Artikel 1. Aan artikel I 5, § 8, van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2014, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Onverminderd de toepassing van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn akkoord en dat van de beide lijnmanagers na afloop van het ambtshalve onbetaald verlof vermeld in artikel X 63, § 1, worden overgeplaatst naar de entiteit, raad of instelling waar hij een arbeidsovereenkomst, mandaat of tijdelijke aanstelling uitoefent op voorwaarde dat:
1° volgend op het ambtshalve onbetaald verlof vermeld in artikel X 63 geen gestandaardiseerd gunstverlof vermeld in artikel X 81bis wordt toegekend ofwel een einde is gekomen aan het toegekende gestandaardiseerde gunstverlof;
2° de arbeidsovereenkomst die aan de basis van het ambtshalve onbetaald verlof lag het gevolg was van de toepassing van een objectief wervingssysteem met algemene bekendmaking zoals vermeld in deel III, hoofdstuk 2 of;
3° het mandaat of de tijdelijke aanstelling die aan de basis van het ambtshalve onbetaald verlof lag het gevolg was van de toepassing van een procedure vermeld in deel VI.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
15 DECEMBER 2017. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, wat betreft de rationalisering van de verlofregeling
Titre
15 DECEMBRE 2017. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant le statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, en ce qui concerne la rationalisation du régime des congés
Documentinformatie
Info du document
Tekst (35)
Texte (35)
Article 1er. L'article I 5, § 8, du statut du personnel flamand du 13 janvier 2006, ajouté à l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 mars 2014, est complété par un alinéa deux, rédigé comme suit :
" Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, un fonctionnaire peut être transféré, moyennant son accord et celui des deux managers de ligne, à l'issue du congé non payé d'office, visé à l'article X 63, § 1er, à l'entité, au conseil ou à l'institution où il exerce un contrat de travail, un mandat ou une désignation temporaire, à condition que :
1° aucun congé de faveur standardisé, visé à l'article X 81bis, n'est accordé après le congé non payé d'office, visé à l'article X 63, soit le congé de faveur standardisé accordé a pris fin ;
2° le contrat de travail qui était à la base du congé non payé d'office résultait de l'application d'un système de recrutement objectif à publication générale, tel que visé à la partie III, chapitre 2 ou ;
3° le mandat ou la désignation temporaire qui était à la base du congé non payé d'office résultait de l'application d'une procédure visée à la partie VI.
" Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, un fonctionnaire peut être transféré, moyennant son accord et celui des deux managers de ligne, à l'issue du congé non payé d'office, visé à l'article X 63, § 1er, à l'entité, au conseil ou à l'institution où il exerce un contrat de travail, un mandat ou une désignation temporaire, à condition que :
1° aucun congé de faveur standardisé, visé à l'article X 81bis, n'est accordé après le congé non payé d'office, visé à l'article X 63, soit le congé de faveur standardisé accordé a pris fin ;
2° le contrat de travail qui était à la base du congé non payé d'office résultait de l'application d'un système de recrutement objectif à publication générale, tel que visé à la partie III, chapitre 2 ou ;
3° le mandat ou la désignation temporaire qui était à la base du congé non payé d'office résultait de l'application d'une procédure visée à la partie VI.
Art. 2. In artikel I 9, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 6 juli 2007 en 30 augustus 2016, wordt het vijfde streepje opgeheven.
Art. 2. Dans l'article I 9, § 2, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 6 juillet 2007 et 30 août 2016, l'alinéa cinq est abrogé.
Art. 3. Aan artikel I 16 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluiten van de Vlaamse Regering van 4 december 2009 en 21 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een ambtenaar die ten gevolge van de opname van een verlof voltijds afwezig is heeft een terugkeerrecht naar de entiteit, raad of instelling van herkomst.";
2° aan het tweede lid wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° de ambtenaren die minder dan zeven maanden voltijds afwezig zijn of die afwezig zijn als gevolg van een verlof vermeld in deel X, titel 2, 3, 4, 6 of 6bis.".
1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
"Een ambtenaar die ten gevolge van de opname van een verlof voltijds afwezig is heeft een terugkeerrecht naar de entiteit, raad of instelling van herkomst.";
2° aan het tweede lid wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"4° de ambtenaren die minder dan zeven maanden voltijds afwezig zijn of die afwezig zijn als gevolg van een verlof vermeld in deel X, titel 2, 3, 4, 6 of 6bis.".
Art. 3. A l'article I 16 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 4 décembre 2009 et 21 février 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Un fonctionnaire qui est absent à temps plein suite à la prise d'un congé, a droit au retour à l'entité, au conseil ou à l'institution d'origine. " ;
2° l'alinéa 2 est complété par un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° les fonctionnaires qui sont absents à temps plein pendant moins de sept mois ou qui sont absents suite à un congé visé à la partie X, titre 2, 3, 4, 6 ou 6bis. ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Un fonctionnaire qui est absent à temps plein suite à la prise d'un congé, a droit au retour à l'entité, au conseil ou à l'institution d'origine. " ;
2° l'alinéa 2 est complété par un point 4°, rédigé comme suit :
" 4° les fonctionnaires qui sont absents à temps plein pendant moins de sept mois ou qui sont absents suite à un congé visé à la partie X, titre 2, 3, 4, 6 ou 6bis. ".
Art. 4. In artikel VI 106, 2°, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016, wordt punt d) opgeheven.
Art. 4. Dans l'article VI 106, 2°, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 août 2016, le point d) est abrogé.
Art. 5. Aan artikel VII 2, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de tweede zin opgeheven;
2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In geval van een vermindering van de arbeidsduur vermeld in de arbeidsovereenkomst door de opname van een verlof komt het niet gepresteerde gedeelte in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit.".
1° in het eerste lid wordt de tweede zin opgeheven;
2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In geval van een vermindering van de arbeidsduur vermeld in de arbeidsovereenkomst door de opname van een verlof komt het niet gepresteerde gedeelte in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit.".
Art. 5. A l'article VII 2, § 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 février 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, la deuxième phrase est abrogée ;
2° il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit :
" En cas d'une réduction de la durée du travail visée au contrat de travail suite à la prise d'un congé, la partie non prestée entre en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire. ".
1° dans l'alinéa 1er, la deuxième phrase est abrogée ;
2° il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit :
" En cas d'une réduction de la durée du travail visée au contrat de travail suite à la prise d'un congé, la partie non prestée entre en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire. ".
Art. 6. Aan artikel VII 6, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2017, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. Het personeelslid dat afwezig is als gevolg van verlof voor deeltijdse prestaties ontvangt een salarisbonus berekend overeenkomstig paragraaf 2bis als aan één van de volgende voorwaarden voldaan is:
1° het personeelslid heeft de leeftijd van 60 jaar bereikt;
2° het personeelslid heeft een kind ten laste dat recht geeft op bijkomende kinderbijslag wegens zijn aandoening of handicap;
3° het personeelslid heeft als éénouder gezin ten minste één kind jonger dan vijftien jaar ten laste;
4° het personeelslid verstrekt mantelzorg aan een inwonend gezins- of familielid in de eerste of tweede graad.
In de gevallen vermeld onder punt 2°, 3° en 4° wordt de salarisbonus gedurende een periode van maximaal 5 jaar toegekend.".
2° er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 2bis. Als het salaris van het in de paragraaf 2 vermelde personeelslid minder dan 35.000 euro (à 100%) bedraagt, ontvangt hij het salaris dat verschuldigd is voor het verlof voor deeltijdse prestaties zoals bepaald in paragraaf 1, vermenigvuldigd met het quotiënt van de volgende deling:
de deeltijdse prestaties in % + 20 % van het deeltijds niet-gepresteerde deel in %
de deeltijdse prestaties in %.
Als het salaris van het in de paragraaf 2 vermelde personeelslid minder dan 37.000 euro (à 100 %), maar meer dan 35.000 euro (à 100 %) bedraagt, bedraagt het in het eerste lid vermelde percentage van het deeltijds niet-gepresteerde deel 15 %.
Het quotiënt wordt berekend tot op vier decimalen.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder salaris verstaan, het jaarsalaris vermeerderd met de maandelijkse betaalde toelagen, met uitzondering van de toelage voor prestaties buiten de normale arbeidstijdregeling, de gevarentoelage, de permanentietoelage en de toelage voor ploegenarbeid.".
3° er wordt een paragraaf 2ter ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 2ter. Voor de ambtenaar die erkend is als een persoon met een chronische ziekte of handicap, en door de arbeidsgeneesheer werd toegelaten tot de deeltijdse prestaties wegens handicap of chronische ziekte vermeld in artikel X 27bis, bedraagt het in paragraaf 2bis, eerste lid, vermelde percentage van het deeltijds niet-gepresteerde deel 30%.
Het salarisplafond vermeld in paragraaf 2bis, eerste en tweede lid is niet van toepassing.".
1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. Het personeelslid dat afwezig is als gevolg van verlof voor deeltijdse prestaties ontvangt een salarisbonus berekend overeenkomstig paragraaf 2bis als aan één van de volgende voorwaarden voldaan is:
1° het personeelslid heeft de leeftijd van 60 jaar bereikt;
2° het personeelslid heeft een kind ten laste dat recht geeft op bijkomende kinderbijslag wegens zijn aandoening of handicap;
3° het personeelslid heeft als éénouder gezin ten minste één kind jonger dan vijftien jaar ten laste;
4° het personeelslid verstrekt mantelzorg aan een inwonend gezins- of familielid in de eerste of tweede graad.
In de gevallen vermeld onder punt 2°, 3° en 4° wordt de salarisbonus gedurende een periode van maximaal 5 jaar toegekend.".
2° er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 2bis. Als het salaris van het in de paragraaf 2 vermelde personeelslid minder dan 35.000 euro (à 100%) bedraagt, ontvangt hij het salaris dat verschuldigd is voor het verlof voor deeltijdse prestaties zoals bepaald in paragraaf 1, vermenigvuldigd met het quotiënt van de volgende deling:
de deeltijdse prestaties in % + 20 % van het deeltijds niet-gepresteerde deel in %
de deeltijdse prestaties in %.
Als het salaris van het in de paragraaf 2 vermelde personeelslid minder dan 37.000 euro (à 100 %), maar meer dan 35.000 euro (à 100 %) bedraagt, bedraagt het in het eerste lid vermelde percentage van het deeltijds niet-gepresteerde deel 15 %.
Het quotiënt wordt berekend tot op vier decimalen.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder salaris verstaan, het jaarsalaris vermeerderd met de maandelijkse betaalde toelagen, met uitzondering van de toelage voor prestaties buiten de normale arbeidstijdregeling, de gevarentoelage, de permanentietoelage en de toelage voor ploegenarbeid.".
3° er wordt een paragraaf 2ter ingevoegd, die luidt als volgt:
" § 2ter. Voor de ambtenaar die erkend is als een persoon met een chronische ziekte of handicap, en door de arbeidsgeneesheer werd toegelaten tot de deeltijdse prestaties wegens handicap of chronische ziekte vermeld in artikel X 27bis, bedraagt het in paragraaf 2bis, eerste lid, vermelde percentage van het deeltijds niet-gepresteerde deel 30%.
Het salarisplafond vermeld in paragraaf 2bis, eerste en tweede lid is niet van toepassing.".
Art. 6. A l'article VII 6, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le membre du personnel absent suite à un congé pour prestations à temps partiel, reçoit une prime de traitement calculée conformément au paragraphe 2bis si une des conditions suivantes est remplie :
1° le membre du personnel a atteint l'âge de 60 ans ;
2° le membre du personnel a un enfant à charge donnant droit aux allocations familiales supplémentaires en raison de son affection ou handicap ;
3° en tant que famille monoparentale, le membre du personnel a au moins un enfant de moins de quinze ans à charge ;
4° le membre du personnel fournit des services de proximité à un membre du ménage ou de la famille résident du 1er ou 2ème degré.
Dans les cas visés aux points 2°, 3° et 4°, la prime de traitement est accordée pendant une période de cinq ans au maximum. ".
2° il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. Si le traitement du membre du personnel visé au paragraphe 2 est inférieur à 35.000 euros (à 100 %), il bénéficie du traitement dû pour le congé pour prestations à temps partiel tel que fixé au paragraphe 1er, multiplié par le quotient de la division suivante :
les prestations à temps partiel en % + 20 % de la partie d'absence à temps partiel en %
les prestations à temps partiel en %.
Si le traitement du membre du personnel visé au paragraphe 2 est inférieur à 37.000 euros (à 100 %), mais supérieur à 35.000 euros (à 100 %), le pourcentage visé à l'alinéa 1er de la partie d'absence s'élève à 15 %.
Le quotient est calculé jusqu'à la quatrième décimale.
Pour l'application des alinéas 1er et 2, on entend par traitement le traitement annuel majoré des allocations payées mensuellement, à l'exception de l'allocation pour prestations en dehors des horaires de travail normaux, l'allocation de danger, l'allocation de permanence et l'allocation pour travail en équipes. ".
3° il est inséré un paragraphe 2ter, rédigé comme suit :
" § 2ter. Pour le fonctionnaire qui est reconnu comme une personne atteinte d'une maladie chronique ou d'un handicap, et qui est admis par le médecin du travail aux prestations à temps partiel en raison d'un handicap ou d'une maladie chronique visées à l'article X 27bis, le pourcentage de la partie d'absence à temps partiel, visé au paragraphe 2bis, alinéa 1er, s'élève à 30 %.
Le plafond de traitement visé au paragraphe 2bis, alinéas 1er et 2, ne s'applique pas.".
1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le membre du personnel absent suite à un congé pour prestations à temps partiel, reçoit une prime de traitement calculée conformément au paragraphe 2bis si une des conditions suivantes est remplie :
1° le membre du personnel a atteint l'âge de 60 ans ;
2° le membre du personnel a un enfant à charge donnant droit aux allocations familiales supplémentaires en raison de son affection ou handicap ;
3° en tant que famille monoparentale, le membre du personnel a au moins un enfant de moins de quinze ans à charge ;
4° le membre du personnel fournit des services de proximité à un membre du ménage ou de la famille résident du 1er ou 2ème degré.
Dans les cas visés aux points 2°, 3° et 4°, la prime de traitement est accordée pendant une période de cinq ans au maximum. ".
2° il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. Si le traitement du membre du personnel visé au paragraphe 2 est inférieur à 35.000 euros (à 100 %), il bénéficie du traitement dû pour le congé pour prestations à temps partiel tel que fixé au paragraphe 1er, multiplié par le quotient de la division suivante :
les prestations à temps partiel en % + 20 % de la partie d'absence à temps partiel en %
les prestations à temps partiel en %.
Si le traitement du membre du personnel visé au paragraphe 2 est inférieur à 37.000 euros (à 100 %), mais supérieur à 35.000 euros (à 100 %), le pourcentage visé à l'alinéa 1er de la partie d'absence s'élève à 15 %.
Le quotient est calculé jusqu'à la quatrième décimale.
Pour l'application des alinéas 1er et 2, on entend par traitement le traitement annuel majoré des allocations payées mensuellement, à l'exception de l'allocation pour prestations en dehors des horaires de travail normaux, l'allocation de danger, l'allocation de permanence et l'allocation pour travail en équipes. ".
3° il est inséré un paragraphe 2ter, rédigé comme suit :
" § 2ter. Pour le fonctionnaire qui est reconnu comme une personne atteinte d'une maladie chronique ou d'un handicap, et qui est admis par le médecin du travail aux prestations à temps partiel en raison d'un handicap ou d'une maladie chronique visées à l'article X 27bis, le pourcentage de la partie d'absence à temps partiel, visé au paragraphe 2bis, alinéa 1er, s'élève à 30 %.
Le plafond de traitement visé au paragraphe 2bis, alinéas 1er et 2, ne s'applique pas.".
Art. 7. In artikel VII 20, § 5, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden de woorden `of vaderschapsverlof" vervangen door de zinsnede ",vaderschaps- of geboorteverlof".
Art. 7. Dans l'article VII 20, § 5, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009, les mots " ou de paternité " sont remplacés par le membre de phrase " , de paternité ou de naissance ".
Art. 8. Aan deel VII, titel 4, hoofdstuk 10, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het opschrift van hoofdstuk 10 wordt vervangen door wat volgt:
" Hoofdstuk 10. - Aanvulling uitkering voor een contractueel personeelslid bij de geboorte van een kind";
2° aan artikel VII 108 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De regeling vermeld in het eerste en tweede lid is overeenkomstig van toepassing in geval de moederschapsrust naar aanleiding van het overlijden of de hospitalisatie van de moeder van het kind wordt omgezet naar vaderschaps- of meemoederschapsverlof.".
3° er wordt een artikel VII 108bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. VII.108bis. Als de totaliteit van de netto-uitkeringen, uitbetaald tijdens de zeven resterende dagen van het geboorteverlof, minder bedraagt dan het nettosalaris dat overeenstemt met dezelfde periode, ontvangt het contractuele personeelslid een aanvulling die gelijk is aan het verschil.".
1° het opschrift van hoofdstuk 10 wordt vervangen door wat volgt:
" Hoofdstuk 10. - Aanvulling uitkering voor een contractueel personeelslid bij de geboorte van een kind";
2° aan artikel VII 108 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"De regeling vermeld in het eerste en tweede lid is overeenkomstig van toepassing in geval de moederschapsrust naar aanleiding van het overlijden of de hospitalisatie van de moeder van het kind wordt omgezet naar vaderschaps- of meemoederschapsverlof.".
3° er wordt een artikel VII 108bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. VII.108bis. Als de totaliteit van de netto-uitkeringen, uitbetaald tijdens de zeven resterende dagen van het geboorteverlof, minder bedraagt dan het nettosalaris dat overeenstemt met dezelfde periode, ontvangt het contractuele personeelslid een aanvulling die gelijk is aan het verschil.".
Art. 8. A l'article VII, titre 4, chapitre 10, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'intitulé du chapitre 10 est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre 10. Complément à l'allocation pour un membre du personnel contractuel en cas de naissance d'un enfant " ;
2° l'article VII 108 est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Le règlement visé aux alinéas 1er et 2 s'applique par analogie lorsque le repos de maternité est converti, à l'occasion du décès ou de l'hospitalisation de la mère de l'enfant, en congé de paternité ou congé de co-maternité. ".
3° il est inséré un article VII 108bis, rédigé comme suit :
" Art. VII.108bis. Lorsque la totalité des allocations nettes, payées pendant les 7 jours restants du congé de naissance, est inférieure au traitement net qui correspond à la même période, le membre du personnel contractuel obtient un complément qui est égal à la différence. ".
1° l'intitulé du chapitre 10 est remplacé par ce qui suit :
" Chapitre 10. Complément à l'allocation pour un membre du personnel contractuel en cas de naissance d'un enfant " ;
2° l'article VII 108 est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
" Le règlement visé aux alinéas 1er et 2 s'applique par analogie lorsque le repos de maternité est converti, à l'occasion du décès ou de l'hospitalisation de la mère de l'enfant, en congé de paternité ou congé de co-maternité. ".
3° il est inséré un article VII 108bis, rédigé comme suit :
" Art. VII.108bis. Lorsque la totalité des allocations nettes, payées pendant les 7 jours restants du congé de naissance, est inférieure au traitement net qui correspond à la même période, le membre du personnel contractuel obtient un complément qui est égal à la différence. ".
Art. 9. Aan deel VII, titel 5, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, wordt een artikel VII 198 toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. VII.198. De ambtenaar van wie het verlof voor deeltijdse prestaties vóór 1 januari 2018 effectief is aangevat, behoudt het recht op de salarisbonus waarop hij recht had bij de ingangsdatum van dat verlof en dit uiterlijk tot 31 december 2019.
De regeling vermeld in het eerste lid is overeenkomstig van toepassing op de ambtenaren die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies worden overgeheveld en aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) de ambtenaar genoot op het moment van de overheveling van een halftijdse vervroegde uitreding of vrijwillige vierdagenweek;
b) op de dag van de overheveling stapt de ambtenaar bij de diensten van de Vlaamse overheid onmiddellijk in het verlof voor deeltijdse prestaties in;
c) op grond van de regeling die gold voor 1 januari 2018 zou de overgehevelde ambtenaar recht hebben gehad op een salarisbonus.".
"Art. VII.198. De ambtenaar van wie het verlof voor deeltijdse prestaties vóór 1 januari 2018 effectief is aangevat, behoudt het recht op de salarisbonus waarop hij recht had bij de ingangsdatum van dat verlof en dit uiterlijk tot 31 december 2019.
De regeling vermeld in het eerste lid is overeenkomstig van toepassing op de ambtenaren die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies worden overgeheveld en aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) de ambtenaar genoot op het moment van de overheveling van een halftijdse vervroegde uitreding of vrijwillige vierdagenweek;
b) op de dag van de overheveling stapt de ambtenaar bij de diensten van de Vlaamse overheid onmiddellijk in het verlof voor deeltijdse prestaties in;
c) op grond van de regeling die gold voor 1 januari 2018 zou de overgehevelde ambtenaar recht hebben gehad op een salarisbonus.".
Art. 9. La partie VII, titre 5, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2017, est complété par un article VII 198, rédigé comme suit :
" Art. VII.198. Le fonctionnaire dont le congé pour prestations à temps partiel a effectivement commencé avant le 1er janvier 2018, maintient le droit à la prime de traitement à laquelle il avait droit à la date de début de ce congé, au plus tard jusqu'au 31 décembre 2019.
Le règlement visé à l'alinéa 1er s'applique par analogie aux fonctionnaires qui sont transférés à partir du 1er janvier 2018 dans le cadre de la rationalisation des provinces, et qui répondent aux conditions suivantes :
a) au moment du transfert, le fonctionnaire bénéficiait d'un départ anticipé à mi-temps ou d'une semaine volontaire de quatre jours ;
b) le jour du transfert, le fonctionnaire participe immédiatement au congé pour prestations à temps partiel auprès des services de l'Autorité flamande ;
c) sur la base du règlement applicable avant le 1er janvier 2018, le fonctionnaire transféré aurait eu droit à une prime de traitement. ".
" Art. VII.198. Le fonctionnaire dont le congé pour prestations à temps partiel a effectivement commencé avant le 1er janvier 2018, maintient le droit à la prime de traitement à laquelle il avait droit à la date de début de ce congé, au plus tard jusqu'au 31 décembre 2019.
Le règlement visé à l'alinéa 1er s'applique par analogie aux fonctionnaires qui sont transférés à partir du 1er janvier 2018 dans le cadre de la rationalisation des provinces, et qui répondent aux conditions suivantes :
a) au moment du transfert, le fonctionnaire bénéficiait d'un départ anticipé à mi-temps ou d'une semaine volontaire de quatre jours ;
b) le jour du transfert, le fonctionnaire participe immédiatement au congé pour prestations à temps partiel auprès des services de l'Autorité flamande ;
c) sur la base du règlement applicable avant le 1er janvier 2018, le fonctionnaire transféré aurait eu droit à une prime de traitement. ".
Art. 10. In artikel X 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering 27 januari 2017 wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
" § 2. Het arbeidsreglement stelt met betrekking tot de verloven de volgende zaken vast:
1° de aanvraagtermijnen;
2° de opzegtermijnen en de mogelijkheid tot opzegging van het verlof;
3° het kader waaraan de beslissing tot toekenning van een verlof wordt getoetst.".
" § 2. Het arbeidsreglement stelt met betrekking tot de verloven de volgende zaken vast:
1° de aanvraagtermijnen;
2° de opzegtermijnen en de mogelijkheid tot opzegging van het verlof;
3° het kader waaraan de beslissing tot toekenning van een verlof wordt getoetst.".
Art. 10. Dans l'article X 6 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2017, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. En ce qui concerne les congés, le règlement de travail arrête les éléments suivants :
1° les délais de demande ;
2° les délais de préavis et la possibilité d'annulation du congé ;
3° le cadre sur la base duquel la décision d'octroi d'un congé est évaluée. ".
" § 2. En ce qui concerne les congés, le règlement de travail arrête les éléments suivants :
1° les délais de demande ;
2° les délais de préavis et la possibilité d'annulation du congé ;
3° le cadre sur la base duquel la décision d'octroi d'un congé est évaluée. ".
Art. 11. Aan artikel X 9, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het personeelslid kan jaarlijks maximaal elf werkdagen opsparen. Het opgespaard verlof kan nooit meer dan 150 werkdagen bedragen. Het opgespaard verlof wordt aangewend in de volgende kalenderjaren en uiterlijk voor de pensionering.";
2° tussen het vierde en vijfde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het vierde lid kan het personeelslid dat het onbetaald verlof vermeld in artikel X 62, § 1, 1°, opneemt in het jaar waarin het dit onbetaald verlof heeft opgenomen maximaal vijf werkdagen naar het volgende jaar overdragen.".
1° het vierde lid wordt vervangen door wat volgt:
"Het personeelslid kan jaarlijks maximaal elf werkdagen opsparen. Het opgespaard verlof kan nooit meer dan 150 werkdagen bedragen. Het opgespaard verlof wordt aangewend in de volgende kalenderjaren en uiterlijk voor de pensionering.";
2° tussen het vierde en vijfde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het vierde lid kan het personeelslid dat het onbetaald verlof vermeld in artikel X 62, § 1, 1°, opneemt in het jaar waarin het dit onbetaald verlof heeft opgenomen maximaal vijf werkdagen naar het volgende jaar overdragen.".
Art. 11. A l'article X 9, § 1er, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mai 2008, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" Le membre du personnel peut accumuler annuellement au maximum onze jours ouvrables. Le congé accumulé ne peut jamais dépasser 150 jours ouvrables. Le congé accumulé peut être utilisé dans les années calendaires suivantes et au plus tard avant la mise à la retraite. " ;
2° il est inséré entre les alinéas 4 et 5, un alinéa rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 4, le membre du personnel qui prend le congé non payé, visé à l'article X 62, § 1er, 1°, dans l'année dans laquelle il a pris ce congé non payé, peut transférer au maximum 5 jours ouvrables à l'année suivante. ".
1° l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
" Le membre du personnel peut accumuler annuellement au maximum onze jours ouvrables. Le congé accumulé ne peut jamais dépasser 150 jours ouvrables. Le congé accumulé peut être utilisé dans les années calendaires suivantes et au plus tard avant la mise à la retraite. " ;
2° il est inséré entre les alinéas 4 et 5, un alinéa rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 4, le membre du personnel qui prend le congé non payé, visé à l'article X 62, § 1er, 1°, dans l'année dans laquelle il a pris ce congé non payé, peut transférer au maximum 5 jours ouvrables à l'année suivante. ".
Art. 12. Aan artikel X 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluiten van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, 23 mei 2008 en 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het vierde lid wordt het woord "vaderschapsverlof" vervangen door de woorden "vader- of meemoederschapsverlof" en wordt een punt 5° en punt 6° toegevoegd, die luiden, als volgt:
"5° geboorteverlof
6° pleegzorgverlof.";
2° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
" In afwijking van het derde lid, ondergaat het jaarlijks vakantieverlof van de ambtenaar geen evenredige vermindering in geval van pleegzorgverlof.".
1° in het vierde lid wordt het woord "vaderschapsverlof" vervangen door de woorden "vader- of meemoederschapsverlof" en wordt een punt 5° en punt 6° toegevoegd, die luiden, als volgt:
"5° geboorteverlof
6° pleegzorgverlof.";
2° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
" In afwijking van het derde lid, ondergaat het jaarlijks vakantieverlof van de ambtenaar geen evenredige vermindering in geval van pleegzorgverlof.".
Art. 12. A l'article X 10 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mars 2007, 23 mai 2008 et 29 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 4, les mots " congé de paternité " sont remplacés par les mots " congé de paternité ou de co-maternité " et il est ajouté un point 5° et un point 6°, rédigés comme suit :
" 5° congé de naissance
6° congé dans le cadre du placement familial. " ;
2° il est ajouté un alinéa 5, rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 3, le congé annuel de vacances du fonctionnaire n'est pas diminué proportionnellement en cas de congé dans le cadre du placement familial. ".
1° dans l'alinéa 4, les mots " congé de paternité " sont remplacés par les mots " congé de paternité ou de co-maternité " et il est ajouté un point 5° et un point 6°, rédigés comme suit :
" 5° congé de naissance
6° congé dans le cadre du placement familial. " ;
2° il est ajouté un alinéa 5, rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 3, le congé annuel de vacances du fonctionnaire n'est pas diminué proportionnellement en cas de congé dans le cadre du placement familial. ".
Art. 13. In deel X, titel 3, van het hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het opschrift van titel 3 wordt vervangen door wat volgt:
"Titel 3. - Moederschapsrust, opvangverlof en pleegzorgverlof";
2° er wordt een hoofdstuk 1bis vader- of meemoederschapsverlof, ingevoegd, dat bestaat uit het bestaande artikel X 15;
3° in artikel X 15 worden paragraaf 4 en paragraaf 5 vervangen door wat volgt:
" § 4. Aan het contractueel personeelslid wordt het vader- of meemoederschapsverlof toegekend op grond van de arbeidswetgeving. Het verlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Tijdens het verlof heeft het contractueel personeelslid onverminderd artikel VII 108, geen recht op salaris.";
4° er wordt hoofdstuk 3 toegevoegd, dat luidt als volgt:
" Hoofdstuk 3. - Pleegzorgverlof
Art. X.16bis. Een personeelslid heeft per kalenderjaar recht op zes dagen pleegzorgverlof. Het pleegzorgverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.
Het pleegzorgverlof wordt aan het contractueel personeelslid toegekend op grond van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de uitvoeringsbesluiten.
Het pleegzorgverlof wordt aan de ambtenaar op overeenkomstige wijze als aan het contractueel personeelslid toegekend met dit verschil dat een contractueel personeelslid tijdens het pleegzorgverlof geen salaris ontvangt en een ambtenaar recht heeft op 82 % van het brutoloon.".
1° het opschrift van titel 3 wordt vervangen door wat volgt:
"Titel 3. - Moederschapsrust, opvangverlof en pleegzorgverlof";
2° er wordt een hoofdstuk 1bis vader- of meemoederschapsverlof, ingevoegd, dat bestaat uit het bestaande artikel X 15;
3° in artikel X 15 worden paragraaf 4 en paragraaf 5 vervangen door wat volgt:
" § 4. Aan het contractueel personeelslid wordt het vader- of meemoederschapsverlof toegekend op grond van de arbeidswetgeving. Het verlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Tijdens het verlof heeft het contractueel personeelslid onverminderd artikel VII 108, geen recht op salaris.";
4° er wordt hoofdstuk 3 toegevoegd, dat luidt als volgt:
" Hoofdstuk 3. - Pleegzorgverlof
Art. X.16bis. Een personeelslid heeft per kalenderjaar recht op zes dagen pleegzorgverlof. Het pleegzorgverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.
Het pleegzorgverlof wordt aan het contractueel personeelslid toegekend op grond van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de uitvoeringsbesluiten.
Het pleegzorgverlof wordt aan de ambtenaar op overeenkomstige wijze als aan het contractueel personeelslid toegekend met dit verschil dat een contractueel personeelslid tijdens het pleegzorgverlof geen salaris ontvangt en een ambtenaar recht heeft op 82 % van het brutoloon.".
Art. 13. A la partie X, titre 3, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mars 2007 et 29 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'intitulé du titre 3 est remplacé ce qui suit :
" Titre 3. - Repos de maternité, congé d'accueil et congé dans le cadre du placement familial " ;
2° il est inséré un chapitre 1bis congé de paternité ou de co-maternité, comprenant l'article X 15 ;
3° dans l'article X 15, les paragraphes 4 et 5 sont remplacés par ce qui suit :
" § 4. Le congé de paternité ou de co-maternité est accordé au membre du personnel contractuel sur la base de la législation du travail. Le congé est assimilé à une période d'activité de service. Pendant le congé, le membre du personnel contractuel n'a pas droit au traitement sans préjudice de l'article VII 108. " ;
4° il est ajouté un chapitre 3, rédigé comme suit :
" Chapitre 3. - Congé dans le cadre du placement familial
Art. X.16bis. Par année calendaire, un membre du personnel a droit à six jours de congé dans le cadre du placement familial. Le congé dans le cadre du placement familial est assimilé à une période d'activité de service.
Le congé dans le cadre du placement familial est accordé au membre du personnel contractuel sur la base de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et des arrêtés d'exécution.
Le congé dans le cadre du placement familial est accordé au fonctionnaire par analogie à l'octroi au membre du personnel contractuel, à cela près qu'un membre du personnel contractuel ne reçoit pas de traitement pendant le congé dans le cadre du placement familial et qu'un fonctionnaire a droit à 82 % du traitement brut. ".
1° l'intitulé du titre 3 est remplacé ce qui suit :
" Titre 3. - Repos de maternité, congé d'accueil et congé dans le cadre du placement familial " ;
2° il est inséré un chapitre 1bis congé de paternité ou de co-maternité, comprenant l'article X 15 ;
3° dans l'article X 15, les paragraphes 4 et 5 sont remplacés par ce qui suit :
" § 4. Le congé de paternité ou de co-maternité est accordé au membre du personnel contractuel sur la base de la législation du travail. Le congé est assimilé à une période d'activité de service. Pendant le congé, le membre du personnel contractuel n'a pas droit au traitement sans préjudice de l'article VII 108. " ;
4° il est ajouté un chapitre 3, rédigé comme suit :
" Chapitre 3. - Congé dans le cadre du placement familial
Art. X.16bis. Par année calendaire, un membre du personnel a droit à six jours de congé dans le cadre du placement familial. Le congé dans le cadre du placement familial est assimilé à une période d'activité de service.
Le congé dans le cadre du placement familial est accordé au membre du personnel contractuel sur la base de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et des arrêtés d'exécution.
Le congé dans le cadre du placement familial est accordé au fonctionnaire par analogie à l'octroi au membre du personnel contractuel, à cela près qu'un membre du personnel contractuel ne reçoit pas de traitement pendant le congé dans le cadre du placement familial et qu'un fonctionnaire a droit à 82 % du traitement brut. ".
Art. 14. Artikel X 25 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. X.25. § 1. Een ambtenaar heeft tijdens zijn loopbaan recht op zestig maanden verlof voor deeltijdse prestaties. Na uitputting van dit recht kan een ambtenaar verlof voor deeltijdse prestaties krijgen als een gunst.
Het verlof voor deeltijdse prestaties wordt met minimaal drie maanden en maximaal twaalf maanden aangevraagd, waarbij iedere aanvraag bestaat uit volledige kalendermaanden. Het verlof voor deeltijdse prestaties start op de eerste dag van de maand.
In afwijking van de tweede zin van het tweede lid kan het verlof voor deeltijdse prestaties starten op een andere dag, dan de eerste dag van de maand als het aaneensluitend volgt op moederschapsrust, vaderschaps- of meemoederschapsverlof, ziekteverlof, ouderschapsverlof, medisch bijstandsverlof, palliatief verlof of geboorteverlof.
§ 2. De volgende modaliteiten zijn van toepassing op het verlof voor deeltijdse prestaties vermeld in paragraaf 1:
1° het verlof voor deeltijdse prestaties wordt opgenomen met een vermindering van de arbeidsprestaties tot 90 %, 80 %, 70 %, 60 % of 50 % van een voltijdse betrekking;
2° het werkrooster en de nadere regelen voor de opname van het verlof voor deeltijdse prestaties worden vastgesteld in overleg met de lijnmanager;
3° het gekozen arbeidsregime, het vastgestelde werkrooster en opnamemodaliteiten kunnen gedurende drie maanden niet worden gewijzigd.
§ 3. De lijnmanager kan indien de goede werking van de dienst dit vereist de opname van het door de ambtenaar aangevraagde verlof voor deeltijdse prestaties met maximaal drie maanden uitstellen.
§ 4. De functioneel bevoegde Vlaamse minister kan voor bepaalde functies in zijn beleidsdomein, strategische adviesraad of Gemeenschapsonderwijs binnen de prestatieregimes die zijn vastgesteld in paragraaf 2, 1° een vast prestatieregime opleggen.
§ 5. Voor de personeelsleden die binnen het top- en middenkader zijn aangewezen in een mandaat gelden de bepalingen van deel V.
§ 6. Het contractueel personeelslid heeft op overeenkomstige wijze als de ambtenaar recht op een verdeeltijdsing van de arbeidsovereenkomst.
Na uitputting van het recht kan het contractueel personeelslid een verdeeltijdsing van de arbeidsovereenkomst krijgen als een gunst.
In afwijking van het eerste lid is de verdeeltijdsing van de arbeidsovereenkomst een gunst voor het contractueel personeelslid tewerkgesteld met een vervangingsovereenkomst of een overeenkomst voor bepaalde duur voor zover het nog geen twee jaar ononderbroken in dienst is bij de diensten van de Vlaamse overheid.".
"Art. X.25. § 1. Een ambtenaar heeft tijdens zijn loopbaan recht op zestig maanden verlof voor deeltijdse prestaties. Na uitputting van dit recht kan een ambtenaar verlof voor deeltijdse prestaties krijgen als een gunst.
Het verlof voor deeltijdse prestaties wordt met minimaal drie maanden en maximaal twaalf maanden aangevraagd, waarbij iedere aanvraag bestaat uit volledige kalendermaanden. Het verlof voor deeltijdse prestaties start op de eerste dag van de maand.
In afwijking van de tweede zin van het tweede lid kan het verlof voor deeltijdse prestaties starten op een andere dag, dan de eerste dag van de maand als het aaneensluitend volgt op moederschapsrust, vaderschaps- of meemoederschapsverlof, ziekteverlof, ouderschapsverlof, medisch bijstandsverlof, palliatief verlof of geboorteverlof.
§ 2. De volgende modaliteiten zijn van toepassing op het verlof voor deeltijdse prestaties vermeld in paragraaf 1:
1° het verlof voor deeltijdse prestaties wordt opgenomen met een vermindering van de arbeidsprestaties tot 90 %, 80 %, 70 %, 60 % of 50 % van een voltijdse betrekking;
2° het werkrooster en de nadere regelen voor de opname van het verlof voor deeltijdse prestaties worden vastgesteld in overleg met de lijnmanager;
3° het gekozen arbeidsregime, het vastgestelde werkrooster en opnamemodaliteiten kunnen gedurende drie maanden niet worden gewijzigd.
§ 3. De lijnmanager kan indien de goede werking van de dienst dit vereist de opname van het door de ambtenaar aangevraagde verlof voor deeltijdse prestaties met maximaal drie maanden uitstellen.
§ 4. De functioneel bevoegde Vlaamse minister kan voor bepaalde functies in zijn beleidsdomein, strategische adviesraad of Gemeenschapsonderwijs binnen de prestatieregimes die zijn vastgesteld in paragraaf 2, 1° een vast prestatieregime opleggen.
§ 5. Voor de personeelsleden die binnen het top- en middenkader zijn aangewezen in een mandaat gelden de bepalingen van deel V.
§ 6. Het contractueel personeelslid heeft op overeenkomstige wijze als de ambtenaar recht op een verdeeltijdsing van de arbeidsovereenkomst.
Na uitputting van het recht kan het contractueel personeelslid een verdeeltijdsing van de arbeidsovereenkomst krijgen als een gunst.
In afwijking van het eerste lid is de verdeeltijdsing van de arbeidsovereenkomst een gunst voor het contractueel personeelslid tewerkgesteld met een vervangingsovereenkomst of een overeenkomst voor bepaalde duur voor zover het nog geen twee jaar ononderbroken in dienst is bij de diensten van de Vlaamse overheid.".
Art. 14. L'article X 25 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009, est remplacé par ce qui suit :
" Art. X.25. § 1er. Au cours de sa carrière, un fonctionnaire a droit à soixante mois de congé pour prestations à temps partiel. Après épuisement de ce droit, un fonctionnaire peut bénéficier d'un congé pour prestations à temps partiel comme faveur.
Le congé pour prestations à temps partiel est demandé pour trois mois au minimum et douze mois au maximum, chaque demande portant sur des mois calendaires entiers. Le congé pour prestations à temps partiel commence le premier jour du mois.
Par dérogation à la deuxième phrase de l'alinéa 2, le congé pour prestations à temps partiel peut commencer un autre jour que le premier jour du mois, s'il suit immédiatement le repos de maternité, le congé de paternité ou de co-maternité, le congé de maladie, le congé parental, le congé pour assistance médicale, le congé palliatif ou le congé de naissance.
§ 2. Les modalités suivantes s'appliquent au congé pour prestations à temps partiel, visé au paragraphe 1er :
1° le congé pour prestations à temps partiel est pris sous forme d'une réduction des prestations de travail à 90 %, 80 %, 70 %, 60 % ou 50 % d'un emploi à temps plein ;
2° l'horaire de travail et les modalités de prise de congé pour prestations à temps partiel sont fixés en concertation avec le manager de ligne ;
3° le régime de travail choisi, l'horaire de travail fixé et les modalités de prise ne peuvent être modifiés pendant trois mois.
§ 3. Si le bon fonctionnement du service le requiert, le manager de ligne peut reporter la prise du congé de prestations à temps partiel, demandé par le fonctionnaire, de trois mois au maximum.
§ 4. Le Ministre flamand fonctionnellement compétent peut imposer un régime fixe de prestations pour certaines fonctions dans son domaine politique, conseil consultatif stratégique ou Enseignement communautaire, au sein des régimes de prestations fixés au paragraphe 2, 1°.
§ 5. Les dispositions de la partie V s'appliquent aux membres du personnel désignés dans un mandat au sein des cadres supérieur et moyen.
§ 6. Le membre du personnel contractuel a droit, par analogie avec le fonctionnaire, à une partiellisation du contrat de travail.
Après épuisement du droit, le membre du personnel contractuel peut bénéficier d'une partiellisation du contrat de travail comme faveur.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la partiellisation du contrat de travail est une faveur pour le membre du personnel contractuel employé par un contrat de remplacement ou un contrat de travail à durée déterminée dans la mesure où il n'est pas encore en service sans interruption pendant deux ans auprès de l'Autorité flamande. ".
" Art. X.25. § 1er. Au cours de sa carrière, un fonctionnaire a droit à soixante mois de congé pour prestations à temps partiel. Après épuisement de ce droit, un fonctionnaire peut bénéficier d'un congé pour prestations à temps partiel comme faveur.
Le congé pour prestations à temps partiel est demandé pour trois mois au minimum et douze mois au maximum, chaque demande portant sur des mois calendaires entiers. Le congé pour prestations à temps partiel commence le premier jour du mois.
Par dérogation à la deuxième phrase de l'alinéa 2, le congé pour prestations à temps partiel peut commencer un autre jour que le premier jour du mois, s'il suit immédiatement le repos de maternité, le congé de paternité ou de co-maternité, le congé de maladie, le congé parental, le congé pour assistance médicale, le congé palliatif ou le congé de naissance.
§ 2. Les modalités suivantes s'appliquent au congé pour prestations à temps partiel, visé au paragraphe 1er :
1° le congé pour prestations à temps partiel est pris sous forme d'une réduction des prestations de travail à 90 %, 80 %, 70 %, 60 % ou 50 % d'un emploi à temps plein ;
2° l'horaire de travail et les modalités de prise de congé pour prestations à temps partiel sont fixés en concertation avec le manager de ligne ;
3° le régime de travail choisi, l'horaire de travail fixé et les modalités de prise ne peuvent être modifiés pendant trois mois.
§ 3. Si le bon fonctionnement du service le requiert, le manager de ligne peut reporter la prise du congé de prestations à temps partiel, demandé par le fonctionnaire, de trois mois au maximum.
§ 4. Le Ministre flamand fonctionnellement compétent peut imposer un régime fixe de prestations pour certaines fonctions dans son domaine politique, conseil consultatif stratégique ou Enseignement communautaire, au sein des régimes de prestations fixés au paragraphe 2, 1°.
§ 5. Les dispositions de la partie V s'appliquent aux membres du personnel désignés dans un mandat au sein des cadres supérieur et moyen.
§ 6. Le membre du personnel contractuel a droit, par analogie avec le fonctionnaire, à une partiellisation du contrat de travail.
Après épuisement du droit, le membre du personnel contractuel peut bénéficier d'une partiellisation du contrat de travail comme faveur.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la partiellisation du contrat de travail est une faveur pour le membre du personnel contractuel employé par un contrat de remplacement ou un contrat de travail à durée déterminée dans la mesure où il n'est pas encore en service sans interruption pendant deux ans auprès de l'Autorité flamande. ".
Art. 15. In deel X, titel 5, het laatste gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt een artikel X 25bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. X.25bis. § 1. Onverminderd artikel X 25 heeft een ambtenaar vanaf de leeftijd van 55 jaar recht op verlof voor deeltijdse prestaties.
Het contractueel personeelslid heeft op overeenkomstige wijze als de ambtenaar vanaf de leeftijd van 55 jaar recht op een verdeeltijdsing van de arbeidsovereenkomst
In afwijking van het tweede lid is de verdeeltijdsing van de arbeidsovereenkomst vanaf de leeftijd van 55 jaar een gunst voor het contractueel personeelslid tewerkgesteld met een vervangingsovereenkomst of overeenkomst voor bepaalde duur voor zover het nog geen twee jaar ononderbroken in dienst is bij de diensten van de Vlaamse overheid.
§ 2. De modaliteiten vermeld in artikel X 25, § 1, tweede en derde lid, en § 2, 3, 4 en 5 zijn overeenkomstig van toepassing op het verlof voor deeltijdse prestaties vermeld in paragraaf 1.".
"Art. X.25bis. § 1. Onverminderd artikel X 25 heeft een ambtenaar vanaf de leeftijd van 55 jaar recht op verlof voor deeltijdse prestaties.
Het contractueel personeelslid heeft op overeenkomstige wijze als de ambtenaar vanaf de leeftijd van 55 jaar recht op een verdeeltijdsing van de arbeidsovereenkomst
In afwijking van het tweede lid is de verdeeltijdsing van de arbeidsovereenkomst vanaf de leeftijd van 55 jaar een gunst voor het contractueel personeelslid tewerkgesteld met een vervangingsovereenkomst of overeenkomst voor bepaalde duur voor zover het nog geen twee jaar ononderbroken in dienst is bij de diensten van de Vlaamse overheid.
§ 2. De modaliteiten vermeld in artikel X 25, § 1, tweede en derde lid, en § 2, 3, 4 en 5 zijn overeenkomstig van toepassing op het verlof voor deeltijdse prestaties vermeld in paragraaf 1.".
Art. 15. Dans la partie X, titre 5, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009, il est inséré un article X 25bis, rédigé comme suit :
" Art. X.25bis. § 1er. Sans préjudice de l'article X 25, un fonctionnaire a droit au congé pour prestations à temps partiel dès l'âge de 55 ans.
Le membre du personnel contractuel a droit, par analogie avec le fonctionnaire, à une partiellisation du contrat de travail dès l'âge de 55 ans.
Par dérogation à l'alinéa 2, la partiellisation du contrat de travail dès l'âge de 55 ans est une faveur pour le membre du personnel contractuel employé par un contrat de remplacement ou un contrat de travail à durée déterminée dans la mesure où il n'est pas encore en service sans interruption pendant deux ans auprès de l'Autorité flamande.
§ 2. Les modalités visées à l'article X 25, § 1er, alinéas 2 et 3, et § 2, 3, 4 et 5, s'appliquent par analogie au congé pour prestations à temps partiel, visé au paragraphe 1er. ".
" Art. X.25bis. § 1er. Sans préjudice de l'article X 25, un fonctionnaire a droit au congé pour prestations à temps partiel dès l'âge de 55 ans.
Le membre du personnel contractuel a droit, par analogie avec le fonctionnaire, à une partiellisation du contrat de travail dès l'âge de 55 ans.
Par dérogation à l'alinéa 2, la partiellisation du contrat de travail dès l'âge de 55 ans est une faveur pour le membre du personnel contractuel employé par un contrat de remplacement ou un contrat de travail à durée déterminée dans la mesure où il n'est pas encore en service sans interruption pendant deux ans auprès de l'Autorité flamande.
§ 2. Les modalités visées à l'article X 25, § 1er, alinéas 2 et 3, et § 2, 3, 4 et 5, s'appliquent par analogie au congé pour prestations à temps partiel, visé au paragraphe 1er. ".
Art. 16. In artikel X 26, § 3, 1°, van hetzelfde besluit, wordt de woorden "en het voorbereiden van zijn kandidatuur voor de wetgevende, provinciale, Europese en gemeentelijke verkiezingen" opgeheven en wordt tussen de zinsnede "pleegvoogdij," en het woord "ouderschap" het woord "en" ingevoegd.
Art. 16. Dans l'article X 26, § 3, 1°, du même arrêté, les mots " et un congé pour préparer sa candidature aux élections législatives, provinciales, européennes ou communales " sont abrogés et le mot " et " est inséré entre le membre de phrase " de tutelle officieuse, " et les mots " un congé parental ".
Art. 17. Artikel X 27 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. X.27. Het verlof voor deeltijdse prestaties wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Onverminderd de toepassing van artikel VII 6 heeft het personeelslid tijdens het verlof voor deeltijdse prestaties geen recht op een salaris.".
"Art. X.27. Het verlof voor deeltijdse prestaties wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Onverminderd de toepassing van artikel VII 6 heeft het personeelslid tijdens het verlof voor deeltijdse prestaties geen recht op een salaris.".
Art. 17. L'article X 27 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. X.27. Le congé pour prestations à temps partiel est assimilé à une période d'activité de service. Sans préjudice de l'application de l'article VII 6, le membre du personnel n'a pas droit à un traitement pendant le congé pour prestations à temps partiel. ".
" Art. X.27. Le congé pour prestations à temps partiel est assimilé à une période d'activité de service. Sans préjudice de l'application de l'article VII 6, le membre du personnel n'a pas droit à un traitement pendant le congé pour prestations à temps partiel. ".
Art. 18. In deel X van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016, wordt een titel 5bis, dat bestaat uit artikel X 27bis, ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Titel 5bis. - Verlof voor deeltijdse prestaties wegens chronische ziekte of handicap
Art. X.27bis. § 1. De ambtenaar die beschikt over een externe erkenning als persoon met een chronische ziekte of handicap in de zin van artikel 2, § 1, 4°, a) tot en met f), van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 december 2004 houdende maatregelen ter bevordering en ondersteuning van het gelijkekansen- en diversiteitsbeleid in de Vlaamse administratie, heeft recht op verlof voor deeltijdse prestaties wegens handicap of chronische ziekte op voorwaarde dat de arbeidsgeneesheer van oordeel is dat het deeltijds werken bijdraagt tot of noodzakelijk is voor het aanvatten, hervatten of het behoud van de tewerkstelling van de ambtenaar. De arbeidsgeneesheer pleegt overleg met de behandelend geneesheer, de lijnmanager en desgevallend met het geneeskundig controleorgaan.
§ 2. Het verlof voor deeltijdse prestaties wegens chronische ziekte of handicap wordt toegekend a rato van 50 %, 60 %, 70 % of 80 % van een voltijdse betrekking.
Het integratieprotocol bepaalt minstens:
a) de modaliteiten van het verlof;
b) de looptijd van het verlof. Dit kan van onbepaalde duur zijn;
c) het tijdstip waarop het verlof en de modaliteiten worden geëvalueerd.
Zowel de ambtenaar als de arbeidsgeneesheer, in het raam van een gezondheids- of re-integratiebeoordeling zoals voorzien in Boek I, titel 4 van de Codex over het welzijn op het werk, kunnen op ieder moment vragen om het verlof en de modaliteiten te herzien.
§ 3. Het verlof voor deeltijdse prestaties wegens handicap of chronische ziekte wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Onverminderd de toepassing van artikel VII 6 heeft een ambtenaar tijdens een verlof voor deeltijdse prestaties wegens handicap of chronische ziekte geen recht op salaris.
Artikel X 26 is overeenkomstig van toepassing.
Een ambtenaar die verlof voor deeltijdse prestaties wegens een chronische ziekte of handicap opneemt, kan dit verlof tezelfdertijd niet combineren met een verlof voor deeltijdse prestaties, een vermindering van de arbeidsprestaties in het kader van zorgkrediet of met een deeltijdse loopbaanonderbreking in het kader van een federaal zorgverlof.
Het verlof voor deeltijdse prestaties wegens een chronische ziekte of handicap wordt opgeschort bij opname van een voltijds zorgkrediet of voltijds federaal zorgverlof.".
"Titel 5bis. - Verlof voor deeltijdse prestaties wegens chronische ziekte of handicap
Art. X.27bis. § 1. De ambtenaar die beschikt over een externe erkenning als persoon met een chronische ziekte of handicap in de zin van artikel 2, § 1, 4°, a) tot en met f), van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 december 2004 houdende maatregelen ter bevordering en ondersteuning van het gelijkekansen- en diversiteitsbeleid in de Vlaamse administratie, heeft recht op verlof voor deeltijdse prestaties wegens handicap of chronische ziekte op voorwaarde dat de arbeidsgeneesheer van oordeel is dat het deeltijds werken bijdraagt tot of noodzakelijk is voor het aanvatten, hervatten of het behoud van de tewerkstelling van de ambtenaar. De arbeidsgeneesheer pleegt overleg met de behandelend geneesheer, de lijnmanager en desgevallend met het geneeskundig controleorgaan.
§ 2. Het verlof voor deeltijdse prestaties wegens chronische ziekte of handicap wordt toegekend a rato van 50 %, 60 %, 70 % of 80 % van een voltijdse betrekking.
Het integratieprotocol bepaalt minstens:
a) de modaliteiten van het verlof;
b) de looptijd van het verlof. Dit kan van onbepaalde duur zijn;
c) het tijdstip waarop het verlof en de modaliteiten worden geëvalueerd.
Zowel de ambtenaar als de arbeidsgeneesheer, in het raam van een gezondheids- of re-integratiebeoordeling zoals voorzien in Boek I, titel 4 van de Codex over het welzijn op het werk, kunnen op ieder moment vragen om het verlof en de modaliteiten te herzien.
§ 3. Het verlof voor deeltijdse prestaties wegens handicap of chronische ziekte wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Onverminderd de toepassing van artikel VII 6 heeft een ambtenaar tijdens een verlof voor deeltijdse prestaties wegens handicap of chronische ziekte geen recht op salaris.
Artikel X 26 is overeenkomstig van toepassing.
Een ambtenaar die verlof voor deeltijdse prestaties wegens een chronische ziekte of handicap opneemt, kan dit verlof tezelfdertijd niet combineren met een verlof voor deeltijdse prestaties, een vermindering van de arbeidsprestaties in het kader van zorgkrediet of met een deeltijdse loopbaanonderbreking in het kader van een federaal zorgverlof.
Het verlof voor deeltijdse prestaties wegens een chronische ziekte of handicap wordt opgeschort bij opname van een voltijds zorgkrediet of voltijds federaal zorgverlof.".
Art. 18. Dans la partie X du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 août 2016, il est inséré un titre 5bis, qui se compose de l'article X 27bis, rédigé comme suit :
" Titre 5bis. - Congé pour prestations à temps partiel en raison d'une maladie chronique ou d'un handicap
Art. X.27bis. § 1er. Le fonctionnaire qui dispose d'une reconnaissance externe comme personne atteinte d'une maladie chronique ou d'un handicap au sens de l'article 2, § 1er, 4°, a) à f) inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 décembre 2004 portant des mesures en vue de la promotion et de l'encadrement de la politique d'égalité des chances et de diversité dans l'administration flamande, a droit au congé pour prestations à temps partiel en raison d'un handicap ou d'une maladie chronique à condition que le médecin du travail estime que le travail à temps partiel contribue ou est nécessaire au commencement, à la reprise ou au maintien de l'emploi du fonctionnaire. Le médecin du travail se concerte avec le médecin traitant, le manager de ligne et le cas échéant avec l'organe de contrôle médical.
§ 2. Le congé pour prestations à temps partiel en raison d'une maladie chronique ou d'un handicap est accordé au prorata de 50 %, 60 %, 70 % ou 80 % d'un emploi à temps plein.
Le protocole d'intégration stipule au moins :
a) les modalités du congé ;
b) la durée du congé. Il peut avoir une durée indéterminée ;
c) le moment où le congé et les modalités sont évalués.
Tant le fonctionnaire que le médecin du travail, dans le cadre d'une évaluation de santé ou de réintégration telle que prévue au Livre Ier, titre 4 du Code du bien-être au travail, peuvent demander à tout moment une révision du congé et des modalités.
§ 3. Le congé pour prestations à temps partiel en raison d'un handicap ou d'une maladie chronique est assimilé à une période d'activité de service. Sans préjudice de l'application de l'article VII 6, un fonctionnaire n'a pas droit à un traitement pendant un congé pour prestations à temps partiel en raison d'un handicap ou d'une maladie chronique.
L'article X 26 s'applique par analogie.
Un fonctionnaire qui prend un congé pour prestations à temps partiel en raison d'une maladie chronique ou d'un handicap, ne peut pas simultanément combiner ce congé avec un congé pour prestations à temps partiel, une réduction des prestations de travail dans le cadre du crédit-soins ou avec une interruption de carrière à temps partiel dans le cadre d'un congé soins fédéral.
Le congé pour prestations à temps partiel en raison d'une maladie chronique ou d'un handicap est suspendu en cas de prise d'un crédit-soins à temps plein ou d'un congé soins fédéral à temps plein. ".
" Titre 5bis. - Congé pour prestations à temps partiel en raison d'une maladie chronique ou d'un handicap
Art. X.27bis. § 1er. Le fonctionnaire qui dispose d'une reconnaissance externe comme personne atteinte d'une maladie chronique ou d'un handicap au sens de l'article 2, § 1er, 4°, a) à f) inclus, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 décembre 2004 portant des mesures en vue de la promotion et de l'encadrement de la politique d'égalité des chances et de diversité dans l'administration flamande, a droit au congé pour prestations à temps partiel en raison d'un handicap ou d'une maladie chronique à condition que le médecin du travail estime que le travail à temps partiel contribue ou est nécessaire au commencement, à la reprise ou au maintien de l'emploi du fonctionnaire. Le médecin du travail se concerte avec le médecin traitant, le manager de ligne et le cas échéant avec l'organe de contrôle médical.
§ 2. Le congé pour prestations à temps partiel en raison d'une maladie chronique ou d'un handicap est accordé au prorata de 50 %, 60 %, 70 % ou 80 % d'un emploi à temps plein.
Le protocole d'intégration stipule au moins :
a) les modalités du congé ;
b) la durée du congé. Il peut avoir une durée indéterminée ;
c) le moment où le congé et les modalités sont évalués.
Tant le fonctionnaire que le médecin du travail, dans le cadre d'une évaluation de santé ou de réintégration telle que prévue au Livre Ier, titre 4 du Code du bien-être au travail, peuvent demander à tout moment une révision du congé et des modalités.
§ 3. Le congé pour prestations à temps partiel en raison d'un handicap ou d'une maladie chronique est assimilé à une période d'activité de service. Sans préjudice de l'application de l'article VII 6, un fonctionnaire n'a pas droit à un traitement pendant un congé pour prestations à temps partiel en raison d'un handicap ou d'une maladie chronique.
L'article X 26 s'applique par analogie.
Un fonctionnaire qui prend un congé pour prestations à temps partiel en raison d'une maladie chronique ou d'un handicap, ne peut pas simultanément combiner ce congé avec un congé pour prestations à temps partiel, une réduction des prestations de travail dans le cadre du crédit-soins ou avec une interruption de carrière à temps partiel dans le cadre d'un congé soins fédéral.
Le congé pour prestations à temps partiel en raison d'une maladie chronique ou d'un handicap est suspendu en cas de prise d'un crédit-soins à temps plein ou d'un congé soins fédéral à temps plein. ".
Art. 19. Aan artikel X 28, § 2, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016, wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid neemt het personeelslid zorgkrediet op met niet - gehele maanden in één van de volgende gevallen:
1° de periode waarvoor het zorgkrediet wordt aangevraagd, eindigt de dag voordat het kind voor wie zorgkrediet wordt opgenomen, de leeftijd van dertien jaar bereikt;
2° het zorgkrediet wordt opgenomen om een opleiding te volgen.".
"In afwijking van het eerste lid neemt het personeelslid zorgkrediet op met niet - gehele maanden in één van de volgende gevallen:
1° de periode waarvoor het zorgkrediet wordt aangevraagd, eindigt de dag voordat het kind voor wie zorgkrediet wordt opgenomen, de leeftijd van dertien jaar bereikt;
2° het zorgkrediet wordt opgenomen om een opleiding te volgen.".
Art. 19. L'article X 28, § 2, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 août 2016, est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, le membre du personnel prend du crédit-soins par des mois non entiers dans un des cas suivants :
1° la période pour laquelle le crédit-soins est demandé, prend fin le jour avant que l'enfant pour lequel le crédit-soins est pris, atteint l'âge de treize ans ;
2° le crédit-soins est pris afin de suivre une formation. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, le membre du personnel prend du crédit-soins par des mois non entiers dans un des cas suivants :
1° la période pour laquelle le crédit-soins est demandé, prend fin le jour avant que l'enfant pour lequel le crédit-soins est pris, atteint l'âge de treize ans ;
2° le crédit-soins est pris afin de suivre une formation. ".
Art. 20. Aan artikel X 32, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "en/of halftijdse" worden vervangen door de zinsnede ", halftijds of 1/5";
2° de woorden "en halftijdse" worden vervangen door de zinsnede ", halftijdse of 1/5"
3° het woord "eenmaal" wordt vervangen door het woord "tweemaal".
1° de woorden "en/of halftijdse" worden vervangen door de zinsnede ", halftijds of 1/5";
2° de woorden "en halftijdse" worden vervangen door de zinsnede ", halftijdse of 1/5"
3° het woord "eenmaal" wordt vervangen door het woord "tweemaal".
Art. 20. A l'article X 32, alinéa 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juillet 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " à temps plein et/ou à mi-temps " sont remplacés par le membre de phrase " à mi-temps ou 1/5 " ;
2° les mots " et à mi-temps " sont remplacés par le membre de phrase " , à mi-temps ou 1/5 " ;
3° les mots " une fois " est remplacé par les mots " deux fois ".
1° les mots " à temps plein et/ou à mi-temps " sont remplacés par le membre de phrase " à mi-temps ou 1/5 " ;
2° les mots " et à mi-temps " sont remplacés par le membre de phrase " , à mi-temps ou 1/5 " ;
3° les mots " une fois " est remplacé par les mots " deux fois ".
Art. 21. Aan artikel X 34 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2007 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 en het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "en/of halftijdse" vervangen door de worden", halftijdse of 1/5" en worden tussen de woorden "de halftijdse" en het woord "loopbaanonderbreking" de woorden "of 1/5" ingevoegd;
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt tussen de woorden "de halftijdse" en het woord "loopbaanonderbreking" de woorden "of 1/5" ingevoegd;
3° in paragraaf 2, eerste lid worden de woorden "en halftijdse loopbaanonderbreking" vervangen door de zinsneden ",halftijdse en 1/5 loopbaanonderbreking" en worden aan de tweede zin de woorden "en vijf maanden 1/5 loopbaanonderbreking" toegevoegd;
4° in paragraaf 3 worden de woorden "en halftijdse loopbaanonderbrekingen" vervangen door de zinsneden ",halftijdse en 1/5 loopbaanonderbrekingen";
5° aan paragraaf 4 wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt:
"Om dit recht met 1/5 loopbaanonderbreking te kunnen uitoefenen, moet het contractueel personeelslid met een voltijdse arbeidsovereenkomst tewerkgesteld zijn.".
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "en/of halftijdse" vervangen door de worden", halftijdse of 1/5" en worden tussen de woorden "de halftijdse" en het woord "loopbaanonderbreking" de woorden "of 1/5" ingevoegd;
2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt tussen de woorden "de halftijdse" en het woord "loopbaanonderbreking" de woorden "of 1/5" ingevoegd;
3° in paragraaf 2, eerste lid worden de woorden "en halftijdse loopbaanonderbreking" vervangen door de zinsneden ",halftijdse en 1/5 loopbaanonderbreking" en worden aan de tweede zin de woorden "en vijf maanden 1/5 loopbaanonderbreking" toegevoegd;
4° in paragraaf 3 worden de woorden "en halftijdse loopbaanonderbrekingen" vervangen door de zinsneden ",halftijdse en 1/5 loopbaanonderbrekingen";
5° aan paragraaf 4 wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt:
"Om dit recht met 1/5 loopbaanonderbreking te kunnen uitoefenen, moet het contractueel personeelslid met een voltijdse arbeidsovereenkomst tewerkgesteld zijn.".
Art. 21. A l'article X 34 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juillet 2007 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 21 février 2014 et 30 août 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " et/ou à mi-temps " sont remplacés par les mots " , à mi-temps ou 1/5 ", et les mots " ou 1/5 " sont insérés après les mots " interruption de carrière à mi-temps " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots " ou 1/5 " sont insérés après les mots " l'interruption de carrière à mi-temps " ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " ou à mi-temps " sont remplacés par le membre de phrase " , à mi-temps et 1/5 ", et la deuxième phrase est complétée par les mots " et de cinq mois pour l'interruption de carrière à 1/5 " ;
4° dans le paragraphe 3, les mots " des interruptions de carrière à temps plein et à mi-temps " sont remplacés par le membre de phrase " des interruptions de carrière à temps plein, à mi-temps et à 1/5 " ;
5° le paragraphe 4 est complété par une phrase, rédigée comme suit :
" Pour qu'il puisse exercer ce droit à l'interruption de carrière à 1/5, il faut que le membre du personnel contractuel soit occupé par contrat de travail à temps plein. ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " et/ou à mi-temps " sont remplacés par les mots " , à mi-temps ou 1/5 ", et les mots " ou 1/5 " sont insérés après les mots " interruption de carrière à mi-temps " ;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots " ou 1/5 " sont insérés après les mots " l'interruption de carrière à mi-temps " ;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " ou à mi-temps " sont remplacés par le membre de phrase " , à mi-temps et 1/5 ", et la deuxième phrase est complétée par les mots " et de cinq mois pour l'interruption de carrière à 1/5 " ;
4° dans le paragraphe 3, les mots " des interruptions de carrière à temps plein et à mi-temps " sont remplacés par le membre de phrase " des interruptions de carrière à temps plein, à mi-temps et à 1/5 " ;
5° le paragraphe 4 est complété par une phrase, rédigée comme suit :
" Pour qu'il puisse exercer ce droit à l'interruption de carrière à 1/5, il faut que le membre du personnel contractuel soit occupé par contrat de travail à temps plein. ".
Art. 22. Aan artikel X 49, § 2, van hetzelfde besluit wordt een derde streepje toegevoegd, dat luidt als volgt:
- "de uitoefening van een opdracht binnen of buiten de diensten van de Vlaamse overheid op grond van een beslissing van de Vlaamse Regering.".
- "de uitoefening van een opdracht binnen of buiten de diensten van de Vlaamse overheid op grond van een beslissing van de Vlaamse Regering.".
Art. 22. L'article X 49, § 2, du même arrêté, est complété par un troisième tiret, rédigé comme suit :
- " pour l'accomplissement d'une mission dans ou hors les services de l'Autorité flamande sur la base d'une décision du Gouvernement flamand. ".
- " pour l'accomplissement d'une mission dans ou hors les services de l'Autorité flamande sur la base d'une décision du Gouvernement flamand. ".
Art. 23. Aan artikel X 61 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht
1° punt 2° en lid 3 en lid 4 worden opgeheven;
2° in punt 4° en punt 7° wordt tussen het woord "huwelijk" en het woord "van" de woorden "of wettelijke samenwoning" ingevoegd;
3° de woorden " de dag van het huwelijk" worden vervangen door de woorden "de dag van de plechtigheid".
1° punt 2° en lid 3 en lid 4 worden opgeheven;
2° in punt 4° en punt 7° wordt tussen het woord "huwelijk" en het woord "van" de woorden "of wettelijke samenwoning" ingevoegd;
3° de woorden " de dag van het huwelijk" worden vervangen door de woorden "de dag van de plechtigheid".
Art. 23. A l'article X 61 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° le point 2° et les alinéas 3 et 4 sont abrogés ;
2° dans le point 4° et le point 7°, les mots " ou cohabitation légale " sont insérés entre le mot " Mariage " et les mots " d'un " ;
3° les mots " le jour du mariage " sont remplacés par les mots " le jour de la cérémonie ".
1° le point 2° et les alinéas 3 et 4 sont abrogés ;
2° dans le point 4° et le point 7°, les mots " ou cohabitation légale " sont insérés entre le mot " Mariage " et les mots " d'un " ;
3° les mots " le jour du mariage " sont remplacés par les mots " le jour de la cérémonie ".
Art. 24. In deel X van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016, wordt een titel 9bis, dat bestaat uit artikel X 61bis, ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Titel 9bis. - Geboorteverlof
Art. X.61bis. § 1. Een ambtenaar heeft recht op geboorteverlof naar aanleiding van de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs de zijde van de ambtenaar vaststaat.
Bij ontstentenis van een persoon die geboorteverlof opneemt op grond van de afstamming met het kind, heeft de ambtenaar die gehuwd is of samenwoont met de moeder van het kind recht op het geboorteverlof.
Het recht op moederschapsverlof, vermeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, sluit voor een zelfde ouder het recht op geboorteverlof uit.
Het geboorteverlof bedraagt tien werkdagen. Het wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Het geboorteverlof moet binnen een termijn van vier maanden die start op de dag waarop het kind geboren wordt, worden opgenomen.
Het geboorteverlof wordt in mindering gebracht van het recht op opvangverlof vermeld in artikel X 16.
§ 2. Het contractueel personeelslid heeft recht op geboorteverlof op grond van de arbeidsovereenkomstenwet en de uitvoeringsbesluiten.
Het geboorteverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Gedurende de eerste drie werkdagen heeft het contractueel personeelslid recht op salaris. Gedurende de zeven resterende werkdagen heeft het contractueel personeelslid onverminderd de toepassing van artikel VII 108bis geen recht op salaris.".
"Titel 9bis. - Geboorteverlof
Art. X.61bis. § 1. Een ambtenaar heeft recht op geboorteverlof naar aanleiding van de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs de zijde van de ambtenaar vaststaat.
Bij ontstentenis van een persoon die geboorteverlof opneemt op grond van de afstamming met het kind, heeft de ambtenaar die gehuwd is of samenwoont met de moeder van het kind recht op het geboorteverlof.
Het recht op moederschapsverlof, vermeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, sluit voor een zelfde ouder het recht op geboorteverlof uit.
Het geboorteverlof bedraagt tien werkdagen. Het wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Het geboorteverlof moet binnen een termijn van vier maanden die start op de dag waarop het kind geboren wordt, worden opgenomen.
Het geboorteverlof wordt in mindering gebracht van het recht op opvangverlof vermeld in artikel X 16.
§ 2. Het contractueel personeelslid heeft recht op geboorteverlof op grond van de arbeidsovereenkomstenwet en de uitvoeringsbesluiten.
Het geboorteverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Gedurende de eerste drie werkdagen heeft het contractueel personeelslid recht op salaris. Gedurende de zeven resterende werkdagen heeft het contractueel personeelslid onverminderd de toepassing van artikel VII 108bis geen recht op salaris.".
Art. 24. Dans la partie X du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 août 2016, il est inséré un titre 9bis, qui se compose de l'article X 61bis, rédigé comme suit :
" Titre 9bis. - Congé de naissance
Art. X.61bis. § 1er. Un fonctionnaire a droit au congé de naissance à l'occasion de la naissance d'un enfant dont la filiation est établie du côté du fonctionnaire.
A défaut d'une personne qui prend du congé de naissance sur la base de la filiation avec l'enfant, le fonctionnaire qui est marié ou cohabite légalement avec la mère de l'enfant, a droit au congé de naissance.
Le droit au congé de maternité, visé à l'article 39 de la loi sur le travail du 16 mars 1971, exclut le droit au congé de naissance pour ce même parent.
Le congé de naissance est de dix jours ouvrables. Il est assimilé à une période d'activité de service. Le congé de naissance doit être pris dans un délai de quatre mois à partir du jour auquel l'enfant est né.
Le congé de naissance est déduit du droit au congé d'accueil visé à l'article X 16.
§ 2. Le membre du personnel contractuel a droit au congé de naissance sur la base de la loi relative aux contrats de travail et des arrêtés d'exécution.
Le congé de naissance est assimilé à une période d'activité de service. Pendant les trois premiers jours ouvrables, le membre du personnel contractuel a droit au traitement. Pendant les sept jours ouvrables restants, le membre du personnel contractuel n'a pas droit au traitement sans préjudice de l'application de l'article VII 108bis. ".
" Titre 9bis. - Congé de naissance
Art. X.61bis. § 1er. Un fonctionnaire a droit au congé de naissance à l'occasion de la naissance d'un enfant dont la filiation est établie du côté du fonctionnaire.
A défaut d'une personne qui prend du congé de naissance sur la base de la filiation avec l'enfant, le fonctionnaire qui est marié ou cohabite légalement avec la mère de l'enfant, a droit au congé de naissance.
Le droit au congé de maternité, visé à l'article 39 de la loi sur le travail du 16 mars 1971, exclut le droit au congé de naissance pour ce même parent.
Le congé de naissance est de dix jours ouvrables. Il est assimilé à une période d'activité de service. Le congé de naissance doit être pris dans un délai de quatre mois à partir du jour auquel l'enfant est né.
Le congé de naissance est déduit du droit au congé d'accueil visé à l'article X 16.
§ 2. Le membre du personnel contractuel a droit au congé de naissance sur la base de la loi relative aux contrats de travail et des arrêtés d'exécution.
Le congé de naissance est assimilé à une période d'activité de service. Pendant les trois premiers jours ouvrables, le membre du personnel contractuel a droit au traitement. Pendant les sept jours ouvrables restants, le membre du personnel contractuel n'a pas droit au traitement sans préjudice de l'application de l'article VII 108bis. ".
Art. 25. Artikel X 62 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. X.62. § 1. Een personeelslid heeft recht op de volgende onbetaalde verloven:
1° twintig werkdagen per jaar, op te nemen met volle of halve dagen, en in al dan niet aaneengesloten periodes;
2° één jaar op te nemen gedurende de volledige loopbaan met volledige, al dan niet aaneengesloten maanden
3° één jaar op te nemen vanaf de leeftijd van vijfenvijftig jaar met volledige, al dan niet aaneengesloten maanden.
De twintig werkdagen onbetaald verlof worden pro rata verminderd in geval het personeelslid tijdens het jaar in dienst treedt, deeltijds werkt, in dienst werd genomen met een deeltijdse arbeidsovereenkomst, of een onbetaald verlof opneemt.
De nadere regelen voor de opname van het onbetaald verlof worden bepaald in overleg tussen de lijnmanager en het personeelslid.
§ 2. Het personeelslid op proef is uitgesloten van het onbetaald verlof vermeld in paragraaf 1, 2° en 3°.
Het onbetaald verlof vermeld in paragraaf 1, 2° en 3° is een gunst voor het contractueel personeelslid tewerkgesteld met een vervangingsovereenkomst of overeenkomst voor bepaalde duur voor zover het nog geen twee jaar ononderbroken in dienst is bij de diensten van de Vlaamse overheid.
§ 3. Het onbetaald verlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Tijdens het onbetaald verlof heeft het personeelslid geen recht op salaris.".
"Art. X.62. § 1. Een personeelslid heeft recht op de volgende onbetaalde verloven:
1° twintig werkdagen per jaar, op te nemen met volle of halve dagen, en in al dan niet aaneengesloten periodes;
2° één jaar op te nemen gedurende de volledige loopbaan met volledige, al dan niet aaneengesloten maanden
3° één jaar op te nemen vanaf de leeftijd van vijfenvijftig jaar met volledige, al dan niet aaneengesloten maanden.
De twintig werkdagen onbetaald verlof worden pro rata verminderd in geval het personeelslid tijdens het jaar in dienst treedt, deeltijds werkt, in dienst werd genomen met een deeltijdse arbeidsovereenkomst, of een onbetaald verlof opneemt.
De nadere regelen voor de opname van het onbetaald verlof worden bepaald in overleg tussen de lijnmanager en het personeelslid.
§ 2. Het personeelslid op proef is uitgesloten van het onbetaald verlof vermeld in paragraaf 1, 2° en 3°.
Het onbetaald verlof vermeld in paragraaf 1, 2° en 3° is een gunst voor het contractueel personeelslid tewerkgesteld met een vervangingsovereenkomst of overeenkomst voor bepaalde duur voor zover het nog geen twee jaar ononderbroken in dienst is bij de diensten van de Vlaamse overheid.
§ 3. Het onbetaald verlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit. Tijdens het onbetaald verlof heeft het personeelslid geen recht op salaris.".
Art. 25. L'article X 62 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mars 2007 et 29 mai 2009, est remplacé par ce qui suit :
" Art. X.62. § 1er. Un membre du personnel a droit aux congés non payés suivants :
1° 20 jours ouvrables par an, à prendre par jours entiers ou en demi-jours et par périodes consécutives ou non ;
2° une année au cours de la carrière complète, à prendre par des mois entiers, consécutifs ou non ;
3° une année, à prendre à partir de l'âge de cinquante-cinq ans, par des mois entiers, consécutifs ou non.
Les vingt jours ouvrables de congé non payé sont diminués au prorata si le membre du personnel entre en service, travaille à temps partiel, a été engagé sous contrat de travail à temps partiel, ou prend un congé non payé au cours de l'année.
Les modalités de prise du congé non payé sont fixées en concertation entre le manager de ligne et le membre du personnel.
§ 2. Le membre du personnel en stage est exclu du congé non payé, visé au paragraphe 1, 2° et 3°.
Le congé non payé visé au paragraphe 1er, 2° et 3°, est une faveur pour le membre du personnel contractuel employé par un contrat de remplacement ou un contrat de travail à durée déterminée dans la mesure où il n'est pas encore en service sans interruption pendant deux ans auprès de l'Autorité flamande.
§ 3. Le congé non payé est assimilé à une période d'activité de service. Pendant le congé non payé, le membre du personnel n'a pas droit au traitement. ".
" Art. X.62. § 1er. Un membre du personnel a droit aux congés non payés suivants :
1° 20 jours ouvrables par an, à prendre par jours entiers ou en demi-jours et par périodes consécutives ou non ;
2° une année au cours de la carrière complète, à prendre par des mois entiers, consécutifs ou non ;
3° une année, à prendre à partir de l'âge de cinquante-cinq ans, par des mois entiers, consécutifs ou non.
Les vingt jours ouvrables de congé non payé sont diminués au prorata si le membre du personnel entre en service, travaille à temps partiel, a été engagé sous contrat de travail à temps partiel, ou prend un congé non payé au cours de l'année.
Les modalités de prise du congé non payé sont fixées en concertation entre le manager de ligne et le membre du personnel.
§ 2. Le membre du personnel en stage est exclu du congé non payé, visé au paragraphe 1, 2° et 3°.
Le congé non payé visé au paragraphe 1er, 2° et 3°, est une faveur pour le membre du personnel contractuel employé par un contrat de remplacement ou un contrat de travail à durée déterminée dans la mesure où il n'est pas encore en service sans interruption pendant deux ans auprès de l'Autorité flamande.
§ 3. Le congé non payé est assimilé à une période d'activité de service. Pendant le congé non payé, le membre du personnel n'a pas droit au traitement. ".
Art. 26. Artikel X 63 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007 en het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. X.63. § 1. Als een ambtenaar binnen de diensten van de Vlaamse overheid of bij een administratief rechtscollege van de Vlaamse overheid een arbeidsovereenkomst, een mandaat, een tijdelijke aanstelling of een andere statutaire functie opneemt waaraan een proeftijd is verbonden, staat de lijnmanager ambtshalve onbetaald verlof toe.
Het onbetaald verlof wordt voor de eerste mandaatperiode toegekend. In geval van een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt het onbetaald verlof voor een periode van twee jaar toegekend en in geval van een statutaire proeftijd voor de duur van de proeftijd.
De ambtenaar op proef is van dit onbetaald verlof uitgesloten.
De in het tweede lid vermelde beperking in de tijd is niet van toepassing als een ambtenaar binnen zijn entiteit, raad of instelling een mandaat, tijdelijke aanstelling, contract of statutaire proeftijd opneemt.
§ 2. Als een contractueel personeelslid binnen de diensten van de Vlaamse overheid een statutaire proeftijd opneemt, dan heeft het voor de duur van de proeftijd recht op onbetaald verlof.
§ 3. Het onbetaald verlof vermeld in paragraaf 1 en 2 wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Tijdens het onbetaald verlof heeft het personeelslid geen recht op salaris.".
"Art. X.63. § 1. Als een ambtenaar binnen de diensten van de Vlaamse overheid of bij een administratief rechtscollege van de Vlaamse overheid een arbeidsovereenkomst, een mandaat, een tijdelijke aanstelling of een andere statutaire functie opneemt waaraan een proeftijd is verbonden, staat de lijnmanager ambtshalve onbetaald verlof toe.
Het onbetaald verlof wordt voor de eerste mandaatperiode toegekend. In geval van een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt het onbetaald verlof voor een periode van twee jaar toegekend en in geval van een statutaire proeftijd voor de duur van de proeftijd.
De ambtenaar op proef is van dit onbetaald verlof uitgesloten.
De in het tweede lid vermelde beperking in de tijd is niet van toepassing als een ambtenaar binnen zijn entiteit, raad of instelling een mandaat, tijdelijke aanstelling, contract of statutaire proeftijd opneemt.
§ 2. Als een contractueel personeelslid binnen de diensten van de Vlaamse overheid een statutaire proeftijd opneemt, dan heeft het voor de duur van de proeftijd recht op onbetaald verlof.
§ 3. Het onbetaald verlof vermeld in paragraaf 1 en 2 wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Tijdens het onbetaald verlof heeft het personeelslid geen recht op salaris.".
Art. 26. L'article X 63 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mars 2007 et 29 mai 2009, est remplacé par ce qui suit :
" Art. X.63. § 1er. Si un fonctionnaire assume un contrat de travail, un mandat, une désignation temporaire ou une autre fonction statutaire auprès des services de l'Autorité flamande ou auprès d'une juridiction administrative de l'Autorité flamande, pour laquelle il y a lieu d'effectuer un stage, le manager de ligne accorde d'office un congé non payé.
Le congé non payé est accordé pour la première période du mandat. En cas d'une désignation temporaire ou d'un contrat de travail, le congé non payé est accordé pour une période de deux années, et en cas d'un stage statutaire pour la durée du stage.
Le fonctionnaire en stage est exclu de ce congé non payé.
La limitation dans le temps, visée à l'alinéa 2, ne s'applique pas si le fonctionnaire assume un mandat, une désignation temporaire, un contrat ou un stage statutaire au sein de son entité, conseil ou institution.
§ 2. Si un membre du personnel contractuel assume un stage statutaire au sein des services de l'Autorité flamande, il a droit au congé non payé pour la durée du stage.
§ 3. Le congé non payé visé aux paragraphes 1er et 2 est assimilé à une période d'activité de service. Pendant le congé non payé, le membre du personnel n'a pas droit au traitement. ".
" Art. X.63. § 1er. Si un fonctionnaire assume un contrat de travail, un mandat, une désignation temporaire ou une autre fonction statutaire auprès des services de l'Autorité flamande ou auprès d'une juridiction administrative de l'Autorité flamande, pour laquelle il y a lieu d'effectuer un stage, le manager de ligne accorde d'office un congé non payé.
Le congé non payé est accordé pour la première période du mandat. En cas d'une désignation temporaire ou d'un contrat de travail, le congé non payé est accordé pour une période de deux années, et en cas d'un stage statutaire pour la durée du stage.
Le fonctionnaire en stage est exclu de ce congé non payé.
La limitation dans le temps, visée à l'alinéa 2, ne s'applique pas si le fonctionnaire assume un mandat, une désignation temporaire, un contrat ou un stage statutaire au sein de son entité, conseil ou institution.
§ 2. Si un membre du personnel contractuel assume un stage statutaire au sein des services de l'Autorité flamande, il a droit au congé non payé pour la durée du stage.
§ 3. Le congé non payé visé aux paragraphes 1er et 2 est assimilé à une période d'activité de service. Pendant le congé non payé, le membre du personnel n'a pas droit au traitement. ".
Art. 27. In artikel X 75 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 maart 2007, wordt het tweede streepje vervangen door wat volgt:
- "de eerstvolgende werkdag na de verkiezingen op voorwaarde dat het personeelslid afziet van het presentiegeld en de werkzaamheden in het stembureau of stemopnemingsbureau tot na middernacht hebben voortgeduurd.".
- "de eerstvolgende werkdag na de verkiezingen op voorwaarde dat het personeelslid afziet van het presentiegeld en de werkzaamheden in het stembureau of stemopnemingsbureau tot na middernacht hebben voortgeduurd.".
Art. 27. Dans l'article X 75 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mars 2007, le deuxième tiret est remplacé par ce qui suit :
- " le prochain jour ouvrable après les élections, à condition que le membre du personnel renonce au jeton de présence et que les travaux dans le bureau de vote ou le bureau de dépouillement de votes ont continué jusqu'après minuit. ".
- " le prochain jour ouvrable après les élections, à condition que le membre du personnel renonce au jeton de présence et que les travaux dans le bureau de vote ou le bureau de dépouillement de votes ont continué jusqu'après minuit. ".
Art. 28. In artikel X 78 van hetzelfde besluit worden het woord "gehandicapten" vervangen door de woorden "personen met een handicap".
Art. 28. Dans l'article X 78 du même arrêté, le mot " handicapés " est remplacé par les mots " personnes handicapées ".
Art. 29. Aan artikel X 81 van hetzelfde besluit wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 3. De dienstvrijstellingen worden met dienstactiviteit gelijkgesteld.".
" § 3. De dienstvrijstellingen worden met dienstactiviteit gelijkgesteld.".
Art. 29. L'article X 81 du même arrêté est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Les dispenses de service sont assimilées à une période d'activité de service. ".
" § 3. Les dispenses de service sont assimilées à une période d'activité de service. ".
Art. 30. In deel X van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016, wordt een titel 13bis, dat bestaat uit artikel X 81bis, ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Titel 13bis. - Gestandaardiseerd gunstverlof
Art. X.81bis. De lijnmanager kan op vraag van het personeelslid een gestandaardiseerd gunstverlof toekennen. Bij de toekenning van het verlof maakt de lijnmanager een afweging tussen de belangen van de organisatie en de belangen van het personeelslid.
Het gestandaardiseerd gunstverlof kan zowel met losse dagen, als voor een langere al dan niet aaneengesloten periode worden toegekend.
De lijnmanager kan beslissen dat de opname van het verlof met maximaal drie maanden wordt uitgesteld. Als het personeelslid hiermee niet akkoord gaat, dan wordt het verlof defacto geweigerd, tenzij personeelslid en lijnmanager tot een overeenkomst komen.
Het gestandaardiseerd gunstverlof wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Tijdens het gestandaardiseerd gunstverlof heeft het personeelslid geen recht op salaris.".
"Titel 13bis. - Gestandaardiseerd gunstverlof
Art. X.81bis. De lijnmanager kan op vraag van het personeelslid een gestandaardiseerd gunstverlof toekennen. Bij de toekenning van het verlof maakt de lijnmanager een afweging tussen de belangen van de organisatie en de belangen van het personeelslid.
Het gestandaardiseerd gunstverlof kan zowel met losse dagen, als voor een langere al dan niet aaneengesloten periode worden toegekend.
De lijnmanager kan beslissen dat de opname van het verlof met maximaal drie maanden wordt uitgesteld. Als het personeelslid hiermee niet akkoord gaat, dan wordt het verlof defacto geweigerd, tenzij personeelslid en lijnmanager tot een overeenkomst komen.
Het gestandaardiseerd gunstverlof wordt met dienstactiviteit gelijkgesteld. Tijdens het gestandaardiseerd gunstverlof heeft het personeelslid geen recht op salaris.".
Art. 30. Dans la partie X du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 août 2016, il est inséré un titre 13bis, qui se compose de l'article X 81bis, rédigé comme suit :
" Titre 13bis. - Congé de faveur standardisé
Art. X.81bis. A la demande du membre du personnel, le manager de ligne peut accorder un congé de faveur standardisé. Lors de l'octroi du congé, le manager de ligne fait une évaluation entre les intérêts de l'organisation et les intérêts du membre du personnel.
Le congé de faveur standardisé peut être accordé tant par jours individuels que pour une période plus longue, consécutive ou non.
Le manager de ligne peut décider de reporter la prise du congé de trois mois au maximum. Si le membre du personnel n'en est pas d'accord, le congé est refusé de facto, sauf si le membre du personnel et le manager de ligne parviennent à un accord.
Le congé de faveur standardisé est assimilé à une période d'activité de service. Pendant le congé de faveur standardisé, le membre du personnel n'a pas droit au traitement. ".
" Titre 13bis. - Congé de faveur standardisé
Art. X.81bis. A la demande du membre du personnel, le manager de ligne peut accorder un congé de faveur standardisé. Lors de l'octroi du congé, le manager de ligne fait une évaluation entre les intérêts de l'organisation et les intérêts du membre du personnel.
Le congé de faveur standardisé peut être accordé tant par jours individuels que pour une période plus longue, consécutive ou non.
Le manager de ligne peut décider de reporter la prise du congé de trois mois au maximum. Si le membre du personnel n'en est pas d'accord, le congé est refusé de facto, sauf si le membre du personnel et le manager de ligne parviennent à un accord.
Le congé de faveur standardisé est assimilé à une période d'activité de service. Pendant le congé de faveur standardisé, le membre du personnel n'a pas droit au traitement. ".
Art. 31. Aan artikel X 89 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017, wordt een paragraaf zes toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 6. Voor de personeelsleden die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies worden overgeheveld met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur of met een vervangingsovereenkomst telt voor de berekening van de twee jaar vermeld in de artikelen X 25, X 25bis en X 62 de tewerkstelling bij de provincie mee."
" § 6. Voor de personeelsleden die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies worden overgeheveld met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur of met een vervangingsovereenkomst telt voor de berekening van de twee jaar vermeld in de artikelen X 25, X 25bis en X 62 de tewerkstelling bij de provincie mee."
Art. 31. L'article X 89 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 janvier 2017, est complété par un paragraphe 6, rédigé comme suit :
" § 6. Pour les membres du personnel qui sont transférés à partir du 1er janvier 2018 dans le cadre de la rationalisation des provinces, par un contrat de travail à durée déterminée ou par un contrat de remplacement, l'emploi auprès de la province est pris en compte pour le calcul des deux années visées aux articles X 25, X 25bis et X62. "
" § 6. Pour les membres du personnel qui sont transférés à partir du 1er janvier 2018 dans le cadre de la rationalisation des provinces, par un contrat de travail à durée déterminée ou par un contrat de remplacement, l'emploi auprès de la province est pris en compte pour le calcul des deux années visées aux articles X 25, X 25bis et X62. "
Art. 32. Aan artikel X 92 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 30 augustus 2016, wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 3. Het personeelslid dat op 1 januari 2017 in het kader van de zesde staatshervorming van de RVA naar de VDAB werd overgeheveld, kan de loopbaanonderbreking algemeen stelsel en de deeltijdse loopbaanonderbreking tot aan het pensioen die op 31 december 2016 effectief liepen, na overdracht verderzetten tot en met de voorziene einddatum en dit overeenkomstig de bepalingen die golden op het moment van de toekenning van de loopbaanonderbreking.".
" § 3. Het personeelslid dat op 1 januari 2017 in het kader van de zesde staatshervorming van de RVA naar de VDAB werd overgeheveld, kan de loopbaanonderbreking algemeen stelsel en de deeltijdse loopbaanonderbreking tot aan het pensioen die op 31 december 2016 effectief liepen, na overdracht verderzetten tot en met de voorziene einddatum en dit overeenkomstig de bepalingen die golden op het moment van de toekenning van de loopbaanonderbreking.".
Art. 32. L'article X 92 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 août 2016, est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
" § 3. Le membre du personnel qui a été transféré de l'ONEM au VDAB le 1er janvier 2017 dans le cadre de la sixième réforme de l'Etat, peut continuer après ce transfert l'interruption de carrière, régime général, et l'interruption de carrière à temps partiel jusqu'à la retraite qui étaient effectivement en cours le 31 décembre 2016 jusqu'à la date de fin prévue, conformément aux dispositions applicables au moment de l'octroi de l'interruption de carrière. ".
" § 3. Le membre du personnel qui a été transféré de l'ONEM au VDAB le 1er janvier 2017 dans le cadre de la sixième réforme de l'Etat, peut continuer après ce transfert l'interruption de carrière, régime général, et l'interruption de carrière à temps partiel jusqu'à la retraite qui étaient effectivement en cours le 31 décembre 2016 jusqu'à la date de fin prévue, conformément aux dispositions applicables au moment de l'octroi de l'interruption de carrière. ".
Art. 33. Aan deel X, titel 14, van hetzelfde besluit, het laatste gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 augustus 2016, worden een artikel X 93, X 94 en X 95 toegevoegd, die luiden als volgt:
"Art. X.93. De verloven die voor 1 januari 2018 effectief aanvingen, blijven overeenkomstig de regeling, opgenomen in deel X, die gold bij toekenning van het verlof doorlopen tot en met de toegestane einddatum.
Op de verdeeltijdste arbeidsovereenkomst die voor 1 januari 2018 aanvingen, blijft de regeling die gold op het moment van de verdeeltijdsing van kracht.
Art. X.94. § 1. Het verlof voor deeltijdse prestaties dat voor 1 januari 2018 werd opgenomen of aanvatte, wordt niet aangerekend op de zestig maanden vermeld in artikel X 25, § 1.
§ 2. Het met volledige maanden opgenomen onbetaald verlof dat voor 1 januari 2018 werd opgenomen of aanvatte, wordt aangerekend op de twaalf maanden vermeld in artikel X 62, § 1, 2°. Het wordt niet aangerekend op de twaalf maanden vermeld in artikel X 62, § 1, 3°.
Art. X.95. Een beroep tegen de weigering van een met een gunst gelijkgesteld verlof voor deeltijdse prestaties of een met een gunst gelijkgesteld onbetaald verlof dat voor 31 december 2017 bij de raad van beroep werd ingediend, maar dat op 31 december 2017 nog niet werd behandeld, wordt na deze datum verdergezet. ".
"Art. X.93. De verloven die voor 1 januari 2018 effectief aanvingen, blijven overeenkomstig de regeling, opgenomen in deel X, die gold bij toekenning van het verlof doorlopen tot en met de toegestane einddatum.
Op de verdeeltijdste arbeidsovereenkomst die voor 1 januari 2018 aanvingen, blijft de regeling die gold op het moment van de verdeeltijdsing van kracht.
Art. X.94. § 1. Het verlof voor deeltijdse prestaties dat voor 1 januari 2018 werd opgenomen of aanvatte, wordt niet aangerekend op de zestig maanden vermeld in artikel X 25, § 1.
§ 2. Het met volledige maanden opgenomen onbetaald verlof dat voor 1 januari 2018 werd opgenomen of aanvatte, wordt aangerekend op de twaalf maanden vermeld in artikel X 62, § 1, 2°. Het wordt niet aangerekend op de twaalf maanden vermeld in artikel X 62, § 1, 3°.
Art. X.95. Een beroep tegen de weigering van een met een gunst gelijkgesteld verlof voor deeltijdse prestaties of een met een gunst gelijkgesteld onbetaald verlof dat voor 31 december 2017 bij de raad van beroep werd ingediend, maar dat op 31 december 2017 nog niet werd behandeld, wordt na deze datum verdergezet. ".
Art. 33. La partie X, titre 14, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 août 2016, est complétée par des articles X 93, X 94 et X 95, rédigés comme suit :
" Art. X.93. Les congés qui commençaient effectivement avant le 1er janvier 2018 continuent jusqu'à la date de fin accordée, conformément au règlement repris à la partie X, qui était applicable lors de l'octroi du congé.
Les contrats de travail partiellisés qui commençaient avant le 1er janvier 2018 restent soumis au règlement applicable au moment de la partiellisation.
Art. X.94. § 1er. Le congé pour prestations à temps partiel qui était pris ou commençait avant le 1er janvier 2018 n'est pas imputé aux soixante mois visés à l'article X 25, § 1er.
§ 2. Le congé non payé pris par mois entiers qui était pris ou commençait avant le 1er janvier 2018, est imputé aux soixante mois visés à l'article X 62, § 1er, 2°. Il ne sera pas imputé aux douze mois visés à l'article X 62, § 1er, 3°.
Art. X.95. Un recours contre le refus d'un congé pour prestations à temps partiel assimilé à une faveur, ou d'un congé non payé assimilé à une faveur, qui était introduit auprès du conseil de recours avant le 31 décembre 2017 mais qui n'était pas encore traité le 31 décembre 2017, est continué après cette date. ".
" Art. X.93. Les congés qui commençaient effectivement avant le 1er janvier 2018 continuent jusqu'à la date de fin accordée, conformément au règlement repris à la partie X, qui était applicable lors de l'octroi du congé.
Les contrats de travail partiellisés qui commençaient avant le 1er janvier 2018 restent soumis au règlement applicable au moment de la partiellisation.
Art. X.94. § 1er. Le congé pour prestations à temps partiel qui était pris ou commençait avant le 1er janvier 2018 n'est pas imputé aux soixante mois visés à l'article X 25, § 1er.
§ 2. Le congé non payé pris par mois entiers qui était pris ou commençait avant le 1er janvier 2018, est imputé aux soixante mois visés à l'article X 62, § 1er, 2°. Il ne sera pas imputé aux douze mois visés à l'article X 62, § 1er, 3°.
Art. X.95. Un recours contre le refus d'un congé pour prestations à temps partiel assimilé à une faveur, ou d'un congé non payé assimilé à une faveur, qui était introduit auprès du conseil de recours avant le 31 décembre 2017 mais qui n'était pas encore traité le 31 décembre 2017, est continué après cette date. ".
Art. 34. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2018, met uitzondering van
1° artikel 20, 1° en 21 die in werking treden op de eerste dag van de maand volgend op het akkoord van de federale ministerraad;
2° artikel 32 dat uitwerking heeft op 1 januari 2017.
1° artikel 20, 1° en 21 die in werking treden op de eerste dag van de maand volgend op het akkoord van de federale ministerraad;
2° artikel 32 dat uitwerking heeft op 1 januari 2017.
Art. 34. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2018, à l'exception :
1° des articles 20, 1°, et 21, qui entrent en vigueur le premier jour du mois suivant l'accord du Conseil des ministres fédéral ;
2° de l'article 32, qui produit ses effets le 1er janvier 2017.
1° des articles 20, 1°, et 21, qui entrent en vigueur le premier jour du mois suivant l'accord du Conseil des ministres fédéral ;
2° de l'article 32, qui produit ses effets le 1er janvier 2017.
Art. 35. De Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling in de Vlaamse administratie, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 35. Le Ministre flamand compétent pour la politique générale en matière de personnel et d'ingénierie d'organisation dans l'administration flamande est chargé de l'exécution du présent arrêté.