Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
19 JANUARI 2018. - Decreet houdende het overheidstoezicht in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-02-2018 en tekstbijwerking tot 30-12-2025)
Titre
19 JANVIER 2018. - Décret relatif au contrôle public dans le cadre de la politique de la santé et de l'aide sociale(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 21-02-2018 et mise à jour au 30-12-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - L'exercice de missions de contrôle
Section 1ère. - Conditions générales d'exercice
Section 2. - Droits de contrôle
Section 3. - Traitement du contrôle
CHAPITRE 3. - Sanctions
CHAPITRE 4. - Dispositions modificatives
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
Tekst (55)
Texte (55)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid, met uitzondering van artikel 16, § 2, dat een gemeenschaps- en een gewestaangelegenheid regelt.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire, à l'exception de l'article 16, § 2, qui règle une matière communautaire et régionale.
Art. 2. In dit decreet wordt verstaan onder:
1° actoren in de zorg: zorgverleners, hulpverleners, voorzieningen, personen of organisaties die kenbaar hebben gemaakt als zorgverlener, hulpverlener of voorziening te willen optreden en personen of organisaties waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat ze als zorgverlener, hulpverlener of voorziening optreden;
2° anonieme gegevens: gegevens die geen betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon of op persoonsgegevens die zodanig anoniem zijn gemaakt dat de betrokkene niet of niet meer identificeerbaar is;
3° gezondheidsbeleid: het beleid over het geheel van de aangelegenheden, vermeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is, met uitzondering van het beleid over het medisch schooltoezicht en de medisch verantwoorde sportbeoefening;
4° gevoelige gegevens: gegevens als vermeld in de artikelen 9, 1), en 10, van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) en in de artikelen 6, § 1, 7, § 1, en 8, § 1, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
5° hulpverlener: de natuurlijke persoon, met uitzondering van de zorgverlener, die op beroepsmatige basis zorg verstrekt;
6° inbreuk: de niet-naleving van de regelgeving, vermeld in artikel 3, eerste lid, door actoren in de zorg of zorggebruikers;
7° inspecteurs: de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid die aangesteld zijn door de Vlaamse Regering om toezicht te houden op de naleving van de regelgeving, vermeld in artikel 3, eerste lid, door actoren in de zorg of zorggebruikers;
8° niet-residentiële zorggebruiker: de zorggebruiker die geen residentiële of semi-residentiële zorg ontvangt;
9° opvoedingsverantwoordelijken: de natuurlijke personen, andere dan de ouders, die de minderjarige op duurzame wijze in feite onder hun bewaring hebben of bij wie de minderjarige geplaatst is door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid;
10° uitbetalingsactor: de publieke uitbetalingsactor of een private uitbetalingsactor als bedoeld in de regelgeving over de toelagen in het kader van het welzijns- en gezinsbeleid;
11° voorziening: een verzorgingsinstelling of elke andere organisatie die in het kader van het gezondheidsbeleid of het welzijns- en gezinsbeleid instaat voor de organisatie of uitvoering van zorg of die instaat voor de toekenning van rechten, met inbegrip van de ziekenfondsen, de zorgkassen [1 , de Zorgkassencommissie]1 en de uitbetalingsactoren;
12° welzijns- en gezinsbeleid: het beleid over het geheel van de aangelegenheden, vermeld in artikel 5, § 1, II en IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is,[2 met uitzondering van het beleid over het onthaal en de integratie van inwijkelingen en over de juridische eerstelijnsbijstand]2;
13° zorg: één activiteit of het geheel van activiteiten in het kader van het gezondheidsbeleid of het welzijns- en gezinsbeleid, waaronder hulp, dienstverlening, ondersteuning, Vlaamse sociale bescherming, zorgverzekering en gezinsbijslagen;
14° zorggebruiker: de patiënt, namelijk de natuurlijke persoon aan wie gezondheidszorg wordt verstrekt, al dan niet op eigen verzoek, of elke andere natuurlijke persoon aan wie zorg wordt verleend, al dan niet op eigen verzoek;
15° zorgverlener: de beoefenaar, vermeld in de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen gecoördineerd op 10 mei 2015;
[3 16° bevoegde entiteit: het departement of het agentschap binnen het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin dat is aangewezen om het beleid over de actor in de zorg of de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, uit te voeren]3.
1° actoren in de zorg: zorgverleners, hulpverleners, voorzieningen, personen of organisaties die kenbaar hebben gemaakt als zorgverlener, hulpverlener of voorziening te willen optreden en personen of organisaties waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat ze als zorgverlener, hulpverlener of voorziening optreden;
2° anonieme gegevens: gegevens die geen betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon of op persoonsgegevens die zodanig anoniem zijn gemaakt dat de betrokkene niet of niet meer identificeerbaar is;
3° gezondheidsbeleid: het beleid over het geheel van de aangelegenheden, vermeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is, met uitzondering van het beleid over het medisch schooltoezicht en de medisch verantwoorde sportbeoefening;
4° gevoelige gegevens: gegevens als vermeld in de artikelen 9, 1), en 10, van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) en in de artikelen 6, § 1, 7, § 1, en 8, § 1, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
5° hulpverlener: de natuurlijke persoon, met uitzondering van de zorgverlener, die op beroepsmatige basis zorg verstrekt;
6° inbreuk: de niet-naleving van de regelgeving, vermeld in artikel 3, eerste lid, door actoren in de zorg of zorggebruikers;
7° inspecteurs: de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid die aangesteld zijn door de Vlaamse Regering om toezicht te houden op de naleving van de regelgeving, vermeld in artikel 3, eerste lid, door actoren in de zorg of zorggebruikers;
8° niet-residentiële zorggebruiker: de zorggebruiker die geen residentiële of semi-residentiële zorg ontvangt;
9° opvoedingsverantwoordelijken: de natuurlijke personen, andere dan de ouders, die de minderjarige op duurzame wijze in feite onder hun bewaring hebben of bij wie de minderjarige geplaatst is door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid;
10° uitbetalingsactor: de publieke uitbetalingsactor of een private uitbetalingsactor als bedoeld in de regelgeving over de toelagen in het kader van het welzijns- en gezinsbeleid;
11° voorziening: een verzorgingsinstelling of elke andere organisatie die in het kader van het gezondheidsbeleid of het welzijns- en gezinsbeleid instaat voor de organisatie of uitvoering van zorg of die instaat voor de toekenning van rechten, met inbegrip van de ziekenfondsen, de zorgkassen [1 , de Zorgkassencommissie]1 en de uitbetalingsactoren;
12° welzijns- en gezinsbeleid: het beleid over het geheel van de aangelegenheden, vermeld in artikel 5, § 1, II en IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is,[2 met uitzondering van het beleid over het onthaal en de integratie van inwijkelingen en over de juridische eerstelijnsbijstand]2;
13° zorg: één activiteit of het geheel van activiteiten in het kader van het gezondheidsbeleid of het welzijns- en gezinsbeleid, waaronder hulp, dienstverlening, ondersteuning, Vlaamse sociale bescherming, zorgverzekering en gezinsbijslagen;
14° zorggebruiker: de patiënt, namelijk de natuurlijke persoon aan wie gezondheidszorg wordt verstrekt, al dan niet op eigen verzoek, of elke andere natuurlijke persoon aan wie zorg wordt verleend, al dan niet op eigen verzoek;
15° zorgverlener: de beoefenaar, vermeld in de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen gecoördineerd op 10 mei 2015;
[3 16° bevoegde entiteit: het departement of het agentschap binnen het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin dat is aangewezen om het beleid over de actor in de zorg of de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, uit te voeren]3.
Art. 2. Dans le présent décret, on entend par :
1° acteurs des soins : prestataire de soins, intervenants, structures, personnes ou organisations qui ont signalé de vouloir agir en tant que prestataire de soins, intervenant ou structure et des personnes et organisations dont il peut raisonnablement être supposé qu'ils agissent en tant que prestataire de soins, intervenant ou structure ;
2° données anonymes : des données qui ne se rapportent pas à une personne physique identifiée ou identifiable ou à des données personnelles qui ont été rendues anonymes d'une telle façon que la personne concernée n'est pas ou n'est plus identifiable ;
3° politique de la santé : la politique relative à l'ensemble des matières visées à l'article 5, § 1er, I, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles pour lesquelles la Communauté flamande est compétente, à l'exception de la politique en matière de l'inspection médiale scolaire et de la pratique du sport dans le respect des impératifs de santé ;
4° données sensibles : des données telles que visées aux articles 9, 1), et 10, du règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE ((règlement général sur la protection des données) et aux articles 6, § 1er, 7, § 1er, et 8, § 1er, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel ;
5° intervenant : la personne physique, à l'exception du prestataire de soins, qui dispense des soins sur une base professionnelle ;
6° infraction : le non-respect de la réglementation visée à l'article 3, alinéa premier, par des acteurs des soins ou des usagers de soins ;
7° inspecteurs : les membres du personnel des services de l'Autorité flamande qui sont désignés par le Gouvernement flamand pour surveiller le respect de la réglementation visée à l'article 3, alinéa premier, par des acteurs des soins ou par des usagers de soins ;
8° usager de soins non-résidentiels : l'usager de soins ne recevant pas de soins résidentiels ou semi-résidentiels ;
9° responsables de l'éducation : les personnes physiques, autres que les parents, ayant en permanence et de fait la garde du mineur ou chez qui le mineur a été placé par l'intermédiaire ou à charge d'une autorité publique ;
10° acteur de paiement : l'acteur de paiement public ou un acteur de paiement privé tel que visé à la réglementation relative aux allocations dans le cadre de la politique de l'aide sociale et de la famille ;
11° structure : une institution de soins ou toute autre organisation qui est chargée, dans le cadre de la politique de la santé ou la politique de l'aide sociale et de la famille, pour l'organisation et l'exécutions de soins ou qui est chargée pour l'octroi de droits, y compris des mutualités, des caisses d'assurance soins [1 , la " Zorgkassencommissie "]1 et des acteurs de paiement ;
12° politique de l'aide sociale et de famille : la politique relative à l'ensemble des matières visées à l'article 5, § 1er, II et IV, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles pour lesquelles la Communauté flamande est compétente, [2 à l'exception de la politique en matière d'accueil et d'intégration d'immigrants et en matière d'aide juridique de première ligne]2 ;
13° soins : une activité ou l'ensemble d'activités dans le cadre de la politique de la santé ou de la politique de l'aide sociale et de la famille, notamment l'aide, la prestation de services, le soutien, la protection sociale flamande, la caisse d'assurance soins et les allocations familiales ;
14° usager de soins : le patient, notamment la personne physique à laquelle des soins de santé sont délivrés, à sa demande ou non, ou toute autre personne à laquelle des soins sont délivrés, à sa demande ou non ;
15° prestataire de soins : le praticien visé à la loi relative à l'exercice des professions des soins de santé, coordonnée le 10 mai 2015;
[3 16° entité compétente : le département ou l'agence au sein du domaine politique du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille qui a été désigné pour exécuter la politique concernant l'acteur des soins ou l'usager des soins, si celui-ci fait l'objet du contrôle]3.
1° acteurs des soins : prestataire de soins, intervenants, structures, personnes ou organisations qui ont signalé de vouloir agir en tant que prestataire de soins, intervenant ou structure et des personnes et organisations dont il peut raisonnablement être supposé qu'ils agissent en tant que prestataire de soins, intervenant ou structure ;
2° données anonymes : des données qui ne se rapportent pas à une personne physique identifiée ou identifiable ou à des données personnelles qui ont été rendues anonymes d'une telle façon que la personne concernée n'est pas ou n'est plus identifiable ;
3° politique de la santé : la politique relative à l'ensemble des matières visées à l'article 5, § 1er, I, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles pour lesquelles la Communauté flamande est compétente, à l'exception de la politique en matière de l'inspection médiale scolaire et de la pratique du sport dans le respect des impératifs de santé ;
4° données sensibles : des données telles que visées aux articles 9, 1), et 10, du règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE ((règlement général sur la protection des données) et aux articles 6, § 1er, 7, § 1er, et 8, § 1er, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel ;
5° intervenant : la personne physique, à l'exception du prestataire de soins, qui dispense des soins sur une base professionnelle ;
6° infraction : le non-respect de la réglementation visée à l'article 3, alinéa premier, par des acteurs des soins ou des usagers de soins ;
7° inspecteurs : les membres du personnel des services de l'Autorité flamande qui sont désignés par le Gouvernement flamand pour surveiller le respect de la réglementation visée à l'article 3, alinéa premier, par des acteurs des soins ou par des usagers de soins ;
8° usager de soins non-résidentiels : l'usager de soins ne recevant pas de soins résidentiels ou semi-résidentiels ;
9° responsables de l'éducation : les personnes physiques, autres que les parents, ayant en permanence et de fait la garde du mineur ou chez qui le mineur a été placé par l'intermédiaire ou à charge d'une autorité publique ;
10° acteur de paiement : l'acteur de paiement public ou un acteur de paiement privé tel que visé à la réglementation relative aux allocations dans le cadre de la politique de l'aide sociale et de la famille ;
11° structure : une institution de soins ou toute autre organisation qui est chargée, dans le cadre de la politique de la santé ou la politique de l'aide sociale et de la famille, pour l'organisation et l'exécutions de soins ou qui est chargée pour l'octroi de droits, y compris des mutualités, des caisses d'assurance soins [1 , la " Zorgkassencommissie "]1 et des acteurs de paiement ;
12° politique de l'aide sociale et de famille : la politique relative à l'ensemble des matières visées à l'article 5, § 1er, II et IV, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles pour lesquelles la Communauté flamande est compétente, [2 à l'exception de la politique en matière d'accueil et d'intégration d'immigrants et en matière d'aide juridique de première ligne]2 ;
13° soins : une activité ou l'ensemble d'activités dans le cadre de la politique de la santé ou de la politique de l'aide sociale et de la famille, notamment l'aide, la prestation de services, le soutien, la protection sociale flamande, la caisse d'assurance soins et les allocations familiales ;
14° usager de soins : le patient, notamment la personne physique à laquelle des soins de santé sont délivrés, à sa demande ou non, ou toute autre personne à laquelle des soins sont délivrés, à sa demande ou non ;
15° prestataire de soins : le praticien visé à la loi relative à l'exercice des professions des soins de santé, coordonnée le 10 mai 2015;
[3 16° entité compétente : le département ou l'agence au sein du domaine politique du Bien-être, de la Santé publique et de la Famille qui a été désigné pour exécuter la politique concernant l'acteur des soins ou l'usager des soins, si celui-ci fait l'objet du contrôle]3.
HOOFDSTUK 2. - De uitoefening van toezichtstaken
CHAPITRE 2. - L'exercice de missions de contrôle
Afdeling 1. - Algemene uitoefeningsvoorwaarden
Section 1ère. - Conditions générales d'exercice
Art. 3. De inspecteurs oefenen de bevoegdheden, vermeld in dit decreet, uit met het oog op het toezicht op de naleving van de regelgeving in het kader van het gezondheidsbeleid en het welzijns- en gezinsbeleid. Onder regelgeving wordt niet alleen wetgeving verstaan, maar ook geformaliseerde afspraken.
Bij de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in dit decreet, dragen de inspecteurs er zorg voor dat de middelen die ze aanwenden, passend en noodzakelijk zijn voor dat toezicht.
Het toezicht wordt op stukken of ter plaatse uitgeoefend.
Bij de uitoefening van de bevoegdheden, vermeld in dit decreet, dragen de inspecteurs er zorg voor dat de middelen die ze aanwenden, passend en noodzakelijk zijn voor dat toezicht.
Het toezicht wordt op stukken of ter plaatse uitgeoefend.
Art. 3. Les inspecteurs exercent les compétences visées au présent décret en vue du contrôle du respect de la réglementation dans le cadre de la politique de la santé et la politique de l'aide sociale et de la famille. Par réglementation, il faut entendre, non seulement la législation, mais également les accords formalisés.
Lors de l'exercice des compétences visées au présent décret, les inspecteurs doivent veiller à ce que les moyens adoptés soient adéquats et nécessaires dans le cadre de ce contrôle.
Le contrôle est effectué sur place ou sur pièces.
Lors de l'exercice des compétences visées au présent décret, les inspecteurs doivent veiller à ce que les moyens adoptés soient adéquats et nécessaires dans le cadre de ce contrôle.
Le contrôle est effectué sur place ou sur pièces.
Art. 4. Tijdens de uitoefening van hun ambt dragen de inspecteurs een legitimatiekaart, die ze desgevraagd onmiddellijk tonen.
De Vlaamse Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de legitimatiekaart.
De Vlaamse Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de legitimatiekaart.
Art. 4. Lors de l'exercice de leur fonction, les inspecteurs portent une carte de légitimation et la produisent immédiatement sur demande.
Le Gouvernement flamand arrête la forme et les conditions de la carte de légitimation.
Le Gouvernement flamand arrête la forme et les conditions de la carte de légitimation.
Art. 5. § 1. De inspecteurs en de deskundigen, vermeld in artikel 7, § 1, 7°, respecteren het vertrouwelijke karakter van de gegevens waarvan ze kennis hebben gekregen bij de uitoefening van hun opdracht. Ze wenden die gegevens uitsluitend aan voor de vervulling van de toezichtsopdracht.
§ 2. De inspecteurs en de deskundigen, vermeld in artikel 7, § 1, 7°, hebben het recht om voor de uitoefening van hun toezichtsopdracht persoonsgegevens, waaronder gevoelige gegevens, te verwerken.
[1 ]1
[1 § 2/1. [2 Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de inspecteurs beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het negende lid.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de inspecteurs, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de inspecteurs, zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het zevende lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.]2]1
§ 3. De inspecteurs en de deskundigen, vermeld in artikel 7, § 1, 7°, bewaren de persoonsgegevens die zij bij de uitoefening van hun opdracht verwerken, niet langer dan nodig voor de uitoefening van die opdracht.
De inspecteurs en de deskundigen, vermeld in artikel 7, § 1, 7°, bewaren het verslag, vermeld in artikel 13, alsook de bijlagen bij dat verslag tot 20 jaar nadat het verslag definitief is geworden of, indien het het voorwerp uitmaakt van een rechtsgeding, tot 20 jaar nadat een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest is uitgesproken.
De inspecteurs en de deskundigen, vermeld in artikel 7, § 1, 7°, bewaren andere informatie die zij bij de uitoefening van hun opdracht verwerken tot [4 één]4 jaar nadat het verslag definitief is geworden.
§ 4. Het [3 Departement Zorg, vermeld in artikel 23, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie]3 is de verwerkingsverantwoordelijke voor de persoonsgegevens die inspecteurs bij de uitoefening van hun opdracht verwerken.
§ 2. De inspecteurs en de deskundigen, vermeld in artikel 7, § 1, 7°, hebben het recht om voor de uitoefening van hun toezichtsopdracht persoonsgegevens, waaronder gevoelige gegevens, te verwerken.
[1 ]1
[1 § 2/1. [2 Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de inspecteurs beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het negende lid.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de inspecteurs, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de inspecteurs, zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het zevende lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.]2]1
§ 3. De inspecteurs en de deskundigen, vermeld in artikel 7, § 1, 7°, bewaren de persoonsgegevens die zij bij de uitoefening van hun opdracht verwerken, niet langer dan nodig voor de uitoefening van die opdracht.
De inspecteurs en de deskundigen, vermeld in artikel 7, § 1, 7°, bewaren het verslag, vermeld in artikel 13, alsook de bijlagen bij dat verslag tot 20 jaar nadat het verslag definitief is geworden of, indien het het voorwerp uitmaakt van een rechtsgeding, tot 20 jaar nadat een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest is uitgesproken.
De inspecteurs en de deskundigen, vermeld in artikel 7, § 1, 7°, bewaren andere informatie die zij bij de uitoefening van hun opdracht verwerken tot [4 één]4 jaar nadat het verslag definitief is geworden.
§ 4. Het [3 Departement Zorg, vermeld in artikel 23, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie]3 is de verwerkingsverantwoordelijke voor de persoonsgegevens die inspecteurs bij de uitoefening van hun opdracht verwerken.
Art. 5. § 1er. Les inspecteurs et les experts visés à l'article 7, § 1er, 7°, respectent le caractère confidentiel des informations dont ils ont pris connaissance lors de l'exercice de leur mission. Ils n'utilisent ces informations que pour l'exercice de leur mission de contrôle.
§ 2. Les inspecteurs et les experts visés à l'article 7, § 1er, 7°, ont le droit de traiter les données personnelles, dont les données sensibles, pour l'exercice de leur mission de contrôle.
[1 ...]1
[1 § 2/1. [2 En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h), du règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les inspecteurs peuvent décider de ne pas appliquer les obligations et droits énoncés aux articles 12 à 22 dudit règlement au traitement des données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête qui concerne une personne physique déterminée, si les conditions énoncées aux alinéas 2 à 9 sont remplies.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des activités préparatoires y afférentes, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires des inspecteurs, à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement ne soient pas appliqués. La durée des activités préparatoires ne peut, le cas échéant, dépasser un an à compter de la date de réception d'une demande d'exercice d'un des droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique pas aux données qui ne sont pas liées à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la restriction des droits, visés à l'alinéa premier.
Si, dans le cas visé à l'alinéa premier, l'intéressé soumet une demande sur la base des articles 12 à 22 dudit règlement au cours de la période visée au deuxième alinéa, le fonctionnaire à la protection des données compétent en accuse réception.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe l'intéressé par écrit de tout refus ou restriction des droits, visés à l'alinéa premier, dans les meilleurs délais et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui de la réception de la demande. Il n'est pas nécessaire de fournir des informations complémentaires sur les motifs détaillés d'un tel refus ou d'une telle restriction lorsque cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires des inspecteurs, sans préjudice de l'application de l'alinéa 7. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement informe l'intéressé de cette prolongation et des raisons du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui où il a reçu la demande.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe également l'intéressé sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent consigne les motifs factuels ou juridiques sur lesquels la décision est fondée. Il tient ces informations à la disposition de la commission de contrôle flamande précitée.
Une fois l'enquête terminée, les droits énoncés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau conformément à l'article 12 du règlement précité.
Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa premier a été transmis au Ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, le fonctionnaire à la protection des données compétent ne peut répondre à la demande de l'intéressé conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité qu'après que le Ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction, a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou n'est pas susceptible de compromettre l'enquête.]2]1
§ 3. Les inspecteurs et les experts visés à l'article 7, § 1er, ne conservent les données personnelles qu'ils traitent lors de l'exercice de leur mission au-delà du temps nécessaire pour l'exercice de cette mission.
Les inspecteurs et experts visés à l'article 7, § 1er, 7° conservent le rapport visé à l'article 13 ainsi que les annexes à ce rapport jusqu'à 20 ans après que le rapport soit devenu définitif ou, lorsque le rapport fait l'objet d'un procès, jusqu'à 20 ans après qu'un jugement ou arrêt passé en force de chose jugée soit prononcé.
Les inspecteurs et les experts visés à l'article 7, § 1er, 7° conservent des autres informations qu'ils traitent lors de l'exercice de leur mission jusqu'à [4 1 an]4 après que le rapport soit devenu définitif.
§ 4. Le [3 Département Soins, visé à l'article 23, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande,]3 est le responsable du traitement pour les données personnelles qui sont traitées par les inspecteurs lors de l'exercice de leur mission.
§ 2. Les inspecteurs et les experts visés à l'article 7, § 1er, 7°, ont le droit de traiter les données personnelles, dont les données sensibles, pour l'exercice de leur mission de contrôle.
[1 ...]1
[1 § 2/1. [2 En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h), du règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les inspecteurs peuvent décider de ne pas appliquer les obligations et droits énoncés aux articles 12 à 22 dudit règlement au traitement des données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête qui concerne une personne physique déterminée, si les conditions énoncées aux alinéas 2 à 9 sont remplies.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des activités préparatoires y afférentes, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires des inspecteurs, à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement ne soient pas appliqués. La durée des activités préparatoires ne peut, le cas échéant, dépasser un an à compter de la date de réception d'une demande d'exercice d'un des droits visés aux articles 12 à 22 dudit règlement.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique pas aux données qui ne sont pas liées à l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la restriction des droits, visés à l'alinéa premier.
Si, dans le cas visé à l'alinéa premier, l'intéressé soumet une demande sur la base des articles 12 à 22 dudit règlement au cours de la période visée au deuxième alinéa, le fonctionnaire à la protection des données compétent en accuse réception.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe l'intéressé par écrit de tout refus ou restriction des droits, visés à l'alinéa premier, dans les meilleurs délais et en tout état de cause dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui de la réception de la demande. Il n'est pas nécessaire de fournir des informations complémentaires sur les motifs détaillés d'un tel refus ou d'une telle restriction lorsque cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires des inspecteurs, sans préjudice de l'application de l'alinéa 7. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre de demandes et de leur complexité. Le responsable du traitement informe l'intéressé de cette prolongation et des raisons du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant celui où il a reçu la demande.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent informe également l'intéressé sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
Le fonctionnaire à la protection des données compétent consigne les motifs factuels ou juridiques sur lesquels la décision est fondée. Il tient ces informations à la disposition de la commission de contrôle flamande précitée.
Une fois l'enquête terminée, les droits énoncés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau conformément à l'article 12 du règlement précité.
Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa premier a été transmis au Ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction, le fonctionnaire à la protection des données compétent ne peut répondre à la demande de l'intéressé conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité qu'après que le Ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction, a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou n'est pas susceptible de compromettre l'enquête.]2]1
§ 3. Les inspecteurs et les experts visés à l'article 7, § 1er, ne conservent les données personnelles qu'ils traitent lors de l'exercice de leur mission au-delà du temps nécessaire pour l'exercice de cette mission.
Les inspecteurs et experts visés à l'article 7, § 1er, 7° conservent le rapport visé à l'article 13 ainsi que les annexes à ce rapport jusqu'à 20 ans après que le rapport soit devenu définitif ou, lorsque le rapport fait l'objet d'un procès, jusqu'à 20 ans après qu'un jugement ou arrêt passé en force de chose jugée soit prononcé.
Les inspecteurs et les experts visés à l'article 7, § 1er, 7° conservent des autres informations qu'ils traitent lors de l'exercice de leur mission jusqu'à [4 1 an]4 après que le rapport soit devenu définitif.
§ 4. Le [3 Département Soins, visé à l'article 23, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande,]3 est le responsable du traitement pour les données personnelles qui sont traitées par les inspecteurs lors de l'exercice de leur mission.
Art. 6. De minderjarige of handelingsonbekwame persoon oefent de rechten, vermeld in dit decreet, zelfstandig uit, op voorwaarde dat hij tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is. In het andere geval worden zij uitgeoefend door zijn wettelijke vertegenwoordiger, en, in voorkomend geval, van zijn opvoedingsverantwoordelijken.
Art. 6. Le mineur ou la personne incapable de donner son consentement, exerce les droits visés au présent décret, de manière autonome, à condition qu'elle soit en mesure d'évaluer raisonnablement ses intérêts. Dans l'autre cas ils sont exercés par son représentant légal, et, le cas échéant, par ses responsables de l'éducation.
Afdeling 2. - Toezichtrechten
Section 2. - Droits de contrôle
Art. 7. § 1. Bij de uitoefening van hun opdracht hebben de inspecteurs de volgende toezichtrechten:
1° het recht op toegang, vermeld in artikel 8;
2° het recht om informatie te vragen aan iedere persoon van wie ze dat nodig achten;
3° het recht op identiteitsopname, vermeld in artikel 9;
4° het recht om inzage te krijgen in en kopieën te nemen van documenten en informatiedragers, vermeld in artikel 10;
5° het recht op onderzoek van zaken, vermeld in artikel 11;
6° het recht om vaststellingen te doen met audiovisuele middelen en met staalnames, vermeld in artikel 12;
7° het recht om zich te laten bijstaan door deskundigen;
8° het recht om zich, in uitzonderlijke omstandigheden of wanneer de eigen veiligheid in het gedrang is, te laten bijstaan door de lokale en federale politie.
§ 2. Voor de uitoefening van hun opdracht in het kader van het financiële toezicht kunnen inspecteurs de rechten, vermeld in paragraaf 1, uitoefenen ten aanzien van actoren in de zorg [1 , entiteiten of personen verbonden met actoren in de zorg]1 en zorggebruikers voor wat betreft de aanwending van publieke middelen en de regelgeving daarover.
[1 In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° entiteiten, verbonden met actoren in de zorg:
a) de vennootschappen, verenigingen en stichtingen waarover de actor in de zorg een controlebevoegdheid uitoefent;
b) de vennootschappen, verenigingen en stichtingen die een controlebevoegdheid uitoefenen over de actor in de zorg;
c) de vennootschappen, verenigingen en stichtingen waarmee de actor in de zorg een consortium vormt;
d) de andere vennootschappen, verenigingen en stichtingen die, bij weten van het bestuursorgaan van de actor in de zorg, onder de controle staan van de vennootschappen, verenigingen en stichtingen, vermeld in punt a), b) en c);
2° personen, verbonden met actoren in de zorg: de natuurlijke en rechtspersonen die verbonden zijn met de actor in de zorg, conform punt 1°.]1
1° het recht op toegang, vermeld in artikel 8;
2° het recht om informatie te vragen aan iedere persoon van wie ze dat nodig achten;
3° het recht op identiteitsopname, vermeld in artikel 9;
4° het recht om inzage te krijgen in en kopieën te nemen van documenten en informatiedragers, vermeld in artikel 10;
5° het recht op onderzoek van zaken, vermeld in artikel 11;
6° het recht om vaststellingen te doen met audiovisuele middelen en met staalnames, vermeld in artikel 12;
7° het recht om zich te laten bijstaan door deskundigen;
8° het recht om zich, in uitzonderlijke omstandigheden of wanneer de eigen veiligheid in het gedrang is, te laten bijstaan door de lokale en federale politie.
§ 2. Voor de uitoefening van hun opdracht in het kader van het financiële toezicht kunnen inspecteurs de rechten, vermeld in paragraaf 1, uitoefenen ten aanzien van actoren in de zorg [1 , entiteiten of personen verbonden met actoren in de zorg]1 en zorggebruikers voor wat betreft de aanwending van publieke middelen en de regelgeving daarover.
[1 In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° entiteiten, verbonden met actoren in de zorg:
a) de vennootschappen, verenigingen en stichtingen waarover de actor in de zorg een controlebevoegdheid uitoefent;
b) de vennootschappen, verenigingen en stichtingen die een controlebevoegdheid uitoefenen over de actor in de zorg;
c) de vennootschappen, verenigingen en stichtingen waarmee de actor in de zorg een consortium vormt;
d) de andere vennootschappen, verenigingen en stichtingen die, bij weten van het bestuursorgaan van de actor in de zorg, onder de controle staan van de vennootschappen, verenigingen en stichtingen, vermeld in punt a), b) en c);
2° personen, verbonden met actoren in de zorg: de natuurlijke en rechtspersonen die verbonden zijn met de actor in de zorg, conform punt 1°.]1
Art. 7. § 1er. Lors de l'exercice de leur mission, les inspecteurs ont les droits de contrôle suivants :
1° le droit d'accès, visé à l'article 8 ;
2° le droit de demander des informations à toute personne qu'ils jugent utile ;
3° le droit à demander l'identité, visé à l'article 9 ;
4° le droit de consulter et de prendre des copies de documents et de supports d'information, visés à l'article 10 ;
5° le droit d'enquête, visé à l'article 11 ;
6° le droit de dresser des constats à l'aide de moyens audiovisuels et d'échantillonnages, visé à l'article 12 ;
7° le droit de se faire assister par des experts ;
8° le droit de se faire assister, dans des circonstances exceptionnelles ou lorsque la propre sécurité est en danger, par la police locale et fédérale.
§ 2. Pour l'exercice de leur mission dans le cadre du contrôle financier, les inspecteurs peuvent exercer les droits visés au paragraphe 1er, à l'égard d'acteurs des soins [1 , d'entités ou de personnes liées à des acteurs des soins]1 et d'usagers de soins pour ce qui concerne l'affectation de moyens publics et la réglementation en la matière.
[1 Dans l'alinéa 1er, on entend par :
1° entités, liées à des acteurs des soins :
a) les sociétés, associations et fondations sur lesquelles l'acteur des soins exerce un pouvoir de contrôle ;
b) les sociétés, associations et fondations qui exercent un pouvoir de contrôle sur l'acteur des soins ;
c) les sociétés, associations et fondations avec lesquelles l'acteur des soins forme un consortium ;
d) les autres sociétés, associations et fondations qui, à la connaissance de l'organe d'administration de l'acteur des soins, sont contrôlées par les sociétés, associations et fondations visées aux points a), b) et c) ;
2° les personnes liées à des acteurs des soins : les personnes physiques et morales liées à l'acteur des soins, conformément au point 1°.]1
1° le droit d'accès, visé à l'article 8 ;
2° le droit de demander des informations à toute personne qu'ils jugent utile ;
3° le droit à demander l'identité, visé à l'article 9 ;
4° le droit de consulter et de prendre des copies de documents et de supports d'information, visés à l'article 10 ;
5° le droit d'enquête, visé à l'article 11 ;
6° le droit de dresser des constats à l'aide de moyens audiovisuels et d'échantillonnages, visé à l'article 12 ;
7° le droit de se faire assister par des experts ;
8° le droit de se faire assister, dans des circonstances exceptionnelles ou lorsque la propre sécurité est en danger, par la police locale et fédérale.
§ 2. Pour l'exercice de leur mission dans le cadre du contrôle financier, les inspecteurs peuvent exercer les droits visés au paragraphe 1er, à l'égard d'acteurs des soins [1 , d'entités ou de personnes liées à des acteurs des soins]1 et d'usagers de soins pour ce qui concerne l'affectation de moyens publics et la réglementation en la matière.
[1 Dans l'alinéa 1er, on entend par :
1° entités, liées à des acteurs des soins :
a) les sociétés, associations et fondations sur lesquelles l'acteur des soins exerce un pouvoir de contrôle ;
b) les sociétés, associations et fondations qui exercent un pouvoir de contrôle sur l'acteur des soins ;
c) les sociétés, associations et fondations avec lesquelles l'acteur des soins forme un consortium ;
d) les autres sociétés, associations et fondations qui, à la connaissance de l'organe d'administration de l'acteur des soins, sont contrôlées par les sociétés, associations et fondations visées aux points a), b) et c) ;
2° les personnes liées à des acteurs des soins : les personnes physiques et morales liées à l'acteur des soins, conformément au point 1°.]1
Wijzigingen
Art. 8. § 1. Behalve in de gevallen, vermeld in paragraaf 2, hebben de inspecteurs het recht om bij dag en bij nacht, zonder voorafgaande waarschuwing, elke plaats vrij te betreden.
§ 2. De inspecteurs hebben toegang tot bewoonde ruimtes in een van de volgende gevallen:
1° indien de visitatie plaatsvindt tussen 5 uur en 21 uur heeft de rechter in de politierechtbank daarvoor vooraf een machtiging tot visitatie verleend;
2° indien de visitatie plaatsvindt tussen 21 uur en 5 uur heeft de rechter in de politierechtbank daarvoor vooraf een bijzonder gemotiveerde machtiging tot visitatie verleend;
3° de personen die het werkelijke genot hebben van de ruimte, hebben er voorafgaandelijk en schriftelijk hun toestemming voor gegeven.
De inspecteurs hebben tussen 5 uur en 21 uur steeds toegang tot de door de actor in de zorg bewoonde ruimtes die worden gebruikt voor de verlening van zorg.
De inspecteurs hebben tussen 5 uur en 21 uur toegang tot de private ruimtes die bewoond worden door de residentiële of de semiresidentiële zorggebruiker in een van de volgende gevallen:
1° de rechter in de politierechtbank heeft daarvoor vooraf een machtiging tot visitatie verleend;
2° de persoon die het werkelijke genot heeft van de ruimte, heeft er zich niet tegen verzet.
De inspecteurs hebben tussen 5 uur en 21 uur steeds toegang tot de gemeenschappelijke ruimtes die bewoond worden door de residentiële of de semiresidentiële zorggebruiker.
De inspecteurs hebben steeds toegang tot bewoonde ruimtes als dat noodzakelijk is om dringende redenen ter bescherming van de volksgezondheid.
§ 3. Het geheel van de motiveringsstukken voor de machtiging tot visitatie wordt bij het toezichtdossier gevoegd.
§ 2. De inspecteurs hebben toegang tot bewoonde ruimtes in een van de volgende gevallen:
1° indien de visitatie plaatsvindt tussen 5 uur en 21 uur heeft de rechter in de politierechtbank daarvoor vooraf een machtiging tot visitatie verleend;
2° indien de visitatie plaatsvindt tussen 21 uur en 5 uur heeft de rechter in de politierechtbank daarvoor vooraf een bijzonder gemotiveerde machtiging tot visitatie verleend;
3° de personen die het werkelijke genot hebben van de ruimte, hebben er voorafgaandelijk en schriftelijk hun toestemming voor gegeven.
De inspecteurs hebben tussen 5 uur en 21 uur steeds toegang tot de door de actor in de zorg bewoonde ruimtes die worden gebruikt voor de verlening van zorg.
De inspecteurs hebben tussen 5 uur en 21 uur toegang tot de private ruimtes die bewoond worden door de residentiële of de semiresidentiële zorggebruiker in een van de volgende gevallen:
1° de rechter in de politierechtbank heeft daarvoor vooraf een machtiging tot visitatie verleend;
2° de persoon die het werkelijke genot heeft van de ruimte, heeft er zich niet tegen verzet.
De inspecteurs hebben tussen 5 uur en 21 uur steeds toegang tot de gemeenschappelijke ruimtes die bewoond worden door de residentiële of de semiresidentiële zorggebruiker.
De inspecteurs hebben steeds toegang tot bewoonde ruimtes als dat noodzakelijk is om dringende redenen ter bescherming van de volksgezondheid.
§ 3. Het geheel van de motiveringsstukken voor de machtiging tot visitatie wordt bij het toezichtdossier gevoegd.
Art. 8. § 1er. Sauf dans les cas visés au paragraphe 2, les inspecteurs ont le droit d'accéder librement à tous les lieux le jour et la nuit, sans avertissement préalable.
§ 2. Les inspecteurs ont accès aux espaces habités dans l'un des cas suivants :
1° lorsque la visite a lieu entre 5 heures et 21 heures le juge au tribunal de police y a préalablement accordé une autorisation de visite ;
2° lorsque la visite a lieu entre 21 heures et 5 heures, le juge au tribunal de police y a préalablement accordé une autorisation de visite particulièrement motivée ;
3° les personnes ayant la jouissance effective de l'espace y ont préalablement et par écrit donné leur accord.
Entre 5 heures et 21 heures, les inspecteurs ont toujours accès aux espaces habités par l'acteur des soins qui sont utilisés pour la prestation de soins.
Entre 5 heures et 21 heures les inspecteurs ont accès aux espaces privés habités par l'usager de soins résidentiels ou semi résidentiels dans l'un des cas suivants :
1° le juge au tribunal de police y a donné préalablement une autorisation de visite ;
2° la personne ayant la jouissance effective de l'espace ne s'y est pas opposée.
Entre 5 heures et 21 heures les inspecteurs ont toujours accès aux espaces communs habités par l'usager de soins résidentiels ou semi-résidentiels.
Les inspecteurs ont toujours accès aux espaces habités lorsque cela s'avère nécessaire pour des motifs urgents de protection de la santé publique.
§ 3. L'ensemble des pièces justificatives pour l'autorisation de visite est joint au dossier de contrôle.
§ 2. Les inspecteurs ont accès aux espaces habités dans l'un des cas suivants :
1° lorsque la visite a lieu entre 5 heures et 21 heures le juge au tribunal de police y a préalablement accordé une autorisation de visite ;
2° lorsque la visite a lieu entre 21 heures et 5 heures, le juge au tribunal de police y a préalablement accordé une autorisation de visite particulièrement motivée ;
3° les personnes ayant la jouissance effective de l'espace y ont préalablement et par écrit donné leur accord.
Entre 5 heures et 21 heures, les inspecteurs ont toujours accès aux espaces habités par l'acteur des soins qui sont utilisés pour la prestation de soins.
Entre 5 heures et 21 heures les inspecteurs ont accès aux espaces privés habités par l'usager de soins résidentiels ou semi résidentiels dans l'un des cas suivants :
1° le juge au tribunal de police y a donné préalablement une autorisation de visite ;
2° la personne ayant la jouissance effective de l'espace ne s'y est pas opposée.
Entre 5 heures et 21 heures les inspecteurs ont toujours accès aux espaces communs habités par l'usager de soins résidentiels ou semi-résidentiels.
Les inspecteurs ont toujours accès aux espaces habités lorsque cela s'avère nécessaire pour des motifs urgents de protection de la santé publique.
§ 3. L'ensemble des pièces justificatives pour l'autorisation de visite est joint au dossier de contrôle.
Art. 9. De inspecteurs hebben het recht de identiteit op te nemen van de personen die zich bevinden op de plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn en van eenieder van wie ze de verklaring of identificatie nodig achten voor de uitoefening van het toezicht.
De inspecteurs kunnen daarvoor van die personen de voorlegging van identiteitsdocumenten vorderen.
De inspecteurs kunnen die personen identificeren met behulp van niet-officiële documenten als die personen geen officiële identificatiedocumenten kunnen voorleggen of als de inspecteurs kunnen twijfelen aan de authenticiteit ervan of aan de identiteit van die personen.
De inspecteurs kunnen daarvoor van die personen de voorlegging van identiteitsdocumenten vorderen.
De inspecteurs kunnen die personen identificeren met behulp van niet-officiële documenten als die personen geen officiële identificatiedocumenten kunnen voorleggen of als de inspecteurs kunnen twijfelen aan de authenticiteit ervan of aan de identiteit van die personen.
Art. 9. Les inspecteurs ont le droit de contrôler l'identité des personnes qui se trouvent aux endroits soumis à leur contrôle et de toute personne dont ils jugent nécessaires la déclaration ou l'identification pour l'exécution du contrôle.
A cet effet, les inspecteurs peuvent exiger la présentation de documents d'identité.
Les inspecteurs peuvent identifier ces personnes au moyen de documents non officiels lorsque ces personnes ne peuvent présenter aucun document officiel d'identification ou lorsque les inspecteurs doutent de leur authenticité ou de l'identité de ces personnes.
A cet effet, les inspecteurs peuvent exiger la présentation de documents d'identité.
Les inspecteurs peuvent identifier ces personnes au moyen de documents non officiels lorsque ces personnes ne peuvent présenter aucun document officiel d'identification ou lorsque les inspecteurs doutent de leur authenticité ou de l'identité de ces personnes.
Art. 10. De inspecteurs hebben het recht inzage te vorderen van alle documenten en informatiedragers die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht, met inbegrip van documenten en informatiedragers die persoonsgegevens, waaronder gevoelige gegevens, bevatten. Daarvoor mogen ze zich die documenten en informatiedragers laten voorleggen op de plaats die ze aanwijzen.
De bevoegdheid, vermeld in het eerste lid, heeft ook betrekking op gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat.
De inspecteurs mogen zich van alle documenten en informatiedragers die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht kosteloos een kopie laten verstrekken of er zelf een kopie van maken. Als kopiëren niet mogelijk is, mogen ze die documenten en informatiedragers, met uitzondering van de documenten en informatiedragers die gevoelige gegevens bevatten, tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs meenemen voor de periode die vereist is om hun opdracht te volbrengen.
De inspecteurs hebben het recht om documenten en informatiedragers die door de regelgeving voorgeschreven gegevens bevatten, met uitzondering van de documenten en informatiedragers die gevoelige gegevens bevatten, tijdelijk tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs in beslag te nemen of te verzegelen als dat noodzakelijk is voor de opsporing, voor het onderzoek of voor het leveren van het bewijs van de inbreuk, of als het gevaar bestaat dat met die documenten of informatiedragers de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken zullen worden gepleegd.
De inspecteurs hebben het recht documenten en informatiedragers op te sporen die door de regelgeving voorgeschreven gegevens bevatten, met inbegrip van documenten en informatiedragers die gevoelige gegevens bevatten.
Als anonieme gegevens beschikbaar en actueel zijn, vragen de inspecteurs in eerste instantie inzage in die gegevens. Voor zover dat nodig is in het licht van de toezichtsopdracht, kunnen de inspecteurs inzage vorderen in persoonsgegevens, mits daarvoor de Europese, federale en Vlaamse regels rond het verwerken van deze gegevens worden gevolgd.
De bevoegdheid, vermeld in het eerste lid, heeft ook betrekking op gegevens die toegankelijk zijn via een informaticasysteem of via elk ander elektronisch apparaat.
De inspecteurs mogen zich van alle documenten en informatiedragers die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht kosteloos een kopie laten verstrekken of er zelf een kopie van maken. Als kopiëren niet mogelijk is, mogen ze die documenten en informatiedragers, met uitzondering van de documenten en informatiedragers die gevoelige gegevens bevatten, tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs meenemen voor de periode die vereist is om hun opdracht te volbrengen.
De inspecteurs hebben het recht om documenten en informatiedragers die door de regelgeving voorgeschreven gegevens bevatten, met uitzondering van de documenten en informatiedragers die gevoelige gegevens bevatten, tijdelijk tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs in beslag te nemen of te verzegelen als dat noodzakelijk is voor de opsporing, voor het onderzoek of voor het leveren van het bewijs van de inbreuk, of als het gevaar bestaat dat met die documenten of informatiedragers de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken zullen worden gepleegd.
De inspecteurs hebben het recht documenten en informatiedragers op te sporen die door de regelgeving voorgeschreven gegevens bevatten, met inbegrip van documenten en informatiedragers die gevoelige gegevens bevatten.
Als anonieme gegevens beschikbaar en actueel zijn, vragen de inspecteurs in eerste instantie inzage in die gegevens. Voor zover dat nodig is in het licht van de toezichtsopdracht, kunnen de inspecteurs inzage vorderen in persoonsgegevens, mits daarvoor de Europese, federale en Vlaamse regels rond het verwerken van deze gegevens worden gevolgd.
Art. 10. Les inspecteurs ont le droit d'exiger de consulter tous les documents et supports d'information nécessaires pour l'exercice de la surveillance, y compris des documents et des porteurs d'information comprenant des données personnelles, parmi lesquelles les données sensibles. A cet effet, ils peuvent se faire présenter ces documents et porteurs d'informations à l'endroit qu'ils désignent.
La compétence visée à l'alinéa premier, a également trait aux données qui sont accessibles au moyen d'un système informatique ou de tout autre appareil électronique.
Les inspecteurs peuvent se faire remettre gratuitement une copie de tous les documents et autres supports d'information qui sont nécessaires à l'accomplissement du contrôle ou en peuvent réaliser eux-mêmes une copie. S'il n'est pas possible de faire une copie, ils peuvent emporter ces documents et supports d'informations, à l'exception des documents et supports d'information contenant des données sensibles, contre une attestation écrite à délivrer par eux pour la période nécessaire pour accomplir leur mission.
Les inspecteurs ont le droit de saisir ou mettre sous scellés des documents et des supports d'informations comprenant des données prescrites par la réglementation, à l'exception des documents et des supports d'information contenant des données sensibles, contre une attestation écrite à délivrer par eux, lorsque cela s'avère nécessaire à la détection, à l'examen et à la délivrance de la preuve de l'infraction, ou lorsque les documents ou les supports d'information risquent de faire persister les infractions ou incitent à de nouvelles infractions.
Les inspecteurs ont le droit de détecter des documents et des supports d'information comprenant des données prescrites par la réglementation, y compris des documents et des supports d'information contenant des données sensibles.
Lorsque des données anonymes sont disponibles et actuelles, les inspecteurs demandent en premier lieu de pouvoir consulter ces données Lorsque cela se révèle nécessaire à l'accomplissement de la mission de contrôle, les inspecteurs peuvent exiger de consulter les données personnelles, à condition que les règles européennes, fédérales et flamandes relatives au traitement de ces données soient suivies.
La compétence visée à l'alinéa premier, a également trait aux données qui sont accessibles au moyen d'un système informatique ou de tout autre appareil électronique.
Les inspecteurs peuvent se faire remettre gratuitement une copie de tous les documents et autres supports d'information qui sont nécessaires à l'accomplissement du contrôle ou en peuvent réaliser eux-mêmes une copie. S'il n'est pas possible de faire une copie, ils peuvent emporter ces documents et supports d'informations, à l'exception des documents et supports d'information contenant des données sensibles, contre une attestation écrite à délivrer par eux pour la période nécessaire pour accomplir leur mission.
Les inspecteurs ont le droit de saisir ou mettre sous scellés des documents et des supports d'informations comprenant des données prescrites par la réglementation, à l'exception des documents et des supports d'information contenant des données sensibles, contre une attestation écrite à délivrer par eux, lorsque cela s'avère nécessaire à la détection, à l'examen et à la délivrance de la preuve de l'infraction, ou lorsque les documents ou les supports d'information risquent de faire persister les infractions ou incitent à de nouvelles infractions.
Les inspecteurs ont le droit de détecter des documents et des supports d'information comprenant des données prescrites par la réglementation, y compris des documents et des supports d'information contenant des données sensibles.
Lorsque des données anonymes sont disponibles et actuelles, les inspecteurs demandent en premier lieu de pouvoir consulter ces données Lorsque cela se révèle nécessaire à l'accomplissement de la mission de contrôle, les inspecteurs peuvent exiger de consulter les données personnelles, à condition que les règles européennes, fédérales et flamandes relatives au traitement de ces données soient suivies.
Art. 11. De inspecteurs hebben het recht zaken te onderzoeken of te laten onderzoeken.
Als het onderzoek niet ter plaatse uitgevoerd kan worden, mogen de inspecteurs de zaken tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs meenemen tijdens de periode die vereist is om het onderzoek uit te voeren.
Ze hebben het recht om zaken tijdelijk tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs in beslag te nemen of te verzegelen als dat noodzakelijk is voor de opsporing, voor het onderzoek of voor het leveren van het bewijs van de inbreuken, of als het gevaar bestaat dat met die zaken de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken zullen worden gepleegd.
Als het onderzoek niet ter plaatse uitgevoerd kan worden, mogen de inspecteurs de zaken tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs meenemen tijdens de periode die vereist is om het onderzoek uit te voeren.
Ze hebben het recht om zaken tijdelijk tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs in beslag te nemen of te verzegelen als dat noodzakelijk is voor de opsporing, voor het onderzoek of voor het leveren van het bewijs van de inbreuken, of als het gevaar bestaat dat met die zaken de inbreuken worden voortgezet of nieuwe inbreuken zullen worden gepleegd.
Art. 11. Les inspecteurs ont le droit d'examiner ou de faire examiner des affaires.
Lorsque l'examen ne peut pas être effectué sur place, les inspecteurs peuvent emporter les éléments nécessaires contre une attestation écrite qu'ils délivrent pendant la période nécessaire pour effectuer l'examen.
Ils ont le droit de saisir ou mettre sous scellés des affaires contre une attestation écrite à délivrer par eux, lorsque cela s'avère nécessaire pour la détection, pour l'examen et pour la délivrance de la preuve de l'infraction, ou lorsque ces affaires risquent de faire persister les infractions ou incitent à de nouvelles infractions.
Lorsque l'examen ne peut pas être effectué sur place, les inspecteurs peuvent emporter les éléments nécessaires contre une attestation écrite qu'ils délivrent pendant la période nécessaire pour effectuer l'examen.
Ils ont le droit de saisir ou mettre sous scellés des affaires contre une attestation écrite à délivrer par eux, lorsque cela s'avère nécessaire pour la détection, pour l'examen et pour la délivrance de la preuve de l'infraction, ou lorsque ces affaires risquent de faire persister les infractions ou incitent à de nouvelles infractions.
Art. 12. De inspecteurs hebben het recht vaststellingen te doen met audiovisuele middelen en met staalnames.
Vaststellingen met audiovisuele middelen gelden tot bewijs van het tegendeel, op voorwaarde dat zij het voorwerp uitmaken van een document van vaststelling dat naast de gegevens, vermeld in artikel 15, tweede lid, de volgende gegevens bevat:
1° de dag, de datum, het uur waarop en de beschrijving van de plaats waar de vaststelling met audiovisuele middelen is gemaakt;
2° de identificatie van het technisch hulpmiddel waarmee de vaststelling met audiovisuele middelen werd gedaan;
3° een beschrijving van de vaststelling die met audiovisuele middelen werd gedaan;
4° wanneer het gaat om een detailopname, een aanduiding met de schaal.
De inspecteurs en de deskundigen, vermeld in artikel 7, § 1, 7°, bewaren de vaststelling met audiovisuele middelen niet langer dan nodig voor de uitoefening van hun opdracht.
Vaststellingen met staalnames gelden tot bewijs van het tegendeel, op voorwaarde dat de inspecteurs ze zelf op regelmatige wijze hebben gedaan of door een erkend laboratorium op regelmatige wijze hebben laten doen.
Vaststellingen met audiovisuele middelen gelden tot bewijs van het tegendeel, op voorwaarde dat zij het voorwerp uitmaken van een document van vaststelling dat naast de gegevens, vermeld in artikel 15, tweede lid, de volgende gegevens bevat:
1° de dag, de datum, het uur waarop en de beschrijving van de plaats waar de vaststelling met audiovisuele middelen is gemaakt;
2° de identificatie van het technisch hulpmiddel waarmee de vaststelling met audiovisuele middelen werd gedaan;
3° een beschrijving van de vaststelling die met audiovisuele middelen werd gedaan;
4° wanneer het gaat om een detailopname, een aanduiding met de schaal.
De inspecteurs en de deskundigen, vermeld in artikel 7, § 1, 7°, bewaren de vaststelling met audiovisuele middelen niet langer dan nodig voor de uitoefening van hun opdracht.
Vaststellingen met staalnames gelden tot bewijs van het tegendeel, op voorwaarde dat de inspecteurs ze zelf op regelmatige wijze hebben gedaan of door een erkend laboratorium op regelmatige wijze hebben laten doen.
Art. 12. Les inspecteurs ont le droit de dresser des constats à l'aide de moyens audiovisuels et d'échantillonnages.
Des constats à l'aide de moyens audiovisuels restent d'application jusqu'à preuve du contraire, à condition qu'ils fassent objet d'un document de constat qui comprend, outre les données visées à l'article 15, alinéa deux, les données suivantes :
1° le jour, la date, l'heure à laquelle la description du lieu du constat à l'aide de moyens audiovisuels a été effectuée ;
2° l'identification du moyen technique à l'aide duquel le constat à l'aide de moyens audiovisuels a été effectué ;
3° une description du constat qui a été effectué à l'aide de moyens audiovisuels ;
4° lorsqu'il s'agit d'une image ponctuelle, une indication de l'échelle.
Les inspecteurs et les experts visés à l'article 7, § 1er, 7°, ne conservent les constats effectués à l'aide de moyens audiovisuels au-delà du temps nécessaire pour l'exercice de leur mission.
Des constats effectués à l'aide d'échantillonnages restent d'application jusqu'à preuve du contraire, à condition qu'ils ont été effectués de façon régulière par les inspecteurs eux-mêmes ou par un laboratoire agréé.
Des constats à l'aide de moyens audiovisuels restent d'application jusqu'à preuve du contraire, à condition qu'ils fassent objet d'un document de constat qui comprend, outre les données visées à l'article 15, alinéa deux, les données suivantes :
1° le jour, la date, l'heure à laquelle la description du lieu du constat à l'aide de moyens audiovisuels a été effectuée ;
2° l'identification du moyen technique à l'aide duquel le constat à l'aide de moyens audiovisuels a été effectué ;
3° une description du constat qui a été effectué à l'aide de moyens audiovisuels ;
4° lorsqu'il s'agit d'une image ponctuelle, une indication de l'échelle.
Les inspecteurs et les experts visés à l'article 7, § 1er, 7°, ne conservent les constats effectués à l'aide de moyens audiovisuels au-delà du temps nécessaire pour l'exercice de leur mission.
Des constats effectués à l'aide d'échantillonnages restent d'application jusqu'à preuve du contraire, à condition qu'ils ont été effectués de façon régulière par les inspecteurs eux-mêmes ou par un laboratoire agréé.
Afdeling 3. - Afhandeling van het toezicht
Section 3. - Traitement du contrôle
Art. 13. § 1. De inspecteurs stellen een verslag op van hun vaststellingen. De Vlaamse Regering bepaalt welke inlichtingen het verslag minstens bevat.
[1 Daarnaast kunnen de inspecteurs van het verslag een samenvattend rapport opstellen.]1
§ 2. Een kopie van het voorlopige verslag en de bijlagen wordt binnen een termijn van dertig dagen bezorgd aan [1 de bevoegde entiteit of, in voorkomend geval, de bevoegde entiteiten. Een kopie van het verslag en de eventueel gewijzigde bijlagen wordt op hetzelfde moment ook bezorgd aan]1 de actor in de zorg, aan de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, en aan de klachtindiener, als de vaststellingen naar aanleiding van een klacht werden gedaan. De termijn neemt een aanvang de dag nadat de laatste vaststelling in het kader van het toezicht gedaan is. De termijn is eenmalig verlengbaar met dertig dagen, op voorwaarde dat de inspecteurs de actor in de zorg, de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, en de klachtindiener, als de vaststellingen naar aanleiding van een klacht werden gedaan, daarvan binnen een termijn van dertig dagen schriftelijk op de hoogte brengen. Als de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, eindigt de termijn op de eerstvolgende werkdag.
§ 3. De actor in de zorg, de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, en de klachtindiener, als de vaststellingen naar aanleiding van een klacht werden gedaan, hebben elk het recht om binnen een termijn van veertien dagen hun schriftelijke reactie op het voorlopige verslag kenbaar te maken. De termijn neemt een aanvang de dag na de ontvangst van het voorlopige verslag en de bijlagen, vermeld in paragraaf 2. De termijn is eenmalig verlengbaar met veertien dagen, op voorwaarde dat de actor in de zorg, de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, of de klachtindiener, als de vaststellingen naar aanleiding van een klacht werden gedaan, de inspecteurs daarvan binnen een termijn van veertien dagen schriftelijk op de hoogte brengen en deze er hun akkoord aan verlenen. Als de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, eindigt de termijn op de eerstvolgende werkdag. De reactie wordt als bijlage bij het verslag gevoegd en maakt dus deel uit van het administratief dossier.
De inspecteurs kunnen het verslag aanpassen op basis van de reacties op het voorlopige verslag en de bijlagen, vermeld in eerste lid. De actor in de zorg, de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, en de klachtindiener, als de vaststellingen naar aanleiding van een klacht werden gedaan, worden schriftelijk op de hoogte gebracht van eventuele aanpassingen.
§ 4. Een kopie van het verslag en de bijlagen wordt binnen een termijn van dertig dagen bezorgd aan de actor in de zorg, aan de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, en aan de klachtindiener, als de vaststellingen naar aanleiding van een klacht werden gedaan. De termijn neemt een aanvang de dag na de ontvangst van de laatste reactie, vermeld in paragraaf 3, of na het verstrijken van de reactietermijn. De termijn is eenmalig verlengbaar met dertig dagen, op voorwaarde dat de inspecteurs de actor in de zorg, de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, en de klachtindiener, als de vaststellingen naar aanleiding van een klacht werden gedaan, daarvan binnen een termijn van dertig dagen schriftelijk op de hoogte brengen. Als de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, eindigt de termijn op de eerstvolgende werkdag.
§ 5. Het verslag dat conform paragraaf 1 tot en met 4 opgesteld en bezorgd is, heeft bewijswaarde tot het tegendeel is bewezen.
[1 § 6. In afwijking van artikel II.34, 2°, artikel II.36, § 1, tweede lid, 1°, en artikel II.40, § 3, tweede lid, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, gelden voor de aanvragen tot openbaarmaking van het verslag of het rapport waarvan de actor in de zorg het voorwerp van het toezicht is, de hiernavolgende bepalingen.
De dienst van de Vlaamse overheid waarvan de inspecteurs het verslag, vermeld in het eerste lid, opstellen, de Vlaamse Regering, instellingen, voorzieningen, diensten of ambtenaren, vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid, maken in zoverre ze als overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, van het voormelde decreet worden beschouwd, de volgende gegevens, die vermeld worden in dat verslag of rapport, openbaar aan personen die een geldige aanvraag tot openbaarheid van dat verslag of rapport indienen conform titel II, hoofdstuk 3, van het voormelde decreet:
1° de naam van de actor in de zorg die het voorwerp van het toezicht is en ten aanzien waarvan vaststellingen in het kader van het toezicht zijn gedaan, en het adres van de actor in de zorg waar de vaststellingen in het kader van het toezicht zijn gedaan;
2° de naam en het adres van de inrichtende macht van de actor in de zorg, vermeld in punt 1° ;
3° de vaststellingen die in het kader van het toezicht zijn gedaan en die bestaan uit beschrijvingen van gedragingen van de actor in de zorg en de natuurlijke personen die werken bij de actor in de zorg, of uit beoordelingen van of een waardeoordeel over de manier waarop de actor in de zorg en de natuurlijke personen die werken bij de actor in de zorg, hun werkzaamheden uitoefenen, voor zover het niet gaat over gevoelige gegevens of gegevens die niet behoren tot de professionele context.
De doelstelling van de openbaarmaking van de gegevens, vermeld in het tweede lid, bestaat erin te verzekeren dat aanvragers toegang hebben tot verslagen en rapporten als vermeld in het eerste lid, tot de persoonsgegevens die nodig zijn om een volledig inzicht te krijgen in de kwaliteit van de verstrekte zorg, in de naleving door de actor van de zorg van de regelgeving in het kader van het gezondheidsbeleid en het welzijns- en gezinsbeleid, vermeld in artikel 3, eerste lid, en in de manier waarop de overheid hierop toezicht uitoefent.
De Vlaamse Regering, de instellingen, voorzieningen, diensten of ambtenaren, vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid, verwerken de gegevens, vermeld in het tweede lid, maximaal gedurende de bewaartermijnen, vermeld in artikel 5, § 3, tweede lid, verlengd met de termijnen, vermeld in artikel II.43 van het voormelde decreet.
Het Departement Zorg, vermeld in artikel 23, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens die de dienst bij de openbaarmaking van het verslag of rapport verwerkt.
De aanvrager die een verzoek indient tot openbaarmaking van het verslag of rapport als vermeld in het eerste lid, toont geen belang aan voor de openbaarmaking van de informatie van persoonlijke aard.]1
[1 Daarnaast kunnen de inspecteurs van het verslag een samenvattend rapport opstellen.]1
§ 2. Een kopie van het voorlopige verslag en de bijlagen wordt binnen een termijn van dertig dagen bezorgd aan [1 de bevoegde entiteit of, in voorkomend geval, de bevoegde entiteiten. Een kopie van het verslag en de eventueel gewijzigde bijlagen wordt op hetzelfde moment ook bezorgd aan]1 de actor in de zorg, aan de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, en aan de klachtindiener, als de vaststellingen naar aanleiding van een klacht werden gedaan. De termijn neemt een aanvang de dag nadat de laatste vaststelling in het kader van het toezicht gedaan is. De termijn is eenmalig verlengbaar met dertig dagen, op voorwaarde dat de inspecteurs de actor in de zorg, de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, en de klachtindiener, als de vaststellingen naar aanleiding van een klacht werden gedaan, daarvan binnen een termijn van dertig dagen schriftelijk op de hoogte brengen. Als de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, eindigt de termijn op de eerstvolgende werkdag.
§ 3. De actor in de zorg, de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, en de klachtindiener, als de vaststellingen naar aanleiding van een klacht werden gedaan, hebben elk het recht om binnen een termijn van veertien dagen hun schriftelijke reactie op het voorlopige verslag kenbaar te maken. De termijn neemt een aanvang de dag na de ontvangst van het voorlopige verslag en de bijlagen, vermeld in paragraaf 2. De termijn is eenmalig verlengbaar met veertien dagen, op voorwaarde dat de actor in de zorg, de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, of de klachtindiener, als de vaststellingen naar aanleiding van een klacht werden gedaan, de inspecteurs daarvan binnen een termijn van veertien dagen schriftelijk op de hoogte brengen en deze er hun akkoord aan verlenen. Als de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, eindigt de termijn op de eerstvolgende werkdag. De reactie wordt als bijlage bij het verslag gevoegd en maakt dus deel uit van het administratief dossier.
De inspecteurs kunnen het verslag aanpassen op basis van de reacties op het voorlopige verslag en de bijlagen, vermeld in eerste lid. De actor in de zorg, de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, en de klachtindiener, als de vaststellingen naar aanleiding van een klacht werden gedaan, worden schriftelijk op de hoogte gebracht van eventuele aanpassingen.
§ 4. Een kopie van het verslag en de bijlagen wordt binnen een termijn van dertig dagen bezorgd aan de actor in de zorg, aan de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, en aan de klachtindiener, als de vaststellingen naar aanleiding van een klacht werden gedaan. De termijn neemt een aanvang de dag na de ontvangst van de laatste reactie, vermeld in paragraaf 3, of na het verstrijken van de reactietermijn. De termijn is eenmalig verlengbaar met dertig dagen, op voorwaarde dat de inspecteurs de actor in de zorg, de zorggebruiker, als die het voorwerp van het toezicht uitmaakt, en de klachtindiener, als de vaststellingen naar aanleiding van een klacht werden gedaan, daarvan binnen een termijn van dertig dagen schriftelijk op de hoogte brengen. Als de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, eindigt de termijn op de eerstvolgende werkdag.
§ 5. Het verslag dat conform paragraaf 1 tot en met 4 opgesteld en bezorgd is, heeft bewijswaarde tot het tegendeel is bewezen.
[1 § 6. In afwijking van artikel II.34, 2°, artikel II.36, § 1, tweede lid, 1°, en artikel II.40, § 3, tweede lid, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, gelden voor de aanvragen tot openbaarmaking van het verslag of het rapport waarvan de actor in de zorg het voorwerp van het toezicht is, de hiernavolgende bepalingen.
De dienst van de Vlaamse overheid waarvan de inspecteurs het verslag, vermeld in het eerste lid, opstellen, de Vlaamse Regering, instellingen, voorzieningen, diensten of ambtenaren, vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid, maken in zoverre ze als overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, van het voormelde decreet worden beschouwd, de volgende gegevens, die vermeld worden in dat verslag of rapport, openbaar aan personen die een geldige aanvraag tot openbaarheid van dat verslag of rapport indienen conform titel II, hoofdstuk 3, van het voormelde decreet:
1° de naam van de actor in de zorg die het voorwerp van het toezicht is en ten aanzien waarvan vaststellingen in het kader van het toezicht zijn gedaan, en het adres van de actor in de zorg waar de vaststellingen in het kader van het toezicht zijn gedaan;
2° de naam en het adres van de inrichtende macht van de actor in de zorg, vermeld in punt 1° ;
3° de vaststellingen die in het kader van het toezicht zijn gedaan en die bestaan uit beschrijvingen van gedragingen van de actor in de zorg en de natuurlijke personen die werken bij de actor in de zorg, of uit beoordelingen van of een waardeoordeel over de manier waarop de actor in de zorg en de natuurlijke personen die werken bij de actor in de zorg, hun werkzaamheden uitoefenen, voor zover het niet gaat over gevoelige gegevens of gegevens die niet behoren tot de professionele context.
De doelstelling van de openbaarmaking van de gegevens, vermeld in het tweede lid, bestaat erin te verzekeren dat aanvragers toegang hebben tot verslagen en rapporten als vermeld in het eerste lid, tot de persoonsgegevens die nodig zijn om een volledig inzicht te krijgen in de kwaliteit van de verstrekte zorg, in de naleving door de actor van de zorg van de regelgeving in het kader van het gezondheidsbeleid en het welzijns- en gezinsbeleid, vermeld in artikel 3, eerste lid, en in de manier waarop de overheid hierop toezicht uitoefent.
De Vlaamse Regering, de instellingen, voorzieningen, diensten of ambtenaren, vermeld in artikel 16, § 1, eerste lid, verwerken de gegevens, vermeld in het tweede lid, maximaal gedurende de bewaartermijnen, vermeld in artikel 5, § 3, tweede lid, verlengd met de termijnen, vermeld in artikel II.43 van het voormelde decreet.
Het Departement Zorg, vermeld in artikel 23, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, is de verwerkingsverantwoordelijke voor de gegevens die de dienst bij de openbaarmaking van het verslag of rapport verwerkt.
De aanvrager die een verzoek indient tot openbaarmaking van het verslag of rapport als vermeld in het eerste lid, toont geen belang aan voor de openbaarmaking van de informatie van persoonlijke aard.]1
Art. 13. § 1er. Les inspecteurs rédigent un rapport de leurs constats. Le Gouvernement flamand arrête les données que le rapport doit au moins contenir.
[1 En outre, les inspecteurs peuvent établir un rapport de synthèse à partir du rapport.]1
§ 2. Une copie du rapport provisoire et des annexes est transmise dans un délai de trente jours à l'acteur des soins, à l'usager de soins, lorsque celui-ci fait l'objet du contrôle, et à l'introducteur de la plainte, lorsque les constats ont été effectués à l'occasion d'une plainte. Le délai prend cours le lendemain du dernier constat dans le cadre du contrôle. Le délai est renouvelable une fois de trente jours, à condition que les inspecteurs en informent par écrit dans un délai de trente jours l'acteur des soins, l'usager de soins, lorsque celui-ci fait l'objet du contrôle, et l'introducteur de la plainte lorsque les constats ont été effectués à l'occasion d'une plainte. Lorsque le jour de l'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le délai se termine le jour ouvrable suivant.
§ 3. L'acteur des soins, l'usager de soins, lorsque celui-ci fait l'objet du contrôle, et l'introducteur de la plainte, lorsque les constats ont été effectués à l'occasion d'une plainte ont le droit de faire connaître leur réaction écrite au rapport provisoire dans un délai de quinze jours. Le délai prend cours le jour suivant la réception du rapport provisoire et des annexes visés au paragraphe 2. Le délai est renouvelable une fois de quinze jours, à condition que l'acteur des soins, l'usager de soins, lorsque celui-ci fait l'objet du contrôle, ou l'introducteur de la plainte, lorsque les constats ont été effectués à l'occasion d'une plainte, en informent par écrit les inspecteurs dans un délai de quinze jours et lorsque ceux-ci y donnent leur accord. Lorsque la date d'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le délai se termine le jour ouvrable suivant. La réaction est jointe en annexe au rapport et fait donc partie du dossier administratif.
Les inspecteurs peuvent adapter le rapport sur la base des réactions au rapport provisoire et aux annexes visés à l'alinéa premier. L'acteur des soins, l'usager de soins, lorsque celui-ci fait l'objet du contrôle, et l'introducteur de la plainte, lorsque les constats ont été effectués à l'occasion d'une plainte sont informés par écrit des adaptations éventuelles.
§ 4. Une copie du rapport et des annexes est transmise dans un délai de trente jours à l'acteur des soins, à l'usager de soins, lorsque celui-ci fait l'objet du contrôle et à l'introducteur de la plainte lorsque les constats ont été effectués à l'occasion d'une plainte. Le délai prend cours le jour suivant la réception de la dernière réaction, visée au paragraphe 3, ou suivant l'expiration du délai de réaction. Le délai est renouvelable une fois de trente jours, à condition que les inspecteurs en informent par écrit dans un délai de trente jours [1 à l'entité compétente ou, le cas échéant, aux entités compétentes. Une copie du rapport et des annexes éventuellement modifiées est également transmise simultanément]1 l'acteur des soins, l'usager de soins, lorsque celui-ci fait l'objet du contrôle, et l'introducteur de la plainte lorsque les constats ont été effectués à l'occasion d'une plainte. Lorsque le jour de l'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le délai se termine le jour ouvrable suivant.
§ 5. Le rapport qui est rédigé et transmis conformément aux paragraphes 1er à 4, fait foi jusqu'à preuve du contraire.
[1 § 6. Par dérogation à l'article II.34, 2°, à l'article II.36, § 1er, alinéa 2, 1°, et à l'article II.40, § 3, alinéa 2, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018, les dispositions suivantes s'appliquent aux demandes de publication du rapport ou de la synthèse dont l'acteur des soins fait l'objet du contrôle.
Le service de l'Autorité flamande dont les inspecteurs rédigent le rapport, visé à l'alinéa 1er, le Gouvernement flamand, les établissements, structures, services ou fonctionnaires, visés à l'article 16, § 1er, alinéa 1er, dans la mesure où ils sont considérés comme des instances publiques au sens de l'article II.28, § 1er, du décret précité, rendent publiques les données suivantes, qui sont mentionnées dans ce rapport ou cette synthèse, aux personnes qui introduisent une demande valable de publication de ce rapport ou de cette synthèse conformément au titre II, chapitre 3, du décret précité :
1° le nom de l'acteur des soins qui fait l'objet du contrôle et à l'égard de qui des constats ont été effectués dans le cadre du contrôle, et l'adresse de l'acteur des soins où les constats ont été effectués dans le cadre du contrôle ;
2° le nom et l'adresse du pouvoir organisateur de l'acteur des soins, visé au point 1° ;
3° les constats qui ont été effectués dans le cadre du contrôle et qui consistent en des descriptions du comportement de l'acteur des soins et des personnes physiques travaillant pour l'acteur des soins, ou en des évaluations ou des jugements de valeur sur la manière dont l'acteur des soins et les personnes physiques travaillant pour l'acteur des soins exercent leurs activités, dans la mesure où il ne s'agit pas de données sensibles ou de données qui ne relèvent pas du contexte professionnel.
L'objectif de la publication des données, visée à l'alinéa 2, consiste à garantir que les demandeurs aient accès aux rapports et aux synthèses visés à l'alinéa 1er, aux données à caractère personnel nécessaires pour obtenir une vision complète de la qualité des soins dispensés, du respect par l'acteur des soins de la réglementation dans le cadre de la politique de la santé et de la politique du bien-être et de la famille, visée à l'article 3, alinéa 1er, et de la manière dont l'autorité exerce le contrôle à cet égard.
Le Gouvernement flamand, les établissements, structures, services ou fonctionnaires, visés à l'article 16, § 1er, alinéa 1er, traitent les données visées à l'alinéa 2 au maximum pendant les délais de conservation visés à l'article 5, § 3, alinéa 2, prolongés des délais visés à l'article II.43 du décret précité.
Le Département Soins, visé à l'article 23, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande, est le responsable du traitement des données traitées par le service lors de la publication du rapport ou de la synthèse.
Le demandeur qui introduit une demande de publication du rapport ou de la synthèse, telle que visée à l'alinéa 1er, ne démontre aucun intérêt pour la publication des informations à caractère personnel.]1
[1 En outre, les inspecteurs peuvent établir un rapport de synthèse à partir du rapport.]1
§ 2. Une copie du rapport provisoire et des annexes est transmise dans un délai de trente jours à l'acteur des soins, à l'usager de soins, lorsque celui-ci fait l'objet du contrôle, et à l'introducteur de la plainte, lorsque les constats ont été effectués à l'occasion d'une plainte. Le délai prend cours le lendemain du dernier constat dans le cadre du contrôle. Le délai est renouvelable une fois de trente jours, à condition que les inspecteurs en informent par écrit dans un délai de trente jours l'acteur des soins, l'usager de soins, lorsque celui-ci fait l'objet du contrôle, et l'introducteur de la plainte lorsque les constats ont été effectués à l'occasion d'une plainte. Lorsque le jour de l'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le délai se termine le jour ouvrable suivant.
§ 3. L'acteur des soins, l'usager de soins, lorsque celui-ci fait l'objet du contrôle, et l'introducteur de la plainte, lorsque les constats ont été effectués à l'occasion d'une plainte ont le droit de faire connaître leur réaction écrite au rapport provisoire dans un délai de quinze jours. Le délai prend cours le jour suivant la réception du rapport provisoire et des annexes visés au paragraphe 2. Le délai est renouvelable une fois de quinze jours, à condition que l'acteur des soins, l'usager de soins, lorsque celui-ci fait l'objet du contrôle, ou l'introducteur de la plainte, lorsque les constats ont été effectués à l'occasion d'une plainte, en informent par écrit les inspecteurs dans un délai de quinze jours et lorsque ceux-ci y donnent leur accord. Lorsque la date d'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le délai se termine le jour ouvrable suivant. La réaction est jointe en annexe au rapport et fait donc partie du dossier administratif.
Les inspecteurs peuvent adapter le rapport sur la base des réactions au rapport provisoire et aux annexes visés à l'alinéa premier. L'acteur des soins, l'usager de soins, lorsque celui-ci fait l'objet du contrôle, et l'introducteur de la plainte, lorsque les constats ont été effectués à l'occasion d'une plainte sont informés par écrit des adaptations éventuelles.
§ 4. Une copie du rapport et des annexes est transmise dans un délai de trente jours à l'acteur des soins, à l'usager de soins, lorsque celui-ci fait l'objet du contrôle et à l'introducteur de la plainte lorsque les constats ont été effectués à l'occasion d'une plainte. Le délai prend cours le jour suivant la réception de la dernière réaction, visée au paragraphe 3, ou suivant l'expiration du délai de réaction. Le délai est renouvelable une fois de trente jours, à condition que les inspecteurs en informent par écrit dans un délai de trente jours [1 à l'entité compétente ou, le cas échéant, aux entités compétentes. Une copie du rapport et des annexes éventuellement modifiées est également transmise simultanément]1 l'acteur des soins, l'usager de soins, lorsque celui-ci fait l'objet du contrôle, et l'introducteur de la plainte lorsque les constats ont été effectués à l'occasion d'une plainte. Lorsque le jour de l'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le délai se termine le jour ouvrable suivant.
§ 5. Le rapport qui est rédigé et transmis conformément aux paragraphes 1er à 4, fait foi jusqu'à preuve du contraire.
[1 § 6. Par dérogation à l'article II.34, 2°, à l'article II.36, § 1er, alinéa 2, 1°, et à l'article II.40, § 3, alinéa 2, du Décret de gouvernance du 7 décembre 2018, les dispositions suivantes s'appliquent aux demandes de publication du rapport ou de la synthèse dont l'acteur des soins fait l'objet du contrôle.
Le service de l'Autorité flamande dont les inspecteurs rédigent le rapport, visé à l'alinéa 1er, le Gouvernement flamand, les établissements, structures, services ou fonctionnaires, visés à l'article 16, § 1er, alinéa 1er, dans la mesure où ils sont considérés comme des instances publiques au sens de l'article II.28, § 1er, du décret précité, rendent publiques les données suivantes, qui sont mentionnées dans ce rapport ou cette synthèse, aux personnes qui introduisent une demande valable de publication de ce rapport ou de cette synthèse conformément au titre II, chapitre 3, du décret précité :
1° le nom de l'acteur des soins qui fait l'objet du contrôle et à l'égard de qui des constats ont été effectués dans le cadre du contrôle, et l'adresse de l'acteur des soins où les constats ont été effectués dans le cadre du contrôle ;
2° le nom et l'adresse du pouvoir organisateur de l'acteur des soins, visé au point 1° ;
3° les constats qui ont été effectués dans le cadre du contrôle et qui consistent en des descriptions du comportement de l'acteur des soins et des personnes physiques travaillant pour l'acteur des soins, ou en des évaluations ou des jugements de valeur sur la manière dont l'acteur des soins et les personnes physiques travaillant pour l'acteur des soins exercent leurs activités, dans la mesure où il ne s'agit pas de données sensibles ou de données qui ne relèvent pas du contexte professionnel.
L'objectif de la publication des données, visée à l'alinéa 2, consiste à garantir que les demandeurs aient accès aux rapports et aux synthèses visés à l'alinéa 1er, aux données à caractère personnel nécessaires pour obtenir une vision complète de la qualité des soins dispensés, du respect par l'acteur des soins de la réglementation dans le cadre de la politique de la santé et de la politique du bien-être et de la famille, visée à l'article 3, alinéa 1er, et de la manière dont l'autorité exerce le contrôle à cet égard.
Le Gouvernement flamand, les établissements, structures, services ou fonctionnaires, visés à l'article 16, § 1er, alinéa 1er, traitent les données visées à l'alinéa 2 au maximum pendant les délais de conservation visés à l'article 5, § 3, alinéa 2, prolongés des délais visés à l'article II.43 du décret précité.
Le Département Soins, visé à l'article 23, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande, est le responsable du traitement des données traitées par le service lors de la publication du rapport ou de la synthèse.
Le demandeur qui introduit une demande de publication du rapport ou de la synthèse, telle que visée à l'alinéa 1er, ne démontre aucun intérêt pour la publication des informations à caractère personnel.]1
Wijzigingen
Art. 14. Als dat vereist is om de veiligheid of de gezondheid van de zorggebruiker te vrijwaren, kan de Vlaamse Regering concrete beschermende maatregelen opleggen aan de actor in de zorg. In dat bevel is de termijn bepaald waarin de maatregelen gelden en is omschreven welke voorwaarden vervuld moeten zijn om de vastgestelde gebreken te verhelpen.
Als het nemen van de maatregelen, vermeld in het eerste lid, om zeer dringende redenen van veiligheid of gezondheid van de zorggebruiker niet kan worden uitgesteld, kan de inspecteur aan de actor in de zorg concrete beschermende maatregelen opleggen die ten hoogste zeven dagen gelden. Die maatregelen kunnen door de Vlaamse Regering worden opgeheven, verlengd of gewijzigd, met een bevel als vermeld in het eerste lid.
De maatregelen, vermeld in het eerste en tweede lid, kunnen onder meer bestaan in een gehele of gedeeltelijke sluiting van de voorziening, het verbod bepaalde activiteiten te verrichten of voort te zetten, de verplichting bepaalde zorggebruikers in cohorte te behandelen of het verbod nieuwe zorggebruikers op te nemen.
In geval van niet-naleving van de conform het eerste lid opgelegde maatregelen stelt de Vlaamse Regering een proces-verbaal van vaststelling op en bezorgt ze dat aan het Openbaar Ministerie.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure die gelden bij de toepassing van het eerste en het tweede lid.
Als het nemen van de maatregelen, vermeld in het eerste lid, om zeer dringende redenen van veiligheid of gezondheid van de zorggebruiker niet kan worden uitgesteld, kan de inspecteur aan de actor in de zorg concrete beschermende maatregelen opleggen die ten hoogste zeven dagen gelden. Die maatregelen kunnen door de Vlaamse Regering worden opgeheven, verlengd of gewijzigd, met een bevel als vermeld in het eerste lid.
De maatregelen, vermeld in het eerste en tweede lid, kunnen onder meer bestaan in een gehele of gedeeltelijke sluiting van de voorziening, het verbod bepaalde activiteiten te verrichten of voort te zetten, de verplichting bepaalde zorggebruikers in cohorte te behandelen of het verbod nieuwe zorggebruikers op te nemen.
In geval van niet-naleving van de conform het eerste lid opgelegde maatregelen stelt de Vlaamse Regering een proces-verbaal van vaststelling op en bezorgt ze dat aan het Openbaar Ministerie.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure die gelden bij de toepassing van het eerste en het tweede lid.
Art. 14. Lorsque cela s'avère nécessaire pour sauvegarder la sécurité ou la santé de l'usager de soins, le Gouvernement flamand peut imposer des mesures de protection concrètes à l'acteur des soins. Cet ordre stipule le délai dans lequel les mesures s'appliquent et décrit les conditions qui doivent être remplies pour remédier aux défauts constatés.
Si la prise des mesures visées à l'alinéa premier, pour des motifs urgents de sécurité ou de santé de l'usager de soins ne peut être reportée, l'inspecteur peut imposer à l'acteur des soins des mesures de protection concrètes qui sont d'application pendant sept jours au maximum. Ces mesures peuvent être abrogées, prolongées ou modifiées par le Gouvernement flamand, au moyen d'un ordre tel que visé à l'alinéa premier.
Les mesures visées aux alinéas premier et deux, peuvent, entre autres, consister en une fermeture entière ou partielle de la structure, l'interdiction d'effectuer ou de continuer certaines activités, l'obligation de traiter certains usagers de soins en cohorte ou l'interdiction de reprendre de nouveaux usagers de soins.
En cas de non-respect des mesures imposées conformément à l'alinéa premier, le Gouvernement flamand établit un procès-verbal de constatation et le transmet au Ministère public.
Le Gouvernement flamand arrête les conditions et la procédure relatives à l'application des alinéas premier et deux.
Si la prise des mesures visées à l'alinéa premier, pour des motifs urgents de sécurité ou de santé de l'usager de soins ne peut être reportée, l'inspecteur peut imposer à l'acteur des soins des mesures de protection concrètes qui sont d'application pendant sept jours au maximum. Ces mesures peuvent être abrogées, prolongées ou modifiées par le Gouvernement flamand, au moyen d'un ordre tel que visé à l'alinéa premier.
Les mesures visées aux alinéas premier et deux, peuvent, entre autres, consister en une fermeture entière ou partielle de la structure, l'interdiction d'effectuer ou de continuer certaines activités, l'obligation de traiter certains usagers de soins en cohorte ou l'interdiction de reprendre de nouveaux usagers de soins.
En cas de non-respect des mesures imposées conformément à l'alinéa premier, le Gouvernement flamand établit un procès-verbal de constatation et le transmet au Ministère public.
Le Gouvernement flamand arrête les conditions et la procédure relatives à l'application des alinéas premier et deux.
Art. 15. De volgende handelingen en maatregelen maken het voorwerp uit van een document van vaststelling dat onmiddellijk tegen afgifte van een ontvangstbewijs wordt bezorgd:
1° de toegang tot bewoonde ruimtes, vermeld in artikel 8, § 2, als de uitbater van de actor in de zorg, zijn aangestelde of lasthebber of de zorggebruiker afwezig was of daar niet vrijwillig mee heeft ingestemd;
2° de opsporing, vermeld in artikel 10, vijfde lid, als de uitbater van de actor in de zorg, zijn aangestelde of lasthebber of de zorggebruiker afwezig was of daar niet vrijwillig mee heeft ingestemd;
3° het meenemen van documenten, informatiedragers of zaken met toepassing van artikel 10, derde lid, of artikel 11, tweede lid;
4° de inbeslagnemingen of verzegelingen die verricht zijn met toepassing van artikel 10, vierde lid, of artikel 11, derde lid;
5° de vaststelling met audiovisuele middelen die met toepassing van artikel 12, eerste lid, heeft plaatsgevonden;
6° de concrete beschermende maatregelen die krachtens artikel 14 ten aanzien van de actor in de zorg zijn genomen.
Het document van vaststelling bevat de volgende gegevens:
1° de datum en het uur waarop de maatregelen zijn genomen;
2° de genomen maatregelen;
3° de rechtsmiddelen tegen die maatregelen, het bevoegde gerechtelijke arrondissement en de overheid die in voorkomend geval moet worden gedagvaard.
1° de toegang tot bewoonde ruimtes, vermeld in artikel 8, § 2, als de uitbater van de actor in de zorg, zijn aangestelde of lasthebber of de zorggebruiker afwezig was of daar niet vrijwillig mee heeft ingestemd;
2° de opsporing, vermeld in artikel 10, vijfde lid, als de uitbater van de actor in de zorg, zijn aangestelde of lasthebber of de zorggebruiker afwezig was of daar niet vrijwillig mee heeft ingestemd;
3° het meenemen van documenten, informatiedragers of zaken met toepassing van artikel 10, derde lid, of artikel 11, tweede lid;
4° de inbeslagnemingen of verzegelingen die verricht zijn met toepassing van artikel 10, vierde lid, of artikel 11, derde lid;
5° de vaststelling met audiovisuele middelen die met toepassing van artikel 12, eerste lid, heeft plaatsgevonden;
6° de concrete beschermende maatregelen die krachtens artikel 14 ten aanzien van de actor in de zorg zijn genomen.
Het document van vaststelling bevat de volgende gegevens:
1° de datum en het uur waarop de maatregelen zijn genomen;
2° de genomen maatregelen;
3° de rechtsmiddelen tegen die maatregelen, het bevoegde gerechtelijke arrondissement en de overheid die in voorkomend geval moet worden gedagvaard.
Art. 15. Les actes et mesures suivants font l'objet d'un document de constatation qui est transmis immédiatement contre récépissé :
1° l'accès aux espaces habités visé à l'article 8, § 2, lorsque l'exploitant de l'acteur des soins, son préposé ou mandataire ou l'usager de soins était absent ou n'y a pas consenti de plein gré ;
2° la détection visée à l'article 10, alinéa cinq, lorsque l'exploitant de l'acteur des soins, son préposé ou mandataire ou l'usager de soins était absent ou n'y a pas consenti de plein gré ;
3° l'enlèvement de documents, supports d'information ou d'affaires en application de l'article 10, alinéa trois, ou l'article 11, alinéa deux ;
4° les saisies ou scellés effectués en application de l'article 10, alinéa quatre, ou l'article 11, alinéa trois ;
5° le constat à l'aide de moyens audiovisuels qui a été effectué en application de l'article 12, alinéa premier ;
6° les mesures de protection concrètes qui sont prises à l'égard de l'acteur des soins en vertu de l'article 14.
Le document de constat comprend les données suivantes :
1° la date et l'heure auxquelles les mesures ont été prises ;
2° les mesures prises ;
3° les voies de recours contre ces mesures, l'arrondissement judiciaire compétent et l'autorité qui doit être assignée, le cas échéant.
1° l'accès aux espaces habités visé à l'article 8, § 2, lorsque l'exploitant de l'acteur des soins, son préposé ou mandataire ou l'usager de soins était absent ou n'y a pas consenti de plein gré ;
2° la détection visée à l'article 10, alinéa cinq, lorsque l'exploitant de l'acteur des soins, son préposé ou mandataire ou l'usager de soins était absent ou n'y a pas consenti de plein gré ;
3° l'enlèvement de documents, supports d'information ou d'affaires en application de l'article 10, alinéa trois, ou l'article 11, alinéa deux ;
4° les saisies ou scellés effectués en application de l'article 10, alinéa quatre, ou l'article 11, alinéa trois ;
5° le constat à l'aide de moyens audiovisuels qui a été effectué en application de l'article 12, alinéa premier ;
6° les mesures de protection concrètes qui sont prises à l'égard de l'acteur des soins en vertu de l'article 14.
Le document de constat comprend les données suivantes :
1° la date et l'heure auxquelles les mesures ont été prises ;
2° les mesures prises ;
3° les voies de recours contre ces mesures, l'arrondissement judiciaire compétent et l'autorité qui doit être assignée, le cas échéant.
Art. 16. § 1. De inspecteurs kunnen de gegevens die ze in uitvoering van hun opdracht, vermeld in artikel 3, eerste lid, verzameld hebben, verstrekken aan de Vlaamse Regering, alsook aan openbare instellingen, meewerkende instellingen en voorzieningen, aan andere inspectiediensten en aan alle ambtenaren die belast zijn met het toezicht op andere regelgeving, als die gegevens hen rechtstreeks aanbelangen bij de uitoefening van de opdrachten waarmee ze belast zijn.
De gegevens worden altijd verstrekt als de Vlaamse Regering, instellingen, voorzieningen, diensten of ambtenaren, vermeld in het eerste lid, erom verzoeken.
§ 2. Alle diensten van de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, provincies, federaties van gemeenten, gemeenten, verenigingen waarvan ze deel uitmaken, openbare instellingen die ervan afhangen, en alle openbare en meewerkende instellingen die onder de bevoegdheid vallen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, verstrekken de inspecteurs alle gegevens waar ze om verzoeken onder de voorwaarden bepaald in een besluit van de Vlaamse Regering. Ze leggen hen ook alle documenten of informatiedragers ter inzage voor die de inspecteurs nuttig achten voor het toezicht en de controle op de naleving van de regelgeving waarmee ze belast zijn, en ze verstrekken hen uittreksels en kopieën.
§ 3. De bevoegdheden en de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden uitgeoefend met inachtname van de Europese, federale en Vlaamse regels rond het verwerken en de overdracht van deze gegevens en van de regelgeving over het beroepsgeheim.
De gegevens worden altijd verstrekt als de Vlaamse Regering, instellingen, voorzieningen, diensten of ambtenaren, vermeld in het eerste lid, erom verzoeken.
§ 2. Alle diensten van de Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, provincies, federaties van gemeenten, gemeenten, verenigingen waarvan ze deel uitmaken, openbare instellingen die ervan afhangen, en alle openbare en meewerkende instellingen die onder de bevoegdheid vallen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, verstrekken de inspecteurs alle gegevens waar ze om verzoeken onder de voorwaarden bepaald in een besluit van de Vlaamse Regering. Ze leggen hen ook alle documenten of informatiedragers ter inzage voor die de inspecteurs nuttig achten voor het toezicht en de controle op de naleving van de regelgeving waarmee ze belast zijn, en ze verstrekken hen uittreksels en kopieën.
§ 3. De bevoegdheden en de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden uitgeoefend met inachtname van de Europese, federale en Vlaamse regels rond het verwerken en de overdracht van deze gegevens en van de regelgeving over het beroepsgeheim.
Art. 16. § 1er. Les inspecteurs peuvent fournir les données qu'ils ont collectées en exécution de leur mission visée à l'article 3, alinéa premier, au Gouvernement flamand, ainsi qu'aux établissements publics, établissements et structures coopérants, aux autres services d'inspection et à tous les fonctionnaires chargés du contrôle d'autres réglementations, lorsqu'ils sont directement concernés par ces données lors de l'exercice des missions dont ils sont chargés.
Les données sont toujours fournies lorsque le Gouvernement flamand, les établissements, structures, services ou fonctionnaires visés à l'alinéa premier, en font la demande.
§ 2. Tous les services de la Communauté flamande, de la Région flamande, des provinces, des fédérations de communes, des communes, des associations dont ils font partie, des institutions publiques qui en dépendent, et tous les établissements publics et coopérants relevant de la compétence de la Communauté flamande ou de la Région flamande, fournissent aux inspecteurs toutes les données qu'ils demandent aux conditions stipulées dans un arrêté du Gouvernement flamand. Ils leur présentent également tous les documents ou supports d'information que les inspecteurs estiment nécessaires à la surveillance et au contrôle du respect de la réglementation dont ils sont chargés, et ils leur fournissent des extraits et copies.
§ 3. Les compétences et les obligations visées aux paragraphes 1er et 2, sont exercées dans le respect des règles européennes, fédérales et flamandes relatives au traitement et au transfert de ces données et de la réglementation relative au secret professionnel.
Les données sont toujours fournies lorsque le Gouvernement flamand, les établissements, structures, services ou fonctionnaires visés à l'alinéa premier, en font la demande.
§ 2. Tous les services de la Communauté flamande, de la Région flamande, des provinces, des fédérations de communes, des communes, des associations dont ils font partie, des institutions publiques qui en dépendent, et tous les établissements publics et coopérants relevant de la compétence de la Communauté flamande ou de la Région flamande, fournissent aux inspecteurs toutes les données qu'ils demandent aux conditions stipulées dans un arrêté du Gouvernement flamand. Ils leur présentent également tous les documents ou supports d'information que les inspecteurs estiment nécessaires à la surveillance et au contrôle du respect de la réglementation dont ils sont chargés, et ils leur fournissent des extraits et copies.
§ 3. Les compétences et les obligations visées aux paragraphes 1er et 2, sont exercées dans le respect des règles européennes, fédérales et flamandes relatives au traitement et au transfert de ces données et de la réglementation relative au secret professionnel.
HOOFDSTUK 3. - Sancties
CHAPITRE 3. - Sanctions
Art. 17. § 1. De Vlaamse Regering kan een administratieve geldboete van 200 tot 20.000 euro opleggen aan al wie het toezicht, vermeld in hoofdstuk 2 van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, wetens en willens verhindert. De hoogte van de boete staat in verhouding tot de zwaarwichtigheid van de inbreuk en de herhaling ervan.
De toezichtrechten, vermeld in artikel 10, derde lid, worden alleen verhinderd als ze betrekking hebben hetzij op documenten of informatiedragers die door de regelgeving voorgeschreven gegevens bevatten, hetzij op valse documenten of informatiedragers. Het toezichtrecht, vermeld in artikel 7, § 1, 2°, wordt alleen verhinderd als de ondervraagde leugenachtige verklaringen aflegt.
Als de verhindering, vermeld in eerste lid, de vaststellingen over de naleving van de regelgeving, vermeld in artikel 3, geheel of gedeeltelijk onmogelijk heeft gemaakt, geldt tot bewijs van het tegendeel een vermoeden dat de regelgeving geheel of gedeeltelijk niet is nageleefd.
§ 2. De administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kan worden opgelegd binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag van de vaststelling van de inbreuk door de inspecteurs en nadat de betrokkene werd gehoord. De betrokkene mag zich daarbij laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een derde. Als een administratieve geldboete wordt opgelegd, vermeldt de beslissing het bedrag, de wijze waarop en de termijn waarin die moet worden betaald. De kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene vermeldt de wijze waarop en de termijn waarin een beroep ingesteld kan worden tegen de beslissing.
Bij verzachtende omstandigheden kan het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete worden verminderd, zelfs tot onder het toepasselijke minimumbedrag.
Als de betrokkene weigert de administratieve geldboete te betalen, wordt ze bij dwangbevel ingevorderd. De Vlaamse Regering wijst de personeelsleden aan die een dwangbevel kunnen geven en uitvoerbaar verklaren. Een dwangbevel wordt betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.
De vordering tot voldoening van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar vanaf de datum van de beslissing, vermeld in het eerste lid, of, in geval van beroep, vanaf de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 tot en met artikel 2250 van het Burgerlijk Wetboek.
De toezichtrechten, vermeld in artikel 10, derde lid, worden alleen verhinderd als ze betrekking hebben hetzij op documenten of informatiedragers die door de regelgeving voorgeschreven gegevens bevatten, hetzij op valse documenten of informatiedragers. Het toezichtrecht, vermeld in artikel 7, § 1, 2°, wordt alleen verhinderd als de ondervraagde leugenachtige verklaringen aflegt.
Als de verhindering, vermeld in eerste lid, de vaststellingen over de naleving van de regelgeving, vermeld in artikel 3, geheel of gedeeltelijk onmogelijk heeft gemaakt, geldt tot bewijs van het tegendeel een vermoeden dat de regelgeving geheel of gedeeltelijk niet is nageleefd.
§ 2. De administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kan worden opgelegd binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag van de vaststelling van de inbreuk door de inspecteurs en nadat de betrokkene werd gehoord. De betrokkene mag zich daarbij laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een derde. Als een administratieve geldboete wordt opgelegd, vermeldt de beslissing het bedrag, de wijze waarop en de termijn waarin die moet worden betaald. De kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene vermeldt de wijze waarop en de termijn waarin een beroep ingesteld kan worden tegen de beslissing.
Bij verzachtende omstandigheden kan het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete worden verminderd, zelfs tot onder het toepasselijke minimumbedrag.
Als de betrokkene weigert de administratieve geldboete te betalen, wordt ze bij dwangbevel ingevorderd. De Vlaamse Regering wijst de personeelsleden aan die een dwangbevel kunnen geven en uitvoerbaar verklaren. Een dwangbevel wordt betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.
De vordering tot voldoening van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar vanaf de datum van de beslissing, vermeld in het eerste lid, of, in geval van beroep, vanaf de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 tot en met artikel 2250 van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 17. § 1er. Le Gouvernement flamand peut imposer une amende administrative de 200 à 20.000 euros à chacun qui, sciemment, empêche le contrôle visé au chapitre 2 du présent décret et de ses arrêtés d'exécution Le montant de l'amende est proportionné à l'importance de l'infraction et de sa répétition.
Les droits de contrôle visés à l'article 10, alinéa trois, ne sont empêchés que lorsqu'ils ont trait soit aux documents ou aux supports d'information contenant des données prescrites par la réglementation, soit aux faux documents ou supports d'information. Le droit de contrôle visé à l'article 7, § 1er, 2° n'est empêché que lorsque la personne interrogée dépose des déclarations mensongères.
Lorsque l'empêchement visé à l'alinéa premier, a entièrement ou partiellement rendu impossible les constatations relatives au respect de la réglementation visée à l'article 3, une présomption reste d'application jusqu'à preuve du contraire que la réglementation n'a pas été respectée entièrement ou partiellement.
§ 2. L'amende administrative visée au paragraphe 1er, alinéa premier, peut être imposée dans un délai de six mois, à compter du jour du constat de l'infraction par les inspecteurs et après audition de l'intéressé. L'intéressé peut se faire assister ou représenter par un avocat ou une tierce personne. Lorsqu'une amende administrative est imposée, la décision mentionne le montant, le mode de paiement et le délai de paiement de celle-ci. La notification de la décision à l'intéressé mentionne les modalités selon lesquelles et le délai dans lequel un recours peut être introduit contre la décision.
S'il y a des circonstances atténuantes, le montant de l'amende administrative imposée peut être diminué, même à un niveau en-dessous du montant minimum applicable.
Si l'intéressé refuse de payer l'amende administrative, elle sera recouvrée par voie de contrainte. Le Gouvernement flamand désigne les fonctionnaires habilités à délivrer une contrainte et à la déclarer exécutoire. Une contrainte est signifiée par exploit d'huissier avec injonction de payer.
L'injonction à l'acquittement de l'amende administrative échoit après un délai de cinq ans, à compter de la date de la décision telle que visée à l'alinéa premier, ou dans le cas de recours, à compter de la date de la décision judiciaire passée en autorité de la chose jugée. La prescription est interrompue selon le mode et aux conditions fixées aux articles 2244 à 2250 inclus du Code civil.
Les droits de contrôle visés à l'article 10, alinéa trois, ne sont empêchés que lorsqu'ils ont trait soit aux documents ou aux supports d'information contenant des données prescrites par la réglementation, soit aux faux documents ou supports d'information. Le droit de contrôle visé à l'article 7, § 1er, 2° n'est empêché que lorsque la personne interrogée dépose des déclarations mensongères.
Lorsque l'empêchement visé à l'alinéa premier, a entièrement ou partiellement rendu impossible les constatations relatives au respect de la réglementation visée à l'article 3, une présomption reste d'application jusqu'à preuve du contraire que la réglementation n'a pas été respectée entièrement ou partiellement.
§ 2. L'amende administrative visée au paragraphe 1er, alinéa premier, peut être imposée dans un délai de six mois, à compter du jour du constat de l'infraction par les inspecteurs et après audition de l'intéressé. L'intéressé peut se faire assister ou représenter par un avocat ou une tierce personne. Lorsqu'une amende administrative est imposée, la décision mentionne le montant, le mode de paiement et le délai de paiement de celle-ci. La notification de la décision à l'intéressé mentionne les modalités selon lesquelles et le délai dans lequel un recours peut être introduit contre la décision.
S'il y a des circonstances atténuantes, le montant de l'amende administrative imposée peut être diminué, même à un niveau en-dessous du montant minimum applicable.
Si l'intéressé refuse de payer l'amende administrative, elle sera recouvrée par voie de contrainte. Le Gouvernement flamand désigne les fonctionnaires habilités à délivrer une contrainte et à la déclarer exécutoire. Une contrainte est signifiée par exploit d'huissier avec injonction de payer.
L'injonction à l'acquittement de l'amende administrative échoit après un délai de cinq ans, à compter de la date de la décision telle que visée à l'alinéa premier, ou dans le cas de recours, à compter de la date de la décision judiciaire passée en autorité de la chose jugée. La prescription est interrompue selon le mode et aux conditions fixées aux articles 2244 à 2250 inclus du Code civil.
Art. 18. De persoon die een opgelegde veiligheidsmaatregel als vermeld in artikel 14, niet naleeft, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 26 tot 2000 euro, of met één van die straffen alleen.
De straffen, vermeld in artikel 36 tot en met 37 van het Strafwetboek, zijn van toepassing op het misdrijf, vermeld in het eerste lid.
De straffen, vermeld in artikel 36 tot en met 37 van het Strafwetboek, zijn van toepassing op het misdrijf, vermeld in het eerste lid.
Art. 18. La personne qui ne respecte pas une mesure de sécurité imposée telle que visée à l'article 14 est punie d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de 26 à 2000 euros ou de l'une de ces peines seulement.
Les peines visées aux articles 36 à 37 du Code pénal, s'appliquent au délit visé à l'alinéa premier.
Les peines visées aux articles 36 à 37 du Code pénal, s'appliquent au délit visé à l'alinéa premier.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions modificatives
Art. 19. In artikel 18 van het decreet van 3 maart 2004 betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders, gewijzigd bij het decreet van 21 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "en § 2" opgeheven.
1° paragraaf 2 wordt opgeheven;
2° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "en § 2" opgeheven.
Art. 19. Dans l'article 18 du décret du 3 mars 2004 relatif aux soins de santé primaires et à la coopération entre les prestataires de soins, modifié par le décret du 21 juin 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 2 est abrogé ;
2° dans le paragraphe 3, le membre de phrase " et § 2 " est abrogé.
1° le paragraphe 2 est abrogé ;
2° dans le paragraphe 3, le membre de phrase " et § 2 " est abrogé.
Art. 20. In artikel 13, § 4, van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, gewijzigd bij de decreten van 2 juni 2006 en 21 juni 2013, worden het tweede en het derde lid opgeheven.
Art. 20. Dans l'article 13, § 4, du décret du 30 avril 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Kind en Gezin ", modifié par les décrets des 2 juin 2006 et 21 juin 2013, les alinéas deux et trois sont abrogés.
Art. 21. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 april 2012, wordt hoofdstuk IV, dat bestaat uit artikel 14 en 15, opgeheven.
Art. 21. Dans le même décret, modifié par le décret du 20 avril 2012, le chapitre IV, qui comprenant les articles 14 et 15, est abrogé.
Art. 22. In artikel 7 van het decreet van 30 april 2004 betreffende het niet dringend liggend ziekenvervoer wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 22. Dans l'article 7 du décret du 30 avril 2004 relatif au transport non urgent de patients couchés, l'alinéa deux est abrogé.
Art. 23. In het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap worden in artikel 23, gewijzigd bij het decreet van 24 april 2014, het derde en het vierde lid opgeheven.
Art. 23. Dans le décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", les alinéas trois et quatre de l'article 23, modifié par le décret du 24 avril 2014, sont abrogés.
Art. 24. In artikel 8 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende de zorg- en bijstandsverlening, gewijzigd bij het decreet van 21 juni 2013, worden het tweede tot en met het vierde lid opgeheven.
Art. 24. Dans l'article 8 du décret du 18 juillet 2008 relatif à la délivrance d'aide et de soins, modifié par le décret du 21 juin 2013, les alinéas deux à quatre inclus sont abrogés.
Art. 25. In artikel 66 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid opgeheven;
2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "Die ambtenaren" vervangen door de zinsnede "De ambtenaren, vermeld in artikel 72,";
3° in paragraaf 1, tweede lid, worden tussen het woord "woonzorg" en het woord "wordt" de woorden "in aangemelde thuiszorg- en ouderenzorgvoorzieningen" ingevoegd;
4° in paragraaf 2 wordt het eerste lid opgeheven;
5° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "die verplichtingen" vervangen door de zinsnede "de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1,";
6° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "gebouwen, vermeld in § 1, eerste lid," vervangen door de woorden "thuiszorg- of ouderenzorgvoorziening".
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid opgeheven;
2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "Die ambtenaren" vervangen door de zinsnede "De ambtenaren, vermeld in artikel 72,";
3° in paragraaf 1, tweede lid, worden tussen het woord "woonzorg" en het woord "wordt" de woorden "in aangemelde thuiszorg- en ouderenzorgvoorzieningen" ingevoegd;
4° in paragraaf 2 wordt het eerste lid opgeheven;
5° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "die verplichtingen" vervangen door de zinsnede "de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1,";
6° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "gebouwen, vermeld in § 1, eerste lid," vervangen door de woorden "thuiszorg- of ouderenzorgvoorziening".
Art. 25. Dans l'article 66 du Décret sur les soins résidentiels du 13 mars 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa premier est abrogé ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa deux, les mots " Ces fonctionnaires " sont remplacés par le membre de phrase " Les fonctionnaire visés à l'article 72 " ;
3° dans le paragraphe 1er, alinéa deux, les mots " dans les structures de soins résidentiels et les structures destinées aux personnes âgées notifiées " sont insérés entre les mots " les services de soins et de logement " et le mot " soient " ;
4° dans le paragraphe 2, l'alinéa premier est abrogé ;
5° dans le paragraphe 2, alinéa deux les mots " ces obligations " sont remplacés par le membre de phrase " les obligations visées au paragraphe 1er, " ;
6° dans le paragraphe 2, alinéa deux, le membre de phrase " des bâtiments, tels que visés au § 1er, alinéa premier, " est remplacé par les mots " des structures de soins à domicile ou des structures destinées aux personnes âgées ".
1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa premier est abrogé ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa deux, les mots " Ces fonctionnaires " sont remplacés par le membre de phrase " Les fonctionnaire visés à l'article 72 " ;
3° dans le paragraphe 1er, alinéa deux, les mots " dans les structures de soins résidentiels et les structures destinées aux personnes âgées notifiées " sont insérés entre les mots " les services de soins et de logement " et le mot " soient " ;
4° dans le paragraphe 2, l'alinéa premier est abrogé ;
5° dans le paragraphe 2, alinéa deux les mots " ces obligations " sont remplacés par le membre de phrase " les obligations visées au paragraphe 1er, " ;
6° dans le paragraphe 2, alinéa deux, le membre de phrase " des bâtiments, tels que visés au § 1er, alinéa premier, " est remplacé par les mots " des structures de soins à domicile ou des structures destinées aux personnes âgées ".
Art. 26. In artikel 72 van hetzelfde decreet worden het tweede en het derde lid opgeheven.
Art. 26. Dans l'article 72 du même décret, les alinéas deux et trois sont abrogés.
Art. 27. In artikel 73 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 november 2011, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 27. Dans l'article 73 du même décret, modifié par le décret du 18 novembre 2011, l'alinéa deux est abrogé.
Art. 28. Artikel 32 van het decreet van 20 maart 2009 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wordt opgeheven.
Art. 28. L'article 32 du décret du 20 mars 2009 portant diverses dispositions relatives au domaine politique de l'Aide sociale, Santé publique et Famille est abrogé.
Art. 29. In artikel 33 van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "artikelen 31 en" telkens vervangen door het woord "artikel".
Art. 29. Dans l'article 33 du même décret, le membre de phrase " des articles 31 et " est chaque fois remplacé par les mots " de l'article ".
Art. 30. In artikel 26 van het decreet van 20 januari 2012 houdende regeling van de interlandelijke adoptie van kinderen wordt paragraaf 2, gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, opgeheven.
Art. 30. Dans l'article 26 du décret du 20 janvier 2012 réglant l'adoption internationale d'enfants le paragraphe 2, modifié par le décret du 19 juin 2015, est abrogé.
Art. 31. In artikel 2 van het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, gewijzigd bij de decreten van 19 juni 2015 en 15 juli 2016, worden in het eerste lid de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 12° wordt voor het woord "toezichtpersoon" en voor het woord "toezichthouder" telkens het woord "private" ingevoegd;
2° er wordt een punt 18° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"18° private toezichthouder: een toezichthouder die is vormgegeven volgens het private vennootschaps- of verenigingsrecht.".
1° in punt 12° wordt voor het woord "toezichtpersoon" en voor het woord "toezichthouder" telkens het woord "private" ingevoegd;
2° er wordt een punt 18° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"18° private toezichthouder: een toezichthouder die is vormgegeven volgens het private vennootschaps- of verenigingsrecht.".
Art. 31. Dans l'article 2 du décret du 20 avril 2012 portant organisation de l'accueil de bébés et de bambins, modifié par les décrets des 19 juin 2015 et 15 juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées dans l'alinéa premier :
1° dans le point 12° le mot " privée " est inséré entre le mot " personne " et les mots " chargée de la surveillance " et le mot " privé " est inséré entre les mots " du personnel " et les mots " du surveillant " ;
2° il est ajouté un point 18°, rédigé comme suit :
" 18° surveillant privé : un surveillant de droit privé des sociétés ou des associations. ".
1° dans le point 12° le mot " privée " est inséré entre le mot " personne " et les mots " chargée de la surveillance " et le mot " privé " est inséré entre les mots " du personnel " et les mots " du surveillant " ;
2° il est ajouté un point 18°, rédigé comme suit :
" 18° surveillant privé : un surveillant de droit privé des sociétés ou des associations. ".
Art. 32. In artikel 15 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° voor het woord "toezichthouder" wordt telkens het woord "private" ingevoegd;
2° in het tweede punt van het eerste lid, wordt tussen het woord "de" en het woord "toezichtperso(o)n(en)" het woord "private" ingevoegd;
3° in het tweede lid wordt tussen het woord "de" en het woord "toezichtpersoon" het woord "private" ingevoegd.
1° voor het woord "toezichthouder" wordt telkens het woord "private" ingevoegd;
2° in het tweede punt van het eerste lid, wordt tussen het woord "de" en het woord "toezichtperso(o)n(en)" het woord "private" ingevoegd;
3° in het tweede lid wordt tussen het woord "de" en het woord "toezichtpersoon" het woord "private" ingevoegd.
Art. 32. Dans l'article 15 du même décret les modifications suivantes sont apportées :
1° le mot " privé " est chaque fois inséré après le mot " surveillant " ;
2° dans le point deux de l'alinéa premier, le mot " privé(e)(s) est inséré entre le mot " personne(s) " et le mot " chargée(s) " ;
3° dans le deuxième alinéa, le mot " privée " est inséré entre le mot " personne " et le mot " chargée ".
1° le mot " privé " est chaque fois inséré après le mot " surveillant " ;
2° dans le point deux de l'alinéa premier, le mot " privé(e)(s) est inséré entre le mot " personne(s) " et le mot " chargée(s) " ;
3° dans le deuxième alinéa, le mot " privée " est inséré entre le mot " personne " et le mot " chargée ".
Art. 33. In artikel 16 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° voor het woord "toezichtpersoon" wordt telkens het woord "private" ingevoegd;
2° in het derde lid wordt tussen het woord "de" en het woord "toezichtpersonen" het woord "private" ingevoegd;
3° in het vierde lid wordt tussen het woord "de" en het woord "toezichthouder" het woord "private" ingevoegd.
1° voor het woord "toezichtpersoon" wordt telkens het woord "private" ingevoegd;
2° in het derde lid wordt tussen het woord "de" en het woord "toezichtpersonen" het woord "private" ingevoegd;
3° in het vierde lid wordt tussen het woord "de" en het woord "toezichthouder" het woord "private" ingevoegd.
Art. 33. Dans l'article 16 du même décret les modifications suivantes sont apportées :
1° le mot " privé " est chaque fois inséré après le mot " surveillant " ;
2° dans le troisième alinéa, le mot " privées " est inséré entre le mot " personnes " et le mot " chargées " ;
3° dans le quatrième alinéa, le mot " privée " est inséré entre le mot " personne " et le mot " chargée ".
1° le mot " privé " est chaque fois inséré après le mot " surveillant " ;
2° dans le troisième alinéa, le mot " privées " est inséré entre le mot " personnes " et le mot " chargées " ;
3° dans le quatrième alinéa, le mot " privée " est inséré entre le mot " personne " et le mot " chargée ".
Art. 34. In artikel 17 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt tussen het woord "de" en het woord "toezichtpersoon" het woord "private" ingevoegd;
2° voor het woord "toezichthouder" wordt telkens het woord "private" ingevoegd.
1° in het eerste lid wordt tussen het woord "de" en het woord "toezichtpersoon" het woord "private" ingevoegd;
2° voor het woord "toezichthouder" wordt telkens het woord "private" ingevoegd.
Art. 34. Dans l'article 17 du même décret les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa premier, le mot " privée " est inséré entre le mot " personne " et le mot " chargée " ;
2° le mot " privé " est chaque fois inséré après le mot " surveillant ".
1° dans l'alinéa premier, le mot " privée " est inséré entre le mot " personne " et le mot " chargée " ;
2° le mot " privé " est chaque fois inséré après le mot " surveillant ".
Art. 35. In artikel 18 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2016, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 35. Dans l'article 18 du même décret, modifié par le décret du 15 juillet 2016, l'alinéa deux est abrogé.
Art. 36. In artikel 19, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt punt 2° opgeheven.
Art. 36. Dans l'article 19, alinéa premier, du même décret, le point 2° est abrogé.
Art. 37. In artikel 22, eerste lid, van hetzelfde decreet worden in punt 1° tussen het woord "toezicht" en het woord "verhindert" de woorden "door de private toezichthouder" ingevoegd.
Art. 37. Dans le point 1° de l'article 22, alinéa premier, du même décret, les mots " par le surveillant privé " sont insérés entre le mot " surveillance " et le mot " réglée ".
Art. 38. In artikel 23 van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg worden het tweede tot en met het vijfde lid opgeheven.
Art. 38. Dans l'article 23 du décret du 29 juin 2012 portant organisation du placement familial, les alinéas deux à cinq inclus sont abrogés.
Art. 39. In artikel 78 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2016 en 3 februari 2017, worden in paragraaf 1 het tweede en het derde lid opgeheven.
Art. 39. Dans l'article 78 du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse, modifié par les décrets des 17 juin 2016 et 3 février 2017, les deuxième et troisième alinéas du paragraphe 1er sont abrogés.
Art. 40. In artikel 20 van het decreet van 29 november 2013 houdende de organisatie van preventieve gezinsondersteuning worden het tweede en het derde lid opgeheven.
Art. 40. Dans l'article 20 du décret du 29 novembre 2013 portant organisation du soutien préventif aux familles, les deuxième et troisième alinéas sont abrogés.
Art. 41. In artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap worden het tweede en het derde lid opgeheven.
Art. 41. Dans l'article 20 du décret du 25 avril 2014 portant le financement qui suit la personne pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées les deuxième et troisième alinéas sont abrogés.
Art. 42. In artikel 45 van het decreet van 25 april 2014 houdende de werk- en zorgtrajecten wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art. 42. Dans l'article 45 du décret du 25 avril 2014 portant les parcours de travail et de soins le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 43. In artikel 26 van het decreet van 3 juli 2015 houdende regeling van de binnenlandse adoptie van kinderen en houdende wijziging van het decreet van 20 januari 2012 houdende regeling van de interlandelijke adoptie van kinderen wordt paragraaf 2, gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2016, opgeheven.
Art. 43. Dans l'article 26 du décret du 3 juillet 2015 réglant l'adoption interne d'enfants et modifiant le décret du 20 janvier 2012 réglant d'adoption internationale d'enfants, le paragraphe 2, modifié par le décret du 15 juillet 2016, est abrogé.
Art. 44. In het decreet van 15 juli 2016 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, worden in artikel 26 punt 2° en 3° opgeheven.
Art. 44. Dans le décret du 15 juillet 2016 portant diverses dispositions relatives au domaine politique de l'Aide sociale, Santé publique et Famille, les points 2° et 3° de l'article 26 sont abrogés.
Art. 45. In hetzelfde decreet wordt hoofdstuk 14, dat bestaat uit artikel 107, opgeheven.
Art. 45. Dans le même décret, le chapitre 14, comprenant l'article 107, est abrogé.
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
Art. 46. De Vlaamse Regering evalueert dit decreet drie jaar na de inwerkingtreding ervan.
Art. 46. Le Gouvernement flamand évaluera le présent décret trois ans suivant son entrée en vigueur.
Art. 47. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2019.
Art. 47. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2019.