Artikel 1. In artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, het laatst gewijzigd bij het decreet van 12 juni 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
"
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
22 DECEMBER 2017. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Mestdecreet van 22 december 2006 en van diverse besluiten in uitvoering van het Mestdecreet van 22 december 2006
Titre
22 DECEMBRE 2017. - Arrêté du Gouvernement flamand portant modification du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 et de ses différents arrêtés d'exécution
Documentinformatie
Info du document
Tekst (35)
Texte (35)
Article 1er. A l'article 27, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, modifié pour la dernière fois par le décret du 12 juin 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
"
1° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
"
| 2° VARKENS Biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg Beren Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg Andere varkens: van 20 tot 110 kg van 110 kg of meer | 1,38 15,25 15,25 4,97 15,25 | 2,18 29,61 29,61 12,68 29,61 |
Biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg
Beren
Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg
Andere varkens:
van 20 tot 110 kg
van 110 kg of meer
1,38
15,25
15,25
4,97
15,25
2,18
29,61
29,61
12,68
29,61
";
2° in punt 5° wordt punt a) vervangen door wat volgt:
"
| 2° PORCS Porcelets ayant un poids de 7 à 20 kg Verrats Truies, y compris les porcelets ayant un poids inférieur à 7 kg Autres porcs : de 20 à 110 kg de 110 kg ou plus | 1,38 15,25 15,25 4,97 15,25 | 2,18 29,61 29,61 12,68 29,61 |
Porcelets ayant un poids de 7 à 20 kg
Verrats
Truies, y compris les porcelets ayant un poids inférieur à 7 kg
Autres porcs :
de 20 à 110 kg
de 110 kg ou plus
1,38
15,25
15,25
4,97
15,25
2,18
29,61
29,61
12,68
29,61
" ;
2° au point 5°, le point a) est remplacé par ce qui suit :
"
| a) Konijnen Gesloten bedrijven (per vrouwelijk konijn) Vetmesterij (per dier) Kwekerij (per volwassen dier) | 3,91 0,368 1,619 | 7,22 0,621 3,06 |
Gesloten bedrijven (per vrouwelijk konijn)
Vetmesterij (per dier)
Kwekerij (per volwassen dier)
3,91
0,368
1,619
7,22
0,621
3,06
".
| a) Lapins Entreprises fermées (par lapine) Engraissage (par animal) Reproduction (par animal adulte) | 3,91 0,368 1,619 | 7,22 0,621 3,06 |
Entreprises fermées (par lapine)
Engraissage (par animal)
Reproduction (par animal adulte)
3,91
0,368
1,619
7,22
0,621
3,06
".
Art. 2. In het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007 tot uitvoering van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016, worden hoofdstuk IV, dat bestaat uit artikel 11 tot en met 13, en hoofdstuk VII, dat bestaat uit artikel 16, opgeheven.
Art. 2. Dans l'Arrêté du Gouvernement flamand du 9 mars 2007 portant exécution du décret du 22 décembre 2006 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016, le chapitre IV, qui se compose des articles 11 à 13 inclus, et le chapitre VII, qui se compose de l'article 16, sont supprimés.
Art. 3. Aan artikel 29 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, vervangen bij het besluit van 30 april 2009 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017, wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"7° artikel 10, § 1, 1° en 3°, van het decreet Integraal Waterbeleid.".
"7° artikel 10, § 1, 1° en 3°, van het decreet Integraal Waterbeleid.".
Art. 3. A l'article 29 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, remplacé par l'arrêté du 30 avril 2009 et modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 février 2017, il est inséré un point 7°, libellé comme suit :
" 7° article 10, § 1er, 1° et 3°, du décret relatif à la politique intégrée de l'eau ".
" 7° article 10, § 1er, 1° et 3°, du décret relatif à la politique intégrée de l'eau ".
Art. 4. In het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 betreffende de indeling van percelen in een klasse op basis van een bodemanalyse, vermeld in artikel 13, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006, en tot wijziging van het VLAREL van 19 november 2010, wat betreft de bepalingen voor de erkenning van laboratoria in het kader van het Mestdecreet van 22 december 2006, wordt hoofdstuk 1, dat bestaat uit artikel 1 tot en met 6, opgeheven.
Art. 4. Dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2015 relatif à la subdivision de parcelles en classes sur la base d'une analyse du sol, telle que visée à l'article 13, § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, et modifiant le VLAREL du 19 novembre 2010, pour ce qui est des dispositions relatives à l'agrément des laboratoires dans le cadre du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, le chapitre 1er, qui se compose des articles 1er à 6, est supprimé.
Art. 5. Aan artikel 1.1.2 van de VLAREME van 28 oktober 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° er worden een punt 2° /1 en een punt 2° /2 ingevoegd, die luiden als volgt:
"2° /1 Geïntegreerd Beheers- en Controlesysteem, afgekort GBCS: het GBCS, vermeld in artikel 2, 14°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
2° /2 INBO: het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2015 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek;";
2° er wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"5° werkdag: een dag in de week die niet valt op een zaterdag, een zondag, een wettelijke feestdag of in de periode tussen 25 december en 1 januari.".
1° er worden een punt 2° /1 en een punt 2° /2 ingevoegd, die luiden als volgt:
"2° /1 Geïntegreerd Beheers- en Controlesysteem, afgekort GBCS: het GBCS, vermeld in artikel 2, 14°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid;
2° /2 INBO: het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2015 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek;";
2° er wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"5° werkdag: een dag in de week die niet valt op een zaterdag, een zondag, een wettelijke feestdag of in de periode tussen 25 december en 1 januari.".
Art. 5. A l'article 1.1.2 du VLAREME du 28 octobre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° Il est inséré un point 2° /1 et un point 2° /2, libellés comme suit :
" 2° /1 Système intégré de gestion et de contrôle, en abrégé SIGC : le SIGC mentionné à l'article 2, 14° du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture ;
2° /2 INBO (Institut de Recherche des Forêts et de la Nature), institué par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2015 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek " (Institut de Recherche des Forêts et de la Nature) " ;
2° il est ajouté un point 5°, libellé comme suit :
" 5° jour ouvrable : un jour de la semaine qui ne tombe pas un samedi, un dimanche, un jour férié légal ou au cours de la période située entre le 25 décembre et le 1er janvier. "
1° Il est inséré un point 2° /1 et un point 2° /2, libellés comme suit :
" 2° /1 Système intégré de gestion et de contrôle, en abrégé SIGC : le SIGC mentionné à l'article 2, 14° du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture ;
2° /2 INBO (Institut de Recherche des Forêts et de la Nature), institué par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 décembre 2015 portant création de l'agence autonomisée interne sans personnalité juridique " Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek " (Institut de Recherche des Forêts et de la Nature) " ;
2° il est ajouté un point 5°, libellé comme suit :
" 5° jour ouvrable : un jour de la semaine qui ne tombe pas un samedi, un dimanche, un jour férié légal ou au cours de la période située entre le 25 décembre et le 1er janvier. "
Art. 6. Artikel 1.1.5 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 1.1.5. De definities, vermeld in dit artikel, zijn gerelateerd aan het thema "vervoer". Het betreffen de volgende definities:
1° AGR-GPS: het Automatische Gegevens Registratie-Global Positioning System;
2° AGR-GPS-apparaat: het apparaat dat vast aanwezig is op het transportmiddel en dat op een automatische en voorgeprogrammeerde wijze de gegevens van mesttransporten registreert en doorstuurt naar een GPS-dienstverlener;
3° AGR-GPS-apparatuur: het geheel van apparaten, sensoren en instrumenten aanwezig op de transportmiddelen dat gegevens van mesttransporten registreert en doorstuurt;
4° AGR-GPS-systeem: het geheel van onder meer AGR-GPS-apparatuur, software, processen en protocols die gebruikt worden om de nodige gegevens van mesttransporten vanaf het transportmiddel via de GPS-dienstverlener ter beschikking te stellen van de Mestbank;
5° burenregeling: een schriftelijke overeenkomst als vermeld in artikel 49, § 1, tweede lid, 1°, van het Mestdecreet van 22 december 2006;
6° erkende mestvoerder: een door de Mestbank erkende mestvoerder als vermeld in artikel 48, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006;
7° erkend verzender: een door de Mestbank erkende aanbieder van meststoffen als vermeld in artikel 60 van het Mestdecreet van 22 december 2006;
8° gewestgrensoverschrijdend bedrijf: de exploitatie waar dieren als vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, worden gehouden en die landbouwactiviteiten uitoefent op het grondgebied van het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest, waarbij de afstand in vogelvlucht:
a) van de exploitatie en van de percelen waarop mest wordt uitgereden, tot de gewestgrens minder dan 25 kilometer bedraagt;
b) tussen de exploitatie enerzijds en de percelen anderzijds niet groter mag zijn dan 40 kilometer;
9° gewest van bestemming: het gewest waarbinnen het geografische grondgebied ligt waarop de dierlijke mest van het gewestgrensoverschrijdende bedrijf wordt gespreid;
10° gewest van oorsprong: het gewest waarbinnen het geografische grondgebied ligt waar de dierlijke productie van het gewestgrensoverschrijdende bedrijf zich bevindt;
11° GPS-dienstverlener: de aanbieder van diensten, onafhankelijk van de erkende mestvoerder en de Mestbank, die via een online verbinding gegevens van de AGR-GPS-apparatuur ontvangt en doorstuurt naar de Mestbank;
12° transportdocument: een document als vermeld in artikel 47 tot en met 60 van het Mestdecreet van 22 december 2006;
13° vracht: één rit van aanbieder naar afnemer met een volledige vervoerscombinatie.".
"Art. 1.1.5. De definities, vermeld in dit artikel, zijn gerelateerd aan het thema "vervoer". Het betreffen de volgende definities:
1° AGR-GPS: het Automatische Gegevens Registratie-Global Positioning System;
2° AGR-GPS-apparaat: het apparaat dat vast aanwezig is op het transportmiddel en dat op een automatische en voorgeprogrammeerde wijze de gegevens van mesttransporten registreert en doorstuurt naar een GPS-dienstverlener;
3° AGR-GPS-apparatuur: het geheel van apparaten, sensoren en instrumenten aanwezig op de transportmiddelen dat gegevens van mesttransporten registreert en doorstuurt;
4° AGR-GPS-systeem: het geheel van onder meer AGR-GPS-apparatuur, software, processen en protocols die gebruikt worden om de nodige gegevens van mesttransporten vanaf het transportmiddel via de GPS-dienstverlener ter beschikking te stellen van de Mestbank;
5° burenregeling: een schriftelijke overeenkomst als vermeld in artikel 49, § 1, tweede lid, 1°, van het Mestdecreet van 22 december 2006;
6° erkende mestvoerder: een door de Mestbank erkende mestvoerder als vermeld in artikel 48, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006;
7° erkend verzender: een door de Mestbank erkende aanbieder van meststoffen als vermeld in artikel 60 van het Mestdecreet van 22 december 2006;
8° gewestgrensoverschrijdend bedrijf: de exploitatie waar dieren als vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, worden gehouden en die landbouwactiviteiten uitoefent op het grondgebied van het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest, waarbij de afstand in vogelvlucht:
a) van de exploitatie en van de percelen waarop mest wordt uitgereden, tot de gewestgrens minder dan 25 kilometer bedraagt;
b) tussen de exploitatie enerzijds en de percelen anderzijds niet groter mag zijn dan 40 kilometer;
9° gewest van bestemming: het gewest waarbinnen het geografische grondgebied ligt waarop de dierlijke mest van het gewestgrensoverschrijdende bedrijf wordt gespreid;
10° gewest van oorsprong: het gewest waarbinnen het geografische grondgebied ligt waar de dierlijke productie van het gewestgrensoverschrijdende bedrijf zich bevindt;
11° GPS-dienstverlener: de aanbieder van diensten, onafhankelijk van de erkende mestvoerder en de Mestbank, die via een online verbinding gegevens van de AGR-GPS-apparatuur ontvangt en doorstuurt naar de Mestbank;
12° transportdocument: een document als vermeld in artikel 47 tot en met 60 van het Mestdecreet van 22 december 2006;
13° vracht: één rit van aanbieder naar afnemer met een volledige vervoerscombinatie.".
Art. 6. L'article 1.1.5 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 1.1.5. Les définitions reprises dans le présent article sont liées au thème " Transport ". Il s'agit des définitions suivantes :
1° AGR-GPS : l'Enregistrement automatique de Données - Global Positioning System ;
2° Appareil AGR-GPS : l'appareil installé dans le moyen de transport et qui enregistre et transmet de manière automatique et préprogrammée des données sur les transports d'engrais à un prestataire de services GPS ;
3° Appareillage AGR-GPS : l'ensemble d'appareils, de capteurs et d'instruments installés dans les moyens de transport, qui enregistre et transmet des données sur les transports d'engrais ;
4° Système AGR-GPS : l'ensemble constitué entre autres par l'appareillage AGR-GPS, le logiciel, les processus et les protocoles utilisés pour la mise à disposition de la Banque d'engrais, via le prestataire de services GPS, les données nécessaires sur les transports d'engrais à partir du moyen de transport ;
5° régime de voisinage : un accord écrit tel que visé à l'article 49, § 1er, alinéa deux, 1°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ;
6° transporteur d'engrais agréé : un transporteur d'engrais agréé par la banque d'engrais, tel que visé à l'article 48, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ;
7° expéditeur agréé : un fournisseur d'engrais agréé par la " banque d'engrais, tel que visé à l'article 60, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ;
8° entreprise transrégionale : l'exploitation où sont détenus les animaux visés à l'article 27, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, et qui exerce des activités agricoles sur le territoire de la Région flamande et de la Région wallonne, où les distances à vol d'oiseau :
a) de l'exploitation et des parcelles sur lesquelles est épandu l'engrais à la frontière régionale, s'élèvent à moins de 25 kilomètres ;
b) entre l'exploitation, d'une part, et les parcelles, d'autre part, ne peuvent excéder 40 kilomètres ;
9° commune de destination : la commune dans laquelle se trouve le territoire géographique sur lequel l'engrais animal de l'entreprise transrégionale est épandu ;
10° commune d'origine : la commune dans laquelle se trouve le territoire géographique qui inclut la production animale de l'entreprise transrégionale ;
11° prestataire de services GPS : le fournisseur de services, indépendant du transporteur d'engrais agréé et de la banque d'engrais, qui reçoit par une liaison en ligne des données émises par l'appareillage AGR-GPS et les transmet à la banque d'engrais ;
12° document de transport : un document tel que visé aux articles 47 à 60 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ;
13° chargement : un trajet de l'offreur au preneur à l'aide d'une combinaison de transport complète. "
" Art. 1.1.5. Les définitions reprises dans le présent article sont liées au thème " Transport ". Il s'agit des définitions suivantes :
1° AGR-GPS : l'Enregistrement automatique de Données - Global Positioning System ;
2° Appareil AGR-GPS : l'appareil installé dans le moyen de transport et qui enregistre et transmet de manière automatique et préprogrammée des données sur les transports d'engrais à un prestataire de services GPS ;
3° Appareillage AGR-GPS : l'ensemble d'appareils, de capteurs et d'instruments installés dans les moyens de transport, qui enregistre et transmet des données sur les transports d'engrais ;
4° Système AGR-GPS : l'ensemble constitué entre autres par l'appareillage AGR-GPS, le logiciel, les processus et les protocoles utilisés pour la mise à disposition de la Banque d'engrais, via le prestataire de services GPS, les données nécessaires sur les transports d'engrais à partir du moyen de transport ;
5° régime de voisinage : un accord écrit tel que visé à l'article 49, § 1er, alinéa deux, 1°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ;
6° transporteur d'engrais agréé : un transporteur d'engrais agréé par la banque d'engrais, tel que visé à l'article 48, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ;
7° expéditeur agréé : un fournisseur d'engrais agréé par la " banque d'engrais, tel que visé à l'article 60, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ;
8° entreprise transrégionale : l'exploitation où sont détenus les animaux visés à l'article 27, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, et qui exerce des activités agricoles sur le territoire de la Région flamande et de la Région wallonne, où les distances à vol d'oiseau :
a) de l'exploitation et des parcelles sur lesquelles est épandu l'engrais à la frontière régionale, s'élèvent à moins de 25 kilomètres ;
b) entre l'exploitation, d'une part, et les parcelles, d'autre part, ne peuvent excéder 40 kilomètres ;
9° commune de destination : la commune dans laquelle se trouve le territoire géographique sur lequel l'engrais animal de l'entreprise transrégionale est épandu ;
10° commune d'origine : la commune dans laquelle se trouve le territoire géographique qui inclut la production animale de l'entreprise transrégionale ;
11° prestataire de services GPS : le fournisseur de services, indépendant du transporteur d'engrais agréé et de la banque d'engrais, qui reçoit par une liaison en ligne des données émises par l'appareillage AGR-GPS et les transmet à la banque d'engrais ;
12° document de transport : un document tel que visé aux articles 47 à 60 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ;
13° chargement : un trajet de l'offreur au preneur à l'aide d'une combinaison de transport complète. "
Art. 7. Aan hoofdstuk 1, afdeling 1, van hetzelfde besluit, worden een artikel 1.1.6 tot en met 1.1.9 toegevoegd, die luiden als volgt:
"Art. 1.1.6. De definities, vermeld in dit artikel, zijn gerelateerd aan het thema "stallen". Het betreffen de volgende definities:
1° P-lijst: de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen voor pluimvee, vermeld in hoofdstuk 4 van bijlage I bij het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
2° S-lijst: de lijst van technieken die de uitgaande stallucht zuiveren, vermeld in hoofdstuk 5 van bijlage I bij het voormelde ministerieel besluit;
3° stallenlijst: de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen voor pluimvee of varkens, vermeld in hoofdstuk 3 of 4 van bijlage I bij het voormelde ministerieel besluit;
4° V-lijst: de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen voor varkens, vermeld in hoofdstuk 3 van bijlage I bij het voormelde ministerieel besluit.
Art. 1.1.7. De definitie, vermeld in het tweede lid, is gerelateerd aan het thema "bemesting".
Onder perceelnummer wordt verstaan: het unieke referentienummer van het perceel, vermeld op een verzamelaanvraag, en het kalenderjaar waarop die verzamelaanvraag betrekking heeft.
Art. 1.1.8. De definities, vermeld in dit artikel, zijn gerelateerd aan het thema "bemonstering en analyses". Het betreffen de volgende definities:
1° BAM: het door de minister, ter uitvoering van artikel 4, § 1, 20°, van het VLAREL van 19 november 2010, goedgekeurde compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet, vermeld in artikel 45, § 1, 4°, van het voormelde besluit;
2° BOC: het door de minister, ter uitvoering van artikel 4, § 1, 20°, van het VLAREL van 19 november 2010, goedgekeurde compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming, vermeld in artikel 45, § 1, 3°, van het voormelde besluit.
Art. 1.1.9. De definities, vermeld in dit artikel, zijn gerelateerd aan het thema "voeders". Het betreffen de volgende definities:
1° convenant laag-eiwitvoeder: een overeenkomst betreffende veevoeder met een laag gehalte aan eiwit gesloten tussen het Vlaamse Gewest en organisaties die producenten of handelaars van mengvoeders vertegenwoordigen;
2° convenant laag-fosforvoeder: een overeenkomst betreffende veevoeder met een laag gehalte aan fosfor gesloten tussen het Vlaamse Gewest en organisaties die producenten of handelaars van mengvoeders vertegenwoordigen;
3° diervoeder: iedere stof die de nutriënten P2O5 of N bevat en die bestemd kan zijn om gevoederd te worden aan een van de diercategorieën als vermeld in de tabel in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006;
4° laag-eiwitvoeder: het volledige voeder dat op het moment dat het geproduceerd is, voldoet aan de volgende twee voorwaarden:
a) het gehalte aan ruw eiwit in het betrokken voeder overschrijdt het voor de betrokken diercategorie bepaalde maximumgehalte, vermeld in artikel 6.3.2.3, tweede lid, niet;
b) de fabrikant van het betrokken voeder voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1) hij heeft voor het betrokken kalenderjaar een organisatie, die producenten en handelaars van mengvoeders vertegenwoordigt, gemandateerd om het convenant laag-eiwitvoeder te ondertekenen;
2) hij heeft bewezen dat hij voldoet aan de toetredingsvoorwaarden van het convenant laag-eiwitvoeder;
3) hij heeft zich in het voorgaande kalenderjaar gehouden aan de verbintenissen die voortvloeien uit het convenant laag-eiwitvoeder, als hij in het voorgaande kalenderjaar betrokken was bij het convenant laag-eiwitvoeder,;
5° laag-fosforvoeder: het volledige voeder dat voldoet aan de volgende twee voorwaarden op het moment dat het geproduceerd is:
a) het gehalte aan totaal fosfor in het betrokken voeder overschrijdt het voor de betrokken diercategorie bepaalde maximumgehalte, vermeld in artikel 6.3.2.2, tweede lid, niet;
b) de fabrikant van het betrokken voeder voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1) hij heeft voor het betrokken kalenderjaar een organisatie, die producenten en handelaars van mengvoeders vertegenwoordigt, gemandateerd om het convenant laag-fosforvoeder te ondertekenen;
2) hij heeft bewezen dat hij voldoet aan de toetredingsvoorwaarden van het convenant laag-fosforvoeder;
3) hij heeft zich in het voorgaande kalenderjaar gehouden aan de verbintenissen die voortvloeien uit het convenant laag-fosforvoeder, als hij in het voorgaande kalenderjaar betrokken was bij het convenant laag-fosforvoeder,;
6° nutriëntenarm voeder: het voeder dat zowel laag-eiwitvoeder als laag-fosforvoeder is.".
"Art. 1.1.6. De definities, vermeld in dit artikel, zijn gerelateerd aan het thema "stallen". Het betreffen de volgende definities:
1° P-lijst: de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen voor pluimvee, vermeld in hoofdstuk 4 van bijlage I bij het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
2° S-lijst: de lijst van technieken die de uitgaande stallucht zuiveren, vermeld in hoofdstuk 5 van bijlage I bij het voormelde ministerieel besluit;
3° stallenlijst: de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen voor pluimvee of varkens, vermeld in hoofdstuk 3 of 4 van bijlage I bij het voormelde ministerieel besluit;
4° V-lijst: de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen voor varkens, vermeld in hoofdstuk 3 van bijlage I bij het voormelde ministerieel besluit.
Art. 1.1.7. De definitie, vermeld in het tweede lid, is gerelateerd aan het thema "bemesting".
Onder perceelnummer wordt verstaan: het unieke referentienummer van het perceel, vermeld op een verzamelaanvraag, en het kalenderjaar waarop die verzamelaanvraag betrekking heeft.
Art. 1.1.8. De definities, vermeld in dit artikel, zijn gerelateerd aan het thema "bemonstering en analyses". Het betreffen de volgende definities:
1° BAM: het door de minister, ter uitvoering van artikel 4, § 1, 20°, van het VLAREL van 19 november 2010, goedgekeurde compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet, vermeld in artikel 45, § 1, 4°, van het voormelde besluit;
2° BOC: het door de minister, ter uitvoering van artikel 4, § 1, 20°, van het VLAREL van 19 november 2010, goedgekeurde compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming, vermeld in artikel 45, § 1, 3°, van het voormelde besluit.
Art. 1.1.9. De definities, vermeld in dit artikel, zijn gerelateerd aan het thema "voeders". Het betreffen de volgende definities:
1° convenant laag-eiwitvoeder: een overeenkomst betreffende veevoeder met een laag gehalte aan eiwit gesloten tussen het Vlaamse Gewest en organisaties die producenten of handelaars van mengvoeders vertegenwoordigen;
2° convenant laag-fosforvoeder: een overeenkomst betreffende veevoeder met een laag gehalte aan fosfor gesloten tussen het Vlaamse Gewest en organisaties die producenten of handelaars van mengvoeders vertegenwoordigen;
3° diervoeder: iedere stof die de nutriënten P2O5 of N bevat en die bestemd kan zijn om gevoederd te worden aan een van de diercategorieën als vermeld in de tabel in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006;
4° laag-eiwitvoeder: het volledige voeder dat op het moment dat het geproduceerd is, voldoet aan de volgende twee voorwaarden:
a) het gehalte aan ruw eiwit in het betrokken voeder overschrijdt het voor de betrokken diercategorie bepaalde maximumgehalte, vermeld in artikel 6.3.2.3, tweede lid, niet;
b) de fabrikant van het betrokken voeder voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1) hij heeft voor het betrokken kalenderjaar een organisatie, die producenten en handelaars van mengvoeders vertegenwoordigt, gemandateerd om het convenant laag-eiwitvoeder te ondertekenen;
2) hij heeft bewezen dat hij voldoet aan de toetredingsvoorwaarden van het convenant laag-eiwitvoeder;
3) hij heeft zich in het voorgaande kalenderjaar gehouden aan de verbintenissen die voortvloeien uit het convenant laag-eiwitvoeder, als hij in het voorgaande kalenderjaar betrokken was bij het convenant laag-eiwitvoeder,;
5° laag-fosforvoeder: het volledige voeder dat voldoet aan de volgende twee voorwaarden op het moment dat het geproduceerd is:
a) het gehalte aan totaal fosfor in het betrokken voeder overschrijdt het voor de betrokken diercategorie bepaalde maximumgehalte, vermeld in artikel 6.3.2.2, tweede lid, niet;
b) de fabrikant van het betrokken voeder voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1) hij heeft voor het betrokken kalenderjaar een organisatie, die producenten en handelaars van mengvoeders vertegenwoordigt, gemandateerd om het convenant laag-fosforvoeder te ondertekenen;
2) hij heeft bewezen dat hij voldoet aan de toetredingsvoorwaarden van het convenant laag-fosforvoeder;
3) hij heeft zich in het voorgaande kalenderjaar gehouden aan de verbintenissen die voortvloeien uit het convenant laag-fosforvoeder, als hij in het voorgaande kalenderjaar betrokken was bij het convenant laag-fosforvoeder,;
6° nutriëntenarm voeder: het voeder dat zowel laag-eiwitvoeder als laag-fosforvoeder is.".
Art. 7. Au chapitre 1er, section 1re, du même arrêté, il est ajouté des articles 1.1.6 à 1.1.9, libellés comme suit :
" Art. 1.1.6. Les définitions, mentionnées dans le présent article, se rapportent au thème " étables ". Il s'agit des définitions suivantes :
1° Liste P : la liste des systèmes d'étables pauvres en émissions ammoniacales, reprise au chapitre 4 de l'annexe Ire de l'arrêté ministériel du 19 mars 2004 établissant la liste des systèmes d'étables pauvres en émissions ammoniacales en exécution des articles 1.1.2 et 5.9.2.1bis de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement ;
2° Liste S : la liste des techniques systèmes pour la purification de l'odeur d'étable sortante, mentionnée au chapitre 5 de l'Annexe Ire à l'arrêté ministériel susmentionné ;
3° Liste d'étables : liste des systèmes d'étables pauvres en émissions ammoniacales pour la volaille ou les porcs, mentionnée au chapitre 3 ou 4 à l'Annexe Ire de l'arrêté ministériel susmentionné ;
4° Liste V : liste des systèmes d'étables pauvres en émissions ammoniacales pour les porcs, mentionnée au chapitre 3 de l'Annexe Ire à l'arrêté ministériel susmentionné.
Art. 1.1.7. La définition, reprise à l'alinéa 2, est liée au thème " épandage ".
Par numéro de parcelle, il a lieu d'entendre : le numéro de référence unique de la parcelle, mentionné dans une demande unique, et l'année civile à laquelle se rapporte cette demande unique.
Art. 1.1.8. Les définitions, reprises dans le présent article, sont liées au thème " échantillonnage et analyses ". Il s'agit des définitions suivantes :
1° BAM : le compendium des méthodes d'échantillonnage et d'analyse dans le cadre du décret sur les engrais, approuvé par le Ministre en exécution de l'article 4, § 1er, 20°, du VLAREL du 19 novembre 2010, mentionné à l'article 45, § 1er, 4°, de l'arrêté précité ;
2° BOC : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse dans le cadre de la protection du sol, approuvé par le Ministre en exécution de l'article 4, § 1er, 20°, du VLAREL du 19 novembre 2010, mentionné à l'article 45, § 1er, 3°, de l'arrêté précité.
Art. 1.1.9. Les définitions, mentionnées dans le présent article, se rapportent au thème " aliments ". Il s'agit des définitions suivantes :
1° convention d'aliments à basse teneur en protéines : convention concernant des aliments pour bétail à basse teneur en protéines conclue entre la Région flamande et des organisations qui représentent des producteurs ou négociants d'aliments composés ;
2° convention d'aliments à basse teneur en phosphore : convention concernant des aliments pour bétail à basse teneur en phosphore conclue entre la Région flamande et des organisations qui représentent des producteurs ou négociants d'aliments composés ;
3° aliments pour animaux : toute substance qui contient les nutriments P2O5 ou N et qui peuvent être destinés à l'administration à l'une des catégories d'animaux reprises dans le tableau de l'article 27, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ;
4° aliments à basse teneur en protéines : aliments complets qui, à la date de production, répondent aux deux conditions suivantes :
a) la teneur en protéines brutes dans les aliments concernés ne dépasse pas la teneur maximale fixée pour la catégorie d'animal en question, telle que mentionnée à l'article 6.3.2.3., alinéa 2 ;
b) le fabricant des aliments concernés a répondu à toutes les conditions suivantes :
1) il a mandaté, pour l'année civile concernée, une organisation qui représente les producteurs et négociants d'aliments mélangés, à signer la convention d'aliments à basse teneur en protéines ;
2) il a démontré qu'il satisfait aux conditions d'adhésion à la convention d'aliments à basse teneur en protéines ;
3) il a respecté, s'il était impliqué au cours de l'année civile précédente dans une convention d'aliments à basse teneur en protéines, les engagements découlant de la convention d'aliments à basse teneur en protéines ;
5° aliments à basse teneur en phosphore : aliments complets qui, à la date de production, répondent aux deux conditions suivantes :
a) la teneur en phosphore totale dans les aliments concernés ne dépasse pas la teneur maximale fixée pour la catégorie d'animal en question, telle que visée à l'article 6.3.2.2., alinéa 2 ;
b) le fabricant des aliments concernés a répondu à toutes les conditions suivantes :
1) il a mandaté, pour l'année civile concernée, une organisation qui représente les producteurs et négociants d'aliments mélangés, à signer la convention d'aliments à basse teneur en phosphore ;
2) il a démontré qu'il satisfait aux conditions d'adhésion à la convention d'aliments à basse teneur en phosphore ;
3) il a respecté, s'il était impliqué au cours de l'année civile précédente dans une convention d'aliments à basse teneur en phosphore, les engagements découlant de la convention d'aliments à basse teneur en phosphore ;
6° aliments pauvres en nutriments : des aliments qui sont tant des aliments à basse teneur en protéines que des aliments à basse teneur en phosphore. "
" Art. 1.1.6. Les définitions, mentionnées dans le présent article, se rapportent au thème " étables ". Il s'agit des définitions suivantes :
1° Liste P : la liste des systèmes d'étables pauvres en émissions ammoniacales, reprise au chapitre 4 de l'annexe Ire de l'arrêté ministériel du 19 mars 2004 établissant la liste des systèmes d'étables pauvres en émissions ammoniacales en exécution des articles 1.1.2 et 5.9.2.1bis de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement ;
2° Liste S : la liste des techniques systèmes pour la purification de l'odeur d'étable sortante, mentionnée au chapitre 5 de l'Annexe Ire à l'arrêté ministériel susmentionné ;
3° Liste d'étables : liste des systèmes d'étables pauvres en émissions ammoniacales pour la volaille ou les porcs, mentionnée au chapitre 3 ou 4 à l'Annexe Ire de l'arrêté ministériel susmentionné ;
4° Liste V : liste des systèmes d'étables pauvres en émissions ammoniacales pour les porcs, mentionnée au chapitre 3 de l'Annexe Ire à l'arrêté ministériel susmentionné.
Art. 1.1.7. La définition, reprise à l'alinéa 2, est liée au thème " épandage ".
Par numéro de parcelle, il a lieu d'entendre : le numéro de référence unique de la parcelle, mentionné dans une demande unique, et l'année civile à laquelle se rapporte cette demande unique.
Art. 1.1.8. Les définitions, reprises dans le présent article, sont liées au thème " échantillonnage et analyses ". Il s'agit des définitions suivantes :
1° BAM : le compendium des méthodes d'échantillonnage et d'analyse dans le cadre du décret sur les engrais, approuvé par le Ministre en exécution de l'article 4, § 1er, 20°, du VLAREL du 19 novembre 2010, mentionné à l'article 45, § 1er, 4°, de l'arrêté précité ;
2° BOC : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse dans le cadre de la protection du sol, approuvé par le Ministre en exécution de l'article 4, § 1er, 20°, du VLAREL du 19 novembre 2010, mentionné à l'article 45, § 1er, 3°, de l'arrêté précité.
Art. 1.1.9. Les définitions, mentionnées dans le présent article, se rapportent au thème " aliments ". Il s'agit des définitions suivantes :
1° convention d'aliments à basse teneur en protéines : convention concernant des aliments pour bétail à basse teneur en protéines conclue entre la Région flamande et des organisations qui représentent des producteurs ou négociants d'aliments composés ;
2° convention d'aliments à basse teneur en phosphore : convention concernant des aliments pour bétail à basse teneur en phosphore conclue entre la Région flamande et des organisations qui représentent des producteurs ou négociants d'aliments composés ;
3° aliments pour animaux : toute substance qui contient les nutriments P2O5 ou N et qui peuvent être destinés à l'administration à l'une des catégories d'animaux reprises dans le tableau de l'article 27, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ;
4° aliments à basse teneur en protéines : aliments complets qui, à la date de production, répondent aux deux conditions suivantes :
a) la teneur en protéines brutes dans les aliments concernés ne dépasse pas la teneur maximale fixée pour la catégorie d'animal en question, telle que mentionnée à l'article 6.3.2.3., alinéa 2 ;
b) le fabricant des aliments concernés a répondu à toutes les conditions suivantes :
1) il a mandaté, pour l'année civile concernée, une organisation qui représente les producteurs et négociants d'aliments mélangés, à signer la convention d'aliments à basse teneur en protéines ;
2) il a démontré qu'il satisfait aux conditions d'adhésion à la convention d'aliments à basse teneur en protéines ;
3) il a respecté, s'il était impliqué au cours de l'année civile précédente dans une convention d'aliments à basse teneur en protéines, les engagements découlant de la convention d'aliments à basse teneur en protéines ;
5° aliments à basse teneur en phosphore : aliments complets qui, à la date de production, répondent aux deux conditions suivantes :
a) la teneur en phosphore totale dans les aliments concernés ne dépasse pas la teneur maximale fixée pour la catégorie d'animal en question, telle que visée à l'article 6.3.2.2., alinéa 2 ;
b) le fabricant des aliments concernés a répondu à toutes les conditions suivantes :
1) il a mandaté, pour l'année civile concernée, une organisation qui représente les producteurs et négociants d'aliments mélangés, à signer la convention d'aliments à basse teneur en phosphore ;
2) il a démontré qu'il satisfait aux conditions d'adhésion à la convention d'aliments à basse teneur en phosphore ;
3) il a respecté, s'il était impliqué au cours de l'année civile précédente dans une convention d'aliments à basse teneur en phosphore, les engagements découlant de la convention d'aliments à basse teneur en phosphore ;
6° aliments pauvres en nutriments : des aliments qui sont tant des aliments à basse teneur en protéines que des aliments à basse teneur en phosphore. "
Art. 8. In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk 2, dat bestaat uit artikel 2, vervangen door wat volgt:
"HOOFDSTUK 2. - Aangiftes en registers
Afdeling 1. - De aangiftes
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen over de aangiftes
Art. 2.1.1.1. De aangifteplichtigen, vermeld in artikel 23, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, doen uiterlijk op 15 februari aangifte bij de Mestbank via een door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket.
De minister kan bepalen dat een of meer aangiftegegevens als vermeld in artikel 23, § 5, van het voormelde decreet, of in deze afdeling, door de Mestbank, op een andere wijze dan vermeld in deze afdeling, verkregen zullen worden.
De minister kan nadere regels vastleggen voor de werking van het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket.
Art. 2.1.1.2. Iedereen die een uitbating of delen van een uitbating opstart of overneemt, of die zijn uitbating dermate uitbreidt dat hij aangifteplichtig wordt conform artikel 23 van het voormelde decreet, brengt de Mestbank daarvan op de hoogte voor de opstart, de overname of de uitbreiding.
De aangifteplichtige levert op vraag van de Mestbank alle identificatiegegevens die de Mestbank nodig heeft.
Art. 2.1.1.3. Voor aangiftegegevens waarvoor een specificatie gevraagd wordt naar de soort, de vorm, het type of een andere eigenschap van het aangiftegegeven, maakt de Mestbank, per aangiftegegeven, lijsten op van de verschillende soorten, vormen, types of andere eigenschappen van dat aangiftegegevens en stelt die ter beschikking van de aangifteplichtigen. Als de aangifteplichtige bij het invullen van de aangifte de soort, de vorm, het type of een andere eigenschap van een aangiftegegeven moet specificeren, gebruikt de aangifteplichtige de voormelde lijsten.
Art. 2.1.1.4. Tenzij het expliciet anders bepaald is, hebben de aangiftegegevens, vermeld in dit hoofdstuk, betrekking op het afgelopen kalenderjaar.
Onderafdeling 2. - De aangifteverplichtingen van landbouwers
Art. 2.1.2.1. § 1. Elke landbouwer, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 1° of 7°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, doet elk kalenderjaar, per exploitatie, naast de gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, van het voormelde decreet, minstens aangifte bij de Mestbank van de gegevens, vermeld in deze onderafdeling.
Elke landbouwer, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 1° of 7°, van het voormelde decreet, moet op unieke wijze als landbouwer geïdentificeerd zijn in het GBCS.
§ 2. Elke aangifte vermeldt de identificatiegegevens, opgenomen in het GBCS, van:
1° de exploitatie waarop de aangifte betrekking heeft. Daaronder wordt minstens verstaan het exploitatienummer en het adres;
2° de exploitant van de exploitatie, vermeld in punt 1°. Daaronder wordt minstens verstaan de naam, het adres, het exploitantnummer en het ondernemingsnummer van de exploitant van de betrokken exploitatie;
3° de landbouwer waartoe de exploitant, vermeld in punt 2°, behoort. Daaronder wordt minstens verstaan de naam, het adres en het landbouwernummer.
§ 3. Iedereen die in de loop van een kalenderjaar, door het opstarten of overnemen van een exploitatie of delen van een exploitatie of door het uitbreiden van zijn exploitatie, een aangifteplichtige landbouwer als vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 1°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, wordt, laat zich als landbouwer identificeren in het GBCS of past zijn bestaande identificatie in het GBCS aan.
Na de identificatie in het GBCS ontvangen de betrokken landbouwers een verzamelaanvraag waarop ze voor het betreffende kalenderjaar aangifte doen van de gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, eerste lid, 6° en 7°, van het voormelde decreet. De betrokken landbouwer dient die ingevulde en ondertekende verzamelaanvraag in conform de bepalingen van het ministerieel besluit van 23 juni 2015 houdende vaststelling van de verzamelaanvraag en de nadere regels voor de gemeenschappelijke identificatie van percelen, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid.
Art. 2.1.2.2. § 1. Als op de exploitatie waarop de aangifte betrekking heeft, dieren als vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, werden gehouden, worden de volgende gegevens aangegeven:
1° voor alle dieren, vermeld in artikel 27, § 1, van het voormelde decreet, die op de betrokken exploitatie werden gehouden: het staltype of de staltypes waarin de dieren op de betrokken exploitatie worden gehouden. In voorkomend geval, het staltype, vermeld in de stallenlijst. Per staltype wordt het gemiddelde aantal dieren vermeld, gespecificeerd naar diercategorie, dat in het betrokken staltype werd gehouden;
2° als de dieren die door de landbouwer gehouden werden een bepaalde tijd van het kalenderjaar graasden: het percentage van de tijd dat de dieren aan begrazing deden, gespecificeerd naar diercategorie;
3° als op de betrokken exploitatie, melkvee als vermeld in artikel 27, § 1, 1°, a), van het voormelde decreet, werd gehouden: de hoeveelheid melk, uitgedrukt in liter, die door de betrokken dieren werd geproduceerd;
4° als de landbouwer op een exploitatie gekozen heeft voor het nutriëntenbalansstelsel van het type andere voeders of voedertechnieken, vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 3° : de gegevens vermeld in artikel 6.3.4.2 van dit besluit;
5° in voorkomend geval, de vermelding van het soort luchtwassysteem, vermeld op de S-lijst, dat op de exploitatie gebruikt wordt;
6° in voorkomend geval, de gegevens die noodzakelijk zijn voor de berekening van de op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid spuiwater, uitgedrukt in kg N;
7° als het op de exploitatie geproduceerde spuiwater een nabehandeling ondergaat op de exploitatie waardoor de stikstof in het spuiwater omgezet wordt in N2: de gegevens die noodzakelijk zijn voor de berekening van het aantal liter spuiwater dat nabehandeld is en van het resultaat van die nabehandeling;
8° in voorkomend geval, de op de eigen exploitatie geproduceerde hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, en gespecificeerd naar mestsoort, die op de eigen exploitatie verwerkt werd.
§ 2. Voor de berekening in een bepaald kalenderjaar van de op de betrokken exploitatie geproduceerde hoeveelheid spuiwater, uitgedrukt in kg N, vermeld in paragraaf 1, 6°, wordt het verschil tussen de stand van de spuiwatermeter op 1 januari van dat bepaalde kalenderjaar en 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar, in voorkomend geval omgerekend naar liter, vermenigvuldigd met de gemiddelde concentratie aan stikstof in het spuiwater, zoals blijkt uit de analyses, uitgevoerd overeenkomstig de S-lijst, van dat kalenderjaar.
Voor de berekening in een bepaald kalenderjaar van het resultaat van de nabehandeling, vermeld in paragraaf 1, 7°, wordt de hoeveelheid vloeistof die de landbouwer overhield na de nabehandeling, uitgedrukt in liter, vermenigvuldigd met de overeenkomstige concentratie aan stikstof. Voor het bepalen van de overeenkomstige concentratie aan stikstof, gebruikt de landbouwer het gemiddelde van minstens twee door een erkend laboratorium, in het betreffende kalenderjaar, conform het compendium uitgevoerde analyses.
Voor de berekening in een bepaald kalenderjaar van de op de eigen exploitatie geproduceerde hoeveelheid dierlijke mest die op de eigen exploitatie verwerkt werd, vermeld in paragraaf 1, 8°, maakt de landbouwer een balans op die gestaafd is door analyses, uitgevoerd door een erkend laboratorium, in het betreffende kalenderjaar, conform het compendium. De minister kan nadere regels bepalen voor de balans en de analyses die nodig zijn voor de staving van die balans.
Art. 2.1.2.3. § 1. In afwijking van artikel 2.1.1.1, eerste lid, van dit besluit, worden de gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, eerste lid, 6° en 7°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, via de verzamelaanvraag aangegeven.
In afwijking van het eerste lid doet een exploitant die gewassen teelt op groeimedium:
1° via de verzamelaanvraag aangifte van de oppervlakte van de gebouwen of bedrijfsruimtes waarin hij gewassen op groeimedium teelt en duidt hij die aan op cartografisch materiaal;
2° via het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, vermeld in artikel 2.1.1.1, eerste lid, van dit besluit, aangifte van de effectieve oppervlakte groeimedium, vermeld in artikel 23, § 1, derde lid, van het voormelde decreet.
§ 2. Als de aangifte betrekking heeft op een landbouwer die gevestigd is buiten het Vlaamse Gewest maar waarvan een gedeelte van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond binnen het Vlaamse Gewest gelegen is, worden al de volgende gegevens aangegeven:
1° de dierlijke mest die geproduceerd werd op een van de tot het bedrijf behorende exploitaties, gelegen buiten het Vlaamse Gewest, en die opgebracht werd, inclusief opbrenging via rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden die gelegen zijn in het Vlaamse Gewest. De landbouwer vermeldt de soort dierlijke mest, en per soort dierlijke mest, de hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in ton, en de naam en het adres van de betrokken mestvoerder of de betrokken mestvoerders;
2° de andere meststoffen die geproduceerd werden op een van de tot het bedrijf behorende exploitaties, gelegen buiten het Vlaamse Gewest, en die opgebracht werden op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden die gelegen zijn in het Vlaamse Gewest. De landbouwer vermeldt de soort andere meststoffen en per soort andere meststoffen de hoeveelheid andere meststoffen, uitgedrukt in ton, en de naam en het adres van de betrokken mestvoerder of de betrokken mestvoerders.
De gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, eerste lid, 9°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, hebben alleen betrekking op de hoeveelheid dierlijke mest, andere meststoffen of kunstmest, die nog niet vermeld is op een of meer transportdocumenten.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2, eerste lid, 1°, doet de landbouwer die als grensboer is geregistreerd als vermeld in artikel 9.5.5.1, of de landbouwer die een gewestgrensboer is als vermeld in artikel 9.5.10.1, geen aangifte van de dierlijke mest die geproduceerd werd op een van de tot het bedrijf behorende exploitaties en die opgebracht werd op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden die gelegen zijn in het Vlaamse Gewest.
Art. 2.1.2.4. Voor wat betreft de gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, van het Mestdecreet van 22 december 2006, gelden de volgende aanvullingen of wijzigingen.
De gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, 3° en 4°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, moeten gespecificeerd per soort mest aangegeven worden.
De gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, 6° en 7° van het Mestdecreet van 22 december 2006, moeten alleen via de verzamelaanvraag aangegeven worden als ze betrekking hebben op onroerende goederen die gelegen zijn in het Vlaamse Gewest.
Art. 2.1.2.5. Elke landbouwer die niet aangifteplichtig is conform artikel 23, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, kan eenmalig, via de verzamelaanvraag, een aangifte doen van de gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, eerste lid, 6° en 7°, van het voormelde decreet. Hij moet daarvoor op unieke wijze als landbouwer geïdentificeerd zijn in het GBCS.
Als de niet-aangifteplichtige landbouwer die eenmalig een aangifte heeft gedaan, vermeld in het eerste lid, de tot zijn exploitatie behorende oppervlakte landbouwgrond wijzigt of als hij zijn exploitatie stopzet, brengt hij op eigen initiatief de bevoegde instantie, vermeld in artikel 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, daarvan binnen drie maanden na de wijziging of de stopzetting, op de hoogte. Als de tot de exploitatie behorende oppervlakte landbouwgrond wijzigt, moet de landbouwer opnieuw een verzamelaanvraag indienen.
Onderafdeling 3. - De aangifteverplichtingen van de uitbaters van een mestverzamelpunt, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 2°, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 2.1.3.1. De uitbater van een mestverzamelpunt, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 2°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, doet elk kalenderjaar, per mestverzamelpunt, minstens aangifte bij de Mestbank van de volgende gegevens:
1° de naam, het adres, in voorkomend geval de geboortedatum, het telefoonnummer en het ondernemingsnummer van de uitbater van het mestverzamelpunt;
2° de soorten meststoffen die in het mestverzamelpunt opgeslagen worden;
3° de opslagcapaciteit van meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3, en gespecificeerd naar de soort meststoffen;
4° de opgeslagen hoeveelheid meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, gespecificeerd naar de soort meststoffen en uitgedrukt in m3, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide. De opgeslagen hoeveelheid mest, uitgedrukt in kg stikstof en in kg difosforpentoxide, wordt bepaald op basis van de samenstelling, opgenomen in het register, vermeld in artikel 24, § 3, van het voormelde decreet;
5° in voorkomend geval, de meststoffen die, ter uitvoering van artikel 9.5.4.1 van dit besluit, vanuit de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar afgevoerd werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd naar de soort meststoffen, en de sector van bestemming van de betrokken meststoffen;
6° in voorkomend geval, de meststoffen die, ter uitvoering van artikel 9.5.4.1 van dit besluit, op de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar ontvangen werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd naar de soort meststoffen.
De aangifteplichtige voegt bij zijn aangifte een kopie van het register, vermeld in artikel 9.5.4.1 van dit besluit.
Onderafdeling 4. De aangifteverplichtingen van de uitbaters van een bewerkings- of verwerkingseenheid, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 3°, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 2.1.4.1. Elke aangifteplichtige uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 3°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, doet elk kalenderjaar, per bewerkings- of verwerkingseenheid, minstens aangifte bij de Mestbank van de volgende gegevens:
1° de naam, het adres, in voorkomend geval de geboortedatum, het telefoonnummer en het ondernemingsnummer van de uitbater van de betrokken bewerkings- of verwerkingseenheid;
2° het type van activiteit dat op de betrokken uitbating uitgeoefend wordt;
3° de soorten meststoffen die op de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar ontvangen werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide;
4° de soorten grondstoffen, andere dan meststoffen, die op de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar ontvangen werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide;
5° de afgewerkte producten die vanuit de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar afgevoerd werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd naar de soort afgewerkte producten, de regio van bestemming en de sector van bestemming van de betrokken afgewerkte producten;
6° de opslagcapaciteit van meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3, en gespecificeerd naar de soort meststoffen;
7° de opgeslagen hoeveelheid meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, gespecificeerd naar de soort meststoffen en uitgedrukt in m3, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide;
8° de opslagcapaciteit van grondstoffen, andere dan meststoffen, op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3, en gespecificeerd naar de soort grondstoffen, andere dan meststoffen;
9° de opgeslagen hoeveelheid grondstoffen, andere dan meststoffen, op 1 januari van het lopende kalenderjaar, gespecificeerd naar de soort grondstoffen, andere dan meststoffen, en uitgedrukt in m3, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide;
10° de opslagcapaciteit van afgewerkte producten op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3, en gespecificeerd naar de soort afgewerkte producten;
11° de opgeslagen hoeveelheid afgewerkte producten op 1 januari van het lopende kalenderjaar, gespecificeerd naar de soort afgewerkte producten en uitgedrukt in m3, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide;
12° in voorkomend geval, de meststoffen die, ter uitvoering van artikel 9.5.4.1 van dit besluit, vanuit de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar afgevoerd werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd naar de soort meststoffen, en de sector van bestemming van de betrokken meststoffen;
13° in voorkomend geval, de meststoffen die, ter uitvoering van artikel 9.5.4.1 van dit besluit, op de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar ontvangen werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd naar de soort meststoffen.
De aangifteplichtige voegt bij zijn aangifte een kopie van de nutriëntenbalans, vermeld in artikel 8.1.1.4, § 2, van dit besluit, en in voorkomend geval, een kopie van het register, vermeld in artikel 9.5.4.1 van dit besluit.
Onderafdeling 5. - De aangifteverplichtingen van producenten of verdelers van andere meststoffen als vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 4°, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 2.1.5.1. Elke aangifteplichtige producent of verdeler van andere meststoffen, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 4°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, doet elk kalenderjaar, per uitbating, minstens aangifte bij de Mestbank van de volgende gegevens:
1° de naam, het adres, in voorkomend geval de geboortedatum, het telefoonnummer en het ondernemingsnummer van de uitbater van de betrokken uitbating;
2° de hoeveelheid andere meststoffen die in het vorige kalenderjaar op de betrokken uitbating geproduceerd werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide, gespecificeerd naar de soort andere meststoffen en met vermelding van de overeenkomstige meststofcode;
3° de opslagcapaciteit van andere meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3, en gespecificeerd naar de soort andere meststoffen;
4° de opgeslagen hoeveelheid andere meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, gespecificeerd naar de soort andere meststoffen en uitgedrukt in m3, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide.
Onderafdeling 6. - De aangifteverplichtingen van producenten, verdelers, importeurs of exporteurs van kunstmest als vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 5°, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 2.1.6.1. Elke aangifteplichtige producent, verdeler, importeur of exporteur van kunstmest, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 5°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, doet elk kalenderjaar, per uitbating, minstens aangifte bij de Mestbank van de volgende gegevens:
1° de naam, het adres, in voorkomend geval de geboortedatum, het telefoonnummer en het ondernemingsnummer van de uitbater van de betrokken uitbating of van de betrokken importeur of exporteur;
2° de soorten kunstmest die vanuit de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar afgevoerd werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd naar de soort kunstmest, de regio van bestemming en de sector van bestemming van de betrokken afgewerkte producten.
De aangifteplichtige voegt bij zijn aangifte een kopie van het register, vermeld in artikel 24, § 2, van het voormelde decreet.
Onderafdeling 7. - De aangifteverplichtingen van producenten, invoerders of verkopers van diervoeders als vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 6°, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 2.1.7.1. Ter uitvoering van artikel 23, § 7, van het Mestdecreet van 22 december 2006, wordt de aangifteplicht voor producenten, invoerders of verkopers van diervoeders, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 6°, van het voormelde decreet, beperkt tot iedereen die diervoeders of bestanddelen voor diervoeders levert aan landbouwers en die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° diervoeders produceren op een in het Vlaamse Gewest gelegen uitbating en in het kader van de verordening (EG) Nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne bij het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen erkend of geregistreerd zijn als producent van diervoeders;
2° diervoeders invoeren die geproduceerd zijn door een producent die in het kader van de voormelde verordening hetzij bij het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen, hetzij bij de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, erkend of geregistreerd zijn als producent van diervoeders;
3° diervoeders of bestanddelen voor diervoeders verkopen die geproduceerd zijn door een producent van diervoeders als vermeld in punt 1°, 2°, 5° en 6° ;
4° perspulp van suikerbieten leveren aan landbouwers, van wie de exploitatie gelegen is in het Vlaamse Gewest;
5° diervoeders produceren in de vorm van brijvoeders;
6° diervoeders produceren in de vorm van producten uit de voedingsindustrie.
Art. 2.1.7.2. De producenten, invoerders of verkopers van diervoeders, vermeld in artikel 2.1.7.1 van dit besluit, doen elk kalenderjaar, per uitbating of per invoerder, minstens aangifte bij de Mestbank van de volgende gegevens:
1° de naam, het adres, in voorkomend geval de geboortedatum, het telefoonnummer en het ondernemingsnummer van de uitbater van de betrokken uitbating of van de betrokken invoerder;
2° de aanduiding of het gaat om een uitbating waar diervoeders worden geproduceerd, om een uitbating waar diervoeders worden verkocht of om een invoerder van diervoeders;
3° de diervoeders die vanuit de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar afgevoerd werden naar landbouwers, uitgedrukt in ton, in kg ruw eiwit en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd naar de identiteit van de afnemer. Daarbij wordt ook vermeld of het een voeder betreft waarvan de fabrikant in het kader van de productnormering een wijziging van de P2O5- of N-uitscheiding heeft gewaarborgd als vermeld in artikel 26, § 2, 1°, van het Mestdecreet van 22 december 2006.
In het eerste lid, 3°, wordt verstaan onder identiteit van de afnemer: de naam, het adres en in voorkomend getal het exploitatienummer van de landbouwer die de betrokken diervoeders heeft ontvangen.
Onderafdeling 8. - De aangifteverplichtingen van erkende mestvoerders als vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 8°, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 2.1.8.1. Elke erkende mestvoerder, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 8°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, doet elk kalenderjaar, per uitbating, minstens aangifte bij de Mestbank van de volgende gegevens:
1° de opslagcapaciteit van meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3, en gespecificeerd naar de soort meststoffen, en voor elke tijdelijk verplaatsbare opslag, de gemeente waar die gelegen is, en het nummer, vermeld in artikel 9.4.5.2 van dit besluit, dat aan die opslag is toegekend;
2° de opgeslagen hoeveelheid meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, gespecificeerd naar de soort meststoffen en uitgedrukt in m3, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd per opslag.
Afdeling 2. - De registers
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen over de registers
Art. 2.2.1.1. De Mestbank stelt, voor de registers, vermeld in deze afdeling, een model digitaal ter beschikking van de registerplichtigen, vermeld in artikel 24 van het Mestdecreet van 22 december 2006. De betrokkene is verantwoordelijk voor het bijhouden van het register.
De minister kan nadere regels vaststellen voor de registers die digitaal ter beschikking worden gesteld.
Art. 2.2.1.2. Uiterlijk de dag na de dag waarin de feiten die in het register vermeld moeten worden, gebeurden, wordt het register ingevuld.
In afwijking van het eerste lid noteert de landbouwer aanpassingen aan het dierregister hetzij uiterlijk op de dag na de dag waarin de feiten die aanleiding gaven tot een aanpassing, gebeurden, hetzij, voor een maandregister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 1°, uiterlijk op de derde dag na het verstrijken van elke maand.
Art. 2.2.1.3. Het register wordt per exploitatie of per uitbating bijgehouden op de plaats waar de registerplichtige activiteit uitgevoerd wordt. Voor het bemestingsregister op perceelsniveau wordt daaronder het adres van de exploitatie waar de betrokken percelen toe behoren, verstaan.
Voor registers die digitaal worden bijgehouden, wordt onder het bijhouden op de plaats waar de registerplichtige activiteit uitgevoerd wordt, verstaan dat het register minstens op de plaats waar de registerplichtige activiteit uitgevoerd wordt, consulteerbaar is. De stukken voor de staving van het register die ook digitaal beschikbaar zijn, worden samen met het register digitaal opgeslagen. De stukken voor de staving van het register die niet digitaal beschikbaar zijn, worden bijgehouden op de plaats waar de registerplichtige activiteit uitgevoerd wordt.
Het register wordt bewaard samen met al de stukken die nodig zijn voor de staving ervan, zoals de transportdocumenten die erop betrekking hebben, en de weegbonnen en analyseresultaten die door erkende laboratoria afgeleverd zijn. De stukken die nodig zijn voor de staving van het register, worden zo bijgehouden dat duidelijk is op welke notitie in het register het betreffende stavingsstuk betrekking heeft.
Onderafdeling 2. - Het dierregister
Art. 2.2.2.1. Ter uitvoering van artikel 24, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006 houdt elke landbouwer, vermeld in artikel 23, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, voor elk van zijn exploitaties waar hij dieren houdt, voor elk van de diersoorten die hij gedurende het afgelopen kalenderjaar op zijn exploitatie heeft gehouden, met uitzondering van de dieren die behoren tot de diersoort rundvee, per kalenderjaar, een dierregister bij. De landbouwer heeft daarbij de keuze tussen de volgende types van dierregister:
1° een maandregister;
2° een ronderegister;
3° een veranderingsregister.
Het ronderegister, vermeld in het eerste lid, 2°, kan alleen gebruikt worden voor diercategorieën die gehouden worden volgens een rondesysteem.
Art. 2.2.2.2. De landbouwer die gekozen heeft voor een maandregister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 1°, noteert na afloop van elke maand, per diercategorie, hoeveel dieren van die diercategorie er de voorbije maand gemiddeld op de exploitatie aanwezig waren.
Art. 2.2.2.3. § 1. De landbouwer die gekozen heeft voor een ronderegister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 2°, noteert per ronde:
1° de startdatum van de betrokken ronde;
2° het aantal dieren dat bij de start van de ronde opgezet werd;
3° de einddatum van de betrokken ronde;
4° het aantal dieren dat op het einde van de ronde nog aanwezig was.
Als er op 1 januari een ronde lopende is, noteert de landbouwer in het dierregister het aantal dieren dat op 1 januari in de exploitatie aanwezig is. Als er op 31 december een ronde lopende is, noteert de landbouwer in het dierregister het aantal dieren dat op 31 december in de exploitatie aanwezig is.
§ 2. Als een landbouwer op zijn exploitatie meerdere stallen of delen van stallen heeft waarin hij een rondesysteem toepast, moet hij voor elke stal of elk deel van een stal een ronderegister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 2°, bijhouden, als de rondes in de verschillende stallen of delen van stallen een van de volgende kenmerken hebben:
1° de rondes starten niet op hetzelfde tijdstip;
2° de rondes stoppen niet op hetzelfde tijdstip;
3° de rondes hebben geen betrekking op dezelfde diercategorieën.
Art. 2.2.2.4. § 1. De landbouwer die gekozen heeft voor een veranderingsregister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 3°, noteert in het dierregister het aantal dieren en de overeenkomstige diercategorieën die op 1 januari op de exploitatie aanwezig zijn en elke verandering van het aantal dieren en de diercategorieën die op de exploitatie aanwezig zijn.
Als een verandering van het aantal dieren en de diercategorieën die op de exploitatie aanwezig zijn, worden beschouwd:
1° elk dier dat de exploitatie levend verlaat;
2° elk dier dat op de exploitatie arriveert;
3° elke geboorte van een dier op de exploitatie;
4° elke dood van een dier op de exploitatie, met inbegrip van het slachten op de exploitatie zelf;
5° elke overgang van de ene diercategorie naar de andere.
§ 2. Voor elk van de veranderingen, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, noteert de landbouwer de datum, het aantal betrokken dieren, de betrokken diercategorie en de aard van de verandering. Bij de overgang van de ene diercategorie naar de andere noteert de landbouwer de diercategorie waartoe het betrokken dier na de overgang behoort.
Onderafdeling 3. - Het register voor producenten, verdelers, importeurs en exporteurs van kunstmest en voor uitbaters van een mestverzamelpunt, een bewerkings- of verwerkingseenheid
Art. 2.2.3.1. Iedereen die een register als vermeld in artikel 24, § 2 of § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006, moet bijhouden, noteert de volgende gegevens, per uitbating, voor alle meststoffen die vanuit de uitbating vertrekken:
1° de exploitatie of de uitbating waar de meststoffen geproduceerd werden en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater als de betrokken meststoffen niet op de uitbating zelf geproduceerd zijn;
2° de exploitatie of de uitbating naar waar de meststoffen vertrekken en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater. Als de meststoffen naar verschillende exploitaties of uitbatingen vertrekken, wordt voor elk van de betrokken exploitaties of uitbatingen, het adres en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater genoteerd;
3° de datum van transport. Als de begin- en einddatum van het transport verschillen, wordt zowel de begin- als de einddatum vermeld;
4° de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5, in kg N en in ton die vanuit de uitbating vertrokken is en de soort meststoffen die vanuit de uitbating vertrokken is. Als de meststoffen op verschillende plaatsen gelost zijn, wordt voor elke losplaats vermeld hoeveel meststoffen er gelost zijn;
5° de identificatie van de betrokken transporteur. Daaronder wordt verstaan: de naam, het adres en in voorkomende geval het uitbatingsnummer of het exploitatienummer van de betrokken transporteur.
Iedereen die een register als vermeld in artikel 24, § 2 of § 3, van het voormelde decreet, moet bijhouden, noteert de volgende gegevens, per uitbating, voor alle meststoffen die op de uitbating worden ontvangen:
1° de exploitatie of de uitbating waar de ontvangen meststoffen geproduceerd werden en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater;
2° de naam en het adres van de aanbieder van de meststoffen als de aanbieder van de meststoffen niet de persoon, vermeld in punt 1°, is;
3° de laadplaats of, als de meststoffen op verschillende plaatsen geladen zijn, de laadplaatsen;
4° de datum van transport. Als de begin- en einddatum van het transport verschillen, wordt zowel de begin- als de einddatum vermeld;
5° de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5, in kg N en in ton die ontvangen is en de soort ontvangen meststoffen;
6° de identificatie van de betrokken transporteur. Daaronder wordt verstaan: de naam, het adres en in voorkomende geval het uitbatingsnummer van de betrokken transporteur.
Iedereen die een register als vermeld in artikel 24, § 2 of § 3, van het voormelde decreet, moet bijhouden, noteert de volgende gegevens voor elke import van meststoffen:
1° de exploitatie of de uitbating van waar de meststoffen afkomstig zijn en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater;
2° de exploitatie of de uitbating naar waar de meststoffen vertrekken en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater. Als de meststoffen naar verschillende exploitaties of uitbatingen vertrekken, wordt voor elk van de betrokken exploitaties of uitbatingen, het adres en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater genoteerd;
3° de datum van transport. Als de begin- en einddatum van het transport verschillen, wordt zowel de begin- als de einddatum vermeld;
4° de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5, in kg N en in ton die geïmporteerd is en de aard en de vorm van de geïmporteerde meststoffen. Als de meststoffen op verschillende plaatsen gelost zijn, wordt voor elke losplaats vermeld hoeveel meststoffen er gelost zijn;
5° als de importeur niet zelf instaat voor het transport, de identificatie van de betrokken transporteur. Daaronder wordt verstaan: de naam, het adres en in voorkomende geval het uitbatingsnummer van de betrokken transporteur.
Iedereen die een register als vermeld in artikel 24, § 2 of § 3, van het voormelde decreet, moet bijhouden, noteert de volgende gegevens, voor elke export van meststoffen:
1° de exploitatie of de uitbating van waar de meststoffen afkomstig zijn en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater;
2° de exploitatie of de uitbating naar waar de meststoffen vertrekken en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater. Als de meststoffen naar verschillende exploitaties of uitbatingen vertrekken, wordt voor elk van de betrokken exploitaties of uitbatingen, het adres en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater genoteerd;
3° de laadplaats of, als de meststoffen op verschillende plaatsen geladen zijn, de laadplaatsen;
4° de datum van transport. Als de begin- en einddatum van het transport verschillen, wordt zowel de begin- als de einddatum vermeld;
5° de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5, in kg N en in ton die geëxporteerd is en de soort geëxporteerde meststoffen;
6° als de exporteur niet zelf instaat voor het transport, de identificatie van de betrokken transporteur. Daaronder wordt verstaan: de naam, het adres en in voorkomende geval het uitbatingsnummer van de betrokken transporteur.
Art. 2.2.3.2. Als voor een vertrek, een ontvangst, een import of een export van meststoffen een transportdocument is opgemaakt, worden, in afwijking van artikel 2.2.3.1 in het register alleen de volgende gegevens genoteerd:
1° het nummer van het betrokken transportdocument;
2° in voorkomend geval, de datum waarop dat transportdocument bij de Mestbank is aangemeld;
3° de gegevens die conform artikel 2.2.3.1 in het register genoteerd moeten worden en die niet op het betrokken document vermeld zijn.".
"HOOFDSTUK 2. - Aangiftes en registers
Afdeling 1. - De aangiftes
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen over de aangiftes
Art. 2.1.1.1. De aangifteplichtigen, vermeld in artikel 23, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, doen uiterlijk op 15 februari aangifte bij de Mestbank via een door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket.
De minister kan bepalen dat een of meer aangiftegegevens als vermeld in artikel 23, § 5, van het voormelde decreet, of in deze afdeling, door de Mestbank, op een andere wijze dan vermeld in deze afdeling, verkregen zullen worden.
De minister kan nadere regels vastleggen voor de werking van het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket.
Art. 2.1.1.2. Iedereen die een uitbating of delen van een uitbating opstart of overneemt, of die zijn uitbating dermate uitbreidt dat hij aangifteplichtig wordt conform artikel 23 van het voormelde decreet, brengt de Mestbank daarvan op de hoogte voor de opstart, de overname of de uitbreiding.
De aangifteplichtige levert op vraag van de Mestbank alle identificatiegegevens die de Mestbank nodig heeft.
Art. 2.1.1.3. Voor aangiftegegevens waarvoor een specificatie gevraagd wordt naar de soort, de vorm, het type of een andere eigenschap van het aangiftegegeven, maakt de Mestbank, per aangiftegegeven, lijsten op van de verschillende soorten, vormen, types of andere eigenschappen van dat aangiftegegevens en stelt die ter beschikking van de aangifteplichtigen. Als de aangifteplichtige bij het invullen van de aangifte de soort, de vorm, het type of een andere eigenschap van een aangiftegegeven moet specificeren, gebruikt de aangifteplichtige de voormelde lijsten.
Art. 2.1.1.4. Tenzij het expliciet anders bepaald is, hebben de aangiftegegevens, vermeld in dit hoofdstuk, betrekking op het afgelopen kalenderjaar.
Onderafdeling 2. - De aangifteverplichtingen van landbouwers
Art. 2.1.2.1. § 1. Elke landbouwer, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 1° of 7°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, doet elk kalenderjaar, per exploitatie, naast de gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, van het voormelde decreet, minstens aangifte bij de Mestbank van de gegevens, vermeld in deze onderafdeling.
Elke landbouwer, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 1° of 7°, van het voormelde decreet, moet op unieke wijze als landbouwer geïdentificeerd zijn in het GBCS.
§ 2. Elke aangifte vermeldt de identificatiegegevens, opgenomen in het GBCS, van:
1° de exploitatie waarop de aangifte betrekking heeft. Daaronder wordt minstens verstaan het exploitatienummer en het adres;
2° de exploitant van de exploitatie, vermeld in punt 1°. Daaronder wordt minstens verstaan de naam, het adres, het exploitantnummer en het ondernemingsnummer van de exploitant van de betrokken exploitatie;
3° de landbouwer waartoe de exploitant, vermeld in punt 2°, behoort. Daaronder wordt minstens verstaan de naam, het adres en het landbouwernummer.
§ 3. Iedereen die in de loop van een kalenderjaar, door het opstarten of overnemen van een exploitatie of delen van een exploitatie of door het uitbreiden van zijn exploitatie, een aangifteplichtige landbouwer als vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 1°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, wordt, laat zich als landbouwer identificeren in het GBCS of past zijn bestaande identificatie in het GBCS aan.
Na de identificatie in het GBCS ontvangen de betrokken landbouwers een verzamelaanvraag waarop ze voor het betreffende kalenderjaar aangifte doen van de gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, eerste lid, 6° en 7°, van het voormelde decreet. De betrokken landbouwer dient die ingevulde en ondertekende verzamelaanvraag in conform de bepalingen van het ministerieel besluit van 23 juni 2015 houdende vaststelling van de verzamelaanvraag en de nadere regels voor de gemeenschappelijke identificatie van percelen, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid.
Art. 2.1.2.2. § 1. Als op de exploitatie waarop de aangifte betrekking heeft, dieren als vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, werden gehouden, worden de volgende gegevens aangegeven:
1° voor alle dieren, vermeld in artikel 27, § 1, van het voormelde decreet, die op de betrokken exploitatie werden gehouden: het staltype of de staltypes waarin de dieren op de betrokken exploitatie worden gehouden. In voorkomend geval, het staltype, vermeld in de stallenlijst. Per staltype wordt het gemiddelde aantal dieren vermeld, gespecificeerd naar diercategorie, dat in het betrokken staltype werd gehouden;
2° als de dieren die door de landbouwer gehouden werden een bepaalde tijd van het kalenderjaar graasden: het percentage van de tijd dat de dieren aan begrazing deden, gespecificeerd naar diercategorie;
3° als op de betrokken exploitatie, melkvee als vermeld in artikel 27, § 1, 1°, a), van het voormelde decreet, werd gehouden: de hoeveelheid melk, uitgedrukt in liter, die door de betrokken dieren werd geproduceerd;
4° als de landbouwer op een exploitatie gekozen heeft voor het nutriëntenbalansstelsel van het type andere voeders of voedertechnieken, vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 3° : de gegevens vermeld in artikel 6.3.4.2 van dit besluit;
5° in voorkomend geval, de vermelding van het soort luchtwassysteem, vermeld op de S-lijst, dat op de exploitatie gebruikt wordt;
6° in voorkomend geval, de gegevens die noodzakelijk zijn voor de berekening van de op de exploitatie geproduceerde hoeveelheid spuiwater, uitgedrukt in kg N;
7° als het op de exploitatie geproduceerde spuiwater een nabehandeling ondergaat op de exploitatie waardoor de stikstof in het spuiwater omgezet wordt in N2: de gegevens die noodzakelijk zijn voor de berekening van het aantal liter spuiwater dat nabehandeld is en van het resultaat van die nabehandeling;
8° in voorkomend geval, de op de eigen exploitatie geproduceerde hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in kg N, en gespecificeerd naar mestsoort, die op de eigen exploitatie verwerkt werd.
§ 2. Voor de berekening in een bepaald kalenderjaar van de op de betrokken exploitatie geproduceerde hoeveelheid spuiwater, uitgedrukt in kg N, vermeld in paragraaf 1, 6°, wordt het verschil tussen de stand van de spuiwatermeter op 1 januari van dat bepaalde kalenderjaar en 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar, in voorkomend geval omgerekend naar liter, vermenigvuldigd met de gemiddelde concentratie aan stikstof in het spuiwater, zoals blijkt uit de analyses, uitgevoerd overeenkomstig de S-lijst, van dat kalenderjaar.
Voor de berekening in een bepaald kalenderjaar van het resultaat van de nabehandeling, vermeld in paragraaf 1, 7°, wordt de hoeveelheid vloeistof die de landbouwer overhield na de nabehandeling, uitgedrukt in liter, vermenigvuldigd met de overeenkomstige concentratie aan stikstof. Voor het bepalen van de overeenkomstige concentratie aan stikstof, gebruikt de landbouwer het gemiddelde van minstens twee door een erkend laboratorium, in het betreffende kalenderjaar, conform het compendium uitgevoerde analyses.
Voor de berekening in een bepaald kalenderjaar van de op de eigen exploitatie geproduceerde hoeveelheid dierlijke mest die op de eigen exploitatie verwerkt werd, vermeld in paragraaf 1, 8°, maakt de landbouwer een balans op die gestaafd is door analyses, uitgevoerd door een erkend laboratorium, in het betreffende kalenderjaar, conform het compendium. De minister kan nadere regels bepalen voor de balans en de analyses die nodig zijn voor de staving van die balans.
Art. 2.1.2.3. § 1. In afwijking van artikel 2.1.1.1, eerste lid, van dit besluit, worden de gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, eerste lid, 6° en 7°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, via de verzamelaanvraag aangegeven.
In afwijking van het eerste lid doet een exploitant die gewassen teelt op groeimedium:
1° via de verzamelaanvraag aangifte van de oppervlakte van de gebouwen of bedrijfsruimtes waarin hij gewassen op groeimedium teelt en duidt hij die aan op cartografisch materiaal;
2° via het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket, vermeld in artikel 2.1.1.1, eerste lid, van dit besluit, aangifte van de effectieve oppervlakte groeimedium, vermeld in artikel 23, § 1, derde lid, van het voormelde decreet.
§ 2. Als de aangifte betrekking heeft op een landbouwer die gevestigd is buiten het Vlaamse Gewest maar waarvan een gedeelte van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond binnen het Vlaamse Gewest gelegen is, worden al de volgende gegevens aangegeven:
1° de dierlijke mest die geproduceerd werd op een van de tot het bedrijf behorende exploitaties, gelegen buiten het Vlaamse Gewest, en die opgebracht werd, inclusief opbrenging via rechtstreekse uitscheiding bij begrazing, op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden die gelegen zijn in het Vlaamse Gewest. De landbouwer vermeldt de soort dierlijke mest, en per soort dierlijke mest, de hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in ton, en de naam en het adres van de betrokken mestvoerder of de betrokken mestvoerders;
2° de andere meststoffen die geproduceerd werden op een van de tot het bedrijf behorende exploitaties, gelegen buiten het Vlaamse Gewest, en die opgebracht werden op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden die gelegen zijn in het Vlaamse Gewest. De landbouwer vermeldt de soort andere meststoffen en per soort andere meststoffen de hoeveelheid andere meststoffen, uitgedrukt in ton, en de naam en het adres van de betrokken mestvoerder of de betrokken mestvoerders.
De gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, eerste lid, 9°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, hebben alleen betrekking op de hoeveelheid dierlijke mest, andere meststoffen of kunstmest, die nog niet vermeld is op een of meer transportdocumenten.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2, eerste lid, 1°, doet de landbouwer die als grensboer is geregistreerd als vermeld in artikel 9.5.5.1, of de landbouwer die een gewestgrensboer is als vermeld in artikel 9.5.10.1, geen aangifte van de dierlijke mest die geproduceerd werd op een van de tot het bedrijf behorende exploitaties en die opgebracht werd op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden die gelegen zijn in het Vlaamse Gewest.
Art. 2.1.2.4. Voor wat betreft de gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, van het Mestdecreet van 22 december 2006, gelden de volgende aanvullingen of wijzigingen.
De gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, 3° en 4°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, moeten gespecificeerd per soort mest aangegeven worden.
De gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, 6° en 7° van het Mestdecreet van 22 december 2006, moeten alleen via de verzamelaanvraag aangegeven worden als ze betrekking hebben op onroerende goederen die gelegen zijn in het Vlaamse Gewest.
Art. 2.1.2.5. Elke landbouwer die niet aangifteplichtig is conform artikel 23, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, kan eenmalig, via de verzamelaanvraag, een aangifte doen van de gegevens, vermeld in artikel 23, § 5, eerste lid, 6° en 7°, van het voormelde decreet. Hij moet daarvoor op unieke wijze als landbouwer geïdentificeerd zijn in het GBCS.
Als de niet-aangifteplichtige landbouwer die eenmalig een aangifte heeft gedaan, vermeld in het eerste lid, de tot zijn exploitatie behorende oppervlakte landbouwgrond wijzigt of als hij zijn exploitatie stopzet, brengt hij op eigen initiatief de bevoegde instantie, vermeld in artikel 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 houdende bepalingen tot inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid, daarvan binnen drie maanden na de wijziging of de stopzetting, op de hoogte. Als de tot de exploitatie behorende oppervlakte landbouwgrond wijzigt, moet de landbouwer opnieuw een verzamelaanvraag indienen.
Onderafdeling 3. - De aangifteverplichtingen van de uitbaters van een mestverzamelpunt, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 2°, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 2.1.3.1. De uitbater van een mestverzamelpunt, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 2°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, doet elk kalenderjaar, per mestverzamelpunt, minstens aangifte bij de Mestbank van de volgende gegevens:
1° de naam, het adres, in voorkomend geval de geboortedatum, het telefoonnummer en het ondernemingsnummer van de uitbater van het mestverzamelpunt;
2° de soorten meststoffen die in het mestverzamelpunt opgeslagen worden;
3° de opslagcapaciteit van meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3, en gespecificeerd naar de soort meststoffen;
4° de opgeslagen hoeveelheid meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, gespecificeerd naar de soort meststoffen en uitgedrukt in m3, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide. De opgeslagen hoeveelheid mest, uitgedrukt in kg stikstof en in kg difosforpentoxide, wordt bepaald op basis van de samenstelling, opgenomen in het register, vermeld in artikel 24, § 3, van het voormelde decreet;
5° in voorkomend geval, de meststoffen die, ter uitvoering van artikel 9.5.4.1 van dit besluit, vanuit de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar afgevoerd werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd naar de soort meststoffen, en de sector van bestemming van de betrokken meststoffen;
6° in voorkomend geval, de meststoffen die, ter uitvoering van artikel 9.5.4.1 van dit besluit, op de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar ontvangen werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd naar de soort meststoffen.
De aangifteplichtige voegt bij zijn aangifte een kopie van het register, vermeld in artikel 9.5.4.1 van dit besluit.
Onderafdeling 4. De aangifteverplichtingen van de uitbaters van een bewerkings- of verwerkingseenheid, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 3°, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 2.1.4.1. Elke aangifteplichtige uitbater van een bewerkings- of verwerkingseenheid, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 3°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, doet elk kalenderjaar, per bewerkings- of verwerkingseenheid, minstens aangifte bij de Mestbank van de volgende gegevens:
1° de naam, het adres, in voorkomend geval de geboortedatum, het telefoonnummer en het ondernemingsnummer van de uitbater van de betrokken bewerkings- of verwerkingseenheid;
2° het type van activiteit dat op de betrokken uitbating uitgeoefend wordt;
3° de soorten meststoffen die op de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar ontvangen werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide;
4° de soorten grondstoffen, andere dan meststoffen, die op de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar ontvangen werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide;
5° de afgewerkte producten die vanuit de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar afgevoerd werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd naar de soort afgewerkte producten, de regio van bestemming en de sector van bestemming van de betrokken afgewerkte producten;
6° de opslagcapaciteit van meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3, en gespecificeerd naar de soort meststoffen;
7° de opgeslagen hoeveelheid meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, gespecificeerd naar de soort meststoffen en uitgedrukt in m3, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide;
8° de opslagcapaciteit van grondstoffen, andere dan meststoffen, op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3, en gespecificeerd naar de soort grondstoffen, andere dan meststoffen;
9° de opgeslagen hoeveelheid grondstoffen, andere dan meststoffen, op 1 januari van het lopende kalenderjaar, gespecificeerd naar de soort grondstoffen, andere dan meststoffen, en uitgedrukt in m3, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide;
10° de opslagcapaciteit van afgewerkte producten op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3, en gespecificeerd naar de soort afgewerkte producten;
11° de opgeslagen hoeveelheid afgewerkte producten op 1 januari van het lopende kalenderjaar, gespecificeerd naar de soort afgewerkte producten en uitgedrukt in m3, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide;
12° in voorkomend geval, de meststoffen die, ter uitvoering van artikel 9.5.4.1 van dit besluit, vanuit de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar afgevoerd werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd naar de soort meststoffen, en de sector van bestemming van de betrokken meststoffen;
13° in voorkomend geval, de meststoffen die, ter uitvoering van artikel 9.5.4.1 van dit besluit, op de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar ontvangen werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd naar de soort meststoffen.
De aangifteplichtige voegt bij zijn aangifte een kopie van de nutriëntenbalans, vermeld in artikel 8.1.1.4, § 2, van dit besluit, en in voorkomend geval, een kopie van het register, vermeld in artikel 9.5.4.1 van dit besluit.
Onderafdeling 5. - De aangifteverplichtingen van producenten of verdelers van andere meststoffen als vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 4°, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 2.1.5.1. Elke aangifteplichtige producent of verdeler van andere meststoffen, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 4°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, doet elk kalenderjaar, per uitbating, minstens aangifte bij de Mestbank van de volgende gegevens:
1° de naam, het adres, in voorkomend geval de geboortedatum, het telefoonnummer en het ondernemingsnummer van de uitbater van de betrokken uitbating;
2° de hoeveelheid andere meststoffen die in het vorige kalenderjaar op de betrokken uitbating geproduceerd werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide, gespecificeerd naar de soort andere meststoffen en met vermelding van de overeenkomstige meststofcode;
3° de opslagcapaciteit van andere meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3, en gespecificeerd naar de soort andere meststoffen;
4° de opgeslagen hoeveelheid andere meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, gespecificeerd naar de soort andere meststoffen en uitgedrukt in m3, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide.
Onderafdeling 6. - De aangifteverplichtingen van producenten, verdelers, importeurs of exporteurs van kunstmest als vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 5°, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 2.1.6.1. Elke aangifteplichtige producent, verdeler, importeur of exporteur van kunstmest, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 5°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, doet elk kalenderjaar, per uitbating, minstens aangifte bij de Mestbank van de volgende gegevens:
1° de naam, het adres, in voorkomend geval de geboortedatum, het telefoonnummer en het ondernemingsnummer van de uitbater van de betrokken uitbating of van de betrokken importeur of exporteur;
2° de soorten kunstmest die vanuit de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar afgevoerd werden, uitgedrukt in ton, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd naar de soort kunstmest, de regio van bestemming en de sector van bestemming van de betrokken afgewerkte producten.
De aangifteplichtige voegt bij zijn aangifte een kopie van het register, vermeld in artikel 24, § 2, van het voormelde decreet.
Onderafdeling 7. - De aangifteverplichtingen van producenten, invoerders of verkopers van diervoeders als vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 6°, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 2.1.7.1. Ter uitvoering van artikel 23, § 7, van het Mestdecreet van 22 december 2006, wordt de aangifteplicht voor producenten, invoerders of verkopers van diervoeders, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 6°, van het voormelde decreet, beperkt tot iedereen die diervoeders of bestanddelen voor diervoeders levert aan landbouwers en die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° diervoeders produceren op een in het Vlaamse Gewest gelegen uitbating en in het kader van de verordening (EG) Nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne bij het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen erkend of geregistreerd zijn als producent van diervoeders;
2° diervoeders invoeren die geproduceerd zijn door een producent die in het kader van de voormelde verordening hetzij bij het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen, hetzij bij de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, erkend of geregistreerd zijn als producent van diervoeders;
3° diervoeders of bestanddelen voor diervoeders verkopen die geproduceerd zijn door een producent van diervoeders als vermeld in punt 1°, 2°, 5° en 6° ;
4° perspulp van suikerbieten leveren aan landbouwers, van wie de exploitatie gelegen is in het Vlaamse Gewest;
5° diervoeders produceren in de vorm van brijvoeders;
6° diervoeders produceren in de vorm van producten uit de voedingsindustrie.
Art. 2.1.7.2. De producenten, invoerders of verkopers van diervoeders, vermeld in artikel 2.1.7.1 van dit besluit, doen elk kalenderjaar, per uitbating of per invoerder, minstens aangifte bij de Mestbank van de volgende gegevens:
1° de naam, het adres, in voorkomend geval de geboortedatum, het telefoonnummer en het ondernemingsnummer van de uitbater van de betrokken uitbating of van de betrokken invoerder;
2° de aanduiding of het gaat om een uitbating waar diervoeders worden geproduceerd, om een uitbating waar diervoeders worden verkocht of om een invoerder van diervoeders;
3° de diervoeders die vanuit de betrokken uitbating in het vorige kalenderjaar afgevoerd werden naar landbouwers, uitgedrukt in ton, in kg ruw eiwit en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd naar de identiteit van de afnemer. Daarbij wordt ook vermeld of het een voeder betreft waarvan de fabrikant in het kader van de productnormering een wijziging van de P2O5- of N-uitscheiding heeft gewaarborgd als vermeld in artikel 26, § 2, 1°, van het Mestdecreet van 22 december 2006.
In het eerste lid, 3°, wordt verstaan onder identiteit van de afnemer: de naam, het adres en in voorkomend getal het exploitatienummer van de landbouwer die de betrokken diervoeders heeft ontvangen.
Onderafdeling 8. - De aangifteverplichtingen van erkende mestvoerders als vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 8°, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 2.1.8.1. Elke erkende mestvoerder, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 8°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, doet elk kalenderjaar, per uitbating, minstens aangifte bij de Mestbank van de volgende gegevens:
1° de opslagcapaciteit van meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, uitgedrukt in m3, en gespecificeerd naar de soort meststoffen, en voor elke tijdelijk verplaatsbare opslag, de gemeente waar die gelegen is, en het nummer, vermeld in artikel 9.4.5.2 van dit besluit, dat aan die opslag is toegekend;
2° de opgeslagen hoeveelheid meststoffen op 1 januari van het lopende kalenderjaar, gespecificeerd naar de soort meststoffen en uitgedrukt in m3, in kg stikstof en in kg difosforpentoxide en gespecificeerd per opslag.
Afdeling 2. - De registers
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen over de registers
Art. 2.2.1.1. De Mestbank stelt, voor de registers, vermeld in deze afdeling, een model digitaal ter beschikking van de registerplichtigen, vermeld in artikel 24 van het Mestdecreet van 22 december 2006. De betrokkene is verantwoordelijk voor het bijhouden van het register.
De minister kan nadere regels vaststellen voor de registers die digitaal ter beschikking worden gesteld.
Art. 2.2.1.2. Uiterlijk de dag na de dag waarin de feiten die in het register vermeld moeten worden, gebeurden, wordt het register ingevuld.
In afwijking van het eerste lid noteert de landbouwer aanpassingen aan het dierregister hetzij uiterlijk op de dag na de dag waarin de feiten die aanleiding gaven tot een aanpassing, gebeurden, hetzij, voor een maandregister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 1°, uiterlijk op de derde dag na het verstrijken van elke maand.
Art. 2.2.1.3. Het register wordt per exploitatie of per uitbating bijgehouden op de plaats waar de registerplichtige activiteit uitgevoerd wordt. Voor het bemestingsregister op perceelsniveau wordt daaronder het adres van de exploitatie waar de betrokken percelen toe behoren, verstaan.
Voor registers die digitaal worden bijgehouden, wordt onder het bijhouden op de plaats waar de registerplichtige activiteit uitgevoerd wordt, verstaan dat het register minstens op de plaats waar de registerplichtige activiteit uitgevoerd wordt, consulteerbaar is. De stukken voor de staving van het register die ook digitaal beschikbaar zijn, worden samen met het register digitaal opgeslagen. De stukken voor de staving van het register die niet digitaal beschikbaar zijn, worden bijgehouden op de plaats waar de registerplichtige activiteit uitgevoerd wordt.
Het register wordt bewaard samen met al de stukken die nodig zijn voor de staving ervan, zoals de transportdocumenten die erop betrekking hebben, en de weegbonnen en analyseresultaten die door erkende laboratoria afgeleverd zijn. De stukken die nodig zijn voor de staving van het register, worden zo bijgehouden dat duidelijk is op welke notitie in het register het betreffende stavingsstuk betrekking heeft.
Onderafdeling 2. - Het dierregister
Art. 2.2.2.1. Ter uitvoering van artikel 24, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006 houdt elke landbouwer, vermeld in artikel 23, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, voor elk van zijn exploitaties waar hij dieren houdt, voor elk van de diersoorten die hij gedurende het afgelopen kalenderjaar op zijn exploitatie heeft gehouden, met uitzondering van de dieren die behoren tot de diersoort rundvee, per kalenderjaar, een dierregister bij. De landbouwer heeft daarbij de keuze tussen de volgende types van dierregister:
1° een maandregister;
2° een ronderegister;
3° een veranderingsregister.
Het ronderegister, vermeld in het eerste lid, 2°, kan alleen gebruikt worden voor diercategorieën die gehouden worden volgens een rondesysteem.
Art. 2.2.2.2. De landbouwer die gekozen heeft voor een maandregister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 1°, noteert na afloop van elke maand, per diercategorie, hoeveel dieren van die diercategorie er de voorbije maand gemiddeld op de exploitatie aanwezig waren.
Art. 2.2.2.3. § 1. De landbouwer die gekozen heeft voor een ronderegister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 2°, noteert per ronde:
1° de startdatum van de betrokken ronde;
2° het aantal dieren dat bij de start van de ronde opgezet werd;
3° de einddatum van de betrokken ronde;
4° het aantal dieren dat op het einde van de ronde nog aanwezig was.
Als er op 1 januari een ronde lopende is, noteert de landbouwer in het dierregister het aantal dieren dat op 1 januari in de exploitatie aanwezig is. Als er op 31 december een ronde lopende is, noteert de landbouwer in het dierregister het aantal dieren dat op 31 december in de exploitatie aanwezig is.
§ 2. Als een landbouwer op zijn exploitatie meerdere stallen of delen van stallen heeft waarin hij een rondesysteem toepast, moet hij voor elke stal of elk deel van een stal een ronderegister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 2°, bijhouden, als de rondes in de verschillende stallen of delen van stallen een van de volgende kenmerken hebben:
1° de rondes starten niet op hetzelfde tijdstip;
2° de rondes stoppen niet op hetzelfde tijdstip;
3° de rondes hebben geen betrekking op dezelfde diercategorieën.
Art. 2.2.2.4. § 1. De landbouwer die gekozen heeft voor een veranderingsregister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 3°, noteert in het dierregister het aantal dieren en de overeenkomstige diercategorieën die op 1 januari op de exploitatie aanwezig zijn en elke verandering van het aantal dieren en de diercategorieën die op de exploitatie aanwezig zijn.
Als een verandering van het aantal dieren en de diercategorieën die op de exploitatie aanwezig zijn, worden beschouwd:
1° elk dier dat de exploitatie levend verlaat;
2° elk dier dat op de exploitatie arriveert;
3° elke geboorte van een dier op de exploitatie;
4° elke dood van een dier op de exploitatie, met inbegrip van het slachten op de exploitatie zelf;
5° elke overgang van de ene diercategorie naar de andere.
§ 2. Voor elk van de veranderingen, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, noteert de landbouwer de datum, het aantal betrokken dieren, de betrokken diercategorie en de aard van de verandering. Bij de overgang van de ene diercategorie naar de andere noteert de landbouwer de diercategorie waartoe het betrokken dier na de overgang behoort.
Onderafdeling 3. - Het register voor producenten, verdelers, importeurs en exporteurs van kunstmest en voor uitbaters van een mestverzamelpunt, een bewerkings- of verwerkingseenheid
Art. 2.2.3.1. Iedereen die een register als vermeld in artikel 24, § 2 of § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006, moet bijhouden, noteert de volgende gegevens, per uitbating, voor alle meststoffen die vanuit de uitbating vertrekken:
1° de exploitatie of de uitbating waar de meststoffen geproduceerd werden en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater als de betrokken meststoffen niet op de uitbating zelf geproduceerd zijn;
2° de exploitatie of de uitbating naar waar de meststoffen vertrekken en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater. Als de meststoffen naar verschillende exploitaties of uitbatingen vertrekken, wordt voor elk van de betrokken exploitaties of uitbatingen, het adres en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater genoteerd;
3° de datum van transport. Als de begin- en einddatum van het transport verschillen, wordt zowel de begin- als de einddatum vermeld;
4° de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5, in kg N en in ton die vanuit de uitbating vertrokken is en de soort meststoffen die vanuit de uitbating vertrokken is. Als de meststoffen op verschillende plaatsen gelost zijn, wordt voor elke losplaats vermeld hoeveel meststoffen er gelost zijn;
5° de identificatie van de betrokken transporteur. Daaronder wordt verstaan: de naam, het adres en in voorkomende geval het uitbatingsnummer of het exploitatienummer van de betrokken transporteur.
Iedereen die een register als vermeld in artikel 24, § 2 of § 3, van het voormelde decreet, moet bijhouden, noteert de volgende gegevens, per uitbating, voor alle meststoffen die op de uitbating worden ontvangen:
1° de exploitatie of de uitbating waar de ontvangen meststoffen geproduceerd werden en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater;
2° de naam en het adres van de aanbieder van de meststoffen als de aanbieder van de meststoffen niet de persoon, vermeld in punt 1°, is;
3° de laadplaats of, als de meststoffen op verschillende plaatsen geladen zijn, de laadplaatsen;
4° de datum van transport. Als de begin- en einddatum van het transport verschillen, wordt zowel de begin- als de einddatum vermeld;
5° de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5, in kg N en in ton die ontvangen is en de soort ontvangen meststoffen;
6° de identificatie van de betrokken transporteur. Daaronder wordt verstaan: de naam, het adres en in voorkomende geval het uitbatingsnummer van de betrokken transporteur.
Iedereen die een register als vermeld in artikel 24, § 2 of § 3, van het voormelde decreet, moet bijhouden, noteert de volgende gegevens voor elke import van meststoffen:
1° de exploitatie of de uitbating van waar de meststoffen afkomstig zijn en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater;
2° de exploitatie of de uitbating naar waar de meststoffen vertrekken en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater. Als de meststoffen naar verschillende exploitaties of uitbatingen vertrekken, wordt voor elk van de betrokken exploitaties of uitbatingen, het adres en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater genoteerd;
3° de datum van transport. Als de begin- en einddatum van het transport verschillen, wordt zowel de begin- als de einddatum vermeld;
4° de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5, in kg N en in ton die geïmporteerd is en de aard en de vorm van de geïmporteerde meststoffen. Als de meststoffen op verschillende plaatsen gelost zijn, wordt voor elke losplaats vermeld hoeveel meststoffen er gelost zijn;
5° als de importeur niet zelf instaat voor het transport, de identificatie van de betrokken transporteur. Daaronder wordt verstaan: de naam, het adres en in voorkomende geval het uitbatingsnummer van de betrokken transporteur.
Iedereen die een register als vermeld in artikel 24, § 2 of § 3, van het voormelde decreet, moet bijhouden, noteert de volgende gegevens, voor elke export van meststoffen:
1° de exploitatie of de uitbating van waar de meststoffen afkomstig zijn en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater;
2° de exploitatie of de uitbating naar waar de meststoffen vertrekken en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater. Als de meststoffen naar verschillende exploitaties of uitbatingen vertrekken, wordt voor elk van de betrokken exploitaties of uitbatingen, het adres en de naam van de betrokken landbouwer of uitbater genoteerd;
3° de laadplaats of, als de meststoffen op verschillende plaatsen geladen zijn, de laadplaatsen;
4° de datum van transport. Als de begin- en einddatum van het transport verschillen, wordt zowel de begin- als de einddatum vermeld;
5° de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5, in kg N en in ton die geëxporteerd is en de soort geëxporteerde meststoffen;
6° als de exporteur niet zelf instaat voor het transport, de identificatie van de betrokken transporteur. Daaronder wordt verstaan: de naam, het adres en in voorkomende geval het uitbatingsnummer van de betrokken transporteur.
Art. 2.2.3.2. Als voor een vertrek, een ontvangst, een import of een export van meststoffen een transportdocument is opgemaakt, worden, in afwijking van artikel 2.2.3.1 in het register alleen de volgende gegevens genoteerd:
1° het nummer van het betrokken transportdocument;
2° in voorkomend geval, de datum waarop dat transportdocument bij de Mestbank is aangemeld;
3° de gegevens die conform artikel 2.2.3.1 in het register genoteerd moeten worden en die niet op het betrokken document vermeld zijn.".
Art. 8. Dans le même arrêté, le chapitre 2, qui se compose de l'article 2, est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre 2. Déclarations et registres
Section 1re. - Les déclarations
Sous-section 1re. - Dispositions générales relatives aux déclarations
Art. 2.1.1.1. Les déclarants, mentionnés à l'article 23, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, déposent une déclaration à la banque d'engrais le 15 février au plus tard, par le biais d'un guichet Internet mis à disposition par la Banque d'engrais.
Le ministre peut autoriser la Banque d'engrais à fournir une ou plusieurs informations de la déclaration, comme prévu à l'article 23, § 5 du décret précité, ou de cette section, d'une manière autre que celle qui est prévue dans la présente section.
Le ministre a le droit de définir d'autres règles visant à garantir le fonctionnement du guichet Internet mis à disposition par la Banque d'engrais.
Art. 2.1.1.2. Toute personne qui commence ou reprend une exploitation ou des parties d'exploitation, ou qui élargit son exploitation de manière telle qu'elle devient déclarant conformément à l'article 23 du décret précité, en informe la Banque d'engrais, et ce qu'il s'agisse d'un lancement, d'une reprise ou d'une extension.
A la demande de la Banque d'engrais, le déclarant fournit à cette dernière toutes les données d'identification dont elle a besoin.
Art. 2.1.1.3. Pour les données de déclaration pour lesquelles une spécification est demandée au niveau de la sorte, de la forme, du type ou d'une autre caractéristique, la Banque d'engrais dresse, pour chaque donnée de la déclaration, des listes des différents types, sortes, formes et autres propriétés de ces données de déclaration, et les met à la disposition des déclarants. Si, lors du remplissage de la déclaration, le déclarant est invité à spécifier la sorte, la forme, le type ou une autre propriété d'une donnée de la déclaration, il est tenu d'utiliser les listes susmentionnées.
Art. 2.1.1.4. Sauf mention explicite contraire, les données de la déclaration reprises dans le présent chapitre concernent l'année civile écoulée.
Sous-section 2. - Les obligations de déclaration des agriculteurs
Art. 2.1.2.1. § 1er. Chaque agriculteur, visé à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 1° ou 7°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, déclare à la Banque d'engrais, et ce au moins chaque année et pour chaque exploitation, les données mentionnées dans la présente sous-section, en plus des données visées à l'article 23, § 5 du décret sur les engrais.
Chaque agriculteur, repris à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 1° ou 7°, du décret précité, doit être identifié de manière unique dans le SIGC.
§ 2. Chaque déclaration reprend les données d'identification reprises dans le SIGC :
1° l'exploitation sur laquelle porte la déclaration. On entend notamment ici le numéro d'exploitation et l'adresse ;
2° l'exploitant de l'exploitation, mentionné au point 1°. Il s'agit notamment du nom, de l'adresse, du numéro d'exploitant et du numéro d'entreprise de l'exploitant de l'exploitation concernée ;
3° l'agriculteur dont relève l'exploitant ainsi que mentionné au point 2°. Il s'agit notamment du nom, de l'adresse et du numéro d'agriculteur.
§ 3. Toute personne qui, au cours d'une année civile, devient un agriculteur soumis à déclaration, tel que visé à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 1° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, par la mise en service ou la reprise d'une exploitation ou parties d'une exploitation ou par l'extension de celle-ci, doit se faire identifier en tant qu'agriculteur ou adapter son identification existante dans le SIGC.
Après identification dans le SIGC, les agriculteurs concernés reçoivent une demande unique dans laquelle ils doivent déclarer, pour l'année civile en question, les données visées à l'article 23, § 5, alinéa 1er, 6° et 7° du décret précité. L'agriculteur concerné introduit auprès de l'instance compétente la demande unique précitée complétée et signée, conformément aux dispositions de l'arrêté ministériel du 23 juin 2015 fixant la demande unique et les modalités de l'identification commune de parcelles, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture.
Art. 2.1.2.2. § 1er. Si des animaux tels que visés à l'article 27, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, sont élevés sur l'exploitation sur laquelle porte la déclaration, les informations suivantes sont communiquées :
1° pour tous les animaux visés à l'article l'article 27, § 1er, du décret précité, qui sont élevés dans l'exploitation concernée : le ou les types d'étable dans lequel/lesquels ils sont élevés dans l'exploitation concernée. Le cas échéant, le type d'étable, mentionné dans la liste des étables. Pour chaque type d'étable, il y a lieu de mentionner le nombre moyen d'animaux, précisé pour chaque catégorie animale, qui y ont été élevés ;
2° si les animaux élevés par l'agriculteur ont brouté pendant une période déterminée de l'année civile : le pourcentage de temps passé à brouter, précisé pour chaque catégorie animale ;
3° si du bétail laitier, tel que mentionné à l'article 27, § 1er, 1°, a), du décret précité, a été élevé sur l'exploitation concernée : la quantité de lait, exprimée en litres, produite par les animaux concernés ;
4° si sur une exploitation, un agriculteur a opté pour le régime du bilan nutritif du type autres alimentations animales ou techniques d'alimentation animale, mentionné à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 3° : les données reprises à l'article 6.3.4.2 du présent arrêté ;
5° le cas échéant, la mention du type de système de nettoyage de l'air, mentionné dans la liste S, utilisé sur l'exploitation ;
6° le cas échéant, les données nécessaires pour le calcul de la quantité d'eau de drainage, exprimée en kg N, produite sur l'exploitation ;
7° si les eaux de drainage produites sur l'exploitation subissent un post-traitement sur l'exploitation entraînant la transformation de l'azote qui y est présent en N2 : les données nécessaires au calcul du nombre de litres d'eau de drainage traités et le résultat dudit post-traitement ;
8° le cas échéant, la quantité d'engrais animal produite par l'exploitation propre, exprimée en N, et précisée pour chaque type d'engrais, traité sur ladite exploitation.
§ 2. Pour le calcul dans une année civile déterminée des quantités d'eaux d'évacuation produites dans l'exploitation concernée, exprimées en kg N, ainsi que prévu au paragraphe 1er, 6°, la différence entre l'indication du compteur d'eaux d'évacuation le 1er janvier de cette année civile et le 1er janvier de l'année suivante, le cas échéant convertie en litres, est multipliée par la concentration moyenne en azote dans les eaux d'évacuation, telle qu'elle résulte des analyses effectuées conformément à la liste S, de l'année civile en question.
Pour le calcul, au cours d'une année civile donnée, du résultat du post-traitement visé au paragraphe 1, 7°, la quantité de liquide résultant du post-traitement, exprimée en litres, est multipliée par la concentration correspondante en azote. Pour la détermination de la concentration en azote correspondante, l'agriculteur doit faire usage de la moyenne d'au moins deux analyses effectuées au cours de l'année civile concernée par un laboratoire agréé, conformément au compendium.
Pour le calcul, au cours d'une année civile donnée, d'une quantité d'engrais animal produit dans la propre exploitation et transformé dans cette dernière, repris au paragraphe 1er, 8°, l'agriculteur est tenu d'établir un bilan, étayé par des analyses effectuées au cours de l'année civile concernée par un laboratoire agréé, conformément au compendium. Le Ministre peut arrêter des modalités pour le bilan et les analyses nécessaires afin d'étayer ce dernier.
Art. 2.1.2.3. § 1er. Par dérogation à l'article 2.1.1.1, alinéa 1er, du présent arrêté, les données mentionnées à l'article 23, § 5, alinéa 1er, 6° et 7°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, sont communiquées par le biais de la demande unique.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'exploitant qui cultive des plantes dans un milieu de culture :
1° déclare la superficie des bâtiments ou des sites d'activité économique dans lesquels il cultive des plantes dans un milieu de culture par le biais de la déclaration unique et les indique sur du matériel cartographique ;
2° déclare la superficie effective du milieu de culture, mentionné à l'article 23, § 1er, alinéa 3, du décret précité, par le biais du guichet Internet mis à disposition par la Banque d'engrais, mentionné à l'article 2.1.1.1, alinéa 1er.
§ 2. Si la déclaration concerne un agriculteur établi hors de la Région flamande, mais dont une partie des terres agricoles appartenant à l'entreprise est située en Région flamande, il y a lieu d'indiquer au moins les données suivantes :
1° les données relatives à l'engrais animal produit dans l'une des exploitations appartenant à l'entreprise, située hors de la Région flamande, et épandu - y compris par excrétion directe lors du broutement - sur des terres agricoles appartenant à l'entreprise qui sont situées en Région flamande. L'agriculteur mentionne à cet effet les types d'engrais animal et, pour chaque type d'engrais, la quantité exprimée en tonnes, ainsi que le nom et l'adresse du ou des transporteurs d'engrais concernés ;
2° les autres engrais produits dans l'une des exploitations appartenant à l'entreprise, située hors de la Région flamande, et épandus sur des terres agricoles appartenant à l'entreprise qui sont situées en Région flamande. L'agriculteur mentionne à cet effet les types d'autres engrais et, pour chaque type d'engrais, la quantité exprimée en tonnes, ainsi que le nom et l'adresse du ou des transporteurs d'engrais concernés ;
Les informations mentionnées à l'article 23, § 5, alinéa 1er, 9°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, concernent uniquement la quantité d'engrais animal, d'autres engrais ou engrais chimiques non repris sur un ou plusieurs document(s) de transport.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, l'agriculteur enregistré comme agriculteur frontalier tel que visé à l'article 9.5.5.1, ou l'agriculteur qui est un agriculteur transrégional tel que visé à l'article 9.5.10.1, n'introduit aucune déclaration de l'engrais animal produit dans l'une des exploitations appartenant à l'entreprise et épandu sur des terres agricoles appartenant à cette dernière et situées en Région flamande.
Art. 2.1.2.4. S'agissant des données mentionnées à l'article 23, § 5, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, les compléments ou modifications suivants s'appliquent.
Les données mentionnées à l'article 23, § 5, 3° et 4°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, doivent être spécifiées pour chaque type d'engrais.
Les données mentionnées à l'article 23, § 5, 6° et 7°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, doivent uniquement être communiquées par l'intermédiaire de la demande unique si elles concernent des biens immobiliers situés en Région flamande.
Art. 2.1.2.5. Chaque agriculteur qui n'est pas soumis à déclaration, aux termes de l'article 23, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, peut déclarer à titre unique les données visées à l'article 23, § 5, alinéa 1er, 6° et 7° du décret précité. A cet effet, il doit être identifié en tant qu'agriculteur de manière unique dans le SIGC.
Au cas où l'agriculteur non déclarant, qui a fait une déclaration à titre unique, ainsi que prévu à l'alinéa 1er, modifierait la superficie des terres agricoles appartenant à son exploitation ou arrêterait son exploitation, il est tenu d'en avertir spontanément l'instance compétente, visée à l'article 2, § 1er de l'arrêté de la Région flamande du 9 février 2007 contenant des dispositions relatives à la création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture, dans les trois mois de la modification ou de l'arrêt. En cas de modification de la superficie des terres agricoles appartenant à l'exploitation, l'agriculteur doit à nouveau introduire une demande unique.
Sous-section 3. - Les obligations de déclaration des exploitants d'un point de rassemblement d'engrais, visé à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 2° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 2.1.3.1. Chaque exploitant d'un point de rassemblement, visé à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 2° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, déclare chaque année à la Banque d'engrais, pour chaque point de rassemblement d'engrais, au moins les données suivantes :
1° le nom, l'adresse, le cas échéant la date de naissance, le numéro de téléphone et le numéro d'entreprise de l'exploitant du point de rassemblement d'engrais concerné ;
2° les types d'engrais qui sont stockés dans le point de rassemblement d'engrais concerné ;
3° la capacité de stockage d'engrais au 1er janvier de l'année civile en cours, exprimée en m3 et précisée pour chaque type d'engrais ;
4° la quantité d'engrais stockée au 1er janvier de l'année civile en cours, précisée pour chaque type d'engrais et exprimée en m3, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore. Pour la détermination de la quantité d'engrais stockée, exprimée en m3, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore, il est tenu compte de la composition mentionnée dans le registre visé à l'article 24, § 3, du décret précité ;
5° le cas échéant, les engrais qui, en exécution de l'article 9.5.4.1 du présent arrêté, ont été évacués de l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore et répartis par type d'engrais, ainsi que le secteur de destination des engrais en question ;
6° le cas échéant, les engrais qui, en exécution de l'article 9.5.4.1 du présent arrêté, ont été réceptionnés à l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore et répartis par type d'engrais.
Le déclarant joint à sa déclaration une copie du registre visé à l'article 9.5.4.1 du présent arrêté.
Sous-section 4. - Les obligations de déclaration des exploitants d'une unité de traitement ou de transformation, visée à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 3° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 2.1.4.1. Chaque déclarant exploitant d'une unité de traitement ou de transformation, visée à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 3° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, déclare chaque année à la Banque d'engrais, pour chaque unité de traitement ou de transformation, au moins les données suivantes :
1° le nom, l'adresse, le cas échéant la date de naissance, le numéro de téléphone et le numéro d'entreprise de l'exploitant de l'unité de traitement ou de transformation ;
2° le type d'activité exercé dans l'exploitation concernée ;
3° les types d'engrais réceptionnés à l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore ;
4° les types de matières premières autres que des engrais, réceptionnés à l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore ;
5° les produits finis évacués de l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore et répartis par type de produit fini, la région de destination et le secteur de destination des produits finis en question ;
6° la capacité de stockage d'engrais au 1er janvier de l'année civile en cours, exprimée en m3 et précisée pour chaque type d'engrais ;
7° la quantité d'engrais stockée au 1er janvier de l'année civile en cours, précisée pour chaque type d'engrais et exprimée en m3, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore ;
8° la capacité de stockage de matières premières autres que des engrais au 1er janvier de l'année civile en cours, exprimée en m3 et précisée pour chaque type de matières premières autres que des engrais ;
9° la quantité de matières premières stockées autres que des engrais au 1er janvier de l'année civile en cours, précisée pour chaque type de matières premières autres que des engrais et exprimée en m3, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore ;
10° la capacité de stockage de produits finis au 1er janvier de l'année civile en cours, exprimée en m3 et précisée pour chaque type de produits finis ;
11° la quantité de produits finis stockée au 1er janvier de l'année civile en cours, précisée pour chaque type de produits finis et exprimée en m3, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore ;
12° le cas échéant, les engrais qui, en exécution de l'article 9.5.4.1 du présent arrêté, ont été évacués de l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore et répartis par type d'engrais, ainsi que le secteur de destination des engrais en question ;
13° le cas échéant, les engrais qui, en exécution de l'article 9.5.4.1 du présent arrêté, ont été réceptionnés à l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore et répartis par type d'engrais.
Le déclarant joint à sa déclaration une copie du bilan nutritif mentionné à l'article 8.1.1.4, § 2, du présent arrêté et, le cas échéant, une copie du registre mentionné à l'article 9.5.4.1 du présent arrêté.
Sous-section 5. - Les obligations de déclaration des producteurs ou distributeurs d'autres engrais, visés à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 4° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 2.1.5.1. Chaque déclarant producteur ou distributeur d'autres engrais, visé à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 4° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, déclare chaque année à la Banque d'engrais, pour chaque exploitation, au moins les données suivantes :
1° le nom, l'adresse, le cas échéant la date de naissance, le numéro de téléphone et le numéro d'entreprise de l'exploitant de l'exploitation concernée ;
2° la quantité d'autres engrais produite au cours de l'année civile précédente dans l'exploitation concernée, exprimée en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore, précisée pour chaque type d'autres engrais, avec mention du code d'engrais correspondant ;
3° la capacité de stockage d'autres engrais au 1er janvier de l'année civile en cours, exprimée en m3 et précisée pour chaque type d'autres engrais ;
4° la quantité d'autres engrais stockés au 1er janvier de l'année civile en cours, précisée pour chaque type d'autres engrais et exprimée en m3, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore.
Sous-section 6. - Les obligations de déclaration des producteurs, distributeurs, importateurs ou exportateurs d'engrais chimiques visés à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 5° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 2.1.6.1. Chaque déclarant producteur, distributeur, importateur ou exportateur d'engrais chimiques, visés à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 5° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, déclare chaque année à la Banque d'engrais, pour chaque exploitation, au moins les données suivantes :
1° le nom, l'adresse, le cas échéant la date de naissance, le numéro de téléphone et le numéro d'entreprise de l'exploitant de l'exploitation concernée ou de l'importateur ou exportateur concernés ;
2° les types d'engrais chimiques évacués de l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore et précisés pour chaque type d'engrais chimiques, la région de destination ainsi que le secteur de destination des produits finis en question.
Le déclarant joint à sa déclaration une copie du registre mentionné à l'article 24, § 2 du décret précité.
Sous-section 7. - Les obligations de déclaration des producteurs, importateurs ou vendeurs d'engrais chimiques visés à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 6° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 2.1.7.1. En exécution de l'article 23, § 7, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, l'obligation de déclaration pour les producteurs, les importateurs ou vendeurs d'aliments pour animaux visés à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 6°, du décret sur les engrais, est limitée à toute personne qui livre des aliments pour animaux ou des composants d'aliments pour animaux aux agriculteurs et qui :
1° produit des aliments pour animaux dans une exploitation située en Région flamande et est agréé ou enregistré en tant que producteur d'aliments pour animaux auprès de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire dans le cadre du Règlement (CE) n° 183/2005 du Parlement européen et du Conseil du 12 janvier 2005 établissant des exigences en matière d'hygiène des aliments pour animaux ;
2° importe des aliments pour animaux produits par un producteur agréé ou enregistré comme producteur d'aliments pour animaux, soit auprès de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, soit auprès de l'autorité compétente d'un autre Etat membre, dans le cadre du règlement précité ;
3° vend des aliments pour animaux ou des composants d'aliments pour animaux qui sont produits par un producteur d'aliments pour animaux, visés aux points 1°, 2°, 5° et 6° ;
4° livre de la pulpe pressée de betteraves sucrières aux agriculteurs ont l'exploitation se trouve en Région flamande ;
5° produit des aliments pour animaux sous la forme d'aliments pâteux ;
6° produit des aliments pour animaux sous la forme de produits issus de l'industrie alimentaire.
Art. 2.1.7.2. Les producteurs, importateurs ou vendeurs d'aliments pour animaux visés à l'article 2.1.7.1 du présent arrêté, déclarent chaque année à la Banque d'engrais, pour chaque exploitation ou importateur, au moins les données suivantes :
1° le nom, l'adresse, le cas échéant la date de naissance, le numéro de téléphone et le numéro d'entreprise de l'exploitant de l'exploitation concernée ou de l'importateur concerné ;
2° la mention qu'il s'agit d'une exploitation qui produit des aliments pour animaux, d'une exploitation qui vend des aliments pour animaux ou d'un importateur d'aliments pour animaux ;
3° les aliments pour animaux qui ont été évacués au cours de l'année civile précédente de l'exploitation concernée à destination des agriculteurs, exprimés en tonnes, en kg de protéines brutes et en kg de pentaoxyde de diphosphore et ventilés selon l'identité du preneur. Il y a lieu également de notifier qu'il s'agit d'un aliment dont le fabricant a garanti une modification des effluents P2O5 ou N, visée à l'article 26, § 2, 1° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, dans le cadre d'une norme de produit.
Par identité du preneur, telle que visée à l'alinéa 1er, 3°, l'on entend le nom, l'adresse et, le cas échéant, le numéro d'exploitation de l'agriculteur qui a reçu les aliments pour animaux concernés.
Sous-section 8. Les obligations de déclaration des transporteurs d'engrais, visés à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 8° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 2.1.8.1. Chaque transporteur d'engrais agréé visé à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 8°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, déclare chaque année à la Banque d'engrais, pour chaque exploitation, au moins les données suivantes :
1° la capacité de stockage des engrais au 1er janvier de l'année civile en cours, exprimée en m3 et répartie par type d'engrais, et pour les stocks mobiles temporaires, la commune dans laquelle ils se situent, ainsi que le numéro d'agrément visé à l'article 9.4.5.2. du présent arrêté ;
2° la quantité d'engrais stockée au 1er janvier de l'année civile en cours, précisée pour chaque type d'engrais et exprimée en m3, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore et ventilée par stockage
Section 2. - Les registres
Sous-section 1re. - Dispositions générales relatives aux registres
Art. 2.2.1.1. Pour les registres mentionnés dans la présente section, la banque d'engrais met un modèle numérique à la disposition des personnes soumises à registre telles que visées à l'article 24 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006. L'intéressé est responsable de la tenue du registre.
Le ministre a le droit de définir d'autres règles pour les registres mis à disposition de manière numérique.
Art. 2.2.1.2. Le registre est complété au plus tard le lendemain du jour où les faits consignés dans le registre se sont déroulés.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'agriculteur note les adaptations intervenues dans le registre animal, soit au plus tard le lendemain du jour où les faits qui ont donné lieu à ces modifications se sont déroulés, soit dans le cas d'un registre mensuel tel que mentionné à l'article 2.2.2.1, alinéa 1er, 1°, au plus tard le troisième jour après l'expiration de chaque mois.
Art. 2.2.1.3. Le registre doit être tenu, pour chaque exploitation, à l'endroit où l'activité soumise à registre est exercée. Pour le registre de fertilisation au niveau des parcelles, l'on entend par là l'adresse de l'exploitation à laquelle appartiennent les parcelles en question.
Pour les registres tenus de manière numérique, la tenue à l'endroit où a lieu l'activité soumise à registre signifie que le registre est consultable au moins à l'endroit en question. Les pièces qui étayent le registre, également consultables par voie numérique, sont enregistrées avec ce dernier. Les pièces justificatives du registre non disponible par voie numérique doivent être tenues à l'endroit où est exercée l'activité soumise à registre.
Le registre est conservé avec les pièces justificatives requises par sa tenue, telles que les documents de transport y afférents, les bons de pesage et les résultats d'analyse délivrés par des laboratoires agréés. Les pièces justificatives du registre sont conservées de manière à indiquer clairement à quelle note chaque pièce justificative se rapporte.
Sous-section 2. - Le registre des animaux
Art. 2.2.2.1. En exécution de l'article 24, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, chaque agriculteur visé à l'article 23, § 1er, dudit décret, doit, pour chaque année civile, tenir un registre des animaux pour chacune de ses exploitations et pour chacune des espèces animales qu'il a détenues dans son exploitation au cours de l'année civile écoulée, à l'exception des animaux qui appartiennent à l'espèce bovine. A cet effet, l'agriculteur peut choisir entre les types de registre suivants :
1° un registre mensuel ;
2° un registre des cycles ;
3° un registre des changements.
Le registre des cycles visé à l'alinéa 1er, 2°, ne peut être utilisé que pour les catégories d'animaux détenus suivant un système de cycles.
Art. 2.2.2.2. L'agriculteur qui a opté pour le registre mensuel, tel que visé à l'article 2.2.2.1, alinéa 1er, 1°, note, à l'issue de chaque mois et pour chaque catégorie d'animaux, le nombre moyen d'animaux de cette catégorie présents dans l'exploitation au cours du mois écoulé.
Art. 2.2.2.3. § 1er. L'agriculteur qui a opté pour le registre des cycles tel que visé à l'article 2.2.2.1, alinéa 1er, 2°, note pour chaque cycle :
1° la date de début du cycle concerné ;
2° le nombre d'animaux présents au début du cycle ;
3° la date de fin du cycle concerné ;
4° le nombre d'animaux encore présents à la fin du cycle.
Lorsqu'un cycle est opérationnel au 1er janvier, l'agriculteur note dans le registre des animaux le nombre d'animaux présents dans l'exploitation au 1er janvier. Lorsqu'un cycle est opérationnel au 31 décembre, l'agriculteur note sur le registre des animaux le nombre d'animaux présents dans l'exploitation au 31 décembre.
§ 2. Lorsqu'un agriculteur a plusieurs étables ou parties d'étables dans son exploitation qui font l'objet d'un système des cycles, il doit tenir un registre des cycles, tel que visé à l'article 2.2.2.1, alinéa 1er, 2°, lorsque les cycles dans les étables ou parties d'étables présentent l'une des caractéristiques suivantes :
1° les cycles ne commencent pas au même moment ;
2° les cycles ne s'arrêtent pas au même moment ;
3° les cycles ne concernent pas les mêmes catégories d'animaux.
Art. 2.2.2.4. § 1er. L'agriculteur qui a opté pour le registre des changements, tel que visé à l'article 2.2.2.1., alinéa 1er, 3°, note dans le registre des animaux le nombre d'animaux et les catégories d'animaux correspondantes présents dans l'exploitation au 1er janvier ainsi que tout changement dans le nombre d'animaux et les catégories d'animaux présents dans l'exploitation.
Est considéré comme un changement dans le nombre d'animaux et les catégories d'animaux qui sont présents dans l'exploitation :
1° chaque animal qui quitte l'exploitation à l'état vivant ;
2° chaque animal qui arrive dans l'exploitation ;
3° chaque naissance d'un animal dans l'exploitation ;
4° chaque décès d'un animal dans l'exploitation, y compris l'abattage dans l'exploitation elle-même ;
5° chaque passage d'une catégorie d'animaux à une autre.
§ 2. Pour chacun des changements visés au paragraphe 1er, alinéa 2, l'agriculteur note la date, le nombre d'animaux concernés, la catégorie d'animaux concernée et la nature du changement. Lors du passage d'une catégorie d'animaux à une autre, l'agriculteur note la catégorie à laquelle appartient l'animal après son passage.
Sous-section 3. Le registre pour producteurs, distributeurs, importateurs et exportateurs d'engrais chimiques et pour les exploitants d'un point de rassemblement d'engrais, d'une unité de traitement ou de transformation
Art. 2.2.3.1. Chaque personne qui doit tenir un registre visé à l'article 24, § 2 ou § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, note les données suivantes, pour chaque exploitation et pour tous les engrais qui quittent son exploitation :
1° l'exploitation d'où proviennent les engrais ainsi que le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant intéressé si les engrais concernés n'ont pas été produits dans l'exploitation ;
2° l'exploitation destinataire des engrais et le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant concerné. Lorsque les engrais sont destinés à plusieurs exploitations, l'adresse et le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant intéressé doivent être notés pour chacune des exploitations concernées ;
3° la date du transport. Lorsque la date de début et de fin du transport diffèrent, elles doivent être mentionnées toutes les deux ;
4° la quantité d'engrais, exprimée en kg P2O5, en kg N et en tonnes ainsi que le type d'engrais qui a quitté l'exploitation. Lorsque les engrais ont été déchargés à plusieurs endroits, il y a lieu de mentionner la quantité d'engrais déchargée pour chaque lieu de déchargement ;
5° l'identification du transporteur concerné. Il s'agit en l'occurrence du nom, de l'adresse et, le cas échéant, du numéro d'exploitation du transporteur concerné.
Chaque personne qui doit tenir un registre visé à l'article 24, § 2 ou § 3, du décret précité, doit noter dans un registre, les données suivantes pour tous les engrais reçus à l'exploitation :
1° l'exploitation où ont été produits les engrais reçus ainsi que le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant concerné ;
2° le nom et l'adresse de l'offreur des engrais, s'il ne s'agit pas de la personne mentionnée au point 1° ;
3° le lieu de chargement ou les lieux de chargement lorsque les engrais ont été chargés à divers endroits ;
4° la date du transport. Lorsque la date de début et de fin du transport diffèrent, elles doivent être mentionnées toutes les deux ;
5° la quantité d'engrais réceptionnée, exprimée en kg P2O5, en kg N et en tonnes, ainsi que la nature des engrais réceptionnés ;
6° l'identification du transporteur concerné. Il s'agit en l'occurrence du nom, de l'adresse et, le cas échéant, du numéro d'exploitation du transporteur concerné.
Chaque personne qui doit tenir un registre visé à l'article 24, § 2 ou § 3, du décret précité, doit noter dans un registre les données suivantes pour toute importation d'engrais :
1° l'exploitation d'où est originaire l'engrais et le nom de l'agriculteur ou exploitant concerné ;
2° l'exploitation destinataire des engrais et le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant concerné. Lorsque les engrais sont destinés à plusieurs exploitations, l'adresse et le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant intéressé doivent être notés pour chacune des exploitations concernées ;
3° la date du transport. Lorsque la date de début et de fin du transport diffèrent, elles doivent être mentionnées toutes les deux ;
4° la quantité d'engrais, exprimée en kg P2O5, en kg N et en tonnes, ainsi que le type d'engrais ayant quitté l'exploitation. Lorsque les engrais ont été déchargés à plusieurs endroits, il y a lieu de mentionner la quantité d'engrais déchargée pour chaque lieu de déchargement ;
5° si l'importateur n'assure pas lui-même le transport, l'identification du transporteur intéressé. Il s'agit en l'occurrence du nom, de l'adresse et, le cas échéant, du numéro d'exploitation du transporteur concerné.
Chaque personne qui doit tenir un registre visé à l'article 24, § 2 ou § 3, du décret précité, doit noter dans un registre les données suivantes pour toute exportation d'engrais :
1° l'exploitation d'où est originaire l'engrais et le nom de l'agriculteur ou exploitant concerné ;
2° l'exploitation destinataire des engrais et le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant concerné. Lorsque les engrais sont destinés à plusieurs exploitations, l'adresse et le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant intéressé doivent être notés pour chacune des exploitations concernées ;
3° le lieu de chargement ou les lieux de chargement lorsque les engrais ont été chargés à divers endroits ;
4° la date du transport. Lorsque la date de début et de fin du transport diffèrent, elles doivent être mentionnées toutes les deux ;
5° la quantité d'engrais exportée, exprimée en kg P2O5, en kg N et en tonnes, ainsi que la nature et la forme des engrais exportés ;
6° si l'exportateur n'assure pas lui-même le transport, l'identification du transporteur intéressé. Il s'agit en l'occurrence du nom, de l'adresse et, le cas échéant, du numéro d'exploitation du transporteur concerné.
Art. 2.2.3.2. Lorsqu'un document de transport a été rédigé pour un départ, une réception, une importation ou une exportation d'engrais, seules les données suivantes doivent être consignées dans le registre, par dérogation à l'article 2.2.3.1 :
1° le numéro du document de transport concerné ;
2° le cas échéant, la date à laquelle le document de transport en question a été notifié à la Banque d'engrais ;
3° les données qui, conformément à l'article 2.2.3.1, doivent être consignées dans le registre et ne sont pas mentionnées dans le document concerné. ".
" Chapitre 2. Déclarations et registres
Section 1re. - Les déclarations
Sous-section 1re. - Dispositions générales relatives aux déclarations
Art. 2.1.1.1. Les déclarants, mentionnés à l'article 23, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, déposent une déclaration à la banque d'engrais le 15 février au plus tard, par le biais d'un guichet Internet mis à disposition par la Banque d'engrais.
Le ministre peut autoriser la Banque d'engrais à fournir une ou plusieurs informations de la déclaration, comme prévu à l'article 23, § 5 du décret précité, ou de cette section, d'une manière autre que celle qui est prévue dans la présente section.
Le ministre a le droit de définir d'autres règles visant à garantir le fonctionnement du guichet Internet mis à disposition par la Banque d'engrais.
Art. 2.1.1.2. Toute personne qui commence ou reprend une exploitation ou des parties d'exploitation, ou qui élargit son exploitation de manière telle qu'elle devient déclarant conformément à l'article 23 du décret précité, en informe la Banque d'engrais, et ce qu'il s'agisse d'un lancement, d'une reprise ou d'une extension.
A la demande de la Banque d'engrais, le déclarant fournit à cette dernière toutes les données d'identification dont elle a besoin.
Art. 2.1.1.3. Pour les données de déclaration pour lesquelles une spécification est demandée au niveau de la sorte, de la forme, du type ou d'une autre caractéristique, la Banque d'engrais dresse, pour chaque donnée de la déclaration, des listes des différents types, sortes, formes et autres propriétés de ces données de déclaration, et les met à la disposition des déclarants. Si, lors du remplissage de la déclaration, le déclarant est invité à spécifier la sorte, la forme, le type ou une autre propriété d'une donnée de la déclaration, il est tenu d'utiliser les listes susmentionnées.
Art. 2.1.1.4. Sauf mention explicite contraire, les données de la déclaration reprises dans le présent chapitre concernent l'année civile écoulée.
Sous-section 2. - Les obligations de déclaration des agriculteurs
Art. 2.1.2.1. § 1er. Chaque agriculteur, visé à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 1° ou 7°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, déclare à la Banque d'engrais, et ce au moins chaque année et pour chaque exploitation, les données mentionnées dans la présente sous-section, en plus des données visées à l'article 23, § 5 du décret sur les engrais.
Chaque agriculteur, repris à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 1° ou 7°, du décret précité, doit être identifié de manière unique dans le SIGC.
§ 2. Chaque déclaration reprend les données d'identification reprises dans le SIGC :
1° l'exploitation sur laquelle porte la déclaration. On entend notamment ici le numéro d'exploitation et l'adresse ;
2° l'exploitant de l'exploitation, mentionné au point 1°. Il s'agit notamment du nom, de l'adresse, du numéro d'exploitant et du numéro d'entreprise de l'exploitant de l'exploitation concernée ;
3° l'agriculteur dont relève l'exploitant ainsi que mentionné au point 2°. Il s'agit notamment du nom, de l'adresse et du numéro d'agriculteur.
§ 3. Toute personne qui, au cours d'une année civile, devient un agriculteur soumis à déclaration, tel que visé à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 1° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, par la mise en service ou la reprise d'une exploitation ou parties d'une exploitation ou par l'extension de celle-ci, doit se faire identifier en tant qu'agriculteur ou adapter son identification existante dans le SIGC.
Après identification dans le SIGC, les agriculteurs concernés reçoivent une demande unique dans laquelle ils doivent déclarer, pour l'année civile en question, les données visées à l'article 23, § 5, alinéa 1er, 6° et 7° du décret précité. L'agriculteur concerné introduit auprès de l'instance compétente la demande unique précitée complétée et signée, conformément aux dispositions de l'arrêté ministériel du 23 juin 2015 fixant la demande unique et les modalités de l'identification commune de parcelles, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture.
Art. 2.1.2.2. § 1er. Si des animaux tels que visés à l'article 27, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, sont élevés sur l'exploitation sur laquelle porte la déclaration, les informations suivantes sont communiquées :
1° pour tous les animaux visés à l'article l'article 27, § 1er, du décret précité, qui sont élevés dans l'exploitation concernée : le ou les types d'étable dans lequel/lesquels ils sont élevés dans l'exploitation concernée. Le cas échéant, le type d'étable, mentionné dans la liste des étables. Pour chaque type d'étable, il y a lieu de mentionner le nombre moyen d'animaux, précisé pour chaque catégorie animale, qui y ont été élevés ;
2° si les animaux élevés par l'agriculteur ont brouté pendant une période déterminée de l'année civile : le pourcentage de temps passé à brouter, précisé pour chaque catégorie animale ;
3° si du bétail laitier, tel que mentionné à l'article 27, § 1er, 1°, a), du décret précité, a été élevé sur l'exploitation concernée : la quantité de lait, exprimée en litres, produite par les animaux concernés ;
4° si sur une exploitation, un agriculteur a opté pour le régime du bilan nutritif du type autres alimentations animales ou techniques d'alimentation animale, mentionné à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 3° : les données reprises à l'article 6.3.4.2 du présent arrêté ;
5° le cas échéant, la mention du type de système de nettoyage de l'air, mentionné dans la liste S, utilisé sur l'exploitation ;
6° le cas échéant, les données nécessaires pour le calcul de la quantité d'eau de drainage, exprimée en kg N, produite sur l'exploitation ;
7° si les eaux de drainage produites sur l'exploitation subissent un post-traitement sur l'exploitation entraînant la transformation de l'azote qui y est présent en N2 : les données nécessaires au calcul du nombre de litres d'eau de drainage traités et le résultat dudit post-traitement ;
8° le cas échéant, la quantité d'engrais animal produite par l'exploitation propre, exprimée en N, et précisée pour chaque type d'engrais, traité sur ladite exploitation.
§ 2. Pour le calcul dans une année civile déterminée des quantités d'eaux d'évacuation produites dans l'exploitation concernée, exprimées en kg N, ainsi que prévu au paragraphe 1er, 6°, la différence entre l'indication du compteur d'eaux d'évacuation le 1er janvier de cette année civile et le 1er janvier de l'année suivante, le cas échéant convertie en litres, est multipliée par la concentration moyenne en azote dans les eaux d'évacuation, telle qu'elle résulte des analyses effectuées conformément à la liste S, de l'année civile en question.
Pour le calcul, au cours d'une année civile donnée, du résultat du post-traitement visé au paragraphe 1, 7°, la quantité de liquide résultant du post-traitement, exprimée en litres, est multipliée par la concentration correspondante en azote. Pour la détermination de la concentration en azote correspondante, l'agriculteur doit faire usage de la moyenne d'au moins deux analyses effectuées au cours de l'année civile concernée par un laboratoire agréé, conformément au compendium.
Pour le calcul, au cours d'une année civile donnée, d'une quantité d'engrais animal produit dans la propre exploitation et transformé dans cette dernière, repris au paragraphe 1er, 8°, l'agriculteur est tenu d'établir un bilan, étayé par des analyses effectuées au cours de l'année civile concernée par un laboratoire agréé, conformément au compendium. Le Ministre peut arrêter des modalités pour le bilan et les analyses nécessaires afin d'étayer ce dernier.
Art. 2.1.2.3. § 1er. Par dérogation à l'article 2.1.1.1, alinéa 1er, du présent arrêté, les données mentionnées à l'article 23, § 5, alinéa 1er, 6° et 7°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, sont communiquées par le biais de la demande unique.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'exploitant qui cultive des plantes dans un milieu de culture :
1° déclare la superficie des bâtiments ou des sites d'activité économique dans lesquels il cultive des plantes dans un milieu de culture par le biais de la déclaration unique et les indique sur du matériel cartographique ;
2° déclare la superficie effective du milieu de culture, mentionné à l'article 23, § 1er, alinéa 3, du décret précité, par le biais du guichet Internet mis à disposition par la Banque d'engrais, mentionné à l'article 2.1.1.1, alinéa 1er.
§ 2. Si la déclaration concerne un agriculteur établi hors de la Région flamande, mais dont une partie des terres agricoles appartenant à l'entreprise est située en Région flamande, il y a lieu d'indiquer au moins les données suivantes :
1° les données relatives à l'engrais animal produit dans l'une des exploitations appartenant à l'entreprise, située hors de la Région flamande, et épandu - y compris par excrétion directe lors du broutement - sur des terres agricoles appartenant à l'entreprise qui sont situées en Région flamande. L'agriculteur mentionne à cet effet les types d'engrais animal et, pour chaque type d'engrais, la quantité exprimée en tonnes, ainsi que le nom et l'adresse du ou des transporteurs d'engrais concernés ;
2° les autres engrais produits dans l'une des exploitations appartenant à l'entreprise, située hors de la Région flamande, et épandus sur des terres agricoles appartenant à l'entreprise qui sont situées en Région flamande. L'agriculteur mentionne à cet effet les types d'autres engrais et, pour chaque type d'engrais, la quantité exprimée en tonnes, ainsi que le nom et l'adresse du ou des transporteurs d'engrais concernés ;
Les informations mentionnées à l'article 23, § 5, alinéa 1er, 9°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, concernent uniquement la quantité d'engrais animal, d'autres engrais ou engrais chimiques non repris sur un ou plusieurs document(s) de transport.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, l'agriculteur enregistré comme agriculteur frontalier tel que visé à l'article 9.5.5.1, ou l'agriculteur qui est un agriculteur transrégional tel que visé à l'article 9.5.10.1, n'introduit aucune déclaration de l'engrais animal produit dans l'une des exploitations appartenant à l'entreprise et épandu sur des terres agricoles appartenant à cette dernière et situées en Région flamande.
Art. 2.1.2.4. S'agissant des données mentionnées à l'article 23, § 5, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, les compléments ou modifications suivants s'appliquent.
Les données mentionnées à l'article 23, § 5, 3° et 4°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, doivent être spécifiées pour chaque type d'engrais.
Les données mentionnées à l'article 23, § 5, 6° et 7°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, doivent uniquement être communiquées par l'intermédiaire de la demande unique si elles concernent des biens immobiliers situés en Région flamande.
Art. 2.1.2.5. Chaque agriculteur qui n'est pas soumis à déclaration, aux termes de l'article 23, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, peut déclarer à titre unique les données visées à l'article 23, § 5, alinéa 1er, 6° et 7° du décret précité. A cet effet, il doit être identifié en tant qu'agriculteur de manière unique dans le SIGC.
Au cas où l'agriculteur non déclarant, qui a fait une déclaration à titre unique, ainsi que prévu à l'alinéa 1er, modifierait la superficie des terres agricoles appartenant à son exploitation ou arrêterait son exploitation, il est tenu d'en avertir spontanément l'instance compétente, visée à l'article 2, § 1er de l'arrêté de la Région flamande du 9 février 2007 contenant des dispositions relatives à la création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture, dans les trois mois de la modification ou de l'arrêt. En cas de modification de la superficie des terres agricoles appartenant à l'exploitation, l'agriculteur doit à nouveau introduire une demande unique.
Sous-section 3. - Les obligations de déclaration des exploitants d'un point de rassemblement d'engrais, visé à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 2° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 2.1.3.1. Chaque exploitant d'un point de rassemblement, visé à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 2° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, déclare chaque année à la Banque d'engrais, pour chaque point de rassemblement d'engrais, au moins les données suivantes :
1° le nom, l'adresse, le cas échéant la date de naissance, le numéro de téléphone et le numéro d'entreprise de l'exploitant du point de rassemblement d'engrais concerné ;
2° les types d'engrais qui sont stockés dans le point de rassemblement d'engrais concerné ;
3° la capacité de stockage d'engrais au 1er janvier de l'année civile en cours, exprimée en m3 et précisée pour chaque type d'engrais ;
4° la quantité d'engrais stockée au 1er janvier de l'année civile en cours, précisée pour chaque type d'engrais et exprimée en m3, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore. Pour la détermination de la quantité d'engrais stockée, exprimée en m3, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore, il est tenu compte de la composition mentionnée dans le registre visé à l'article 24, § 3, du décret précité ;
5° le cas échéant, les engrais qui, en exécution de l'article 9.5.4.1 du présent arrêté, ont été évacués de l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore et répartis par type d'engrais, ainsi que le secteur de destination des engrais en question ;
6° le cas échéant, les engrais qui, en exécution de l'article 9.5.4.1 du présent arrêté, ont été réceptionnés à l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore et répartis par type d'engrais.
Le déclarant joint à sa déclaration une copie du registre visé à l'article 9.5.4.1 du présent arrêté.
Sous-section 4. - Les obligations de déclaration des exploitants d'une unité de traitement ou de transformation, visée à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 3° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 2.1.4.1. Chaque déclarant exploitant d'une unité de traitement ou de transformation, visée à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 3° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, déclare chaque année à la Banque d'engrais, pour chaque unité de traitement ou de transformation, au moins les données suivantes :
1° le nom, l'adresse, le cas échéant la date de naissance, le numéro de téléphone et le numéro d'entreprise de l'exploitant de l'unité de traitement ou de transformation ;
2° le type d'activité exercé dans l'exploitation concernée ;
3° les types d'engrais réceptionnés à l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore ;
4° les types de matières premières autres que des engrais, réceptionnés à l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore ;
5° les produits finis évacués de l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore et répartis par type de produit fini, la région de destination et le secteur de destination des produits finis en question ;
6° la capacité de stockage d'engrais au 1er janvier de l'année civile en cours, exprimée en m3 et précisée pour chaque type d'engrais ;
7° la quantité d'engrais stockée au 1er janvier de l'année civile en cours, précisée pour chaque type d'engrais et exprimée en m3, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore ;
8° la capacité de stockage de matières premières autres que des engrais au 1er janvier de l'année civile en cours, exprimée en m3 et précisée pour chaque type de matières premières autres que des engrais ;
9° la quantité de matières premières stockées autres que des engrais au 1er janvier de l'année civile en cours, précisée pour chaque type de matières premières autres que des engrais et exprimée en m3, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore ;
10° la capacité de stockage de produits finis au 1er janvier de l'année civile en cours, exprimée en m3 et précisée pour chaque type de produits finis ;
11° la quantité de produits finis stockée au 1er janvier de l'année civile en cours, précisée pour chaque type de produits finis et exprimée en m3, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore ;
12° le cas échéant, les engrais qui, en exécution de l'article 9.5.4.1 du présent arrêté, ont été évacués de l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore et répartis par type d'engrais, ainsi que le secteur de destination des engrais en question ;
13° le cas échéant, les engrais qui, en exécution de l'article 9.5.4.1 du présent arrêté, ont été réceptionnés à l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore et répartis par type d'engrais.
Le déclarant joint à sa déclaration une copie du bilan nutritif mentionné à l'article 8.1.1.4, § 2, du présent arrêté et, le cas échéant, une copie du registre mentionné à l'article 9.5.4.1 du présent arrêté.
Sous-section 5. - Les obligations de déclaration des producteurs ou distributeurs d'autres engrais, visés à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 4° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 2.1.5.1. Chaque déclarant producteur ou distributeur d'autres engrais, visé à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 4° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, déclare chaque année à la Banque d'engrais, pour chaque exploitation, au moins les données suivantes :
1° le nom, l'adresse, le cas échéant la date de naissance, le numéro de téléphone et le numéro d'entreprise de l'exploitant de l'exploitation concernée ;
2° la quantité d'autres engrais produite au cours de l'année civile précédente dans l'exploitation concernée, exprimée en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore, précisée pour chaque type d'autres engrais, avec mention du code d'engrais correspondant ;
3° la capacité de stockage d'autres engrais au 1er janvier de l'année civile en cours, exprimée en m3 et précisée pour chaque type d'autres engrais ;
4° la quantité d'autres engrais stockés au 1er janvier de l'année civile en cours, précisée pour chaque type d'autres engrais et exprimée en m3, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore.
Sous-section 6. - Les obligations de déclaration des producteurs, distributeurs, importateurs ou exportateurs d'engrais chimiques visés à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 5° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 2.1.6.1. Chaque déclarant producteur, distributeur, importateur ou exportateur d'engrais chimiques, visés à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 5° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, déclare chaque année à la Banque d'engrais, pour chaque exploitation, au moins les données suivantes :
1° le nom, l'adresse, le cas échéant la date de naissance, le numéro de téléphone et le numéro d'entreprise de l'exploitant de l'exploitation concernée ou de l'importateur ou exportateur concernés ;
2° les types d'engrais chimiques évacués de l'exploitation concernée au cours de l'année civile précédente, exprimés en tonnes, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore et précisés pour chaque type d'engrais chimiques, la région de destination ainsi que le secteur de destination des produits finis en question.
Le déclarant joint à sa déclaration une copie du registre mentionné à l'article 24, § 2 du décret précité.
Sous-section 7. - Les obligations de déclaration des producteurs, importateurs ou vendeurs d'engrais chimiques visés à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 6° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 2.1.7.1. En exécution de l'article 23, § 7, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, l'obligation de déclaration pour les producteurs, les importateurs ou vendeurs d'aliments pour animaux visés à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 6°, du décret sur les engrais, est limitée à toute personne qui livre des aliments pour animaux ou des composants d'aliments pour animaux aux agriculteurs et qui :
1° produit des aliments pour animaux dans une exploitation située en Région flamande et est agréé ou enregistré en tant que producteur d'aliments pour animaux auprès de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire dans le cadre du Règlement (CE) n° 183/2005 du Parlement européen et du Conseil du 12 janvier 2005 établissant des exigences en matière d'hygiène des aliments pour animaux ;
2° importe des aliments pour animaux produits par un producteur agréé ou enregistré comme producteur d'aliments pour animaux, soit auprès de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, soit auprès de l'autorité compétente d'un autre Etat membre, dans le cadre du règlement précité ;
3° vend des aliments pour animaux ou des composants d'aliments pour animaux qui sont produits par un producteur d'aliments pour animaux, visés aux points 1°, 2°, 5° et 6° ;
4° livre de la pulpe pressée de betteraves sucrières aux agriculteurs ont l'exploitation se trouve en Région flamande ;
5° produit des aliments pour animaux sous la forme d'aliments pâteux ;
6° produit des aliments pour animaux sous la forme de produits issus de l'industrie alimentaire.
Art. 2.1.7.2. Les producteurs, importateurs ou vendeurs d'aliments pour animaux visés à l'article 2.1.7.1 du présent arrêté, déclarent chaque année à la Banque d'engrais, pour chaque exploitation ou importateur, au moins les données suivantes :
1° le nom, l'adresse, le cas échéant la date de naissance, le numéro de téléphone et le numéro d'entreprise de l'exploitant de l'exploitation concernée ou de l'importateur concerné ;
2° la mention qu'il s'agit d'une exploitation qui produit des aliments pour animaux, d'une exploitation qui vend des aliments pour animaux ou d'un importateur d'aliments pour animaux ;
3° les aliments pour animaux qui ont été évacués au cours de l'année civile précédente de l'exploitation concernée à destination des agriculteurs, exprimés en tonnes, en kg de protéines brutes et en kg de pentaoxyde de diphosphore et ventilés selon l'identité du preneur. Il y a lieu également de notifier qu'il s'agit d'un aliment dont le fabricant a garanti une modification des effluents P2O5 ou N, visée à l'article 26, § 2, 1° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, dans le cadre d'une norme de produit.
Par identité du preneur, telle que visée à l'alinéa 1er, 3°, l'on entend le nom, l'adresse et, le cas échéant, le numéro d'exploitation de l'agriculteur qui a reçu les aliments pour animaux concernés.
Sous-section 8. Les obligations de déclaration des transporteurs d'engrais, visés à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 8° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 2.1.8.1. Chaque transporteur d'engrais agréé visé à l'article 23, § 1er, alinéa 1er, 8°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, déclare chaque année à la Banque d'engrais, pour chaque exploitation, au moins les données suivantes :
1° la capacité de stockage des engrais au 1er janvier de l'année civile en cours, exprimée en m3 et répartie par type d'engrais, et pour les stocks mobiles temporaires, la commune dans laquelle ils se situent, ainsi que le numéro d'agrément visé à l'article 9.4.5.2. du présent arrêté ;
2° la quantité d'engrais stockée au 1er janvier de l'année civile en cours, précisée pour chaque type d'engrais et exprimée en m3, en kg d'azote et en kg de pentaoxyde de diphosphore et ventilée par stockage
Section 2. - Les registres
Sous-section 1re. - Dispositions générales relatives aux registres
Art. 2.2.1.1. Pour les registres mentionnés dans la présente section, la banque d'engrais met un modèle numérique à la disposition des personnes soumises à registre telles que visées à l'article 24 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006. L'intéressé est responsable de la tenue du registre.
Le ministre a le droit de définir d'autres règles pour les registres mis à disposition de manière numérique.
Art. 2.2.1.2. Le registre est complété au plus tard le lendemain du jour où les faits consignés dans le registre se sont déroulés.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'agriculteur note les adaptations intervenues dans le registre animal, soit au plus tard le lendemain du jour où les faits qui ont donné lieu à ces modifications se sont déroulés, soit dans le cas d'un registre mensuel tel que mentionné à l'article 2.2.2.1, alinéa 1er, 1°, au plus tard le troisième jour après l'expiration de chaque mois.
Art. 2.2.1.3. Le registre doit être tenu, pour chaque exploitation, à l'endroit où l'activité soumise à registre est exercée. Pour le registre de fertilisation au niveau des parcelles, l'on entend par là l'adresse de l'exploitation à laquelle appartiennent les parcelles en question.
Pour les registres tenus de manière numérique, la tenue à l'endroit où a lieu l'activité soumise à registre signifie que le registre est consultable au moins à l'endroit en question. Les pièces qui étayent le registre, également consultables par voie numérique, sont enregistrées avec ce dernier. Les pièces justificatives du registre non disponible par voie numérique doivent être tenues à l'endroit où est exercée l'activité soumise à registre.
Le registre est conservé avec les pièces justificatives requises par sa tenue, telles que les documents de transport y afférents, les bons de pesage et les résultats d'analyse délivrés par des laboratoires agréés. Les pièces justificatives du registre sont conservées de manière à indiquer clairement à quelle note chaque pièce justificative se rapporte.
Sous-section 2. - Le registre des animaux
Art. 2.2.2.1. En exécution de l'article 24, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, chaque agriculteur visé à l'article 23, § 1er, dudit décret, doit, pour chaque année civile, tenir un registre des animaux pour chacune de ses exploitations et pour chacune des espèces animales qu'il a détenues dans son exploitation au cours de l'année civile écoulée, à l'exception des animaux qui appartiennent à l'espèce bovine. A cet effet, l'agriculteur peut choisir entre les types de registre suivants :
1° un registre mensuel ;
2° un registre des cycles ;
3° un registre des changements.
Le registre des cycles visé à l'alinéa 1er, 2°, ne peut être utilisé que pour les catégories d'animaux détenus suivant un système de cycles.
Art. 2.2.2.2. L'agriculteur qui a opté pour le registre mensuel, tel que visé à l'article 2.2.2.1, alinéa 1er, 1°, note, à l'issue de chaque mois et pour chaque catégorie d'animaux, le nombre moyen d'animaux de cette catégorie présents dans l'exploitation au cours du mois écoulé.
Art. 2.2.2.3. § 1er. L'agriculteur qui a opté pour le registre des cycles tel que visé à l'article 2.2.2.1, alinéa 1er, 2°, note pour chaque cycle :
1° la date de début du cycle concerné ;
2° le nombre d'animaux présents au début du cycle ;
3° la date de fin du cycle concerné ;
4° le nombre d'animaux encore présents à la fin du cycle.
Lorsqu'un cycle est opérationnel au 1er janvier, l'agriculteur note dans le registre des animaux le nombre d'animaux présents dans l'exploitation au 1er janvier. Lorsqu'un cycle est opérationnel au 31 décembre, l'agriculteur note sur le registre des animaux le nombre d'animaux présents dans l'exploitation au 31 décembre.
§ 2. Lorsqu'un agriculteur a plusieurs étables ou parties d'étables dans son exploitation qui font l'objet d'un système des cycles, il doit tenir un registre des cycles, tel que visé à l'article 2.2.2.1, alinéa 1er, 2°, lorsque les cycles dans les étables ou parties d'étables présentent l'une des caractéristiques suivantes :
1° les cycles ne commencent pas au même moment ;
2° les cycles ne s'arrêtent pas au même moment ;
3° les cycles ne concernent pas les mêmes catégories d'animaux.
Art. 2.2.2.4. § 1er. L'agriculteur qui a opté pour le registre des changements, tel que visé à l'article 2.2.2.1., alinéa 1er, 3°, note dans le registre des animaux le nombre d'animaux et les catégories d'animaux correspondantes présents dans l'exploitation au 1er janvier ainsi que tout changement dans le nombre d'animaux et les catégories d'animaux présents dans l'exploitation.
Est considéré comme un changement dans le nombre d'animaux et les catégories d'animaux qui sont présents dans l'exploitation :
1° chaque animal qui quitte l'exploitation à l'état vivant ;
2° chaque animal qui arrive dans l'exploitation ;
3° chaque naissance d'un animal dans l'exploitation ;
4° chaque décès d'un animal dans l'exploitation, y compris l'abattage dans l'exploitation elle-même ;
5° chaque passage d'une catégorie d'animaux à une autre.
§ 2. Pour chacun des changements visés au paragraphe 1er, alinéa 2, l'agriculteur note la date, le nombre d'animaux concernés, la catégorie d'animaux concernée et la nature du changement. Lors du passage d'une catégorie d'animaux à une autre, l'agriculteur note la catégorie à laquelle appartient l'animal après son passage.
Sous-section 3. Le registre pour producteurs, distributeurs, importateurs et exportateurs d'engrais chimiques et pour les exploitants d'un point de rassemblement d'engrais, d'une unité de traitement ou de transformation
Art. 2.2.3.1. Chaque personne qui doit tenir un registre visé à l'article 24, § 2 ou § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, note les données suivantes, pour chaque exploitation et pour tous les engrais qui quittent son exploitation :
1° l'exploitation d'où proviennent les engrais ainsi que le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant intéressé si les engrais concernés n'ont pas été produits dans l'exploitation ;
2° l'exploitation destinataire des engrais et le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant concerné. Lorsque les engrais sont destinés à plusieurs exploitations, l'adresse et le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant intéressé doivent être notés pour chacune des exploitations concernées ;
3° la date du transport. Lorsque la date de début et de fin du transport diffèrent, elles doivent être mentionnées toutes les deux ;
4° la quantité d'engrais, exprimée en kg P2O5, en kg N et en tonnes ainsi que le type d'engrais qui a quitté l'exploitation. Lorsque les engrais ont été déchargés à plusieurs endroits, il y a lieu de mentionner la quantité d'engrais déchargée pour chaque lieu de déchargement ;
5° l'identification du transporteur concerné. Il s'agit en l'occurrence du nom, de l'adresse et, le cas échéant, du numéro d'exploitation du transporteur concerné.
Chaque personne qui doit tenir un registre visé à l'article 24, § 2 ou § 3, du décret précité, doit noter dans un registre, les données suivantes pour tous les engrais reçus à l'exploitation :
1° l'exploitation où ont été produits les engrais reçus ainsi que le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant concerné ;
2° le nom et l'adresse de l'offreur des engrais, s'il ne s'agit pas de la personne mentionnée au point 1° ;
3° le lieu de chargement ou les lieux de chargement lorsque les engrais ont été chargés à divers endroits ;
4° la date du transport. Lorsque la date de début et de fin du transport diffèrent, elles doivent être mentionnées toutes les deux ;
5° la quantité d'engrais réceptionnée, exprimée en kg P2O5, en kg N et en tonnes, ainsi que la nature des engrais réceptionnés ;
6° l'identification du transporteur concerné. Il s'agit en l'occurrence du nom, de l'adresse et, le cas échéant, du numéro d'exploitation du transporteur concerné.
Chaque personne qui doit tenir un registre visé à l'article 24, § 2 ou § 3, du décret précité, doit noter dans un registre les données suivantes pour toute importation d'engrais :
1° l'exploitation d'où est originaire l'engrais et le nom de l'agriculteur ou exploitant concerné ;
2° l'exploitation destinataire des engrais et le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant concerné. Lorsque les engrais sont destinés à plusieurs exploitations, l'adresse et le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant intéressé doivent être notés pour chacune des exploitations concernées ;
3° la date du transport. Lorsque la date de début et de fin du transport diffèrent, elles doivent être mentionnées toutes les deux ;
4° la quantité d'engrais, exprimée en kg P2O5, en kg N et en tonnes, ainsi que le type d'engrais ayant quitté l'exploitation. Lorsque les engrais ont été déchargés à plusieurs endroits, il y a lieu de mentionner la quantité d'engrais déchargée pour chaque lieu de déchargement ;
5° si l'importateur n'assure pas lui-même le transport, l'identification du transporteur intéressé. Il s'agit en l'occurrence du nom, de l'adresse et, le cas échéant, du numéro d'exploitation du transporteur concerné.
Chaque personne qui doit tenir un registre visé à l'article 24, § 2 ou § 3, du décret précité, doit noter dans un registre les données suivantes pour toute exportation d'engrais :
1° l'exploitation d'où est originaire l'engrais et le nom de l'agriculteur ou exploitant concerné ;
2° l'exploitation destinataire des engrais et le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant concerné. Lorsque les engrais sont destinés à plusieurs exploitations, l'adresse et le nom de l'agriculteur ou de l'exploitant intéressé doivent être notés pour chacune des exploitations concernées ;
3° le lieu de chargement ou les lieux de chargement lorsque les engrais ont été chargés à divers endroits ;
4° la date du transport. Lorsque la date de début et de fin du transport diffèrent, elles doivent être mentionnées toutes les deux ;
5° la quantité d'engrais exportée, exprimée en kg P2O5, en kg N et en tonnes, ainsi que la nature et la forme des engrais exportés ;
6° si l'exportateur n'assure pas lui-même le transport, l'identification du transporteur intéressé. Il s'agit en l'occurrence du nom, de l'adresse et, le cas échéant, du numéro d'exploitation du transporteur concerné.
Art. 2.2.3.2. Lorsqu'un document de transport a été rédigé pour un départ, une réception, une importation ou une exportation d'engrais, seules les données suivantes doivent être consignées dans le registre, par dérogation à l'article 2.2.3.1 :
1° le numéro du document de transport concerné ;
2° le cas échéant, la date à laquelle le document de transport en question a été notifié à la Banque d'engrais ;
3° les données qui, conformément à l'article 2.2.3.1, doivent être consignées dans le registre et ne sont pas mentionnées dans le document concerné. ".
Art. 9. In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk 3, dat bestaat uit artikel 3, vervangen door wat volgt:
"HOOFDSTUK 3. - Gebiedsspecifieke karakteristieken
Afdeling 1. - De afbakening van focusgebieden en fosfaatverzadigde gebieden en de bepaling van de gemeentelijke productiedruk
Art. 3.1.1. Ter uitvoering van artikel 14, § 1, vierde lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006 worden de focusgebieden bepaald.
De focusgebieden worden jaarlijks herzien, op basis van de evolutie van de oppervlaktewater- en grondwaterkwaliteit.
De minister wijst de focusgebieden aan, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
Art. 3.1.2. Ter uitvoering van artikel 17, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006, worden de gebieden die aangeduid zijn op de kaart, opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, als fosfaatverzadigde gebieden afgebakend."
"HOOFDSTUK 3. - Gebiedsspecifieke karakteristieken
Afdeling 1. - De afbakening van focusgebieden en fosfaatverzadigde gebieden en de bepaling van de gemeentelijke productiedruk
Art. 3.1.1. Ter uitvoering van artikel 14, § 1, vierde lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006 worden de focusgebieden bepaald.
De focusgebieden worden jaarlijks herzien, op basis van de evolutie van de oppervlaktewater- en grondwaterkwaliteit.
De minister wijst de focusgebieden aan, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
Art. 3.1.2. Ter uitvoering van artikel 17, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006, worden de gebieden die aangeduid zijn op de kaart, opgenomen in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, als fosfaatverzadigde gebieden afgebakend."
Art. 9. Dans le même arrêté, le chapitre 3, qui se compose de l'article 3, est remplacé par ce qui suit :
" CHAPITRE 3. - Caractéristiques spécifiques à la zone
Section 1re. - La délimitation des zones prioritaires et des zones saturées en phosphates ainsi que la définition de la charge de production communale
Art. 3.1.1. Les zones prioritaires sont définies en exécution de l'article 14, § 1er, alinéa 4, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Les zones prioritaires sont revues annuellement, sur la base de l'évolution de la qualité des eaux de surface et des eaux souterraines.
Le ministre indique les zones prioritaires conformément aux dispositions du présent article.
Art. 3.1.2. En exécution de l'article 17, § 2, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, les zones indiquées sur la carte, reprise à l'annexe 1re jointe au présent arrêté, sont délimitées en tant que zones saturées en phosphates.
" CHAPITRE 3. - Caractéristiques spécifiques à la zone
Section 1re. - La délimitation des zones prioritaires et des zones saturées en phosphates ainsi que la définition de la charge de production communale
Art. 3.1.1. Les zones prioritaires sont définies en exécution de l'article 14, § 1er, alinéa 4, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Les zones prioritaires sont revues annuellement, sur la base de l'évolution de la qualité des eaux de surface et des eaux souterraines.
Le ministre indique les zones prioritaires conformément aux dispositions du présent article.
Art. 3.1.2. En exécution de l'article 17, § 2, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, les zones indiquées sur la carte, reprise à l'annexe 1re jointe au présent arrêté, sont délimitées en tant que zones saturées en phosphates.
Art. 10. In hetzelfde besluit wordt een artikel 3.1.3 ingevoegd, dat luidt als volgt
"Art. 3.1.3. Ter uitvoering van artikel 29, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006 wordt de gemeentelijke productiedruk vastgesteld in de lijst, opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De lijst, vermeld in het eerste lid, wordt ten minste om de acht jaar geëvalueerd en als dat nodig is aangepast.".
"Art. 3.1.3. Ter uitvoering van artikel 29, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006 wordt de gemeentelijke productiedruk vastgesteld in de lijst, opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
De lijst, vermeld in het eerste lid, wordt ten minste om de acht jaar geëvalueerd en als dat nodig is aangepast.".
Art. 10. Dans le même arrêté, il est ajouté un article 3.1.3, libellé comme suit :
" Art. 3.1.3. En exécution de l'article 29, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, la charge de production communale est déterminée dans la liste reprise à l'annexe 2, jointe au présent arrêté.
La liste visée à l'alinéa 1er est évaluée au moins tous les 8 ans et adaptée si nécessaire. "
" Art. 3.1.3. En exécution de l'article 29, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, la charge de production communale est déterminée dans la liste reprise à l'annexe 2, jointe au présent arrêté.
La liste visée à l'alinéa 1er est évaluée au moins tous les 8 ans et adaptée si nécessaire. "
Art. 11. Aan hoofdstuk 3 van hetzelfde besluit wordt een afdeling 2, die bestaat uit artikel 3.2.1 tot en met 3.2.6, een afdeling 3, die bestaat uit artikel 3.3.1.1 tot en met 3.3.3.4, en een afdeling 4, die bestaat uit artikel 3.4.1 tot en met 3.4.5, toegevoegd, die luiden als volgt:
"Afdeling 2. - Landbouwgronden die gelegen zijn in gebieden die aangewezen zijn op gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en ressorteren onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos" of "reservaat en natuur", ter uitvoering van artikel 41bis van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 3.2.1. Voor elk perceel grasland in de gebieden, vermeld in artikel 41bis, § 1, eerste lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006, vermeldt de Mestbank in zijn databank of het perceel een intensief grasland is of niet.
De Mestbank gebruikt voor de vermelding, vermeld in het eerste lid, de recentste biologische waarderingskaart van het INBO, in voorkomend geval aangevuld met de gegevens naar aanleiding van een recent plaatsbezoek door een deskundige in opdracht van de Mestbank.
De deskundige maakt van het plaatsbezoek een verslag op, waarin hij de biologische waardering van het betrokken perceel vermeldt. Dat verslag wordt bezorgd aan het INBO. Als het INBO binnen twee werkdagen na ontvangst van het verslag geen bezwaar maakt, wordt de in het verslag van de deskundige opgenomen kwalificatie aanvaard. Als het INBO wel bezwaar heeft tegen de in het verslag vermelde kwalificatie, meldt het dat binnen twee werkdagen na ontvangst van het verslag. Binnen zeven werkdagen na ontvangst van het verslag deelt het INBO aan de VLM zijn kwalificatie van het betrokken perceel mee, samen met de gegevens waarop die kwalificatie is gebaseerd.
Art. 3.2.2. Voor elk perceel landbouwgrond, vermeld in artikel 41bis, § 3, eerste lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006, controleert de Mestbank welke landbouwers het betrokken perceel in gebruik hadden. Die controle wordt uitgevoerd op basis van de recentst beschikbare gegevens van de verzamelaanvraag. Op basis van die gegevens bepaalt de Mestbank de vermoedelijke gebruiker van het perceel op 1 januari van het kalenderjaar vanaf wanneer er op het betrokken perceel een bemestingsverbod geldt, conform artikel 41bis, § 1, eerste lid, van het voormelde decreet. De Mestbank stuurt die landbouwer een kennisgeving als vermeld in artikel 41bis, § 3, van het voormelde decreet.
Art. 3.2.3. § 1. Als de landbouwer niet akkoord gaat met de kennisgeving, vermeld in artikel 3.2.2, kan hij een aanvraag tot correctie indienen.
§ 2. De Mestbank kan een deskundige opdracht geven om via een plaatsbezoek recente gegevens te verzamelen over een perceel waarvoor er een aanvraag tot correctie als vermeld in paragraaf 1, is ingediend.
Als de deskundige gegevens over de biologische kwalificatie van een perceel moet verzamelen, wordt het plaatsbezoek uitgevoerd in een periode waarin de vegetatie herkenbaar is.
De deskundige maakt van het plaatsbezoek een verslag op, waarin hij de biologische waardering van het betrokken perceel vermeldt, en bezorgt het verslag aan de Mestbank. De Mestbank bezorgt dat verslag aan het INBO. Als het INBO binnen twee werkdagen na ontvangst van het verslag geen bezwaar maakt, wordt de in het verslag van de deskundige opgenomen kwalificatie aanvaard. Als het INBO wel bezwaar heeft tegen de in het verslag vermelde kwalificatie, meldt het dat binnen twee werkdagen na ontvangst van het verslag. Binnen zeven werkdagen na ontvangst van het verslag deelt het INBO aan de VLM zijn kwalificatie van het betrokken perceel mee, samen met de gegevens waarop die kwalificatie is gebaseerd.
§ 3. De Mestbank maakt voor elke aanvraag tot correctie een dossier op dat minstens de volgende stukken bevat:
1° een kopie van de kennisgeving;
2° een kopie van de aanvraag tot correctie;
3° de gegevens over de biologische waardering van het perceel, die de Mestbank gebruikt heeft om te bepalen of het perceel een intensief grasland is of niet;
4° in voorkomend geval, een kopie van het verslag van de deskundige, vermeld in paragraaf 2, derde lid;
5° in voorkomend geval, een kopie van de kwalificatie van het betrokken perceel door het INBO en van de gegevens waarop het INBO zich voor zijn kwalificatie heeft gebaseerd, vermeld in paragraaf 2, derde lid.
Art. 3.2.4. § 1 Van elk dossier, vermeld in artikel 3.2.3, § 3, wordt een kopie bezorgd aan de voorzitter van de Verificatiecommissie, vermeld in artikel 12.1.1, met het verzoek om over het betreffende dossier een advies te verlenen.
Bij de ontvangst van het dossier stelt de voorzitter van de voormelde Verificatiecommissie een zittingsdag vast. Hij deelt de datum van de zittingsdag mee aan de leden van de voormelde Verificatiecommissie en bezorgt hun een kopie van de stukken, vermeld in artikel 3.2.3, § 3, 3° en 4°
§ 2. De voormelde Verificatiecommissie beraadslaagt met gesloten deuren.
De voormelde Verificatiecommissie beraadslaagt geldig als minstens de helft van de effectieve of plaatsvervangende leden aanwezig is. De plaatsvervanger mag alleen zetelen als het effectieve lid verhinderd is.
§ 3. De voormelde Verificatiecommissie beslist over haar advies bij meerderheid van de aanwezige leden. In geval van staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
§ 4. Het advies van de voormelde Verificatiecommissie wordt samen met het dossier aan de Mestbank bezorgd.
§ 5. Van elke vergadering van de voormelde Verificatiecommissie stelt de secretaris een verslag op. Elk commissielid kan op eenvoudig verzoek een kopie van het verslag krijgen.
§ 6. De voormelde Verificatiecommissie kan een huishoudelijk reglement opstellen.
Art. 3.2.5. De beslissing van de Mestbank over een aanvraag tot correctie wordt via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket aan de betrokken landbouwer bezorgd. Bij de beslissing van de Mestbank is een kopie gevoegd van het advies van de Verificatiecommissie, vermeld in artikel 12.1.1.
Afdeling 3. - Mogelijkheden voor individuele percelen landbouwgrond om de kwalificatie als zandgrond of als niet-zware kleigrond te wijzigen
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen voor het wijzigen voor een individueel perceel van de kwalificatie zandgrond of niet-zware kleigrond
Art. 3.3.1.1. Een landbouwer die voor een individueel perceel de kwalificatie als zandgrond of de kwalificatie als niet-zware kleigrond wil wijzigen, moet beschikken over een textuuranalyse van dat perceel.
De bemonstering van het perceel en de textuuranalyse zijn uitgevoerd door een laboratorium dat beschikt over een erkenning conform het VLAREL van 19 november 2010, voor de categorie, vermeld in artikel 6, 5°, c), van het voormelde besluit, en zijn uitgevoerd conform de bepalingen van het BOC.
De textuuranalyse vermeldt de coördinaten, bepaald conform de bepalingen van het BOC, van het perceel dat geanalyseerd is, ofwel het perceelnummer.
Art. 3.3.1.2. De landbouwer bezorgt de textuuranalyse, vermeld in artikel 3.3.1.1, aan de Mestbank met een beveiligde zending. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en landbouwernummer.
In afwijking van het eerste lid kan de minister beslissen dat de textuuranalyse geheel of gedeeltelijk ingediend moet worden via een internetloket dat de Mestbank ter beschikking stelt.
Art. 3.3.1.3. De Mestbank beoordeelt de ontvangen textuuranalyse en meldt de betrokken landbouwer binnen negentig kalenderdagen na de ontvangst van de textuuranalyse de percelen die niet langer beschouwd worden als zandgronden of de percelen die als zware kleigrond beschouwd worden.
Art. 3.3.1.4. Als de Mestbank, na de melding, vermeld in artikel 3.3.1.3, kennis krijgt van een textuuranalyse, uitgevoerd conform artikel 3.3.1.1, die recenter is dan de door de landbouwer bezorgde textuuranalyse, en waaruit volgt dat het betrokken perceel een andere kwalificatie heeft dan meegedeeld, brengt de Mestbank de betrokken landbouwer daarvan met een beveiligde zending op de hoogte. Daarbij vermeldt de Mestbank de percelen die opnieuw beschouwd worden als zandgronden of de percelen die niet langer als zware kleigrond beschouwd worden.
Onderafdeling 2. - Het tijdstip waarop voor een individueel perceel de wijziging van de kwalificatie als zandgrond ingaat
Art. 3.3.2.1. Voor percelen waarvan de Mestbank in de melding, vermeld in artikel 3.3.1.3, meedeelt dat ze niet langer beschouwd worden als zandgronden, en waarvoor de textuuranalyse waarop de beslissing van de Mestbank gebaseerd is, bezorgd is aan de Mestbank uiterlijk op 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, gelden de volgende voorwaarden:
1° het betrokken perceel wordt vanaf het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de textuuranalyse aan de Mestbank werd bezorgd, niet langer beschouwd als zandgrond;
2° in afwijking van punt 1° wordt voor de beoordeling van een nitraatresidubepaling die uitgevoerd is op het betrokken perceel in het kalenderjaar waarin de textuuranalyse aan de Mestbank werd bezorgd of in een later kalenderjaar, het betrokken perceel niet langer beschouwd wordt als zandgrond.
Voor percelen waarvan de Mestbank in de melding, vermeld in artikel 3.3.1.3, meedeelt dat ze niet langer beschouwd worden als zandgronden, en waarvoor de textuuranalyse waarop de beslissing van de Mestbank gebaseerd is, bezorgd is aan de Mestbank na 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, gelden de volgende voorwaarden:
1° het betrokken perceel wordt vanaf het tweede kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de textuuranalyse aan de Mestbank werd bezorgd, niet langer beschouwd wordt als zandgrond;
2° in afwijking van punt 1° wordt voor de beoordeling van een nitraatresidubepaling die uitgevoerd is op het betrokken perceel in het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de textuuranalyse aan de Mestbank werd bezorgd of in een later kalenderjaar, het betrokken perceel niet langer beschouwd wordt als zandgrond.
Art. 3.3.2.2. Voor percelen waarvan de Mestbank in haar beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, vermeldt dat ze opnieuw beschouwd worden als zandgronden, en waarvoor de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, uiterlijk op 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, verstuurd is, gelden de volgende voorwaarden:
1° het betrokken perceel wordt vanaf het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar van verzending van de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, opnieuw beschouwd als zandgrond;
2° in afwijking van punt 1° wordt voor de beoordeling van een nitraatresidubepaling die uitgevoerd is op het betrokken perceel in het kalenderjaar van de verzending van de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, of in een later kalenderjaar, het betrokken perceel opnieuw beschouwd als zandgrond.
Voor percelen waarvan de Mestbank in haar beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, vermeldt dat ze opnieuw beschouwd worden als zandgronden, en waarvoor de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, na 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, verstuurd is, gelden de volgende voorwaarden:
1° het betrokken perceel wordt vanaf het tweede kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar van verzending van de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, opnieuw beschouwd als zandgrond;
2° in afwijking van punt 1° wordt voor de beoordeling van een nitraatresidubepaling die uitgevoerd is op het betrokken perceel in het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar van de verzending van de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, of in een later kalenderjaar, het betrokken perceel opnieuw beschouwd als zandgrond.
Onderafdeling 3. - Nadere bepalingen voor het aantonen dat een perceel als een zware kleigrond beschouwd wordt
Art. 3.3.3.1. Ter uitvoering van artikel 3, § 7, 7°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, kan voor percelen in Vlaanderen die niet in de landbouwstreek Polders liggen, aangetoond worden dat ze vergelijkbare bodemkarakteristieken hebben als de landbouwgronden in de landbouwstreek Polders.
Een perceel beschikt over vergelijkbare bodemkarakteristieken als vermeld in artikel 3, § 7, 7°, van het voormelde decreet, als voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1° het betrokken perceel heeft textuurklasse leem als vermeld in de Belgische textuurdriehoek;
2° het kleigehalte in de bodem is minimaal 17,5 %;
3° het zandgehalte in de bodem is maximaal 15 %.
Art. 3.3.3.2. Om aan te tonen dat een perceel in het afgebakende gebied, vermeld in artikel 3.3.3.1, eerste lid, vergelijkbare bodemkarakteristieken heeft als de landbouwgronden in de landbouwstreek Polders, moet de textuuranalyse, vermeld in artikel 3.3.1.1, voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° de textuuranalyse toont aan dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.3.3.1, tweede lid;
2° de erkenning, vermeld in artikel 3.3.1.1, tweede lid, heeft betrekking op de granulometrische bepaling van de bodemtextuur;
3° het kleigehalte en het zandgehalte in de bodem, is bepaald volgens de granulometrische textuurbepaling vermeld in het BOC (pipetmethode van Robinson-Köhn, gratis raadpleegbaar in het Nederlands op de website van het VITO).
In afwijking van artikel 3.3.1.1, derde lid, mag, voor de volgende aspecten afgeweken worden van de bepalingen van het BOC:
1° voor percelen die groter zijn dan 2 ha volstaat één monstername per perceel, waarbij minimaal vijftien boorsteken in kruisverband genomen worden, evenredig verdeeld over het hele perceel;
2° de landbouwer kan een of meer delen van het perceel aanduiden waarop de monstername uitgevoerd wordt. In voorkomend geval moet voldaan zijn aan al de volgende voorwaarden:
a) de oppervlakte van het aangeduide deel of de aangeduide delen bedraagt minstens 30 % van de totale oppervlakte van het betrokken perceel, zoals aangegeven op de verzamelaanvraag;
b) er worden minimaal vijftien boorsteken genomen, evenredig verdeeld over het aangeduide deel of de aangeduide delen.
Art. 3.3.3.3. Voor percelen waarvan de Mestbank in haar melding, vermeld in artikel 3.3.1.3, meedeelt dat ze beschouwd worden als zware kleigronden, en waarvoor de textuuranalyse waarop de beslissing van de Mestbank gebaseerd is, bezorgd is aan de Mestbank uiterlijk op 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, geldt dat het betrokken perceel vanaf het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de textuuranalyse aan de Mestbank werd bezorgd, beschouwd wordt als zware kleigrond.
Voor percelen waarvan de Mestbank in haar melding, vermeld in artikel 3.3.1.3, meedeelt dat ze beschouwd worden als zware kleigronden, en waarvoor de textuuranalyse waarop de beslissing van de Mestbank gebaseerd is, bezorgd is aan de Mestbank na 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, geldt dat het betrokken perceel vanaf het tweede kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de textuuranalyse aan de Mestbank werd bezorgd, beschouwd wordt als zware kleigrond.
Art. 3.3.3.4. Voor percelen waarvan de Mestbank in haar beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, vermeldt dat ze niet langer beschouwd worden als zware kleigronden, en waarvoor de voormelde beveiligde zending uiterlijk op 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, verstuurd is, geldt dat het betrokken perceel vanaf het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar van de verzending van de beveiligde zending, vermeld in het tweede lid, niet langer beschouwd wordt als zware kleigrond.
Voor percelen waarvan de Mestbank in haar beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, vermeldt dat ze niet langer beschouwd worden als zware kleigronden, en waarvoor de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, na 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, verstuurd is, geldt dat het betrokken perceel vanaf het tweede kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar van de verzending van de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, niet langer beschouwd wordt als zware kleigrond.
Afdeling 4. - Mogelijkheden voor individuele percelen landbouwgrond om de kwalificatie als fosfaatverzadigd perceel te wijzigen
Art. 3.4.1. Om te kunnen aantonen dat een perceel dat gelegen is in een fosfaatverzadigd gebied niet fosfaatverzadigd is als vermeld in artikel 17, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006, moet een bodemanalyse uitgevoerd worden om de fosfaatverzadigingsgraad van het perceel te bepalen.
De bemonstering van het perceel en de bodemanalyse voor de bepaling van de fosfaatverzadigingsgraad worden uitgevoerd door een erkend laboratorium conform de bepaling van het BAM.
Art. 3.4.2. De landbouwer bezorgt de bodemanalyse, vermeld in artikel 3.4.1, aan de Mestbank met een beveiligde zending. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en landbouwernummer.
In afwijking van het eerste lid kan de minister beslissen dat de bodemanalyse geheel of gedeeltelijk ingediend moet worden via een internetloket dat de Mestbank ter beschikking stelt.
De bodemanalyse mag maximaal vijf jaar oud zijn als ze aan de Mestbank bezorgd wordt.
De landbouwer voegt bij de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid, de nodige stukken waaruit blijkt wat de kosten van de analyse zijn. Hij vermeldt ook het rekeningnummer waarop die kosten terugbetaald moeten worden, als de Mestbank op basis van de analyse de kosten ten laste neemt als vermeld in artikel 17, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006.
Art. 3.4.3. De Mestbank beoordeelt binnen negentig kalenderdagen na de ontvangst van die bodemanalyse de ontvangen bodemanalyse.
Als op basis van de bodemanalyse geoordeeld wordt dat een perceel dat zonder de betrokken bodemanalyse als fosfaatverzadigd werd beschouwd, niet fosfaatverzadigd is, betaalt de Mestbank de landbouwer de kosten van de bodemanalyse terug.
De Mestbank informeert de landbouwer met een beveiligde zending over de percelen die als niet-fosfaatverzadigd beschouwd worden en over de kosten, vermeld in het tweede lid, die terugbetaald zullen worden.
Art. 3.4.4. Om een individueel perceel als niet-fosfaatverzadigd te kunnen beschouwen, moet voldaan zijn aan de volgende voorwaarden:
1° de bodemanalyse, vermeld in artikel 3.4.1 van dit besluit, is uitgevoerd door een erkend laboratorium dat ook beschikt over een erkenning conform het VLAREL van 19 november 2010, voor de categorie, vermeld in artikel 6, 5°, c), van het voormelde besluit;
2° de textuurbepaling van zandgronden is uitgevoerd conform de bepalingen van het BOC;
3° het betrokken perceel heeft volgens de bodemanalyse een profielgemiddelde fosfaatverzadigingsgraad die lager is dan 35 %, of het betreft geen zandgrond.
Art. 3.4.5. Voor percelen waarvan de Mestbank op basis van de ontvangen bodemanalyse oordeelt dat het betrokken perceel niet fosfaatverzadigd is, geldt:
1° als de bodemanalyse bezorgd is aan de Mestbank uiterlijk op 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, wordt het betrokken perceel vanaf het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse aan de Mestbank werd bezorgd, beschouwd als niet-fosfaatverzadigd, en geldt vanaf dat kalenderjaar de norm, vermeld in artikel 17, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, niet;
2° als de bodemanalyse bezorgd is aan de Mestbank na 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, wordt het betrokken perceel vanaf het tweede kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse aan de Mestbank werd bezorgd, beschouwd als niet-fosfaatverzadigd, en geldt vanaf dat kalenderjaar de norm, vermeld in artikel 17, § 1, van het voormelde decreet, niet.".
"Afdeling 2. - Landbouwgronden die gelegen zijn in gebieden die aangewezen zijn op gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en ressorteren onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos" of "reservaat en natuur", ter uitvoering van artikel 41bis van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 3.2.1. Voor elk perceel grasland in de gebieden, vermeld in artikel 41bis, § 1, eerste lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006, vermeldt de Mestbank in zijn databank of het perceel een intensief grasland is of niet.
De Mestbank gebruikt voor de vermelding, vermeld in het eerste lid, de recentste biologische waarderingskaart van het INBO, in voorkomend geval aangevuld met de gegevens naar aanleiding van een recent plaatsbezoek door een deskundige in opdracht van de Mestbank.
De deskundige maakt van het plaatsbezoek een verslag op, waarin hij de biologische waardering van het betrokken perceel vermeldt. Dat verslag wordt bezorgd aan het INBO. Als het INBO binnen twee werkdagen na ontvangst van het verslag geen bezwaar maakt, wordt de in het verslag van de deskundige opgenomen kwalificatie aanvaard. Als het INBO wel bezwaar heeft tegen de in het verslag vermelde kwalificatie, meldt het dat binnen twee werkdagen na ontvangst van het verslag. Binnen zeven werkdagen na ontvangst van het verslag deelt het INBO aan de VLM zijn kwalificatie van het betrokken perceel mee, samen met de gegevens waarop die kwalificatie is gebaseerd.
Art. 3.2.2. Voor elk perceel landbouwgrond, vermeld in artikel 41bis, § 3, eerste lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006, controleert de Mestbank welke landbouwers het betrokken perceel in gebruik hadden. Die controle wordt uitgevoerd op basis van de recentst beschikbare gegevens van de verzamelaanvraag. Op basis van die gegevens bepaalt de Mestbank de vermoedelijke gebruiker van het perceel op 1 januari van het kalenderjaar vanaf wanneer er op het betrokken perceel een bemestingsverbod geldt, conform artikel 41bis, § 1, eerste lid, van het voormelde decreet. De Mestbank stuurt die landbouwer een kennisgeving als vermeld in artikel 41bis, § 3, van het voormelde decreet.
Art. 3.2.3. § 1. Als de landbouwer niet akkoord gaat met de kennisgeving, vermeld in artikel 3.2.2, kan hij een aanvraag tot correctie indienen.
§ 2. De Mestbank kan een deskundige opdracht geven om via een plaatsbezoek recente gegevens te verzamelen over een perceel waarvoor er een aanvraag tot correctie als vermeld in paragraaf 1, is ingediend.
Als de deskundige gegevens over de biologische kwalificatie van een perceel moet verzamelen, wordt het plaatsbezoek uitgevoerd in een periode waarin de vegetatie herkenbaar is.
De deskundige maakt van het plaatsbezoek een verslag op, waarin hij de biologische waardering van het betrokken perceel vermeldt, en bezorgt het verslag aan de Mestbank. De Mestbank bezorgt dat verslag aan het INBO. Als het INBO binnen twee werkdagen na ontvangst van het verslag geen bezwaar maakt, wordt de in het verslag van de deskundige opgenomen kwalificatie aanvaard. Als het INBO wel bezwaar heeft tegen de in het verslag vermelde kwalificatie, meldt het dat binnen twee werkdagen na ontvangst van het verslag. Binnen zeven werkdagen na ontvangst van het verslag deelt het INBO aan de VLM zijn kwalificatie van het betrokken perceel mee, samen met de gegevens waarop die kwalificatie is gebaseerd.
§ 3. De Mestbank maakt voor elke aanvraag tot correctie een dossier op dat minstens de volgende stukken bevat:
1° een kopie van de kennisgeving;
2° een kopie van de aanvraag tot correctie;
3° de gegevens over de biologische waardering van het perceel, die de Mestbank gebruikt heeft om te bepalen of het perceel een intensief grasland is of niet;
4° in voorkomend geval, een kopie van het verslag van de deskundige, vermeld in paragraaf 2, derde lid;
5° in voorkomend geval, een kopie van de kwalificatie van het betrokken perceel door het INBO en van de gegevens waarop het INBO zich voor zijn kwalificatie heeft gebaseerd, vermeld in paragraaf 2, derde lid.
Art. 3.2.4. § 1 Van elk dossier, vermeld in artikel 3.2.3, § 3, wordt een kopie bezorgd aan de voorzitter van de Verificatiecommissie, vermeld in artikel 12.1.1, met het verzoek om over het betreffende dossier een advies te verlenen.
Bij de ontvangst van het dossier stelt de voorzitter van de voormelde Verificatiecommissie een zittingsdag vast. Hij deelt de datum van de zittingsdag mee aan de leden van de voormelde Verificatiecommissie en bezorgt hun een kopie van de stukken, vermeld in artikel 3.2.3, § 3, 3° en 4°
§ 2. De voormelde Verificatiecommissie beraadslaagt met gesloten deuren.
De voormelde Verificatiecommissie beraadslaagt geldig als minstens de helft van de effectieve of plaatsvervangende leden aanwezig is. De plaatsvervanger mag alleen zetelen als het effectieve lid verhinderd is.
§ 3. De voormelde Verificatiecommissie beslist over haar advies bij meerderheid van de aanwezige leden. In geval van staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
§ 4. Het advies van de voormelde Verificatiecommissie wordt samen met het dossier aan de Mestbank bezorgd.
§ 5. Van elke vergadering van de voormelde Verificatiecommissie stelt de secretaris een verslag op. Elk commissielid kan op eenvoudig verzoek een kopie van het verslag krijgen.
§ 6. De voormelde Verificatiecommissie kan een huishoudelijk reglement opstellen.
Art. 3.2.5. De beslissing van de Mestbank over een aanvraag tot correctie wordt via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket aan de betrokken landbouwer bezorgd. Bij de beslissing van de Mestbank is een kopie gevoegd van het advies van de Verificatiecommissie, vermeld in artikel 12.1.1.
Afdeling 3. - Mogelijkheden voor individuele percelen landbouwgrond om de kwalificatie als zandgrond of als niet-zware kleigrond te wijzigen
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen voor het wijzigen voor een individueel perceel van de kwalificatie zandgrond of niet-zware kleigrond
Art. 3.3.1.1. Een landbouwer die voor een individueel perceel de kwalificatie als zandgrond of de kwalificatie als niet-zware kleigrond wil wijzigen, moet beschikken over een textuuranalyse van dat perceel.
De bemonstering van het perceel en de textuuranalyse zijn uitgevoerd door een laboratorium dat beschikt over een erkenning conform het VLAREL van 19 november 2010, voor de categorie, vermeld in artikel 6, 5°, c), van het voormelde besluit, en zijn uitgevoerd conform de bepalingen van het BOC.
De textuuranalyse vermeldt de coördinaten, bepaald conform de bepalingen van het BOC, van het perceel dat geanalyseerd is, ofwel het perceelnummer.
Art. 3.3.1.2. De landbouwer bezorgt de textuuranalyse, vermeld in artikel 3.3.1.1, aan de Mestbank met een beveiligde zending. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en landbouwernummer.
In afwijking van het eerste lid kan de minister beslissen dat de textuuranalyse geheel of gedeeltelijk ingediend moet worden via een internetloket dat de Mestbank ter beschikking stelt.
Art. 3.3.1.3. De Mestbank beoordeelt de ontvangen textuuranalyse en meldt de betrokken landbouwer binnen negentig kalenderdagen na de ontvangst van de textuuranalyse de percelen die niet langer beschouwd worden als zandgronden of de percelen die als zware kleigrond beschouwd worden.
Art. 3.3.1.4. Als de Mestbank, na de melding, vermeld in artikel 3.3.1.3, kennis krijgt van een textuuranalyse, uitgevoerd conform artikel 3.3.1.1, die recenter is dan de door de landbouwer bezorgde textuuranalyse, en waaruit volgt dat het betrokken perceel een andere kwalificatie heeft dan meegedeeld, brengt de Mestbank de betrokken landbouwer daarvan met een beveiligde zending op de hoogte. Daarbij vermeldt de Mestbank de percelen die opnieuw beschouwd worden als zandgronden of de percelen die niet langer als zware kleigrond beschouwd worden.
Onderafdeling 2. - Het tijdstip waarop voor een individueel perceel de wijziging van de kwalificatie als zandgrond ingaat
Art. 3.3.2.1. Voor percelen waarvan de Mestbank in de melding, vermeld in artikel 3.3.1.3, meedeelt dat ze niet langer beschouwd worden als zandgronden, en waarvoor de textuuranalyse waarop de beslissing van de Mestbank gebaseerd is, bezorgd is aan de Mestbank uiterlijk op 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, gelden de volgende voorwaarden:
1° het betrokken perceel wordt vanaf het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de textuuranalyse aan de Mestbank werd bezorgd, niet langer beschouwd als zandgrond;
2° in afwijking van punt 1° wordt voor de beoordeling van een nitraatresidubepaling die uitgevoerd is op het betrokken perceel in het kalenderjaar waarin de textuuranalyse aan de Mestbank werd bezorgd of in een later kalenderjaar, het betrokken perceel niet langer beschouwd wordt als zandgrond.
Voor percelen waarvan de Mestbank in de melding, vermeld in artikel 3.3.1.3, meedeelt dat ze niet langer beschouwd worden als zandgronden, en waarvoor de textuuranalyse waarop de beslissing van de Mestbank gebaseerd is, bezorgd is aan de Mestbank na 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, gelden de volgende voorwaarden:
1° het betrokken perceel wordt vanaf het tweede kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de textuuranalyse aan de Mestbank werd bezorgd, niet langer beschouwd wordt als zandgrond;
2° in afwijking van punt 1° wordt voor de beoordeling van een nitraatresidubepaling die uitgevoerd is op het betrokken perceel in het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de textuuranalyse aan de Mestbank werd bezorgd of in een later kalenderjaar, het betrokken perceel niet langer beschouwd wordt als zandgrond.
Art. 3.3.2.2. Voor percelen waarvan de Mestbank in haar beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, vermeldt dat ze opnieuw beschouwd worden als zandgronden, en waarvoor de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, uiterlijk op 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, verstuurd is, gelden de volgende voorwaarden:
1° het betrokken perceel wordt vanaf het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar van verzending van de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, opnieuw beschouwd als zandgrond;
2° in afwijking van punt 1° wordt voor de beoordeling van een nitraatresidubepaling die uitgevoerd is op het betrokken perceel in het kalenderjaar van de verzending van de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, of in een later kalenderjaar, het betrokken perceel opnieuw beschouwd als zandgrond.
Voor percelen waarvan de Mestbank in haar beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, vermeldt dat ze opnieuw beschouwd worden als zandgronden, en waarvoor de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, na 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, verstuurd is, gelden de volgende voorwaarden:
1° het betrokken perceel wordt vanaf het tweede kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar van verzending van de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, opnieuw beschouwd als zandgrond;
2° in afwijking van punt 1° wordt voor de beoordeling van een nitraatresidubepaling die uitgevoerd is op het betrokken perceel in het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar van de verzending van de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, of in een later kalenderjaar, het betrokken perceel opnieuw beschouwd als zandgrond.
Onderafdeling 3. - Nadere bepalingen voor het aantonen dat een perceel als een zware kleigrond beschouwd wordt
Art. 3.3.3.1. Ter uitvoering van artikel 3, § 7, 7°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, kan voor percelen in Vlaanderen die niet in de landbouwstreek Polders liggen, aangetoond worden dat ze vergelijkbare bodemkarakteristieken hebben als de landbouwgronden in de landbouwstreek Polders.
Een perceel beschikt over vergelijkbare bodemkarakteristieken als vermeld in artikel 3, § 7, 7°, van het voormelde decreet, als voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1° het betrokken perceel heeft textuurklasse leem als vermeld in de Belgische textuurdriehoek;
2° het kleigehalte in de bodem is minimaal 17,5 %;
3° het zandgehalte in de bodem is maximaal 15 %.
Art. 3.3.3.2. Om aan te tonen dat een perceel in het afgebakende gebied, vermeld in artikel 3.3.3.1, eerste lid, vergelijkbare bodemkarakteristieken heeft als de landbouwgronden in de landbouwstreek Polders, moet de textuuranalyse, vermeld in artikel 3.3.1.1, voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° de textuuranalyse toont aan dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.3.3.1, tweede lid;
2° de erkenning, vermeld in artikel 3.3.1.1, tweede lid, heeft betrekking op de granulometrische bepaling van de bodemtextuur;
3° het kleigehalte en het zandgehalte in de bodem, is bepaald volgens de granulometrische textuurbepaling vermeld in het BOC (pipetmethode van Robinson-Köhn, gratis raadpleegbaar in het Nederlands op de website van het VITO).
In afwijking van artikel 3.3.1.1, derde lid, mag, voor de volgende aspecten afgeweken worden van de bepalingen van het BOC:
1° voor percelen die groter zijn dan 2 ha volstaat één monstername per perceel, waarbij minimaal vijftien boorsteken in kruisverband genomen worden, evenredig verdeeld over het hele perceel;
2° de landbouwer kan een of meer delen van het perceel aanduiden waarop de monstername uitgevoerd wordt. In voorkomend geval moet voldaan zijn aan al de volgende voorwaarden:
a) de oppervlakte van het aangeduide deel of de aangeduide delen bedraagt minstens 30 % van de totale oppervlakte van het betrokken perceel, zoals aangegeven op de verzamelaanvraag;
b) er worden minimaal vijftien boorsteken genomen, evenredig verdeeld over het aangeduide deel of de aangeduide delen.
Art. 3.3.3.3. Voor percelen waarvan de Mestbank in haar melding, vermeld in artikel 3.3.1.3, meedeelt dat ze beschouwd worden als zware kleigronden, en waarvoor de textuuranalyse waarop de beslissing van de Mestbank gebaseerd is, bezorgd is aan de Mestbank uiterlijk op 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, geldt dat het betrokken perceel vanaf het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de textuuranalyse aan de Mestbank werd bezorgd, beschouwd wordt als zware kleigrond.
Voor percelen waarvan de Mestbank in haar melding, vermeld in artikel 3.3.1.3, meedeelt dat ze beschouwd worden als zware kleigronden, en waarvoor de textuuranalyse waarop de beslissing van de Mestbank gebaseerd is, bezorgd is aan de Mestbank na 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, geldt dat het betrokken perceel vanaf het tweede kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de textuuranalyse aan de Mestbank werd bezorgd, beschouwd wordt als zware kleigrond.
Art. 3.3.3.4. Voor percelen waarvan de Mestbank in haar beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, vermeldt dat ze niet langer beschouwd worden als zware kleigronden, en waarvoor de voormelde beveiligde zending uiterlijk op 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, verstuurd is, geldt dat het betrokken perceel vanaf het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar van de verzending van de beveiligde zending, vermeld in het tweede lid, niet langer beschouwd wordt als zware kleigrond.
Voor percelen waarvan de Mestbank in haar beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, vermeldt dat ze niet langer beschouwd worden als zware kleigronden, en waarvoor de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, na 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, verstuurd is, geldt dat het betrokken perceel vanaf het tweede kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar van de verzending van de beveiligde zending, vermeld in artikel 3.3.1.4, niet langer beschouwd wordt als zware kleigrond.
Afdeling 4. - Mogelijkheden voor individuele percelen landbouwgrond om de kwalificatie als fosfaatverzadigd perceel te wijzigen
Art. 3.4.1. Om te kunnen aantonen dat een perceel dat gelegen is in een fosfaatverzadigd gebied niet fosfaatverzadigd is als vermeld in artikel 17, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006, moet een bodemanalyse uitgevoerd worden om de fosfaatverzadigingsgraad van het perceel te bepalen.
De bemonstering van het perceel en de bodemanalyse voor de bepaling van de fosfaatverzadigingsgraad worden uitgevoerd door een erkend laboratorium conform de bepaling van het BAM.
Art. 3.4.2. De landbouwer bezorgt de bodemanalyse, vermeld in artikel 3.4.1, aan de Mestbank met een beveiligde zending. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en landbouwernummer.
In afwijking van het eerste lid kan de minister beslissen dat de bodemanalyse geheel of gedeeltelijk ingediend moet worden via een internetloket dat de Mestbank ter beschikking stelt.
De bodemanalyse mag maximaal vijf jaar oud zijn als ze aan de Mestbank bezorgd wordt.
De landbouwer voegt bij de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid, de nodige stukken waaruit blijkt wat de kosten van de analyse zijn. Hij vermeldt ook het rekeningnummer waarop die kosten terugbetaald moeten worden, als de Mestbank op basis van de analyse de kosten ten laste neemt als vermeld in artikel 17, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006.
Art. 3.4.3. De Mestbank beoordeelt binnen negentig kalenderdagen na de ontvangst van die bodemanalyse de ontvangen bodemanalyse.
Als op basis van de bodemanalyse geoordeeld wordt dat een perceel dat zonder de betrokken bodemanalyse als fosfaatverzadigd werd beschouwd, niet fosfaatverzadigd is, betaalt de Mestbank de landbouwer de kosten van de bodemanalyse terug.
De Mestbank informeert de landbouwer met een beveiligde zending over de percelen die als niet-fosfaatverzadigd beschouwd worden en over de kosten, vermeld in het tweede lid, die terugbetaald zullen worden.
Art. 3.4.4. Om een individueel perceel als niet-fosfaatverzadigd te kunnen beschouwen, moet voldaan zijn aan de volgende voorwaarden:
1° de bodemanalyse, vermeld in artikel 3.4.1 van dit besluit, is uitgevoerd door een erkend laboratorium dat ook beschikt over een erkenning conform het VLAREL van 19 november 2010, voor de categorie, vermeld in artikel 6, 5°, c), van het voormelde besluit;
2° de textuurbepaling van zandgronden is uitgevoerd conform de bepalingen van het BOC;
3° het betrokken perceel heeft volgens de bodemanalyse een profielgemiddelde fosfaatverzadigingsgraad die lager is dan 35 %, of het betreft geen zandgrond.
Art. 3.4.5. Voor percelen waarvan de Mestbank op basis van de ontvangen bodemanalyse oordeelt dat het betrokken perceel niet fosfaatverzadigd is, geldt:
1° als de bodemanalyse bezorgd is aan de Mestbank uiterlijk op 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, wordt het betrokken perceel vanaf het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse aan de Mestbank werd bezorgd, beschouwd als niet-fosfaatverzadigd, en geldt vanaf dat kalenderjaar de norm, vermeld in artikel 17, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, niet;
2° als de bodemanalyse bezorgd is aan de Mestbank na 31 augustus van een bepaald kalenderjaar, wordt het betrokken perceel vanaf het tweede kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de bodemanalyse aan de Mestbank werd bezorgd, beschouwd als niet-fosfaatverzadigd, en geldt vanaf dat kalenderjaar de norm, vermeld in artikel 17, § 1, van het voormelde decreet, niet.".
Art. 11. Au chapitre 3 du même arrêté, il est ajouté une section 2, constituée des articles 3.2.1. à 3.2.6, une section 3, constituée des articles 3.3.1.1 à 3.3.3.4, et une section 4, constituée des articles 3.4.1 à 3.4.5, qui s'énoncent comme suit :
" Section 2. - Les terres agricoles situées dans des zones reprises sur des plans d'exécution spatiaux régionaux et relevant de la catégorie d'affectation de zone " bois " ou " réserves et nature ", en exécution de l'article 41bis du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 3.2.1. Pour chaque parcelle d'herbage située dans les zones visées à l'article 41bis, § 1er, premier alinéa, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, la banque d'engrais mentionne dans sa banque de données si la parcelle est un herbage intensif ou non.
A cet effet, la banque d'engrais utilise la carte d'évaluation biologique la plus récente de l'" Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek " (Institut de Recherche des Forêts et de la Nature, en abrégé INBO), complétée le cas échéant par les données résultant d'une visite des lieux effectuée récemment par un expert pour le compte de la Banque d'engrais.
L'expert fait rapport de sa visite des lieux, avec mention de l'évaluation biologique de la parcelle concernée. Le rapport est transmis à l'INBO. Lorsque l'INBO n'émet pas d'objection dans les deux jours ouvrables de la réception du rapport, la qualification reprise au rapport de l'expert est acceptée. Si, par contre, l'INBO formule des objections vis-à-vis de la qualification mentionnée dans le rapport, il le notifie dans les deux jours ouvrables de la réception de ce dernier. Dans les sept jours ouvrables de la réception du rapport, l'INBO communique à la VLM sa qualification de la parcelle concernée. Sa communication comprend également les données sur lesquelles est basée ladite qualification.
Art. 3.2.2. Pour chaque parcelle de terre agricole visée à l'article 41bis, § 3, alinéa 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, la Banque d'engrais vérifie quels sont les agriculteurs qui utilisaient la parcelle concernée. Le contrôle précité est effectué sur la base des données les plus récentes de la demande unique. Sur la base de ces données, la Banque d'engrais détermine l'utilisateur probable de la parcelle au 1er janvier de l'année à partir de laquelle la parcelle concernée fait l'objet d'une interdiction de fertilisation, conformément à l'article 41bis, § 1er, alinéa 1er, du décret précité. La Banque d'engrais transmet à l'agriculteur en question une notification telle que visée à l'article 41bis, § 3 du décret précité.
Art. 3.2.3. § 1er. Lorsque l'agriculteur n'est pas d'accord avec la notification visée à l'article 3.2.2, il peut introduire une demande de correction.
§ 2. La banque d'engrais peut charger un expert de rassembler, par le biais d'une visite des lieux, des données récentes sur une parcelle faisant l'objet d'une demande de correction telle que visée au paragraphe 1er.
Lorsque l'expert doit rassembler des données relatives à la qualification biologique de la parcelle, la visite des lieux est effectuée dans une période où la végétation est identifiable.
L'expert établit un rapport de la visite des lieux, dans lequel il mentionne la qualification biologique de la parcelle concernée, et le transmet à la banque d'engrais. Celle-ci communique le rapport à l'INBO. Lorsque l'INBO n'émet pas d'objection dans les deux jours ouvrables de la réception du rapport, la qualification reprise au rapport de l'expert est acceptée. Si, par contre, l'INBO formule des objections vis-à-vis de la qualification mentionnée dans le rapport, il le notifie dans les deux jours ouvrables de la réception de ce dernier. Dans les sept jours ouvrables de la réception du rapport, l'INBO communique à la VLM sa qualification de la parcelle concernée. Sa communication comprend également les données sur lesquelles est basée ladite qualification.
§ 3. La Banque d'engrais établit pour chaque demande de correction un dossier qui comprend au moins les pièces suivantes :
1° une copie de la notification ;
2° une copie de la demande de correction ;
3° les données relatives à la qualification biologique de la parcelle, utilisées par la banque de données pour déterminer si la parcelle est un herbage intensif ou non ;
4° le cas échéant, une copie du rapport de l'expert, visé au § 2, alinéa trois ;
5° le cas échéant, une copie de la qualification de la parcelle concernée par l'INBO et des données sur lesquelles celui-ci s'est basé, telles que visées au § 2, alinéa trois.
Art. 3.2.4. § 1er Une copie de chaque dossier, visé à l'article 3.2.3, § 3, est transmise au président de la commission de vérification visée à l'article 12.1.1, l'invitant à émettre un avis sur le dossier en question.
Lors de la réception du dossier, le président de la commission de vérification fixe une date de séance. Il communique cette date aux membres de la commission de vérification précitée et leur remet une copie des pièces reprises à l'article 3.2.3, § 3, 3° et 4°.
§ 2. La commission de vérification délibère à huis clos.
Elle délibère valablement lorsqu'au moins la moitié des membres effectifs ou suppléants sont présents. Le suppléant ne peut siéger que lorsque le membre effectif est empêché.
§ 3. La commission de vérification précitée statue sur son avis à la majorité de ses membres présents. En cas de partage des voix, la voix du président est prépondérante.
§ 4. L'avis de la commission de vérification précitée est transmis avec le dossier à la Banque d'engrais.
§ 5. Le secrétaire établit un rapport de chaque réunion de la commission de vérification précitée. Chaque membre de la commission peut obtenir une copie du rapport sur simple demande.
§ 6. La commission de vérification précitée peut établir un règlement d'ordre intérieur.
Art. 3.2.5. La décision de la Banque d'engrais qui fait suite à une demande de correction est transmise à l'agriculteur concerné par le biais du guichet Internet mis à disposition par la Banque d'engrais. La décision de la Banque d'engrais est accompagnée d'une copie de l'avis de la commission de vérification visée à l'article 12.1.1.
Section 3. - Possibilités pour les parcelles individuelles de terres agricoles de modifier la qualification de terres sablonneuses ou de terres argileuses non lourdes
Sous-section 1re. - Dispositions générales relatives à la modification pour une parcelle individuelle de la qualification de sol sablonneux ou de sol argileux non lourd
Art. 3.3.1.1. Un agriculteur qui, pour une parcelle individuelle, souhaite modifier la qualification de sol sablonneux ou la qualification de sol argileux non lourd, doit disposer d'une analyse de texture de la parcelle en question.
L'échantillonnage de la parcelle ainsi que l'analyse de texture doivent être effectués par un laboratoire disposant d'un agrément, conformément au VLAREL du 19 novembre 2010, pour la catégorie visée à l'article 6, 5°, c), de l'arrêté précité, et sont exécutés conformément aux dispositions du comité de concertation de base.
L'analyse de texture doit, conformément aux dispositions du comité de concertation de base, mentionner les coordonnées de la parcelle analysée ou le numéro de parcelle.
Art. 3.3.1.2. L'agriculteur transmet l'analyse de texture visée à l'article 3.3.1.1 à la Banque d'engrais par courrier recommandé. Il y mentionne le nom, l'adresse et le numéro d'agriculteur.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le ministre peut décider que l'analyse de texture doit être introduite intégralement ou partiellement par le biais d'un guichet Internet mis à disposition par la Banque d'engrais.
Art. 3.3.1.3. La Banque d'engrais évalue l'analyse de texture reçue et notifie à l'agriculteur en question, dans les nonante jours calendaires après la réception de l'analyse de texture, les parcelles qui ne sont plus considérées comme étant des sols sablonneux ou qui sont considérées comme des sols argileux lourds.
Art. 3.3.1.4. Si la Banque d'engrais prend connaissance, après la notification visée à l'article 3.3.1.3, d'une analyse de texture effectuée conformément dudit article qui est plus récente que l'analyse de texture transmise par l'agriculteur, et démontrant que la parcelle en question a reçu une classification différente, la banque d'engrais en informe l'agriculteur concerné par courrier recommandé. Elle y mentionne les parcelles qui sont à nouveau considérées comme des sols sablonneux ou les parcelles qui ne sont plus considérées comme des sols argileux lourds.
Sous-section 2. Calendrier d'entrée en vigueur de la modification de la qualification en tant que sol sablonneux pour une parcelle individuelle
Art. 3.3.2.1. Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans sa notification, visée à l'article 3.3.1.3, qu'elles ne sont plus considérées comme des sols sablonneux, et pour lesquelles l'analyse de texture sur laquelle se fonde la décision de la Banque d'engrais, a été remise à cette dernière au plus tard le 31 août d'une année civile donnée, les conditions suivantes s'appliquent :
1° la parcelle concernée n'est plus considérée comme du sol sablonneux à partir de l'année civile qui suit l'année au cours de laquelle l'analyse de texture a été remise à la Banque d'engrais ;
2° par dérogation au point 1°, pour l'évaluation d'une détermination des résidus de nitrates effectuée sur la parcelle en question au cours de l'année civile qui suit celle de la remise de l'analyse de texture à la Banque d'engrais ou lors d'une année ultérieure, la parcelle en question n'est plus considérée comme un sol sablonneux.
Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans sa notification, visée à l'article 3.3.1.3, qu'elles ne sont plus considérées comme étant des sols sablonneux, et pour lesquelles l'analyse de texture sur laquelle se fonde la décision de la Banque d'engrais a été remise à cette dernière après le 31 août d'une année déterminée, les dispositions suivantes sont applicables :
1° la parcelle concernée n'est plus considérée comme un sol sablonneux à partir de la deuxième année civile qui suit l'année au cours de laquelle l'analyse de texture a été remise à la Banque d'engrais ;
2° par dérogation au point 1°, pour l'évaluation d'une détermination des résidus de nitrates, effectuée sur la parcelle en question, dans l'année civile suivant celle de la remise de l'analyse de texture à la Banque d'engrais ou lors d'une année ultérieure, la parcelle en question n'est plus considérée comme un sol sablonneux.
Art. 3.3.2.2. Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans son envoi recommandé, visé à l'article 3.3.1.4, qu'elles sont à nouveau considérées comme étant des sols sablonneux, et pour lesquelles l'envoi recommandé mentionné à l'article 3.3.1.4 a été adressé au plus tard le 31 août d'une année déterminée, les dispositions suivantes sont applicables :
1° la parcelle concernée est à nouveau considérée comme un sol sablonneux à partir de l'année civile qui suit l'année de l'envoi du courrier recommandé visé à l'article 3.3.1.4 ;
2° par dérogation au point 1°, pour l'évaluation d'une détermination des résidus de nitrates effectuée sur la parcelle en question au cours de l'année civile qui suit celle de l'envoi du courrier recommandé tel que visé à l'article 3.3.1.4 ou au cours d'une année civile ultérieure, la parcelle est à nouveau considérée comme un sol sablonneux.
Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans son envoi recommandé, visé à l'article 3.3.1.4, qu'elles sont à nouveau considérées comme étant des sols sablonneux, et pour lesquelles l'envoi recommandé visé à l'article 3.3.1.4 a été adressé après le 31 août d'une année déterminée, les dispositions suivantes sont applicables :
1° la parcelle concernée est à nouveau considérée comme un sol sablonneux à partir de la deuxième année civile qui suit l'année de l'envoi du courrier recommandé visé à l'article 3.3.1.4 ;
2° par dérogation au point 1°, pour l'évaluation d'une détermination des résidus de nitrates effectuée sur la parcelle en question au cours de l'année civile qui suit celle de l'envoi du courrier recommandé tel que visé à l'article 3.3.1.4 ou lors d'une année ultérieure, la parcelle est à nouveau considérée comme un sol sablonneux.
Sous-section 3. Autres dispositions visant à démontrer qu'une parcelle est considérée comme un sol argileux lourd
Art. 3.3.3.1. En exécution de l'article 3, § 7, 7°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, il peut être démontré, pour des parcelles en Flandre qui ne sont pas situées dans la région agricole " Polders ", qu'elles possèdent des caractéristiques de sol comparables à celles des terres agricoles situées dans la région des Polders.
Une parcelle dispose de caractéristiques de sol comparables, telles que visées à l'article 3, § 7, 7°, du décret précité, lorsqu'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° la parcelle en question se trouve dans la classe de texture glaise, telle que visée dans le triangle textural belge ;
2° le taux d'argile dans le sol est de minimum 17,5 % ;
3° le taux de sable dans le sol est de minimum 15 %.
Art. 3.3.3.2. Pour démontrer qu'une parcelle se trouvant dans la zone délimitée visée à l'article 3.3.3.1, alinéa 1er, possède des caractéristiques de sol comparables aux terres agricoles de la région agricole " Polders ", l'analyse de texture de ladite parcelle, visée à l'article 3.3.3.1, doit remplir toutes les conditions suivantes :
1° l'analyse de texture démontre qu'il a été satisfait aux conditions visées à l'article 3.3.3.1, alinéa 2 ;
2° l'agrément visé à l'article 3.3.1.1., alinéa 2, doit porter sur la détermination granulométrique de la texture du sol ;
3° le taux d'argile et de sable dans le sol ont été déterminés selon la détermination granulométrique visée dans le comité de concertation de base (méthode de la pipette de Robinson-Köhn, consultable gratuitement en néerlandais sur le site Internet de l'institut flamand pour la Recherche technologique).
Par dérogation à l'article 3.3.1.1, alinéa 3, il est permis, pour les aspects suivants, de déroger aux dispositions du comité de concertation de base :
1° pour des parcelles de plus de 2 ha, une prise d'échantillon par parcelle suffit, qui comprend au minimum quinze forages croisés, répartis proportionnellement sur la parcelle entière ;
2° l'agriculteur peut indiquer une ou plusieurs parties de la parcelle sur la(les)quelle(s) l'échantillonnage doit être effectué. Le cas échéant, les conditions suivantes doivent être remplies :
a) la superficie de la partie ou des parties indiquée(s) équivaut au moins à 30 % de la superficie totale de la parcelle en question, telle qu'indiquée dans la demande unique ;
b) au moins quinze forages sont effectués, répartis proportionnellement sur la partie ou les parties indiquée(s).
Art. 3.3.3.3. Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans sa notification, visée à l'article 3.3.1.3, qu'elles sont considérées comme des sols argileux lourds, et pour lesquelles l'analyse de texture sur laquelle se fonde la décision de la Banque d'engrais a été remise à cette dernière au plus tard le 31 août d'une année civile donnée, la parcelle concernée est considérée comme telle à partir de l'année civile qui suit l'année civile au cours de laquelle l'analyse de texture a été communiquée à la Banque d'engrais.
Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans sa notification, visée à l'article 3.3.1.3, qu'elles sont considérées comme des sols argileux lourds, et pour lesquelles l'analyse de texture sur laquelle se fonde la décision de la Banque d'engrais a été remise à cette dernière après le 31 août d'une année civile donnée, la parcelle concernée est considérée comme telle à partir de la deuxième année civile qui suit l'année civile au cours de laquelle l'analyse de texture a été communiquée à la Banque d'engrais.
Art. 3.3.3.4. Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans son courrier recommandé, visé à l'article 3.3.1.4, qu'elles ne sont plus considérées comme des sols argileux lourds, et pour lesquelles le courrier précité a été envoyé au plus tard le 31 août d'une année civile déterminée, ces parcelles ne sont plus considérées comme telles à partir de l'année civile qui suit l'année civile de l'envoi du courrier recommandé visé à l'alinéa 2.
Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans son courrier recommandé, visé à l'article 3.3.1.4, qu'elles ne sont plus considérées comme des sols argileux lourds, et pour lesquelles le courrier précité a été envoyé après le 31 août d'une année civile déterminée, ces parcelles ne sont plus considérées comme telles à partir de la deuxième année civile qui suit l'année civile de l'envoi du courrier recommandé visé à l'alinéa 3.3.1.4.
Section 4. Possibilités pour les parcelles individuelles de terres agricoles de modifier la qualification de parcelle saturée en phosphates
Art. 3.4.1. Pour pouvoir démontrer qu'une parcelle située dans une zone saturée en phosphates ne l'est pas, ainsi que mentionné à l'article 17, § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, une analyse du sol doit être effectuée afin de déterminer le degré de saturation en phosphates de la parcelle.
L'échantillonnage de la parcelle ainsi que l'analyse du sol pour la détermination du degré de saturation en phosphates sont effectués par un laboratoire agréé, conformément aux dispositions du BAM.
Art. 3.4.2. L'agriculteur transmet l'analyse du sol visée à l'article 3.4.1 à la Banque d'engrais par courrier recommandé. Il y mentionne le nom, l'adresse et le numéro d'agriculteur.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le Ministre peut décider que l'analyse de texture doit être introduite intégralement ou partiellement par le biais d'un guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais.
L'analyse du sol ne peut dater de plus de cinq ans lorsqu'elle est remise à la Banque d'engrais.
L'agriculteur joint au courrier recommandé visé à l'alinéa 1er les pièces justificatives des frais inhérents à l'analyse. Il mentionne également le numéro de compte sur lequel ces frais doivent être remboursés dans le cas où la Banque d'engrais les prend en charge sur la base de l'analyse, ainsi que mentionné à l'article 17, § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Art. 3.4.3. La Banque d'engrais évalue l'analyse du sol dans les nonante jours calendaires qui suivent sa réception.
S'il apparaît, sur la base de l'analyse du sol, qu'une parcelle considérée comme saturée en phosphates sans l'analyse du sol concernée ne l'est pas, la Banque d'engrais rembourse à l'agriculteur les frais inhérents à l'analyse du sol.
La Banque d'engrais informe l'agriculteur, par courrier recommandé, des parcelles qui ne sont pas considérées, comme saturées en phosphates, ainsi que des frais, visés à l'alinéa 2, qui lui seront remboursés.
Art. 3.4.4. Pour qu'une parcelle individuelle puisse être considérée comme une non saturée en phosphates, elle doit remplir les conditions suivantes :
1° l'analyse du sol visée à l'article 3.4.1 du présent arrêté a été effectuée par un laboratoire agréé qui dispose également d'un agrément conformément au VLAREL du 19 novembre 2010, pour la catégorie mentionnée à l'article 6, 5°, c), de l'arrêté précité ;
2° la détermination de la texture des sols sablonneux a eu lieu conformément aux dispositions du comité de concertation de base ;
3° selon l'analyse du sol, la parcelle concernée présente un profil moyen de degré de saturation en phosphate inférieur à 35 %, ou il ne s'agit pas d'un sol sablonneux.
Art. 3.4.5. Pour des parcelles dont la Banque d'engrais estime qu'elles ne sont pas saturées en phosphates sur la base de l'analyse du sol reçue, les règles suivantes s'appliquent :
1° si l'analyse du sol a été transmise à la Banque d'engrais au plus tard le 31 août d'une année civile déterminée, la parcelle concernée est considérée comme non saturée en phosphates à partir de l'année civile qui suit l'année civile au cours de laquelle l'analyse du sol a été transmise à la Banque d'engrais, et la norme visée à l'article 17, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ne s'applique plus dès l'année civile en question ;
2° si l'analyse du sol a été transmise à la Banque d'engrais après le 31 août d'une année civile déterminée, la parcelle concernée est considérée comme non saturée en phosphates à partir de l'année civile qui suit l'année civile au cours de laquelle l'analyse du sol a été transmise à la Banque d'engrais, et la norme visée à l'article 17, § 1er du décret précité ne s'applique plus dès l'année en question. "
" Section 2. - Les terres agricoles situées dans des zones reprises sur des plans d'exécution spatiaux régionaux et relevant de la catégorie d'affectation de zone " bois " ou " réserves et nature ", en exécution de l'article 41bis du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 3.2.1. Pour chaque parcelle d'herbage située dans les zones visées à l'article 41bis, § 1er, premier alinéa, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, la banque d'engrais mentionne dans sa banque de données si la parcelle est un herbage intensif ou non.
A cet effet, la banque d'engrais utilise la carte d'évaluation biologique la plus récente de l'" Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek " (Institut de Recherche des Forêts et de la Nature, en abrégé INBO), complétée le cas échéant par les données résultant d'une visite des lieux effectuée récemment par un expert pour le compte de la Banque d'engrais.
L'expert fait rapport de sa visite des lieux, avec mention de l'évaluation biologique de la parcelle concernée. Le rapport est transmis à l'INBO. Lorsque l'INBO n'émet pas d'objection dans les deux jours ouvrables de la réception du rapport, la qualification reprise au rapport de l'expert est acceptée. Si, par contre, l'INBO formule des objections vis-à-vis de la qualification mentionnée dans le rapport, il le notifie dans les deux jours ouvrables de la réception de ce dernier. Dans les sept jours ouvrables de la réception du rapport, l'INBO communique à la VLM sa qualification de la parcelle concernée. Sa communication comprend également les données sur lesquelles est basée ladite qualification.
Art. 3.2.2. Pour chaque parcelle de terre agricole visée à l'article 41bis, § 3, alinéa 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, la Banque d'engrais vérifie quels sont les agriculteurs qui utilisaient la parcelle concernée. Le contrôle précité est effectué sur la base des données les plus récentes de la demande unique. Sur la base de ces données, la Banque d'engrais détermine l'utilisateur probable de la parcelle au 1er janvier de l'année à partir de laquelle la parcelle concernée fait l'objet d'une interdiction de fertilisation, conformément à l'article 41bis, § 1er, alinéa 1er, du décret précité. La Banque d'engrais transmet à l'agriculteur en question une notification telle que visée à l'article 41bis, § 3 du décret précité.
Art. 3.2.3. § 1er. Lorsque l'agriculteur n'est pas d'accord avec la notification visée à l'article 3.2.2, il peut introduire une demande de correction.
§ 2. La banque d'engrais peut charger un expert de rassembler, par le biais d'une visite des lieux, des données récentes sur une parcelle faisant l'objet d'une demande de correction telle que visée au paragraphe 1er.
Lorsque l'expert doit rassembler des données relatives à la qualification biologique de la parcelle, la visite des lieux est effectuée dans une période où la végétation est identifiable.
L'expert établit un rapport de la visite des lieux, dans lequel il mentionne la qualification biologique de la parcelle concernée, et le transmet à la banque d'engrais. Celle-ci communique le rapport à l'INBO. Lorsque l'INBO n'émet pas d'objection dans les deux jours ouvrables de la réception du rapport, la qualification reprise au rapport de l'expert est acceptée. Si, par contre, l'INBO formule des objections vis-à-vis de la qualification mentionnée dans le rapport, il le notifie dans les deux jours ouvrables de la réception de ce dernier. Dans les sept jours ouvrables de la réception du rapport, l'INBO communique à la VLM sa qualification de la parcelle concernée. Sa communication comprend également les données sur lesquelles est basée ladite qualification.
§ 3. La Banque d'engrais établit pour chaque demande de correction un dossier qui comprend au moins les pièces suivantes :
1° une copie de la notification ;
2° une copie de la demande de correction ;
3° les données relatives à la qualification biologique de la parcelle, utilisées par la banque de données pour déterminer si la parcelle est un herbage intensif ou non ;
4° le cas échéant, une copie du rapport de l'expert, visé au § 2, alinéa trois ;
5° le cas échéant, une copie de la qualification de la parcelle concernée par l'INBO et des données sur lesquelles celui-ci s'est basé, telles que visées au § 2, alinéa trois.
Art. 3.2.4. § 1er Une copie de chaque dossier, visé à l'article 3.2.3, § 3, est transmise au président de la commission de vérification visée à l'article 12.1.1, l'invitant à émettre un avis sur le dossier en question.
Lors de la réception du dossier, le président de la commission de vérification fixe une date de séance. Il communique cette date aux membres de la commission de vérification précitée et leur remet une copie des pièces reprises à l'article 3.2.3, § 3, 3° et 4°.
§ 2. La commission de vérification délibère à huis clos.
Elle délibère valablement lorsqu'au moins la moitié des membres effectifs ou suppléants sont présents. Le suppléant ne peut siéger que lorsque le membre effectif est empêché.
§ 3. La commission de vérification précitée statue sur son avis à la majorité de ses membres présents. En cas de partage des voix, la voix du président est prépondérante.
§ 4. L'avis de la commission de vérification précitée est transmis avec le dossier à la Banque d'engrais.
§ 5. Le secrétaire établit un rapport de chaque réunion de la commission de vérification précitée. Chaque membre de la commission peut obtenir une copie du rapport sur simple demande.
§ 6. La commission de vérification précitée peut établir un règlement d'ordre intérieur.
Art. 3.2.5. La décision de la Banque d'engrais qui fait suite à une demande de correction est transmise à l'agriculteur concerné par le biais du guichet Internet mis à disposition par la Banque d'engrais. La décision de la Banque d'engrais est accompagnée d'une copie de l'avis de la commission de vérification visée à l'article 12.1.1.
Section 3. - Possibilités pour les parcelles individuelles de terres agricoles de modifier la qualification de terres sablonneuses ou de terres argileuses non lourdes
Sous-section 1re. - Dispositions générales relatives à la modification pour une parcelle individuelle de la qualification de sol sablonneux ou de sol argileux non lourd
Art. 3.3.1.1. Un agriculteur qui, pour une parcelle individuelle, souhaite modifier la qualification de sol sablonneux ou la qualification de sol argileux non lourd, doit disposer d'une analyse de texture de la parcelle en question.
L'échantillonnage de la parcelle ainsi que l'analyse de texture doivent être effectués par un laboratoire disposant d'un agrément, conformément au VLAREL du 19 novembre 2010, pour la catégorie visée à l'article 6, 5°, c), de l'arrêté précité, et sont exécutés conformément aux dispositions du comité de concertation de base.
L'analyse de texture doit, conformément aux dispositions du comité de concertation de base, mentionner les coordonnées de la parcelle analysée ou le numéro de parcelle.
Art. 3.3.1.2. L'agriculteur transmet l'analyse de texture visée à l'article 3.3.1.1 à la Banque d'engrais par courrier recommandé. Il y mentionne le nom, l'adresse et le numéro d'agriculteur.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le ministre peut décider que l'analyse de texture doit être introduite intégralement ou partiellement par le biais d'un guichet Internet mis à disposition par la Banque d'engrais.
Art. 3.3.1.3. La Banque d'engrais évalue l'analyse de texture reçue et notifie à l'agriculteur en question, dans les nonante jours calendaires après la réception de l'analyse de texture, les parcelles qui ne sont plus considérées comme étant des sols sablonneux ou qui sont considérées comme des sols argileux lourds.
Art. 3.3.1.4. Si la Banque d'engrais prend connaissance, après la notification visée à l'article 3.3.1.3, d'une analyse de texture effectuée conformément dudit article qui est plus récente que l'analyse de texture transmise par l'agriculteur, et démontrant que la parcelle en question a reçu une classification différente, la banque d'engrais en informe l'agriculteur concerné par courrier recommandé. Elle y mentionne les parcelles qui sont à nouveau considérées comme des sols sablonneux ou les parcelles qui ne sont plus considérées comme des sols argileux lourds.
Sous-section 2. Calendrier d'entrée en vigueur de la modification de la qualification en tant que sol sablonneux pour une parcelle individuelle
Art. 3.3.2.1. Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans sa notification, visée à l'article 3.3.1.3, qu'elles ne sont plus considérées comme des sols sablonneux, et pour lesquelles l'analyse de texture sur laquelle se fonde la décision de la Banque d'engrais, a été remise à cette dernière au plus tard le 31 août d'une année civile donnée, les conditions suivantes s'appliquent :
1° la parcelle concernée n'est plus considérée comme du sol sablonneux à partir de l'année civile qui suit l'année au cours de laquelle l'analyse de texture a été remise à la Banque d'engrais ;
2° par dérogation au point 1°, pour l'évaluation d'une détermination des résidus de nitrates effectuée sur la parcelle en question au cours de l'année civile qui suit celle de la remise de l'analyse de texture à la Banque d'engrais ou lors d'une année ultérieure, la parcelle en question n'est plus considérée comme un sol sablonneux.
Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans sa notification, visée à l'article 3.3.1.3, qu'elles ne sont plus considérées comme étant des sols sablonneux, et pour lesquelles l'analyse de texture sur laquelle se fonde la décision de la Banque d'engrais a été remise à cette dernière après le 31 août d'une année déterminée, les dispositions suivantes sont applicables :
1° la parcelle concernée n'est plus considérée comme un sol sablonneux à partir de la deuxième année civile qui suit l'année au cours de laquelle l'analyse de texture a été remise à la Banque d'engrais ;
2° par dérogation au point 1°, pour l'évaluation d'une détermination des résidus de nitrates, effectuée sur la parcelle en question, dans l'année civile suivant celle de la remise de l'analyse de texture à la Banque d'engrais ou lors d'une année ultérieure, la parcelle en question n'est plus considérée comme un sol sablonneux.
Art. 3.3.2.2. Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans son envoi recommandé, visé à l'article 3.3.1.4, qu'elles sont à nouveau considérées comme étant des sols sablonneux, et pour lesquelles l'envoi recommandé mentionné à l'article 3.3.1.4 a été adressé au plus tard le 31 août d'une année déterminée, les dispositions suivantes sont applicables :
1° la parcelle concernée est à nouveau considérée comme un sol sablonneux à partir de l'année civile qui suit l'année de l'envoi du courrier recommandé visé à l'article 3.3.1.4 ;
2° par dérogation au point 1°, pour l'évaluation d'une détermination des résidus de nitrates effectuée sur la parcelle en question au cours de l'année civile qui suit celle de l'envoi du courrier recommandé tel que visé à l'article 3.3.1.4 ou au cours d'une année civile ultérieure, la parcelle est à nouveau considérée comme un sol sablonneux.
Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans son envoi recommandé, visé à l'article 3.3.1.4, qu'elles sont à nouveau considérées comme étant des sols sablonneux, et pour lesquelles l'envoi recommandé visé à l'article 3.3.1.4 a été adressé après le 31 août d'une année déterminée, les dispositions suivantes sont applicables :
1° la parcelle concernée est à nouveau considérée comme un sol sablonneux à partir de la deuxième année civile qui suit l'année de l'envoi du courrier recommandé visé à l'article 3.3.1.4 ;
2° par dérogation au point 1°, pour l'évaluation d'une détermination des résidus de nitrates effectuée sur la parcelle en question au cours de l'année civile qui suit celle de l'envoi du courrier recommandé tel que visé à l'article 3.3.1.4 ou lors d'une année ultérieure, la parcelle est à nouveau considérée comme un sol sablonneux.
Sous-section 3. Autres dispositions visant à démontrer qu'une parcelle est considérée comme un sol argileux lourd
Art. 3.3.3.1. En exécution de l'article 3, § 7, 7°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, il peut être démontré, pour des parcelles en Flandre qui ne sont pas situées dans la région agricole " Polders ", qu'elles possèdent des caractéristiques de sol comparables à celles des terres agricoles situées dans la région des Polders.
Une parcelle dispose de caractéristiques de sol comparables, telles que visées à l'article 3, § 7, 7°, du décret précité, lorsqu'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° la parcelle en question se trouve dans la classe de texture glaise, telle que visée dans le triangle textural belge ;
2° le taux d'argile dans le sol est de minimum 17,5 % ;
3° le taux de sable dans le sol est de minimum 15 %.
Art. 3.3.3.2. Pour démontrer qu'une parcelle se trouvant dans la zone délimitée visée à l'article 3.3.3.1, alinéa 1er, possède des caractéristiques de sol comparables aux terres agricoles de la région agricole " Polders ", l'analyse de texture de ladite parcelle, visée à l'article 3.3.3.1, doit remplir toutes les conditions suivantes :
1° l'analyse de texture démontre qu'il a été satisfait aux conditions visées à l'article 3.3.3.1, alinéa 2 ;
2° l'agrément visé à l'article 3.3.1.1., alinéa 2, doit porter sur la détermination granulométrique de la texture du sol ;
3° le taux d'argile et de sable dans le sol ont été déterminés selon la détermination granulométrique visée dans le comité de concertation de base (méthode de la pipette de Robinson-Köhn, consultable gratuitement en néerlandais sur le site Internet de l'institut flamand pour la Recherche technologique).
Par dérogation à l'article 3.3.1.1, alinéa 3, il est permis, pour les aspects suivants, de déroger aux dispositions du comité de concertation de base :
1° pour des parcelles de plus de 2 ha, une prise d'échantillon par parcelle suffit, qui comprend au minimum quinze forages croisés, répartis proportionnellement sur la parcelle entière ;
2° l'agriculteur peut indiquer une ou plusieurs parties de la parcelle sur la(les)quelle(s) l'échantillonnage doit être effectué. Le cas échéant, les conditions suivantes doivent être remplies :
a) la superficie de la partie ou des parties indiquée(s) équivaut au moins à 30 % de la superficie totale de la parcelle en question, telle qu'indiquée dans la demande unique ;
b) au moins quinze forages sont effectués, répartis proportionnellement sur la partie ou les parties indiquée(s).
Art. 3.3.3.3. Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans sa notification, visée à l'article 3.3.1.3, qu'elles sont considérées comme des sols argileux lourds, et pour lesquelles l'analyse de texture sur laquelle se fonde la décision de la Banque d'engrais a été remise à cette dernière au plus tard le 31 août d'une année civile donnée, la parcelle concernée est considérée comme telle à partir de l'année civile qui suit l'année civile au cours de laquelle l'analyse de texture a été communiquée à la Banque d'engrais.
Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans sa notification, visée à l'article 3.3.1.3, qu'elles sont considérées comme des sols argileux lourds, et pour lesquelles l'analyse de texture sur laquelle se fonde la décision de la Banque d'engrais a été remise à cette dernière après le 31 août d'une année civile donnée, la parcelle concernée est considérée comme telle à partir de la deuxième année civile qui suit l'année civile au cours de laquelle l'analyse de texture a été communiquée à la Banque d'engrais.
Art. 3.3.3.4. Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans son courrier recommandé, visé à l'article 3.3.1.4, qu'elles ne sont plus considérées comme des sols argileux lourds, et pour lesquelles le courrier précité a été envoyé au plus tard le 31 août d'une année civile déterminée, ces parcelles ne sont plus considérées comme telles à partir de l'année civile qui suit l'année civile de l'envoi du courrier recommandé visé à l'alinéa 2.
Pour des parcelles dont la Banque d'engrais mentionne dans son courrier recommandé, visé à l'article 3.3.1.4, qu'elles ne sont plus considérées comme des sols argileux lourds, et pour lesquelles le courrier précité a été envoyé après le 31 août d'une année civile déterminée, ces parcelles ne sont plus considérées comme telles à partir de la deuxième année civile qui suit l'année civile de l'envoi du courrier recommandé visé à l'alinéa 3.3.1.4.
Section 4. Possibilités pour les parcelles individuelles de terres agricoles de modifier la qualification de parcelle saturée en phosphates
Art. 3.4.1. Pour pouvoir démontrer qu'une parcelle située dans une zone saturée en phosphates ne l'est pas, ainsi que mentionné à l'article 17, § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, une analyse du sol doit être effectuée afin de déterminer le degré de saturation en phosphates de la parcelle.
L'échantillonnage de la parcelle ainsi que l'analyse du sol pour la détermination du degré de saturation en phosphates sont effectués par un laboratoire agréé, conformément aux dispositions du BAM.
Art. 3.4.2. L'agriculteur transmet l'analyse du sol visée à l'article 3.4.1 à la Banque d'engrais par courrier recommandé. Il y mentionne le nom, l'adresse et le numéro d'agriculteur.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le Ministre peut décider que l'analyse de texture doit être introduite intégralement ou partiellement par le biais d'un guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais.
L'analyse du sol ne peut dater de plus de cinq ans lorsqu'elle est remise à la Banque d'engrais.
L'agriculteur joint au courrier recommandé visé à l'alinéa 1er les pièces justificatives des frais inhérents à l'analyse. Il mentionne également le numéro de compte sur lequel ces frais doivent être remboursés dans le cas où la Banque d'engrais les prend en charge sur la base de l'analyse, ainsi que mentionné à l'article 17, § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Art. 3.4.3. La Banque d'engrais évalue l'analyse du sol dans les nonante jours calendaires qui suivent sa réception.
S'il apparaît, sur la base de l'analyse du sol, qu'une parcelle considérée comme saturée en phosphates sans l'analyse du sol concernée ne l'est pas, la Banque d'engrais rembourse à l'agriculteur les frais inhérents à l'analyse du sol.
La Banque d'engrais informe l'agriculteur, par courrier recommandé, des parcelles qui ne sont pas considérées, comme saturées en phosphates, ainsi que des frais, visés à l'alinéa 2, qui lui seront remboursés.
Art. 3.4.4. Pour qu'une parcelle individuelle puisse être considérée comme une non saturée en phosphates, elle doit remplir les conditions suivantes :
1° l'analyse du sol visée à l'article 3.4.1 du présent arrêté a été effectuée par un laboratoire agréé qui dispose également d'un agrément conformément au VLAREL du 19 novembre 2010, pour la catégorie mentionnée à l'article 6, 5°, c), de l'arrêté précité ;
2° la détermination de la texture des sols sablonneux a eu lieu conformément aux dispositions du comité de concertation de base ;
3° selon l'analyse du sol, la parcelle concernée présente un profil moyen de degré de saturation en phosphate inférieur à 35 %, ou il ne s'agit pas d'un sol sablonneux.
Art. 3.4.5. Pour des parcelles dont la Banque d'engrais estime qu'elles ne sont pas saturées en phosphates sur la base de l'analyse du sol reçue, les règles suivantes s'appliquent :
1° si l'analyse du sol a été transmise à la Banque d'engrais au plus tard le 31 août d'une année civile déterminée, la parcelle concernée est considérée comme non saturée en phosphates à partir de l'année civile qui suit l'année civile au cours de laquelle l'analyse du sol a été transmise à la Banque d'engrais, et la norme visée à l'article 17, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ne s'applique plus dès l'année civile en question ;
2° si l'analyse du sol a été transmise à la Banque d'engrais après le 31 août d'une année civile déterminée, la parcelle concernée est considérée comme non saturée en phosphates à partir de l'année civile qui suit l'année civile au cours de laquelle l'analyse du sol a été transmise à la Banque d'engrais, et la norme visée à l'article 17, § 1er du décret précité ne s'applique plus dès l'année en question. "
Art. 12. In hetzelfde besluit wordt aan hoofdstuk 4, een afdeling 2, die bestaat uit artikel 4.2.1 tot en met 4.2.4, toegevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 2. - De indeling van percelen in een klasse op basis van een bodemanalyse, vermeld in artikel 13, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 4.2.1. § 1. Een landbouwer die beschikt over een bodemanalyse als vermeld in artikel 13, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006, bezorgt die bodemanalyse aan de Mestbank.
Samen met de bodemanalyse, vermeld in het eerste lid, bezorgt de landbouwer al de volgende gegevens:
1° zijn naam, adres en landbouwernummer;
2° het bankrekeningnummer dat gebruikt mag worden voor een eventuele terugbetaling van de kosten van de analyse;
3° een kopie van een luchtfoto, zoals die ter beschikking wordt gesteld voor het indienen van de verzamelaanvraag, waarop het perceel dat bemonsterd werd, duidelijk is aangegeven.
§ 2. Een landbouwer kan meerdere bodemanalyses, die betrekking hebben op meerdere percelen, tegelijk aan de Mestbank bezorgen. In voorkomend geval wordt bij de aanduiding van de betrokken percelen op de luchtfoto of luchtfoto 's, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, duidelijk gespecificeerd welke bodemanalyse bij welk perceel hoort.
§ 3. De bodemanalyse moet ingediend worden door een landbouwer die als actieve landbouwer bekend is in het GBCS.
§ 4. De bodemanalyse is gebaseerd op een monsterneming die uitgevoerd is in een kalenderjaar waarin het betrokken perceel landbouwgrond in een verzamelaanvraag was aangegeven.
§ 5. De Mestbank kan ook een bodemanalyse indienen die genomen is in opdracht van en op kosten van de Mestbank.
Als de Mestbank beslist om een bodemanalyse als vermeld in artikel 13, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006, te nemen of te laten nemen, brengt ze de landbouwer die het betrokken perceel in gebruik heeft daarvan op de hoogte overeenkomstig de laatst gekende gegevens van de verzamelaanvraag.
Paragraaf 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op bodemanalyses die de Mestbank indient.
Art. 4.2.2. Als de Mestbank een bodemanalyse ontvangt die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 13, § 3, en artikel 84, § 10 en § 11, van het Mestdecreet van 22 december 2006, en van dit besluit, neemt ze die bodemanalyse in rekening voor de indeling van het betrokken perceel of van de betrokken percelen, in een van de vier klassen, vermeld in artikel 13, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet.
Art. 4.2.3. § 1. De Mestbank kijkt na of de ontvangen bodemanalyse in aanmerking komt voor een terugbetaling conform artikel 13, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006.
De kosten van een bodemanalyse worden forfaitair bepaald op:
1° 50 euro voor bodemanalyses waarvoor voor het bepalen van de klasse van het betrokken perceel, de gemeten hoeveelheid plantbeschikbaar fosfaat vergeleken wordt met de hoeveelheden plantbeschikbaar fosfaat in grasland, vermeld in artikel 13, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet;
2° 25 euro voor bodemanalyses waarvoor voor het bepalen van de klasse van het betrokken perceel, de gemeten hoeveelheid plantbeschikbaar fosfaat vergeleken wordt met de hoeveelheden plantbeschikbaar fosfaat in akker, vermeld in artikel 13, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet.
§ 2. Een bodemanalyse wordt maar één keer terugbetaald. Als de bodemanalyse tweemaal aan de Mestbank bezorgd wordt, kan alleen de landbouwer die als eerste de bodemanalyse aan de Mestbank heeft bezorgd, terugbetaald worden.
Analyses die uitgevoerd worden in opdracht van en op kosten van de Mestbank, of analyses die uitgevoerd worden in het kader van een begeleiding door het Coördinatiecentrum Voorlichting en Begeleiding Duurzame Bemesting (CVBB) vzw, komen niet in aanmerking voor terugbetaling.
§ 3. De Mestbank voert de terugbetalingen uit binnen de beschikbare begrotingskredieten. Als de beschikbare begrotingskredieten niet volstaan, worden de betalingen opgeschort.
§ 4. Als de Mestbank vaststelt dat de terugbetaling onterecht is gebeurd, vordert ze de uitbetaalde bedragen terug.
Art. 4.2.4. De Mestbank informeert de landbouwer die de bodemanalyse aan de Mestbank heeft bezorgd via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, over de gevolgen van de indeling in een van de vier klassen en over de terugbetaling van een ontvangen bodemanalyse. De landbouwer kan daartegen bezwaar indienen. Alleen bezwaren via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket zijn ontvankelijk, op voorwaarde dat ze zijn ingediend:
1° uiterlijk op 31 juli als de Mestbank haar beslissing op het internetloket heeft geplaatst in de periode van 1 januari tot en met 30 juni;
2° uiterlijk op 31 januari van het volgende kalenderjaar als de Mestbank haar beslissing op het internetloket heeft geplaatst in de periode van 1 juli tot en met 31 december van het vorige kalenderjaar.
De indiening van een bezwaar tegen een bepaalde beslissing schorst de betrokken beslissing niet.
Het afdelingshoofd van de Mestbank brengt de indiener van het bezwaar via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket op de hoogte van zijn beslissing binnen negentig kalenderdagen na de ontvangst van het bezwaar. Het afdelingshoofd van de Mestbank kan die termijn eenmalig verlengen met een periode van negentig dagen. Hij brengt de indiener van het bezwaar daarvan op de hoogte door een met redenen omklede melding op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket.".
"Afdeling 2. - De indeling van percelen in een klasse op basis van een bodemanalyse, vermeld in artikel 13, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 4.2.1. § 1. Een landbouwer die beschikt over een bodemanalyse als vermeld in artikel 13, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006, bezorgt die bodemanalyse aan de Mestbank.
Samen met de bodemanalyse, vermeld in het eerste lid, bezorgt de landbouwer al de volgende gegevens:
1° zijn naam, adres en landbouwernummer;
2° het bankrekeningnummer dat gebruikt mag worden voor een eventuele terugbetaling van de kosten van de analyse;
3° een kopie van een luchtfoto, zoals die ter beschikking wordt gesteld voor het indienen van de verzamelaanvraag, waarop het perceel dat bemonsterd werd, duidelijk is aangegeven.
§ 2. Een landbouwer kan meerdere bodemanalyses, die betrekking hebben op meerdere percelen, tegelijk aan de Mestbank bezorgen. In voorkomend geval wordt bij de aanduiding van de betrokken percelen op de luchtfoto of luchtfoto 's, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, duidelijk gespecificeerd welke bodemanalyse bij welk perceel hoort.
§ 3. De bodemanalyse moet ingediend worden door een landbouwer die als actieve landbouwer bekend is in het GBCS.
§ 4. De bodemanalyse is gebaseerd op een monsterneming die uitgevoerd is in een kalenderjaar waarin het betrokken perceel landbouwgrond in een verzamelaanvraag was aangegeven.
§ 5. De Mestbank kan ook een bodemanalyse indienen die genomen is in opdracht van en op kosten van de Mestbank.
Als de Mestbank beslist om een bodemanalyse als vermeld in artikel 13, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006, te nemen of te laten nemen, brengt ze de landbouwer die het betrokken perceel in gebruik heeft daarvan op de hoogte overeenkomstig de laatst gekende gegevens van de verzamelaanvraag.
Paragraaf 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op bodemanalyses die de Mestbank indient.
Art. 4.2.2. Als de Mestbank een bodemanalyse ontvangt die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 13, § 3, en artikel 84, § 10 en § 11, van het Mestdecreet van 22 december 2006, en van dit besluit, neemt ze die bodemanalyse in rekening voor de indeling van het betrokken perceel of van de betrokken percelen, in een van de vier klassen, vermeld in artikel 13, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet.
Art. 4.2.3. § 1. De Mestbank kijkt na of de ontvangen bodemanalyse in aanmerking komt voor een terugbetaling conform artikel 13, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006.
De kosten van een bodemanalyse worden forfaitair bepaald op:
1° 50 euro voor bodemanalyses waarvoor voor het bepalen van de klasse van het betrokken perceel, de gemeten hoeveelheid plantbeschikbaar fosfaat vergeleken wordt met de hoeveelheden plantbeschikbaar fosfaat in grasland, vermeld in artikel 13, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet;
2° 25 euro voor bodemanalyses waarvoor voor het bepalen van de klasse van het betrokken perceel, de gemeten hoeveelheid plantbeschikbaar fosfaat vergeleken wordt met de hoeveelheden plantbeschikbaar fosfaat in akker, vermeld in artikel 13, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet.
§ 2. Een bodemanalyse wordt maar één keer terugbetaald. Als de bodemanalyse tweemaal aan de Mestbank bezorgd wordt, kan alleen de landbouwer die als eerste de bodemanalyse aan de Mestbank heeft bezorgd, terugbetaald worden.
Analyses die uitgevoerd worden in opdracht van en op kosten van de Mestbank, of analyses die uitgevoerd worden in het kader van een begeleiding door het Coördinatiecentrum Voorlichting en Begeleiding Duurzame Bemesting (CVBB) vzw, komen niet in aanmerking voor terugbetaling.
§ 3. De Mestbank voert de terugbetalingen uit binnen de beschikbare begrotingskredieten. Als de beschikbare begrotingskredieten niet volstaan, worden de betalingen opgeschort.
§ 4. Als de Mestbank vaststelt dat de terugbetaling onterecht is gebeurd, vordert ze de uitbetaalde bedragen terug.
Art. 4.2.4. De Mestbank informeert de landbouwer die de bodemanalyse aan de Mestbank heeft bezorgd via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, over de gevolgen van de indeling in een van de vier klassen en over de terugbetaling van een ontvangen bodemanalyse. De landbouwer kan daartegen bezwaar indienen. Alleen bezwaren via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket zijn ontvankelijk, op voorwaarde dat ze zijn ingediend:
1° uiterlijk op 31 juli als de Mestbank haar beslissing op het internetloket heeft geplaatst in de periode van 1 januari tot en met 30 juni;
2° uiterlijk op 31 januari van het volgende kalenderjaar als de Mestbank haar beslissing op het internetloket heeft geplaatst in de periode van 1 juli tot en met 31 december van het vorige kalenderjaar.
De indiening van een bezwaar tegen een bepaalde beslissing schorst de betrokken beslissing niet.
Het afdelingshoofd van de Mestbank brengt de indiener van het bezwaar via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket op de hoogte van zijn beslissing binnen negentig kalenderdagen na de ontvangst van het bezwaar. Het afdelingshoofd van de Mestbank kan die termijn eenmalig verlengen met een periode van negentig dagen. Hij brengt de indiener van het bezwaar daarvan op de hoogte door een met redenen omklede melding op het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket.".
Art. 12. Dans le même arrêté, il est ajouté au chapitre 4 une section 2, constituée des articles 4.2.1 à 4.2.4 inclus et libellée comme suit :
" Section 2. - La subdivision de parcelles en classes sur la base d'une analyse du sol, telle que visée à l'article 13, § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 4.2.1. § 1er. Un agriculteur en possession d'une analyse du sol telle que visée à l'article 13, § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, transmet cette analyse du sol à la Banque d'engrais.
En même temps que l'analyse du sol, visée à l'alinéa 1er, l'agriculteur communique les données suivantes :
1° ses nom, adresse et numéro d'agriculteur ;
2° le numéro de compte en banque pouvant être utilisé pour un éventuel remboursement des frais de l'analyse ;
3° une copie d'une photo aérienne, telle que mise à disposition pour l'introduction de la demande unique, et sur laquelle la parcelle ayant fait l'objet d'un échantillonnage est clairement indiquée.
§ 2. Un agriculteur peut transmettre en une seule fois à la Banque d'engrais plusieurs analyses du sol ayant trait à plusieurs parcelles. Le cas échéant, lors de l'indication des parcelles en question sur la/les photo(s) aérienne(s), visée(s) au § 1er, alinéa 2, 3°, il est clairement spécifié quelle analyse du sol appartient à quelle parcelle.
§ 3. L'analyse du sol doit être introduite par un agriculteur enregistré en tant qu'agriculteur actif dans le SIGC.
§ 4. L'analyse du sol doit être basée sur un prélèvement d'échantillon effectué au cours d'une année civile dans laquelle la parcelle de surface agricole en question était reprise dans une demande unique.
§ 5. La Banque d'engrais peut aussi introduire une analyse du sol ayant été effectuée pour l'ordre et aux frais de la Banque d'engrais.
Si la Banque d'engrais décide de procéder ou de faire procéder à une analyse du sol ainsi que mentionné à l'article 13, § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, elle informe l'agriculteur qui utilise la parcelle concernée conformément aux dernières données connues de la demande unique.
Les paragraphes 1 à 4 ne s'appliquent pas aux analyses de sol introduites par la Banque d'engrais.
Art. 4.2.2. Lorsque la Banque d'engrais reçoit une analyse du sol qui remplit les conditions visées aux articles 13, § 3 et 84, §§ 10 et 11, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, et du présent arrêté, elle prend en compte ladite analyse pour la subdivision de la parcelle ou des parcelles en question dans l'une des quatre classes visées à l'article 13, § 3, alinéa 1er, du décret précité.
Art. 4.2.3. § 1er. La Banque d'engrais vérifie si l'analyse du sol reçue entre en ligne de compte pour un remboursement conformément aux dispositions de l'article 13, § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Les frais d'une analyse du sol sont forfaitairement fixés à :
1° 50 euros pour les analyses du sol pour lesquelles, afin de déterminer la classe de la parcelle en question, la quantité mesurée de phosphate disponible pour les plantes est comparée aux quantités de phosphate disponibles dans les prairies, visées à l'article 13, § 3, alinéa 1er, du décret précité :
2° 25 euros pour les analyses du sol pour lesquelles, afin de déterminer la classe de la parcelle en question, la quantité mesurée de phosphate disponible pour les plantes est comparée aux quantités de phosphate disponibles dans les champs, visées à l'article 13, § 3, alinéa 1er, du décret précité.
§ 2. Une analyse du sol n'est remboursée qu'une seule fois. Si l'analyse du sol est transmise à deux reprises à la Banque d'engrais, seul l'agriculteur ayant transmis en premier l'analyse du sol à la Banque d'engrais sera remboursé.
Les analyses effectuées pour l'ordre et aux frais de la Banque d'engrais ou les analyses effectuées dans le cadre d'un accompagnement par le " Coördinatiecentrum voorlichting en begeleiding duurzame bemesting vzw - CVBB " (Centre de coordination sur l'information et l'accompagnement de la fertilisation durable) n'entrent pas en ligne de compte pour un remboursement.
§ 3. La Banque d'engrais effectue les remboursements dans les limites des crédits budgétaires disponibles. Si les crédits en question ne suffisent pas, les paiements sont suspendus.
§ 4. Si la Banque d'engrais constate que le remboursement a été effectué indûment, elle recouvre les montants payés.
Art. 4.2.4. La Banque d'engrais informe l'agriculteur lui ayant transmis l'analyse du sol, par le biais du guichet internet mis à disposition par ses soins, sur les conséquences de la subdivision en une des quatre classes et ainsi que sur le remboursement d'une analyse du sol reçue. L'agriculteur peut introduire une réclamation. Seules les réclamations introduites par le biais du guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais sont recevables, à condition d'avoir été introduites :
1° au plus tard le 31 juillet de l'année civile, si la Banque d'engrais a déposé sa décision au guichet internet entre le 1er janvier et le 30 juin ;
2° au plus tard le 31 janvier de l'année civile suivante, si la Banque d'engrais a déposé sa décision au guichet Internet entre le 1er juillet et le 31 décembre de l'année civile précédente.
L'introduction d'une réclamation contre une décision déterminée ne suspend pas la décision en question.
Le chef de division de la Banque d'engrais informe l'auteur du recours de sa décision via le guichet internet mis à disposition par la banque d'engrais, et ce dans les nonante jours calendaires qui suivent la réception de la réclamation. Le chef de division de la Banque d'engrais peut prolonger ce délai à titre unique pour une période de nonante jours. Il en informe l'introducteur de la réclamation par notification motivée déposée au guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais. ".
" Section 2. - La subdivision de parcelles en classes sur la base d'une analyse du sol, telle que visée à l'article 13, § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 4.2.1. § 1er. Un agriculteur en possession d'une analyse du sol telle que visée à l'article 13, § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, transmet cette analyse du sol à la Banque d'engrais.
En même temps que l'analyse du sol, visée à l'alinéa 1er, l'agriculteur communique les données suivantes :
1° ses nom, adresse et numéro d'agriculteur ;
2° le numéro de compte en banque pouvant être utilisé pour un éventuel remboursement des frais de l'analyse ;
3° une copie d'une photo aérienne, telle que mise à disposition pour l'introduction de la demande unique, et sur laquelle la parcelle ayant fait l'objet d'un échantillonnage est clairement indiquée.
§ 2. Un agriculteur peut transmettre en une seule fois à la Banque d'engrais plusieurs analyses du sol ayant trait à plusieurs parcelles. Le cas échéant, lors de l'indication des parcelles en question sur la/les photo(s) aérienne(s), visée(s) au § 1er, alinéa 2, 3°, il est clairement spécifié quelle analyse du sol appartient à quelle parcelle.
§ 3. L'analyse du sol doit être introduite par un agriculteur enregistré en tant qu'agriculteur actif dans le SIGC.
§ 4. L'analyse du sol doit être basée sur un prélèvement d'échantillon effectué au cours d'une année civile dans laquelle la parcelle de surface agricole en question était reprise dans une demande unique.
§ 5. La Banque d'engrais peut aussi introduire une analyse du sol ayant été effectuée pour l'ordre et aux frais de la Banque d'engrais.
Si la Banque d'engrais décide de procéder ou de faire procéder à une analyse du sol ainsi que mentionné à l'article 13, § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, elle informe l'agriculteur qui utilise la parcelle concernée conformément aux dernières données connues de la demande unique.
Les paragraphes 1 à 4 ne s'appliquent pas aux analyses de sol introduites par la Banque d'engrais.
Art. 4.2.2. Lorsque la Banque d'engrais reçoit une analyse du sol qui remplit les conditions visées aux articles 13, § 3 et 84, §§ 10 et 11, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, et du présent arrêté, elle prend en compte ladite analyse pour la subdivision de la parcelle ou des parcelles en question dans l'une des quatre classes visées à l'article 13, § 3, alinéa 1er, du décret précité.
Art. 4.2.3. § 1er. La Banque d'engrais vérifie si l'analyse du sol reçue entre en ligne de compte pour un remboursement conformément aux dispositions de l'article 13, § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Les frais d'une analyse du sol sont forfaitairement fixés à :
1° 50 euros pour les analyses du sol pour lesquelles, afin de déterminer la classe de la parcelle en question, la quantité mesurée de phosphate disponible pour les plantes est comparée aux quantités de phosphate disponibles dans les prairies, visées à l'article 13, § 3, alinéa 1er, du décret précité :
2° 25 euros pour les analyses du sol pour lesquelles, afin de déterminer la classe de la parcelle en question, la quantité mesurée de phosphate disponible pour les plantes est comparée aux quantités de phosphate disponibles dans les champs, visées à l'article 13, § 3, alinéa 1er, du décret précité.
§ 2. Une analyse du sol n'est remboursée qu'une seule fois. Si l'analyse du sol est transmise à deux reprises à la Banque d'engrais, seul l'agriculteur ayant transmis en premier l'analyse du sol à la Banque d'engrais sera remboursé.
Les analyses effectuées pour l'ordre et aux frais de la Banque d'engrais ou les analyses effectuées dans le cadre d'un accompagnement par le " Coördinatiecentrum voorlichting en begeleiding duurzame bemesting vzw - CVBB " (Centre de coordination sur l'information et l'accompagnement de la fertilisation durable) n'entrent pas en ligne de compte pour un remboursement.
§ 3. La Banque d'engrais effectue les remboursements dans les limites des crédits budgétaires disponibles. Si les crédits en question ne suffisent pas, les paiements sont suspendus.
§ 4. Si la Banque d'engrais constate que le remboursement a été effectué indûment, elle recouvre les montants payés.
Art. 4.2.4. La Banque d'engrais informe l'agriculteur lui ayant transmis l'analyse du sol, par le biais du guichet internet mis à disposition par ses soins, sur les conséquences de la subdivision en une des quatre classes et ainsi que sur le remboursement d'une analyse du sol reçue. L'agriculteur peut introduire une réclamation. Seules les réclamations introduites par le biais du guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais sont recevables, à condition d'avoir été introduites :
1° au plus tard le 31 juillet de l'année civile, si la Banque d'engrais a déposé sa décision au guichet internet entre le 1er janvier et le 30 juin ;
2° au plus tard le 31 janvier de l'année civile suivante, si la Banque d'engrais a déposé sa décision au guichet Internet entre le 1er juillet et le 31 décembre de l'année civile précédente.
L'introduction d'une réclamation contre une décision déterminée ne suspend pas la décision en question.
Le chef de division de la Banque d'engrais informe l'auteur du recours de sa décision via le guichet internet mis à disposition par la banque d'engrais, et ce dans les nonante jours calendaires qui suivent la réception de la réclamation. Le chef de division de la Banque d'engrais peut prolonger ce délai à titre unique pour une période de nonante jours. Il en informe l'introducteur de la réclamation par notification motivée déposée au guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais. ".
Art. 13. In hetzelfde besluit wordt een artikel 4.2.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 4.2.5. In afwijking van artikel 13, § 3, elfde lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006 worden de volgende percelen landbouwgrond die niet ingedeeld zijn in een klasse op basis van een bodemanalyse, als klasse III beschouwd:
1° percelen landbouwgrond met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 0,3 hectare;
2° percelen landbouwgrond met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 0,5 hectare die gelegen zijn buiten de focusgebieden, vermeld in artikel 14, § 1, vierde lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006.".
"Art. 4.2.5. In afwijking van artikel 13, § 3, elfde lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006 worden de volgende percelen landbouwgrond die niet ingedeeld zijn in een klasse op basis van een bodemanalyse, als klasse III beschouwd:
1° percelen landbouwgrond met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 0,3 hectare;
2° percelen landbouwgrond met een oppervlakte kleiner dan of gelijk aan 0,5 hectare die gelegen zijn buiten de focusgebieden, vermeld in artikel 14, § 1, vierde lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006.".
Art. 13. Dans le même arrêté, il est ajouté un article 4.2.5, libellé comme suit :
" Art. 4.2.5. Par dérogation à l'article 13, § 3, alinéa 11, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, les parcelles de surfaces agricoles suivantes, qui ne sont pas subdivisées dans une classe sur la base d'une analyse du sol, sont considérées comme appartenant à la classe III :
1° les parcelles ayant une superficie inférieure ou égale à 0,3 hectare ;
2° les parcelles ayant une superficie inférieure ou égale à 0,5 hectare, situées en dehors des zones prioritaires visées à l'article 14, § 1er, alinéa 4, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006. "
" Art. 4.2.5. Par dérogation à l'article 13, § 3, alinéa 11, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, les parcelles de surfaces agricoles suivantes, qui ne sont pas subdivisées dans une classe sur la base d'une analyse du sol, sont considérées comme appartenant à la classe III :
1° les parcelles ayant une superficie inférieure ou égale à 0,3 hectare ;
2° les parcelles ayant une superficie inférieure ou égale à 0,5 hectare, situées en dehors des zones prioritaires visées à l'article 14, § 1er, alinéa 4, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006. "
Art. 14. Aan hoofdstuk 4 van hetzelfde besluit worden een afdeling 3, die bestaat uit artikel 4.3.1, en een afdeling 4, die bestaat uit artikel 4.4.1, toegevoegd, die luiden als volgt:
"Afdeling 3. - Uitzonderlijke weersomstandigheden waardoor de periode voor het opbrengen van meststoffen of voor het inzaaien van een vanggewas of een specifieke teelt als vermeld in artikel 8, § 9, en artikel 14, § 9, van het Mestdecreet van 22 december 2006, wordt verlengd
Art. 4.3.1. Onder uitzonderlijke weersomstandigheden als vermeld in artikel 8, § 9, tweede en derde lid, en artikel 14, § 9, zevende lid, 1°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, wordt verstaan dat het door de weersomstandigheden niet mogelijk is om een teelt in te zaaien in de periode van 15 tot en met 31 augustus.
De minister stelt vast of er in een bepaald kalenderjaar uitzonderlijke weersomstandigheden zijn als vermeld in het eerste lid.
Als de minister vaststelt dat er uitzonderlijke weersomstandigheden zijn, kan de minister:
1° bepalen dat de meststoffen op of in de bodem mogen worden gebracht tot en met 10 september, ter uitvoering van artikel 8, § 9, derde lid, van het voormelde decreet en in afwijking van artikel 5.2.1.2, § 3, van dit besluit;
2° bepalen dat de periode voor het inzaaien van een vanggewas of specifieke teelt, ter uitvoering van artikel 8, § 9, tweede lid, en artikel 14, § 9, zevende lid, 1°, van het voormelde decreet, verlengd wordt tot maximaal 10 september.
De minister kan de afwijkingen, vermeld in het derde lid, beperken, inzonderheid tot bepaalde hoofdteelten of nateelten of tot bepaalde gebieden, op basis van de waterkwaliteit, de bodemtextuur of de weersomstandigheden.
De minister kan aan de afwijkingen, vermeld in het derde lid, extra voorwaarden verbinden, inzonderheid voor het inzaaien van bepaalde nateelten, de periode waarin die nateelten aangehouden moeten worden, de types en hoeveelheden meststoffen die ter uitvoering van die afwijking opgebracht mogen worden en de wijze waarop die meststoffen opgebracht moeten worden.
Afdeling 4. - Afwijking op de bepalingen van het Mestdecreet van 22 december 2006 voor de educatieve demonstraties of de wetenschappelijke proefnemingen
Art. 4.4.1. Ter uitvoering van artikel 8, § 9, vierde lid, artikel 13, § 10, zevende lid, of artikel 22, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006, dient iedereen die in het kader van educatieve demonstraties of in het kader van wetenschappelijke proefnemingen, wil afwijken van de bemestingsnormen, vermeld in het voormelde decreet, of van artikel 8, 14, § 9, of artikel 22, van het voormelde decreet, daarvoor een gemotiveerde aanvraag in bij de minister.
De aanvraag vermeldt minimaal de volgende gegevens:
1° de dag of de periode waarvoor men de afwijking wil verkrijgen;
2° de exploitatie of exploitaties waartoe de betrokken percelen landbouwgrond behoren;
3° een nadere omschrijving van de betrokken educatieve demonstratie of wetenschappelijke proefneming, met aanduiding van de bepaling of bepalingen van het voormelde decreet waarvan men wil afwijken en de wijze waarop men van de betreffende bepaling wil afwijken;
4° in voorkomend geval, de identificatiegegevens van de betrokken erkende mestvoerder.
De aanvraag wordt minimaal vijftien dagen voor de dag of voor de aanvang van de periode waarvoor men de afwijking wil verkrijgen, ingediend. De toestemming van de minister om meststoffen op te brengen in afwijking van de bepalingen van het voormelde decreet, wordt door de minister, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, met een brief, of via een e-mail verleend. De aanvrager deelt, zo de minister erom verzoekt, ook alle andere gegevens mee die de minister nodig acht.".
"Afdeling 3. - Uitzonderlijke weersomstandigheden waardoor de periode voor het opbrengen van meststoffen of voor het inzaaien van een vanggewas of een specifieke teelt als vermeld in artikel 8, § 9, en artikel 14, § 9, van het Mestdecreet van 22 december 2006, wordt verlengd
Art. 4.3.1. Onder uitzonderlijke weersomstandigheden als vermeld in artikel 8, § 9, tweede en derde lid, en artikel 14, § 9, zevende lid, 1°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, wordt verstaan dat het door de weersomstandigheden niet mogelijk is om een teelt in te zaaien in de periode van 15 tot en met 31 augustus.
De minister stelt vast of er in een bepaald kalenderjaar uitzonderlijke weersomstandigheden zijn als vermeld in het eerste lid.
Als de minister vaststelt dat er uitzonderlijke weersomstandigheden zijn, kan de minister:
1° bepalen dat de meststoffen op of in de bodem mogen worden gebracht tot en met 10 september, ter uitvoering van artikel 8, § 9, derde lid, van het voormelde decreet en in afwijking van artikel 5.2.1.2, § 3, van dit besluit;
2° bepalen dat de periode voor het inzaaien van een vanggewas of specifieke teelt, ter uitvoering van artikel 8, § 9, tweede lid, en artikel 14, § 9, zevende lid, 1°, van het voormelde decreet, verlengd wordt tot maximaal 10 september.
De minister kan de afwijkingen, vermeld in het derde lid, beperken, inzonderheid tot bepaalde hoofdteelten of nateelten of tot bepaalde gebieden, op basis van de waterkwaliteit, de bodemtextuur of de weersomstandigheden.
De minister kan aan de afwijkingen, vermeld in het derde lid, extra voorwaarden verbinden, inzonderheid voor het inzaaien van bepaalde nateelten, de periode waarin die nateelten aangehouden moeten worden, de types en hoeveelheden meststoffen die ter uitvoering van die afwijking opgebracht mogen worden en de wijze waarop die meststoffen opgebracht moeten worden.
Afdeling 4. - Afwijking op de bepalingen van het Mestdecreet van 22 december 2006 voor de educatieve demonstraties of de wetenschappelijke proefnemingen
Art. 4.4.1. Ter uitvoering van artikel 8, § 9, vierde lid, artikel 13, § 10, zevende lid, of artikel 22, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006, dient iedereen die in het kader van educatieve demonstraties of in het kader van wetenschappelijke proefnemingen, wil afwijken van de bemestingsnormen, vermeld in het voormelde decreet, of van artikel 8, 14, § 9, of artikel 22, van het voormelde decreet, daarvoor een gemotiveerde aanvraag in bij de minister.
De aanvraag vermeldt minimaal de volgende gegevens:
1° de dag of de periode waarvoor men de afwijking wil verkrijgen;
2° de exploitatie of exploitaties waartoe de betrokken percelen landbouwgrond behoren;
3° een nadere omschrijving van de betrokken educatieve demonstratie of wetenschappelijke proefneming, met aanduiding van de bepaling of bepalingen van het voormelde decreet waarvan men wil afwijken en de wijze waarop men van de betreffende bepaling wil afwijken;
4° in voorkomend geval, de identificatiegegevens van de betrokken erkende mestvoerder.
De aanvraag wordt minimaal vijftien dagen voor de dag of voor de aanvang van de periode waarvoor men de afwijking wil verkrijgen, ingediend. De toestemming van de minister om meststoffen op te brengen in afwijking van de bepalingen van het voormelde decreet, wordt door de minister, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, met een brief, of via een e-mail verleend. De aanvrager deelt, zo de minister erom verzoekt, ook alle andere gegevens mee die de minister nodig acht.".
Art. 14. Au chapitre 4 du même arrêté, il est ajouté une section 3, constituée de l'article 4.3.1. et une section 4, constituée de l'article 4.4.1., qui s'énoncent comme suit :
" Section 3. - Conditions climatiques exceptionnelles en raison desquelles la période d'épandage des engrais ou d'ensemencement d'une culture piège ou d'une culture spécifique, ainsi que visée à l'article 8, § 9, et à l'article 14, § 9, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, est prolongée.
Art. 4.3.1. Par conditions climatiques exceptionnelles, telles que visées à l'article 8, § 9, alinéas 2 et 3, et à l'article 14, § 9, alinéa 7 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, il est entendu que, en raison des conditions climatiques, il n'est pas possible d'ensemencer une culture entre le 15 et le 31 août inclus.
Le ministre décide s'il y a lieu de tenir compte de conditions climatiques exceptionnelles au cours d'une année civile déterminée, telles que visées à l'alinéa 1er.
S'il décide qu'il existe des conditions climatiques exceptionnelles, il peut :
1° arrêter que les engrais peuvent être épandus sur ou dans le sol jusqu'au 10 septembre inclus, en exécution de l'article 8, § 9, alinéa 3, du décret précité et par dérogation à l'article 5.2.1.2, § 3, du présent arrêté ;
2° arrêter de prolonger la période d'ensemencement de la culture piège ou la culture spécifique jusqu'au 10 septembre maximum, en exécution de l'article 8, § 9, alinéa 2, et de l'article 14, § 9, alinéa 7, 1°, du décret précité.
Le ministre peut limiter les dérogations, telles que mentionnées à l'alinéa 3, notamment à certaines cultures principales ou à certaines régions, sur la base de la qualité de l'eau, de la texture du sol ou des conditions climatiques.
Il peut également y adjoindre, ainsi que prévu à l'alinéa 3, des conditions supplémentaires, notamment pour l'ensemencement de certaines cultures successives, la période durant laquelle ces cultures successives doivent être maintenues, les types et quantités d'engrais qui peuvent être épandus en exécution de ladite dérogation et le mode d'épandage des engrais.
Section 4. - Dérogations aux dispositions du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 en ce qui concerne les démonstrations éducatives ou les essais scientifiques
Art. 4.4.1. En exécution de l'article 8, § 9, alinéa 4, de l'article 13, § 10, alinéa 7 ou de l'article 22, § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, quiconque souhaite épandre des engrais dans le cadre de démonstrations éducatives et d'essais scientifiques, par dérogation aux normes d'épandage visées dans le décret précité, ou à l'article 8, 14, § 9, ou à l'article 22 du décret précité, adresse à cet effet une demande motivée au Ministre.
La demande fait au moins mention des données suivantes :
1° le jour ou la période faisant l'objet de la dérogation ;
2° l'exploitation ou les exploitations auxquelles appartiennent les terres agricoles concernées ;
3° une description de la démonstration éducative ou de l'essai scientifique concerné, avec indication de la ou des disposition(s) du décret précité à laquelle ou auxquelles on souhaite déroger et la manière dont on souhaite y déroger ;
4° au besoin, les données d'identification du transporteur d'engrais agréé concerné.
La demande doit être introduite au moins quinze jours avant le jour ou avant le début de la période faisant l'objet de la dérogation. Le Ministre donne son consentement pour épandre des engrais, par dérogation aux dispositions du décret précité, par lettre, par fax ou par e-mail, par le biais du guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais. A la demande du Ministre, le demandeur doit également communiquer tous les autres renseignements qu'il estime utiles. "
" Section 3. - Conditions climatiques exceptionnelles en raison desquelles la période d'épandage des engrais ou d'ensemencement d'une culture piège ou d'une culture spécifique, ainsi que visée à l'article 8, § 9, et à l'article 14, § 9, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, est prolongée.
Art. 4.3.1. Par conditions climatiques exceptionnelles, telles que visées à l'article 8, § 9, alinéas 2 et 3, et à l'article 14, § 9, alinéa 7 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, il est entendu que, en raison des conditions climatiques, il n'est pas possible d'ensemencer une culture entre le 15 et le 31 août inclus.
Le ministre décide s'il y a lieu de tenir compte de conditions climatiques exceptionnelles au cours d'une année civile déterminée, telles que visées à l'alinéa 1er.
S'il décide qu'il existe des conditions climatiques exceptionnelles, il peut :
1° arrêter que les engrais peuvent être épandus sur ou dans le sol jusqu'au 10 septembre inclus, en exécution de l'article 8, § 9, alinéa 3, du décret précité et par dérogation à l'article 5.2.1.2, § 3, du présent arrêté ;
2° arrêter de prolonger la période d'ensemencement de la culture piège ou la culture spécifique jusqu'au 10 septembre maximum, en exécution de l'article 8, § 9, alinéa 2, et de l'article 14, § 9, alinéa 7, 1°, du décret précité.
Le ministre peut limiter les dérogations, telles que mentionnées à l'alinéa 3, notamment à certaines cultures principales ou à certaines régions, sur la base de la qualité de l'eau, de la texture du sol ou des conditions climatiques.
Il peut également y adjoindre, ainsi que prévu à l'alinéa 3, des conditions supplémentaires, notamment pour l'ensemencement de certaines cultures successives, la période durant laquelle ces cultures successives doivent être maintenues, les types et quantités d'engrais qui peuvent être épandus en exécution de ladite dérogation et le mode d'épandage des engrais.
Section 4. - Dérogations aux dispositions du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 en ce qui concerne les démonstrations éducatives ou les essais scientifiques
Art. 4.4.1. En exécution de l'article 8, § 9, alinéa 4, de l'article 13, § 10, alinéa 7 ou de l'article 22, § 3, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, quiconque souhaite épandre des engrais dans le cadre de démonstrations éducatives et d'essais scientifiques, par dérogation aux normes d'épandage visées dans le décret précité, ou à l'article 8, 14, § 9, ou à l'article 22 du décret précité, adresse à cet effet une demande motivée au Ministre.
La demande fait au moins mention des données suivantes :
1° le jour ou la période faisant l'objet de la dérogation ;
2° l'exploitation ou les exploitations auxquelles appartiennent les terres agricoles concernées ;
3° une description de la démonstration éducative ou de l'essai scientifique concerné, avec indication de la ou des disposition(s) du décret précité à laquelle ou auxquelles on souhaite déroger et la manière dont on souhaite y déroger ;
4° au besoin, les données d'identification du transporteur d'engrais agréé concerné.
La demande doit être introduite au moins quinze jours avant le jour ou avant le début de la période faisant l'objet de la dérogation. Le Ministre donne son consentement pour épandre des engrais, par dérogation aux dispositions du décret précité, par lettre, par fax ou par e-mail, par le biais du guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais. A la demande du Ministre, le demandeur doit également communiquer tous les autres renseignements qu'il estime utiles. "
Art. 15. In artikel 5.2.1.2, § 3, van hetzelfde besluit wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 15. A l'article 5.2.1.2, § 3, du même arrêté, l'alinéa 2 est supprimé.
Art. 16. In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk 6, dat bestaat uit artikel 6, vervangen door wat volgt:
"HOOFDSTUK 6. - Dieren
Afdeling 1. - De bepaling van de stikstofverliezen
Art. 6.1.1. Landbouwers die een gedeelte van hun dieren nooit in stallen houden, mogen voor de dieren die nooit in stallen worden gehouden, geen stikstofverliezen in rekening brengen. Voor die dieren is het brutogehalte stikstof in dierlijke mest bij uitscheiding gelijk aan het nettogehalte stikstof in dierlijke mest op het ogenblik van de afzet, vermeld in artikel 27, § 5, en artikel 28, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006.
Art. 6.1.2. Voor de omrekening van het brutogehalte stikstof in dierlijke mest bij uitscheiding naar het nettogehalte van stikstof in dierlijke mest op het ogenblik van de afzet, vermeld in artikel 27, § 5, en artikel 28, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006, voor de dieren van de diersoorten rundvee, varkens en pluimvee, deelt de landbouwer via zijn aangifte, vermeld in artikel 23 van het voormelde decreet, voor elk van de gehouden diercategorieën, het type stal mee waarin de dieren van de betrokken diercategorieën werden gehouden.
Art. 6.1.3. Voor de verschillende diercategorieën van de diersoort rundvee, met uitzondering van de diercategorie mestkalveren, worden de totale stikstofverliezen uitgedrukt als een percentage van de uitscheidingsnormen per dier en per kalenderjaar.
Voor de diercategorie mestkalveren worden de totale stikstofverliezen uitgedrukt in kg stikstof per dier en per kalenderjaar.
Voor de diersoort rundvee worden de volgende stikstofverliezen onderscheiden:
1° voor de dieren van de diercategorie mestkalveren: 2,29 kg N per dier en per kalenderjaar, ongeacht het staltype waarin de betrokken dieren werden gehouden;
2° voor de dieren van de diersoort runderen, met uitzondering van de mestkalveren:
"HOOFDSTUK 6. - Dieren
Afdeling 1. - De bepaling van de stikstofverliezen
Art. 6.1.1. Landbouwers die een gedeelte van hun dieren nooit in stallen houden, mogen voor de dieren die nooit in stallen worden gehouden, geen stikstofverliezen in rekening brengen. Voor die dieren is het brutogehalte stikstof in dierlijke mest bij uitscheiding gelijk aan het nettogehalte stikstof in dierlijke mest op het ogenblik van de afzet, vermeld in artikel 27, § 5, en artikel 28, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006.
Art. 6.1.2. Voor de omrekening van het brutogehalte stikstof in dierlijke mest bij uitscheiding naar het nettogehalte van stikstof in dierlijke mest op het ogenblik van de afzet, vermeld in artikel 27, § 5, en artikel 28, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006, voor de dieren van de diersoorten rundvee, varkens en pluimvee, deelt de landbouwer via zijn aangifte, vermeld in artikel 23 van het voormelde decreet, voor elk van de gehouden diercategorieën, het type stal mee waarin de dieren van de betrokken diercategorieën werden gehouden.
Art. 6.1.3. Voor de verschillende diercategorieën van de diersoort rundvee, met uitzondering van de diercategorie mestkalveren, worden de totale stikstofverliezen uitgedrukt als een percentage van de uitscheidingsnormen per dier en per kalenderjaar.
Voor de diercategorie mestkalveren worden de totale stikstofverliezen uitgedrukt in kg stikstof per dier en per kalenderjaar.
Voor de diersoort rundvee worden de volgende stikstofverliezen onderscheiden:
1° voor de dieren van de diercategorie mestkalveren: 2,29 kg N per dier en per kalenderjaar, ongeacht het staltype waarin de betrokken dieren werden gehouden;
2° voor de dieren van de diersoort runderen, met uitzondering van de mestkalveren:
Art. 16. Dans le même arrêté, le chapitre 6, qui se compose de l'article 6, est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre 6. - Animaux
Section 1re. - La définition des pertes d'azote
Art. 6.1.1. Les agriculteurs dont une partie des animaux n'est jamais tenue dans des étables, ne peuvent pas porter en compte des pertes d'azote pour ceux-ci. Pour ces animaux, le taux brut d'azote dans l'engrais animal par excrétion est égal au taux net d'azote du lisier animal au moment du déversement, tel que visé aux articles 27, § 5, et 28, § 2, du décret sur les engrais.
Art. 6.1.2. La conversion du taux brut d'azote dans l'engrais animal par excrétion en un taux net d'azote du lisier animal au moment du déversement, tel que visé aux articles 27, § 5, et 28, § 2, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, se fait pour les espèces animales Bovins, Porcs et Volailles, sur la base des données communiquées par l'agriculteur dans sa déclaration visée à l'article 23 du décret précité, pour chacune des catégories d'animaux élevés, relatives au type d'étables dans lesquelles les animaux des différentes catégories sont tenus.
Art. 6.1.3. Pour les différentes catégories animales de l'espèce animale Bovins, à l'exception de la catégorie animale des Veaux d'engrais, les pertes totales d'azote sont exprimées en pourcentage des normes de déversement par animal et par année civile.
Pour la catégorie animale des veaux d'engrais, les pertes totales d'azote sont exprimées en kg d'azote par animal et par année civile.
Pour la catégorie animale bovins, l'on distingue les pertes d'azote suivantes :
1° pour les animaux de la catégorie animale Veaux d'engrais : 2,29 kg N par animal et par année civile, quel que soit le type d'étable dans laquelle sont tenus les animaux concernés :
2° pour les animaux de la catégorie animale Bovins, à l'exception des veaux d'engrais :
" Chapitre 6. - Animaux
Section 1re. - La définition des pertes d'azote
Art. 6.1.1. Les agriculteurs dont une partie des animaux n'est jamais tenue dans des étables, ne peuvent pas porter en compte des pertes d'azote pour ceux-ci. Pour ces animaux, le taux brut d'azote dans l'engrais animal par excrétion est égal au taux net d'azote du lisier animal au moment du déversement, tel que visé aux articles 27, § 5, et 28, § 2, du décret sur les engrais.
Art. 6.1.2. La conversion du taux brut d'azote dans l'engrais animal par excrétion en un taux net d'azote du lisier animal au moment du déversement, tel que visé aux articles 27, § 5, et 28, § 2, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, se fait pour les espèces animales Bovins, Porcs et Volailles, sur la base des données communiquées par l'agriculteur dans sa déclaration visée à l'article 23 du décret précité, pour chacune des catégories d'animaux élevés, relatives au type d'étables dans lesquelles les animaux des différentes catégories sont tenus.
Art. 6.1.3. Pour les différentes catégories animales de l'espèce animale Bovins, à l'exception de la catégorie animale des Veaux d'engrais, les pertes totales d'azote sont exprimées en pourcentage des normes de déversement par animal et par année civile.
Pour la catégorie animale des veaux d'engrais, les pertes totales d'azote sont exprimées en kg d'azote par animal et par année civile.
Pour la catégorie animale bovins, l'on distingue les pertes d'azote suivantes :
1° pour les animaux de la catégorie animale Veaux d'engrais : 2,29 kg N par animal et par année civile, quel que soit le type d'étable dans laquelle sont tenus les animaux concernés :
2° pour les animaux de la catégorie animale Bovins, à l'exception des veaux d'engrais :
| Runderen gespecificeerd per staltype | Procentueel stikstofverlies |
| Runderen die gehouden worden in stallen waar amper stalmest geproduceerd wordt | 10 % |
| Runderen die gehouden worden in stallen waar deels stalmest geproduceerd wordt | 15 % |
| Runderen die gehouden worden in stallen waar bijna uitsluitend stalmest geproduceerd wordt | 20 % |
In de tabel, vermeld in het derde lid, wordt verstaan onder:
1° runderen die gehouden worden in stallen waar amper stalmest geproduceerd wordt: runderen, met uitzondering van mestkalveren, die gehouden worden in stallen waar 10 % of minder van de in die stal geproduceerde mest stalmest is;
2° runderen die gehouden worden in stallen waar bijna uitsluitend stalmest geproduceerd wordt: runderen, met uitzondering van mestkalveren, die gehouden worden in stallen waar 90 % of meer van de in die stal geproduceerde mest stalmest is;
3° runderen die gehouden worden in stallen waar deels stalmest geproduceerd wordt: runderen die gehouden worden in stallen die niet onder de specificaties, vermeld in punt 1° of 2°, vallen.
Art. 6.1.4. Voor de verschillende diercategorieën van de diersoort varkens worden de totale stikstofverliezen uitgedrukt in kg stikstof per dier en per kalenderjaar.
Voor de diersoort varkens worden de volgende stikstofverliezen onderscheiden:
| Bovins spécifiés par type d'étable | Perte d'azote en pour cent |
| Bovins tenus dans des étables produisant à peine du fumier | 10 % |
| Bovins tenus dans des étables produisant partiellement du fumier | 15 % |
| Bovins tenus dans des étables produisant presque exclusivement du fumier | 20 % |
Dans le tableau visé à l'alinéa 3, l'on entend par :
1° bovins tenus dans des étables produisant à peine du fumier : des bovins, à l'exception des veaux d'engrais, tenus dans des étables où 10 % ou moins du lisier produit dans cette étable se composent de fumier ;
2° bovins tenus dans des étables produisant presque exclusivement du fumier : des bovins, à l'exception des veaux d'engrais, tenus dans des étables où 90 % ou davantage du lisier produit dans cette étable se composent de fumier ;
3° bovins tenus dans des étables produisant partiellement du fumier : des bovins tenus dans des étables qui ne relèvent pas des points 1° ou 2°.
Art. 6.1.4. Pour les différentes catégories des espèces animales " Porcs ", les pertes totales d'azote sont exprimées en kg d'azote par animal et par an.
Pour la catégorie animale " Porcs ", l'on distingue les pertes d'azote suivantes :
| Diercategorie | Staltype | Totaal stikstofverlies kg N/dier/jaar |
| Biggen (van 7 tot 20 kg) | Traditioneel - mengmest | 0,52 |
| Traditioneel - stalmest | 1,01 | |
| Emissiearm - mengmest | 0,26 | |
| Andere varkens van 20 tot 110 kg | Traditioneel - mengmest | 2,95 |
| Traditioneel - stalmest | 5,86 | |
| Emissiearm - mengmest | 1,58 | |
| Beren | Traditioneel - mengmest | 4,86 |
| Traditioneel - stalmest | 10,31 | |
| Zeugen, inclusief biggen < 7 kg | Traditioneel - mengmest | 4,35 |
| Traditioneel - stalmest | 5,81 | |
| Emissiearm - mengmest | 2,85 | |
| Emissiearm - stalmest | 4,33 | |
| Andere varkens > 110 kg | Traditioneel - mengmest | 3,79 |
| Traditioneel - stalmest | 5,28 | |
| Emissiearm - mengmest | 2,67 | |
| Emissiearm - stalmest | 4,15 |
kg N/dier/jaarBiggen (van 7 tot 20 kg) Traditioneel - mengmest 0,52Traditioneel - stalmest 1,01Emissiearm - mengmest 0,26Andere varkens van 20 tot 110 kg Traditioneel - mengmest 2,95Traditioneel - stalmest 5,86Emissiearm - mengmest 1,58Beren Traditioneel - mengmest 4,86Traditioneel - stalmest 10,31Zeugen, inclusief biggen < 7 kg Traditioneel - mengmest 4,35Traditioneel - stalmest 5,81Emissiearm - mengmest 2,85Emissiearm - stalmest 4,33Andere varkens > 110 kg Traditioneel - mengmest 3,79Traditioneel - stalmest 5,28Emissiearm - mengmest 2,67Emissiearm - stalmest 4,15
Voor de toepassing van de tabel, vermeld in het tweede lid, kan:
1° het verliescijfer voor Traditioneel-stalmest alleen toegepast worden voor varkens die gehouden worden in volledig ingestrooide stallen die niet voorkomen op de V-lijst;
2° het verliescijfer voor Traditioneel-mengmest alleen toegepast worden voor varkens die gehouden worden in stallen die niet volledig ingestrooid zijn en die niet voorkomen op de V-lijst;
3° voor dieren van de diercategorie biggen (van 7 tot 20 kg), het verliescijfer voor Emissiearm-mengmest alleen toegepast worden voor biggen die gehouden worden in een emissiearme varkensstal van het type V-1.2, V-1.3, V-1.4, V-1.5 of V-1.6, als vermeld in de V-lijst;
4° voor dieren van de diercategorie andere varkens van 20 tot 110 kg, het verliescijfer voor Emissiearm-mengmest alleen toegepast worden voor andere varkens van 20 tot 110 kg, die gehouden worden in een emissiearme varkensstal van het type V-4.1, V-4.2, V-4.3, V-4.4, V-4.5, V-4.6, V-4.7 of V-4.8, als vermeld in de V-lijst;
5° voor dieren van de diercategorie zeugen, inclusief biggen < 7 kg, het verliescijfer voor Emissiearm-mengmest alleen toegepast worden voor zeugen, inclusief biggen < 7 kg, die gehouden worden in een emissiearme varkensstal van het type V-2.1, V-2.2, V-2.3, V-2.4, V-2.5, V-2.6, V-3.1, V-3.2, V-3.3, V-3.4, V-3.5, V-3.8, V-3.9 of V-3.10, als vermeld in de V-lijst;
6° voor dieren van de diercategorie zeugen, inclusief biggen < 7 kg, het verliescijfer voor Emissiearm-stalmest alleen toegepast worden voor zeugen, inclusief biggen < 7 kg, die gehouden worden in een emissiearme varkensstal van het type V-3.6 of V-3.7, als vermeld in de V-lijst;
7° voor dieren van de diercategorie andere varkens > 110 kg, het verliescijfer voor Emissiearm-mengmest alleen toegepast worden voor andere varkens > 110 kg, die gehouden worden in een emissiearme varkensstal van het type V-3.1, V-3.2, V-3.3, V-3.4, V-3.5, V-3.8, V-3.9,V-3.10, V-4.1, V-4.2, V-4.3, V-4.4, V-4.5, V-4.6, V-4.7 of V-4.8, als vermeld in de V-lijst;
8° voor dieren van de diercategorie andere varkens > 110 kg, het verliescijfer voor Emissiearm-stalmest alleen toegepast worden voor andere varkens > 110 kg, die gehouden worden in een emissiearme varkensstal van het type V-3.6 of V-3.7, als vermeld in de V-lijst.
Art. 6.1.5. Voor de verschillende diercategorieën van de diersoort pluimvee worden de totale stikstofverliezen uitgedrukt in kg stikstof per dier en per kalenderjaar.
Voor de diersoort pluimvee worden de volgende stikstofverliezen onderscheiden:
| Catégorie animale | Type d'étable | Perte totale d'azote kg N/animal/année |
| Porcelets (de 7 à 20 kg) | Traditionnel - fumier mixte | 0,52 |
| Traditionnel - fumier | 1,01 | |
| Pauvre en émissions - fumier mixte | 0,26 | |
| Autres porcs de 20 à 110 kg | Traditionnel - fumier mixte | 2,95 |
| Traditionnel - fumier | 5,86 | |
| Pauvre en émissions - fumier mixte | 1,58 | |
| Verrats | Traditionnel - fumier mixte | 4,86 |
| Traditionnel - fumier | 10,31 | |
| Truies, y compris les porcelets pesant < 7 kg | Traditionnel - fumier mixte | 4,35 |
| Traditionnel - fumier | 5,81 | |
| Pauvre en émissions - fumier mixte | 2,85 | |
| Pauvre en émissions - fumier | 4,33 | |
| Autres porcs > 110 kg | Traditionnel - fumier mixte | 3,79 |
| Traditionnel - fumier | 5,28 | |
| Pauvre en émissions - fumier mixte | 2,67 | |
| Pauvre en émissions - fumier | 4,15 |
kg N/animal/année Porcelets (de 7 à 20 kg) Traditionnel - fumier mixte 0,52Traditionnel - fumier 1,01
Pauvre en émissions - fumier mixte 0,26 Autres porcs de 20 à 110 kg Traditionnel - fumier mixte 2,95Traditionnel - fumier 5,86
Pauvre en émissions - fumier mixte 1,58 Verrats Traditionnel - fumier mixte 4,86Traditionnel - fumier 10,31 Truies, y compris les porcelets pesant < 7 kg Traditionnel - fumier mixte 4,35Traditionnel - fumier 5,81
Pauvre en émissions - fumier mixte 2,85
Pauvre en émissions - fumier 4,33 Autres porcs > 110 kg Traditionnel - fumier mixte 3,79Traditionnel - fumier 5,28
Pauvre en émissions - fumier mixte 2,67
Pauvre en émissions - fumier 4,15
Pour l'application du tableau, mentionné à l'alinéa 2 :
1° le chiffre des pertes pour le Fumier traditionnel ne peut être appliqué qu'aux porcs tenus dans des étables entièrement pourvues de litières qui ne figurent pas sur la liste V ;
2° le chiffre des pertes pour le Fumier mixte traditionnel ne peut être appliqué qu'aux porcs tenus dans des étables qui ne sont pas entièrement pourvues de litières et qui ne figurent pas sur la liste V ;
3° pour les animaux de la catégorie animale porcelets (de 7 à 20 kg), le chiffre des pertes pour le Fumier mixte pauvre en émissions ne peut être appliqué qu'aux porcelets tenus dans des porcheries du type V-1.2, V-1.3, V-1.4, V-1.5 ou V-1.6, ainsi que le mentionne la liste V ;
4° pour les animaux de la catégorie autres porcs de 20 à 110 kg, le chiffre des pertes pour le Fumier mixte pauvre en émissions ne peut être appliqué qu'aux autres porcs de 20 à 110 kg tenus dans des porcheries du type V-4.1, V-4.2, V-4.3, V-4.4, V-4.5, V-4.6, V-4.7 ou V-4.8, ainsi que le mentionne la liste V ;
5° pour les animaux de la catégorie animale truies, y compris les porcelets pesant < 7 kg, le chiffre des pertes pour le Fumier mixte pauvre en émissions ne peut être appliqué qu'aux truies, y compris les porcelets pesant < 7 kg tenus dans des porcheries du type V-2.1, V-2.2, V-2.3, V-2.4, V-2.5, V-2.6, V-3.1, V-3.2, V-3.3, V-3.4, V-3.5, V-3.8, V-3.9 ou V-3.10, ainsi que le mentionne la liste V ;
6° pour les animaux de la catégorie animale truies, y compris les porcelets pesant < 7 kg, le chiffre des pertes pour le fumier pauvre en émissions ne peut être appliqué qu'aux truies, y compris les porcelets pesant < 7 kg tenus dans des porcheries du type V-3.6 ou V-3.7, ainsi que le mentionne la liste V ;
7° pour les animaux de la catégorie autres porcs > 110 kg, le chiffre des pertes pour le Fumier mixte pauvre en émissions ne peut être appliqué qu'aux autres porcs > 110 kg tenus dans des porcheries du type V-3.1, V-3.2, V-3.3, V-3.4, V-3.5, V-3.8, V-3.9,V-3.10, V-4.1, V-4.2, V-4.3, V-4.4, V-4.5, V-4.6, V-4.7 ou V-4.8, ainsi que le mentionne la liste V ;
8° pour les animaux de la catégorie autres porcs > 110 kg, le chiffre des pertes pour le fumier pauvre en émissions ne peut être appliqué qu'aux autres porcs > 110 kg tenus dans des porcheries du type V-3.6 ou V-3.7, ainsi que le mentionne la liste V.
Art. 6.1.5. Pour les différentes catégories d'animal de l'espèce animale Volaille, les pertes d'azote totales sont exprimées en kilos d'azote par animal et par année civile.
Pour l'espèce animale Volaille, on distingue les pertes d'azote suivantes :
| Diercategorie | Staltype | Totaal stikstofverlies kg N/dier/jaar |
| Legkippen en (groot)ouderdieren | Batterij, emissiearm, systeem P-3.1 en P-3.2 | 0,158 |
| Batterij, emissiearm, systeem P-3.3 | 0,198 | |
| Batterij, emissiearm, systeem P-3.4 | 0,179 | |
| Batterij, emissiearm, systeem P-3.5 | 0,183 | |
| Batterij, overige staltypes legkippen en (groot)ouderdieren | 0,198 | |
| Grondhuisvesting, emissiearm, systeem P-4.1, P-4.2, P-4.3, P-4.4, P-4.5, P-4.6 en P-4.7 | 0,238 | |
| Grondhuisvesting, overige staltypes legkippen en (groot)ouderdieren | 0,384 | |
| Opfokpoeljen legkippen | Batterij, emissiearm, systeem P-1.1 en P-1.2 | 0,073 |
| Batterij, emissiearm, systeem P-1.3 | 0,098 | |
| Batterij, emissiearm, systeem P-1.4 | 0,086 | |
| Batterij, emissiearm, systeem P-1.5 | 0,089 | |
| Batterij, overige staltypes opfokpoeljen legkippen | 0,097 | |
| Grondhuisvesting, emissiearm, systeem P-2.1, P-2.2 en P-2.3 | 0,131 | |
| Grondhuisvesting, overige staltypes opfokpoeljen Legkippen | 0,212 | |
| Slachtkuikens | Grondhuisvesting, emissiearm, systeem P-6.1, P-6.2, P-6.3 (al dan niet in combinatie met P-6.6 of P-6.7) en P-6.8, | 0,135 |
| Grondhuisvesting, emissiearm, systeem P-6.4 en P-6.9 | 0,108 | |
| Etagesystemen, emissiearm, systeem P-6.5 al dan niet in combinatie met P-6.6 of P-6.7 | 0,107 | |
| Overige staltypes slachtkuikens | 0,173 | |
| Opfokpoeljen slachtkuikenouderdieren | Emissiearm, systeem P-7.1, P-7.2, P-7.3, P-7.4 en P-7.5 | 0,223 |
| Overige staltypes opfokpoeljen slachtkuikenouderdieren | 0,315 | |
| Slachtkuikenouderdieren | Emissiearm, systeem P-5.1, P-5.2, P-5.3, P-5.4, P-5.5 en P-5.6 | 0,400 |
| Overige staltypes slachtkuikenouderdieren | 0,732 | |
| Kalkoen slachtdieren | Ongeacht het staltype | 0,798 |
| Kalkoen ouderdieren | Ongeacht het staltype | 0,766 |
| Struisvogel fokdieren | Ongeacht het staltype | 4,579 |
| Struisvogel slachtdieren | Ongeacht het staltype | 2,686 |
| Jonge struisvogels (0-3 maanden) | Ongeacht het staltype | 0,737 |
N/dier/jaarLegkippen en (groot)ouderdieren Batterij, emissiearm, systeem P-3.1 en P-3.2 0,158Batterij, emissiearm, systeem P-3.3 0,198Batterij, emissiearm, systeem P-3.4 0,179Batterij, emissiearm, systeem P-3.5 0,183Batterij, overige staltypes legkippen en (groot)ouderdieren 0,198Grondhuisvesting, emissiearm, systeem
P-4.1, P-4.2, P-4.3, P-4.4, P-4.5, P-4.6 en P-4.7 0,238Grondhuisvesting, overige staltypes legkippen en (groot)ouderdieren 0,384Opfokpoeljen legkippen Batterij, emissiearm, systeem P-1.1 en P-1.2 0,073Batterij, emissiearm, systeem P-1.3 0,098Batterij, emissiearm, systeem P-1.4 0,086Batterij, emissiearm, systeem P-1.5 0,089Batterij, overige staltypes opfokpoeljen legkippen 0,097Grondhuisvesting, emissiearm, systeem P-2.1, P-2.2 en P-2.3 0,131Grondhuisvesting, overige staltypes opfokpoeljen
Legkippen 0,212Slachtkuikens Grondhuisvesting, emissiearm, systeem
P-6.1, P-6.2, P-6.3 (al dan niet in combinatie met P-6.6 of P-6.7) en P-6.8, 0,135Grondhuisvesting, emissiearm, systeem P-6.4 en P-6.9 0,108Etagesystemen, emissiearm, systeem P-6.5 al dan niet in combinatie met P-6.6 of P-6.7 0,107Overige staltypes slachtkuikens 0,173Opfokpoeljen slachtkuikenouderdieren Emissiearm, systeem P-7.1, P-7.2, P-7.3, P-7.4 en P-7.5 0,223Overige staltypes opfokpoeljen slachtkuikenouderdieren 0,315Slachtkuikenouderdieren Emissiearm, systeem P-5.1, P-5.2, P-5.3, P-5.4, P-5.5 en P-5.6 0,400Overige staltypes slachtkuikenouderdieren 0,732Kalkoen slachtdieren Ongeacht het staltype 0,798Kalkoen ouderdieren Ongeacht het staltype 0,766Struisvogel fokdieren Ongeacht het staltype 4,579Struisvogel slachtdieren Ongeacht het staltype 2,686Jonge struisvogels (0-3 maanden) Ongeacht het staltype 0,737
Voor de toepassing van de tabel, vermeld in het tweede lid, hebben de vermelde systemen betrekking op de overeenkomstige stalsystemen, vermeld in de P-lijst.
Art. 6.1.6. Voor de verschillende diercategorieën van de diersoorten paarden of de diersoort andere worden voor de omrekening van het brutogehalte stikstof in dierlijke mest bij uitscheiding naar het nettogehalte van stikstof in dierlijke mest op het ogenblik van de afzet, vermeld in artikel 27, § 5, en artikel 28, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006, de totale stikstofverliezen uitgedrukt in kg stikstof per dier en per kalenderjaar als volgt bepaald:
| Catégorie d'animal | Type d'étable | Perte totale d'azote en kilos N/animal/an |
| Poules pondeuses et poules (grand-)parentales | Batterie, faibles émissions, systèmes P-3.1 et P-3.2 | 0,158 |
| Batterie, faibles émissions, système P-3.3 | 0,198 | |
| Batterie, faibles émissions, système P-3.4 | 0,179 | |
| Batterie, faibles émissions, système P-3.5 | 0,183 | |
| Batterie, autres types d'étable poules pondeuses et poules (grand-)parentales | 0,198 | |
| Logement basse-cour, faibles émissions, systèmes P-4.1, P-4.2, P-4.3, P-4.4, P-4.5, P-4.6 et P-4.7 | 0,238 | |
| Logement basse-cour, autres types d'étable poules pondeuses et poules (grand-)parentales | 0,384 | |
| Poules d'élevage poules pondeuses | Batterie, faibles émissions, systèmes P-1.1 et P-1.2 | 0,073 |
| Batterie, faibles émissions, système P-1.3 | 0,098 | |
| Batterie, faibles émissions, système P-1.4 | 0,086 | |
| Batterie, faibles émissions, système P-1.5 | 0,089 | |
| Batterie, autres types d'étable poules d'élevage poules pondeuses | 0,097 | |
| Logement basse-cour, faibles émissions, systèmes P-2.1, P-2.2 et P-2.3 | 0,131 | |
| Logement basse-cour, autres types d'étable poules d'élevage Poules pondeuses | 0,212 | |
| Poulets de chair | Logement basse-cour, faibles émissions, systèmes P-6.1, P-6.2, P-6.3 (en combinaison ou non avec P-6.6 ou P-6.7) et P-6.8, | 0,135 |
| Logement basse-cour, faibles émissions, systèmes P-6.4 et P-6.9 | 0,108 | |
| Systèmes d'étage, faibles émissions, système P-6.5 en combinaison ou non avec P-6.6 ou P-6.7 | 0,107 | |
| Autres types d'étables poulets de chair | 0,173 | |
| Poules d'élevage animaux-parents poulets de chair | Faibles émissions, systèmes P-7.1, P-7.2, P-7.3, P-7.4 et P-7.5 | 0,223 |
| Autres types d'étables poules d'élevage animaux-parents poulets de chair | 0,315 | |
| Animaux-parents poulets de chair | Faibles émissions, systèmes P-5.1, P-5.2, P-5.3, P-5.4, P-5.5 et P-5.6 | 0,400 |
| Autres types d'étables animaux-parents poulets de chair | 0,732 | |
| Dindons animaux d'abattage | Quel que soit le type d'étable | 0,798 |
| Dindons animaux-parents | Quel que soit le type d'étable | 0,766 |
| Autruches animaux d'élevage | Quel que soit le type d'étable | 4,579 |
| Autruches animaux d'abattage | Quel que soit le type d'étable | 2,686 |
| Jeunes autruches (0-3 mois) | Quel que soit le type d'étable | 0,737 |
N/animal/an Poules pondeuses et poules (grand-)parentales Batterie, faibles émissions, systèmes P-3.1 et P-3.2 0,158Batterie, faibles émissions,
système P-3.3 0,198
Batterie, faibles émissions,
système P-3.4 0,179
Batterie, faibles émissions, système P-3.5 0,183
Batterie, autres types d'étable poules pondeuses et poules (grand-)parentales 0,198
Logement basse-cour, faibles émissions, systèmes
P-4.1, P-4.2, P-4.3, P-4.4, P-4.5, P-4.6 et P-4.7 0,238
Logement basse-cour, autres types d'étable poules pondeuses et poules (grand-)parentales 0,384 Poules d'élevage poules pondeuses Batterie, faibles émissions, systèmes P-1.1 et P-1.2 0,073Batterie, faibles émissions, système P-1.3 0,098
Batterie, faibles émissions, système P-1.4 0,086
Batterie, faibles émissions, système P-1.5 0,089
Batterie, autres types d'étable poules d'élevage poules pondeuses 0,097
Logement basse-cour, faibles émissions, systèmes P-2.1, P-2.2 et P-2.3 0,131
Logement basse-cour, autres types d'étable poules d'élevage
Poules pondeuses 0,212 Poulets de chair Logement basse-cour, faibles émissions, systèmes P-6.1, P-6.2, P-6.3 (en combinaison ou non avec P-6.6 ou P-6.7) et P-6.8, 0,135Logement basse-cour, faibles émissions, systèmes
P-6.4 et P-6.9 0,108
Systèmes d'étage, faibles émissions, système P-6.5 en combinaison ou non avec P-6.6 ou P-6.7 0,107
Autres types d'étables poulets de chair 0,173 Poules d'élevage animaux-parents poulets de chair Faibles émissions, systèmes P-7.1, P-7.2, P-7.3, P-7.4 et P-7.5 0,223Autres types d'étables poules d'élevage animaux-parents poulets de chair 0,315 Animaux-parents poulets de chair Faibles émissions, systèmes P-5.1, P-5.2, P-5.3, P-5.4, P-5.5 et P-5.6 0,400Autres types d'étables animaux-parents poulets de chair 0,732
Dindons animaux d'abattage Quel que soit le type d'étable 0,798Dindons animaux-parents Quel que soit le type d'étable 0,766Autruches animaux d'élevage Quel que soit le type d'étable 4,579Autruches animaux d'abattage Quel que soit le type d'étable 2,686Jeunes autruches (0-3 mois) Quel que soit le type d'étable 0,737
Pour l'application du tableau mentionné au deuxième alinéa, les systèmes mentionnés se rapportent aux systèmes d'étables correspondants, mentionnés dans la liste P.
Art. 6.1.6. La conversion du taux brut d'azote dans les effluents d'élevage en un taux net d'azote du lisier animal au moment du déversement, tel que visé à l'article 27, § 5, et 28, § 2 du Décret sur les engrais, se fait pour les espèces animales Chevaux ou Autres sur la base des chiffres suivants pour les pertes d'azote, exprimées en kg d'azote par animal et par an :
| Diercategorie | Totaal stikstofverlies kg N/dier/jaar |
| Paarden (>600 kg) | 10,46 |
| Paarden en pony's (200-600 kg) | 7,47 |
| Paarden en pony's (< 200 kg) | 4,57 |
| Konijnen gesloten bedrijven (per vrouwelijk konijn) | 3,02 |
| Konijnen vetmesterij (per dier) | 0,26 |
| Konijnen kwekerij (per vrouwelijk konijn) | 1,43 |
| Geiten jonger dan 1 jaar | 1,39 |
| Geiten ouder dan 1 jaar | 3,31 |
| Schapen jonger dan 1 jaar | 1,06 |
| Schapen ouder dan 1 jaar | 1,75 |
| Nertsen gesloten bedrijven (per moederdier) | 1,5 |
| Nertsen vetmesterij (per dier) | 0,5 |
| Nertsen kwekerij (per volwassen dier) | 0,6 |
Art. 6.1.7. Als voor een diercategorie het nettogehalte van stikstof in dierlijke mest op het ogenblik van de afzet, berekend conform artikel 6.1.1. tot en met 6.1.6 van dit besluit, kleiner is dan 25 % van de voor die diercategorie van toepassing zijnde forfaitaire stikstofuitscheidingsnorm, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, wordt, in afwijking van artikel 6.1.1. tot en met 6.1.6 van dit besluit, voor die diercategorie het nettogehalte van stikstof in dierlijke mest op het ogenblik van de afzet bepaald op 25 % van de voor die diercategorie van toepassing zijnde forfaitaire stikstofuitscheidingsnorm, vermeld in artikel 27, § 1, van het voormelde decreet.
Afdeling 2. - De berekening van de gemiddelde veebezetting
Onderafdeling 1. - De totale gemiddelde veebezetting van een exploitatie
Art. 6.2.1.1. Ter uitvoering van artikel 23, § 7, van het Mestdecreet van 22 december 2006, wordt de gemiddelde veebezetting van een exploitatie in een bepaald kalenderjaar bepaald door voor alle diersoorten, uitgezonderd de diersoort runderen, per diercategorie de som te maken van de gemiddelde veebezetting van elk van de dierregisters die in dat kalenderjaar voor die exploitatie bijgehouden zijn, en voor de diersoort runderen door de in de databank van Dierengezondheidszorg Vlaanderen vzw voor dat kalenderjaar voor die exploitatie geregistreerde gegevens om te rekenen.
Art. 6.2.1.2. Per diercategorie en per dierregister wordt er afgerond op een geheel getal, waarbij elk getal na de komma lager dan vijf naar beneden wordt afgerond en elk getal na de komma gelijk of hoger dan vijf naar boven wordt afgerond.
Onderafdeling 2. - De gemiddelde veebezetting voor een dierregister van een maandregister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 1°
Art. 6.2.2.1. De gemiddelde veebezetting van een dierregister van een maandregister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 1°, wordt bepaald door per diercategorie de som te nemen van de twaalf geregistreerde maandgemiddelden en door die vervolgens te delen door twaalf.
Onderafdeling 3. - De gemiddelde veebezetting voor een dierregister van een veranderingsregister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 3°
Art. 6.2.3.1. De gemiddelde veebezetting van een dierregister van een veranderingsregister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 3°, wordt bepaald door voor elk dier dat vermeld is in een van de dierregisters die in dat kalenderjaar voor die exploitatie bijgehouden zijn, te bepalen tot welke diercategorie dat dier behoort en hoeveel dagen dat dier in het betreffende kalenderjaar op de exploitatie aanwezig was. Als een dier in de loop van een kalenderjaar van diercategorie gewijzigd is, wordt voor elke diercategorie waartoe het betrokken dier in het voorbije kalenderjaar heeft behoord, bepaald hoeveel dagen dat dier in die diercategorie op die exploitatie aanwezig is geweest.
Het aantal dagen dat bepaald wordt conform het eerste lid, wordt per diercategorie opgeteld, en gedeeld door het aantal kalenderdagen van het betreffende kalenderjaar.
Onderafdeling 4. - De gemiddelde veebezetting voor een dierregister van een ronderegister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 2°
Art. 6.2.4.1. De gemiddelde veebezetting van een ronderegister als vermeld in artikel 2.2.2.1, eerste lid, 2°, wordt bepaald door per diercategorie de som te nemen van:
1° het aantal dieren dat op 1 januari op de exploitatie aanwezig was;
2° voor elk van de rondes die in de loop van dat kalenderjaar gestart zijn, het aantal dieren dat bij de start van de ronde aanwezig was;
3° voor elk van de rondes die in de loop van dat kalenderjaar beëindigd zijn, het aantal dieren dat bij het einde van de ronde aanwezig was;
4° het aantal dieren dat op 31 december op de exploitatie aanwezig was.
De totalen per diercategorie, bepaald conform het eerste lid, worden gedeeld door twee, vervolgens vermenigvuldigd met het aantal dagen dat er volgens het dierregister dieren van die diercategorie aanwezig waren, en ten slotte gedeeld door het aantal kalenderdagen van dat bepaalde kalenderjaar.
Onderafdeling 5. - De gemiddelde veebezetting voor runderen
Art. 6.2.5.1. Voor de omrekening van de in de databank van Dierengezondheidszorg Vlaanderen vzw voor dat kalenderjaar voor die exploitatie geregistreerde gegevens, wordt voor elk dier dat volgens de in de databank van Dierengezondheidszorg Vlaanderen vzw geregistreerde gegevens in de loop van het betrokken kalenderjaar op de betrokken exploitatie gehouden is, bepaald tot welke diercategorie dat dier behoort en hoeveel dagen dat dier in het betreffende kalenderjaar op de exploitatie aanwezig was. Als een dier in de loop van een kalenderjaar van diercategorie gewijzigd is, wordt voor elke diercategorie waartoe het betrokken dier in het voorbije kalenderjaar heeft behoord, bepaald hoeveel dagen dat dier in die diercategorie op die exploitatie aanwezig is geweest.
Het aantal dagen dat wordt bepaald conform het eerste lid, wordt per diercategorie opgeteld, en gedeeld door het aantal kalenderdagen van het betreffende kalenderjaar.
Per diercategorie wordt er afgerond op een geheel getal, waarbij elk getal na de komma lager dan vijf naar beneden wordt afgerond en elk getal na de komma gelijk of hoger dan vijf naar boven wordt afgerond.
Afdeling 3. - Het nutriëntenbalansstelsel
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 6.3.1.1. De landbouwer die opteert voor het nutriëntenbalansstelsel, heeft, per exploitatie en per diercategorie, de keuze tussen de volgende types:
1° het type convenant;
2° het type regressierechte;
3° het type andere voeders of voedertechnieken.
Een landbouwer kan alleen opteren voor het type convenant voor de diercategorieën waarvoor er in onderafdeling 2 uitscheidingscijfers zijn bepaald.
Een landbouwer kan alleen opteren voor het type regressierechte voor de diercategorieën waarvoor er in onderafdeling 3 uitscheidingscijfers zijn bepaald.
Onderafdeling 2. - Het nutriëntenbalansstelsel van het type convenant als vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 1°
Art. 6.3.2.1. Als de landbouwer conform artikel 25 van het Mestdecreet van 22 december 2006, voor een of meer exploitaties en voor een of meer diercategorieën, opteert voor het nutriëntenbalansstelsel van het type convenant als vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 1°, gebruikt de landbouwer, voor de betrokken exploitaties en voor de betrokken diercategorieën, hetzij laag-fosforvoeder, hetzij laag-eiwitvoeder, hetzij nutriëntenarm voeder.
De landbouwer kan alleen gebruikmaken van laag-fosforvoeder in het kader van de nutriëntenbalans, type convenant, voor de diercategorieën, vermeld in artikel 6.3.2.2, tweede lid.
De landbouwer kan alleen gebruikmaken van laag-eiwitvoeder in het kader van de nutriëntenbalans, type convenant, voor de diercategorieën, vermeld in artikel 6.3.2.3, tweede lid.
De landbouwer kan alleen gebruik maken van nutriëntenarm voeder in het kader van de nutriëntenbalans, type convenant, voor de diercategorieën, vermeld in artikel 6.3.2.5, tweede lid.
Art. 6.3.2.2. Als de landbouwer, voor een exploitatie en voor een diercategorie, opteert om laag-fosforvoeder in het kader van de nutriëntenbalans, type convenant, te gebruiken, voedert hij gedurende het volledige kalenderjaar alle dieren van de betrokken diercategorie die op de exploitatie werden gehouden uitsluitend met laag-fosforvoeder.
Voor de berekening van de productie van dierlijke mest per exploitatie wordt, voor alle dieren van de betrokken diercategorie, uitgegaan van de volgende reële uitscheidingshoeveelheden, uitgedrukt in kg difosforpentoxide en kg stikstof per dier en per kalenderjaar:
Laag-fosforvoeder
| Catégorie d'animal | Perte totale d'azote kg N/animal/année |
| Chevaux (> 600 kg) | 10,46 |
| Chevaux et poneys (200-600 kg) | 7,47 |
| Chevaux et poneys (< 200 kg) | 4,57 |
| Lapins entreprises fermées (par lapine) | 3,02 |
| Lapins d'engraissage (par animal) | 0,26 |
| Lapins d'élevage (par lapine) | 1,43 |
| Chèvres de moins de 1 an | 1,39 |
| Chèvres de plus de 1 an | 3,31 |
| Moutons de moins de 1 an | 1,06 |
| Moutons de plus de 1 an | 1,75 |
| Visons entreprises fermées (par femelle) | 1,5 |
| Visons d'engraissage (par animal) | 0,5 |
| Visons d'élevage (par femelle) | 0,6 |
Art. 6.1.7. Si, pour une catégorie d'animal, le taux net d'azote du lisier animal au moment du déversement, calculé conformément aux articles 6.1.1 à 6.1.6 du présent arrêté, est inférieur à 25 % des effluents N forfaitaires d'application pour cette catégorie d'animal, tels que visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, le taux net d'azote du lisier animal au moment du déversement pour cette catégorie d'animal sera, par dérogation aux articles 6.1.1 à 6.1.6 du présent arrêté, fixé à 25 % des effluents N forfaitaires d'application pour cette catégorie d'animal, tels que visés à l'article 27, § 1er du décret précité.
Section 2. - Calcul de la densité moyenne du cheptel
Sous-section 1re. - Densité moyenne totale du cheptel d'une exploitation
Art. 6.2.1.1. En exécution de l'article 23, § 7 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, la densité moyenne du cheptel d'une exploitation dans une année civile précise est déterminée, pour toutes les espèces animales à l'exception de l'espèce animale Bovins, en faisant la somme de la densité moyenne du cheptel de chacun des registres des animaux que l'exploitation a tenus pour cette année civile, et pour l'espèce animale Bovins en convertissant les données que ladite exploitation a enregistrées dans la base de données de Dierengezondheidszorg Vlaanderen vzw pour l'année civile en question.
Art. 6.2.1.2. Par catégorie d'animal et par registre des animaux, un arrondi à un nombre entier est opéré, chaque chiffre après la virgule inférieur à cinq étant arrondi vers le bas et chaque chiffre après la virgule égal ou supérieur à cinq étant arrondi vers le haut.
Sous-section 2. - La densité moyenne du cheptel pour un registre des animaux d'un registre mensuel tel que repris à l'article 2.2.2.1, alinéa premier, 1°
Art. 6.2.2.1. La densité moyenne du cheptel d'un registre des animaux d'un registre mensuel tel que repris à l'article 2.2.2.1, alinéa premier, 1° est déterminée par l'addition, pour chaque catégorie d'animal, des douze moyennes mensuelles enregistrées, puis par la division par douze de la somme obtenue.
Sous-section 3. - La densité moyenne du cheptel pour un registre des animaux d'un registre des changements tel que repris à l'article 2.2.2.1, alinéa premier, 3°
Art. 6.2.3.1. La densité moyenne du cheptel d'un registre des animaux d'un registre des changements tel que repris à l'article 2.2.2.1, alinéa premier, 3° est définie en déterminant, pour chaque animal mentionné dans l'un des registres des animaux que cette exploitation a tenus dans cette année civile, à quelle catégorie d'animal cet animal appartient, ainsi que le nombre de jours durant lequel cet animal a été présent dans l'exploitation pendant l'année civile concernée. Si un animal change de catégorie d'animal dans le courant d'une année civile, il est déterminé, pour chaque catégorie d'animal à laquelle cet animal a appartenu dans l'année civile précédente, durant combien de jours cet animal a été présent dans l'exploitation dans la catégorie d'animal en question.
Le nombre de jours qui est déterminé est additionné par catégorie d'animal conformément à l'alinéa premier et est ensuite divisé par le nombre de jours calendaires de l'année civile concernée.
Sous-section 4. - La densité moyenne du cheptel pour un registre des animaux d'un registre des cycles tel que repris à l'article 2.2.2.1, alinéa premier, 2°
Art. 6.2.4.1. La densité moyenne du cheptel d'un registre des cycles tel que repris à l'article 2.2.2.1, alinéa premier, 2° est déterminée par l'addition, pour chaque catégorie d'animal :
1° du nombre d'animaux présents dans l'exploitation au 1er janvier ;
2° pour chaque cycle qui a commencé dans le courant de l'année civile, du nombre d'animaux présents au début du cycle ;
3° pour chaque cycle qui s'est terminé dans le courant de l'année civile, du nombre d'animaux présents à la fin du cycle ;
4° du nombre d'animaux présents dans l'exploitation au 31 décembre.
Les totaux par catégorie d'animal, déterminés conformément à l'alinéa premier, sont divisés par deux, ensuite multipliés par le nombre de jours durant lesquels étaient présents des animaux selon le registre des animaux de la catégorie d'animal en question, et enfin divisés par le nombre de jours calendaires de l'année civile concernée.
Sous-section 5. - La densité moyenne du cheptel pour les bovins
Art. 6.2.5.1. Pour la conversion des données enregistrées pour cette exploitation dans la base de données de Dierengezondheidszorg Vlaanderen vzw pour l'année civile en question, l'on détermine pour chaque animal qui, selon les données enregistrées dans la base de données de Dierengezondheidszorg Vlaanderen vzw, était présent dans l'exploitation concernée dans le courant de l'année civile concernée, la catégorie d'animal à laquelle appartient l'animal concerné, ainsi que le nombre de jours durant lesquels l'animal en question était présent dans l'exploitation pendant l'année civile concernée. Si un animal change de catégorie d'animal dans le courant d'une année civile, il est déterminé, pour chaque catégorie d'animal à laquelle l'animal concerné a appartenu durant l'année civile précédente, le nombre de jours durant lesquels l'animal était présent dans l'exploitation dans la catégorie d'animal en question.
Le nombre de jours déterminé conformément à l'alinéa premier est additionné pour chaque catégorie d'animal et ensuite divisé par le nombre de jours calendaires de l'année civile concernée.
Pour chaque catégorie d'animal, un arrondi à un nombre entier est opéré, chaque chiffre après la virgule inférieur à cinq étant arrondi vers le bas et chaque chiffre après la virgule égal ou supérieur à cinq étant arrondi vers le haut.
Section 3. - Le régime du bilan nutritif
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 6.3.1.1. L'agriculteur qui opte pour le régime du bilan nutritif a, pour chaque exploitation et catégorie d'animal, le choix entre les types suivants :
1° le type convention ;
2° le type droite de régression ;
3° le type autres aliments ou techniques d'alimentation.
Un agriculteur ne peut choisir que le type convention pour les catégories d'animal pour lesquelles des chiffres d'excrétion ont été déterminés à la sous-section 2.
Un agriculteur ne peut choisir que le type droite de régression pour les catégories d'animal pour lesquelles des chiffres d'excrétion ont été déterminés à la sous-section 3.
Sous-section 2. - Le régime du bilan nutritif de type convention tel que visé à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 1°
Art. 6.3.2.1. Si l'agriculteur, conformément aux dispositions de l'article 25 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, opte pour une ou plusieurs exploitations et pour une ou plusieurs catégories d'animal, pour le régime de bilan nutritif pour le type convention tel que visé à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 1°, l'agriculteur doit utiliser, pour les exploitations et catégories d'animal concernées, soit des aliments à basse teneur en phosphore, soit des aliments à basse teneur en protéines, soit des aliments pauvres en nutriments.
L'agriculteur ne peut utiliser que les aliments à basse teneur en phosphore dans le cadre du bilan nutritif, pour le type convention, pour les catégories d'animal mentionnées à l'article 6.3.2.2, deuxième alinéa.
L'agriculteur ne peut utiliser que les aliments à basse teneur en protéines dans le cadre du bilan nutritif, pour le type convention, pour les catégories d'animal mentionnées à l'article 6.3.2.2, deuxième alinéa.
L'agriculteur ne peut utiliser que les aliments pauvres en nutriments dans le cadre du bilan nutritif, pour le type convention, pour les catégories d'animal mentionnées à l'article 6.3.2.2, deuxième alinéa.
Art. 6.3.2.2. Si l'agriculteur, pour une exploitation et une catégorie d'animal, opte pour l'utilisation d'aliments à basse teneur en phosphore dans le cadre du bilan nutritif, type convention, il doit administrer exclusivement et durant toute l'année civile des aliments à basse teneur en phosphore à tous les animaux de l'espèce animale concernée qui se trouvaient sur l'exploitation.
Le calcul de la production des effluents d'élevage par exploitation, pour tous les animaux de l'espèce animale concernée, s'effectue sur la base des quantités d'excrétion réelles suivantes, exprimées en kg d'anhydride phosphorique et en kg d'azote par animal et par année civile :
Aliments à basse teneur en phosphore
| Diercategorie | Omschrijving in het convenant | Difosforpentoxide (P2O5)-uitscheiding (kg/dier/jaar) | Voedersamenstelling geattesteerd door fabrikant (kg totaalP/ton voeder) | Stikstof (N)-uitscheiding (kg/dier/jaar) |
| Biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg | biggen tot 20 kg | 1,22 | 6 | 2,18 |
| Beren | beren | 13,26 | 6 | 29,61 |
| Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg | zeugen incl. biggen < 7 kg | 13,26 | 6 | 29,61 |
| Andere varkens: van 20 tot 110 kg | andere varkens van 20-40 kg andere varkens van 40-110 kg | 4,32 | 5 4,5 | 12,68 |
| Andere varkens: van 110 kg en meer | andere varkens > 110 kg | 13,26 | 6 | 29,61 |
| Slachtkuikens | braadkippen tot 2 weken braadkippen vanaf 2 weken braadkippen fase 3 | 0,20 | 6 5 4,5 | 0,61 |
van 20 tot 110 kg andere varkens van 20-40 kg
andere varkens van 40-110 kg 4,32 5
4,5 12,68Andere varkens:
van 110 kg en meer andere varkens > 110 kg 13,26 6 29,61Slachtkuikens braadkippen tot 2 weken
braadkippen
vanaf 2 weken
braadkippen fase 3 0,20
6
5
4,5 0,61
Art. 6.3.2.3. Als de landbouwer, voor een exploitatie en voor een diercategorie, opteert om laag-eiwitvoeder in het kader van de nutriëntenbalans, type convenant, te gebruiken, voedert hij gedurende het volledige kalenderjaar alle dieren van de betrokken diercategorie die op de exploitatie werden gehouden uitsluitend met laag-eiwitvoeder.
Voor de berekening van de productie van dierlijke mest per exploitatie wordt, voor alle dieren van de betrokken diercategorie, uitgegaan van de volgende reële uitscheidingshoeveelheden, uitgedrukt in kg difosforpentoxide en kg stikstof per dier en per kalenderjaar:
Laag-eiwitvoeder
| Catégorie d'animal | Libellé dans la convention | Excrétion de pentaoxyde de diphosphore (P2O5) (kg/animal/an) | Composition des aliments attestée par le fabricant (kg P total/tonne d'aliments) | Excrétion d'azote (N) (kg/animal/an) |
| Porcelets ayant un poids de 7 à 20 kg | porcelets jusqu'à 20 kg | 1,22 | 6 | 2,18 |
| Verrats | verrats | 13,26 | 6 | 29,61 |
| Truies, y compris les porcelets ayant un poids inférieur à 7 kg | truies, y compris les porcelets < 7 kg | 13,26 | 6 | 29,61 |
| Autres porcs : de 20 à 110 kg | autres porcs de 20-40 kg autres porcs de 40-110 kg | 4,32 | 5 4,5 | 12,68 |
| Autres porcs : de 110 kg et plus | autres porcs > 110 kg | 13,26 | 6 | 29,61 |
| Poulets de chair | poulets à rôtir jusqu'à 2 semaines poulets à rôtir à partir de 2 semaines poulets à rôtir phase 3 | 0,20 | 6 5 4,5 | 0,61 |
de 20 à 110 kg autres porcs de 20-40 kg
autres porcs de 40-110 kg 4,32 5
4,5 12,68Autres porcs :
de 110 kg et plus autres porcs > 110 kg 13,26 6 29,61Poulets de chair poulets à rôtir jusqu'à 2 semaines
poulets à rôtir
à partir de 2 semaines
poulets à rôtir phase 3 0,20
6
5
4,5 0,61
Art. 6.3.2.3. Si l'agriculteur, pour une exploitation et pour une catégorie d'animal, opte pour l'utilisation d'aliments à basse teneur en protéines dans le cadre du bilan nutritif, type convention, il doit, durant toute l'année civile, administrer exclusivement des aliments à basse teneur en protéines à tous les animaux de l'espèce animale concernée qui se trouvaient sur l'exploitation.
Le calcul de la production des effluents d'élevage par exploitation, pour tous les animaux de l'espèce animale concernée, s'effectue sur la base des quantités d'excrétion réelles suivantes, exprimées en kg d'anhydride phosphorique et en kg d'azote par animal et par année civile :
Aliments à basse teneur en protéines
| Diercategorie | Omschrijving in het convenant | Stikstof (N)-uitscheiding (kg/dier/jaar) | Voedersamenstelling geattesteerd door fabrikant (kg ruw eiwit/ton voeder) | Difosforpentoxide (P2O5)-uitscheiding (kg/dier/jaar) |
| Beren | beren | 25,75 | 170 | 15,25 |
| Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg | zeugen incl. biggen < 7 kg | 25,75 | 170 | 15,25 |
| Andere varkens: van 20 tot 110 kg | andere varkens van 20-40 kg andere varkens van 40-110 kg | 11,03 | 180 160 | 4,97 |
| Andere varkens: van 110 kg en meer | andere varkens > 110 kg | 25,75 | 170 | 15,25 |
| Slachtkuikens | braadkippen tot 2 weken braadkippen vanaf 2 weken braadkippen fase 3 | 0,55 | 215 205 195 | 0,26 |
(P2O5)-uitscheiding
(kg/dier/jaar)Beren beren 25,75 170 15,25Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg zeugen incl. biggen < 7 kg 25,75 170 15,25Andere varkens:
van 20 tot 110 kg andere varkens van 20-40 kg
andere varkens van 40-110 kg 11,03 180
160 4,97Andere varkens:
van 110 kg en meer andere varkens > 110 kg 25,75 170 15,25Slachtkuikens braadkippen tot 2 weken
braadkippen
vanaf 2 weken
braadkippen fase 3 0,55 215
205
195 0,26
Art. 6.3.2.4. Als de landbouwer, voor een exploitatie en voor een diercategorie, opteert om laag-eiwitvoeder in het kader van de nutriëntenbalans, type convenant, te gebruiken, en het convenant laag-eiwitvoeder wordt gedurende een bepaalde periode opgeschort, als vermeld in het convenant laag-eiwitvoeder, mag de landbouwer, in afwijking van artikel 6.3.2.3, gedurende de periode van opschorting van het convenant laag-eiwitvoeder, ander voeder dan laag-eiwitvoeder laten leveren of zelf produceren voor de dieren van de betrokken diercategorie.
Voor de berekening van de productie van dierlijke mest per exploitatie, wordt, voor alle dieren van de betrokken diercategorie, uitgegaan van de volgende reële uitscheidingshoeveelheden, uitgedrukt in kg difosforpentoxide en kg stikstof per dier en per kalenderjaar:
Laag-eiwitvoeder
| Catégorie d'animal | Libellé dans la convention | Excrétion d'azote (N) (kg/animal/an) | Composition des aliments attestée par le fabricant (kg protéine brute/tonne d'aliments) | Pentaoxyde de diphosphore Excrétion (P2O5) (kg/animal/an) |
| Verrats | verrats | 25,75 | 170 | 15,25 |
| Truies, y compris les porcelets ayant un poids inférieur à 7 kg | truies, y compris les porcelets < 7 kg | 25,75 | 170 | 15,25 |
| Autres porcs : de 20 à 110 kg | autres porcs de 20-40 kg autres porcs de 40-110 kg | 11,03 | 180 160 | 4,97 |
| Autres porcs : de 110 kg et plus | autres porcs > 110 kg | 25,75 | 170 | 15,25 |
| Poulets de chair | poulets à rôtir jusqu'à 2 semaines poulets à rôtir à partir de 2 semaines poulets à rôtir phase 3 | 0,55 | 215 205 195 | 0,26 |
Excrétion (P2O5)
(kg/animal/an)Verrats verrats 25,75 170 15,25Truies, y compris les porcelets ayant un poids inférieur à 7 kg truies, y compris les porcelets < 7 kg 25,75 170 15,25Autres porcs :
de 20 à 110 kg autres porcs de 20-40 kg
autres porcs de 40-110 kg 11,03 180
160 4,97Autres porcs :
de 110 kg et plus autres porcs > 110 kg 25,75 170 15,25Poulets de chair poulets à rôtir jusqu'à 2 semaines
poulets à rôtir
à partir de 2 semaines
poulets à rôtir phase 3 0,55
215
205
195 0,26
Art. 6.3.2.4. Si l'agriculteur, pour une exploitation et une catégorie d'animal, opte pour l'utilisation d'aliments à basse teneur en protéines dans le cadre du bilan nutritif, type convention, et que la convention d'aliments à basse teneur en protéines est suspendue pour une période déterminée, ainsi que prévu par la convention d'aliments à basse teneur en protéines, l'agriculteur peut, par dérogation à l'article 6.3.2.3, pendant la période de suspension de ladite convention, faire livrer ou produire lui-même des aliments autres que des aliments à basse teneur en protéines pour les animaux de la catégorie d'animal concernée.
Le calcul de la production des effluents d'élevage par exploitation, pour tous les animaux de l'espèce animale concernée, s'effectue sur la base des quantités d'excrétion réelles suivantes, exprimées en kg de pentaoxyde de diphosphore et en kg d'azote par animal et par année civile :
Aliments à basse teneur en protéines
| Diercategorie | Omschrijving in het convenant | Stikstof (N)-uitscheiding (kg/dier/jaar) | Voedersamenstelling geattesteerd door fabrikant (kg ruw eiwit/ton voeder) | Difosforpentoxide (P2O5)-uitscheiding (kg/dier/jaar) |
| Beren | beren | (M x 25,75) +(S x 29,61) | 170 | 15,25 |
| Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg | zeugen incl. biggen < 7 kg | (M x 25,75) +(S x 29,61) | 170 | 15,25 |
| Andere varkens: van 20 tot 110 kg | andere varkens van 20-40 kg andere varkens van 40-110 kg | (M x 11,03) + (S x 12,68) | 180 160 | 4,97 |
| Andere varkens: van 110 kg en meer | andere varkens > 110 kg | (M x 25,75) + (S x 29,61) | 170 | 15,25 |
| Slachtkuikens | braadkippen tot 2 weken braadkippen vanaf 2 weken braadkippen fase 3 | (M x 0,55) + (S x 0,61) | 215 205 195 | 0,26 |
(P2O5)-uitscheiding
(kg/dier/jaar)Beren beren (M x 25,75)
+(S x 29,61) 170 15,25Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg zeugen incl. biggen < 7 kg (M x 25,75)
+(S x 29,61) 170 15,25Andere varkens:
van 20 tot 110 kg andere varkens van 20-40 kg
andere varkens van 40-110 kg (M x 11,03) +
(S x 12,68) 180
160 4,97Andere varkens:
van 110 kg en meer andere varkens > 110 kg (M x 25,75) +
(S x 29,61) 170 15,25Slachtkuikens braadkippen tot 2 weken
braadkippen
vanaf 2 weken
braadkippen fase 3 (M x 0,55) +
(S x 0,61) 215
205
195 0,26
In het tweede lid wordt verstaan onder:
1° M: het aantal kg laag-eiwitvoeder dat de landbouwer in het betreffende kalenderjaar op de betrokken exploitatie heeft laten leveren of zelf heeft geproduceerd, ten opzichte van het totale aantal kg in het betreffende kalenderjaar op de betrokken exploitatie geleverd of zelf geproduceerd voeder, uitgedrukt in %;
2° S: het aantal kg voeder, ander dan laag-eiwitvoeder, dat de landbouwer in het betreffende kalenderjaar op de betrokken exploitatie heeft laten leveren of zelf heeft geproduceerd, ten opzichte van het totale aantal kg in het betreffende kalenderjaar op de betrokken exploitatie geleverd of zelf geproduceerd voeder, uitgedrukt in %.
Art. 6.3.2.5. Als de landbouwer, voor een exploitatie en voor een diercategorie, opteert om nutriëntenarm voeder in het kader van de nutriëntenbalans, type convenant, te gebruiken, voedert hij gedurende het volledige kalenderjaar alle dieren van de betrokken diercategorie die op de exploitatie werden gehouden uitsluitend met nutriëntenarm voeder.
Voor de berekening van de productie van dierlijke mest per exploitatie wordt, voor alle dieren van de betrokken diercategorie, uitgegaan van de volgende reële uitscheidingshoeveelheden, uitgedrukt in kg difosforpentoxide en kg stikstof per dier en per kalenderjaar:
Nutriëntenarm voeder
| Catégorie d'animal | Libellé dans la convention | Excrétion d'azote (N) (kg/animal/an) | Composition des aliments attestée par le fabricant (kg protéine brute/tonne d'aliments) | Pentaoxyde de diphosphore Excrétion (P2O5) (kg/animal/an) |
| Verrats | verrats | (M x 25,75) +(S x 29,61) | 170 | 15,25 |
| Truies, y compris les porcelets ayant un poids inférieur à 7 kg | truies, y compris les porcelets < 7 kg | (M x 25,75) +(S x 29,61) | 170 | 15,25 |
| Autres porcs : de 20 à 110 kg | autres porcs de 20-40 kg autres porcs de 40-110 kg | (M x 11,03) + (S x 12,68) | 180 160 | 4,97 |
| Autres porcs : de 110 kg et plus | autres porcs > 110 kg | (M x 25,75) + (S x 29,61) | 170 | 15,25 |
| Poulets de chair | poulets à rôtir jusqu'à 2 semaines poulets à rôtir à partir de 2 semaines poulets à rôtir phase 3 | (M x 0,55) + (S x 0,61) | 215 205 195 | 0,26 |
Excrétion (P2O5)
(kg/animal/an)Verrats verrats (M x 25,75)
+(S x 29,61) 170 15,25Truies, y compris les porcelets ayant un poids inférieur à 7 kg truies, y compris les porcelets < 7 kg (M x 25,75)
+(S x 29,61) 170 15,25Autres porcs :
de 20 à 110 kg autres porcs de 20-40 kg
autres porcs de 40-110 kg (M x 11,03) +
(S x 12,68) 180
160 4,97Autres porcs :
de 110 kg et plus autres porcs > 110 kg (M x 25,75) +
(S x 29,61) 170 15,25Poulets de chair poulets à rôtir jusqu'à 2 semaines
poulets à rôtir
à partir de 2 semaines
poulets à rôtir phase 3 (M x 0,55) +
(S x 0,61)
215
205
195 0,26
Au deuxième alinéa, il faut entendre par :
1° M : le nombre de kg d'aliments à basse teneur en protéines que l'agriculteur a fait livrer ou a produit lui-même durant l'année civile en question dans l'exploitation concernée, par rapport au nombre total de kg d'aliments fournis ou produits par lui-même durant l'année civile en question dans l'exploitation concernée, exprimé en % ;
2° S : le nombre de kg d'aliments autres que des aliments à basse teneur en protéines que le producteur a fait livrer ou a produit lui-même durant l'année civile en question dans l'exploitation concernée, par rapport au nombre total de kg d'aliments fournis ou produits par lui-même durant l'année civile en question dans l'exploitation concernée, exprimé en %.
Art. 6.3.2.5. Si l'agriculteur opte, pour une exploitation et une catégorie d'animal, pour l'utilisation d'aliments pauvres en nutriments dans le cadre du bilan nutritif, type convention, il doit, pendant toute l'année civile, administrer exclusivement des aliments pauvres en nutriments à tous les animaux de l'espèce animale concernée qui se trouvaient sur l'exploitation.
Le calcul de la production des effluents d'élevage par exploitation, pour tous les animaux de l'espèce animale concernée, s'effectue sur la base des quantités d'excrétion réelles suivantes, exprimées en kg d'anhydride phosphorique et en kg d'azote par animal et par année civile :
Aliments pauvres en nutriments
| Diercategorie | Omschrijving in het convenant | Stikstof (N)-uitscheiding (kg/dier/ jaar) | Voeder-samen-stelling geattesteerd door fabrikant (kg ruw eiwit/ton voeder) | Difosfor-pentoxide (P2O5)-uitscheiding (kg/dier/ jaar) | Voeder-samen-stelling geattesteerd door fabrikant (kg totaalP/ton voeder) |
| Beren | beren | 25,75 | 170 | 13,26 | 6 |
| Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg | zeugen incl. biggen < 7 kg | 25,75 | 170 | 13,26 | 6 |
| Andere varkens: van 20 tot 110 kg | andere varkens van 20-40 kg andere varkens van 40-110 kg | 11,03 | 180 160 | 4,32 | 5 4,5 |
| Andere varkens: van 110 kg en meer | andere varkens > 110 kg | 25,75 | 170 | 13,26 | 6 |
| Slacht-kuikens | braadkippen tot 2 weken braadkippen vanaf 2 weken braadkippen fase 3 | 0,55 | 215 205 195 | 0,20 | 6 5,0 4,5 |
jaar) Voeder-samen-stelling geattesteerd door fabrikant (kg ruw eiwit/ton voeder) Difosfor-pentoxide
(P2O5)-uitscheiding
(kg/dier/
jaar) Voeder-samen-stelling
geattesteerd door
fabrikant
(kg totaalP/ton
voeder)Beren beren 25,75 170 13,26 6Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg zeugen incl. biggen < 7 kg 25,75 170 13,26 6Andere varkens:
van 20 tot 110 kg andere varkens van 20-40 kg
andere varkens van 40-110 kg 11,03 180
160 4,32 5
4,5Andere varkens:
van 110 kg en meer andere varkens > 110 kg 25,75 170 13,26 6Slacht-kuikens braadkippen tot 2 weken
braadkippen
vanaf 2 weken
braadkippen fase 3 0,55 215
205
195 0,20 6
5,0
4,5
Art. 6.3.2.6. Als de landbouwer, voor een exploitatie en voor een diercategorie, opteert om nutriëntenarm voeder in het kader van de nutriëntenbalans, type convenant, te gebruiken, en het convenant laag-eiwitvoeder wordt gedurende een bepaalde periode opgeschort, als vermeld in het convenant laag-eiwitvoeder, mag de landbouwer, in afwijking van artikel 6.3.2.5, gedurende de periode van opschorting van het convenant laag-eiwitvoeder, laag-fosforvoeder laten leveren of zelf produceren voor de dieren van de betrokken diercategorie.
Voor de berekening van de productie van dierlijke mest per exploitatie wordt, voor alle dieren van de betrokken diercategorie, uitgegaan van de volgende reële uitscheidingshoeveelheden, uitgedrukt in kg difosforpentoxide en kg stikstof per dier en per kalenderjaar:
Nutriëntenarm voeder
| Catégorie d'animal | Libellé dans la convention | Excrétion d'azote (N) (kg/animal/ an) | Composition des aliments attestée par le fabricant (kg protéine brute/tonne d'aliments) | Pentaoxyde de diphosphore Excrétion (P2O5) (kg/animal/an) | Composition des aliments attestée par le fabricant (kg P total/tonne d'aliments) |
| Verrats | verrats | 25,75 | 170 | 13,26 | 6 |
| Truies, y compris les porcelets ayant un poids inférieur à 7 kg | truies, y compris les porcelets < 7 kg | 25,75 | 170 | 13,26 | 6 |
| Autres porcs : de 20 à 110 kg | autres porcs de 20-40 kg autres porcs de 40-110 kg | 11,03 | 180 160 | 4,32 | 5 4,5 |
| Autres porcs : de 110 kg et plus | autres porcs > 110 kg | 25,75 | 170 | 13,26 | 6 |
| Poulets de chair | poulets à rôtir jusqu'à 2 semaines poulets à rôtir à partir de 2 semaines poulets à rôtir phase 3 | 0,55 | 215 205 195 | 0,20 | 6 5,0 4,5 |
an) Composition des aliments attestée par le fabricant (kg protéine brute/tonne d'aliments) Pentaoxyde de diphosphore
Excrétion (P2O5)
(kg/animal/an) Composition des aliments attestée par le fabricant
(kg P total/tonne d'aliments)Verrats verrats 25,75 170 13,26 6Truies, y compris les porcelets ayant un poids inférieur à 7 kg truies, y compris les porcelets < 7 kg 25,75 170 13,26 6Autres porcs :
de 20 à 110 kg autres porcs de 20-40 kg
autres porcs de 40-110 kg 11,03 180
160 4,32 5
4,5Autres porcs :
de 110 kg et plus autres porcs > 110 kg 25,75 170 13,26 6Poulets de chair poulets à rôtir jusqu'à 2 semaines
poulets à rôtir
à partir de 2 semaines
poulets à rôtir phase 3 0,55 215
205
195 0,20 6
5,0
4,5
Art. 6.3.2.6. Si l'agriculteur opte, pour une exploitation et une catégorie d'animal, pour l'utilisation d'aliments pauvres en nutriments dans le cadre du bilan nutritif, type convention, et que la convention d'aliments à basse teneur en protéines est suspendue pour une période déterminée, ainsi que prévu par la convention d'aliments à basse teneur en protéines, l'agriculteur peut, par dérogation à l'article 6.3.2.5, pendant la période de suspension de ladite convention, faire livrer ou produire lui-même des aliments autres que des aliments à basse teneur en phosphore pour les animaux de la catégorie d'animal concernée.
Le calcul de la production des effluents d'élevage par exploitation, pour tous les animaux de l'espèce animale concernée, s'effectue sur la base des quantités d'excrétion réelles suivantes, exprimées en kg d'anhydride phosphorique et en kg d'azote par animal et par année civile :
Aliments pauvres en nutriments
| Dier-categorie | Omschrijving in het convenant | Stikstof (N)-uitscheiding (kg/dier/ jaar) | Voeder-samen-stelling geattesteerd door fabrikant (kg ruw eiwit/ton voeder) | Difosfor-pentoxide (P2O5)-uitscheiding (kg/dier/ jaar) | Voeder-samen-stelling geattesteerd door fabrikant (kg totaalP/ton voeder) |
| Beren | beren | (M x 25,75 + (S x 29,61) | 170 | 13,26 | 6 |
| Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg | zeugen incl. biggen < 7 kg | (M x 25,75) + (S x 29,61) | 170 | 13,26 | 6 |
| Andere varkens: van 20 tot 110 kg | andere varkens van 20-40 kg andere varkens van 40-110 kg | (M x 11,03) + (S x 12,68) | 180 160 | 4,32 | 5 4,5 |
| Andere varkens: van 110 kg en meer | andere varkens > 110 kg | (M x 25,75) + (S x 29,61) | 170 | 13,26 | 6 |
| Slacht-kuikens | braadkippen tot 2 weken braadkippen vanaf 2 weken braadkippen fase 3 | (M x 0,55) + (S x 0,61) | 215 205 195 | 0,20 | 6 5,0 4,5 |
jaar) Voeder-samen-stelling geattesteerd door fabrikant (kg ruw eiwit/ton voeder) Difosfor-pentoxide
(P2O5)-uitscheiding
(kg/dier/
jaar) Voeder-samen-stelling
geattesteerd door
fabrikant
(kg totaalP/ton
voeder)Beren beren (M x 25,75 +
(S x 29,61) 170 13,26 6Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg zeugen incl. biggen < 7 kg (M x 25,75) +
(S x 29,61) 170 13,26 6Andere varkens:
van 20 tot 110 kg andere varkens van 20-40 kg
andere varkens van 40-110 kg (M x 11,03) +
(S x 12,68) 180
160 4,32 5
4,5Andere varkens:
van 110 kg en meer andere varkens > 110 kg (M x 25,75) +
(S x 29,61) 170 13,26 6Slacht-kuikens braadkippen tot 2 weken
braadkippen
vanaf 2 weken
braadkippen fase 3 (M x 0,55) +
(S x 0,61) 215
205
195 0,20 6
5,0
4,5
In het tweede lid wordt verstaan onder:
1° M: het aantal kg nutriëntenarm voeder dat de landbouwer in het betreffende kalenderjaar op de betrokken exploitatie heeft laten leveren of zelf heeft geproduceerd, ten opzichte van het totale aantal kg in het betreffende kalenderjaar op de betrokken exploitatie geleverd of zelf geproduceerd voeder, uitgedrukt in %;
2° S: het aantal kg voeder, ander dan nutriëntenarm voeder, dat de landbouwer in het betreffende kalenderjaar op de betrokken exploitatie heeft laten leveren of zelf heeft geproduceerd, ten opzichte van het totale aantal kg in het betreffende kalenderjaar op de betrokken exploitatie geleverd of zelf geproduceerd voeder, uitgedrukt in %.
Art. 6.3.2.7. § 1. De landbouwer die in een bepaald kalenderjaar een nutriëntenbalansstelsel van het type convenant als vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 1°, toepast, houdt al de facturen of aankoopborderellen die bij elke levering van veevoeders aanwezig zijn bij, per exploitatie waar de betrokken voeders geleverd werden. Op de facturen of aankoopborderellen vermeldt de veevoederfabrikant het gehalte aan ruw eiwit en fosfor . Die facturen en aankoopborderellen vormen samen met het attest, vermeld in paragraaf 2, de mestuitscheidingsbalans voor het nutriëntenbalansstelsel van het type convenant als vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 1°.
Tijdens een controle in het productiejaar zijn de facturen of aankoopborderellen, vermeld in het eerste lid, ter inzage voor de toezichthoudende ambtenaren. Zowel van facturen als van aankoopborderellen zijn de betalingsbewijzen ter inzage, binnen twee maanden na het opstellen van de betreffende factuur of het betreffende aankoopborderel.
§ 2. Als bewijs van de levering van voeder bezorgt de voederleverancier aan de landbouwer, per exploitatie, jaarlijks een attest waarop ten minste de volgende gegevens zijn vermeld:
1° de naam, het landbouwernummer en het adres van de landbouwer die het betrokken voeder gebruikt heeft;
2° de naam en het adres van de voederleverancier die het betrokken voeder geleverd heeft;
3° de naam, het adres, het uitbatersnummer en het uitbatingsnummer van de fabrikant die het betrokken voeder geproduceerd heeft, en:
a) als het een Belgische fabrikant betreft, het door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen aan de betrokken fabrikant toegekende erkennings- of toelatingsnummer;
b) als het een buitenlandse fabrikant betreft, het erkennings- of toelatingsnummer dat door de betreffende nationale overheid aan de fabrikant werd toegekend;
4° het adres, het exploitantnummer en het exploitatienummer van de exploitatie waar het betrokken voeder gebruikt is;
5° het betrokken kalenderjaar;
6° van al de in het betreffende kalenderjaar geleverde voeders:
a) de hoeveelheid geleverde voeders, uitgedrukt in ton, in kg totaal P en in kg ruw eiwit;
b) de diercategorie waartoe de dieren behoren waaraan het betrokken voeder gevoederd wordt;
c) de aanduiding of het betrokken voeder laag-fosforvoeder, laag-eiwitvoeder, nutriëntenarm voeder of ander voeder is;
7° een verklaring op eer dat de vermelde gegevens correct zijn.
Bij ministerieel besluit kan de minister bijkomende bewijsstukken vragen of nadere regels vaststellen over de voor te leggen bewijsstukken.
Art. 6.3.2.8. § 1. Voor de toepassing van het nutriëntenbalansstelsel van het type convenant als vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 1°, wordt voor de hoeveelheid voeder die per dier en per kalenderjaar wordt verbruikt, uitgegaan van de volgende hoeveelheden:
| Catégorie d'animal | Libellé dans la convention | Excrétion d'azote (N) (kg/animal/an) | Composition des aliments attestée par le fabricant (kg protéine brute/tonne d'aliments) | Pentaoxyde de diphosphore Excrétion (P2O5) (kg/animal/an) | Composition des aliments attestée par le fabricant (kg P total/tonne d'aliments) |
| Verrats | verrats | (M x 25,75 + (S x 29,61) | 170 | 13,26 | 6 |
| Truies, y compris les porcelets ayant un poids inférieur à 7 kg | truies, y compris les porcelets < 7 kg | (M x 25,75) + (S x 29,61) | 170 | 13,26 | 6 |
| Autres porcs : de 20 à 110 kg | autres porcs de 20-40 kg autres porcs de 40-110 kg | (M x 11,03) + (S x 12,68) | 180 160 | 4,32 | 5 4,5 |
| Autres porcs : de 110 kg et plus | autres porcs > 110 kg | (M x 25,75) + (S x 29,61) | 170 | 13,26 | 6 |
| Poulets de chair | poulets à rôtir jusqu'à 2 semaines poulets à rôtir à partir de 2 semaines poulets à rôtir phase 3 | (M x 0,55) + (S x 0,61) | 215 205 195 | 0,20 | 6 5,0 4,5 |
Excrétion (P2O5)
(kg/animal/an) Composition des aliments attestée par le fabricant
(kg P total/tonne
d'aliments)Verrats verrats (M x 25,75 +
(S x 29,61) 170 13,26 6Truies, y compris les porcelets ayant un poids inférieur à 7 kg truies, y compris les porcelets < 7 kg (M x 25,75) +
(S x 29,61) 170 13,26 6Autres porcs :
de 20 à 110 kg autres porcs de 20-40 kg
autres porcs de 40-110 kg (M x 11,03) +
(S x 12,68) 180
160 4,32 5
4,5Autres porcs :
de 110 kg et plus autres porcs > 110 kg (M x 25,75) +
(S x 29,61) 170 13,26 6Poulets de chair poulets à rôtir jusqu'à 2 semaines
poulets à rôtir
à partir de 2 semaines
poulets à rôtir phase 3 (M x 0,55) +
(S x 0,61) 215
205
195 0,20 6
5,0
4,5
Au deuxième alinéa, il faut entendre par :
1° M : le nombre de kg d'aliments pauvres en nutriments que l'agriculteur a fait livrer ou a produit lui-même durant l'année civile en question dans l'exploitation concernée, par rapport au nombre total de kg d'aliments fournis ou produits par lui-même durant l'année civile en question dans l'exploitation concernée, exprimé en % ;
2° S : le nombre de kg d'aliments autres que des aliments pauvres en nutriments que le producteur a fait livrer ou a produit lui-même durant l'année civile en question dans l'exploitation concernée, par rapport au nombre total de kg d'aliments fournis ou produits par lui-même durant l'année civile en question dans l'exploitation concernée, exprimé en %.
Art. 6.3.2.7. § 1. L'agriculteur qui utilise, au cours d'une année civile déterminée, un régime de bilan nutritif du type convention tel que visé à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 1°, doit conserver toutes les factures ou bordereaux d'achat qui accompagnent toute livraison d'aliments pour bétail, par exploitation dans laquelle les aliments concernés ont été fournis. Le fabricant des aliments est tenu d'indiquer la teneur en protéines brutes et en phosphore sur les factures ou bordereaux d'achat. Ces factures et bordereaux d'achat constituent, avec l'attestation visée au paragraphe 2, le bilan nutritif pour le régime du bilan nutritif de type convention tel que visé à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 1°.
Pendant un contrôle au cours de l'année de production, les factures ou bordereaux d'achat visés à l'alinéa premier doivent pouvoir être présentés aux fonctionnaires de surveillance à des fins de contrôle. Les quittances des factures et des bordereaux d'achat doivent être présentées dans les deux mois qui suivent l'établissement de la facture ou du bordereau d'achat.
§ 2. En tant que preuve de la livraison d'aliments, le fournisseur d'aliments délivre chaque année à l'agriculteur, par exploitation, une attestation indiquant au moins les données suivantes :
1° le nom, le numéro d'agriculteur et l'adresse du producteur qui a utilisé les aliments en question ;
2° le nom et l'adresse du fournisseur d'aliments qui a livré les aliments en question ;
3° le nom, l'adresse, le numéro d'exploitant et le numéro d'exploitation du fabricant qui a produit les aliments en question et :
a) si cela concerne un fabricant belge, le numéro d'agrément ou d'autorisation attribué au fabricant concerné par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire ;
b) si cela concerne un fabricant étranger, le numéro d'agrément ou d'autorisation attribué au fabricant par les autorités nationales concernées ;
4° l'adresse, le numéro d'exploitant et le numéro d'exploitation de l'exploitation dans laquelle les aliments concernés sont utilisés ;
5° l'année civile concernée ;
6° des aliments livrés pendant l'année civile en question :
a) la quantité d'aliments délivrés, exprimée en tonnes, en kg total P et en kg de protéines brutes ;
b) la catégorie d'animal à laquelle appartiennent les animaux auxquels les aliments en question ont été administrés ;
c) la mention indiquant que les aliments en question sont des aliments à basse teneur en phosphore, des aliments à basse teneur en protéines, des aliments pauvres en nutriments ou d'autres aliments ;
7° une déclaration sur l'honneur attestant que les données indiquées sont correctes.
Le Ministre peut, par arrêté ministériel, se faire communiquer des pièces justificatives supplémentaires ou fixer des modalités relatives aux pièces justificatives à produire.
Art. 6.3.2.8. § 1. Pour l'application du régime de bilan nutritif du type convention visé à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 1°, les quantités suivantes sont prises en compte pour la quantité d'aliments consommés par animal et par année civile :
| Diercategorie | Omschrijving in het convenant | Hoeveelheid voeder (kg/dier/jaar) |
| Biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg | biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg | 206 |
| Beren | beren | 1150 |
| Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg | zeugen incl. biggen < 7 kg | 1150 |
| Andere varkens: van 20 tot 110 kg tweefasig | andere varkens 20-40 kg andere varkens 40-110 kg | 700 |
| Andere varkens van 110 kg en meer | andere varkens > 110 kg | 1150 |
| Slachtkuikens | braadkippen tot 2 weken braadkippen vanaf 2 weken | 34,7 |
andere varkens 40-110 kg 700Andere varkens van 110 kg en meer andere varkens > 110 kg 1150Slachtkuikens braadkippen tot 2 weken
braadkippen vanaf 2 weken 34,7
§ 2. Als op basis van de aangifte van de betrokken landbouwer, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 1° of 7°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, of op basis van de aangifte van producenten, invoerders of verkopers van diervoeders, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 6° of 7°, van het voormelde decreet, blijkt dat de hoeveelheid laag-fosforvoeder, laag-eiwitvoeder of nutriëntenarm voeder die in dat bepaalde kalenderjaar op de betrokken exploitatie geleverd werd, gedeeld door het aantal dieren van de betrokken diercategorie dat in het betreffende kalenderjaar op de betrokken exploitatie gehouden werd, meer dan 7 % hoger ligt dan de voor de betrokken diercategorie vermelde hoeveelheid in de tabel, vermeld in paragraaf 1, kan voor dat bepaalde kalenderjaar en voor alle dieren van de betrokken diercategorie, ambtshalve het nutriëntenbalansstelsel van het type regressierechte als vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 2°, opgelegd worden.
Voor de ambtshalve oplegging van het nutriëntenbalansstelsel van het type regressierechte als vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 2°, berekent de Mestbank na controle van de aangegeven gegevens voor dat bepaalde kalenderjaar en voor alle dieren van de betrokken diercategorie op de betrokken exploitatie de uitscheidingsnormen conform onderafdeling 3. Voor die berekening wordt X, vermeld in artikel 6.3.3.1, bepaald door per diercategorie de hoeveelheid voeder, uitgedrukt respectievelijk in aantal kg fosfor (P) en kg ruw eiwit (RE), die in dat bepaalde kalenderjaar op de betrokken exploitatie geleverd werd en bestemd is voor de betrokken diercategorie, te delen door het aantal dieren van de betrokken diercategorie dat in het betreffende kalenderjaar op de betrokken exploitatie gehouden werd.
De landbouwer wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de ambtshalve oplegging van het nutriëntenbalansstelsel van het type regressierechte als vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 2°. De landbouwer kan daartegen bezwaar indienen. Voor de indiening en het beantwoorden van dat bezwaar zijn artikel 66 en 67 van het Mestdecreet van 22 december 2006 van overeenkomstige toepassing.
Onderafdeling 3. - Het nutriëntenbalansstelsel van het type regressierechte als vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 2°
Art. 6.3.3.1. Als de landbouwer conform artikel 25 van het Mestdecreet van 22 december 2006 opteert voor het nutriëntenbalansstelsel van het type regressierechte als vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 2°, wordt voor de berekening van de productie van dierlijke mest per exploitatie, voor alle dieren van de betrokken diercategorie, uitgegaan van de reële uitscheidingshoeveelheden volgens de volgende regressierechten, uitgedrukt in kg difosforpentoxide en kg stikstof per dier en per kalenderjaar:
| Catégorie d'animal | Libellé dans la convention | Quantité d'aliments (kg/animal/an) |
| Porcelets ayant un poids de 7 à 20 kg | porcelets ayant un poids de 7 à 20 kg | 206 |
| Verrats | verrats | 1150 |
| Truies, y compris les porcelets ayant un poids inférieur à 7 kg | truies, y compris les porcelets < 7 kg | 1150 |
| Autres porcs ayant un poids de 20 à 110 kg deux phases | autres porcs 20-40 kg autres porcs 40-110 kg | 700 |
| Autres porcs ayant un poids d'au moins 110 kg | autres porcs > 110 kg | 1150 |
| Poulets de chair | poulets à rôtir jusqu'à 2 semaines poulets à rôtir à partir de 2 semaines | 34,7 |
autres porcs 40-110 kg 700Autres porcs ayant un poids d'au moins 110 kg autres porcs > 110 kg 1150Poulets de chair poulets à rôtir jusqu'à 2 semaines
poulets à rôtir à partir de 2 semaines 34,7
§ 2. Lorsqu'il ressort, sur la base de la déclaration de l'agriculteur concerné telle que visée à l'article 23, § 1er, alinéa premier, 1° ou 7° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, ou sur la base de la déclaration des producteurs, des importateurs ou des négociants d'aliments pour bétail, telle que visée à l'article 23, § 1er, alinéa premier, 6° ou 7° du décret précité, que la quantité d'aliments à basse teneur en phosphore, d'aliments à basse teneur en protéines ou d'aliments pauvres en nutriments qui a été délivrée au cours de l'année civile en question dans l'exploitation concernée, divisée par le nombre d'animaux de la catégorie d'animal concernée qui se trouvaient dans l'exploitation concernée au cours de l'année civile en question, est supérieure de plus de 7 % à la quantité stipulée pour la catégorie d'animal concernée dans le tableau ci-dessus, le régime de bilan nutritif du type droite de régression tel que visé à l'article 6.3.1.1, alinéa premier,2°, peut être imposé d'office pour l'année civile en question et pour tous les animaux de la catégorie d'animal en question.
Pour l'imposition d'office du régime du bilan nutritif de type droite de régression tel que visé à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 2°, la Banque d'engrais calcule, après contrôle des données indiquées pour l'année civile en question et pour tous les animaux de la catégorie d'animal concernée sur l'exploitation concernée, les normes d'excrétion conformément à la sous-section 3. Pour ce calcul, X - tel que visé à l'article 6.3.3.1 - est déterminé en divisant la quantité d'aliments pour chaque catégorie d'animal, exprimée respectivement en kg de phosphore (P) et en kg de protéine brute (PB), délivrée au cours de l'année civile en question dans l'exploitation concernée et destinée à la catégorie d'animal concernée, par le nombre d'animaux de la catégorie d'animal concernée présents dans l'exploitation concernée au cours de l'année civile en question.
L'agriculteur est informé par courrier sécurisé de l'imposition d'office du bilan nutritif de type convention tel que visé à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 2°. L'agriculteur peut former recours contre cette imposition d'office. Les articles 66 et 67 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 s'appliquent par analogie à l'introduction et à la réponse de ladite réclamation.
Sous-section 3. - Le régime du bilan nutritif de type droite de régression tel que visé à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 2°
Art. 6.3.3.1. Si l'agriculteur a, conformément aux dispositions de l'article 25 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, opté pour le régime du bilan nutritif du type droite de régression tel que visé à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 2°, le calcul de la production des effluents d'élevage par exploitation, pour tous les animaux de la catégorie d'animal concernée, s'effectue sur la base des quantités d'excrétion réelles suivant les droites de régression suivantes, exprimées en kg de pentaoxyde de diphosphore et en kg d'azote par animal et par année civile :
| Diercategorie | Difosforpentoxide (P2O5)- uitscheiding (kg/dier/jaar) | Stikstof (N)-uitscheiding (kg/dier/jaar) |
| Biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg | Y = 1,6516 X - 0,8187 | Y = 0,0996 X - 1,3218 |
| Beren | Y = 2,28880 X -2,5326 | Y = 0,15990 X - 5,5152 |
| Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg | Y = 2,28880 X -2,5326 | Y = 0,15990 X - 5,5152 |
| Andere varkens: van 20 tot 110 kg | Y = 2,0368 X - 2,2347 | Y = 0,1347 X - 4,4181 |
| Andere varkens van 110 kg en meer | Y = 2,28880 X -2,5326 | Y = 0,15990 X - 5,5152 |
| Legrassen: legkippen | Y = 2,2254 X - 0,0606 | Y = 0,1496 X - 0,2455 |
| Legrassen: (groot)ouderdieren | Y = 2,2606 X - 0,0587 | Y = 0,1548 X - 0,2305 |
| Legrassen: opfokpoeljen van legkippen | Y = 2,2277 X -0,0512 | Y = 0,1492 X - 0,1149 |
| Vleesrassen: slachtkuikens | Y = 2,3340 X - 0,1960 | Y = 0,1541 X - 0,5283 |
| Vleesrassen: slachtkuikenouderdieren | Y = 2,2606 X - 0,0587 | Y = 0,1517 X - 0,1918 |
| Vleesrassen: opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren | Y = 2,2152 X - 0,0770 | Y = 0,1571 X - 0,1705 |
(kg/dier/jaar) Stikstof (N)-uitscheiding
(kg/dier/jaar)Biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg Y = 1,6516 X - 0,8187 Y = 0,0996 X - 1,3218Beren Y = 2,28880 X -2,5326 Y = 0,15990 X - 5,5152Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg Y = 2,28880 X -2,5326 Y = 0,15990 X - 5,5152Andere varkens: van 20 tot 110 kg Y = 2,0368 X - 2,2347 Y = 0,1347 X - 4,4181Andere varkens van 110 kg en meer Y = 2,28880 X -2,5326 Y = 0,15990 X - 5,5152Legrassen: legkippen Y = 2,2254 X - 0,0606 Y = 0,1496 X - 0,2455Legrassen: (groot)ouderdieren Y = 2,2606 X - 0,0587 Y = 0,1548 X - 0,2305Legrassen: opfokpoeljen van legkippen Y = 2,2277 X -0,0512 Y = 0,1492 X - 0,1149Vleesrassen: slachtkuikens Y = 2,3340 X - 0,1960 Y = 0,1541 X - 0,5283Vleesrassen: slachtkuikenouderdieren Y = 2,2606 X - 0,0587 Y = 0,1517 X - 0,1918Vleesrassen: opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren Y = 2,2152 X - 0,0770 Y = 0,1571 X - 0,1705
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° Y: de uitscheiding (in kg) van respectievelijk difosforpentoxide en stikstof per dier en per kalenderjaar;
2° X: het verbruik (in kg) van respectievelijk fosfor (P) en ruw eiwit (RE) per dier en per kalenderjaar.
Art. 6.3.3.2. § 1. De landbouwer die in een bepaald kalenderjaar een nutriëntenbalansstelsel van het type regressierechte als vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 2°, toepast, maakt per diercategorie en per exploitatie waarvoor de landbouwer geopteerd heeft voor het nutriëntenbalansstelsel van het type regressierechte als vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 2°, een mestuitscheidingsbalans op conform bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd. Het bewijs moet geleverd worden dat de voeding voor de betrokken diercategorieën uitsluitend heeft bestaan uit veevoeders zoals die opgenomen zijn in de mestuitscheidingsbalans.
De landbouwer noteert aanpassingen aan de mestuitscheidingsbalans uiterlijk de zevende dag na de dag waarin de feiten die aanleiding hebben gegeven tot een aanpassing, hebben plaatsgevonden.
§ 2. Ter staving van die mestuitscheidingsbalans worden al de facturen of aankoopborderellen die bij elke levering van veevoeders aanwezig zijn, per exploitatie waar de betrokken voeders geleverd werden, apart bijgehouden. Op de facturen of aankoopborderellen vermeldt de veevoederfabrikant het gehalte aan ruw eiwit en fosfor.
Als bewijs voor de mestuitscheidingsbalans zijn op elk moment van het productiejaar, de facturen of aankoopborderellen, vermeld in het eerste lid, die betrekking hebben op de betrokken exploitatie, ter inzage voor de toezichthoudende ambtenaren.
Zowel van facturen als van aankoopborderellen zijn de betalingsbewijzen ter inzage binnen twee maanden na het opstellen van de betreffende factuur of het betreffende aankoopborderel. Op die aankoopfacturen zijn de naam van het voeder en de diercategorie waarvoor het voeder bestemd is, vermeld.
Onderafdeling 4. - Het nutriëntenbalansstelsel van het type andere voeders of voedertechnieken als vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 3°
Art. 6.3.4.1. Als de landbouwer conform artikel 25 van het Mestdecreet van 22 december 2006 opteert voor het nutriëntenbalansstelsel van het type andere voeders of voedertechnieken als vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 3°, wordt voor de berekening van de productie van dierlijke mest per exploitatie voor alle dieren uitgegaan van de reële uitscheidingshoeveelheden, uitgedrukt in kg difosforpentoxyde en kg stikstof per dier en per kalenderjaar, die bewezen worden met een mestuitscheidingsbalans als vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 6.3.4.2. § 1. De landbouwer deelt, via de jaarlijkse aangifte aan de Mestbank, mee dat hij gebruik wil maken van het nutriëntenbalansstelsel van het type andere voeders of voedertechnieken als vermeld in artikel 6.3.1.1, eerste lid, 3°. Die mededeling is vergezeld van een duidelijk schema met een uitvoerige onderbouwing van de mestuitscheidingsbalans als vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd. Dat schema vermeldt duidelijk welke bewijsstukken op elk moment ter inzage zullen liggen gedurende het volledige productiejaar.
Voor aangekochte voeders is altijd als bewijs de factuur of het aankoopborderel dat bij elke levering van veevoeders aanwezig is, vereist. Op de factuur of het aankoopborderel is vermeldt de veevoederfabrikant het gehalte aan eiwit en fosfor. Ook moet het bewijs worden geleverd dat de hoeveelheid verbruikt veevoeder in overeenstemming is met de aanwezige dieren tijdens het volledige productiejaar.
§ 2. Overeenkomstig artikel 26, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006 dragen de landbouwers zelf de bewijslast voor de nutriëntenbalans, vermeld in hoofdstuk 6, afdeling 3, onderafdeling 4, van dit besluit.".
| Catégorie d'animal | Pentaoxyde de diphosphore (P2O5) excrétion (kg/animal/an) | Excrétion d'azote (N) (kg/animal/an) |
| Porcelets ayant un poids de 7 à 20 kg | Y = 1,6516 X - 0,8187 | Y = 0,0996 X - 1,3218 |
| Verrats | Y = 2,28880 X -2,5326 | Y = 0,15990 X - 5,5152 |
| Truies, y compris les porcelets ayant un poids inférieur à 7 kg | Y = 2,28880 X -2,5326 | Y = 0,15990 X - 5,5152 |
| Autres porcs de 20 à 110 kg | Y = 2,0368 X - 2,2347 | Y = 0,1347 X - 4,4181 |
| Autres porcs ayant un poids d'au moins 110 kg | Y = 2,28880 X -2,5326 | Y = 0,15990 X - 5,5152 |
| Races pondeuses : poules pondeuses | Y = 2,2254 X - 0,0606 | Y = 0,1496 X - 0,2455 |
| Races pondeuses : poules (grand-)parentales | Y = 2,2606 X - 0,0587 | Y = 0,1548 X - 0,2305 |
| Races pondeuses : poules d'élevage de poules pondeuses | Y = 2,2277 X -0,0512 | Y = 0,1492 X - 0,1149 |
| Races viandeuses : poulets de chair | Y = 2,3340 X - 0,1960 | Y = 0,1541 X - 0,5283 |
| Races viandeuses : animaux-parents poulets de chair | Y = 2,2606 X - 0,0587 | Y = 0,1517 X - 0,1918 |
| Races viandeuses : poules d'élevage de poulets de chair parentaux | Y = 2,2152 X - 0,0770 | Y = 0,1571 X - 0,1705 |
excrétion (kg/animal/an) Excrétion d'azote (N)
(kg/animal/an)Porcelets ayant un poids de 7 à 20 kg Y = 1,6516 X - 0,8187 Y = 0,0996 X - 1,3218Verrats Y = 2,28880 X -2,5326 Y = 0,15990 X - 5,5152Truies, y compris les porcelets ayant un poids inférieur à 7 kg Y = 2,28880 X -2,5326 Y = 0,15990 X - 5,5152Autres porcs de 20 à 110 kg Y = 2,0368 X - 2,2347 Y = 0,1347 X - 4,4181Autres porcs ayant un poids d'au moins 110 kg Y = 2,28880 X -2,5326 Y = 0,15990 X - 5,5152Races pondeuses : poules pondeuses Y = 2,2254 X - 0,0606 Y = 0,1496 X - 0,2455Races pondeuses : poules (grand-)parentales Y = 2,2606 X - 0,0587 Y = 0,1548 X - 0,2305Races pondeuses : poules d'élevage de poules pondeuses Y = 2,2277 X -0,0512 Y = 0,1492 X - 0,1149Races viandeuses : poulets de chair Y = 2,3340 X - 0,1960 Y = 0,1541 X - 0,5283Races viandeuses : animaux-parents poulets de chair Y = 2,2606 X - 0,0587 Y = 0,1517 X - 0,1918Races viandeuses : poules d'élevage de poulets de chair parentaux Y = 2,2152 X - 0,0770 Y = 0,1571 X - 0,1705
A l'alinéa 1er, il faut entendre par :
1° Y = l'excrétion (en kg) respectivement de pentaoxyde de diphosphore et d'azote par animal et par année civile ;
2° X = la consommation (en kg) respectivement de phosphore (P) et de protéines brutes (RE) par animal et par année civile.
Art. 6.3.3.2. § 1er. L'agriculteur qui, au cours d'une année civile donnée, applique un régime du bilan nutritif de type droite de régression tel que visé à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 2°, établit, pour chaque catégorie d'animal et chaque exploitation pour laquelle l'agriculteur a opté pour le régime du bilan nutritif de type droite de régression tel que visé à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 2°, un bilan d'excrétion d'engrais conformément à l'annexe 3 jointe au présent arrêté. La preuve doit être délivrée que les aliments pour les catégories d'animal concernées étaient uniquement composés d'aliments pour le bétail tels que repris dans le bilan d'excrétion d'engrais.
L'agriculteur note les modifications apportées au bilan d'excrétions au plus tard le septième jour qui suit le jour où se sont produits les faits ayant donné lieu à l'adaptation.
§ 2. Afin d'étayer ce bilan d'excrétion d'engrais, toutes les factures et tous les bordereaux d'achat qui accompagnent chaque livraison d'aliments pour bétail, pour chaque exploitation dans laquelle les aliments concernés ont été délivrés, doivent être conservés séparément. Le fabricant des aliments doit indiquer, sur les factures ou bordereaux d'achat, la teneur en protéines brutes et en phosphore.
A titre de preuve pour le bilan d'excrétion d'engrais, les factures et bordereaux d'achat visés à l'alinéa premier et ayant un rapport avec l'exploitation concernée peuvent être consultées à tout moment de l'année de production par les fonctionnaires de surveillance.
Les quittances des factures et bordereaux d'achat doivent être présentées dans les deux mois qui suivent l'établissement de la facture ou du bordereau d'achat. Ces factures d'achat mentionnent le nom de l'aliment et la catégorie d'animal à laquelle l'aliment est destiné.
Sous-section 4. - Le régime du bilan nutritif de type autres aliments ou techniques d'alimentation tel que visé à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 3°
Art. 6.3.4.1. Si l'agriculteur a, conformément aux dispositions de l'article 25 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, opté pour le régime du bilan nutritif du type autres aliments ou techniques d'alimentation tel que visé à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 3°, le calcul de la production des effluents d'élevage pour chaque exploitation et pour tous les animaux s'effectue sur la base des quantités d'excrétion réelles, exprimées en kg de pentaoxyde de diphosphore et en kg d'azote par animal et par année civile, prouvées par un bilan d'excrétion d'engrais tel que visé à l'annexe 4 jointe au présent arrêté.
Art. 6.3.4.2. § 1er. L'agriculteur signale, par l'intermédiaire de la déclaration annuelle à la banque d'engrais, qu'il veut recourir au régime du bilan nutritif de type autres aliments ou techniques d'alimentation tel que visé à l'article 6.3.1.1, alinéa premier, 3°. Cette communication s'accompagne d'un schéma clair étayant de façon détaillée le bilan d'excrétion d'engrais tel que visé en annexe 4 au présent arrêté. Le schéma en question indique clairement quels sont les documents justificatifs pouvant être consultés à tout moment de l'année de production complète.
Pour les aliments achetés, la facture ou le bordereau d'achat accompagnant toute livraison d'aliments de bétail est toujours requis comme preuve. Le fabricant des aliments doit indiquer la teneur en protéines brutes et en phosphore sur les factures ou bordereaux d'achat. Il y a également lieu de fournir la preuve que la quantité d'aliments utilisés correspond aux animaux présents au cours de l'année de production complète.
§ 2. Conformément à l'article 26, § 3 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, les agriculteurs supportent la charge de la preuve pour le bilan nutritif visé au chapitre 6, section 3, sous-section 4 du présent arrêté. ".
Art. 17. In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk 7, dat bestaat uit artikel 7, vervangen door wat volgt:
"HOOFDSTUK 7. - Nutriëntenemissierechten
Afdeling 1. - De toekenning van TNER-D
Art. 7.1.1. § 1. Ter uitvoering van artikel 30, § 7, van het Mestdecreet van 22 december 2006 kan de Mestbank tijdelijke nutriëntenemissierechten, uitgedrukt in TNER-D, aan de landbouwer toekennen voor de doeleinden, vermeld in artikel 30, § 7, van het voormelde decreet.
De toekenning van TNER-D wordt aangevraagd met een beveiligde zending.
Elke landbouwer die aan de Mestbank de toekenning van tijdelijke nutriëntenemissierechten, uitgedrukt in TNER-D, aanvraagt, moet op unieke wijze als landbouwer geïdentificeerd zijn in het GBCS.
§ 2. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor het houden van dieren voor doeleinden in het kader van natuurbeheer, is bij de aanvraag een schriftelijke overeenkomst tussen een erkende natuurvereniging en de landbouwer die de TNER-D aanvraagt, of een ondertekend document van een erkende natuurvereniging als die zelf de aanvrager is, gevoegd.
In de overeenkomst of het document, vermeld in het eerste lid, zijn minstens de volgende gegevens opgenomen:
1° de identificatie van de betrokken percelen, de ligging en de oppervlakte ervan. Voor de identificatie van de betrokken percelen worden de perceelsnummers vermeld;
2° het aantal en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de dieren die in het kader van natuurbeheer zullen worden ingezet;
3° het aantal maanden per jaar dat de landbouwer de dieren moet houden in het kader van natuurbeheer, gespecificeerd per betrokken perceel en diercategorie;
4° de periode waarin dieren gehouden zullen worden voor doeleinden in het kader van natuurbeheer;
5° de identificatiegegevens van de erkende natuurvereniging.
§ 3. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor het houden van dieren voor doeleinden in het kader van wetenschappelijk onderzoek, is bij de aanvraag een door de aanvrager opgesteld en ondertekend document gevoegd.
In het document, vermeld in het eerste lid, zijn minstens de volgende gegevens opgenomen:
1° een omschrijving van het wetenschappelijk onderzoek dat zal worden uitgevoerd en een omstandige motivering door een erkende onderzoeksinstelling van de noodzaak om bijkomende TNER-D daarvoor te verkrijgen;
2° de periode van het wetenschappelijk onderzoek en als er niet gedurende de hele periode dieren gehouden worden in het kader van dat onderzoek, de periode waarin dieren gehouden zullen worden in het kader van het wetenschappelijk onderzoek;
3° het aantal en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de dieren die voor wetenschappelijk onderzoek zullen worden ingezet, en een omstandige motivering van het aantal vereiste dieren;
4° het perceelsnummer van de precieze plaats waar de dieren gehouden zullen worden.
§ 4. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor het houden van dieren voor onderwijsdoeleinden is bij de aanvraag een overeenkomst tussen een landbouwer en een erkende onderwijsinstelling, of een schriftelijk ondertekend document van een erkende onderwijsinstelling als die zelf de aanvrager is, gevoegd.
In de overeenkomst of het document, vermeld in het eerste lid, zijn minstens de volgende gegevens opgenomen:
1° de gegevens van de erkende onderwijsinstelling waarvoor TNER-D worden aangevraagd of waarmee de landbouwer een overeenkomst heeft;
2° het aantal dieren en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, die voor onderwijs zullen worden ingezet, en een omstandige motivering van het aantal vereiste dieren;
3° het perceelsnummer van de precieze plaats waar de dieren gehouden zullen worden;
4° de periode waarin dieren gehouden zullen worden voor onderwijsdoeleinden.
§ 5. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor het houden van dieren voor het beheer van onroerende goederen in opdracht van een openbaar bestuur, is bij de aanvraag een schriftelijke overeenkomst met het openbaar bestuur, of een schriftelijk ondertekend document van het openbaar bestuur als dat zelf de aanvrager is, gevoegd.
In de overeenkomst of het document, vermeld in het eerste lid, zijn minstens de volgende gegevens opgenomen:
1° de identificatie van de betrokken percelen, de ligging en de oppervlakte ervan. Voor de identificatie van de betrokken percelen worden de perceelsnummers vermeld;
2° het aantal en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de dieren die in het kader van het beheer van onroerende goederen voor de uitvoering van de overeenkomst zullen worden ingezet;
3° het aantal maanden per jaar waarin de landbouwer de dieren moet houden in het kader van het beheer van de onroerende goederen, en als nodig, gespecificeerd per betrokken perceel en diercategorie;
4° de periode waarin dieren gehouden zullen worden voor het beheer van onroerende goederen in opdracht van een openbaar bestuur.
§ 6. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor het opvangen van dieren in dierenasielen, zijn bij de aanvraag de volgende documenten gevoegd:
1° een kopie van de beslissing over de toekenning van een erkenning, vermeld in artikel 2, § 6, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren;
2° een door de aanvrager ondertekend document waarin minstens de volgende gegevens zijn opgenomen:
a) de identificatie van de betrokken percelen, de ligging en de oppervlakte ervan. Voor de identificatie van de betrokken percelen worden de perceelsnummers vermeld;
b) het aantal en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de dieren die in het kader van de activiteiten als dierenasiel maximaal opgevangen zullen worden.
§ 7. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor het houden van dieren in kinderboerderijen, voegt de aanvrager bij de aanvraag een door hemzelf ondertekend document.
In het document, vermeld in het eerste lid, zijn minstens de volgende gegevens opgenomen:
1° de identificatie van de betrokken percelen, de ligging en de oppervlakte ervan. Voor de identificatie van de betrokken percelen worden de perceelsnummers vermeld;
2° het aantal en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de dieren die in het kader van de activiteiten als kinderboerderij zullen worden ingezet;
3° een gedetailleerde omschrijving van de activiteiten die de kinderboerderij organiseert;
4° de periode waarin dieren gehouden zullen worden in het kader van de activiteiten als kinderboerderij.
De aanvrager voegt bij zijn aanvraag een kopie van zijn statuten, waarin het organiseren van activiteiten als kinderboerderij als doel is opgenomen.
De activiteiten, vermeld in het tweede lid, 3°, moeten erop gericht zijn om kinderen op een educatieve manier kennis te laten maken met onder meer de dieren, vermeld in artikel 27, § 1, van het voormelde decreet. Tijdens de periodes waarin die activiteiten georganiseerd worden, moet de exploitatie openbaar toegankelijk zijn.
Als op de exploitatie ook dieren gehouden worden om economische redenen of om andere redenen dan activiteiten in het kader van een kinderboerderij, kunnen er alleen tijdelijke nutriëntenemissierechten toegekend worden voor de dierenaantallen die gehouden worden in het kader van de kinderboerderij.
§ 8. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor het houden van dieren om zorg in zorgboerderijen of andere zorginstellingen te verlenen voegt de aanvrager bij de aanvraag een door hemzelf ondertekend document.
In het document, vermeld in het eerste lid, zijn minstens de volgende gegevens opgenomen:
1° de identificatie van de betrokken percelen, de ligging en de oppervlakte ervan. Voor de identificatie van de betrokken percelen worden de perceelnummers vermeld;
2° het aantal en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de dieren die in het kader van de activiteiten als zorgboerderij of als andere zorginstelling zullen worden ingezet;
3° de gegevens van de erkende zorginstelling;
4° de periode waarin dieren gehouden zullen worden om zorg in zorgboerderijen of andere zorginstellingen te verlenen.
De aanvrager is een erkende zorginstelling die geen dieren houdt om economische redenen of om andere redenen dan activiteiten in het kader van een erkende zorginstelling.
§ 9. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor dieren die gehouden worden om sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut na te streven, waarvoor niet al op basis van paragraaf 2 tot en met 8, TNER-D verkregen kunnen worden, voegt de aanvrager bij de aanvraag een door hemzelf ondertekend document.
In het document, vermeld in het eerste lid, zijn minstens de volgende gegevens opgenomen:
1° de identificatie van de betrokken percelen, de ligging en de oppervlakte ervan;
2° het aantal en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de dieren die om sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut na te streven zullen worden ingezet, maar waarvoor niet al op basis van paragraaf 2 tot en met 8, TNER-D verkregen kunnen worden;
3° een gedetailleerde omschrijving van:
a) de sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut, waarvoor men TNER-D wil verkrijgen, maar waarvoor niet al op basis van paragraaf 2 tot en met 8, al TNER-D verkregen kunnen worden;
b) de activiteiten die men in het kader van de doeleinden, vermeld in punt a) organiseert en de periodes waarbinnen men die activiteiten organiseert;
4° een kopie van de statuten van de aanvrager, waarin het nastreven van sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut opgenomen is, ofwel een kopie van een overeenkomst die betrekking heeft op de activiteiten, vermeld in punt 3°, b), en die afgesloten is tussen de aanvrager en een derde in wiens statuten het nastreven van sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut opgenomen is;
5° de periode waarin dieren gehouden zullen worden voor sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut.
Als op de exploitatie ook dieren gehouden worden om economische redenen of om andere redenen dan activiteiten in het kader van sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut, kunnen er alleen tijdelijke nutriëntenemissierechten toegekend worden voor de dierenaantallen die gehouden worden voor de sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut.
Art. 7.1.2. De Mestbank bepaalt op grond van de bezorgde stavingstukken en, in voorkomend geval, rekening houdend met de toepasselijke bemestingsnormen, het aantal TNER-DR, TNER-DV, TNER-DP en TNER-DA die noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van de doelstellingen, vermeld in artikel 7.1.1, en de termijn waarvoor de TNER-D gelden. De termijn waarvoor de TNER-D gelden, start ten vroegste op de dag van ontvangst van de aanvraag tot toekenning van TNER-D, als vermeld in artikel 7.1.1, § 1, tweede lid.
De beslissing van de Mestbank wordt binnen negentig kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, aan de betrokken landbouwer bezorgd.
Art. 7.1.3. Op vraag van de Mestbank bezorgt de landbouwer die TNER-D toegekend heeft gekregen, binnen negentig kalenderdagen aan de Mestbank alle nodige stavingstukken waaruit blijkt dat de landbouwer de toegekende TNER-D nog altijd aanwendt voor de doelstellingen, vermeld in artikel 7.1.1.
Als er geen stavingsstukken bezorgd worden, of als de bezorgde stavingstukken ontoereikend zijn, reduceert de Mestbank ambtshalve de toegekende TNER-D tot het aantal TNER-D waarvoor afdoende stavingstukken zijn bezorgd.
De Mestbank deelt de beslissing tot reductie van de TNER-D met een beveiligde zending mee aan de betrokken landbouwer. De reductie heeft toepassing dertig kalenderdagen na de verzending van die beveiligde zending.
Art. 7.1.4. Ter uitvoering van artikel 32 van het Mestdecreet van 22 december 2006 kan de landbouwer bij de minister beroep aantekenen tegen de beslissing tot toekenning van de TNER-D, vermeld in artikel 7.1.2 van dit besluit, en tegen de beslissing tot reductie van de TNER-D, vermeld in artikel 7.1.3 van dit besluit.
Het beroep, vermeld in het eerste lid, is ontvankelijk als dat met een beveiligde zending aangetekend wordt, binnen dertig kalenderdagen na de plaatsing van de beslissing, vermeld in artikel 7.1.2 van dit besluit, op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, of binnen dertig kalenderdagen na de verzending van de beslissing als vermeld in artikel 7.1.3 van dit besluit. De minister neemt een beslissing binnen negentig kalenderdagen na ontvangst van het beroep. De landbouwer wordt op de hoogte gebracht van de beslissing met een beveiligde zending.
Afdeling 2. - De herkwalificatie
Art.7.2.1. § 1. Ter uitvoering van artikel 30, § 2, tweede lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006 kan de landbouwer een aanvraag indienen om de hem toegewezen nutriëntenemissierechten, gespecificeerd volgens diersoort, te herkwalificeren in een ander soort nutriëntenemissierecht als vermeld in de bijlage bij het voormelde decreet.
§ 2. De landbouwer komt in aanmerking voor een aanvraag als vermeld in paragraaf 1, als de soort nutriëntenemissierechten niet langer overeenkomt met de dieren die hij daadwerkelijk houdt of daadwerkelijk zal houden, na een van de volgende acties:
1° een vrijwillige bedrijfsverplaatsing of bedrijfsreconversie als vermeld in deel 2, titel 1, hoofdstuk 4, afdeling 2, van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;
2° een verplaatsing als vermeld in artikel 5, § 3, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen.
De minister kan de lijst, vermeld in het eerste lid, uitbreiden.
§ 3. Als voldaan is aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 2, kan de landbouwer vragen dat de nutriëntenemissierechten, worden geherkwalificeerd in een of meer andere soorten nutriëntenemissierechten.
Art. 7.2.2. § 1. De aanvraag wordt met een beveiligde zending bij de Mestbank ingediend en vermeldt al de volgende gegevens:
1° de naam, het adres en de identificatiegegevens van de landbouwer;
2° de wijze waarop de landbouwer de nutriëntenemissierechten geherkwalificeerd wil zien;
3° het tijdstip vanaf wanneer de landbouwer de nutriëntenemissierechten geherkwalificeerd wil zien.
Bij de aanvraag voegt de landbouwer de nodige stavingstukken waaruit blijkt dat het betrokken bedrijf een vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsreconversie, of verplaatsing als vermeld in artikel 7.2.1, § 2, heeft ondergaan.
De minister kan nadere regels bepalen voor de stavingsstukken die bij de aanvraag gevoegd moeten worden.
§ 2. Een landbouwer kan, naar aanleiding van een vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsreconversie, of verplaatsing als vermeld in artikel 7.2.1, § 2, maar eenmaal een herkwalificatie vragen.
De herkwalificatie gaat in op het tijdstip, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, met de beperking dat de herkwalificatie ten vroegste kan ingaan op 1 januari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de aanvraag bij de Mestbank werd ingediend. Als de landbouwer in zijn aanvraag een vroeger tijdstip heeft vermeld, wordt de datum voor het ingaan van de herkwalificatie ambtshalve aangepast naar 1 januari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de aanvraag bij de Mestbank werd ingediend.
In voorkomend geval komt een beperking van de automatische omzetting, vermeld in artikel 7.3.1, § 4, ten gevolge van nutriëntenemissierechten die overgenomen werden voor het ingaan van de herkwalificatie, te vervallen.
Afdeling 3. - De aanwending van nutriëntenemissierechten
Art. 7.3.1. § 1. Er zijn vier soorten nutriëntenemissierechten, namelijk NER-DR, NER-DV, NER-DP of NER-DA. Elk soort nutriëntenemissierecht NER-DR, NER-DV, NER-DP of NER-DA geeft het recht om een of meer diersoorten als vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, te houden.
Overeenkomstig artikel 30, § 5, van het Mestdecreet van 22 december 2006, heeft de landbouwer binnen de perken van de nutriëntenemissierechten de vrijheid om de diersoort te houden die hij verkiest of om binnen dezelfde diersoort wijzigingen door te voeren.
§ 2. Ter uitvoering van artikel 30, § 5 en § 6, van het Mestdecreet van 22 december 2006 en voor de toepassing van de geldboete, vermeld in artikel 63, § 2, van het voormelde decreet, past de Mestbank een automatische omzetting van de nutriëntenemissierechten toe conform de volgende tabel:
"HOOFDSTUK 7. - Nutriëntenemissierechten
Afdeling 1. - De toekenning van TNER-D
Art. 7.1.1. § 1. Ter uitvoering van artikel 30, § 7, van het Mestdecreet van 22 december 2006 kan de Mestbank tijdelijke nutriëntenemissierechten, uitgedrukt in TNER-D, aan de landbouwer toekennen voor de doeleinden, vermeld in artikel 30, § 7, van het voormelde decreet.
De toekenning van TNER-D wordt aangevraagd met een beveiligde zending.
Elke landbouwer die aan de Mestbank de toekenning van tijdelijke nutriëntenemissierechten, uitgedrukt in TNER-D, aanvraagt, moet op unieke wijze als landbouwer geïdentificeerd zijn in het GBCS.
§ 2. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor het houden van dieren voor doeleinden in het kader van natuurbeheer, is bij de aanvraag een schriftelijke overeenkomst tussen een erkende natuurvereniging en de landbouwer die de TNER-D aanvraagt, of een ondertekend document van een erkende natuurvereniging als die zelf de aanvrager is, gevoegd.
In de overeenkomst of het document, vermeld in het eerste lid, zijn minstens de volgende gegevens opgenomen:
1° de identificatie van de betrokken percelen, de ligging en de oppervlakte ervan. Voor de identificatie van de betrokken percelen worden de perceelsnummers vermeld;
2° het aantal en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de dieren die in het kader van natuurbeheer zullen worden ingezet;
3° het aantal maanden per jaar dat de landbouwer de dieren moet houden in het kader van natuurbeheer, gespecificeerd per betrokken perceel en diercategorie;
4° de periode waarin dieren gehouden zullen worden voor doeleinden in het kader van natuurbeheer;
5° de identificatiegegevens van de erkende natuurvereniging.
§ 3. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor het houden van dieren voor doeleinden in het kader van wetenschappelijk onderzoek, is bij de aanvraag een door de aanvrager opgesteld en ondertekend document gevoegd.
In het document, vermeld in het eerste lid, zijn minstens de volgende gegevens opgenomen:
1° een omschrijving van het wetenschappelijk onderzoek dat zal worden uitgevoerd en een omstandige motivering door een erkende onderzoeksinstelling van de noodzaak om bijkomende TNER-D daarvoor te verkrijgen;
2° de periode van het wetenschappelijk onderzoek en als er niet gedurende de hele periode dieren gehouden worden in het kader van dat onderzoek, de periode waarin dieren gehouden zullen worden in het kader van het wetenschappelijk onderzoek;
3° het aantal en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de dieren die voor wetenschappelijk onderzoek zullen worden ingezet, en een omstandige motivering van het aantal vereiste dieren;
4° het perceelsnummer van de precieze plaats waar de dieren gehouden zullen worden.
§ 4. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor het houden van dieren voor onderwijsdoeleinden is bij de aanvraag een overeenkomst tussen een landbouwer en een erkende onderwijsinstelling, of een schriftelijk ondertekend document van een erkende onderwijsinstelling als die zelf de aanvrager is, gevoegd.
In de overeenkomst of het document, vermeld in het eerste lid, zijn minstens de volgende gegevens opgenomen:
1° de gegevens van de erkende onderwijsinstelling waarvoor TNER-D worden aangevraagd of waarmee de landbouwer een overeenkomst heeft;
2° het aantal dieren en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, die voor onderwijs zullen worden ingezet, en een omstandige motivering van het aantal vereiste dieren;
3° het perceelsnummer van de precieze plaats waar de dieren gehouden zullen worden;
4° de periode waarin dieren gehouden zullen worden voor onderwijsdoeleinden.
§ 5. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor het houden van dieren voor het beheer van onroerende goederen in opdracht van een openbaar bestuur, is bij de aanvraag een schriftelijke overeenkomst met het openbaar bestuur, of een schriftelijk ondertekend document van het openbaar bestuur als dat zelf de aanvrager is, gevoegd.
In de overeenkomst of het document, vermeld in het eerste lid, zijn minstens de volgende gegevens opgenomen:
1° de identificatie van de betrokken percelen, de ligging en de oppervlakte ervan. Voor de identificatie van de betrokken percelen worden de perceelsnummers vermeld;
2° het aantal en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de dieren die in het kader van het beheer van onroerende goederen voor de uitvoering van de overeenkomst zullen worden ingezet;
3° het aantal maanden per jaar waarin de landbouwer de dieren moet houden in het kader van het beheer van de onroerende goederen, en als nodig, gespecificeerd per betrokken perceel en diercategorie;
4° de periode waarin dieren gehouden zullen worden voor het beheer van onroerende goederen in opdracht van een openbaar bestuur.
§ 6. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor het opvangen van dieren in dierenasielen, zijn bij de aanvraag de volgende documenten gevoegd:
1° een kopie van de beslissing over de toekenning van een erkenning, vermeld in artikel 2, § 6, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren;
2° een door de aanvrager ondertekend document waarin minstens de volgende gegevens zijn opgenomen:
a) de identificatie van de betrokken percelen, de ligging en de oppervlakte ervan. Voor de identificatie van de betrokken percelen worden de perceelsnummers vermeld;
b) het aantal en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de dieren die in het kader van de activiteiten als dierenasiel maximaal opgevangen zullen worden.
§ 7. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor het houden van dieren in kinderboerderijen, voegt de aanvrager bij de aanvraag een door hemzelf ondertekend document.
In het document, vermeld in het eerste lid, zijn minstens de volgende gegevens opgenomen:
1° de identificatie van de betrokken percelen, de ligging en de oppervlakte ervan. Voor de identificatie van de betrokken percelen worden de perceelsnummers vermeld;
2° het aantal en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de dieren die in het kader van de activiteiten als kinderboerderij zullen worden ingezet;
3° een gedetailleerde omschrijving van de activiteiten die de kinderboerderij organiseert;
4° de periode waarin dieren gehouden zullen worden in het kader van de activiteiten als kinderboerderij.
De aanvrager voegt bij zijn aanvraag een kopie van zijn statuten, waarin het organiseren van activiteiten als kinderboerderij als doel is opgenomen.
De activiteiten, vermeld in het tweede lid, 3°, moeten erop gericht zijn om kinderen op een educatieve manier kennis te laten maken met onder meer de dieren, vermeld in artikel 27, § 1, van het voormelde decreet. Tijdens de periodes waarin die activiteiten georganiseerd worden, moet de exploitatie openbaar toegankelijk zijn.
Als op de exploitatie ook dieren gehouden worden om economische redenen of om andere redenen dan activiteiten in het kader van een kinderboerderij, kunnen er alleen tijdelijke nutriëntenemissierechten toegekend worden voor de dierenaantallen die gehouden worden in het kader van de kinderboerderij.
§ 8. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor het houden van dieren om zorg in zorgboerderijen of andere zorginstellingen te verlenen voegt de aanvrager bij de aanvraag een door hemzelf ondertekend document.
In het document, vermeld in het eerste lid, zijn minstens de volgende gegevens opgenomen:
1° de identificatie van de betrokken percelen, de ligging en de oppervlakte ervan. Voor de identificatie van de betrokken percelen worden de perceelnummers vermeld;
2° het aantal en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de dieren die in het kader van de activiteiten als zorgboerderij of als andere zorginstelling zullen worden ingezet;
3° de gegevens van de erkende zorginstelling;
4° de periode waarin dieren gehouden zullen worden om zorg in zorgboerderijen of andere zorginstellingen te verlenen.
De aanvrager is een erkende zorginstelling die geen dieren houdt om economische redenen of om andere redenen dan activiteiten in het kader van een erkende zorginstelling.
§ 9. Als de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, betrekking heeft op het verkrijgen van TNER-D voor dieren die gehouden worden om sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut na te streven, waarvoor niet al op basis van paragraaf 2 tot en met 8, TNER-D verkregen kunnen worden, voegt de aanvrager bij de aanvraag een door hemzelf ondertekend document.
In het document, vermeld in het eerste lid, zijn minstens de volgende gegevens opgenomen:
1° de identificatie van de betrokken percelen, de ligging en de oppervlakte ervan;
2° het aantal en de diercategorie, vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de dieren die om sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut na te streven zullen worden ingezet, maar waarvoor niet al op basis van paragraaf 2 tot en met 8, TNER-D verkregen kunnen worden;
3° een gedetailleerde omschrijving van:
a) de sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut, waarvoor men TNER-D wil verkrijgen, maar waarvoor niet al op basis van paragraaf 2 tot en met 8, al TNER-D verkregen kunnen worden;
b) de activiteiten die men in het kader van de doeleinden, vermeld in punt a) organiseert en de periodes waarbinnen men die activiteiten organiseert;
4° een kopie van de statuten van de aanvrager, waarin het nastreven van sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut opgenomen is, ofwel een kopie van een overeenkomst die betrekking heeft op de activiteiten, vermeld in punt 3°, b), en die afgesloten is tussen de aanvrager en een derde in wiens statuten het nastreven van sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut opgenomen is;
5° de periode waarin dieren gehouden zullen worden voor sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut.
Als op de exploitatie ook dieren gehouden worden om economische redenen of om andere redenen dan activiteiten in het kader van sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut, kunnen er alleen tijdelijke nutriëntenemissierechten toegekend worden voor de dierenaantallen die gehouden worden voor de sociale doeleinden of doeleinden van algemeen nut.
Art. 7.1.2. De Mestbank bepaalt op grond van de bezorgde stavingstukken en, in voorkomend geval, rekening houdend met de toepasselijke bemestingsnormen, het aantal TNER-DR, TNER-DV, TNER-DP en TNER-DA die noodzakelijk zijn voor de goede uitvoering van de doelstellingen, vermeld in artikel 7.1.1, en de termijn waarvoor de TNER-D gelden. De termijn waarvoor de TNER-D gelden, start ten vroegste op de dag van ontvangst van de aanvraag tot toekenning van TNER-D, als vermeld in artikel 7.1.1, § 1, tweede lid.
De beslissing van de Mestbank wordt binnen negentig kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, aan de betrokken landbouwer bezorgd.
Art. 7.1.3. Op vraag van de Mestbank bezorgt de landbouwer die TNER-D toegekend heeft gekregen, binnen negentig kalenderdagen aan de Mestbank alle nodige stavingstukken waaruit blijkt dat de landbouwer de toegekende TNER-D nog altijd aanwendt voor de doelstellingen, vermeld in artikel 7.1.1.
Als er geen stavingsstukken bezorgd worden, of als de bezorgde stavingstukken ontoereikend zijn, reduceert de Mestbank ambtshalve de toegekende TNER-D tot het aantal TNER-D waarvoor afdoende stavingstukken zijn bezorgd.
De Mestbank deelt de beslissing tot reductie van de TNER-D met een beveiligde zending mee aan de betrokken landbouwer. De reductie heeft toepassing dertig kalenderdagen na de verzending van die beveiligde zending.
Art. 7.1.4. Ter uitvoering van artikel 32 van het Mestdecreet van 22 december 2006 kan de landbouwer bij de minister beroep aantekenen tegen de beslissing tot toekenning van de TNER-D, vermeld in artikel 7.1.2 van dit besluit, en tegen de beslissing tot reductie van de TNER-D, vermeld in artikel 7.1.3 van dit besluit.
Het beroep, vermeld in het eerste lid, is ontvankelijk als dat met een beveiligde zending aangetekend wordt, binnen dertig kalenderdagen na de plaatsing van de beslissing, vermeld in artikel 7.1.2 van dit besluit, op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, of binnen dertig kalenderdagen na de verzending van de beslissing als vermeld in artikel 7.1.3 van dit besluit. De minister neemt een beslissing binnen negentig kalenderdagen na ontvangst van het beroep. De landbouwer wordt op de hoogte gebracht van de beslissing met een beveiligde zending.
Afdeling 2. - De herkwalificatie
Art.7.2.1. § 1. Ter uitvoering van artikel 30, § 2, tweede lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006 kan de landbouwer een aanvraag indienen om de hem toegewezen nutriëntenemissierechten, gespecificeerd volgens diersoort, te herkwalificeren in een ander soort nutriëntenemissierecht als vermeld in de bijlage bij het voormelde decreet.
§ 2. De landbouwer komt in aanmerking voor een aanvraag als vermeld in paragraaf 1, als de soort nutriëntenemissierechten niet langer overeenkomt met de dieren die hij daadwerkelijk houdt of daadwerkelijk zal houden, na een van de volgende acties:
1° een vrijwillige bedrijfsverplaatsing of bedrijfsreconversie als vermeld in deel 2, titel 1, hoofdstuk 4, afdeling 2, van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;
2° een verplaatsing als vermeld in artikel 5, § 3, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen.
De minister kan de lijst, vermeld in het eerste lid, uitbreiden.
§ 3. Als voldaan is aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 2, kan de landbouwer vragen dat de nutriëntenemissierechten, worden geherkwalificeerd in een of meer andere soorten nutriëntenemissierechten.
Art. 7.2.2. § 1. De aanvraag wordt met een beveiligde zending bij de Mestbank ingediend en vermeldt al de volgende gegevens:
1° de naam, het adres en de identificatiegegevens van de landbouwer;
2° de wijze waarop de landbouwer de nutriëntenemissierechten geherkwalificeerd wil zien;
3° het tijdstip vanaf wanneer de landbouwer de nutriëntenemissierechten geherkwalificeerd wil zien.
Bij de aanvraag voegt de landbouwer de nodige stavingstukken waaruit blijkt dat het betrokken bedrijf een vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsreconversie, of verplaatsing als vermeld in artikel 7.2.1, § 2, heeft ondergaan.
De minister kan nadere regels bepalen voor de stavingsstukken die bij de aanvraag gevoegd moeten worden.
§ 2. Een landbouwer kan, naar aanleiding van een vrijwillige bedrijfsverplaatsing, bedrijfsreconversie, of verplaatsing als vermeld in artikel 7.2.1, § 2, maar eenmaal een herkwalificatie vragen.
De herkwalificatie gaat in op het tijdstip, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, met de beperking dat de herkwalificatie ten vroegste kan ingaan op 1 januari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de aanvraag bij de Mestbank werd ingediend. Als de landbouwer in zijn aanvraag een vroeger tijdstip heeft vermeld, wordt de datum voor het ingaan van de herkwalificatie ambtshalve aangepast naar 1 januari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de aanvraag bij de Mestbank werd ingediend.
In voorkomend geval komt een beperking van de automatische omzetting, vermeld in artikel 7.3.1, § 4, ten gevolge van nutriëntenemissierechten die overgenomen werden voor het ingaan van de herkwalificatie, te vervallen.
Afdeling 3. - De aanwending van nutriëntenemissierechten
Art. 7.3.1. § 1. Er zijn vier soorten nutriëntenemissierechten, namelijk NER-DR, NER-DV, NER-DP of NER-DA. Elk soort nutriëntenemissierecht NER-DR, NER-DV, NER-DP of NER-DA geeft het recht om een of meer diersoorten als vermeld in artikel 27, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, te houden.
Overeenkomstig artikel 30, § 5, van het Mestdecreet van 22 december 2006, heeft de landbouwer binnen de perken van de nutriëntenemissierechten de vrijheid om de diersoort te houden die hij verkiest of om binnen dezelfde diersoort wijzigingen door te voeren.
§ 2. Ter uitvoering van artikel 30, § 5 en § 6, van het Mestdecreet van 22 december 2006 en voor de toepassing van de geldboete, vermeld in artikel 63, § 2, van het voormelde decreet, past de Mestbank een automatische omzetting van de nutriëntenemissierechten toe conform de volgende tabel:
Art. 17. Dans le même arrêté, le chapitre 7, qui consiste en l'article 7, est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre 7. - Droits d'émission d'éléments fertilisants
Section 1re. - Octroi de TNER-D
Art. 7.1.1. § 1er. En exécution de l'article 30, § 7 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, la Banque d'engrais peut octroyer à l'agriculteur des droits d'émission d'éléments fertilisants temporaires, exprimés en TNER-D, aux fins visées à l'article 30, § 7, du décret précité.
L'octroi de TNER-D est demandé par le biais d'un envoi sécurisé.
Chaque agriculteur qui demande à la Banque d'engrais l'octroi de droits d'émission d'éléments fertilisants temporaires, exprimés en TNER-D, doit être identifié de façon unique en tant qu'agriculteur dans le SIGC.
§ 2. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'élevage d'animaux à des fins de gestion de l'environnement, il y a lieu de joindre à la demande une convention écrite entre une association de protection de l'environnement agréée et l'agriculteur qui demande le TNER-D, ou un document signé d'une association de protection de l'environnement agréée si celle-ci est le demandeur.
La convention ou le document visé à l'alinéa premier mentionne au moins les données suivantes :
1° l'identification des parcelles concernées, leur situation et leur superficie. Pour l'identification des parcelles concernées, les numéros de parcelle seront mentionnés ;
2° le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux qui seront élevés dans le cadre de la gestion de l'environnement ;
3° le nombre de mois par année durant lesquels l'agriculteur doit élever les animaux dans le cadre de la gestion de l'environnement, précisé par parcelle et catégorie d'animal concernées ;
4° la période pendant laquelle les animaux seront élevés à des fins de gestion de l'environnement ;
5° les données d'identification de l'association de protection de l'environnement agréée.
§ 3. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'élevage d'animaux à des fins de recherche scientifique, elle devra être accompagnée d'un document établi et signé par le demandeur.
Le document visé à l'alinéa premier contient au moins les données suivantes :
1° une description de la recherche scientifique qui sera réalisée et motivation détaillée par un institut de recherche agréé de la nécessité d'obtenir des TNER-D supplémentaires à cette fin ;
2° la période de recherche scientifique et, si les animaux ne sont pas élevés pendant la période complète dans le cadre de cette recherche, la période durant laquelle les animaux seront élevés dans le cadre de la recherche scientifique ;
3° le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux qui seront élevés à des fins de recherche scientifique, ainsi qu'une motivation détaillée du nombre d'animaux requis ;
4° le numéro de parcelle de l'endroit précis où les animaux seront élevés.
§ 4. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'élevage d'animaux à des fins pédagogiques, il y a lieu de joindre à la demande une convention entre un agriculteur et un établissement d'enseignement agréé, ou un document signé d'un établissement d'enseignement agréé si celui-ci est le demandeur.
La convention ou le document visé à l'alinéa premier contient au moins les données suivantes :
1° les données de l'établissement d'enseignement agréé pour lequel des TNER-D sont demandés ou avec lequel l'agriculteur a conclu une convention ;
2° le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux qui seront élevés à des fins pédagogiques, ainsi qu'une motivation détaillée du nombre d'animaux requis ;
3° le numéro de parcelle de l'endroit précis où les animaux seront élevés ;
4° la période durant laquelle les animaux seront élevés à des fins pédagogiques.
§ 5. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'élevage d'animaux à des fins de gestion de biens immobiliers pour le compte d'une administration publique, il y a lieu de joindre à la demande une convention écrite avec l'administration publique, ou un document écrit signé de l'administration publique si celle-ci est la demandeuse.
La convention ou le document visé à l'alinéa premier contient au moins les données suivantes :
1° l'identification des parcelles concernées, leur situation et leur superficie. Pour l'identification des parcelles concernées, les numéros de parcelle sont mentionnés ;
2° le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux qui seront élevés dans le cadre de la gestion de biens immobiliers pour l'exécution de la convention ;
3° le nombre de mois par année durant lesquels l'agriculteur doit élever les animaux dans le cadre de la gestion des biens immobiliers, et si nécessaire, précisé par parcelle et catégorie d'animal concernées ;
4° la période durant laquelle les animaux seront élevés à des fins de gestion de biens immobiliers pour le compte d'une administration publique.
§ 6. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'accueil d'animaux dans un refuge pour animaux, les documents suivants doivent être joints à la demande :
1° une copie de la décision de l'octroi d'un agrément, visée à l'article 2, § 6 de l'arrêté royal du 27 avril 2007 portant les conditions d'agrément des établissements pour animaux et portant les conditions de commercialisation des animaux ;
2° un document signé par le demandeur mentionnant au moins les données suivantes :
a) l'identification des parcelles concernées, leur situation et leur superficie. Pour l'identification des parcelles concernées, les numéros de parcelle sont mentionnés ;
b) le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux qui seront accueillis au maximum dans le cadre des activités d'asile pour animaux.
§ 7. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'élevage d'animaux dans une ferme pédagogique, le demandeur joint à demande un document qu'il aura signé.
Le document visé à l'alinéa premier mentionne au moins les données suivantes :
1° l'identification des parcelles concernées, leur situation et leur superficie. Pour l'identification des parcelles concernées, les numéros de parcelle sont mentionnés ;
2° le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux qui seront élevés dans le cadre d'activités de ferme pédagogique ;
3° une description détaillée des activités organisées par la ferme pédagogique ;
4° la période durant laquelle les animaux seront élevés dans le cadre des activités de ferme pédagogique.
Le demandeur joindra à sa demande une copie de ses statuts mentionnant comme objet l'organisation d'activités de ferme pédagogique.
Les activités visées au deuxième alinéa, 3°, doivent permettre aux enfants de découvrir notamment, de manière éducative, les animaux visés à l'article 27, § 1er du décret précité. Pendant les périodes durant lesquelles ces activités sont organisées, l'exploitation doit être accessible au public.
Lorsque l'exploitation élève également des animaux à des fins économiques ou pour d'autres raisons que les activités exercées dans le cadre d'une ferme pédagogique, des droits d'émission d'éléments fertilisants temporaires ne peuvent être accordés que pour les nombres d'animaux élevés dans le cadre de la ferme pédagogique.
§ 8. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'élevage d'animaux à des fins de soins dans une ferme thérapeutique ou d'autres établissements thérapeutiques, le demandeur joint à la demande un document signé de sa main.
Le document visé à l'alinéa premier mentionne au moins les données suivantes :
1° l'identification des parcelles concernées, leur situation et leur superficie. Pour l'identification des parcelles concernées, les numéros de parcelle sont mentionnés ;
2° le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux qui seront élevés dans le cadre d'activités de ferme thérapeutique ou d'un autre établissement thérapeutique ;
3° les données de l'établissement thérapeutique agréé ;
4° la période durant laquelle les animaux seront élevés afin de leur prodiguer des soins dans une ferme thérapeutique ou d'autres établissements thérapeutiques.
Le demandeur est un établissement thérapeutique agréé qui n'élève pas d'animaux pour des raisons économiques ou d'autres raisons que des activités exercées dans le cadre d'un établissement thérapeutique agréé.
§ 9. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'élevage d'animaux à des fins sociales ou des fins d'utilité publique, pour lesquelles il n'est pas possible d'obtenir des TNER-D sur la base des paragraphes 2 à 8, le demandeur joint à la demande un document signé de sa main.
Le document visé à l'alinéa premier mentionne au moins les données suivantes :
1° l'identification des parcelles concernées, leur situation et leur superficie ;
2° le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux élevés à des fins sociales ou des fins d'utilité publique, mais pour lesquels il n'est pas possible d'obtenir des TNER-D sur la base des paragraphes 2 à 8 ;
3° une description détaillée :
a) des fins sociales ou des fins d'utilité publique pour lesquelles le demandeur souhaite obtenir des TNER-D, mais pour lesquelles il n'est pas possible d'obtenir des TNER-D sur la base des paragraphes 2 à 8 ;
b) des activités organisées dans le cadre des fins visées au point a) et les périodes durant lesquelles ces activités sont organisées ;
4° une copie des statuts du demandeur, mentionnant la finalité sociale ou d'utilité publique, ou une copie d'une convention relative aux activités reprises au point 3°, b) et qui a été conclue entre le demandeur et une tierce partie dont les statuts mentionnent la finalité sociale ou d'utilité publique ;
5° la période pendant laquelle les animaux seront élevés à des fins sociales ou d'utilité publique.
Si l'exploitation élève également des animaux à des fins économiques ou pour d'autres raisons que les activités à finalité sociale ou d'utilité publique, des droits d'émission d'éléments fertilisants temporaires ne peuvent être accordés que pour les nombres d'animaux élevés dans le cadre des activités à finalité sociale ou d'utilité publique.
Art. 7.1.2. La Banque d'engrais détermine, sur la base des justificatifs fournis et, le cas échéant, en tenant compte des normes d'épandage d'application, le nombre de TNER-DR, de TNER-DV, de TNER-DP et de TNER-DA qui sont nécessaires à la réalisation des objectifs visés à l'article 7.1.1, et la période pour laquelle les TNER-D sont valides. La période pour laquelle les TNER-D sont valides prend cours au plus tôt à la date de réception de la demande d'octroi de TNER-D, tel que visé à l'article 7.1.1, § 1er, deuxième alinéa.
La décision de la Banque d'engrais est notifiée à l'agriculteur concerné dans les nonante jours civils qui suivent la réception de la demande, par l'intermédiaire du guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais.
Art. 7.1.3. A la demande de la Banque d'engrais, l'agriculteur à qui des TNER-D ont été octroyés fournit dans les nonante jours civils à la Banque d'engrais tous les justificatifs requis, dont il ressort que l'agriculteur utilise toujours les TNER-D octroyés aux fins visées à l'article 7.1.1.
Si aucun justificatif n'est remis, ou si les justificatifs remis sont insuffisants, la Banque d'engrais réduit d'office les TNER-D octroyés au nombre de TNER-D pour lesquels des justificatifs suffisants ont été remis.
La Banque d'engrais communique la décision de réduction des TNER-D à l'agriculteur concerné par envoi sécurisé. La réduction est d'application trente jours civils après l'envoi de cet envoi sécurisé.
Art. 7.1.4. En exécution de l'article 32 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, l'agriculteur peut introduire auprès du Ministre un recours contre la décision d'octroi des TNER-D visés à l'article 7.1.2 du présent arrêté et contre la décision de réduction des TNER-D visés à l'article 7.1.3 du présent arrêté.
Pour être recevable, le recours visé à l'alinéa premier doit être notifié par envoi sécurisé dans les trente jours calendaires qui suivent la publication de la décision visée à l'article 7.1.2 du présent arrêté sur le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais, ou dans les trente jours calendaires qui suivent l'envoi de la décision visée à l'article 7.1.3 du présent arrêté. Le Ministre prend une décision dans les nonante jours calendaires qui suivent la réception du recours. L'agriculteur est informé de la décision par un envoi sécurisé.
Section 2. - La requalification
Art. 7.2.1. § 1er. En exécution de l'article 30, § 2, deuxième alinéa du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, l'agriculteur peut introduire une demande afin de requalifier les droits d'émission d'éléments fertilisants qui lui ont été octroyés, spécifiés pour chaque espèce animale, en un autre type de droits d'émission d'éléments fertilisants, tel que visés en annexe au décret précité.
§ 2. L'agriculteur entre en ligne de compte pour une demande visée au paragraphe 1er si le type de droits d'émission d'éléments fertilisants ne correspond plus aux animaux qu'il élève réellement ou qu'il élèvera réellement après l'une des actions suivantes :
1° un déplacement d'entreprise ou une reconversion d'entreprise volontaires ainsi que visé à la deuxième partie, titre 1er, chapitre 4, section 2 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale ;
2° un déplacement tel que visé à l'article 5, § 3 du décret du 16 juin 2006 portant création de la " Vlaamse Grondenbank " (Banque foncière flamande) et portant modification de diverses dispositions.
Le Ministre peut élargir la liste visée à l'alinéa premier.
§ 3. Si la condition visée au paragraphe 2 est remplie, l'agriculteur peut demander que les droits d'émission d'éléments fertilisants soient requalifiés en un ou plusieurs autres types de droits d'émission d'éléments fertilisants.
Art. 7.2.2. § 1er. La demande est introduite après de la Banque d'engrais par envoi sécurisé et mentionne toutes les données suivantes :
1° le nom, l'adresse et les données d'identification de l'agriculteur ;
2° la façon dont l'agriculteur veut voir requalifiés les droits d'émission d'éléments fertilisants ;
3° la date à partir de laquelle l'agriculteur veut voir requalifiés les droits d'émission d'éléments fertilisants.
L'agriculteur joint à sa demande les pièces justificatives requises, dont il ressort que l'exploitation concernée a subi un déplacement d'entreprise, une reconversion d'entreprise ou un déplacement volontaires tels que visés à l'article 7.2.1, § 2.
Le Ministre peut déterminer d'autres règles pour les justificatifs à joindre à la demande.
§ 2. Un agriculteur ne peut demander qu'une seule fois une requalification dans le cadre d'un déplacement d'entreprise, d'une reconversion d'entreprise ou d'un déplacement volontaires tels que visés à l'article 7.21.1, § 2.
La requalification prend effet à la date mentionnée au paragraphe 1er, alinéa premier, 3°, avec la restriction selon laquelle la requalification ne peut débuter au plus tôt que le 1er janvier de l'année civile qui précède l'année civile durant laquelle la demande a été introduite auprès de la Banque d'engrais. Si l'agriculteur a mentionné une date antérieure dans sa demande, la date d'entrée en vigueur de la requalification est déplacée d'office au 1er janvier de l'année civile qui précède l'année civile durant laquelle la demande a été introduite auprès de la Banque d'engrais.
Le cas échéant, une éventuelle limitation de la conversion automatique visée à l'article 7.3.1, § 4, résultant de droits d'émission d'éléments fertilisants qui ont été repris avant l'entrée en vigueur de la requalification, devient caduque.
Section 3. - Utilisation des droits d'émission d'éléments fertilisants
Art. 7.3.1. § 1er. Il existe quatre types de droits d'émission d'éléments fertilisants, à savoir NER-DR, NER-DV, NER-DP et NER-DA. Chacun des types de droits d'émission d'éléments fertilisants NER-DR, NER-DV, NER-DP et NER-DA donne droit d'élever une ou plusieurs espèces animales telles que visées à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Conformément à l'article 30, § 5 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, l'agriculteur a, dans les limites des droits d'émission d'éléments fertilisants, toute licence d'élever l'espèce animale qu'il préfère ou d'apporter des modifications au sein de la même espèce animale.
§ 2. En exécution de l'article 30, §§ 5 et 6 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 et pour l'application de l'amende visée à l'article 63, § 2 du décret précité, la Banque d'engrais applique une conversion automatique des droits d'émission d'éléments fertilisants conformément au tableau suivant :
" Chapitre 7. - Droits d'émission d'éléments fertilisants
Section 1re. - Octroi de TNER-D
Art. 7.1.1. § 1er. En exécution de l'article 30, § 7 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, la Banque d'engrais peut octroyer à l'agriculteur des droits d'émission d'éléments fertilisants temporaires, exprimés en TNER-D, aux fins visées à l'article 30, § 7, du décret précité.
L'octroi de TNER-D est demandé par le biais d'un envoi sécurisé.
Chaque agriculteur qui demande à la Banque d'engrais l'octroi de droits d'émission d'éléments fertilisants temporaires, exprimés en TNER-D, doit être identifié de façon unique en tant qu'agriculteur dans le SIGC.
§ 2. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'élevage d'animaux à des fins de gestion de l'environnement, il y a lieu de joindre à la demande une convention écrite entre une association de protection de l'environnement agréée et l'agriculteur qui demande le TNER-D, ou un document signé d'une association de protection de l'environnement agréée si celle-ci est le demandeur.
La convention ou le document visé à l'alinéa premier mentionne au moins les données suivantes :
1° l'identification des parcelles concernées, leur situation et leur superficie. Pour l'identification des parcelles concernées, les numéros de parcelle seront mentionnés ;
2° le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux qui seront élevés dans le cadre de la gestion de l'environnement ;
3° le nombre de mois par année durant lesquels l'agriculteur doit élever les animaux dans le cadre de la gestion de l'environnement, précisé par parcelle et catégorie d'animal concernées ;
4° la période pendant laquelle les animaux seront élevés à des fins de gestion de l'environnement ;
5° les données d'identification de l'association de protection de l'environnement agréée.
§ 3. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'élevage d'animaux à des fins de recherche scientifique, elle devra être accompagnée d'un document établi et signé par le demandeur.
Le document visé à l'alinéa premier contient au moins les données suivantes :
1° une description de la recherche scientifique qui sera réalisée et motivation détaillée par un institut de recherche agréé de la nécessité d'obtenir des TNER-D supplémentaires à cette fin ;
2° la période de recherche scientifique et, si les animaux ne sont pas élevés pendant la période complète dans le cadre de cette recherche, la période durant laquelle les animaux seront élevés dans le cadre de la recherche scientifique ;
3° le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux qui seront élevés à des fins de recherche scientifique, ainsi qu'une motivation détaillée du nombre d'animaux requis ;
4° le numéro de parcelle de l'endroit précis où les animaux seront élevés.
§ 4. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'élevage d'animaux à des fins pédagogiques, il y a lieu de joindre à la demande une convention entre un agriculteur et un établissement d'enseignement agréé, ou un document signé d'un établissement d'enseignement agréé si celui-ci est le demandeur.
La convention ou le document visé à l'alinéa premier contient au moins les données suivantes :
1° les données de l'établissement d'enseignement agréé pour lequel des TNER-D sont demandés ou avec lequel l'agriculteur a conclu une convention ;
2° le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux qui seront élevés à des fins pédagogiques, ainsi qu'une motivation détaillée du nombre d'animaux requis ;
3° le numéro de parcelle de l'endroit précis où les animaux seront élevés ;
4° la période durant laquelle les animaux seront élevés à des fins pédagogiques.
§ 5. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'élevage d'animaux à des fins de gestion de biens immobiliers pour le compte d'une administration publique, il y a lieu de joindre à la demande une convention écrite avec l'administration publique, ou un document écrit signé de l'administration publique si celle-ci est la demandeuse.
La convention ou le document visé à l'alinéa premier contient au moins les données suivantes :
1° l'identification des parcelles concernées, leur situation et leur superficie. Pour l'identification des parcelles concernées, les numéros de parcelle sont mentionnés ;
2° le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux qui seront élevés dans le cadre de la gestion de biens immobiliers pour l'exécution de la convention ;
3° le nombre de mois par année durant lesquels l'agriculteur doit élever les animaux dans le cadre de la gestion des biens immobiliers, et si nécessaire, précisé par parcelle et catégorie d'animal concernées ;
4° la période durant laquelle les animaux seront élevés à des fins de gestion de biens immobiliers pour le compte d'une administration publique.
§ 6. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'accueil d'animaux dans un refuge pour animaux, les documents suivants doivent être joints à la demande :
1° une copie de la décision de l'octroi d'un agrément, visée à l'article 2, § 6 de l'arrêté royal du 27 avril 2007 portant les conditions d'agrément des établissements pour animaux et portant les conditions de commercialisation des animaux ;
2° un document signé par le demandeur mentionnant au moins les données suivantes :
a) l'identification des parcelles concernées, leur situation et leur superficie. Pour l'identification des parcelles concernées, les numéros de parcelle sont mentionnés ;
b) le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux qui seront accueillis au maximum dans le cadre des activités d'asile pour animaux.
§ 7. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'élevage d'animaux dans une ferme pédagogique, le demandeur joint à demande un document qu'il aura signé.
Le document visé à l'alinéa premier mentionne au moins les données suivantes :
1° l'identification des parcelles concernées, leur situation et leur superficie. Pour l'identification des parcelles concernées, les numéros de parcelle sont mentionnés ;
2° le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux qui seront élevés dans le cadre d'activités de ferme pédagogique ;
3° une description détaillée des activités organisées par la ferme pédagogique ;
4° la période durant laquelle les animaux seront élevés dans le cadre des activités de ferme pédagogique.
Le demandeur joindra à sa demande une copie de ses statuts mentionnant comme objet l'organisation d'activités de ferme pédagogique.
Les activités visées au deuxième alinéa, 3°, doivent permettre aux enfants de découvrir notamment, de manière éducative, les animaux visés à l'article 27, § 1er du décret précité. Pendant les périodes durant lesquelles ces activités sont organisées, l'exploitation doit être accessible au public.
Lorsque l'exploitation élève également des animaux à des fins économiques ou pour d'autres raisons que les activités exercées dans le cadre d'une ferme pédagogique, des droits d'émission d'éléments fertilisants temporaires ne peuvent être accordés que pour les nombres d'animaux élevés dans le cadre de la ferme pédagogique.
§ 8. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'élevage d'animaux à des fins de soins dans une ferme thérapeutique ou d'autres établissements thérapeutiques, le demandeur joint à la demande un document signé de sa main.
Le document visé à l'alinéa premier mentionne au moins les données suivantes :
1° l'identification des parcelles concernées, leur situation et leur superficie. Pour l'identification des parcelles concernées, les numéros de parcelle sont mentionnés ;
2° le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux qui seront élevés dans le cadre d'activités de ferme thérapeutique ou d'un autre établissement thérapeutique ;
3° les données de l'établissement thérapeutique agréé ;
4° la période durant laquelle les animaux seront élevés afin de leur prodiguer des soins dans une ferme thérapeutique ou d'autres établissements thérapeutiques.
Le demandeur est un établissement thérapeutique agréé qui n'élève pas d'animaux pour des raisons économiques ou d'autres raisons que des activités exercées dans le cadre d'un établissement thérapeutique agréé.
§ 9. Si la demande mentionnée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, porte sur l'obtention de TNER-D pour l'élevage d'animaux à des fins sociales ou des fins d'utilité publique, pour lesquelles il n'est pas possible d'obtenir des TNER-D sur la base des paragraphes 2 à 8, le demandeur joint à la demande un document signé de sa main.
Le document visé à l'alinéa premier mentionne au moins les données suivantes :
1° l'identification des parcelles concernées, leur situation et leur superficie ;
2° le nombre et la catégorie d'animal, visés à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, des animaux élevés à des fins sociales ou des fins d'utilité publique, mais pour lesquels il n'est pas possible d'obtenir des TNER-D sur la base des paragraphes 2 à 8 ;
3° une description détaillée :
a) des fins sociales ou des fins d'utilité publique pour lesquelles le demandeur souhaite obtenir des TNER-D, mais pour lesquelles il n'est pas possible d'obtenir des TNER-D sur la base des paragraphes 2 à 8 ;
b) des activités organisées dans le cadre des fins visées au point a) et les périodes durant lesquelles ces activités sont organisées ;
4° une copie des statuts du demandeur, mentionnant la finalité sociale ou d'utilité publique, ou une copie d'une convention relative aux activités reprises au point 3°, b) et qui a été conclue entre le demandeur et une tierce partie dont les statuts mentionnent la finalité sociale ou d'utilité publique ;
5° la période pendant laquelle les animaux seront élevés à des fins sociales ou d'utilité publique.
Si l'exploitation élève également des animaux à des fins économiques ou pour d'autres raisons que les activités à finalité sociale ou d'utilité publique, des droits d'émission d'éléments fertilisants temporaires ne peuvent être accordés que pour les nombres d'animaux élevés dans le cadre des activités à finalité sociale ou d'utilité publique.
Art. 7.1.2. La Banque d'engrais détermine, sur la base des justificatifs fournis et, le cas échéant, en tenant compte des normes d'épandage d'application, le nombre de TNER-DR, de TNER-DV, de TNER-DP et de TNER-DA qui sont nécessaires à la réalisation des objectifs visés à l'article 7.1.1, et la période pour laquelle les TNER-D sont valides. La période pour laquelle les TNER-D sont valides prend cours au plus tôt à la date de réception de la demande d'octroi de TNER-D, tel que visé à l'article 7.1.1, § 1er, deuxième alinéa.
La décision de la Banque d'engrais est notifiée à l'agriculteur concerné dans les nonante jours civils qui suivent la réception de la demande, par l'intermédiaire du guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais.
Art. 7.1.3. A la demande de la Banque d'engrais, l'agriculteur à qui des TNER-D ont été octroyés fournit dans les nonante jours civils à la Banque d'engrais tous les justificatifs requis, dont il ressort que l'agriculteur utilise toujours les TNER-D octroyés aux fins visées à l'article 7.1.1.
Si aucun justificatif n'est remis, ou si les justificatifs remis sont insuffisants, la Banque d'engrais réduit d'office les TNER-D octroyés au nombre de TNER-D pour lesquels des justificatifs suffisants ont été remis.
La Banque d'engrais communique la décision de réduction des TNER-D à l'agriculteur concerné par envoi sécurisé. La réduction est d'application trente jours civils après l'envoi de cet envoi sécurisé.
Art. 7.1.4. En exécution de l'article 32 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, l'agriculteur peut introduire auprès du Ministre un recours contre la décision d'octroi des TNER-D visés à l'article 7.1.2 du présent arrêté et contre la décision de réduction des TNER-D visés à l'article 7.1.3 du présent arrêté.
Pour être recevable, le recours visé à l'alinéa premier doit être notifié par envoi sécurisé dans les trente jours calendaires qui suivent la publication de la décision visée à l'article 7.1.2 du présent arrêté sur le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais, ou dans les trente jours calendaires qui suivent l'envoi de la décision visée à l'article 7.1.3 du présent arrêté. Le Ministre prend une décision dans les nonante jours calendaires qui suivent la réception du recours. L'agriculteur est informé de la décision par un envoi sécurisé.
Section 2. - La requalification
Art. 7.2.1. § 1er. En exécution de l'article 30, § 2, deuxième alinéa du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, l'agriculteur peut introduire une demande afin de requalifier les droits d'émission d'éléments fertilisants qui lui ont été octroyés, spécifiés pour chaque espèce animale, en un autre type de droits d'émission d'éléments fertilisants, tel que visés en annexe au décret précité.
§ 2. L'agriculteur entre en ligne de compte pour une demande visée au paragraphe 1er si le type de droits d'émission d'éléments fertilisants ne correspond plus aux animaux qu'il élève réellement ou qu'il élèvera réellement après l'une des actions suivantes :
1° un déplacement d'entreprise ou une reconversion d'entreprise volontaires ainsi que visé à la deuxième partie, titre 1er, chapitre 4, section 2 du décret du 28 mars 2014 relatif à la rénovation rurale ;
2° un déplacement tel que visé à l'article 5, § 3 du décret du 16 juin 2006 portant création de la " Vlaamse Grondenbank " (Banque foncière flamande) et portant modification de diverses dispositions.
Le Ministre peut élargir la liste visée à l'alinéa premier.
§ 3. Si la condition visée au paragraphe 2 est remplie, l'agriculteur peut demander que les droits d'émission d'éléments fertilisants soient requalifiés en un ou plusieurs autres types de droits d'émission d'éléments fertilisants.
Art. 7.2.2. § 1er. La demande est introduite après de la Banque d'engrais par envoi sécurisé et mentionne toutes les données suivantes :
1° le nom, l'adresse et les données d'identification de l'agriculteur ;
2° la façon dont l'agriculteur veut voir requalifiés les droits d'émission d'éléments fertilisants ;
3° la date à partir de laquelle l'agriculteur veut voir requalifiés les droits d'émission d'éléments fertilisants.
L'agriculteur joint à sa demande les pièces justificatives requises, dont il ressort que l'exploitation concernée a subi un déplacement d'entreprise, une reconversion d'entreprise ou un déplacement volontaires tels que visés à l'article 7.2.1, § 2.
Le Ministre peut déterminer d'autres règles pour les justificatifs à joindre à la demande.
§ 2. Un agriculteur ne peut demander qu'une seule fois une requalification dans le cadre d'un déplacement d'entreprise, d'une reconversion d'entreprise ou d'un déplacement volontaires tels que visés à l'article 7.21.1, § 2.
La requalification prend effet à la date mentionnée au paragraphe 1er, alinéa premier, 3°, avec la restriction selon laquelle la requalification ne peut débuter au plus tôt que le 1er janvier de l'année civile qui précède l'année civile durant laquelle la demande a été introduite auprès de la Banque d'engrais. Si l'agriculteur a mentionné une date antérieure dans sa demande, la date d'entrée en vigueur de la requalification est déplacée d'office au 1er janvier de l'année civile qui précède l'année civile durant laquelle la demande a été introduite auprès de la Banque d'engrais.
Le cas échéant, une éventuelle limitation de la conversion automatique visée à l'article 7.3.1, § 4, résultant de droits d'émission d'éléments fertilisants qui ont été repris avant l'entrée en vigueur de la requalification, devient caduque.
Section 3. - Utilisation des droits d'émission d'éléments fertilisants
Art. 7.3.1. § 1er. Il existe quatre types de droits d'émission d'éléments fertilisants, à savoir NER-DR, NER-DV, NER-DP et NER-DA. Chacun des types de droits d'émission d'éléments fertilisants NER-DR, NER-DV, NER-DP et NER-DA donne droit d'élever une ou plusieurs espèces animales telles que visées à l'article 27, § 1er du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Conformément à l'article 30, § 5 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, l'agriculteur a, dans les limites des droits d'émission d'éléments fertilisants, toute licence d'élever l'espèce animale qu'il préfère ou d'apporter des modifications au sein de la même espèce animale.
§ 2. En exécution de l'article 30, §§ 5 et 6 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 et pour l'application de l'amende visée à l'article 63, § 2 du décret précité, la Banque d'engrais applique une conversion automatique des droits d'émission d'éléments fertilisants conformément au tableau suivant :
| NER-DR | NER-DV | NER-DP | NER-DA | |
| NER-DR | 1 | 1 | 1 | 1 |
| NER-DV | 1 | 1 | 1 | 1 |
| NER-DP | 1 | 1 | 1 | 1 |
| NER-DA | 1 | 1 | 1 | 1 |
§ 3. De automatische omzetting, vermeld in paragraaf 2, wijzigt de toegekende nutriëntenemissierechten, gespecificeerd volgens diersoort, namelijk NER-DR, NER-DV, NER-DP en NER-DA, niet.
§ 4. Ter uitvoering van artikel 39 van het Mestdecreet van 22 december 2006 en in afwijking van paragraaf 1 tot en met 3, is de automatische omzetting van de nutriëntenemissierechten door de Mestbank niet toegelaten ten aanzien van:
1° nutriëntenemissierechten die op grond van artikel 34, § 1, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, met annulering van 25 % door een bedrijf zijn overgenomen;
2° nutriëntenemissierechten die op grond van artikel 34, § 1, 1°, tweede lid, van het voormelde decreet, met verwerking van 25 % zijn overgenomen;
3° nutriëntenemissierechten die op grond van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, e), van het voormelde decreet, in het kader van een overdracht van melkquotum zijn overgenomen;
4° alle nutriëntenemissierechten van het overnemende bedrijf die van dezelfde soort zijn als de soort nutriëntenemissierechten die zijn overgenomen als vermeld in punt 1° tot en met 3° ;
5° alle tijdelijke nutriëntenemissierechten die uitgedrukt zijn in TNER-DR, TNER-DV, TNER-DP of TNER-DA.
Dieren van een bepaalde diersoort die niet zijn gehouden met de soort nutriëntenemissierechten, gespecificeerd volgens diersoort, namelijk NER-DR, NER-DV, NER-DP, NER-DA, TNER-DR, TNER-DV, TNER-DP, TNER-DA, NER-MVWR, NER-MVWV, NER-MVWP, of NER-MVWA, die betrekking heeft op die diersoort, worden met toepassing van artikel 39, tweede lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006, geacht te zijn gehouden zonder toegekende nutriëntenemissierechten.
§ 5. In afwijking van paragraaf 4 blijft de automatische omzetting van NER-DR, NER-DV, NER-DP naar NER-DA altijd mogelijk.
§ 6. Nutriëntenemissierechten waarvan de omzetting door de Mestbank niet is toegelaten als vermeld in paragraaf 4, kunnen na een verdere overdracht met toepassing van artikel 34 van het Mestdecreet van 22 december 2006, evenmin worden omgezet.
Art. 7.3.2. De landbouwer van wie het bedrijf in een bepaald jaar een productie aan dierlijke mest heeft die kleiner is dan 300 kg P2O5 als vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 1°, a), van het Mestdecreet van 22 december 2006, is voor dat jaar vrijgesteld van de bepalingen betreffende de nutriëntenemissierechten die betrekking hebben op de beperking van de productie aan dierlijke mest.
Afdeling 4. - Bepalingen aangaande de overname van nutriëntenemissierechten
Onderafdeling 1. - Beperkingen bij de overname van nutriëntenemissierechten
Art. 7.4.1.1. § 1. Ter uitvoering van artikel 31, § 1, van het Mestdecreet van 22 december 2006, wordt per aanvraag minstens één nutriëntenemissierecht overgedragen.
§ 2. De overlater van nutriëntenemissierechten kan de nutriëntenemissierechten van een bepaalde diersoort aan één landbouwer of aan verschillende landbouwers overlaten. Als de nutriëntenemissierechten aan verschillende landbouwers worden overgelaten, moet
voor elk van de over te laten gedeelten een aanvraag worden ingediend als vermeld in artikel 7.4.2.1.
Art. 7.4.1.2. Een gedwongen overgang van nutriëntenemissierechten wordt niet als een overname van nutriëntenemissierechten beschouwd als vermeld in de artikelen 31 en 34 het Mestdecreet van 22 december 2006.
Als een gedwongen overgang van nutriëntenemissierechten als vermeld in het eerste lid, worden onder meer verstaan:
1° de overgang van nutriëntenemissierechten door erfopvolging en verdelingen tussen erfgenamen die daarvan het gevolg zijn;
2° de overgang van nutriëntenemissierechten ten gevolge van een faillissement, een gedwongen of gerechtelijke openbare verkoop of een overdracht onder gerechtelijk gezag als vermeld in titel 4, hoofdstuk 4, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen.
Onderafdeling 2. - De overname van nutriëntenemissierechten
Art. 7.4.2.1. § 1. Nutriëntenemissierechten worden overgenomen door een aanvraag tot overname aan de Mestbank.
De overnemende landbouwer dient met een beveiligde zending of door afgifte tegen ontvangstbewijs een aanvraag tot overname in bij de Mestbank die al de volgende gegevens bevat:
1° de naam, het adres en de identificatiegegevens van de overlatende landbouwer en de naam, het adres en de identificatiegegevens van de overnemende landbouwer;
2° de soort nutriëntenemissierechten die worden overgelaten, gespecificeerd volgens diersoort, namelijk NER-DR, NER-DV, NER-DP of NER-DA. Als de aanvraag tot overname betrekking heeft op een gedeelte van de nutriëntenemissierechten van de overlatende landbouwer, wordt ook het aantal NER-D dat per diersoort wordt overgelaten, vermeld;
3° de vermelding hoe de nutriëntenemissierechten worden overgenomen, volgens een van de onderstaande mogelijkheden:
a) zonder annulering van 25 % op grond van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, van het Mestdecreet van 22 december 2006;
b) met annulering van 25 % op grond van artikel 34, § 1, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet;
c) met mestverwerking op grond van artikel 34, § 1, 1°, tweede lid, van het voormelde decreet;
4° een ondertekende verklaring van de overlatende landbouwer waarin hij bevestigt het aantal NER-D, gespecificeerd volgens diersoort, vermeld in punt 2°, te willen overlaten aan de overnemende landbouwer, vermeld in punt 1° ;
5° als de overnemende landbouwer nutriëntenemissierechten wil overnemen in het kader van een eerste installatie als bedrijf zonder reductie met 25 % als vermeld in artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, a), van het voormelde decreet: een verklaring op eer waarin de overnemende landbouwer verklaart dat noch door de overnemende landbouwer zelf, noch door een bij de overnemende landbouwer betrokken persoon, een als hinderlijk ingedeelde veeteeltinrichting als vermeld in rubriek DIEREN 9.3 tot en met 9.8 in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, persoonlijk of door middel van een rechtspersoon is geëxploiteerd;
6° als de overnemende landbouwer een personenvennootschap is, of als een personenvennootschap een exploitant is van de overnemende landbouwer, die met toepassing van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, a) en b), van het voormelde decreet nutriëntenemissierechten wil overnemen zonder reductie met 25 %: een kopie van de oprichtingsakte van die personenvennootschap, en een kopie van alle wijzigingsakten tot op de datum van de aanvraag, samen met een kopie van het meest recente register van aandelen of, bij ontstentenis van een wettelijke verplichting tot het houden van een register, een verklaring op eer door de overnemende landbouwer van de verdeling van de aandelen van de personenvennootschap op het ogenblik van het indienen van de aanvraag tot overname van de nutriëntenemissierechten;
7° als de overlater of de overnemende landbouwer uit verschillende exploitanten bestaat: een overzicht van de verschillende exploitanten, met vermelding, voor elk van die exploitanten, van hun naam, adres en identificatiegegevens;
8° de datum waarop de overname van de nutriëntenemissierechten ingaat;
9° als nutriëntenemissierechten worden overgenomen zonder reductie van 25 % met toepassing van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, f), van het voormelde decreet, moeten bijkomend de volgende documenten worden toegevoegd:
a) een kopie van de oprichtingsakte van de overlatende personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, en een kopie van alle wijzigingsakten;
b) een kopie van de oprichtingsakte van die vennootschap, en een kopie van alle wijzigingsakten als de overnemende landbouwer of een persoon die deel uitmaakt van de overnemende landbouwer, een personenvennootschap is met rechtspersoonlijkheid;
c) een kopie van het meest recente register van aandelen van de overlatende personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid;
d) een kopie van het meest recente register van aandelen van die vennootschap als de overnemende landbouwer of een persoon die deel uitmaakt van de overnemende landbouwer, een personenvennootschap is met rechtspersoonlijkheid;
e) een bewijs van alle bloed- of aanverwantschappen of huwelijksbanden als vermeld in artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, f), van het voormelde decreet, waarop de aanvragers zich beroepen.
De verklaring, vermeld in het tweede lid, 4°, is ondertekend volgens een van de onderstaande mogelijkheden:
1° door al de exploitanten die deel uitmaken van de landbouwer;
2° door de landbouwer zelf. In dat geval is bij de aanvraag een document gevoegd waaruit blijkt dat de landbouwer bevoegd is om beslissingen te nemen in naam van al de exploitanten die deel uitmaken van de landbouwer.
In het tweede lid, 5°, wordt verstaan onder een bij de overnemende landbouwer betrokken persoon:
1° al de exploitanten die deel uitmaken van de overnemende landbouwer;
2° als de overnemende landbouwer een rechtspersoon is of als een van de exploitanten die deel uitmaakt van de overnemende landbouwer een rechtspersoon is: iedereen die bestuurder, dagelijks bestuurder of zaakvoerder is in die rechtspersoon.
§ 2. De datum waarop de overname van de nutriëntenemissierechten ingaat, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 8°, wordt:
1° uiterlijk zes maanden na de ontvangstdatum van de aanvraag vastgesteld;
2° ten vroegste op de dag na de ontvangst van de aanvraag tot overname door de Mestbank vastgesteld.
In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, 8°, kan de landbouwer in zijn aanvraag, in plaats van een datum te vermelden waarop de overname van de nutriëntenemissierechten ingaat, kiezen voor een van de onderstaande mogelijkheden:
1° aangeven dat hij de overname wil laten ingaan op de datum, vermeld in het eerste lid, 2° ;
2° niets aangeven.
Als de landbouwer in zijn aanvraag niets aangeeft over de datum waarop de overname van de nutriëntenemissierechten ingaat als vermeld in het tweede lid, 2°, wordt dat ambtshalve gelijkgesteld met aangeven dat hij de overname wil laten ingaan op de datum, vermeld in het eerste lid, 2°.
Art. 7.4.2.2. Overeenkomstig artikel 34, § 1, zesde lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006, wordt voor de toepassing van dit besluit een kapitaalvennootschap waarvan alle aandelen op naam zijn, gelijkgesteld met een personenvennootschap.
Art. 7.4.2.3. Ter uitvoering van artikel 31, § 2, eerste lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006, betreffende de berekening van de mestafzet van het bedrijf, berekent de Mestbank de mestafzet op basis van het derde, het tweede en het eerste kalenderjaar die voorafgaan aan het kalenderjaar waarin de nutriëntenemissierechten overgenomen worden.
In afwijking van het eerste lid wordt voor aanvragen waarvan de datum van overname door de overnemer en de overlater is vastgesteld vóór 1 oktober van het kalenderjaar, de mestafzet berekend op grond van het vierde, het derde en het tweede kalenderjaar die voorafgaan aan het kalenderjaar waarin de overname van de nutriëntenemissierechten ingaat.
Als voor het derde, tweede of eerste kalenderjaar, vermeld in het eerste lid, of in voorkomend geval voor het vierde, derde of tweede kalenderjaar, vermeld in het tweede lid, er geen aangifteplicht als vermeld in artikel 23 van het voormelde decreet, is, wordt de landbouwer geacht de mest voor dat kalenderjaar volledig te hebben afgezet.
Als voor het derde, tweede of eerste kalenderjaar, vermeld in het eerste lid, of in voorkomend geval voor het vierde, derde of tweede kalenderjaar, vermeld in het tweede lid, niet voldaan is aan de aangifteplicht, vermeld in artikel 23 van het voormelde decreet, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard.
Art. 7.4.2.4. Binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag tot overname van de nutriëntenemissierechten, vermeld in artikel 7.4.2.1, meldt de Mestbank, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, aan de overnemer en de overlater of de aanvraag volledig en ontvankelijk is. Bij ontstentenis van een kennisgeving binnen die termijn wordt de aanvraag als volledig en ontvankelijk beschouwd.
De Mestbank brengt de overnemer en de overlater binnen drie maanden nadat de aanvraag tot overname van de nutriëntenemissierechten volledig en ontvankelijk is bevonden als vermeld in het eerste lid, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket op de hoogte van de nutriëntenemissierechten, gespecificeerd volgens diersoort, die zullen worden overgenomen en de datum vanaf wanneer die overgenomen worden.
De datum waarop de overname van de nutriëntenemissierechten ingaat, betreft:
1° als er in de aanvraag een datum is vermeld: de datum, vermeld in artikel 7.4.2.1, § 1, tweede lid, 8°, met de beperking dat als er een datum is vermeld die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.4.2.1, § 2, eerste lid, de Mestbank de datum waarop de overname van de nutriëntenemissierechten ingaat ambtshalve vastlegt op de dag na de ontvangst van de aanvraag tot overname door de Mestbank;
2° als er in de aanvraag geen datum is vermeld, met toepassing van artikel 7.4.2.1, § 2, tweede lid, 2° : de dag na de ontvangst van de aanvraag tot overname door de Mestbank.
Art. 7.4.2.5. De overname van de nutriëntenemissierechten en de mogelijke reducties op grond van hoofdstuk 7, afdeling 4, onderafdeling 3, van dit besluit, en op grond van artikel 34, § 1, eerste lid, 1°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, gaan in op de datum, vermeld in artikel 7.4.2.4, derde lid, van dit besluit, met de volgende uitzonderingen:
1° de overnemer en de overlater hebben binnen dertig kalenderdagen nadat de kennisstelling door de Mestbank op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket werd geplaatst, met een beveiligde zending bij de Mestbank melden dat ze afzien van de overname van de nutriëntenemissierechten, waarna de aanvraag tot overname van de nutriëntenemissierechten geacht wordt nooit te zijn gedaan;
2° er werd binnen dertig kalenderdagen conform artikel 7.4.2.6 beroep ingesteld.
Een beroep als vermeld in artikel 7.4.2.6 sluit de mogelijkheid uit om te melden dat men afziet van de overname van de nutriëntenemissierechten als vermeld in het eerste lid, 1°.
De melding, vermeld in het eerste lid 1°, is ondertekend volgens een van de onderstaande mogelijkheden:
1° door de landbouwer zelf;
2° door al de exploitanten die deel uitmaken van de landbouwer;
3° door een van de exploitanten van de landbouwer, als bij de aanvraag ook een document wordt toegevoegd waaruit blijkt dat de exploitant daarvoor bevoegd is.
Art. 7.4.2.6. De overnemer of de overlater kan, tenzij gemeld is dat er afgezien wordt van de overname van de nutriëntenemissierechten als vermeld in artikel 7.4.2.5, eerste lid, 1°, binnen dertig kalenderdagen nadat de kennisstelling door de Mestbank op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket werd geplaatst, met een beveiligde zending bij de minister beroep aantekenen tegen de beslissing van de Mestbank.
In voorkomend geval wordt een afschrift van het beroepsschrift aan de overnemer of de overlater bezorgd via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket.
De minister neemt binnen negentig kalenderdagen een beslissing. De overnemer en de overlater worden van de beslissing van de minister op de hoogte gebracht via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket.
Als daarom schriftelijk wordt verzocht, kan de minister het voorwerp van de overname, vermeld in artikel 34, § 1, eerste lid, 1° of 2°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, wijzigen. Het verzoek wordt met een beveiligde zending verzonden, al dan niet samen met het beroepsschrift, en voldoet aan al de volgende voorwaarden:
1° het verzoek is ondertekend door zowel de overlater als de overnemer;
2° het verzoek vermeldt expliciet het nieuwe voorwerp van de overname, vermeld in artikel 34, § 1, eerste lid, 1° of 2° van het voormelde decreet;
3° bij het verzoek zijn de bijlagen gevoegd die op grond van het veranderde voorwerp door artikel 7.4.2.1 van dit besluit zijn voorgeschreven.
Art. 7.4.2.7. De overname van de nutriëntenemissierechten en de mogelijke reducties op grond van hoofdstuk 7, afdeling 4, onderafdeling 3, van dit besluit, en op grond van artikel 34, § 1, eerste lid, 1°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, gaan in op de datum, vermeld in artikel 7.4.2.4, derde lid, van dit besluit, tenzij de overnemer en de overlater binnen dertig kalenderdagen na de verzending van de beslissing van de minister, vermeld in artikel 7.4.2.6 van dit besluit, met een beveiligde zending bij de minister hebben gemeld dat ze afzien van de overname van de nutriëntenemissierechten, waarna de aanvraag tot overname van de nutriëntenemissierechten geacht wordt nooit te zijn gedaan.
De melding, vermeld in het eerste lid, moet ondertekend zijn volgens een van de onderstaande mogelijkheden:
1° door de landbouwer zelf;
2° door al de exploitanten die deel uitmaken van de landbouwer;
3° door een van de exploitanten van de landbouwer, als bij de aanvraag ook een document wordt toegevoegd waaruit blijkt dat de exploitant daarvoor bevoegd is.
Onderafdeling 3. - Reducties naar aanleiding van de overname van nutriëntenemissierechten
Art. 7.4.3.1. Ter uitvoering van artikel 31, § 2, eerste lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006, onderzoekt de Mestbank naar aanleiding van de aanvraag tot overname op grond van artikel 34, § 1, eerste lid, 1° of 2°, van het voormelde decreet, of de mest van het overlatend bedrijf over de drie kalenderjaren die voorafgaan aan de datum waarop de overname van de nutriëntenemissierechten ingaat, vermeld in artikel 7.4.2.4, derde lid, van dit besluit, conform de bepalingen van het Mestdecreet van 22 december 2006 is afgezet. De Mestbank bepaalt daarvoor de mestbalans van het bedrijf voor het nutriënt P2O5, vermeld in artikel 28, § 3, van het voormelde decreet.
Als de mest een of meer kalenderjaren niet conform de bepalingen van het voormelde decreet is afgezet, worden de over te nemen nutriëntenemissierechten op de volgende wijze verminderd:
1° het aantal kg P2O5 dat niet is afgezet conform het voormelde decreet, wordt voor elk van de drie kalenderjaren conform artikel 62bis, § 10, van het voormelde decreet, vastgesteld;
2° het getal dat conform punt 1° wordt verkregen, wordt voor elk van de drie kalenderjaren uitgezet als percentage ten aanzien van het aantal kg P2O5 dat conform het voormelde decreet voor dat kalenderjaar had moeten worden afgezet;
3° er wordt een gemiddeld percentage vastgesteld voor de drie kalenderjaren waarvoor een percentage werd vastgesteld met toepassing van punt 2° ;
4° de over te nemen nutriëntenemissierechten worden verminderd met het gemiddeld percentage, vermeld in punt 3°.
Art. 7.4.3.2. § 1. Ter uitvoering van artikel 31, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006 onderzoekt de Mestbank naar aanleiding van de melding van de overname op grond van artikel 34, § 1, 1°, eerste en tweede lid, van het voormelde decreet, of een reductie van de nutriëntenemissierechten moet worden doorgevoerd op grond van niet-ingevulde nutriëntenemissierechten.
De Mestbank bepaalt daarvoor, voor het totaal van de nutriëntenemissierechten, namelijk de som van de nutriëntenemissierechten, gespecificeerd volgens diersoort, NER-DR, NER-DV, NER-DP en NER-DA, voor het derde, het tweede en het eerste kalenderjaar die voorafgaan aan de datum waarop de overname van de nutriëntenemissierechten ingaat, het percentage niet-ingevulde nutriëntenemissierechten. Dat percentage niet-ingevulde nutriëntenemissierechten wordt, per kalenderjaar, berekend conform de volgende formule: P = 100 X [1 - (I/T)], waarbij:
1° P: het percentage niet-ingevulde nutriëntenemissierechten. Dit percentage is minstens 0;
2° I: het aantal ingevulde nutriëntenemissierechten voor alle diersoorten samen. Dit aantal wordt bepaald door voor het betrokken kalenderjaar te bepalen hoeveel dieren op het bedrijf gehouden werden, overeenkomstig de aangifte, vermeld in artikel 23 van het voormelde decreet. De aldus bepaalde dierenaantallen, gespecificeerd per diercategorie, worden vervolgens, vermenigvuldigd met de overeenkomstige nutriëntenemissierechten, vermeld in artikel 30, § 3, van het voormelde decreet;
3° T: het aantal nutriëntenemissierechten dat aan de betrokken landbouwer, in het betreffende kalenderjaar, toegekend is, namelijk de som van NER-DR, NER-DV, NER-DP en NER-DA.
Per soort nutriëntenemissierechten die men wil overdragen, wordt voor de bepaling van het aantal niet-ingevulde nutriëntenemissierechten het gemiddelde van de drie getallen P, vermeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met het aantal nutriëntenemissierechten van de betrokken soort die men wil overdragen. Per soort nutriëntenemissierechten wordt het aantal nutriëntenemissierechten dat men wil overdragen, verminderd met de niet-ingevulde nutriëntenemissierechten.
De reductie op grond van niet-ingevulde nutriëntenemissierechten wordt ter uitvoering van artikel 31, § 2, van het voormelde decreet, alleen toegepast als in voorkomend geval na een reductie als vermeld in artikel 7.4.3.1 van dit besluit en op grond van artikel 34, § 1, 1°, eerste en tweede lid, van het voormelde decreet, nog altijd niet-ingevulde nutriëntenemissierechten overblijven ten aanzien van de over te dragen nutriëntenemissierechten zoals aangegeven in de melding van overdracht.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, wordt voor aanvragen waarvan de datum van overname is vastgesteld vóór 1 oktober van een gegeven kalenderjaar, het percentage niet-ingevulde nutriëntenemissierechten berekend op grond van het vierde, het derde en het tweede kalenderjaar die voorafgaan aan het kalenderjaar waarin de overname van de nutriëntenemissierechten ingaat.
§ 3. Als voor een gegeven derde, tweede of eerste kalenderjaar als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, of in voorkomend geval voor een gegeven vierde, derde of tweede kalenderjaar als vermeld in paragraaf 2, er geen aangifteplicht als vermeld in artikel 23 van het Mestdecreet van 22 december 2006, is, wordt het percentage niet-ingevulde nutriëntenemissierechten voor dat jaar op 100 % vastgesteld. De landbouwer kan het tegenbewijs leveren dat een bepaald aantal nutriëntenemissierechten werden ingevuld.
§ 4. De Mestbank gaat de invulling van de betrokken nutriëntenemissierechten na ongeacht een mogelijke overdracht van de betrokken nutriëntenemissierechten of een deel daarvan gedurende het derde, tweede of eerste kalenderjaar, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, of in voorkomend geval gedurende het vierde, derde of tweede kalenderjaar, vermeld in paragraaf 2. De Mestbank bepaalt daarvoor de invulling van de betrokken nutriëntenemissierechten bij de landbouwers die de betrokken nutriëntenemissierechten hebben overgedragen.
De Mestbank houdt daarbij rekening met het aantal en de tijdspanne gedurende dewelke deze nutriëntenemissierechten aan die landbouwer of landbouwers toegekend zijn geweest.
Onderafdeling 4. - Overname van nutriëntenemissierechten zonder annulering met 25 %
Art. 7.4.4.1. Ter uitvoering van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, a), van het Mestdecreet van 22 december 2006 kan de landbouwer in het kader van een eerste installatie opteren voor bedrijfsontwikkeling zonder annulering met 25 % van de nutriëntenemissierechten in de volgende gevallen:
1° alle nutriëntenemissierechten van maar één bepaald bedrijf worden overgenomen;
2° de overname wordt gedaan door een natuurlijke persoon die jonger dan veertig jaar is op de datum van de overname van de nutriëntenemissierechten, vermeld in artikel 7.4.2.4, derde lid, van dit besluit, of door een personenvennootschap waarvoor geldt dat alle bij de landbouwer betrokken personen jonger zijn dan veertig jaar op de datum van de overname van de nutriëntenemissierechten, vermeld in artikel 7.4.2.4, derde lid, van dit besluit;
3° noch door de overnemende landbouwer zelf, noch door een bij de overnemende landbouwer betrokken persoon, is een als hinderlijk ingedeelde veeteeltinrichting als vermeld in rubriek DIEREN 9.3 tot en met 9.8 in de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, persoonlijk of door middel van een rechtspersoon geëxploiteerd;
4° de bij de landbouwer betrokken personen bezitten samen minstens 51 % van de aandelen van de rechtspersoon als de overnemende landbouwer een rechtspersoon is.
In het eerste lid, 2°, 3° en 4°, wordt verstaan onder een bij de overnemende landbouwer betrokken persoon:
1° al de exploitanten die deel uitmaken van de overnemende landbouwer;
2° als de overnemende landbouwer een rechtspersoon is of als een van de exploitanten die deel uitmaakt van de overnemende landbouwer een rechtspersoon is: iedereen die bestuurder, dagelijks bestuurder of zaakvoerder is in die rechtspersoon.
Art. 7.4.4.2. § 1. Als de landbouwer nutriëntenemissierechten overneemt zonder annulering ter uitvoering van artikel 34, § 1, 1°, tweede lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006, worden de 25 % nutriëntenemissierechten die de landbouwer jaarlijks moet verwerken, uitgedrukt in een M aantal te verwerken kilogram N, waarbij M wordt berekend wordt conform de volgende formule:
M = 25 % X (0,75 X aantal overgenomen NER-DR + 0,64 X aantal overgenomen NER-DV + 0,64 X aantal overgenomen NER-DP + 0,67 X aantal overgenomen NER-DA)
De landbouwer moet het aantal kilogram N, vermeld in het eerste lid, al in het jaar van de overname verwerken in verhouding tot het aantal dagen waarvoor overeenkomstige NER-D zijn toegekend.
In het eerste lid wordt verstaan onder aantal overgenomen NER-D: het aantal overgenomen NER-D na de reductie, vermeld in artikel 7.4.3.1, maar vóór de reductie, vermeld in artikel 7.4.3.2.
§ 2. Nutriëntenemissierechten die verkregen zijn op grond van een overname met mestverwerking als vermeld in artikel 34, § 1, 1°, tweede lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006, zijn alleen verder overdraagbaar met toepassing van artikel 34, § 1, 1°, eerste of tweede lid, van het voormelde decreet.
Een aanvraag tot verdere overdracht van nutriëntenemissierechten die verkregen zijn op grond van een overname met mestverwerking als vermeld in artikel 34, § 1, 1°, tweede lid, van het voormelde decreet, kan alleen worden ingediend voor het aantal en de soort nutriëntenemissierechten conform de beslissing van de Mestbank, vermeld in artikel 7.4.2.4, tweede lid, van dit besluit, of de beslissing van de minister, vermeld in artikel 7.4.2.6,derde lid, van dit besluit, die tot de mestverwerkingsplicht heeft geleid.
De bijkomende verwerkingsplicht van een specifieke overname op grond van artikel 34, § 1, 1°, tweede lid, van het voormelde decreet, vervalt bij de overlater op de dag dat de totaliteit van die nutriëntenemissierechten verder zijn overgedragen met toepassing van artikel 34, § 1, 1° eerste of tweede lid, van het voormelde decreet.
Een aanvraag op grond van het eerste en het derde lid, sluit een aanvraag op grond van paragraaf 3 uit.
§ 3. De landbouwer kan aan de bijkomende verwerkingsplicht van een specifieke overname op grond van artikel 34, § 1, 1°, tweede lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006 definitief voldoen door alsnog de overeenkomstige 25 % van die overgenomen nutriëntenemissierechten te laten annuleren. De nutriëntenemissierechten worden geannuleerd vanaf 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de landbouwer aan de Mestbank gemeld heeft dat hij alsnog de overeenkomstige 25 % van de door hem op grond van artikel 34, § 1, 1°, tweede lid, van het voormelde decreet, overgenomen nutriëntenemissierechten, wil laten annuleren. De mestverwerkingsplicht vervalt vanaf het kalenderjaar waarin de nutriëntenemissierechten met 25 % zijn geannuleerd.
Een aanvraag op grond van het eerste lid sluit een aanvraag op grond van paragraaf 2 uit.
Afdeling 5. - Bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 7.5.1.1. Om te kunnen nagaan of de nutriëntenbalans in het Vlaamse Gewest in evenwicht is en er een significante verbetering is van de resultaten van de metingen van de relevante parameters als vermeld in artikel 35, eerste lid, 1°, eerste lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006, wordt onder meer nagegaan of de resultaten van de metingen van de nitraatconcentraties in het oppervlaktewater en in het grondwater, significant verbeterd zijn.
Art. 7.5.1.2. Als in een bepaald kalenderjaar niet voldaan is aan de voorwaarde, vermeld in artikel 35, eerste lid, 1°, eerste lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006, maar er is in dat kalenderjaar overeenkomstig de door de Mestbank uitgereikte mestverwerkingscertificaten in Vlaanderen meer dan 13 miljoen kg N verwerkt, kunnen landbouwers aan bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking doen. De landbouwer leeft daarvoor de bepalingen van deze afdeling na.
Onderafdeling 2. - De aanvraag om aan bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking te doen
Art. 7.5.2.1. § 1. De landbouwer die aan bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking wil doen als vermeld in artikel 7.5.1.2, dient daarvoor met een beveiligde zending een aanvraag in bij de Mestbank.
In de aanvraag, vermeld in het eerste lid, vermeldt de landbouwer:
1° het aantal dieren, gespecificeerd per diercategorie, waarmee de betrokken landbouwer zijn bedrijf wil uitbreiden;
2° het adres en het exploitatienummer van de exploitatie waar de landbouwer de uitbreiding wil realiseren;
3° als de dieren, vermeld in punt 1°, dieren zijn van de diersoorten runderen, varkens, of pluimvee: het type stal waarin de betrokken dieren zullen worden gehouden, vermeld in artikel 6.1.3, 6.1.4 of 6.1.5.
§ 2. Ter uitvoering van artikel 35, eerste lid, 1°, tweede lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006, heeft het bedrijf van de betrokken landbouwer in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid:
1° voldaan aan zijn mestverwerkingsplicht, vermeld in artikel 29 van het voormelde decreet;
2° in voorkomend geval, voldoende verwerkt om te voldoen aan de mestverwerkingsverplichtingen die het betrokken bedrijf heeft en die voortvloeien uit een eerder ingediende aanvraag tot bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking;
3° 25 % van de netto-uitbreiding verwerkt.
De 25 % van de netto-uitbreiding die het bedrijf verwerkt moet hebben bovenop de verwerkingsplicht, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt bepaald door:
1° het aantal dieren, gespecificeerd per diercategorie, waarmee de betrokken landbouwer zijn bedrijf wil uitbreiden, als aangegeven in de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, per diercategorie, te vermenigvuldigen met de overeenkomstige forfaitaire uitscheidingsnormen, voor de N-uitscheiding, vermeld in artikel 27, § 1, van het voormelde decreet. In afwijking daarvan wordt voor dieren van de diersoort varkens, met uitzondering van dieren van de diercategorie biggen van 7 tot 20 kg, het aantal dieren waarmee men wil uitbreiden, per diercategorie, vermenigvuldigd met de waarden, vermeld in het derde lid;
2° het resultaat van de berekening, vermeld in punt 1°, is de bruto-uitbreiding. De bruto-uitbreiding, wordt vervolgens omgerekend naar de netto-uitbreiding, op basis van de berekeningsmethode, vermeld in artikel 6.1.1 tot en met 6.1.7;
3° het resultaat van de berekening, vermeld in punt 2°, is de netto-uitbreiding. De netto-uitbreiding wordt gesommeerd per diersoort en ten slotte door vier gedeeld.
Met uitzondering van dieren van de diercategorie biggen van 7 tot 20 kg gelden de volgende waarden voor de diersoort varkens:
| NER-DR | NER-DV | NER-DP | NER-DA | |
| NER-DR | 1 | 1 | 1 | 1 |
| NER-DV | 1 | 1 | 1 | 1 |
| NER-DP | 1 | 1 | 1 | 1 |
| NER-DA | 1 | 1 | 1 | 1 |
§ 3. La conversion automatique visée au paragraphe 2 ne modifie pas les droits d'émission d'éléments fertilisants octroyés, précisés pour chaque espèce animale, à savoir NER-DR, NER-DV, NER-DP et NER-DA.
§ 4. En exécution de l'article 39 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 et par dérogation aux paragraphes 1er à 3, la conversion automatique des droits d'émission d'éléments fertilisants par la Banque d'engrais n'est pas autorisée à l'égard :
1° des droits d'émission d'éléments fertilisants qui ont été repris en vertu de l'article 34, § 1er, alinéa premier, 1° du décret précité, avec annulation de 25 % par une entreprise ;
2° des droits d'émission d'éléments fertilisants qui ont été repris en vertu de l'article 34, § 1er, deuxième alinéa du décret précité, avec transformation de 25 % ;
3° des droits d'émission d'éléments fertilisants qui ont été repris en vertu de l'article 34, § 1er, alinéa premier, 2°, e) du décret précité, dans le cadre d'un transfert de quota laitier ;
4° tous les droits d'émission d'éléments fertilisants de l'entreprise repreneuse qui sont du même type que le type de droits d'émission d'éléments fertilisants qui ont été repris comme précisé aux points 1° à 3° ;
5° tous les droits d'émission d'éléments fertilisants temporaires qui sont exprimés en TNER-DR, TNER-DV, TNER-DP ou TNER-DA.
Les animaux d'une espèce animale précise qui ne sont pas élevés avec le type de droits d'émission d'éléments fertilisants, spécifiés selon l'espèce animale, à savoir NER-DR, NER-DV, NER-DP, NER-DA, TNER-DR, TNER-DV, TNER-DP, TNER-DA, NER-MVWR, NER-MVWV, NER-MVWP, ou NER-MVWA, qui concerne l'espèce animale en question, sont censés, en application de l'article 39, deuxième alinéa du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, être élevés sans droits d'émission d'éléments fertilisants octroyés.
§ 5. Par dérogation au paragraphe 4, la conversion automatique de NER-DR, NER-DV, NER-DP en NER-DA reste toujours possible.
§ 6. Les droits d'émission d'éléments fertilisants dont la Banque d'engrais n'a pas autorisé la conversion ainsi que stipulé au paragraphe 4 ne peuvent pas non plus être convertis après un transfert ultérieur en application de l'article 34 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Art. 7.3.2. L'agriculteur dont l'entreprise a, durant une année précise, produit une quantité d'engrais animaux inférieure à 300 kg P2O5 telle que mentionnée à l'article 23, § 1er, alinéa premier, 1°, a) du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, est exempté pour l'année en question des dispositions relatives aux droits d'émission d'éléments fertilisants qui portent sur la limitation de la production d'engrais animal.
Section 4. - Dispositions relatives à la reprise de droits d'émission d'éléments fertilisants
Sous-section 1re. - Limitations lors d'une reprise de droits d'émission d'éléments fertilisants
Art. 7.4.1.1. § 1er. En exécution de l'article 31, § 1er, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, au moins un droit d'émission d'éléments fertilisants sera transféré par demande.
§ 2. Le cédant de droits d'émission d'éléments fertilisants peut céder les droits d'émission d'éléments fertilisants d'une espèce animale précise à un ou plusieurs agriculteurs. Si les droits d'émission d'éléments fertilisants sont cédés à plusieurs agriculteurs,
une demande doit être introduite pour chacune des parties à céder ainsi que précisé à l'article 7.4.2.1.
Art. 7.4.1.2. Un transfert imposé de droits d'émission d'éléments fertilisants n'est pas considéré comme une reprise de droits d'émission d'éléments fertilisants telle que visée aux articles 31 et 34 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Par transfert imposé de droits d'émission d'éléments fertilisants tel que visé à l'alinéa premier, l'on entend notamment :
1° le transfert de droits d'émission d'éléments fertilisants résultant d'une succession et des répartitions entre héritiers qui en résultent ;
2° le transfert de droits d'émission d'éléments fertilisants résultant d'une faillite, d'une vente publique forcée ou judiciaire ou d'un transfert sous autorité de justice tel que visé au titre 4, chapitre 4 de la loi du 31 janvier 2009 relative à la continuité des entreprises.
Sous-section 2. - Reprise de droits d'émission d'éléments fertilisants
Art. 7.4.2.1. § 1er. Les droits d'émission d'éléments fertilisants sont repris par l'intermédiaire d'une demande de reprise envoyée à la Banque d'engrais.
L'agriculteur repreneur doit introduire auprès de la Banque d'engrais une demande de reprise par envoi sécurisé ou par dépôt contre récépissé, contenant toutes les données suivantes :
1° le nom, l'adresse et les données d'identification de l'agriculteur cédant et le nom, l'adresse et les données d'identification de l'agriculteur repreneur ;
2° le type de droits d'émission d'éléments fertilisants temporaires qui sont cédés, spécifiés par espèce animale, à savoir NER-DR, NER-DV, NER-DP ou NER-DA. Si la demande de reprise concerne une partie des droits d'émission d'éléments fertilisants de l'agriculteur cédant, le nombre de NED-D cédés par espèce animale doit également être mentionné ;
3° la mention de la façon dont les droits d'émission d'éléments fertilisants sont repris, selon l'une des possibilités ci-dessous :
a) sans annulation de 25 % en vertu de l'article 34, § 1er, alinéa premier, 2° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ;
b) avec annulation de 25 % en vertu de l'article 34, § 1er, alinéa premier, 2° du décret précité ;
c) avec transformation en vertu de l'article 34, § 1er, deuxième alinéa, 2° du décret précité ;
4° une déclaration signée de l'agriculteur cédant dans laquelle il confirme vouloir céder le nombre de NED-D, spécifiés par espèce animale, mentionnés au point 2°, à l'agriculteur repreneur, mentionné au point 1° ;
5° si l'agriculteur repreneur veut reprendre des droits d'émission d'éléments fertilisants dans le cadre d'une première installation en tant qu'entreprise sans la réduction de 25 % visée à l'article 34, § 1er, alinéa premier, 2°, a) du décret précité : une déclaration sur l'honneur selon laquelle l'agriculteur repreneur déclare que ni l'agriculteur repreneur, ni une personne concernée chez l'agriculteur repreneur, n'a exploité d'établissement de bétail réputé incommode tel que visé à la rubrique ANIMAUX 9.3 à 9.8 dans la liste de classification reprise à l'article 5.2.1, § 1er du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, personnellement ou par l'intermédiaire d'une personne morale ;
6° si l'agriculteur repreneur est une société de personnes, ou si une société de personnes est un exploitant de l'agriculteur repreneur, qui en application de l'article 34, § 1er, alinéa premier, 2°, a) et b) du décret précité, veut reprendre des droits d'émission d'éléments fertilisants sans réduction de 25 % : une copie de l'acte constitutif de cette société de personnes, ainsi qu'une copie du registre des actions le plus récent ou, en l'absence d'obligation légale de tenir un registre, une déclaration sur l'honneur par l'agriculteur repreneur de la répartition des actions de la société de personnes au moment de l'introduction de la demande de reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants ;
7° si le cédant ou l'agriculteur repreneur comprend différents exploitants : une liste des différents exploitants, avec mention, pour chacun d'eux, du nom, de l'adresse et des données d'identification ;
8° la date à laquelle la reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants prend cours ;
9° si des droits d'émission d'éléments fertilisants sont repris sans réduction de 25 % en application de l'article 34, § 1er, alinéa premier, 2°, f) du décret précité, les documents complémentaires suivants doivent être joints :
a) une copie de l'acte constitutif de la société de personnes repreneuse mentionnant sa personnalité juridique, ainsi qu'une copie de tous les actes modificatifs ;
b) une copie de l'acte constitutif de ladite société, ainsi qu'une copie de tous les actes modificatifs, si l'agriculteur repreneur ou une personne qui fait partie de l'entreprise de l'agriculteur repreneur est une société de personnes dotée de la personnalité juridique ;
c) une copie du registre des actions de la société de personnes cédante dotée de la personnalité juridique ;
d) une copie du registre des actions le plus récent de ladite société si l'agriculteur repreneur ou une personne qui fait partie de l'entreprise de l'agriculteur repreneur est une société de personnes dotée de la personnalité juridique ;
e) une preuve de tous les liens de parenté ou d'alliance ou des liens conjugaux tels que visés à l'article 34, § 1er, alinéa premier, 2°, f) du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, qu'invoquent les demandeurs.
La déclaration visée au deuxième alinéa, 4°, est signée selon l'une des possibilités suivantes :
1° par tous les exploitants qui font partie de l'entreprise de l'agriculteur ;
2° par l'agriculteur. Dans ce cas, il y a lieu de joindre à la demande un document dont il ressort que l'agriculteur est compétent pour prendre des décisions au nom de tous les exploitants qui font partie de l'entreprise de l'agriculteur.
Au deuxième alinéa, 5°, l'on entend par " personne concernée chez l'agriculteur repreneur " :
1° tous les exploitants qui font partie de l'entreprise de l'agriculteur repreneur ;
2° si l'agriculteur repreneur est une personne morale ou si l'un des exploitants faisant partie de l'entreprise de l'agriculteur repreneur est une personne morale : toute personne qui assume la fonction d'administrateur, d'administrateur chargé de la gestion journalière ou de gérant au sein de cette personne morale.
§ 2. La date d'entrée en vigueur de la reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants visée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, 8°, est fixée :
1° au plus tard à six mois après la date de réception de la demande ;
2° au plus tôt au lendemain de la réception de la demande de reprise par la Banque d'engrais.
Par dérogation au paragraphe 1er, deuxième alinéa, 8°, l'agriculteur peut, au lieu d'indiquer dans sa demande une date de prise d'effet de la reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants, opter pour l'une des possibilités suivantes :
1° indiquer qu'il veut que la reprise prenne cours à la date indiquée à l'alinéa premier, 2° ;
2° ne rien indiquer.
Si l'agriculteur n'indique pas, dans sa demande, de date de prise d'effet de la reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants, ainsi que visée au deuxième alinéa, 2°, ceci équivaut d'office à indiquer qu'il veut que la reprise prenne cours date indiquée à l'alinéa premier, 2°.
Art. 7.4.2.2. Conformément à l'article 34, § 1er, sixième alinéa du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, une société de capitaux dont toutes les actions sont nominatives est assimilée à une société de personnes pour l'application du présent arrêté.
Art. 7.4.2.3. En exécution de l'article 31, § 2, alinéa premier du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, concernant le calcul de l'écoulement d'engrais de l'entreprise, la Banque d'engrais calcule l'écoulement d'engrais sur la base de la troisième, de la deuxième et de la première année civiles qui précèdent l'année civile durant laquelle la reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants a lieu.
Par dérogation à l'alinéa premier, pour les demandes dont la date de reprise est établie par le repreneur et le cédant avant le 1er octobre de l'année civile, l'écoulement d'engrais est calculé sur la base de la quatrième, de la troisième et de la deuxième année civile qui précèdent l'année civile durant laquelle la reprise des droits d'émission d'éléments nutritionnels a lieu.
Si pour la troisième, la deuxième ou la première année civiles, telles que visées à l'alinéa premier, ou le cas échéant, pour la quatrième, la troisième ou la deuxième année civile, telles que visées au deuxième alinéa, il n'y a pas d'obligation de déclaration telle que visée à l'article 23 du décret précité, l'agriculteur est censé avoir écoulé entièrement les engrais pour l'année civile en question.
Si pour la troisième, la deuxième ou la première année civiles, telles que visées à l'alinéa premier, ou le cas échéant, pour la quatrième, la troisième ou la deuxième année civile, telles que visées au § 2, l'obligation de déclaration telle que visée à l'article 23 du décret précité, n'est pas remplie, la demande est déclarée irrecevable.
Art. 7.4.2.4. Dans les trente jours calendaires qui suivent la réception de la demande de reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants visée à l'article 7.4.2.1, la Banque d'engrais indique au repreneur et au cédant, par l'intermédiaire du guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais, si la demande est complète et recevable. A défaut de notification dans le délai précité, la demande est réputée complète et recevable.
Dans les trois mois après que la demande de reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants a été déclarée complète et recevable, ainsi qu'indiqué à l'alinéa premier, la Banque d'engrais informe le repreneur et le cédant, par l'intermédiaire du guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais, des droits d'émission d'éléments fertilisants, spécifiés par espèce animale, qui seront repris, ainsi que de la date à partir de laquelle ils seront repris.
La date à laquelle la reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants prend cours concerne :
1° lorsqu'une date est indiquée dans la demande : la date, visée à l'article 7.4.2.1, § 1er, deuxième alinéa, 8°, avec la restriction que si la date indiquée ne répond pas aux conditions stipulées à l'article 7.4.2.1, § 2, alinéa premier, la Banque d'engrais fixe la date à laquelle la reprise de droits d'émission d'éléments fertilisants prend cours au lendemain de la réception de la demande de reprise par la Banque d'engrais ;
2° lorsqu'aucune date n'est indiquée dans la demande, en application de l'article 7.4.2.1, § 2, deuxième alinéa, 2° : le lendemain de la réception de la demande de reprise par la Banque d'engrais.
Art. 7.4.2.5. La reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants et les réductions éventuelles sur la base du chapitre 7, section 4, sous-section 3 du présent arrêté, et sur la base de l'article 34, § 1er, alinéa premier, 1° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, entrent en vigueur à la date visée à l'article 7.4.2.4, troisième alinéa du présent arrêté, avec les exceptions suivantes :
1° le repreneur et le cédant ont, dans les trente jours calendaires après que la Banque d'engrais a publié la notification sur le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais, informé la Banque d'engrais par envoi sécurisé qu'ils renoncent à la reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants, après quoi la demande de reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants est réputée ne jamais avoir été faite ;
2° un recours a été introduit dans les trente jours calendaires, conformément à l'article 7.4.2.6.
Un recours tel que visé à l'article 7.4.2.6 exclut toute possibilité d'indiquer qu'il est renoncé à la reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants tels que visé à l'alinéa premier, 1°.
La notification visée à l'alinéa premier, 1° est signée selon l'une des possibilités suivantes :
1° par l'agriculteur ;
2° par tous les exploitants qui font partie de l'entreprise de l'agriculteur ;
3° par l'un des exploitants de l'agriculteur, si la demande est également accompagnée d'un document démontrant la compétence de l'exploitant à cet effet.
Art. 7.4.2.6. Le repreneur ou le cédant peuvent, sauf en cas de renonciation à la reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants comme stipulé à l'article 7.4.2.5, alinéa premier, 1°, dans les trente jours après que la Banque d'engrais a publié la notification sur le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais, introduire par envoi sécurisé un recours auprès du Ministre contre la décision de la Banque d'engrais.
Le cas échéant, une copie de la déclaration de recours est remise au repreneur ou au cédant par l'intermédiaire du guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais.
Le Ministre prend une décision dans les nonante jours civils. La décision du Ministre est notifiée au repreneur et au cédant par l'intermédiaire du guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais.
Si la demande écrite lui en est faite, le Ministre peut modifier l'objet de la reprise, tel que visé à l'article 34, § 1er, 1° ou 2° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006. La demande est introduite par envoi sécurisé, accompagnée ou non du recours, et répond aux conditions suivantes :
1° la demande est signée tant par le cédant que par le repreneur ;
2° la demande mentionne explicitement le nouvel objet de la reprise, tel que visé à l'article 34, § 1er, alinéa premier, 1° ou 2° du décret précité ;
3° la demande s'accompagne des annexes prescrites par l'article 7.4.2.1 du présent arrêté en vertu du changement d'objet.
Art. 7.4.2.7. La reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants et les réductions éventuelles sur la base du chapitre 7, section 4, sous-section 3 du présent arrêté, et sur la base de l'article 34, § 1er, alinéa premier, 1° du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, entrent en vigueur à la date visée à l'article 7.4.2.4, troisième alinéa du présent arrêté, sauf si le repreneur et le cédant ont informé le Ministre par envoi sécurisé, dans les trente jours calendaires qui suivent l'envoi de la décision du Ministre visée à l'article 7.4.2.6 du présent arrêté, qu'ils renoncent à la reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants, après quoi la demande de reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants est réputée ne jamais avoir été faite.
La notification visée à l'alinéa premier doit être signée selon l'une des possibilités suivantes :
1° par l'agriculteur ;
2° par tous les exploitants qui font partie de l'entreprise de l'agriculteur ;
3° par l'un des exploitants de l'agriculteur, si la demande est également accompagnée d'un document démontrant la compétence de l'exploitant à cet effet.
Sous-section 3. - Réductions dans le cadre d'une reprise de droits d'émission d'éléments fertilisants
Art. 7.4.3.1. En exécution de l'article 31, § 2, alinéa premier du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, la Banque d'engrais examine, dans le cadre de la demande de reprise en vertu de l'article 34, § 1er, alinéa premier, 1° ou 2° du décret précité, si l'engrais de l'entreprise cédante a été écoulé conformément aux dispositions du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 au cours des trois années civiles qui précèdent la date à laquelle la reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants prend effet, ainsi qu'indiqué à l'article 7.4.2.4, troisième alinéa du présent arrêté. A cette fin, la Banque d'engrais détermine le bilan d'engrais de l'entreprise pour l'élément nutritif P205, visé à l'article 28, § 3 du décret précité.
Si l'engrais n'a pas été écoulé conformément aux dispositions du décret précité pendant une ou plusieurs années civiles, les droits d'émission d'éléments fertilisants à reprendre sont réduits de la manière suivante :
1° le nombre de kilos de P2O5 qui n'ont pas été écoulés conformément au décret précité est fixé pour chacune des trois années civiles, conformément à l'article 62bis, § 10 du décret précité ;
2° le chiffre obtenu conformément au point 1° est exprimé, pour chacune des trois années civiles, sous la forme d'un pourcentage par rapport au nombre de kilos de P2O5 qui auraient dû être écoulés conformément au décret précité pour l'année civile en question ;
3° il est fixé un pourcentage moyen pour les trois années civiles pour lesquelles un pourcentage a été fixé en application du point 2° ;
4° les droits d'émission d'éléments fertilisants à reprendre sont réduits du pourcentage moyen visé au point 3°.
Art. 7.4.3.2. § 1er. En exécution de l'article 31, § 2 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, la Banque d'engrais évalue, dans le cadre de la notification de la reprise en vertu de l'article 34, § er1, 1°, premier et deuxième alinéas du décret précité, si une réduction des droits d'émission d'éléments fertilisants doit être appliquée pour cause de droits d'émission d'éléments fertilisants non utilisés.
La Banque d'engrais détermine à cette fin le pourcentage des droits d'émission d'éléments nutritionnels non utilisés pour le total des droits d'émission d'éléments nutritionnels, à savoir la somme des droits d'émission d'éléments nutritionnels spécifiés selon l'espèce animale, NER-DR, NER-DV, NER-DP et NER-DA, pour la troisième, la deuxième et la première années civiles qui précèdent la date à laquelle la reprise des droits d'émission d'éléments nutritionnels prend cours. Le pourcentage précité de droits d'émission d'éléments fertilisants non utilisés est calculé par année civile selon la formule suivante : P = 100 X [1 - (I/T)], où :
1° P : le pourcentage de droits d'émission d'éléments fertilisants non utilisés. Ce pourcentage s'élève au moins à 0.
2° I : le nombre de droits d'émission d'éléments fertilisants utilisés pour l'ensemble des espèces animales. Ce nombre est fixé en déterminant, pour l'année civile concernée, le nombre d'animaux élevés dans l'entreprise, conformément à la déclaration visée à l'article 23 du décret précité. Les nombres d'animaux ainsi déterminés, spécifiés par catégorie d'animal, sont ensuite multipliés par les droits d'émission d'éléments fertilisants correspondants, visés à l'article 30, § 3 du décret précité.
3° T : le nombre de droits d'émission d'éléments fertilisants qui ont été octroyés à l'agriculteur concerné au cours de l'année civile concernée, à savoir la somme de NER-DR, NER-DV, NER-DP et NER-DA.
Par type de droits d'émission d'éléments fertilisants à céder, pour la détermination du nombre de droits d'émission d'éléments fertilisants non utilisés, la moyenne des trois nombres P visés au deuxième alinéa est multipliée par le nombre de droits d'émission d'éléments fertilisants du type concerné à transférer. Par type de droits d'émission d'éléments fertilisants, les droits d'émission d'éléments fertilisants à transférer sont déduits du nombre de droits d'émission d'éléments fertilisants non utilisés.
La réduction sur la base des droits d'émission d'éléments fertilisants non utilisés est, en exécution de l'article 31, § 2, du décret précité, appliquée uniquement si, le cas échéant après une réduction telle que visée à l'article 7.4.3.1 du présent arrêté et en vertu de l'article 34, § 1er, 1°, premier et deuxième alinéas du décret précité, il reste encore des droits d'émission d'éléments fertilisants non utilisés par rapport aux droits d'émission d'éléments fertilisants à transférer ainsi qu'indiqué dans la notification de transfert.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, deuxième alinéa, pour les demandes dont la date de reprise est fixée avant le 1er octobre d'une année civile déterminée, le pourcentage de droits d'émission d'éléments fertilisants non utilisés est calculé sur la base de la quatrième, de la troisième et de la deuxième années civiles qui précèdent l'année civile durant laquelle la reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants a lieu.
§ 3. Lorsque, pour une troisième, une deuxième ou une première année civile déterminée, telle que visée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, ou le cas échéant, pour une quatrième, une troisième ou une deuxième année civile déterminée, telle que visée au paragraphe 2, il n'y a pas d'obligation de déclaration telle que visée à l'article 23 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, le pourcentage de droits d'émission d'éléments fertilisants non utilisés est fixé à 100 % pour l'année en question. L'agriculteur peut fournir la preuve du contraire qu'un nombre déterminé de droits d'émission d'éléments nutritionnels ont été utilisés.
§ 4. La Banque d'engrais vérifie l'utilisation des droits d'émission d'éléments fertilisants concernés, en dépit d'un transfert éventuel des droits d'émission d'éléments fertilisants concernés ou d'une partie de ceux-ci pendant la troisième, la deuxième ou la première année civile, telle que visée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, ou le cas échéant pendant la quatrième, la troisième ou la deuxième année civile, telle que visée au paragraphe 2. A cet effet la Banque d'engrais détermine l'utilisation des droits d'émission d'éléments fertilisants concernés auprès des agriculteurs qui ont transféré les droits d'émission d'éléments fertilisants concernés.
Dans ce contexte, la Banque d'engrais tient compte du nombre et de la période durant laquelle ces droits d'émission d'éléments fertilisants ont été octroyés à l'agriculteur ou aux agriculteurs en question.
Sous-section 4. - Reprise de droits d'émission d'éléments fertilisants sans annulation de 25 %
Art. 7.4.4.1. En exécution de l'article 34, § 1er, alinéa premier, 2°, a) du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, l'agriculteur peut, dans le cadre d'une première installation, opter pour un développement d'entreprise sans annulation de 25 % des droits d'émission d'éléments fertilisants dans les cas suivants :
1° tous les droits d'émission d'éléments fertilisants d'une seule entreprise donnée sont repris ;
2° la reprise est effectuée par une personne physique âgée de moins de quarante ans à la date de la reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants, visée à l'article 7.4.2.4, troisième alinéa du présent arrêté, ou par une société de personnes, cas auquel toutes les personnes concernées par l'agriculteur doivent être âgées de moins de quarante ans à la date de la reprise des droits d'émission d'éléments fertilisants, visée à l'article 7.4.2.4, troisième alinéa du présent arrêté ;
3° ni l'agriculteur repreneur, ni une personne concernée chez l'agriculteur repreneur, n'ont exploité d'établissement de bétail réputé incommode tel que visé à la rubrique ANIMAUX 9.3 à 9.8 dans la liste de classification reprise à l'article 5.2.1, § 1er du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, personnellement ou par l'intermédiaire d'une personne morale ;
4° si l'agriculteur repreneur est une personne morale, les personnes concernées par l'agriculteur possèdent ensemble au moins 51 % des actions de la personne morale en question.
A l'alinéa premier, 2°, 3° et 4°, l'on entend par " personne concernée chez l'agriculteur repreneur " :
1° tous les exploitants qui font partie de l'entreprise de l'agriculteur repreneur ;
2° lorsque l'agriculteur repreneur est une personne morale ou qu'un des exploitants qui font partie de l'entreprise de l'agriculteur repreneur est une personne morale : toute personne qui assume la fonction d'administrateur, d'administrateur chargé de la gestion journalière ou de gérant au sein de la personne morale en question.
Art. 7.4.4.2. § 1er. Lorsque l'agriculteur reprend des droits d'émission d'éléments fertilisants sans annulation en exécution de l'article 34, § 1er, 1°, deuxième alinéa du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, les 25 % des droits d'émission d'éléments fertilisants que l'agriculteur doit transformer chaque année sont exprimés en un nombre M de kilogrammes d'azote à transformer, M étant calculé selon la formule suivante :
M = 25 % X (0,75 X nombre de NER-DR repris + 0,64 X nombre de NER-DV repris + 0,64 X nombre de NER-DP repris + 0,67 X nombre de NER-DA repris)
L'agriculteur doit déjà transformer le nombre de kilogrammes d'azote visé à l'alinéa premier dans l'année de la reprise par rapport au nombre de jours pour lesquels les NED-D correspondants ont été octroyés.
A l'alinéa premier, l'on entend par " nombre de NED-D repris " le nombre de NED-D repris après la réduction visée à l'article 7.4.3.1, mais avant la réduction visée à l'article 7.4.3.2.
§ 2. Les droits d'émission d'éléments fertilisants obtenus sur la base d'une reprise moyennant transformation d'engrais, telle que visée à l'article 34, § 1er, 1°, deuxième alinéa du Décret sur les engrais, ne sont transférables que moyennant l'application de l'article 34, § 1er, 1°, premier ou deuxième alinéa du décret précité.
Une demande de transfert ultérieur de droits d'émission d'éléments fertilisants, obtenus sur la base d'une reprise moyennant transformation d'engrais, telle que visée à l'article 34, § 1er, 1°, deuxième alinéa du décret précité, ne peut être introduite que pour le nombre et le type de droits d'émission d'éléments fertilisants correspondant à la décision de la Banque d'engrais ou du Ministre, telle que visée à l'article 7.4.2.4, troisième alinéa, du présent arrêté, qui a donné lieu à l'obligation de transformation d'engrais.
L'obligation de transformation complémentaire d'une reprise spécifique sur la base de l'article 34, § 1er, 1°, deuxième alinéa, du décret précité échoit chez le cédant le jour du transfert ultérieur de la totalité de ces droits d'émission d'éléments fertilisants moyennant application de l'article 34, § 1er, 1°, premier ou deuxième alinéa du décret précité.
Une demande sur la base des premier et troisième alinéas exclut une demande sur la base du paragraphe 3.
§ 3. L'agriculteur peut satisfaire définitivement à l'obligation de transformation complémentaire d'une reprise spécifique sur la base de l'article 34, § 1er, 1°, deuxième alinéa, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 en faisant malgré tout annuler les 25 % correspondants de ces droits d'émission d'éléments fertilisants repris. Les droits d'émission d'éléments fertilisants sont annulés à partir du 1er janvier de l'année civile qui suit l'année civile durant laquelle l'agriculteur a informé la Banque d'engrais qu'il voulait malgré tout faire annuler les 25 % correspondants des droits d'émission d'éléments fertilisants qu'il a repris en vertu de l'article 34, § 1er, 1°, deuxième alinéa, du décret précité. L'obligation de transformation d'engrais échoit à partir de l'année civile durant laquelle 25 % des droits d'émission d'éléments fertilisants ont été annulés.
Une demande sur la base de l'alinéa premier exclut une demande sur la base du paragraphe 2.
Section 5. - Développement de l'entreprise après transformation d'engrais avérée
Sous-section 1re. - Dispositions générales
Art. 7.5.1.1. Afin de pouvoir vérifier si le bilan nutritif en Région flamande est en équilibre et s'il existe une amélioration significative des résultats des mesures des paramètres pertinents tels que visés à l'article 35, alinéa premier, 1°, alinéa premier, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, l'on vérifie notamment si les résultats des mesures des concentrations en nitrates dans les eaux de surface et les eaux souterraines se sont améliorés de manière significative.
Art. 7.5.1.2. Lorsque, lors d'une année civile donnée, la condition mentionnée à l'article 35, alinéa premier, 1°, alinéa premier du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, n'est pas remplie, mais que, durant cette année civile, conformément aux certificats de transformation d'engrais délivrés par la Banque d'engrais, plus de 13 millions de kg N ont été transformés en Flandre, les agriculteurs peuvent procéder au développement de l'entreprise après transformation d'engrais avérée. L'agriculteur respecte pour ce faire les dispositions de la présente section.
Sous-section 2. - Demande de développement de l'entreprise après transformation d'engrais avérée
Art. 7.5.2.1. § 1er. L'agriculteur qui souhaite développer son entreprise après transformation d'engrais avérée telle que visée à l'article 7.5.1.2 doit introduire à cette fin auprès de la Banque d'engrais une demande par envoi sécurisé.
Dans la demande visée à l'alinéa premier, l'agriculteur mentionne les éléments suivants :
1° le nombre d'animaux supplémentaires, spécifié pour chaque catégorie animale, que l'agriculteur concerné souhaite ajouter à son exploitation ;
2° l'adresse et le numéro d'exploitation de l'exploitation où l'agriculteur souhaite réaliser l'extension ;
3° dans le cas où les animaux mentionnés au 1° sont des animaux des espèces animales Bovins, Porcs ou Volaille, le type d'étable où les animaux concernés seront élevés, ainsi qu'indiqué aux articles 6.1.3, 6.1.4 ou 6.1.5.
§ 2. En exécution de l'article 35, alinéa premier, 1°, deuxième alinéa du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, l'entreprise de l'agriculteur concerné a, durant l'année civile précédant l'année de la demande, ainsi qu'indiqué au paragraphe 1er, alinéa premier :
1° rempli son obligation de transformation d'engrais visée à l'article 29, 1° du décret précité ;
2° le cas échéant, transformé suffisamment pour répondre aux obligations de transformation d'engrais qui sont imposées à l'entreprise concernée et qui découlent d'une demande introduite précédemment de développement de l'entreprise après transformation d'engrais avérée ;
3° transformé 25 % de l'extension nette.
Les 25 % de l'extension nette que l'entreprise doit avoir transformés en plus de son obligation de transformation visée à l'alinéa premier, 3°, sont déterminés par :
1° le nombre d'animaux, spécifiés pour chaque catégorie animale, que l'agriculteur concerné souhaite ajouter à son entreprise, ainsi qu'indiqué dans la demande visée au paragraphe 1er, deuxième alinéa, 1°, par catégorie animale, à multiplier par les normes d'excrétion forfaitaires correspondantes, en ce qui concerne les excrétions d'azote, ainsi qu'indiqué à l'article 27, § 1er, du décret précité. Par dérogation à ce qui précède, pour les animaux de l'espèce animale Porcs, à l'exception des animaux de la catégorie animale Porcelets de 7 à 20 kg, le nombre d'animaux que l'agriculteur souhaite ajouter à son entreprise, par catégorie animale, est multiplié par les valeurs indiquées au troisième alinéa ;
2° le résultat du calcul, indiqué au 1°, est l'extension brute. L'extension brute est ensuite traduite en extension nette, sur la base de la méthode de calcul décrite aux articles 6.1.1 à 6.1.7 ;
3° le résultat du calcul, indiqué au 2°, est l'extension nette. L'extension nette est totalisée par espèce animale et enfin divisée par 4.
A l'exception des animaux de la catégorie animale Porcelets de 7 à 20 kg, les valeurs suivantes sont d'application pour l'espèce animale Porcs :
| Andere varkens van 20 tot 110 kg | 10,07 |
| Andere varkens van meer dan 110 kg | 20,44 |
| Beren | 19,61 |
| Zeugen, incl. biggen tot 7 kg | 20,46 |
§ 3. De netto-uitbreiding, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, wordt bepaald op basis van de waarden die van toepassing zijn in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van de aanvraag, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
Art. 7.5.2.2. § 1. De Mestbank kijkt na of het betrokken bedrijf in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van de aanvraag, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 1, eerste lid, voldaan heeft aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 2, eerste lid. Al de mestverwerkingscertificaten die het betrokken bedrijf bezit op het moment van de aanvraag, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 1, eerste lid, en die betrekking hebben op mest die in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van de aanvraag, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 1, eerste lid, verwerkt werd, worden onoverdraagbaar vanaf het moment van de aanvraag.
In afwijking van het eerste lid worden de mestverwerkingscertificaten pas onoverdraagbaar vanaf 1 juli als de aanvraag ingediend werd vóór 1 juli.
Als het betrokken bedrijf op het moment van de aanvraag meer mestverwerkingscertificaten bezit dan nodig is om te voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 2, eerste lid, kan de landbouwer die de aanvraag, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 1, eerste lid, heeft ingediend, aan de Mestbank meedelen welke mestverwerkingscertificaten gebruikt zullen worden om te voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 2, eerste lid. De overige mestverwerkingscertificaten worden opnieuw overdraagbaar vanaf het moment dat de beslissing, vermeld in artikel 7.5.2.4, op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket werd geplaatst.
§ 2. De Mestbank kijkt ook na of het bedrijf dat met toepassing van artikel 35 van het Mestdecreet van 22 december 2006 wil uitbreiden geen nutriëntenemissierechten heeft overgedragen.
§ 3. Bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking als vermeld in artikel 35 van het Mestdecreet van 22 december 2006, is alleen mogelijk als het bedrijf dat wil groeien, uiterlijk op het moment van het indienen van de aanvraag, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 1, eerste lid, van dit besluit, voldaan heeft aan zijn aangifteplicht, vermeld in artikel 23 van het voormelde decreet, voor het productiejaar dat voorafgaat aan het jaar van de aanvraag, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 1, eerste lid, van dit besluit.
Als de aanvraag ingediend werd vóór de datum, vermeld in artikel 2.1.1.1, eerste lid, van dit besluit, moet, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk op de datum, vermeld in artikel 2.1.1.1, eerste lid, van dit besluit, voldaan zijn aan de aangifteplicht, vermeld in artikel 23 van het voormelde decreet, voor het productiejaar dat voorafgaat aan het jaar van de aanvraag, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 1, eerste lid.
Art. 7.5.2.3. De Mestbank meldt via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket binnen drie maanden, maar ten vroegste op 1 augustus van het kalenderjaar waarin de aanvraag is gedaan, aan de betrokken landbouwer, of de aanvraag voldoet aan de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, en in artikel 35 van het Mestdecreet van 22 december 2006.
Bij de beoordeling van de aanvraag kijkt de Mestbank onder meer of het bedrijf minstens ten belope van het resultaat van de deling, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 2, tweede lid, 3°, van dit besluit, mestverwerkingscertificaten bezit die betrekking hebben op mest die het voorgaande kalenderjaar verwerkt werd, en aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° de mestverwerkingscertificaten zijn door de Mestbank aan het betrokken bedrijf toegekend voor de export of de verwerking van mest die afkomstig is van het eigen bedrijf;
2° de mestverwerkingscertificaten zijn door de Mestbank toegekend aan een derde die, overeenkomstig de transportdocumenten die opgemaakt zijn ter uitvoering van artikel 48 tot en met 60 van het voormelde decreet, van het betrokken bedrijf in het betrokken kalenderjaar dierlijke mest die op het bedrijf geproduceerd is, heeft ontvangen, ook ten belope van het resultaat van de deling, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 2, tweede lid, 3°, van dit besluit.
Art. 7.5.2.4. Als het bedrijf in het jaar X voldaan heeft aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 2, en geen nutriëntenemissierechten heeft overgedragen, kent de Mestbank vanaf het jaar X+1, namelijk het jaar van de aanvraag, de gevraagde niet-overdraagbare nutriëntenemissierechten-MVW toe aan de betrokken landbouwer.
Onderafdeling 3. - De verplichtingen die voortvloeien uit een aanvraag tot bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking
Art. 7.5.3.1. In het jaar X+1 en het jaar X+2, moet het bedrijf dat nutriëntenemissierechten-MVW heeft ontvangen, aan al de volgende voorwaarden voldoen:
1° het bedrijf heeft aan zijn mestverwerkingsplicht van het netto-stikstofoverschot, vermeld in artikel 29 van het Mestdecreet van 22 december 2006, voldaan;
2° het bedrijf heeft 25 % van de gevraagde netto-uitbreiding, berekend conform artikel 7.5.2.1, § 2, van dit besluit, verwerkt;
3° het bedrijf heeft de mestproductie die afkomstig is van de in het betrokken kalenderjaar gerealiseerde uitbreiding, verwerkt.
Vanaf het jaar X+3 moet het bedrijf dat nutriëntenemissierechten-MVW heeft ontvangen, jaarlijks, aan al de volgende voorwaarden voldoen:
1° het bedrijf voldoet aan zijn mestverwerkingsplicht van het netto-stikstofoverschot, vermeld in artikel 29 van het voormelde decreet;
2° het bedrijf verwerkt 25 % van de gevraagde netto-uitbreiding, berekend conform artikel 7.5.2.1, § 2, van dit besluit;
3° het bedrijf verwerkt de bijkomende mestproductie ten belope van de aangevraagde netto-uitbreiding, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 2, tweede lid, 2°, van dit besluit. In afwijking daarvan wordt de te verwerken bijkomende mestproductie, na een gedeeltelijke annulering als vermeld in artikel 7.5.3.3 van dit besluit, overeenkomstig verminderd.
Art. 7.5.3.2. Als in het jaar X+1 of het jaar X+2 de mestverwerking, vermeld in artikel 7.5.3.1, eerste lid, niet is gedaan, worden al de aan het bedrijf toegekende nutriëntenemissierechten-MVW op het einde van het volgende kalenderjaar, geannuleerd.
Als in het jaar X+1 of een volgend kalenderjaar nutriëntenemissierechten overgedragen zijn die niet kaderen in een bedrijfsovername van het volledige bedrijf, worden al de aan het bedrijf toegekende nutriëntenemissierechten-MVW geannuleerd.
Een annulering als vermeld in het eerste of het tweede lid, gaat in op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar, waarin:
1° de mestverwerking, vermeld in artikel 7.5.3.1, eerste lid, niet is gedaan;
2° nutriëntenemissierechten overgedragen zijn die niet kaderen in een bedrijfsovername van het volledige bedrijf.
Art. 7.5.3.3. § 1. Als in het jaar X+3 of een later kalenderjaar de mestverwerking, vermeld in artikel 7.5.3.1, tweede lid, van dit besluit, niet is gedaan, geldt de regeling, vermeld in dit artikel.
Om te bepalen of er voldoende mest verwerkt is om te voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.5.3.1, tweede lid, van dit besluit, gaat de Mestbank jaarlijks na of het bedrijf, nadat de nodige mestverwerkingscertificaten zijn toegewezen om te voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.5.3.1, tweede lid, 1° en 2°, van dit besluit, nog mestverwerkingscertificaten bezit ten belope van de aangevraagde uitbreiding die betrekking hebben op mest die het voorgaande kalenderjaar verwerkt werd, en die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
1° de mestverwerkingscertificaten zijn door de Mestbank aan het bedrijf toegekend voor de export van mest die afkomstig is van het eigen bedrijf en van de diersoort waartoe de diercategorieën die opgenomen zijn in de aanvraag, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 1, tweede lid, van dit besluit, behoren;
2° de mestverwerkingscertificaten zijn door de Mestbank aan het bedrijf toegekend voor de verwerking van mest afkomstig van het eigen bedrijf en van de diersoort waartoe de diercategorieën die opgenomen zijn in de aanvraag, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 1, tweede lid, van dit besluit behoren;
3° de mestverwerkingscertificaten zijn door de Mestbank toegekend aan een derde die, overeenkomstig de transportdocumenten die opgemaakt zijn ter uitvoering van artikel 48 tot en met 60 van het Mestdecreet van 22 december 2006, van het bedrijf in het betrokken kalenderjaar dierlijke mest die op het bedrijf geproduceerd is en afkomstig is van de diersoort waartoe de diercategorieën die opgenomen zijn in de aanvraag, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 1, tweede lid, van dit besluit, behoren, heeft ontvangen.
§ 2. Als het bedrijf niet het aantal mestverwerkingscertificaten, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, bezit, worden alle of een gedeelte van het aantal aan het bedrijf toegekende nutriëntenemissierechten-MVW definitief geannuleerd.
Het aantal aan het bedrijf toegekende nutriëntenemissierechten-MVW dat definitief geannuleerd wordt, wordt berekend conform de volgende formule:
X = (de nodige MVC verminderd met de MVC die het bedrijf bezit) gedeeld door de nodige MVC en vermenigvuldigd met het aantal toegekende NER-MVW, waarbij
1° X: het aantal aan het bedrijf toegekende nutriëntenemissierechten-MVW dat definitief geannuleerd wordt;
2° de nodige MVC: het aantal mestverwerkingscertificaten dat het bedrijf nodig heeft om te voldoen aan de voorwaarde, vermeld in artikel 7.5.3.1, tweede lid, 3° ;
3° de MVC die het bedrijf bezit: het aantal mestverwerkingscertificaten dat het bedrijf, nadat de nodige mestverwerkingscertificaten zijn toegewezen om te voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.5.3.1, tweede lid, 1° en 2°, nog bezit die betrekking hebben op mest die het voorgaande kalenderjaar verwerkt werd, en die voldoen aan een van de twee mogelijkheden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid;
4° het aantal toegekende NER-MVW: het aantal aan het bedrijf toegekende nutriëntenemissierechten-MVW.
§ 3. Een annulering als vermeld in paragraaf 2, gaat in op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarvoor het bedrijf niet over het aantal mestverwerkingscertificaten, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, beschikt.
Art. 7.5.3.4. Als het bedrijf voor een bepaald kalenderjaar, op basis van meerdere aanvragen als vermeld in artikel 7.5.2.1, § 1, eerste lid, van dit besluit, over nutriëntenemissierechten-MVW beschikt, worden voor de beoordeling of het bedrijf voldaan heeft aan zijn verplichtingen die voortvloeien uit de aanvragen tot bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking, de mestverwerkingscertificaten die het bedrijf bezit, eerst toegewezen aan zijn mestverwerkingsplicht van het netto-stikstofoverschot, vermeld in artikel 29 van het Mestdecreet van 22 december 2006, en vervolgens in volgorde van ouderdom, aan de verschillende aanvragen op basis waarvan het betrokken bedrijf over nutriëntenemissierechten-MVW beschikt, waarbij de oudste aanvraag het eerst wordt behandeld.
Art. 7.5.3.5. Als alle nutriëntenemissierechten-MVW van een aanvraag als vermeld in het artikel 7.5.2.1, § 1, eerste lid, geannuleerd worden conform de bepalingen van deze afdeling, wordt, tegelijk met de annulering van de laatste nutriëntenemissierechten-MVW van die aanvraag, de aanvraag geacht geannuleerd te zijn, met inbegrip van al de verplichtingen die voortvloeien uit de betreffende aanvraag.
Onderafdeling 4. - Vrijwillige annulering
Art. 7.5.4.1. § 1. Naast een annulering doordat niet voldoen is aan de verplichtingen die voortvloeien uit een aanvraag tot bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking, vermeld in onderafdeling 3, kunnen de aan een bedrijf toegekende nutriëntenemissierechten-MVW ook geannuleerd worden op verzoek van de betrokken landbouwer.
De landbouwer dient hiertoe een verzoek tot annulering in via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. Als het bedrijf op basis van meerdere aanvragen als vermeld in artikel 7.5.2.1, § 1, eerste lid, over nutriëntenemissierechten-MVW beschikt, vermeldt de landbouwer welke aanvraag hij wil annuleren.
Een annulering op verzoek van de landbouwer heeft altijd betrekking op een volledige aanvraag als vermeld in artikel 7.5.2.1, § 1, eerste lid.
§ 2. Een annulering als vermeld in paragraaf 1, gaat in op 1 januari van het kalenderjaar waarin het bedrijf een verzoek tot annulering heeft ingediend.
De verplichtingen die voortvloeien uit de aanvraag waarvoor de landbouwer een verzoek tot annulering heeft ingediend, blijven gelden tot en met 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het verzoek tot annulering is ingediend.
§ 3. De Mestbank brengt de landbouwer, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, binnen negentig kalenderdagen na ontvangst van het verzoek tot annulering, vermeld in paragraaf 1, op de hoogte van de nutriëntenemissierechten-MVW die als gevolg van het ingediende verzoek tot annulering geannuleerd worden.
Onderafdeling 5. - Gevolgen van nutriëntenemissierechten-MVW op vergunningen en voor bedrijfsovernames
Art. 7.5.5.1. Als aan het bedrijf toegekende nutriëntenemissierechten-MVW geannuleerd worden conform artikel 7.5.3.2 of 7.5.3.3, zendt de Mestbank, een kopie van haar beslissing naar de overheden die de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verlenen en die bevoegd zijn over de exploitatie waar de landbouwer, overeenkomstig de aanvraag, de uitbreiding realiseert. De betrokken overheden die de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verlenen heffen, ieder wat hun bevoegdheid betreft, de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit of het gedeelte van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit op voor de inrichtingen en de diersoort of diersoorten, vermeld in de aanvraag. De overheden die de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit verlenen zenden onmiddellijk een afschrift van het opheffingsbesluit aan de Mestbank.
Art. 7.5.5.2. Als de Mestbank op het moment van de aktename van de overdracht van de nutriëntenemissierechten in het kader van een bedrijfsovername van het volledige bedrijf als vermeld in artikel 35, eerste lid, 4°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, nog niet kan beoordelen of in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van overname voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, worden de aan de overlatende landbouwer toegekende nutriëntenemissierechten-MVW overgedragen onder voorbehoud dat de overlatende landbouwer in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van overname, voldaan heeft aan de voorwaarden, vermeld in deze afdeling. Als de Mestbank bij de beoordeling van de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, een gehele of gedeeltelijke annulatie als vermeld in artikel 7.5.3.2 of 7.5.3.3 van dit besluit, doorvoert op de nutriëntenemissierechten-MVW van de overlatende landbouwer, worden de overgedragen nutriëntenemissierechten-MVW ook geheel of gedeeltelijk geannuleerd bij de overnemende landbouwer.
Het bedrijf van de overlatende landbouwer en het bedrijf van de overnemende landbouwer worden op hun verzoek als één gemeenschappelijk bedrijf beschouwd voor de beoordeling of in het jaar van de overname voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in deze afdeling.
Onderafdeling 6. - Bezwaarafhandeling
Art. 7.5.6.1. De landbouwer kan tegen elke beslissing over bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking bezwaar indienen bij het afdelingshoofd van de Mestbank.
Het bezwaar, vermeld in het eerste lid, is ontvankelijk als dat met een beveiligde zending, binnen dertig kalenderdagen na verzending van de betrokken beslissing aangetekend is.
Het afdelingshoofd van de Mestbank brengt de indiener van het bezwaar via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket op de hoogte van haar beslissing binnen negentig kalenderdagen na de ontvangst van het bezwaar.
Het bezwaar, vermeld in het eerste lid, schorst de betrokken beslissing niet.
Art.7.5.6.2. De landbouwer kan tegen elke beslissing van het afdelingshoofd van de Mestbank, vermeld in artikel 7.5.6.1, derde lid, beroep aantekenen bij de minister.
Het beroep, vermeld in het eerste lid, is ontvankelijk als het met een beveiligde zending gebeurt, binnen dertig kalenderdagen na de verzending van de betrokken beslissing.
De minister brengt de indiener van het beroep via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket op de hoogte van zijn beslissing binnen negentig kalenderdagen na de ontvangst van het beroep.
Het beroep, vermeld in het eerste lid, schorst de betrokken beslissing niet.
Afdeling 6. - De tijdelijke stopzetting
Art. 7.6.1. § 1. De landbouwer die gebruik wil maken van de mogelijkheid, vermeld in artikel 47, § 2, eerste lid, 1°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, meldt de tijdelijke stopzetting van de exploitaties of van de delen van de exploitaties van het bedrijf, met een beveiligde zending, aan de Mestbank, binnen twee jaar na de aanvang van de tijdelijke stopzetting.
De melding, vermeld in het eerste lid, bevat de volgende gegevens:
1° de exploitaties of de delen van de exploitatie die zijn stopgezet;
2° de afgeleverde omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die betrekking hebben op die tijdelijk stop te zetten exploitaties of de delen van die exploitaties;
3° de datum waarop de exploitaties of de delen van de exploitaties zijn stopgezet.
§ 2. De landbouwer die de exploitatie van tijdelijke stopgezette exploitaties of delen van exploitaties heeft hernomen, meldt dat, zonder uitstel met een beveiligde zending aan de Mestbank.
De melding, vermeld in het eerste lid, bevat de volgende gegevens:
1° de exploitaties of de delen van de exploitatie die zijn hernomen;
2° de afgeleverde omgevingsvergunningen voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die betrekking hebben op de tijdelijk stopgezette exploitaties of delen van exploitaties;
3° de datum waarop de exploitaties of de delen van de exploitaties zijn hernomen. Die datum is uiterlijk vijf kalenderjaren na de datum van de stopzetting, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°.
§ 3. Als de melding van herneming van de tijdelijke stopgezette exploitaties of delen van exploitaties, niet binnen vijf kalenderjaren na de datum van de stopzetting, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, aan de Mestbank is bezorgd, worden de overeenkomstige nutriëntenemissierechten van rechtswege geannuleerd.
Als al de tot het bedrijf behorende exploitaties of delen van exploitaties tijdelijk zijn stopgezet en de landbouwer niet binnen vijf kalenderjaren na de datum van de stopzetting, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, een melding van herneming van al zijn tot het bedrijf behorende exploitaties of delen van exploitaties aan de Mestbank heeft bezorgd, zijn de overeenkomstige nutriëntenemissierechten die van rechtswege geannuleerd worden al de aan die landbouwer toegekende nutriëntenemissierechten.
Als niet al de tot het bedrijf behorende exploitaties of delen van exploitaties tijdelijk zijn stopgezet of als de landbouwer de exploitatie maar heeft hernomen op een gedeelte van de tot het bedrijf behorende exploitaties of delen van exploitaties, betreffen de overeenkomstige nutriëntenemissierechten die van rechtswege geannuleerd worden alleen een gedeelte van de aan die landbouwer toegekende nutriëntenemissierechten. Het gedeelte van de aan die landbouwer toegekende nutriëntenemissierechten, dat van rechtswege geannuleerd wordt, is het aantal nutriëntenemissierechten, gespecificeerd volgens diersoort, dat overeenkomt met het aantal standplaatsen per diercategorie dat volgens de laatste aangifte die ingediend is voor de stopzetting, op de tijdelijk stopgezette exploitaties of delen van exploitaties aanwezig was, vermenigvuldigd met de overeenkomstige nutriëntenemissierechten, per diercategorie, vermeld in artikel 30, § 3, eerste lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006.
§ 4. De nutriëntenemissierechten, vermeld in paragraaf 3, zijn van rechtswege geannuleerd vijf kalenderjaren na de datum, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°.
§ 5. De Mestbank neemt akte van de annulatie, vermeld in paragraaf 4, en brengt de betrokken landbouwer met een beveiligde zending op de hoogte van de nutriëntenemissierechten die op grond van dit artikel zijn geannuleerd.
§ 6. Ter uitvoering van artikel 32 van het Mestdecreet van 22 december 2006 kan de landbouwer bij de minister beroep aantekenen tegen de aktename, vermeld in paragraaf 5. Het beroep is ontvankelijk als dat met een beveiligde zending aangetekend wordt, binnen dertig kalenderdagen na de verzending van de beslissing, vermeld in paragraaf 5. De minister neemt binnen negentig kalenderdagen na de ontvangst van het beroep met een beveiligde zending een beslissing.".
| Autres porcs de 20 à 110 kg | 10,07 |
| Autres porcs de plus de 110 kg | 20,44 |
| Verrats | 19,61 |
| Truies, y compris les porcelets jusqu'à 7 kg | 20,46 |
§ 3. L'extension nette visée au paragraphe 2, deuxième alinéa, est déterminée sur la base des valeurs applicables durant l'année civile qui précède l'année de la demande, ainsi qu'indiqué au paragraphe 1er, alinéa premier.
Art. 7.5.2.2. § 1er. La Banque d'engrais vérifie si l'entreprise concernée a, durant l'année civile qui précède l'année de la demande visée à l'article 7.5.2.1, § 1er, alinéa premier, rempli les conditions visées à l'article 7.5.2.1, § 2, alinéa premier. Tous les certificats de transformation d'engrais que l'entreprise concernée possède au moment de la demande, ainsi qu'indiqué à l'article 7.5.2.1, § 1er, alinéa premier, et qui se rapportent à l'engrais transformé durant l'année civile précédant l'année de la demande visée à l'article 7.5.2.1, § 1er, alinéa premier, sont incessibles à partir du moment de la demande.
Par dérogation à l'alinéa premier, si la demande a été introduite avant le 1er juillet, les certificats de transformation d'engrais ne deviennent incessibles qu'à partir du 1er juillet.
Si, au moment de la demande, l'entreprise concernée possède plus de certificats de transformation d'engrais que nécessaire pour remplir les conditions visées à l'article 7.5.2.1, § 2, alinéa premier, l'agriculteur qui a introduit la demande visée à l'article 7.5.2.1, § 1er, alinéa premier, peut indiquer à la Banque d'engrais quels certificats de transformation d'engrais seront utilisés pour remplir les conditions visées à l'article 7.5.2.1, § 2, alinéa premier. Les autres certificats de transformation d'engrais redeviennent cessibles à partir du moment où la décision visée à l'article 7.5.2.4 est publiée sur le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais.
§ 2. La Banque d'engrais vérifie également si l'entreprise qui souhaite s'étendre, en application de l'article 35 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, n'a pas cédé de droits d'émission d'éléments fertilisants.
§ 3. Le développement de l'entreprise après transformation d'engrais avérée tel que visé à l'article 35 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 est uniquement possible si l'entreprise qui veut se développer a, au plus tard au moment de l'introduction de la demande visée à l'article 7.5.2.1, § 1er, alinéa premier du présent arrêté, satisfait à son obligation de déclaration, visée à l'article 23 du décret précité, pour l'année de production qui précède l'année de la demande visée à l'article 7.5.2.1, § 1er, alinéa premier, du présent arrêté.
Si la demande a été introduite avant la date visée à l'article 2.1.1.1, alinéa premier, du présent arrêté, par dérogation à l'alinéa premier, il est impératif de satisfaire, au plus tard à la date visée à l'article 2.1.1.1, alinéa premier, du présent arrêté, à l'obligation de déclaration visée à l'article 23 du décret précité, pour l'année de production qui précède l'année de la demande visée à l'article 7.5.2.1, § 1er, alinéa premier.
Art. 7.5.2.3. La Banque d'engrais signale à l'agriculteur concerné, par l'intermédiaire du guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais, dans les trois mois, mais au plus tôt le 1er août de l'année civile de la demande, si la demande répond aux conditions, ainsi qu'indiqué dans la présente section et à l'article 35 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Lors de l'évaluation de la demande, la Banque d'engrais examine notamment si l'entreprise possède au minimum un nombre de certificats de transformation d'engrais équivalent au résultat de la division visée à l'article 7.5.2.1, § 2, deuxième alinéa, 3°, du présent arrêté, qui concernent l'engrais qui a été transformé l'année civile précédente et qui remplissent les conditions suivantes :
1° les certificats de transformation d'engrais ont été octroyés par la Banque d'engrais à l'entreprise concernée pour l'exportation ou la transformation d'engrais issu de l'entreprise elle-même ;
2° les certificats de transformation d'engrais ont été octroyés par la Banque d'engrais à un tiers qui, conformément aux documents de transport, établis en exécution des articles 48 à 60 du décret précité, a reçu de l'entreprise concernée, durant l'année civile concernée, des engrais animaux produits dans l'entreprise, également en quantité équivalente au résultat de la division, visée à l'article 7.5.2.1, § 2, deuxième alinéa, 3°, du présent arrêté.
Art. 7.5.2.4. Si l'entreprise a, au cours de l'année X, rempli les conditions visées à l'article 7.5.2.1, § 2, et n'a pas transféré de droits d'émission d'éléments fertilisants, la Banque d'engrais octroie à l'agriculteur concerné, à partir de l'année X+1, à savoir l'année de la demande, les droits d'émission d'éléments fertilisants MVW non cessibles demandés.
Sous-section 3. - Obligations découlant d'une demande de développement d'entreprise après transformation d'engrais avérée
Art. 7.5.3.1. Au cours des années X+1 et X2, l'entreprise qui a reçu les droits d'émission d'éléments fertilisants MVW doit remplir toutes les conditions suivantes :
1° l'entreprise a satisfait à son obligation de transformation d'engrais de l'excédent net d'azote, ainsi qu'indiqué à l'article 29 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ;
2° l'entreprise a transformé 25 % de l'extension nette demandée, calculés conformément à l'article 7.5.2.1, § 2, du présent arrêté ;
3° l'entreprise a transformé la production d'engrais issue de l'extension réalisée au cours de l'année civile correspondante.
A partir de l'année X+3, l'entreprise qui a reçu les droits d'émission d'éléments fertilisants MVW doit remplir chaque année toutes les conditions suivantes :
1° l'entreprise satisfait à son obligation de transformation d'engrais de l'excédent net d'azote, ainsi qu'indiqué à l'article 29 du décret précité ;
2° l'entreprise transforme 25 % de l'extension nette demandée, calculés conformément à l'article 7.5.2.1, § 2, du présent arrêté ;
3° l'entreprise transforme la production d'engrais complémentaire équivalant à l'extension demandée, visée à l'article 7.5.2.1, § 2, deuxième alinéa, 2°, du présent arrêté. Par dérogation à ce qui précède, la production d'engrais complémentaire à transformer, après une annulation partielle ainsi que visée à l'article 7.5.3.3 du présent arrêté, est réduite en conséquence.
Art. 7.5.3.2. Lorsque, au cours de l'année X+1 ou l'année X+2, la transformation d'engrais telle que visée à l'article 7.5.3.1, alinéa premier, n'est pas effectuée, tous les droits d'émission d'éléments fertilisants MVW octroyés à l'entreprise sont annulés à la fin de l'année civile suivante.
Lorsque, au cours de l'année X+1 ou d'une année civile suivante, il est cédé des droits d'émission d'éléments fertilisants qui ne cadrent pas avec une reprise d'entreprise de l'entreprise complète, tous les droits d'émission d'éléments fertilisants MVW octroyés à l'entreprise sont annulés.
Une annulation telle que visée au premier ou au deuxième alinéa prend effet le 1er janvier de l'année civile qui suit l'année civile durant laquelle :
1° la transformation d'engrais visée à l'article 7.5.3.1, alinéa premier n'a pas été effectuée ;
2° des droits d'émission d'éléments fertilisants ont été transférés, qui ne cadrent pas avec une reprise d'entreprise de l'entreprise complète.
Art. 7.5.3.3. § 1er. Lorsque, au cours de l'année X+3 ou d'une année civile ultérieure, la transformation d'engrais visée à l'article 7.5.3.1, deuxième alinéa, du présent arrêté n'a pas été effectuée, le régime visé au présent article s'applique.
Afin d'établir qu'une quantité suffisante d'engrais a été transformée pour répondre aux conditions visées à l'article 7.5.3.1, deuxième alinéa, du présent arrêté, la Banque d'engrais vérifie annuellement si l'entreprise, après que les certificats de transformation d'engrais ont été octroyés pour répondre aux conditions visées à l'article 7.5.3.1, deuxième alinéa, 1° et 2° du présent arrêté, possède encore des certificats de transformation d'engrais en quantité équivalente à l'extension demandée, qui concernent l'engrais transformé durant l'année civile précédente, et qui répondent à l'une des conditions suivantes :
1° les certificats de transformation d'engrais ont été octroyés par la Banque d'engrais pour l'exportation d'engrais issu de l'entreprise elle-même et de l'espèce animale à laquelle appartiennent les catégories animales mentionnées dans la demande telle que visée à l'article 7.5.2.1, § 1er, deuxième alinéa, du présent arrêté ;
2° les certificats de transformation d'engrais ont été octroyés par la Banque d'engrais à l'entreprise pour la transformation d'engrais issu de l'entreprise elle-même et de l'espèce animale à laquelle appartiennent les catégories animales mentionnées dans la demande telle que visée à l'article 7.5.2.1, § 1er, deuxième alinéa, du présent arrêté ;
3° les certificats de transformation d'engrais ont été octroyés par la Banque d'engrais à un tiers qui, conformément aux documents de transport, établis en exécution des articles 48 à 60 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, a reçu de l'entreprise, durant l'année civile concernée, des engrais animaux produits dans l'entreprise et provenant de l'espèce animale à laquelle appartiennent les catégories animales mentionnées dans la demande telle que visée à l'article 7.5.2.1, § 1er, deuxième alinéa, du présent arrêté.
§ 2. Si l'entreprise ne possède pas le nombre de certificats de transformation d'engrais indiqué au paragraphe 1er, deuxième alinéa, les droits d'émission d'éléments fertilisants MVW octroyés à l'entreprise sont intégralement ou partiellement définitivement annulés.
Le nombre de droits d'émission d'éléments fertilisants MVW octroyés à l'entreprise qui sont définitivement annulés est calculé selon la formule suivante :
X = [(les CTE nécessaires diminués du nombre de CTE que l'entreprise possède) divisés par les CTE nécessaires] et multipliés par le nombre de NER-MVW attribués, où
1° X = le nombre de droits d'émission d'éléments fertilisants MVW octroyés à l'entreprise et définitivement annulés ;
2° les CTE nécessaires : le nombre de certificats de transformation d'engrais dont l'entreprise a besoin pour remplir la condition visée à l'article 7.5.3.1, deuxième alinéa, 3° ;
3° les CTE que l'entreprise possède : le nombre de certificats de transformation d'engrais que l'entreprise possède encore, après que les certificats de transformation d'engrais nécessaires ont été octroyés pour remplir les conditions visées à l'article 7.5.3.1, deuxième alinéa, 1° et 2°, qui concernent l'engrais transformé au cours de l'année civile précédente et qui répondent à l'une des deux conditions mentionnées au paragraphe 1er, deuxième alinéa ;
4° le nombre de NER-MVW octroyés : le nombre de droits d'émission d'éléments fertilisants MVW octroyés à l'entreprise.
§ 3. Une annulation telle qu'indiquée au paragraphe 2 prend effet le 1er janvier de l'année civile qui suit l'année civile pour laquelle l'entreprise ne dispose pas du nombre de certificats de transformation d'engrais visé au paragraphe 1er, deuxième alinéa.
Art. 7.5.3.4. Si l'entreprise dispose, pour une année civile donnée, sur la base des demandes multiples visées à l'article 7.5.2.1, § 1er, aliéna premier, du présent décret, des droits d'émission d'éléments nutritionnels sur la transformation des engrais (MVW), afin d'évaluer si l'entreprise a rempli ses obligations découlant des demandes de développement de l'entreprise après traitement d'engrais avéré, les certificats de traitement d'effluents détenus par l'entreprise, sont, dans un premier temps, affectés à son obligation de traitement d'effluents de l'excédent net d'azote, visé à l'article 29 du décret du 22 décembre 2006, puis, par ordre d'âge, aux différentes demandes sur la base desquelles l'entreprise concernée détient des quotas d'émission d'éléments nutritionnels MVW, la demande la plus ancienne étant traitée en premier lieu.
Art. 7.5.3.5. Si tous les droits d'émission d'éléments nutritionnels MVW d'une demande visée à l'article 7.5.2.1, § 1er, aliéna premier, sont annulés conformément aux dispositions de la présente section, la demande est réputée avoir été annulée en même temps que l'annulation des derniers droits d'émission d'éléments nutritionnels MVW de la demande en question, y compris toutes les obligations résultant de la demande en question.
Sous-section 4. - Annulation volontaire
Art. 7.5.4.1. § 1er. Outre une annulation due au non-respect des obligations résultant d'une demande de développement de l'entreprise à la suite du traitement d'engrais avéré visé à la sous-section 3, les droits d'émission d'éléments nutritionnels MVW attribués à une exploitation peuvent également être annulés à la demande de l'agriculteur concerné.
A cet effet, l'agriculteur introduit une demande d'annulation via le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais. Si l'exploitation détient des droits d'émission d'éléments nutritionnels sur la transformation des engrais (MVW) sur la base de plusieurs demandes visées à l'article 7.5.2.1, § 1er, l'agriculteur indique la demande qu'il souhaite annuler.
Une annulation à la demande de l'agriculteur porte toujours sur une demande complète visée à l'article 7.5.2.1, § 1er, aliéna premier.
§ 2. L'annulation visée au § 1er prend effet le 1er janvier de l'année civile au cours de laquelle l'exploitation a déposé une demande d'annulation.
Les obligations résultant de la demande pour laquelle l'agriculteur a introduit une demande d'annulation restent applicables jusqu'au 31 décembre de l'année civile qui précède l'année civile au cours de laquelle la demande d'annulation a été introduite.
§ 3. Dans un délai de nonante jours calendaires à compter de la réception de la demande d'annulation visée au § 1er, la Banque d'engrais informe l'agriculteur des droits d'émission des éléments nutritionnels MVW qui sont annulés à la suite de la demande d'annulation, via le guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais.
Sous-section 5. - Conséquences des droits d'émission des éléments nutritionnels MVW sur les permis et les reprises d'entreprises
Art. 7.5.5.1. Si des droits d'émission d'éléments nutritionnels sur la transformation des engrais (MVW) alloués à l'entreprise sont annulés conformément à l'article 7.5.3.2 ou 7.5.3.3, la Banque d'engrais enverra une copie de sa décision aux autorités qui délivrent les permis environnementaux pour l'exploitation de l'installation ou de l'activité classée et sont compétentes pour l'exploitation où l'agriculteur, selon la demande, réalise l'extension. Les autorités concernées qui délivrent les autorisations environnementales pour l'exploitation de l'installation ou de l'activité classée imposent, chacune en ce qui concerne leurs domaines de compétence respectifs, l'obligation d'obtenir le permis environnemental pour l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classé, ou la partie du permis environnemental pour l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classé pour les institutions et la ou les espèces d'animaux visées dans la demande. Les autorités qui délivrent les autorisations environnementales pour l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classé adressent immédiatement une copie de l'arrêté d'abrogation à la Banque d'engrais.
Art. 7.5.5.2. Lorsque, au moment du transfert des droits d'émission des éléments nutritionnels dans le cadre d'une reprise de l'ensemble de l'exploitation visée à l'article 35, § 1er, point 4, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, la Banque d'engrais n'est pas encore en mesure d'évaluer si les conditions fixées dans la présente section ont été remplies au cours de l'année civile qui précède celle de la reprise, les droits d'émission des éléments nutritionnels MVW attribués à l'agriculteur sortant sont transférés sous réserve du respect, par ce dernier, des conditions fixées dans la présente section au cours de l'année civile qui précède l'année de la reprise. Lorsque, lors de l'évaluation des conditions énoncées dans la présente section, la Banque d'engrais exécute une annulation totale ou partielle visée à l'article 7.5.3.2 ou 7.5.3.3 de la présente décision concernant les droits d'émission d'éléments nutritionnels MVW de l'agriculteur sortant, les droits d'émission des éléments nutritionnels MVW transférés sont également annulés en tout ou en partie chez le repreneur.
L'exploitation de l'agriculteur sortant et l'exploitation de l'agriculteur repreneur sont, à leur demande, considérées comme une exploitation commune aux fins de l'évaluation du respect des conditions énoncées dans la présente section au cours de l'année de la reprise.
Sous-section 6. - Traitement des réclamations
Art. 7.5.6.1. L'agriculteur peut introduire une réclamation auprès du chef du département de la Banque d'engrais contre toute décision de développement de l'entreprise après une transformation avérée de l'engrais.
La réclamation visée à l'alinéa premier est recevable si elle a été introduite par envoi sécurisé dans les trente jours calendaires qui suivent l'envoi de la décision en question.
Le chef de service de la Banque d'engrais informera le plaignant de sa décision via le guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais, et ce dans les nonante jours calendaires qui suivent la réception de la réclamation.
La réclamation visée à l'alinéa premier ne suspend pas la décision concernée.
7.5.6.2. L'agriculteur peut introduire un recours auprès du ministre contre toute décision du chef de département de la Banque d'engrais, visée à l'article 7.5.6.1, troisième alinéa.
Le recours visé à l'alinéa premier est recevable s'il est formé par courrier sécurisé dans un délai de trente jours calendaires à compter de l'envoi de la décision en cause.
Le ministre informe le plaignant de sa décision dans les nonante jours civils qui suivent la réception du recours par le guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais.
Le recours visé à l'alinéa premier ne suspend pas la décision concernée.
Section 6. - L'arrêt temporaire
Art. 7.6.1. § 1er. L'agriculteur qui souhaite faire usage de la faculté prévue à l'article 47, § 2, aliéna premier, 1°, du décret sur les engrais du 22 décembre 2006, notifie à la Banque d'engrais, dans un délai de deux ans à compter du début de l'arrêt temporaire, par envoi sécurisé, la cessation temporaire des exploitations ou des parties des exploitations.
La notification visée à l'alinéa premier contient les informations suivantes :
1° les exploitations ou les parties d'exploitation qui ont cessé leurs activités ;
2° les autorisations environnementales délivrées pour l'exploitation de l'installation ou de l'activité classée en rapport avec les exploitations ou parties d'exploitations à cesser temporairement ;
3° la date à laquelle les exploitations ou les parties d'exploitations ont cessé leurs activités.
§ 2. L'agriculteur qui a repris l'exploitation des exploitations ou parties d'exploitations temporairement arrêtées en informe sans délai la Banque d'engrais par courrier sécurisé.
La notification visée à l'alinéa premier contient les informations suivantes :
1° les exploitations ou parties d'exploitation qui ont été reprises ;
2° les autorisations environnementales délivrées pour l'exploitation de l'installation ou de l'activité classée en rapport avec les exploitations ou parties d'exploitations temporairement arrêtées ;
3° la date de reprise des exploitations ou parties d'exploitations. Cette date est fixée au plus tard cinq années civiles après la date d'arrêt visée au § 1er, deuxième alinéa, point 3.
§ 3. Lorsque la notification de la reprise des exploitations ou de parties d'exploitations temporairement mises à l'arrêt n'a pas été transmise à la Banque d'engrais dans un délai de cinq années civiles à compter de la date d'arrêt visée au § 1er, deuxième alinéa, point 3°, les droits d'émission d'éléments nutritionnels correspondants sont annulés de plein droit.
Lorsque toutes les exploitations ou parties d'exploitations appartenant à l'entreprise sont temporairement mises à l'arrêt et que l'agriculteur n' a pas notifié à la Banque d'engrais, dans un délai de cinq années civiles à compter de la date d'arrêt visée au § 1er, deuxième alinéa, 3°, la reprise de toutes les exploitations ou parties d'exploitations appartenant à l'entreprise, les droits d'émission d'éléments nutritionnels correspondants qui sont automatiquement annulés sont tous les droits d'émission d'éléments nutritionnels attribués à l'agriculteur en question.
Lorsque toutes les exploitations ou parties des exploitations appartenant à l'entreprise sont mises temporairement à l'arrêt ou que l'agriculteur n'a repris l'activité que sur une partie des exploitations ou parties d'exploitation appartenant à l'entreprise, les droits d'émission d'éléments nutritionnels correspondants qui sont annulés de plein droit ne couvrent qu'une partie des droits d'émission d'éléments nutritionnels attribués à l'agriculteur en question. La partie des droits d'émission d'éléments nutritionnels attribuée à l'agriculteur concerné, qui est annulée de plein droit, est le nombre de droits d'émission d'éléments nutritionnels, ventilés par espèce, correspondant au nombre d'emplacements par catégorie d'animaux qui, selon la dernière déclaration soumise avant l'arrêt, étaient présents sur les exploitations ou parties d'exploitations mises temporairement à l'arrêt, multiplié par les droits d'émission d'éléments nutritionnels correspondants, par catégorie d'animaux, visée à l'article 30, § 3, aliéna premier, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
§ 4. Les droits d'émission d'éléments nutritionnels visés au paragraphe 3 sont annulés de plein droit cinq années civiles après la date visée au § 1er, deuxième alinéa, 3°.
§ 5. La Banque d'engrais prend acte de l'annulation visée au paragraphe 4 et informe l'agriculteur concerné, par envoi sécurisé, des droits d'émission d'éléments nutritionnels annulés en vertu du présent article.
§ 6. En exécution de l'article 32 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, l'agriculteur peut introduire un recours auprès du Ministre contre la prise d'acte visée au paragraphe 5. Le recours est recevable s'il est formé par courrier sécurisé dans les trente jours calendaires qui suivent l'envoi de la décision visée au paragraphe 5. Le Ministre prend une décision dans les nonante jours civils qui suivent la réception du recours par courrier sécurisé.
Art. 18. Artikel 8.1.3.1 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 8.1.3.1. Er worden alleen mestverwerkingscertificaten uitgereikt op basis van transportdocumenten, waarvoor de mestsamenstelling, vermeld op de betrokken transportdocumenten, bepaald is conform de bepalingen van hoofdstuk 10.".
"Art. 8.1.3.1. Er worden alleen mestverwerkingscertificaten uitgereikt op basis van transportdocumenten, waarvoor de mestsamenstelling, vermeld op de betrokken transportdocumenten, bepaald is conform de bepalingen van hoofdstuk 10.".
Art. 18. L'article 8.1.3.1 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 8.1.3.1. Les certificats de traitement d'effluents ne sont délivrés que sur la base des documents de transport, pour lesquels la composition des engrais telle qu'elle figure sur les documents de transport concernés est déterminée conformément aux dispositions du chapitre 10. "
" Art. 8.1.3.1. Les certificats de traitement d'effluents ne sont délivrés que sur la base des documents de transport, pour lesquels la composition des engrais telle qu'elle figure sur les documents de transport concernés est déterminée conformément aux dispositions du chapitre 10. "
Art. 19. In artikel 9.3.1 van hetzelfde besluit wordt het vierde lid, opgeheven.
Art. 19. A l'article 9.3.1 du même arrêt, le quatrième alinéa est supprimé.
Art. 20. Artikel 9.5.2.1 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 9.5.2.1. De hoeveelheid dierlijke mest of andere meststoffen die vervoerd zal worden, uitgedrukt in kg P2O5 en in kg N, vermeld in artikel 9.5.1.1, § 1, 3°, en de reëel vervoerde hoeveelheid dierlijke mest of andere meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5 en in kg N, vermeld in artikel 9.5.1.5, § 1, 1°, wordt, conform de bepalingen van hoofdstuk 10, bepaald op basis van de forfaitaire stikstof- en fosforsamenstellingscijfers, op basis van de resultaten van een of meer analyses, op basis van een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling of op basis van een berekende mestsamenstelling.
Als de hoeveelheid meststoffen die vervoerd zal worden, bepaald wordt op basis van de resultaten van een of meer analyses waarvan de resultaten op het moment van het transport nog niet bekend zijn bij de voorafgaande melding, vermeld in artikel 9.5.1.1, § 1, 3°, moet de erkende mestvoerder, in afwijking van artikel 9.5.1.1, § 1, 3°, de hoeveelheid mest die vervoerd zal worden, alleen uitdrukken in ton, en moet hij aangeven dat de samenstelling van de meststoffen bepaald zal worden op basis van een analyse waarvan de resultaten nog niet bekend zijn.
In afwijking van artikel 9.5.1.8 vermeldt de erkende mestvoerder bij de namelding die hoort bij een voorafgaande melding als vermeld in het tweede lid, geen reëel vervoerde hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in kg P2O5 en in kg N.
Als de analyseresultaten via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie, vermeld in artikel 53/1, § 1, van het VLAREL van 19 november 2010, meegedeeld worden, wordt automatisch de reëel vervoerde hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in kg P2O5 en in kg N, bepaald.
Als er onvoldoende geldige analyseresultaten via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie, vermeld in artikel 53/1, § 1, van het VLAREL van 19 november 2010, meegedeeld worden, wordt de op basis van het betrokken transportdocument vervoerde hoeveelheid meststoffen, bepaald op nul kg N en nul kg P2O5.
In afwijking van het vijfde lid kan de Mestbank beslissen om, voor de afnemer van de betrokken meststoffen, de op basis van het betrokken transportdocument vervoerde hoeveelheid meststoffen te bepalen op basis van de forfaitaire mestsamenstelling of op basis van een door de Mestbank op basis van een of meer analyses bepaalde mestsamenstelling.
De automatisch bepaalde hoeveelheden, vermeld in het vierde lid, en de door de Mestbank bepaalde hoeveelheden, vermeld in het vijfde lid, worden, zowel aan de aanbieder, vermeld in artikel 9.5.3.1, § 1, 1°, als aan de afnemer, vermeld in artikel 9.5.3.1, § 1, 2°, meegedeeld via het transportoverzicht, vermeld in artikel 9.1.1 en 9.1.2. De aanbieder of de afnemer kan, via de melding, vermeld in artikel 9.1.2, tweede lid, bezwaar indienen tegen de, voor het betreffende transportdocument, op het transportoverzicht vermelde vervoerde hoeveelheden, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5.".
"Art. 9.5.2.1. De hoeveelheid dierlijke mest of andere meststoffen die vervoerd zal worden, uitgedrukt in kg P2O5 en in kg N, vermeld in artikel 9.5.1.1, § 1, 3°, en de reëel vervoerde hoeveelheid dierlijke mest of andere meststoffen, uitgedrukt in kg P2O5 en in kg N, vermeld in artikel 9.5.1.5, § 1, 1°, wordt, conform de bepalingen van hoofdstuk 10, bepaald op basis van de forfaitaire stikstof- en fosforsamenstellingscijfers, op basis van de resultaten van een of meer analyses, op basis van een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling of op basis van een berekende mestsamenstelling.
Als de hoeveelheid meststoffen die vervoerd zal worden, bepaald wordt op basis van de resultaten van een of meer analyses waarvan de resultaten op het moment van het transport nog niet bekend zijn bij de voorafgaande melding, vermeld in artikel 9.5.1.1, § 1, 3°, moet de erkende mestvoerder, in afwijking van artikel 9.5.1.1, § 1, 3°, de hoeveelheid mest die vervoerd zal worden, alleen uitdrukken in ton, en moet hij aangeven dat de samenstelling van de meststoffen bepaald zal worden op basis van een analyse waarvan de resultaten nog niet bekend zijn.
In afwijking van artikel 9.5.1.8 vermeldt de erkende mestvoerder bij de namelding die hoort bij een voorafgaande melding als vermeld in het tweede lid, geen reëel vervoerde hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in kg P2O5 en in kg N.
Als de analyseresultaten via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie, vermeld in artikel 53/1, § 1, van het VLAREL van 19 november 2010, meegedeeld worden, wordt automatisch de reëel vervoerde hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in kg P2O5 en in kg N, bepaald.
Als er onvoldoende geldige analyseresultaten via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie, vermeld in artikel 53/1, § 1, van het VLAREL van 19 november 2010, meegedeeld worden, wordt de op basis van het betrokken transportdocument vervoerde hoeveelheid meststoffen, bepaald op nul kg N en nul kg P2O5.
In afwijking van het vijfde lid kan de Mestbank beslissen om, voor de afnemer van de betrokken meststoffen, de op basis van het betrokken transportdocument vervoerde hoeveelheid meststoffen te bepalen op basis van de forfaitaire mestsamenstelling of op basis van een door de Mestbank op basis van een of meer analyses bepaalde mestsamenstelling.
De automatisch bepaalde hoeveelheden, vermeld in het vierde lid, en de door de Mestbank bepaalde hoeveelheden, vermeld in het vijfde lid, worden, zowel aan de aanbieder, vermeld in artikel 9.5.3.1, § 1, 1°, als aan de afnemer, vermeld in artikel 9.5.3.1, § 1, 2°, meegedeeld via het transportoverzicht, vermeld in artikel 9.1.1 en 9.1.2. De aanbieder of de afnemer kan, via de melding, vermeld in artikel 9.1.2, tweede lid, bezwaar indienen tegen de, voor het betreffende transportdocument, op het transportoverzicht vermelde vervoerde hoeveelheden, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5.".
Art. 20. L'article 9.5.2.1 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 9.5.2.1. La quantité d'effluents d'élevage ou d'autres engrais qui seront transportés, exprimée en kg P2O5 et en kg N, visée à l'article 9.5.1.1, § 1er, 3°, et la quantité effectivement transportée d'effluents d'élevage ou d'autres engrais, exprimée en kg P2O5 et en kg N, mentionnée à l'article 9.5.1.5, § 1er, 1°, est déterminée, conformément aux dispositions du chapitre 10, sur la base des valeurs forfaitaires de la composition en azote et en phosphore, sur la base des résultats d'une ou de plusieurs analyses, sur la base d'une composition d'engrais spécifique à l'entreprise ou sur la base d'une composition de fertilisation calculée.
Lorsque la quantité d'engrais à transporter est déterminée sur la base des résultats d'une ou de plusieurs analyses dont les résultats ne sont pas encore connus au moment du transport lors de la notification préalable visée à l'article 9.5.1.1, § 1er, 3°, le transporteur d'engrais agréé, par dérogation à l'article 9.5.1.1, § 1er, 3°, doit exprimer la quantité de fumier qui sera transportée uniquement en tonnes et doit indiquer que la composition des engrais sera déterminée sur la base d'une analyse dont les résultats ne sont pas encore connus.
Par dérogation à l'article 9.5.1.8, le transporteur d'engrais agréé ne mentionne pas la quantité d'effluents d'élevage effectivement transportée, exprimée en kg P2O5 et en kg N, lors de la notification postérieure qui accompagne une notification préalable visée au deuxième alinéa.
Lorsque les résultats de l'analyse sont communiqués via l'application en ligne mise à disposition par la Banque d'engrais, visée à l'article 53/1, § 1er du VLAREL du 19 novembre 2010, la quantité effective d'effluents d'élevage transportée, exprimée en kg P2O5 et en kg N est automatiquement déterminée.
Lorsque les résultats d'analyse valides ne sont pas communiqués en nombre suffisant par le biais de l'application en ligne mise à disposition par la Banque d'engrais, visée à l'article 53/1, § 1er du VLAREL du 19 novembre 2010, la quantité d'engrais transportée sur la base du document de transport concerné est fixée à zéro kg N et à zéro kg P2O5.
Par dérogation au cinquième alinéa, la Banque d'engrais peut, pour l'acheteur d'engrais en question, décider de déterminer la quantité d'engrais transportée sur la base du document de transport concerné sur la base de la composition d'engrais forfaitaire ou sur la base d'une composition d'engrais déterminée par la Banque d'engrais sur la base d'une ou plusieurs analyses.
Les quantités déterminées automatiquement, visées au quatrième alinéa, et les quantités déterminées par la Banque d'engrais, visées au cinquième alinéa, sont communiquées tant à l'offrant, visé à l'article 9.5.3.1, § 1er, 1°, 1°, qu'à l'acheteur, visé à l'article 9.5.3.1, § 1er, 2°, par l'intermédiaire du récapitulatif de transport visé aux articles 9.1.1 et 9.1.2. L'offrant ou l'acheteur peut, au moyen de la notification visée à l'article 9.1.2, deuxième alinéa, introduire une réclamation contre les quantités transportées mentionnées dans le récapitulatif de transport du document de transport pour le transport concerné, exprimées en kg de N et en kg de P2O5. ".
" Art. 9.5.2.1. La quantité d'effluents d'élevage ou d'autres engrais qui seront transportés, exprimée en kg P2O5 et en kg N, visée à l'article 9.5.1.1, § 1er, 3°, et la quantité effectivement transportée d'effluents d'élevage ou d'autres engrais, exprimée en kg P2O5 et en kg N, mentionnée à l'article 9.5.1.5, § 1er, 1°, est déterminée, conformément aux dispositions du chapitre 10, sur la base des valeurs forfaitaires de la composition en azote et en phosphore, sur la base des résultats d'une ou de plusieurs analyses, sur la base d'une composition d'engrais spécifique à l'entreprise ou sur la base d'une composition de fertilisation calculée.
Lorsque la quantité d'engrais à transporter est déterminée sur la base des résultats d'une ou de plusieurs analyses dont les résultats ne sont pas encore connus au moment du transport lors de la notification préalable visée à l'article 9.5.1.1, § 1er, 3°, le transporteur d'engrais agréé, par dérogation à l'article 9.5.1.1, § 1er, 3°, doit exprimer la quantité de fumier qui sera transportée uniquement en tonnes et doit indiquer que la composition des engrais sera déterminée sur la base d'une analyse dont les résultats ne sont pas encore connus.
Par dérogation à l'article 9.5.1.8, le transporteur d'engrais agréé ne mentionne pas la quantité d'effluents d'élevage effectivement transportée, exprimée en kg P2O5 et en kg N, lors de la notification postérieure qui accompagne une notification préalable visée au deuxième alinéa.
Lorsque les résultats de l'analyse sont communiqués via l'application en ligne mise à disposition par la Banque d'engrais, visée à l'article 53/1, § 1er du VLAREL du 19 novembre 2010, la quantité effective d'effluents d'élevage transportée, exprimée en kg P2O5 et en kg N est automatiquement déterminée.
Lorsque les résultats d'analyse valides ne sont pas communiqués en nombre suffisant par le biais de l'application en ligne mise à disposition par la Banque d'engrais, visée à l'article 53/1, § 1er du VLAREL du 19 novembre 2010, la quantité d'engrais transportée sur la base du document de transport concerné est fixée à zéro kg N et à zéro kg P2O5.
Par dérogation au cinquième alinéa, la Banque d'engrais peut, pour l'acheteur d'engrais en question, décider de déterminer la quantité d'engrais transportée sur la base du document de transport concerné sur la base de la composition d'engrais forfaitaire ou sur la base d'une composition d'engrais déterminée par la Banque d'engrais sur la base d'une ou plusieurs analyses.
Les quantités déterminées automatiquement, visées au quatrième alinéa, et les quantités déterminées par la Banque d'engrais, visées au cinquième alinéa, sont communiquées tant à l'offrant, visé à l'article 9.5.3.1, § 1er, 1°, 1°, qu'à l'acheteur, visé à l'article 9.5.3.1, § 1er, 2°, par l'intermédiaire du récapitulatif de transport visé aux articles 9.1.1 et 9.1.2. L'offrant ou l'acheteur peut, au moyen de la notification visée à l'article 9.1.2, deuxième alinéa, introduire une réclamation contre les quantités transportées mentionnées dans le récapitulatif de transport du document de transport pour le transport concerné, exprimées en kg de N et en kg de P2O5. ".
Art. 21. Aan artikel 9.5.3.1 van hetzelfde besluit wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 4. In afwijking van paragraaf 1, 5°, wordt voor burenregelingen die betrekking hebben op de meststoffen waarvan de samenstelling bepaald zal worden op basis van een of meer analyses als vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 2, onderafdeling 3, de hoeveelheid meststoffen die vervoerd zal worden, uitgedrukt als 0 kg N en 0 kg P2O5.".
" § 4. In afwijking van paragraaf 1, 5°, wordt voor burenregelingen die betrekking hebben op de meststoffen waarvan de samenstelling bepaald zal worden op basis van een of meer analyses als vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 2, onderafdeling 3, de hoeveelheid meststoffen die vervoerd zal worden, uitgedrukt als 0 kg N en 0 kg P2O5.".
Art. 21. L'article 9.5.3.1 du même arrêté est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
" § 4. Par dérogation au § 1er, 5°, pour les régimes de voisinage concernant les engrais dont la composition sera déterminée sur la base d'une ou plusieurs analyses telles que mentionnées au chapitre 10, section 2, sous-section 3, la quantité d'engrais à transporter est exprimée comme étant de 0 kg N et 0 kg P2O5. ".
" § 4. Par dérogation au § 1er, 5°, pour les régimes de voisinage concernant les engrais dont la composition sera déterminée sur la base d'une ou plusieurs analyses telles que mentionnées au chapitre 10, section 2, sous-section 3, la quantité d'engrais à transporter est exprimée comme étant de 0 kg N et 0 kg P2O5. ".
Art. 22. Aan artikel 9.5.3.6 van hetzelfde besluit wordt een paragraaf 4 en een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 4. Voor burenregelingen als vermeld in artikel 9.5.3.1, § 4, moet de hoeveelheid meststoffen die vervoerd is, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, bepaald worden op basis van de in de burenregeling vermelde tonnages, vermeld in artikel 9.5.3.1, § 1, 5°, en op basis van het resultaat van een of meer analyses als vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 2, onderafdeling 3, van de betrokken soort mest, die minstens gedurende een deel van de periode, vermeld in artikel 9.5.3.1, § 1, 4°, geldig waren conform de bepalingen van hoofdstuk 10.
De Mestbank vermeldt in het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket de resultaten van al de analyses die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid. De aanbieder van de mest van een burenregeling als vermeld in artikel 9.5.3.1, § 4, meldt, binnen drie maanden nadat een transport ter uitvoering van de betreffende burenregeling werd uitgevoerd, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, hoeveel meststoffen, uitgedrukt in ton, er vervoerd zijn en op basis van welk analyseresultaat. In afwijking daarvan wordt voor transporten die uitgevoerd worden na 14 november van een bepaald kalenderjaar, de laatste melding gedaan uiterlijk op 15 februari van het volgende kalenderjaar.
Als de Mestbank over geen enkel analyseresultaat beschikt dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, of als er geen enkele melding is gedaan als vermeld in het tweede lid, blijft de hoeveelheid meststoffen die vervoerd is, bepaald op 0 kg N en 0 kg P2O5.
In afwijking van het derde lid kan de Mestbank beslissen om, voor de afnemer van de betrokken meststoffen, de op basis van het betrokken transportdocument vervoerde hoeveelheid meststoffen te bepalen op basis van de forfaitaire mestsamenstelling of op basis van een door een of meer analyses bepaalde mestsamenstelling door de Mestbank.
§ 5. De hoeveelheden die bepaald worden met toepassing van paragraaf 1 tot en met 4, worden zowel aan de aanbieder, vermeld in artikel 9.5.3.1, § 1, 1°, als aan de afnemer, vermeld in artikel 9.5.3.1, § 1, 2°, meegedeeld via het transportoverzicht, vermeld in artikel 9.1.1 en 9.1.2. De aanbieder of de afnemer kan via de melding, als vermeld in artikel 9.1.2, tweede lid, bezwaar indienen tegen de voor de betreffende burenregeling op het transportoverzicht vermelde vervoerde hoeveelheden, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5.".
" § 4. Voor burenregelingen als vermeld in artikel 9.5.3.1, § 4, moet de hoeveelheid meststoffen die vervoerd is, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, bepaald worden op basis van de in de burenregeling vermelde tonnages, vermeld in artikel 9.5.3.1, § 1, 5°, en op basis van het resultaat van een of meer analyses als vermeld in hoofdstuk 10, afdeling 2, onderafdeling 3, van de betrokken soort mest, die minstens gedurende een deel van de periode, vermeld in artikel 9.5.3.1, § 1, 4°, geldig waren conform de bepalingen van hoofdstuk 10.
De Mestbank vermeldt in het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket de resultaten van al de analyses die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid. De aanbieder van de mest van een burenregeling als vermeld in artikel 9.5.3.1, § 4, meldt, binnen drie maanden nadat een transport ter uitvoering van de betreffende burenregeling werd uitgevoerd, via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, hoeveel meststoffen, uitgedrukt in ton, er vervoerd zijn en op basis van welk analyseresultaat. In afwijking daarvan wordt voor transporten die uitgevoerd worden na 14 november van een bepaald kalenderjaar, de laatste melding gedaan uiterlijk op 15 februari van het volgende kalenderjaar.
Als de Mestbank over geen enkel analyseresultaat beschikt dat voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, of als er geen enkele melding is gedaan als vermeld in het tweede lid, blijft de hoeveelheid meststoffen die vervoerd is, bepaald op 0 kg N en 0 kg P2O5.
In afwijking van het derde lid kan de Mestbank beslissen om, voor de afnemer van de betrokken meststoffen, de op basis van het betrokken transportdocument vervoerde hoeveelheid meststoffen te bepalen op basis van de forfaitaire mestsamenstelling of op basis van een door een of meer analyses bepaalde mestsamenstelling door de Mestbank.
§ 5. De hoeveelheden die bepaald worden met toepassing van paragraaf 1 tot en met 4, worden zowel aan de aanbieder, vermeld in artikel 9.5.3.1, § 1, 1°, als aan de afnemer, vermeld in artikel 9.5.3.1, § 1, 2°, meegedeeld via het transportoverzicht, vermeld in artikel 9.1.1 en 9.1.2. De aanbieder of de afnemer kan via de melding, als vermeld in artikel 9.1.2, tweede lid, bezwaar indienen tegen de voor de betreffende burenregeling op het transportoverzicht vermelde vervoerde hoeveelheden, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5.".
Art. 22. L'article 9.5.3.6 du même arrêté est complété par un paragraphe 4 et un paragraphe 5, rédigés comme suit :
" § 4. Pour les régimes de voisinage visés à l'article 9.5.3.1 § 4, la quantité d'engrais transportés, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, doit être déterminée sur la base des tonnages mentionnés dans les régimes de voisinage, tels que visés à l'article 9.5.3.1, § 1er, 5°, et sur la base du résultat d'une ou plusieurs analyses visées au chapitre 10, section 2, sous-section 2, sous-section 3, du type de fumier concerné, qui étaient valables pendant au moins une partie de la période visée à l'article 9.5.3.1, § 1er, 4°, conformément aux dispositions du chapitre 10.
La Banque d'engrais mentionne dans le guichet internet fourni par la Banque d'engrais les résultats de toutes les analyses qui satisfont aux conditions visées à l'alinéa premier. L'offrant de l'engrais d'un régime de voisinage visé à l'article 9.5.3.1 § 4, signale, dans les trois mois suivant l'exécution d'un transport pour la mise en oeuvre du régime voisin concerné, via le compte internet fourni par la Banque d'engrais, la quantité d'engrais, exprimée en tonnes, qui a été transportée, et sur la base de quels résultats d'analyse. Par dérogation à ce qui précède, pour les transports effectués après le 14 novembre d'une année civile donnée, la dernière notification est effectuée au plus tard le 15 février de l'année civile suivante.
Si la Banque d'engrais ne dispose d'aucun résultat d'analyse satisfaisant aux conditions énoncées au § 1er, ou si aucune notification n'a été faite conformément au paragraphe 2, la quantité d'engrais transportée est fixée à 0 kg de N et 0 kg de P2O5.
Par dérogation au troisième alinéa, la Banque d'engrais peut décider, pour l'acheteur d'engrais en question, de déterminer la quantité d'engrais transportée sur la base du document de transport concerné, sur la base de la composition d'engrais forfaitaire ou sur la base d'une composition d'engrais déterminée par une ou plusieurs analyses de la Banque d'engrais.
§ 5. Les quantités déterminées en application des alinéas 1 à 4 inclus, sont communiquées à la fois à l'offrant visé à l'article 9.5.3.1, § 1er, 1°, et à l'acheteur mentionné à l'article 9.5.3.1, § 1er, 2°, par l'intermédiaire du récapitulatif des transports mentionné aux articles 9.1.1 et 9.1.2. L'offrant ou l'acheteur peut, par le biais de la notification visée à l'article 9.1.2, deuxième alinéa, introduire une réclamation à l'encontre des quantités transportées telles qu'elles figurent dans le récapitulatif de transport pour le régime de voisinage correspondant, et exprimées en kg N ainsi qu'en kg P2O5. ".
" § 4. Pour les régimes de voisinage visés à l'article 9.5.3.1 § 4, la quantité d'engrais transportés, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, doit être déterminée sur la base des tonnages mentionnés dans les régimes de voisinage, tels que visés à l'article 9.5.3.1, § 1er, 5°, et sur la base du résultat d'une ou plusieurs analyses visées au chapitre 10, section 2, sous-section 2, sous-section 3, du type de fumier concerné, qui étaient valables pendant au moins une partie de la période visée à l'article 9.5.3.1, § 1er, 4°, conformément aux dispositions du chapitre 10.
La Banque d'engrais mentionne dans le guichet internet fourni par la Banque d'engrais les résultats de toutes les analyses qui satisfont aux conditions visées à l'alinéa premier. L'offrant de l'engrais d'un régime de voisinage visé à l'article 9.5.3.1 § 4, signale, dans les trois mois suivant l'exécution d'un transport pour la mise en oeuvre du régime voisin concerné, via le compte internet fourni par la Banque d'engrais, la quantité d'engrais, exprimée en tonnes, qui a été transportée, et sur la base de quels résultats d'analyse. Par dérogation à ce qui précède, pour les transports effectués après le 14 novembre d'une année civile donnée, la dernière notification est effectuée au plus tard le 15 février de l'année civile suivante.
Si la Banque d'engrais ne dispose d'aucun résultat d'analyse satisfaisant aux conditions énoncées au § 1er, ou si aucune notification n'a été faite conformément au paragraphe 2, la quantité d'engrais transportée est fixée à 0 kg de N et 0 kg de P2O5.
Par dérogation au troisième alinéa, la Banque d'engrais peut décider, pour l'acheteur d'engrais en question, de déterminer la quantité d'engrais transportée sur la base du document de transport concerné, sur la base de la composition d'engrais forfaitaire ou sur la base d'une composition d'engrais déterminée par une ou plusieurs analyses de la Banque d'engrais.
§ 5. Les quantités déterminées en application des alinéas 1 à 4 inclus, sont communiquées à la fois à l'offrant visé à l'article 9.5.3.1, § 1er, 1°, et à l'acheteur mentionné à l'article 9.5.3.1, § 1er, 2°, par l'intermédiaire du récapitulatif des transports mentionné aux articles 9.1.1 et 9.1.2. L'offrant ou l'acheteur peut, par le biais de la notification visée à l'article 9.1.2, deuxième alinéa, introduire une réclamation à l'encontre des quantités transportées telles qu'elles figurent dans le récapitulatif de transport pour le régime de voisinage correspondant, et exprimées en kg N ainsi qu'en kg P2O5. ".
Art. 23. In artikel 9.5.3.9, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede ", en wordt de samenstelling van de vervoerde meststoffen meegedeeld. De minister kan bepalen dat de samenstelling van de vervoerde meststoffen, voor alle of bepaalde meststoffen moet gebeuren op basis van de forfaitaire stikstof- en fosforsamenstellingscijfers of op basis van een of meerdere analyses van de betrokken meststoffen, dat de betrokken analyseverslagen aan de Mestbank overgemaakt moeten worden en de wijze waarop dat moet gebeuren" opgeheven.
Art. 23. A l'article 9.5.3.9, § 2, aliéna premier, du même arrêté, le segment de phrase " , et la composition des engrais transportés est communiquée. Le Ministre peut arrêter que la composition des engrais transportés, pour tous ou certains engrais, doit se faire sur la base des chiffres forfaitaires de la teneur en azote et en phosphore ou sur la base d'une ou de plusieurs analyses des engrais transportés, que les rapports d'analyse concernés doivent être transmis à la Banque d'engrais ainsi que la manière dont ils doivent être transmis ", est supprimé.
Art. 24. In hetzelfde besluit wordt aan hoofdstuk 9, afdeling 5, een onderafdeling 10, die bestaat uit artikel 9.5.10.1 tot en met 9.5.10.3, toegevoegd, die luidt als volgt:
"Onderafdeling 10. - Transporten voor gewestgrensboeren
Art. 9.5.10.1. § 1. De Mestbank en de bevoegde autoriteit van het Waalse Gewest stellen een gemeenschappelijke lijst op van gewestgrensoverschrijdende bedrijven.
De gewestgrensoverschrijdende bedrijven worden in de gemeenschappelijke lijst opgenomen als ze instemmen met de uitwisseling van de op hun bedrijf betrekking hebbende gegevens, vermeld in artikel 9.5.10.2, tussen de Mestbank en de bevoegde autoriteit van het Waalse Gewest.
De in de lijst opgenomen gewestgrensoverschrijdende bedrijven zijn gewestgrensboeren.
§ 2. De gewestgrensboer die met toepassing van artikel 52, 2°, a), van het Mestdecreet van 22 december 2006, op zijn exploitatie geproduceerde dierlijke mest wil invoeren vanuit het Waalse Gewest of wil uitvoeren naar het Waalse Gewest, kan het transport zelf uitvoeren met eigen transportmiddelen of daarvoor een beroep doen op een erkende mestvoerder.
§ 3. Als de gewestgrensboer erkend is als erkende mestvoerder of voor het gewestgrensoverschrijdende transport een beroep doet op een erkende mestvoeder, zijn artikel 9.5.1.1 tot en met 9.5.2.1 van dit besluit voor het gewestgrensoverschrijdende transport van dierlijke mest met toepassing van artikel 52, 2°, a), van het Mestdecreet van 22 december 2006, van toepassing.
§ 4. De gewestgrensboer die met toepassing van artikel 52, 2°, a), van het Mestdecreet van 22 december 2006, op zijn exploitatie geproduceerde dierlijke mest zelf invoert met eigen transportmiddelen vanuit het Waalse Gewest, maakt voor dat gewestgrensoverschrijdende transport een gewestgrensboerdocument op. Voor de opmaak van het gewestgrensboerdocument en de uitvoering van het transport zijn artikel 9.5.1.1 tot en met 9.5.2.1 van dit besluit, van toepassing, met dien verstande dat:
1° de gewestgrensboer de opgelegde verplichtingen, vermeld in de artikel 9.5.1.1 tot en met 9.5.2.1, aan de erkende mestvoerder, zelf moet nakomen;
2° er maar één exemplaar van het gewestgrensboerdocument opgemaakt moet worden;
3° de voorwaarden, vermeld in artikel 9.5.1.9, van toepassing zijn.
§ 5. Transporten waarbij met toepassing van artikel 52, 2°, a), van het Mestdecreet van 22 december 2006, op de exploitatie van de gewestgrensboer geproduceerde dierlijke mest wordt uitgevoerd naar het Waalse Gewest, worden uitgevoerd in overeenstemming met de regelgeving van de regio van bestemming. Bij die transporten zijn altijd de documenten die krachtens de regelgeving van de regio van bestemming zijn voorgeschreven, aanwezig in het transportvoertuig.
Art. 9.5.10.2. De Mestbank en de bevoegde autoriteit van het Waalse Gewest wisselen gegevens uit over de gewestgrensboeren voor de opvolging van de gewestgrensoverschrijdende transporten, vermeld in artikel 9.5.10.1, § 2, van dit besluit, en voor de berekening van de mestbalans, vermeld in artikel 28, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006. De uit te wisselen gegevens hebben onder meer betrekking op:
1° de productie van dierlijke mest;
2° de mestafzetmogelijkheden;
3° de hoeveelheden dierlijke mest die gewestgrensoverschrijdend werd vervoerd;
4° de maatregelen die werden opgelegd door de Mestbank of de bevoegde autoriteit van het Waalse Gewest.
De minister stelt nadere regels vast voor de gegevensuitwisseling, vermeld in het eerste lid.
Art. 9.5.10.3. Er wordt een raadgevende commissie opgericht. De raadgevende commissie adviseert inzake de geschillen die voortvloeien uit de bepalingen van deze onderafdeling, en geeft raad aangaande de wijze waarop de gegevensuitwisseling, vermeld in artikel 9.5.10.2, verbeterd of aangepast kan worden.
De minister stelt de nadere regels vast voor de samenstelling en de werking van de raadgevende commissie.".
"Onderafdeling 10. - Transporten voor gewestgrensboeren
Art. 9.5.10.1. § 1. De Mestbank en de bevoegde autoriteit van het Waalse Gewest stellen een gemeenschappelijke lijst op van gewestgrensoverschrijdende bedrijven.
De gewestgrensoverschrijdende bedrijven worden in de gemeenschappelijke lijst opgenomen als ze instemmen met de uitwisseling van de op hun bedrijf betrekking hebbende gegevens, vermeld in artikel 9.5.10.2, tussen de Mestbank en de bevoegde autoriteit van het Waalse Gewest.
De in de lijst opgenomen gewestgrensoverschrijdende bedrijven zijn gewestgrensboeren.
§ 2. De gewestgrensboer die met toepassing van artikel 52, 2°, a), van het Mestdecreet van 22 december 2006, op zijn exploitatie geproduceerde dierlijke mest wil invoeren vanuit het Waalse Gewest of wil uitvoeren naar het Waalse Gewest, kan het transport zelf uitvoeren met eigen transportmiddelen of daarvoor een beroep doen op een erkende mestvoerder.
§ 3. Als de gewestgrensboer erkend is als erkende mestvoerder of voor het gewestgrensoverschrijdende transport een beroep doet op een erkende mestvoeder, zijn artikel 9.5.1.1 tot en met 9.5.2.1 van dit besluit voor het gewestgrensoverschrijdende transport van dierlijke mest met toepassing van artikel 52, 2°, a), van het Mestdecreet van 22 december 2006, van toepassing.
§ 4. De gewestgrensboer die met toepassing van artikel 52, 2°, a), van het Mestdecreet van 22 december 2006, op zijn exploitatie geproduceerde dierlijke mest zelf invoert met eigen transportmiddelen vanuit het Waalse Gewest, maakt voor dat gewestgrensoverschrijdende transport een gewestgrensboerdocument op. Voor de opmaak van het gewestgrensboerdocument en de uitvoering van het transport zijn artikel 9.5.1.1 tot en met 9.5.2.1 van dit besluit, van toepassing, met dien verstande dat:
1° de gewestgrensboer de opgelegde verplichtingen, vermeld in de artikel 9.5.1.1 tot en met 9.5.2.1, aan de erkende mestvoerder, zelf moet nakomen;
2° er maar één exemplaar van het gewestgrensboerdocument opgemaakt moet worden;
3° de voorwaarden, vermeld in artikel 9.5.1.9, van toepassing zijn.
§ 5. Transporten waarbij met toepassing van artikel 52, 2°, a), van het Mestdecreet van 22 december 2006, op de exploitatie van de gewestgrensboer geproduceerde dierlijke mest wordt uitgevoerd naar het Waalse Gewest, worden uitgevoerd in overeenstemming met de regelgeving van de regio van bestemming. Bij die transporten zijn altijd de documenten die krachtens de regelgeving van de regio van bestemming zijn voorgeschreven, aanwezig in het transportvoertuig.
Art. 9.5.10.2. De Mestbank en de bevoegde autoriteit van het Waalse Gewest wisselen gegevens uit over de gewestgrensboeren voor de opvolging van de gewestgrensoverschrijdende transporten, vermeld in artikel 9.5.10.1, § 2, van dit besluit, en voor de berekening van de mestbalans, vermeld in artikel 28, § 3, van het Mestdecreet van 22 december 2006. De uit te wisselen gegevens hebben onder meer betrekking op:
1° de productie van dierlijke mest;
2° de mestafzetmogelijkheden;
3° de hoeveelheden dierlijke mest die gewestgrensoverschrijdend werd vervoerd;
4° de maatregelen die werden opgelegd door de Mestbank of de bevoegde autoriteit van het Waalse Gewest.
De minister stelt nadere regels vast voor de gegevensuitwisseling, vermeld in het eerste lid.
Art. 9.5.10.3. Er wordt een raadgevende commissie opgericht. De raadgevende commissie adviseert inzake de geschillen die voortvloeien uit de bepalingen van deze onderafdeling, en geeft raad aangaande de wijze waarop de gegevensuitwisseling, vermeld in artikel 9.5.10.2, verbeterd of aangepast kan worden.
De minister stelt de nadere regels vast voor de samenstelling en de werking van de raadgevende commissie.".
Art. 24. Dans le même arrêté, il est ajouté au chapitre 9, section 5, une sous-section 10 composée des articles 9.5.10.1 à 9.5.10.3 et rédigée comme suit :
" Sous-section 10. - Transports pour les agriculteurs transrégionaux
Art. 9.5.10.1. § 1er. La Banque d'engrais et l'autorité compétente de la Région wallonne dressent une liste commune des entreprises transrégionales frontalières.
Les exploitations transrégionales sont incluses dans la liste commune si elles acceptent l'échange d'informations sur leurs exploitations visées à l'article 9.5.10.2 entre la Banque d'engrais et l'autorité compétente de la Région wallonne.
Les exploitations figurant dans la liste transrégionale sont des exploitations agricoles transrégionales frontalières.
§ 2. L'agriculteur transrégional frontalier qui, en application de l'article 52, 2°, a) du décret sur les engrais du 22 décembre 2006, souhaite importer du lisier d'élevage produit sur son exploitation à partir de la Région wallonne ou l'exporter vers la Région wallonne, peut effectuer lui-même le transport par ses propres moyens ou faire appel à cet effet à un transporteur d'engrais agréé.
§ 3. Si l'agriculteur frontalier régional est reconnu comme transporteur d'engrais agréé ou s'il fait appel à un transporteur d'engrais agréé pour le transport transrégional, les articles 9.5.1.1 à 9.5.2.1 inclus du présent arrêté s'appliquent au transport transrégional d'engrais, en application de l'article 52, 2°, a), du décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
§ 4. L'agriculteur transrégional frontalier qui, en application de l'article 52, 2°, 2°, a) du décret sur les engrais du 22 décembre 2006, importe lui-même des effluents d'élevage produits sur son exploitation avec ses propres moyens de transport en provenance de la Région wallonne, établit pour le transport en question un document d'agriculteur transrégional frontalier. Les articles 9.5.1.1 à 9.5.2.1 inclus du présent arrêté s'appliquent à la présentation du document d'agriculteur transrégional frontalier, étant entendu que :
1° l'agriculteur transrégional frontalier doit se conformer aux obligations imposées aux transporteurs d'engrais agréés, telles que définies aux articles 9.5.1.1 à 9.5.2.1 inclus ;
2° un seul exemplaire du document d'agriculteur transrégional frontalier doit être établi ;
3° les conditions prévues à l'article 9.5.1.9 s'appliquent.
§ 5. Les transports pour lesquels, en application de l'article 52, 2° a) du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, les effluents d'élevage produits sur l'exploitation de l'agriculteur transrégional frontalier sont exportés vers la Région wallonne, sont effectués conformément à la réglementation de la région de destination. Pour les transports en question, les documents exigés par les règlements de la région de destination sont toujours présents dans le véhicule de transport.
Art. 9.5.10.2. La Banque d'engrais et l'autorité compétente de la Région wallonne échangent des informations sur les agriculteurs transrégionaux frontaliers en vue du suivi des transports transrégionaux visés à l'article 9.5.10.1, § 2, du présent arrêté et pour le calcul du bilan d'engrais visé à l'article 28, § 3, du décret sur les engrais du 22 décembre 2006. Les informations à échanger comprennent, entre autres, les éléments suivants :
1° la production d'effluents d'élevage ;
2° les possibilités d'écoulement d'engrais ;
3° les quantités d'effluents d'élevage transportées au-delà de la frontière régionale ;
4° les mesures imposées par la Banque d'engrais ou l'autorité compétente de la Région wallonne.
Le Ministre fixe les modalités pour l'échange d'informations visé à l'alinéa premier.
Art. 9.5.10.3. Il est institué une commission consultative. La commission consultative donne son avis sur les différends découlant des dispositions de la présente sous-section et sur les moyens d'améliorer ou d'adapter l'échange d'informations visé à l'article 9.5.10.2.
Le Ministre fixe les modalités pour la composition et le fonctionnement de la Commission consultative. "
" Sous-section 10. - Transports pour les agriculteurs transrégionaux
Art. 9.5.10.1. § 1er. La Banque d'engrais et l'autorité compétente de la Région wallonne dressent une liste commune des entreprises transrégionales frontalières.
Les exploitations transrégionales sont incluses dans la liste commune si elles acceptent l'échange d'informations sur leurs exploitations visées à l'article 9.5.10.2 entre la Banque d'engrais et l'autorité compétente de la Région wallonne.
Les exploitations figurant dans la liste transrégionale sont des exploitations agricoles transrégionales frontalières.
§ 2. L'agriculteur transrégional frontalier qui, en application de l'article 52, 2°, a) du décret sur les engrais du 22 décembre 2006, souhaite importer du lisier d'élevage produit sur son exploitation à partir de la Région wallonne ou l'exporter vers la Région wallonne, peut effectuer lui-même le transport par ses propres moyens ou faire appel à cet effet à un transporteur d'engrais agréé.
§ 3. Si l'agriculteur frontalier régional est reconnu comme transporteur d'engrais agréé ou s'il fait appel à un transporteur d'engrais agréé pour le transport transrégional, les articles 9.5.1.1 à 9.5.2.1 inclus du présent arrêté s'appliquent au transport transrégional d'engrais, en application de l'article 52, 2°, a), du décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
§ 4. L'agriculteur transrégional frontalier qui, en application de l'article 52, 2°, 2°, a) du décret sur les engrais du 22 décembre 2006, importe lui-même des effluents d'élevage produits sur son exploitation avec ses propres moyens de transport en provenance de la Région wallonne, établit pour le transport en question un document d'agriculteur transrégional frontalier. Les articles 9.5.1.1 à 9.5.2.1 inclus du présent arrêté s'appliquent à la présentation du document d'agriculteur transrégional frontalier, étant entendu que :
1° l'agriculteur transrégional frontalier doit se conformer aux obligations imposées aux transporteurs d'engrais agréés, telles que définies aux articles 9.5.1.1 à 9.5.2.1 inclus ;
2° un seul exemplaire du document d'agriculteur transrégional frontalier doit être établi ;
3° les conditions prévues à l'article 9.5.1.9 s'appliquent.
§ 5. Les transports pour lesquels, en application de l'article 52, 2° a) du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, les effluents d'élevage produits sur l'exploitation de l'agriculteur transrégional frontalier sont exportés vers la Région wallonne, sont effectués conformément à la réglementation de la région de destination. Pour les transports en question, les documents exigés par les règlements de la région de destination sont toujours présents dans le véhicule de transport.
Art. 9.5.10.2. La Banque d'engrais et l'autorité compétente de la Région wallonne échangent des informations sur les agriculteurs transrégionaux frontaliers en vue du suivi des transports transrégionaux visés à l'article 9.5.10.1, § 2, du présent arrêté et pour le calcul du bilan d'engrais visé à l'article 28, § 3, du décret sur les engrais du 22 décembre 2006. Les informations à échanger comprennent, entre autres, les éléments suivants :
1° la production d'effluents d'élevage ;
2° les possibilités d'écoulement d'engrais ;
3° les quantités d'effluents d'élevage transportées au-delà de la frontière régionale ;
4° les mesures imposées par la Banque d'engrais ou l'autorité compétente de la Région wallonne.
Le Ministre fixe les modalités pour l'échange d'informations visé à l'alinéa premier.
Art. 9.5.10.3. Il est institué une commission consultative. La commission consultative donne son avis sur les différends découlant des dispositions de la présente sous-section et sur les moyens d'améliorer ou d'adapter l'échange d'informations visé à l'article 9.5.10.2.
Le Ministre fixe les modalités pour la composition et le fonctionnement de la Commission consultative. "
Art. 25. In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk 10, dat bestaat uit artikel 10, vervangen door wat volgt:
"HOOFDSTUK 10. - Monstername en analyses
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 10.1.1. In dit hoofdstuk wordt onder een soort dierlijke mest verstaan, dierlijke mest waarvoor minstens al de volgende voorwaarden voldaan zijn:
1° de vorm en de mestcode van de betrokken dierlijke mest is gelijk;
2° de dierlijke mest is op dezelfde exploitatie geproduceerd;
3° de dierlijke mest wordt afgevoerd van dezelfde exploitatie of dezelfde uitbating.
Vrachten van dezelfde soort dierlijke mest worden voor de toepassing van dit hoofdstuk als soortgelijke vrachten beschouwd, tenzij op de betrokken exploitatie de betrokken mestsoort op verschillende manieren geproduceerd wordt, waardoor de samenstelling van de betrokken mestsoort kan verschillen en er voor de betrokken mestsoort op de betrokken exploitatie verschillende, gescheiden opslagen aanwezig zijn. De Mestbank maakt voor een dergelijke exploitatie een onderscheiden identificatie mogelijk. Als de exploitant voor een soort dierlijke mest waarvoor hij geopteerd heeft voor een systeem waarbij de mestsamenstellingscijfers, gebaseerd op een of meer analyses van de betrokken soort dierlijke mest, over een onderscheiden identificatie beschikt:
1° moet hij voor de gevallen, vermeld in artikel 10.2.1.2, § 1, tweede lid, gebruikmaken van die onderscheiden identificatie;
2° worden voor de betrokken exploitatie vrachten van dezelfde soort dierlijke mest en met dezelfde onderscheiden identificatie als soortgelijke vrachten beschouwd.
De minister kan nadere regels stellen aangaande de vormen en mestcodes van dierlijke mest en aangaande de verschillende productiemanieren van een mestsoort die tot een verschillende mestsamenstelling kunnen leiden. De minister kan bepalen hoe sterk de samenstelling van een mestsoort moet verschillen opdat een onderscheiden identificatie mogelijk zou zijn en kan de nadere regels bepalen aangaande de wijze waarop een landbouwer dit kan aantonen.
Art. 10.1.2. Als voor de bepaling van de mestsamenstelling van een analyse wordt gebruikgemaakt, wordt de monstername met bijbehorende analyse uiterlijk op de dag dat het monster in het laboratorium ontvangen wordt, aangemeld via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie, vermeld in artikel 53/1, § 1, van het VLAREL van 19 november 2010.
In afwijking van het eerste lid kan de Mestbank opleggen dat voor bepaalde monsternames met bijbehorende analyses de aanmelding vroeger gedaan moet worden.
Afdeling 2. - Meststoffen
Onderafdeling 1. - De keuze van het systeem voor het bepalen van de mestsamenstelling
Art. 10.2.1.1. De volgende systemen worden toegepast om de mestsamenstelling te bepalen:
1° de forfaitaire mestsamenstelling;
2° het bepalen van de mestsamenstelling op basis van een of meer analyses;
3° een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling;
4° een berekende mestsamenstelling.
Art. 10.2.1.2. § 1. Elke landbouwer, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 1°, a), van het Mestdecreet van 22 december 2006, kiest een van de systemen, vermeld in artikel 10.2.1.1, voor het bepalen van de mestsamenstelling van elke soort dierlijke mest die op zijn bedrijf geproduceerd of afgevoerd wordt, per kalenderjaar en per exploitatie.
De landbouwer, vermeld in het eerste lid, moet per exploitatie voor elke soort dierlijke mest gedurende het volledige kalenderjaar het gekozen systeem voor het bepalen van de mestsamenstelling toepassen:
1° voor het bepalen van de hoeveelheid vervoerde meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, op elk transportdocument waarop hij als aanbieder vermeld is;
2° voor het opmaken en invullen van het bemestingsplan, vermeld in artikel 4.1.1.1 van dit besluit, en van het bemestingsregister, vermeld in artikel 24, § 5, van het voormelde decreet;
3° voor het invullen op de aangifte, vermeld in artikel 23 van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, die op de exploitatie of de uitbating opgeslagen waren;
4° voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, die hij op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden gebruikt.
§ 2. De landbouwer maakt zijn keuzes, vermeld in paragraaf 1, bekend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, uiterlijk op 15 februari van het betrokken jaar.
In afwijking van het eerste lid maakt een landbouwer die zich in de loop van een kalenderjaar in het GBCS heeft laten identificeren als actieve landbouwer, uiterlijk op de zestigste dag na de dag waarop hij als landbouwer in het GBCS werd geïdentificeerd, zijn keuzes bekend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket.
Als een landbouwer in een bepaald kalenderjaar vóór de uiterste dag, vermeld in het eerste of het tweede lid, als aanbieder van meststoffen een transport wil uitvoeren of laten uitvoeren, moet hij voor de betrokken soort dierlijke mest, voorafgaand aan het moment van het transport een keuze als vermeld in paragraaf 1, bekend gemaakt hebben via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, vermeld in het eerste en het tweede lid. Het transport is verboden tot de landbouwer voor de betrokken soort dierlijke mest zijn keuze bekend gemaakt heeft via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket.
Als de landbouwer op de uiterste dag, vermeld in het eerste, het tweede of het derde lid, voor een of meer soorten dierlijke mest die op zijn bedrijf geproduceerd worden, geen keuze bekendgemaakt heeft via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket of via een of meer transportdocumenten als vermeld in het derde lid:
1° kiest hij voor de soorten dierlijke mest het systeem waarvoor hij het vorige kalenderjaar gekozen had als hij het vorige kalenderjaar voor de betrokken soorten dierlijke mest al voor een bepaald systeem gekozen had;
2° kiest hij voor de soorten dierlijke mest het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers als hij het vorige kalenderjaar voor de betrokken soorten dierlijke mest niet voor een bepaald systeem gekozen had. Als voor de betrokken soort dierlijke mest het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers niet mogelijk is, kiest hij in afwijking daarvan voor het systeem waarbij de mestsamenstelling bepaald wordt op basis van een of meer analyses.
Art. 10.2.1.3. Elke aangifteplichtige, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 2°, of 8°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, kiest voor het bepalen van de mestsamenstelling van de dierlijke mest of andere meststoffen die op zijn uitbating opgeslagen zijn of die vanuit zijn uitbating afgevoerd worden, voor het systeem waarbij de mestsamenstelling bepaald wordt op basis van een berekende mestsamenstelling.
Art. 10.2.1.4. Elke aangifteplichtige, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 3°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, kiest voor het bepalen van de mestsamenstelling van de dierlijke mest of andere meststoffen die op zijn uitbating opgeslagen zijn of die vanuit zijn uitbating afgevoerd worden, voor het systeem waarbij de mestsamenstelling bepaald wordt op basis van een of meer analyses.
Onderafdeling 2. - Het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers
Art. 10.2.2.1. In de volgende situaties of voor de volgende soorten dierlijke mest kan er niet gekozen worden voor het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers:
1° voor alle soorten dierlijke mest of andere meststoffen die niet vermeld zijn in de tabel, opgenomen in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd;
2° voor alle soorten dierlijke mest die geheel of gedeeltelijk vervoerd worden naar een ander bedrijf dat een derogatiebedrijf is;
3° bij een derogatiebedrijf dat dierlijke mest ontvangt van een ander bedrijf.
De beperking, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, geldt niet als het een van de volgende transporten betreft:
1° een transport van dunne fractie die beschikt over een dunnefractieattest als vermeld in artikel 5.3.1.1;
2° een transport van effluent die beschikt over een effluentattest als vermeld in artikel 5.3.1.2;
3° een transport vanuit een exploitatie naar dezelfde exploitatie of naar een andere exploitatie die deel uitmaakt van hetzelfde bedrijf.
De minister kan de situaties of soorten dierlijke mest of andere meststoffen waarvoor niet gekozen kan worden voor het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers aanpassen en kan situaties of soorten dierlijke mest of andere meststoffen bepalen waarvoor altijd gekozen moet worden voor het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers.
Art. 10.2.2.2. Als voor een soort dierlijke mest of andere meststoffen gekozen is voor het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers, worden voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, de waarden gebruikt van de tabel, opgenomen in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 10.2.2.3. De exploitant die voor een bepaalde exploitatie en voor een bepaalde mestsoort gebruikmaakt van het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers, en waarvoor ten gevolge van uitzonderlijke omstandigheden voor een beperkte periode of een beperkte hoeveelheid meststoffen de forfaitaire mestsamenstellingscijfers niet langer representatief zijn voor de betrokken mestsoort, vraagt aan de Mestbank de toestemming om voor een beperkte periode of een beperkte hoeveelheid meststoffen voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort, gebruik te maken van het systeem, vermeld in onderafdeling 3.
De exploitant vraagt via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket de toestemming, vermeld in het eerste lid, en vermeldt daarbij de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan de forfaitaire mestsamenstelling niet langer representatief is.
De Mestbank brengt de exploitant via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket op de hoogte van haar beslissing. Als de Mestbank haar toestemming geeft om tijdelijk, voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort, gebruik te maken van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, vermeldt ze onder welke voorwaarden en voor welke periode gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3.
De periode waarvoor gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, begint ten vroegste vanaf het moment van de toestemming van de Mestbank.
In afwijking van het vierde lid kan de exploitant bij het vragen van de toestemming, als vermeld in het tweede lid, motiveren dat er dringend meststoffen van de exploitatie afgevoerd moesten worden, en verzoeken om de periode waarin voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, te laten beginnen op het moment dat de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan de forfaitaire mestsamenstellingscijfers niet langer representatief waren, zich hebben voorgedaan. In voorkomend geval kan de Mestbank beslissen dat de periode waarvoor gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, begint voor het moment van de toestemming van de Mestbank.
De individuele vrachtanalyses die uitgevoerd werden in de periode waarvoor de Mestbank toestemming had gegeven om het systeem, vermeld in onderafdeling 3, te gebruiken, worden niet beschouwd als individuele vrachtanalyses van een soortgelijke vracht als vermeld in artikel 10.2.4.2, § 1, of artikel 10.2.4.4, § 1.
Als de periode, vermeld in het vierde lid, niet op een bepaalde datum eindigt, deelt de exploitant via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket of met een beveiligde zending mee vanaf wanneer de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers niet langer representatief is, de mestsamenstelling van de betrokken mestsoort niet langer beïnvloeden. De melding moet gedaan worden uiterlijk veertien dagen na het moment vanaf wanneer de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers niet langer representatief is, de mestsamenstelling van de betrokken mestsoort niet langer beïnvloeden. Vanaf het moment van de melding moet de landbouwer voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort, opnieuw gebruikmaken van het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers, en kan hij niet langer gebruikmaken van het systeem, vermeld in onderafdeling 3.
Onderafdeling 3. - Het bepalen van de mestsamenstelling op basis van een of meer analyses
Art. 10.2.3.1. De minister kan situaties of soorten dierlijke mest of andere meststoffen bepalen waarvoor niet gekozen kan worden voor het systeem waarbij de mestsamenstelling bepaald wordt op basis van een of meer analyses en kan situaties of soorten dierlijke mest of andere meststoffen bepalen waarvoor altijd gekozen moet worden voor het systeem waarbij de mestsamenstelling bepaald wordt op basis van een of meer analyses.
Art. 10.2.3.2. § 1. Als voor een bepaalde exploitatie of een bepaalde uitbating en voor een soort dierlijke mest of andere meststoffen gekozen is voor het systeem waarbij de mestsamenstellingscijfers, gebaseerd op een of meer analyses van de soort dierlijke mest of andere meststoffen, worden voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, de waarden gebruikt van een of meer analyses van de betrokken soort dierlijke mest. Daarbij zijn de volgende keuzes mogelijk:
1° een individuele vrachtanalyse;
2° het gemiddelde van twee of meer individuele vrachtanalyses;
3° een putstaal.
De minister kan voor bepaalde situaties of bepaalde soorten dierlijke mest of andere meststoffen, de keuze vermeld in het eerste lid, beperken.
§ 2. Als voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, een vrachtanalyse gebruikt moet worden, moet die vrachtanalyse voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° de monstername en de analyse zijn uitgevoerd door een erkend laboratorium;
2° de monstername en de analyse hebben maar betrekking op één vracht meststoffen;
3° de monstername wordt uitgevoerd op het moment dat de meststoffen geladen worden;
4° de analyse werd uiterlijk op de dag dat het monster in het laboratorium ontvangen wordt, aangemeld via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie, vermeld in artikel 53/1, § 1, van het VLAREL van 19 november 2010;
5° als de analyse betrekking heeft op een transport van dierlijke mest, waarvoor een transportdocument opgemaakt werd, wordt op het analyseverslag het nummer vermeld van dat transportdocument;
6° elke bij het transport betrokken partij kan tot een periode van twaalf maanden na het transport een kosteloos afschrift vragen van de analyses die gebruikt zijn voor het bepalen van de mestsamenstelling van de vervoerde meststoffen.
§ 3. Als voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, een putanalyse gebruikt moet worden, moet die putanalyse voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° de monstername en de analyse zijn uitgevoerd door een erkend laboratorium;
2° de monstername en de analyse hebben maar betrekking op één opslag van meststoffen;
3° de analyse werd uiterlijk op de dag dat het monster in het laboratorium ontvangen wordt, aangemeld via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie, vermeld in artikel 53/1, § 1, van het VLAREL van 19 november 2010;
4° als de putanalyse gebruikt wordt voor het bepalen van de mestsamenstelling van de vervoerde meststoffen, kan elke bij het transport betrokken partij tot een periode van twaalf maanden na het transport een kosteloos afschrift vragen van die putanalyse.
Art. 10.2.3.3. Als voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, gebruikgemaakt wordt van een individuele vrachtanalyse, moet die vrachtanalyse voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° het resultaat van één individuele vrachtanalyse kan alleen gebruikt worden voor het bepalen van de mestsamenstelling van die vracht dierlijke mest of andere meststoffen;
2° als voor het transport van de betrokken vracht dierlijke mest of andere meststoffen een transportdocument is opgemaakt, wordt op dat transportdocument vermeld dat de mestsamenstelling bepaald wordt aan de hand van een individuele vrachtanalyse. Als de resultaten van de individuele vrachtanalyse bekend zijn, wordt de vervoerde hoeveelheid meststoffen bepaald op basis van de resultaten van de individuele vrachtanalyse.
Als het transportdocument, vermeld in het eerste lid, betrekking heeft op meerdere vrachten, worden al die vrachten individueel geanalyseerd en wordt de vervoerde hoeveelheid meststoffen bepaald op basis van het gemiddelde van de resultaten van de verschillende individuele vrachtanalyses.
Art. 10.2.3.4. § 1. Als de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, bepaald wordt op basis van het gemiddelde van twee of meer individuele vrachtanalyses, zijn er minimaal twee of meer individuele vrachtanalyses, die voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° er zit tussen de eerste en de laatste individuele monstername maximaal zeven dagen;
2° de individuele vrachtanalyses hebben betrekking op soortgelijke vrachten;
3° de aanbieder van de meststoffen is dezelfde exploitant of uitbater.
Als via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie, vermeld in artikel 53/1, § 1, van het VLAREL van 19 november 2010, twee of meer individuele vrachtanalyses aangemeld worden, die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt verondersteld dat de analyses bedoeld zijn voor de bepaling van de mestsamenstelling aan de hand van het gemiddelde van twee of meer individuele vrachtanalyses.
In afwijking van het tweede lid kan de aanbieder van de meststoffen aan de Mestbank meedelen dat de betrokken analyses bedoeld zijn voor de bepaling van de mestsamenstelling van een individuele vracht op basis van een vrachtanalyse van de betrokken vracht.
De minister kan nadere regels bepalen aangaande de wijze waarop het gemiddelde, als vermeld in het eerste lid, berekend wordt, aangaande de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, aangaande de wijze waarop de webapplicatie als vermeld in het tweede lid, gebruikt moet worden en aangaande de wijze waarop de mededeling, vermeld in het derde lid, moet gebeuren.
§ 2. De gemiddelde mestsamenstelling, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, moet gebruikt worden voor:
1° alle vrachten die individueel bemonsterd werden en waarvan het resultaat van de individuele vrachtanalyses gebruikt is voor het bepalen van die gemiddelde mestsamenstelling;
2° alle soortgelijke vrachten die uitgevoerd worden in de drie maanden na de datum waarop de eerste individuele monstername die gebruikt is voor het bepalen van die gemiddelde mestsamenstelling, uitgevoerd werd.
Als in de periode van drie maanden, vermeld in het eerste lid, 2°, twee of meer soortgelijke vrachten individueel bemonsterd worden voor de bepaling van een nieuwe gemiddelde mestsamenstelling, of als er een putstaal als vermeld in artikel 10.2.3.5, genomen wordt dat betrekking heeft op de soort dierlijke mest of andere meststoffen, gelden in afwijking van het eerste lid, de volgende voorwaarden:
1° de nieuwe gemiddelde samenstelling of het resultaat van het putstaal moet gebruikt worden voor alle soortgelijke vrachten die uitgevoerd worden vanaf de tweede werkdag die volgt op de dag waarop de nieuwe gemiddelde samenstelling of het resultaat van het putstaal via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket meegedeeld is;
2° voor de eerste individuele monstername die gebruikt wordt voor het bepalen van de nieuwe gemiddelde mestsamenstelling en voor alle soortgelijke vrachten die uitgevoerd worden tussen het uitvoeren van de eerste individuele monstername die gebruikt wordt voor het bepalen van de nieuwe gemiddelde mestsamenstelling en de tweede werkdag die volgt op de dag waarop de nieuwe gemiddelde samenstelling via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket meegedeeld is, kan gekozen worden voor de oude of de nieuwe gemiddelde samenstelling. De oude gemiddelde samenstelling kan alleen gebruikt worden als de termijn van drie maanden, vermeld in het eerste lid, 2°, nog niet overschreden is;
3° voor alle soortgelijke vrachten die uitgevoerd worden tussen het uitvoeren van het putstaal en de tweede werkdag die volgt op de dag waarop de resultaten van het putstaal via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket meegedeeld is, kan gekozen worden voor de oude gemiddelde samenstelling of het resultaat van het putstaal. De oude gemiddelde samenstelling kan alleen gebruikt worden als de termijn van drie maanden, vermeld in het eerste lid, 2°, nog niet overschreden is.
Als in de periode van drie maanden, vermeld in het eerste lid, 2°, voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, een soortgelijke vracht individueel bemonsterd wordt als vermeld in artikel 10.2.3.3, geldt in afwijking van het eerste lid dat het resultaat van de individuele vrachtanalyse gebruikt moet worden voor het bepalen van de mestsamenstelling van de betrokken vracht dierlijke mest of andere meststoffen.
Art. 10.2.3.5. Voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, kan alleen gebruikgemaakt worden van een putstaal als in de opslag die bemonsterd wordt geen mengmest die afkomstig is van varkens, is opgeslagen.
§ 2. Het resultaat van een putstaal, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, moet gebruikt worden voor het bepalen van de hoeveelheid vervoerde meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, op alle transportdocumenten waarvoor aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
1° het putstaal moet afkomstig zijn van de opslag van waaruit de vracht vervoerde meststoffen afkomstig is;
2° de betrokken vracht vervoerde meststoffen moet uitgevoerd worden in de drie maanden na de datum waarop de betrokken monstername werd uitgevoerd;
3° de mestsamenstelling van de betrokken opslag mag tussen het moment van de monstername en het moment van transport niet significant gewijzigd zijn. Daaronder wordt minstens verstaan dat er aan de betrokken opslag sinds het moment van de monstername geen meststoffen meer zijn toegevoegd, behalve dierlijke mest die geproduceerd is op dezelfde exploitatie als die waar de mestopslag ligt, en op voorwaarde dat het een toevoeging met een mestsoort betreft die op het moment van de monstername al in de mestopslag aanwezig was.
Als in de periode van drie maanden, vermeld in het eerste lid, 2°, twee of meer vrachten die afkomstig zijn van de betrokken opslag, individueel bemonsterd worden voor de bepaling van een gemiddelde mestsamenstelling als vermeld in artikel 10.2.3.4, of als er van die opslag een nieuw putstaal genomen wordt, gelden in afwijking van het eerste lid de volgende voorwaarden:
1° de gemiddelde samenstelling of het resultaat van het nieuwe putstaal moet gebruikt worden voor alle soortgelijke vrachten die uitgevoerd worden vanaf de tweede werkdag die volgt op de dag waarop de gemiddelde samenstelling of het resultaat van het nieuwe putstaal via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket meegedeeld is;
2° voor de eerste individuele monstername die gebruikt wordt voor het bepalen van de gemiddelde mestsamenstelling en voor alle soortgelijke vrachten die uitgevoerd worden tussen het uitvoeren van de eerste individuele monstername die gebruikt wordt voor het bepalen van de gemiddelde mestsamenstelling en de tweede werkdag die volgt op de dag waarop de gemiddelde samenstelling via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket meegedeeld is, kan gekozen worden voor de gemiddelde samenstelling of het resultaat van het putstaal. Het resultaat van het putstaal kan alleen gebruikt worden als de termijn van drie maanden, als vermeld in het eerste lid, 2°, nog niet overschreden is;
3° voor alle soortgelijke vrachten die uitgevoerd worden tussen het uitvoeren van het nieuwe putstaal en de tweede werkdag die volgt op de dag waarop de resultaten van het nieuwe putstaal via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket meegedeeld is, kan gekozen worden voor het resultaat van het oude putstaal of dat van het nieuwe putstaal. Het resultaat van het oude putstaal kan alleen gebruikt worden als de termijn van drie maanden, vermeld in het eerste lid, 2°, nog niet overschreden is.
Als in de periode van drie maanden, vermeld in het eerste lid, 2°, voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, een vracht die afkomstig is van de betrokken opslag, individueel bemonsterd wordt als vermeld in artikel 10.2.3.3, geldt in afwijking van het eerste lid dat het resultaat van de individuele vrachtanalyse gebruikt moet worden voor het bepalen van de mestsamenstelling van de betrokken vracht dierlijke mest of andere meststoffen.
Art. 10.2.3.6. Voor het invullen op de aangifte van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, die op de exploitatie opgeslagen waren, vermeld in artikel 10.2.1.2, § 1, tweede lid, 3°, moet per opslag de mestsamenstelling van de opgeslagen meststoffen bepaald worden op basis van een gemiddelde mestsamenstelling als vermeld in artikel 10.2.3.4, die bepaald is op basis van twee of meer vrachten die afkomstig zijn van de betrokken opslag of op basis een putstaal van de betrokken opslag als vermeld in artikel 10.2.3.5, en moet voldaan zijn aan de volgende voorwaarden:
1° de eerste individuele monstername die gebruikt is voor het bepalen van de gemiddelde mestsamenstelling of het betrokken putstaal, werd ten vroegste op 1 oktober van het afgelopen kalenderjaar genomen;
2° aan de betrokken opslag werden sinds het moment van de staalname geen meststoffen meer toegevoegd, behalve dierlijke mest die geproduceerd op dezelfde exploitatie als die waar de mestopslag ligt, en op voorwaarde dat het een toevoeging met een mestsoort betreft die op het moment van de staalname al in de mestopslag aanwezig was.
Als voor een opslag er meerdere gemiddelde samenstellingen, meerdere putstalen, of zowel een gemiddelde samenstelling als een putstaal, beschikbaar zijn, die alle voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de mestsamenstelling van de opgeslagen meststoffen bepaald op basis van de meest recente monstername.
Als er voor een opslag geen enkele gemiddelde samenstelling en geen enkel putstaal beschikbaar is conform de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de mestsamenstelling van de opgeslagen meststoffen bepaald op basis van het gemiddelde van al de individuele vrachtanalyses die betrekking hebben op de mestsoort die in de betrokken opslag opgeslagen is, en die genomen zijn na 1 januari van het afgelopen jaar. Daarvoor moeten er minimaal twee individuele vrachtanalyses beschikbaar zijn.
Als er voor een opslag geen enkele gemiddelde samenstelling en geen enkel putstaal beschikbaar is conform de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, en er sinds 1 januari van het afgelopen jaar niet minimaal twee individuele vrachtanalyses geanalyseerd zijn die betrekking hebben op de mestsoort die in de betrokken opslag opgeslagen is, wordt voor het bepalen van de mestsamenstelling van de opgeslagen meststoffen gebruikgemaakt van de forfaitaire waarde. Als voor de betrokken mestsoort geen forfaitaire waarde opgenomen is in de tabel, in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd, moet een putstaal genomen worden en wordt het resultaat van dat putstaal gebruikt om de mestsamenstelling van de opgeslagen meststoffen te bepalen.
Onderafdeling 4. - Het systeem waarbij de mestsamenstellingscijfers gebaseerd worden op een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling van de soort dierlijke mest
Art. 10.2.4.1. § 1. Een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling kan alleen gebruikt worden voor het bepalen van de samenstelling van een op de exploitatie geproduceerde soort mengmest die afkomstig is van varkens, waarvan de landbouwer op basis van individuele vrachtanalyses aantoont dat de samenstelling stabiel is.
Een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling kan alleen gebruikt worden voor varkensmest van dezelfde soort dierlijke mest. Als een landbouwer voor een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling kiest, moet hij voor al de gevallen, vermeld in artikel 10.2.1.2, § 1, tweede lid, die betrekking hebben op varkensmest van dezelfde soort dierlijke mest, gebruikmaken van die bedrijfsspecifieke samenstelling.
Als de landbouwer voor de betrokken soort varkensmest over een onderscheiden identificatie beschikt als vermeld in artikel 10.1.1, tweede lid, kan hij in afwijking van het tweede lid per onderscheiden identificatie een afzonderlijke bedrijfsspecifieke mestsamenstelling krijgen. In voorkomend geval gelden al de volgende voorwaarden:
1° de onderscheiden bedrijfsspecifieke mestsamenstellingswaarde wordt gedurende het volledige kalenderjaar voor al de gevallen, vermeld in artikel 10.2.1.2, § 1, tweede lid, die betrekking hebben op de onderscheiden mestsoort, gebruikt;
2° voor de toepassing van deze onderafdeling wordt per afzonderlijke bedrijfsspecifieke mestsamenstelling alleen rekening gehouden met individuele vrachtanalyses die betrekking hebben op de betrokken onderscheiden mestsoort;
3° voor elk van de betrokken bedrijfsspecifieke mestsamenstellingen afzonderlijk wordt voldaan waan de voorwaarden in deze onderafdeling.
De minister kan nadere regels stellen aangaande de wijze waarop een onderscheiden identificatie gebruikt moet worden en aangaande de voorwaarden, vermeld in het derde lid, die vervuld moeten zijn, als gebruik gemaakt wordt van een onderscheiden identificatie.
§ 2. Als voor een bepaalde mestsoort de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, bepaald wordt op basis van een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling, moet gedurende het volledige kalenderjaar voor al de gevallen, vermeld in artikel 10.2.1.2, § 1, tweede lid, die betrekking hebben op die mestsoort, de bedrijfsspecifieke mestsamenstellingswaarde gebruikt worden.
In afwijking van het eerste lid kan de landbouwer die in de loop van een kalenderjaar voor een betrokken mestsoort nog een of meer individuele vrachtanalyses moet laten uitvoeren om te voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 10.2.4.2, voor de betrokken mestsoort in de loop van het kalenderjaar met de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling starten. In voorkomend geval kan voor al de gevallen, vermeld in artikel 10.2.1.2, § 1, tweede lid, die betrekking hebben op de betrokken mestsoort en die zich voordoen vóór de melding van de Mestbank, vermeld in artikel 10.2.4.3, § 2, tweede lid, gebruikgemaakt worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 vraagt de landbouwer die voor een bepaalde exploitatie en voor een bepaalde mestsoort gebruikmaakt van een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling en waarvoor, ten gevolge van uitzonderlijke omstandigheden, voor een beperkte periode of een beperkte hoeveelheid meststoffen, de betrokken bedrijfsspecifieke mestsamenstelling niet langer representatief is voor die mestsoort, aan de Mestbank de toestemming om voor een beperkte periode of een beperkte hoeveelheid meststoffen, voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort, gebruik te maken van het systeem, vermeld in onderafdeling 3.
De landbouwer vraagt via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket de toestemming, vermeld in het eerste lid, en vermeldt daarbij de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan de betrokken bedrijfsspecifieke mestsamenstelling niet langer representatief is.
De Mestbank brengt de landbouwer via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket op de hoogte van haar beslissing. Als de Mestbank haar toestemming geeft om tijdelijk, voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort, gebruik te maken van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, vermeldt ze onder welke voorwaarden en voor welke periode gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3.
De periode waarvoor gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, begint ten vroegste vanaf het moment van de toestemming van de Mestbank. In afwijking daarvan kan de landbouwer, bij het vragen van de toestemming, vermeld in het tweede lid, motiveren dat er dringend meststoffen van het bedrijf afgevoerd moesten worden, en verzoeken om de periode waarin voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort, gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, te laten beginnen op het moment dat de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan de betrokken bedrijfsspecifieke mestsamenstelling niet langer representatief was, zich hebben voorgedaan. In voorkomend geval kan de Mestbank beslissen dat de periode waarvoor gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, begint voor het moment van de toestemming van de Mestbank.
Met de individuele vrachtanalyses die uitgevoerd werden in de periode waarvoor de Mestbank toestemming had gegeven om het systeem, vermeld in onderafdeling 3, te gebruiken, wordt als volgt rekening gehouden:
1° ze worden niet beschouwd als individuele vrachtanalyses van een soortgelijke vracht als vermeld in artikel 10.2.4.4, § 1;
2° ze worden niet in rekening gebracht bij de controle of de samenstelling van de betrokken mestsoort nog altijd stabiel is, vermeld in artikel 10.2.4.4, § 2.
Als de periode, vermeld in het vierde lid, niet eindigt op een bepaalde datum, deelt de landbouwer via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket of met een beveiligde zending mee vanaf wanneer de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan de betrokken bedrijfsspecifieke mestsamenstelling niet langer representatief is, de mestsamenstelling van de betrokken mestsoort niet langer beïnvloeden. Die melding moet gedaan worden uiterlijk veertien dagen na het moment vanaf wanneer de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan de betrokken bedrijfsspecifieke mestsamenstelling niet langer representatief is, de mestsamenstelling van de betrokken mestsoort niet langer beïnvloeden. Vanaf het moment van de melding moet voldaan worden aan al de onderstaande voorwaarden:
1° de landbouwer moet voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort opnieuw gebruikmaken van de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling en hij kan niet langer gebruikmaken van het systeem, vermeld in onderafdeling 3;
2° de individuele vrachtanalyses die uitgevoerd worden op vrachten van de betrokken mestsoort worden beschouwd als individuele vrachtanalyses van een soortgelijke vracht als vermeld in artikel 10.2.4.4, § 1, en worden in rekening gebracht bij de controle of de samenstelling van de betrokken mestsoort nog altijd stabiel is, vermeld in artikel 10.2.4.4, § 2.
Art. 10.2.4.2. § 1. Om aan te tonen dat de samenstelling van een bepaalde op de exploitatie geproduceerde soort varkensmest stabiel is, wordt rekening gehouden met al de individuele vrachtanalyses die betrekking hebben op soortgelijke vrachten.
Er moeten minimaal vier individuele vrachtanalyses die betrekking hebben op soortgelijke vrachten beschikbaar zijn.
Zowel voor stikstof als voor fosfaat wordt op basis van al de beschikbare individuele vrachtanalyses die betrekking hebben op soortgelijke vrachten, het verschil bepaald tussen het analyseresultaat met de hoogste samenstelling, uitgedrukt respectievelijk in kg N of in kg P2O5, en het analyseresultaat met de laagste samenstelling, uitgedrukt respectievelijk in kg N of in kg P2O5.
De samenstelling van een bepaalde op de exploitatie geproduceerde soort varkensmest is stabiel als het verschil, berekend conform het derde lid, zowel voor stikstof als voor fosfaat, kleiner is dan het toegelaten verschil, vermeld in de volgende tabel, rekening houdend met het aantal individuele vrachtanalyses op basis waarvan het verschil berekend werd:
"HOOFDSTUK 10. - Monstername en analyses
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 10.1.1. In dit hoofdstuk wordt onder een soort dierlijke mest verstaan, dierlijke mest waarvoor minstens al de volgende voorwaarden voldaan zijn:
1° de vorm en de mestcode van de betrokken dierlijke mest is gelijk;
2° de dierlijke mest is op dezelfde exploitatie geproduceerd;
3° de dierlijke mest wordt afgevoerd van dezelfde exploitatie of dezelfde uitbating.
Vrachten van dezelfde soort dierlijke mest worden voor de toepassing van dit hoofdstuk als soortgelijke vrachten beschouwd, tenzij op de betrokken exploitatie de betrokken mestsoort op verschillende manieren geproduceerd wordt, waardoor de samenstelling van de betrokken mestsoort kan verschillen en er voor de betrokken mestsoort op de betrokken exploitatie verschillende, gescheiden opslagen aanwezig zijn. De Mestbank maakt voor een dergelijke exploitatie een onderscheiden identificatie mogelijk. Als de exploitant voor een soort dierlijke mest waarvoor hij geopteerd heeft voor een systeem waarbij de mestsamenstellingscijfers, gebaseerd op een of meer analyses van de betrokken soort dierlijke mest, over een onderscheiden identificatie beschikt:
1° moet hij voor de gevallen, vermeld in artikel 10.2.1.2, § 1, tweede lid, gebruikmaken van die onderscheiden identificatie;
2° worden voor de betrokken exploitatie vrachten van dezelfde soort dierlijke mest en met dezelfde onderscheiden identificatie als soortgelijke vrachten beschouwd.
De minister kan nadere regels stellen aangaande de vormen en mestcodes van dierlijke mest en aangaande de verschillende productiemanieren van een mestsoort die tot een verschillende mestsamenstelling kunnen leiden. De minister kan bepalen hoe sterk de samenstelling van een mestsoort moet verschillen opdat een onderscheiden identificatie mogelijk zou zijn en kan de nadere regels bepalen aangaande de wijze waarop een landbouwer dit kan aantonen.
Art. 10.1.2. Als voor de bepaling van de mestsamenstelling van een analyse wordt gebruikgemaakt, wordt de monstername met bijbehorende analyse uiterlijk op de dag dat het monster in het laboratorium ontvangen wordt, aangemeld via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie, vermeld in artikel 53/1, § 1, van het VLAREL van 19 november 2010.
In afwijking van het eerste lid kan de Mestbank opleggen dat voor bepaalde monsternames met bijbehorende analyses de aanmelding vroeger gedaan moet worden.
Afdeling 2. - Meststoffen
Onderafdeling 1. - De keuze van het systeem voor het bepalen van de mestsamenstelling
Art. 10.2.1.1. De volgende systemen worden toegepast om de mestsamenstelling te bepalen:
1° de forfaitaire mestsamenstelling;
2° het bepalen van de mestsamenstelling op basis van een of meer analyses;
3° een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling;
4° een berekende mestsamenstelling.
Art. 10.2.1.2. § 1. Elke landbouwer, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 1°, a), van het Mestdecreet van 22 december 2006, kiest een van de systemen, vermeld in artikel 10.2.1.1, voor het bepalen van de mestsamenstelling van elke soort dierlijke mest die op zijn bedrijf geproduceerd of afgevoerd wordt, per kalenderjaar en per exploitatie.
De landbouwer, vermeld in het eerste lid, moet per exploitatie voor elke soort dierlijke mest gedurende het volledige kalenderjaar het gekozen systeem voor het bepalen van de mestsamenstelling toepassen:
1° voor het bepalen van de hoeveelheid vervoerde meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, op elk transportdocument waarop hij als aanbieder vermeld is;
2° voor het opmaken en invullen van het bemestingsplan, vermeld in artikel 4.1.1.1 van dit besluit, en van het bemestingsregister, vermeld in artikel 24, § 5, van het voormelde decreet;
3° voor het invullen op de aangifte, vermeld in artikel 23 van het Mestdecreet van 22 december 2006, van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, die op de exploitatie of de uitbating opgeslagen waren;
4° voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, die hij op de tot het bedrijf behorende landbouwgronden gebruikt.
§ 2. De landbouwer maakt zijn keuzes, vermeld in paragraaf 1, bekend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, uiterlijk op 15 februari van het betrokken jaar.
In afwijking van het eerste lid maakt een landbouwer die zich in de loop van een kalenderjaar in het GBCS heeft laten identificeren als actieve landbouwer, uiterlijk op de zestigste dag na de dag waarop hij als landbouwer in het GBCS werd geïdentificeerd, zijn keuzes bekend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket.
Als een landbouwer in een bepaald kalenderjaar vóór de uiterste dag, vermeld in het eerste of het tweede lid, als aanbieder van meststoffen een transport wil uitvoeren of laten uitvoeren, moet hij voor de betrokken soort dierlijke mest, voorafgaand aan het moment van het transport een keuze als vermeld in paragraaf 1, bekend gemaakt hebben via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, vermeld in het eerste en het tweede lid. Het transport is verboden tot de landbouwer voor de betrokken soort dierlijke mest zijn keuze bekend gemaakt heeft via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket.
Als de landbouwer op de uiterste dag, vermeld in het eerste, het tweede of het derde lid, voor een of meer soorten dierlijke mest die op zijn bedrijf geproduceerd worden, geen keuze bekendgemaakt heeft via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket of via een of meer transportdocumenten als vermeld in het derde lid:
1° kiest hij voor de soorten dierlijke mest het systeem waarvoor hij het vorige kalenderjaar gekozen had als hij het vorige kalenderjaar voor de betrokken soorten dierlijke mest al voor een bepaald systeem gekozen had;
2° kiest hij voor de soorten dierlijke mest het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers als hij het vorige kalenderjaar voor de betrokken soorten dierlijke mest niet voor een bepaald systeem gekozen had. Als voor de betrokken soort dierlijke mest het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers niet mogelijk is, kiest hij in afwijking daarvan voor het systeem waarbij de mestsamenstelling bepaald wordt op basis van een of meer analyses.
Art. 10.2.1.3. Elke aangifteplichtige, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 2°, of 8°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, kiest voor het bepalen van de mestsamenstelling van de dierlijke mest of andere meststoffen die op zijn uitbating opgeslagen zijn of die vanuit zijn uitbating afgevoerd worden, voor het systeem waarbij de mestsamenstelling bepaald wordt op basis van een berekende mestsamenstelling.
Art. 10.2.1.4. Elke aangifteplichtige, vermeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 3°, van het Mestdecreet van 22 december 2006, kiest voor het bepalen van de mestsamenstelling van de dierlijke mest of andere meststoffen die op zijn uitbating opgeslagen zijn of die vanuit zijn uitbating afgevoerd worden, voor het systeem waarbij de mestsamenstelling bepaald wordt op basis van een of meer analyses.
Onderafdeling 2. - Het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers
Art. 10.2.2.1. In de volgende situaties of voor de volgende soorten dierlijke mest kan er niet gekozen worden voor het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers:
1° voor alle soorten dierlijke mest of andere meststoffen die niet vermeld zijn in de tabel, opgenomen in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd;
2° voor alle soorten dierlijke mest die geheel of gedeeltelijk vervoerd worden naar een ander bedrijf dat een derogatiebedrijf is;
3° bij een derogatiebedrijf dat dierlijke mest ontvangt van een ander bedrijf.
De beperking, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, geldt niet als het een van de volgende transporten betreft:
1° een transport van dunne fractie die beschikt over een dunnefractieattest als vermeld in artikel 5.3.1.1;
2° een transport van effluent die beschikt over een effluentattest als vermeld in artikel 5.3.1.2;
3° een transport vanuit een exploitatie naar dezelfde exploitatie of naar een andere exploitatie die deel uitmaakt van hetzelfde bedrijf.
De minister kan de situaties of soorten dierlijke mest of andere meststoffen waarvoor niet gekozen kan worden voor het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers aanpassen en kan situaties of soorten dierlijke mest of andere meststoffen bepalen waarvoor altijd gekozen moet worden voor het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers.
Art. 10.2.2.2. Als voor een soort dierlijke mest of andere meststoffen gekozen is voor het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers, worden voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, de waarden gebruikt van de tabel, opgenomen in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 10.2.2.3. De exploitant die voor een bepaalde exploitatie en voor een bepaalde mestsoort gebruikmaakt van het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers, en waarvoor ten gevolge van uitzonderlijke omstandigheden voor een beperkte periode of een beperkte hoeveelheid meststoffen de forfaitaire mestsamenstellingscijfers niet langer representatief zijn voor de betrokken mestsoort, vraagt aan de Mestbank de toestemming om voor een beperkte periode of een beperkte hoeveelheid meststoffen voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort, gebruik te maken van het systeem, vermeld in onderafdeling 3.
De exploitant vraagt via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket de toestemming, vermeld in het eerste lid, en vermeldt daarbij de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan de forfaitaire mestsamenstelling niet langer representatief is.
De Mestbank brengt de exploitant via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket op de hoogte van haar beslissing. Als de Mestbank haar toestemming geeft om tijdelijk, voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort, gebruik te maken van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, vermeldt ze onder welke voorwaarden en voor welke periode gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3.
De periode waarvoor gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, begint ten vroegste vanaf het moment van de toestemming van de Mestbank.
In afwijking van het vierde lid kan de exploitant bij het vragen van de toestemming, als vermeld in het tweede lid, motiveren dat er dringend meststoffen van de exploitatie afgevoerd moesten worden, en verzoeken om de periode waarin voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, te laten beginnen op het moment dat de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan de forfaitaire mestsamenstellingscijfers niet langer representatief waren, zich hebben voorgedaan. In voorkomend geval kan de Mestbank beslissen dat de periode waarvoor gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, begint voor het moment van de toestemming van de Mestbank.
De individuele vrachtanalyses die uitgevoerd werden in de periode waarvoor de Mestbank toestemming had gegeven om het systeem, vermeld in onderafdeling 3, te gebruiken, worden niet beschouwd als individuele vrachtanalyses van een soortgelijke vracht als vermeld in artikel 10.2.4.2, § 1, of artikel 10.2.4.4, § 1.
Als de periode, vermeld in het vierde lid, niet op een bepaalde datum eindigt, deelt de exploitant via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket of met een beveiligde zending mee vanaf wanneer de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers niet langer representatief is, de mestsamenstelling van de betrokken mestsoort niet langer beïnvloeden. De melding moet gedaan worden uiterlijk veertien dagen na het moment vanaf wanneer de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers niet langer representatief is, de mestsamenstelling van de betrokken mestsoort niet langer beïnvloeden. Vanaf het moment van de melding moet de landbouwer voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort, opnieuw gebruikmaken van het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingscijfers, en kan hij niet langer gebruikmaken van het systeem, vermeld in onderafdeling 3.
Onderafdeling 3. - Het bepalen van de mestsamenstelling op basis van een of meer analyses
Art. 10.2.3.1. De minister kan situaties of soorten dierlijke mest of andere meststoffen bepalen waarvoor niet gekozen kan worden voor het systeem waarbij de mestsamenstelling bepaald wordt op basis van een of meer analyses en kan situaties of soorten dierlijke mest of andere meststoffen bepalen waarvoor altijd gekozen moet worden voor het systeem waarbij de mestsamenstelling bepaald wordt op basis van een of meer analyses.
Art. 10.2.3.2. § 1. Als voor een bepaalde exploitatie of een bepaalde uitbating en voor een soort dierlijke mest of andere meststoffen gekozen is voor het systeem waarbij de mestsamenstellingscijfers, gebaseerd op een of meer analyses van de soort dierlijke mest of andere meststoffen, worden voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, de waarden gebruikt van een of meer analyses van de betrokken soort dierlijke mest. Daarbij zijn de volgende keuzes mogelijk:
1° een individuele vrachtanalyse;
2° het gemiddelde van twee of meer individuele vrachtanalyses;
3° een putstaal.
De minister kan voor bepaalde situaties of bepaalde soorten dierlijke mest of andere meststoffen, de keuze vermeld in het eerste lid, beperken.
§ 2. Als voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, een vrachtanalyse gebruikt moet worden, moet die vrachtanalyse voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° de monstername en de analyse zijn uitgevoerd door een erkend laboratorium;
2° de monstername en de analyse hebben maar betrekking op één vracht meststoffen;
3° de monstername wordt uitgevoerd op het moment dat de meststoffen geladen worden;
4° de analyse werd uiterlijk op de dag dat het monster in het laboratorium ontvangen wordt, aangemeld via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie, vermeld in artikel 53/1, § 1, van het VLAREL van 19 november 2010;
5° als de analyse betrekking heeft op een transport van dierlijke mest, waarvoor een transportdocument opgemaakt werd, wordt op het analyseverslag het nummer vermeld van dat transportdocument;
6° elke bij het transport betrokken partij kan tot een periode van twaalf maanden na het transport een kosteloos afschrift vragen van de analyses die gebruikt zijn voor het bepalen van de mestsamenstelling van de vervoerde meststoffen.
§ 3. Als voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, een putanalyse gebruikt moet worden, moet die putanalyse voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° de monstername en de analyse zijn uitgevoerd door een erkend laboratorium;
2° de monstername en de analyse hebben maar betrekking op één opslag van meststoffen;
3° de analyse werd uiterlijk op de dag dat het monster in het laboratorium ontvangen wordt, aangemeld via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie, vermeld in artikel 53/1, § 1, van het VLAREL van 19 november 2010;
4° als de putanalyse gebruikt wordt voor het bepalen van de mestsamenstelling van de vervoerde meststoffen, kan elke bij het transport betrokken partij tot een periode van twaalf maanden na het transport een kosteloos afschrift vragen van die putanalyse.
Art. 10.2.3.3. Als voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, gebruikgemaakt wordt van een individuele vrachtanalyse, moet die vrachtanalyse voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° het resultaat van één individuele vrachtanalyse kan alleen gebruikt worden voor het bepalen van de mestsamenstelling van die vracht dierlijke mest of andere meststoffen;
2° als voor het transport van de betrokken vracht dierlijke mest of andere meststoffen een transportdocument is opgemaakt, wordt op dat transportdocument vermeld dat de mestsamenstelling bepaald wordt aan de hand van een individuele vrachtanalyse. Als de resultaten van de individuele vrachtanalyse bekend zijn, wordt de vervoerde hoeveelheid meststoffen bepaald op basis van de resultaten van de individuele vrachtanalyse.
Als het transportdocument, vermeld in het eerste lid, betrekking heeft op meerdere vrachten, worden al die vrachten individueel geanalyseerd en wordt de vervoerde hoeveelheid meststoffen bepaald op basis van het gemiddelde van de resultaten van de verschillende individuele vrachtanalyses.
Art. 10.2.3.4. § 1. Als de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, bepaald wordt op basis van het gemiddelde van twee of meer individuele vrachtanalyses, zijn er minimaal twee of meer individuele vrachtanalyses, die voldoen aan al de volgende voorwaarden:
1° er zit tussen de eerste en de laatste individuele monstername maximaal zeven dagen;
2° de individuele vrachtanalyses hebben betrekking op soortgelijke vrachten;
3° de aanbieder van de meststoffen is dezelfde exploitant of uitbater.
Als via de door de Mestbank ter beschikking gestelde webapplicatie, vermeld in artikel 53/1, § 1, van het VLAREL van 19 november 2010, twee of meer individuele vrachtanalyses aangemeld worden, die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt verondersteld dat de analyses bedoeld zijn voor de bepaling van de mestsamenstelling aan de hand van het gemiddelde van twee of meer individuele vrachtanalyses.
In afwijking van het tweede lid kan de aanbieder van de meststoffen aan de Mestbank meedelen dat de betrokken analyses bedoeld zijn voor de bepaling van de mestsamenstelling van een individuele vracht op basis van een vrachtanalyse van de betrokken vracht.
De minister kan nadere regels bepalen aangaande de wijze waarop het gemiddelde, als vermeld in het eerste lid, berekend wordt, aangaande de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, aangaande de wijze waarop de webapplicatie als vermeld in het tweede lid, gebruikt moet worden en aangaande de wijze waarop de mededeling, vermeld in het derde lid, moet gebeuren.
§ 2. De gemiddelde mestsamenstelling, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, moet gebruikt worden voor:
1° alle vrachten die individueel bemonsterd werden en waarvan het resultaat van de individuele vrachtanalyses gebruikt is voor het bepalen van die gemiddelde mestsamenstelling;
2° alle soortgelijke vrachten die uitgevoerd worden in de drie maanden na de datum waarop de eerste individuele monstername die gebruikt is voor het bepalen van die gemiddelde mestsamenstelling, uitgevoerd werd.
Als in de periode van drie maanden, vermeld in het eerste lid, 2°, twee of meer soortgelijke vrachten individueel bemonsterd worden voor de bepaling van een nieuwe gemiddelde mestsamenstelling, of als er een putstaal als vermeld in artikel 10.2.3.5, genomen wordt dat betrekking heeft op de soort dierlijke mest of andere meststoffen, gelden in afwijking van het eerste lid, de volgende voorwaarden:
1° de nieuwe gemiddelde samenstelling of het resultaat van het putstaal moet gebruikt worden voor alle soortgelijke vrachten die uitgevoerd worden vanaf de tweede werkdag die volgt op de dag waarop de nieuwe gemiddelde samenstelling of het resultaat van het putstaal via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket meegedeeld is;
2° voor de eerste individuele monstername die gebruikt wordt voor het bepalen van de nieuwe gemiddelde mestsamenstelling en voor alle soortgelijke vrachten die uitgevoerd worden tussen het uitvoeren van de eerste individuele monstername die gebruikt wordt voor het bepalen van de nieuwe gemiddelde mestsamenstelling en de tweede werkdag die volgt op de dag waarop de nieuwe gemiddelde samenstelling via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket meegedeeld is, kan gekozen worden voor de oude of de nieuwe gemiddelde samenstelling. De oude gemiddelde samenstelling kan alleen gebruikt worden als de termijn van drie maanden, vermeld in het eerste lid, 2°, nog niet overschreden is;
3° voor alle soortgelijke vrachten die uitgevoerd worden tussen het uitvoeren van het putstaal en de tweede werkdag die volgt op de dag waarop de resultaten van het putstaal via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket meegedeeld is, kan gekozen worden voor de oude gemiddelde samenstelling of het resultaat van het putstaal. De oude gemiddelde samenstelling kan alleen gebruikt worden als de termijn van drie maanden, vermeld in het eerste lid, 2°, nog niet overschreden is.
Als in de periode van drie maanden, vermeld in het eerste lid, 2°, voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, een soortgelijke vracht individueel bemonsterd wordt als vermeld in artikel 10.2.3.3, geldt in afwijking van het eerste lid dat het resultaat van de individuele vrachtanalyse gebruikt moet worden voor het bepalen van de mestsamenstelling van de betrokken vracht dierlijke mest of andere meststoffen.
Art. 10.2.3.5. Voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, kan alleen gebruikgemaakt worden van een putstaal als in de opslag die bemonsterd wordt geen mengmest die afkomstig is van varkens, is opgeslagen.
§ 2. Het resultaat van een putstaal, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, moet gebruikt worden voor het bepalen van de hoeveelheid vervoerde meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, op alle transportdocumenten waarvoor aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
1° het putstaal moet afkomstig zijn van de opslag van waaruit de vracht vervoerde meststoffen afkomstig is;
2° de betrokken vracht vervoerde meststoffen moet uitgevoerd worden in de drie maanden na de datum waarop de betrokken monstername werd uitgevoerd;
3° de mestsamenstelling van de betrokken opslag mag tussen het moment van de monstername en het moment van transport niet significant gewijzigd zijn. Daaronder wordt minstens verstaan dat er aan de betrokken opslag sinds het moment van de monstername geen meststoffen meer zijn toegevoegd, behalve dierlijke mest die geproduceerd is op dezelfde exploitatie als die waar de mestopslag ligt, en op voorwaarde dat het een toevoeging met een mestsoort betreft die op het moment van de monstername al in de mestopslag aanwezig was.
Als in de periode van drie maanden, vermeld in het eerste lid, 2°, twee of meer vrachten die afkomstig zijn van de betrokken opslag, individueel bemonsterd worden voor de bepaling van een gemiddelde mestsamenstelling als vermeld in artikel 10.2.3.4, of als er van die opslag een nieuw putstaal genomen wordt, gelden in afwijking van het eerste lid de volgende voorwaarden:
1° de gemiddelde samenstelling of het resultaat van het nieuwe putstaal moet gebruikt worden voor alle soortgelijke vrachten die uitgevoerd worden vanaf de tweede werkdag die volgt op de dag waarop de gemiddelde samenstelling of het resultaat van het nieuwe putstaal via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket meegedeeld is;
2° voor de eerste individuele monstername die gebruikt wordt voor het bepalen van de gemiddelde mestsamenstelling en voor alle soortgelijke vrachten die uitgevoerd worden tussen het uitvoeren van de eerste individuele monstername die gebruikt wordt voor het bepalen van de gemiddelde mestsamenstelling en de tweede werkdag die volgt op de dag waarop de gemiddelde samenstelling via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket meegedeeld is, kan gekozen worden voor de gemiddelde samenstelling of het resultaat van het putstaal. Het resultaat van het putstaal kan alleen gebruikt worden als de termijn van drie maanden, als vermeld in het eerste lid, 2°, nog niet overschreden is;
3° voor alle soortgelijke vrachten die uitgevoerd worden tussen het uitvoeren van het nieuwe putstaal en de tweede werkdag die volgt op de dag waarop de resultaten van het nieuwe putstaal via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket meegedeeld is, kan gekozen worden voor het resultaat van het oude putstaal of dat van het nieuwe putstaal. Het resultaat van het oude putstaal kan alleen gebruikt worden als de termijn van drie maanden, vermeld in het eerste lid, 2°, nog niet overschreden is.
Als in de periode van drie maanden, vermeld in het eerste lid, 2°, voor het bepalen van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, een vracht die afkomstig is van de betrokken opslag, individueel bemonsterd wordt als vermeld in artikel 10.2.3.3, geldt in afwijking van het eerste lid dat het resultaat van de individuele vrachtanalyse gebruikt moet worden voor het bepalen van de mestsamenstelling van de betrokken vracht dierlijke mest of andere meststoffen.
Art. 10.2.3.6. Voor het invullen op de aangifte van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, die op de exploitatie opgeslagen waren, vermeld in artikel 10.2.1.2, § 1, tweede lid, 3°, moet per opslag de mestsamenstelling van de opgeslagen meststoffen bepaald worden op basis van een gemiddelde mestsamenstelling als vermeld in artikel 10.2.3.4, die bepaald is op basis van twee of meer vrachten die afkomstig zijn van de betrokken opslag of op basis een putstaal van de betrokken opslag als vermeld in artikel 10.2.3.5, en moet voldaan zijn aan de volgende voorwaarden:
1° de eerste individuele monstername die gebruikt is voor het bepalen van de gemiddelde mestsamenstelling of het betrokken putstaal, werd ten vroegste op 1 oktober van het afgelopen kalenderjaar genomen;
2° aan de betrokken opslag werden sinds het moment van de staalname geen meststoffen meer toegevoegd, behalve dierlijke mest die geproduceerd op dezelfde exploitatie als die waar de mestopslag ligt, en op voorwaarde dat het een toevoeging met een mestsoort betreft die op het moment van de staalname al in de mestopslag aanwezig was.
Als voor een opslag er meerdere gemiddelde samenstellingen, meerdere putstalen, of zowel een gemiddelde samenstelling als een putstaal, beschikbaar zijn, die alle voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de mestsamenstelling van de opgeslagen meststoffen bepaald op basis van de meest recente monstername.
Als er voor een opslag geen enkele gemiddelde samenstelling en geen enkel putstaal beschikbaar is conform de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de mestsamenstelling van de opgeslagen meststoffen bepaald op basis van het gemiddelde van al de individuele vrachtanalyses die betrekking hebben op de mestsoort die in de betrokken opslag opgeslagen is, en die genomen zijn na 1 januari van het afgelopen jaar. Daarvoor moeten er minimaal twee individuele vrachtanalyses beschikbaar zijn.
Als er voor een opslag geen enkele gemiddelde samenstelling en geen enkel putstaal beschikbaar is conform de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, en er sinds 1 januari van het afgelopen jaar niet minimaal twee individuele vrachtanalyses geanalyseerd zijn die betrekking hebben op de mestsoort die in de betrokken opslag opgeslagen is, wordt voor het bepalen van de mestsamenstelling van de opgeslagen meststoffen gebruikgemaakt van de forfaitaire waarde. Als voor de betrokken mestsoort geen forfaitaire waarde opgenomen is in de tabel, in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd, moet een putstaal genomen worden en wordt het resultaat van dat putstaal gebruikt om de mestsamenstelling van de opgeslagen meststoffen te bepalen.
Onderafdeling 4. - Het systeem waarbij de mestsamenstellingscijfers gebaseerd worden op een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling van de soort dierlijke mest
Art. 10.2.4.1. § 1. Een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling kan alleen gebruikt worden voor het bepalen van de samenstelling van een op de exploitatie geproduceerde soort mengmest die afkomstig is van varkens, waarvan de landbouwer op basis van individuele vrachtanalyses aantoont dat de samenstelling stabiel is.
Een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling kan alleen gebruikt worden voor varkensmest van dezelfde soort dierlijke mest. Als een landbouwer voor een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling kiest, moet hij voor al de gevallen, vermeld in artikel 10.2.1.2, § 1, tweede lid, die betrekking hebben op varkensmest van dezelfde soort dierlijke mest, gebruikmaken van die bedrijfsspecifieke samenstelling.
Als de landbouwer voor de betrokken soort varkensmest over een onderscheiden identificatie beschikt als vermeld in artikel 10.1.1, tweede lid, kan hij in afwijking van het tweede lid per onderscheiden identificatie een afzonderlijke bedrijfsspecifieke mestsamenstelling krijgen. In voorkomend geval gelden al de volgende voorwaarden:
1° de onderscheiden bedrijfsspecifieke mestsamenstellingswaarde wordt gedurende het volledige kalenderjaar voor al de gevallen, vermeld in artikel 10.2.1.2, § 1, tweede lid, die betrekking hebben op de onderscheiden mestsoort, gebruikt;
2° voor de toepassing van deze onderafdeling wordt per afzonderlijke bedrijfsspecifieke mestsamenstelling alleen rekening gehouden met individuele vrachtanalyses die betrekking hebben op de betrokken onderscheiden mestsoort;
3° voor elk van de betrokken bedrijfsspecifieke mestsamenstellingen afzonderlijk wordt voldaan waan de voorwaarden in deze onderafdeling.
De minister kan nadere regels stellen aangaande de wijze waarop een onderscheiden identificatie gebruikt moet worden en aangaande de voorwaarden, vermeld in het derde lid, die vervuld moeten zijn, als gebruik gemaakt wordt van een onderscheiden identificatie.
§ 2. Als voor een bepaalde mestsoort de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, bepaald wordt op basis van een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling, moet gedurende het volledige kalenderjaar voor al de gevallen, vermeld in artikel 10.2.1.2, § 1, tweede lid, die betrekking hebben op die mestsoort, de bedrijfsspecifieke mestsamenstellingswaarde gebruikt worden.
In afwijking van het eerste lid kan de landbouwer die in de loop van een kalenderjaar voor een betrokken mestsoort nog een of meer individuele vrachtanalyses moet laten uitvoeren om te voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 10.2.4.2, voor de betrokken mestsoort in de loop van het kalenderjaar met de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling starten. In voorkomend geval kan voor al de gevallen, vermeld in artikel 10.2.1.2, § 1, tweede lid, die betrekking hebben op de betrokken mestsoort en die zich voordoen vóór de melding van de Mestbank, vermeld in artikel 10.2.4.3, § 2, tweede lid, gebruikgemaakt worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 vraagt de landbouwer die voor een bepaalde exploitatie en voor een bepaalde mestsoort gebruikmaakt van een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling en waarvoor, ten gevolge van uitzonderlijke omstandigheden, voor een beperkte periode of een beperkte hoeveelheid meststoffen, de betrokken bedrijfsspecifieke mestsamenstelling niet langer representatief is voor die mestsoort, aan de Mestbank de toestemming om voor een beperkte periode of een beperkte hoeveelheid meststoffen, voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort, gebruik te maken van het systeem, vermeld in onderafdeling 3.
De landbouwer vraagt via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket de toestemming, vermeld in het eerste lid, en vermeldt daarbij de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan de betrokken bedrijfsspecifieke mestsamenstelling niet langer representatief is.
De Mestbank brengt de landbouwer via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket op de hoogte van haar beslissing. Als de Mestbank haar toestemming geeft om tijdelijk, voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort, gebruik te maken van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, vermeldt ze onder welke voorwaarden en voor welke periode gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3.
De periode waarvoor gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, begint ten vroegste vanaf het moment van de toestemming van de Mestbank. In afwijking daarvan kan de landbouwer, bij het vragen van de toestemming, vermeld in het tweede lid, motiveren dat er dringend meststoffen van het bedrijf afgevoerd moesten worden, en verzoeken om de periode waarin voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort, gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, te laten beginnen op het moment dat de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan de betrokken bedrijfsspecifieke mestsamenstelling niet langer representatief was, zich hebben voorgedaan. In voorkomend geval kan de Mestbank beslissen dat de periode waarvoor gebruikgemaakt kan worden van het systeem, vermeld in onderafdeling 3, begint voor het moment van de toestemming van de Mestbank.
Met de individuele vrachtanalyses die uitgevoerd werden in de periode waarvoor de Mestbank toestemming had gegeven om het systeem, vermeld in onderafdeling 3, te gebruiken, wordt als volgt rekening gehouden:
1° ze worden niet beschouwd als individuele vrachtanalyses van een soortgelijke vracht als vermeld in artikel 10.2.4.4, § 1;
2° ze worden niet in rekening gebracht bij de controle of de samenstelling van de betrokken mestsoort nog altijd stabiel is, vermeld in artikel 10.2.4.4, § 2.
Als de periode, vermeld in het vierde lid, niet eindigt op een bepaalde datum, deelt de landbouwer via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket of met een beveiligde zending mee vanaf wanneer de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan de betrokken bedrijfsspecifieke mestsamenstelling niet langer representatief is, de mestsamenstelling van de betrokken mestsoort niet langer beïnvloeden. Die melding moet gedaan worden uiterlijk veertien dagen na het moment vanaf wanneer de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge waarvan de betrokken bedrijfsspecifieke mestsamenstelling niet langer representatief is, de mestsamenstelling van de betrokken mestsoort niet langer beïnvloeden. Vanaf het moment van de melding moet voldaan worden aan al de onderstaande voorwaarden:
1° de landbouwer moet voor het bepalen van de samenstelling van de betrokken mestsoort opnieuw gebruikmaken van de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling en hij kan niet langer gebruikmaken van het systeem, vermeld in onderafdeling 3;
2° de individuele vrachtanalyses die uitgevoerd worden op vrachten van de betrokken mestsoort worden beschouwd als individuele vrachtanalyses van een soortgelijke vracht als vermeld in artikel 10.2.4.4, § 1, en worden in rekening gebracht bij de controle of de samenstelling van de betrokken mestsoort nog altijd stabiel is, vermeld in artikel 10.2.4.4, § 2.
Art. 10.2.4.2. § 1. Om aan te tonen dat de samenstelling van een bepaalde op de exploitatie geproduceerde soort varkensmest stabiel is, wordt rekening gehouden met al de individuele vrachtanalyses die betrekking hebben op soortgelijke vrachten.
Er moeten minimaal vier individuele vrachtanalyses die betrekking hebben op soortgelijke vrachten beschikbaar zijn.
Zowel voor stikstof als voor fosfaat wordt op basis van al de beschikbare individuele vrachtanalyses die betrekking hebben op soortgelijke vrachten, het verschil bepaald tussen het analyseresultaat met de hoogste samenstelling, uitgedrukt respectievelijk in kg N of in kg P2O5, en het analyseresultaat met de laagste samenstelling, uitgedrukt respectievelijk in kg N of in kg P2O5.
De samenstelling van een bepaalde op de exploitatie geproduceerde soort varkensmest is stabiel als het verschil, berekend conform het derde lid, zowel voor stikstof als voor fosfaat, kleiner is dan het toegelaten verschil, vermeld in de volgende tabel, rekening houdend met het aantal individuele vrachtanalyses op basis waarvan het verschil berekend werd:
Art. 25. Dans le même arrêté, le chapitre 10, qui se compose de l'article 10, est remplacé par la disposition suivante :
" Chapitre 10. - Echantillonnage et analyse
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 10.1.1. Dans le présent chapitre, l'on entend par effluents d'élevage, les effluents d'élevage pour lesquels toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° la forme et le code des effluents d'élevage concernés sont identiques ;
2° les effluents d'élevage ont été produits sur la même exploitation ;
3° les effluents d'élevage sont éliminés de la même entreprise ou exploitation.
Les chargements d'un même type d'effluents d'élevage sont considérés comme des chargements similaires pour l'application du présent chapitre, à moins que les effluents d'élevage concernés ne soient produits de différentes manières dans l'exploitation en question, ce qui peut entraîner des différences dans la composition du type d'effluents d'élevage concerné et des stockages séparés pour les types d'effluents d'élevage concernés. La Banque d'engrais établit une identification séparée pour une telle exploitation. Si l'exploitant dispose d'une identification distincte pour un type d'effluents d'élevage pour lequel il a opté pour un système en vertu duquel les chiffres de composition de l'engrais sont déterminés sur la base d'une ou plusieurs analyses du type d'effluents d'élevage concerné :
1° il doit faire usage de cette identification distincte pour les cas visés à l'article 10.2.1.2, § 1er, deuxième alinéa ;
2° pour l'exploitation en question, les chargements du même type d'effluents d'élevage et ayant la même identification distincte sont considérés comme des chargements similaires.
Le Ministre peut fixer des modalités quant aux formes et aux codes d'engrais des effluents d'élevage, de même qu'en rapport avec les différentes méthodes de production d'un type d'engrais qui peuvent conduire à une composition différente de l'engrais. Le Ministre peut déterminer la mesure dans laquelle la composition d'un type d'engrais doit varier afin de permettre une identification distincte, ainsi que déterminer les règles détaillées quant à la façon dont un agriculteur peut en apporter la preuve.
Art. 10.1.2. Lorsqu'une analyse est utilisée pour déterminer la composition de l'engrais, l'échantillonnage et l'analyse correspondante sont rapportés au plus tard le jour de la réception de l'échantillon au laboratoire par le biais de l'application en ligne mise à disposition par la Banque d'engrais, visée à l'article 53/1, § 1er du VLAREL du 19 novembre 2010.
Par dérogation à l'alinéa premier, la Banque d'engrais peut exiger que, pour certains échantillons et analyses associées, la notification soit faite plus tôt.
Section 2. - Engrais
Sous-section 1re. - Choix du système de détermination de la composition des engrais
Art. 10.2.1.1. Les systèmes suivants sont utilisés pour déterminer la composition des engrais :
1° la composition forfaitaire des engrais ;
2° la détermination de la composition des engrais sur la base d'une ou plusieurs analyses ;
3° une composition des engrais spécifique à l'entreprise ;
4° une composition d'engrais calculée.
Art. 10.2.1.2. § 1er. Tout agriculteur visé à l'article 23, § 1er, aliéna premier, 1°, a) du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 choisit l'un des systèmes visés à l'article 10.2.1.1 pour déterminer la composition des engrais de chaque type d'effluents d'élevage produits sur ou éliminés de son exploitation, par année civile et par exploitation.
L'agriculteur visé à l'alinéa premier doit appliquer, pour chaque type d'effluents d'élevage pour chaque exploitation tout au long de l'année civile, le système choisi pour déterminer la composition des engrais :
1° pour déterminer la quantité d'engrais transportés, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, sur chaque document de transport dans lequel il est mentionné en tant qu'offrant ;
2° pour l'établissement et la réalisation du plan de fertilisation visé à l'article 4.1.1.1 du présent arrêté et du plan de fertilisation visé à l'article 24, § 5, du décret précité ;
3° pour l'indication, dans la déclaration visée à l'article 23 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, de la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, stockée sur le site de l'entreprise ou de l'exploitation ;
4° pour la détermination de la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, utilisée sur les terres agricoles appartenant à l'entreprise.
§ 2. L'agriculteur notifie ses choix tels que visés au § 1er via le guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais, et ce au plus tard le 15 février de l'année concernée.
Par dérogation à l'alinéa premier, un agriculteur qui s'est fait identifier dans le SIGeC en tant qu'agriculteur actif au cours d'une année civile communique ses choix par l'intermédiaire du guichet internet fourni par la Banque d'engrais au plus tard le soixantième jour qui suit la date à laquelle il a été identifié en tant qu'agriculteur dans le SIGeC.
Si un agriculteur souhaite, au cours d'une année civile donnée, souhaite effectuer ou faire effectuer un transport en tant qu'offrant d'engrais avant le dernier jour visé aux premier et deuxième alinéas, il doit, pour le type d'effluents d'élevage avoir communiqué avant le moment du transport un choix, tel que visé au § 1er, par l'intermédiaire du guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais, visé aux premier et deuxième alinéas. Le transport est interdit jusqu'à ce que l'agriculteur ait fait connaître son choix pour le type d'engrais d'élevage en question via le guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais.
Si l'agriculteur n'a pas communiqué son choix via le guichet internet fourni par la Banque d'engrais ou via un ou plusieurs documents de transport visés au troisième alinéa le dernier jour mentionné dans le premier, le deuxième ou le troisième alinéa, pour un ou plusieurs types d'effluents d'élevage produits sur son exploitation :
1° il choisit pour les types d'effluents d'élevage le système pour lequel il avait choisi l'année civile précédente s'il avait déjà opté pour un certain système pour les types d'effluents d'élevage concernés au cours de l'année civile précédente ;
2° il choisit pour les types d'effluents d'élevage le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais pour les effluents d'élevage, s'il n'avait pas opté pour un certain système pour les types d'engrais d'élevage concernés au cours de l'année civile précédente. Si le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais ne peut pas être appliqué au type d'effluents d'élevage concerné, il opte, par dérogation, pour le système selon lequel la composition des engrais est déterminée sur la base d'une ou plusieurs analyses.
Art. 10.2.1.3. Tout agriculteur soumis à une déclaration obligatoire visé à l'article 23, § 1er, aliéna premier, 2° ou 8°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, choisit de déterminer la composition des effluents d'élevage ou d'autres engrais stockés sur son exploitation ou retirés de son exploitation, pour le système en vertu duquel la composition des engrais est déterminée sur la base d'une composition des engrais calculée.
Art. 10.2.1.4. Tout agriculteur soumis à une déclaration obligatoire visé à l'article 23, § 1er, aliéna premier, 3°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, choisit de déterminer la composition des effluents d'élevage ou des autres engrais stockés sur son exploitation ou retirés de son exploitation, pour le système dans lequel la composition des engrais est déterminée sur la base d'une ou plusieurs analyses.
Sous-section 2. - Le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais
Art. 10.2.2.1. Dans les situations suivantes ou pour les types d'effluents d'élevage suivants, le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais ne peut pas être choisi :
1° pour tous les types d'effluents d'élevage ou d'autres engrais ne figurant pas dans le tableau repris à l'annexe 6 du présent arrêté ;
2° pour tous les types d'effluents d'élevage transportés en tout ou en partie vers une autre entreprise qui est une exploitation couverte par une dérogation ;
3° dans le cas d'une exploitation couverte par une dérogation qui reçoit des effluents d'élevage d'une autre entreprise.
La restriction visée à l'alinéa premier, 2° et 3°, ne s'applique pas s'il s'agit d'un des transports suivants :
1° un transport d'une fraction clarifiée avec une attestation de fraction clarifiée visée à l'article 5.3.1.1 ;
2° un transport d'effluents muni d'une attestation d'effluents visée à l'article 5.3.1.2 ;
3° un transport d'une exploitation vers la même exploitation ou vers une autre exploitation qui fait partie de la même entreprise.
Le Ministre peut adapter les situations ou les types d'effluents d'élevage ou d'autres engrais pour lesquels le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais ne peut pas être choisi et peut déterminer les situations ou les types d'effluents d'élevage ou d'autres engrais pour lesquels le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais doit toujours être choisi.
Art. 10.2.2.2. Lorsque le système de chiffres forfaitaires de composition des engrais est choisi pour un type d'effluents d'élevage ou d'autres engrais, l'on utilise, afin de déterminer la quantité d'engrais exprimée en kg de N et en kg de P2O5, les valeurs indiquées dans le tableau figurant à l'annexe 6 jointe au présent arrêté.
Art. 10.2.2.3. L'exploitant qui utilise le système des chiffres forfaitaires de la composition des engrais pour une exploitation donnée et pour un type d'engrais donné pour lesquels, en raison de circonstances exceptionnelles, les chiffres forfaitaires de composition des engrais ne sont plus représentatifs du type d'engrais concerné pour une période ou une quantité d'engrais limitée, sollicite de la Banque d'engrais l'autorisation d'utiliser le système prévu à la sous-section 3 pour une période limitée ou pour une quantité limitée d'engrais aux fins de la détermination de la composition du type d'engrais concerné.
L'exploitant sollicite l'autorisation du guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais visé à l'alinéa premier, en indiquant les circonstances exceptionnelles en conséquence desquelles la composition forfaitaire de l'engrais n'est plus représentative.
La Banque d'engrais informe l'exploitant de sa décision via le guichet internet qu'elle met à sa disposition. Si la Banque d'engrais autorise l'utilisation temporaire du système visé à la sous-section 3 pour déterminer la composition du type d'engrais concerné, elle indique les conditions dans lesquelles et la période pour laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé.
La période pendant laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé prend cours au plus tôt à partir du moment où la Banque d'engrais a donné son autorisation.
Par dérogation au quatrième alinéa, l'exploitant peut, lorsqu'il sollicite l'autorisation telle que visée au deuxième alinéa, motiver sa demande du fait de la nécessité urgente d'éliminer les engrais de l'exploitation, et demander que la période pendant laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé pour déterminer la composition du type d'engrais concerné commence à courir à partir de l'apparition des circonstances exceptionnelles qui ont entraîné la non-représentativité des chiffres forfaitaires de composition des engrais. Le cas échéant, la Banque d'engrais peut décider que la période pendant laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé commence avant la date à laquelle la Banque d'engrais a donné son autorisation.
Les analyses de chargement individuelles effectuées pendant la période pour laquelle la Banque d'engrais a autorisé l'utilisation du système mentionné à la sous-section 3 ne sont pas considérées comme des analyses de chargement individuelles d'un chargement similaire tel que mentionné à l'article 10.2.4.2, § 1er, ou de l'article 10.2.4.4, § 1er.
Si la période mentionnée au quatrième alinéa ne s'achève pas à une date déterminée, l'exploitant communique par le guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais ou par courrier sécurisé le moment à partir duquel les circonstances exceptionnelles en conséquence desquelles le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais n'était plus représentatif n'affectent plus la composition des engrais du type d'engrais concerné. La notification doit être faite au plus tard quatorze jours après la date à laquelle les circonstances exceptionnelles en conséquence desquelles le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais n'était plus représentatif, n'affectent plus la composition des engrais du type d'engrais concerné. A partir du moment de la notification, l'agriculteur doit revenir au système des chiffres forfaitaires de composition des engrais pour déterminer la composition du type d'engrais concerné, et ne peut plus utiliser le système visé à la sous-section 3.
Sous-section 3. - Détermination de la composition des engrais à partir d'une ou plusieurs analyses
Art. 10.2.3.1. Le Ministre peut identifier des situations ou des types d'effluents d'élevage ou d'autres engrais pour lesquels il n'est plus possible de choisir le système en vertu duquel la composition des engrais est déterminée sur la base d'une ou de plusieurs analyses, et peut déterminer des situations ou des types d'effluents d'élevage ou d'autres engrais pour lesquels le système en vertu duquel la composition des engrais est déterminée sur la base d'une ou de plusieurs analyses doit toujours être choisi.
Art. 10.2.3.2. § 1er. Si le système choisi pour une entreprise ou une exploitation donnée et pour certains types d'effluents d'élevage ou d'engrais est celui en vertu duquel les chiffres de composition de l'engrais sont déterminés sur la base d'une ou de plusieurs analyses du type d'effluents d'élevage ou d'engrais, la teneur en engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5 est calculée en utilisant les valeurs d'une ou de plusieurs analyses du type d'effluents d'élevage concerné. A cet égard, les choix suivants sont possibles :
1° une analyse individuelle du chargement ;
2° la moyenne d'au moins deux analyses de chargement individuelles ;
3° un échantillon de la fosse de stockage.
Le Ministre peut limiter le choix visé à l'alinéa premier pour certaines situations ou certains types d'effluents d'élevage ou d'autres engrais.
§ 2. Si la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, est déterminée à l'aide d'une analyse du chargement, celle-ci doit répondre à toutes les conditions suivantes :
1° l'échantillonnage et l'analyse sont effectués par un laboratoire agréé ;
2° l'échantillonnage et l'analyse ne portent que sur un seul chargement d'engrais ;
3° l'échantillonnage est effectué au moment du chargement des engrais ;
4° l'analyse a été communiquée au plus tard le jour de la réception de l'échantillon en laboratoire, via l'application en ligne mise à disposition par la Banque d'engrais, visée à l'article 53/1, § 1er, du VLAREL du 19 novembre 2010 ;
5° si l'analyse porte sur un transport d'effluents d'élevage pour lequel un document de transport a été établi, le numéro de ce document de transport est mentionné dans le rapport d'analyse ;
6° toute personne impliquée dans le transport dispose d'une période de douze mois après le transport pour demander une copie gratuite des analyses utilisées afin de déterminer la composition des engrais transportés.
§ 3. Si une analyse de la fosse, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, doit être utilisée pour déterminer la quantité d'engrais, l'analyse en question doit répondre à toutes les conditions suivantes :
1° l'échantillonnage et l'analyse ont été effectués par un laboratoire agréé ;
2° l'échantillonnage et l'analyse ne portent que sur un seul stockage d'engrais ;
3° l'analyse a été communiquée au plus tard le jour de la réception de l'échantillon en laboratoire, via l'application en ligne mise à disposition par la Banque d'engrais, visée à l'article 53/1, § 1er, du VLAREL du 19 novembre 2010 ;
4° si l'analyse de la fosse est utilisée pour déterminer la composition des engrais des engrais transportés, chaque partie impliquée dans le transport dispose de douze mois après le transport pour demander une copie gratuite de l'analyse de la fosse.
Art. 10.2.3.3. Si une analyse de chargement individuelle est utilisée pour déterminer la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, l'analyse en question doit satisfaire à toutes les conditions suivantes :
1° le résultat d'une seule analyse de chargement ne peut être utilisé que pour déterminer la composition des engrais du chargement d'effluents d'élevage ou d'autres engrais en question ;
2° si un document de transport a été établi pour le transport d'effluents d'élevage ou d'autres engrais en question, le document de transport indique que la composition des engrais est déterminée sur la base d'une analyse individuelle du chargement. Lorsque les résultats de l'analyse du chargement individuelle sont connus, la quantité d'engrais transportée est déterminée sur la base des résultats de l'analyse du chargement individuelle.
Si le document de transport visé à l'alinéa premier fait référence à des chargements multiples, tous ces chargements sont analysés individuellement et la quantité d'engrais transportée est déterminée sur la base de la moyenne des résultats des différentes analyses de chargement individuelles.
Art. 10.2.3.4. § 1er. Si la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, est déterminée sur la base de la moyenne de deux ou plusieurs analyses de chargement individuelles, au moins deux analyses de chargement individuelles doivent remplir toutes les conditions suivantes :
1° le premier et le dernier échantillonnages individuels sont séparés d'une période maximale de sept jours ;
2° les analyses de chargement individuelles portent sur des chargements similaires ;
3° l'offrant des engrais est le même agriculteur ou exploitant.
Si, par le biais de l'application en ligne mise à disposition par la Banque d'engrais, visée à l'article 53/1, § 1er du VLAREL du 19 novembre 2010, deux ou plusieurs analyses du chargement individuelles sont notifiées, qui remplissent les conditions prévues à l'alinéa premier, il est supposé que les analyses sont destinées à déterminer la composition des engrais sur la base de la moyenne de deux ou plusieurs analyses de chargement individuelles.
Par dérogation au deuxième alinéa, l'offrant des engrais peut informer la Banque d'engrais que les analyses en question sont destinées à déterminer la composition des engrais d'un chargement individuel sur la base d'une analyse du chargement en question.
Le Ministre peut fixer des modalités relatives au mode de calcul de la moyenne visée à l'alinéa premier, aux conditions visées à l'alinéa premier, au mode d'utilisation de l'application en ligne visée au deuxième alinéa ainsi qu'au mode de présentation de la communication visée au troisième alinéa.
§ 2. La composition moyenne des engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, doit être utilisée pour :
1° tous les chargements qui ont fait l'objet d'un échantillonnage individuel et dont les résultats des analyses individuelles ont été utilisés pour déterminer la composition moyenne des engrais ;
2° tous les chargements similaires effectués au cours des trois mois qui suivent la date à laquelle le premier échantillonnage individuel servant à déterminer la composition moyenne de l'engrais a été effectué.
Si, au cours de la période de trois mois visée à l'alinéa premier, 2°, deux ou plusieurs chargements similaires sont échantillonnés individuellement en vue de la détermination d'une nouvelle composition moyenne des engrais, ou si un échantillon de la fosse de stockage visé à l'article 10.2.3.5 est prélevé, qui a trait au type d'effluents d'élevage ou d'autre engrais, les conditions suivantes s'appliquent, par dérogation à l'alinéa premier :
1° la nouvelle composition moyenne ou le résultat de l'échantillon de la fosse de stockage doit être utilisé pour tous les chargements similaires effectués à partir du deuxième jour ouvrable qui suit le jour où la nouvelle composition moyenne ou le résultat de l'échantillon de la fosse de stockage est communiqué via le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais ;
2° pour le premier échantillonnage individuel utilisé en vue de déterminer la nouvelle composition moyenne du fumier, et pour tous les chargements similaires effectués entre l'exécution du premier échantillonnage individuel utilisé afin de déterminer la nouvelle composition moyenne du fumier et le deuxième jour ouvrable qui suit le jour où la nouvelle composition moyenne a été communiquée via le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais, il est possible d'opter pour l'ancienne ou pour la nouvelle composition moyenne. L'ancienne composition moyenne ne peut être utilisée que si la période de trois mois visée à l'alinéa premier, 2°, n'a pas encore été dépassée ;
3° pour tous les chargements similaires effectués entre l'exécution de l'échantillon de la fosse de stockage et le deuxième jour ouvrable qui suit le jour où les résultats de l'échantillon de la fosse de stockage ont été communiqués via le guichet internet mis à disposition par Banque d'engrais, il peut être opté pour l'ancienne composition moyenne ou pour le résultat de l'échantillon de la fosse de stockage. L'ancienne composition moyenne ne peut être utilisée que si la période de trois mois visée à l'alinéa premier, 2°, n'a pas encore été dépassée.
Si, au cours de la période de trois mois visée à l'aliéna premier, 2°, en vue de la détermination de la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, un chargement similaire est échantillonné individuellement ainsi qu'indiqué au point 10.2.3.3, le résultat de l'analyse de chargement individuelle doit, par dérogation à l'alinéa premier, être utilisée pour déterminer la composition des engrais des effluents d'élevage ou des autres engrais en question.
Art. 10.2.3.5. Afin de déterminer la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, un échantillon de fosse de stockage ne peut être utilisé que si aucun fumier de porc n'est stocké dans l'installation de stockage échantillonnée.
§ 2. Le résultat d'un échantillon de fosse de stockage, exprimé en kg de N et en kg de P2O5, doit être utilisé en vue de déterminer la quantité d'engrais transportée, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, sur tous les documents de transport pour lesquels toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'échantillon de la fosse de stockage doit provenir du stockage des engrais d'où provient le chargement transporté ;
2° le chargement d'engrais concerné doit être effectué dans les trois mois qui suivent la date à laquelle l'échantillonnage concerné a été effectué ;
3° la composition des engrais du stockage concerné ne peut pas avoir changé de manière significative entre le moment de l'échantillonnage et celui du transport. Cela signifie, au moins, qu'aucun engrais n'a été ajouté au stockage en question depuis le moment de l'échantillonnage, à l'exception des effluents d'élevage produits dans la même exploitation que celle du stockage, et à la condition qu'il s'agisse d'un ajout d'un type d'engrais qui était déjà présent dans le stockage au moment de l'échantillonnage.
Si, pendant la période de trois mois visée au point 1.2°, deux ou plusieurs chargements provenant du stockage en question sont échantillonnés individuellement en vue de la détermination d'une composition moyenne d'engrais visée à l'article 10.2.3.4, ou si un nouvel échantillon de fosse de stockage est prélevé dans le stockage en question, les conditions suivantes s'appliquent par dérogation à l'alinéa premier :
1° la composition moyenne ou le résultat du nouvel échantillon de fosse de stockage doit être utilisé pour tous les chargements similaires effectués à partir du deuxième jour ouvrable qui suit le jour où la composition moyenne ou le résultat du nouvel échantillon de fosse de stockage a été communiqué via le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais ;
2° pour le premier échantillonnage individuel utilisé afin de déterminer la composition moyenne de l'engrais et pour tous les chargements similaires effectués entre l'exécution du premier échantillonnage individuel utilisé afin de déterminer la composition moyenne du fumier et le deuxième jour ouvrable qui suit le jour où la composition moyenne a été communiquée via le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais, il peut être opté pour la composition moyenne ou pour le résultat de l'échantillon de la fosse de stockage. Le résultat de l'échantillon de la fosse de stockage ne peut être utilisé que si le délai de trois mois, tel que visé à l'alinéa premier, 2°, n'a pas encore été dépassé ;
3° pour tous les chargements similaires effectués entre l'exécution du nouvel échantillon de fosse de stockage et le deuxième jour ouvrable suivant le jour où les résultats du nouvel échantillon de fosse de stockage sont communiqués via le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais, le résultat de l'ancien échantillon de fosse de stockage ou celui du nouvel échantillon de fosse de stockage peut être choisi. Le résultat de l'ancien échantillon de la fosse de stockage ne peut être utilisé que si le délai de trois mois, tel que visé à l'alinéa premier, 2°, n'a pas encore été dépassé.
Si, dans le délai de trois mois visé à l'alinéa premier, 2°, en vue de la détermination de la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, un chargement provenant du stockage concerné fait l'objet d'un échantillonnage individuel visé à l'article 10.2.3.3, le résultat de l'analyse individuelle du chargement doit, par dérogation à l'alinéa premier, être utilisé en vue déterminer la composition des engrais du chargement d'effluents d'élevage ou d'autres engrais concerné.
Art. 10.2.3.6. Pour remplir la déclaration de la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, stockée dans l'exploitation visée à l'article 10.2.1.2, § 1er, deuxième alinéa, 3°, la composition des engrais des engrais stockés doit être déterminée pour chaque stockage sur la base d'une composition moyenne du fumier visée à l'article 10.2.3.4, qui est déterminée sur la base de deux ou plusieurs chargements provenant du stockage en question ou sur la base d'un échantillon de fosse de stockage du stockage en question visé à l'article 10.2.3.5, et doit satisfaire aux conditions suivantes :
1° le premier échantillonnage individuel utilisé pour déterminer la composition moyenne des engrais ou de l'échantillon de la fosse de stockage concernée a été prélevé au plus tôt le 1er octobre de l'année civile précédente ;
2° des engrais n'ont pas été ajoutés au stockage concerné depuis le moment de l'échantillonnage, à l'exception des effluents d'élevage produits dans la même exploitation que celle du stockage, et à la condition qu'il s'agisse d'un ajout avec un type d'engrais déjà présent dans le stockage au moment de l'échantillonnage.
Lorsqu'il existe plus d'une composition moyenne, plusieurs échantillons de fosse de stockage, ou à la fois une composition moyenne et un échantillon de fosse, disponibles pour le stockage, qui satisfont tous aux conditions énoncées à l'alinéa premier, la composition des engrais stockés est déterminée sur la base de l'échantillonnage le plus récent.
Lorsqu'il n'y a pas de composition moyenne ni d'échantillon de fosse de stockage disponible pour le stockage conformément aux conditions visées à l'alinéa premier, la composition des engrais stockés est déterminée sur la base de la moyenne de toutes les analyses de chargement individuelles relatives au type d'engrais stocké dans le stockage concerné et prélevées après le 1er janvier de l'année précédente. Au moins deux analyses de chargement individuelles doivent être disponibles à cet effet.
Lorsqu'il n'y a pas de composition moyenne ni d'échantillon de fosse de stockage disponible pour le stockage dans les conditions visées à l'alinéa premier et qu'aucune analyse n'a été effectuée depuis le 1er janvier de l'année précédente sur au moins deux analyses de chargement individuelles relatives au type d'engrais stocké dans le stockage en question, la valeur forfaitaire est utilisée en vue de déterminer la composition des engrais stockés. Lorsqu'aucune valeur standard n'est incluse pour le type d'engrais concerné dans le tableau figurant à l'annexe 6 du présent arrêté, un échantillon de fosse de stockage doit être prélevé et le résultat de cet échantillon est utilisé afin de déterminer la composition des engrais stockés.
Sous-section 4. - Le système en vertu duquel les chiffres de la composition des engrais sont basés sur une composition d'engrais spécifique à l'exploitation du type d'effluents d'élevage
Art. 10.2.4.1. § 1er. Une composition des engrais spécifique à l'exploitation ne peut être utilisée que pour déterminer la composition d'un type de fumier mixte provenant de porcs, dont l'agriculteur peut démontrer la stabilité de la composition par des analyses de chargement individuelles.
Une composition des engrais spécifique à l'exploitation ne peut être utilisée que pour le lisier de porc provenant du même type d'effluents d'élevage. Lorsqu'un agriculteur choisit une composition des engrais spécifique à l'exploitation, il utilise cette composition pour tous les cas visés à l'article 10.2.1.2, § 1er, deuxième alinéa, qui concernent le lisier de porcs du même type d'effluents d'élevage.
Par dérogation au deuxième alinéa, si l'agriculteur dispose d'une identification distincte pour le type de lisier porcin concerné visé à l'article 10.1.1, deuxième alinéa, il peut se voir attribuer une composition des engrais propre à l'exploitation pour chaque identification distincte. Le cas échéant, toutes les conditions suivantes s'appliquent :
1° la valeur distincte de la composition des engrais spécifique à l'exploitation est utilisée tout au long de l'année civile pour tous les cas visés à l'article 10.2.1.2, § 1er, deuxième alinéa, qui concernent les différents types d'engrais ;
2° aux fins de l'application de la présente sous-section, seules les analyses de chargement individuelles relatives aux différents types d'engrais concernés sont prises en compte pour chaque composition des engrais propre à l'exploitation ;
3° pour chacune des compositions des engrais spécifiques à l'exploitation en question, les conditions de la présente sous-section sont remplies individuellement.
Le Ministre peut fixer des modalités relatives à la manière dont une identification distincte doit être utilisée ainsi qu'aux conditions prévues au troisième alinéa, qui doivent être remplies lorsqu'une identification distincte est utilisée.
§ 2. Lorsque la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, est déterminée pour un type donné d'engrais sur la base d'une composition des engrais spécifique à l'exploitation, la valeur de la composition spécifique à l'exploitation doit être utilisée tout au long de l'année civile pour tous les cas visés à l'article 10.2.1.2, § 1er, deuxième alinéa, qui concerne ce type d'engrais.
Par dérogation à l'alinéa premier, l'agriculteur qui, au cours d'une année civile, doit faire effectuer une ou plusieurs analyses de chargement individuelles pour un type d'engrais donné afin de se conformer aux conditions énoncées à l'article 10.2.4.2 pour le type d'engrais concerné peut commencer avec la composition des engrais spécifique à l'exploitation au cours de l'année civile. Le cas échéant, le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé pour tous les cas visés à l'article 10.2.1.2, § 1er, deuxième alinéa, qui concernent le type d'engrais concerné et qui se produisent avant la notification à la Banque d'engrais visée à l'article 10.2.4.3, § 2, deuxième alinéa.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, l'agriculteur qui utilise une composition d'engrais spécifique à l'exploitation pour une exploitation et un type d'engrais donnés, et pour lequel, en raison de circonstances exceptionnelles, la composition des engrais spécifique à l'exploitation concernée n'est plus représentative du type d'engrais en question pour une période limitée ou une quantité limitée d'engrais, sollicite à la Banque d'engrais l'autorisation d'utiliser le système mentionné à la sous-section 3 pour une période limitée ou une quantité limitée d'engrais, en vue de déterminer la composition du type d'engrais déterminé.
L'agriculteur sollicite l'autorisation visée à l'alinéa premier au moyen du guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais, en indiquant les circonstances exceptionnelles en conséquence desquelles la composition d'engrais spécifique à l'exploitation en question n'est plus représentative.
La Banque d'engrais informe l'agriculteur de sa décision via le guichet internet qu'elle met à sa disposition. Si la Banque d'engrais autorise l'utilisation temporaire du système visé à la sous-section 3 pour déterminer la composition du type d'engrais concerné, elle indique les conditions dans lesquelles et la période pour laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé.
La période durant laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé prend cours au plus tôt à partir du moment où la Banque d'engrais donne son autorisation. Par dérogation à ce qui précède, l'agriculteur peut, lorsqu'il sollicite l'autorisation visée au deuxième alinéa, justifier la nécessité urgente d'enlever les engrais de l'exploitation et demander que la période pour laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé pour déterminer la composition du type d'engrais concerné commence à courir à partir du moment où se sont produites les circonstances exceptionnelles en conséquence desquelles la composition des engrais spécifique de l'exploitation concernée n'était plus représentative. Le cas échéant, la Banque d'engrais peut décider que la période pendant laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé commence avant la date à laquelle la Banque d'engrais a donné son autorisation.
Les analyses de chargement individuelles effectuées pendant la période pour laquelle la Banque d'engrais a autorisé l'utilisation du système visé à la sous-section 3 sont prises en compte comme suit :
1° elles ne sont pas considérées comme des analyses de chargement individuelles d'un chargement similaire au sens de l'article 10.2.4.4, § 1er ;
2° elles ne sont pas prises en compte pour vérifier si la composition du type d'engrais concerné est encore stable, ainsi qu'indiqué à l'article 10.2.4.4, § 2.
Lorsque la période visée au quatrième alinéa ne s'achève pas à une date déterminée, l'agriculteur communique via le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais ou par envoi sécurisé le moment à partir duquel les circonstances exceptionnelles en conséquence desquelles la composition des engrais spécifique de l'exploitation concernée n'est plus représentative n'affectent plus la composition du type d'engrais en question. Ladite notification doit être faite au plus tard quatorze jours après le moment où les circonstances exceptionnelles en conséquence desquelles la composition des engrais spécifique de l'exploitation concernée n'est plus représentative n'affectent plus la composition des engrais du type d'engrais concerné. A partir du moment de la notification, toutes les conditions suivantes doivent être respectées :
1° l'agriculteur doit revenir à la composition des engrais spécifique à l'exploitation en vue de déterminer la composition des engrais concernée, et ne peut plus utiliser le système visé à la sous-section 3 ;
2° les analyses de chargement individuelles effectuées sur des chargements du type d'engrais concerné sont considérées comme des analyses de chargement individuelles d'un type de chargement similaire au sens de l'article 10.2.4.4, § 1er, et sont prises en compte afin de vérifier si la composition du type d'engrais concerné est encore stable, au sens de l'article 10.2.4.4, § 2.
Art. 10.2.4.2. § 1er. Afin de démontrer que la composition d'un type particulier de lisier de porc produit sur l'exploitation est stable, toutes les analyses de chargement individuelles relatives à des chargements similaires sont prises en compte.
Il convient de disposer d'au moins quatre analyses de chargement individuelles couvrant des chargements similaires.
Pour l'azote comme pour le phosphate, la différence entre le résultat d'analyse avec la composition la plus élevée, exprimée respectivement en kg N ou en kg P2O5, et la composition la plus faible, exprimée respectivement en kg N ou kg P2O5, est déterminée sur la base de toutes les analyses de chargement individuelles disponibles pour des chargements similaires.
La composition d'un type particulier de lisier de porc produit sur l'exploitation est stable si la différence, calculée conformément au troisième alinéa, tant pour l'azote que pour le phosphate, est inférieure à la différence admissible, ainsi qu'indiqué dans le tableau suivant, compte tenu du nombre d'analyses de chargement individuelles sur la base desquelles la différence a été calculée :
" Chapitre 10. - Echantillonnage et analyse
Section 1re. - Dispositions générales
Art. 10.1.1. Dans le présent chapitre, l'on entend par effluents d'élevage, les effluents d'élevage pour lesquels toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° la forme et le code des effluents d'élevage concernés sont identiques ;
2° les effluents d'élevage ont été produits sur la même exploitation ;
3° les effluents d'élevage sont éliminés de la même entreprise ou exploitation.
Les chargements d'un même type d'effluents d'élevage sont considérés comme des chargements similaires pour l'application du présent chapitre, à moins que les effluents d'élevage concernés ne soient produits de différentes manières dans l'exploitation en question, ce qui peut entraîner des différences dans la composition du type d'effluents d'élevage concerné et des stockages séparés pour les types d'effluents d'élevage concernés. La Banque d'engrais établit une identification séparée pour une telle exploitation. Si l'exploitant dispose d'une identification distincte pour un type d'effluents d'élevage pour lequel il a opté pour un système en vertu duquel les chiffres de composition de l'engrais sont déterminés sur la base d'une ou plusieurs analyses du type d'effluents d'élevage concerné :
1° il doit faire usage de cette identification distincte pour les cas visés à l'article 10.2.1.2, § 1er, deuxième alinéa ;
2° pour l'exploitation en question, les chargements du même type d'effluents d'élevage et ayant la même identification distincte sont considérés comme des chargements similaires.
Le Ministre peut fixer des modalités quant aux formes et aux codes d'engrais des effluents d'élevage, de même qu'en rapport avec les différentes méthodes de production d'un type d'engrais qui peuvent conduire à une composition différente de l'engrais. Le Ministre peut déterminer la mesure dans laquelle la composition d'un type d'engrais doit varier afin de permettre une identification distincte, ainsi que déterminer les règles détaillées quant à la façon dont un agriculteur peut en apporter la preuve.
Art. 10.1.2. Lorsqu'une analyse est utilisée pour déterminer la composition de l'engrais, l'échantillonnage et l'analyse correspondante sont rapportés au plus tard le jour de la réception de l'échantillon au laboratoire par le biais de l'application en ligne mise à disposition par la Banque d'engrais, visée à l'article 53/1, § 1er du VLAREL du 19 novembre 2010.
Par dérogation à l'alinéa premier, la Banque d'engrais peut exiger que, pour certains échantillons et analyses associées, la notification soit faite plus tôt.
Section 2. - Engrais
Sous-section 1re. - Choix du système de détermination de la composition des engrais
Art. 10.2.1.1. Les systèmes suivants sont utilisés pour déterminer la composition des engrais :
1° la composition forfaitaire des engrais ;
2° la détermination de la composition des engrais sur la base d'une ou plusieurs analyses ;
3° une composition des engrais spécifique à l'entreprise ;
4° une composition d'engrais calculée.
Art. 10.2.1.2. § 1er. Tout agriculteur visé à l'article 23, § 1er, aliéna premier, 1°, a) du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 choisit l'un des systèmes visés à l'article 10.2.1.1 pour déterminer la composition des engrais de chaque type d'effluents d'élevage produits sur ou éliminés de son exploitation, par année civile et par exploitation.
L'agriculteur visé à l'alinéa premier doit appliquer, pour chaque type d'effluents d'élevage pour chaque exploitation tout au long de l'année civile, le système choisi pour déterminer la composition des engrais :
1° pour déterminer la quantité d'engrais transportés, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, sur chaque document de transport dans lequel il est mentionné en tant qu'offrant ;
2° pour l'établissement et la réalisation du plan de fertilisation visé à l'article 4.1.1.1 du présent arrêté et du plan de fertilisation visé à l'article 24, § 5, du décret précité ;
3° pour l'indication, dans la déclaration visée à l'article 23 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, de la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, stockée sur le site de l'entreprise ou de l'exploitation ;
4° pour la détermination de la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, utilisée sur les terres agricoles appartenant à l'entreprise.
§ 2. L'agriculteur notifie ses choix tels que visés au § 1er via le guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais, et ce au plus tard le 15 février de l'année concernée.
Par dérogation à l'alinéa premier, un agriculteur qui s'est fait identifier dans le SIGeC en tant qu'agriculteur actif au cours d'une année civile communique ses choix par l'intermédiaire du guichet internet fourni par la Banque d'engrais au plus tard le soixantième jour qui suit la date à laquelle il a été identifié en tant qu'agriculteur dans le SIGeC.
Si un agriculteur souhaite, au cours d'une année civile donnée, souhaite effectuer ou faire effectuer un transport en tant qu'offrant d'engrais avant le dernier jour visé aux premier et deuxième alinéas, il doit, pour le type d'effluents d'élevage avoir communiqué avant le moment du transport un choix, tel que visé au § 1er, par l'intermédiaire du guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais, visé aux premier et deuxième alinéas. Le transport est interdit jusqu'à ce que l'agriculteur ait fait connaître son choix pour le type d'engrais d'élevage en question via le guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais.
Si l'agriculteur n'a pas communiqué son choix via le guichet internet fourni par la Banque d'engrais ou via un ou plusieurs documents de transport visés au troisième alinéa le dernier jour mentionné dans le premier, le deuxième ou le troisième alinéa, pour un ou plusieurs types d'effluents d'élevage produits sur son exploitation :
1° il choisit pour les types d'effluents d'élevage le système pour lequel il avait choisi l'année civile précédente s'il avait déjà opté pour un certain système pour les types d'effluents d'élevage concernés au cours de l'année civile précédente ;
2° il choisit pour les types d'effluents d'élevage le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais pour les effluents d'élevage, s'il n'avait pas opté pour un certain système pour les types d'engrais d'élevage concernés au cours de l'année civile précédente. Si le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais ne peut pas être appliqué au type d'effluents d'élevage concerné, il opte, par dérogation, pour le système selon lequel la composition des engrais est déterminée sur la base d'une ou plusieurs analyses.
Art. 10.2.1.3. Tout agriculteur soumis à une déclaration obligatoire visé à l'article 23, § 1er, aliéna premier, 2° ou 8°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, choisit de déterminer la composition des effluents d'élevage ou d'autres engrais stockés sur son exploitation ou retirés de son exploitation, pour le système en vertu duquel la composition des engrais est déterminée sur la base d'une composition des engrais calculée.
Art. 10.2.1.4. Tout agriculteur soumis à une déclaration obligatoire visé à l'article 23, § 1er, aliéna premier, 3°, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, choisit de déterminer la composition des effluents d'élevage ou des autres engrais stockés sur son exploitation ou retirés de son exploitation, pour le système dans lequel la composition des engrais est déterminée sur la base d'une ou plusieurs analyses.
Sous-section 2. - Le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais
Art. 10.2.2.1. Dans les situations suivantes ou pour les types d'effluents d'élevage suivants, le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais ne peut pas être choisi :
1° pour tous les types d'effluents d'élevage ou d'autres engrais ne figurant pas dans le tableau repris à l'annexe 6 du présent arrêté ;
2° pour tous les types d'effluents d'élevage transportés en tout ou en partie vers une autre entreprise qui est une exploitation couverte par une dérogation ;
3° dans le cas d'une exploitation couverte par une dérogation qui reçoit des effluents d'élevage d'une autre entreprise.
La restriction visée à l'alinéa premier, 2° et 3°, ne s'applique pas s'il s'agit d'un des transports suivants :
1° un transport d'une fraction clarifiée avec une attestation de fraction clarifiée visée à l'article 5.3.1.1 ;
2° un transport d'effluents muni d'une attestation d'effluents visée à l'article 5.3.1.2 ;
3° un transport d'une exploitation vers la même exploitation ou vers une autre exploitation qui fait partie de la même entreprise.
Le Ministre peut adapter les situations ou les types d'effluents d'élevage ou d'autres engrais pour lesquels le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais ne peut pas être choisi et peut déterminer les situations ou les types d'effluents d'élevage ou d'autres engrais pour lesquels le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais doit toujours être choisi.
Art. 10.2.2.2. Lorsque le système de chiffres forfaitaires de composition des engrais est choisi pour un type d'effluents d'élevage ou d'autres engrais, l'on utilise, afin de déterminer la quantité d'engrais exprimée en kg de N et en kg de P2O5, les valeurs indiquées dans le tableau figurant à l'annexe 6 jointe au présent arrêté.
Art. 10.2.2.3. L'exploitant qui utilise le système des chiffres forfaitaires de la composition des engrais pour une exploitation donnée et pour un type d'engrais donné pour lesquels, en raison de circonstances exceptionnelles, les chiffres forfaitaires de composition des engrais ne sont plus représentatifs du type d'engrais concerné pour une période ou une quantité d'engrais limitée, sollicite de la Banque d'engrais l'autorisation d'utiliser le système prévu à la sous-section 3 pour une période limitée ou pour une quantité limitée d'engrais aux fins de la détermination de la composition du type d'engrais concerné.
L'exploitant sollicite l'autorisation du guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais visé à l'alinéa premier, en indiquant les circonstances exceptionnelles en conséquence desquelles la composition forfaitaire de l'engrais n'est plus représentative.
La Banque d'engrais informe l'exploitant de sa décision via le guichet internet qu'elle met à sa disposition. Si la Banque d'engrais autorise l'utilisation temporaire du système visé à la sous-section 3 pour déterminer la composition du type d'engrais concerné, elle indique les conditions dans lesquelles et la période pour laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé.
La période pendant laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé prend cours au plus tôt à partir du moment où la Banque d'engrais a donné son autorisation.
Par dérogation au quatrième alinéa, l'exploitant peut, lorsqu'il sollicite l'autorisation telle que visée au deuxième alinéa, motiver sa demande du fait de la nécessité urgente d'éliminer les engrais de l'exploitation, et demander que la période pendant laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé pour déterminer la composition du type d'engrais concerné commence à courir à partir de l'apparition des circonstances exceptionnelles qui ont entraîné la non-représentativité des chiffres forfaitaires de composition des engrais. Le cas échéant, la Banque d'engrais peut décider que la période pendant laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé commence avant la date à laquelle la Banque d'engrais a donné son autorisation.
Les analyses de chargement individuelles effectuées pendant la période pour laquelle la Banque d'engrais a autorisé l'utilisation du système mentionné à la sous-section 3 ne sont pas considérées comme des analyses de chargement individuelles d'un chargement similaire tel que mentionné à l'article 10.2.4.2, § 1er, ou de l'article 10.2.4.4, § 1er.
Si la période mentionnée au quatrième alinéa ne s'achève pas à une date déterminée, l'exploitant communique par le guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais ou par courrier sécurisé le moment à partir duquel les circonstances exceptionnelles en conséquence desquelles le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais n'était plus représentatif n'affectent plus la composition des engrais du type d'engrais concerné. La notification doit être faite au plus tard quatorze jours après la date à laquelle les circonstances exceptionnelles en conséquence desquelles le système des chiffres forfaitaires de composition des engrais n'était plus représentatif, n'affectent plus la composition des engrais du type d'engrais concerné. A partir du moment de la notification, l'agriculteur doit revenir au système des chiffres forfaitaires de composition des engrais pour déterminer la composition du type d'engrais concerné, et ne peut plus utiliser le système visé à la sous-section 3.
Sous-section 3. - Détermination de la composition des engrais à partir d'une ou plusieurs analyses
Art. 10.2.3.1. Le Ministre peut identifier des situations ou des types d'effluents d'élevage ou d'autres engrais pour lesquels il n'est plus possible de choisir le système en vertu duquel la composition des engrais est déterminée sur la base d'une ou de plusieurs analyses, et peut déterminer des situations ou des types d'effluents d'élevage ou d'autres engrais pour lesquels le système en vertu duquel la composition des engrais est déterminée sur la base d'une ou de plusieurs analyses doit toujours être choisi.
Art. 10.2.3.2. § 1er. Si le système choisi pour une entreprise ou une exploitation donnée et pour certains types d'effluents d'élevage ou d'engrais est celui en vertu duquel les chiffres de composition de l'engrais sont déterminés sur la base d'une ou de plusieurs analyses du type d'effluents d'élevage ou d'engrais, la teneur en engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5 est calculée en utilisant les valeurs d'une ou de plusieurs analyses du type d'effluents d'élevage concerné. A cet égard, les choix suivants sont possibles :
1° une analyse individuelle du chargement ;
2° la moyenne d'au moins deux analyses de chargement individuelles ;
3° un échantillon de la fosse de stockage.
Le Ministre peut limiter le choix visé à l'alinéa premier pour certaines situations ou certains types d'effluents d'élevage ou d'autres engrais.
§ 2. Si la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, est déterminée à l'aide d'une analyse du chargement, celle-ci doit répondre à toutes les conditions suivantes :
1° l'échantillonnage et l'analyse sont effectués par un laboratoire agréé ;
2° l'échantillonnage et l'analyse ne portent que sur un seul chargement d'engrais ;
3° l'échantillonnage est effectué au moment du chargement des engrais ;
4° l'analyse a été communiquée au plus tard le jour de la réception de l'échantillon en laboratoire, via l'application en ligne mise à disposition par la Banque d'engrais, visée à l'article 53/1, § 1er, du VLAREL du 19 novembre 2010 ;
5° si l'analyse porte sur un transport d'effluents d'élevage pour lequel un document de transport a été établi, le numéro de ce document de transport est mentionné dans le rapport d'analyse ;
6° toute personne impliquée dans le transport dispose d'une période de douze mois après le transport pour demander une copie gratuite des analyses utilisées afin de déterminer la composition des engrais transportés.
§ 3. Si une analyse de la fosse, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, doit être utilisée pour déterminer la quantité d'engrais, l'analyse en question doit répondre à toutes les conditions suivantes :
1° l'échantillonnage et l'analyse ont été effectués par un laboratoire agréé ;
2° l'échantillonnage et l'analyse ne portent que sur un seul stockage d'engrais ;
3° l'analyse a été communiquée au plus tard le jour de la réception de l'échantillon en laboratoire, via l'application en ligne mise à disposition par la Banque d'engrais, visée à l'article 53/1, § 1er, du VLAREL du 19 novembre 2010 ;
4° si l'analyse de la fosse est utilisée pour déterminer la composition des engrais des engrais transportés, chaque partie impliquée dans le transport dispose de douze mois après le transport pour demander une copie gratuite de l'analyse de la fosse.
Art. 10.2.3.3. Si une analyse de chargement individuelle est utilisée pour déterminer la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, l'analyse en question doit satisfaire à toutes les conditions suivantes :
1° le résultat d'une seule analyse de chargement ne peut être utilisé que pour déterminer la composition des engrais du chargement d'effluents d'élevage ou d'autres engrais en question ;
2° si un document de transport a été établi pour le transport d'effluents d'élevage ou d'autres engrais en question, le document de transport indique que la composition des engrais est déterminée sur la base d'une analyse individuelle du chargement. Lorsque les résultats de l'analyse du chargement individuelle sont connus, la quantité d'engrais transportée est déterminée sur la base des résultats de l'analyse du chargement individuelle.
Si le document de transport visé à l'alinéa premier fait référence à des chargements multiples, tous ces chargements sont analysés individuellement et la quantité d'engrais transportée est déterminée sur la base de la moyenne des résultats des différentes analyses de chargement individuelles.
Art. 10.2.3.4. § 1er. Si la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, est déterminée sur la base de la moyenne de deux ou plusieurs analyses de chargement individuelles, au moins deux analyses de chargement individuelles doivent remplir toutes les conditions suivantes :
1° le premier et le dernier échantillonnages individuels sont séparés d'une période maximale de sept jours ;
2° les analyses de chargement individuelles portent sur des chargements similaires ;
3° l'offrant des engrais est le même agriculteur ou exploitant.
Si, par le biais de l'application en ligne mise à disposition par la Banque d'engrais, visée à l'article 53/1, § 1er du VLAREL du 19 novembre 2010, deux ou plusieurs analyses du chargement individuelles sont notifiées, qui remplissent les conditions prévues à l'alinéa premier, il est supposé que les analyses sont destinées à déterminer la composition des engrais sur la base de la moyenne de deux ou plusieurs analyses de chargement individuelles.
Par dérogation au deuxième alinéa, l'offrant des engrais peut informer la Banque d'engrais que les analyses en question sont destinées à déterminer la composition des engrais d'un chargement individuel sur la base d'une analyse du chargement en question.
Le Ministre peut fixer des modalités relatives au mode de calcul de la moyenne visée à l'alinéa premier, aux conditions visées à l'alinéa premier, au mode d'utilisation de l'application en ligne visée au deuxième alinéa ainsi qu'au mode de présentation de la communication visée au troisième alinéa.
§ 2. La composition moyenne des engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, doit être utilisée pour :
1° tous les chargements qui ont fait l'objet d'un échantillonnage individuel et dont les résultats des analyses individuelles ont été utilisés pour déterminer la composition moyenne des engrais ;
2° tous les chargements similaires effectués au cours des trois mois qui suivent la date à laquelle le premier échantillonnage individuel servant à déterminer la composition moyenne de l'engrais a été effectué.
Si, au cours de la période de trois mois visée à l'alinéa premier, 2°, deux ou plusieurs chargements similaires sont échantillonnés individuellement en vue de la détermination d'une nouvelle composition moyenne des engrais, ou si un échantillon de la fosse de stockage visé à l'article 10.2.3.5 est prélevé, qui a trait au type d'effluents d'élevage ou d'autre engrais, les conditions suivantes s'appliquent, par dérogation à l'alinéa premier :
1° la nouvelle composition moyenne ou le résultat de l'échantillon de la fosse de stockage doit être utilisé pour tous les chargements similaires effectués à partir du deuxième jour ouvrable qui suit le jour où la nouvelle composition moyenne ou le résultat de l'échantillon de la fosse de stockage est communiqué via le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais ;
2° pour le premier échantillonnage individuel utilisé en vue de déterminer la nouvelle composition moyenne du fumier, et pour tous les chargements similaires effectués entre l'exécution du premier échantillonnage individuel utilisé afin de déterminer la nouvelle composition moyenne du fumier et le deuxième jour ouvrable qui suit le jour où la nouvelle composition moyenne a été communiquée via le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais, il est possible d'opter pour l'ancienne ou pour la nouvelle composition moyenne. L'ancienne composition moyenne ne peut être utilisée que si la période de trois mois visée à l'alinéa premier, 2°, n'a pas encore été dépassée ;
3° pour tous les chargements similaires effectués entre l'exécution de l'échantillon de la fosse de stockage et le deuxième jour ouvrable qui suit le jour où les résultats de l'échantillon de la fosse de stockage ont été communiqués via le guichet internet mis à disposition par Banque d'engrais, il peut être opté pour l'ancienne composition moyenne ou pour le résultat de l'échantillon de la fosse de stockage. L'ancienne composition moyenne ne peut être utilisée que si la période de trois mois visée à l'alinéa premier, 2°, n'a pas encore été dépassée.
Si, au cours de la période de trois mois visée à l'aliéna premier, 2°, en vue de la détermination de la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, un chargement similaire est échantillonné individuellement ainsi qu'indiqué au point 10.2.3.3, le résultat de l'analyse de chargement individuelle doit, par dérogation à l'alinéa premier, être utilisée pour déterminer la composition des engrais des effluents d'élevage ou des autres engrais en question.
Art. 10.2.3.5. Afin de déterminer la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, un échantillon de fosse de stockage ne peut être utilisé que si aucun fumier de porc n'est stocké dans l'installation de stockage échantillonnée.
§ 2. Le résultat d'un échantillon de fosse de stockage, exprimé en kg de N et en kg de P2O5, doit être utilisé en vue de déterminer la quantité d'engrais transportée, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, sur tous les documents de transport pour lesquels toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'échantillon de la fosse de stockage doit provenir du stockage des engrais d'où provient le chargement transporté ;
2° le chargement d'engrais concerné doit être effectué dans les trois mois qui suivent la date à laquelle l'échantillonnage concerné a été effectué ;
3° la composition des engrais du stockage concerné ne peut pas avoir changé de manière significative entre le moment de l'échantillonnage et celui du transport. Cela signifie, au moins, qu'aucun engrais n'a été ajouté au stockage en question depuis le moment de l'échantillonnage, à l'exception des effluents d'élevage produits dans la même exploitation que celle du stockage, et à la condition qu'il s'agisse d'un ajout d'un type d'engrais qui était déjà présent dans le stockage au moment de l'échantillonnage.
Si, pendant la période de trois mois visée au point 1.2°, deux ou plusieurs chargements provenant du stockage en question sont échantillonnés individuellement en vue de la détermination d'une composition moyenne d'engrais visée à l'article 10.2.3.4, ou si un nouvel échantillon de fosse de stockage est prélevé dans le stockage en question, les conditions suivantes s'appliquent par dérogation à l'alinéa premier :
1° la composition moyenne ou le résultat du nouvel échantillon de fosse de stockage doit être utilisé pour tous les chargements similaires effectués à partir du deuxième jour ouvrable qui suit le jour où la composition moyenne ou le résultat du nouvel échantillon de fosse de stockage a été communiqué via le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais ;
2° pour le premier échantillonnage individuel utilisé afin de déterminer la composition moyenne de l'engrais et pour tous les chargements similaires effectués entre l'exécution du premier échantillonnage individuel utilisé afin de déterminer la composition moyenne du fumier et le deuxième jour ouvrable qui suit le jour où la composition moyenne a été communiquée via le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais, il peut être opté pour la composition moyenne ou pour le résultat de l'échantillon de la fosse de stockage. Le résultat de l'échantillon de la fosse de stockage ne peut être utilisé que si le délai de trois mois, tel que visé à l'alinéa premier, 2°, n'a pas encore été dépassé ;
3° pour tous les chargements similaires effectués entre l'exécution du nouvel échantillon de fosse de stockage et le deuxième jour ouvrable suivant le jour où les résultats du nouvel échantillon de fosse de stockage sont communiqués via le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais, le résultat de l'ancien échantillon de fosse de stockage ou celui du nouvel échantillon de fosse de stockage peut être choisi. Le résultat de l'ancien échantillon de la fosse de stockage ne peut être utilisé que si le délai de trois mois, tel que visé à l'alinéa premier, 2°, n'a pas encore été dépassé.
Si, dans le délai de trois mois visé à l'alinéa premier, 2°, en vue de la détermination de la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, un chargement provenant du stockage concerné fait l'objet d'un échantillonnage individuel visé à l'article 10.2.3.3, le résultat de l'analyse individuelle du chargement doit, par dérogation à l'alinéa premier, être utilisé en vue déterminer la composition des engrais du chargement d'effluents d'élevage ou d'autres engrais concerné.
Art. 10.2.3.6. Pour remplir la déclaration de la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, stockée dans l'exploitation visée à l'article 10.2.1.2, § 1er, deuxième alinéa, 3°, la composition des engrais des engrais stockés doit être déterminée pour chaque stockage sur la base d'une composition moyenne du fumier visée à l'article 10.2.3.4, qui est déterminée sur la base de deux ou plusieurs chargements provenant du stockage en question ou sur la base d'un échantillon de fosse de stockage du stockage en question visé à l'article 10.2.3.5, et doit satisfaire aux conditions suivantes :
1° le premier échantillonnage individuel utilisé pour déterminer la composition moyenne des engrais ou de l'échantillon de la fosse de stockage concernée a été prélevé au plus tôt le 1er octobre de l'année civile précédente ;
2° des engrais n'ont pas été ajoutés au stockage concerné depuis le moment de l'échantillonnage, à l'exception des effluents d'élevage produits dans la même exploitation que celle du stockage, et à la condition qu'il s'agisse d'un ajout avec un type d'engrais déjà présent dans le stockage au moment de l'échantillonnage.
Lorsqu'il existe plus d'une composition moyenne, plusieurs échantillons de fosse de stockage, ou à la fois une composition moyenne et un échantillon de fosse, disponibles pour le stockage, qui satisfont tous aux conditions énoncées à l'alinéa premier, la composition des engrais stockés est déterminée sur la base de l'échantillonnage le plus récent.
Lorsqu'il n'y a pas de composition moyenne ni d'échantillon de fosse de stockage disponible pour le stockage conformément aux conditions visées à l'alinéa premier, la composition des engrais stockés est déterminée sur la base de la moyenne de toutes les analyses de chargement individuelles relatives au type d'engrais stocké dans le stockage concerné et prélevées après le 1er janvier de l'année précédente. Au moins deux analyses de chargement individuelles doivent être disponibles à cet effet.
Lorsqu'il n'y a pas de composition moyenne ni d'échantillon de fosse de stockage disponible pour le stockage dans les conditions visées à l'alinéa premier et qu'aucune analyse n'a été effectuée depuis le 1er janvier de l'année précédente sur au moins deux analyses de chargement individuelles relatives au type d'engrais stocké dans le stockage en question, la valeur forfaitaire est utilisée en vue de déterminer la composition des engrais stockés. Lorsqu'aucune valeur standard n'est incluse pour le type d'engrais concerné dans le tableau figurant à l'annexe 6 du présent arrêté, un échantillon de fosse de stockage doit être prélevé et le résultat de cet échantillon est utilisé afin de déterminer la composition des engrais stockés.
Sous-section 4. - Le système en vertu duquel les chiffres de la composition des engrais sont basés sur une composition d'engrais spécifique à l'exploitation du type d'effluents d'élevage
Art. 10.2.4.1. § 1er. Une composition des engrais spécifique à l'exploitation ne peut être utilisée que pour déterminer la composition d'un type de fumier mixte provenant de porcs, dont l'agriculteur peut démontrer la stabilité de la composition par des analyses de chargement individuelles.
Une composition des engrais spécifique à l'exploitation ne peut être utilisée que pour le lisier de porc provenant du même type d'effluents d'élevage. Lorsqu'un agriculteur choisit une composition des engrais spécifique à l'exploitation, il utilise cette composition pour tous les cas visés à l'article 10.2.1.2, § 1er, deuxième alinéa, qui concernent le lisier de porcs du même type d'effluents d'élevage.
Par dérogation au deuxième alinéa, si l'agriculteur dispose d'une identification distincte pour le type de lisier porcin concerné visé à l'article 10.1.1, deuxième alinéa, il peut se voir attribuer une composition des engrais propre à l'exploitation pour chaque identification distincte. Le cas échéant, toutes les conditions suivantes s'appliquent :
1° la valeur distincte de la composition des engrais spécifique à l'exploitation est utilisée tout au long de l'année civile pour tous les cas visés à l'article 10.2.1.2, § 1er, deuxième alinéa, qui concernent les différents types d'engrais ;
2° aux fins de l'application de la présente sous-section, seules les analyses de chargement individuelles relatives aux différents types d'engrais concernés sont prises en compte pour chaque composition des engrais propre à l'exploitation ;
3° pour chacune des compositions des engrais spécifiques à l'exploitation en question, les conditions de la présente sous-section sont remplies individuellement.
Le Ministre peut fixer des modalités relatives à la manière dont une identification distincte doit être utilisée ainsi qu'aux conditions prévues au troisième alinéa, qui doivent être remplies lorsqu'une identification distincte est utilisée.
§ 2. Lorsque la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, est déterminée pour un type donné d'engrais sur la base d'une composition des engrais spécifique à l'exploitation, la valeur de la composition spécifique à l'exploitation doit être utilisée tout au long de l'année civile pour tous les cas visés à l'article 10.2.1.2, § 1er, deuxième alinéa, qui concerne ce type d'engrais.
Par dérogation à l'alinéa premier, l'agriculteur qui, au cours d'une année civile, doit faire effectuer une ou plusieurs analyses de chargement individuelles pour un type d'engrais donné afin de se conformer aux conditions énoncées à l'article 10.2.4.2 pour le type d'engrais concerné peut commencer avec la composition des engrais spécifique à l'exploitation au cours de l'année civile. Le cas échéant, le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé pour tous les cas visés à l'article 10.2.1.2, § 1er, deuxième alinéa, qui concernent le type d'engrais concerné et qui se produisent avant la notification à la Banque d'engrais visée à l'article 10.2.4.3, § 2, deuxième alinéa.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, l'agriculteur qui utilise une composition d'engrais spécifique à l'exploitation pour une exploitation et un type d'engrais donnés, et pour lequel, en raison de circonstances exceptionnelles, la composition des engrais spécifique à l'exploitation concernée n'est plus représentative du type d'engrais en question pour une période limitée ou une quantité limitée d'engrais, sollicite à la Banque d'engrais l'autorisation d'utiliser le système mentionné à la sous-section 3 pour une période limitée ou une quantité limitée d'engrais, en vue de déterminer la composition du type d'engrais déterminé.
L'agriculteur sollicite l'autorisation visée à l'alinéa premier au moyen du guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais, en indiquant les circonstances exceptionnelles en conséquence desquelles la composition d'engrais spécifique à l'exploitation en question n'est plus représentative.
La Banque d'engrais informe l'agriculteur de sa décision via le guichet internet qu'elle met à sa disposition. Si la Banque d'engrais autorise l'utilisation temporaire du système visé à la sous-section 3 pour déterminer la composition du type d'engrais concerné, elle indique les conditions dans lesquelles et la période pour laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé.
La période durant laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé prend cours au plus tôt à partir du moment où la Banque d'engrais donne son autorisation. Par dérogation à ce qui précède, l'agriculteur peut, lorsqu'il sollicite l'autorisation visée au deuxième alinéa, justifier la nécessité urgente d'enlever les engrais de l'exploitation et demander que la période pour laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé pour déterminer la composition du type d'engrais concerné commence à courir à partir du moment où se sont produites les circonstances exceptionnelles en conséquence desquelles la composition des engrais spécifique de l'exploitation concernée n'était plus représentative. Le cas échéant, la Banque d'engrais peut décider que la période pendant laquelle le système visé à la sous-section 3 peut être utilisé commence avant la date à laquelle la Banque d'engrais a donné son autorisation.
Les analyses de chargement individuelles effectuées pendant la période pour laquelle la Banque d'engrais a autorisé l'utilisation du système visé à la sous-section 3 sont prises en compte comme suit :
1° elles ne sont pas considérées comme des analyses de chargement individuelles d'un chargement similaire au sens de l'article 10.2.4.4, § 1er ;
2° elles ne sont pas prises en compte pour vérifier si la composition du type d'engrais concerné est encore stable, ainsi qu'indiqué à l'article 10.2.4.4, § 2.
Lorsque la période visée au quatrième alinéa ne s'achève pas à une date déterminée, l'agriculteur communique via le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais ou par envoi sécurisé le moment à partir duquel les circonstances exceptionnelles en conséquence desquelles la composition des engrais spécifique de l'exploitation concernée n'est plus représentative n'affectent plus la composition du type d'engrais en question. Ladite notification doit être faite au plus tard quatorze jours après le moment où les circonstances exceptionnelles en conséquence desquelles la composition des engrais spécifique de l'exploitation concernée n'est plus représentative n'affectent plus la composition des engrais du type d'engrais concerné. A partir du moment de la notification, toutes les conditions suivantes doivent être respectées :
1° l'agriculteur doit revenir à la composition des engrais spécifique à l'exploitation en vue de déterminer la composition des engrais concernée, et ne peut plus utiliser le système visé à la sous-section 3 ;
2° les analyses de chargement individuelles effectuées sur des chargements du type d'engrais concerné sont considérées comme des analyses de chargement individuelles d'un type de chargement similaire au sens de l'article 10.2.4.4, § 1er, et sont prises en compte afin de vérifier si la composition du type d'engrais concerné est encore stable, au sens de l'article 10.2.4.4, § 2.
Art. 10.2.4.2. § 1er. Afin de démontrer que la composition d'un type particulier de lisier de porc produit sur l'exploitation est stable, toutes les analyses de chargement individuelles relatives à des chargements similaires sont prises en compte.
Il convient de disposer d'au moins quatre analyses de chargement individuelles couvrant des chargements similaires.
Pour l'azote comme pour le phosphate, la différence entre le résultat d'analyse avec la composition la plus élevée, exprimée respectivement en kg N ou en kg P2O5, et la composition la plus faible, exprimée respectivement en kg N ou kg P2O5, est déterminée sur la base de toutes les analyses de chargement individuelles disponibles pour des chargements similaires.
La composition d'un type particulier de lisier de porc produit sur l'exploitation est stable si la différence, calculée conformément au troisième alinéa, tant pour l'azote que pour le phosphate, est inférieure à la différence admissible, ainsi qu'indiqué dans le tableau suivant, compte tenu du nombre d'analyses de chargement individuelles sur la base desquelles la différence a été calculée :
| Aantal individuele vrachtanalyses op basis waarvan het verschil berekend werd | Toegelaten verschil, uitgedrukt in kg N per ton | Toegelaten verschil, uitgedrukt in kg P2O5 per ton |
| 4 | 0,80 | 1,60 |
| 5 | 0,80 | 1,60 |
| 6 | 1,20 | 2,00 |
| 7 | 1,60 | 2,40 |
| 8 | 2,00 | 3,00 |
| 9 | 2,40 | 3,60 |
| 10 of meer | 3,00 | 4,40 |
§ 2. Voor de toetsing aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, wordt rekening gehouden met alle individuele vrachtanalyses die vanaf 1 januari 2018 via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket bezorgd zijn en die betrekking hebben op soortgelijke vrachten.
In afwijking van het eerste lid kunnen landbouwers die voor 1 januari 2018 regelmatig stalen namen van soortgelijke vrachten, aan de Mestbank via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket vragen dat ook met die stalen rekening wordt gehouden. De Mestbank deelt haar beslissing mee via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket en vermeldt daarbij met welke individuele vrachtanalyses die genomen zijn voor 1 januari 2018, er rekening zal worden gehouden.
De Mestbank voorziet in een automatische validatie van alle ontvangen vrachtanalyses. Voor de toetsing aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, wordt alleen rekening gehouden met vrachtanalyses die via het systeem gevalideerd zijn. Als een vrachtanalyse niet door het systeem gevalideerd wordt, informeert de Mestbank de betrokken landbouwer via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket en vermeldt daarbij de reden van niet-validatie.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 kan de Mestbank in voorkomend geval op gemotiveerd verzoek van de landbouwer beslissen dat er geen rekening gehouden wordt met de resultaten van bepaalde individuele vrachtanalyses. Als er met bepaalde individuele vrachtanalyses geen rekening wordt gehouden, wordt dat op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket vermeld.
Als een landbouwer in een bepaald kalenderjaar voor een bepaalde exploitatie en voor een bepaalde mestsoort het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingswaarden heeft gebruikt, wordt in afwijking van het eerste lid geen rekening gehouden met individuele vrachtanalyses die betrekking hebben op die mestsoort en die genomen zijn voor het kalenderjaar waarin voor die mestsoort het systeem van de forfaitaire mestsamenstellingswaarden gebruikt werd.
§ 4. Als een landbouwer voor een bepaalde exploitatie en voor een bepaalde mestsoort het systeem van de bedrijfsspecifieke mestsamenstellingswaarden gebruikt en een herrekening van zijn bedrijfsspecifieke mestsamenstellingswaarde wil, meldt hij dat aan de Mestbank via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket en vermeldt hij waarom hij voor de betrokken mestsoort een herrekening wil.
Bij een verzoek om herrekening als vermeld in het eerste lid, wordt, in afwijking van paragraaf 2 voor de toetsing aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, alleen rekening gehouden met individuele vrachtanalyses die betrekking hebben op soortgelijke vrachten en die uitgevoerd zijn nadat de landbouwer een melding als vermeld in het eerste lid, gedaan heeft.
Art. 10.2.4.3. § 1. De resultaten van individuele vrachtanalyses worden via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket bezorgd. De ontvangen resultaten worden automatisch getoetst aan de voorwaarden, vermeld in artikel 10.2.4.2, § 1.
Als op basis van de ontvangen resultaten blijkt dat de samenstelling van een bepaalde op de exploitatie geproduceerde soort varkensmest stabiel is, brengt de Mestbank via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket de betrokken landbouwer op de hoogte en deelt daarbij de gemiddelde samenstelling, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, mee.
§ 2. De landbouwer die voor een bepaalde exploitatie en voor een bepaalde mestsoort de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, wil bepalen op basis van een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling als vermeld in artikel 10.2.4.1, § 1, derde lid, 3°, deelt dat mee aan de Mestbank, via het door de Mestbank ter beschikking gesteld internetloket.
De Mestbank deelt de landbouwer binnen dertig dagen mee of de landbouwer voor een bepaalde exploitatie en voor de betrokken mestsoort de hoeveelheid meststoffen kan bepalen op basis van een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling en deelt daarbij de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, voor de betrokken mestsoort mee. De Mestbank vermeldt ook op basis van welke individuele vrachtanalyses de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling is berekend.
De landbouwer moet vanaf de melding van de Mestbank, vermeld in het tweede lid, voor al de gevallen, vermeld in artikel 10.2.1.2, § 1, tweede lid, die betrekking hebben op de betrokken mestsoort de betrokken bedrijfsspecifieke mestsamenstelling gebruiken.
Art. 10.2.4.4. § 1. De landbouwer die voor een bepaalde mestsoort een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling gebruikt, toont jaarlijks via minimaal één individuele vrachtanalyse van een soortgelijke vracht aan dat die mestsoort over een stabiele samenstelling beschikt.
In afwijking van het eerste lid moet de landbouwer over minimaal twee individuele vrachtanalyses van een soortgelijke vracht beschikken in het eerste kalenderjaar dat hij voor een bepaalde exploitatie en voor de betrokken mestsoort voor het volledige kalenderjaar gebruikmaakt van de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling.
§ 2. Voor elke landbouwer die voor een bepaalde exploitatie gebruikmaakt van een bedrijfsspecifieke mestsamenstelling, wordt jaarlijks tegen 1 januari gecontroleerd of de samenstelling van de betrokken mestsoort nog altijd stabiel is.
De samenstelling van de betrokken mestsoort is nog altijd stabiel als de betrokken landbouwer minimaal beschikt over een aantal individuele vrachtanalyses als vermeld in paragraaf 1, en op voorwaarde dat voor alle betrokken individuele vrachtanalyses, aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
1° het verschil tussen de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling, uitgedrukt in kg N, en de samenstelling, uitgedrukt in kg N, vermeld op de betrokken individuele vrachtanalyse, is kleiner dan 0,75 kg N;
2° het verschil tussen de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling, uitgedrukt in kg P2O5, en de samenstelling, uitgedrukt in kg P2O5, die vermeld is op de betrokken individuele vrachtanalyse, is kleiner dan 1 kg P2O5.
De betrokken individuele vrachtanalyses die gebruikt worden voor de beoordeling, vermeld in het tweede lid, zijn al de individuele vrachtanalyses die betrekking hebben op soortgelijke vrachten en waarvan de resultaten niet gebruikt werden voor de berekening van de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling, en niet al bij een eerdere beoordeling als vermeld in het tweede lid, meegenomen werden.
Voor de beoordeling, vermeld in het tweede lid, wordt zowel rekening gehouden met individuele vrachtanalyses die uitgevoerd zijn in opdracht van de betrokken landbouwer, als met individuele vrachtanalyses die uitgevoerd zijn in opdracht van de Mestbank of derden.
De Mestbank vermeldt het resultaat van de beoordeling op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket en vermeldt daarbij de individuele vrachtanalyses op basis waarvan de beoordeling gedaan is.
Art. 10.2.4.5. § 1. Als uit de controle, vermeld in 10.2.4.4, blijkt dat de samenstelling nog altijd stabiel is, kan voor de betrokken mestsoort de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling blijven gelden.
De Mestbank kan aan de landbouwer een herrekende bedrijfsspecifieke mestsamenstelling voorstellen via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket. De landbouwer die de door de Mestbank herrekende bedrijfsspecifieke mestsamenstelling wil gebruiken, deelt dat mee via de melding, vermeld in artikel 10.2.1.2.
§ 2. Als uit de controle blijkt dat niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 10.2.4.4, § 2, of als vastgesteld wordt dat de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling gebruikt wordt voor het bepalen van de samenstelling van meststoffen waarvan blijkt dat de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling er niet representatief voor is, kan de landbouwer voor de betrokken exploitatie en voor de betrokken mestsoort niet langer het systeem van de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling toepassen.
In afwijking van het eerste lid kan de Mestbank in de gevallen, vermeld in het eerste lid, de landbouwer voorstellen om het systeem van de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling voor de betrokken mestsoort te blijven gebruiken, in voorkomend geval met een herrekende bedrijfsspecifieke mestsamenstelling, mits naleving van een aantal bijkomende maatregelen.
De Mestbank stelt de landbouwer via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket op de hoogte van het feit dat hij voor de betrokken exploitatie en voor de betrokken mestsoort niet langer het systeem van de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling kan toepassen. In voorkomend geval is die melding vergezeld van een voorstel van de Mestbank als vermeld in het tweede lid.
§ 3. Als de landbouwer die het systeem van de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling voor een bepaalde exploitatie en voor een bepaalde mestsoort niet langer kan toepassen, en voor het betreffende kalenderjaar voor de betrokken mestsoort gekozen had voor het systeem van de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling, moet hij voor de rest van het kalenderjaar gebruikmaken van het systeem, vermeld in onderafdeling 3.
Art. 10.2.4.6. § 1. Voor het invullen, op de aangifte van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, die op de exploitatie opgeslagen waren, vermeld in artikel 10.2.1.2, § 1, tweede lid, 3°, wordt voor elke opslag waarin alleen een mestsoort opgeslagen is waarvoor gebruikgemaakt wordt van het systeem van de bedrijfsspecifieke mestsamenstelling, de mestsamenstelling bepaald op basis van de bedrijfsspecifieke mestsamenstellingscijfers voor die mestsoort.
Als een landbouwer voor een mestsoort beschikt over een toestemming als vermeld in artikel 10.2.4.1, § 3, en de periode waarvoor die toestemming geldt, de datum omvat waarvan meegedeeld moet worden hoeveel meststoffen er op die datum opgeslagen waren, wordt, in afwijking van het eerste lid de mestsamenstelling van de betrokken opgeslagen meststoffen bepaald conform artikel 10.2.3.6.
Onderafdeling 5. - De berekende mestsamenstelling
Art. 10.2.5.1. Een berekende mestsamenstelling kan alleen gebruikt worden voor:
1° de afvoer van meststoffen vanuit een mestverzamelpunt of van bij een erkende mestvoerder;
2° het invullen op de aangifte van de hoeveelheid meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, die op het mestverzamelpunt of bij de erkende mestvoerder opgeslagen waren, vermeld in artikel 10.2.1.2, § 1, tweede lid, 3°.
Bij het systeem van de berekende mestsamenstelling wordt de mestsamenstelling per mestopslag berekend op basis van een voortschrijdend, gewogen gemiddelde van de mestsamenstelling van de in de betrokken mestopslag aanwezige dierlijke mest. Voor de berekening van het gemiddelde wordt rekening gehouden met de mestsamenstelling en de tonnages, vermeld op de transportdocumenten die betrekking hebben op de aanvoer of de afvoer van dierlijke mest naar die opslag.
De uitbater of de erkende mestvoerder kan dat systeem ook combineren met een of meer analyses als vermeld in onderafdeling 3.
Als het systeem van de berekende mestsamenstelling gecombineerd wordt met een individuele vrachtanalyse als vermeld in artikel 10.2.3.3, gelden al de volgende voorwaarden:
1° de mestsamenstelling van de betrokken vracht dierlijke mest of andere meststoffen wordt bepaald op basis van de resultaten van de betrokken individuele vrachtanalyse;
2° de mestsamenstelling voor de betrokken mestopslag blijft berekend op basis van een voortschrijdend, gewogen gemiddelde van de mestsamenstelling van de in de betrokken mestopslag aanwezige dierlijke mest. Voor de berekening van het gemiddelde wordt ook rekening gehouden met de mestsamenstelling en de tonnages van de vracht die individueel bemonsterd is.
Als het systeem van de berekende mestsamenstelling gecombineerd wordt met het gemiddelde van twee of meer individuele vrachtanalyses, vermeld in artikel 10.2.3.4, of met een putstaal als vermeld in artikel 10.2.3.5, wordt de mestsamenstelling voor de betrokken mestopslag bepaald op basis van het gemiddelde van twee of meer individuele vrachtanalyses of op basis van het putstaal, zolang er aan de betrokken opslag sinds het moment van de monstername of monsternames geen meststoffen meer worden toegevoegd. Als er opnieuw meststoffen aan de betrokken opslag toegevoegd worden, worden de mestsamenstellingscijfers berekend op basis van een voortschrijdend, gewogen gemiddelde van de mestsamenstelling van de in de betrokken mestopslag aanwezige mest. Voor de berekening van het gemiddelde wordt rekening gehouden met de mestsamenstelling zoals die blijkt uit het betrokken gemiddelde van twee of meer individuele vrachtanalyses of uit het betrokken putstaal, met de hoeveelheid meststoffen die in de betrokken mestopslag nog aanwezig waren op het moment dat er opnieuw meststoffen aan die opslag toegevoegd werden, en met de gegevens die vermeld zijn op de transportdocumenten die betrekking hebben op de aanvoer of de afvoer van meststoffen naar die opslag vanaf het moment dat er opnieuw meststoffen aan die opslag toegevoegd worden.
Onderafdeling 6. - De controle en de opvolging van de verschillende systemen voor de bepaling van de mestsamenstelling
Art. 10.2.6.1. § 1. Als de Mestbank vaststelt dat een aanbieder van meststoffen de bepalingen van dit hoofdstuk niet naleeft of voor het bepalen van de mestsamenstelling een systeem gebruikt waarvan blijkt of waarvan vermoedt wordt dat de mestsamenstelling die via het gebruikte systeem verkregen is, niet representatief is voor alle of een groot deel van de transporten die betrekking hebben op de betrokken mestsoort, kan de Mestbank de betrokken aanbieder een of meer maatregelen opleggen.
De maatregelen die de Mestbank kan opleggen, vermeld in het eerste lid, zijn onder meer:
1° het beperken van de mogelijkheden voor het bepalen van de mestsamenstelling;
2° het verplichten om extra monsternames met bijbehorende analyses uit te laten voeren;
3° het beperken van de termijn tussen de eerste en de laatste individuele monstername, vermeld in artikel 10.2.3.4, § 1, eerste lid, 1° ;
4° het beperken van de periode waarin de gemiddelde mestsamenstelling gebruikt kan worden, vermeld in artikel 10.2.3.4, § 2, eerste lid, 2° ;
5° het beperken van de monsternames met bijbehorende analyses waarmee voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk rekening kan worden gehouden voor de bepaling van de mestsamenstelling;
6° het verplichten om de monstername of de analyse sneller dan vermeld in artikel 10.1.2 of 10.2.3.2, § 2, 4°, of § 3, 3°, aan te melden;
7° het beperken van de periode waarin de resultaten van een putstaal gebruikt kunnen worden, vermeld in artikel 10.2.3.5, § 2, eerste lid, 2° ;
8° het verplichten om een door de Mestbank op basis van een of meer analyses bepaalde mestsamenstelling te gebruiken.
Een beperking van de mogelijkheden voor het bepalen van de mestsamenstelling als vermeld in het tweede lid, 1°, kan zowel betrekking hebben op de keuzemogelijkheden, vermeld in artikel 10.2.1.1, als op de keuzemogelijkheden, vermeld in artikel 10.2.3.2. De beperkingen die opgelegd worden, kunnen betrekking hebben op alle mestsoorten die een aanbieder aanbiedt of maar op welbepaalde door de Mestbank aangeduide mestsoorten.
Als de Mestbank een verplichting om extra analyses te nemen als vermeld in het tweede lid, 2°, oplegt, bepaalt ze aan welke voorwaarden de extra analyses moeten voldoen en op welke wijze rekening moet worden gehouden met de resultaten van de betrokken extra analyses. De verplichting om extra analyses te nemen, kan een voorwaarde zijn om een bepaalde mogelijkheid voor het bepalen van de mestsamenstelling als vermeld in artikel 10.2.1.1 of 10.2.3.2, te kunnen gebruiken.
De maatregelen, vermeld in deze paragraaf, kunnen ook samen opgelegd worden.
§ 2. Als de Mestbank beslist om een of meer maatregelen als vermeld in paragraaf 1, op te leggen, brengt ze de betrokken aanbieder van meststoffen daarvan op de hoogte met een beveiligde zending en via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket.
Art. 10.2.6.2. § 1. Als conform de bepalingen van dit hoofdstuk op een transportdocument voor het bepalen van de hoeveelheid vervoerde meststoffen, uitgedrukt in kg N en in kg P2O5, een systeem gebruikt moet worden waarbij de mestsamenstellingscijfers gebaseerd moeten worden op een of meer analyses van de betrokken soort dierlijke mest, en zolang er onvoldoende geldige analyseresultaten bekend zijn om de mestsamenstelling voor het betrokken transport te bepalen conform de bepalingen van dit hoofdstuk, wordt de op basis van het betrokken transportdocument vervoerde hoeveelheid meststoffen bepaald op nul kg N en nul kg P2O5.
In afwijking van het eerste lid kan de Mestbank beslissen om, voor de afnemer van de betrokken meststoffen, de op basis van het betrokken transportdocument vervoerde hoeveelheid meststoffen te bepalen op basis van de forfaitaire mestsamenstelling of op basis van een door een of meer analyses bepaalde mestsamenstelling door de Mestbank. De Mestbank brengt de betrokken afnemer van de meststoffen op de hoogte van haar beslissing via de transportoverzichten, vermeld in artikel 9.1.1 en 9.1.2.
De vervoerde hoeveelheid meststoffen, bepaald conform het eerste en het tweede lid, wordt vermeld op de transportoverzichten, vermeld in artikel 9.1.1 en 9.1.2. De betrokken aanbieder of afnemer die daartegen bezwaar wil indienen, kan dat doen conform de bezwaarprocedure, vermeld in artikel 9.1.1, vierde lid, en artikel 9.1.2, tweede lid.
Onderafdeling 7. - Bezwaarbehandeling
Art. 10.2.7.1. Tegen de beslissingen, vermeld in dit hoofdstuk, met uitzondering van de beslissingen, vermeld in artikel 10.2.6.2, kan binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de dag dat de betrokken beslissing op het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, werd meegedeeld, bezwaar ingediend worden.
Het bezwaar wordt ingediend via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket.
Het afdelingshoofd van de Mestbank neemt een beslissing binnen drie maanden. Het indienen van een bezwaar schorst de beslissing niet.".
| Nombre d'analyses de chargements individuelles sur la base desquelles la différence a été calculée | Différence autorisée exprimée en kg N par tonne | Différence autorisée exprimée en kg P2O5 par tonne |
| 4 | 0,80 | 1,60 |
| 5 | 0,80 | 1,60 |
| 6 | 1,20 | 2,00 |
| 7 | 1,60 | 2,40 |
| 8 | 2,00 | 3,00 |
| 9 | 2,40 | 3,60 |
| 10 ou davantage | 3,00 | 4,40 |
§ 2. Dans le cadre du respect des conditions visées au § 1er, il est tenu compte de toutes les analyses de chargement individuelles qui ont été fournies par l'intermédiaire du guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais à partir du 1er janvier 2018 et qui concernent des chargements similaires.
Par dérogation à l'alinéa premier, les agriculteurs qui prélevaient régulièrement des échantillons de chargements similaires avant le 1er janvier 2018 peuvent demander que ces échantillons soient pris en compte à la Banque d'engrais via le guichet internet mis à disposition par cette dernière. La Banque d'engrais notifie sa décision par l'intermédiaire du guichet internet mis à disposition par ses soins, en indiquant les analyses de chargement individuelles qui ont été effectuées avant le 1er janvier 2018 et qui seront prises en compte.
La Banque d'engrais assure la validation automatique de toutes les analyses de chargement reçues. Dans le cadre du respect des conditions visées au § 1er, seules les analyses de chargement validées par le système sont prises en compte. Lorsqu'une analyse de chargement n'est pas validée par le système, la Banque d'engrais en informe l'agriculteur concerné via le guichet internet mis à disposition par ses soins, en indiquant le motif de la non-validation.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, la Banque d'engrais peut décider, le cas échéant, à la demande motivée de l'agriculteur, que les résultats de certaines analyses de chargement individuelles ne soient pas pris en compte. Lorsque certaines analyses de chargement individuelles ne sont pas prises en compte, la Banque d'engrais le mentionne sur le guichet internet qu'elle met à disposition.
Par dérogation à l'alinéa premier, lorsqu'un agriculteur a utilisé le système des valeurs forfaitaires de composition des engrais pour un certain type d'exploitation et de lisier au cours d'une année civile donnée, les analyses de chargement individuelles relatives à ce type d'engrais et prises pour l'année civile au cours de laquelle le système des valeurs forfaitaires de composition des engrais a été utilisé pour le type d'engrais en question ne sont pas prises en compte.
§ 4. Lorsqu'un agriculteur utilise le système des valeurs de composition des engrais spécifique à l'exploitation pour une exploitation donnée et pour un certain type d'engrais, et qu'il souhaite recalculer la valeur de composition des engrais spécifique à l'exploitation, il en informe la Banque d'engrais par l'intermédiaire du guichet internet mis à disposition par cette dernière et explique pourquoi il souhaite un nouveau calcul du type d'engrais concerné.
Dans le cas d'une demande de nouveau calcul telle que visée à l'alinéa premier, par dérogation au paragraphe 2 pour l'évaluation du respect des conditions visées au § 1er, seules les analyses de chargement individuelles relatives à des chargements similaires et effectuées après que l'agriculteur a procédé à la notification visée à l'alinéa premier sont prises en compte.
Art. 10.2.4.3. § 1er. Les résultats des analyses de chargement individuelles sont transmis via le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais. Les résultats reçus sont automatiquement comparés aux conditions visées à l'article 10.2.4.2 § 1er.
Lorsque, sur la base des résultats obtenus, il apparaît que la composition d'un type particulier de lisier porcin produit sur l'exploitation est stable, la Banque d'engrais en informe l'agriculteur concerné via le guichet internet qu'elle met à disposition, en indiquant la composition moyenne, exprimée en kg de N et en kg de P2O5,.
§ 2. L'agriculteur qui souhaite déterminer la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, pour une exploitation donnée et pour un certain type d'engrais, sur la base d'une composition des engrais spécifique à l'exploitation visée à l'article 10.2.4.1, § 1er, troisième alinéa,3°, en informe la Banque d'engrais, par l'intermédiaire du guichet internet mis à sa disposition par la Banque d'engrais.
Dans un délai de trente jours, la Banque d'engrais fait savoir à l'agriculteur si celui-ci est en mesure de déterminer la quantité d'engrais à partir d'une composition des engrais spécifique à l'exploitation pour une exploitation donnée, et pour le type d'engrais concerné, en indiquant la composition des engrais spécifique à l'exploitation exprimée en kg de N et en kg de P2O5, pour le type d'engrais concerné. La Banque d'engrais mentionne également les analyses de chargement individuelles sur la base desquelles la composition des engrais spécifique à l'entreprise a été calculée.
A partir de la date de notification de la Banque d'engrais visée au deuxième alinéa, l'agriculteur doit utiliser la composition des engrais spécifique à l'exploitation concernée pour tous les cas visés à l'article 10.2.1.2, § 1er, deuxième alinéa, qui concernent le type d'engrais concerné.
Art. 10.2.4.4. § 1er. L'agriculteur qui utilise une composition d'engrais spécifique à l'exploitation pour un type d'engrais donné doit chaque année démontrer, au moyen d'au moins une analyse individuelle du chargement pour un chargement similaire, que le type d'engrais présente une composition stable.
Par dérogation à l'alinéa premier, l'agriculteur doit disposer d'au moins deux analyses individuelles du chargement d'un chargement similaire pour la première année civile au cours de laquelle il utilise la composition des engrais spécifique à l'exploitation pour l'ensemble de l'année civile pour une exploitation donnée et pour le type d'engrais concerné.
§ 2. Pour chaque agriculteur utilisant une composition des engrais spécifique à l'exploitation pour une exploitation donnée, un contrôle est effectué au plus tard le 1er janvier de chaque année afin de s'assurer que la composition du type d'engrais concerné est toujours stable.
La composition du type d'engrais concerné reste stable si l'agriculteur concerné dispose au moins d'un certain nombre d'analyses de chargement individuelles visées au § 1er, et à la condition que toutes les conditions suivantes soient réunies pour toutes les analyses de chargement individuelles concernées :
1° la différence entre la composition des engrais spécifique à l'exploitation, exprimée en kg N, et la composition, exprimée en kg N, indiquée dans l'analyse de chargement individuelle concernée, est inférieure à 0,75 kg N ;
2° la différence entre la composition des engrais spécifique à l'exploitation, exprimée en kg de P2O5, et la composition, exprimée en kg de P2O5, indiquée sur l'analyse de chargement individuelle concernée, est inférieure à 1 kg de P2O5.
Les analyses de chargement individuelles utilisées pour l'évaluation visée au deuxième paragraphe sont toutes les analyses de chargement individuelles qui se rapportent à des chargements similaires et dont les résultats n'ont pas été utilisés pour le calcul de la composition des engrais propre à l'entreprise et n'ont pas déjà été inclus dans une évaluation antérieure telle que visée au deuxième alinéa.
L'évaluation visée au deuxième alinéa tient compte aussi bien des analyses de chargement individuelles effectuées pour le compte de l'agriculteur concerné que des analyses de chargement individuelles effectuées pour le compte de la Banque d'engrais ou de tiers.
La Banque d'engrais mentionne le résultat de l'évaluation au guichet internet qu'elle met à disposition, en indiquant les analyses de chargement individuelles sur la base desquelles l'évaluation a été effectuée.
Art. 10.2.4.5. § 1et. S'il ressort du contrôle mentionné au point 10.2.4.4 que la composition est encore stable, la composition des engrais spécifique à l'exploitation peut continuer à s'appliquer pour le type d'engrais concerné.
La Banque d'engrais peut proposer à l'agriculteur une composition recalculée de la composition des engrais spécifique à l'exploitation via le guichet internet qu'elle met à disposition. L'agriculteur qui souhaite utiliser la composition des engrais spécifique à l'exploitation telle que recalculée par Banque d'engrais le fait savoir au moyen de la notification visée à l'article 10.2.1.2.
§ 2. S'il ressort du contrôle que les conditions fixées à l'article 10.2.4.4.4, § 2, ne sont pas remplies, ou s'il est établi que la composition des engrais spécifique à l'exploitation n'est pas utilisée pour déterminer la composition des engrais pour lesquels il est constaté que la composition des engrais spécifique à l'exploitation n'est pas représentative, l'agriculteur ne peut plus appliquer le système de composition des engrais spécifique à l'exploitation pour la composition de l'engrais spécifique à l'exploitation en question et pour les types d'engrais concernés.
Par dérogation à l'alinéa premier, la Banque d'engrais peut, dans les cas visés à l'alinéa premier, proposer que l'agriculteur continue d'utiliser le système de composition des engrais spécifique à l'exploitation pour les types d'engrais concernés, le cas échéant avec une composition des engrais spécifique à l'exploitation recalculée, moyennant le respect d'un certain nombre de mesures complémentaires.
La Banque d'engrais informe l'agriculteur, via le guichet internet qu'elle met à sa disposition, qu'il ne peut plus appliquer le système de composition des engrais spécifique à l'exploitation en question et au type d'engrais concerné. Le cas échéant, ladite notification est accompagnée d'une proposition de la Banque d'engrais, telle que visée au deuxième alinéa.
§ 3. Lorsque l'agriculteur qui n'est plus en mesure d'appliquer le système de la composition des engrais spécifique à l'exploitation pour une exploitation donnée et pour un type d'engrais donné, et qui a opté pour le système de composition des engrais spécifique à l'exploitation pour l'année civile concernée pour ce type d'engrais concerné, il doit utiliser le système visé à la sous-section 3 pour le reste de l'année civile.
Art. 10.2.4.6. § 1er. Pour compléter, dans la déclaration, la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, stockée dans l'exploitation, visée à l'article 10.2.1.2, § 1er, deuxième alinéa, 3°, pour chaque stockage où seul un type d'engrais est stocké pour lequel le système de la composition d'engrais spécifique à l'exploitation est utilisé, la composition des engrais est déterminée sur la base des chiffres relatifs à la composition des engrais spécifique à l'exploitation pour ce type d'engrais.
Par dérogation au § 1er, lorsqu'un agriculteur est titulaire d'une autorisation pour un type d'engrais visé à l'article 10.2.4.1, § 3, et que la période pour laquelle cette autorisation s'applique comprend la date à laquelle la quantité d'engrais stockée devait être notifiée, la composition des engrais stockés concernés est déterminée conformément à l'article 10.2.3.6.
Sous-section 5. - Composition des engrais calculée
Art. 10.2.5.1. Une composition des engrais calculée ne peut être utilisée que pour :
1° l'évacuation des engrais d'un point de collecte des engrais ou d'un transporteur d'engrais agréé ;
2° compléter la déclaration de la quantité d'engrais, exprimée en kg de N et kg de P2O5, stockée au point de collecte du lisier ou chez le transporteur d'engrais agréé, visé à l'article 10.2.1.2, § 1er, deuxième alinéa, 3°.
Dans le système de la composition des engrais calculée, la composition des engrais par fumier stocké est calculée sur la base d'une moyenne mobile pondérée de la composition des engrais des effluents d'élevage dans le stockage concerné. Aux fins du calcul de la moyenne, il est tenu compte de la composition et des tonnages des engrais mentionnés dans les documents de transport relatifs à l'apport et à l'évacuation des effluents d'élevage vers le stockage en question.
L'exploitant ou le transporteur d'engrais agréé peut également combiner le système en question avec une ou plusieurs analyses mentionnées à la sous-section 3.
Si le système de la composition des engrais calculée est combiné à une analyse individuelle du chargement ainsi que mentionné à l'article 10.2.3.3, toutes les conditions suivantes s'appliquent :
1° la composition des engrais du chargement d'effluents d'élevage ou d'autres engrais concerné est déterminée sur la base des résultats de l'analyse individuelle du chargement concerné ;
2° la composition des engrais pour le stockage des engrais concerné reste calculée sur la base d'une moyenne mobile pondérée de la composition des engrais des effluents d'élevage présent dans le stockage concerné. La moyenne est également calculée en tenant compte de la composition des engrais et des tonnages du chargement qui fait l'objet d'un échantillonnage individuel.
Lorsque le système de calcul de la composition des engrais calculée est combiné à la moyenne de deux ou plusieurs analyses de chargement individuelles visées à l'article 10.2.3.4, ou à un échantillon de fosse de stockage visé à l'article 10.2.3.5, la composition des engrais pour le stockage des engrais concerné est déterminée sur la base de la moyenne de deux ou plusieurs analyses de chargement individuelles ou sur la base de l'échantillon de la fosse de stockage, pour autant qu'aucun engrais n'ait été ajouté au stockage concerné depuis le ou les prélèvements d'échantillons. En cas de rajout d'engrais au stockage concerné, les chiffres de composition des engrais sont calculés sur la base d'une moyenne mobile pondérée de la composition des engrais présents dans le stockage concerné. Aux fins du calcul de la moyenne, il est tenu compte de la composition des engrais, telle qu'elle ressort de la moyenne de deux ou plusieurs analyses de chargement individuelles ou de l'échantillon de la fosse de stockage, de la quantité d'engrais restant dans le stockage en question au moment où les engrais ont été ajoutés à ce stockage et des informations figurant dans les documents de transport relatifs à l'apport ou à l'évacuation des engrais vers le stockage en question, à partir du moment où des engrais sont à nouveau ajoutés au stockage.
Sous-section 6. - Le contrôle et le suivi des différents systèmes de détermination de la composition des engrais
Art. 10.2.6.1. § 1er. Lorsque la Banque d'engrais constate qu'un offrant d'engrais ne respecte pas les dispositions du présent chapitre ou utilise un système pour déterminer la composition des engrais dont il apparaît ou dont il est supposé que la composition des engrais obtenue par le système utilisé n'est pas représentative de l'ensemble ou d'une grande partie des transports concernant le type d'engrais concerné, elle peut imposer une ou plusieurs mesures à l'offrant en question.
Les mesures que la Banque d'engrais peut imposer, visées à l'alinéa premier, sont notamment :
1° la restriction des possibilités de détermination de la composition des engrais ;
2° l'obligation de faire exécuter des prélèvements d'échantillon supplémentaire avec les analyses associées ;
3° la limitation du délai entre le premier et le dernier prélèvements d'échantillon individuels, tels qu'indiqués à l'article 10.2.3.3.4, § 1er, aliéna premier, 1° ;
4° la limitation de la période durant laquelle composition des engrais moyenne visée à l'article 10.2.3.4, § 2, aliéna premier, 2°, peut être utilisée ;
5° la restriction des prélèvements d'échantillons avec analyses associées qui peuvent être pris en compte aux fins du présent chapitre en vue de déterminer la composition des engrais ;
6° l'obligation de notifier le prélèvement ou l'analyse plus rapidement qu'il n'est indiqué à l'article 10.1.2 ou 10.2.3.2, § 2, 4°, ou § 3, 3° ;
7° la limitation de la période durant laquelle les résultats d'un échantillon de fosse de stockage, tels que visés à l'article 10.2.3.5, § 2, alinéa premier, 2°, peuvent être utilisés ;
8° l'obligation d'utiliser une composition des engrais déterminée par la Banque d'engrais sur la base d'une ou plusieurs analyses.
Une restriction des possibilités de détermination de la composition des engrais telle que mentionnée au deuxième alinéa, 1°, peut porter à la fois sur les options visées à l'article 10.2.1.1 et sur les options visées à l'article 10.2.3.2. Les restrictions imposées peuvent porter sur tous les types d'engrais proposés par offrant ou seulement sur des types spécifiques d'engrais désignés par la Banque d'engrais.
Lorsque la Banque d'engrais impose une obligation de procéder à des analyses complémentaires ainsi qu'indiqué au deuxième alinéa, 2°, elle détermine les conditions auxquelles les analyses complémentaires doivent répondre et la manière dont les résultats des analyses complémentaires concernées doivent être pris en compte. L'obligation de procéder à des analyses complémentaires peut être une condition préalable à l'utilisation d'une possibilité particulière en vue de déterminer la composition des engrais visée à l'article 10.2.1.1 ou 10.2.3.2.
Les mesures visées au présent paragraphe peuvent également être imposées conjointement.
§ 2. Lorsque la Banque d'engrais décide d'imposer une ou plusieurs des mesures visées au § 1er, elle en informe l'offrant d'engrais concerné au moyen d'un envoi sécurisé et via le guichet internet qu'elle met à disposition.
Art. 10.2.6.2. § 1er. Lorsque, conformément aux dispositions du présent chapitre, il y a lieu, sur un document de transport destiné à déterminer la quantité d'engrais transportés, exprimée en kg de N et en kg de P2O5, d'utiliser un système en vertu duquel les chiffres de composition des engrais doivent être basés sur une ou plusieurs analyses du type d'effluents d'élevage concerné, et aussi longtemps qu'il n' y a pas suffisamment de résultats d'analyse valables disponibles pour déterminer la composition de l'engrais pour le transport en question conformément aux dispositions du présent chapitre, la quantité d'engrais transportée est fixée, sur la base du document de transport concerné, à zéro kg N et zéro kg P2O5.
Par dérogation à l'alinéa premier, la Banque d'engrais peut décider de déterminer la quantité d'engrais transportée sur la base du document de transport concerné pour l'acheteur des engrais en question, sur la base de la composition forfaitaire des engrais ou sur la base d'une composition des engrais déterminée par la Banque d'engrais sur la base d'une ou de plusieurs analyses. La Banque d'engrais informe l'acheteur concerné de sa décision par le biais des récapitulatifs de transport visés aux articles 9.1.1 et 9.1.2.
La quantité d'engrais transportée, déterminée conformément aux premier et deuxième alinéas, est indiquée sur les récapitulatifs de transport visés aux articles 9.1.1 et 9.1.2. L'offrant ou l'acheteur en question qui souhaite introduire une réclamation peut le faire conformément à la procédure de réclamation visée à l'article 9.1.1, quatrième alinéa, et à l'article 9.1.2, deuxième alinéa.
Sous-section 7. - Traitement des réclamations
Art. 10.2.7.1. Des réclamations peuvent être introduites contre les décisions visées au présent chapitre, à l'exception des décisions vises à l'article 10.2.6.2, et ce dans un délai de trente jours à compter du jour de la notification de la décision en question au guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais.
La réclamation est introduite via le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais.
Le chef de division de la Banque d'engrais se prononce sur la réclamation dans un délai de trois mois. L'introduction d'un recours ne suspend pas la décision. "
Art. 26. In hetzelfde besluit wordt hoofdstuk 12, dat bestaat uit artikel 12, vervangen door wat volgt:
"HOOFDSTUK 12. - Organisatie
Afdeling 1. - De Verificatiecommissie, vermeld in artikel 41bis, § 3, tweede lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 12.1.1. § 1. Er wordt een Verificatiecommissie opgericht die de Mestbank adviseert over de aanvragen tot correctie als vermeld in artikel 41bis, § 3, tweede lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006.
De minister benoemt de leden van de Verificatiecommissie op de volgende wijze:
1° op voordracht van de Vlaamse Landmaatschappij, voor de leden, vermeld in artikel 41bis, § 3, derde lid, 1°, van het voormelde decreet;
2° op voordracht van het Departement Landbouw en Visserij van het Vlaams Ministerie van Landbouw en Visserij, voor het lid, vermeld in artikel 41bis, § 3, derde lid, 2°, van het voormelde decreet;
3° op voordracht van het Agentschap voor Natuur en Bos, voor het lid, vermeld in artikel 41bis, § 3, derde lid, 3°, van het voormelde decreet;
4° na aanduiding door de Vlaamse Landmaatschappij, voor het lid, vermeld in artikel 41bis, § 3, derde lid, 4°, van het voormelde decreet.
§ 2. De minister benoemt per effectief lid een plaatsvervanger. De plaatsvervangende leden worden benoemd volgens dezelfde procedure als de procedure die respectievelijk bepaald is voor de effectieve leden.
§ 3. De zetel van de Verificatiecommissie is gevestigd in de Gulden Vlieslaan 72, 1060 Brussel.
Afdeling 2. - De ambtenaren die belast zijn met de inning en de invordering
Art. 12.2.1. § 1. Het afdelingshoofd van de Mestbank is gemachtigd om de administratieve geldboetes, vermeld in het Mestdecreet van 22 december 2006, op te leggen.
Het voormelde afdelingshoofd is ook bevoegd voor het kwijtschelden of verminderen van de administratieve geldboete en het verlenen van uitstel van betaling, conform artikel 66 en 67 van het Mestdecreet van 22 december 2006.
Bij afwezigheid wordt het voormelde afdelingshoofd voor de taken, vermeld in het eerste en het tweede lid, vervangen door een ambtenaar van niveau A van de Vlaamse Landmaatschappij, die door het afdelingshoofd wordt aangewezen.
§ 2. De gedelegeerd bestuurder van de Vlaamse Landmaatschappij is gemachtigd tot:
1° het viseren, het uitvoerbaar verklaren en het eensluidend verklaren van het dwangbevel, vermeld in artikel 68 van het Mestdecreet van 22 december 2006;
2° het verzoeken om de hypothecaire inschrijving, vermeld in artikel 70 van het voormelde decreet;
3° het laten doorlichten of handlichten van de hypothecaire inschrijving, vermeld in artikel 70 van het voormelde decreet.
Bij afwezigheid wordt de gedelegeerd bestuurder voor de taken, vermeld in het eerste lid, vervangen door een ambtenaar van niveau A van de Vlaamse Landmaatschappij, die door de gedelegeerd bestuurder wordt aangewezen.
"HOOFDSTUK 12. - Organisatie
Afdeling 1. - De Verificatiecommissie, vermeld in artikel 41bis, § 3, tweede lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006
Art. 12.1.1. § 1. Er wordt een Verificatiecommissie opgericht die de Mestbank adviseert over de aanvragen tot correctie als vermeld in artikel 41bis, § 3, tweede lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006.
De minister benoemt de leden van de Verificatiecommissie op de volgende wijze:
1° op voordracht van de Vlaamse Landmaatschappij, voor de leden, vermeld in artikel 41bis, § 3, derde lid, 1°, van het voormelde decreet;
2° op voordracht van het Departement Landbouw en Visserij van het Vlaams Ministerie van Landbouw en Visserij, voor het lid, vermeld in artikel 41bis, § 3, derde lid, 2°, van het voormelde decreet;
3° op voordracht van het Agentschap voor Natuur en Bos, voor het lid, vermeld in artikel 41bis, § 3, derde lid, 3°, van het voormelde decreet;
4° na aanduiding door de Vlaamse Landmaatschappij, voor het lid, vermeld in artikel 41bis, § 3, derde lid, 4°, van het voormelde decreet.
§ 2. De minister benoemt per effectief lid een plaatsvervanger. De plaatsvervangende leden worden benoemd volgens dezelfde procedure als de procedure die respectievelijk bepaald is voor de effectieve leden.
§ 3. De zetel van de Verificatiecommissie is gevestigd in de Gulden Vlieslaan 72, 1060 Brussel.
Afdeling 2. - De ambtenaren die belast zijn met de inning en de invordering
Art. 12.2.1. § 1. Het afdelingshoofd van de Mestbank is gemachtigd om de administratieve geldboetes, vermeld in het Mestdecreet van 22 december 2006, op te leggen.
Het voormelde afdelingshoofd is ook bevoegd voor het kwijtschelden of verminderen van de administratieve geldboete en het verlenen van uitstel van betaling, conform artikel 66 en 67 van het Mestdecreet van 22 december 2006.
Bij afwezigheid wordt het voormelde afdelingshoofd voor de taken, vermeld in het eerste en het tweede lid, vervangen door een ambtenaar van niveau A van de Vlaamse Landmaatschappij, die door het afdelingshoofd wordt aangewezen.
§ 2. De gedelegeerd bestuurder van de Vlaamse Landmaatschappij is gemachtigd tot:
1° het viseren, het uitvoerbaar verklaren en het eensluidend verklaren van het dwangbevel, vermeld in artikel 68 van het Mestdecreet van 22 december 2006;
2° het verzoeken om de hypothecaire inschrijving, vermeld in artikel 70 van het voormelde decreet;
3° het laten doorlichten of handlichten van de hypothecaire inschrijving, vermeld in artikel 70 van het voormelde decreet.
Bij afwezigheid wordt de gedelegeerd bestuurder voor de taken, vermeld in het eerste lid, vervangen door een ambtenaar van niveau A van de Vlaamse Landmaatschappij, die door de gedelegeerd bestuurder wordt aangewezen.
Art. 26. Dans le même arrêté, le chapitre 12, qui se compose de l'article 12, est remplacé par la disposition suivante :
" CHAPITRE 12. - Organisation
Section 1re. - La Commission de vérification, visée à l'article 41bis, § 3, deuxième alinéa, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 12.1.1. § 1er. Il est institué une Commission de Vérification chargée de conseiller la Banque d'engrais sur les demandes de correction visées à l'article 41bis, § 3, deuxième alinéa, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Le Ministre nomme les membres de la Commission de vérification comme suit :
1° sur proposition de l'Agence terrienne flamande, pour les membres visés à l'article 41bis, § 3, troisième alinéa, 1° du décret précité ;
2° sur proposition du Département de l'Agriculture et de la Pêche du Ministère flamand de l'Agriculture et de la Pêche, pour le membre mentionné à l'article 41bis, § 3, troisième alinéa, 2° du décret précité ;
3° sur proposition de l'Agence de la Nature et des Forêts, pour le membre dont il est question à l'article 41bis, § 3, troisième alinéa, 3° du décret précité ;
4° après désignation par l'Agence terrienne flamande, pour le membre mentionné à l'article 41bis, § 3, troisième alinéa, 4° du décret précité.
§ 2. Le Ministre nomme un suppléant pour chaque membre effectif. Les membres suppléants sont nommés selon la même procédure que celle prévue pour les membres effectifs.
§ 3. Le siège de la Commission de vérification est situé à l'avenue de la Toison d'Or 72, à 1060 Bruxelles.
Section 2. - Fonctionnaires responsables de la perception et du recouvrement
Art. 12.2.1. § 1er. Le chef de division de la Banque d'engrais est habilité à infliger les amendes administratives prévues par le Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Le chef de division susmentionné est également responsable de la remise ou de la réduction de l'amende administrative et du report de paiement, conformément aux articles 66 et 67 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
En cas d'absence, le chef de division mentionné ci-dessus pour les tâches visées aux premier et deuxième alinéas, est remplacé par un fonctionnaire de niveau A de l'Agence terrienne flamande, qui est désigné par le chef de division.
§ 2. L'administrateur délégué de l'Agence terrienne flamande est habilité à :
1° viser, rendre exécutoire et certifier conforme la contrainte telle que visée à l'article 68 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ;
2° demander l'inscription hypothécaire telle que mentionnée à l'article 70 du décret précité ;
3° délivrer ou lever l'inscription hypothécaire, telle que visée à l'article 70 du décret précité.
En l'absence de l'administrateur délégué pour les tâches visées à l'alinéa premier, l'administrateur délégué en question est remplacé par un fonctionnaire de niveau A de l'Agence terrienne flamande, désigné par l'administrateur délégué.
" CHAPITRE 12. - Organisation
Section 1re. - La Commission de vérification, visée à l'article 41bis, § 3, deuxième alinéa, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006
Art. 12.1.1. § 1er. Il est institué une Commission de Vérification chargée de conseiller la Banque d'engrais sur les demandes de correction visées à l'article 41bis, § 3, deuxième alinéa, du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Le Ministre nomme les membres de la Commission de vérification comme suit :
1° sur proposition de l'Agence terrienne flamande, pour les membres visés à l'article 41bis, § 3, troisième alinéa, 1° du décret précité ;
2° sur proposition du Département de l'Agriculture et de la Pêche du Ministère flamand de l'Agriculture et de la Pêche, pour le membre mentionné à l'article 41bis, § 3, troisième alinéa, 2° du décret précité ;
3° sur proposition de l'Agence de la Nature et des Forêts, pour le membre dont il est question à l'article 41bis, § 3, troisième alinéa, 3° du décret précité ;
4° après désignation par l'Agence terrienne flamande, pour le membre mentionné à l'article 41bis, § 3, troisième alinéa, 4° du décret précité.
§ 2. Le Ministre nomme un suppléant pour chaque membre effectif. Les membres suppléants sont nommés selon la même procédure que celle prévue pour les membres effectifs.
§ 3. Le siège de la Commission de vérification est situé à l'avenue de la Toison d'Or 72, à 1060 Bruxelles.
Section 2. - Fonctionnaires responsables de la perception et du recouvrement
Art. 12.2.1. § 1er. Le chef de division de la Banque d'engrais est habilité à infliger les amendes administratives prévues par le Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Le chef de division susmentionné est également responsable de la remise ou de la réduction de l'amende administrative et du report de paiement, conformément aux articles 66 et 67 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
En cas d'absence, le chef de division mentionné ci-dessus pour les tâches visées aux premier et deuxième alinéas, est remplacé par un fonctionnaire de niveau A de l'Agence terrienne flamande, qui est désigné par le chef de division.
§ 2. L'administrateur délégué de l'Agence terrienne flamande est habilité à :
1° viser, rendre exécutoire et certifier conforme la contrainte telle que visée à l'article 68 du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 ;
2° demander l'inscription hypothécaire telle que mentionnée à l'article 70 du décret précité ;
3° délivrer ou lever l'inscription hypothécaire, telle que visée à l'article 70 du décret précité.
En l'absence de l'administrateur délégué pour les tâches visées à l'alinéa premier, l'administrateur délégué en question est remplacé par un fonctionnaire de niveau A de l'Agence terrienne flamande, désigné par l'administrateur délégué.
Art. 27. Aan hoofdstuk 13, afdeling 1, van hetzelfde besluit worden een artikel 13.1.2 tot en met 13.1.5 toegevoegd, die luiden als volgt:
"Art. 13.1.2. In afwijking van artikel 7.4.4.2 van dit besluit wordt voor overdrachten van nutriëntenemissierechten waarvoor de aanvraag tot overname uiterlijk op 2 januari 2018 door de Mestbank ontvangen werd, het jaarlijkse aantal te verwerken kilogram N berekend conform de formule, vermeld in artikel 22, § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2017 tot wijziging van het Mestdecreet van 22 december 2006 en van diverse besluiten in uitvoering van het Mestdecreet van 22 december 2006.
Art. 13.1.3. In afwijking van hoofdstuk 7 van dit besluit worden dossiers over nutriëntenhaltes of nutriëntenemissierechten, die uiterlijk op 2 januari 2018 door de Mestbank ontvangen werden, met inbegrip van de afhandeling van de beroepen die ingesteld werden tegen de beslissingen in dergelijke dossiers, of dossiers die rechtstreeks voortvloeien uit een geschil dat bij een rechtbank aanhangig werd gemaakt vóór 2 januari 2018, afgehandeld conform de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2017 tot wijziging van het Mestdecreet van 22 december 2006 en van diverse besluiten in uitvoering van het Mestdecreet van 22 december 2006.
Art. 13.1.4. Voor landbouwers die aan bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking doen op basis van een aanvraag als vermeld in artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2017 tot wijziging van het Mestdecreet van 22 december 2006 en van diverse besluiten in uitvoering van het Mestdecreet van 22 december 2006, ingediend vóór 1 januari 2018, worden de aanvragen als volgt beoordeeld:
1° de beoordeling van de aanvragen voor de kalenderjaren 2017 en vroeger gebeurt overeenkomstig de bepalingen van het voormelde besluit, op voorwaarde dat de beslissingen met een beveiligde zending of via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket meegedeeld worden;
2° de beoordeling van de aanvragen voor het kalenderjaar 2018 en latere kalenderjaren gebeurt conform de bepalingen van hoofdstuk 7, afdeling 5.
In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt voor aanvragen als vermeld in het eerste lid, die betrekking hebben op dieren van de diersoort varkens, met uitzondering van dieren van de diercategorie biggen van 7 tot 20 kg, voor het bepalen van de hoeveelheid mest die de betrokkene in het kalenderjaar 2018 en latere kalenderjaren moet verwerken, conform artikel 7.5.3.1, de netto-uitbreiding, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 2, tweede lid, voor dieren van de diersoort varkens, met uitzondering van dieren van de diercategorie biggen van 7 tot 20 kg, berekend op basis van de waarden, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 2, derde lid.".
"Art. 13.1.2. In afwijking van artikel 7.4.4.2 van dit besluit wordt voor overdrachten van nutriëntenemissierechten waarvoor de aanvraag tot overname uiterlijk op 2 januari 2018 door de Mestbank ontvangen werd, het jaarlijkse aantal te verwerken kilogram N berekend conform de formule, vermeld in artikel 22, § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2017 tot wijziging van het Mestdecreet van 22 december 2006 en van diverse besluiten in uitvoering van het Mestdecreet van 22 december 2006.
Art. 13.1.3. In afwijking van hoofdstuk 7 van dit besluit worden dossiers over nutriëntenhaltes of nutriëntenemissierechten, die uiterlijk op 2 januari 2018 door de Mestbank ontvangen werden, met inbegrip van de afhandeling van de beroepen die ingesteld werden tegen de beslissingen in dergelijke dossiers, of dossiers die rechtstreeks voortvloeien uit een geschil dat bij een rechtbank aanhangig werd gemaakt vóór 2 januari 2018, afgehandeld conform de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2017 tot wijziging van het Mestdecreet van 22 december 2006 en van diverse besluiten in uitvoering van het Mestdecreet van 22 december 2006.
Art. 13.1.4. Voor landbouwers die aan bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking doen op basis van een aanvraag als vermeld in artikel 27 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2017 tot wijziging van het Mestdecreet van 22 december 2006 en van diverse besluiten in uitvoering van het Mestdecreet van 22 december 2006, ingediend vóór 1 januari 2018, worden de aanvragen als volgt beoordeeld:
1° de beoordeling van de aanvragen voor de kalenderjaren 2017 en vroeger gebeurt overeenkomstig de bepalingen van het voormelde besluit, op voorwaarde dat de beslissingen met een beveiligde zending of via het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket meegedeeld worden;
2° de beoordeling van de aanvragen voor het kalenderjaar 2018 en latere kalenderjaren gebeurt conform de bepalingen van hoofdstuk 7, afdeling 5.
In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt voor aanvragen als vermeld in het eerste lid, die betrekking hebben op dieren van de diersoort varkens, met uitzondering van dieren van de diercategorie biggen van 7 tot 20 kg, voor het bepalen van de hoeveelheid mest die de betrokkene in het kalenderjaar 2018 en latere kalenderjaren moet verwerken, conform artikel 7.5.3.1, de netto-uitbreiding, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 2, tweede lid, voor dieren van de diersoort varkens, met uitzondering van dieren van de diercategorie biggen van 7 tot 20 kg, berekend op basis van de waarden, vermeld in artikel 7.5.2.1, § 2, derde lid.".
Art. 27. Au chapitre 13, section 1re, du même arrêté, il est ajouté des articles 13.1.2 à 13.1.5, rédigés comme suit :
" Art. 13.1.2. Par dérogation à l'article 7.4.4.2 du présent arrêté, pour les transferts de droits d'émission d'éléments nutritionnels pour lesquels la demande de reprise a été reçue par la Banque d'engrais au plus tard le 2 janvier 2018, le nombre annuel de kilogrammes de N à traiter est calculé conformément à la formule visée à l'article 22, § 1er, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2007 concernant l'attribution, l'utilisation et la reprise de droits d'émission d'éléments nutritionnels et concernant le développement de l'entreprise après traitement d'engrais avéré, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'Arrêté du Gouvernement flamand du 22 décembre 2017 portant modification du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 et différents arrêtés en exécution du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Art. 13.1.3. Par dérogation au chapitre 7 du présent arrêté, les dossiers relatifs à la teneur en éléments nutritionnels ou aux droits d'émission d'éléments nutritionnels reçus par la Banque d'engrais au plus tard le 2 janvier 2018, y compris le traitement des recours formés contre les décisions contenues dans lesdits dossiers, ou les dossiers découlant directement d'un litige porté devant une juridiction avant le 2 janvier 2018, sont traités conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2007 concernant l'attribution, l'utilisation et la reprise de droits d'émission d'éléments nutritionnels et concernant le développement de l'entreprise après traitement d'engrais avéré, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'Arrêté du Gouvernement flamand du 22 décembre 2017 portant modification du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 et différents arrêtés en exécution du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Art. 13.1.4. Pour les agriculteurs qui réalisent le développement d'une entreprise après traitement d'engrais avéré sur la base d'une demande visée à l'article 27 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2007 concernant l'attribution, l'utilisation et la reprise de droits d'émission d'éléments nutritionnels et concernant le développement de l'entreprise après traitement d'engrais avéré, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'Arrêté du Gouvernement flamand du 22 décembre 2017 portant modification du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 et différents arrêtés en exécution du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, et déposée avant le 1er janvier 2018, lesdites demandes sont évaluées comme suit :
1° les demandes pour les années civiles 2017 et antérieures seront évaluées conformément aux dispositions de l'arrêté précité, à la condition que les décisions soient communiquées par courrier sécurisé ou par le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais ;
2° les demandes pour l'année civile 2018 et les années civiles ultérieures seront évaluées conformément aux dispositions du chapitre 7, section 5.
Par dérogation à l'alinéa premier, 2°, pour les demandes visées à l'alinéa premier, relatives aux animaux de l'espèce animale porcine, à l'exception de la catégorie animale des porcelets de 7 à 20 kg, en vue de déterminer la quantité d'engrais que l'intéressé doit transformer au cours de l'année civile 2018 et des années civiles ultérieures, conformément à l'article 7.5.3.1, l'accroissement net visé à l'article 7.5.2.1, § 2, deuxième alinéa, pour les animaux de l'espèce porcine, à l'exception des animaux de la catégorie animale des porcelets de 7 à 20 kg, est calculé sur la base des valeurs visées à l'article 7.5.2.1, § 2, troisième alinéa. "
" Art. 13.1.2. Par dérogation à l'article 7.4.4.2 du présent arrêté, pour les transferts de droits d'émission d'éléments nutritionnels pour lesquels la demande de reprise a été reçue par la Banque d'engrais au plus tard le 2 janvier 2018, le nombre annuel de kilogrammes de N à traiter est calculé conformément à la formule visée à l'article 22, § 1er, alinéa premier, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2007 concernant l'attribution, l'utilisation et la reprise de droits d'émission d'éléments nutritionnels et concernant le développement de l'entreprise après traitement d'engrais avéré, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'Arrêté du Gouvernement flamand du 22 décembre 2017 portant modification du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 et différents arrêtés en exécution du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Art. 13.1.3. Par dérogation au chapitre 7 du présent arrêté, les dossiers relatifs à la teneur en éléments nutritionnels ou aux droits d'émission d'éléments nutritionnels reçus par la Banque d'engrais au plus tard le 2 janvier 2018, y compris le traitement des recours formés contre les décisions contenues dans lesdits dossiers, ou les dossiers découlant directement d'un litige porté devant une juridiction avant le 2 janvier 2018, sont traités conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2007 concernant l'attribution, l'utilisation et la reprise de droits d'émission d'éléments nutritionnels et concernant le développement de l'entreprise après traitement d'engrais avéré, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'Arrêté du Gouvernement flamand du 22 décembre 2017 portant modification du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 et différents arrêtés en exécution du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006.
Art. 13.1.4. Pour les agriculteurs qui réalisent le développement d'une entreprise après traitement d'engrais avéré sur la base d'une demande visée à l'article 27 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2007 concernant l'attribution, l'utilisation et la reprise de droits d'émission d'éléments nutritionnels et concernant le développement de l'entreprise après traitement d'engrais avéré, tel qu'en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'Arrêté du Gouvernement flamand du 22 décembre 2017 portant modification du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006 et différents arrêtés en exécution du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, et déposée avant le 1er janvier 2018, lesdites demandes sont évaluées comme suit :
1° les demandes pour les années civiles 2017 et antérieures seront évaluées conformément aux dispositions de l'arrêté précité, à la condition que les décisions soient communiquées par courrier sécurisé ou par le guichet internet mis à disposition par la Banque d'engrais ;
2° les demandes pour l'année civile 2018 et les années civiles ultérieures seront évaluées conformément aux dispositions du chapitre 7, section 5.
Par dérogation à l'alinéa premier, 2°, pour les demandes visées à l'alinéa premier, relatives aux animaux de l'espèce animale porcine, à l'exception de la catégorie animale des porcelets de 7 à 20 kg, en vue de déterminer la quantité d'engrais que l'intéressé doit transformer au cours de l'année civile 2018 et des années civiles ultérieures, conformément à l'article 7.5.3.1, l'accroissement net visé à l'article 7.5.2.1, § 2, deuxième alinéa, pour les animaux de l'espèce porcine, à l'exception des animaux de la catégorie animale des porcelets de 7 à 20 kg, est calculé sur la base des valeurs visées à l'article 7.5.2.1, § 2, troisième alinéa. "
Art. 28. De bijlage bij hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 28. L'annexe au même arrêté est remplacée par l'annexe 1re, jointe au présent arrêté.
Art. 29. Aan hetzelfde besluit wordt een bijlage 2 toegevoegd, die bij dit besluit is gevoegd.
Art. 29. Au même arrêté, il est ajouté une annexe 2, jointe au présent arrêté.
Art. 30. Aan hetzelfde besluit worden een bijlage 3 tot en met 6 toegevoegd, die bij dit besluit zijn gevoegd.
Art. 30. Au même arrêté, il est ajouté des annexes 3 à 6, jointes au présent arrêté.
Art. 31. De volgende regelingen worden opgeheven:
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008 houdende nadere bepalingen aangaande de inventarisatie van gegevens in het kader van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 en 28 oktober 2016, met uitzondering van artikel 20;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 april 2009 betreffende de nadere regels inzake het nutriëntenbalansstelsel als vermeld in artikel 25 van het Mestdecreet, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011, 9 mei 2014 en 30 januari 2015;
4° het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2010 betreffende de inventarisatie, de kennisgeving, de aanvraag tot correctie en de oprichting en de werking van de Verificatiecommissie, vermeld in artikel 41bis van het mestdecreet van 22 december 2006, en betreffende wijziging van artikelen 13 en 33 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2008 betreffende het sluiten van beheersovereenkomsten en het toekennen van vergoedingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016;
5° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2011 tot uitvoering van diverse bepalingen van het Mestdecreet van 22 december 2006, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013;
6° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2012 tot bepaling van de nitraatresidudrempelwaarde, vermeld in artikel 14, § 1, tweede lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006, het laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 20 december 2016;
7° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 februari 2013 tot bepaling van de nadere regels voor het vervoer van meststoffen en houdende uitwerking van de uitzonderingen voor educatieve demonstraties en wetenschappelijke proefnemingen in het kader van het Mestdecreet van 22 december 2006, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015 en 28 oktober 2016.
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016;
2° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008 houdende nadere bepalingen aangaande de inventarisatie van gegevens in het kader van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 en 28 oktober 2016, met uitzondering van artikel 20;
3° het besluit van de Vlaamse Regering van 3 april 2009 betreffende de nadere regels inzake het nutriëntenbalansstelsel als vermeld in artikel 25 van het Mestdecreet, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011, 9 mei 2014 en 30 januari 2015;
4° het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2010 betreffende de inventarisatie, de kennisgeving, de aanvraag tot correctie en de oprichting en de werking van de Verificatiecommissie, vermeld in artikel 41bis van het mestdecreet van 22 december 2006, en betreffende wijziging van artikelen 13 en 33 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2008 betreffende het sluiten van beheersovereenkomsten en het toekennen van vergoedingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016;
5° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2011 tot uitvoering van diverse bepalingen van het Mestdecreet van 22 december 2006, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013;
6° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2012 tot bepaling van de nitraatresidudrempelwaarde, vermeld in artikel 14, § 1, tweede lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006, het laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 20 december 2016;
7° het besluit van de Vlaamse Regering van 8 februari 2013 tot bepaling van de nadere regels voor het vervoer van meststoffen en houdende uitwerking van de uitzonderingen voor educatieve demonstraties en wetenschappelijke proefnemingen in het kader van het Mestdecreet van 22 december 2006, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015 en 28 oktober 2016.
Art. 31. Les réglementations suivantes sont abrogées :
1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2007 concernant l'attribution, l'utilisation et la reprise de droits d'émission d'éléments nutritionnels et concernant le développement de l'entreprise après traitement d'engrais avéré, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 ;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 février 2008 établissant les modalités relatives à l'inventoriage des données dans le cadre du décret du 22 décembre 2006 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 et du 28 octobre 2016, à l'exception de l'article 20 ;
3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 avril 2009 relatif aux modalités en matière de régime de bilan nutritif tel que stipulé à l'article 25 du Décret sur les engrais, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 15 juillet 2011, du 9 mai 2014 et du 30 janvier 2015 ;
4° l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 avril 2010 portant inventaire, notification, demande de correction, et création et fonctionnement de la " Verificatiecommissie " (Commission de Vérification), visée à l'article 41bis du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, et modifiant les articles 13 et 33 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2008 relatif à la conclusion de contrats de gestion et à l'octroi d'indemnités en exécution du Règlement (CE) n° 1698/2005 du Conseil du 20 septembre 2005 concernant le soutien au développement rural, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 ;
5° l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2011 portant exécution de diverses dispositions du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 ;
6° l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 février 2012 fixant la valeur seuil des résidus de nitrates, visée à l'article 14, § 1er, alinéa deux, du Décret sur les Engrais du 22 décembre 2006, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 décembre 2016 ;
7° l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 février 2013 établissant les modalités du transport d'engrais et portant élaboration des exceptions pour les démonstrations éducatives et les essais scientifiques dans le cadre du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 23 octobre 2015 et du 28 octobre 2016.
1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 septembre 2007 concernant l'attribution, l'utilisation et la reprise de droits d'émission d'éléments nutritionnels et concernant le développement de l'entreprise après traitement d'engrais avéré, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 ;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 février 2008 établissant les modalités relatives à l'inventoriage des données dans le cadre du décret du 22 décembre 2006 concernant la protection des eaux contre la pollution par les nitrates à partir de sources agricoles, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 et du 28 octobre 2016, à l'exception de l'article 20 ;
3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 avril 2009 relatif aux modalités en matière de régime de bilan nutritif tel que stipulé à l'article 25 du Décret sur les engrais, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 15 juillet 2011, du 9 mai 2014 et du 30 janvier 2015 ;
4° l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 avril 2010 portant inventaire, notification, demande de correction, et création et fonctionnement de la " Verificatiecommissie " (Commission de Vérification), visée à l'article 41bis du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, et modifiant les articles 13 et 33 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juin 2008 relatif à la conclusion de contrats de gestion et à l'octroi d'indemnités en exécution du Règlement (CE) n° 1698/2005 du Conseil du 20 septembre 2005 concernant le soutien au développement rural, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 ;
5° l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2011 portant exécution de diverses dispositions du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er mars 2013 ;
6° l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 février 2012 fixant la valeur seuil des résidus de nitrates, visée à l'article 14, § 1er, alinéa deux, du Décret sur les Engrais du 22 décembre 2006, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 décembre 2016 ;
7° l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 février 2013 établissant les modalités du transport d'engrais et portant élaboration des exceptions pour les démonstrations éducatives et les essais scientifiques dans le cadre du Décret sur les engrais du 22 décembre 2006, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 23 octobre 2015 et du 28 octobre 2016.
Art. 32. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2018.
De artikelen 10, 24 en 29 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2017."
De artikelen 10, 24 en 29 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2017."
Art. 32. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2018.
Les articles 10, 24 et 29 produisent leurs effets le 1er janvier 2017. "
Les articles 10, 24 et 29 produisent leurs effets le 1er janvier 2017. "
Art. 33. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 33. La Ministre flamande ayant l'environnement et la politique des eaux dans ses attributions est chargée de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXE.
Art. N. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 08-02-2018, p. 9587)
Art. N. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 08-02-2018, p. 9657)