'entre eux.
  § 5. L'indemnité prévue par le présent arrêté ne peut être cumulée avec des indemnités analogues accordées en vertu d'autres dispositions qu'à concurrence du montant visé au § 2.
HOOFDSTUK VIII. - De terbeschikking-stelling van geldsommen om dienstuitgaven te verrichten
CHAPITRE VIII. - De la mise à disposition de sommes dans le but d'effectuer des dépenses de service
Art. 422. § 1. Aan de ambtenaren worden geldsommen ter beschikking gesteld met het oog op het verrichten van dienstuitgaven. Deze geldsommen kunnen ter beschikking gesteld worden in de vorm van liquiditeiten, een al dan niet voorafbetaalde kredietkaart of betaalkaart of enig ander betaalmiddel.
  § 2. Elke geldsom die ter beschikking van een ambtenaar wordt gesteld voor het verrichten van dienstuitgaven blijft eigendom van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
  § 3. Wanneer geldsommen in de vorm van liquiditeiten ter beschikking van de ambtenaren worden gesteld, wordt dit gestaafd met een schriftelijke akte die het bedrag van de ter beschikking gestelde sommen aangeeft.
  § 4. De ambtenaren verantwoorden de dienstuitgaven aan de hand van voor kwijting getekende verantwoordingsstukken van derden of, bij wijze van uitzondering, een gemotiveerde verklaring op erewoord in geval van verlies van het verantwoordingsstuk of van de onmogelijkheid een verantwoordingsstuk te verkrijgen.
  § 5. De dienstuitgaven moeten in overeen-stemming zijn met de bepalingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 19 oktober 2006 betreffende de financiële actoren.
Art. 422. § 1er. Des sommes sont mises à disposition des agents dans le but d'effectuer des dépenses de service. Ces sommes peuvent être mises à disposition sous forme de liquidités, de carte de crédit ou de carte de débit, prépayée ou non, ou de tout autre moyen de paiement.
  § 2. Toute somme mise à disposition d'un agent dans le but d'effectuer des dépenses de service reste la propriété du Service public régional de Bruxelles.
  § 3. Les sommes mises à disposition des agents sous forme de liquidités donnent lieu à un acte écrit justificatif établissant le montant des sommes mises à disposition.
  § 4. Les agents justifient les dépenses de service au moyen de pièces justificatives acquittées émanant de tiers ou à titre exceptionnel, au moyen d'une déclaration sur l'honneur motivée en cas de perte de la pièce justificative ou de l'impossibilité d'obtenir une pièce justificative.
  § 5. Les dépenses de services doivent être conformes aux dispositions prévues par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 19 octobre 2006 portant sur les acteurs financiers.
BOEK III. - DE VASTSTELLING VAN DE ADMINISTRATIEVE EN GELDELIJKE ANCIENNITEIT
LIVRE III. - DE LA DETERMINATION DE DES ANCIENNETES ADMINISTRATIVE ET PECUNIAIRE
TITEL I. - Algemene bepalingen
TITRE I. - Dispositions générales
Art. 423. Onder "volledige prestaties" moet worden verstaan, prestaties waarmee een zodanige werktijd gemoeid is dat de normale beroepsactiviteit volledig in die prestaties opgaat.
Art. 423. Il faut entendre par " prestations complètes ", les prestations dont l'horaire est tel qu'elles absorbent totalement une activité professionnelle normale.
Art. 424. De ambtenaar wordt geacht werkelijke diensten te verrichten als hij zich in een administratieve stand bevindt op grond waarvan hij, krachtens zijn statuut, zijn activiteitswedde of bij ontstentenis daarvan, zijn aanspraak op bevordering tot een hogere wedde behoudt.
Art. 424. L'agent est réputé prester des services effectifs tant qu'il se trouve dans une position administrative qui lui vaut de conserver sur base de son statut, son traitement d'activité ou à défaut ses titres à l'avancement de traitement.
Art. 425. De anciënniteit wordt berekend per kalendermaand. De diensten die geen volledige maand beslaan worden genegeerd.
Art. 425. L'ancienneté est calculée par mois-calendrier. Les services qui ne couvrent pas tout le mois sont négligés.
TITEL II. - De berekening van de administratieve anciënniteit
TITRE II. - Du calcul de l'ancienneté administrative
Art. 426. Voor de berekening van de graad- en van de niveau-anciënniteit worden in aanmerking genomen de werkelijk cumulatief gepresteerde diensten :
  1° in de hoedanigheid van stagiair, vastbenoemd ambtenaar of contractueel personeelslid;
  2° in een federale overheidsdienst, een ministerie of een instelling van openbaar nut behorende tot het Rijk, de Gemeenschappen of de Gewesten, of in lokale besturen, te weten gemeenten, binnengemeentelijke territoriale organen, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, provincies, of elke dienst die daarvan afhangt of in de plaatselijke besturen, alsmede in diensten of in een overheidsinstelling van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, of, op voorwaarde dat de secretaris generaal of de adjunct secretaris generaal beslist tot de toelaatbaarheid ervan, in een overheidsdienst die vergelijkbaar is met één van die welke hiervoor zijn opgesomd, van een lidstaat van de Europese Unie;
  3° zonder onderbreking die het gevolg is van een door de ambtenaar opgelopen tuchtstraf of ontslag wegens beroepsongeschiktheid in het kader van de evaluatie van de ambtenaar;
  4° als titularis van een ambt met volledige of deeltijdse prestaties.
Art. 426. Pour le calcul de l'ancienneté de grade et de niveau, les services effectifs pris en considération sont ceux prestés cumulativement :
  1° en qualité de stagiaire ou d'agent nommé ou de membre du personnel contractuel;
  2° dans un Service public fédéral, un ministère ou un organisme d'intérêt public dépendant de l'Etat, des Communautés des Régions ou au sein de pouvoirs locaux, à savoir communes, organes territoriaux intracommunaux, centres public d'action sociale, provinces, ou tout service en dépendant, dans les administrations locales, ainsi que dans des services ou dans un organisme public de la Commission communautaire française, de la Commission communautaire flamande ou de la Commission communautaire commune, ou, moyennant une décision d'admissibilité prise par le Secrétaire général ou le Secrétaire général adjoint, dans un service public comparable à un de ceux énumérés ci avant, d'un Etat de l'Union européenne;
  3° sans interruption due à une peine disciplinaire encourue par l'agent ou à un licenciement pour inaptitude professionnelle dans le cadre de l'évaluation de l'agent;
  4° comme titulaire d'une fonction à temps plein ou partiel.
Art. 427. Voor de berekening van de dienst-anciënniteit geldt dezelfde berekeningswijze, met dien verstande dat de werkelijke prestaties in aanmerking worden genomen voor zowel stagiairs als vastbenoemde ambtenaren en contractuele personeelsleden vanaf hun benoeming.
Art. 427. Le calcul de l'ancienneté de service s'effectue de la même manière étant entendu que les services effectifs sont pris en considération tant pour les stagiaires que pour les agents définitifs et les membres du personnel contractuel dès leur nomination.
Art. 428. Voor de berekening van de schaalanciënniteit worden de werkelijke prestaties in aanmerking genomen die verricht werden in een gegeven weddeschaal.
  Ook de werkelijke prestaties verricht in een schaal die gelijkgesteld is met of vervangen door de gegeven weddeschaal worden in aanmerking genomen.
Art. 428. Pour le calcul de l'ancienneté d'échelle, les services effectifs pris en considération sont ceux prestés dans une échelle de traitement donnée.
  Sont également pris en compte les services effectifs prestés dans une échelle assimilée ou remplacée par l'échelle de traitement donnée.
Art. 429. Voor de graadanciënniteit, worden de in aanmerking komende diensten berekend hetzij vanaf de datum waarop de ambtenaar in deze graad of een equivalente graad werd benoemd hetzij vanaf de datum waarop de ambtenaar voor bevordering werd gerangschikt wegens het formele terugwerken van zijn benoeming.
  Voor de niveau-anciënniteit, worden de in aanmerking komende diensten berekend vanaf de datum waarop de ambtenaar werd benoemd in een graad van het betreffende of daaraan equivalente niveau, hetzij vanaf de datum waarop hij voor bevordering werd gerangschikt wegens het formele terugwerken van zijn benoeming.
  De dienstanciënniteit wordt eveneens in aanmerking genomen voor de graad-, niveau- en schaalanciënniteit vanaf de benoeming van de betrokken ambtenaar in de graad of graden, het niveau of de niveaus en de schaal of schalen waarin de betrokkene zijn diensten als personeelslid heeft gepresteerd.
Art. 429. Pour l'ancienneté de grade, les services admissibles sont comptés soit à partir de la date à laquelle l'agent a été nommé à ce grade ou à un grade équivalent, soit à partir de la date à laquelle il a été classé pour une promotion en raison de l'effet rétroactif formel de sa nomination.
  Pour l'ancienneté de niveau, les services admissibles sont comptés soit à partir de la date à laquelle l'agent a été nommé à un grade du niveau considéré ou à un grade équivalent, soit à partir de la date à laquelle il a été classé pour la promotion en raison de l'effet rétroactif formel de sa nomination.
  L'ancienneté de service est également prise en considération pour l'ancienneté de grade, de niveau et d'échelle dès la nomination de l'agent concerné et ce dans le ou les grades, le ou les niveaux et l'échelle ou les échelles dans lesquels l'agent a accompli ses services en tant que membre du personnel.
Art. 430. Deeltijdse prestaties van 1976 uur worden geteld voor twaalf volle kalendermaanden.
  Deeltijdse prestaties van een twaalfde van 1976 uur worden geteld voor één volle kalendermaand, waarbij elk gedeelte van een uur wordt genegeerd.
Art. 430. Des prestations à temps partiel à concurrence de 1976 heures sont comptées pour douze mois-calendrier entiers.
  Des prestations à temps partiel à concurrence d'un douzième de 1976 heures sont comptées pour un mois entier de calendrier, toute fraction d'heure étant négligée.
Art. 431. De administratieve anciënniteit van een ambtenaar die titularis is van een ambt met deeltijdse prestaties, wordt berekend pro rata van zijn werkelijke prestaties.
Art. 431. L'ancienneté administrative d'un agent qui est titulaire d'une fonction à temps partiel, est calculée au prorata des services effectivement prestés.
TITEL III. - De geldelijke anciënniteit
TITRE III. - De l'ancienneté pécuniaire
HOOFDSTUK I. - In aanmerking komende diensten
CHAPITRE Ier. - Des services admissibles
Art. 432. § 1. Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit worden ambtshalve in aanmerking genomen de diensten gepresteerd als personeelslid van de overheidsdiensten van de staten die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Confederatie, alsook van de andere overheidsdiensten.
  § 2. De personeelsleden in dienst genomen door privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen die niet bedoeld worden onder paragraaf 1, in een juridische band die eenzijdig gedefinieerd wordt door de bevoegde publieke overheid of, krachtens een wettelijke of decretale bepaling, door hun leidend bevoegd orgaan, worden beschouwd als behorend tot de openbare diensten.
  § 3. Worden eveneens ambtshalve in aanmerking genomen de diensten die gepresteerd werden in ongeacht welke hoedanigheid als personeelslid van onderwijsinstellingen van de Gemeenschappen, in onderwijs-instellingen die gesubsidieerd worden met een weddetoelage, in diensten voor studie- en beroepskeuze of vrije psycho-medisch-sociale centra die gesubsidieerd worden met een weddetoelage.
  De voltijds gepresteerde diensten in het onderwijs over perioden korter dan 12 opeenvolgende maanden worden in aanmerking genomen volgens de volgende formule : het aantal dagen van een periode van prestaties wordt vermenigvuldigd met 1,2 en de uitkomst wordt gedeeld door 30. Het quotiënt bepaalt het aantal maanden; met de cijfers na de komma en de rest wordt geen rekening gehouden. De deeltijds gepresteerde diensten worden naar rato gevaloriseerd, volgens dezelfde berekening.
  De op hetzelfde attest vermelde volledige prestaties, die bewijzen dat het personeelslid een volledig schooljaar heeft gewerkt, gelden voor een totaal van 300 dagen en leveren één jaar in aanmerking te nemen diensten op.
Art. 432. § 1er. Sont admis d'office pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire les services accomplis en tant que membre du personnel dans les services publics des Etats faisant partie de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse, ainsi que dans les autres services publics.
  § 2. Les membres du personnel engagés par des personnes morales de droit privé ou de droit public qui ne seraient pas visées au paragraphe 1er dans une situation juridique définie unilatéralement par l'autorité publique compétente ou, en vertu d'une habilitation légale ou décrétale, par leur organe dirigeant compétent, sont considérés comme relevant des services publics.
  § 3. Sont également admis d'office les services accomplis à quelque titre que ce soit en tant que membre du personnel dans les établissements d'enseignement des Communautés, dans les établissements d'enseignement subventionnés par une subvention-traitement, dans les offices d'orientation scolaire et professionnelle ou les centres psycho-médico-sociaux libres subventionnés par une subvention-traitement.
  Les services prestés à temps plein dans l'enseignement sur des périodes inférieures à 12 mois successifs sont pris en compte selon la formule suivante : le nombre de jours d'une période de prestations multiplié par 1,2 et le produit divisé par 30. Le quotient détermine le nombre de mois, les chiffres après la virgule et le reste étant négligés. Les services prestés à temps partiel sont valorisés au prorata, selon le même calcul.
  Les prestations complètes mentionnées sur la même attestation qui prouvent que l'agent a été occupé pendant une année scolaire complète, valent pour un total de 300 jours et représentent une année de services à prendre en considération.
Art. 433. Met de diensten verricht in de privésector of als zelfstandige wordt eveneens rekening gehouden op voorwaarde dat deze diensten voldoen aan een bij de aanwerving gestelde eis en rekening houdend met het aantal jaren ervaring dat vereist wordt bij de aanwerving.
  Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit kan [1 de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal]1 eveneens diensten erkennen die gepresteerd werden in de privésector of als zelfstandige indien hij van oordeel is dat die diensten een bijzonder nuttige ervaring uitmaken voor de functie waarin de betrokkene wordt aangeworven.
  Bijzonder nuttige beroepservaring is ervaring waarmee de persoon die ze kan laten gelden beschikt over een onmiskenbaar voordeel inzake competenties om de functie uit te oefenen. Het personeelslid dat een beroepservaring als bijzonder nuttig wil laten erkennen, dient daartoe het nodige bewijs te leveren. Tenzij [1 de secretaris-generaal]1 of zijn afgevaardigde een specifieke termijn bepaalt, moet de erkenningsaanvraag uiterlijk op het einde van de derde maand na de indiensttreding plaatsvinden.
  De erkenning kan ook vóór de indienst-treding plaatsvinden, maar heeft dan pas uitwerking bij de indiensttreding.
  Bij weigering tot erkenning kan beroep ingesteld worden bij de minister binnen een maand na de kennisname van de weigeringsbeslissing.
  
Art. 433. Les services accomplis dans le secteur privé ou en tant qu'indépendant sont également admis à condition que ces services aient constitué une exigence requise lors du recrutement et à concurrence du nombre d'années d'expérience exigées lors du recrutement.
  Pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire, [1 le Secrétaire Général ou le Secrétaire général adjoint ".]1 peut également reconnaître les services accomplis dans le secteur privé ou en tant qu'indépendant s'il estime que ces services constituent une expérience particulièrement utile pour la fonction dans laquelle l'agent est recruté.
  L'expérience professionnelle particulièrement utile pour la fonction est celle qui assure à celui qui en dispose un avantage manifeste en termes de compétences pour exercer la fonction. Le membre du personnel qui sollicite la reconnaissance d'une expérience professionnelle particulièrement utile pour la fonction en fournit la preuve. Sauf délai particulier accordé par [1 le Secrétaire général]1, ou son délégué, cette demande de reconnaissance est introduite au plus tard à la fin du troisième mois qui suit l'entrée en service.
  La reconnaissance peut être également antérieure à l'entrée en service, mais elle n'a d'effet qu'à l'entrée en service.
  En cas de refus, un recours peut être introduit auprès du ministre dans le mois de la prise de connaissance de la décision de refus.
  
Art. 434. Voor de toepassing van de artikelen 432 en 433, wordt slechts rekening gehouden met de diensten als ze een volledige maand dekken, desgevallend bij meerdere werkgevers. De onvolledige maanden worden niet meegerekend.
  De diensten die niet overeenstemmen met voltijdse prestaties worden pro rata in aanmerking genomen. Het eindresultaat van het pro rata wordt afgerond naar het hogere geheel getal. De ambtenaar wordt beschouwd in aanmerking komende diensten te verrichten voor de berekening van de geldelijke anciënniteit wanneer hij in dienstactiviteit is of wanneer hij werkelijk de diensten uitvoert zoals bepaald door zijn arbeidscontract of wanneer hij in disponibiliteit wegens ziekte is.
Art. 434. Pour l'application des articles 432 et 433, les services ne sont pris en compte que s'ils couvrent le mois entier, le cas échéant chez plusieurs employeurs. Les mois incomplets ne sont pas pris en compte.
  Les services qui ne correspondent pas à des prestations à temps plein sont pris en compte au prorata. Le résultat final du prorata est arrondi au nombre entier supérieur. L'agent est considéré comme prestant des services valorisables pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire lorsqu'il est en activité de service ou qu'il exécute effectivement les tâches fixées par son contrat de travail ou qu'il est en disponibilité pour maladie.
HOOFDSTUK II. - De berekening van de geldelijke anciënniteit.
CHAPITRE II. - Du calcul de l'ancienneté pécuniaire
Art. 435. De anciënniteit van de ambtenaar mag nooit de werkelijke duur van zijn in aanmerking komende diensten overschrijden.
  De anciënniteit aan de ambtenaar toegekend in een openbare dienst waaruit hij werd overgeplaatst, blijft verworven, ongeacht de van kracht zijnde berekeningswijze van de anciënniteit in die dienst.
Art. 435. L'ancienneté que compte l'agent ne peut jamais dépasser la durée réelle de ses services admissibles.
  Toutefois, l'ancienneté obtenue dans un service public duquel un agent a été transféré lui reste acquise, quel que soit le mode de calcul de l'ancienneté en vigueur au sein de ce service.
Art. 436. De diensten waarmee rekening gehouden wordt voor de berekening van de anciënniteit zijn verworven in het niveau van de basisgraad van de ambtenaar. Zij worden in hun geheel verrekend.
  De basisgraad is de eerste graad waartoe de ambtenaar wordt benoemd of waartoe hij nadien wordt benoemd volgens een benoemingswijze die geen rekening houdt met zijn vorige hoedanigheid.
Art. 436. Les services qui sont pris en compte pour le calcul de l'ancienneté sont acquis dans le niveau du grade de base de l'agent. Ils sont comptés dans leur totalité.
  Le grade de base est le premier grade auquel l'agent est nommé ou auquel il est nommé subséquemment selon un mode de nomination qui ne prend pas en considération sa qualité antérieure.
BOEK IV. - HET MANDAAT
LIVRE IV. - DU MANDAT
TITEL I. - Algemene bepalingen
TITRE Ier. - Dispositions générales
Art. 437. De Regering kent de betrekkingen verbonden aan de rangen A4, A4+, A5, A6 en A7 bij mandaat toe.
Art. 437. Le Gouvernement confère par mandat les emplois correspondant aux rangs A4, A4+, A5, A6 et A7.
Art. 438. De artikelen 1 tot 436 zijn van toepassing op de mandaathouders voor zover deze boeken niet afwijken van deze bepalingen.
Art. 438. Les articles 1er à 436 sont applicables aux mandataires dans la mesure où le présent livre ne déroge pas à ces dispositions.
Art. 439. De duur van het mandaat is vijf jaar.
Art. 439. La durée du mandat est de cinq ans.
Art. 440. Voor de duur van het mandaat worden doelstellingen bepaald die bestaan uit strategische doelstellingen en transversale doelstellingen.
Art. 440. Des objectifs sont définis pour la durée du mandat. Ceux-ci se composent d'objectifs stratégiques et d'objectifs transversaux.
Art. 441. § 1. De strategische doelstellingen die worden toegewezen aan elke mandaathouder worden bepaald :
  - voor een mandaat van rang A4 : door de de functioneel bevoegd minister op voorstel van de directeur-generaal van de administratie waar de mandaatbetrekking zich bevindt;
  - voor een mandaat van rang A4+ en A5 : door de Regering op voorstel van de functioneel bevoegde minister(s);
  - voor een mandaat van rang A6 en A7 : door de Regering op voorstel van de minister.
  § 2. De Regering bepaalt de transversale doelstellingen gemeenschappelijk aan alle mandaathouders.
  § 3. De overheid zoals bedoeld in § 1 en § 2 van dit artikel kan gedurende de uitoefening van het mandaat de doelstellingen die zij vastlegde voorafgaand aan de toewijzing van het mandaat wijzigen teneinde de elementen uit de regeringsverklaring alsook de grote richtlijnen, bepaald door de minister(s) die bevoegd zijn voor het activiteitsgebied, op te nemen.
  Binnen de zes maanden na het opnemen van zijn functie stelt de mandaathouder een beheersplan op waarin rekening gehouden wordt met de [1 transversale en strategische doelstellingen, ]1 oriënteringsnota's en beleidsbrieven, zoals bepaald [1 in artikel 9 van de ordonnantie van 4 april 2024 houdende de Codex van de openbare financiën van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,]1 en overhandigt dit beheersplan voor goedkeuring [1 ...]1 aan de regering [1 ...]1. [1 Indien de transversale of strategische doelstellingen na de indiensttreding wijzigen, moet de mandaathouder zijn beheersplan aanpassen binnen drie maanden na kennisgeving van de nieuwe doelstellingen door het secretariaat van het Brussels Openbaar Ambt, dat verantwoordelijk is voor de selectie- en evaluatiecommissies voor mandaathouders. Een kopie van het beheersplan en, indien van toepassing, van het aangepaste beheersplan moet worden toegezonden aan het secretariaat van het Brussels Openbaar Ambt dat verantwoordelijk is voor de selectie- en evaluatiecommissies voor mandaathouders]1
  De mandaathouder kan eveneens, aan de overheid zoals bedoeld in § 1 en § 2 van dit artikel, wijzigingen aan de doelstellingen bedoeld in § 1 voorstellen.
  Voorafgaandelijk aan elke wijziging wordt er overlegd tussen de in functie zijnde mandaathouder en de in de §§ 1 en 2 bedoelde overheden.
  
Art. 441. § 1er. Les objectifs stratégiques assignés à chaque mandataire sont fixés :
  - pour un mandat de rang A4 : par le ministre fonctionnellement compétent sur proposition du directeur général de l'administration dans laquelle se situe l'emploi;
  - pour un mandat de rang A4+ et A5 : par le Gouvernement sur proposition du(des) ministre(s) fonctionnellement compétent(s);
  - pour un mandat de rang A6 et A7 : par le Gouvernement sur proposition du ministre.
  § 2. Le Gouvernement fixe les objectifs transversaux communs à tous les mandataires.
  § 3. Au cours de l'exercice du mandat, l'autorité visée aux § 1er et § 2 du présent article peut modifier les objectifs qu'elle a déterminés avant l'attribution dudit mandat afin d'intégrer les éléments contenus dans la déclaration Gouvernementale ainsi que les grandes orientations définies par le(s) ministre(s) compétent(s) pour le secteur d'activité.
  Dans les six mois qui suivent sa prise de fonction, le mandataire rédige un plan de gestion en y intégrant [1 objectifs transversaux et stratégiques,]1 les notes d'orientation et lettres d'orientation, visées [1 à l'article 9 de l'ordonnance du 4 avril 2024 portant le Code des finances publiques de la Région de Bruxelles-Capitale]1,et le soumet [1 ...]1 au gouvernement [1 ...]1 pour approbation. [1 Si les objectifs transversaux ou stratégiques changent après l'entrée en fonction, le mandataire adapte son plan de gestion dans les trois mois suivant la notification des nouveaux objectifs par le secrétariat de Bruxelles Fonction Publique chargé des commissions de sélection et d'évaluation des mandataires. Une copie du plan de gestion ainsi que, le cas échéant, du plan de gestion adapté doit être envoyée au secrétariat de Bruxelles Fonction Publique chargé des commissions de sélection et d'évaluation des mandataires.]1
  Le mandataire peut également proposer à l'autorité visée aux § 1er et § 2 du présent article des modifications des objectifs visés au § 1er.
  Préalablement à toute modification, une concertation a lieu entre le mandataire en fonction et les autorités visées aux § 1 et 2.
  
TITEL II. - Selectie, aanwerving en aanwijzing van de mandaathouders
TITRE II. - De la sélection, du recrutement et de la désignation des mandataires
HOOFDSTUK I. - De toelatingsvoorwaarden
CHAPITRE Ier. - Des conditions d'admissibilité
Art. 442. [1 § 1. Om zich kandidaat te stellen voor een mandaatbetrekking bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel dienen de kandidaten te voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 36.
   § 2. Indien een kandidaat geslaagd is voor een overgangsexamen, zoals bepaald in artikel 101, wordt afgeweken van de diplomavereisten in artikel 36, eerste lid, 4° op voorwaarde dat de kandidaat minstens 6 jaar anciënniteit in een functie van niveau A heeft verworven in een organieke openbare dienst.
   § 3. Naast de algemene toelatingsvoorwaarden van bedoeld in paragrafen 1 en 2, dienen kandidaten te beschikken over:
   - Minstens zes jaar relevante beroepservaring in een leidinggevende functie voor een betrekking in rang A4;
   - Minstens acht jaar relevante beroepservaring in een leidinggevende functie voor een betrekking in rang A4+ of hoger.
   § 4. Relevante beroepservaring in een leidinggevende functie betekent specifieke ervaring op het gebied van management, met aantoonbare resultaten met betrekking tot het beleid van een overheidsdienst of een organisatie uit de privésector, waarbij het aansturen van werknemers deel uitmaakte van het takenpakket ]1
.
  
Art. 442. [1 1. Pour se porter candidat à un mandat au Service publique régional de Bruxelles les candidats doivent répondre aux conditions générales d'admissibilité prévues à l'article 36.
   § 2. Si le candidat a réussi le concours d'accession, prévu à l'article 101, il est dérogé aux conditions de diplôme prévues à l'article 36, premier alinéa, 4° à condition que le candidat ait une ancienneté d'au moins 6 ans dans un fonction de niveau A dans un service public organique.
   § 3. Outre les conditions générales d'admissibilité visées aux paragraphes 1 et 2, les candidats doivent avoir :
   - Au moins six ans d'expérience professionnelle pertinente dans une fonction dirigeante, pour un poste de rang A4 ;
   - Au moins huit ans d'expérience professionnelle pertinente dans une fonction dirigeante pour un poste de rang A4+ ou d'un rang plus élevé.
   § 4. L' expérience professionnelle pertinente dans une fonction dirigeante signifie une expérience spécifique en matière de gestion, avec des résultats démontrables en rapport avec les politiques d'un service public ou d'une organisation du secteur privé, où la gestion des travailleurs faisait partie des tâches ]1
.
  
HOOFDSTUK II. - De vacantverklaring en de functiebeschrijving
CHAPITRE II. - De la déclaration de vacance et de la description de fonction
Art. 443. Elke betrekking die dient ingevuld te worden door een mandaat wordt vacant verklaard door de Regering.
Art. 443. Chaque emploi à pourvoir par mandat est déclaré vacant par le Gouvernement.
Art. 444. [1 . Het secretariaat van Brussel Openbaar Ambt belast met de selectie- en evaluatiecommissies van mandaathouders, stelt de functiebeschrijving van het in te vullen mandaat op.
   § 2. De Regering keurt de functiebeschrijving waarvan sprake in paragraaf 1 goed en voegt er de doelstellingen, bedoeld in artikel 440, aan toe]1
.
  
Art. 444. [1 § 1er. Le secrétariat de Bruxelles Fonction Publique, chargé des commissions de sélection et d'évaluation des mandataires, établit la description de fonction de l'emploi de mandat à pourvoir.
   § 2. Le Gouvernement approuve la description de fonction visée au paragraphe 1er et y joint les objectifs visés à l'article 440 ]1
.
  
Art. 445. § 1. De vacante betrekking wordt ter kennis gebracht van het publiek door middel van een oproep tot kandidaatstelling, die minstens in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd.
  In de oproep tot kandidaatstelling wordt voor elke vacant verklaarde betrekking het volgende vermeld :
  1° de termijn waarbinnen de kandidatuur ingediend moet worden bij het secretariaat van de selectiecommissie;
  2° de gegevens die de kandidatuur dient te bevatten bedoeld in § 3 van dit artikel;
  3° de adresgegevens van [1 het secretariaat van Brussel Openbaar Ambt belast met de selectie- en evaluatiecommissies van mandaathouders]1 waar de functiebeschrijving van de te bekleden betrekking, een omschrijving van de doelstellingen bedoeld in artikel 440 en de gestandaardiseerde CV als bedoeld in paragraaf 2 verkregen kunnen worden.
  [1 4° De modaliteiten waarop de kandidatuur rechtsgeldig kan worden ingediend. ]1
  § 2. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen die [1 volgens de modaliteiten vermeld in paragraaf 1, tweede lid, punt 4°]1 verzonden werden aan het secretariaat van de selectiecommissie binnen een termijn van [1 achtentwintig]1 dagen. Deze termijn begint te lopen daags na de publicatie van de oproep tot kandidatuurstelling in het Belgische Staatsblad.
  § 3. Iedere kandidatuur bevat een uiteenzetting van de titels en verdiensten die de kandidaat doet gelden om te solliciteren, met gebruik van een gestandardiseerde CV waarvan [1 het model en de inhoud worden opgesteld door de Minister]1 [1 , en een kopie van het hoogst behaalde diploma waar de kandidaat zich op beroept in zijn kandidatuur]1.
  Op straffe van onontvankelijkheid, dient de kandidaat één kandidatuur in per betrekking waarvoor hij zich kandidaat stelt.
  
Art. 445. § 1er. La vacance des emplois est portée à la connaissance du public par un appel aux candidats publié au minimum au Moniteur belge.
  L'appel aux candidats mentionne, pour chaque emploi déclaré vacant :
  1° le délai dans lequel la candidature doit être introduite auprès du secrétariat de la commission de sélection;
  2° les éléments que l'acte de candidature doit contenir et qui sont visés au § 3 du présent article;
  3° les coordonnées du [1 secrétariat de Bruxelles Fonction Publique chargé des commissions de sélection et d'évaluation des mandataires]1 auprès duquel la description de fonction de l'emploi à conférer, les objectifs visés à l'article 440 et le CV standardisé visé au paragraphe 2 peuvent être obtenus.
  [1 4° Les modalités selon lesquelles la candidature peut être valablement introduite.]1
  § 2. Sont seules prises en considération, les candidatures qui ont été envoyées [1 selon les modalités mentionnées au paragraphe 1er, second alinéa, point 4]1 au secrétariat de la commission de sélection, dans un délai de[1 vingt-huit ]1. Ce délai commence à courir le jour qui suit la publication de l'appel à candidatures au Moniteur belge
  § 3. Tout acte de candidature comporte un exposé des titres et mérites que le candidat fait valoir pour postuler à l'emploi avec utilisation d'un CV standardisé [1 dont le modèle et le contenu sont fixés par le Ministre]1 [1 ainsi qu'une copie du diplôme le plus élevé que le candidat invoque dans sa candidature]1.
  Sous peine d'irrecevabilité, un acte de candidature distinct est introduit pour chaque emploi auquel l'intéressé se porte candidat.
  
HOOFDSTUK III. - Selectiecommissie
CHAPITRE III. - Commission de sélection
Art. 446. Met het oog op de toekenning van de mandaatbetrekkingen worden er hiertoe bevoegde selectiecommissies opgericht. De selectiecommissies worden samengesteld in functie van de in te vullen mandaatbetrekkingen en bestaan elk uit tussen vijf en zeven leden.
  De regering, op voorstel van de minister, stelt de leden van de selectiecommissie aan telkens een mandaatbetrekking bedoeld in artikel 437 vacant wordt verklaard en stelt de voorzitter onder deze leden aan. [[2 De regering stelt ook een lijst op van plaatsvervangers voor elke commissie, waarop in de volgorde van vervanging een beroep wordt gedaan]2]1. De leden van de selectiecommissies beschikken over expertise in verband met de materies die behoren tot het te verlenen mandaatbetrekking en/of in verband met management in de publieke sector.
  De aanstelling van de leden van de selectiecommissies is beperkt tot de selectieprocedure waarvoor zij aangesteld werden.
  Wanneer een mandaatfunctie wordt vacant verklaard voor kandidaten van de twee taalrollen, dient een lid van de selectiecommissie de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  Ten hoogste twee derden van de leden van een selectiecommissie behoren tot hetzelfde [2 gender]2.
  [2 Een genderevenwicht wordt verzekerd in het voorzitterschap van de selectiecommissies.]2
  
Art. 446. Il est créé des commissions de sélection compétentes en vue de l'attribution des emplois de mandat. Les commissions de sélection sont composées en fonction des emplois de mandat à attribuer et comprennent, chacune, entre cinq et sept membres.
  Le Gouvernement, sur proposition du Ministre, désigne les membres de chacune de ces commissions chaque fois qu'un emploi de mandat visé à l'article 437 est déclaré vacant et désigne le président parmi ceux-ci. [1 [2 Le Gouvernement établit également, pour chaque commission, une liste de suppléants auxquels il sera fait appel, dans l'ordre des suppléances ]2 .]1 Les membres des commissions de sélection disposent d'une expertise en rapport avec les matières qui relèvent de l'emploi de mandat à attribuer et/ou en rapport avec le management dans le secteur public.
  La désignation des membres des commissions de sélection est limitée à la procédure de sélection pour laquelle ils ont été désignés.
  Lorsqu'une fonction de mandataire est ouverte à des candidats des deux rôles linguistiques, un des membres de la commission de sélection doit avoir prouvé la connaissance de la seconde langue conformément à l'article 43, § 3, alinéa 3, des lois sur l'emploi des langues en matière administratives, coordonnées le 18 juillet 1966.
  Les deux tiers au plus des membres de chacune des commissions de sélection appartiennent au même [2 genre]2.
  [2 Un équilibre lié au genre est assuré dans la présidence des commissions de sélections. ]2
  
Art. 447. [1 ...]1 voor de selectiecommissie :
  1° [1 Het secretariaat van Brussel Openbaar Ambt belast met de selectie- en evaluatiecommissies van mandaathouders]1 stelt minstens twee effectieve en twee plaatsvervangende secretarissen aan die tot een verschillende taalrol behoren;
  2° [1 De minister]1 bepaalt de vergoeding die toegekend wordt aan de voorzitter en de leden.
  
Art. 447. Pour la commission de sélection, [1 ...]1 :
  1° [1 le secrétariat de Bruxelles Fonction Publique chargé des commissions de sélection et d'évaluation des mandataires ]1 désigne au moins deux secrétaires effectifs et au moins deux secrétaires suppléants de rôle linguistique différent;
  2° [1 le ministre ]1 fixe l'allocation accordée au président et aux membres.
  
Art. 448. § 1. Voorafgaandelijk aan de oproep tot kandidatuurstelling, legt de Regering, op voorstel van de minister, het reglement van inwendige orde van de selectiecommmissies vast.
  § 2. De selectiecommissie gaat slechts op geldige wijze over tot het horen van de kandidaten en tot de deliberatie voor zover de meerderheid van de leden aanwezig is.
  Alleen de commissieleden die hebben deelgenomen aan het horen van al de kandidaten, kunnen deelnemen aan de deliberatie met het oog op de indeling van de kandidaten in de groepen A en B en op hun rangschikking in de groep A. Geen enkel lid kan zich onthouden.
  Bij staking van stemmen beslist de voorzitter.
  [1 § 3. De selectiecommissie beslist of de kandidaat die niet geslaagd is voor het assessment wordt gehoord en motiveert haar beslissing door te verwijzen naar de slagingscriteria voor het assessment voorzien in de desbetreffende oproep tot kandidaatstelling.]1
  
Art. 448. § 1. Le Gouvernement établit, préalablement à l'appel à candidats, sur la proposition du ministre, le règlement d'ordre intérieur de la commission de sélection.
  § 2. La commission de sélection procède valablement à l'audition des candidats et à la délibération pour autant que la majorité des membres soit présente.
  Seuls les membres de la commission qui ont procédé à l'audition de tous les candidats, peuvent prendre part à la délibération en vue de l'inscription desdits candidats dans les groupes A et B et en vue de leur classement dans le groupe A. Aucun membre ne peut s'abstenir.
  S'il y a partage des voix, la voix du président est prépondérante.
  [1 § 3. La commission de sélection décide si elle entend le candidat qui n'a pas réussi l'assessment et motive sa décision par référence aux critères de réussite de l'assessment prévus dans l'appel à candidatures considéré. ]1
  
Art. 449. § 1. [1 Een lid van de commissie dat zich in een situatie bevindt die zijn onpartijdigheid in het gedrang kan brengen of dat zich in de onmogelijkheid bevindt om te zetelen, om welke reden dan ook, wordt vervangen door een lid uit de [2 lijst van plaatsvervangers ]2 die is aangelegd op grond van artikel 446, tweede lid]1.
  § 2. De leden van de selectiecommissie zijn tot de geheimhoudingsplicht gehouden wat betreft de debatten en deliberaties, alsook met betrekking tot iedere informatie waar ze kennis van hebben gekregen in de uitoefening van hun opdracht.
  [2 Indien een lid van de commissie de verplichtingen in het eerste lid niet nakomt, kan de Regering deze persoon, na een met redenen omkleed advies door de Minister van Openbaar Ambt, vervangen door een persoon voorkomend op de lijst van plaatsvervangers, opgesteld volgens artikel 446, tweede lid .]2
  § 3. De tekst van onderhavige bepaling wordt gevoegd bij de mededeling van de samenstelling van de selectiecommissie.
  
Art. 449. § 1er. Aucun membre de la commission ne peut siéger s'il se trouve dans une situation de nature à mettre en péril son impartialité. [1 Le membre de la commission se trouvant dans une situation de nature à mettre en péril son impartialité ou se trouvant dans l'impossibilité de siéger pour quelque raison que ce soit est remplacé par un membre de [2 la liste des suppléants]2 constituée sur la base de l'article 446, alinéa 2. ]1
  § 2. Les membres de la commission de sélection sont liés par le secret en ce qui concerne les débats et délibérations ainsi que pour toute information dont ils auraient eu connaissance dans l'exercice de leur mission.
  [2 En cas de manquement aux obligations, mentionnées au premier alinéa, de la part d'un membre de la commission, le Gouvernement, après avis motivé du Ministre de la Fonction Publique, peut procéder au remplacement de ce membre par une personne figurant sur la liste de suppléants établie conformément à l'article 446, deuxième alinéa.]2
  § 3. Le texte de la présente disposition est joint à la notification de la composition de la commission de sélection.
  
HOOFDSTUK IV. - De selectieprocedure
CHAPITRE IV. - De la procédure de sélection
Afdeling 1. - De ontvankelijkheid
Section 1re. - De la recevabilité
Art. 451. De selectiecommissie toetst de ontvankelijkheidsvoorwaarden van de kandidaturen.
  De kandidaten die niet aan deze voorwaarden beantwoorden worden uitgesloten uit de selectie door een gemotiveerde beslissing van de commissie. Deze beslissing wordt aan de uitgesloten kandidaten betekend per aangetekende brief met vermelding van de beroepsmogelijkheden. Bij het verstrijken van de beroepstermijn, wordt de beslissing definitief.
  Iedere kandidaat kan, binnen de tien dagen volgend op die betekening, een bezwaar indienen per aangetekende brief aan de voorzitter van de commissie. Hij mag vragen om te worden gehoord. De kandidaat mag zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
  Na onderzoek van het bezwaar neemt de commissie een definitieve beslissing over de ontvankelijkheid en betekent ze haar beslissing per aangetekende brief.
Art. 451. La commission de sélection vérifie les conditions d'admissibilité des candidatures.
  Les candidats qui ne satisfont pas à ces conditions sont exclus de la sélection par décision motivée de la commission. Cette décision est notifiée aux candidats exclus par lettre recommandée avec indications des voies de recours. A l'expiration du délai de recours, la décision d'exclusion devient définitive.
  Dans les dix jours qui suivent cette notification, chaque candidat peut introduire une réclamation par lettre recommandée auprès du Président de la commission. Il peut demander à être entendu. Le candidat peut se faire assister par une personne de son choix.
  Après examen de la réclamation, la commission statue définitivement sur l'admissibilité et notifie sa décision par lettre recommandée.
Afdeling 2. - De selectie
Section 2. - De la sélection
Art. 452. De selectiecommissie nodigt de kandidaten wier kandidatuur ontvankelijk werd verklaard, uit voor een assessment.
  Het assessment bestaat uit een geheel van simulatie-oefeningen die worden voorzien om na te gaan of iemand beschikt over de vereiste vaardigheden en capaciteiten voor een [1 ...]1 betrekking.
  Het wordt door Brussel Openbaar Ambt georganiseerd.
  [1 Kandidaten die geslaagd zijn voor het assessment dienen deze niet opnieuw af te leggen indien zij zich kandidaat stellen voor een functie van dezelfde of lagere rang.
   De geldigheidsduur van de vrijstelling bedraagt 2 jaar te rekenen vanaf de dag van de kennisgeving van het welslagen van het assessment.]1

  
Art. 452. La Commisssion de sélection invite à un assessment les candidats dont la candidature a été déclarée recevable.
  L'assessment consiste en un ensemble d'exercices de simulation destinés à vérifier les compétences et les capacités requises pour un poste [1 ...]1.
  Il est organisé par Bruxelles Fonction publique.
  [1 Les candidats qui ont réussi l'assessment ne sont pas tenus de le présenter à nouveau lorsqu'ils postulent pour une fonction de même rang ou de rang inférieur.
   La durée de validité de la dispense est de deux ans à compter du jour de la notification de la réussite de l'assessment. ]1

  
Art. 453. De selectiecommissie brengt een gemotiveerd advies uit rekening houdend met :
  - de overeenstemming van het profiel van de kandidaat met de functiebeschrijving, gecontroleerd op het ogenblik van de hoorzitting voorzien in artikel 448, § 2;
  - de titels en verdiensten die de kandidaat laat gelden;
  - het resultaat van het assessment.
  Na afloop van de selectie en na analyse van hun kandidatuur, worden de kandidaten bij gemotiveerde beslissing ingeschreven in hetzij groep A "geschikt", hetzij groep B "niet geschikt".
  In groep A worden de kandidaten gerangschikt.
  [1 Indien er een ex-aequo is tussen de kandidaten in groep A "geschikt", wordt de genderpariteit in acht genomen bij de aanduiding als bedoeld in artikel 454, met een maximumverschil van niet meer dan een verhouding van 40/60 procent]1.
  [1 De bepaling in het voorgaande lid is van toepassing in overeenstemming met de bepalingen inzake positieve acties opgenomen in artikel 16 van het Gezamenlijk decreet en ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie van 04-04-2024 houdende het Brussels Wetboek inzake de gelijkheid, de non-discriminatie en de bevordering van diversiteit. De bepaling in het voorgaande lid is niet van toepassing wanneer het aantal kandidaten van beide genders ingeschreven in groep A "geschikt" onvoldoende is of wanneer er een ex-aequo is tussen personen die niet kiezen voor het gender "M" of "V" en die in groep A "geschikt" zijn opgenome.]1
  
Art. 453. La commission de sélection émet un avis motivé en tenant compte :
  - de l'adéquation entre le profil du candidat et la description de fonction, vérifiée lors de l'audition prévue à l'article 448, § 2;
  - des titres et mérites que le candidat fait valoir;
  - du résultat de l'assessment.
  Au terme de la sélection et après analyse de leur candidature, les candidats sont inscrits, par décision motivée, soit dans le groupe A " apte ", soit dans le groupe B " non apte ".
  Dans le groupe A, les candidats sont classés.
  [1 En cas d'ex-aequo entre les candidats inscrits dans le groupe A " apte ", la parité des genres sera respectée lors de la désignation visée à l'article 454, avec un écart maximum n'excédant pas une proportion de 40/60 pourcent]1.
  [1 La disposition prévue à l'alinéa précédent s'applique dans le respect des dispositions relatives aux actions positives prévues à l'article 16 du décret et ordonnance conjoints de la Région de Bruxelles-Capitale, de la Commission communautaire commune et de la Commission communautaire française du 04-04-2024 portant le Code bruxellois de l'égalité, de la non-discrimination et de la promotion de la diversité. La disposition visée à l'alinéa précédent ne s'applique pas lorsque le nombre de candidats des deux genres inscrits dans le groupe A " apte " est insuffisant ou lorsqu'il y a un ex-aequo entre des personnes n'optant pas pour le genre " M " ou " F " et qui sont reprises dans le groupe A " apte]1
  
Afdeling 3. - De aanwijzing van de mandaathouders
Section 3. - De la désignation des mandataires
Art. 454. De Regering duidt de mandaathouder aan onder de kandidaten van groep A. Ze motiveert haar beslissing.
Art. 454. Le Gouvernement désigne le mandataire parmi les candidats du groupe A. Il motive sa décision.
TITEL III. - Administratieve en geldelijke situatie
TITRE III. - Situation administrative et pécuniaire
HOOFDSTUK 1. - Administratieve situatie
CHAPITRE Ier. - De la situation administrative
Afdeling 1. - De aard van de arbeidsrelatie
Section 1re. - De la nature de la relation de travail
Art. 455. [1 Het mandaat wordt uitgeoefend in het kader van een tijdelijk statutair dienstverband. Het verschaft geen enkel recht op een vaste benoeming in de desbetreffende functie ]1
  
Art. 455. [1 Le mandat s'exerce dans le cadre d'une relation statutaire temporaire. Il ne donne aucun droit à une nomination définitive à la fonction qu'il confère ]1.
  
Afdeling 2. - De uitoefening van het mandaat
Section 2. - De l'exercice du mandat
Art. 456. De mandaathouder oefent het mandaat daadwerkelijk uit.
  In geval hij het mandaat niet kan uitoefenen wegens overlijden, langdurige ziekte, zwangerschapsverlof, schorsing in het belang van de dienst, ontslag of enige andere reden die hem verhindert zijn mandaat uit te oefenen, kan de Regering het mandaat tijdelijk toekennen aan een ander personeelslid voor [1 een periode van maximum zes maanden die hernieuwd kan worden]1.
  In dit geval, is de Regering niet gehouden door de bepalingen bedoeld in artikelen 443 tot 455.
  De Regering spreekt zich bij gemotiveerde beslissing uit over de titels en verdiensten van de kandidaten.
  
Art. 456. Le mandataire exerce effectivement le mandat.
  Dans le cas où il ne peut pas exercer le mandat pour cause de décès, de maladie de longue durée, de congé de maternité, de suspension dans l'intérêt du service, de démission, ou pour toute autre raison qui l'empêche d'exercer son mandat, le Gouvernement peut confier temporairement le mandat à un autre membre du personnel pour [1 une durée maximum de six mois qui peut être renouvelée]1.
  Dans cette hypothèse, le Gouvernement n'est pas tenu par les dispositions des articles 443 à 455.
  Le Gouvernement statue par décision motivée sur base des titres et mérites des candidats.
  
Art. 457. De mandaathouder oefent zijn taak voltijds uit.
  Tijdens zijn mandaat kan hij :
  1° geen verlof voor loopbaanonderbreking krijgen, uitgezonderd als dit het ouderschapsverlof, de palliatieve verzorging en de zorgen in geval van ernstige ziekte betreft;
  2° geen verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen, om een ambt uit te oefenen in het kabinet van een minister of om een functie uit te oefenen bij een erkende politieke fractie;
  3° geen politiek verlof krijgen;
  4° geen verlof krijgen voor een stage of een proefperiode in een andere betrekking van een overheidsdienst;
  5° geen verlof krijgen voor opleiding;
  6° geen verlof krijgen om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps burgerlijke veiligheid als vrijwilliger bij dit korps of om cursussen bij te wonen van de school van het korps voor civiele bescherming
  7° geen verlof voor opdracht van algemeen belang krijgen;
  8° geen toelating verkrijgen om zijn functies uit te oefenen met verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheden, in het kader van de vierdagenweek en in het kader van een halftijds werk vanaf 50 of 55 jaar;
  9° geen verlof krijgen voor persoonlijke aangelegenheden;
  10° geen verlof krijgen om ter beschikking gesteld te worden van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België;
  11° geen ouderschapsverlof krijgen buiten de loopbaanonderbreking.
  12° geen toelating verkrijgen om een functie van bestuurder uit te oefenen in een beheerscomité van een publiek- of privaatrechtelijke vennootschap of van een vereniging zonder winstoogmerk waarvan het maatschappelijk doel onder de bevoegdheid valt van de uitgeoefende mandaatfunctie.
  [1 13° geen verlof krijgen voor intraregionale mobiliteit.]1
  
Art. 457. Le mandataire exerce sa tâche à temps plein.
  Pendant son mandat, il ne peut obtenir :
  1° un congé pour interruption de la carrière professionnelle sauf si celle-ci vise le congé parental, les soins palliatifs et les soins en cas de maladie grave;
  2° un congé pour présenter sa candidature aux élections, pour détachement auprès d'un cabinet ministériel ou pour l'exercice d'une fonction auprès d'un groupe politique reconnu;
  3° un congé politique;
  4° un congé pour accomplir un stage ou une période d'essai dans un autre emploi d'un service public;
  5° un congé de formation;
  6° un congé pour remplir en temps de paix des prestations au Corps de protection civile, en qualité d'engagé volontaire à ce corps ou suivre les cours de l'école du corps de la protection civile;
  7° un congé pour mission d'intérêt général;
  8° l'autorisation d'exercer ses fonctions par prestations réduites pour convenance personnelle, dans le cadre de la semaine de quatre jours et dans le cadre du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans;
  9° un congé pour convenances personnelles;
  10° un congé pour être mis à disposition du Roi ou des Princes et Princesses de Belgique;
  11° un congé parental hors de l'interruption de carrière.
  12° l'autorisation d'exercer une fonction d'administrateur dans un comité de gestion d'une société de droit public ou privé ou d'une association sans but lucratif dont l'objet social entre dans le champ des compétences de sa fonction.
  [1 13° un congé pour mobilité intrarégionale. ]1
  
HOOFDSTUK II. - Geldelijke situatie
CHAPITRE II. - De la situation pécuniaire
Art. 458. De Regering bepaalt de weddeschaal van de mandataris overeenkomstig artikel 341 in de functiebeschrijving beoogd in het artikel 444.
  § 2. De weddeschaal van de mandataris wordt gewogen met toepassing van de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van dit besluit.
  Voor elk van de in vorig lid bedoelde criteria worden punten toegekend overeenkomstig bijlage IV van dit besluit.
Art. 458. § 1er. Le Gouvernement fixe l'échelle de traitement du mandataire conformément à l'article 341 dans la description de fonction visée à l'article 444.
  § 2. L'échelle de traitement du mandataire fait l'objet d'une pondération par application des critères figurant à l'annexe III du présent arrêté.
  Pour chacun des critères visés à l'alinéa précédent, des points sont attribués conformément à l'annexe IV du présent arrêté.
Art. 459. De mandaathouder heeft geen recht op de toelage voor overuren bedoeld in artikelen 361 to 364.
Art. 459. Le mandataire n'a pas droit aux allocations pour heures supplémentaires visées aux articles 361 à 364.
Art. 460. De mandaathouder heeft geen recht op een uitmuntendheidstoelage of op een projecttoelage.
Art. 460. Le mandataire n'a pas droit à une prime de projet.
Art. 461. § 1. De ambtenaar die houder is van een mandaat, ontvangt een mandaatpremie waarvan het jaarlijks bedrag gelijk is aan :
  1° voor de ambtenaren van rang A7 en A6 : 4.000 euro;
  2° voor de ambtenaren van rang A4+ en A5 : 3.000 euro.
  3° voor de ambtenaren van rang A4 : 2.000 euro.
  De mandaatpremie wordt maandelijks uitbetaald onder dezelfde voorwaarden als de wedde. Ze wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01.
  In het geval van onderbreking van de uitoefening van het mandaat is de premie slechts verschuldigd als die onderbreking niet langer duurt dan dertig werkdagen en de mandaathouder het recht op zijn wedde niet verliest.
  § 2. Indien de vermelding "gunstig" zoals bedoeld in artikel 471, lid 1 hem werd toegekend, wordt de mandaatpremie van de mandaathouder verdubbeld voor de periode waarop de evaluatie betrekking heeft.
  De verdubbeling van de mandaatpremie wordt aan de mandaathouders betaald binnen de drie maanden na de evaluatie.
Art. 461. § 1er. L'agent détenteur d'un mandat, reçoit une prime de mandat dont le montant annuel s'élève à :
  1° pour les agents des rangs A7 et A6 : 4.000 euros;
  2° pour les agents des rangs A4+ et A5 : 3.000 euros.
  3° pour les agents des rangs A4 : 2.000 euros.
  La prime de mandat est payée mensuellement aux mêmes conditions que le traitement. Elle est liée à l'indice-pivot 138,01.
  En cas d'interruption de l'exercice du mandat, la prime n'est due que si cette interruption ne dépasse pas trente jours ouvrables et n'enlève pas au mandataire le bénéfice de son traitement.
  § 2. Si la mention " favorable " visée à l'article 471, alinéa 1er lui a été attribuée, la prime de mandat du mandataire est doublée pour la période sur laquelle porte l'évaluation.
  Le doublement de la prime mandataire est payé dans les trois mois qui suivent l'évaluation.
HOOFDSTUK III. - Anciënniteit
CHAPITRE III. - De l'ancienneté
Art. 462. De graadanciënniteit van de mandaathouder is gelijk aan de graadanciënniteit die hij genoot in de functie die hij bekleedde vóór zijn aanstelling. De duur van het mandaat wordt meegerekend in zijn dienstanciënniteit, graadanciënniteit en geldelijke anciënniteit.
Art. 462. L'ancienneté de grade de l'agent détenteur du mandat est égale à son ancienneté dans le grade qu'il portait avant son affectation. La durée du mandat est comptabilisée dans ses anciennetés de service, de grade et pécuniaire.
TITEL IV. - De evaluatie
TITRE IV. - De l'évaluation
HOOFDSTUK 1. - Evaluatiecommissie
CHAPITRE Ier. - Commission d'évaluation
Art. 463. Met het oog op de evaluatie van de mandaathouders bedoeld in artikel 437 wordt er een evaluatiecommissie opgericht. De evaluatiecommissie bestaat uit [1 vijf]1 leden die beschikken over expertise met betrekking tot overheidsmanagement en die niet behoren tot diensten die ressorteren onder het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.[1 ...]1
  De Regering wijst, op voordracht van de minister, de leden van de evaluatiecommissie aan alsook de voorzitter en de ondervoorzitter onder hen. De voorzitter en ondervoorzitter behoren tot een verschillende taalrol. De Regering wijst eveneens op voordracht van de minister zeven plaatsvervangende leden aan die beantwoorden aan dezelfde criteria als de effectieve leden. Wanneer één van de leden afwezig of verhinderd is, wijst de voorzitter het plaatsvervangend lid aan dat hem zal vervangen.
  De leden worden aangesteld voor een periode van vijf jaar. Hun aanwijzing is hernieuwbaar.
  Ten hoogste twee derden van de leden van de evaluatiecommissie behoren tot hetzelfde [1 gender]1.
  De minister duidt minstens twee effectieve en minstens twee plaatsvervangende secretarissen aan van een verschillende taalrol om de evaluatiecommissie bij te staan.
  De minister bepaalt de vergoeding toegekend aan de voorzitter en de leden van de evaluatiecommissie.
  De Regering, op voorstel van de minister, stelt het huishoudelijk reglement van de evaluatiecommissies op .
  Geen lid van de evaluatiecommissie mag zetelen wanneer hij zich in een situatie bevindt die ertoe kan leiden dat zijn onpartijdigheid in het gedrang wordt gebracht.
  De leden van de evaluatiecommissie zijn gebonden door geheimhouding omtrent de beraadslagingen en besluiten alsmede aangaande alle informatie waarvan zij kennis zouden hebben gekregen bij het uitvoeren van hun opdracht.
  [1 Indien er inbreuken vastgesteld worden tegen de bepalingen van het achtste en negende lid, dient het betrokken lid van de commissie vervangen te worden door een lid uit de lijst van de plaatsvervangers zoals bepaald in het tweede lid.
   De Regering, op voorstel van de Minister bevoegd voor Openbaar Ambt, stelt een extern bureau aan die de evaluatiecommissie bijstaat en ondersteunt bij elke objectieve evaluatie van de betrokken mandaathouder. Om tot haar verslag te komen dient het extern bureau over het evaluatiedossier te beschikken met de in artikel 468 van het Statuut bedoelde gegevens en documenten.
   Het extern bureau kan de hiërarchisch meerdere van de geëvalueerde mandaathouder horen, alsook de personeelsleden die onder direct gezag staan van laatstgenoemde. Daarnaast kan zij ook externe belanghebbenden horen waarmee de desbetreffende gewestelijke overheidsdienst Brussel duurzaam samenwerkt om haar doelstellingen te behalen of externe belanghebbenden die afhankelijk zijn van deze gewestelijke overheidsdienst Brussel.
   Het extern bureau, verantwoordelijke voor gegevensverwerking, vermeldt in haar verslag niet de identiteit van de gehoorde personeelsleden die onder het direct gezag staan van de geëvalueerde mandaathouder. Het extern bureau zorgt er ook voor dat haar verslag, voor zover mogelijk, geen elementen of informatie bevat die het mogelijk maakt om de personeelsleden te identificeren die onder het directe gezag van de geëvalueerde mandaathouder stonden en die werden geïnterviewd, alsook de personen die de externe belanghebbenden vertegenwoordigen.
   Het extern bureau mag de persoonsgegevens waarover zij beschikt in het kader van de uitoefening van haar taak maximaal één jaar bewaren na de kennisgeving van haar verslag aan de leden van de evaluatiecommissie. Aan het einde van deze periode gaat zij over tot het vernietigen van de bewaarde persoonsgegevens.]1

  
Art. 463. Il est créé une commission d'évaluation chargée de l'évaluation des titulaires de mandat visés à l'article 437. La commission d'évaluation est composée de [1 cinq]1 membres qui disposent d'une expertise en rapport avec le management du secteur public et qui ne ressortissent pas aux services qui relèvent de la Région de Bruxelles-Capitale. [1 ...]1
  Le Gouvernement, sur la proposition du ministre, désigne les membres de la commission d'évaluation ainsi que le président et le vice-président parmi ceux-ci. Le président et le vice-président sont de rôle linguistique différent. Le Gouvernement désigne également sur proposition du ministre sept membres suppléants qui répondent aux mêmes critères que les membres effectifs. En cas d'absence ou d'empêchement d'un membre, un suppléant est désigné par le président.
  Les membres sont désignés pour une période de cinq ans. Leur désignation est renouvelable.
  Les deux tiers au plus des membres appartiennent au même [1 genre]1.
  Le ministre désigne au moins deux secrétaires effectifs et aux moins deux secrétaires suppléants de rôle linguistique différent pour assister la commission d'évaluation.
  Le ministre fixe l'allocation accordée au président et aux membres de la commission d'évaluation.
  Le Gouvernement établit, sur la proposition du ministre, le règlement d'ordre intérieur des commissions d'évaluation.
  Aucun membre de la commission d'évaluation ne peut siéger s'il se trouve dans une situation de nature à mettre en péril son impartialité.
  Les membres de la commission d'évaluation sont liés par le secret en ce qui concerne les débats et délibérations ainsi que pour toute information dont ils auraient eu connaissance dans l'exercice de leur mission.
  [1 Si des violations des dispositions des huitième et neuvième alinéas sont constatées, le membre de la commission concerné est remplacé par un membre figurant sur la liste des suppléants visée à l'alinéa deux.
   Le Gouvernement, sur proposition du Ministre compétent pour la Fonction Publique, désigne un bureau externe chargé d'assister et de soutenir la commission d'évaluation, lors de chaque évaluation objective du mandataire concerné. Pour rendre son rapport, le bureau externe dispose du dossier d'évaluation reprenant les données et documents visés à l'article 468 du statut.
   Le bureau externe peut entendre le supérieur hiérarchique du mandataire évalué, ainsi que les membres du personnel placés sous l'autorité directe de ce dernier. Il peut également entendre des parties prenantes externes avec lesquelles le service public régional de Bruxelles concerné coopère durablement pour atteindre ses objectifs ou qui dépendent de ce service public régional.
   Le bureau externe, responsable du traitement des données, ne reprend pas, dans son rapport, l'identité des membres du personnel placés sous l'autorité directe du mandataire évalué qui ont été entendus. Le bureau externe s'assure également que son rapport ne contient pas, dans la mesure du possible, d'éléments ou d'informations permettant d'identifier les membres du personnel placés sous l'autorité directe du mandataire évalué qui ont été entendus, ainsi que les personnes physiques représentant les parties prenantes externes.
   Le bureau externe peut conserver les données à caractère personnel en sa possession dans l'exercice de ses fonctions pendant une période maximale d'un an après avoir notifié son rapport aux membres de la commission d'évaluation. A l'issue de cette période, il procède à la destruction des données à caractère personnel conservées].-1
  
HOOFDSTUK II. - Het verloop van de evaluatie
CHAPITRE II. - Du déroulement de l'évaluation
Afdeling 1. - Voorwerp van evaluatie
Section 1re. - Objet de l'évaluation
Art. 464. De evaluatie heeft betrekking op de managementvaardigheden en de competenties van de mandataris zoals omschreven in de functiebeschrijving boedoeld in artikel 444. De volgende elementen worden in dat verband mee in overweging genomen :
  - De realisatie van de doelstellingen voorzien in artikel 440 en van het beheersplan;
  - De manier waarop de doelstellingen al dan niet bereikt zijn.
Art. 464. L'évaluation porte sur les capacités de gestion et les compétences du mandataire telles que définies dans la description de fonction visée à l'article 444. Dans ce cadre, les éléments qui suivent sont pris en considération :
  - la réalisation des objectifs visés à l'article 440 et du plan de gestion;
  - la manière dont ces objectifs ont ou non été atteints.
Afdeling 2. - De voorbereiding van het evaluatiegesprek
Section 2. - De la préparation de l'entretien d'évaluation
Art. 465. De mandaathouder stelt ter voorbereiding van elk evaluatiegesprek een [1 activiteitenverslag]1 op waarin hij de mate waarin de doelstellingen bereikt zijn alsook de middelen die gehanteerd werden, gedetailleerd beschrijft.
  De minister legt het model van de hierboven genoemde verslagen vast.
  
Art. 465. En préparation de chaque entretien d'évaluation, le mandataire rédige un [1 rapport d'activités ]1 détaillant dans quelle mesure les objectifs qui lui sont assignés sont atteints et les moyens qui ont été mis en oeuvre pour y parvenir.
  Le ministre arrête le modèle des rapports susmentionnés.
  
Art. 466. De evaluatiecommissie neemt kennis van het verslag die aan hem door de mandaathouder meegedeld werd en stuurt een kopie aan de betrokken minister(s) en, in voorkomend geval, aan de secretaris generaal en de adjunct secretaris generaal.
Art. 466. La commission d'évaluation prend connaissance du rapport qui lui est communiqué par le mandataire et en transmet copie au(x) ministre(s) concerné(s) et, le cas échéant, au Secrétaire général et au Secrétaire général adjoint.
Art. 467. Voor het evaluatiegesprek van de mandaathouder van rang A7 en van rang A6, wint de evaluatiecommissie het advies in van de [1 minister-president en de minister]1.
  Voor het evaluatiegesprek van mandaathouders van rang A5, wint de commissie het advies in van de functioneel bevoegde minister(s) wat betreft de realisatie van de strategische doelstellingen voorzien in artikel 440 en van de A7 en A6 wat betreft de realisatie van de transversale doelstellingen bedoeld in hetzelfde artikel.
  Voor het evaluatiegesprek van mandaathouders van rang A4, wint de commissie het advies in van de functioneel bevoegde minister(s) en van de mandaathouder van rang A5 wat betreft de realisatie van de strategische doelstellingen voorzien in artikel 440.
  Voor wat betreft de Gewestelijke overheidsdiensten van Brussel binnen dewelke de leidende ambtenaren de Directeur generaal en de adjunct Directeur generaal zijn, wint de evaluatiecommissie voor het evaluatiegesprek van deze laatste het advies in van de functioneel bevoegde minister.
  
Art. 467. Avant l'entretien d'évaluation du mandataire de rang A7 et du rang A6, la commission d'évaluation recueille l'avis [1 ministre-président et du ministre.]1.
  Avant l'entretien d'évaluation du mandataire de rang A5, la commission recueille l'avis du ou des ministre(s) fonctionellement compétent(s) en ce qui concerne la réalisation des objectifs stratégiques visés à l'article 440 et du A7 et A6 en ce qui concerne la réalisation des objectifs transversaux visés au même article.
  Avant l'entretien d'évaluation du mandataire de rang A4, la commission recueille l'avis du ou des ministre(s) fonctionellement compétent(s) et du mandataire de rang A5 en ce qui concerne la réalisation des objectifs visés à l'article 440.
  Pour ce qui concerne les Services publics régionaux de Bruxelles dans lesquels les fonctionnaires dirigeants sont le Directeur général et le Directeur général adjoint, avant l'entretien d'évaluation de ceux-ci, la commission d'évaluation recueille l'avis du ministre fonctionellement compétent.
  
Art. 468. [1 De evaluatiecommissie bepaalt in artikel 463, eerste lid, nodigt vervolgens de mandaathouder voor een evaluatiegesprek uit.
   De mandaathouder kan verzoeken om mededeling van zijn evaluatiedossier.
   Het evaluatiedossier bevat:
   1° de functiebeschrijving;
   2° de transversale en strategische doelstellingen;
   3° het advies of adviezen bepaalt in artikel 467;
   4° het evaluatieverslag en eventuele eerdere evaluatieverslagen;
   5° het activiteitenverslag bepaalt in artikel 465;
   6° het verslag verleend door het extern bureau, vermeld in artikel 463, elfde lid;
   7° elk document dat de mandaathouder wenst te laten toevoegen aan zijn dossier op voorwaarde dat deze documenten ten laatste 10 dagen voor het evaluatiegesprek worden toegezonden aan het secretariaat van Brussel Openbaar Ambt belast met de selectie- en evaluatiecommissies van mandaathouders. In geval van laattijdige indiening van deze documenten, zal de evaluatiecommissie er geen rekening mee houden.
   De evaluatiecommissie neemt een beslissing op basis van de verschillende elementen in het evaluatiedossier, de elementen die naar voor zijn gekomen tijdens het evaluatiegesprek, en de bepalingen van artikel 464.
   De evaluatiecommissie mag de persoonsgegevens waarover zij beschikt in het kader van de uitoefening van haar taak maximaal één jaar bewaren nadat zij haar beslissing heeft genomen. Aan het einde van deze periode gaat zij over tot het vernietigen van de bewaarde persoonsgegevens ]1
.
  
Art. 468. [1 La commission d'évaluation prévue à l'article 463, premier alinéa, invite ensuite le mandataire à un entretien d'évaluation.
   Le mandataire peut demander la communication de son dossier d'évaluation.
   Le dossier d'évaluation contient :
   1° la description de fonction ;
   2° les objectifs transversaux et stratégiques ;
   3° l'avis ou les avis tel(s) que visé(s) à l'article 467;
   4° le rapport d'évaluation ainsi que les éventuels précédents rapports d'évaluation ;
   5° le rapport d'activités visé à l'article 465 ;
   6° le rapport rendu par le bureau externe mentionné à l'article 463, onzième alinéa;
   7° tout document que le mandataire souhaite voir ajouter à son dossier, à condition que ces documents soient transmis au secrétariat de Bruxelles Fonction Publique chargé des commissions de sélection et d'évaluation des mandataires au plus tard 10 jours avant l'entretien d'évaluation. En cas de remise tardive de ces documents, la commission d'évaluation n'en tient pas compte.
   La commission d'évaluation rend une décision sur base des différents éléments composant le dossier d'évaluation, des éléments qui ont émergé lors de l'entretien d'évaluation, et des dispositions de l'article 464.
   La commission d'évaluation peut conserver les données à caractère personnel en sa possession dans l'exercice de ses fonctions pendant une période maximale d'un an après avoir rendu sa décision. A l'issue de cette période, elle procède à la destruction des données à caractère personnel conservées ]1
.
  
Art. 469. De evaluatiecommissie houdt rekening met de eventuele verandering van de doelstellingen met toepassing van artikel 441, § 3.
Art. 469. La commission d'évaluation tient compte du changement éventuel des objectifs en application de l'article 441, § 3.
Afdeling 3. - Het evaluatieverslag en de vermelding
Section 3. - Du rapport d'évaluation et de la mention
Art. 470. Na het evaluatiegesprek stelt de evaluatiecommissie een evaluatieverslag op en stelt een vermelding vast.
  Het evaluatieverslag wordt tegen ontvangstbewijs overgemaakt aan de mandaathouder.
Art. 470. A l'issue de l'entretien d'évaluation, la commission d'évaluation rédige un rapport d'évaluation et arrête une mention.
  Le rapport d'évaluation est transmis, contre accusé de réception, au mandataire.
Art. 471. De vermelding gunstig" wordt toegekend aan de mandaathouder wanneer hij de doelen die hem werden gesteld bereikt heeft, wanneer zijn bijdrage bij het behalen van deze doelen bewezen is.
  De vermelding "voldoende" wordt toegekend aan de mandaathouder wanneer hij zijn doelstellingen gedeeltelijk bereikt heeft, maar er substantiële verbeteringen dienen te worden aangebracht teneinde de aan hem toevertrouwde managementopdracht op een optimale en volmaakte manier te kunnen uitoefenen of wanneer zijn persoonlijke bijdrage bij het behalen van deze doelstellingen beperkt bleef.
  De vermelding "ongunstig" wordt toegekend aan de mandaathouder wanneer de evaluatie aantoont dat de werking van de mandaathouder niet het verwachte niveau haalt of wanneer de toegewezen doelstellingen niet bereikt werden of wanneer deze doelstellingen niet op een optimale manier bereikt werden of wanneer zijn persoonlijke bijdrage aan het behalen van de doelstellingen zeer gering is.
  In haar evaluatie moet de evaluatiecommissie rekening houden met onvoorziene omstandigheden of omstandigheden onafhankelijk van de wil van de geëvalueerde, die het geheel of gedeeltelijk realiseren van de vastgestelde doelstellingen onmogelijk hebben gemaakt.
Art. 471. La mention " favorable " est attribuée au mandataire lorsque celui-ci a atteint les objectifs qui lui sont assignés, que sa contribution à l'atteinte de ces objectifs est avérée.
  La mention " satisfaisant " est attribuée au mandataire lorsque celui-ci a partiellement réalisé ses objectifs mais que des améliorations substantielles doivent être apportées en vue d'exercer la mission de gestion confiée de façon optimale et complète ou que sa contribution personnelle à l'atteinte de ces objectifs est limitée.
  La mention " défavorable " est attribuée au mandataire lorsqu'il ressort de l'évaluation que le fonctionnement du mandataire est inférieur au niveau attendu ou que les objectifs assignés n'ont pas été atteints ou que la manière d'atteindre ces objectifs n'a pas été optimale ou que sa contribution personnelle à l'atteinte des objectifs est faible.
  Dans son évaluation, la commission d'évaluation doit tenir compte des circonstances imprévisibles ou indépendantes, qui ont rendu impossible la réalisation totale ou partielle des objectifs fixés.
Art. 472. § 1. De mandaathouder wordt opgeroepen voor een eerste evaluatiegesprek twee jaar na het begin van het mandaat, en ten laatste twee jaar en drie maanden na het begin van het mandaat. Indien bij deze evaluatie de vermelding "ongunstig" wordt verkregen, vindt een bijkomende evaluatie plaats binnen een termijn van zes maanden na de datum van kennisgeving van deze eerste evaluatie. Als de bijkomende evaluatie resulteert in het toekennen van de vermelding "ongunstig" aan de mandaathouder, eindigt zijn mandaat definitief en kan hij niet deelnemen aan de volgende aanwijzingsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt.
  § 2. Een tweede evaluatie heeft plaats zes maanden voor het einde van het mandaat.
  Indien de mandaathouder de vermelding "voldoende" verkrijgt, dan wordt zijn mandaat niet verlengd, maar kan hij deelnemen aan de volgende toekenningsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt.
  Indien de mandaathouder de vermelding "ongunstig" verkrijgt, dan wordt zijn mandaat definitief beëindigd en kan hij niet deelnemen aan de nieuwe toekenningsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt.
  Indien de mandaathouder na deze tweede evaluatie de vermelding "gunstig" verkrijgt, kan de Regering zijn mandaat alleen een keer verlengen zonder dat er wordt overgegaan tot een nieuwe toekenningsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt. [1 De doelstellingen voor het nieuwe mandaat worden vastgelegd zoals bepaald in artikel 441, § 1. De mandaathouder stelt, binnen de drie maanden na kennisgeving van de nieuwe doelstellingen door het secretariaat van Brussel Openbaar Ambt belast met de selectie- en evaluatiecommissies van mandaathouders, een beheersplan op, waarvan de inhoud bedoeld is in artikel 441, § 3, dat rekening houdt met de te bereiken doelstellingen vastgelegd door de overheid]1.
  
Art. 472. § 1er.Le mandataire est convoqué à un premier entretien d'évaluation deux ans après le début du mandat, et au plus tard deux ans et trois mois après le début du mandat. . Au cas où cette évaluation se termine par la mention " défavorable ", une évaluation complémentaire a lieu dans un délai de six mois après la date de la notification de cette première évaluation. Si la mention attribuée au mandataire à l'issue de l'évaluation complémentaire est " défavorable ", son mandat prend fin définitivement et il ne peut participer à la prochaine procédure de désignation au poste de mandat qu'il occupe.
  § 2. Une seconde évaluation a lieu six mois avant la fin du mandat.
  Si la mention attribuée au mandataire est " satisfaisant ", son mandat n'est pas renouvelé mais il peut participer à la prochaine procédure de désignation au poste de mandat qu'il occupe.
  Si la mention attribuée au mandataire est " défavorable ", son mandat prend fin définitivement et il ne peut participer à la nouvelle procédure de désignation au poste de mandat qu'il occupe.
  Si, à l'issue de cette seconde évaluation, la mention attribuée au mandataire est " favorable ", le Gouvernement peut renouveler une seule fois son mandat sans qu'il soit procédé à une nouvelle procédure de désignation au poste de mandat qu'il occupe. [1 Les objectifs du nouveau mandat sont fixés selon les modalités prévues à l'article 441, § 1er. Dans les trois mois suivant la notification des nouveaux objectifs qui lui est faite par le secrétariat de Bruxelles Fonction Publique chargé des commissions de sélection et d'évaluation des mandataires, le mandataire rédige un plan de gestion, dont le contenu est visé à l'article 441, § 3, qui tient compte des objectifs à atteindre fixés par l'autorité.]1.
  
Afdeling 4. - Beroepsprocedure
Section 4. - Des voies de recours
Art. 473. De mandaathouder die niet akkoord gaat met de vermelding [2 ...]2 "ongunstig" beschikt over veertien dagen vanaf de betekening van zijn evaluatie om schriftelijk beroep in te dienen bij de Regering. [2 Het verzoekschrift moet worden betekend aan de minister.]2
  [1 ...]1
  Het instellen van beroep heeft schorsende werking.
  De Regering spreekt zich uit over het beroep van de mandaathouder.
  
Art. 473. Le mandataire qui ne marque pas son accord sur la mention [2 ...]2 " défavorable " dispose de quatorze jours à partir de la notification de son évaluation pour introduire un recours auprès du Gouvernement. [2 La requête doit être notifiée au ministre.]2
  [1 ...]1
  L'introduction du recours est suspensif.
  Le Gouvernement statue sur le recours du mandataire.
  
Art. 474. De Regering moet zich uitspreken binnen de zestig dagen na ontvangst van het verzoekschrift.
  De mandaathouder wordt op zijn verzoek gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. De Regering kan deze hoorzitting delegeren aan een Minister. Hiertoe ontvangt de Minister volmacht om de mandataris te horen. Hij stelt een gedetailleerd proces-verbaal op, verzamelt alle nuttige informatie en legt dit dossier voor aan de Regering.
Art. 474. Le Gouvernement doit se prononcer dans les soixante jours de la réception de la requête.
  A sa demande, le mandataire est entendu. Il peut se faire assister par la personne de son choix. Le Gouvernement peut déléguer cette audition à un Ministre. A cet effet, le Ministre reçoit délégation pour entendre le mandataire, en établir un procès verbal détaillé, recueillir toutes informations utiles et présenter le dossier au Gouvernement.
TITEL V. - Einde van het mandaat
TITRE V. - De la fin de mandat
HOOFDSTUK I. - Beëindiging van het mandaat van rechtswege
CHAPITRE Ier. - De la fin de mandat de plein droit
Art. 475. Onverminderd artikel 476 eindigt het mandaat na afloop van de vastgestelde duur zoals bepaald in artikel 439 of wanneer de mandaathouder de wettelijke pensioenleeftijd bereikt.
  [1 De Regering behoudt zich het recht, aan het einde van het mandaat, het mandaat met een periode van maximaal 6 maanden te verlengen, eenmalig hernieuwbaar met een periode van maximaal 6 maanden, indien nog geen nieuwe mandaathouder kon worden aangesteld.
   Als de mandaathouder aan het einde van zijn mandaat de wettelijke pensioenleeftijd nadert, kan het mandaat op verzoek van de regering worden verlengd totdat de mandaathouder de wettelijke pensioenleeftijd bereikt. Deze verlenging is in ieder geval beperkt tot maximaal 2 jaar.
   De in de twee voorgaande leden bedoelde verlengingen mogen alleen plaatsvinden indien ze bedoeld zijn om de continuïteit van de openbare dienst te verzekeren en als de mandaathouder in functie met deze verlengingen heeft ingestemd en als zijn laatste evaluatie gunstig is.
   De transversale en strategische doelstellingen van de mandaathouder blijven, tijdens deze verlengingen, identiek aan de transversale en strategische doelstellingen die van kracht waren aan het einde van het mandaat dat werd verlengd.]1

  
Art. 475. Sans préjudice de l'article 476, le mandat prend fin à l'expiration de la durée fixée à l'article 439 ou lorsque le mandataire atteint l'âge légal de la pension.
  [1 Le Gouvernement se réserve le droit, au terme du mandat, de prolonger ledit mandat pour une période de six mois au maximum, renouvelable une seule fois pour une nouvelle durée maximale de 6 mois, si un nouveau mandataire n'a pas encore pu être désigné.
   Si le titulaire du mandat, au terme de son mandat, est proche de l'âge légal de la pension, le mandat pourra être prolongé à la demande du Gouvernement jusqu'à ce que le titulaire du mandat atteigne l'âge légal de la pension. Cette prolongation est en tout état de cause limitée à 2 ans maximum.
   Les prolongations prévues aux deux alinéas précédents ne pourront s'effectuer que si elles visent à assurer la continuité du service public et pour autant que le mandataire en fonction ait marqué son accord sur ces prolongations et que sa dernière évaluation soit favorable.
   Les objectifs transversaux et stratégiques du mandataire restent identiques, lors de ces prolongations, aux objectifs transversaux et stratégiques en vigueur à la fin du mandat prolongé. ]1

  
HOOFDSTUK II. - Vroegtijdige beëindiging
CHAPITRE II. - De la fin anticipée
Art. 476. Het mandaat neemt vervroegd een einde in geval van schorsing in het belang van de dienst voor meer dan zes maanden, in geval van ononderbroken afwezigheid wegens langdurige ziekte van meer dan zes maanden, in geval van terugzetting in graad, in geval van ambtshalve ontslag, in geval van afzetting of door het vrijwillig ontslag van de mandaathouder.
  In geval van vrijwillig ontslag door de mandaathouder, is een opzegging van zes maanden vereist. Deze termijn kan in onderling akkoord verkort worden.
  Wanneer de functie beëindigd wordt voor het einde van de evaluatieperiode zoals bepaald in artikel 472, § 1 omwille van het feit dat de mandaathouder de wettelijke pensioenleeftijd bereikt, kan deze, op zijn vraag, vroegtijdig worden geëvalueerd, conform de artikelen 463 en verder voor de lopende periode van het mandaat. Indien de vermelding "gunstig", geviseerd in artikel 471, wordt toegekend aan de mandaathouder, wordt de mandaatpremie verdubbeld pro rata de periode waarop de evaluatie betrekking heeft. De verdubbeling van de premie wordt betaald voor het beëindigen van de functies door de mandaathouder.
Art. 476. Le mandat prend fin de manière anticipée en cas de suspension dans l'intérêt du service pendant plus de six mois, en cas d'absence ininterrompue pour cause de maladie de longue durée de plus de six mois, en cas de démission d'office, en cas de révocation, en cas de rétrogradation ou par la démission volontaire du mandataire.
  En cas de démission volontaire, un préavis de six mois est requis. Ce délai peut être réduit de commun accord.
  Lorsqu'en cas de cessation des fonctions avant le terme de la période d'évaluation fixée par l'article 472, § 1er, par le fait que le mandataire atteint l'âge légal de la retraite, celui-ci peut, à sa demande, être évalué anticipativement, conformément aux articles 463 et suivants pour la période de mandat en cours. Si la mention " favorable " visée à l'article 471 lui est attribuée, la prime de mandat est doublée au prorata de la période sur laquelle porte l'évaluation. Le doublement de la prime est payé avant la cessation des fonctions du mandataire.
Art. 477. Indien de evaluatie bedoeld in artikel 472, § 2, derde lid, leidt tot een vermelding "ongunstig", dan neemt het mandaat een einde op de eerste dag van de maand die volgt op de toekenning van deze vermelding[1 ...]1.
  
Art. 477. Si l'évaluation visée à l'article 472, § 2, alinéa 3, conduit à une mention " défavorable ", le mandat prend fin le premier jour du mois qui suit celui de l'attribution de la mention[1 ...]1.
  
HOOFDSTUK III. - De graad en de schaal na het mandaat
CHAPITRE III. - Du grade et de l'échelle après le mandat
Art. 478. De ambtenaar van wie het mandaat niet wordt verlengd, neemt opnieuw de laatste graad in waarin hij werd benoemd.
Art. 478. L'agent dont le mandat prend fin, retrouve le dernier grade dans lequel il est nommé
Art. 479. [1 De ambtenaar van wie het mandaat eindigt, verkrijgt opnieuw de weddeschaal verbonden aan de graad die hij genoot voordat hij zijn mandaat opnam, onverminderd de regels van de gewone functionele loopbaan bedoeld in Boek I, Titel IV, Hoofdstuk III ]1.
  
Art. 479. [1 L'agent dont le mandat prend fin, retrouve l'échelle liée au grade dont il bénéficiait avant son mandat, sans préjudice des règles de la carrière fonctionnelle visées au Livre Ier, Titre IV, Chapitre III ]1.
  
Art. 480. [1 § 1. De mandaathouder van wie het mandaat niet verlengd wordt die geen ongunstige evaluatie heeft gekregen, die niet beschikt over enig beroepsinkomen, die geen enkel verlof geniet dat hem in staat stelt zijn vorige betrekking weer op te nemen en die niet met een ander mandaat wordt bekleed, ontvangt een uittredingsvergoeding.
   De uittredingsvergoeding is gelijk aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van zes maanden indien hij één enkel volledig mandaat heeft uitgeoefend, en aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van twaalf maanden indien hij twee of meer volledige mandaten heeft uitgeoefend. Indien hij een volledig mandaat en minstens twee jaar van een tweede mandaat heeft uitgeoefend, is de uittredingsvergoeding gelijk aan de bezoldiging van de mandaathouder voor een periode van negen maanden.
   De mandaathouder die een beroepsinkomen heeft uit een deeltijds verrichte activiteit of die werkloosheidsuitkeringen krijgt, ontvangt in afwijking van het eerste lid een uittredingsvergoeding.
   In deze gevallen wordt de uittredingsvergoeding overeenkomstig het tweede lid vastgesteld en wordt ze verminderd met, afhankelijk van het geval, het beroepsinkomen of de ontvangen werkloosheidsuitkeringen. De berekeningen gebeuren op basis van brutobedragen.
   De uittredingsvergoeding voor een functie wordt maandelijks betaald. De begunstigde moet maandelijks, op de laatste werkdag van de maand, en voor de hele periode bedoeld in het tweede lid, een verklaring op eer indienen waarin staat dat hij voor de betrokken maand geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend of dat hij zich bevindt in de voorwaarden waarin het derde en vierde lid voorzien. Het overeenstemmende maandbedrag wordt aan de begunstigde uitbetaald binnen vijf werkdagen na de indiening van zijn verklaring op eer.
   De toelagen, premies en vergoedingen komen niet in aanmerking voor het bepalen van de in deze paragraaf vermelde bezoldiging.
   § 2. De mandaathouder die na de beëindiging van zijn mandaat de vermelding "gunstig" of "voldoende" krijgt op zijn evaluatie kan op zijn verzoek outplacementbegeleiding krijgen.
   Outplacement dient te worden begrepen als een geheel van diensten en advies aan de in § 1 bedoelde mandaathouder om die te helpen sneller een nieuwe betrekking of beroepsactiviteit te vinden.
   De outplacementbegeleiding wordt geregeld in een schriftelijke overeenkomst en loopt gedurende zestig uur, gespreid over een periode van ten hoogste twaalf maanden.
   De kost van de outplacement wordt in mindering gebracht van de uittredingsvergoeding.
   Volgende voorwaarden moeten vervuld zijn om outplacement te kunnen genieten:
   1. geen arbeidsovereenkomst gesloten hebben;
   2. geen zelfstandige activiteit in hoofdberoep verrichten;
   3. niet in dienst zijn als statutair of contractueel personeelslid van een overheidsdienst.
   De aanvraag voor outplacement moet bij de HRM-verantwoordelijke ingediend worden uiterlijk in de maand die volgt op de beëindiging van het mandaat.
   De outplacementbegeleiding eindigt zodra een van de voorwaarden als bedoeld in het vijfde lid niet langer vervuld is.
   De mandaathouder brengt de HRM-verantwoordelijke op de hoogte van elke wijziging in zijn beroepssituatie.
   § 3. De uittredingsvergoeding en de outplacementbegeleiding als bedoeld in §§ 1 en 2 zijn eveneens verschuldigd aan de mandaathouder van wie het mandaat vervroegd beëindigd werd bij ononderbroken langdurige afwezigheid wegens ziekte van meer dan zes maanden.
   § 4. Geen enkele uittredingsvergoeding en outplacementbegeleiding zijn verschuldigd aan de mandaathouder die de wettelijke pensioenleeftijd bereikt heeft, noch voor een mandaathouder van wie het mandaat stopgezet werd wegens een tuchtstraf, in geval van schorsing in het belang van de dienst gedurende meer dan zes maanden of een vrijwillig ontslag ]1
.
  
Art. 480. [1 § 1er. Le mandataire non reconduit qui n'a pas reçu une évaluation défavorable, qui ne bénéficie d'aucun revenu professionnel, ni d'un quelconque congé lui permettant de réintégrer son précédent emploi et qui n'est pas désigné pour un autre mandat, perçoit une indemnité de sortie de fonction.
   L'indemnité de sortie de fonction est égale, à la rémunération du mandataire pour une période de 6 mois, s'il a effectué un seul mandat complet, et à la rémunération du mandataire pour une période de 12 mois, s'il a effectué deux mandats complets ou plus. S'il a effectué un mandat complet et au moins deux années d'un deuxième mandat, l'indemnité de sortie de fonction sera égale à la rémunération du mandataire pour une période de 9 mois.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le mandataire qui perçoit un revenu professionnel en raison d'une activité exercée à temps partiel, ou qui bénéficie d'allocations de chômage, perçoit une indemnité de sortie de fonction.
   Dans ces cas, l'indemnité de sortie de fonction est fixée conformément l'alinéa 2 et diminuée, selon le cas, du revenu professionnel ou de l'allocation de chômage perçue pendant la période visée à l'alinéa 2. Les calculs sont effectués sur la base de montants bruts.
   L'indemnité de sortie de fonction est payée par mensualité. Le bénéficiaire doit mensuellement, le dernier jour ouvrable du mois, et pour toute la période visée à l'alinéa 2, introduire une déclaration sur l'honneur, établissant que, pour le mois concerné, il n'a pas exercé une activité professionnelle ou qu'il se trouve dans les conditions prévues aux alinéas 3 et 4. La mensualité correspondante est versée au bénéficiaire dans un délai de 5 jours ouvrables suivant le dépôt de sa déclaration sur l'honneur.
   Les allocations, primes et indemnités ne sont pas prises en considération pour la détermination de la rémunération visée au présent paragraphe.
   § 2. A sa demande, le mandataire qui a terminé son mandat avec une évaluation " favorable " ou " satisfaisant ", bénéficiera d'un outplacement.
   L'outplacement s'entend comme un ensemble de services et de conseils au titulaire du mandat visé au § 1er afin de renforcer les opportunités de retrouver plus rapidement un emploi ou une activité professionnelle.
   L'outplacement est d'une durée de 60 heures étalées sur une période de maximum douze mois et fait l'objet d'une convention écrite.
   Le coût de l'outplacement vient en déduction de l'indemnité de sortie de fonction.
   Les conditions suivantes sont requises pour bénéficier de l'outplacement :
   1. ne pas avoir conclu un contrat de travail ;
   2. ne pas exercer une activité principale en tant qu'indépendant ;
   3. ne pas être en service comme agent, statutaire ou contractuel, dans un service public.
   La demande d'outplacement doit être introduite au plus tard dans le mois qui suit la fin du mandat auprès du responsable GRH.
   L'outplacement prend fin dès qu'une des conditions visées au § 2, alinéa 5 n'est pas remplie.
   Le mandataire informe le responsable GRH de tout changement dans sa situation professionnelle.
   § 3. L'indemnité de sortie de fonction et l'outplacement visés aux §§ 1er et 2 sont également dus au mandataire dont le mandat a pris fin de manière anticipée en cas d'absence ininterrompue pour cause de maladie de longue durée de plus de six mois.
   § 4. Aucune indemnité de sortie de fonction ni outplacement ne sont dus au mandataire qui a atteint l'âge légal de la pension, ni au mandataire dont le mandat a été interrompu à la suite d'une sanction disciplinaire, en cas de suspension dans l'intérêt du service pendant plus de six ou d'une démission volontaire ]1
.
  
BOEK V. - De EINDELOOPBAANREGELING EN DE REGELING VAN BEPAALDE ZWARE BEROEPEN
LIVRE V. - DE L'AMENAGEMENT DES FINS DE CARRIERE ET DE CERTAINES FONCTIONS PENIBLES
Art. 481. De wekelijkse arbeidsduur wordt verlaagd naar 30 uren, verdeeld over vier dagen, zonder verlaging van wedde, salaris, toelagen, premies en vergoedingen van de medewerkers die de leeftijd van zestig jaar hebben bereikt, en die functies bekleden die als "zwaar" werden bestempeld op basis van bepaalde criteria omwille van de werkomstandigheden, de weerslag op de fysieke gezondheid of de psychosociale lasten en die kunnen rekenen op een langdurige loopbaan in een openbare dienst van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  De Regering stelt een limitatieve lijst op van deze "zware" criteria en bepaalt hoe lang de loopbaan moet zijn.
Art. 481. La durée hebdomadaire du temps de travail est réduite à 30 heures, réparties sur quatre jours, sans réduction de traitement, salaire, allocations, primes et indemnités des agents qui ont atteint l'âge de soixante ans et qui exercent des fonctions déclarées pénibles sur base de critères déterminés en raison soit des conditions de travail, soit de l'impact sur la santé physique, soit en raison de la charge psycho-sociale et qui peuvent se prévaloir d'une carrière de longue durée au sein d'un service public de la Région de Bruxelles-Capitale.
  Le Gouvernement fixe la liste exhaustive des critères de pénibilité et la durée de carrière nécessaire.
BOEK VI. - OPHEFFINGS-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
LIVRE VI. - DISPOSITIONS ABROGATOIRES, TRANSITOIRES ET FINALES
TITEL I. - Overgangsbepalingen
TITRE I. - Dispositions transitoires
Art. 482. De wervingsprocedures waarvoor de betrekking(en) vacant verklaard werden vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, worden voortgezet op basis van de bepalingen die vóór die datum van toepassing waren.
Art. 482. Les procédures de recrutement pour lesquelles le ou les emplois ont été déclarés vacants avant la date d'entrée en vigueur du présent arrêté sont poursuivies sur la base des dispositions qui leur étaient applicables avant cette date.
Art. 483. De ambtenaren van wie de stage aanving voor de inwerkingtreding van dit besluit, zijn onderworpen aan de statutaire bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik van de toelating tot de stage, onverminderd de onmiddellijke toepassing van de artikelen 49 en 61.
Art. 483. Les agents dont le stage a débuté avant l'entrée en vigueur du présent arrêté sont soumis aux dispositions statutaires en vigueur à la date de l'admission au stage, sans préjudice de l'application immédiate des articles 49 et 61.
Art. 484. § 1. Vóór de inwerkingtreding van dit besluit behouden de ambtenaren die in het kader van een vergelijkend examen voor overgang naar niveau A geslaagd zijn voor alle proeven voorafgaand aan de aanvullende mondelinge proef, hun hoedanigheid van laureaat van een vergelijkend examen voor overgang naar een hoger niveau.
  § 2. Vóór de inwerkingtreding van dit besluit worden de ambtenaren die in het kader van een vergelijkend examen voor overgang naar niveau A één of meer brevetten of hieraan equivalente masterproeven behaald hebben, vrijgesteld van één of meerdere van de vier proeven als bedoeld in artikel 101 van dit besluit. De gelijkwaardigheid tussen de brevetten en de proeven waarin artikel 101 van dit besluit voorziet, wordt vastgesteld door de HRM, die ze meedeelt aan de betrokken ambtenaren.
Art. 484. § 1er. Avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, les agents ayant réussi lors d'un concours d'accession au niveau supérieur de niveau A l'ensemble des épreuves préalables à l'épreuve orale complémentaire conservent leur qualité de lauréat d'un concours d'accession au niveau supérieur.
  § 2. Avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, les agents ayant réussi lors d'un concours d'accession au niveau supérieur de niveau A un ou plusieurs brevets ou épreuves de master équivalentes à ceux-ci, sont dispensés d'une ou plusieurs des quatre épreuves prévues à l'article 101 du présent arrêté. Les équivalences entre les brevets et les épreuves prévues à l'article 101 du présent arrêté sont fixées par la GRH qui les communique aux agents concernés.
Art. 485. In het kader van de bevordering door overgang naar een hoger niveau bedoeld in de artikelen 99 en volgende, zijn de ambtenaren die geslaagd zijn van een vergelijkend examen voor overgang naar een hoger niveau, georganiseerd voor de inwerkingtreding van dit besluit vrijgesteld van de eerste proef van de selectie voor het niveau waarvoor zij geslaagd zijn.
Art. 485. Dans le cadre de la promotion par accession au niveau supérieur visée aux articles 99 et suivants, les agents lauréats d'un concours d'accession au niveau supérieur organisé avant l'entrée en vigueur du présent arrêté sont dispensés de la première épreuve de sélection pour le niveau dans lequel ils sont lauréats.
Art. 486. Betrekkingen die opengesteld waren voor mobiliteit door middel van een interne oproep vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn onderworpen aan de statutaire bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat de interne oproep werd uitgeschreven door het HRM aan de ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
  Indien geen enkele kandidaat aan de eisen van de functie beantwoordt, wordt een einde gesteld aan de lopende procedure. Vanaf de opmaak van het proces-verbaal tot vaststelling van de afwezigheid van kandidaten, kan de openstaande betrekking ingevuld worden overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.
Art. 486. Les emplois ouverts à la mobilité par appel interne avant l'entrée en vigueur du présent arrêté sont soumis aux dispositions statutaires en vigueur à la date à laquelle l'appel interne a été lancé par la GRH aux agents du Service public régional de Bruxelles.
  S'il s'avère qu'aucun candidat ne correspond aux exigences de la fonction il est mis fin à la procédure en cours. A dater du procès-verbal constatant l'absence de candidat il peut être pourvu aux emplois ouverts suivant les dispositions du présent arrêté.
Art. 487. § 1. De evaluatieperiodes, lopende op de dag die de inwerkingtreding van dit besluit voorafgaan, verlopen volgens de bepalingen die toen van toepassing waren.
  Deze evaluatieperiodes mogen echter niet langer duren dan één jaar, vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  Voorgaande alinea's zijn niet van toepassing op de mandaathouders.
  § 2. De kamer van beroep opgericht door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijft bevoegd tot de aanduiding van de leden en de bepaling van het reglement van inwendige orde van de kamer van beroep opgericht op grond van artikel 29 van dit besluit.
Art. 487. § 1er. Les périodes d'évaluation en cours le jour qui précède l'entrée en vigueur du présent arrêté se poursuivent selon les dispositions qui étaient alors en vigueur.
  Ces périodes d'évaluation ne peuvent toutefois pas excéder un an à partir de la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
  Les alinéas précédents ne s'appliquent pas aux mandataires.
  § 2. La chambre de recours instituée par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 27 mars 2014 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du Service public régional de Bruxelles reste compétente jusqu'à la désignation des membres et la fixation du règlement d'ordre intérieur de la chambre de recours instituée par l'article 29 du présent arrêté.
Art. 488. De ambtenaren die presteren in het regime van de vrijwillige vierdagenweek of de halftijdse vervroegde uittreding met toepassing van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit, blijven dit verlof genieten onder dezelfde voorwaarden als deze die van toepassing zijn vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 488. Les agents prestant sous le régime de la semaine volontaire de quatre jours ou du départ anticipé à mi-temps en application de la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public au moment de l'entrée en vigueur du présent statut continuent à bénéficier de ce congé dans les mêmes conditions que celles applicables avant l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 489. De personen met een handicap, die geslaagd zijn voor een vergelijkend wervingsexamen en ingeschreven zijn op de afzonderlijke lijsten voor de inwerkingtreding van dit besluit, behouden het voordeel van hun klassement voor een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 489. Les personnes handicapées lauréates d'un concours de recrutement inscrites sur les listes spécifiques avant l'entrée en vigueur du présent arrêté conservent le bénéfice de leur classement pour une période d'une durée de 3 ans à dater de l'entrée en vigueur du présent arrêté
Art. 490. De medewerkers die, voor de datum van de inwerkingtreding van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief en geldelijk statuut van de medewerkers van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, houder waren van de graad van eerste attaché in een deskundigenbetrekking van hoog niveau worden ambtshalve benoemd in een betrekking als raadgever-deskundige, rang A2, en genieten de hieraan verbonden weddeschaal.
Art. 490. Les agents qui avant la date de l'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 27 mars 2014 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du Service public régional de Bruxelles étaient titulaires du grade de premier attaché dans un emploi d'expert de haut niveau sont d'office nommés dans un emploi de conseiller-expert, rang A2, et bénéficie de l'échelle y liée.
Art. 491. De ambtenaren die geslaagd zijn voor een vergelijkend examen voor de overgang naar een hoger niveau georganiseerd voor de inwerkingtreding van dit besluit en die de toelage aan sommige laureaten van een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau ontvangen, behouden deze toelage volgens dezelfde voorwaarden die van toepassing waren op het ogenblik van de toekenning.
Art. 491. Les agents lauréats d'un concours d'accession au niveau supérieur organisé avant l'entrée en vigueur du présent arrêté et bénéficiaires de l'allocation due à certains lauréats d'un concours d'accession au niveau supérieur continuent à percevoir cette allocation dans les mêmes conditions que celles en vigueur lors de son octroi.
Art. 492. De geldelijke anciënniteiten verworven door de ambtenaren op de datum van inwerkingtreding van dit besluit blijven verworven, met inbegrip van deze betreffende de nuttige ervaring in diensten gepresteerd in de privésector of als zelfstandige.
Art. 492. Les anciennetés pécuniaires acquises par les agents à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté restent acquises, y compris celles relatives à l'expérience utile dans les services accomplis dans le secteur privé ou en tant qu'indépendant.
Art. 493. Artikel 347 van dit besluit is niet toepasselijk op de ambtenaren afkomstig van de Brusselse Agglomeratie.
Art. 493. L'article 347 du présent arrêté n'est pas applicable aux agents en provenance de l'Agglomération bruxelloise.
Art. 494. De ambtenaren die op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit een ambt van niveau E bekleden worden ambtshalve benoemd worden in niveau D op 1 januari 2016.
  Ze krijgen een weddeschaal gelijkwaardig met hun anciënniteiten die ze hadden in niveau E.
Art. 494. Les agents qui à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté occupaient un fonction de niveau E sont d'office nommés dans le niveau D à la date du 1er janvier 2016.
  Ils se voient conférer l'échelle de traitement équivalente à leurs anciennetés dont ils bénéficiaient dans le niveau E.
Art. 495. De ambtenaren die, op het ogenblik van het in werking treden van dit besluit, de weddeschaal 102, 112 of 210 genieten en die een persoonlijk ontwikkelingsplan hebben doorlopen met het oog op het versnellen van hun functionele loopbaan, genieten van een versnelling van hun functionele loopbaan voor het bekomen van de schaal 103, 113 of 220 van de versnelde loopbaan voorzien in het artikel 114 § 7 van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.
  
Art. 495. Les agents qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, bénéficient de l'échelle 102, 112 ou 210 et qui ont [1 conclu]1 un plan de développemennt personnel pour accélérer leur carrière fonctionnelle, bénéficient de l'accélération de leur carrière fonctionnelle, pour l'obtention de l'échelle 103, 113 ou 220 de la carrière accélérée prévue à l'article 114, § 7, de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 27 mars 2014 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du Service public régional de Bruxelles.
  
Art. 495/1. [1 Ambtenaren die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit een schaalanciënniteit van ten minste 15 jaar hebben, berekend overeenkomstig artikel 428, hebben recht op weddeschaal 103, 113 of 220, afhankelijk van hun graad, onder voorbehoud van artikels 106, 2° en 3°.
   Ambtenaren die op de datum van inwerktreding van dit besluit een schaalanciënniteit van 6 tot minder dan 15 jaar hebben, berekend overeenkomstig artikel 428, hebben vanaf 15 jaar anciënniteit recht op weddeschaal 103, 113 of 220, afhankelijk van hun graad, onder voorbehoud van artikels 106, 2° en 3°.]1

  
Art. 495/1. [1 Les agents qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, comptabilisent au moins 15 ans d'ancienneté d'échelle, calculée conformément à l'article 428, bénéficient de l'échelle de traitement 103, 113 ou 220, selon le grade, sous réserve de l'article 106, 2° et 3°.
   Les agents qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, ont entre 6 ans et moins de 15 ans d'ancienneté d'échelle, calculée conformément à l'article 428, bénéficient, dès leur 15ème année d'ancienneté, de l'échelle de traitement 103, 113 ou 220, selon le grade, sous réserve de l'article 106, 2° et 3°.]1

  
Art. 496. De artikelen 374 en 375 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2016.
Art. 496. Les articles 374 et 375 produisent leurs effets le 1er janvier 2016.
TITEL II. - Opheffingsbepalingen
TITRE II. - Dispositions abrogatoires
Art. 497. Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, gewijzigd door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 november 2015 en 21 januari en 15 december 2016, wordt opgeheven.
Art. 497. L'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 27 mars 2014 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du Service public régional de Bruxelles, modifié par les arrêtés du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale des 20 novembre 2015 et 21 janvier et 15 décembre 2016, est abrogé.
Art. 498. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 498. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui de sa publication au Moniteur belge.
TITEL III. - Slotbepalingen
TITRE III. - Dispositions finales
Art. 499. De minister bevoegd voor Openbaar Ambt wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 499. Le ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1.
  HOOFDSTUK I. - De volgende diploma's of studiegetuigschriften komen in aanmerking voor de toelating tot het de Gewestelijke Overheiddsdienst Brussel naargelang van de niveaus :
  NIVEAU A
  1) Diploma van master, arts en veearts verkregen na studies van twee cycli, die ten minste 60 studiepunten vertegenwoordigen, uitgereikt door een universiteit met inbegrip van de aan die universiteiten verbonden scholen, of de bij de wet of bij decreet daarmee gelijkgestelde instellingen of een `Haute Ecole', een door de Staat of door één van de Gemeenschappen opgerichte, gesubsidieerde of erkende instelling voor hoger onderwijs, een `Ecole supérieure des arts' of een jury ingesteld door de Staat of één van de Gemeenschappen of elke academische graad afgeleverd door bepalingen voorafgaand aan deze die van toepassing waren bij de inwerkingtreding van voorgaand besluit.
  2) Getuigschrift uitgereikt aan diegenen die de studies hebben voleindigd aan de polytechnische afdeling of aan de afdeling "Alle Wapens" van de Koninklijke Militaire School en die krachtens de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van het hoger onderwijs gerechtigd zijn tot het voeren van de titel van burgerlijk ingenieur of van licentiaat, met de door de Koning bepaalde kwalificatie.
  NIVEAU A (OVERGANGSMAATREGEL)
  1) Diploma uitgereikt door de Koloniale Hogeschool van België te Antwerpen en licentiaatsdiploma uitgereikt door het Universitair Instituut voor de Overzeese Gebieden te Antwerpen indien de studies ten minste vier jaar hebben omvat.
  2) Diploma van :
  o licentiaat in de handelswetenschappen
  o handelsingenieur
  o geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs in de handelswetenschappen
  o licentiaat-vertaler
  o licentiaat-tolk
  uitgereikt door inrichtingen van hoger technisch onderwijs van de derde graad of door inrichtingen van technisch onderwijs - gerangschikt als handelshogescholen categorie A5 - of door een door de Staat ingestelde examencommissie.
  3) Diploma of eindgetuigschrift uitgereikt na een cyclus van vijf jaar door :
  o de afdeling bestuurswetenschappen van het "Institut d'enseignement supérieur Lucien Cooremans" te Brussel;
  o het Hoger Instituut voor Bestuurs- en Handelswetenschappen te Elsene;
  o het Provinciaal Hoger Instituut voor Bestuurswetenschappen te Antwerpen.
  NIVEAU B
  1) Diploma van bachelor uitgereikt na een opleiding van één cyclus of na de eerste cyclus van een opleiding van twee cycli na ten minste 180 studiepunten uitgereikt door een universiteit of een Hogeschool, een `Ecole supérieure des arts' of door een door de Staat of door één van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie of elke academische graad van de eerste cyclus afgeleverd in uitvoering van bepalingen voorafgaand aan deze die van toepassing waren bij de inwerkingtreding van voorgaand besluit.
  2) Getuigschrift, diploma of brevet van het zeevaartonderwijs van de hogere cyclus.
  3) Diploma van meetkundig schatter van onroerende goederen.
  4) Diploma van gegradueerde van het hoger beroepsonderwijs, uitgereikt door een instelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door één van de Gemeenschappen, met uitzondering van het diploma van gegradueerde in de verpleegkunde uitgereikt in het hoger beroepsonderwijs.
  5) Kandidaatsdiploma of -getuigschrift uitgereikt na een cyclus van ten minste twee jaar studie, ofwel door de Belgische universiteiten met inbegrip van de aan die universiteiten verbonden scholen, de bij de wet ermee gelijkgestelde instellingen of de instellingen voor hoger onderwijs van het lange type, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door één van de Gemeenschappen ofwel door een door de Staat of door één van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie.
  6) Diploma van technisch ingenieur uitgereikt na hogere technische leergangen van de tweede graad.
  7) Diploma van een afdeling ingedeeld [1 , in het economisch, paramedisch, pedagogisch, landbouwkundig of sociaal hoger onderwijs]1 van het korte type en voor sociale promotie of van hoger kunst- of technisch onderwijs van de 3e, 2e of 1e graad uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door één van de Gemeenschappen.
  8) Getuigschrift na het slagen voor de eerste twee studiejaren van de polytechnische afdeling of van de afdeling "Alle Wapens" van de Koninklijke Militaire School.
  [1 9) Getuigschrift hoger onderwijs van de 1e cyclus uitgereikt door het hoger onderwijs voor sociale promotie.]1
  NIVEAU B (OVERGANGSMAATREGEL)
  1) Diploma uitgereikt na een cyclus van ten minste twee jaar studie door de Koloniale Hogeschool van België te Antwerpen of kandidaatsdiploma uitgereikt door het Universitair Instituut voor Overzeese Gebieden te Antwerpen.
  2) Kandidaatsdiploma uitgereikt na een cyclus van ten minste twee jaar studie door een inrichting van hoger technisch onderwijs van de derde graad of door een inrichting van technisch onderwijs, gerangschikt als handelshogeschool in de categorie A5.
  3) Diploma van burgerlijk conducteur uitgereikt door een Belgische universiteit.
  4) Diploma van technisch ingenieur afgeleverd door een hogere technische school van de tweede graad.
  5) Diploma van mijnmeter.
  6) Diploma van gegradueerde in de landbouwwetenschappen, uitgereikt overeenkomstig de bepalingen van artikel 8 van het koninklijk besluit van 31 oktober 1934 tot vaststelling van de voorwaarden voor het toekennen van de diploma's van landbouwkundig ingenieur, scheikundig landbouwingenieur, ingenieur voor waters en bossen, koloniaal landbouwkundig ingenieur, tuinbouwkundig ingenieur, boerderijbouwkundig ingenieur, ingenieur der landbouwbedrijven, zoals het werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 juli 1936.
  7) Diploma uitgereikt door een inrichting voor het hoger technisch onderwijs van de eerste graad met volledig leerplan opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van regeringswege samengestelde examencommissie.
  8) Diploma gerangschikt in één van navolgende categorieën : A1, A6/A1, A7/A1, C1/A1, A8/A1, A1/D, A2An, C1/D, C5/C1/D, C1/An
  uitgereikt door een inrichting voor hoger technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van regeringswege samengestelde examencommissie.
  9) Diploma gerangschikt in de categorie B3/B1
  uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderdvijftig lestijden door een inrichting voor technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en die bij de toelating het volgende eist :
  * of een diploma van volledige hogere secundaire studiën;
  * of het welslagen voor een daarmede gelijkgesteld toelatingsexamen;
  * of een diploma van een afdeling gerangschikt in de categorie B3/B2.
  10) Getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, uitgereikt door een instelling opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Vlaamse Gemeenschap of door een examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap.
  NIVEAU C
  1) Getuigschrift van hoger secundair onderwijs; bekwaamheidsdiploma dat toegang verleent tot het hoger onderwijs,gehomologeerd of uitgereikt door de examencommissie van de Staat of van één van de Gemeenschappen voor het secundair onderwijs.
  2) Getuigschrift van het slagen met vrucht voor één van de toelatingsexamens voor de universiteit zoals voorzien in art. 49 § 1, vijfde lid van het Decreet (van de Franse Gemeenschap) van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese Ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten.
  3) Gehomologeerd of door de examencommissie van de Staat of van één van de Gemeenschappen voor het secundair onderwijs uitgereikt bekwaamheidsdiploma dat toegang verleent tot het hoger onderwijs.
  4) Brevet van :
  o verpleeg- of ziekenhuisassistent(e);
  o verpleger of verpleegster;
  uitgereikt, hetzij door een door de Staat of één van de Gemeenschappen in de categorie van de aanvullende secundaire beroepsscholen opgerichte, gesubsidieerde of erkende verplegingsafdeling, hetzij door een door de Staat of één van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie.
  5) Einddiploma, studiegetuigschrift of getuigschrift van het zesde leerjaar van het algemeen, het technisch, het kunst- of het beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan uitgereikt na het volgen met vrucht door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door één van de Gemeenschappen.
  6) Getuigschrift, diploma of brevet van het zeevaartonderwijs van de hogere secundaire cyclus.
  7) Diploma van een tot de groep handel, administratie en organisatie behorende afdeling van een hogere secundaire technische leergang van een inrichting voor technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door één van de Gemeenschappen, uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderdvijftig lestijden.
  8) Diploma van een afdeling van het secundair volwassenenonderwijs van een onderwijsinrichting, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door één van de Gemeenschappen, uitgereikt na ten minste zevenhonderdvijftig lestijden.
  9) Getuigschrift of titel van kennis erkend en afgeleverd door elke Gemeenschap, binnen het kader van de professionele vorming of van de validatie an kennis, door een erkende publieke operator, of door één van zijn geagregeerde partners.
  10) Diploma of getuigschrift dat in aanmerking genomen wordt voor aanwerving bij de diensten van de Vlaamse overheid in niveau A of B.
  11) Diploma van gegradueerde in de verpleegkunde, uitgereikt in het hoger beroepsonderwijs door een door de Staat of door een van de Gemeenschappen opgerichte, erkende of gesubsidieerde instelling of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap.
  NIVEAU C (OVERGANGSMAATREGEL)
  1) Getuigschrift uitgereikt na één van de voorbereidende proeven voorgeschreven in de artikelen 10, 10bis en 12, van de op 31 december 1949 gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, zoals die bepalingen bestonden vóór 8 juni 1964.
  2) Getuigschrift uitgereikt na het afleggen van een examen voorzien in artikel 9 van de op 31 december 1949 gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens.
  3) Gehomologeerd of door de examencommissie van de Staat voor het hoger middelbaar onderwijs uitgereikt diploma of getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs.
  4) Erkend of aanvaard diploma van middelbare studies van de hogere graad (handelsafdeling).
  5) Diploma of eindgetuigschrift van hoger middelbaar onderwijs behaald met vrucht.
  6) Gehomologeerd diploma van de hogere secundaire technische school of eindgetuigschrift van studies in een hogere secundaire technische school uitgereikt na een cyclus van drie jaren hogere secundaire studies, met vrucht, door een inrichting van technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of diploma van de hogere secundaire technische school uitgereikt door de examencommissie van de Staat.
  7) Diploma of eindgetuigschrift van de hogere secundaire technische school - vroeger categorieën A2, A6/A2, A6/C1/A2, A7/A2, A8/A2, A2A, C1, C1A, C5/C1, C1/A2 uitgereikt na een cyclus van drie jaren hogere secundaire studiën, met vrucht, door een inrichting van technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een examencommissie van de Staat.
  8) Gehomologeerd diploma van hoger secundair kunstonderwijs met volledig leerplan,
  uitgereikt overeenkomstig de voorwaarden bepaald bij het koninklijk besluit van 10 februari 1971 tot vaststelling van de gelijkwaardigheid van het studiepeil van de inrichtingen voor kunstonderwijs met dat van hogere secundaire technische school en waarbij de voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's bepaald worden en het koninklijk besluit van 25 juni 1976 tot regeling van de studies van sommige hogere secundaire afdelingen van de inrichtingen voor kunstonderwijs met volledig leerplan.
  9) Einddiploma, eindgetuigschrift, studieattest of brevet van het zesde jaar van het kunst- of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan, uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat.
  10) Brevet of eindgetuigschrift uitgereikt na afloop van de hogere cyclus van een beroepsafdeling verbonden aan een inrichting voor technisch onderwijs opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en gerangschikt in één van de categorieën A4, C3, C2, C5.
  11) Diploma uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderdvijftig lestijden door een inrichting voor technisch onderwijs gerangschikt in de categorie B3/B1, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat.
  12) Einddiploma of -getuigschrift uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderdvijftig lestijden door een inrichting voor technisch onderwijs gerangschikt in de categorie B3/B2, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en die bij de toelating een diploma van lagere secundaire studies of het welslagen voor een daarmede gelijkgesteld toelatingsexamen eist.
  NIVEAU D
  Geen enkele vereiste van diploma of studiegetuigschrift wordt gesteld.
  HOOFDSTUK II. - § 1. Aangenomen worden eveneens de in overeenstemming met een buitenlandse regeling behaalde diploma's en studiegetuigschriften die, krachtens verdragen of internationale overeenkomsten of met toepassing van de procedure voor het verlenen van de gelijkwaardigheid, voorgeschreven bij de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften, gelijkwaardig worden verklaard met één van de in deze lijst bedoelde diploma's of studiegetuigschriften. § 2. In afwijking van § 1, gelden voor de toelating tot de diensten van de Staat tot een gereglementeerd beroep, ook de bepalingen van de richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties.
  Voor een gereglementeerd beroep wordt volgende beroepskwalificatie uit een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen eveneens in aanmerking genomen : een kwalificatie die wordt gestaafd door :
  * een opleidingstitel,
  * een bekwaamheidsattest van een opleiding die niet wordt afgesloten met een certificaat of diploma, van een specifiek examen, of van de uitoefening van een beroep,
  * en/of beroepservaring.
  Teneinde de waarde van de voorgestelde beroepskwalificatie te kennen, legt de selector die beroepskwalificatie voor advies voor aan de overheid bevoegd voor de erkenning van de beroepskwalificatie. De bevoegde overheid kan de erkenning afhankelijk maken van compenserende maatregelen (een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid).
  § 3. De in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte richtlijnen die de in § 2 opgesomde richtlijn zouden aanvullen of vervangen, zijn van rechtswege toepasselijk, behalve indien ze bepalingen beïnvloeden die aanpassingsmaatregelen moeten ondergaan of de bevoegdheden zouden wijzigen die aan de afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid zijn toegekend.
  
Art. N1. Annexe 1.
  CHAPITRE 1er. - Les diplômes et certificats pris en considération pour l'admission dans le Service public régional de Bruxelles selon les niveaux, sont les suivants :
  NIVEAU A
  1) Diplôme de master, de médecin et de vétérinaire obtenu au terme des études de 2e cycle, valorisables pour au moins 60 crédits, délivré par une université, y compris les écoles rattachées à ces universités ou les établissements y assimilés par la loi ou par décret une Haute Ecole, un établissement d'enseignement supérieur créé, subventionné ou agréé par l'Etat ou par l'une des Communautés, une Ecole supérieure des arts ou un jury institué par l'Etat ou l'une des Communautés ou tout grade académique de second cycle délivré en vertu de dispositions antérieures à celles applicables lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
  2) Certificat délivré à ceux qui ont termine les études de la section polytechnique ou de la section "Toutes Armes" de l'Ecole royale militaire et qui peuvent porter le titre d'ingénieur civil ou celui de licencié, avec la qualification déterminée par le Roi, en vertu de la loi du 11 septembre 1933 sur la protection des titres de l'enseignement supérieur.
  NIVEAU A (MESURES TRANSITOIRES)
  1) Diplôme délivré par l'Université coloniale de Belgique à Anvers ou diplôme de licencié délivré par l'Institut universitaire des Territoires d'Outre-Mer à Anvers, si les études ont comporté au moins quatre années.
  2) Diplômes de :
  o licencié en sciences commerciales
  o d'ingénieur commercial
  o d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur pour les sciences commerciales
  o de licencié traducteur
  o de licencié interprète
  délivré par des établissements d'enseignement technique supérieur du troisième degré, ou par des établissements d'enseignement technique - classés comme instituts supérieurs de commerce A5 - ou par un jury d'examens institué par l'Etat.
  3) Diplôme ou certificat de fin d'études délivré après un cycle de cinq ans par :
  o la section de sciences administratives de l'Institut d'enseignement supérieur Lucien Cooremans à Bruxelles;
  o le "Hoger Instituut voor Bestuurs- en Handelswetenschappen" à Ixelles;
  o le "Provinciaal Hoger Instituut voor Bestuurswetenschappen" à Anvers.
  NIVEAU B
  1) Diplôme de bachelier, sanctionnant des études d'un cycle ou de premier cycle, valorisables pour au moins 180 crédits, délivré par une université, une Haute Ecole, une Ecole supérieure des arts ou un jury institué par l'Etat ou l'une des Communautés ou tout grade académique de premier cycle délivré en vertu de dispositions antérieures à celles applicables lors de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
  2) Certificat, diplôme ou brevet d'enseignement maritime du cycle supérieur.
  3) Diplôme de géomètre-expert immobilier.
  4) Diplôme de gradué de l'enseignement supérieur professionnel, délivré par un établissement créé, subventionné ou agréé par l'état ou par une des communautés, à l'exception du diplôme de gradué en nursing délivré dans l'enseignement supérieur professionnel;
  5) Diplôme ou certificat de candidature délivré après un cycle d'au moins deux années d'études, soit par les universités belges, y compris les écoles annexées à ces universités, les établissements y assimilés par la loi ou les établissements d'enseignement supérieur, créés, subventionnés ou reconnus par l'Etat ou l'une des Communautés soit par un jury d'examens institué par l'Etat ou l'une des Communautés.
  6) Diplôme d'ingénieur technicien délivré après des cours supérieurs techniques du deuxième degré.
  7) Diplôme d'une section classée dans l'enseignement supérieur économique, paramédical, pédagogique ou agricole]1 ou supérieur social du type court et de promotion sociale ou de l'enseignement artistique ou technique supérieur du 3e, 2e ou 1er degré délivré par un établissement créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou l'une des Communautés.
  8) Certificat attestant la réussite des deux premières années d'études de la section polytechnique ou de la section "Toutes Armes" de l'Ecole royale militaire.
  [1 Brevet de l'enseignement supérieur de 1er cycle délivré par l'enseignement supérieur de promotion sociale.]1
  NIVEAU B (MESURES TRANSITOIRES)
  1) Diplôme délivré après un cycle d'au moins deux années d'études par l'Université coloniale de Belgique à Anvers ou diplôme de candidature délivré par l'Institut universitaire des Territoires d'Outre-Mer à Anvers.
  2) Diplôme de candidature délivré après un cycle d'au moins deux années d'études par une école d'enseignement technique supérieur du troisième degré ou par des établissements d'enseignement technique, classés comme instituts supérieurs de commerce dans la catégorie A5.
  3) Diplôme de conducteur civil délivré par une université belge.
  4) Diplôme d'ingénieur technicien délivré par une école supérieure technique du deuxième degré.
  5) Diplôme de géomètre des mines.
  6) Diplôme de gradué en sciences agronomiques, délivré conformément aux dispositions de l'article 8 de l'arrêté royal du 31 octobre 1934 fixant les conditions de collation des diplômes, d'ingénieur agronome, d'ingénieur chimiste agricole, d'ingénieur des eaux et forêts, d'ingénieur agronome colonial, d'ingénieur horticole, d'ingénieur de génie rural, d'ingénieur des industries agricoles, tel qu'il a été modifié par l'arrêté royal du 16 juillet 1936.
  7) Diplôme délivré par un établissement d'enseignement technique supérieur du premier degré et de plein exercice, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou par un jury d'Etat.
  8) Diplôme classé dans l'une des catégories suivantes : A1, A6/A1, A7/A1, C1/A1, A8/A1, A1/D, A2An, C1/D, C5/C1/D, C1/An
  délivré par un établissement d'enseignement technique supérieur, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou par un jury d'Etat.
  9) Diplôme classé dans la catégorie B3/B1
  délivré après un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes par un établissement d'enseignement technique - créé, subventionné ou reconnu par l'Etat et qui, lors de l'admission, exige :
  * ou un diplôme d'études secondaires supérieures complètes;
  * ou la réussite d'un examen d'entrée y assimilé;
  * ou un diplôme d'une section classée en catégorie B3/B2.
  10) Certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de promotion sociale, délivré par un établissement créé, subventionné ou agréé par la Communauté flamande ou par un jury de la Communauté flamande;
  NIVEAU C
  1) Certificat d'enseignement secondaire supérieur ou diplôme d'aptitude à accéder à l'enseignement supérieur, homologué ou délivré par le jury d'Etat ou de l'une des Communautés pour l'enseignement secondaire.
  2) Attestation de succès à un des examens d'admission universitaire telle que prévue à l'article 49 § 1er, 5° du Décret (de la Communauté française) du 31 mars 2004 définissant l'enseignement supérieur, favorisant son intégration à l'espace européen de l'enseignement supérieur et refinançant les universités.
  3) Diplôme d'aptitude donnant accès à l'enseignement supérieur, homologué ou délivre par le jury de l'Etat ou d'une des Communautés pour l'enseignement secondaire.
  4) Brevet :
  o d'hospitalier ou d'hospitalière ou d'assistant ou d'assistante en soins hospitaliers;
  o d'infirmier ou d'infirmière;
  délivré soit par une section de nursing créée, subventionnée ou reconnue par l'Etat dans la catégorie des écoles professionnelles complémentaires soit par un jury d'examen institué par l'Etat ou l'une des Communautés.
  5) Diplôme, certificat d'études ou attestation de fréquentation avec fruit de la sixième année d'enseignement général, technique artistique ou professionnel secondaire de plein exercice, délivré par un établissement subventionné ou reconnu par l'Etat ou par l'une des Communautés.
  6) Certificat, diplôme ou brevet d'enseignement maritime du cycle secondaire supérieur.
  7) Diplôme d'une section appartenant au groupe commerce, administration et organisation d'un cours technique secondaire supérieur d'un établissement d'enseignement technique créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou l'une des Communautés, délivré après un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes.
  8) Diplôme d'une section de l'enseignement secondaire des adultes d'un établissement créé, subventionné ou agréé par l'Etat ou par une des Communautés, délivré après au moins sept cent cinquante périodes.
  9) Certificat ou titre de compétence reconnu et délivré, dans chaque Communauté, dans le cadre de la formation professionnelle ou de la validation des compétences, par un opérateur public agréé, ou par l'un de ses partenaires agréés.
  10) Diplôme ou certificat qui est pris en compte pour le recrutement auprès des services de l'Autorité flamande dans le niveau A ou B.
  11) Diplôme de gradué en nursing, délivré dans l'enseignement supérieur professionnel par un établissement créé, agréé ou subventionné par l'état ou par une des communautés, ou par le jury de la Communauté flamande.
  NIVEAU C (MESURES TRANSITOIRES)
  1) Certificat délivré à la suite d'une des épreuves préparatoires prévues aux articles 10, 10bis et 12, des lois sur la collation des grades académiques et le programme des examens universitaires, coordonnées le 31 décembre 1949, telles que ces dispositions existaient avant le 8 juin 1964.
  2) Certificat délivré à la suite de l'examen prévu à l'article 9 des lois sur la collation des grades académiques et le programme des examens universitaires, coordonnées le 31 décembre 1949.
  3) Diplôme ou certificat de l'enseignement moyen supérieur, homologué ou délivré par le jury d'Etat pour l'enseignement moyen supérieur.
  4) Diplôme agréé de fin d'études moyennes du degré supérieur (section commerciale).
  5) Diplôme ou certificat de fin d'études de l'enseignement moyen supérieur obtenu avec fruit.
  6) Diplôme homologué d'école technique secondaire supérieure ou certificat de fin d'études d'école technique secondaire supérieure délivré après un cycle de trois années d'études secondaires supérieures, avec fruit, par un établissement d'enseignement technique, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou diplôme d'école technique secondaire supérieure délivré par le jury d'Etat.
  7) Diplôme ou certificat de fin d'études d'école technique secondaire supérieure - anciennes catégories A2, A6/A2, A6/C1/A2, A7/A2, A8/A2, A2A, C1, C1A, C5/C1, C1/A2 délivré après un cycle de trois années d'études secondaires supérieures, avec fruit, par un établissement d'enseignement technique, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou par un jury d'Etat de l'enseignement secondaire.
  8) Diplôme homologué d'enseignement artistique secondaire supérieur de plein exercice,
  délivré conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 10 février 1971 fixant l'équivalence du niveau des études des établissements d'enseignement artistique a celui de l'école technique secondaire supérieure et déterminant les conditions dans lesquelles les diplômes sont délivres et de l'arrêté royal du 25 juin 1976 réglant les études de certaines sections secondaires supérieures des établissements d'enseignement artistique de plein exercice.
  9) Diplôme, certificat de fin d'études, brevet ou attestation d'études de la sixième année de l'enseignement artistique ou professionnel secondaire supérieur de plein exercice, délivré par un établissement créé, subventionné ou reconnu par l'Etat.
  10) Brevet ou certificat de fin d'études délivré après la fréquentation du cycle secondaire supérieur d'une section professionnelle d'un établissement d'enseignement technique créé, subventionné ou reconnu par l'Etat et classé dans l'une des catégories A4, C3, C2, C5.
  11) Diplôme délivré après un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes par un établissement d'enseignement technique classé dans la catégorie B3/B1, créé, subventionne ou reconnu par l'Etat.
  12) Diplôme ou certificat de fin d'études délivré après un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes par un établissement d'enseignement technique classé dans la catégorie B3/B2 créé, subventionne ou reconnu par l'Etat et qui, lors de l'admission, exige un diplôme d'études secondaires inférieures ou la réussite d'un examen d'entrée y assimilé.
  NIVEAU D
  Aucun diplôme ou certificat d'études n'est requis.
  CHAPITRE II. - § 1er. Sont admis également les diplômes et certificats d'études obtenus selon un régime étranger qui, en vertu de traités ou de conventions internationales ou en application de la procédure d'octroi de l'équivalence prévue par la loi du 19 mars 1971 relative à l'équivalence des diplômes et certificats d'études étrangers, sont déclarés équivalents à l'un des diplômes ou certificats d'études visés dans la présente liste. § 2. Par dérogation au § 1er, sont également prises en considération pour l'admission dans les services de l'Etat aux services à une profession réglementée, les dispositions de la directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles.
  Pour une profession réglementée les qualifications professionnelles suivantes d'un autre état membre des Communautés européennes sont également prises en considération : une qualification qui est attestée par :
  * un titre de formation,
  * un certificat d'aptitude d'une formation qui n'est pas sanctionnée par un certificat ou un diplôme, d'un examen spécifique, ou de l'exercice d'une profession,
  * et/ou une expérience professionnelle.
  Afin de connaître la valeur des qualifications professionnelles proposées, le sélecteur soumet ces qualifications professionnelles à l'avis de l'autorité compétente pour la reconnaissance de la qualification professionnelle. L'autorité compétente peut subordonner la reconnaissance aux mesures compensatoires un stage d'adaptation ou une épreuve d'aptitude.
  § 3. Les directives publiées au Moniteur belge qui modifieraient ou remplaceraient la directive visée au § 2, sont applicables de plein droit sauf si elles affectent des dispositions qui doivent faire l'objet de mesures d'adaptation ou modifieraient les pouvoirs attribués à l'administrateur délégué du Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  
Art. N2. Bijlage 2. - Tabel.
  [1
Art. N2. Annexe 2. - Tableau.
  [1
Anciënniteit Ancienneté A101 A102 A103 A/I111 A/I112 A/I113
0 22789 24960 27001 27001 30212 33202
1 23436 25607 27648 27648 30859 33899
2 24083 26254 28295 28295 31506 34596
3 24730 26901 28942 28942 32153 35293
4 24730 26901 28942 28942 32153 35293
5 25720 27891 29932 30074 33285 36677
6 25720 27891 29932 30074 33285 36677
7 26710 28881 30922 31206 34417 38061
8 26710 28881 30922 31206 34417 38061
9 27700 29871 31912 32338 35549 39445
10 27700 29871 31912 32338 35549 39445
11 28690 30861 32902 33470 36681 40829
12 28690 30861 32902 33470 36681 40829
13 29680 31851 33892 34602 37813 42213
14 29680 31851 33892 34602 37813 42213
15 30670 32841 34882 35734 38945 43597
16 30670 32841 34882 35734 38945 43597
17 31660 33831 35872 36866 40077 44981
18 31660 33831 35872 36866 40077 44981
19 32650 34821 36862 37998 41209 46365
20 32650 34821 36862 37998 41209 46365
21 33640 35811 37852 39130 42341 47749
22 33640 35811 37852 39130 42341 47749
23 34630 36801 38842 40262 43473 49133
24 34630 36801 38842 40262 43473 49133
25 35620 37791 39832 41394 44605 50517
26 35620 37791 39832 41394 44605 50517
27 36610 38781 40822 42526 45737 51901
28 36610 38781 40822 42526 45737 51901
29 37600 39771 41812 43658 46869 53285
30 37600 39771 41812 43658 46869 53285
31 38590 40761 42802 44790 48001 54669
32 38590 40761 42802 44790 48001 54669
33 39580 41751 43792 45922 49133 56053
34 39580 41751 43792 45922 49133 56053
35 40570 42741 44782 47054 50265 57437
36 40570 42741 44782 47054 50265 57437
37 41560 43731 45772 48186 51397 58821
38 41560 43731 45772 48186 51397 58821
39 42550 44721 46762 49318 52529 60205
40 42550 44721 46762 49318 52529 60205
41 43540 45711 47752 50450 53661 61589
42 43540 45711 47752 50450 53661 61589
43 44530 46701 48742 51582 54793 62973
44 44530 46701 48742 51582 54793 62973
45 45520 47691 49732 52714 55925 64357
Anciënniteit Ancienneté A101 A102 A103 A/I111 A/I112 A/I1130 22789 24960 27001 27001 30212 332021 23436 25607 27648 27648 30859 338992 24083 26254 28295 28295 31506 345963 24730 26901 28942 28942 32153 352934 24730 26901 28942 28942 32153 352935 25720 27891 29932 30074 33285 366776 25720 27891 29932 30074 33285 366777 26710 28881 30922 31206 34417 380618 26710 28881 30922 31206 34417 380619 27700 29871 31912 32338 35549 3944510 27700 29871 31912 32338 35549 3944511 28690 30861 32902 33470 36681 4082912 28690 30861 32902 33470 36681 4082913 29680 31851 33892 34602 37813 4221314 29680 31851 33892 34602 37813 4221315 30670 32841 34882 35734 38945 4359716 30670 32841 34882 35734 38945 4359717 31660 33831 35872 36866 40077 4498118 31660 33831 35872 36866 40077 4498119 32650 34821 36862 37998 41209 4636520 32650 34821 36862 37998 41209 4636521 33640 35811 37852 39130 42341 4774922 33640 35811 37852 39130 42341 4774923 34630 36801 38842 40262 43473 4913324 34630 36801 38842 40262 43473 4913325 35620 37791 39832 41394 44605 5051726 35620 37791 39832 41394 44605 5051727 36610 38781 40822 42526 45737 5190128 36610 38781 40822 42526 45737 5190129 37600 39771 41812 43658 46869 5328530 37600 39771 41812 43658 46869 5328531 38590 40761 42802 44790 48001 5466932 38590 40761 42802 44790 48001 5466933 39580 41751 43792 45922 49133 5605334 39580 41751 43792 45922 49133 5605335 40570 42741 44782 47054 50265 5743736 40570 42741 44782 47054 50265 5743737 41560 43731 45772 48186 51397 5882138 41560 43731 45772 48186 51397 5882139 42550 44721 46762 49318 52529 6020540 42550 44721 46762 49318 52529 6020541 43540 45711 47752 50450 53661 6158942 43540 45711 47752 50450 53661 6158943 44530 46701 48742 51582 54793 6297344 44530 46701 48742 51582 54793 6297345 45520 47691 49732 52714 55925 64357
Anciënniteit Ancienneté A101 A102 A103 A/I111 A/I112 A/I113
0 22789 24960 27001 27001 30212 33202
1 23436 25607 27648 27648 30859 33899
2 24083 26254 28295 28295 31506 34596
3 24730 26901 28942 28942 32153 35293
4 24730 26901 28942 28942 32153 35293
5 25720 27891 29932 30074 33285 36677
6 25720 27891 29932 30074 33285 36677
7 26710 28881 30922 31206 34417 38061
8 26710 28881 30922 31206 34417 38061
9 27700 29871 31912 32338 35549 39445
10 27700 29871 31912 32338 35549 39445
11 28690 30861 32902 33470 36681 40829
12 28690 30861 32902 33470 36681 40829
13 29680 31851 33892 34602 37813 42213
14 29680 31851 33892 34602 37813 42213
15 30670 32841 34882 35734 38945 43597
16 30670 32841 34882 35734 38945 43597
17 31660 33831 35872 36866 40077 44981
18 31660 33831 35872 36866 40077 44981
19 32650 34821 36862 37998 41209 46365
20 32650 34821 36862 37998 41209 46365
21 33640 35811 37852 39130 42341 47749
22 33640 35811 37852 39130 42341 47749
23 34630 36801 38842 40262 43473 49133
24 34630 36801 38842 40262 43473 49133
25 35620 37791 39832 41394 44605 50517
26 35620 37791 39832 41394 44605 50517
27 36610 38781 40822 42526 45737 51901
28 36610 38781 40822 42526 45737 51901
29 37600 39771 41812 43658 46869 53285
30 37600 39771 41812 43658 46869 53285
31 38590 40761 42802 44790 48001 54669
32 38590 40761 42802 44790 48001 54669
33 39580 41751 43792 45922 49133 56053
34 39580 41751 43792 45922 49133 56053
35 40570 42741 44782 47054 50265 57437
36 40570 42741 44782 47054 50265 57437
37 41560 43731 45772 48186 51397 58821
38 41560 43731 45772 48186 51397 58821
39 42550 44721 46762 49318 52529 60205
40 42550 44721 46762 49318 52529 60205
41 43540 45711 47752 50450 53661 61589
42 43540 45711 47752 50450 53661 61589
43 44530 46701 48742 51582 54793 62973
44 44530 46701 48742 51582 54793 62973
45 45520 47691 49732 52714 55925 64357
Anciënniteit Ancienneté A101 A102 A103 A/I111 A/I112 A/I1130 22789 24960 27001 27001 30212 332021 23436 25607 27648 27648 30859 338992 24083 26254 28295 28295 31506 345963 24730 26901 28942 28942 32153 352934 24730 26901 28942 28942 32153 352935 25720 27891 29932 30074 33285 366776 25720 27891 29932 30074 33285 366777 26710 28881 30922 31206 34417 380618 26710 28881 30922 31206 34417 380619 27700 29871 31912 32338 35549 3944510 27700 29871 31912 32338 35549 3944511 28690 30861 32902 33470 36681 4082912 28690 30861 32902 33470 36681 4082913 29680 31851 33892 34602 37813 4221314 29680 31851 33892 34602 37813 4221315 30670 32841 34882 35734 38945 4359716 30670 32841 34882 35734 38945 4359717 31660 33831 35872 36866 40077 4498118 31660 33831 35872 36866 40077 4498119 32650 34821 36862 37998 41209 4636520 32650 34821 36862 37998 41209 4636521 33640 35811 37852 39130 42341 4774922 33640 35811 37852 39130 42341 4774923 34630 36801 38842 40262 43473 4913324 34630 36801 38842 40262 43473 4913325 35620 37791 39832 41394 44605 5051726 35620 37791 39832 41394 44605 5051727 36610 38781 40822 42526 45737 5190128 36610 38781 40822 42526 45737 5190129 37600 39771 41812 43658 46869 5328530 37600 39771 41812 43658 46869 5328531 38590 40761 42802 44790 48001 5466932 38590 40761 42802 44790 48001 5466933 39580 41751 43792 45922 49133 5605334 39580 41751 43792 45922 49133 5605335 40570 42741 44782 47054 50265 5743736 40570 42741 44782 47054 50265 5743737 41560 43731 45772 48186 51397 5882138 41560 43731 45772 48186 51397 5882139 42550 44721 46762 49318 52529 6020540 42550 44721 46762 49318 52529 6020541 43540 45711 47752 50450 53661 6158942 43540 45711 47752 50450 53661 6158943 44530 46701 48742 51582 54793 6297344 44530 46701 48742 51582 54793 6297345 45520 47691 49732 52714 55925 64357
Anciënniteit Ancienneté A200 A210 A/I220 A230 A300 A/I310
0 29071 29202 34697 35161 31970 35626
1 29071 29202 35394 35858 33475 37081
2 30182 30586 36091 36555 33475 37081
3 30182 30586 36788 37252 34980 38536
4 31293 31970 36788 37252 34980 38536
5 31293 31970 38172 38672 36485 39991
6 32404 33354 38172 38672 36485 39991
7 32404 33354 39556 40056 37990 41446
8 33515 34738 39556 40056 37990 41446
9 33515 34738 40940 41440 39495 42901
10 34626 36122 40940 41440 39495 42901
11 34626 36122 42324 42824 41000 44356
12 35737 37506 42324 42824 41000 44356
13 35737 37506 43708 44208 42505 45811
14 36848 38890 43708 44208 42505 45811
15 36848 38890 45092 45592 44010 47266
16 37959 40274 45092 45592 44010 47266
17 37959 40274 46476 46976 45515 48721
18 39070 41658 46476 46976 45515 48721
19 39070 41658 47860 48360 47020 50176
20 40181 43042 47860 48360 47020 50176
21 40181 43042 49244 49744 48525 51631
22 41292 44426 49244 49744 48525 51631
23 41292 44426 50628 51128 50030 53086
24 42403 45810 50628 51128 50030 53086
25 42403 45810 52012 52512 51535 54541
26 43514 47194 52012 52512 51535 54541
27 43514 47194 53396 53896 53040 55996
28 44625 48578 53396 53896 53040 55996
29 44625 48578 54780 55280 54545 57451
30 45736 49962 54780 55280 54545 57451
31 45736 49962 56164 56664 56050 58906
32 46847 51346 56164 56664 56050 58906
33 46847 51346 57548 58048 57555 60361
34 47958 52730 57548 58048 57555 60361
35 47958 52730 58932 59432 59060 61816
36 49069 54114 58932 59432 59060 61816
37 49069 54114 60316 60816 60565 63271
38 50180 55498 60316 60816 60565 63271
39 50180 55498 61700 62200 62070 64726
40 51291 56882 61700 62200 62070 64726
41 51291 56882 63084 63584 63575 66181
42 52402 58266 63084 63584 63575 66181
43 52402 58266 64468 64968 65080 67636
44 53513 59650 64468 64968 65080 67636
45   65852 66352 66585 69091
Anciënniteit Ancienneté A200 A210 A/I220 A230 A300 A/I3100 29071 29202 34697 35161 31970 356261 29071 29202 35394 35858 33475 370812 30182 30586 36091 36555 33475 370813 30182 30586 36788 37252 34980 385364 31293 31970 36788 37252 34980 385365 31293 31970 38172 38672 36485 399916 32404 33354 38172 38672 36485 399917 32404 33354 39556 40056 37990 414468 33515 34738 39556 40056 37990 414469 33515 34738 40940 41440 39495 4290110 34626 36122 40940 41440 39495 4290111 34626 36122 42324 42824 41000 4435612 35737 37506 42324 42824 41000 4435613 35737 37506 43708 44208 42505 4581114 36848 38890 43708 44208 42505 4581115 36848 38890 45092 45592 44010 4726616 37959 40274 45092 45592 44010 4726617 37959 40274 46476 46976 45515 4872118 39070 41658 46476 46976 45515 4872119 39070 41658 47860 48360 47020 5017620 40181 43042 47860 48360 47020 5017621 40181 43042 49244 49744 48525 5163122 41292 44426 49244 49744 48525 5163123 41292 44426 50628 51128 50030 5308624 42403 45810 50628 51128 50030 5308625 42403 45810 52012 52512 51535 5454126 43514 47194 52012 52512 51535 5454127 43514 47194 53396 53896 53040 5599628 44625 48578 53396 53896 53040 5599629 44625 48578 54780 55280 54545 5745130 45736 49962 54780 55280 54545 5745131 45736 49962 56164 56664 56050 5890632 46847 51346 56164 56664 56050 5890633 46847 51346 57548 58048 57555 6036134 47958 52730 57548 58048 57555 6036135 47958 52730 58932 59432 59060 6181636 49069 54114 58932 59432 59060 6181637 49069 54114 60316 60816 60565 6327138 50180 55498 60316 60816 60565 6327139 50180 55498 61700 62200 62070 6472640 51291 56882 61700 62200 62070 6472641 51291 56882 63084 63584 63575 6618142 52402 58266 63084 63584 63575 6618143 52402 58266 64468 64968 65080 6763644 53513 59650 64468 64968 65080 6763645 65852 66352 66585 69091
Anciënniteit Ancienneté A200 A210 A/I220 A230 A300 A/I310
0 29071 29202 34697 35161 31970 35626
1 29071 29202 35394 35858 33475 37081
2 30182 30586 36091 36555 33475 37081
3 30182 30586 36788 37252 34980 38536
4 31293 31970 36788 37252 34980 38536
5 31293 31970 38172 38672 36485 39991
6 32404 33354 38172 38672 36485 39991
7 32404 33354 39556 40056 37990 41446
8 33515 34738 39556 40056 37990 41446
9 33515 34738 40940 41440 39495 42901
10 34626 36122 40940 41440 39495 42901
11 34626 36122 42324 42824 41000 44356
12 35737 37506 42324 42824 41000 44356
13 35737 37506 43708 44208 42505 45811
14 36848 38890 43708 44208 42505 45811
15 36848 38890 45092 45592 44010 47266
16 37959 40274 45092 45592 44010 47266
17 37959 40274 46476 46976 45515 48721
18 39070 41658 46476 46976 45515 48721
19 39070 41658 47860 48360 47020 50176
20 40181 43042 47860 48360 47020 50176
21 40181 43042 49244 49744 48525 51631
22 41292 44426 49244 49744 48525 51631
23 41292 44426 50628 51128 50030 53086
24 42403 45810 50628 51128 50030 53086
25 42403 45810 52012 52512 51535 54541
26 43514 47194 52012 52512 51535 54541
27 43514 47194 53396 53896 53040 55996
28 44625 48578 53396 53896 53040 55996
29 44625 48578 54780 55280 54545 57451
30 45736 49962 54780 55280 54545 57451
31 45736 49962 56164 56664 56050 58906
32 46847 51346 56164 56664 56050 58906
33 46847 51346 57548 58048 57555 60361
34 47958 52730 57548 58048 57555 60361
35 47958 52730 58932 59432 59060 61816
36 49069 54114 58932 59432 59060 61816
37 49069 54114 60316 60816 60565 63271
38 50180 55498 60316 60816 60565 63271
39 50180 55498 61700 62200 62070 64726
40 51291 56882 61700 62200 62070 64726
41 51291 56882 63084 63584 63575 66181
42 52402 58266 63084 63584 63575 66181
43 52402 58266 64468 64968 65080 67636
44 53513 59650 64468 64968 65080 67636
45   65852 66352 66585 69091
Anciënniteit Ancienneté A200 A210 A/I220 A230 A300 A/I3100 29071 29202 34697 35161 31970 356261 29071 29202 35394 35858 33475 370812 30182 30586 36091 36555 33475 370813 30182 30586 36788 37252 34980 385364 31293 31970 36788 37252 34980 385365 31293 31970 38172 38672 36485 399916 32404 33354 38172 38672 36485 399917 32404 33354 39556 40056 37990 414468 33515 34738 39556 40056 37990 414469 33515 34738 40940 41440 39495 4290110 34626 36122 40940 41440 39495 4290111 34626 36122 42324 42824 41000 4435612 35737 37506 42324 42824 41000 4435613 35737 37506 43708 44208 42505 4581114 36848 38890 43708 44208 42505 4581115 36848 38890 45092 45592 44010 4726616 37959 40274 45092 45592 44010 4726617 37959 40274 46476 46976 45515 4872118 39070 41658 46476 46976 45515 4872119 39070 41658 47860 48360 47020 5017620 40181 43042 47860 48360 47020 5017621 40181 43042 49244 49744 48525 5163122 41292 44426 49244 49744 48525 5163123 41292 44426 50628 51128 50030 5308624 42403 45810 50628 51128 50030 5308625 42403 45810 52012 52512 51535 5454126 43514 47194 52012 52512 51535 5454127 43514 47194 53396 53896 53040 5599628 44625 48578 53396 53896 53040 5599629 44625 48578 54780 55280 54545 5745130 45736 49962 54780 55280 54545 5745131 45736 49962 56164 56664 56050 5890632 46847 51346 56164 56664 56050 5890633 46847 51346 57548 58048 57555 6036134 47958 52730 57548 58048 57555 6036135 47958 52730 58932 59432 59060 6181636 49069 54114 58932 59432 59060 6181637 49069 54114 60316 60816 60565 6327138 50180 55498 60316 60816 60565 6327139 50180 55498 61700 62200 62070 6472640 51291 56882 61700 62200 62070 6472641 51291 56882 63084 63584 63575 6618142 52402 58266 63084 63584 63575 6618143 52402 58266 64468 64968 65080 6763644 53513 59650 64468 64968 65080 6763645 65852 66352 66585 69091
Anciënniteit Ancienneté A400 A410 A500 A600 A700  
0 40626 42615 48281 52119 53402  
1 40626 42615 48281 52119 53402  
2 42010 44070 49665 53675 55018  
3 42010 44070 49665 53675 55018  
4 43394 45525 51049 55231 56634  
5 43394 45525 51049 55231 56634  
6 44778 46980 52433 56787 58250  
7 44778 46980 52433 56787 58250  
8 46162 48435 53817 58343 59866  
9 46162 48435 53817 58343 59866  
10 47546 49890 55201 59899 61482  
11 47546 49890 55201 59899 61482  
12 48930 51345 56585 61455 63098  
13 48930 51345 56585 61455 63098  
14 50314 52800 57969 63011 64714  
15 50314 52800 57969 63011 64714  
16 51698 54255 59353 64567 66330  
17 51698 54255 59353 64567 66330  
18 53082 55710 60737 66123 67946  
19 53082 55710 60737 66123 67946  
20 54466 57165 62121 67679 69562  
21 54466 57165 62121 67679 69562  
22 55850 58620 63505 69235 71178  
23 55850 58620 63505 69235 71178  
24 57234 60075 64889 70791 72794  
25 57234 60075 64889 70791 72794  
26 58618 61530 66273 72347 74410  
27 58618 61530 66273 72347 74410  
28 60002 62985 67657 73903 76026  
29 60002 62985 67657 73903 76026  
30 61386 64440 69041 75459 77642  
31 61386 64440 69041 75459 77642  
32 62770 65895 70425 77015 79258  
33 62770 65895 70425 77015 79258  
34 64154 67350 71809 78571 80874  
35 64154 67350 71809 78571 80874  
36 65538 68805 73193 80127 82490  
37 65538 68805 73193 80127 82490  
38 66922 70260 74577 81683 84106  
39 66922 70260 74577 81683 84106  
40 68306 71715 75961 83239 85722  
41 68306 71715 75961 83239 85722  
42 69690 73170 77345 84795 87338  
43 69690 73170 77345 84795 87338  
44 71074 74625 78729 86351 88954  
45      
Anciënniteit Ancienneté A400 A410 A500 A600 A700 0 40626 42615 48281 52119 53402 1 40626 42615 48281 52119 53402 2 42010 44070 49665 53675 55018 3 42010 44070 49665 53675 55018 4 43394 45525 51049 55231 56634 5 43394 45525 51049 55231 56634 6 44778 46980 52433 56787 58250 7 44778 46980 52433 56787 58250 8 46162 48435 53817 58343 59866 9 46162 48435 53817 58343 59866 10 47546 49890 55201 59899 61482 11 47546 49890 55201 59899 61482 12 48930 51345 56585 61455 63098 13 48930 51345 56585 61455 63098 14 50314 52800 57969 63011 64714 15 50314 52800 57969 63011 64714 16 51698 54255 59353 64567 66330 17 51698 54255 59353 64567 66330 18 53082 55710 60737 66123 67946 19 53082 55710 60737 66123 67946 20 54466 57165 62121 67679 69562 21 54466 57165 62121 67679 69562 22 55850 58620 63505 69235 71178 23 55850 58620 63505 69235 71178 24 57234 60075 64889 70791 72794 25 57234 60075 64889 70791 72794 26 58618 61530 66273 72347 74410 27 58618 61530 66273 72347 74410 28 60002 62985 67657 73903 76026 29 60002 62985 67657 73903 76026 30 61386 64440 69041 75459 77642 31 61386 64440 69041 75459 77642 32 62770 65895 70425 77015 79258 33 62770 65895 70425 77015 79258 34 64154 67350 71809 78571 80874 35 64154 67350 71809 78571 80874 36 65538 68805 73193 80127 82490 37 65538 68805 73193 80127 82490 38 66922 70260 74577 81683 84106 39 66922 70260 74577 81683 84106 40 68306 71715 75961 83239 85722 41 68306 71715 75961 83239 85722 42 69690 73170 77345 84795 87338 43 69690 73170 77345 84795 87338 44 71074 74625 78729 86351 88954 45
Anciënniteit Ancienneté A400 A410 A500 A600 A700  
0 40626 42615 48281 52119 53402  
1 40626 42615 48281 52119 53402  
2 42010 44070 49665 53675 55018  
3 42010 44070 49665 53675 55018  
4 43394 45525 51049 55231 56634  
5 43394 45525 51049 55231 56634  
6 44778 46980 52433 56787 58250  
7 44778 46980 52433 56787 58250  
8 46162 48435 53817 58343 59866  
9 46162 48435 53817 58343 59866  
10 47546 49890 55201 59899 61482  
11 47546 49890 55201 59899 61482  
12 48930 51345 56585 61455 63098  
13 48930 51345 56585 61455 63098  
14 50314 52800 57969 63011 64714  
15 50314 52800 57969 63011 64714  
16 51698 54255 59353 64567 66330  
17 51698 54255 59353 64567 66330  
18 53082 55710 60737 66123 67946  
19 53082 55710 60737 66123 67946  
20 54466 57165 62121 67679 69562  
21 54466 57165 62121 67679 69562  
22 55850 58620 63505 69235 71178  
23 55850 58620 63505 69235 71178  
24 57234 60075 64889 70791 72794  
25 57234 60075 64889 70791 72794  
26 58618 61530 66273 72347 74410  
27 58618 61530 66273 72347 74410  
28 60002 62985 67657 73903 76026  
29 60002 62985 67657 73903 76026  
30 61386 64440 69041 75459 77642  
31 61386 64440 69041 75459 77642  
32 62770 65895 70425 77015 79258  
33 62770 65895 70425 77015 79258  
34 64154 67350 71809 78571 80874  
35 64154 67350 71809 78571 80874  
36 65538 68805 73193 80127 82490  
37 65538 68805 73193 80127 82490  
38 66922 70260 74577 81683 84106  
39 66922 70260 74577 81683 84106  
40 68306 71715 75961 83239 85722  
41 68306 71715 75961 83239 85722  
42 69690 73170 77345 84795 87338  
43 69690 73170 77345 84795 87338  
44 71074 74625 78729 86351 88954  
45      
Anciënniteit Ancienneté A400 A410 A500 A600 A700 0 40626 42615 48281 52119 53402 1 40626 42615 48281 52119 53402 2 42010 44070 49665 53675 55018 3 42010 44070 49665 53675 55018 4 43394 45525 51049 55231 56634 5 43394 45525 51049 55231 56634 6 44778 46980 52433 56787 58250 7 44778 46980 52433 56787 58250 8 46162 48435 53817 58343 59866 9 46162 48435 53817 58343 59866 10 47546 49890 55201 59899 61482 11 47546 49890 55201 59899 61482 12 48930 51345 56585 61455 63098 13 48930 51345 56585 61455 63098 14 50314 52800 57969 63011 64714 15 50314 52800 57969 63011 64714 16 51698 54255 59353 64567 66330 17 51698 54255 59353 64567 66330 18 53082 55710 60737 66123 67946 19 53082 55710 60737 66123 67946 20 54466 57165 62121 67679 69562 21 54466 57165 62121 67679 69562 22 55850 58620 63505 69235 71178 23 55850 58620 63505 69235 71178 24 57234 60075 64889 70791 72794 25 57234 60075 64889 70791 72794 26 58618 61530 66273 72347 74410 27 58618 61530 66273 72347 74410 28 60002 62985 67657 73903 76026 29 60002 62985 67657 73903 76026 30 61386 64440 69041 75459 77642 31 61386 64440 69041 75459 77642 32 62770 65895 70425 77015 79258 33 62770 65895 70425 77015 79258 34 64154 67350 71809 78571 80874 35 64154 67350 71809 78571 80874 36 65538 68805 73193 80127 82490 37 65538 68805 73193 80127 82490 38 66922 70260 74577 81683 84106 39 66922 70260 74577 81683 84106 40 68306 71715 75961 83239 85722 41 68306 71715 75961 83239 85722 42 69690 73170 77345 84795 87338 43 69690 73170 77345 84795 87338 44 71074 74625 78729 86351 88954 45
Anciënniteit Ancienneté B101 B102 B103 B200 C101 C102
0 16466 18456 21597 22486 14628 16052
1 16931 18770 21870 22759 15133 16598
2 17103 19084 22143 23032 15335 17144
3 18245 20226 23022 23750 15537 17690
4 18245 20226 23022 23750 15537 17690
5 18781 20762 23558 24154 16164 18317
6 18781 20762 23558 24154 16164 18317
7 19317 21298 24094 25033 16791 18944
8 19317 21298 24094 25033 16791 18944
9 19853 21834 24630 25912 17418 19571
10 19853 21834 24630 25912 17418 19571
11 20389 22370 25166 26791 18045 20198
12 20753 22734 25530 26791 18045 20198
13 21289 23441 26237 27670 18672 20825
14 21289 23441 26237 27670 18672 20825
15 21825 24148 26944 28549 19299 21452
16 21825 24148 26944 28549 19299 21452
17 22361 24855 27651 29428 19926 22079
18 22361 24855 27651 29428 19926 22079
19 22897 25562 28358 30307 20553 22706
20 22897 25562 28358 30307 20553 22706
21 23433 26269 29065 31186 21180 23333
22 23433 26269 29065 31186 21180 23333
23 23969 26976 29772 32065 21807 23960
24 23969 26976 29772 32065 21807 23960
25 24505 27683 30479 32944 22434 24587
26 24505 27683 31186 32944 22434 24587
27 25576 28855 31893 33823 23374 25840
28 25576 28855 31893 33823 23374 25840
29 26112 29562 32600 34702 24001 26467
30 26648 30269 33307 35581 24628 27094
31 26648 30269 33307 35581 24628 27094
32 27184 30976 34014 36460 25255 27801
33 27184 30976 34014 36460 25255 27801
34 27720 31683 34721 37339 25882 28508
35 27720 31683 34721 37339 25882 28508
36 28256 32390 35428 38218 26509 29215
37 28256 32390 35428 38218 26509 29215
38 28792 33097 36135 39097 27136 29922
39 28792 33097 36135 39097 27136 29922
40 29328 33804 36842 39976 27763 30629
41 29328 33804 36842 39976 27763 30629
42 29864 34511 37549 40855 28390 31336
43 29864 34511 37549 40855 28390 31336
44 30400 35218 38256 41734 29017 32043
45 30936 35925 38963 42613 29644 32670
Anciënniteit Ancienneté B101 B102 B103 B200 C101 C1020 16466 18456 21597 22486 14628 160521 16931 18770 21870 22759 15133 165982 17103 19084 22143 23032 15335 171443 18245 20226 23022 23750 15537 176904 18245 20226 23022 23750 15537 176905 18781 20762 23558 24154 16164 183176 18781 20762 23558 24154 16164 183177 19317 21298 24094 25033 16791 189448 19317 21298 24094 25033 16791 189449 19853 21834 24630 25912 17418 1957110 19853 21834 24630 25912 17418 1957111 20389 22370 25166 26791 18045 2019812 20753 22734 25530 26791 18045 2019813 21289 23441 26237 27670 18672 2082514 21289 23441 26237 27670 18672 2082515 21825 24148 26944 28549 19299 2145216 21825 24148 26944 28549 19299 2145217 22361 24855 27651 29428 19926 2207918 22361 24855 27651 29428 19926 2207919 22897 25562 28358 30307 20553 2270620 22897 25562 28358 30307 20553 2270621 23433 26269 29065 31186 21180 2333322 23433 26269 29065 31186 21180 2333323 23969 26976 29772 32065 21807 2396024 23969 26976 29772 32065 21807 2396025 24505 27683 30479 32944 22434 2458726 24505 27683 31186 32944 22434 2458727 25576 28855 31893 33823 23374 2584028 25576 28855 31893 33823 23374 2584029 26112 29562 32600 34702 24001 2646730 26648 30269 33307 35581 24628 2709431 26648 30269 33307 35581 24628 2709432 27184 30976 34014 36460 25255 2780133 27184 30976 34014 36460 25255 2780134 27720 31683 34721 37339 25882 2850835 27720 31683 34721 37339 25882 2850836 28256 32390 35428 38218 26509 2921537 28256 32390 35428 38218 26509 2921538 28792 33097 36135 39097 27136 2992239 28792 33097 36135 39097 27136 2992240 29328 33804 36842 39976 27763 3062941 29328 33804 36842 39976 27763 3062942 29864 34511 37549 40855 28390 3133643 29864 34511 37549 40855 28390 3133644 30400 35218 38256 41734 29017 3204345 30936 35925 38963 42613 29644 32670
Anciënniteit Ancienneté B101 B102 B103 B200 C101 C102
0 16466 18456 21597 22486 14628 16052
1 16931 18770 21870 22759 15133 16598
2 17103 19084 22143 23032 15335 17144
3 18245 20226 23022 23750 15537 17690
4 18245 20226 23022 23750 15537 17690
5 18781 20762 23558 24154 16164 18317
6 18781 20762 23558 24154 16164 18317
7 19317 21298 24094 25033 16791 18944
8 19317 21298 24094 25033 16791 18944
9 19853 21834 24630 25912 17418 19571
10 19853 21834 24630 25912 17418 19571
11 20389 22370 25166 26791 18045 20198
12 20753 22734 25530 26791 18045 20198
13 21289 23441 26237 27670 18672 20825
14 21289 23441 26237 27670 18672 20825
15 21825 24148 26944 28549 19299 21452
16 21825 24148 26944 28549 19299 21452
17 22361 24855 27651 29428 19926 22079
18 22361 24855 27651 29428 19926 22079
19 22897 25562 28358 30307 20553 22706
20 22897 25562 28358 30307 20553 22706
21 23433 26269 29065 31186 21180 23333
22 23433 26269 29065 31186 21180 23333
23 23969 26976 29772 32065 21807 23960
24 23969 26976 29772 32065 21807 23960
25 24505 27683 30479 32944 22434 24587
26 24505 27683 31186 32944 22434 24587
27 25576 28855 31893 33823 23374 25840
28 25576 28855 31893 33823 23374 25840
29 26112 29562 32600 34702 24001 26467
30 26648 30269 33307 35581 24628 27094
31 26648 30269 33307 35581 24628 27094
32 27184 30976 34014 36460 25255 27801
33 27184 30976 34014 36460 25255 27801
34 27720 31683 34721 37339 25882 28508
35 27720 31683 34721 37339 25882 28508
36 28256 32390 35428 38218 26509 29215
37 28256 32390 35428 38218 26509 29215
38 28792 33097 36135 39097 27136 29922
39 28792 33097 36135 39097 27136 29922
40 29328 33804 36842 39976 27763 30629
41 29328 33804 36842 39976 27763 30629
42 29864 34511 37549 40855 28390 31336
43 29864 34511 37549 40855 28390 31336
44 30400 35218 38256 41734 29017 32043
45 30936 35925 38963 42613 29644 32670
Anciënniteit Ancienneté B101 B102 B103 B200 C101 C1020 16466 18456 21597 22486 14628 160521 16931 18770 21870 22759 15133 165982 17103 19084 22143 23032 15335 171443 18245 20226 23022 23750 15537 176904 18245 20226 23022 23750 15537 176905 18781 20762 23558 24154 16164 183176 18781 20762 23558 24154 16164 183177 19317 21298 24094 25033 16791 189448 19317 21298 24094 25033 16791 189449 19853 21834 24630 25912 17418 1957110 19853 21834 24630 25912 17418 1957111 20389 22370 25166 26791 18045 2019812 20753 22734 25530 26791 18045 2019813 21289 23441 26237 27670 18672 2082514 21289 23441 26237 27670 18672 2082515 21825 24148 26944 28549 19299 2145216 21825 24148 26944 28549 19299 2145217 22361 24855 27651 29428 19926 2207918 22361 24855 27651 29428 19926 2207919 22897 25562 28358 30307 20553 2270620 22897 25562 28358 30307 20553 2270621 23433 26269 29065 31186 21180 2333322 23433 26269 29065 31186 21180 2333323 23969 26976 29772 32065 21807 2396024 23969 26976 29772 32065 21807 2396025 24505 27683 30479 32944 22434 2458726 24505 27683 31186 32944 22434 2458727 25576 28855 31893 33823 23374 2584028 25576 28855 31893 33823 23374 2584029 26112 29562 32600 34702 24001 2646730 26648 30269 33307 35581 24628 2709431 26648 30269 33307 35581 24628 2709432 27184 30976 34014 36460 25255 2780133 27184 30976 34014 36460 25255 2780134 27720 31683 34721 37339 25882 2850835 27720 31683 34721 37339 25882 2850836 28256 32390 35428 38218 26509 2921537 28256 32390 35428 38218 26509 2921538 28792 33097 36135 39097 27136 2992239 28792 33097 36135 39097 27136 2992240 29328 33804 36842 39976 27763 3062941 29328 33804 36842 39976 27763 3062942 29864 34511 37549 40855 28390 3133643 29864 34511 37549 40855 28390 3133644 30400 35218 38256 41734 29017 3204345 30936 35925 38963 42613 29644 32670
Anciënniteit Ancienneté C103 C200 D101 D102 D103 D200
0 17143 19981 14426 14426 15224 16880
1 17709 20295 14780 14780 15447 17385
2 18275 20609 14780 14780 15670 17385
3 18841 21640 15255 15417 16701 17890
4 18841 21640 15538 15700 16974 17890
5 19468 22176 15538 15700 16974 18395
6 19468 22176 15821 16246 17247 18395
7 20095 22712 15821 16600 17247 18900
8 20095 22712 16104 16600 17520 18900
9 20722 23248 16104 16954 17520 19405
10 20722 23248 16387 16954 17793 19405
11 21349 23784 16549 17308 17793 19910
12 21349 24148 16943 17308 18349 19910
13 21976 24855 17115 17662 18693 20415
14 21976 24855 17459 17662 18885 20415
15 22603 25562 17459 18016 19047 20920
16 22603 25562 17803 18016 19249 20920
17 23230 26269 17803 18370 19411 21425
18 23230 26269 18147 18370 19613 21425
19 23857 26976 18147 18724 19765 21930
20 23857 26976 18491 18724 19978 21930
21 24484 27683 18491 19078 20130 22435
22 24484 27683 18835 19078 20353 22435
23 25111 28390 18835 19432 20495 22940
24 25111 28390 19179 19432 20849 22940
25 25738 29097 19523 19786 21203 23445
26 25738 29097 19523 19786 21446 23445
27 26991 29804 19867 20140 21810 23950
28 26991 29804 19867 20140 21810 23950
29 27618 30511 20211 20494 22174 24455
30 28245 31218 20555 20848 22538 24960
31 28245 31218 20555 20848 22538 24960
32 28952 31925 20899 21202 22902 25465
33 28952 31925 20899 21202 22902 25465
34 29659 32632 21243 21556 23266 25970
35 29659 32632 21243 21556 23266 25970
36 30366 33339 21587 21910 23630 26475
37 30366 33339 21587 21910 23630 26475
38 31073 34046 21931 22264 23994 26980
39 31073 34046 21931 22264 23994 26980
40 31780 34753 22275 22618 24358 27485
41 31780 34753 22275 22618 24358 27485
42 32487 35460 22619 22972 24722 27990
43 32487 35460 22619 22972 24722 27990
44 33194 36167 22963 23326 25086 28495
45 33821 36874 23307 23680 25450 29000
Anciënniteit Ancienneté C103 C200 D101 D102 D103 D2000 17143 19981 14426 14426 15224 168801 17709 20295 14780 14780 15447 173852 18275 20609 14780 14780 15670 173853 18841 21640 15255 15417 16701 178904 18841 21640 15538 15700 16974 178905 19468 22176 15538 15700 16974 183956 19468 22176 15821 16246 17247 183957 20095 22712 15821 16600 17247 189008 20095 22712 16104 16600 17520 189009 20722 23248 16104 16954 17520 1940510 20722 23248 16387 16954 17793 1940511 21349 23784 16549 17308 17793 1991012 21349 24148 16943 17308 18349 1991013 21976 24855 17115 17662 18693 2041514 21976 24855 17459 17662 18885 2041515 22603 25562 17459 18016 19047 2092016 22603 25562 17803 18016 19249 2092017 23230 26269 17803 18370 19411 2142518 23230 26269 18147 18370 19613 2142519 23857 26976 18147 18724 19765 2193020 23857 26976 18491 18724 19978 2193021 24484 27683 18491 19078 20130 2243522 24484 27683 18835 19078 20353 2243523 25111 28390 18835 19432 20495 2294024 25111 28390 19179 19432 20849 2294025 25738 29097 19523 19786 21203 2344526 25738 29097 19523 19786 21446 2344527 26991 29804 19867 20140 21810 2395028 26991 29804 19867 20140 21810 2395029 27618 30511 20211 20494 22174 2445530 28245 31218 20555 20848 22538 2496031 28245 31218 20555 20848 22538 2496032 28952 31925 20899 21202 22902 2546533 28952 31925 20899 21202 22902 2546534 29659 32632 21243 21556 23266 2597035 29659 32632 21243 21556 23266 2597036 30366 33339 21587 21910 23630 2647537 30366 33339 21587 21910 23630 2647538 31073 34046 21931 22264 23994 2698039 31073 34046 21931 22264 23994 2698040 31780 34753 22275 22618 24358 2748541 31780 34753 22275 22618 24358 2748542 32487 35460 22619 22972 24722 2799043 32487 35460 22619 22972 24722 2799044 33194 36167 22963 23326 25086 2849545 33821 36874 23307 23680 25450 29000
]1
  
Anciënniteit Ancienneté C103 C200 D101 D102 D103 D200
0 17143 19981 14426 14426 15224 16880
1 17709 20295 14780 14780 15447 17385
2 18275 20609 14780 14780 15670 17385
3 18841 21640 15255 15417 16701 17890
4 18841 21640 15538 15700 16974 17890
5 19468 22176 15538 15700 16974 18395
6 19468 22176 15821 16246 17247 18395
7 20095 22712 15821 16600 17247 18900
8 20095 22712 16104 16600 17520 18900
9 20722 23248 16104 16954 17520 19405
10 20722 23248 16387 16954 17793 19405
11 21349 23784 16549 17308 17793 19910
12 21349 24148 16943 17308 18349 19910
13 21976 24855 17115 17662 18693 20415
14 21976 24855 17459 17662 18885 20415
15 22603 25562 17459 18016 19047 20920
16 22603 25562 17803 18016 19249 20920
17 23230 26269 17803 18370 19411 21425
18 23230 26269 18147 18370 19613 21425
19 23857 26976 18147 18724 19765 21930
20 23857 26976 18491 18724 19978 21930
21 24484 27683 18491 19078 20130 22435
22 24484 27683 18835 19078 20353 22435
23 25111 28390 18835 19432 20495 22940
24 25111 28390 19179 19432 20849 22940
25 25738 29097 19523 19786 21203 23445
26 25738 29097 19523 19786 21446 23445
27 26991 29804 19867 20140 21810 23950
28 26991 29804 19867 20140 21810 23950
29 27618 30511 20211 20494 22174 24455
30 28245 31218 20555 20848 22538 24960
31 28245 31218 20555 20848 22538 24960
32 28952 31925 20899 21202 22902 25465
33 28952 31925 20899 21202 22902 25465
34 29659 32632 21243 21556 23266 25970
35 29659 32632 21243 21556 23266 25970
36 30366 33339 21587 21910 23630 26475
37 30366 33339 21587 21910 23630 26475
38 31073 34046 21931 22264 23994 26980
39 31073 34046 21931 22264 23994 26980
40 31780 34753 22275 22618 24358 27485
41 31780 34753 22275 22618 24358 27485
42 32487 35460 22619 22972 24722 27990
43 32487 35460 22619 22972 24722 27990
44 33194 36167 22963 23326 25086 28495
45 33821 36874 23307 23680 25450 29000
Anciënniteit Ancienneté C103 C200 D101 D102 D103 D2000 17143 19981 14426 14426 15224 168801 17709 20295 14780 14780 15447 173852 18275 20609 14780 14780 15670 173853 18841 21640 15255 15417 16701 178904 18841 21640 15538 15700 16974 178905 19468 22176 15538 15700 16974 183956 19468 22176 15821 16246 17247 183957 20095 22712 15821 16600 17247 189008 20095 22712 16104 16600 17520 189009 20722 23248 16104 16954 17520 1940510 20722 23248 16387 16954 17793 1940511 21349 23784 16549 17308 17793 1991012 21349 24148 16943 17308 18349 1991013 21976 24855 17115 17662 18693 2041514 21976 24855 17459 17662 18885 2041515 22603 25562 17459 18016 19047 2092016 22603 25562 17803 18016 19249 2092017 23230 26269 17803 18370 19411 2142518 23230 26269 18147 18370 19613 2142519 23857 26976 18147 18724 19765 2193020 23857 26976 18491 18724 19978 2193021 24484 27683 18491 19078 20130 2243522 24484 27683 18835 19078 20353 2243523 25111 28390 18835 19432 20495 2294024 25111 28390 19179 19432 20849 2294025 25738 29097 19523 19786 21203 2344526 25738 29097 19523 19786 21446 2344527 26991 29804 19867 20140 21810 2395028 26991 29804 19867 20140 21810 2395029 27618 30511 20211 20494 22174 2445530 28245 31218 20555 20848 22538 2496031 28245 31218 20555 20848 22538 2496032 28952 31925 20899 21202 22902 2546533 28952 31925 20899 21202 22902 2546534 29659 32632 21243 21556 23266 2597035 29659 32632 21243 21556 23266 2597036 30366 33339 21587 21910 23630 2647537 30366 33339 21587 21910 23630 2647538 31073 34046 21931 22264 23994 2698039 31073 34046 21931 22264 23994 2698040 31780 34753 22275 22618 24358 2748541 31780 34753 22275 22618 24358 2748542 32487 35460 22619 22972 24722 2799043 32487 35460 22619 22972 24722 2799044 33194 36167 22963 23326 25086 2849545 33821 36874 23307 23680 25450 29000
]1
  
Art. N3. Bijlage 3. - Definities wegingscriteria.
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 30-03-2018, p. 31412)
Art. N3. Annexe 3. - Définitions des critères de pondération.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 30-03-2018, p. 31425)
Art. N4. Bijlage 4. - De puntentabellen van elk criterium.
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 30-03-2018, p. 31419)
Art. N4 - Les tableaux des points par critère.
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 30-03-2018, p. 31432)
Art. N5. [1 (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 11-05-2023, p. 45312)]1
  
Art. N5. Annexe 5 -1 (Annexe non reprise pour des raisons techniques{/art}. Voir M.B. du 11-05-2023, p. 45312) ]1