Art. R.0.1 -1.Voor het reglementair deel van het Wetboek wordt verstaan onder :
1° de Minister : de Minister van Ruimtelijke Ordening;
2° de Waalse Overheidsdienst : de diensten van de Waalse overheid;
3° [1 ...]1;
4° [1 ...]1;
5° de Beleidsgroep : de beleidsgroep " Ruimtelijke Ordening ";
6° de Adviescommissie : de Commissie van advies over de beroepen;
7° de Gemeentelijke Commissie : de Gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit;
8° de adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw : de adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw bedoeld in artikel D.I.12.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
22 DECEMBER 2016. - Waalse wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling - Reglementair deel(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-04-2017 en tekstbijwerking tot 22-09-2025)
Titre
22 DECEMBRE 2016. - Code wallon du développement territorial - Partie règlementaire(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 03-04-2017 et mise à jour au 22-09-2025)
Documentinformatie
Numac: 2017A70033
Datum: 2016-12-22
Info du document
Numac: 2017A70033
Date: 2016-12-22
Inhoud
Boek 1. - Algemene bepalingen
Enige titel - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK I. - Doelstellingen en middelen
HOOFDSTUK II. - Delegaties vanwege de Regering
HOOFDSTUK III. - Commissies
Afdeling 1. - Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening
Onderafdeling 1. - Oprichting en opdrachten
Onderafdeling 2. - Samenstelling en werking
Afdeling 2. - Adviescommissie over de beroepen
Afdeling 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Beroep...
Afdeling 3. - Gemeentelijke adviescommissie voo...
Onderafdeling 1. - Oprichting en opdrachten
Onderafdeling 2. - Samenstelling en werking
HOOFDSTUK IV. - Erkenningen
HOOFDSTUK V. - Subsidies
Afdeling 1. - Subsidies voor de opmaak van het ...
Afdeling 2. - Subsidies voor de opmaak of de he...
Afdeling 3. [1 - Subsidies voor de opmaak van e...
Afdeling 4. - " Maisons de l'urbanisme ", " Mai...
Afdeling 5. - Subsidies voor de werking en de v...
Afdeling 6. - Subsidies voor de indienstneming ...
Afdeling 7. [1 - Subsidie met betrekking tot de...
Hoofdstuk V.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Duur...
HOOFDSTUK VI. - Nadere regels voor verzendingen...
HOOFDSTUK VII. - Overgangsrecht
Afdeling 1. - Commissies
Afdeling 2. - Erkenningen
Afdeling 3. - Toelagen
Boek 2. - Planificatie
Boek 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Planning e...
Titel 1. - Ontwikkelingsplannen
HOOFDSTUK I. - Ruimtelijk ontwikkelingsplan
Afdeling 1. - Begripsomschrijving en inhoud
Afdeling 2. - Procedure
Afdeling 3. - Herziening
HOOFDSTUK II. - Meergemeentelijk ontwikkelingsplan
Afdeling 1-. Begripsomschrijving en inhoud
Afdeling 2. - Procedure
Afdeling 3. - Herziening
HOOFDSTUK III. - Gemeentelijke ontwikkelingspla...
Afdeling 1. - Algemeen
Afdeling 2. - Begripsomschrijving en inhoud
Onderafdeling 1. - Gemeentelijk ontwikkelingsplan
Onderafdeling 2. - Lokaal beleidsontwikkelingsplan
Afdeling 3. - Procedure
Afdeling 4. - Herziening
HOOFDSTUK IV. - Opvolging van de milieueffecten
HOOFDSTUK V. - Opheffing
HOOFDSTUK VI. - Juridische gevolgen en hiërarchie
Afdeling 1. - Rechtsgevolgen
Afdeling 2. - Hiërarchie
Titel 2. - Gewestplannen
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK II. - Inhoud
Afdeling 1. - Algemeen
Onderafdeling 1. - Verkeersnetten en leidingen ...
Onderafdeling 2. - Doelstellingen en effecten v...
Onderafdeling 3. - Grafische weergave van het g...
Afdeling 2. - Bestemming en algemene voorschrif...
Onderafdeling 1. - Gebieden van aanhorigheden v...
Onderafdeling 2. - Landbouwgebieden
Onderafdeling 3. - Bosgebieden
Onderafdeling 4. - Lijst van de handelingen en ...
Onderafdeling 5. - Uitvoering van een gebied wa...
Afdeling 3. - Tracé van de hoofdinfrastructuren
HOOFDSTUK III. - Procedure
Afdeling 1. - Inhoud van het basisdossier
Afdeling 2. - Op de herziening toepasselijke pr...
Afdeling 3. - Gewone herzieningen
Onderafdeling 1. - Herzieningen op initiatief v...
Onderafdeling 2. - Herzieningen op initiatief v...
Onderafdeling 3. - Herziening op initiatief van...
Onderafdeling 4. - Gemeenrechtelijke procedure
Afdeling 4-. Versnelde herzieningen
Onderafdeling 1. [1 - Procedure voor de herzien...
Onderafdeling 2. - Herziening van een gewestpla...
Afdeling 5. - Opmakingsprocedure
HOOFDSTUK IV. - Gezamenlijke procedure plan-ver...
Afdeling 1. [1 Toepassingsgebied.]1
Afdeling 2. [1 Indiening van de gezamenlijke aa...
Onderafdeling 1. [1 Indiening van de aanvraag t...
Onderafdeling 2. [1 Gezamenlijke effectenbeoord...
Onderafdeling 3. [1 Indiening van de vergunning...
Afdeling 3. [1 Behandeling van de gezamenlijkea...
Afdeling 4. [1 Beslissing]1
HOOFDSTUK V. - Juridische gevolgen
Titel 2.1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Omtrekk...
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Algem...
HOOFDSTUK II._DUITSTAALIGE GEMEENSCHAP.[1 - Pro...
Afdeling 1._DUITSTAALIGE GEMEENSCHAP.[1 - Initi...
Afdeling 2._DUITSTAALIGE GEMEENSCHAP.[1 - Proce...
HOOFDSTUK III._DUITSTAALIGE GEMEENSCHAP.[1 - Bi...
Afdeling 1. - Algemeen
Titel 3. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK I. - Gewestelijk ruimtelijk ontwikkel...
HOOFDSTUK III. - Gemeentelijke ontwikkelingspla...
Afdeling 1. - Gemeentelijk structuurplan
Afdeling 2. - Stedenbouwkundig en leefmilieuver...
HOOFDSTUK III. - Plannen van aanleg
Afdeling 1. - Gewestplan
Onderafdeling 1. - Bestemming en algemene voors...
Onderafdeling 2. - Procedure
Afdeling 2. - Gemeentelijk plan van aanleg
Onderafdeling 1. - Juridische draagwijdte
Onderafdeling 2. - Procedure
HOOFDSTUK IV. - Andere plannen en schema's
Boek 3. - Handleidingen voor stedenbouw
Titel 1. - Gewestelijke handleiding voor steden...
HOOFDSTUK I. - Algemeen
HOOFDSTUK II. - Inhoud
HOOFDSTUK III. - Procedure
Titel 2. - de gemeentelijke handleiding voor st...
HOOFDSTUK I. - Algemeen
HOOFDSTUK II. - Inhoud
HOOFDSTUK III. - Procedure
Titel 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
HOOFDSTUK I. - Herziening en opheffing
HOOFDSTUK II. - Juridische gevolgen
HOOFDSTUK III. - Hiërarchie
Afdeling 1. - Het verband tussen de gewestelijk...
Afdeling 2. - Het verband tussen de ontwikkelin...
Titel 4. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK I. - Gewestelijke stedenbouwkundige v...
HOOFDSTUK II. - Gemeentelijke stedenbouwkundige...
Boek 4. - Stedenbouwkundige vergunningen en att...
Titel 1. - Algemeen
HOOFDSTUK I. - Begrippen
HOOFDSTUK II. - Handelingen die onderworpen zij...
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Hand...
HOOFDSTUK III. - Handelingen en werken onderwor...
HOOFDSTUK IV. - Afwijkingen en verschillen
Afdeling 1. - Verschillen
Afdeling 2. - Afwijkingen
Titel 2. - Procedure
HOOFDSTUK I. - Bevoegde overheden
Afdeling 1. - Gemeentecollege
Onderafdeling 1. - Algemeen
Onderafdeling 2. - Vergunning
Onderafdeling 3. - Stedenbouwkundige attesten
Afdeling 2. - Gemachtigde ambtenaar
Afdeling 2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Onderafdeling 1. - Vergunning
Onderafdeling 2. - Stedenbouwkundig attest
Afdeling 3. - Regering
Afdeling 3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK II. - Aanvraagdossiers
Afdeling 1. - Vergunningsaanvraagdossier
Afdeling 2. - Aanvraagdossier voor een stedenbo...
HOOFDSTUK III. - Projectvergadering
HOOFDSTUK IV. - Indiening van de aanvraag
Afdeling 1. - Algemeen
HOOFDSTUK V. - Raadplegingen
HOOFDSTUK VI. - Aanvullende formaliteiten
Afdeling 1. - Bijzondere bekendmakingmaatregelen
Onderafdeling 1. - Aanvragen onderworpen aan ee...
Onderafdeling 2. - Aanvragen onderworpen aan ee...
Afdeling 2. - Opening en wijziging van gemeente...
Afdeling 3. - Wijziging van de vergunningsaanvr...
Afdeling 4. - Voorafgaandelijk verkrijgen van e...
Afdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Opscho...
Afdeling 5. - Recreatieve logies
Onderafdeling 1. - Algemeen
Afdeling 2. - Voorwaarden voor de vestiging van...
Onderafdeling 3. - Vergunningsaanvraagdossier v...
Onderafdeling 4. - Inrichtings- en bebouwingsvo...
Onderafdeling 5. - Vergunningsaanvraagdossier v...
HOOFDSTUK VII. - Beslissingen over aanvragen va...
HOOFDSTUK VII. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Bes...
Afdeling 1. - Termijn
Onderafdeling 1. - Beslissing van het gemeentec...
Onderafdeling 2. - Beslissing van de gemachtigd...
Onderafdeling 2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. - Besl...
Onderafdeling 3. - Beslissing van het Parlement
Onderafdeling 4. - Aflevering van het stedenbou...
Afdeling 2. - Inhoud van de beslissing
Onderafdeling 1. - Algemeen
Onderafdeling 2. - Stedenbouwkundige lasten
Onderafdeling 3. - Motieven in verband met het ...
Onderafdeling 4. - Motieven in verband met de b...
Onderafdeling 5. - Motieven in verband met de l...
Afdeling 3. - Diverse bepalingen
Onderafdeling 1. - Volgorde van de werken
Onderafdeling 2. - Financiële garanties
Afdeling 4. - Beslissingen over aanvragen van s...
HOOFDSTUK VIII. - Toezicht van de gemachtigd am...
HOOFDSTUK VIII. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. - Toez...
HOOFDSTUK IX. - Beroepen
Afdeling 1. - Beroepsgerechtigden
Afdeling 2. - Procedure
Afdeling 3. - Beslissing
HOOFDSTUK X. - Formaliteiten ter afronding van ...
Afdeling 1. - Aanplakking van de vergunning
Afdeling 2. - Kennisgeving van de aanvang van d...
Afdeling 3. - Aanwijzing van de plaats van vest...
Afdeling 3.1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Vere...
Afdeling 4. - Aanmelding van voltooiing van de ...
Afdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Docume...
Afdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. - Conformi...
Afdeling 5. - Vaststelling van de uitvoering va...
Afdeling 6. - Bekendmaking
Titel 3. - Effecten van de vergunning
HOOFDSTUK I. - Algemeen
HOOFDSTUK II. - Vergunningen met beperkte duur
HOOFDSTUK III. - Vervallen van vergunningen
Afdeling 1. - Vervallen van de bebouwingsvergun...
Afdeling 1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Het ve...
Afdeling 2. - Vervallen van de stedenbouwkundig...
Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
HOOFDSTUK G. IV - Opschorting van de vergunning
HOOFDSTUK V. - Intrekking van de vergunning
HOOFDSTUK V. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Intre...
HOOFDSTUK VI. - Overdracht van de vergunning
HOOFDSTUK VII. - Afzien van de vergunning
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van de bebouwingsve...
HOOFDSTUK VIII. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Wi...
Titel 4. - Gevolgen van het stedenbouwkundig at...
Titel 5. - Verplichtingen tot informatieverstre...
HOOFDSTUK I. - Vermeldingen in akten van overdr...
HOOFDSTUK II. - Akte voorafgaand aan elke verde...
Afdeling 1. - Verdeling na toekenning van een v...
Afdeling 2. - Niet-vergunningsplichtige verdeling
HOOFDSTUK III. - Akte na de wijziging van de be...
HOOFDSTUK III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Akt...
HOOFDSTUK IV. - Informatie over de overdracht v...
Titel 6. - Te verstrekken inlichtingen
Titel 7. - Vergunningen in verband met andere a...
Titel 7.1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Spoedpr...
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Toepa...
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Afwi...
HOOFDSTUK III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Pro...
HOOFDSTUK IV.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Van t...
Titel 8. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK I. - Procedure
HOOFDSTUK II. - Juridische gevolgen
Afdeling 1. - Bebouwingsvergunningen
Onderafdeling 1. - Rechtsgeldigheid
Onderafdeling 2. - Verval
Onderafdeling 3. - Wijziging
Afdeling 2. - Het vervallen van de stedenbouwku...
Boek 5. - Operationele ruimtelijke ordening en ...
Boek 5. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Titel 1. - Te herontwikkelen bedrijfsruimten
Titel 1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK I. - Algemeen
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK II. - Procedure m.b.t. de aanneming v...
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK III. - Onderzoekingen
HOOFDSTUK III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK IV. - Vervreemding
HOOFDSTUK IV. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK V. - Instandhouding van de schoonheid...
HOOFDSTUK V. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK VI. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK VI. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Titel 2. - sites bestemd voor herontwikkeling w...
Titel 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK I. - Sites bestemd voor herontwikkeli...
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK II. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Titel 3. - Stedelijke verkavelingsomtrekken
Titel 3. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK I. - Algemeen
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK II. - Procedure m.b.t. de aanneming v...
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK III. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Titel 4. - stadsheropleving
Titel 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Titel 5. - Stadsvernieuwing
Titel 5. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Titel 6. - Bevoorrechte initiatiefgebieden
Titel 6. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Titel 7. - Gezamenlijke procedure voor omtrekke...
Titel 7. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK I . [1 Toepassingsgebied.]1
HOOFDSTUK 2. [1 Indiening van de gezamenlijke a...
Afdeling 1. [1 Indiening van de omtrekaanvraag]1
Afdeling 2 [1 "De procedure". Gezamenlijke effe...
Afdeling 3. [1 Indiening van de vergunningsaanv...
HOOFDSTUK 3. [1 Indiening van de gezamenlijke a...
HOOFDSTUK IV. [1 - Beslissing]1
HOOFDSTUK 5. [1 Onderzoekingen]1
Titel 8. - Fonds voor operationele inrichting e...
Titel 8. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Titel 9. - Financiële bepalingen
Titel 9. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK I. - Beginsel
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Afdeling 1. - Subsidies toegekend aan de publie...
Afdeling 1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Onderafdeling 1. - Algemeen
Onderafdeling 1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Onderafdeling 2. - Aankopen
Onderafdeling 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Onderafdeling 3. - Studies en handelingen en he...
Onderafdeling 3. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Afdeling 2. - Subsidies aan de privaatrechtelij...
Afdeling 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Afdeling 3. - Subsidies aan de privaatrechtelij...
Afdeling 3. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Afdeling 4. - Subsidies voor de uiterlijke verf...
Afdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Afdeling 5. - Nadere regels voor de uitbetaling...
Afdeling 5. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
HOOFDSTUK II. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Boek 6. - Grondbeleid
Titel 1. - Onteigeningen en vergoedingen
HOOFDSTUK I. - Goederen die onteigend zouden ku...
HOOFDSTUK II. - Onteigenende overheden
HOOFDSTUK III. - Administratieve procedure
HOOFDSTUK IV. - Gerechtelijke procedure
HOOFDSTUK V. - Berekening van de vergoedingen
HOOFDSTUK VI. - Onteigening op verzoek van een ...
HOOFDSTUK VII. - Aankoopcomité
HOOFDSTUK VIII. - Verzaak aan de onteigening
HOOFDSTUK IX. - Overgangsrecht
Titel 2. - Voorkooprecht
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied
Afdeling 1. - De omtrekken van voorkoop
Afdeling 2. - Voorwerp van de voorkoop
Afdeling 3. - Voorkoopgerechtigde overheden
Afdeling 4. - Akten die de voorkoopprocedure do...
Afdeling 5. - Duurtijd
HOOFDSTUK II. - Procedure m.b.t. de aanneming v...
HOOFDSTUK III. - Voorkoopprocedure
Afdeling 1. - Verklaring van het voornemen tot ...
Afdeling 2. - Overdracht van de verklaring van ...
Afdeling 3. - Beslissing van de voorkoopgerecht...
Afdeling 4. - Verzaking aan de uitoefening van ...
Afdeling 5. - Voorkoop en betaling van de prijs
HOOFDSTUK IV. - Diverse bepalingen
HOOFDSTUK V. - Overgangsrecht
Titel 3. - ruilverkaveling en herverkaveling
Titel 4. - stelsel van de minderwaarden en de w...
HOOFDSTUK 1. - Vergoeding van de minderwaarden
Afdeling 1. - Beginsel
Afdeling 2. - Onverschuldigde vergoeding
Afdeling 3. - Vermindering of weigering van de ...
Afdeling 4. - Ontstaan van het recht op de verg...
Afdeling 5. - Berekening van de vergoeding
Afdeling 6. - Procedure
Afdeling 7. - Uitvoering van de verplichting to...
Afdeling 8. - Overgangsrecht
HOOFDSTUK II. - Planwinstenstelsel
Afdeling 1. - Gewestelijke retributie
Onderafdeling 1. - Grondslag, vrijstellingen en...
Onderafdeling 2. - De retributieplichtige
Onderafdeling 3-. - Berekening van de retributie
Onderafdeling 4-. - Register van de grondwinsten
Onderafdeling 5. - Vestiging, inning, vordering...
Onderafdeling 6. - Evaluatie
Onderafdeling 7. - Overgangsrecht
Afdeling 2. - Gemeentelijke retributies
Boek 7. - overtredingen en straffen
HOOFDSTUK I. - Strafbare handelingen
HOOFDSTUK Ibis. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Ha...
HOOFDSTUK Iter. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Ve...
HOOFDSTUK II. - Overtreders
HOOFDSTUK III. - Vaststelling van de overtredingen
Afdeling 1. - Vaststellende beambten
Afdeling 2. - Voorafgaande waarschuwing en het ...
Afdeling 3. - Proces-verbaal
Afdeling 3. - Verzoeken tot opheffen van het bevel
Afdeling 4. - Aanvullende maatregelen
HOOFDSTUK V. - Vervolging voor de correctionele...
HOOFDSTUK VI. - Vergelijk en teruggavemaatregelen
HOOFDSTUK VI. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Buit...
Afdeling 1. - Afwezigheid van vervolgingen
Afdeling 2. - Overleg
Afdeling 3. [1 Regularisatie en vergelijk]1
Afdeling 3. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Regula...
Onderafdeling 1.
Onderafdeling 1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Onderafdeling 2.
Onderafdeling 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Afdeling 4. -Teruggavemaatregelen
Afdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Admini...
Afdeling 5. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Compen...
Afdeling 6. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Admini...
HOOFDSTUK VII. - Vervolging voor de correctione...
HOOFDSTUK VIII. - Recht van derden en diverse b...
HOOFDSTUK IX. - Overgangsrecht
Boek 8. - Inspraak en evaluatie van de gevolgen...
Titel 1. - Inspraak van het publiek
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
Afdeling 1. - Indeling van de plannen, omtrekke...
Afdeling 2. - Algemene principes van de inspraak
HOOFDSTUK II. - Voorafgaandelijke informatiever...
Afdeling 1. [1 - Informatievergadering voorafga...
Afdeling 2. [1 Informatiebijeenkomst voorafgaan...
Afdeling 3. [1 Informatiebijeenkomst voorafgaan...
HOOFDSTUK III. - Project aankondiging
HOOFDSTUK IV. - Openbaar onderzoek
Afdeling 1. - Maatregelen inzake de algemene aa...
Afdeling 2. - Informatievergadering over het ru...
Afdeling 3. - Maatregelen inzake de individuele...
Afdeling 4. - Bijkomende bekendmaking
Afdeling 5. - Duur van het openbaar onderzoek
Afdeling 6. - Modaliteiten van de toegang tot d...
Afdeling 7. - Vervangingsbevoegdheid
HOOFDSTUK V. - Bekendmaking betreffende de besl...
Titel 2. [1 - Beoordeling van de impact van pla...
HOOFDSTUK I. - Doelstellingen
HOOFDSTUK II. [1 Systeem voor de beoordeling va...
HOOFDSTUK 3. [1 Systeem voor de evaluatie van e...
HOOFDSTUK 4. [1 Systeem voor de evaluatie van e...
BIJLAGEN.
Inhoud
Livre 1er. - Dispositions générales
Titre unique. - Dispositions générales
CHAPITRE Ier. - Objectifs et moyens
CHAPITRE II. - Délégations par le Gouvernement
CHAPITRE III. - Commissions
Section 1re. - Pôle " Aménagement du territoire "
Sous-section 1re. - Création et missions
Sous-section 2. - Composition et fonctionnement
Section 2. - Commission d'avis sur les recours
Section 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - La comm...
Section 3. - Commission consultative communale ...
Sous-section 1re. - Création et missions
Sous-section 2. - Composition et fonctionnement
CHAPITRE IV. - Agréments
CHAPITRE V. - Subventions
Section 1re. - Subventions pour l'élaboration d...
Section 2. - Subventions pour l'élaboration ou ...
Section 3. [1 - Subventions pour l'élaboration ...
Section 4. - Maisons de l'urbanisme, Maison rég...
Section 5. - Subventions pour le fonctionnement...
Section 6-. Subventions relatives à l'engagemen...
Section 7. [1 - Subvention relative à la Confér...
Chapitre V.1. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Fond...
CHAPITRE VI. - Modalités d'envoi et calcul des ...
CHAPITRE VII. - Droit transitoire
Section 1re. - Commissions
Section 2. - Agréments
Section 3. - Subventions
Livre 2. - planification
Livre 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Planifica...
Titre 1er. - schémas
CHAPITRE Ier. - Schéma de développement du terr...
Section 1re. - Définition et contenu
Section 2. - Procédure
Section 3. - Révision
CHAPITRE II. - Schéma de développement pluricom...
Section 1re. - Définition et contenu
Section 2. - Procédure
Section 3. - Révision
CHAPITRE III. - Schémas communaux
Section 1re. - Généralités
Section 2. - Définition et contenu
Sous-section 1re. - Schéma de développement com...
Sous-section 2. - Schéma d'orientation local
Section 3. - Procédure
Section 4. - Révision
CHAPITRE IV. - Suivi des incidences environneme...
CHAPITRE V. - Abrogation
CHAPITRE VI. - Effets juridiques et hiérarchie
Section 1re. - Effets juridiques
Section 2. - Hiérarchie
Titre 2. - Plans de secteur
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
CHAPITRE II. - Contenu
Section 1re. - Généralités
Sous-section 1re. - Réseau des principales infr...
Sous-section 2. - Objectifs et effets des périm...
Sous-section 3. - Présentation graphique du pla...
Section 2. - Destination et prescriptions génér...
Sous-section 1re. - De la zone de dépendances d...
Sous-section 2. - De la zone agricole
Sous-section 3. - De la zone forestière
Sous-section 4. - Liste des actes et travaux qu...
Sous-section 5. - Mise en oeuvre de la zone d'a...
Section 3. - Tracé des principales infrastructures
CHAPITRE III. - Procédure
Section 1re. - Contenu du dossier de base
Section 2. - Principes applicables à la révision
Section 3-. Révisions ordinaires
Sous-section 1re. - Révision à l'initiative du ...
Sous-section 2. - Révision à l'initiative de la...
Sous-section 3. - Révision à l'initiative d'une...
Sous-section 4. - Procédure de droit commun
Section 4. - Révisions accélérées
Sous-section 1re. [1 - Procédure de révision de...
Sous-section 2. - Révision de plan de secteur e...
Section 5. - Procédure d'élaboration
CHAPITRE IV. - Procédure conjointe plan-permis
Section 1ere. [1 Champ d'application]1
Section 2. [1 Introduction de la demande conjoi...
Sous-section 1ère. [1 Introduction de la demand...
Sous-section 2. [1 Evaluation conjointe des inc...
Sous-section 3. [1 Introduction de la demande d...
Section 3. [1 Instruction de la demande conjoin...
Section 4. [1 Décision.]1
CHAPITRE V. - Effets juridiques
Titre 2.1. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Périmèt...
Chapitre Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Géné...
Chapitre II.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Procéd...
Section 1re.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Droit ...
Section 2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Procédure]1
Chapitre III.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Dispo...
Section 1re. - Généralités
Titre 3. - Droit transitoire
CHAPITRE Ier. -Schéma de développement de l'esp...
CHAPITRE II. - Schémas communaux
Section 1re. - Schéma de structure communal
Section 2. - Rapport urbanistique et environnem...
CHAPITRE III. -Plans d'aménagement
Section 1re. - Plan de secteur
Sous-section 1re. - Destination et prescription...
Sous-section 2. - Procédure
Section 2. -Plan communal d'aménagement
Sous-section 1re. - Portée juridique
Sous-section 2. - Procédure
CHAPITRE IV. - Autres plans et schémas
Livre 3. - Guides d'urbanisme
Titre 1er. - Guide régional d'urbanisme
CHAPITRE Ier. - Généralités
CHAPITRE II. - Contenu
CHAPITRE III. - Procédure
Titre 2. - Guide communal d'urbanisme
CHAPITRE Ier. - Généralités
CHAPITRE II. - Contenu
CHAPITRE III. - Procédure
Titre 3. - Dispositions communes
CHAPITRE Ier. - Révision et abrogation
CHAPITRE II. - Effets juridiques
CHAPITRE III. - Hiérarchie
Section 1re. - Lien entre le guide régional et ...
Section 2. - Lien entre les schémas et les guides
Titre 4. - Droit transitoire
CHAPITRE Ier. - Règlements régionaux d'urbanisme
CHAPITRE II. - Règlements communaux d'urbanisme
Livre 4. - Permis et certificats d'urbanisme
Titre 1er. - Généralités
CHAPITRE Ier. - Notions
CHAPITRE II. - Actes soumis à permis d'urbanisa...
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Actes...
CHAPITRE III. - Actes et travaux soumis à permi...
CHAPITRE IV. - Dérogations et écarts
Section 1re. - Ecarts
Section 2. -Dérogations
Titre 2. - Procédure
CHAPITRE Ier. - Autorités compétentes
Section 1re. - Collège communal
Sous-section 1re. - Généralités
Sous-section 2. - Permis
Sous-section 3. - Certificats d'urbanisme
Section 2. -Fonctionnaire délégué
Section 2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Gouvern...
Sous-section première. - Permis
Sous-section 2. - Certificat d'urbanisme
Section 3. - Gouvernement
Section 3_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE II. - Dossiers de demande
Section 1re. - Dossier de demande de permis
Section 2. - Dossier de demande de certificat d...
CHAPITRE III. - Réunion de projet
CHAPITRE IV. - Dépôt de la demande
Section 1re. - Généralités
CHAPITRE V. - Consultations
CHAPITRE VI. - Formalités complémentaires
Section 1re. - Mesures particulières de publicité
Sous-section 1re. - Demandes soumises à enquête...
Sous-section 2. - Demandes soumises à annonce d...
Section 2. - Ouverture et modification de la vo...
Section 3. - Modification de la demande de perm...
Section 4. - Obtention préalable d'un certifica...
Section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Suspens...
Section 5. - Hébergement de loisirs
Sous-section 1re. - Généralités
Sous-section 2. - Conditions d'établissement de...
Sous-section 3. - Dossier de demande de permis ...
Sous-section 4. - Conditions d'établissement et...
Sous-section 5. - Dossier de demande de permis ...
CHAPITRE VII. - Décisions sur les demandes de p...
CHAPITRE VII. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Déci...
Section 1re. - Délai
Sous-section 1re. - Décision du collège communal
Sous-section 2. - Décision du fonctionnaire dél...
Sous-section 2_ COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Déci...
Sous-section 3. - Décision du Parlement
Sous-section 4. - Délivrance du certificat d'ur...
Section 2. - Contenu de la décision
Sous-section 1re. - Généralités
Sous-section 2. - Charges d'urbanisme
Sous-section 3. - Motifs liés à la viabilisatio...
Sous-section 4. - Motifs liés à la protection d...
Sous-section 5. - Motifs liés à la planologie e...
Section 3. - Dispositions diverses
Sous-section 1re. - Ordre des travaux
Sous-section 2. - Garanties financières
Section 4. - Décision sur la demande de certifi...
CHAPITRE VIII. - Tutelle du fonctionnaire délég...
CHAPITRE VIII_ COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Tutel...
CHAPITRE IX. - Recours
Section 1re. - Titulaires du droit de recours
Section 2. - Procédure
Section 3. - Décision
CHAPITRE X. - Formalités post-décisoires
Section 1re. - Affichage du permis
Section 2-. Notification du début des travaux
Section 3. - Indication de l'implantation des c...
Section 3.1. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Deman...
Section 4. - Déclaration d'achèvement des travaux
Section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Documen...
Section 5. - Constat de l'exécution des conditi...
Section 6. - Publicité
Titre 3. - Effets du permis
CHAPITRE Ier. - Généralités
CHAPITRE II. - Permis à durée limitée
CHAPITRE III. - Péremption des permis
Section 1re. - Péremption du permis d'urbanisation
Section 1re. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Pérem...
Section 2. - Péremption des permis d'urbanisme
Section 3. - Dispositions communes
CHAPITRE IV. - Suspension du permis
CHAPITRE V. - Retrait de permis
CHAPITRE VI. - Cession du permis
CHAPITRE VII. - Renonciation au permis
CHAPITRE VIII. - Modification du permis d'urban...
CHAPITRE VIII. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Mod...
Titre 4. - Effets du certificat d'urbanisme
Titre 5. - Obligations d'information sur le sta...
CHAPITRE Ier. - Mentions dans les actes de cession
CHAPITRE II. - Acte préalable à toute division
Section 1re. - Division postérieure à l'octroi ...
Section 2. - Division non soumise à permis
CHAPITRE III. - Acte postérieur à la modificati...
CHAPITRE III. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Acte...
CHAPITRE IV. - Information sur la cession des p...
Titre 6. - Renseignements à fournir
Titre 7. - Des permis en relation avec d'autres...
Titre 7. 1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Procédu...
Chapitre Ier.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Champ...
Chapitre II.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Except...
Chapitre III.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Procé...
Chapitre IV.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Dispos...
Titre 8. - Droit transitoire
CHAPITRE Ier. - Procédure
CHAPITRE II. - Effets juridiques
Section 1re. - Permis d'urbanisation
Sous-section 1re. - Valeur juridique
Sous-section 2. - Péremption
Sous-section 3. - Modification
Section 2. - Permis d'urbanisme - péremption
Livre 5. - Aménagement du territoire et urbanis...
Livre 5. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titre 1er. - Sites à réaménager
Titre 1er. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE Ier. - Généralités
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE II. - Procédure d'adoption du périmètre
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE III. - Investigations
CHAPITRE III. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE IV. - Aliénation
CHAPITRE IV. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE V. - Conservation de la beauté des pay...
CHAPITRE V. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE VI. - Droit transitoire
CHAPITRE VI. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titre 2. - Sites de réhabilitation paysagère et...
Titre 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE Ier. - Sites de réhabilitation paysagè...
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE II. - Droit transitoire
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titre 3. - Périmètres de remembrement urbain
Titre 3. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE Ier. - Généralités
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE II. - Procédure d'adoption du périmètre
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE III. - Droit transitoire
CHAPITRE III. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titre 4. - revitalisation urbaine
Titre 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titre 5. - Rénovation urbaine
Titre 5. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titre 6. - Zones d'initiatives privilégiées
Titre 6. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titre 7. - Procédure conjointe périmètre - Permis
Titre 7. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE Ier . [1 Champ d'application]1
CHAPITRE 2. [1 Introduction de la demande conjo...
Section 1er. [1 Introduction de la demande de p...
Section 2. [1 Evaluation conjointe des incidenc...
Section 3. [1 Introduction de la demande de per...
CHAPITRE IV. [1 Décision.]1
CHAPITRE 5. [1 Investigations]1
Titre 8. - Fonds d'aménagement opérationnel et ...
Titre 8. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titre 9. - Dispositions financières
Titre 9. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE Ier. - Principe
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Section 1re. - Subventions octroyées aux person...
Section 1re. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Sous-section 1re. - Généralités
Sous-section 1re. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Sous-section 2. - Acquisitions
Sous-section 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Sous-section 3. - Etudes et actes et travaux de...
Sous-section 3. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Section 2. - Subventions aux personnes de droit...
Section 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Section 3. - Subventions aux personnes physique...
Section 3. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Section 4. - Subventions pour l'embelllissement...
Section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Section 5. - Modalités de liquidation des subve...
Section 5. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
CHAPITRE II. - Droit transitoire
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Livre 6. - Politique foncière
Titre 1er. - Expropriations et indemnités
CHAPITRE Ier. - Biens susceptibles d'expropriation
CHAPITRE II. - Pouvoirs expropriants
CHAPITRE III. - Procédure administrative
CHAPITRE IV. - Procédure judiciaire
CHAPITRE V. - Calcul des indemnités
CHAPITRE VI. - Expropriation à la demande d'un ...
CHAPITRE VII. - Comité d'acquisition
CHAPITRE VIII. - Renonciation à l'expropriation
CHAPITRE IX. - Droit transitoire
Titre 2. - Droit de préemption
CHAPITRE Ier. - Champ d'application
Section 1re. - Périmètres de préemption
Section 2. - Objet de la préemption
Section 3. - Pouvoirs préempteurs
Section 4. - Actes générateurs de la procédure ...
Section 5. - Durée
CHAPITRE II. - Procédure d'adoption des périmètres
CHAPITRE III. - Procédure de préemption
Section 1re. - Déclaration d'intention d'aliéner
Section 2. - Transmission de la déclaration d'i...
Section 3. - Décision des bénéficiaires du droi...
Section 4. - Renonciation à exercer le droit de...
Section 5. - Préemption et paiement du prix
CHAPITRE IV. - Dispositions diverses
CHAPITRE V. - Droit transitoire
Titre 3. - remembrement et relotissement
Titre 4. - régime des moins-values et des bénéf...
CHAPITRE Ier. - Indemnisation des moins-values
Section 1re. - Principe
Section 2. - Absence d'indemnisation
Section 3. - Réduction ou refus d'indemnisation
Section 4. - Naissance du droit à l'indemnisation
Section 5. - Calcul de l'indemnité
Section 6. - Procédure
Section 7. - Exécution de l'obligation d'indemn...
Section 8. - Droit transitoire
CHAPITRE II. - Régime des bénéfices résultant d...
Section 1re. - Taxe régionale
Sous-section 1re. - Fondement, exemptions et su...
Sous-section 2. - Redevable
Sous-section 3-. Calcul de la taxe
Sous-section 4-. Registre des bénéfices fonciers
Sous-section 5-. Etablissement, perception, rec...
Sous-section 6. - Evaluation
Sous-section 7. - Droit transitoire
Section 2. - Taxes communales
Livre 7. - infractions et sanctions
CHAPITRE Ier. - Actes infractionnels
CHAPITRE Ierbis. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - A...
CHAPITRE Ierter. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - D...
CHAPITRE Ierter-1. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 -...
CHAPITRE Ierter-2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 -...
CHAPITRE II. - Contrevenants
CHAPITRE III. - Constat des infractions
Section 1re. - Agents constatateurs
Section 2. - Avertissement préalable et mise en...
Section 3. - Procès-verbal
Section 3. - Demande de levée de l'ordre
Section 4. - Mesures complémentaires
CHAPITRE V. - Poursuite devant le tribunal corr...
CHAPITRE VI. - Transaction et mesures de restit...
CHAPITRE VI. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Mesur...
Section 1re. - Absence de poursuite
Section 2. - Concertation
Section 3. [1 Régularisation et transaction]1
Section 3. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Contrôl...
Sous-section 1re.
Sous-section 1re. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Sous-section 2.
Sous-section 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Section 4. - Mesures de restitution
Section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Mesures...
Section 5_ COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Mesures...
Section 6_ COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Amendes...
CHAPITRE VII. - - Poursuite devant le tribunal ...
CHAPITRE VIII. - Droit des tiers et disposition...
CHAPITRE IX. - Droit transitoire
Livre 8. - Participation du public et évaluatio...
Titre 1er. - Participation du public
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Section 1re. - Classification des plans, périmè...
Section 2. - Principes généraux de la participa...
CHAPITRE II. - Réunion d'information préalable
Section 1ere. [1 - Réunion d'information préala...
Section 2. [1 Réunion d'information préalable à...
Section 3. [1 Réunion d'information préalable à...
CHAPITRE III. - Annonce de projet
CHAPITRE IV. - Enquête publique
Section 1re. - Mesures d'annonce générale de l'...
Section 2. - Séance de présentation du schéma d...
Section 3. - Mesures d'annonce individuelle de ...
Section 4.-. Publicité supplémentaire
Section 5. - Durée de l'enquête publique
Section 6. - Modalités de l'accès à l'informati...
Section 7. - Pouvoir de substitution
CHAPITRE V. - Publicité relative à la décision
Titre 2. [1 - Evaluation des incidences des pla...
CHAPITRE Ier. - Objectifs
CHAPITRE II. [1 Système d'évaluation des incide...
CHAPITRE 3. [1 Système d'évaluation des inciden...
CHAPITRE 4. [1 Système d'évaluation des inciden...
ANNEXES.
Tekst (806)
Texte (801)
Art. R.0.1 -1.Pour la partie réglementaire du Code, il faut entendre par :
1° le Ministre : le Ministre de l'Aménagement du Territoire;
2° le SPW: le Service public de Wallonie;
3° [1 ...]1;
4° [1 ...]1;
5° le Pôle : le pôle " Aménagement du territoire ";
6° la Commission d'avis : la Commission d'avis sur les recours;
7° la Commission communale : la Commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité;
8° le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme : le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme visé à l'article D.I.12.
1° le Ministre : le Ministre de l'Aménagement du Territoire;
2° le SPW: le Service public de Wallonie;
3° [1 ...]1;
4° [1 ...]1;
5° le Pôle : le pôle " Aménagement du territoire ";
6° la Commission d'avis : la Commission d'avis sur les recours;
7° la Commission communale : la Commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité;
8° le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme : le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme visé à l'article D.I.12.
Wijzigingen
Art. R.0.1 -1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Voor het reglementair deel van het Wetboek wordt verstaan onder :
1° de Minister : de Minister van Ruimtelijke Ordening;
2° de Waalse Overheidsdienst : de diensten van de Waalse overheid;
3° DGO3 : het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst;
4° [1 het departement: het departement van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap dat bevoegd is voor Ruimtelijke Ordening;]1
5° [1 de Adviesraad: de Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening;]1
6° [2 ...]2;
7° de Gemeentelijke Commissie : de Gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit;
8° de adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw : de adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw bedoeld in artikel D.I.12.
[1 9° het erfgoeddecreet: het decreet van 23 juni 2008 betreffende de bescherming van monumenten, klein erfgoed, ensembles en historische cultuurlandschappen en betreffende de opgravingen;]1
[1 10° het Samenwerkingsakkoord: het Samenwerkingsakkoord van 14 november 2019 tussen het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap over de uitoefening van de bevoegdheden inzake ruimtelijke ordening en bepaalde aanverwante materies.]1
Voor het reglementair deel van het Wetboek wordt verstaan onder :
1° de Minister : de Minister van Ruimtelijke Ordening;
2° de Waalse Overheidsdienst : de diensten van de Waalse overheid;
3° DGO3 : het Operationeel Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van de Waalse Overheidsdienst;
4° [1 het departement: het departement van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap dat bevoegd is voor Ruimtelijke Ordening;]1
5° [1 de Adviesraad: de Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening;]1
6° [2 ...]2;
7° de Gemeentelijke Commissie : de Gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit;
8° de adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw : de adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw bedoeld in artikel D.I.12.
[1 9° het erfgoeddecreet: het decreet van 23 juni 2008 betreffende de bescherming van monumenten, klein erfgoed, ensembles en historische cultuurlandschappen en betreffende de opgravingen;]1
[1 10° het Samenwerkingsakkoord: het Samenwerkingsakkoord van 14 november 2019 tussen het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap over de uitoefening van de bevoegdheden inzake ruimtelijke ordening en bepaalde aanverwante materies.]1
Art. R.0.1 -1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Pour la partie réglementaire du Code, il faut entendre par :
1° le Ministre : le Ministre de l'Aménagement du Territoire;
2° le SPW: le Service public de Wallonie;
3° la DGO3 : la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du SPW;
4° [1 le département : le département du Ministère de la Communauté germanophone compétent en matière d'Aménagement du territoire;]1
5° [1 le conseil consultatif : le conseil consultatif pour l'aménagement du territoire;]1
6° [2 ...]2;
7° la Commission communale : la Commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité;
8° le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme : le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme visé à l'article D.I.12.
[1 9° le décret sur le patrimoine : le décret du 23 juin 2008 relatif à la protection des monuments, du petit patrimoine, des ensembles et paysages culturels historiques, ainsi qu'aux fouilles;]1
[1 10° l'accord de coopération : l'Accord de coopération du 14 novembre 2019 entre la Région wallonne et la Communauté germanophone relatif à l'exercice des compétences en matière d'aménagement du territoire et de certaines matières connexes.]1
Pour la partie réglementaire du Code, il faut entendre par :
1° le Ministre : le Ministre de l'Aménagement du Territoire;
2° le SPW: le Service public de Wallonie;
3° la DGO3 : la Direction générale opérationnelle Agriculture, Ressources naturelles et Environnement du SPW;
4° [1 le département : le département du Ministère de la Communauté germanophone compétent en matière d'Aménagement du territoire;]1
5° [1 le conseil consultatif : le conseil consultatif pour l'aménagement du territoire;]1
6° [2 ...]2;
7° la Commission communale : la Commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité;
8° le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme : le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme visé à l'article D.I.12.
[1 9° le décret sur le patrimoine : le décret du 23 juin 2008 relatif à la protection des monuments, du petit patrimoine, des ensembles et paysages culturels historiques, ainsi qu'aux fouilles;]1
[1 10° l'accord de coopération : l'Accord de coopération du 14 novembre 2019 entre la Région wallonne et la Communauté germanophone relatif à l'exercice des compétences en matière d'aménagement du territoire et de certaines matières connexes.]1
Art. R.0.1 -2.[1 Naast de delegaties, bepaald in dit Wetboek, heeft de Minister van Ruimtelijke Ordening delegatie voor : de procedure tot goedkeuring van de uitwerking, de herziening en de opheffing van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, een gemeentelijk ontwikkelingsplan, een lokaal beleidsontwikkelingsplan, een gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding, de oprichting en de hernieuwing van een gemeentelijke commissie, [2 ...]2 en het huishoudelijk reglement ervan en alle dienovereenkomstige handelingen van het administratief toezicht die onder dit Wetboek vallen.
[2 Worden eveneens gedelegeerd aan de Minister van Ruimtelijke Ordening:
1° de procedure voor de opstelling, de herziening en de intrekking, met inbegrip van de milieueffectbeoordeling en de gevolgen voor een ander Gewest of een andere Staat :
a) van een gewestplan op gemeentelijk initiatief;
b) een door een particuliere natuurlijke of rechtspersoon geïnitieerd gewestplan, behalve wanneer het tot doel heeft een gebied van meer dan vijftig hectare dat niet voor bebouwing bestemd is, voor bebouwing aan te wijzen;
c) van een site die wordt herontwikkeld, ongeacht of het al dan niet op de lijst van landschaps- en milieusaneringsgebieden staat;
d) van een stedelijke herverkavelingsomtrek;
e) van een omtrek met recht van voorkoop;
f) van een ruilverkaveling ;
g) van een herkaveling ;
2° het nemen van de individuele beslissingen bedoeld in de boeken IV en VII]2.
De Minister van Ruimtelijke Ordening is tevens bevoegd voor de gezamenlijke procedures, bedoeld [2 in de artikelen D.II.54 tot D.II.54/11 en D.V.16 tot D.V.16/9]2, in de gevallen, bedoeld in het tweede lid.
Wanneer de gewestelijke handleiding voor stedenbouw of een deel van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betrekking heeft op een deel van het gewestelijk grondgebied waarvan de Regering de grenzen heeft vastgesteld, is de Minister van Ruimtelijke Ordening bevoegd om het territoriaal toepassingsgebied van die handleiding of dat deel van de handleiding aan te nemen, te herzien of op te heffen zonder er de inhoud van te wijzigen.
De Minister tot wiens bevoegdheden de stadsheropleving en de stadsvernieuwing behoren, is bevoegd voor de aanneming van de desbetreffende besluiten als bedoeld in boek V
Voor alle in dit Wetboek bedoelde delegaties kan de minister bevoegd voor ruimtelijke ordening, bij afwezigheid of verhindering van laatstgenoemde de Minister een andere Minister aanwijzen die bevoegd is om in diens naam en opdracht te tekenen.]1
[2 Worden eveneens gedelegeerd aan de Minister van Ruimtelijke Ordening:
1° de procedure voor de opstelling, de herziening en de intrekking, met inbegrip van de milieueffectbeoordeling en de gevolgen voor een ander Gewest of een andere Staat :
a) van een gewestplan op gemeentelijk initiatief;
b) een door een particuliere natuurlijke of rechtspersoon geïnitieerd gewestplan, behalve wanneer het tot doel heeft een gebied van meer dan vijftig hectare dat niet voor bebouwing bestemd is, voor bebouwing aan te wijzen;
c) van een site die wordt herontwikkeld, ongeacht of het al dan niet op de lijst van landschaps- en milieusaneringsgebieden staat;
d) van een stedelijke herverkavelingsomtrek;
e) van een omtrek met recht van voorkoop;
f) van een ruilverkaveling ;
g) van een herkaveling ;
2° het nemen van de individuele beslissingen bedoeld in de boeken IV en VII]2.
De Minister van Ruimtelijke Ordening is tevens bevoegd voor de gezamenlijke procedures, bedoeld [2 in de artikelen D.II.54 tot D.II.54/11 en D.V.16 tot D.V.16/9]2, in de gevallen, bedoeld in het tweede lid.
Wanneer de gewestelijke handleiding voor stedenbouw of een deel van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betrekking heeft op een deel van het gewestelijk grondgebied waarvan de Regering de grenzen heeft vastgesteld, is de Minister van Ruimtelijke Ordening bevoegd om het territoriaal toepassingsgebied van die handleiding of dat deel van de handleiding aan te nemen, te herzien of op te heffen zonder er de inhoud van te wijzigen.
De Minister tot wiens bevoegdheden de stadsheropleving en de stadsvernieuwing behoren, is bevoegd voor de aanneming van de desbetreffende besluiten als bedoeld in boek V
Voor alle in dit Wetboek bedoelde delegaties kan de minister bevoegd voor ruimtelijke ordening, bij afwezigheid of verhindering van laatstgenoemde de Minister een andere Minister aanwijzen die bevoegd is om in diens naam en opdracht te tekenen.]1
Art. R.0.1 -2.[1 Outre les délégations prévues dans le présent Code, sont délégués au Ministre de l'Aménagement du Territoire : la procédure d'approbation de l'élaboration, de la révision et de l'abrogation d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal, d'un schéma d'orientation local, d'un guide communal d'urbanisme, de l'établissement et du renouvellement d'une Commission communale [2 ...]2 et de son règlement d'ordre intérieur et tous les actes de tutelle administrative y afférents et qui relèvent du présent Code.
[2 Sont également délégués au Ministre de l'Aménagement du territoire :
1° la procédure d'élaboration, de révision et d'abrogation, en ce compris l'évaluation des incidences sur l'environnement et ses impacts sur une autre Région ou un autre Etat :
a) d'un plan de secteur d'initiative communale ;
b) d'un plan de secteur d'initiative d'une personne physique ou morale privée sauf lorsque qu'elle vise à destiner à l'urbanisation une zone non destinée à l'urbanisation de plus de cinquante hectares ;
c) d'un site à réaménager compris ou non dans la liste des sites de réhabilitation paysagère et environnementale ;
d) d'un périmètre de remembrement urbain ;
e) d'un périmètre de droit de préemption ;
f) d'un remembrement ;
g) d'un relotissement ;
2° l'adoption des décisions individuelles visées aux Livres IV et VII]2.
Le Ministre de l'Aménagement du Territoire est également compétent pour les procédures conjointes visées [2 aux articles D.II.54 à D.II.54/11 et D.V.16 à D.V.16/9]2 dans les cas visés à l'alinéa 2.
Lorsque le guide régional d'urbanisme ou une partie du guide régional d'urbanisme porte sur une partie du territoire régional dont le Gouvernement a fixé les limites, le Ministre de l'Aménagement du Territoire est compétent pour adopter, réviser ou abroger le champ d'application territorial de ce guide ou cette partie de guide sans en modifier le contenu.
Le Ministre qui a la revitalisation urbaine et la rénovation urbaine dans ses attributions est compétent pour l'adoption des décisions y afférentes visées au Livre V.
Pour toutes les délégations prévues par le présent Code, en cas d'absence ou d'empêchement du Ministre qui a l'aAménagement du territoire dans ses attributions, celui-ci peut désigner un autre Ministre habilité à signer en son nom et pour son compte.]1
[2 Sont également délégués au Ministre de l'Aménagement du territoire :
1° la procédure d'élaboration, de révision et d'abrogation, en ce compris l'évaluation des incidences sur l'environnement et ses impacts sur une autre Région ou un autre Etat :
a) d'un plan de secteur d'initiative communale ;
b) d'un plan de secteur d'initiative d'une personne physique ou morale privée sauf lorsque qu'elle vise à destiner à l'urbanisation une zone non destinée à l'urbanisation de plus de cinquante hectares ;
c) d'un site à réaménager compris ou non dans la liste des sites de réhabilitation paysagère et environnementale ;
d) d'un périmètre de remembrement urbain ;
e) d'un périmètre de droit de préemption ;
f) d'un remembrement ;
g) d'un relotissement ;
2° l'adoption des décisions individuelles visées aux Livres IV et VII]2.
Le Ministre de l'Aménagement du Territoire est également compétent pour les procédures conjointes visées [2 aux articles D.II.54 à D.II.54/11 et D.V.16 à D.V.16/9]2 dans les cas visés à l'alinéa 2.
Lorsque le guide régional d'urbanisme ou une partie du guide régional d'urbanisme porte sur une partie du territoire régional dont le Gouvernement a fixé les limites, le Ministre de l'Aménagement du Territoire est compétent pour adopter, réviser ou abroger le champ d'application territorial de ce guide ou cette partie de guide sans en modifier le contenu.
Le Ministre qui a la revitalisation urbaine et la rénovation urbaine dans ses attributions est compétent pour l'adoption des décisions y afférentes visées au Livre V.
Pour toutes les délégations prévues par le présent Code, en cas d'absence ou d'empêchement du Ministre qui a l'aAménagement du territoire dans ses attributions, celui-ci peut désigner un autre Ministre habilité à signer en son nom et pour son compte.]1
Art. R.0.1 -2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Naast de delegaties, bepaald in dit Wetboek, heeft de Minister van Ruimtelijke Ordening delegatie voor : de procedure [3 en de beslissingen]3 tot goedkeuring van de uitwerking, de herziening en de opheffing van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, een gemeentelijk ontwikkelingsplan, een lokaal beleidsontwikkelingsplan, een gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding, de oprichting en de hernieuwing van een gemeentelijke commissie, de afdelingen ervan en het huishoudelijk reglement ervan en alle dienovereenkomstige handelingen van het administratief toezicht die onder dit Wetboek vallen.
De volgende taken worden eveneens gedelegeerd aan de Minister van Ruimtelijke Ordening : de procedure voor [3 en de beslissingen]3 het opstellen, herzien en opheffen, met inbegrip van de beoordeling van de milieueffecten en de gevolgen daarvan voor een ander Gewest of een andere Staat, van een gewestplan op gemeentelijk initiatief of op initiatief van een privaatrechtelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon, van een [3 saneringslocatie]3, van een stedelijke verkavelingsomtrek, van een omtrek van voorkooprecht, van een ruilverkaveling en herverkaveling, alsmede het nemen van de individuele beslissingen zoals bedoeld in de boeken IV en VII.
[3 In de gevallen vermeld in het tweede lid is de Minister van Ruimtelijke Ordening ook bevoegd voor de gecombineerde procedure en de beslissingen bedoeld in artikel D.II.54]3.
Wanneer de gewestelijke handleiding voor stedenbouw of een deel van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betrekking heeft op een deel van [2 het Duitse taalgebied]2 waarvan de Regering de grenzen heeft vastgesteld, is de Minister van Ruimtelijke Ordening bevoegd om het territoriaal toepassingsgebied van die handleiding of dat deel van de handleiding aan te nemen, te herzien of op te heffen zonder er de inhoud van te wijzigen.
[3 ...]3
Voor alle in dit Wetboek bedoelde delegaties kan de minister bevoegd voor ruimtelijke ordening, bij afwezigheid of verhindering van laatstgenoemde de Minister een andere Minister aanwijzen die bevoegd is om in diens naam en opdracht te tekenen.]1
[1 Naast de delegaties, bepaald in dit Wetboek, heeft de Minister van Ruimtelijke Ordening delegatie voor : de procedure [3 en de beslissingen]3 tot goedkeuring van de uitwerking, de herziening en de opheffing van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, een gemeentelijk ontwikkelingsplan, een lokaal beleidsontwikkelingsplan, een gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding, de oprichting en de hernieuwing van een gemeentelijke commissie, de afdelingen ervan en het huishoudelijk reglement ervan en alle dienovereenkomstige handelingen van het administratief toezicht die onder dit Wetboek vallen.
De volgende taken worden eveneens gedelegeerd aan de Minister van Ruimtelijke Ordening : de procedure voor [3 en de beslissingen]3 het opstellen, herzien en opheffen, met inbegrip van de beoordeling van de milieueffecten en de gevolgen daarvan voor een ander Gewest of een andere Staat, van een gewestplan op gemeentelijk initiatief of op initiatief van een privaatrechtelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon, van een [3 saneringslocatie]3, van een stedelijke verkavelingsomtrek, van een omtrek van voorkooprecht, van een ruilverkaveling en herverkaveling, alsmede het nemen van de individuele beslissingen zoals bedoeld in de boeken IV en VII.
[3 In de gevallen vermeld in het tweede lid is de Minister van Ruimtelijke Ordening ook bevoegd voor de gecombineerde procedure en de beslissingen bedoeld in artikel D.II.54]3.
Wanneer de gewestelijke handleiding voor stedenbouw of een deel van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betrekking heeft op een deel van [2 het Duitse taalgebied]2 waarvan de Regering de grenzen heeft vastgesteld, is de Minister van Ruimtelijke Ordening bevoegd om het territoriaal toepassingsgebied van die handleiding of dat deel van de handleiding aan te nemen, te herzien of op te heffen zonder er de inhoud van te wijzigen.
[3 ...]3
Voor alle in dit Wetboek bedoelde delegaties kan de minister bevoegd voor ruimtelijke ordening, bij afwezigheid of verhindering van laatstgenoemde de Minister een andere Minister aanwijzen die bevoegd is om in diens naam en opdracht te tekenen.]1
Art. R.0.1 -2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Outre les délégations prévues dans le présent Code, sont délégués au Ministre de l'Aménagement du Territoire : la procédure [3 et les décisions]3 d'approbation de l'élaboration, de la révision et de l'abrogation d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal, d'un schéma d'orientation local, d'un guide communal d'urbanisme, de l'établissement et du renouvellement d'une Commission communale, de ses sections et de son règlement d'ordre intérieur et tous les actes de tutelle administrative y afférents et qui relèvent du présent Code.
Sont également délégués au Ministre de l'Aménagement du Territoire : la procédure [3 et les décisions ]3 d'élaboration, de révision et d'abrogation, en ce compris l'évaluation des incidences sur l'environnement et ses impacts sur une autre Région ou un autre Etat, d'un plan de secteur d'initiative communale ou d'initiative d'une personne physique ou morale privée, d'un site à réaménager [3 ...]3, d'un périmètre de remembrement urbain, d'un périmètre de droit de préemption, d'un remembrement et d'un relotissement, ainsi que l'adoption des décisions individuelles visées aux Livres IV et VII.
[3 Le Ministre de l'Aménagement du Territoire est, dans les cas visés à l'alinéa 2, également compétent pour la procédure conjointe et les décisions visées à l'article D.II.54]3.
[3 ...]3.
Le Ministre qui a la revitalisation urbaine et la rénovation urbaine dans ses attributions est compétent pour l'adoption des décisions y afférentes visées au Livre V.
Pour toutes les délégations prévues par le présent Code, en cas d'absence ou d'empêchement du Ministre qui a l'aAménagement du territoire dans ses attributions, celui-ci peut désigner un autre Ministre habilité à signer en son nom et pour son compte.]1
[1 Outre les délégations prévues dans le présent Code, sont délégués au Ministre de l'Aménagement du Territoire : la procédure [3 et les décisions]3 d'approbation de l'élaboration, de la révision et de l'abrogation d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal, d'un schéma d'orientation local, d'un guide communal d'urbanisme, de l'établissement et du renouvellement d'une Commission communale, de ses sections et de son règlement d'ordre intérieur et tous les actes de tutelle administrative y afférents et qui relèvent du présent Code.
Sont également délégués au Ministre de l'Aménagement du Territoire : la procédure [3 et les décisions ]3 d'élaboration, de révision et d'abrogation, en ce compris l'évaluation des incidences sur l'environnement et ses impacts sur une autre Région ou un autre Etat, d'un plan de secteur d'initiative communale ou d'initiative d'une personne physique ou morale privée, d'un site à réaménager [3 ...]3, d'un périmètre de remembrement urbain, d'un périmètre de droit de préemption, d'un remembrement et d'un relotissement, ainsi que l'adoption des décisions individuelles visées aux Livres IV et VII.
[3 Le Ministre de l'Aménagement du Territoire est, dans les cas visés à l'alinéa 2, également compétent pour la procédure conjointe et les décisions visées à l'article D.II.54]3.
[3 ...]3.
Le Ministre qui a la revitalisation urbaine et la rénovation urbaine dans ses attributions est compétent pour l'adoption des décisions y afférentes visées au Livre V.
Pour toutes les délégations prévues par le présent Code, en cas d'absence ou d'empêchement du Ministre qui a l'aAménagement du territoire dans ses attributions, celui-ci peut désigner un autre Ministre habilité à signer en son nom et pour son compte.]1
Boek 1. - Algemene bepalingen
Livre 1er. - Dispositions générales
Enige titel - Algemene bepalingen
Titre unique. - Dispositions générales
HOOFDSTUK I. - Doelstellingen en middelen
CHAPITRE Ier. - Objectifs et moyens
Art. R. I.2-1.Na het advies van de directeur van de betrokken buitendirectie(s) te hebben ingewonnen, dient de directeur-generaal van DGO4 het verslag bedoeld in artikel D.I.2, § 1, 2°, betreffende de opvolging van de significante effecten van de uitvoering van de gewestplannen en het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan op het leefmilieu, [1 de eventueel te nemen corrigerende maatregelenen het monitoren van ontwikkeling inzake stadsontwikkeling, verharding en grondbeschikbaarheid]1.
Art. R. I.2-1.Le directeur général de la DGO4, après avoir sollicité l'avis du directeur de la ou des Directions extérieures concernées, dépose le rapport visé à l'article D.I.2, § 1er, 2°, concernant le suivi des incidences notables sur l'environnement de la mise en oeuvre des plans de secteur et du schéma de développement de l'espace régional [1 , les éventuelles mesures correctrices à engager et le monitoring décrivant l'évolution de l'étalement urbain, de l'artificialisation et des disponibilités foncières]1.
Wijzigingen
Art. R. I.2-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De Minister dient]1 het verslag bedoeld in artikel D.I.2, § 1, 2°, betreffende de opvolging van de significante effecten van de uitvoering van de gewestplannen en het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan op het leefmilieu, en de eventuele in te leiden corrigerende maatregelen in.
[1 De Minister dient]1 het verslag bedoeld in artikel D.I.2, § 1, 2°, betreffende de opvolging van de significante effecten van de uitvoering van de gewestplannen en het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan op het leefmilieu, en de eventuele in te leiden corrigerende maatregelen in.
Art. R. I.2-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le Ministre]1 dépose le rapport visé à l'article D.I.2, § 1er, 2°, concernant le suivi des incidences notables sur l'environnement de la mise en oeuvre des plans de secteur et du schéma de développement de l'espace régional, et les éventuelles mesures correctrices à engager.
[1 Le Ministre]1 dépose le rapport visé à l'article D.I.2, § 1er, 2°, concernant le suivi des incidences notables sur l'environnement de la mise en oeuvre des plans de secteur et du schéma de développement de l'espace régional, et les éventuelles mesures correctrices à engager.
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Delegaties vanwege de Regering
CHAPITRE II. - Délégations par le Gouvernement
Art. R. I.3-1.§ 1. De gemachtigde ambtenaren in de zin van artikel D.I.3 zijn :
1° de directeur-generaal van [1 de administratie]1;
2° de inspecteur-generaal van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1;
3° de directeurs van de buitendirecties van [1 de administratie]1;
4° bij afwezigheid van de directeur bedoeld in 3°, het staflid bekleed met de graad A5 van de betrokken buitendirectie of, bij ontstentenis, het personeelslid van niveau A met de hoogste graad of, bij gelijke graden, met de hoogste anciënniteit of, bij gelijke anciënniteit, het oudste personeelslid.
Bij afwezigheid van het personeelslid bedoeld in lid 1, 4°, wijst de Minister een personeelslid van niveau A binnen [1 de administratie]1 aan.
§ 2. Het grondgebied van het Waalse Gewest is onderverdeeld in acht ambtsgebieden waarin de bevoegdheden van een gemachtigd ambtenaar uitgeoefend worden volgens de onderverdeling bedoeld in bijlage 1. De ambtenaren bedoeld in paragraaf 1, lid 1, 3°, oefenen elk in één van die acht ambtsgebieden de bevoegdheid van gemachtigd ambtenaar uit.
De ambtenaren bedoeld in paragraaf 1, lid 1, 1° en 2°, oefenen de bevoegdheid van gemachtigd ambtenaar uit op het gehele Waalse grondgebied.
1° de directeur-generaal van [1 de administratie]1;
2° de inspecteur-generaal van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1;
3° de directeurs van de buitendirecties van [1 de administratie]1;
4° bij afwezigheid van de directeur bedoeld in 3°, het staflid bekleed met de graad A5 van de betrokken buitendirectie of, bij ontstentenis, het personeelslid van niveau A met de hoogste graad of, bij gelijke graden, met de hoogste anciënniteit of, bij gelijke anciënniteit, het oudste personeelslid.
Bij afwezigheid van het personeelslid bedoeld in lid 1, 4°, wijst de Minister een personeelslid van niveau A binnen [1 de administratie]1 aan.
§ 2. Het grondgebied van het Waalse Gewest is onderverdeeld in acht ambtsgebieden waarin de bevoegdheden van een gemachtigd ambtenaar uitgeoefend worden volgens de onderverdeling bedoeld in bijlage 1. De ambtenaren bedoeld in paragraaf 1, lid 1, 3°, oefenen elk in één van die acht ambtsgebieden de bevoegdheid van gemachtigd ambtenaar uit.
De ambtenaren bedoeld in paragraaf 1, lid 1, 1° en 2°, oefenen de bevoegdheid van gemachtigd ambtenaar uit op het gehele Waalse grondgebied.
Art. R. I.3-1.§ 1er Les fonctionnaires délégués au sens de l'article D.I.3 sont :
1° le directeur général de [1 l'administration]1;
2° l'inspecteur général du département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1;
3° les directeurs des directions extérieures de [1 l'administration]1;
4° en l'absence du directeur visé au 3°, l'agent A5 d'encadrement de la direction extérieure concernée ou, à défaut, l'agent de niveau A qui a le grade le plus élevé ou, en cas d'égalité de grade, l'ancienneté la plus élevée, ou, en cas d'égalité d'ancienneté, l'agent qui est le plus âgé.
En cas d'absence de l'agent visé à l'alinéa 1er, 4°, le Ministre désigne un agent de niveau A au sein de [1 l'administration]1.
§ 2. Le territoire de la Région wallonne est divisé en huit ressorts au sein desquels s'exercent les compétences d'un fonctionnaire délégué selon la répartition figurant en annexe 1. Les fonctionnaires visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3° exercent la compétence de fonctionnaire délégué, chacun au sein de l'un de ces huit ressorts.
Les fonctionnaires visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2° exercent la compétence de fonctionnaire délégué sur l'ensemble du territoire wallon.
1° le directeur général de [1 l'administration]1;
2° l'inspecteur général du département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1;
3° les directeurs des directions extérieures de [1 l'administration]1;
4° en l'absence du directeur visé au 3°, l'agent A5 d'encadrement de la direction extérieure concernée ou, à défaut, l'agent de niveau A qui a le grade le plus élevé ou, en cas d'égalité de grade, l'ancienneté la plus élevée, ou, en cas d'égalité d'ancienneté, l'agent qui est le plus âgé.
En cas d'absence de l'agent visé à l'alinéa 1er, 4°, le Ministre désigne un agent de niveau A au sein de [1 l'administration]1.
§ 2. Le territoire de la Région wallonne est divisé en huit ressorts au sein desquels s'exercent les compétences d'un fonctionnaire délégué selon la répartition figurant en annexe 1. Les fonctionnaires visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3° exercent la compétence de fonctionnaire délégué, chacun au sein de l'un de ces huit ressorts.
Les fonctionnaires visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2° exercent la compétence de fonctionnaire délégué sur l'ensemble du territoire wallon.
Wijzigingen
Art. R. I.3-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. I.3-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK III. - Commissies
CHAPITRE III. - Commissions
Afdeling 1. - Beleidsgroep Ruimtelijke Ordening
Section 1re. - Pôle " Aménagement du territoire "
Onderafdeling 1. - Oprichting en opdrachten
Sous-section 1re. - Création et missions
Onderafdeling 2. - Samenstelling en werking
Sous-section 2. - Composition et fonctionnement
Art. R. I.5-1.Samenstelling van de afdelingen.
De afdeling " Gewestelijke Inrichting " van de Beleidsgroep telt twaalf zetels, waaronder vier zetels voor de sociale partners zoals vertegenwoordigd in [1 de Sociaal-Economische en Milieuraad van Wallonië]1 en acht zetels, verdeeld als volgt :
1° één voor de vertegenwoordiger van de plaatselijke besturen;
2° één voor de vertegenwoordiger van de milieuorganisaties;
3° twee voor de vertegenwoordigers van de ontwikkelingsintercommunales;
4° één voor de vertegenwoordiger van de steengroevensector;
5° één voor de vertegenwoordiger van de verenigingen voor stedenbouwers;
6° één voor de vertegenwoordiger van de Permanente Conferentie van de ruimtelijke ontwikkeling;
7° één voor de vertegenwoordiger van de landbouwsector.
De afdeling " Operationele Inrichting " van de Beleidsgroep telt twaalf zetels, waaronder vier zetels voor de sociale partners zoals vertegenwoordigd in [1 de Sociaal-Economische en Milieuraad van Wallonië]1 en acht zetels, verdeeld als volgt :
1° één voor de vertegenwoordiger van de plaatselijke besturen;
2° één voor de vertegenwoordiger van de milieuorganisaties;
3° twee voor de vertegenwoordiger van de huisvestingssector;
4° één voor de vertegenwoordiger van de " Fondation rurale de Wallonie ";
5° één voor de vertegenwoordiger van de stadsontwikkeling;
6° twee voor de vertegenwoordigers van de architectenverenigingen.
[1 "De afdeling " Ontwikkeling van handelsvestigingen " van de Beleidsgroep telt twaalf zetels, waaronder vier zetels voor de sociale partners zoals vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische en Milieuraad van Wallonië en acht zetels, verdeeld als volgt:
1° één vertegenwoordiger van de plaatselijke besturen;
2° één vertegenwoordiger van de milieuverenigingen;
3° één vertegenwoordiger van de stadsontwikkeling ;
4° één vvertegenwoordiger van de verenigingen voor stedenbouwers ;
5° een vertegenwoordiger van de architectenverenigingen
6° één vertegenwoordiger van de CPDT;
7° een vertegenwoordiger van de federatie voor handels en diensten
8° één vertegenwoordiger van een vereniging voor consumentenbescherming erkend overeenkomstig artikel XVII.39, 2°, van het Wetboek van economisch recht;]1
De ondervoorzitter nodigt de deskundigen uit op wie de afdeling een beroep wenst te doen overeenkomstig artikel 2, § 1, 20°, van het decreet van 6 november 2008 houdende rationalisering van de raadgevende functie.
De afdeling " Gewestelijke Inrichting " van de Beleidsgroep telt twaalf zetels, waaronder vier zetels voor de sociale partners zoals vertegenwoordigd in [1 de Sociaal-Economische en Milieuraad van Wallonië]1 en acht zetels, verdeeld als volgt :
1° één voor de vertegenwoordiger van de plaatselijke besturen;
2° één voor de vertegenwoordiger van de milieuorganisaties;
3° twee voor de vertegenwoordigers van de ontwikkelingsintercommunales;
4° één voor de vertegenwoordiger van de steengroevensector;
5° één voor de vertegenwoordiger van de verenigingen voor stedenbouwers;
6° één voor de vertegenwoordiger van de Permanente Conferentie van de ruimtelijke ontwikkeling;
7° één voor de vertegenwoordiger van de landbouwsector.
De afdeling " Operationele Inrichting " van de Beleidsgroep telt twaalf zetels, waaronder vier zetels voor de sociale partners zoals vertegenwoordigd in [1 de Sociaal-Economische en Milieuraad van Wallonië]1 en acht zetels, verdeeld als volgt :
1° één voor de vertegenwoordiger van de plaatselijke besturen;
2° één voor de vertegenwoordiger van de milieuorganisaties;
3° twee voor de vertegenwoordiger van de huisvestingssector;
4° één voor de vertegenwoordiger van de " Fondation rurale de Wallonie ";
5° één voor de vertegenwoordiger van de stadsontwikkeling;
6° twee voor de vertegenwoordigers van de architectenverenigingen.
[1 "De afdeling " Ontwikkeling van handelsvestigingen " van de Beleidsgroep telt twaalf zetels, waaronder vier zetels voor de sociale partners zoals vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische en Milieuraad van Wallonië en acht zetels, verdeeld als volgt:
1° één vertegenwoordiger van de plaatselijke besturen;
2° één vertegenwoordiger van de milieuverenigingen;
3° één vertegenwoordiger van de stadsontwikkeling ;
4° één vvertegenwoordiger van de verenigingen voor stedenbouwers ;
5° een vertegenwoordiger van de architectenverenigingen
6° één vertegenwoordiger van de CPDT;
7° een vertegenwoordiger van de federatie voor handels en diensten
8° één vertegenwoordiger van een vereniging voor consumentenbescherming erkend overeenkomstig artikel XVII.39, 2°, van het Wetboek van economisch recht;]1
De ondervoorzitter nodigt de deskundigen uit op wie de afdeling een beroep wenst te doen overeenkomstig artikel 2, § 1, 20°, van het decreet van 6 november 2008 houdende rationalisering van de raadgevende functie.
Art. R. I.5-1.Composition des sections
La section " Aménagement régional " du Pôle comporte douze sièges dont quatre sièges pour les partenaires sociaux tels que représentés au [1 CESEW]1 et huit sièges répartis comme suit :
1° un pour le représentant des pouvoirs locaux;
2° un pour le représentant des organisations environnementales;
3° deux pour les représentants des intercommunales de développement;
4° un pour le représentant du secteur carrier;
5° un pour le représentant des associations d'urbanistes;
6° un pour le représentant de la Conférence permanente du développement territorial;
7° un pour le représentant du secteur agricole.
[1 La section " Développement commercial " du Pôle comporte douze sièges dont quatre sièges pour les partenaires sociaux tels que représentés au CESEW et huit sièges répartis comme suit :
1° un représentant des pouvoirs locaux ;
2° un représentant des organisations environnementales ;
3° un représentant du développement urbain ;
4° un représentant des associations d'urbanistes ;
5° un représentant des associations d'architectes ;
6° un représentant de la CPDT ;
7° un représentant de la fédération du commerce et des services ;
8° un représentant d'une association de protection des consommateurs agréée conformément à l'article XVII.39, 2°, du code de droit économique. ]1
La section " Aménagement opérationnel " du Pôle comporte douze sièges dont quatre sièges pour les partenaires sociaux tels que représentés au [1 CESEW]1 et huit sièges répartis comme suit :
1° un pour le représentant des pouvoirs locaux;
2° un pour le représentant des organisations environnementales;
3° deux pour les représentants du secteur du logement;
4° un pour le représentant de la Fondation rurale de Wallonie;
5° un pour le représentant du développement urbain;
6° deux pour les représentants des associations d'architectes.
Le vice-président invite les experts auxquels la section souhaite faire appel en application de l'article 2, § 1er, 20°, du décret du 6 novembre 2008 portant rationalisation de la fonction consultative.
La section " Aménagement régional " du Pôle comporte douze sièges dont quatre sièges pour les partenaires sociaux tels que représentés au [1 CESEW]1 et huit sièges répartis comme suit :
1° un pour le représentant des pouvoirs locaux;
2° un pour le représentant des organisations environnementales;
3° deux pour les représentants des intercommunales de développement;
4° un pour le représentant du secteur carrier;
5° un pour le représentant des associations d'urbanistes;
6° un pour le représentant de la Conférence permanente du développement territorial;
7° un pour le représentant du secteur agricole.
[1 La section " Développement commercial " du Pôle comporte douze sièges dont quatre sièges pour les partenaires sociaux tels que représentés au CESEW et huit sièges répartis comme suit :
1° un représentant des pouvoirs locaux ;
2° un représentant des organisations environnementales ;
3° un représentant du développement urbain ;
4° un représentant des associations d'urbanistes ;
5° un représentant des associations d'architectes ;
6° un représentant de la CPDT ;
7° un représentant de la fédération du commerce et des services ;
8° un représentant d'une association de protection des consommateurs agréée conformément à l'article XVII.39, 2°, du code de droit économique. ]1
La section " Aménagement opérationnel " du Pôle comporte douze sièges dont quatre sièges pour les partenaires sociaux tels que représentés au [1 CESEW]1 et huit sièges répartis comme suit :
1° un pour le représentant des pouvoirs locaux;
2° un pour le représentant des organisations environnementales;
3° deux pour les représentants du secteur du logement;
4° un pour le représentant de la Fondation rurale de Wallonie;
5° un pour le représentant du développement urbain;
6° deux pour les représentants des associations d'architectes.
Le vice-président invite les experts auxquels la section souhaite faire appel en application de l'article 2, § 1er, 20°, du décret du 6 novembre 2008 portant rationalisation de la fonction consultative.
Wijzigingen
Art. R. I.5-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. I.5-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. I.5.-2.Opdrachten van de afdelingen.
De afdeling " Gewestelijke Inrichting " van de Beleidsgroep bereidt de adviezen voor betreffende de instrumenten voor ruimtelijke ordening en stedenbouw of volgende handelingen :
1° het gewestplan;
2° de ontwikkelingsplannen [2 voor meergemeentelijke ontwikkelingsplannen met betrekking tot mobiliteit of groene infrastructuur]2;
3° de handleidingen;
4° de oprichting van natuurparken;
5° het gewestelijk ontwikkelingsplan voor handelsvestigingen;
6° de vergunningsaanvragen waarvoor een milieueffectenonderzoek vereist is [2 met uitzondering van die welke betrekking hebben op winkels in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°]2.
De afdeling " Operationele Inrichting " van de Beleidsgroep bereidt de adviezen voor betreffende de ontwerpen van ruimtelijke ordening en stedenbouw met een operationeel karakter, zoals volgt :
1° de stadsvernieuwingen;
2° de stadsheroplevingen;
3° de herin te richten locaties;
4° de locaties met herstel van landschap en leefmilieu;
5° het gemeentelijk plattelandsontwikkelingsprogramma.
[1 6° het perspectief voor stedelijke ontwikkeling overeenkomstig de artikelen L3353-1 en L3353-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie.]1
[2 De afdeling "Ontwikkeling van handelsvestigingen" van de Beleidsgroep bereidt adviezen voor met betrekking tot vergunningsaanvragen voor handelsvestigingen in de zin van artikel D.IV.4, paragraaf 1, 8°, met een netto handelsoppervlakte gelijk aan of groter dan 1.000 m2.
De afdeling " Gewestelijke Inrichting " en de afdeling "Ontwikkeling van handelsvestigingen" van de Beleidsgroep bereidt de adviezen voor betreffende de instrumenten voor ruimtelijke ordening en stedenbouw of volgende handelingen:
1° de globale gemeentelijke ontwikkelingsplannen, thematische gemeentelijke ontwikkelingsplannen, globale meergemeentelijke ontwikkelingsplannen en meergemeentelijke ontwikkelingsplannen met betrekking tot ruimtelijke optimalisatie ;
2° de vergunningsaanvragen onderworpen aan effectenonderzoeken met betrekking tot handelsvestigingen in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°.]2
De afdeling " Gewestelijke Inrichting " van de Beleidsgroep bereidt de adviezen voor betreffende de instrumenten voor ruimtelijke ordening en stedenbouw of volgende handelingen :
1° het gewestplan;
2° de ontwikkelingsplannen [2 voor meergemeentelijke ontwikkelingsplannen met betrekking tot mobiliteit of groene infrastructuur]2;
3° de handleidingen;
4° de oprichting van natuurparken;
5° het gewestelijk ontwikkelingsplan voor handelsvestigingen;
6° de vergunningsaanvragen waarvoor een milieueffectenonderzoek vereist is [2 met uitzondering van die welke betrekking hebben op winkels in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°]2.
De afdeling " Operationele Inrichting " van de Beleidsgroep bereidt de adviezen voor betreffende de ontwerpen van ruimtelijke ordening en stedenbouw met een operationeel karakter, zoals volgt :
1° de stadsvernieuwingen;
2° de stadsheroplevingen;
3° de herin te richten locaties;
4° de locaties met herstel van landschap en leefmilieu;
5° het gemeentelijk plattelandsontwikkelingsprogramma.
[1 6° het perspectief voor stedelijke ontwikkeling overeenkomstig de artikelen L3353-1 en L3353-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie.]1
[2 De afdeling "Ontwikkeling van handelsvestigingen" van de Beleidsgroep bereidt adviezen voor met betrekking tot vergunningsaanvragen voor handelsvestigingen in de zin van artikel D.IV.4, paragraaf 1, 8°, met een netto handelsoppervlakte gelijk aan of groter dan 1.000 m2.
De afdeling " Gewestelijke Inrichting " en de afdeling "Ontwikkeling van handelsvestigingen" van de Beleidsgroep bereidt de adviezen voor betreffende de instrumenten voor ruimtelijke ordening en stedenbouw of volgende handelingen:
1° de globale gemeentelijke ontwikkelingsplannen, thematische gemeentelijke ontwikkelingsplannen, globale meergemeentelijke ontwikkelingsplannen en meergemeentelijke ontwikkelingsplannen met betrekking tot ruimtelijke optimalisatie ;
2° de vergunningsaanvragen onderworpen aan effectenonderzoeken met betrekking tot handelsvestigingen in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°.]2
Art. R. I.5-2.Missions des sections
La section " Aménagement régional " du Pôle prépare les avis relatifs aux outils d'aménagement du territoire et d'urbanisme ou aux actes qui suivent :
1° le plan de secteur;
2° les schémas [2 de développement pluricommunaux relatifs à la mobilité ou à l'infrastructure verte]2;
3° les guides;
4° la création des parcs naturels;
5° le schéma régional de développement commercial;
6° les demandes de permis soumises à études d'incidences [2 à l'exception de celles relatives à des commerces au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°]2.
La section " Aménagement opérationnel " du Pôle prépare les avis relatifs aux projets d'aménagement du territoire et d'urbanisme ayant un caractère opérationnel, qui suivent :
1° les rénovations urbaines;
2° les revitalisations urbaines;
3° les sites à réaménager;
4° les sites de réhabilitation paysagère et environnementale;
5° le programme communal de développement rural.
[1 6° la perspective de développement urbain en application des articles L3353-1 et L3353-2 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.]1
[2 La section " Développement commercial " du Pôle prépare les avis relatifs aux demandes de permis relatif à des commerces au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, dont la surface commerciale nette est égale ou supérieure à 1.000 m2.
Les sections " Aménagement régional " et " Développement commercial " du Pôle préparent, ensemble, les avis relatifs aux outils d'aménagement du territoire et d'urbanisme ou aux actes qui suivent :
1° les schémas de développement communaux globaux, les schémas de développement communaux thématiques, les schémas de développement pluricommunaux globaux et les schémas de développement pluricommunaux relatifs à optimisation spatiale ;
2° les demandes de permis soumises à études d'incidences relatives à des commerces au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°. ]2
La section " Aménagement régional " du Pôle prépare les avis relatifs aux outils d'aménagement du territoire et d'urbanisme ou aux actes qui suivent :
1° le plan de secteur;
2° les schémas [2 de développement pluricommunaux relatifs à la mobilité ou à l'infrastructure verte]2;
3° les guides;
4° la création des parcs naturels;
5° le schéma régional de développement commercial;
6° les demandes de permis soumises à études d'incidences [2 à l'exception de celles relatives à des commerces au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°]2.
La section " Aménagement opérationnel " du Pôle prépare les avis relatifs aux projets d'aménagement du territoire et d'urbanisme ayant un caractère opérationnel, qui suivent :
1° les rénovations urbaines;
2° les revitalisations urbaines;
3° les sites à réaménager;
4° les sites de réhabilitation paysagère et environnementale;
5° le programme communal de développement rural.
[1 6° la perspective de développement urbain en application des articles L3353-1 et L3353-2 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.]1
[2 La section " Développement commercial " du Pôle prépare les avis relatifs aux demandes de permis relatif à des commerces au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, dont la surface commerciale nette est égale ou supérieure à 1.000 m2.
Les sections " Aménagement régional " et " Développement commercial " du Pôle préparent, ensemble, les avis relatifs aux outils d'aménagement du territoire et d'urbanisme ou aux actes qui suivent :
1° les schémas de développement communaux globaux, les schémas de développement communaux thématiques, les schémas de développement pluricommunaux globaux et les schémas de développement pluricommunaux relatifs à optimisation spatiale ;
2° les demandes de permis soumises à études d'incidences relatives à des commerces au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°. ]2
Art. R. I.5.-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. I.5-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. I.5-3.Aanwijzing van de leden.
Uitgezonderd voor de voorzitter en de ondervoorzitters benoemt de Regering, voor elk in te vullen mandaat, de leden van de Beleidsgroep en hun plaatsvervangers op basis van lijsten met minstens twee kandidaten gewone leden en twee plaatsvervangende leden. De lijsten worden voorgedragen door de instellingen, organisaties, federaties, sectoren of verenigingen bedoeld in artikel D.I.5.
[1 Ze omvatten ten minste een derde van de kandidaten van elk geslacht.]1
Uitgezonderd voor de voorzitter en de ondervoorzitters benoemt de Regering, voor elk in te vullen mandaat, de leden van de Beleidsgroep en hun plaatsvervangers op basis van lijsten met minstens twee kandidaten gewone leden en twee plaatsvervangende leden. De lijsten worden voorgedragen door de instellingen, organisaties, federaties, sectoren of verenigingen bedoeld in artikel D.I.5.
[1 Ze omvatten ten minste een derde van de kandidaten van elk geslacht.]1
Art. R. I.5-3.Désignation des membres
Excepté pour le président et les vice-présidents, le Gouvernement nomme les membres du Pôle et leurs suppléants sur la base de listes de minimum deux candidats effectifs et deux candidats suppléants par mandat à pourvoir. Les listes sont proposées par les organismes, organisations, fédérations, secteurs ou associations visés à l'article D.I.5.
[1 Elles comprennent au moins un tiers de candidats de chaque genre.]1
Excepté pour le président et les vice-présidents, le Gouvernement nomme les membres du Pôle et leurs suppléants sur la base de listes de minimum deux candidats effectifs et deux candidats suppléants par mandat à pourvoir. Les listes sont proposées par les organismes, organisations, fédérations, secteurs ou associations visés à l'article D.I.5.
[1 Elles comprennent au moins un tiers de candidats de chaque genre.]1
Wijzigingen
Art. R. I.5-3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. I.5-3_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. I.5.-4.Bureau.
Het bureau organiseert de werkzaamheden van de Beleidsgroep. Het bureau gaat de motivering na van de adviezen, voorgelegd door een afdeling, vervolledigt ze in voorkomend geval, coördineert de adviezen, voorgelegd door [1 drie]1 afdelingen, en leidt het secretariaat.
Het bureau kan elk vraagstuk, behandeld door de afdelingen, te berde brengen. Wanneer het bureau vergissingen in de vorm of de beoordeling of de onmogelijkheid tot coördinatie van de adviezen vaststelt, stuurt het de adviezen naar de betrokken afdeling(en) om het dossier te laten heronderzoeken.
Het bureau organiseert de werkzaamheden van de Beleidsgroep. Het bureau gaat de motivering na van de adviezen, voorgelegd door een afdeling, vervolledigt ze in voorkomend geval, coördineert de adviezen, voorgelegd door [1 drie]1 afdelingen, en leidt het secretariaat.
Het bureau kan elk vraagstuk, behandeld door de afdelingen, te berde brengen. Wanneer het bureau vergissingen in de vorm of de beoordeling of de onmogelijkheid tot coördinatie van de adviezen vaststelt, stuurt het de adviezen naar de betrokken afdeling(en) om het dossier te laten heronderzoeken.
Art. R. I.5-4.Bureau
Le bureau organise les travaux du Pôle. Il vérifie la motivation des avis présentés par une section, la complète le cas échéant, coordonne les avis présentés par les [1 trois]1 sections et assure la conduite du secrétariat.
Le bureau peut évoquer toute question traitée par les sections. Lorsqu'il constate des erreurs formelles ou d'appréciation ou l'impossibilité de coordonner les avis, il renvoie les avis à la section ou aux sections concernées pour un nouvel examen du dossier.
Le bureau organise les travaux du Pôle. Il vérifie la motivation des avis présentés par une section, la complète le cas échéant, coordonne les avis présentés par les [1 trois]1 sections et assure la conduite du secrétariat.
Le bureau peut évoquer toute question traitée par les sections. Lorsqu'il constate des erreurs formelles ou d'appréciation ou l'impossibilité de coordonner les avis, il renvoie les avis à la section ou aux sections concernées pour un nouvel examen du dossier.
Wijzigingen
Art. R. I.5.-4_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. I.5-4_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. I.5-5. Voorzitterschap en ondervoorzitterschap.
De voorzitter leidt de werkzaamheden van het bureau. Elke ondervoorzitter leidt de werkzaamheden van zijn afdeling.
De voorzitter ondertekent de adviezen en de verslagen van de Beleidsgroep.
Bij afwezigheid of verhindering wordt de voorzitter vervangen door de ondervoorzitter, aangewezen door het bureau.
De voorzitter leidt de werkzaamheden van het bureau. Elke ondervoorzitter leidt de werkzaamheden van zijn afdeling.
De voorzitter ondertekent de adviezen en de verslagen van de Beleidsgroep.
Bij afwezigheid of verhindering wordt de voorzitter vervangen door de ondervoorzitter, aangewezen door het bureau.
Art. R. I.5-5. Présidence et vice-présidence
Le président dirige les travaux du bureau. Chaque vice-président dirige les travaux de sa section.
Le président signe les avis et les rapports du Pôle.
En cas d'absence ou d'empêchement, le président est remplacé par le vice-président désigné par le bureau.
Le président dirige les travaux du bureau. Chaque vice-président dirige les travaux de sa section.
Le président signe les avis et les rapports du Pôle.
En cas d'absence ou d'empêchement, le président est remplacé par le vice-président désigné par le bureau.
Art. R. I.5-5_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. I.5-5_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. I.5-6.Secretariaat.
De [1 Sociaal-Economische en Milieuraad van Wallonië]1 verzorgt het secretariaat van de Beleidsgroep en bezorgt het de menselijke en materiële middelen voor de goede werking ervan.
Een lid van het secretariaat woont de vergaderingen van de Beleidsgroep, van de afdelingen en van het bureau bij en neemt er de functie van verslaggever waar. Genoemd lid stelt de adviezen en de notulen van de besprekingen die in de vergadering plaatsvonden, op.
De [1 Sociaal-Economische en Milieuraad van Wallonië]1 verzorgt het secretariaat van de Beleidsgroep en bezorgt het de menselijke en materiële middelen voor de goede werking ervan.
Een lid van het secretariaat woont de vergaderingen van de Beleidsgroep, van de afdelingen en van het bureau bij en neemt er de functie van verslaggever waar. Genoemd lid stelt de adviezen en de notulen van de besprekingen die in de vergadering plaatsvonden, op.
Art. R. I.5-6. Secrétariat
Le conseil économique et social de la Région wallonne ci-après dénommé " CESW " assure le secrétariat du Pôle en y affectant les moyens humains et matériels nécessaires à son bon fonctionnement.
Un membre du secrétariat assiste aux réunions du Pôle, des sections et du bureau auprès desquels il assure la fonction de rapporteur. Il rédige les avis et le procès-verbal des débats tenus au cours des réunions.
Le conseil économique et social de la Région wallonne ci-après dénommé " CESW " assure le secrétariat du Pôle en y affectant les moyens humains et matériels nécessaires à son bon fonctionnement.
Un membre du secrétariat assiste aux réunions du Pôle, des sections et du bureau auprès desquels il assure la fonction de rapporteur. Il rédige les avis et le procès-verbal des débats tenus au cours des réunions.
Art. R. I.5-6_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. I.5-6_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. I.5-7. Beraadslaging van de afdelingen en van het bureau.
§ 1.De ondervoorzitter en de leden van de afdelingen hebben stemrecht. Bij stemmengelijkheid weegt de stem van de ondervoorzitter door.
Wanneer minstens één vierde van de aanwezige leden tegen het advies van de meerderheid gekant is, wordt het advies aangevuld met een nota waarin melding wordt gemaakt van de afwijkende mening.
Het advies van de afdeling wordt ondertekend door de ondervoorzitter of diens plaatsvervanger en door de bestendige secretaris of, bij afwezigheid, door de adjunct-secretaris.
§ 2. Elk lid van het bureau heeft raadgevende stem. Bij stemmengelijkheid weegt de stem van de voorzitter door. Het bureau richt de adviezen bij meerderheid van stemmen, overeenkomstig artikel R.I.5-4, opnieuw aan de betrokken afdeling(en).
Het bij de stemmingen vastgesteld aanwezigheidsquorum wordt vastgelegd op de helft van de leden.
Het stemmenquorum wordt vastlegd op de gewone meerderheid der aanwezige leden.
§ 1.De ondervoorzitter en de leden van de afdelingen hebben stemrecht. Bij stemmengelijkheid weegt de stem van de ondervoorzitter door.
Wanneer minstens één vierde van de aanwezige leden tegen het advies van de meerderheid gekant is, wordt het advies aangevuld met een nota waarin melding wordt gemaakt van de afwijkende mening.
Het advies van de afdeling wordt ondertekend door de ondervoorzitter of diens plaatsvervanger en door de bestendige secretaris of, bij afwezigheid, door de adjunct-secretaris.
§ 2. Elk lid van het bureau heeft raadgevende stem. Bij stemmengelijkheid weegt de stem van de voorzitter door. Het bureau richt de adviezen bij meerderheid van stemmen, overeenkomstig artikel R.I.5-4, opnieuw aan de betrokken afdeling(en).
Het bij de stemmingen vastgesteld aanwezigheidsquorum wordt vastgelegd op de helft van de leden.
Het stemmenquorum wordt vastlegd op de gewone meerderheid der aanwezige leden.
Art. R. I.5-7. Délibération des sections et du bureau
§ 1er.Le vice-président et les membres des sections ont voix délibérative. En cas de parité des voix, la voix du vice-président est prépondérante.
Lorsqu'un quart au moins des membres présents s'oppose à l'avis émis par la majorité, l'avis est complété par une mention relatant l'opinion dissidente.
L'avis de la section est signé par le vice-président ou son suppléant et par le secrétaire permanent ou, en cas d'absence, par le secrétaire adjoint.
§ 2.Chaque membre du bureau a voix délibérative. En cas de parité des voix, la voix du président est prépondérante. Le bureau renvoie les avis conformément à l'article R.I.5-4 à la section ou aux sections concernées à la majorité des voix.
Le quorum de présence vérifié lors des votes est fixé à la moitié des membres.
Le quorum des votes est fixé à la majorité simple des membres présents.
§ 1er.Le vice-président et les membres des sections ont voix délibérative. En cas de parité des voix, la voix du vice-président est prépondérante.
Lorsqu'un quart au moins des membres présents s'oppose à l'avis émis par la majorité, l'avis est complété par une mention relatant l'opinion dissidente.
L'avis de la section est signé par le vice-président ou son suppléant et par le secrétaire permanent ou, en cas d'absence, par le secrétaire adjoint.
§ 2.Chaque membre du bureau a voix délibérative. En cas de parité des voix, la voix du président est prépondérante. Le bureau renvoie les avis conformément à l'article R.I.5-4 à la section ou aux sections concernées à la majorité des voix.
Le quorum de présence vérifié lors des votes est fixé à la moitié des membres.
Le quorum des votes est fixé à la majorité simple des membres présents.
Art. R. I.5-7_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. I.5-7_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Afdeling 2. - Adviescommissie over de beroepen
Section 2. - Commission d'avis sur les recours
Afdeling 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Beroepscommissie]1
Section 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - La commission de recours]1
Art. R -I.6-1. Voorzitter.
De voorzitter leidt de werkzaamheden van de Commissie. De voorzitter heeft geen stemrecht.
Op de voordracht van de Minister benoemt de Regering de persoon die de voorzitter vervangt.
De voorzitter leidt de werkzaamheden van de Commissie. De voorzitter heeft geen stemrecht.
Op de voordracht van de Minister benoemt de Regering de persoon die de voorzitter vervangt.
Art. R -I.6-1. Président
Le président dirige les travaux de la Commission. Le président n'a pas voix délibérative.
Sur proposition du Ministre, le Gouvernement nomme la personne qui supplée le président.
Le président dirige les travaux de la Commission. Le président n'a pas voix délibérative.
Sur proposition du Ministre, le Gouvernement nomme la personne qui supplée le président.
Art. R. I.6-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Voorzitter.
De voorzitter leidt de werkzaamheden van de [2 beroepscommissie]2. De voorzitter heeft geen stemrecht.
[1 De Regering wijst de persoon aan]1 die de voorzitter vervangt.
Voorzitter.
De voorzitter leidt de werkzaamheden van de [2 beroepscommissie]2. De voorzitter heeft geen stemrecht.
[1 De Regering wijst de persoon aan]1 die de voorzitter vervangt.
Art. R. I.6-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Président
Le président dirige les travaux de la [2 commission de recours]2. Le président n'a pas voix délibérative.
[1 Le Gouvernement désigne]1.
Président
Le président dirige les travaux de la [2 commission de recours]2. Le président n'a pas voix délibérative.
[1 Le Gouvernement désigne]1.
Art. R. I.6-2.Samenstelling.
Uitgezonderd voor de voorzitter en zijn plaatsvervanger, benoemt de Regering de commissieleden en hun plaatsvervangers op grond van :
1° een lijst van twaalf personen, voorgedragen door de Orde van de architecten [1 ...]1;
2° [1 een dubbele lijst voorgesteld door de Kamer van Stedenbouwkundigen van België bestaande uit enerzijds twaalf personen met het oog op de aanwijzing van de leden bedoeld in artikel D.I.6/1, § 1, 3°, en anderzijds zes personen met het oog op de aanwijzing van het lid bedoeld in artikel D.I.6/1, § 1 7°]1;
3° een lijst van zes personen, voorgedragen door de Koninklijke Commissie voor Monumenten, Landschappen en Opgravingen van het Waalse Gewest;
[1 4° een lijst van twaalf personen voorgesteld door de Waalse Economische, Sociale en Milieuraad van Wallonië;
5° een lijst van zespersonen, voorgedragen door de administratie bevoegd voor vervoer;
6° een lijst van zes personen voorgedragen door de instellingen, organisaties, federaties, sectoren of verenigingen bedoeld in artikel D.I.6./1, § 1, 5°.]1
Uitgezonderd voor de voorzitter en zijn plaatsvervanger, benoemt de Regering de commissieleden en hun plaatsvervangers op grond van :
1° een lijst van twaalf personen, voorgedragen door de Orde van de architecten [1 ...]1;
2° [1 een dubbele lijst voorgesteld door de Kamer van Stedenbouwkundigen van België bestaande uit enerzijds twaalf personen met het oog op de aanwijzing van de leden bedoeld in artikel D.I.6/1, § 1, 3°, en anderzijds zes personen met het oog op de aanwijzing van het lid bedoeld in artikel D.I.6/1, § 1 7°]1;
3° een lijst van zes personen, voorgedragen door de Koninklijke Commissie voor Monumenten, Landschappen en Opgravingen van het Waalse Gewest;
[1 4° een lijst van twaalf personen voorgesteld door de Waalse Economische, Sociale en Milieuraad van Wallonië;
5° een lijst van zespersonen, voorgedragen door de administratie bevoegd voor vervoer;
6° een lijst van zes personen voorgedragen door de instellingen, organisaties, federaties, sectoren of verenigingen bedoeld in artikel D.I.6./1, § 1, 5°.]1
Art. R -I.6-2.Composition
Excepté pour le président et son suppléant, le Gouvernement nomme les membres de la Commission et leurs suppléants sur la base :
1° d'une liste de douze personnes proposée par l'Ordre des architectes [1 ...]1;
2° [1 d'une liste double proposée par la Chambre des Urbanistes de Belgique comportant, de première part, douze personnes en vue de la désignation des membres visés à l'article D.I.6/1, § 1er, 3°, et, de seconde part, six personnes en vue de la désignation du membre visé à l'article D.I.6/1, § 1er, 7°]1;
3° d'une liste de six personnes proposée par la Commission royale des monuments, sites et fouilles de la Région wallonne;
[1 4° d'une liste de douze personnes proposées par le Conseil économique, social et environnemental de Wallonie ;
5° d'une liste de six personnes proposée par l'administration des transports ;
6° d'une liste de six personnes proposée par les organismes, organisations, fédérations, secteurs ou associations visés à l'article D.I.6/1, § 1er, 5°.]1
Excepté pour le président et son suppléant, le Gouvernement nomme les membres de la Commission et leurs suppléants sur la base :
1° d'une liste de douze personnes proposée par l'Ordre des architectes [1 ...]1;
2° [1 d'une liste double proposée par la Chambre des Urbanistes de Belgique comportant, de première part, douze personnes en vue de la désignation des membres visés à l'article D.I.6/1, § 1er, 3°, et, de seconde part, six personnes en vue de la désignation du membre visé à l'article D.I.6/1, § 1er, 7°]1;
3° d'une liste de six personnes proposée par la Commission royale des monuments, sites et fouilles de la Région wallonne;
[1 4° d'une liste de douze personnes proposées par le Conseil économique, social et environnemental de Wallonie ;
5° d'une liste de six personnes proposée par l'administration des transports ;
6° d'une liste de six personnes proposée par les organismes, organisations, fédérations, secteurs ou associations visés à l'article D.I.6/1, § 1er, 5°.]1
Wijzigingen
Art. R. I.6-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Duur van het mandaat
Het mandaat van de [2 leden van de beroepscommissie]2 die door de Regering worden aangewezen, duurt hoogstens vijf jaar en kan worden verlengd.
Op verzoek kan de Regering het mandaat van een lid vroegtijdig beëindigen en een nieuw lid aanwijzen dat het mandaat van zijn voorganger voortzet.]1
[1 Duur van het mandaat
Het mandaat van de [2 leden van de beroepscommissie]2 die door de Regering worden aangewezen, duurt hoogstens vijf jaar en kan worden verlengd.
Op verzoek kan de Regering het mandaat van een lid vroegtijdig beëindigen en een nieuw lid aanwijzen dat het mandaat van zijn voorganger voortzet.]1
Art. R. I.6-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 - Durée du mandat
Le mandat des membres de la [2 commission de recours]2 désignés par le Gouvernement a une durée maximale de cinq ans et est renouvelable.
Sur demande, le Gouvernement peut mettre prématurément un terme au mandat d'un membre et désigner un nouveau membre qui achève le mandat de son prédécesseur.]1
[1 - Durée du mandat
Le mandat des membres de la [2 commission de recours]2 désignés par le Gouvernement a une durée maximale de cinq ans et est renouvelable.
Sur demande, le Gouvernement peut mettre prématurément un terme au mandat d'un membre et désigner un nouveau membre qui achève le mandat de son prédécesseur.]1
Art. R. I.6-3. Secretariaat.
§ 1. Het commissiesecretariaat bestaat uit een bestendige secretaris van niveau A, een adjunct-secretaris van niveau A en twee administratieve personeelsleden van niveau B of C.
§ 2. De opdracht van het secretariaat bestaat in :
1° het voorbereiden van de vergaderingen en de werkzaamheden van de Commissie;
2° het bijwonen van de hoorzittingen, het aanvullen van het dossier met stukken die ter hoorzitting zijn voorgelegd en het opstellen van een voorstel tot advies;
3° het verzamelen van de algemene documentatie betreffende de werkzaamheden van de Commissie;
4° het vervullen van iedere nuttige opdracht voor de goede werking van de Commissie.
§ 1. Het commissiesecretariaat bestaat uit een bestendige secretaris van niveau A, een adjunct-secretaris van niveau A en twee administratieve personeelsleden van niveau B of C.
§ 2. De opdracht van het secretariaat bestaat in :
1° het voorbereiden van de vergaderingen en de werkzaamheden van de Commissie;
2° het bijwonen van de hoorzittingen, het aanvullen van het dossier met stukken die ter hoorzitting zijn voorgelegd en het opstellen van een voorstel tot advies;
3° het verzamelen van de algemene documentatie betreffende de werkzaamheden van de Commissie;
4° het vervullen van iedere nuttige opdracht voor de goede werking van de Commissie.
Art. R. I.6-3. Secrétariat
§ 1er. Le secrétariat de la Commission est composé d'un secrétaire permanent de niveau A, d'un secrétaire adjoint de niveau A et de deux agents administratifs de niveau B ou C.
§ 2. Le secrétariat a pour mission :
1° de préparer les réunions et les travaux de la Commission;
2° d'assister aux auditions, de déposer au dossier les documents complémentaires présentés en audition et de rédiger une proposition d'avis;
3° de réunir la documentation générale relative aux travaux de la Commission;
4° de remplir toutes les missions utiles au bon fonctionnement de la Commission.
§ 1er. Le secrétariat de la Commission est composé d'un secrétaire permanent de niveau A, d'un secrétaire adjoint de niveau A et de deux agents administratifs de niveau B ou C.
§ 2. Le secrétariat a pour mission :
1° de préparer les réunions et les travaux de la Commission;
2° d'assister aux auditions, de déposer au dossier les documents complémentaires présentés en audition et de rédiger une proposition d'avis;
3° de réunir la documentation générale relative aux travaux de la Commission;
4° de remplir toutes les missions utiles au bon fonctionnement de la Commission.
Art. R. I.6-3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Secretariaat.
§ 1. [1 Het departement zorgt voor het secretariaat van de [2 beroepscommissie]2.]1
§ 2. De opdracht van het secretariaat bestaat in :
1° het voorbereiden van de vergaderingen en de werkzaamheden van de Commissie;
2° het bijwonen van de hoorzittingen, het aanvullen van het dossier met stukken die ter hoorzitting zijn voorgelegd en het opstellen van een voorstel tot advies;
3° het verzamelen van de algemene documentatie betreffende de werkzaamheden van de Commissie;
4° het vervullen van iedere nuttige opdracht voor de goede werking van de [2 beroepscommissie]2.
Secretariaat.
§ 1. [1 Het departement zorgt voor het secretariaat van de [2 beroepscommissie]2.]1
§ 2. De opdracht van het secretariaat bestaat in :
1° het voorbereiden van de vergaderingen en de werkzaamheden van de Commissie;
2° het bijwonen van de hoorzittingen, het aanvullen van het dossier met stukken die ter hoorzitting zijn voorgelegd en het opstellen van een voorstel tot advies;
3° het verzamelen van de algemene documentatie betreffende de werkzaamheden van de Commissie;
4° het vervullen van iedere nuttige opdracht voor de goede werking van de [2 beroepscommissie]2.
Art. R. I.6-3_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Secrétariat
§ 1er. [1 Le département assure le secrétariat de la [2 commission de recours]2]1
§ 2. Le secrétariat a pour mission :
1° de préparer les réunions et les travaux de la [2 commission de recours]2;
2° d'assister aux auditions, de déposer au dossier les documents complémentaires présentés en audition et de rédiger une proposition d'avis;
3° de réunir la documentation générale relative aux travaux de la [2 commission de recours]2;
4° de remplir toutes les missions utiles au bon fonctionnement de la [2 commission de recours]2.
Secrétariat
§ 1er. [1 Le département assure le secrétariat de la [2 commission de recours]2]1
§ 2. Le secrétariat a pour mission :
1° de préparer les réunions et les travaux de la [2 commission de recours]2;
2° d'assister aux auditions, de déposer au dossier les documents complémentaires présentés en audition et de rédiger une proposition d'avis;
3° de réunir la documentation générale relative aux travaux de la [2 commission de recours]2;
4° de remplir toutes les missions utiles au bon fonctionnement de la [2 commission de recours]2.
Art. R. I.6-4.Werking.
De Commissie brengt een gemotiveerd advies uit in functie van het plaatsen van een merkteken en de eerste analyse van het onderzoek bedoeld in artikel D.IV.66, van de plaatselijke stedenbouwkundige omstandigheden, van de gegevens die tijdens de besprekingen in de hoorzitting naar voren zijn gekomen en de stukken die tijdens de hoorzitting bij het dossier zijn gevoegd.
Bij stemmengelijkheid wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de beroepsindiener.
Het advies van de Commissie wordt ondertekend door de voorzitter of diens plaatsvervanger en door de bestendige secretaris of, bij afwezigheid, door de adjunct-secretaris.
[1 De Adviescommissie kan per video-call beraadslagen.]1
De Commissie brengt een gemotiveerd advies uit in functie van het plaatsen van een merkteken en de eerste analyse van het onderzoek bedoeld in artikel D.IV.66, van de plaatselijke stedenbouwkundige omstandigheden, van de gegevens die tijdens de besprekingen in de hoorzitting naar voren zijn gekomen en de stukken die tijdens de hoorzitting bij het dossier zijn gevoegd.
Bij stemmengelijkheid wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de beroepsindiener.
Het advies van de Commissie wordt ondertekend door de voorzitter of diens plaatsvervanger en door de bestendige secretaris of, bij afwezigheid, door de adjunct-secretaris.
[1 De Adviescommissie kan per video-call beraadslagen.]1
Art. R. I.6-4.Fonctionnement
La Commission émet un avis motivé en fonction du repérage et de la première analyse du recours visés à l'article D.IV.66, des circonstances urbanistiques locales, des éléments mis en exergue lors des débats de l'audition et des documents déposés au dossier lors de l'audition.
En cas de parité des voix, l'avis est réputé favorable à l'auteur du recours.
L'avis de la Commission est signé par le président ou son suppléant et par le secrétaire permanent ou, en cas d'absence, par le secrétaire adjoint.
[1 La Commission d'avis peut délibérer par vidéo-conférence.]1
La Commission émet un avis motivé en fonction du repérage et de la première analyse du recours visés à l'article D.IV.66, des circonstances urbanistiques locales, des éléments mis en exergue lors des débats de l'audition et des documents déposés au dossier lors de l'audition.
En cas de parité des voix, l'avis est réputé favorable à l'auteur du recours.
L'avis de la Commission est signé par le président ou son suppléant et par le secrétaire permanent ou, en cas d'absence, par le secrétaire adjoint.
[1 La Commission d'avis peut délibérer par vidéo-conférence.]1
Art. R. I.6-4_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Werking.
De [2 beroepscommissie]2 brengt een gemotiveerd advies uit in functie van het plaatsen van een merkteken en de eerste analyse van het onderzoek bedoeld in artikel D.IV.66, van de plaatselijke stedenbouwkundige omstandigheden, van de gegevens die tijdens de besprekingen in de hoorzitting naar voren zijn gekomen en de stukken die tijdens de hoorzitting bij het dossier zijn gevoegd. [2 Het advies bevat een met redenen omkleed voorstel tot beslissing.]2
[1 De beslissingen over adviezen worden genomen bij meerderheid van stemmen, uitgebracht door de aanwezige leden.]1 Bij stemmengelijkheid wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de beroepsindiener.
Het advies van de [2 beroepscommissie]2 wordt ondertekend door de voorzitter of diens plaatsvervanger en [1 door een vertegenwoordiger van het departement]1.
[1 Binnen twee maanden na de eerste vergadering neemt de [2 beroepscommissie]2 een huishoudelijk reglement aan dat door de Regering moet worden goedgekeurd. Dat huishoudelijk reglement regelt de details van de werkwijze van de Commissie.]1
[1 Om haar taken te vervullen, kan de [2 beroepscommissie]2 deskundigen op de vergaderingen uitnodigen. Ze nemen met raadgevende stem deel aan de vergaderingen.]1
Werking.
De [2 beroepscommissie]2 brengt een gemotiveerd advies uit in functie van het plaatsen van een merkteken en de eerste analyse van het onderzoek bedoeld in artikel D.IV.66, van de plaatselijke stedenbouwkundige omstandigheden, van de gegevens die tijdens de besprekingen in de hoorzitting naar voren zijn gekomen en de stukken die tijdens de hoorzitting bij het dossier zijn gevoegd. [2 Het advies bevat een met redenen omkleed voorstel tot beslissing.]2
[1 De beslissingen over adviezen worden genomen bij meerderheid van stemmen, uitgebracht door de aanwezige leden.]1 Bij stemmengelijkheid wordt het advies geacht gunstig te zijn voor de beroepsindiener.
Het advies van de [2 beroepscommissie]2 wordt ondertekend door de voorzitter of diens plaatsvervanger en [1 door een vertegenwoordiger van het departement]1.
[1 Binnen twee maanden na de eerste vergadering neemt de [2 beroepscommissie]2 een huishoudelijk reglement aan dat door de Regering moet worden goedgekeurd. Dat huishoudelijk reglement regelt de details van de werkwijze van de Commissie.]1
[1 Om haar taken te vervullen, kan de [2 beroepscommissie]2 deskundigen op de vergaderingen uitnodigen. Ze nemen met raadgevende stem deel aan de vergaderingen.]1
Art. R. I.6-4_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Fonctionnement
La [2 commission de recours]2 émet un avis motivé en fonction du repérage et de la première analyse du recours visés à l'article D.IV.66, des circonstances urbanistiques locales, des éléments mis en exergue lors des débats de l'audition et des documents déposés au dossier lors de l'audition. [2 L'avis comprend une proposition motivée de décision.]2
En cas de parité des voix, l'avis est réputé favorable à l'auteur du recours. [1 Les décisions relatives aux avis sont prises à la majorité des voix émises par les membres présents.]1
L'avis de la [2 commission de recours]2 est signé par le président ou son suppléant et par [1 un représentant du département]1.
[1 Dans les deux mois de cette première séance, la [2 commission de recours]2 se dote d'un règlement d'ordre intérieur qui doit être approuvé par le Gouvernement. Ce règlement d'ordre intérieur règle les détails du fonctionnement de la commission [2 de recours]2.]1
[1 Aux fins d'accomplissement de ses missions, la [2 commission de recours]2 peut inviter des experts aux séances. Ils siègent avec voix consultative.]1
Fonctionnement
La [2 commission de recours]2 émet un avis motivé en fonction du repérage et de la première analyse du recours visés à l'article D.IV.66, des circonstances urbanistiques locales, des éléments mis en exergue lors des débats de l'audition et des documents déposés au dossier lors de l'audition. [2 L'avis comprend une proposition motivée de décision.]2
En cas de parité des voix, l'avis est réputé favorable à l'auteur du recours. [1 Les décisions relatives aux avis sont prises à la majorité des voix émises par les membres présents.]1
L'avis de la [2 commission de recours]2 est signé par le président ou son suppléant et par [1 un représentant du département]1.
[1 Dans les deux mois de cette première séance, la [2 commission de recours]2 se dote d'un règlement d'ordre intérieur qui doit être approuvé par le Gouvernement. Ce règlement d'ordre intérieur règle les détails du fonctionnement de la commission [2 de recours]2.]1
[1 Aux fins d'accomplissement de ses missions, la [2 commission de recours]2 peut inviter des experts aux séances. Ils siègent avec voix consultative.]1
Art. R -I.6-5.Aanwezigheidsgeld.
De voorzitter van de Adviescommissie of diens plaatsvervanger krijgen 35 euro aanwezigheidsgeld per behandeld dossier [6 met een maximum van twaalf dossier per dag]6 evenals de voorziene vergoedingen voor reiskosten zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 16°, van het decreet van 6 november 2008 houdende rationalisatie van de adviserende functie.
De commissieleden krijgen 25 euro aanwezigheidsgeld per behandeld dossier [6 met een maximum van twaalf dossier per dag]6 evenals de voorziene vergoedingen voor reiskosten zoals bedoeld in artikel 2, § 1,16°, van het decreet van 6 november 2008 houdende rationalisatie van de adviserende functie.
[7 De presentiegelden van de voorzitter en de leden van de Commissie kunnen, binnen de budgettaire grenzen die op 1 januari van elk jaar beschikbaar zijn, geïndexeerd worden op basis van de schommelingen van de gezondheidsindex zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen van het land, volgens de formule : 35/25 vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het indexcijfer op 1 juni 2017.]7
De voorzitter van de Adviescommissie of diens plaatsvervanger krijgen 35 euro aanwezigheidsgeld per behandeld dossier [6 met een maximum van twaalf dossier per dag]6 evenals de voorziene vergoedingen voor reiskosten zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 16°, van het decreet van 6 november 2008 houdende rationalisatie van de adviserende functie.
De commissieleden krijgen 25 euro aanwezigheidsgeld per behandeld dossier [6 met een maximum van twaalf dossier per dag]6 evenals de voorziene vergoedingen voor reiskosten zoals bedoeld in artikel 2, § 1,16°, van het decreet van 6 november 2008 houdende rationalisatie van de adviserende functie.
[7 De presentiegelden van de voorzitter en de leden van de Commissie kunnen, binnen de budgettaire grenzen die op 1 januari van elk jaar beschikbaar zijn, geïndexeerd worden op basis van de schommelingen van de gezondheidsindex zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen van het land, volgens de formule : 35/25 vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het indexcijfer op 1 juni 2017.]7
Wijzigingen
Art. R -I.6-5.Jetons de présence
Le président de la Commission d'avis ou son suppléant ont droit à un jeton de présence de 35 euros par dossier traité [6 avec un maximum de douze dossiers par journée]6 ainsi qu'aux indemnités prévues en matière de frais de parcours visées à l'article 2, § 1er, 16°, du décret du 6 novembre 2008 portant rationalisation de la fonction consultative.
Les membres de la Commission ont droit à un jeton de présence de 25 euros par dossier traité [6 avec un maximum de douze dossiers par journée]6 ainsi qu'aux indemnités prévues en matière de frais de déplacement visées à l'article 2, § 1er, 16°, du décret du 6 novembre 2008 portant rationalisation de la fonction consultative.
[7 Le jeton de présence du président et des membres de la Commission peut être indexé, dans les limites budgétaires disponibles le 1er janvier de chaque année sur base des fluctuations de l'indice santé tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays suivant la formule : 35/25 euros multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice au 1er juin 2017.]7
Le président de la Commission d'avis ou son suppléant ont droit à un jeton de présence de 35 euros par dossier traité [6 avec un maximum de douze dossiers par journée]6 ainsi qu'aux indemnités prévues en matière de frais de parcours visées à l'article 2, § 1er, 16°, du décret du 6 novembre 2008 portant rationalisation de la fonction consultative.
Les membres de la Commission ont droit à un jeton de présence de 25 euros par dossier traité [6 avec un maximum de douze dossiers par journée]6 ainsi qu'aux indemnités prévues en matière de frais de déplacement visées à l'article 2, § 1er, 16°, du décret du 6 novembre 2008 portant rationalisation de la fonction consultative.
[7 Le jeton de présence du président et des membres de la Commission peut être indexé, dans les limites budgétaires disponibles le 1er janvier de chaque année sur base des fluctuations de l'indice santé tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays suivant la formule : 35/25 euros multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice au 1er juin 2017.]7
Wijzigingen
Art. R. I.6-5_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Aanwezigheidsgeld.
[2 De voorzitter van de beroepscommissie of diens plaatsvervanger heeft recht op presentiegeld ten belope van 75 euro per behandeld dossier, met een minimumbedrag van 150 euro en een maximumbedrag van 300 euro per dag, alsook op de reisvergoeding bepaald in het besluit van de Regering van 12 juli 2001 tot harmonisatie van het presentiegeld en van de reisvergoedingen in instellingen en raden van beheer van de Duitstalige Gemeenschap]2.
De [2 leden van de beroepscommissie]2 krijgen 25 euro aanwezigheidsgeld per behandeld dossier, met een minimum van 50 euro en een maximum van 150 euro per dag, evenals [1 de reisvergoeding bepaald in het besluit van de Regering van 12 juli 2001 tot harmonisatie van het presentiegeld en van de reisvergoedingen in instellingen en raden van beheer van de Duitstalige Gemeenschap]1.
Aanwezigheidsgeld.
[2 De voorzitter van de beroepscommissie of diens plaatsvervanger heeft recht op presentiegeld ten belope van 75 euro per behandeld dossier, met een minimumbedrag van 150 euro en een maximumbedrag van 300 euro per dag, alsook op de reisvergoeding bepaald in het besluit van de Regering van 12 juli 2001 tot harmonisatie van het presentiegeld en van de reisvergoedingen in instellingen en raden van beheer van de Duitstalige Gemeenschap]2.
De [2 leden van de beroepscommissie]2 krijgen 25 euro aanwezigheidsgeld per behandeld dossier, met een minimum van 50 euro en een maximum van 150 euro per dag, evenals [1 de reisvergoeding bepaald in het besluit van de Regering van 12 juli 2001 tot harmonisatie van het presentiegeld en van de reisvergoedingen in instellingen en raden van beheer van de Duitstalige Gemeenschap]1.
Art. R. I.6-5_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Jetons de présence
[2 Le président de la commission de recours ou son suppléant ont droit à un jeton de présence de 75 euros par dossier traité, avec un minimum de 150 euros et un maximum de 300 euros par journée, ainsi qu'aux indemnités prévues en matière de frais de parcours visées dans l'arrêté du Gouvernement du 12 juillet 2001 portant harmonisation des jetons de présence et des indemnités de déplacement au sein d'organismes et de conseils d'administration de la Communauté germanophone.]2.
Les membres de la [2 commission de recours]2 ont droit à un jeton de présence de 25 euros par dossier traité, avec un minimum de 50 euros et un maximum de 150 euros par journée, ainsi qu'aux indemnités prévues en matière de frais de déplacement visées [1 dans l'arrêté du Gouvernement modifiant l'arrêté du Gouvernement du 12 juillet 2001 portant harmonisation des jetons de présence et des indemnités de déplacement au sein d'organismes et de conseils d'administration de la Communauté germanophone]1.
Jetons de présence
[2 Le président de la commission de recours ou son suppléant ont droit à un jeton de présence de 75 euros par dossier traité, avec un minimum de 150 euros et un maximum de 300 euros par journée, ainsi qu'aux indemnités prévues en matière de frais de parcours visées dans l'arrêté du Gouvernement du 12 juillet 2001 portant harmonisation des jetons de présence et des indemnités de déplacement au sein d'organismes et de conseils d'administration de la Communauté germanophone.]2.
Les membres de la [2 commission de recours]2 ont droit à un jeton de présence de 25 euros par dossier traité, avec un minimum de 50 euros et un maximum de 150 euros par journée, ainsi qu'aux indemnités prévues en matière de frais de déplacement visées [1 dans l'arrêté du Gouvernement modifiant l'arrêté du Gouvernement du 12 juillet 2001 portant harmonisation des jetons de présence et des indemnités de déplacement au sein d'organismes et de conseils d'administration de la Communauté germanophone]1.
Afdeling 3. - Gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit
Section 3. - Commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité
Onderafdeling 1. - Oprichting en opdrachten
Sous-section 1re. - Création et missions
Onderafdeling 2. - Samenstelling en werking
Sous-section 2. - Composition et fonctionnement
Art. R. I.10-1. Nadere samenstellingsregels.
Naast de voorzitter bestaat de gemeentelijke commissie uit :
1° acht gewone leden, met inbegrip van de vertegenwoordigers van de gemeenteraad, voor een bevolking van minstens tienduizend inwoners;
2° twaalf gewone leden, met inbegrip van de vertegenwoordigers van de gemeenteraad, voor een bevolking tussen tien- en twintigduizend inwoners;
3° zestien gewone leden, met inbegrip van de vertegenwoordigers van de gemeenteraad, voor een bevolking van meer dan twintigduizend inwoners.
Voor elk gewoon lid, gekozen uit de kandidatenlijst, kan de gemeenteraad één of meerdere plaatsvervangers aanwijzen die dezelfde belangen vertegenwoordigen als het gewone lid.
Naast de voorzitter bestaat de gemeentelijke commissie uit :
1° acht gewone leden, met inbegrip van de vertegenwoordigers van de gemeenteraad, voor een bevolking van minstens tienduizend inwoners;
2° twaalf gewone leden, met inbegrip van de vertegenwoordigers van de gemeenteraad, voor een bevolking tussen tien- en twintigduizend inwoners;
3° zestien gewone leden, met inbegrip van de vertegenwoordigers van de gemeenteraad, voor een bevolking van meer dan twintigduizend inwoners.
Voor elk gewoon lid, gekozen uit de kandidatenlijst, kan de gemeenteraad één of meerdere plaatsvervangers aanwijzen die dezelfde belangen vertegenwoordigen als het gewone lid.
Art. R. I.10-1. Modalités de composition
Outre le président, la Commission communale est composée de :
1° huit membres effectifs, en ce compris les représentants du conseil communal, pour une population de moins de dix mille habitants;
2° douze membres effectifs, en ce compris les représentants du conseil communal, pour une population comprise entre dix et vingt mille habitants;
3° seize membres effectifs, en ce compris les représentants du conseil communal, pour une population de plus de vingt mille habitants.
Pour chaque membre effectif choisi dans la liste des candidatures, le conseil communal peut désigner un ou plusieurs suppléants représentant les mêmes intérêts que le membre effectif.
Outre le président, la Commission communale est composée de :
1° huit membres effectifs, en ce compris les représentants du conseil communal, pour une population de moins de dix mille habitants;
2° douze membres effectifs, en ce compris les représentants du conseil communal, pour une population comprise entre dix et vingt mille habitants;
3° seize membres effectifs, en ce compris les représentants du conseil communal, pour une population de plus de vingt mille habitants.
Pour chaque membre effectif choisi dans la liste des candidatures, le conseil communal peut désigner un ou plusieurs suppléants représentant les mêmes intérêts que le membre effectif.
Art. R. I.10-2.Nadere regels voor de oproep tot het indienen van kandidaturen.
§ 1. Het gemeentecollege doet een publieke oproep tot het indienen van kandidaturen binnen de maand na de beslissing van de gemeenteraad om de gemeentelijke commissie op te richten of te vernieuwen.
De publieke oproep wordt aangekondigd bij wijze van aanplakking op de gewone aanplakplaatsen, via een bericht opgenomen in een kosteloos aan de bevolking verdeeld reclameblad en via een gemeentelijk infoblad, indien bestaand. De oproep wordt op de website van de gemeente, indien bestaand, bekendgemaakt. Het bericht stemt overeen met het model opgenomen in bijlage 2.
§ 2. De kandidaatstelling is persoonlijk; deze akte wordt in de vorm en binnen de termijn, zoals bepaald in de publieke oproep, ingediend. De kandidaat die een vereniging vertegenwoordigt, is erdoor gemandateerd. De kandidaat is woonachtig in de gemeente of de maatschappelijke zetel van de vereniging die de kandidaat vertegenwoordigt, is in de gemeente gelegen.
In de akte van kandidaatstelling worden minstens de naam, voornaam, woonplaats, leeftijd, het geslacht en het beroep van de kandidaat vermeld. De kandidaat wijst op het belang of de belangen die hij wenst te vertegenwoordigen onder de maatschappelijke, economische, erfgoed-, leefmilieu-, energie- en mobiliteitsbelangen, en geeft aan welke motivaties hij ten opzichte van die belangen inroepen. Elke niet behoorlijk gemotiveerde kandidaatstelling is onontvankelijk.
§ 3. Als het gemeentecollege het aantal kandidaatstellingen die het bij de publieke oproep gekregen heeft, onvoldoende acht, [1 of wanneer de ontvangen kandidaturen niet een aantal leden van beide geslachten kunnen aanwijzen ten minste gelijk aan veertig percent van het totaalaantal leden]1 wordt uiterlijk twee maanden na sluiten van de eerste oproep een aanvullende oproep gedaan.
Die oproep loopt vanaf de datum, vastgesteld door het gemeentecollege. Voor die oproep zijn de bekendmakingsformaliteiten identiek aan de eerste oproep.
§ 1. Het gemeentecollege doet een publieke oproep tot het indienen van kandidaturen binnen de maand na de beslissing van de gemeenteraad om de gemeentelijke commissie op te richten of te vernieuwen.
De publieke oproep wordt aangekondigd bij wijze van aanplakking op de gewone aanplakplaatsen, via een bericht opgenomen in een kosteloos aan de bevolking verdeeld reclameblad en via een gemeentelijk infoblad, indien bestaand. De oproep wordt op de website van de gemeente, indien bestaand, bekendgemaakt. Het bericht stemt overeen met het model opgenomen in bijlage 2.
§ 2. De kandidaatstelling is persoonlijk; deze akte wordt in de vorm en binnen de termijn, zoals bepaald in de publieke oproep, ingediend. De kandidaat die een vereniging vertegenwoordigt, is erdoor gemandateerd. De kandidaat is woonachtig in de gemeente of de maatschappelijke zetel van de vereniging die de kandidaat vertegenwoordigt, is in de gemeente gelegen.
In de akte van kandidaatstelling worden minstens de naam, voornaam, woonplaats, leeftijd, het geslacht en het beroep van de kandidaat vermeld. De kandidaat wijst op het belang of de belangen die hij wenst te vertegenwoordigen onder de maatschappelijke, economische, erfgoed-, leefmilieu-, energie- en mobiliteitsbelangen, en geeft aan welke motivaties hij ten opzichte van die belangen inroepen. Elke niet behoorlijk gemotiveerde kandidaatstelling is onontvankelijk.
§ 3. Als het gemeentecollege het aantal kandidaatstellingen die het bij de publieke oproep gekregen heeft, onvoldoende acht, [1 of wanneer de ontvangen kandidaturen niet een aantal leden van beide geslachten kunnen aanwijzen ten minste gelijk aan veertig percent van het totaalaantal leden]1 wordt uiterlijk twee maanden na sluiten van de eerste oproep een aanvullende oproep gedaan.
Die oproep loopt vanaf de datum, vastgesteld door het gemeentecollege. Voor die oproep zijn de bekendmakingsformaliteiten identiek aan de eerste oproep.
Art. R. I.10-2.Modalités d'appel aux candidatures
§ 1er. Le collège communal procède à un appel public aux candidats dans le mois de la décision du conseil communal d'établir ou de renouveler la Commission communale.
L'appel public est annoncé par voie d'affiche aux endroits habituels d'affichage, par un avis inséré dans un journal publicitaire distribué gratuitement à la population et un bulletin communal d'information, s'ils existent. Il est publié sur le site internet de la commune, s'il existe. L'avis est conforme au modèle qui figure en annexe 2.
§ 2. L'acte de candidature est personnel; il est déposé selon les formes et dans les délais prescrits dans l'appel public. Le candidat représentant une association est mandaté par celle-ci. Le candidat est domicilié dans la commune ou le siège social de l'association que le candidat représente est situé dans la commune.
L'acte de candidature reprend au minimum les nom, prénom, domicile, âge, sexe, profession du candidat. Le candidat y précise le ou les intérêts qu'il souhaite représenter parmi les intérêts sociaux, économiques, patrimoniaux, environnementaux, énergétiques et de mobilité, ainsi que ses motivations au regard de ceux-ci. A défaut de dûe motivation, l'acte de candidature est irrecevable.
§ 3. Si le collège communal estime insuffisant le nombre de candidatures reçues lors de l'appel public, [1 ou lorsque les candidatures reçues ne permettent pas de désigner un nombre de membres de chaque sexe au moins égal à quarante pourcents du nombre total des membres,]1 il lance un appel complémentaire au plus tard deux mois après la clôture du premier appel.
Cet appel prend cours à la date fixée par le collège communal. Les formalités de publicité sont identiques à celles de l'appel initial.
§ 1er. Le collège communal procède à un appel public aux candidats dans le mois de la décision du conseil communal d'établir ou de renouveler la Commission communale.
L'appel public est annoncé par voie d'affiche aux endroits habituels d'affichage, par un avis inséré dans un journal publicitaire distribué gratuitement à la population et un bulletin communal d'information, s'ils existent. Il est publié sur le site internet de la commune, s'il existe. L'avis est conforme au modèle qui figure en annexe 2.
§ 2. L'acte de candidature est personnel; il est déposé selon les formes et dans les délais prescrits dans l'appel public. Le candidat représentant une association est mandaté par celle-ci. Le candidat est domicilié dans la commune ou le siège social de l'association que le candidat représente est situé dans la commune.
L'acte de candidature reprend au minimum les nom, prénom, domicile, âge, sexe, profession du candidat. Le candidat y précise le ou les intérêts qu'il souhaite représenter parmi les intérêts sociaux, économiques, patrimoniaux, environnementaux, énergétiques et de mobilité, ainsi que ses motivations au regard de ceux-ci. A défaut de dûe motivation, l'acte de candidature est irrecevable.
§ 3. Si le collège communal estime insuffisant le nombre de candidatures reçues lors de l'appel public, [1 ou lorsque les candidatures reçues ne permettent pas de désigner un nombre de membres de chaque sexe au moins égal à quarante pourcents du nombre total des membres,]1 il lance un appel complémentaire au plus tard deux mois après la clôture du premier appel.
Cet appel prend cours à la date fixée par le collège communal. Les formalités de publicité sont identiques à celles de l'appel initial.
Wijzigingen
Art. R. I.10-3.Nadere aanwijzingsregels.
§ 1. Het gemeentecollege deelt de lijst van de ontvangen kandidaturen aan de gemeenteraad mee. De belangen worden bepaald in functie van de motiveringen die in de kandidaatstellingen vermeld worden. De ontvankelijke, maar niet in aanmerking genomen kandidaturen vormen de reserve. Tijdens de zitting waarin de gemeentelijke commissie wordt opgericht of vernieuwd en de voorzitter en de commissieleden aangewezen worden, neemt de gemeenteraad het huishoudelijk reglement van de gemeentelijke commissie aan [1 die de indeling van de Gemeenschappelijke Commissie in afdelingen kan organiseren]1. De beslissingen bedoeld in artikel D.I.9, lid 1, worden ter goedkeuring aan de Minister gericht.
§ 2. De gemeenteraad wijst een voorzitter aan, wiens ervaring en competenties gezaghebbend zijn ter zake van ruimtelijke ordening en stedenbouw.
De voorzitter is noch een gewoon lid, noch een plaatsvervanger, noch een lid van de gemeenteraad. De voorzitter heeft geen plaatsvervanger.
§ 3. De evenredige vertegenwoordiging die in de gemeenteraad de verhouding tussen meerderheid en minderheid vastlegt, wordt eveneens in acht genomen voor de commissieleden die de gemeenteraad vertegenwoordigen. De gemeenteraadsleden van de meerderheid, enerzijds, en van de minderheid, anderzijds, wijzen elk hun vertegenwoordigers aan, zowel gewone als plaatsvervangende leden. De gemeenteraad kan van de evenredigheidsregel afwijken ten gunste van de minderheid.
Deze beslissingen worden door de gemeenteraad goedgekeurd. Wordt er in de minderheid geen politieke overeenstemming bereikt, dan kan de vertegenwoordiging door de meerderheid overgenomen worden.
§ 4. De voorzitter en de leden mogen niet meer dan twee opeenvolgende uitvoerende mandaten uitoefenen.
Het lid oefent een uitvoerend mandaat uit wanneer het als gewoon lid zetelt, of als plaatsvervangend lid dat het gewoon lid vervangt bij meer dan de helft van de jaarlijkse vergaderingen.
§ 5. Het lid of de leden van het gemeentecollege, bevoegd voor ruimtelijke ordening, stedenbouw en mobiliteit, evenals de adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw, ook als dit lid het secretariaat waarneemt, zetelen van ambtswege met raadgevende stem in de gemeentelijke commissie. Het gemeenteraadslid heeft als opdrachten advisering bij en voorbereiding van de adviezen van de gemeentelijke commissie.
Elke ambtenaar die ruimtelijke ordenings-, stedenbouw- of mobiliteitsdossiers met betrekking tot de gemeente moet behandelen, kan geen lid zijn van de gemeentelijke commissie.
§ 1. Het gemeentecollege deelt de lijst van de ontvangen kandidaturen aan de gemeenteraad mee. De belangen worden bepaald in functie van de motiveringen die in de kandidaatstellingen vermeld worden. De ontvankelijke, maar niet in aanmerking genomen kandidaturen vormen de reserve. Tijdens de zitting waarin de gemeentelijke commissie wordt opgericht of vernieuwd en de voorzitter en de commissieleden aangewezen worden, neemt de gemeenteraad het huishoudelijk reglement van de gemeentelijke commissie aan [1 die de indeling van de Gemeenschappelijke Commissie in afdelingen kan organiseren]1. De beslissingen bedoeld in artikel D.I.9, lid 1, worden ter goedkeuring aan de Minister gericht.
§ 2. De gemeenteraad wijst een voorzitter aan, wiens ervaring en competenties gezaghebbend zijn ter zake van ruimtelijke ordening en stedenbouw.
De voorzitter is noch een gewoon lid, noch een plaatsvervanger, noch een lid van de gemeenteraad. De voorzitter heeft geen plaatsvervanger.
§ 3. De evenredige vertegenwoordiging die in de gemeenteraad de verhouding tussen meerderheid en minderheid vastlegt, wordt eveneens in acht genomen voor de commissieleden die de gemeenteraad vertegenwoordigen. De gemeenteraadsleden van de meerderheid, enerzijds, en van de minderheid, anderzijds, wijzen elk hun vertegenwoordigers aan, zowel gewone als plaatsvervangende leden. De gemeenteraad kan van de evenredigheidsregel afwijken ten gunste van de minderheid.
Deze beslissingen worden door de gemeenteraad goedgekeurd. Wordt er in de minderheid geen politieke overeenstemming bereikt, dan kan de vertegenwoordiging door de meerderheid overgenomen worden.
§ 4. De voorzitter en de leden mogen niet meer dan twee opeenvolgende uitvoerende mandaten uitoefenen.
Het lid oefent een uitvoerend mandaat uit wanneer het als gewoon lid zetelt, of als plaatsvervangend lid dat het gewoon lid vervangt bij meer dan de helft van de jaarlijkse vergaderingen.
§ 5. Het lid of de leden van het gemeentecollege, bevoegd voor ruimtelijke ordening, stedenbouw en mobiliteit, evenals de adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw, ook als dit lid het secretariaat waarneemt, zetelen van ambtswege met raadgevende stem in de gemeentelijke commissie. Het gemeenteraadslid heeft als opdrachten advisering bij en voorbereiding van de adviezen van de gemeentelijke commissie.
Elke ambtenaar die ruimtelijke ordenings-, stedenbouw- of mobiliteitsdossiers met betrekking tot de gemeente moet behandelen, kan geen lid zijn van de gemeentelijke commissie.
Art. R. I.10-3.Modalités de désignation
§ 1er. Le collège communal communique la liste des candidatures reçues au conseil communal. La détermination des intérêts se fait en fonction des motivations consignées dans les actes de candidature. Les candidatures recevables mais non retenues constituent la réserve. Lors de la séance au cours de laquelle la Commission communale est établie ou renouvelée et le président et les membres sont désignés, le conseil communal adopte le règlement d'ordre intérieur de la Commission communale [1 qui peut organiser la division de la commission communale en sections]1. Les décisions visées à l'article D.I.9, alinéa 1er, sont envoyées au Ministre pour approbation.
§ 2. Le conseil communal désigne un président dont l'expérience ou les compétences font autorité en matière d'aménagement du territoire et d'urbanisme.
Le président n'est ni un membre effectif, ni un membre suppléant, ni un membre du conseil communal. Le président n'a pas de suppléant.
§ 3. Les membres représentant le conseil communal sont répartis selon une représentation proportionnelle à l'importance de la majorité et de la minorité au sein du conseil communal. Les conseillers communaux de la majorité, d'une part, et de la minorité, d'autre part, désignent respectivement leurs représentants, effectifs et suppléants. Le conseil communal peut déroger à la règle de proportionnalité en faveur de la minorité.
Le conseil communal approuve ces décisions. En cas de désaccord politique au sein de la minorité, la représentation peut être reprise par la majorité.
§ 4. Le président et les membres ne peuvent exercer plus de deux mandats exécutifs consécutifs.
Le membre exerce un mandat exécutif lorsqu'il siège en tant que membre effectif ou en tant que membre suppléant remplaçant le membre effectif lors de plus de la moitié des réunions annuelles.
§ 5. Le ou les membres du collège communal ayant l'aménagement du territoire, l'urbanisme et la mobilité dans leurs attributions ainsi que le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme, y compris s'il assure le secrétariat, siègent d'office auprès de la Commission communale avec voix consultative. Le conseiller assure les missions de conseil et de préparation des avis de la Commission communale.
Tout fonctionnaire appelé à instruire ou à statuer sur des dossiers relatifs à la commune en matière d'aménagement du territoire, d'urbanisme et de mobilité ne peut être membre de la Commission communale.
§ 1er. Le collège communal communique la liste des candidatures reçues au conseil communal. La détermination des intérêts se fait en fonction des motivations consignées dans les actes de candidature. Les candidatures recevables mais non retenues constituent la réserve. Lors de la séance au cours de laquelle la Commission communale est établie ou renouvelée et le président et les membres sont désignés, le conseil communal adopte le règlement d'ordre intérieur de la Commission communale [1 qui peut organiser la division de la commission communale en sections]1. Les décisions visées à l'article D.I.9, alinéa 1er, sont envoyées au Ministre pour approbation.
§ 2. Le conseil communal désigne un président dont l'expérience ou les compétences font autorité en matière d'aménagement du territoire et d'urbanisme.
Le président n'est ni un membre effectif, ni un membre suppléant, ni un membre du conseil communal. Le président n'a pas de suppléant.
§ 3. Les membres représentant le conseil communal sont répartis selon une représentation proportionnelle à l'importance de la majorité et de la minorité au sein du conseil communal. Les conseillers communaux de la majorité, d'une part, et de la minorité, d'autre part, désignent respectivement leurs représentants, effectifs et suppléants. Le conseil communal peut déroger à la règle de proportionnalité en faveur de la minorité.
Le conseil communal approuve ces décisions. En cas de désaccord politique au sein de la minorité, la représentation peut être reprise par la majorité.
§ 4. Le président et les membres ne peuvent exercer plus de deux mandats exécutifs consécutifs.
Le membre exerce un mandat exécutif lorsqu'il siège en tant que membre effectif ou en tant que membre suppléant remplaçant le membre effectif lors de plus de la moitié des réunions annuelles.
§ 5. Le ou les membres du collège communal ayant l'aménagement du territoire, l'urbanisme et la mobilité dans leurs attributions ainsi que le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme, y compris s'il assure le secrétariat, siègent d'office auprès de la Commission communale avec voix consultative. Le conseiller assure les missions de conseil et de préparation des avis de la Commission communale.
Tout fonctionnaire appelé à instruire ou à statuer sur des dossiers relatifs à la commune en matière d'aménagement du territoire, d'urbanisme et de mobilité ne peut être membre de la Commission communale.
Wijzigingen
Art. R. I.10-4.Nadere regels voor wijzigingen in de loop van de ambtstermijn.
§ 1. Als het voorzittersmandaat openvalt, kiest de gemeenteraad een nieuwe voorzitter uit de leden van de gemeentelijke commissie.
Als het mandaat van een gewoon lid openvalt, wordt het door zijn plaatsvervanger ingenomen.
Als het mandaat van een plaatsvervangend lid openvalt, wijst de gemeenteraad een nieuw plaatsvervangend lid aan uit de kandidaten van de reserve die een gelijkwaardig belang behartigen.
§ 2. Wanneer de reserve uitgeput is of er geen enkel belang meer is vertegenwoordigd of wanneer een belang niet meer vertegenwoordigd is omdat geen enkele kandidatuur die betrokken belang behartigt in aanmerking is genomen, [1 of wanneer de reserve voordrachten van het mannelijk of vrouwelijk geslacht minder dan veertig procent van de reserve voordrachten bedragen]1 wordt de gemeentelijke commissie door de gemeenteraad gedeeltelijk vernieuwd.
De nadere regels zoals bepaald voor de oprichting of de algehele vernieuwing van een gemeentelijke commissie zijn van toepassing.
§ 1. Als het voorzittersmandaat openvalt, kiest de gemeenteraad een nieuwe voorzitter uit de leden van de gemeentelijke commissie.
Als het mandaat van een gewoon lid openvalt, wordt het door zijn plaatsvervanger ingenomen.
Als het mandaat van een plaatsvervangend lid openvalt, wijst de gemeenteraad een nieuw plaatsvervangend lid aan uit de kandidaten van de reserve die een gelijkwaardig belang behartigen.
§ 2. Wanneer de reserve uitgeput is of er geen enkel belang meer is vertegenwoordigd of wanneer een belang niet meer vertegenwoordigd is omdat geen enkele kandidatuur die betrokken belang behartigt in aanmerking is genomen, [1 of wanneer de reserve voordrachten van het mannelijk of vrouwelijk geslacht minder dan veertig procent van de reserve voordrachten bedragen]1 wordt de gemeentelijke commissie door de gemeenteraad gedeeltelijk vernieuwd.
De nadere regels zoals bepaald voor de oprichting of de algehele vernieuwing van een gemeentelijke commissie zijn van toepassing.
Art. R. I.10-4.Modalités de modifications en cours de mandature
§ 1er. Si le mandat de président devient vacant, le conseil communal choisit un nouveau président parmi les membres de la Commission communale.
Si le mandat d'un membre effectif devient vacant, le membre suppléant l'occupe.
Si le mandat d'un membre suppléant devient vacant, le conseil communal désigne un nouveau membre suppléant parmi les candidats présentant un intérêt similaire et repris dans la réserve.
§ 2. Lorsque la réserve est épuisée ou qu'un intérêt n'y est plus représenté ou lorsqu'un intérêt n'est plus représenté parce qu'aucune des candidatures présentant cet intérêt n'est retenue [1 ou lorsque les candidatures de la réserve émanant du genre homme ou du genre femme sont inférieures à quarante pourcents des candidatures de la réserve]1, le conseil communal procède au renouvellement partiel de la Commission communale.
Les modalités prévues pour l'établissement ou le renouvellement intégral d'une Commission communale sont d'application.
§ 1er. Si le mandat de président devient vacant, le conseil communal choisit un nouveau président parmi les membres de la Commission communale.
Si le mandat d'un membre effectif devient vacant, le membre suppléant l'occupe.
Si le mandat d'un membre suppléant devient vacant, le conseil communal désigne un nouveau membre suppléant parmi les candidats présentant un intérêt similaire et repris dans la réserve.
§ 2. Lorsque la réserve est épuisée ou qu'un intérêt n'y est plus représenté ou lorsqu'un intérêt n'est plus représenté parce qu'aucune des candidatures présentant cet intérêt n'est retenue [1 ou lorsque les candidatures de la réserve émanant du genre homme ou du genre femme sont inférieures à quarante pourcents des candidatures de la réserve]1, le conseil communal procède au renouvellement partiel de la Commission communale.
Les modalités prévues pour l'établissement ou le renouvellement intégral d'une Commission communale sont d'application.
Wijzigingen
Art. R. I.10-5.Nadere werkingsregels.
§ 1. Het gemeentecollege wijst onder het personeel van het gemeentebestuur de persoon aan, die het secretariaat van de commissie waarneemt. Deze hoedanigheid is onverenigbaar met de hoedanigheid van voorzitter of commissielid.
De adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw verschaft de voorzitter en de commissieleden alle technische en wettelijke informatie nodig voor hun doeltreffende beraadslaging.
§ 2. De voorzitter en elk lid van de gemeentelijke commissie zijn verplicht tot geheimhouding van de persoonsgegevens in de dossiers die zij ter kennis nemen, evenals van de besprekingen en stemmingen in de gemeentelijke commissie.
Bij een belangenconflict verlaten de voorzitter of het commissielid de zitting van de gemeentelijke commissie voor het ter bespreking of stemming voorliggende punt.
§ 3. Na beslissing van de gemeenteraad of het gemeentecollege over de dossiers die de commissie ter advies worden voorgelegd, licht de gemeentelijke overheid de commissie daarover in en verzorgt de bekendmaking van haar adviezen.
§ 4. De Gemeentelijke Commissie vergadert :
1° minstens vier keer per jaar voor een commissie met acht leden;
2° minstens zes keer per jaar voor een commissie met twaalf leden;
3° minstens acht keer per jaar voor een commissie met zestien leden.
De voorzitter roept de vergadering op de dag, het uur en de plaats, vastgesteld in het huishoudelijk reglement, bijeen.
Daarnaast roept de voorzitter de gemeentelijke commissie op verzoek van het gemeentecollege samen wanneer het advies van de gemeentelijke commissie krachtens een wetgevende of reglementaire bepaling vereist is.
§ 5. De voorzitter legt de agenda van de vergadering vast en vermeldt ze in de oproeping gericht aan de commissieleden, minstens acht werkdagen voor de datum die voor de vergadering is vastgelegd.
Een afschrift van de oproeping wordt eveneens gericht aan :
1° de schepen bevoegd voor ruimtelijke ordening;
2° de schepen bevoegd voor stedenbouw;
3° de schepen bevoegd voor mobiliteit;
4° indien bestaand, de adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw.
[1 Het gewone lid brengt de plaatsvervanger van zijn afwezigheid op de hoogte.]1
§ 6. De commissie kan op eigen initiatief deskundigen of bijzonder ingelichte personen uitnodigen.
Laatstgenoemden wonen enkel het agendapunt bij waarvoor ze uitgenodigd zijn. Zij hebben geen stemrecht.
Met de eventuele kosten die ontstaan uit een deskundige interventie moet het gemeentecollege vooraf instemmen.
§ 7. De adviezen die de gemeentelijke commissie uitbrengt zijn behoorlijk gemotiveerd en maken in voorkomend geval melding van de uitslag van de stemming. Ze maken het voorwerp uit van een proces-verbaal, ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de gemeentelijke commissie.
§ 8. De gemeentelijke commissie beraadslaagt slechts rechtsgeldig in aanwezigheid van de meerderheid der leden met stemrecht.
Er wordt bij gewone meerderheid gestemd. Bij stemmengelijkheid weegt de stem van de voorzitter door.
§ 9. De leden van de gemeentelijke commissie blijven aan tot aan de installatie van de hen opvolgende commissieleden.
§ 10. Wanneer de opgelegde woonplaatsvoorwaarde niet meer vervuld is of wanneer er zich een geval van onverenigbaarheid, zoals vastgesteld in deze afdeling, voordoet, worden de voorzitter, het commissielid of diens plaatsvervanger geacht van rechtswege ontslagnemend te zijn.
§ 11. Het gemeentecollege richt het commissieverslag bedoeld in artikel D.I.10, § 3, lid 2, aan DGO4 tegen 30 juni van het jaar volgend op de installatie van de gemeenteraad ten gevolge van de verkiezingen.
Het activiteitenverslag ligt ter inzage bij het gemeentebestuur.
§ 12. De Minister kan onder de ambtenaren van DGO4 zijn vertegenwoordiger aanwijzen, die met raadgevende stem zitting heeft in de gemeentelijke commissie.
§ 1. Het gemeentecollege wijst onder het personeel van het gemeentebestuur de persoon aan, die het secretariaat van de commissie waarneemt. Deze hoedanigheid is onverenigbaar met de hoedanigheid van voorzitter of commissielid.
De adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw verschaft de voorzitter en de commissieleden alle technische en wettelijke informatie nodig voor hun doeltreffende beraadslaging.
§ 2. De voorzitter en elk lid van de gemeentelijke commissie zijn verplicht tot geheimhouding van de persoonsgegevens in de dossiers die zij ter kennis nemen, evenals van de besprekingen en stemmingen in de gemeentelijke commissie.
Bij een belangenconflict verlaten de voorzitter of het commissielid de zitting van de gemeentelijke commissie voor het ter bespreking of stemming voorliggende punt.
§ 3. Na beslissing van de gemeenteraad of het gemeentecollege over de dossiers die de commissie ter advies worden voorgelegd, licht de gemeentelijke overheid de commissie daarover in en verzorgt de bekendmaking van haar adviezen.
§ 4. De Gemeentelijke Commissie vergadert :
1° minstens vier keer per jaar voor een commissie met acht leden;
2° minstens zes keer per jaar voor een commissie met twaalf leden;
3° minstens acht keer per jaar voor een commissie met zestien leden.
De voorzitter roept de vergadering op de dag, het uur en de plaats, vastgesteld in het huishoudelijk reglement, bijeen.
Daarnaast roept de voorzitter de gemeentelijke commissie op verzoek van het gemeentecollege samen wanneer het advies van de gemeentelijke commissie krachtens een wetgevende of reglementaire bepaling vereist is.
§ 5. De voorzitter legt de agenda van de vergadering vast en vermeldt ze in de oproeping gericht aan de commissieleden, minstens acht werkdagen voor de datum die voor de vergadering is vastgelegd.
Een afschrift van de oproeping wordt eveneens gericht aan :
1° de schepen bevoegd voor ruimtelijke ordening;
2° de schepen bevoegd voor stedenbouw;
3° de schepen bevoegd voor mobiliteit;
4° indien bestaand, de adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw.
[1 Het gewone lid brengt de plaatsvervanger van zijn afwezigheid op de hoogte.]1
§ 6. De commissie kan op eigen initiatief deskundigen of bijzonder ingelichte personen uitnodigen.
Laatstgenoemden wonen enkel het agendapunt bij waarvoor ze uitgenodigd zijn. Zij hebben geen stemrecht.
Met de eventuele kosten die ontstaan uit een deskundige interventie moet het gemeentecollege vooraf instemmen.
§ 7. De adviezen die de gemeentelijke commissie uitbrengt zijn behoorlijk gemotiveerd en maken in voorkomend geval melding van de uitslag van de stemming. Ze maken het voorwerp uit van een proces-verbaal, ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de gemeentelijke commissie.
§ 8. De gemeentelijke commissie beraadslaagt slechts rechtsgeldig in aanwezigheid van de meerderheid der leden met stemrecht.
Er wordt bij gewone meerderheid gestemd. Bij stemmengelijkheid weegt de stem van de voorzitter door.
§ 9. De leden van de gemeentelijke commissie blijven aan tot aan de installatie van de hen opvolgende commissieleden.
§ 10. Wanneer de opgelegde woonplaatsvoorwaarde niet meer vervuld is of wanneer er zich een geval van onverenigbaarheid, zoals vastgesteld in deze afdeling, voordoet, worden de voorzitter, het commissielid of diens plaatsvervanger geacht van rechtswege ontslagnemend te zijn.
§ 11. Het gemeentecollege richt het commissieverslag bedoeld in artikel D.I.10, § 3, lid 2, aan DGO4 tegen 30 juni van het jaar volgend op de installatie van de gemeenteraad ten gevolge van de verkiezingen.
Het activiteitenverslag ligt ter inzage bij het gemeentebestuur.
§ 12. De Minister kan onder de ambtenaren van DGO4 zijn vertegenwoordiger aanwijzen, die met raadgevende stem zitting heeft in de gemeentelijke commissie.
Art. R. I.10-5.Modalités de fonctionnement
§ 1er. Le collège communal désigne, parmi le personnel de l'administration communale, la personne qui assure le secrétariat de la Commission. Cette qualité est incompatible avec celle de président ou de membre de la Commission.
Le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme donne au président et aux membres de la Commission toutes les informations techniques et légales nécessaires afin que ceux-ci puissent délibérer efficacement.
§ 2. Le président et tout membre de la Commission communale sont tenus à la confidentialité des données personnelles des dossiers dont ils ont la connaissance, ainsi que des débats et des votes de la [1 commission]1 communale.
En cas de conflit d'intérêts, le président ou le membre quitte la séance de la Commission communale pour le point à débattre et pour le vote.
§ 3. Après décision du conseil communal ou du collège communal sur les dossiers soumis à l'avis de la Commission, l'autorité communale en informe la Commission et assure la publicité de ses avis.
§ 4. La Commission communale se réunit :
1° au moins quatre fois par an pour une Commission de huit membres;
2° au moins six fois par an pour une Commission de douze membres;
3° au moins huit fois par an pour une Commission de seize membres.
Le président convoque la réunion aux jour, heure et lieu fixés par le règlement d'ordre intérieur.
En outre, le président convoque la Commission communale à la demande du collège communal, lorsque l'avis de la Commission communale est requis en vertu d'une disposition législative ou règlementaire.
§ 5. Le président fixe l'ordre du jour de la réunion et le mentionne dans la convocation envoyée aux membres de la Commission huit jours ouvrables au moins avant la date fixée pour la réunion.
Une copie de la convocation est également envoyée :
1° à l'échevin ayant l'aménagement du territoire dans ses attributions;
2° à l'échevin ayant l'urbanisme dans ses attributions;
3° à l'échevin ayant la mobilité dans ses attributions
4° s'il existe, au conseiller en aménagement du territoire et urbanisme.
[1 Le membre effectif prévient le membre suppléant de son absence.]1
§ 6. La Commission peut, d'initiative, inviter des experts ou personnes particulièrement informés.
Ceux-ci assistent uniquement au point de l'ordre du jour pour lequel ils ont été invités. Ils n'ont pas droit de vote.
Les frais éventuels occasionnés par l'expertise font l'objet d'un accord préalable du collège communal.
§ 7. Les avis émis par la Commission communale sont dûment motivés et font état, le cas échéant, du résultat des votes. Ils sont inscrits dans un procès-verbal signé par le président et le secrétaire de la Commission communale.
§ 8. La Commission communale ne délibère valablement qu'en présence de la majorité des membres ayant droit de vote.
Le vote est acquis à la majorité simple. En cas d'égalité de voix, celle du président est prépondérante.
§ 9. Les membres de la Commission communale restent en fonction jusqu'à l'installation des membres qui leur succèdent.
§ 10. Lorsqu'il ne remplit plus la condition de domiciliation imposée ou lorsqu'il entre dans un cas d'incompatibilité établi par la présente section, le président, le membre ou son suppléant est réputé démissionnaire de plein droit.
§ 11. Le collège communal envoie le rapport de la Commission visé à l'article D.I.10, § 3, alinéa 2, à la DGO4 pour le 30 juin de l'année qui suit l'installation du conseil communal à la suite des élections.
Le rapport d'activités est consultable à l'administration communale.
§ 12. Le Ministre peut désigner, parmi les fonctionnaires de la DGO4, son représentant auprès de la Commission communale avec voix consultative.
§ 1er. Le collège communal désigne, parmi le personnel de l'administration communale, la personne qui assure le secrétariat de la Commission. Cette qualité est incompatible avec celle de président ou de membre de la Commission.
Le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme donne au président et aux membres de la Commission toutes les informations techniques et légales nécessaires afin que ceux-ci puissent délibérer efficacement.
§ 2. Le président et tout membre de la Commission communale sont tenus à la confidentialité des données personnelles des dossiers dont ils ont la connaissance, ainsi que des débats et des votes de la [1 commission]1 communale.
En cas de conflit d'intérêts, le président ou le membre quitte la séance de la Commission communale pour le point à débattre et pour le vote.
§ 3. Après décision du conseil communal ou du collège communal sur les dossiers soumis à l'avis de la Commission, l'autorité communale en informe la Commission et assure la publicité de ses avis.
§ 4. La Commission communale se réunit :
1° au moins quatre fois par an pour une Commission de huit membres;
2° au moins six fois par an pour une Commission de douze membres;
3° au moins huit fois par an pour une Commission de seize membres.
Le président convoque la réunion aux jour, heure et lieu fixés par le règlement d'ordre intérieur.
En outre, le président convoque la Commission communale à la demande du collège communal, lorsque l'avis de la Commission communale est requis en vertu d'une disposition législative ou règlementaire.
§ 5. Le président fixe l'ordre du jour de la réunion et le mentionne dans la convocation envoyée aux membres de la Commission huit jours ouvrables au moins avant la date fixée pour la réunion.
Une copie de la convocation est également envoyée :
1° à l'échevin ayant l'aménagement du territoire dans ses attributions;
2° à l'échevin ayant l'urbanisme dans ses attributions;
3° à l'échevin ayant la mobilité dans ses attributions
4° s'il existe, au conseiller en aménagement du territoire et urbanisme.
[1 Le membre effectif prévient le membre suppléant de son absence.]1
§ 6. La Commission peut, d'initiative, inviter des experts ou personnes particulièrement informés.
Ceux-ci assistent uniquement au point de l'ordre du jour pour lequel ils ont été invités. Ils n'ont pas droit de vote.
Les frais éventuels occasionnés par l'expertise font l'objet d'un accord préalable du collège communal.
§ 7. Les avis émis par la Commission communale sont dûment motivés et font état, le cas échéant, du résultat des votes. Ils sont inscrits dans un procès-verbal signé par le président et le secrétaire de la Commission communale.
§ 8. La Commission communale ne délibère valablement qu'en présence de la majorité des membres ayant droit de vote.
Le vote est acquis à la majorité simple. En cas d'égalité de voix, celle du président est prépondérante.
§ 9. Les membres de la Commission communale restent en fonction jusqu'à l'installation des membres qui leur succèdent.
§ 10. Lorsqu'il ne remplit plus la condition de domiciliation imposée ou lorsqu'il entre dans un cas d'incompatibilité établi par la présente section, le président, le membre ou son suppléant est réputé démissionnaire de plein droit.
§ 11. Le collège communal envoie le rapport de la Commission visé à l'article D.I.10, § 3, alinéa 2, à la DGO4 pour le 30 juin de l'année qui suit l'installation du conseil communal à la suite des élections.
Le rapport d'activités est consultable à l'administration communale.
§ 12. Le Ministre peut désigner, parmi les fonctionnaires de la DGO4, son représentant auprès de la Commission communale avec voix consultative.
Wijzigingen
Art. R. I.10-5_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Nadere werkingsregels.
§ 1. Het gemeentecollege wijst onder het personeel van het gemeentebestuur de persoon aan, die het secretariaat van de commissie waarneemt. Deze hoedanigheid is onverenigbaar met de hoedanigheid van voorzitter of commissielid.
De adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw verschaft de voorzitter en de commissieleden alle technische en wettelijke informatie nodig voor hun doeltreffende beraadslaging.
§ 2. De voorzitter en elk lid van de gemeentelijke commissie zijn verplicht tot geheimhouding van de persoonsgegevens in de dossiers die zij ter kennis nemen, evenals van de besprekingen en stemmingen in de gemeentelijke commissie.
Bij een belangenconflict verlaten de voorzitter of het commissielid de zitting van de gemeentelijke commissie voor het ter bespreking of stemming voorliggende punt.
§ 3. Na beslissing van de gemeenteraad of het gemeentecollege over de dossiers die de commissie ter advies worden voorgelegd, licht de gemeentelijke overheid de commissie daarover in en verzorgt de bekendmaking van haar adviezen.
§ 4. De Gemeentelijke Commissie vergadert :
1° minstens vier keer per jaar voor een commissie met acht leden;
2° minstens zes keer per jaar voor een commissie met twaalf leden;
3° minstens acht keer per jaar voor een commissie met zestien leden.
De voorzitter roept de vergadering op de dag, het uur en de plaats, vastgesteld in het huishoudelijk reglement, bijeen.
Daarnaast roept de voorzitter de gemeentelijke commissie op verzoek van het gemeentecollege samen wanneer het advies van de gemeentelijke commissie krachtens een wetgevende of reglementaire bepaling vereist is.
§ 5. De voorzitter legt de agenda van de vergadering vast en vermeldt ze in de oproeping gericht aan de commissieleden, minstens acht werkdagen voor de datum die voor de vergadering is vastgelegd.
Een afschrift van de oproeping wordt eveneens gericht aan :
1° de schepen bevoegd voor ruimtelijke ordening;
2° de schepen bevoegd voor stedenbouw;
3° de schepen bevoegd voor mobiliteit;
4° indien bestaand, de adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw.
[1 Het gewone lid brengt de plaatsvervanger van zijn afwezigheid op de hoogte.]1
§ 6. De commissie kan op eigen initiatief deskundigen of bijzonder ingelichte personen uitnodigen.
Laatstgenoemden wonen enkel het agendapunt bij waarvoor ze uitgenodigd zijn. Zij hebben geen stemrecht.
Met de eventuele kosten die ontstaan uit een deskundige interventie moet het gemeentecollege vooraf instemmen.
§ 7. De adviezen die de gemeentelijke commissie uitbrengt zijn behoorlijk gemotiveerd en maken in voorkomend geval melding van de uitslag van de stemming. Ze maken het voorwerp uit van een proces-verbaal, ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de gemeentelijke commissie.
§ 8. De gemeentelijke commissie beraadslaagt slechts rechtsgeldig in aanwezigheid van de meerderheid der leden met stemrecht.
Er wordt bij gewone meerderheid gestemd. Bij stemmengelijkheid weegt de stem van de voorzitter door.
§ 9. De leden van de gemeentelijke commissie blijven aan tot aan de installatie van de hen opvolgende commissieleden.
§ 10. Wanneer de opgelegde woonplaatsvoorwaarde niet meer vervuld is of wanneer er zich een geval van onverenigbaarheid, zoals vastgesteld in deze afdeling, voordoet, worden de voorzitter, het commissielid of diens plaatsvervanger geacht van rechtswege ontslagnemend te zijn.
§ 11. Het gemeentecollege richt het commissieverslag bedoeld in artikel D.I.10, § 3, lid 2, aan [2 het departement]2 tegen 30 juni van het jaar volgend op de installatie van de gemeenteraad ten gevolge van de verkiezingen.
Het activiteitenverslag ligt ter inzage bij het gemeentebestuur.
§ 12. De Minister kan [2 ...]2 zijn vertegenwoordiger aanwijzen, die met raadgevende stem zitting heeft in de gemeentelijke commissie.
Nadere werkingsregels.
§ 1. Het gemeentecollege wijst onder het personeel van het gemeentebestuur de persoon aan, die het secretariaat van de commissie waarneemt. Deze hoedanigheid is onverenigbaar met de hoedanigheid van voorzitter of commissielid.
De adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw verschaft de voorzitter en de commissieleden alle technische en wettelijke informatie nodig voor hun doeltreffende beraadslaging.
§ 2. De voorzitter en elk lid van de gemeentelijke commissie zijn verplicht tot geheimhouding van de persoonsgegevens in de dossiers die zij ter kennis nemen, evenals van de besprekingen en stemmingen in de gemeentelijke commissie.
Bij een belangenconflict verlaten de voorzitter of het commissielid de zitting van de gemeentelijke commissie voor het ter bespreking of stemming voorliggende punt.
§ 3. Na beslissing van de gemeenteraad of het gemeentecollege over de dossiers die de commissie ter advies worden voorgelegd, licht de gemeentelijke overheid de commissie daarover in en verzorgt de bekendmaking van haar adviezen.
§ 4. De Gemeentelijke Commissie vergadert :
1° minstens vier keer per jaar voor een commissie met acht leden;
2° minstens zes keer per jaar voor een commissie met twaalf leden;
3° minstens acht keer per jaar voor een commissie met zestien leden.
De voorzitter roept de vergadering op de dag, het uur en de plaats, vastgesteld in het huishoudelijk reglement, bijeen.
Daarnaast roept de voorzitter de gemeentelijke commissie op verzoek van het gemeentecollege samen wanneer het advies van de gemeentelijke commissie krachtens een wetgevende of reglementaire bepaling vereist is.
§ 5. De voorzitter legt de agenda van de vergadering vast en vermeldt ze in de oproeping gericht aan de commissieleden, minstens acht werkdagen voor de datum die voor de vergadering is vastgelegd.
Een afschrift van de oproeping wordt eveneens gericht aan :
1° de schepen bevoegd voor ruimtelijke ordening;
2° de schepen bevoegd voor stedenbouw;
3° de schepen bevoegd voor mobiliteit;
4° indien bestaand, de adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw.
[1 Het gewone lid brengt de plaatsvervanger van zijn afwezigheid op de hoogte.]1
§ 6. De commissie kan op eigen initiatief deskundigen of bijzonder ingelichte personen uitnodigen.
Laatstgenoemden wonen enkel het agendapunt bij waarvoor ze uitgenodigd zijn. Zij hebben geen stemrecht.
Met de eventuele kosten die ontstaan uit een deskundige interventie moet het gemeentecollege vooraf instemmen.
§ 7. De adviezen die de gemeentelijke commissie uitbrengt zijn behoorlijk gemotiveerd en maken in voorkomend geval melding van de uitslag van de stemming. Ze maken het voorwerp uit van een proces-verbaal, ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de gemeentelijke commissie.
§ 8. De gemeentelijke commissie beraadslaagt slechts rechtsgeldig in aanwezigheid van de meerderheid der leden met stemrecht.
Er wordt bij gewone meerderheid gestemd. Bij stemmengelijkheid weegt de stem van de voorzitter door.
§ 9. De leden van de gemeentelijke commissie blijven aan tot aan de installatie van de hen opvolgende commissieleden.
§ 10. Wanneer de opgelegde woonplaatsvoorwaarde niet meer vervuld is of wanneer er zich een geval van onverenigbaarheid, zoals vastgesteld in deze afdeling, voordoet, worden de voorzitter, het commissielid of diens plaatsvervanger geacht van rechtswege ontslagnemend te zijn.
§ 11. Het gemeentecollege richt het commissieverslag bedoeld in artikel D.I.10, § 3, lid 2, aan [2 het departement]2 tegen 30 juni van het jaar volgend op de installatie van de gemeenteraad ten gevolge van de verkiezingen.
Het activiteitenverslag ligt ter inzage bij het gemeentebestuur.
§ 12. De Minister kan [2 ...]2 zijn vertegenwoordiger aanwijzen, die met raadgevende stem zitting heeft in de gemeentelijke commissie.
Art. R. I.10-5_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Modalités de fonctionnement
§ 1er. Le collège communal désigne, parmi le personnel de l'administration communale, la personne qui assure le secrétariat de la Commission. Cette qualité est incompatible avec celle de président ou de membre de la Commission.
Le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme donne au président et aux membres de la Commission toutes les informations techniques et légales nécessaires afin que ceux-ci puissent délibérer efficacement.
§ 2. Le président et tout membre de la Commission communale sont tenus à la confidentialité des données personnelles des dossiers dont ils ont la connaissance, ainsi que des débats et des votes de la [1 commission]1 communale.
En cas de conflit d'intérêts, le président ou le membre quitte la séance de la Commission communale pour le point à débattre et pour le vote.
§ 3. Après décision du conseil communal ou du collège communal sur les dossiers soumis à l'avis de la Commission, l'autorité communale en informe la Commission et assure la publicité de ses avis.
§ 4. La Commission communale se réunit :
1° au moins quatre fois par an pour une Commission de huit membres;
2° au moins six fois par an pour une Commission de douze membres;
3° au moins huit fois par an pour une Commission de seize membres.
Le président convoque la réunion aux jour, heure et lieu fixés par le règlement d'ordre intérieur.
En outre, le président convoque la Commission communale à la demande du collège communal, lorsque l'avis de la Commission communale est requis en vertu d'une disposition législative ou règlementaire.
§ 5. Le président fixe l'ordre du jour de la réunion et le mentionne dans la convocation envoyée aux membres de la Commission huit jours ouvrables au moins avant la date fixée pour la réunion.
Une copie de la convocation est également envoyée :
1° à l'échevin ayant l'aménagement du territoire dans ses attributions;
2° à l'échevin ayant l'urbanisme dans ses attributions;
3° à l'échevin ayant la mobilité dans ses attributions
4° s'il existe, au conseiller en aménagement du territoire et urbanisme.
[1 Le membre effectif prévient le membre suppléant de son absence.]1
§ 6. La Commission peut, d'initiative, inviter des experts ou personnes particulièrement informés.
Ceux-ci assistent uniquement au point de l'ordre du jour pour lequel ils ont été invités. Ils n'ont pas droit de vote.
Les frais éventuels occasionnés par l'expertise font l'objet d'un accord préalable du collège communal.
§ 7. Les avis émis par la Commission communale sont dûment motivés et font état, le cas échéant, du résultat des votes. Ils sont inscrits dans un procès-verbal signé par le président et le secrétaire de la Commission communale.
§ 8. La Commission communale ne délibère valablement qu'en présence de la majorité des membres ayant droit de vote.
Le vote est acquis à la majorité simple. En cas d'égalité de voix, celle du président est prépondérante.
§ 9. Les membres de la Commission communale restent en fonction jusqu'à l'installation des membres qui leur succèdent.
§ 10. Lorsqu'il ne remplit plus la condition de domiciliation imposée ou lorsqu'il entre dans un cas d'incompatibilité établi par la présente section, le président, le membre ou son suppléant est réputé démissionnaire de plein droit.
§ 11. Le collège communal envoie le rapport de la Commission visé à l'article D.I.10, § 3, alinéa 2, [2 au département]2 pour le 30 juin de l'année qui suit l'installation du conseil communal à la suite des élections.
Le rapport d'activités est consultable à l'administration communale.
§ 12. Le Ministre peut désigner [2 ...]2 son représentant auprès de la Commission communale avec voix consultative.
Modalités de fonctionnement
§ 1er. Le collège communal désigne, parmi le personnel de l'administration communale, la personne qui assure le secrétariat de la Commission. Cette qualité est incompatible avec celle de président ou de membre de la Commission.
Le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme donne au président et aux membres de la Commission toutes les informations techniques et légales nécessaires afin que ceux-ci puissent délibérer efficacement.
§ 2. Le président et tout membre de la Commission communale sont tenus à la confidentialité des données personnelles des dossiers dont ils ont la connaissance, ainsi que des débats et des votes de la [1 commission]1 communale.
En cas de conflit d'intérêts, le président ou le membre quitte la séance de la Commission communale pour le point à débattre et pour le vote.
§ 3. Après décision du conseil communal ou du collège communal sur les dossiers soumis à l'avis de la Commission, l'autorité communale en informe la Commission et assure la publicité de ses avis.
§ 4. La Commission communale se réunit :
1° au moins quatre fois par an pour une Commission de huit membres;
2° au moins six fois par an pour une Commission de douze membres;
3° au moins huit fois par an pour une Commission de seize membres.
Le président convoque la réunion aux jour, heure et lieu fixés par le règlement d'ordre intérieur.
En outre, le président convoque la Commission communale à la demande du collège communal, lorsque l'avis de la Commission communale est requis en vertu d'une disposition législative ou règlementaire.
§ 5. Le président fixe l'ordre du jour de la réunion et le mentionne dans la convocation envoyée aux membres de la Commission huit jours ouvrables au moins avant la date fixée pour la réunion.
Une copie de la convocation est également envoyée :
1° à l'échevin ayant l'aménagement du territoire dans ses attributions;
2° à l'échevin ayant l'urbanisme dans ses attributions;
3° à l'échevin ayant la mobilité dans ses attributions
4° s'il existe, au conseiller en aménagement du territoire et urbanisme.
[1 Le membre effectif prévient le membre suppléant de son absence.]1
§ 6. La Commission peut, d'initiative, inviter des experts ou personnes particulièrement informés.
Ceux-ci assistent uniquement au point de l'ordre du jour pour lequel ils ont été invités. Ils n'ont pas droit de vote.
Les frais éventuels occasionnés par l'expertise font l'objet d'un accord préalable du collège communal.
§ 7. Les avis émis par la Commission communale sont dûment motivés et font état, le cas échéant, du résultat des votes. Ils sont inscrits dans un procès-verbal signé par le président et le secrétaire de la Commission communale.
§ 8. La Commission communale ne délibère valablement qu'en présence de la majorité des membres ayant droit de vote.
Le vote est acquis à la majorité simple. En cas d'égalité de voix, celle du président est prépondérante.
§ 9. Les membres de la Commission communale restent en fonction jusqu'à l'installation des membres qui leur succèdent.
§ 10. Lorsqu'il ne remplit plus la condition de domiciliation imposée ou lorsqu'il entre dans un cas d'incompatibilité établi par la présente section, le président, le membre ou son suppléant est réputé démissionnaire de plein droit.
§ 11. Le collège communal envoie le rapport de la Commission visé à l'article D.I.10, § 3, alinéa 2, [2 au département]2 pour le 30 juin de l'année qui suit l'installation du conseil communal à la suite des élections.
Le rapport d'activités est consultable à l'administration communale.
§ 12. Le Ministre peut désigner [2 ...]2 son représentant auprès de la Commission communale avec voix consultative.
HOOFDSTUK IV. - Erkenningen
CHAPITRE IV. - Agréments
Art. R. I.11-1. Soorten erkenningen.
De Minister erkent, volgens onderstaande criteria en procedures, de natuurlijke of publiek- of privaatrechtelijke rechtspersonen die belast kunnen worden met :
1° de opmaak of de herziening van het (meer-)gemeentelijk ontwikkelingsplan, "erkenning type 1" genoemd;
2° de opmaak of de herziening van het plaatselijke beleidsontwikkelingsplan en de gemeentelijke handleiding voor stedenbouw, "erkenning type 2" genoemd.
De Minister erkent, volgens onderstaande criteria en procedures, de natuurlijke of publiek- of privaatrechtelijke rechtspersonen die belast kunnen worden met :
1° de opmaak of de herziening van het (meer-)gemeentelijk ontwikkelingsplan, "erkenning type 1" genoemd;
2° de opmaak of de herziening van het plaatselijke beleidsontwikkelingsplan en de gemeentelijke handleiding voor stedenbouw, "erkenning type 2" genoemd.
Art. R. I.11-1. Types d'agrément
Le Ministre agrée, selon les critères et procédures décrits ci-dessous, les personnes physiques ou morales, privées ou publiques qui peuvent être chargées :
1° de l'élaboration ou de la révision du schéma de développement pluricommunal, du schéma de développement communal, dit " agrément de type 1 ";
2° de l'élaboration ou de la révision du schéma d'orientation local et du guide communal d'urbanisme, dit " agrément de type 2 ".
Le Ministre agrée, selon les critères et procédures décrits ci-dessous, les personnes physiques ou morales, privées ou publiques qui peuvent être chargées :
1° de l'élaboration ou de la révision du schéma de développement pluricommunal, du schéma de développement communal, dit " agrément de type 1 ";
2° de l'élaboration ou de la révision du schéma d'orientation local et du guide communal d'urbanisme, dit " agrément de type 2 ".
Art. R. I.11-2. Erkenningsvoorwaarden.
§ 1. De erkenning type 1 wordt verleend aan iedere rechtspersoon die onder haar personeel of medewerkers minstens één natuurlijke persoon telt die een vorming heeft gevolgd in ruimtelijke ordening of stedenbouw of over een nuttige ervaring beschikt ten opzichte van de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw verwoord in artikel D.I.1, § 1; laatstgenoemde persoon is per overeenkomst verbonden aan de rechtspersoon en haar naam wordt op alle stukken in de hoedanigheid van gemandateerd persoon vermeld.
Onder natuurlijke persoon die een vorming heeft gevolgd in ruimtelijke ordening of stedenbouw voor de erkenning van type 1 wordt iedere persoon verstaan die een diploma van het hoger onderwijs bezit in de zin van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies, waarbij een vorming van minstens zestig kredieten aangetoond wordt in de vakgebieden stedenbouw en ruimtelijke ordening.
Onder natuurlijke persoon die over een nuttige ervaring beschikt voor de erkenning type 1 wordt de natuurlijke persoon verstaan die verantwoordelijk was voor de opmaak of de herziening of deel uitmaakt van een team dat zorgde voor de opmaak of herziening van minstens drie (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen, goedgekeurd door de Regering of de Minister, of van minstens drie gelijksoortige akten van stedenbouw of ruimtelijke ordening, aangenomen in een ander Gewest of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
De rechtspersoon toont aan dat ze over een multidisciplinair team beschikt dat onderling aanvullende competenties bezit in de vakgebieden in verband met stedenbouw, ruimtelijke ordening en leefmilieu.
§ 2. De erkenning type 2 wordt verleend :
1° aan iedere natuurlijke persoon die een vorming heeft gevolgd inzake ruimtelijke ordening of stedenbouw of architectuur, of over een nuttige ervaring beschikt ten opzichte van de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw verwoord in artikel D.I.1, § 1;
2° aan iedere rechtspersoon die onder haar personeel of medewerkers minstens één natuurlijke persoon telt die de voorwaarden, verwoord onder 1°, vervult en die met laatstgenoemde persoon per overeenkomst verbonden is; de naam van de natuurlijke persoon wordt op alle stukken in de hoedanigheid van gemandateerd persoon vermeld; de rechtspersoon heeft als maatschappelijk doel aangelegenheden inzake ruimtelijke ordening of stedenbouw.
Onder natuurlijke persoon die een vorming heeft gevolgd in ruimtelijke ordening of stedenbouw of architectuur voor de erkenning van type 2 wordt iedere persoon bedoeld in lid 2, paragraaf 1, verstaan, dan wel iedere burgerlijk ingenieur architect of iedere architect die een diploma van het hoger onderwijs bezit in de zin van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies, waarbij een vorming van minstens tien kredieten aangetoond wordt in de vakgebieden stedenbouw en ruimtelijke ordening.
Onder natuurlijke persoon die over een nuttige ervaring beschikt voor de erkenning type 2 wordt de natuurlijke persoon verstaan die verantwoordelijk was voor de opmaak of de herziening of deel uitmaakt van een team dat zorgde voor de opmaak of herziening van minstens drie plaatselijke ontwikkelingsplannen of gemeentelijke handleidingen voor stedenbouw, aangenomen of goedgekeurd door de Regering of de Minister, of van minstens drie gelijksoortige akten van stedenbouw of ruimtelijke ordening, aangenomen in een ander Gewest of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
§ 3. Iedere persoon kan mits verantwoording een erkenning of een gelijkwaardig diploma laten gelden voor elke erkenningscategorie, bij dit hoofdstuk vastgelegd en verleend in een ander Gewest van een Lid-Staat van de Europese Unie of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
§ 1. De erkenning type 1 wordt verleend aan iedere rechtspersoon die onder haar personeel of medewerkers minstens één natuurlijke persoon telt die een vorming heeft gevolgd in ruimtelijke ordening of stedenbouw of over een nuttige ervaring beschikt ten opzichte van de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw verwoord in artikel D.I.1, § 1; laatstgenoemde persoon is per overeenkomst verbonden aan de rechtspersoon en haar naam wordt op alle stukken in de hoedanigheid van gemandateerd persoon vermeld.
Onder natuurlijke persoon die een vorming heeft gevolgd in ruimtelijke ordening of stedenbouw voor de erkenning van type 1 wordt iedere persoon verstaan die een diploma van het hoger onderwijs bezit in de zin van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies, waarbij een vorming van minstens zestig kredieten aangetoond wordt in de vakgebieden stedenbouw en ruimtelijke ordening.
Onder natuurlijke persoon die over een nuttige ervaring beschikt voor de erkenning type 1 wordt de natuurlijke persoon verstaan die verantwoordelijk was voor de opmaak of de herziening of deel uitmaakt van een team dat zorgde voor de opmaak of herziening van minstens drie (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen, goedgekeurd door de Regering of de Minister, of van minstens drie gelijksoortige akten van stedenbouw of ruimtelijke ordening, aangenomen in een ander Gewest of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
De rechtspersoon toont aan dat ze over een multidisciplinair team beschikt dat onderling aanvullende competenties bezit in de vakgebieden in verband met stedenbouw, ruimtelijke ordening en leefmilieu.
§ 2. De erkenning type 2 wordt verleend :
1° aan iedere natuurlijke persoon die een vorming heeft gevolgd inzake ruimtelijke ordening of stedenbouw of architectuur, of over een nuttige ervaring beschikt ten opzichte van de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw verwoord in artikel D.I.1, § 1;
2° aan iedere rechtspersoon die onder haar personeel of medewerkers minstens één natuurlijke persoon telt die de voorwaarden, verwoord onder 1°, vervult en die met laatstgenoemde persoon per overeenkomst verbonden is; de naam van de natuurlijke persoon wordt op alle stukken in de hoedanigheid van gemandateerd persoon vermeld; de rechtspersoon heeft als maatschappelijk doel aangelegenheden inzake ruimtelijke ordening of stedenbouw.
Onder natuurlijke persoon die een vorming heeft gevolgd in ruimtelijke ordening of stedenbouw of architectuur voor de erkenning van type 2 wordt iedere persoon bedoeld in lid 2, paragraaf 1, verstaan, dan wel iedere burgerlijk ingenieur architect of iedere architect die een diploma van het hoger onderwijs bezit in de zin van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies, waarbij een vorming van minstens tien kredieten aangetoond wordt in de vakgebieden stedenbouw en ruimtelijke ordening.
Onder natuurlijke persoon die over een nuttige ervaring beschikt voor de erkenning type 2 wordt de natuurlijke persoon verstaan die verantwoordelijk was voor de opmaak of de herziening of deel uitmaakt van een team dat zorgde voor de opmaak of herziening van minstens drie plaatselijke ontwikkelingsplannen of gemeentelijke handleidingen voor stedenbouw, aangenomen of goedgekeurd door de Regering of de Minister, of van minstens drie gelijksoortige akten van stedenbouw of ruimtelijke ordening, aangenomen in een ander Gewest of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
§ 3. Iedere persoon kan mits verantwoording een erkenning of een gelijkwaardig diploma laten gelden voor elke erkenningscategorie, bij dit hoofdstuk vastgelegd en verleend in een ander Gewest van een Lid-Staat van de Europese Unie of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
Art. R. I.11-2. Conditions d'agrément
§ 1er. L'agrément de type 1 est accordé à toute personne morale qui compte parmi son personnel ou ses collaborateurs au moins une personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme ou d'une expérience utile au regard des objectifs d'aménagement et d'urbanisme énoncés à l'article D.I.1, § 1er; cette dernière est liée à la personne morale par une convention et son nom figure sur tous les documents produits en tant que mandataire.
Par personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme pour l'agrément de type 1, on entend toute personne ayant obtenu un diplôme de l'enseignement supérieur au sens du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études, justifiant d'une formation d'au moins soixante crédits dans le domaine de l'urbanisme et de l'aménagement du territoire.
Par personne physique disposant d'une expérience utile pour l'agrément de type 1, on entend la personne physique qui a élaboré ou révisé ou fait partie de l'équipe qui a élaboré ou révisé au moins trois schémas de développement pluricommunaux ou communaux approuvés par le Gouvernement ou par le Ministre ou au moins trois documents d'urbanisme ou d'aménagement du territoire à l'objet analogue adoptés dans une autre région ou dans un autre état membre de l'Union européenne.
La personne morale démontre qu'elle dispose d'une équipe pluridisciplinaire présentant des compétences complémentaires dans les disciplines relatives à l'urbanisme, l'aménagement du territoire et l'environnement.
§ 2. L'agrément de type 2 est accordé :
1° à toute personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme ou en architecture, ou d'une expérience utile au regard des objectifs d'aménagement et d'urbanisme énoncés à l'article D.I.1, § 1er;
2° à toute personne morale qui compte parmi son personnel ou ses collaborateurs au moins une personne physique remplissant les conditions énoncées au 1° et liée avec elle par une convention; le nom de la personne physique figure sur tous les documents produits en tant que mandataire; la personne morale a dans son objet social les matières relatives à l'aménagement du territoire ou à l'urbanisme.
Par personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme ou en architecture pour l'agrément de type 2, on entend toute personne visée à l'alinéa 2 du paragraphe 1er, ou tout ingénieur civil architecte ou architecte ayant obtenu un diplôme de l'enseignement supérieur, au sens du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études, justifiant d'une une formation d'au moins dix crédits dans le domaine de l'urbanisme et de l'aménagement du territoire.
Par personne physique disposant d'une expérience utile pour l'agrément de type 2, on entend la personne physique qui a élaboré ou révisé ou fait partie de l'équipe qui a élaboré ou révisé au moins trois schémas d'orientation locaux ou guides communaux d'urbanisme adoptés ou approuvés par le Gouvernement ou le Ministre, ou au moins trois documents d'urbanisme ou d'aménagement du territoire à l'objet analogue adoptés dans une autre région ou dans un autre état membre de l'Union européenne.
§ 3. Toute personne peut se prévaloir, en le justifiant, d'un agrément ou d'un diplôme équivalent pour chaque catégorie d'agrément arrêtée par le présent chapitre et octroyé dans une autre Région d'un Etat membre de l'Union européenne ou par un autre Etat membre de l'Union européenne.
§ 1er. L'agrément de type 1 est accordé à toute personne morale qui compte parmi son personnel ou ses collaborateurs au moins une personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme ou d'une expérience utile au regard des objectifs d'aménagement et d'urbanisme énoncés à l'article D.I.1, § 1er; cette dernière est liée à la personne morale par une convention et son nom figure sur tous les documents produits en tant que mandataire.
Par personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme pour l'agrément de type 1, on entend toute personne ayant obtenu un diplôme de l'enseignement supérieur au sens du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études, justifiant d'une formation d'au moins soixante crédits dans le domaine de l'urbanisme et de l'aménagement du territoire.
Par personne physique disposant d'une expérience utile pour l'agrément de type 1, on entend la personne physique qui a élaboré ou révisé ou fait partie de l'équipe qui a élaboré ou révisé au moins trois schémas de développement pluricommunaux ou communaux approuvés par le Gouvernement ou par le Ministre ou au moins trois documents d'urbanisme ou d'aménagement du territoire à l'objet analogue adoptés dans une autre région ou dans un autre état membre de l'Union européenne.
La personne morale démontre qu'elle dispose d'une équipe pluridisciplinaire présentant des compétences complémentaires dans les disciplines relatives à l'urbanisme, l'aménagement du territoire et l'environnement.
§ 2. L'agrément de type 2 est accordé :
1° à toute personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme ou en architecture, ou d'une expérience utile au regard des objectifs d'aménagement et d'urbanisme énoncés à l'article D.I.1, § 1er;
2° à toute personne morale qui compte parmi son personnel ou ses collaborateurs au moins une personne physique remplissant les conditions énoncées au 1° et liée avec elle par une convention; le nom de la personne physique figure sur tous les documents produits en tant que mandataire; la personne morale a dans son objet social les matières relatives à l'aménagement du territoire ou à l'urbanisme.
Par personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme ou en architecture pour l'agrément de type 2, on entend toute personne visée à l'alinéa 2 du paragraphe 1er, ou tout ingénieur civil architecte ou architecte ayant obtenu un diplôme de l'enseignement supérieur, au sens du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études, justifiant d'une une formation d'au moins dix crédits dans le domaine de l'urbanisme et de l'aménagement du territoire.
Par personne physique disposant d'une expérience utile pour l'agrément de type 2, on entend la personne physique qui a élaboré ou révisé ou fait partie de l'équipe qui a élaboré ou révisé au moins trois schémas d'orientation locaux ou guides communaux d'urbanisme adoptés ou approuvés par le Gouvernement ou le Ministre, ou au moins trois documents d'urbanisme ou d'aménagement du territoire à l'objet analogue adoptés dans une autre région ou dans un autre état membre de l'Union européenne.
§ 3. Toute personne peut se prévaloir, en le justifiant, d'un agrément ou d'un diplôme équivalent pour chaque catégorie d'agrément arrêtée par le présent chapitre et octroyé dans une autre Région d'un Etat membre de l'Union européenne ou par un autre Etat membre de l'Union européenne.
Art. R. I.11-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Erkenningsvoorwaarden.
§ 1. De erkenning type 1 wordt verleend aan iedere rechtspersoon die onder haar personeel of medewerkers minstens één natuurlijke persoon telt die een vorming heeft gevolgd in ruimtelijke ordening of stedenbouw of over een nuttige ervaring beschikt ten opzichte van de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw verwoord in artikel D.I.1, § 1; laatstgenoemde persoon is per overeenkomst verbonden aan de rechtspersoon en haar naam wordt op alle stukken in de hoedanigheid van gemandateerd persoon vermeld.
Onder natuurlijke persoon die een vorming heeft gevolgd in ruimtelijke ordening of stedenbouw voor de erkenning van type 1 wordt iedere persoon verstaan die een diploma van het hoger onderwijs bezit [1 ...]1, waarbij een vorming van minstens zestig kredieten aangetoond wordt in de vakgebieden stedenbouw en ruimtelijke ordening.
Onder natuurlijke persoon die over een nuttige ervaring beschikt voor de erkenning type 1 wordt de natuurlijke persoon verstaan die verantwoordelijk was voor de opmaak of de herziening of deel uitmaakt van een team dat zorgde voor de opmaak of herziening van minstens drie (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen, goedgekeurd door de Regering of de Minister, of van minstens drie gelijksoortige akten van stedenbouw of ruimtelijke ordening, aangenomen in een ander Gewest of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
De rechtspersoon toont aan dat ze over een multidisciplinair team beschikt dat onderling aanvullende competenties bezit in de vakgebieden in verband met stedenbouw, ruimtelijke ordening en leefmilieu.
§ 2. De erkenning type 2 wordt verleend :
1° aan iedere natuurlijke persoon die een vorming heeft gevolgd inzake ruimtelijke ordening of stedenbouw of architectuur, of over een nuttige ervaring beschikt ten opzichte van de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw verwoord in artikel D.I.1, § 1;
2° aan iedere rechtspersoon die onder haar personeel of medewerkers minstens één natuurlijke persoon telt die de voorwaarden, verwoord onder 1°, vervult en die met laatstgenoemde persoon per overeenkomst verbonden is; de naam van de natuurlijke persoon wordt op alle stukken in de hoedanigheid van gemandateerd persoon vermeld; de rechtspersoon heeft als maatschappelijk doel aangelegenheden inzake ruimtelijke ordening of stedenbouw.
Onder natuurlijke persoon die een vorming heeft gevolgd in ruimtelijke ordening of stedenbouw of architectuur voor de erkenning van type 2 wordt iedere persoon bedoeld in lid 2, paragraaf 1, verstaan, dan wel iedere burgerlijk ingenieur architect of iedere architect die een diploma van het hoger onderwijs bezit [1 ...]1, waarbij een vorming van minstens tien kredieten aangetoond wordt in de vakgebieden stedenbouw en ruimtelijke ordening.
Onder natuurlijke persoon die over een nuttige ervaring beschikt voor de erkenning type 2 wordt de natuurlijke persoon verstaan die verantwoordelijk was voor de opmaak of de herziening of deel uitmaakt van een team dat zorgde voor de opmaak of herziening van minstens drie plaatselijke ontwikkelingsplannen of gemeentelijke handleidingen voor stedenbouw, aangenomen of goedgekeurd door de Regering of de Minister, of van minstens drie gelijksoortige akten van stedenbouw of ruimtelijke ordening, aangenomen in een ander Gewest of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
§ 3. Iedere persoon kan mits verantwoording een erkenning of een gelijkwaardig diploma laten gelden voor elke erkenningscategorie, bij dit hoofdstuk vastgelegd en verleend in een ander Gewest van een Lid-Staat van de Europese Unie of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
Erkenningsvoorwaarden.
§ 1. De erkenning type 1 wordt verleend aan iedere rechtspersoon die onder haar personeel of medewerkers minstens één natuurlijke persoon telt die een vorming heeft gevolgd in ruimtelijke ordening of stedenbouw of over een nuttige ervaring beschikt ten opzichte van de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw verwoord in artikel D.I.1, § 1; laatstgenoemde persoon is per overeenkomst verbonden aan de rechtspersoon en haar naam wordt op alle stukken in de hoedanigheid van gemandateerd persoon vermeld.
Onder natuurlijke persoon die een vorming heeft gevolgd in ruimtelijke ordening of stedenbouw voor de erkenning van type 1 wordt iedere persoon verstaan die een diploma van het hoger onderwijs bezit [1 ...]1, waarbij een vorming van minstens zestig kredieten aangetoond wordt in de vakgebieden stedenbouw en ruimtelijke ordening.
Onder natuurlijke persoon die over een nuttige ervaring beschikt voor de erkenning type 1 wordt de natuurlijke persoon verstaan die verantwoordelijk was voor de opmaak of de herziening of deel uitmaakt van een team dat zorgde voor de opmaak of herziening van minstens drie (meer)gemeentelijke ontwikkelingsplannen, goedgekeurd door de Regering of de Minister, of van minstens drie gelijksoortige akten van stedenbouw of ruimtelijke ordening, aangenomen in een ander Gewest of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
De rechtspersoon toont aan dat ze over een multidisciplinair team beschikt dat onderling aanvullende competenties bezit in de vakgebieden in verband met stedenbouw, ruimtelijke ordening en leefmilieu.
§ 2. De erkenning type 2 wordt verleend :
1° aan iedere natuurlijke persoon die een vorming heeft gevolgd inzake ruimtelijke ordening of stedenbouw of architectuur, of over een nuttige ervaring beschikt ten opzichte van de doelstellingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw verwoord in artikel D.I.1, § 1;
2° aan iedere rechtspersoon die onder haar personeel of medewerkers minstens één natuurlijke persoon telt die de voorwaarden, verwoord onder 1°, vervult en die met laatstgenoemde persoon per overeenkomst verbonden is; de naam van de natuurlijke persoon wordt op alle stukken in de hoedanigheid van gemandateerd persoon vermeld; de rechtspersoon heeft als maatschappelijk doel aangelegenheden inzake ruimtelijke ordening of stedenbouw.
Onder natuurlijke persoon die een vorming heeft gevolgd in ruimtelijke ordening of stedenbouw of architectuur voor de erkenning van type 2 wordt iedere persoon bedoeld in lid 2, paragraaf 1, verstaan, dan wel iedere burgerlijk ingenieur architect of iedere architect die een diploma van het hoger onderwijs bezit [1 ...]1, waarbij een vorming van minstens tien kredieten aangetoond wordt in de vakgebieden stedenbouw en ruimtelijke ordening.
Onder natuurlijke persoon die over een nuttige ervaring beschikt voor de erkenning type 2 wordt de natuurlijke persoon verstaan die verantwoordelijk was voor de opmaak of de herziening of deel uitmaakt van een team dat zorgde voor de opmaak of herziening van minstens drie plaatselijke ontwikkelingsplannen of gemeentelijke handleidingen voor stedenbouw, aangenomen of goedgekeurd door de Regering of de Minister, of van minstens drie gelijksoortige akten van stedenbouw of ruimtelijke ordening, aangenomen in een ander Gewest of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
§ 3. Iedere persoon kan mits verantwoording een erkenning of een gelijkwaardig diploma laten gelden voor elke erkenningscategorie, bij dit hoofdstuk vastgelegd en verleend in een ander Gewest van een Lid-Staat van de Europese Unie of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
Art. R. I.11-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Conditions d'agrément
§ 1er. L'agrément de type 1 est accordé à toute personne morale qui compte parmi son personnel ou ses collaborateurs au moins une personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme ou d'une expérience utile au regard des objectifs d'aménagement et d'urbanisme énoncés à l'article D.I.1, § 1er; cette dernière est liée à la personne morale par une convention et son nom figure sur tous les documents produits en tant que mandataire.
Par personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme pour l'agrément de type 1, on entend toute personne ayant obtenu un diplôme de l'enseignement supérieur [1 ...]1, justifiant d'une formation d'au moins soixante crédits dans le domaine de l'urbanisme et de l'aménagement du territoire.
Par personne physique disposant d'une expérience utile pour l'agrément de type 1, on entend la personne physique qui a élaboré ou révisé ou fait partie de l'équipe qui a élaboré ou révisé au moins trois schémas de développement pluricommunaux ou communaux approuvés par le Gouvernement ou par le Ministre ou au moins trois documents d'urbanisme ou d'aménagement du territoire à l'objet analogue adoptés dans une autre région ou dans un autre état membre de l'Union européenne.
La personne morale démontre qu'elle dispose d'une équipe pluridisciplinaire présentant des compétences complémentaires dans les disciplines relatives à l'urbanisme, l'aménagement du territoire et l'environnement.
§ 2. L'agrément de type 2 est accordé :
1° à toute personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme ou en architecture, ou d'une expérience utile au regard des objectifs d'aménagement et d'urbanisme énoncés à l'article D.I.1, § 1er;
2° à toute personne morale qui compte parmi son personnel ou ses collaborateurs au moins une personne physique remplissant les conditions énoncées au 1° et liée avec elle par une convention; le nom de la personne physique figure sur tous les documents produits en tant que mandataire; la personne morale a dans son objet social les matières relatives à l'aménagement du territoire ou à l'urbanisme.
Par personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme ou en architecture pour l'agrément de type 2, on entend toute personne visée à l'alinéa 2 du paragraphe 1er, ou tout ingénieur civil architecte ou architecte ayant obtenu un diplôme de l'enseignement supérieur, [1 ...]1 justifiant d'une une formation d'au moins dix crédits dans le domaine de l'urbanisme et de l'aménagement du territoire.
Par personne physique disposant d'une expérience utile pour l'agrément de type 2, on entend la personne physique qui a élaboré ou révisé ou fait partie de l'équipe qui a élaboré ou révisé au moins trois schémas d'orientation locaux ou guides communaux d'urbanisme adoptés ou approuvés par le Gouvernement ou le Ministre, ou au moins trois documents d'urbanisme ou d'aménagement du territoire à l'objet analogue adoptés dans une autre région ou dans un autre état membre de l'Union européenne.
§ 3. Toute personne peut se prévaloir, en le justifiant, d'un agrément ou d'un diplôme équivalent pour chaque catégorie d'agrément arrêtée par le présent chapitre et octroyé dans une autre Région d'un Etat membre de l'Union européenne ou par un autre Etat membre de l'Union européenne.
Conditions d'agrément
§ 1er. L'agrément de type 1 est accordé à toute personne morale qui compte parmi son personnel ou ses collaborateurs au moins une personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme ou d'une expérience utile au regard des objectifs d'aménagement et d'urbanisme énoncés à l'article D.I.1, § 1er; cette dernière est liée à la personne morale par une convention et son nom figure sur tous les documents produits en tant que mandataire.
Par personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme pour l'agrément de type 1, on entend toute personne ayant obtenu un diplôme de l'enseignement supérieur [1 ...]1, justifiant d'une formation d'au moins soixante crédits dans le domaine de l'urbanisme et de l'aménagement du territoire.
Par personne physique disposant d'une expérience utile pour l'agrément de type 1, on entend la personne physique qui a élaboré ou révisé ou fait partie de l'équipe qui a élaboré ou révisé au moins trois schémas de développement pluricommunaux ou communaux approuvés par le Gouvernement ou par le Ministre ou au moins trois documents d'urbanisme ou d'aménagement du territoire à l'objet analogue adoptés dans une autre région ou dans un autre état membre de l'Union européenne.
La personne morale démontre qu'elle dispose d'une équipe pluridisciplinaire présentant des compétences complémentaires dans les disciplines relatives à l'urbanisme, l'aménagement du territoire et l'environnement.
§ 2. L'agrément de type 2 est accordé :
1° à toute personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme ou en architecture, ou d'une expérience utile au regard des objectifs d'aménagement et d'urbanisme énoncés à l'article D.I.1, § 1er;
2° à toute personne morale qui compte parmi son personnel ou ses collaborateurs au moins une personne physique remplissant les conditions énoncées au 1° et liée avec elle par une convention; le nom de la personne physique figure sur tous les documents produits en tant que mandataire; la personne morale a dans son objet social les matières relatives à l'aménagement du territoire ou à l'urbanisme.
Par personne physique disposant d'une formation en aménagement du territoire ou en urbanisme ou en architecture pour l'agrément de type 2, on entend toute personne visée à l'alinéa 2 du paragraphe 1er, ou tout ingénieur civil architecte ou architecte ayant obtenu un diplôme de l'enseignement supérieur, [1 ...]1 justifiant d'une une formation d'au moins dix crédits dans le domaine de l'urbanisme et de l'aménagement du territoire.
Par personne physique disposant d'une expérience utile pour l'agrément de type 2, on entend la personne physique qui a élaboré ou révisé ou fait partie de l'équipe qui a élaboré ou révisé au moins trois schémas d'orientation locaux ou guides communaux d'urbanisme adoptés ou approuvés par le Gouvernement ou le Ministre, ou au moins trois documents d'urbanisme ou d'aménagement du territoire à l'objet analogue adoptés dans une autre région ou dans un autre état membre de l'Union européenne.
§ 3. Toute personne peut se prévaloir, en le justifiant, d'un agrément ou d'un diplôme équivalent pour chaque catégorie d'agrément arrêtée par le présent chapitre et octroyé dans une autre Région d'un Etat membre de l'Union européenne ou par un autre Etat membre de l'Union européenne.
Wijzigingen
Art. R. I.11-3.Erkenningsprocedure.
§ 1. Het erkenningsaanvraagdossier wordt aan DGO4 gericht en bevat :
1° het (de) aangevraagde erkenningstype(s);
2° indien het een natuurlijke persoon betreft, haar naam, titels, diploma's en referenties;
3° indien het een rechtspersoon betreft, haar maatschappelijk doel en de namen, titels, diploma's en referenties van de mandataris en de overeenkomst die ze bindt;
4° als het een erkenning van type 1 betreft, de namen, titels, diploma's en referenties van de leden van het multidisciplinair team dat de onderling aanvullende competenties aantoont in de vakgebieden met betrekking tot stedenbouw, ruimtelijke ordening en leefmilieu;
5° bij gebreke van het vereiste diploma, elk stuk waarmee een nuttige ervaring aangetoond wordt in de zin van artikel R.I.II-2, § 1, lid 3, of § 2, lid 3;
6° elk stuk waarmee een gelijkwaardige erkenning aangetoond wordt voor elke erkenningscategorie, bij dit hoofdstuk vastgelegd en verleend in een ander Gewest van een Lid-Staat van de Europese Unie of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
§ 2. Binnen de twintig dagen na ontvangst van het dossier richt DGO4 een bericht van ontvangst of een lijst van de ontbrekende stukken aan de aanvrager. Binnen dezelfde termijn richt [1 de administratie]1, als het dossier volledig is, een voorstel tot beslissing aan de Minister. Het bericht van ontvangst vermeldt de termijn waarbinnen de beslissing verstuurd wordt.
Binnen de dertig dagen te rekenen van het verzenden van het bericht van ontvangst van het volledige dossier richt de Minister zijn beslissing aan de natuurlijke of de rechtspersoon.
De erkenning loopt te rekenen van de datum van de beslissing tot erkenning.
De beslissing tot toekenning van de erkenning wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1 bekendgemaakt.
§ 1. Het erkenningsaanvraagdossier wordt aan DGO4 gericht en bevat :
1° het (de) aangevraagde erkenningstype(s);
2° indien het een natuurlijke persoon betreft, haar naam, titels, diploma's en referenties;
3° indien het een rechtspersoon betreft, haar maatschappelijk doel en de namen, titels, diploma's en referenties van de mandataris en de overeenkomst die ze bindt;
4° als het een erkenning van type 1 betreft, de namen, titels, diploma's en referenties van de leden van het multidisciplinair team dat de onderling aanvullende competenties aantoont in de vakgebieden met betrekking tot stedenbouw, ruimtelijke ordening en leefmilieu;
5° bij gebreke van het vereiste diploma, elk stuk waarmee een nuttige ervaring aangetoond wordt in de zin van artikel R.I.II-2, § 1, lid 3, of § 2, lid 3;
6° elk stuk waarmee een gelijkwaardige erkenning aangetoond wordt voor elke erkenningscategorie, bij dit hoofdstuk vastgelegd en verleend in een ander Gewest van een Lid-Staat van de Europese Unie of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
§ 2. Binnen de twintig dagen na ontvangst van het dossier richt DGO4 een bericht van ontvangst of een lijst van de ontbrekende stukken aan de aanvrager. Binnen dezelfde termijn richt [1 de administratie]1, als het dossier volledig is, een voorstel tot beslissing aan de Minister. Het bericht van ontvangst vermeldt de termijn waarbinnen de beslissing verstuurd wordt.
Binnen de dertig dagen te rekenen van het verzenden van het bericht van ontvangst van het volledige dossier richt de Minister zijn beslissing aan de natuurlijke of de rechtspersoon.
De erkenning loopt te rekenen van de datum van de beslissing tot erkenning.
De beslissing tot toekenning van de erkenning wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1 bekendgemaakt.
Art. R. I.11-3.Procédure d'agrément
§ 1er. Le dossier de demande d'agrément est envoyé à [1 l'administration]1 et comprend :
1° le type ou les types d'agréments sollicités;
2° s'il s'agit d'une personne physique, ses nom, titres, diplômes et références;
3° s'il s'agit d'une personne morale, son objet social et les noms, titres, diplômes et références du mandataire et la convention qui les lie;
4° s'il s'agit d'un agrément de type 1, les noms, titres, diplômes et références des membres de l'équipe pluridisciplinaire démontrant les compétences complémentaires dans les disciplines relatives à l'urbanisme, l'aménagement du territoire et l'environnement;
5° à défaut du diplôme requis, toute pièce justifiant d'une expérience utile au sens de l'article R.I.II-2, § 1er, alinéa 3, ou § 2, alinéa 3;
6° toute pièce justifiant d'un agrément équivalent pour chaque catégorie d'agrément arrêtée par le présent chapitre et octroyé dans une autre Région d'un Etat membre de l'Union européenne ou par un autre Etat membre de l'Union européenne.
§ 2. Dans les vingt jours de la réception du dossier, [1 l'administration]1 envoie au demandeur un accusé de réception ou un relevé des pièces manquantes. Dans le même délai, si le dossier est complet, [1 l'administration]1 envoie une proposition de décision au Ministre. L'accusé de réception mentionne le délai endéans lequel la décision est envoyée.
Dans les trente jours à dater de l'envoi de l'accusé de réception du dossier complet, le Ministre envoie sa décision à la personne physique ou morale.
L'agrément prend cours à la date de la décision d'agrément.
La décision octroyant un agrément est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés est publiée sur le site Internet du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1.
§ 1er. Le dossier de demande d'agrément est envoyé à [1 l'administration]1 et comprend :
1° le type ou les types d'agréments sollicités;
2° s'il s'agit d'une personne physique, ses nom, titres, diplômes et références;
3° s'il s'agit d'une personne morale, son objet social et les noms, titres, diplômes et références du mandataire et la convention qui les lie;
4° s'il s'agit d'un agrément de type 1, les noms, titres, diplômes et références des membres de l'équipe pluridisciplinaire démontrant les compétences complémentaires dans les disciplines relatives à l'urbanisme, l'aménagement du territoire et l'environnement;
5° à défaut du diplôme requis, toute pièce justifiant d'une expérience utile au sens de l'article R.I.II-2, § 1er, alinéa 3, ou § 2, alinéa 3;
6° toute pièce justifiant d'un agrément équivalent pour chaque catégorie d'agrément arrêtée par le présent chapitre et octroyé dans une autre Région d'un Etat membre de l'Union européenne ou par un autre Etat membre de l'Union européenne.
§ 2. Dans les vingt jours de la réception du dossier, [1 l'administration]1 envoie au demandeur un accusé de réception ou un relevé des pièces manquantes. Dans le même délai, si le dossier est complet, [1 l'administration]1 envoie une proposition de décision au Ministre. L'accusé de réception mentionne le délai endéans lequel la décision est envoyée.
Dans les trente jours à dater de l'envoi de l'accusé de réception du dossier complet, le Ministre envoie sa décision à la personne physique ou morale.
L'agrément prend cours à la date de la décision d'agrément.
La décision octroyant un agrément est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés est publiée sur le site Internet du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1.
Wijzigingen
Art. R. I.11-3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Erkenningsprocedure.
§ 1. Het erkenningsaanvraagdossier wordt aan [1 het departement]1 gericht en bevat :
1° het (de) aangevraagde erkenningstype(s);
2° indien het een natuurlijke persoon betreft, haar naam, titels, diploma's en referenties;
3° indien het een rechtspersoon betreft, haar maatschappelijk doel en de namen, titels, diploma's en referenties van de mandataris en de overeenkomst die ze bindt;
4° als het een erkenning van type 1 betreft, de namen, titels, diploma's en referenties van de leden van het multidisciplinair team dat de onderling aanvullende competenties aantoont in de vakgebieden met betrekking tot stedenbouw, ruimtelijke ordening en leefmilieu;
5° bij gebreke van het vereiste diploma, elk stuk waarmee een nuttige ervaring aangetoond wordt in de zin van artikel R.I.II-2, § 1, lid 3, of § 2, lid 3;
6° elk stuk waarmee een gelijkwaardige erkenning aangetoond wordt voor elke erkenningscategorie, bij dit hoofdstuk vastgelegd en verleend in een ander Gewest van een Lid-Staat van de Europese Unie of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
§ 2. Binnen de twintig dagen na ontvangst van het dossier richt DGO4 een bericht van ontvangst of een lijst van de ontbrekende stukken aan de aanvrager. Binnen dezelfde termijn richt [1 het departement]1, als het dossier volledig is, een voorstel tot beslissing aan de Minister. Het bericht van ontvangst vermeldt de termijn waarbinnen de beslissing verstuurd wordt.
Binnen de dertig dagen te rekenen van het verzenden van het bericht van ontvangst van het volledige dossier richt de Minister zijn beslissing aan de natuurlijke of de rechtspersoon.
De erkenning loopt te rekenen van de datum van de beslissing tot erkenning.
De beslissing tot toekenning van de erkenning wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1 bekendgemaakt.
Erkenningsprocedure.
§ 1. Het erkenningsaanvraagdossier wordt aan [1 het departement]1 gericht en bevat :
1° het (de) aangevraagde erkenningstype(s);
2° indien het een natuurlijke persoon betreft, haar naam, titels, diploma's en referenties;
3° indien het een rechtspersoon betreft, haar maatschappelijk doel en de namen, titels, diploma's en referenties van de mandataris en de overeenkomst die ze bindt;
4° als het een erkenning van type 1 betreft, de namen, titels, diploma's en referenties van de leden van het multidisciplinair team dat de onderling aanvullende competenties aantoont in de vakgebieden met betrekking tot stedenbouw, ruimtelijke ordening en leefmilieu;
5° bij gebreke van het vereiste diploma, elk stuk waarmee een nuttige ervaring aangetoond wordt in de zin van artikel R.I.II-2, § 1, lid 3, of § 2, lid 3;
6° elk stuk waarmee een gelijkwaardige erkenning aangetoond wordt voor elke erkenningscategorie, bij dit hoofdstuk vastgelegd en verleend in een ander Gewest van een Lid-Staat van de Europese Unie of een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
§ 2. Binnen de twintig dagen na ontvangst van het dossier richt DGO4 een bericht van ontvangst of een lijst van de ontbrekende stukken aan de aanvrager. Binnen dezelfde termijn richt [1 het departement]1, als het dossier volledig is, een voorstel tot beslissing aan de Minister. Het bericht van ontvangst vermeldt de termijn waarbinnen de beslissing verstuurd wordt.
Binnen de dertig dagen te rekenen van het verzenden van het bericht van ontvangst van het volledige dossier richt de Minister zijn beslissing aan de natuurlijke of de rechtspersoon.
De erkenning loopt te rekenen van de datum van de beslissing tot erkenning.
De beslissing tot toekenning van de erkenning wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1 bekendgemaakt.
Art. R. I.11-3_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Procédure d'agrément
§ 1er. Le dossier de demande d'agrément est envoyé [1 au département]1 et comprend :
1° le type ou les types d'agréments sollicités;
2° s'il s'agit d'une personne physique, ses nom, titres, diplômes et références;
3° s'il s'agit d'une personne morale, son objet social et les noms, titres, diplômes et références du mandataire et la convention qui les lie;
4° s'il s'agit d'un agrément de type 1, les noms, titres, diplômes et références des membres de l'équipe pluridisciplinaire démontrant les compétences complémentaires dans les disciplines relatives à l'urbanisme, l'aménagement du territoire et l'environnement;
5° à défaut du diplôme requis, toute pièce justifiant d'une expérience utile au sens de l'article R.I.II-2, § 1er, alinéa 3, ou § 2, alinéa 3;
6° toute pièce justifiant d'un agrément équivalent pour chaque catégorie d'agrément arrêtée par le présent chapitre et octroyé dans une autre Région d'un Etat membre de l'Union européenne ou par un autre Etat membre de l'Union européenne.
§ 2. Dans les vingt jours de la réception du dossier, [1 le département]1 envoie au demandeur un accusé de réception ou un relevé des pièces manquantes. Dans le même délai, si le dossier est complet, la DGO4 envoie une proposition de décision au Ministre. L'accusé de réception mentionne le délai endéans lequel la décision est envoyée.
Dans les trente jours à dater de l'envoi de l'accusé de réception du dossier complet, le Ministre envoie sa décision à la personne physique ou morale.
L'agrément prend cours à la date de la décision d'agrément.
La décision octroyant un agrément est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés est publiée sur le site Internet [1 du Ministère de la Communauté germanophone]1.
Procédure d'agrément
§ 1er. Le dossier de demande d'agrément est envoyé [1 au département]1 et comprend :
1° le type ou les types d'agréments sollicités;
2° s'il s'agit d'une personne physique, ses nom, titres, diplômes et références;
3° s'il s'agit d'une personne morale, son objet social et les noms, titres, diplômes et références du mandataire et la convention qui les lie;
4° s'il s'agit d'un agrément de type 1, les noms, titres, diplômes et références des membres de l'équipe pluridisciplinaire démontrant les compétences complémentaires dans les disciplines relatives à l'urbanisme, l'aménagement du territoire et l'environnement;
5° à défaut du diplôme requis, toute pièce justifiant d'une expérience utile au sens de l'article R.I.II-2, § 1er, alinéa 3, ou § 2, alinéa 3;
6° toute pièce justifiant d'un agrément équivalent pour chaque catégorie d'agrément arrêtée par le présent chapitre et octroyé dans une autre Région d'un Etat membre de l'Union européenne ou par un autre Etat membre de l'Union européenne.
§ 2. Dans les vingt jours de la réception du dossier, [1 le département]1 envoie au demandeur un accusé de réception ou un relevé des pièces manquantes. Dans le même délai, si le dossier est complet, la DGO4 envoie une proposition de décision au Ministre. L'accusé de réception mentionne le délai endéans lequel la décision est envoyée.
Dans les trente jours à dater de l'envoi de l'accusé de réception du dossier complet, le Ministre envoie sa décision à la personne physique ou morale.
L'agrément prend cours à la date de la décision d'agrément.
La décision octroyant un agrément est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés est publiée sur le site Internet [1 du Ministère de la Communauté germanophone]1.
Wijzigingen
Art. R. I.11-4. Vertrek of vervanging van een personeelslid of een medewerker van een rechtspersoon, beschikkend over een erkenning van type 1.
§ 1. Wanneer een personeelslid of een medewerker ander dan de gemandateerd persoon niet meer bij overeenkomst gebonden is aan de rechtspersoon bedoeld in artikel R.I.11-2, § 1, ongeacht of hij al dan niet vervangen wordt, licht de rechtspersoon DGO4 daarover in, waarna laatstgenoemde nagaat of de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn. Bij vervanging bevat de zending de inlichtingen bedoeld in artikel R.I.11-3, 4°.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn, licht DGO4 de rechtspersoon daar binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 over in.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden niet meer vervuld zijn, richt DGO4 binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 een voorstel tot beslissing aan de Minister. Binnen de vijftig dagen te rekenen van het verzenden van het bericht bedoeld in lid 1 richt de Minister zijn beslissing aan de rechtspersoon.
§ 2. De beslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De bijgewerkte lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van DGO4 bekendgemaakt.
§ 1. Wanneer een personeelslid of een medewerker ander dan de gemandateerd persoon niet meer bij overeenkomst gebonden is aan de rechtspersoon bedoeld in artikel R.I.11-2, § 1, ongeacht of hij al dan niet vervangen wordt, licht de rechtspersoon DGO4 daarover in, waarna laatstgenoemde nagaat of de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn. Bij vervanging bevat de zending de inlichtingen bedoeld in artikel R.I.11-3, 4°.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn, licht DGO4 de rechtspersoon daar binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 over in.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden niet meer vervuld zijn, richt DGO4 binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 een voorstel tot beslissing aan de Minister. Binnen de vijftig dagen te rekenen van het verzenden van het bericht bedoeld in lid 1 richt de Minister zijn beslissing aan de rechtspersoon.
§ 2. De beslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De bijgewerkte lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van DGO4 bekendgemaakt.
Art. R. I.11-4. Départ ou remplacement d'un membre du personnel ou d'un collaborateur d'une personne morale disposant d'un agrément de type 1
§ 1er. Lorsqu'un membre du personnel ou un collaborateur, autre que le mandataire, n'est plus lié par une convention avec la personne morale visée à l'article R.I.11-2, § 1er, qu'il soit remplacé ou non, la personne morale en avertit par envoi la DGO4 qui vérifie si les conditions d'agrément restent remplies. En cas de remplacement, l'envoi contient les renseignements visés à l'article R.I.11-3, 4°.
Lorsque les conditions d'agrément restent remplies, la DGO4 en avertit la personne morale dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er.
Lorsque les conditions d'agrément ne sont plus remplies, la DGO4 envoie une proposition de décision au Ministre dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er. Dans les cinquante jours à dater de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er, le Ministre envoie sa décision à la personne morale.
§ 2. La décision est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés mise à jour est publiée sur le site Internet du Département de l'Aménagement du Territoire et de l'Urbanisme de la DGO4.
§ 1er. Lorsqu'un membre du personnel ou un collaborateur, autre que le mandataire, n'est plus lié par une convention avec la personne morale visée à l'article R.I.11-2, § 1er, qu'il soit remplacé ou non, la personne morale en avertit par envoi la DGO4 qui vérifie si les conditions d'agrément restent remplies. En cas de remplacement, l'envoi contient les renseignements visés à l'article R.I.11-3, 4°.
Lorsque les conditions d'agrément restent remplies, la DGO4 en avertit la personne morale dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er.
Lorsque les conditions d'agrément ne sont plus remplies, la DGO4 envoie une proposition de décision au Ministre dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er. Dans les cinquante jours à dater de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er, le Ministre envoie sa décision à la personne morale.
§ 2. La décision est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés mise à jour est publiée sur le site Internet du Département de l'Aménagement du Territoire et de l'Urbanisme de la DGO4.
Art. R. I.11-4_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Vertrek of vervanging van een personeelslid of een medewerker van een rechtspersoon, beschikkend over een erkenning van type 1.
§ 1. Wanneer een personeelslid of een medewerker ander dan de gemandateerd persoon niet meer bij overeenkomst gebonden is aan de rechtspersoon bedoeld in artikel R.I.11-2, § 1, ongeacht of hij al dan niet vervangen wordt, licht de rechtspersoon [1 het departement]1 daarover in, waarna laatstgenoemde nagaat of de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn. Bij vervanging bevat de zending de inlichtingen bedoeld in artikel R.I.11-3, 4°.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn, licht [1 het departement]1 de rechtspersoon daar binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 over in.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden niet meer vervuld zijn, richt [1 het departement]1 binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 een voorstel tot beslissing aan de Minister. Binnen de vijftig dagen te rekenen van het verzenden van het bericht bedoeld in lid 1 richt de Minister zijn beslissing aan de rechtspersoon.
§ 2. De beslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De bijgewerkte lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1 bekendgemaakt.
Vertrek of vervanging van een personeelslid of een medewerker van een rechtspersoon, beschikkend over een erkenning van type 1.
§ 1. Wanneer een personeelslid of een medewerker ander dan de gemandateerd persoon niet meer bij overeenkomst gebonden is aan de rechtspersoon bedoeld in artikel R.I.11-2, § 1, ongeacht of hij al dan niet vervangen wordt, licht de rechtspersoon [1 het departement]1 daarover in, waarna laatstgenoemde nagaat of de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn. Bij vervanging bevat de zending de inlichtingen bedoeld in artikel R.I.11-3, 4°.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn, licht [1 het departement]1 de rechtspersoon daar binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 over in.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden niet meer vervuld zijn, richt [1 het departement]1 binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 een voorstel tot beslissing aan de Minister. Binnen de vijftig dagen te rekenen van het verzenden van het bericht bedoeld in lid 1 richt de Minister zijn beslissing aan de rechtspersoon.
§ 2. De beslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De bijgewerkte lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1 bekendgemaakt.
Art. R. I.11-4_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Départ ou remplacement d'un membre du personnel ou d'un collaborateur d'une personne morale disposant d'un agrément de type 1
§ 1er. Lorsqu'un membre du personnel ou un collaborateur, autre que le mandataire, n'est plus lié par une convention avec la personne morale visée à l'article R.I.11-2, § 1er, qu'il soit remplacé ou non, la personne morale en avertit par envoi [1 le département]1 qui vérifie si les conditions d'agrément restent remplies. En cas de remplacement, l'envoi contient les renseignements visés à l'article R.I.11-3, 4°.
Lorsque les conditions d'agrément restent remplies, [1 le département]1 en avertit la personne morale dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er.
Lorsque les conditions d'agrément ne sont plus remplies, [1 le département]1 envoie une proposition de décision au Ministre dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er. Dans les cinquante jours à dater de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er, le Ministre envoie sa décision à la personne morale.
§ 2. La décision est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés mise à jour est publiée sur le site Internet [1 du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de la DGO4 " sont remplacés par les mots " du Ministère de la Communauté germanophone]1.
Départ ou remplacement d'un membre du personnel ou d'un collaborateur d'une personne morale disposant d'un agrément de type 1
§ 1er. Lorsqu'un membre du personnel ou un collaborateur, autre que le mandataire, n'est plus lié par une convention avec la personne morale visée à l'article R.I.11-2, § 1er, qu'il soit remplacé ou non, la personne morale en avertit par envoi [1 le département]1 qui vérifie si les conditions d'agrément restent remplies. En cas de remplacement, l'envoi contient les renseignements visés à l'article R.I.11-3, 4°.
Lorsque les conditions d'agrément restent remplies, [1 le département]1 en avertit la personne morale dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er.
Lorsque les conditions d'agrément ne sont plus remplies, [1 le département]1 envoie une proposition de décision au Ministre dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er. Dans les cinquante jours à dater de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er, le Ministre envoie sa décision à la personne morale.
§ 2. La décision est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés mise à jour est publiée sur le site Internet [1 du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de la DGO4 " sont remplacés par les mots " du Ministère de la Communauté germanophone]1.
Wijzigingen
Art. R. I.11-5.Vertrek of vervanging van een gemandateerd persoon van een rechtspersoon, beschikkend over een erkenning van type 1 of type 2.
§ 1. Als de gemandateerd persoon vervangen wordt door een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de rechtspersoon op het ogenblik waarop de erkenning verleend is en die natuurlijke persoon de voorwaarden vervult bedoeld in artikel R.1.11-2, lid 2 of 3, of in artikel R.1.11-2, § 2, 1°, licht de rechtspersoon [1 de administratie]1 daarover in, waarna laatstgenoemde nagaat of de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn, licht [1 de administratie]1 de rechtspersoon daar binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 over in.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden niet meer vervuld zijn, richt [1 de administratie]1 binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 een voorstel tot beslissing aan de Minister. Binnen de vijftig dagen te rekenen van de ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 richt de Minister zijn beslissing aan de rechtspersoon.
§ 2. De beslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De bijgewerkte lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1 bekendgemaakt.
§ 3. Als de gemandateerd persoon vertrekt en niet vervangen wordt door een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de rechtspersoon op het ogenblik waarop de erkenning verleend is en die de voorwaarden vervult bedoeld in artikel R.1.11-2, § 2, 1°, licht de rechtspersoon [1 de administratie]1 daar per zending over in. De erkenning wordt ingetrokken volgens de procedure bedoeld in de paragrafen 1 en 2 en een nieuwe erkenning kan worden aangevraagd.
§ 1. Als de gemandateerd persoon vervangen wordt door een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de rechtspersoon op het ogenblik waarop de erkenning verleend is en die natuurlijke persoon de voorwaarden vervult bedoeld in artikel R.1.11-2, lid 2 of 3, of in artikel R.1.11-2, § 2, 1°, licht de rechtspersoon [1 de administratie]1 daarover in, waarna laatstgenoemde nagaat of de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn, licht [1 de administratie]1 de rechtspersoon daar binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 over in.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden niet meer vervuld zijn, richt [1 de administratie]1 binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 een voorstel tot beslissing aan de Minister. Binnen de vijftig dagen te rekenen van de ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 richt de Minister zijn beslissing aan de rechtspersoon.
§ 2. De beslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De bijgewerkte lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1 bekendgemaakt.
§ 3. Als de gemandateerd persoon vertrekt en niet vervangen wordt door een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de rechtspersoon op het ogenblik waarop de erkenning verleend is en die de voorwaarden vervult bedoeld in artikel R.1.11-2, § 2, 1°, licht de rechtspersoon [1 de administratie]1 daar per zending over in. De erkenning wordt ingetrokken volgens de procedure bedoeld in de paragrafen 1 en 2 en een nieuwe erkenning kan worden aangevraagd.
Art. R. I.11-5.Départ ou remplacement du mandataire d'une personne morale disposant d'un agrément de type 1 ou de type 2
§ 1er. Si le mandataire est remplacé par une personne physique faisant partie de la personne morale au moment où l'agrément a été octroyé, et que cette personne physique remplit les conditions visées à l'article R.1.11-2, § 1er, alinéa 2 ou 3, ou à l'article R.1.11-2, § 2, 1°, la personne morale en avertit par envoi [1 l'administration]1 qui vérifie si les conditions d'agrément restent remplies.
Lorsque les conditions d'agrément restent remplies, [1 l'administration]1 en avertit la personne morale dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er.
Lorsque les conditions d'agrément ne sont plus remplies, [1 l'administration]1 envoie une proposition de décision au Ministre dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er. Dans les cinquante jours à dater de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er, le Ministre envoie sa décision à la personne morale.
§ 2. La décision est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés mise à jour est publiée sur le site Internet du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1.
§ 3. Si le mandataire part et n'est pas remplacé par une personne physique faisant partie de la personne morale au moment où l'agrément a été octroyé et qui remplit les conditions visée à l'article R.1.11-2, § 2, 1°, la personne morale en avertit par envoi [1 l'administration]1. L'agrément est retiré selon la procédure visée aux paragraphes 1 et 2 et un nouvel agrément peut être sollicité.
§ 1er. Si le mandataire est remplacé par une personne physique faisant partie de la personne morale au moment où l'agrément a été octroyé, et que cette personne physique remplit les conditions visées à l'article R.1.11-2, § 1er, alinéa 2 ou 3, ou à l'article R.1.11-2, § 2, 1°, la personne morale en avertit par envoi [1 l'administration]1 qui vérifie si les conditions d'agrément restent remplies.
Lorsque les conditions d'agrément restent remplies, [1 l'administration]1 en avertit la personne morale dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er.
Lorsque les conditions d'agrément ne sont plus remplies, [1 l'administration]1 envoie une proposition de décision au Ministre dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er. Dans les cinquante jours à dater de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er, le Ministre envoie sa décision à la personne morale.
§ 2. La décision est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés mise à jour est publiée sur le site Internet du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1.
§ 3. Si le mandataire part et n'est pas remplacé par une personne physique faisant partie de la personne morale au moment où l'agrément a été octroyé et qui remplit les conditions visée à l'article R.1.11-2, § 2, 1°, la personne morale en avertit par envoi [1 l'administration]1. L'agrément est retiré selon la procédure visée aux paragraphes 1 et 2 et un nouvel agrément peut être sollicité.
Wijzigingen
Art. R. I.11-5_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Vertrek of vervanging van een gemandateerd persoon van een rechtspersoon, beschikkend over een erkenning van type 1 of type 2.
§ 1. Als de gemandateerd persoon vervangen wordt door een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de rechtspersoon op het ogenblik waarop de erkenning verleend is en die natuurlijke persoon de voorwaarden vervult bedoeld in artikel R.1.11-2, lid 2 of 3, of in artikel R.1.11-2, § 2, 1°, licht de rechtspersoon [1 het departement]1 daarover in, waarna laatstgenoemde nagaat of de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn, licht [1 het departement]1 de rechtspersoon daar binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 over in.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden niet meer vervuld zijn, richt [1 het departement]1 binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 een voorstel tot beslissing aan de Minister. Binnen de vijftig dagen te rekenen van de ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 richt de Minister zijn beslissing aan de rechtspersoon.
§ 2. De beslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De bijgewerkte lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1 bekendgemaakt.
§ 3. Als de gemandateerd persoon vertrekt en niet vervangen wordt door een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de rechtspersoon op het ogenblik waarop de erkenning verleend is en die de voorwaarden vervult bedoeld in artikel R.1.11-2, § 2, 1°, licht de rechtspersoon [1 het departement]1 daar per zending over in. De erkenning wordt ingetrokken volgens de procedure bedoeld in de paragrafen 1 en 2 en een nieuwe erkenning kan worden aangevraagd.
Vertrek of vervanging van een gemandateerd persoon van een rechtspersoon, beschikkend over een erkenning van type 1 of type 2.
§ 1. Als de gemandateerd persoon vervangen wordt door een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de rechtspersoon op het ogenblik waarop de erkenning verleend is en die natuurlijke persoon de voorwaarden vervult bedoeld in artikel R.1.11-2, lid 2 of 3, of in artikel R.1.11-2, § 2, 1°, licht de rechtspersoon [1 het departement]1 daarover in, waarna laatstgenoemde nagaat of de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden verder vervuld zijn, licht [1 het departement]1 de rechtspersoon daar binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 over in.
Wanneer de erkenningsvoorwaarden niet meer vervuld zijn, richt [1 het departement]1 binnen de twintig dagen na ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 een voorstel tot beslissing aan de Minister. Binnen de vijftig dagen te rekenen van de ontvangst van de zending bedoeld in lid 1 richt de Minister zijn beslissing aan de rechtspersoon.
§ 2. De beslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De bijgewerkte lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1 bekendgemaakt.
§ 3. Als de gemandateerd persoon vertrekt en niet vervangen wordt door een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van de rechtspersoon op het ogenblik waarop de erkenning verleend is en die de voorwaarden vervult bedoeld in artikel R.1.11-2, § 2, 1°, licht de rechtspersoon [1 het departement]1 daar per zending over in. De erkenning wordt ingetrokken volgens de procedure bedoeld in de paragrafen 1 en 2 en een nieuwe erkenning kan worden aangevraagd.
Art. R. I.11-5_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Départ ou remplacement du mandataire d'une personne morale disposant d'un agrément de type 1 ou de type 2
§ 1er. Si le mandataire est remplacé par une personne physique faisant partie de la personne morale au moment où l'agrément a été octroyé, et que cette personne physique remplit les conditions visées à l'article R.1.11-2, § 1er, alinéa 2 ou 3, ou à l'article R.1.11-2, § 2, 1°, la personne morale en avertit par envoi [1 le département]1 qui vérifie si les conditions d'agrément restent remplies.
Lorsque les conditions d'agrément restent remplies, [1 le département]1 en avertit la personne morale dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er.
Lorsque les conditions d'agrément ne sont plus remplies, [1 le département]1 envoie une proposition de décision au Ministre dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er. Dans les cinquante jours à dater de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er, le Ministre envoie sa décision à la personne morale.
§ 2. La décision est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés mise à jour est publiée sur le site Internet [1 du Ministère de la Communauté germanophone]1.
§ 3. Si le mandataire part et n'est pas remplacé par une personne physique faisant partie de la personne morale au moment où l'agrément a été octroyé et qui remplit les conditions visée à l'article R.1.11-2, § 2, 1°, la personne morale en avertit par envoi [1 le département]1. L'agrément est retiré selon la procédure visée aux paragraphes 1 et 2 et un nouvel agrément peut être sollicité.
Départ ou remplacement du mandataire d'une personne morale disposant d'un agrément de type 1 ou de type 2
§ 1er. Si le mandataire est remplacé par une personne physique faisant partie de la personne morale au moment où l'agrément a été octroyé, et que cette personne physique remplit les conditions visées à l'article R.1.11-2, § 1er, alinéa 2 ou 3, ou à l'article R.1.11-2, § 2, 1°, la personne morale en avertit par envoi [1 le département]1 qui vérifie si les conditions d'agrément restent remplies.
Lorsque les conditions d'agrément restent remplies, [1 le département]1 en avertit la personne morale dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er.
Lorsque les conditions d'agrément ne sont plus remplies, [1 le département]1 envoie une proposition de décision au Ministre dans les vingt jours de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er. Dans les cinquante jours à dater de la réception de l'envoi visé à l'alinéa 1er, le Ministre envoie sa décision à la personne morale.
§ 2. La décision est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés mise à jour est publiée sur le site Internet [1 du Ministère de la Communauté germanophone]1.
§ 3. Si le mandataire part et n'est pas remplacé par une personne physique faisant partie de la personne morale au moment où l'agrément a été octroyé et qui remplit les conditions visée à l'article R.1.11-2, § 2, 1°, la personne morale en avertit par envoi [1 le département]1. L'agrément est retiré selon la procédure visée aux paragraphes 1 et 2 et un nouvel agrément peut être sollicité.
Wijzigingen
Art. R. I.11-6. Vrijstelling van erkenning.
Een erkenning als projectontwerper in de zin van artikel D.I.11 is niet nodig voor :
1° de opmaak of de herziening van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan dat een oppervlakte bestrijkt, lager dan twee hectare, of waarvan de toekomstige bestemming een gebied is, dat niet voor bebouwing is bestemd;
2° de (gedeeltelijke) herziening van een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw, voor zover deze geldt voor een deel van het gemeentelijk grondgebied en de herziening verricht wordt door de adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw van de betrokken gemeente.
Een erkenning als projectontwerper in de zin van artikel D.I.11 is niet nodig voor :
1° de opmaak of de herziening van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan dat een oppervlakte bestrijkt, lager dan twee hectare, of waarvan de toekomstige bestemming een gebied is, dat niet voor bebouwing is bestemd;
2° de (gedeeltelijke) herziening van een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw, voor zover deze geldt voor een deel van het gemeentelijk grondgebied en de herziening verricht wordt door de adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw van de betrokken gemeente.
Art. R. I.11-6. Dispense d'agrément
Ne nécessite pas que l'auteur de projet soit agréé au sens de l'article D.I.11 :
1° l'élaboration ou la révision d'un schéma d'orientation local couvrant une superficie inférieure à deux hectares ou dont l'affectation future est une zone non destinée à l'urbanisation;
2° la révision d'un guide ou d'une partie d'un guide communal d'urbanisme pour autant qu'il ou elle s'applique à une partie du territoire communal et que la révision soit réalisée par le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme de la commune concernée.
Ne nécessite pas que l'auteur de projet soit agréé au sens de l'article D.I.11 :
1° l'élaboration ou la révision d'un schéma d'orientation local couvrant une superficie inférieure à deux hectares ou dont l'affectation future est une zone non destinée à l'urbanisation;
2° la révision d'un guide ou d'une partie d'un guide communal d'urbanisme pour autant qu'il ou elle s'applique à une partie du territoire communal et que la révision soit réalisée par le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme de la commune concernée.
Art. R. I.11-7.Waarschuwing en intrekking van de erkenning.
Wanneer de houder van de erkenning de verplichtingen bedoeld bij het Wetboek niet in acht neemt, stelt [1 de administratie]1 de tekortkoming vast en licht er de Minister over in. [1 De administratie]1 roept de houder van de erkenning voor een hoorzitting op, waarop deze zijn bemerkingen te gelde kan maken. De houder kan zich laten vergezellen door iedere persoon die hij nuttig acht.
In voorkomend geval richt [1 de administratie]1 een gemotiveerd voorstel tot waarschuwing met een termijn om de zaken op orde te stellen of een gemotiveerd voorstel tot intrekking van de erkenning aan de Minister en licht er de aanvrager over in. De Minister richt zijn beslissing aan de aanvrager.
Wordt er geen orde op zaken gesteld in de voorgeschreven termijn, dan richt [1 de administratie]1 een gemotiveerd voorstel tot intrekking van de erkenning aan de Minister.
De beslissing tot intrekking van de erkenning wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De bijgewerkte lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1 bekendgemaakt.
Wanneer de houder van de erkenning de verplichtingen bedoeld bij het Wetboek niet in acht neemt, stelt [1 de administratie]1 de tekortkoming vast en licht er de Minister over in. [1 De administratie]1 roept de houder van de erkenning voor een hoorzitting op, waarop deze zijn bemerkingen te gelde kan maken. De houder kan zich laten vergezellen door iedere persoon die hij nuttig acht.
In voorkomend geval richt [1 de administratie]1 een gemotiveerd voorstel tot waarschuwing met een termijn om de zaken op orde te stellen of een gemotiveerd voorstel tot intrekking van de erkenning aan de Minister en licht er de aanvrager over in. De Minister richt zijn beslissing aan de aanvrager.
Wordt er geen orde op zaken gesteld in de voorgeschreven termijn, dan richt [1 de administratie]1 een gemotiveerd voorstel tot intrekking van de erkenning aan de Minister.
De beslissing tot intrekking van de erkenning wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De bijgewerkte lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1 bekendgemaakt.
Art. R. I.11-7.Avertissement et retrait d'agrément
Lorsque le titulaire de l'agrément ne respecte pas les obligations visées par le Code, [1 l'administration]1 constate le manquement et en avise le Ministre. [1 L'administration]1 convoque le titulaire de l'agrément à une audition afin de lui permettre de faire valoir ses observations. Le titulaire peut se faire accompagner de toute personne qu'il juge utile.
Le cas échéant, [1 l'administration]1 envoie une proposition motivée d'avertissement avec un délai de mise en conformité ou une proposition motivée de retrait d'agrément au Ministre et en avise le demandeur. Le Ministre envoie sa décision au demandeur.
En l'absence de mise en conformité dans le délai prescrit, [1 l'administration]1 envoie au Ministre une proposition motivée de retrait d'agrément.
La décision du retrait d'agrément est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés mise à jour est publiée sur le site Internet du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1.
Lorsque le titulaire de l'agrément ne respecte pas les obligations visées par le Code, [1 l'administration]1 constate le manquement et en avise le Ministre. [1 L'administration]1 convoque le titulaire de l'agrément à une audition afin de lui permettre de faire valoir ses observations. Le titulaire peut se faire accompagner de toute personne qu'il juge utile.
Le cas échéant, [1 l'administration]1 envoie une proposition motivée d'avertissement avec un délai de mise en conformité ou une proposition motivée de retrait d'agrément au Ministre et en avise le demandeur. Le Ministre envoie sa décision au demandeur.
En l'absence de mise en conformité dans le délai prescrit, [1 l'administration]1 envoie au Ministre une proposition motivée de retrait d'agrément.
La décision du retrait d'agrément est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés mise à jour est publiée sur le site Internet du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1.
Wijzigingen
Art. R. I.11-7_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Waarschuwing en intrekking van de erkenning.
Wanneer de houder van de erkenning de verplichtingen bedoeld bij het Wetboek niet in acht neemt, [1 stelt het departement]1 de tekortkoming vast en licht er de Minister over in. [1 Het departement roept]1 de houder van de erkenning voor een hoorzitting op, waarop deze zijn bemerkingen te gelde kan maken. De houder kan zich laten vergezellen door iedere persoon die hij nuttig acht.
In voorkomend geval richt [1 het departement]1 een gemotiveerd voorstel tot waarschuwing met een termijn om de zaken op orde te stellen of een gemotiveerd voorstel tot intrekking van de erkenning aan de Minister en licht er de aanvrager over in. De Minister richt zijn beslissing aan de aanvrager.
Wordt er geen orde op zaken gesteld in de voorgeschreven termijn, dan richt [1 het departement]1 een gemotiveerd voorstel tot intrekking van de erkenning aan de Minister.
De beslissing tot intrekking van de erkenning wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De bijgewerkte lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1 bekendgemaakt.
Waarschuwing en intrekking van de erkenning.
Wanneer de houder van de erkenning de verplichtingen bedoeld bij het Wetboek niet in acht neemt, [1 stelt het departement]1 de tekortkoming vast en licht er de Minister over in. [1 Het departement roept]1 de houder van de erkenning voor een hoorzitting op, waarop deze zijn bemerkingen te gelde kan maken. De houder kan zich laten vergezellen door iedere persoon die hij nuttig acht.
In voorkomend geval richt [1 het departement]1 een gemotiveerd voorstel tot waarschuwing met een termijn om de zaken op orde te stellen of een gemotiveerd voorstel tot intrekking van de erkenning aan de Minister en licht er de aanvrager over in. De Minister richt zijn beslissing aan de aanvrager.
Wordt er geen orde op zaken gesteld in de voorgeschreven termijn, dan richt [1 het departement]1 een gemotiveerd voorstel tot intrekking van de erkenning aan de Minister.
De beslissing tot intrekking van de erkenning wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De bijgewerkte lijst van de erkende projectontwerpers wordt op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1 bekendgemaakt.
Art. R. I.11-7_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Avertissement et retrait d'agrément
Lorsque le titulaire de l'agrément ne respecte pas les obligations visées par le Code, [1 le département]1 constate le manquement et en avise le Ministre. [1 le département]1 convoque le titulaire de l'agrément à une audition afin de lui permettre de faire valoir ses observations. Le titulaire peut se faire accompagner de toute personne qu'il juge utile.
Le cas échéant, [1 le département]1 envoie une proposition motivée d'avertissement avec un délai de mise en conformité ou une proposition motivée de retrait d'agrément au Ministre et en avise le demandeur. Le Ministre envoie sa décision au demandeur.
En l'absence de mise en conformité dans le délai prescrit, [1 le département]1 envoie au Ministre une proposition motivée de retrait d'agrément.
La décision du retrait d'agrément est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés mise à jour est publiée sur le site Internet [1 du Ministère de la Communauté germanophone]1.
Avertissement et retrait d'agrément
Lorsque le titulaire de l'agrément ne respecte pas les obligations visées par le Code, [1 le département]1 constate le manquement et en avise le Ministre. [1 le département]1 convoque le titulaire de l'agrément à une audition afin de lui permettre de faire valoir ses observations. Le titulaire peut se faire accompagner de toute personne qu'il juge utile.
Le cas échéant, [1 le département]1 envoie une proposition motivée d'avertissement avec un délai de mise en conformité ou une proposition motivée de retrait d'agrément au Ministre et en avise le demandeur. Le Ministre envoie sa décision au demandeur.
En l'absence de mise en conformité dans le délai prescrit, [1 le département]1 envoie au Ministre une proposition motivée de retrait d'agrément.
La décision du retrait d'agrément est publiée, par extrait, au Moniteur belge. La liste des auteurs de projet agréés mise à jour est publiée sur le site Internet [1 du Ministère de la Communauté germanophone]1.
Wijzigingen
Art. R. I.11-8. Aanwijzingsvoorwaarden.
De privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die erkend is voor de opmaak of de herziening van een (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan, een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan of een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw mag geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben bij de uitvoering van bedoeld plan of bedoelde handleiding waarvoor zij aangewezen wordt.
In afwijking van de artikelen R.I.11-3 tot R.I.11-5 blijft de hoedanigheid van erkende persoon van de persoon, aangewezen voor de opmaak of de herziening van een ontwikkelingsplan of handleiding tijdens de gehele duur van de opmaak of herziening van het instrument waarvoor zij aangewezen is, voortduren.
De privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die erkend is voor de opmaak of de herziening van een (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan, een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan of een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw mag geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben bij de uitvoering van bedoeld plan of bedoelde handleiding waarvoor zij aangewezen wordt.
In afwijking van de artikelen R.I.11-3 tot R.I.11-5 blijft de hoedanigheid van erkende persoon van de persoon, aangewezen voor de opmaak of de herziening van een ontwikkelingsplan of handleiding tijdens de gehele duur van de opmaak of herziening van het instrument waarvoor zij aangewezen is, voortduren.
Art. R. I.11-8. Conditions de désignation
La personne privée, physique ou morale, agréée pour l'élaboration ou la révision d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal, d'un schéma d'orientation local ou d'un guide communal d'urbanisme ne peut avoir aucun intérêt personnel direct ou indirect à la mise en oeuvre du schéma ou du guide pour lequel elle est désignée.
Par dérogation aux articles R.I.11-3 à R.I.11-5, la qualité de personne agréée de la personne désignée pour l'élaboration ou la révision d'un schéma ou guide perdure toute la durée de l'élaboration ou de la révision de ce schéma ou guide pour lequel elle a été désignée.
La personne privée, physique ou morale, agréée pour l'élaboration ou la révision d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal, d'un schéma d'orientation local ou d'un guide communal d'urbanisme ne peut avoir aucun intérêt personnel direct ou indirect à la mise en oeuvre du schéma ou du guide pour lequel elle est désignée.
Par dérogation aux articles R.I.11-3 à R.I.11-5, la qualité de personne agréée de la personne désignée pour l'élaboration ou la révision d'un schéma ou guide perdure toute la durée de l'élaboration ou de la révision de ce schéma ou guide pour lequel elle a été désignée.
HOOFDSTUK V. - Subsidies
CHAPITRE V. - Subventions
Afdeling 1. - Subsidies voor de opmaak van het basisdossier voor de herziening van het gewestplan
Section 1re. - Subventions pour l'élaboration du dossier de base de révision du plan de secteur
Art. R. I.12-1.§ 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Minister een gemeente een subsidie toekennen voor de opmaak van het basisdossier voor een gewestplanherziening in de zin van artikel D.II.44, voor zover de ontwerp-herziening voor het gewestplan door de Regering aangenomen wordt.
§ 2. Het gemeentecollege dient de subsidieaanvraag bij DGO4 in op grond van een dossier dat een afschrift van het gemeenteraadsbesluit bevat, waarbij beslist wordt tot de opmaak van het basisdossier voor de herziening van het gewestplan en waarbij doel en mtovering ervan worden vastgesteld, evenals :
1° wanneer de gemeente een beroep doet op een projectontwerper, een afschrift van het bestek, goedgekeurd door de gemeenteraad, een afschrift van het gemeenteraadsbesluit tot aanwijzing van de projectontwerper en een afschrift van de in aanmerking genomen offerte waarbij het ereloonbedrag van de projectontwerper gedetailleerd uiteengezet is;
2° wanneer het dossier door de gemeente wordt opgesteld, de specifieke uitgaven die vastgelegd dienen te worden voor de samenstelling van het dossier, kosten voor het gemeentepersoneel niet meegerekend;
3° wanneer het dossier door de gemeente opgesteld wordt en deze voor thematische onderzoeken een beroep doet op een projectontwerper, de gegevens vermeld onder 1° en 2°.
§ 3. [1 De subsidie wordt tegen maximum zestig percent van het bedrag van het ereloon toegekend, met inbegrip van de belasting op de toegevoegde waarde wanneer deze door de gemeente verschuldigd en niet terugvorderbaar is, met een beperking tot een bedrag van maximum:"
1° twintigduizend euro wanneer de beslissing van de gemeenteraad tot opmaak van het basisdossier voor de herziening van het gewestplan wordt genomen binnen de vijf jaar na de inwerkingtreding van het lokale of meergemeentelijke ontwikkelingsplan dat de geplande herziening van het gewestplan aanduidt, overeenkomstig artikel D.II.10, § 6, 2° ;
2° twintigduizend euro als het basisdossier een kaart van het grondgebruik bevat;
3° twaalf duizend euro in de andere gevallen.
De bedragen in paragraaf 1 worden geïndexeerd, binnen de beschikbare perken van de begroting, op 1 januari van elk jaar op basis van de schommelingen van de gezondheidsindex zoals gedefinieerd in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen van het land volgens de formule: initieel bedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de index op 1 januari 2024]1.
§ 4. De subsidie wordt in één enkele schijf vereffend, onmiddellijk na het aannemen van de ontwerp-herziening van het gewestplan door de Regering en mits overlegging van verantwoordingsstukken voor de uitgaven die de gemeente deed.
§ 2. Het gemeentecollege dient de subsidieaanvraag bij DGO4 in op grond van een dossier dat een afschrift van het gemeenteraadsbesluit bevat, waarbij beslist wordt tot de opmaak van het basisdossier voor de herziening van het gewestplan en waarbij doel en mtovering ervan worden vastgesteld, evenals :
1° wanneer de gemeente een beroep doet op een projectontwerper, een afschrift van het bestek, goedgekeurd door de gemeenteraad, een afschrift van het gemeenteraadsbesluit tot aanwijzing van de projectontwerper en een afschrift van de in aanmerking genomen offerte waarbij het ereloonbedrag van de projectontwerper gedetailleerd uiteengezet is;
2° wanneer het dossier door de gemeente wordt opgesteld, de specifieke uitgaven die vastgelegd dienen te worden voor de samenstelling van het dossier, kosten voor het gemeentepersoneel niet meegerekend;
3° wanneer het dossier door de gemeente opgesteld wordt en deze voor thematische onderzoeken een beroep doet op een projectontwerper, de gegevens vermeld onder 1° en 2°.
§ 3. [1 De subsidie wordt tegen maximum zestig percent van het bedrag van het ereloon toegekend, met inbegrip van de belasting op de toegevoegde waarde wanneer deze door de gemeente verschuldigd en niet terugvorderbaar is, met een beperking tot een bedrag van maximum:"
1° twintigduizend euro wanneer de beslissing van de gemeenteraad tot opmaak van het basisdossier voor de herziening van het gewestplan wordt genomen binnen de vijf jaar na de inwerkingtreding van het lokale of meergemeentelijke ontwikkelingsplan dat de geplande herziening van het gewestplan aanduidt, overeenkomstig artikel D.II.10, § 6, 2° ;
2° twintigduizend euro als het basisdossier een kaart van het grondgebruik bevat;
3° twaalf duizend euro in de andere gevallen.
De bedragen in paragraaf 1 worden geïndexeerd, binnen de beschikbare perken van de begroting, op 1 januari van elk jaar op basis van de schommelingen van de gezondheidsindex zoals gedefinieerd in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen van het land volgens de formule: initieel bedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de index op 1 januari 2024]1.
§ 4. De subsidie wordt in één enkele schijf vereffend, onmiddellijk na het aannemen van de ontwerp-herziening van het gewestplan door de Regering en mits overlegging van verantwoordingsstukken voor de uitgaven die de gemeente deed.
Art. R. I.12-1.§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer une subvention à une commune pour l'élaboration du dossier de base d'une révision du plan de secteur au sens de l'article D.II.44 pour autant que le projet de révision de plan de secteur soit adopté par le Gouvernement.
§ 2. Le collège communal introduit la demande de subvention auprès de la DGO4, sur la base d'un dossier qui contient une copie de la délibération du conseil communal décidant l'élaboration du dossier de base de révision du plan de secteur, et fixant l'objet et la motivation de celle-ci ainsi que :
1° lorsque la commune fait appel à un auteur de projet, une copie du cahier des charges approuvé par le conseil communal, une copie de la délibération du collège communal désignant l'auteur de projet et une copie de l'offre retenue précisant le détail du montant des honoraires de l'auteur de projet;
2° lorsque le dossier est établi par la commune, les dépenses spécifiques à engager pour la constitution du dossier, hors frais de personnel communal;
3° lorsque le dossier est établi par la commune et qu'elle fait appel à un auteur de projet pour des études thématiques, les élements repris aux points 1° et 2°.
§ 3. [1 La subvention est octroyée à concurrence de maximum soixante pour cent du montant des honoraires en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune et est limitée à un montant maximum de :
1° vingt mille euros lorsque la décision du conseil communal d'élaborer le dossier de base de révision du plan de secteur est adoptée dans les cinq ans de l'entrée en vigueur du schéma de développement communal ou pluricommunal qui identifie la révision du plan de secteur envisagée, en vertu de l'article D.II.10, § 6, 2° ;
2° vingt mille euros lorsque le dossier de base comporte une carte d'affectation des sols ;
3° douze mille euros dans les autres cas.
Les montants de l'alinéa 1er sont indexés, dans les limites budgétaires disponibles, le 1er janvier de chaque année sur base des fluctuations de l'indice santé tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays suivant la formule : montant initial multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice au 1er janvier 2024]1.
§ 4. La liquidation de la subvention s'effectue en une seule tranche dès l'adoption du projet de révision du plan de secteur par le Gouvernement et sur production des pièces justificatives des dépenses effectuées par la commune.
§ 2. Le collège communal introduit la demande de subvention auprès de la DGO4, sur la base d'un dossier qui contient une copie de la délibération du conseil communal décidant l'élaboration du dossier de base de révision du plan de secteur, et fixant l'objet et la motivation de celle-ci ainsi que :
1° lorsque la commune fait appel à un auteur de projet, une copie du cahier des charges approuvé par le conseil communal, une copie de la délibération du collège communal désignant l'auteur de projet et une copie de l'offre retenue précisant le détail du montant des honoraires de l'auteur de projet;
2° lorsque le dossier est établi par la commune, les dépenses spécifiques à engager pour la constitution du dossier, hors frais de personnel communal;
3° lorsque le dossier est établi par la commune et qu'elle fait appel à un auteur de projet pour des études thématiques, les élements repris aux points 1° et 2°.
§ 3. [1 La subvention est octroyée à concurrence de maximum soixante pour cent du montant des honoraires en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune et est limitée à un montant maximum de :
1° vingt mille euros lorsque la décision du conseil communal d'élaborer le dossier de base de révision du plan de secteur est adoptée dans les cinq ans de l'entrée en vigueur du schéma de développement communal ou pluricommunal qui identifie la révision du plan de secteur envisagée, en vertu de l'article D.II.10, § 6, 2° ;
2° vingt mille euros lorsque le dossier de base comporte une carte d'affectation des sols ;
3° douze mille euros dans les autres cas.
Les montants de l'alinéa 1er sont indexés, dans les limites budgétaires disponibles, le 1er janvier de chaque année sur base des fluctuations de l'indice santé tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays suivant la formule : montant initial multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice au 1er janvier 2024]1.
§ 4. La liquidation de la subvention s'effectue en une seule tranche dès l'adoption du projet de révision du plan de secteur par le Gouvernement et sur production des pièces justificatives des dépenses effectuées par la commune.
Wijzigingen
Art. R. I.12-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Minister een gemeente een subsidie toekennen voor de opmaak van het basisdossier voor een gewestplanherziening in de zin van artikel D.II.44, voor zover de ontwerp-herziening voor het gewestplan door de Regering aangenomen wordt.
§ 2. Het gemeentecollege dient de subsidieaanvraag [1 bij het departement]1 in op grond van een dossier dat een afschrift van het gemeenteraadsbesluit bevat, waarbij beslist wordt tot de opmaak van het basisdossier voor de herziening van het gewestplan en waarbij doel en mtovering ervan worden vastgesteld, evenals :
1° wanneer de gemeente een beroep doet op een projectontwerper, een afschrift van het bestek, goedgekeurd door de gemeenteraad, een afschrift van het gemeenteraadsbesluit tot aanwijzing van de projectontwerper en een afschrift van de in aanmerking genomen offerte waarbij het ereloonbedrag van de projectontwerper gedetailleerd uiteengezet is;
2° wanneer het dossier door de gemeente wordt opgesteld, de specifieke uitgaven die vastgelegd dienen te worden voor de samenstelling van het dossier, kosten voor het gemeentepersoneel niet meegerekend;
3° wanneer het dossier door de gemeente opgesteld wordt en deze voor thematische onderzoeken een beroep doet op een projectontwerper, de gegevens vermeld onder 1° en 2°.
§ 3. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten wordt de subsidie tegen maximum zestig percent van het bedrag bedoeld in paragraaf 2 toegekend, met inbegrip van de belasting op de toegevoegde waarde wanneer deze door de gemeente verschuldigd en niet terugvorderbaar is, met een beperking tot twaalf duizend euro. Indien het basisdossier een bodembestemmingsplan bevat, wordt de subsidie op twintig duizend euro gebracht.
§ 4. De subsidie wordt in één enkele schijf vereffend, onmiddellijk na het aannemen van de ontwerp-herziening van het gewestplan door de Regering en mits overlegging van verantwoordingsstukken voor de uitgaven die de gemeente deed.
§ 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Minister een gemeente een subsidie toekennen voor de opmaak van het basisdossier voor een gewestplanherziening in de zin van artikel D.II.44, voor zover de ontwerp-herziening voor het gewestplan door de Regering aangenomen wordt.
§ 2. Het gemeentecollege dient de subsidieaanvraag [1 bij het departement]1 in op grond van een dossier dat een afschrift van het gemeenteraadsbesluit bevat, waarbij beslist wordt tot de opmaak van het basisdossier voor de herziening van het gewestplan en waarbij doel en mtovering ervan worden vastgesteld, evenals :
1° wanneer de gemeente een beroep doet op een projectontwerper, een afschrift van het bestek, goedgekeurd door de gemeenteraad, een afschrift van het gemeenteraadsbesluit tot aanwijzing van de projectontwerper en een afschrift van de in aanmerking genomen offerte waarbij het ereloonbedrag van de projectontwerper gedetailleerd uiteengezet is;
2° wanneer het dossier door de gemeente wordt opgesteld, de specifieke uitgaven die vastgelegd dienen te worden voor de samenstelling van het dossier, kosten voor het gemeentepersoneel niet meegerekend;
3° wanneer het dossier door de gemeente opgesteld wordt en deze voor thematische onderzoeken een beroep doet op een projectontwerper, de gegevens vermeld onder 1° en 2°.
§ 3. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten wordt de subsidie tegen maximum zestig percent van het bedrag bedoeld in paragraaf 2 toegekend, met inbegrip van de belasting op de toegevoegde waarde wanneer deze door de gemeente verschuldigd en niet terugvorderbaar is, met een beperking tot twaalf duizend euro. Indien het basisdossier een bodembestemmingsplan bevat, wordt de subsidie op twintig duizend euro gebracht.
§ 4. De subsidie wordt in één enkele schijf vereffend, onmiddellijk na het aannemen van de ontwerp-herziening van het gewestplan door de Regering en mits overlegging van verantwoordingsstukken voor de uitgaven die de gemeente deed.
Art. R. I.12-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer une subvention à une commune pour l'élaboration du dossier de base d'une révision du plan de secteur au sens de l'article D.II.44 pour autant que le projet de révision de plan de secteur soit adopté par le Gouvernement.
§ 2. Le collège communal introduit la demande de subvention [1 auprès du département]1, sur la base d'un dossier qui contient une copie de la délibération du conseil communal décidant l'élaboration du dossier de base de révision du plan de secteur, et fixant l'objet et la motivation de celle-ci ainsi que :
1° lorsque la commune fait appel à un auteur de projet, une copie du cahier des charges approuvé par le conseil communal, une copie de la délibération du collège communal désignant l'auteur de projet et une copie de l'offre retenue précisant le détail du montant des honoraires de l'auteur de projet;
2° lorsque le dossier est établi par la commune, les dépenses spécifiques à engager pour la constitution du dossier, hors frais de personnel communal;
3° lorsque le dossier est établi par la commune et qu'elle fait appel à un auteur de projet pour des études thématiques, les élements repris aux points 1° et 2°.
§ 3. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, la subvention est octroyée à concurrence de maximum soixante pour cent du montant visé au paragraphe 2, en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune et est limitée à un montant de douze mille euros. Dans le cas où le dossier de base comporte une carte d'affectation des sols, la subvention est portée à vingt mille euros.
§ 4. La liquidation de la subvention s'effectue en une seule tranche dès l'adoption du projet de révision du plan de secteur par le Gouvernement et sur production des pièces justificatives des dépenses effectuées par la commune.
§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer une subvention à une commune pour l'élaboration du dossier de base d'une révision du plan de secteur au sens de l'article D.II.44 pour autant que le projet de révision de plan de secteur soit adopté par le Gouvernement.
§ 2. Le collège communal introduit la demande de subvention [1 auprès du département]1, sur la base d'un dossier qui contient une copie de la délibération du conseil communal décidant l'élaboration du dossier de base de révision du plan de secteur, et fixant l'objet et la motivation de celle-ci ainsi que :
1° lorsque la commune fait appel à un auteur de projet, une copie du cahier des charges approuvé par le conseil communal, une copie de la délibération du collège communal désignant l'auteur de projet et une copie de l'offre retenue précisant le détail du montant des honoraires de l'auteur de projet;
2° lorsque le dossier est établi par la commune, les dépenses spécifiques à engager pour la constitution du dossier, hors frais de personnel communal;
3° lorsque le dossier est établi par la commune et qu'elle fait appel à un auteur de projet pour des études thématiques, les élements repris aux points 1° et 2°.
§ 3. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, la subvention est octroyée à concurrence de maximum soixante pour cent du montant visé au paragraphe 2, en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune et est limitée à un montant de douze mille euros. Dans le cas où le dossier de base comporte une carte d'affectation des sols, la subvention est portée à vingt mille euros.
§ 4. La liquidation de la subvention s'effectue en une seule tranche dès l'adoption du projet de révision du plan de secteur par le Gouvernement et sur production des pièces justificatives des dépenses effectuées par la commune.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Subsidies voor de opmaak of de herziening van een (meer-)gemeentelijk ontwikkelingsplan, een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan of een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw
Section 2. - Subventions pour l'élaboration ou la révision d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal, d'un schéma d'orientation local ou d'un guide communal d'urbanisme
Art. R. I.12-2.§ 1. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan de Minister, tegen onderstaande voorwaarden, [1 een subsidie toekennenvoor de opstelling of gehele of gedeeltelijke herziening van een thematisch of globaal meergemeentelijk ontwikkelingsplan, een thematisch of globaal gemeentelijk ontwikkelingsplan]1, een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan of een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw :
1° de opmaak of de herziening van het ontwikkelingsplan of de handleiding wordt verricht door een erkende projectontwerper, aangewezen door het gemeentecollege;
2° de subsidieaanvraag voor een gehele of gedeeltelijke herziening van een ontwikkelingsplan of handleiding wordt ten vroegste zes maanden na de inwerkingtreding van het ontwikkelingsplan of de handleiding, of van de laatste gehele of gehele herziening ervan ingediend, en uiterlijk drie jaar voor de datum van de niet-verlengde opheffing van rechtswege van het ontwikkelingsplan of de handleiding.
Er kunnen maximum twee gedeeltelijke herzieningen van een ontwikkelingsplan, een handleiding of gedeelte ervan gesubsidieerd worden voor éénzelfde ontwikkelingsplan of handleiding die niet geheel herzien worden.
§ 2. Het gemeentecollege of, voor het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het begeleidingscomité, gemandateerd door de gemeentecolleges, dient de subsidieaanvraag bij [2 de administratie]2 in op basis van een dossier, dat hetvolgende bevat :
1° een afschrift van het gemeenteraadsbesluit of van het besluit van de gemeenteraden tot gehele of gedeeltelijke opmaak of herziening van een ontwikkelingsplan of een handleiding;
2° voor het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, de lijst van de betrokken gemeenten;
3° een afschrift van het bestek, goedgekeurd door de gemeenteraad (gemeenteraden) [1 of de overeenkomst met de projectontwerper wanneer de relatie tussen de gemeente en de projectontwerper voldoet aan de voorwaarden voor "in house" controle zoals bepaald in artikel 30 van de wet van 17 juni 2016 betreffende de overheidsopdrachten]1;
4° een afschrift van het besluit van het (de) gemeentecollege(s) tot aanwijzing van de projectontwerper;
5° [1 behoudens in het geval dat de relatie tussen de gemeente en de projectontwerper voldoet aan de voorwaarden van "in house" controle zoals bepaald in artikel 30 van de wet van 17 juni 2016 betreffende de overheidsopdrachten,]1 een afschrift van de in aanmerking genomen offerte, waarbij het bedrag van het ereloon van de projectontwerper gedetailleerd wordt vermeld en waarbij de fases voor de opmaak van de documenten en dienovereenkomstige termijnen nader bepaald worden.
[1 6° in het geval dat de relatie tussen de gemeente en de projectauteur voldoet aan de voorwaarden van "in house" controle zoals bepaald in artikel 30 van de wet van 17 juni 2016 betreffende de overheidsopdrachten, een afschrift van de overeenkomst die de gemeente heeft gesloten met de projectontwerper, waarin de details van het bedrag van de erelonen van de projectontwerper worden gespecificeerd, evenals de fasen van voorbereiding van de documenten en de bijbehorende termijnen.]1
§ 3. De subsidie wordt tegen maximum zestig percent van het bedrag van het ereloon toegekend, met inbegrip van de belasting op de toegevoegde waarde wanneer deze door de gemeente verschuldigd en niet terugvorderbaar is, met een beperking tot een bedrag van maximum :
1° 50.000 euro per gemeente voor de gehele opmaak of herziening van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, [1 globaal]1 met een maximumbedrag van 150.000 euro;
2° 60.000 euro voor de gehele opmaak of herziening van een [1 globaal]1 gemeentelijk ontwikkelingsplan;
3° 24.000 euro voor de gehele opmaak of herziening van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan;
4° 16.000 euro voor de gehele opmaak of herziening van een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw;
5° [1 30.000 euro per gemeente voor de gedeeltelijke herziening van een globaal meergemeentelijk ontwikkelingsplan, voor de uitwerking of de totale herziening van een thematisch meergemeentelijk ontwikkelingsplan, voor de uitwerkingg van een globaal meergemeentelijk ontwikkelingsplan, wanneer de gemeente al over een of meer thematische gemeentelijke of meergemeentelijke ontwikkelingsplannen beschikt, tot een maximum van 90.000 euro]1;
6° [1 30.000 euro voor de gedeeltelijke herziening van een globaal gemeentelijk ontwikkelingsplan, voor de uitwerking of volledige herziening van een thematisch gemeentelijk ontwikkelingsplan, of voor de uitwerking van een globaal gemeentelijk ontwikkelingsplan wanneer de gemeente reeds over een of meer thematische gemeentelijke of meergemeentelijke ontwikkelingsplannen beschikt]1;
7° 10.000 euro voor de gedeeltelijke herziening [1 een thematisch meergemeentelijk ontwikkelingsplan met een maximum van 30.000 EUR, een thematisch gemeentelijk ontwikkelingsplan of]1 van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan;
8° 4.000 euro voor de gedeeltelijke herziening van een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw.
Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan een deel van een gemeentelijk grondgebied beslaat, wordt de aan die gemeente toegekende subsidie naar verhouding beperkt tot het percentage van de oppervlakte van het gemeentelijke grondgebied waarop bedoeld plan betrekking heeft.
§ 4. De vereffening van de subsidie geschiedt als volgt :
1° zestig percent van de subsidie bij de verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie en voor zover de dienovereenkomstige schuldvorderingsverklaring ingediend wordt binnen een termijn van achttien maanden te rekenen van de verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie;
2° veertig percent van de subsidie onmiddellijk na de inwerkingtreding van het ontwikkelingsplan of de handleiding voor stedenbouw en mits overlegging van de verantwoordingsstukken voor de uitgaven die de gemeente deed.
[1 § 5. De bedragen in paragraaf 3 worden, binnen de beschikbare begrotingsperken, op 1 januari van elk jaar geïndexeerd op basis van de schommelingen van de gezondheidsindex zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen van het land volgens de formule: initieel bedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de index op 1 januari 2024.]1
1° de opmaak of de herziening van het ontwikkelingsplan of de handleiding wordt verricht door een erkende projectontwerper, aangewezen door het gemeentecollege;
2° de subsidieaanvraag voor een gehele of gedeeltelijke herziening van een ontwikkelingsplan of handleiding wordt ten vroegste zes maanden na de inwerkingtreding van het ontwikkelingsplan of de handleiding, of van de laatste gehele of gehele herziening ervan ingediend, en uiterlijk drie jaar voor de datum van de niet-verlengde opheffing van rechtswege van het ontwikkelingsplan of de handleiding.
Er kunnen maximum twee gedeeltelijke herzieningen van een ontwikkelingsplan, een handleiding of gedeelte ervan gesubsidieerd worden voor éénzelfde ontwikkelingsplan of handleiding die niet geheel herzien worden.
§ 2. Het gemeentecollege of, voor het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het begeleidingscomité, gemandateerd door de gemeentecolleges, dient de subsidieaanvraag bij [2 de administratie]2 in op basis van een dossier, dat hetvolgende bevat :
1° een afschrift van het gemeenteraadsbesluit of van het besluit van de gemeenteraden tot gehele of gedeeltelijke opmaak of herziening van een ontwikkelingsplan of een handleiding;
2° voor het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, de lijst van de betrokken gemeenten;
3° een afschrift van het bestek, goedgekeurd door de gemeenteraad (gemeenteraden) [1 of de overeenkomst met de projectontwerper wanneer de relatie tussen de gemeente en de projectontwerper voldoet aan de voorwaarden voor "in house" controle zoals bepaald in artikel 30 van de wet van 17 juni 2016 betreffende de overheidsopdrachten]1;
4° een afschrift van het besluit van het (de) gemeentecollege(s) tot aanwijzing van de projectontwerper;
5° [1 behoudens in het geval dat de relatie tussen de gemeente en de projectontwerper voldoet aan de voorwaarden van "in house" controle zoals bepaald in artikel 30 van de wet van 17 juni 2016 betreffende de overheidsopdrachten,]1 een afschrift van de in aanmerking genomen offerte, waarbij het bedrag van het ereloon van de projectontwerper gedetailleerd wordt vermeld en waarbij de fases voor de opmaak van de documenten en dienovereenkomstige termijnen nader bepaald worden.
[1 6° in het geval dat de relatie tussen de gemeente en de projectauteur voldoet aan de voorwaarden van "in house" controle zoals bepaald in artikel 30 van de wet van 17 juni 2016 betreffende de overheidsopdrachten, een afschrift van de overeenkomst die de gemeente heeft gesloten met de projectontwerper, waarin de details van het bedrag van de erelonen van de projectontwerper worden gespecificeerd, evenals de fasen van voorbereiding van de documenten en de bijbehorende termijnen.]1
§ 3. De subsidie wordt tegen maximum zestig percent van het bedrag van het ereloon toegekend, met inbegrip van de belasting op de toegevoegde waarde wanneer deze door de gemeente verschuldigd en niet terugvorderbaar is, met een beperking tot een bedrag van maximum :
1° 50.000 euro per gemeente voor de gehele opmaak of herziening van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, [1 globaal]1 met een maximumbedrag van 150.000 euro;
2° 60.000 euro voor de gehele opmaak of herziening van een [1 globaal]1 gemeentelijk ontwikkelingsplan;
3° 24.000 euro voor de gehele opmaak of herziening van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan;
4° 16.000 euro voor de gehele opmaak of herziening van een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw;
5° [1 30.000 euro per gemeente voor de gedeeltelijke herziening van een globaal meergemeentelijk ontwikkelingsplan, voor de uitwerking of de totale herziening van een thematisch meergemeentelijk ontwikkelingsplan, voor de uitwerkingg van een globaal meergemeentelijk ontwikkelingsplan, wanneer de gemeente al over een of meer thematische gemeentelijke of meergemeentelijke ontwikkelingsplannen beschikt, tot een maximum van 90.000 euro]1;
6° [1 30.000 euro voor de gedeeltelijke herziening van een globaal gemeentelijk ontwikkelingsplan, voor de uitwerking of volledige herziening van een thematisch gemeentelijk ontwikkelingsplan, of voor de uitwerking van een globaal gemeentelijk ontwikkelingsplan wanneer de gemeente reeds over een of meer thematische gemeentelijke of meergemeentelijke ontwikkelingsplannen beschikt]1;
7° 10.000 euro voor de gedeeltelijke herziening [1 een thematisch meergemeentelijk ontwikkelingsplan met een maximum van 30.000 EUR, een thematisch gemeentelijk ontwikkelingsplan of]1 van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan;
8° 4.000 euro voor de gedeeltelijke herziening van een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw.
Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan een deel van een gemeentelijk grondgebied beslaat, wordt de aan die gemeente toegekende subsidie naar verhouding beperkt tot het percentage van de oppervlakte van het gemeentelijke grondgebied waarop bedoeld plan betrekking heeft.
§ 4. De vereffening van de subsidie geschiedt als volgt :
1° zestig percent van de subsidie bij de verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie en voor zover de dienovereenkomstige schuldvorderingsverklaring ingediend wordt binnen een termijn van achttien maanden te rekenen van de verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie;
2° veertig percent van de subsidie onmiddellijk na de inwerkingtreding van het ontwikkelingsplan of de handleiding voor stedenbouw en mits overlegging van de verantwoordingsstukken voor de uitgaven die de gemeente deed.
[1 § 5. De bedragen in paragraaf 3 worden, binnen de beschikbare begrotingsperken, op 1 januari van elk jaar geïndexeerd op basis van de schommelingen van de gezondheidsindex zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen van het land volgens de formule: initieel bedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de index op 1 januari 2024.]1
Art. R. I.12-2.§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut [1 octroyer une subvention pour l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un schéma de développement pluricommunal thématique ou global, d'un schéma de développement communal thématique ou global]1, d'un schéma d'orientation local ou d'un guide communal d'urbanisme aux conditions suivantes :
1° l'élaboration ou la révision du schéma ou du guide est réalisée par un auteur de projet agréé désigné par le collège communal;
2° la demande de subvention relative à une révision totale ou partielle d'un schéma ou guide est introduite au plus tôt six ans après l'entrée en vigueur du schéma ou du guide, ou de sa dernière révision totale ou partielle et au plus tard trois ans avant la date d'abrogation de plein droit non prorogée du schéma ou du guide.
Au maximum, deux révisions partielles d'un schéma, d'un guide ou d'une partie de guide peuvent être subventionnées pour un même schéma ou guide non révisé totalement.
§ 2. Le collège communal ou, pour le schéma de développement pluricommunal, le Comité d'accompagnement mandaté par les collèges communaux introduit la demande de subvention auprès de [2 l'administration]2, sur la base d'un dossier qui contient :
1° une copie de la délibération du conseil communal ou des conseils communaux décidant l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un schéma ou d'un guide;
2° pour le schéma de développement pluricommunal, la liste des communes concernées;
3° une copie du cahier des charges approuvé par le conseil communal ou les conseils communaux [1 ou de la convention avec l'auteur de projet lorsque la relation entre la commune et l'auteur de projet remplit les conditions du contrôle " in house " tel que défini par l'article 30 de la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics]1;
4° une copie de la délibération du collège communal ou des collèges communaux désignant l'auteur de projet;
5° [1 sauf dans l'hypothèse où la relation entre la commune et l'auteur de projet remplit les conditions du contrôle " in house " tel que défini par l'article 30 de la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics,]1 une copie de l'offre retenue précisant le détail du montant des honoraires de l'auteur de projet ainsi que les phases d'élaboration des documents et les délais y afférents;
[1 6° dans l'hypothèse où la relation entre la commune et l'auteur de projet remplit les conditions du contrôle " in house " tel que défini par l'article 30 de la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics, une copie de la convention conclue par la commune avec l'auteur de projet, précisant le détail du montant des honoraires de l'auteur de projet ainsi que les phases d'élaboration des documents et les délais y afférents ]1
§ 3. La subvention est octroyée à concurrence de maximum soixante pour cent du montant des honoraires en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune et est limitée à un montant maximum de :
1° 50.000 euros par commune pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement pluricommunal [1 global]1 avec un maximum de 150.000 euros;
2° 60.000 euros pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement communal [1 global]1;
3° 24.000 euros pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma d'orientation local;
4° 16.000 euros pour l'élaboration ou la révision totale d'un guide communal d'urbanisme;
5° [1 30.000 euros par commune pour la révision partielle d'un schéma de développement pluricommunal global, pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement pluricommunal thématique, ou pour l'élaboration d'un schéma de développement pluricommunal global lorsque la commune dispose déjà d'un ou de plusieurs schémas de développement communal ou pluricommunal thématiques avec un maximum de 90.000 euros]1;
6° [1 30.000 euros pour la révision partielle d'un schéma de développement communal global, pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement communal thématique, ou pour l'élaboration d'un schéma de développement communal global lorsque la commune dispose déjà d'un ou de plusieurs schémas de développement communal ou pluricommunal thématique]1;
7° 10.000 euros pour la révision partielle [1 d'un schéma de développement puricommunal thématique avec un maximum de 30.000 euros, d'un schéma de développement communal thématique ou]1 d'un schéma d'orientation local;
8° 4.000 euros pour la révision partielle d'un guide communal d'urbanisme.
Lorsque le schéma de développement pluricommunal couvre une partie d'un territoire communal, la subvention octroyée à la commune est limitée au prorata du pourcentage de la superficie du territoire communal concerné par le schéma.
§ 4. La liquidation de la subvention s'effectue comme suit:
1° soixante pour cent de la subvention à l'envoi de l'arrêté octroyant la subvention et pour autant que la déclaration de créance y relative soit introduite dans un délai de dix-huit mois à dater de l'envoi de l'arrêté octroyant la subvention;
2° quarante pour cent de la subvention dès l'entrée en vigueur du schéma ou du guide d'urbanisme, et sur la production des pièces justificatives des dépenses effectuées par la commune.
[1 § 5. Les montants du paragraphe 3 sont indexés, dans les limites budgétaires disponibles, le 1er janvier de chaque année sur base des fluctuations de l'indice santé tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays suivant la formule : montant initial multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice au 1er janvier 2024.]1
1° l'élaboration ou la révision du schéma ou du guide est réalisée par un auteur de projet agréé désigné par le collège communal;
2° la demande de subvention relative à une révision totale ou partielle d'un schéma ou guide est introduite au plus tôt six ans après l'entrée en vigueur du schéma ou du guide, ou de sa dernière révision totale ou partielle et au plus tard trois ans avant la date d'abrogation de plein droit non prorogée du schéma ou du guide.
Au maximum, deux révisions partielles d'un schéma, d'un guide ou d'une partie de guide peuvent être subventionnées pour un même schéma ou guide non révisé totalement.
§ 2. Le collège communal ou, pour le schéma de développement pluricommunal, le Comité d'accompagnement mandaté par les collèges communaux introduit la demande de subvention auprès de [2 l'administration]2, sur la base d'un dossier qui contient :
1° une copie de la délibération du conseil communal ou des conseils communaux décidant l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un schéma ou d'un guide;
2° pour le schéma de développement pluricommunal, la liste des communes concernées;
3° une copie du cahier des charges approuvé par le conseil communal ou les conseils communaux [1 ou de la convention avec l'auteur de projet lorsque la relation entre la commune et l'auteur de projet remplit les conditions du contrôle " in house " tel que défini par l'article 30 de la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics]1;
4° une copie de la délibération du collège communal ou des collèges communaux désignant l'auteur de projet;
5° [1 sauf dans l'hypothèse où la relation entre la commune et l'auteur de projet remplit les conditions du contrôle " in house " tel que défini par l'article 30 de la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics,]1 une copie de l'offre retenue précisant le détail du montant des honoraires de l'auteur de projet ainsi que les phases d'élaboration des documents et les délais y afférents;
[1 6° dans l'hypothèse où la relation entre la commune et l'auteur de projet remplit les conditions du contrôle " in house " tel que défini par l'article 30 de la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics, une copie de la convention conclue par la commune avec l'auteur de projet, précisant le détail du montant des honoraires de l'auteur de projet ainsi que les phases d'élaboration des documents et les délais y afférents ]1
§ 3. La subvention est octroyée à concurrence de maximum soixante pour cent du montant des honoraires en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune et est limitée à un montant maximum de :
1° 50.000 euros par commune pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement pluricommunal [1 global]1 avec un maximum de 150.000 euros;
2° 60.000 euros pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement communal [1 global]1;
3° 24.000 euros pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma d'orientation local;
4° 16.000 euros pour l'élaboration ou la révision totale d'un guide communal d'urbanisme;
5° [1 30.000 euros par commune pour la révision partielle d'un schéma de développement pluricommunal global, pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement pluricommunal thématique, ou pour l'élaboration d'un schéma de développement pluricommunal global lorsque la commune dispose déjà d'un ou de plusieurs schémas de développement communal ou pluricommunal thématiques avec un maximum de 90.000 euros]1;
6° [1 30.000 euros pour la révision partielle d'un schéma de développement communal global, pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement communal thématique, ou pour l'élaboration d'un schéma de développement communal global lorsque la commune dispose déjà d'un ou de plusieurs schémas de développement communal ou pluricommunal thématique]1;
7° 10.000 euros pour la révision partielle [1 d'un schéma de développement puricommunal thématique avec un maximum de 30.000 euros, d'un schéma de développement communal thématique ou]1 d'un schéma d'orientation local;
8° 4.000 euros pour la révision partielle d'un guide communal d'urbanisme.
Lorsque le schéma de développement pluricommunal couvre une partie d'un territoire communal, la subvention octroyée à la commune est limitée au prorata du pourcentage de la superficie du territoire communal concerné par le schéma.
§ 4. La liquidation de la subvention s'effectue comme suit:
1° soixante pour cent de la subvention à l'envoi de l'arrêté octroyant la subvention et pour autant que la déclaration de créance y relative soit introduite dans un délai de dix-huit mois à dater de l'envoi de l'arrêté octroyant la subvention;
2° quarante pour cent de la subvention dès l'entrée en vigueur du schéma ou du guide d'urbanisme, et sur la production des pièces justificatives des dépenses effectuées par la commune.
[1 § 5. Les montants du paragraphe 3 sont indexés, dans les limites budgétaires disponibles, le 1er janvier de chaque année sur base des fluctuations de l'indice santé tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays suivant la formule : montant initial multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice au 1er janvier 2024.]1
Art. R. I.12-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan de Minister, tegen onderstaande voorwaarden, een subsidie toekennen voor de gehele of gedeeltelijke opmaak of herziening van een (meer-)gemeentelijk ontwikkelingsplan, een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan of een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw :
1° de opmaak of de herziening van het ontwikkelingsplan of de handleiding wordt verricht door een erkende projectontwerper, aangewezen door het gemeentecollege;
2° de subsidieaanvraag voor een gehele of gedeeltelijke herziening van een ontwikkelingsplan of handleiding wordt ten vroegste zes maanden na de inwerkingtreding van het ontwikkelingsplan of de handleiding, of van de laatste gehele of gehele herziening ervan ingediend, en uiterlijk drie jaar voor de datum van de niet-verlengde opheffing van rechtswege van het ontwikkelingsplan of de handleiding.
Er kunnen maximum twee gedeeltelijke herzieningen van een ontwikkelingsplan, een handleiding of gedeelte ervan gesubsidieerd worden voor éénzelfde ontwikkelingsplan of handleiding die niet geheel herzien worden.
§ 2. Het gemeentecollege of, voor het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het begeleidingscomité, gemandateerd door de gemeentecolleges, dient de subsidieaanvraag [1 bij het departement]1 in op basis van een dossier, dat hetvolgende bevat :
1° een afschrift van het gemeenteraadsbesluit of van het besluit van de gemeenteraden tot gehele of gedeeltelijke opmaak of herziening van een ontwikkelingsplan of een handleiding;
2° voor het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, de lijst van de betrokken gemeenten;
3° een afschrift van het bestek, goedgekeurd door de gemeenteraad (gemeenteraden);
4° een afschrift van het besluit van het (de) gemeentecollege(s) tot aanwijzing van de projectontwerper;
5° een afschrift van de in aanmerking genomen offerte, waarbij het bedrag van het ereloon van de projectontwerper gedetailleerd wordt vermeld en waarbij de fases voor de opmaak van de documenten en dienovereenkomstige termijnen nader bepaald worden.
§ 3. De subsidie wordt tegen maximum zestig percent van het bedrag van het ereloon toegekend, met inbegrip van de belasting op de toegevoegde waarde wanneer deze door de gemeente verschuldigd en niet terugvorderbaar is, met een beperking tot een bedrag van maximum :
1° 50.000 euro per gemeente voor de gehele opmaak of herziening van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, met een maximumbedrag van 150.000 euro;
2° 60.000 euro voor de gehele opmaak of herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan;
3° 24.000 euro voor de gehele opmaak of herziening van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan;
4° 16.000 euro voor de gehele opmaak of herziening van een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw;
5° 20.000 euro per gemeente voor de gedeeltelijke herziening van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, met een maximumbedrag van 60.000 euro;
6° 20.000 euro voor de gedeeltelijke herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan;
7° 10.000 euro voor de gedeeltelijke herziening van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan;
8° 4.000 euro voor de gedeeltelijke herziening van een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw.
Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan een deel van een gemeentelijk grondgebied beslaat, wordt de aan die gemeente toegekende subsidie naar verhouding beperkt tot het percentage van de oppervlakte van het gemeentelijke grondgebied waarop bedoeld plan betrekking heeft.
§ 4. De vereffening van de subsidie geschiedt als volgt :
1° zestig percent van de subsidie bij de verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie en voor zover de dienovereenkomstige schuldvorderingsverklaring ingediend wordt binnen een termijn van achttien maanden te rekenen van de verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie;
2° veertig percent van de subsidie onmiddellijk na de inwerkingtreding van het ontwikkelingsplan of de handleiding voor stedenbouw en mits overlegging van de verantwoordingsstukken voor de uitgaven die de gemeente deed.
§ 1. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan de Minister, tegen onderstaande voorwaarden, een subsidie toekennen voor de gehele of gedeeltelijke opmaak of herziening van een (meer-)gemeentelijk ontwikkelingsplan, een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan of een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw :
1° de opmaak of de herziening van het ontwikkelingsplan of de handleiding wordt verricht door een erkende projectontwerper, aangewezen door het gemeentecollege;
2° de subsidieaanvraag voor een gehele of gedeeltelijke herziening van een ontwikkelingsplan of handleiding wordt ten vroegste zes maanden na de inwerkingtreding van het ontwikkelingsplan of de handleiding, of van de laatste gehele of gehele herziening ervan ingediend, en uiterlijk drie jaar voor de datum van de niet-verlengde opheffing van rechtswege van het ontwikkelingsplan of de handleiding.
Er kunnen maximum twee gedeeltelijke herzieningen van een ontwikkelingsplan, een handleiding of gedeelte ervan gesubsidieerd worden voor éénzelfde ontwikkelingsplan of handleiding die niet geheel herzien worden.
§ 2. Het gemeentecollege of, voor het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het begeleidingscomité, gemandateerd door de gemeentecolleges, dient de subsidieaanvraag [1 bij het departement]1 in op basis van een dossier, dat hetvolgende bevat :
1° een afschrift van het gemeenteraadsbesluit of van het besluit van de gemeenteraden tot gehele of gedeeltelijke opmaak of herziening van een ontwikkelingsplan of een handleiding;
2° voor het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, de lijst van de betrokken gemeenten;
3° een afschrift van het bestek, goedgekeurd door de gemeenteraad (gemeenteraden);
4° een afschrift van het besluit van het (de) gemeentecollege(s) tot aanwijzing van de projectontwerper;
5° een afschrift van de in aanmerking genomen offerte, waarbij het bedrag van het ereloon van de projectontwerper gedetailleerd wordt vermeld en waarbij de fases voor de opmaak van de documenten en dienovereenkomstige termijnen nader bepaald worden.
§ 3. De subsidie wordt tegen maximum zestig percent van het bedrag van het ereloon toegekend, met inbegrip van de belasting op de toegevoegde waarde wanneer deze door de gemeente verschuldigd en niet terugvorderbaar is, met een beperking tot een bedrag van maximum :
1° 50.000 euro per gemeente voor de gehele opmaak of herziening van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, met een maximumbedrag van 150.000 euro;
2° 60.000 euro voor de gehele opmaak of herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan;
3° 24.000 euro voor de gehele opmaak of herziening van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan;
4° 16.000 euro voor de gehele opmaak of herziening van een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw;
5° 20.000 euro per gemeente voor de gedeeltelijke herziening van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, met een maximumbedrag van 60.000 euro;
6° 20.000 euro voor de gedeeltelijke herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan;
7° 10.000 euro voor de gedeeltelijke herziening van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan;
8° 4.000 euro voor de gedeeltelijke herziening van een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw.
Wanneer het meergemeentelijk ontwikkelingsplan een deel van een gemeentelijk grondgebied beslaat, wordt de aan die gemeente toegekende subsidie naar verhouding beperkt tot het percentage van de oppervlakte van het gemeentelijke grondgebied waarop bedoeld plan betrekking heeft.
§ 4. De vereffening van de subsidie geschiedt als volgt :
1° zestig percent van de subsidie bij de verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie en voor zover de dienovereenkomstige schuldvorderingsverklaring ingediend wordt binnen een termijn van achttien maanden te rekenen van de verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie;
2° veertig percent van de subsidie onmiddellijk na de inwerkingtreding van het ontwikkelingsplan of de handleiding voor stedenbouw en mits overlegging van de verantwoordingsstukken voor de uitgaven die de gemeente deed.
Art. R. I.12-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer une subvention pour l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal, d'un schéma d'orientation local ou d'un guide communal d'urbanisme aux conditions suivantes :
1° l'élaboration ou la révision du schéma ou du guide est réalisée par un auteur de projet agréé désigné par le collège communal;
2° la demande de subvention relative à une révision totale ou partielle d'un schéma ou guide est introduite au plus tôt six ans après l'entrée en vigueur du schéma ou du guide, ou de sa dernière révision totale ou partielle et au plus tard trois ans avant la date d'abrogation de plein droit non prorogée du schéma ou du guide.
Au maximum, deux révisions partielles d'un schéma, d'un guide ou d'une partie de guide peuvent être subventionnées pour un même schéma ou guide non révisé totalement.
§ 2. Le collège communal ou, pour le schéma de développement pluricommunal, le Comité d'accompagnement mandaté par les collèges communaux introduit la demande de subvention [1 auprès du département]1, sur la base d'un dossier qui contient :
1° une copie de la délibération du conseil communal ou des conseils communaux décidant l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un schéma ou d'un guide;
2° pour le schéma de développement pluricommunal, la liste des communes concernées;
3° une copie du cahier des charges approuvé par le conseil communal ou les conseils communaux;
4° une copie de la délibération du collège communal ou des collèges communaux désignant l'auteur de projet;
5° une copie de l'offre retenue précisant le détail du montant des honoraires de l'auteur de projet ainsi que les phases d'élaboration des documents et les délais y afférents.
§ 3. La subvention est octroyée à concurrence de maximum soixante pour cent du montant des honoraires en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune et est limitée à un montant maximum de :
1° 50.000 euros par commune pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement pluricommunal avec un maximum de 150.000 euros;
2° 60.000 euros pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement communal;
3° 24.000 euros pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma d'orientation local;
4° 16.000 euros pour l'élaboration ou la révision totale d'un guide communal d'urbanisme;
5° 20.000 euros par commune pour la révision partielle d'un schéma de développement pluricommunal avec un maximum de 60.000 euros;
6° 20.000 euros pour la révision partielle d'un schéma de développement communal;
7° 10.000 euros pour la révision partielle d'un schéma d'orientation local;
8° 4.000 euros pour la révision partielle d'un guide communal d'urbanisme.
Lorsque le schéma de développement pluricommunal couvre une partie d'un territoire communal, la subvention octroyée à la commune est limitée au prorata du pourcentage de la superficie du territoire communal concerné par le schéma.
§ 4. La liquidation de la subvention s'effectue comme suit:
1° soixante pour cent de la subvention à l'envoi de l'arrêté octroyant la subvention et pour autant que la déclaration de créance y relative soit introduite dans un délai de dix-huit mois à dater de l'envoi de l'arrêté octroyant la subvention;
2° quarante pour cent de la subvention dès l'entrée en vigueur du schéma ou du guide d'urbanisme, et sur la production des pièces justificatives des dépenses effectuées par la commune.
§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer une subvention pour l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal, d'un schéma d'orientation local ou d'un guide communal d'urbanisme aux conditions suivantes :
1° l'élaboration ou la révision du schéma ou du guide est réalisée par un auteur de projet agréé désigné par le collège communal;
2° la demande de subvention relative à une révision totale ou partielle d'un schéma ou guide est introduite au plus tôt six ans après l'entrée en vigueur du schéma ou du guide, ou de sa dernière révision totale ou partielle et au plus tard trois ans avant la date d'abrogation de plein droit non prorogée du schéma ou du guide.
Au maximum, deux révisions partielles d'un schéma, d'un guide ou d'une partie de guide peuvent être subventionnées pour un même schéma ou guide non révisé totalement.
§ 2. Le collège communal ou, pour le schéma de développement pluricommunal, le Comité d'accompagnement mandaté par les collèges communaux introduit la demande de subvention [1 auprès du département]1, sur la base d'un dossier qui contient :
1° une copie de la délibération du conseil communal ou des conseils communaux décidant l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un schéma ou d'un guide;
2° pour le schéma de développement pluricommunal, la liste des communes concernées;
3° une copie du cahier des charges approuvé par le conseil communal ou les conseils communaux;
4° une copie de la délibération du collège communal ou des collèges communaux désignant l'auteur de projet;
5° une copie de l'offre retenue précisant le détail du montant des honoraires de l'auteur de projet ainsi que les phases d'élaboration des documents et les délais y afférents.
§ 3. La subvention est octroyée à concurrence de maximum soixante pour cent du montant des honoraires en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune et est limitée à un montant maximum de :
1° 50.000 euros par commune pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement pluricommunal avec un maximum de 150.000 euros;
2° 60.000 euros pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement communal;
3° 24.000 euros pour l'élaboration ou la révision totale d'un schéma d'orientation local;
4° 16.000 euros pour l'élaboration ou la révision totale d'un guide communal d'urbanisme;
5° 20.000 euros par commune pour la révision partielle d'un schéma de développement pluricommunal avec un maximum de 60.000 euros;
6° 20.000 euros pour la révision partielle d'un schéma de développement communal;
7° 10.000 euros pour la révision partielle d'un schéma d'orientation local;
8° 4.000 euros pour la révision partielle d'un guide communal d'urbanisme.
Lorsque le schéma de développement pluricommunal couvre une partie d'un territoire communal, la subvention octroyée à la commune est limitée au prorata du pourcentage de la superficie du territoire communal concerné par le schéma.
§ 4. La liquidation de la subvention s'effectue comme suit:
1° soixante pour cent de la subvention à l'envoi de l'arrêté octroyant la subvention et pour autant que la déclaration de créance y relative soit introduite dans un délai de dix-huit mois à dater de l'envoi de l'arrêté octroyant la subvention;
2° quarante pour cent de la subvention dès l'entrée en vigueur du schéma ou du guide d'urbanisme, et sur la production des pièces justificatives des dépenses effectuées par la commune.
Wijzigingen
Afdeling 3. [1 - Subsidies voor de opmaak van een milieueffectenrapport in verband met een ontwerp van herziening van het gewestplan, een (meer)gemeentelijk ontwikkelingsplan of een gemeentelijk ontwikkelingsplan, een lokaal beleidsontwikkelingsplan of een gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding]1
Section 3. [1 - Subventions pour l'élaboration d'un rapport sur les incidences environnementales relatif à un projet de révision de plan de secteur, à un schéma de développement puricommunal, à un schéma de développement communal, à un schéma d'orientation locale ou à un guide communal d'urbanisme]1
Art. R. I.12-3.§ 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Minister een subsidie toekennen aan de gemeenten voor de opmaak van een milieueffectenverslag voor de gehele of gedeeltelijke opmaak of herziening van een plan, een (meer-)gemeentelijk ontwikkelingsplan, een gemeentelijk ontwikkelingsplan [1 , een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan of een stedenbouwkundige handleiding]1 tegen volgende voorwaarden :
1° wanneer het verslag wordt opgesteld in het kader van een gewestplanherziening, moet dit door een in de zin van artikel D.I.11 erkende projectontwerper verricht worden;
2° de ontwerp-opmaak of -herziening van het plan [1 dan wel de handleiding]1 wordt door de Regering aangenomen of het ontwikkelingsplan maakt het voorwerp uit van een beslissing van de bevoegde overheid tot vaststelling van de inhoud van het milieueffectenverslag.
§ 2. Het gemeentecollege of, voor het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het begeleidingscomité, gemandateerd door de gemeentecolleges, dient de subsidieaanvraag bij DGO4 in op basis van een dossier, dat een afschrift van de beslissing bevat tot vaststelling van de omvang en de nauwkeurigheidsgraad van het milieueffectenverslag, evenals :
1° wanneer de gemeente een beroep doet op een projectontwerper, een afschrift van het bestek, goedgekeurd door de gemeenteraad, een afschrift van het gemeenteraadsbesluit tot aanwijzing van de projectontwerper en een afschrift van de in aanmerking genomen offerte waarbij het ereloonbedrag van de projectontwerper gedetailleerd uiteengezet is [1 of wanneer de relatie tussen de gemeente en de projectontwerper voldoet aan de voorwaarden voor een "in house" controle zoals bepaald in artikel 30 van de wet van 17 juni 2016 betreffende de overheidsopdrachten, een afschrift van de overeenkomst met de projectontwerper en een afschrift van het besluit van het gemeentecollege tot aanstelling van de projectontwerper]1;
2° wanneer het dossier door de gemeente wordt opgesteld, de specifieke uitgaven die vastgelegd dienen te worden voor de samenstelling van het dossier, kosten voor het gemeentepersoneel niet meegerekend;
3° wanneer het dossier door de gemeente opgesteld wordt en deze voor thematische onderzoeken een beroep doet op een projectontwerper, de gegevens vermeld onder 1° en 2°.
§ 3. De subsidie wordt tegen maximum zestig percent van het bedrag bedoeld in paragraaf 2 toegekend, met inbegrip van de belasting op de toegevoegde waarde wanneer deze door de gemeente verschuldigd en niet terugvorderbaar is, met een beperking tot een bedrag van maximum :
1° 24.000 euro voor de uitvoering van het verslag voor een gewestplanherziening of voor de opmaak of gehele herziening van een [1 globaal]1 meergemeentelijk ontwikkelingsplan per gemeente, met een maximumbedrag van 72.000 euro;
2° 16.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de opmaak of gehele herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan;
3° 12.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de opmaak of gehele herziening van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan;
4° 12.000 euro per gemeente voor de uitvoering van het verslag voor de gedeeltelijke herziening van een [1 globaal]1 meergemeentelijk ontwikkelingsplan, met een maximumbedrag van 36.000 euro;
5° 10.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de gedeeltelijke herziening van een [1 globaal]1 gemeentelijk ontwikkelingsplan [1 , de opmaak of volledige herziening van een thematisch gemeentelijk ontwikkelingsplan, of de voorbereiding van een globaal gemeentelijk ontwikkelingsplan wanneer de gemeente al een of meer thematische gemeentelijke of meergemeentelijke ontwikkelingsplannen heeft]1;
6° 6.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de gedeeltelijke herziening van [1 een thematisch meergemeentelijk ontwikkelingsplan tot maximaal 18.000 euro, een thematisch gemeentelijk ontwikkelingsplan of]1 een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan.
[1 7° 16.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de opmaak of gehele herziening van een gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding ;
8° 10.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de gedeeltelijke herziening van een gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding.]1
§ 4. De vereffening van de subsidie geschiedt als volgt :
1° zestig percent van de subsidie onmiddellijk na de aanneming van de ontwerp-herziening van het gewestplan door de Regering en na overlegging van de verantwoordingsstukken van de uitgaven van de gemeente of voor de ontwikkelingsplannen [1 en handleidingen]1 op de datum van verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie en voor zover de dienovereenkomstige schuldvorderingsverklaring ingediend wordt binnen de achttien maanden te rekenen van de verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie;
2° veertig percent van de subsidie bij de aanneming van het plan [1 , ontwikkelingsplan of handleiding]1.
Een gemeente kan niet tegelijk een subsidie krijgen voor de opmaak of gehele of gedeeltelijke herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan en een subsidie voor de opmaak of gehele of gedeeltelijke herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan.
[1 § 5. De bedragen in paragraaf 3 worden, binnen de beschikbare begrotingsperken, op 1 januari van elk jaar geïndexeerd op basis van de schommelingen van de gezondheidsindex zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen van het land volgens de formule: initieel bedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de index op 1 januari 2024.]1
1° wanneer het verslag wordt opgesteld in het kader van een gewestplanherziening, moet dit door een in de zin van artikel D.I.11 erkende projectontwerper verricht worden;
2° de ontwerp-opmaak of -herziening van het plan [1 dan wel de handleiding]1 wordt door de Regering aangenomen of het ontwikkelingsplan maakt het voorwerp uit van een beslissing van de bevoegde overheid tot vaststelling van de inhoud van het milieueffectenverslag.
§ 2. Het gemeentecollege of, voor het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het begeleidingscomité, gemandateerd door de gemeentecolleges, dient de subsidieaanvraag bij DGO4 in op basis van een dossier, dat een afschrift van de beslissing bevat tot vaststelling van de omvang en de nauwkeurigheidsgraad van het milieueffectenverslag, evenals :
1° wanneer de gemeente een beroep doet op een projectontwerper, een afschrift van het bestek, goedgekeurd door de gemeenteraad, een afschrift van het gemeenteraadsbesluit tot aanwijzing van de projectontwerper en een afschrift van de in aanmerking genomen offerte waarbij het ereloonbedrag van de projectontwerper gedetailleerd uiteengezet is [1 of wanneer de relatie tussen de gemeente en de projectontwerper voldoet aan de voorwaarden voor een "in house" controle zoals bepaald in artikel 30 van de wet van 17 juni 2016 betreffende de overheidsopdrachten, een afschrift van de overeenkomst met de projectontwerper en een afschrift van het besluit van het gemeentecollege tot aanstelling van de projectontwerper]1;
2° wanneer het dossier door de gemeente wordt opgesteld, de specifieke uitgaven die vastgelegd dienen te worden voor de samenstelling van het dossier, kosten voor het gemeentepersoneel niet meegerekend;
3° wanneer het dossier door de gemeente opgesteld wordt en deze voor thematische onderzoeken een beroep doet op een projectontwerper, de gegevens vermeld onder 1° en 2°.
§ 3. De subsidie wordt tegen maximum zestig percent van het bedrag bedoeld in paragraaf 2 toegekend, met inbegrip van de belasting op de toegevoegde waarde wanneer deze door de gemeente verschuldigd en niet terugvorderbaar is, met een beperking tot een bedrag van maximum :
1° 24.000 euro voor de uitvoering van het verslag voor een gewestplanherziening of voor de opmaak of gehele herziening van een [1 globaal]1 meergemeentelijk ontwikkelingsplan per gemeente, met een maximumbedrag van 72.000 euro;
2° 16.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de opmaak of gehele herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan;
3° 12.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de opmaak of gehele herziening van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan;
4° 12.000 euro per gemeente voor de uitvoering van het verslag voor de gedeeltelijke herziening van een [1 globaal]1 meergemeentelijk ontwikkelingsplan, met een maximumbedrag van 36.000 euro;
5° 10.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de gedeeltelijke herziening van een [1 globaal]1 gemeentelijk ontwikkelingsplan [1 , de opmaak of volledige herziening van een thematisch gemeentelijk ontwikkelingsplan, of de voorbereiding van een globaal gemeentelijk ontwikkelingsplan wanneer de gemeente al een of meer thematische gemeentelijke of meergemeentelijke ontwikkelingsplannen heeft]1;
6° 6.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de gedeeltelijke herziening van [1 een thematisch meergemeentelijk ontwikkelingsplan tot maximaal 18.000 euro, een thematisch gemeentelijk ontwikkelingsplan of]1 een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan.
[1 7° 16.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de opmaak of gehele herziening van een gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding ;
8° 10.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de gedeeltelijke herziening van een gemeentelijke stedenbouwkundige handleiding.]1
§ 4. De vereffening van de subsidie geschiedt als volgt :
1° zestig percent van de subsidie onmiddellijk na de aanneming van de ontwerp-herziening van het gewestplan door de Regering en na overlegging van de verantwoordingsstukken van de uitgaven van de gemeente of voor de ontwikkelingsplannen [1 en handleidingen]1 op de datum van verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie en voor zover de dienovereenkomstige schuldvorderingsverklaring ingediend wordt binnen de achttien maanden te rekenen van de verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie;
2° veertig percent van de subsidie bij de aanneming van het plan [1 , ontwikkelingsplan of handleiding]1.
Een gemeente kan niet tegelijk een subsidie krijgen voor de opmaak of gehele of gedeeltelijke herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan en een subsidie voor de opmaak of gehele of gedeeltelijke herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan.
[1 § 5. De bedragen in paragraaf 3 worden, binnen de beschikbare begrotingsperken, op 1 januari van elk jaar geïndexeerd op basis van de schommelingen van de gezondheidsindex zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen van het land volgens de formule: initieel bedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de index op 1 januari 2024.]1
Art. R. I.12-3.§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer une subvention aux communes pour l'élaboration d'un rapport sur les incidences environnementales relatif à l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un plan ou d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal [1 , d'un schéma d'orientation local ou d'un guide d'urbanisme]1 aux conditions suivantes :
1° lorsque le rapport est réalisé dans le cadre d'une révision du plan de secteur, il est réalisé par un auteur de projet agréé au sens de l'article D.I.11;
2° le projet d'élaboration ou de révision du plan est adopté par le Gouvernement ou le schéma [1 ou le guide]1 fait l'objet d'une décision de l'autorité compétente fixant le contenu du rapport sur les incidences environnementales.
§ 2. Le collège communal ou, pour le schéma de développement pluricommunal, le Comité d'accompagnement mandaté par les collèges communaux introduit la demande de subvention auprès de la DGO4, sur la base d'un dossier qui contient une copie de la décision fixant l'ampleur et le degré de précision du rapport sur les incidences environnementales ainsi que :
1° lorsque la commune fait appel à un auteur de projet, une copie du cahier des charges approuvé par le conseil communal, une copie de la délibération du collège communal désignant l'auteur de projet et une copie de l'offre retenue précisant le détail du montant des honoraires de l'auteur de projet [1 ou lorsque la relation entre la commune et l'auteur de projet remplit les conditions du contrôle " in house " tel que défini par l'article 30 de la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics, une copie de la convention avec l'auteur de projet et une copie de la délibération du collège communal désignant l'auteur de projet]1;
2° lorsque le rapport est établi par la commune, les dépenses spécifiques à engager pour la constitution du dossier, hors frais de personnel communal;
3° lorsque le rapport est établi par la commune et qu'elle fait appel à un auteur de projet pour des études thématiques, les élements repris aux points 1° et 2°.
§ 3. La subvention est octroyée à concurrence de maximum soixante pour cent du montant visé au paragraphe 2 en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune et est plafonnée à un montant de :
1° 24.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à une révision de plan de secteur ou à l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement pluricommunal [1 global]1 par commune avec un maximum de 72.000 euros;
2° 16.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à l'élaboration ou à la révision totale d'un schéma de développement communal [1 global]1;
3° 12.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à l'élaboration ou la révision totale d'un schéma d'orientation local;
4° 12.000 euros par commune pour la réalisation du rapport relatif à la révision partielle d'un schéma de développement pluricommunal [1 global, à l'élaboration ou à la révision totale d'un schéma de développement pluricommunal thématique ou à l'élaboration d'un schéma de développement pluricommunal global lorsque la commune dispose déjà d'un ou de plusieurs schémas de développement communal ou pluricommunal thématiques]1, avec un maximum de 36.000 euros;
5° 10.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à la révision partielle d'un schéma de développement communal [1 global, à l'élaboration ou à la révision totale d'un schéma de développement communal thématique, ou à l'élaboration d'un schéma de développement communal global lorsque la commune dispose déjà d'un ou de plusieurs schémas de développement communal ou pluricommunal thématiques]1;
6° 6.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à la révision partielle [1 d'un schéma de développement pluricommunal thématique avec un maximum de 18.000 euros, d'un schéma de développement communal thématique ou]1 d'un schéma d'orientation local;
[1 7° 16.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à l'élaboration ou à la révision totale d'un guide communal d'urbanisme ;
8° 10.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à la révision partielle d'un guide communal d'urbanisme.]1
§ 4. La liquidation de la subvention s'effectue comme suit :
1° soixante pour cent de la subvention dès l'adoption du projet de révision du plan de secteur par le Gouvernement et sur production des pièces justificatives des dépenses effectuées par la commune ou pour les schémas [1 et guides]1 à la date d'envoi de l'arrêté octroyant la subvention et pour autant que la déclaration de créance y relative soit introduite dans les dix-huit mois à dater de l'envoi de l'arrêté octroyant la subvention;
2° quarante pour cent de la subvention à l'adoption du plan [1 , du schéma ou du guide]1.
Une commune ne peut bénéficier simultanément d'une subvention pour l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un schéma de développement pluricommunal et d'une subvention pour l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un schéma de développement communal.
[1 § 5. Les montants du paragraphe 3 sont indexés, dans les limites budgétaires disponibles, le 1er janvier de chaque année sur base des fluctuations de l'indice santé tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays suivant la formule : montant initial multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice au 1er janvier 2024.]1
1° lorsque le rapport est réalisé dans le cadre d'une révision du plan de secteur, il est réalisé par un auteur de projet agréé au sens de l'article D.I.11;
2° le projet d'élaboration ou de révision du plan est adopté par le Gouvernement ou le schéma [1 ou le guide]1 fait l'objet d'une décision de l'autorité compétente fixant le contenu du rapport sur les incidences environnementales.
§ 2. Le collège communal ou, pour le schéma de développement pluricommunal, le Comité d'accompagnement mandaté par les collèges communaux introduit la demande de subvention auprès de la DGO4, sur la base d'un dossier qui contient une copie de la décision fixant l'ampleur et le degré de précision du rapport sur les incidences environnementales ainsi que :
1° lorsque la commune fait appel à un auteur de projet, une copie du cahier des charges approuvé par le conseil communal, une copie de la délibération du collège communal désignant l'auteur de projet et une copie de l'offre retenue précisant le détail du montant des honoraires de l'auteur de projet [1 ou lorsque la relation entre la commune et l'auteur de projet remplit les conditions du contrôle " in house " tel que défini par l'article 30 de la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics, une copie de la convention avec l'auteur de projet et une copie de la délibération du collège communal désignant l'auteur de projet]1;
2° lorsque le rapport est établi par la commune, les dépenses spécifiques à engager pour la constitution du dossier, hors frais de personnel communal;
3° lorsque le rapport est établi par la commune et qu'elle fait appel à un auteur de projet pour des études thématiques, les élements repris aux points 1° et 2°.
§ 3. La subvention est octroyée à concurrence de maximum soixante pour cent du montant visé au paragraphe 2 en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune et est plafonnée à un montant de :
1° 24.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à une révision de plan de secteur ou à l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement pluricommunal [1 global]1 par commune avec un maximum de 72.000 euros;
2° 16.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à l'élaboration ou à la révision totale d'un schéma de développement communal [1 global]1;
3° 12.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à l'élaboration ou la révision totale d'un schéma d'orientation local;
4° 12.000 euros par commune pour la réalisation du rapport relatif à la révision partielle d'un schéma de développement pluricommunal [1 global, à l'élaboration ou à la révision totale d'un schéma de développement pluricommunal thématique ou à l'élaboration d'un schéma de développement pluricommunal global lorsque la commune dispose déjà d'un ou de plusieurs schémas de développement communal ou pluricommunal thématiques]1, avec un maximum de 36.000 euros;
5° 10.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à la révision partielle d'un schéma de développement communal [1 global, à l'élaboration ou à la révision totale d'un schéma de développement communal thématique, ou à l'élaboration d'un schéma de développement communal global lorsque la commune dispose déjà d'un ou de plusieurs schémas de développement communal ou pluricommunal thématiques]1;
6° 6.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à la révision partielle [1 d'un schéma de développement pluricommunal thématique avec un maximum de 18.000 euros, d'un schéma de développement communal thématique ou]1 d'un schéma d'orientation local;
[1 7° 16.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à l'élaboration ou à la révision totale d'un guide communal d'urbanisme ;
8° 10.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à la révision partielle d'un guide communal d'urbanisme.]1
§ 4. La liquidation de la subvention s'effectue comme suit :
1° soixante pour cent de la subvention dès l'adoption du projet de révision du plan de secteur par le Gouvernement et sur production des pièces justificatives des dépenses effectuées par la commune ou pour les schémas [1 et guides]1 à la date d'envoi de l'arrêté octroyant la subvention et pour autant que la déclaration de créance y relative soit introduite dans les dix-huit mois à dater de l'envoi de l'arrêté octroyant la subvention;
2° quarante pour cent de la subvention à l'adoption du plan [1 , du schéma ou du guide]1.
Une commune ne peut bénéficier simultanément d'une subvention pour l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un schéma de développement pluricommunal et d'une subvention pour l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un schéma de développement communal.
[1 § 5. Les montants du paragraphe 3 sont indexés, dans les limites budgétaires disponibles, le 1er janvier de chaque année sur base des fluctuations de l'indice santé tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays suivant la formule : montant initial multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice au 1er janvier 2024.]1
Wijzigingen
Art. R. I.12-3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Minister een subsidie toekennen aan de gemeenten voor de opmaak van een milieueffectenverslag voor de gehele of gedeeltelijke opmaak of herziening van een plan, een (meer-)gemeentelijk ontwikkelingsplan, een gemeentelijk ontwikkelingsplan of een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan tegen volgende voorwaarden :
1° wanneer het verslag wordt opgesteld in het kader van een gewestplanherziening, moet dit door een in de zin van artikel D.I.11 erkende projectontwerper verricht worden;
2° de ontwerp-opmaak of -herziening van het plan wordt door de Regering aangenomen of het ontwikkelingsplan maakt het voorwerp uit van een beslissing van de bevoegde overheid tot vaststelling van de inhoud van het milieueffectenverslag.
§ 2. Het gemeentecollege of, voor het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het begeleidingscomité, gemandateerd door de gemeentecolleges, dient de subsidieaanvraag [1 bij het departement]1 in op basis van een dossier, dat een afschrift van de beslissing bevat tot vaststelling van de omvang en de nauwkeurigheidsgraad van het milieueffectenverslag, evenals :
1° wanneer de gemeente een beroep doet op een projectontwerper, een afschrift van het bestek, goedgekeurd door de gemeenteraad, een afschrift van het gemeenteraadsbesluit tot aanwijzing van de projectontwerper en een afschrift van de in aanmerking genomen offerte waarbij het ereloonbedrag van de projectontwerper gedetailleerd uiteengezet is;
2° wanneer het dossier door de gemeente wordt opgesteld, de specifieke uitgaven die vastgelegd dienen te worden voor de samenstelling van het dossier, kosten voor het gemeentepersoneel niet meegerekend;
3° wanneer het dossier door de gemeente opgesteld wordt en deze voor thematische onderzoeken een beroep doet op een projectontwerper, de gegevens vermeld onder 1° en 2°.
§ 3. De subsidie wordt tegen maximum zestig percent van het bedrag bedoeld in paragraaf 2 toegekend, met inbegrip van de belasting op de toegevoegde waarde wanneer deze door de gemeente verschuldigd en niet terugvorderbaar is, met een beperking tot een bedrag van maximum :
1° 24.000 euro voor de uitvoering van het verslag voor een gewestplanherziening of voor de opmaak of gehele herziening van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan per gemeente, met een maximumbedrag van 72.000 euro;
2° 16.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de opmaak of gehele herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan;
3° 12.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de opmaak of gehele herziening van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan;
4° 12.000 euro per gemeente voor de uitvoering van het verslag voor de gedeeltelijke herziening van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, met een maximumbedrag van 36.000 euro;
5° 10.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de gedeeltelijke herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan;
6° 6.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de gedeeltelijke herziening van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan.
§ 4. De vereffening van de subsidie geschiedt als volgt :
1° zestig percent van de subsidie onmiddellijk na de aanneming van de ontwerp-herziening van het gewestplan door de Regering en na overlegging van de verantwoordingsstukken van de uitgaven van de gemeente of voor de ontwikkelingsplannen op de datum van verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie en voor zover de dienovereenkomstige schuldvorderingsverklaring ingediend wordt binnen de achttien maanden te rekenen van de verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie;
2° veertig percent van de subsidie bij de aanneming van het plan of ontwikkelingsplan.
Een gemeente kan niet tegelijk een subsidie krijgen voor de opmaak of gehele of gedeeltelijke herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan en een subsidie voor de opmaak of gehele of gedeeltelijke herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan.
§ 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Minister een subsidie toekennen aan de gemeenten voor de opmaak van een milieueffectenverslag voor de gehele of gedeeltelijke opmaak of herziening van een plan, een (meer-)gemeentelijk ontwikkelingsplan, een gemeentelijk ontwikkelingsplan of een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan tegen volgende voorwaarden :
1° wanneer het verslag wordt opgesteld in het kader van een gewestplanherziening, moet dit door een in de zin van artikel D.I.11 erkende projectontwerper verricht worden;
2° de ontwerp-opmaak of -herziening van het plan wordt door de Regering aangenomen of het ontwikkelingsplan maakt het voorwerp uit van een beslissing van de bevoegde overheid tot vaststelling van de inhoud van het milieueffectenverslag.
§ 2. Het gemeentecollege of, voor het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het begeleidingscomité, gemandateerd door de gemeentecolleges, dient de subsidieaanvraag [1 bij het departement]1 in op basis van een dossier, dat een afschrift van de beslissing bevat tot vaststelling van de omvang en de nauwkeurigheidsgraad van het milieueffectenverslag, evenals :
1° wanneer de gemeente een beroep doet op een projectontwerper, een afschrift van het bestek, goedgekeurd door de gemeenteraad, een afschrift van het gemeenteraadsbesluit tot aanwijzing van de projectontwerper en een afschrift van de in aanmerking genomen offerte waarbij het ereloonbedrag van de projectontwerper gedetailleerd uiteengezet is;
2° wanneer het dossier door de gemeente wordt opgesteld, de specifieke uitgaven die vastgelegd dienen te worden voor de samenstelling van het dossier, kosten voor het gemeentepersoneel niet meegerekend;
3° wanneer het dossier door de gemeente opgesteld wordt en deze voor thematische onderzoeken een beroep doet op een projectontwerper, de gegevens vermeld onder 1° en 2°.
§ 3. De subsidie wordt tegen maximum zestig percent van het bedrag bedoeld in paragraaf 2 toegekend, met inbegrip van de belasting op de toegevoegde waarde wanneer deze door de gemeente verschuldigd en niet terugvorderbaar is, met een beperking tot een bedrag van maximum :
1° 24.000 euro voor de uitvoering van het verslag voor een gewestplanherziening of voor de opmaak of gehele herziening van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan per gemeente, met een maximumbedrag van 72.000 euro;
2° 16.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de opmaak of gehele herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan;
3° 12.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de opmaak of gehele herziening van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan;
4° 12.000 euro per gemeente voor de uitvoering van het verslag voor de gedeeltelijke herziening van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, met een maximumbedrag van 36.000 euro;
5° 10.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de gedeeltelijke herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan;
6° 6.000 euro voor de uitvoering van het verslag betreffende de gedeeltelijke herziening van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan.
§ 4. De vereffening van de subsidie geschiedt als volgt :
1° zestig percent van de subsidie onmiddellijk na de aanneming van de ontwerp-herziening van het gewestplan door de Regering en na overlegging van de verantwoordingsstukken van de uitgaven van de gemeente of voor de ontwikkelingsplannen op de datum van verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie en voor zover de dienovereenkomstige schuldvorderingsverklaring ingediend wordt binnen de achttien maanden te rekenen van de verzending van het besluit tot toekenning van de subsidie;
2° veertig percent van de subsidie bij de aanneming van het plan of ontwikkelingsplan.
Een gemeente kan niet tegelijk een subsidie krijgen voor de opmaak of gehele of gedeeltelijke herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan en een subsidie voor de opmaak of gehele of gedeeltelijke herziening van een gemeentelijk ontwikkelingsplan.
Art. R. I.12-3_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer une subvention aux communes pour l'élaboration d'un rapport sur les incidences environnementales relatif à l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un plan ou d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal ou d'un schéma d'orientation local aux conditions suivantes :
1° lorsque le rapport est réalisé dans le cadre d'une révision du plan de secteur, il est réalisé par un auteur de projet agréé au sens de l'article D.I.11;
2° le projet d'élaboration ou de révision du plan est adopté par le Gouvernement ou le schéma fait l'objet d'une décision de l'autorité compétente fixant le contenu du rapport sur les incidences environnementales.
§ 2. Le collège communal ou, pour le schéma de développement pluricommunal, le Comité d'accompagnement mandaté par les collèges communaux introduit la demande de subvention [1 auprès du département]1, sur la base d'un dossier qui contient une copie de la décision fixant l'ampleur et le degré de précision du rapport sur les incidences environnementales ainsi que :
1° lorsque la commune fait appel à un auteur de projet, une copie du cahier des charges approuvé par le conseil communal, une copie de la délibération du collège communal désignant l'auteur de projet et une copie de l'offre retenue précisant le détail du montant des honoraires de l'auteur de projet;
2° lorsque le rapport est établi par la commune, les dépenses spécifiques à engager pour la constitution du dossier, hors frais de personnel communal;
3° lorsque le rapport est établi par la commune et qu'elle fait appel à un auteur de projet pour des études thématiques, les élements repris aux points 1° et 2°.
§ 3. La subvention est octroyée à concurrence de maximum soixante pour cent du montant visé au paragraphe 2 en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune et est plafonnée à un montant de :
1° 24.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à une révision de plan de secteur ou à l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement pluricommunal par commune avec un maximum de 72.000 euros;
2° 16.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à l'élaboration ou à la révision totale d'un schéma de développement communal;
3° 12.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à l'élaboration ou la révision totale d'un schéma d'orientation local;
4° 12.000 euros par commune pour la réalisation du rapport relatif à la révision partielle d'un schéma de développement pluricommunal, avec un maximum de 36.000 euros;
5° 10.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à la révision partielle d'un schéma de développement communal;
6° 6.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à la révision partielle d'un schéma d'orientation local.
§ 4. La liquidation de la subvention s'effectue comme suit :
1° soixante pour cent de la subvention dès l'adoption du projet de révision du plan de secteur par le Gouvernement et sur production des pièces justificatives des dépenses effectuées par la commune ou pour les schémas à la date d'envoi de l'arrêté octroyant la subvention et pour autant que la déclaration de créance y relative soit introduite dans les dix-huit mois à dater de l'envoi de l'arrêté octroyant la subvention;
2° quarante pour cent de la subvention à l'adoption du plan ou du schéma.
Une commune ne peut bénéficier simultanément d'une subvention pour l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un schéma de développement pluricommunal et d'une subvention pour l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un schéma de développement communal.
§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer une subvention aux communes pour l'élaboration d'un rapport sur les incidences environnementales relatif à l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un plan ou d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal ou d'un schéma d'orientation local aux conditions suivantes :
1° lorsque le rapport est réalisé dans le cadre d'une révision du plan de secteur, il est réalisé par un auteur de projet agréé au sens de l'article D.I.11;
2° le projet d'élaboration ou de révision du plan est adopté par le Gouvernement ou le schéma fait l'objet d'une décision de l'autorité compétente fixant le contenu du rapport sur les incidences environnementales.
§ 2. Le collège communal ou, pour le schéma de développement pluricommunal, le Comité d'accompagnement mandaté par les collèges communaux introduit la demande de subvention [1 auprès du département]1, sur la base d'un dossier qui contient une copie de la décision fixant l'ampleur et le degré de précision du rapport sur les incidences environnementales ainsi que :
1° lorsque la commune fait appel à un auteur de projet, une copie du cahier des charges approuvé par le conseil communal, une copie de la délibération du collège communal désignant l'auteur de projet et une copie de l'offre retenue précisant le détail du montant des honoraires de l'auteur de projet;
2° lorsque le rapport est établi par la commune, les dépenses spécifiques à engager pour la constitution du dossier, hors frais de personnel communal;
3° lorsque le rapport est établi par la commune et qu'elle fait appel à un auteur de projet pour des études thématiques, les élements repris aux points 1° et 2°.
§ 3. La subvention est octroyée à concurrence de maximum soixante pour cent du montant visé au paragraphe 2 en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune et est plafonnée à un montant de :
1° 24.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à une révision de plan de secteur ou à l'élaboration ou la révision totale d'un schéma de développement pluricommunal par commune avec un maximum de 72.000 euros;
2° 16.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à l'élaboration ou à la révision totale d'un schéma de développement communal;
3° 12.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à l'élaboration ou la révision totale d'un schéma d'orientation local;
4° 12.000 euros par commune pour la réalisation du rapport relatif à la révision partielle d'un schéma de développement pluricommunal, avec un maximum de 36.000 euros;
5° 10.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à la révision partielle d'un schéma de développement communal;
6° 6.000 euros pour la réalisation du rapport relatif à la révision partielle d'un schéma d'orientation local.
§ 4. La liquidation de la subvention s'effectue comme suit :
1° soixante pour cent de la subvention dès l'adoption du projet de révision du plan de secteur par le Gouvernement et sur production des pièces justificatives des dépenses effectuées par la commune ou pour les schémas à la date d'envoi de l'arrêté octroyant la subvention et pour autant que la déclaration de créance y relative soit introduite dans les dix-huit mois à dater de l'envoi de l'arrêté octroyant la subvention;
2° quarante pour cent de la subvention à l'adoption du plan ou du schéma.
Une commune ne peut bénéficier simultanément d'une subvention pour l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un schéma de développement pluricommunal et d'une subvention pour l'élaboration ou la révision totale ou partielle d'un schéma de développement communal.
Wijzigingen
Afdeling 4. - " Maisons de l'urbanisme ", " Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme " en " Maison des plus beaux villages de Wallonie "
Section 4. - Maisons de l'urbanisme, Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme et Maison des plus beaux villages de Wallonie
Art. R. I.12-4.Nadere subsidieregels.
§ 1. Subsidie voor de eerste installatie.
Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Minister een eenmalige subsidie toekennen voor de eerste installatie van de " Maisons de l'urbanisme ", " Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme " en " Maison des plus beaux villages de Wallonie ", erkend voor de organisatie van de informatie in verband met ruimtelijke ordening en stedenbouw overeenkomstig artikel D.I.12, lid 1, 5°.
De subsidie dekt de kosten voor de eerste installatie. De in aanmerking komende kosten houden verband met de investeringen voor de verwerving, de renovatie of de inrichting van onroerende goederen voor de opvang ervan, evenals met de aankoop van roerende goederen en uitrustingen, met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde wanneer deze verschuldigd en door de persoon niet terugvorderbaar is.
De subsidie wordt in één keer vereffend op grond van de gezamenlijke verantwoordingsstukken en het detail van andere eventuele subsidies, waarvan de tegemoetkomingen voor de dekking van gelijkaardige voorwerpen afgetrokken worden, na advies van het begeleidingscomité bedoeld in artikel R.I.12-5, § 3, lid 3, 1°.
Het bedrag van deze subsidie wordt beperkt tot 75.000 euro.
[1 Het in lid 3 bedoelde bedrag wordt, binnen de beschikbare begrotingsperken, op 1 januari van elk jaar geïndexeerd op basis van de schommelingen van de gezondheidsindex zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen van het land, volgens de formule: initieel bedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de index op 1 januari 2024.]1
§ 2. Werkingssubsidies.
Binnen de perken van de beschikbare kredieten kent de Minister een jaarlijkse werkingssubsidie toe aan de erkende " Maisons de l'urbanisme ", " Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme " en " Maison des plus beaux villages de Wallonie ". De subsidie dekt de kosten in verband met de uitoefening van hun activiteiten, met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde wanneer deze verschuldigd en door de persoon niet terugvorderbaar is en met de bezoldiging van het personeel dat ingezet wordt om haar taken uit te voeren.
De subsidieaanvraag wordt samen ingediend met het ontwerp voor jaarlijkse activiteiten en de desbetreffende begroting en wordt uiterlijk op 30 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, aan [2 de administratie]2 overgemaakt.
De subsidie wordt in twee schijven vereffend :
1° zestig percent van de goedgekeurde begroting, bij de goedkeuring, door de Minister, van het ontwerp voor jaarlijkse activiteiten en de dienovereenkomstige begroting, na het advies van het begeleidingscomité bedoeld in artikel R.I.12-5, § 3, lid 3, 2° ;
2° veertig percent, bij de goedkeuring, door de Minister, van het activiteitenverslag en de dienovereenkomstige rekening op grond van de verantwoordingsstukken, na het advies van het begeleidingscomité bedoeld in artikel R.I.12-5, § 3, lid 3, 3°.
Het bedrag van de subsidie wordt bij de vereffening van het saldo aangepast op grond van de werkelijk gedane uitgaven en wordt beperkt tot 75.000 euro.
Het activiteitenverslag en de rekeningen worden uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, aan [2 de administratie]2 overgemaakt.
[1 Het in lid 3 bedoelde bedrag wordt, binnen de beschikbare begrotingsperken, op 1 januari van elk jaar geïndexeerd op basis van de schommelingen van de gezondheidsindex zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen van het land, volgens de formule: initieel bedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de index op 1 januari 2024.]1
§ 1. Subsidie voor de eerste installatie.
Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Minister een eenmalige subsidie toekennen voor de eerste installatie van de " Maisons de l'urbanisme ", " Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme " en " Maison des plus beaux villages de Wallonie ", erkend voor de organisatie van de informatie in verband met ruimtelijke ordening en stedenbouw overeenkomstig artikel D.I.12, lid 1, 5°.
De subsidie dekt de kosten voor de eerste installatie. De in aanmerking komende kosten houden verband met de investeringen voor de verwerving, de renovatie of de inrichting van onroerende goederen voor de opvang ervan, evenals met de aankoop van roerende goederen en uitrustingen, met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde wanneer deze verschuldigd en door de persoon niet terugvorderbaar is.
De subsidie wordt in één keer vereffend op grond van de gezamenlijke verantwoordingsstukken en het detail van andere eventuele subsidies, waarvan de tegemoetkomingen voor de dekking van gelijkaardige voorwerpen afgetrokken worden, na advies van het begeleidingscomité bedoeld in artikel R.I.12-5, § 3, lid 3, 1°.
Het bedrag van deze subsidie wordt beperkt tot 75.000 euro.
[1 Het in lid 3 bedoelde bedrag wordt, binnen de beschikbare begrotingsperken, op 1 januari van elk jaar geïndexeerd op basis van de schommelingen van de gezondheidsindex zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen van het land, volgens de formule: initieel bedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de index op 1 januari 2024.]1
§ 2. Werkingssubsidies.
Binnen de perken van de beschikbare kredieten kent de Minister een jaarlijkse werkingssubsidie toe aan de erkende " Maisons de l'urbanisme ", " Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme " en " Maison des plus beaux villages de Wallonie ". De subsidie dekt de kosten in verband met de uitoefening van hun activiteiten, met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde wanneer deze verschuldigd en door de persoon niet terugvorderbaar is en met de bezoldiging van het personeel dat ingezet wordt om haar taken uit te voeren.
De subsidieaanvraag wordt samen ingediend met het ontwerp voor jaarlijkse activiteiten en de desbetreffende begroting en wordt uiterlijk op 30 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, aan [2 de administratie]2 overgemaakt.
De subsidie wordt in twee schijven vereffend :
1° zestig percent van de goedgekeurde begroting, bij de goedkeuring, door de Minister, van het ontwerp voor jaarlijkse activiteiten en de dienovereenkomstige begroting, na het advies van het begeleidingscomité bedoeld in artikel R.I.12-5, § 3, lid 3, 2° ;
2° veertig percent, bij de goedkeuring, door de Minister, van het activiteitenverslag en de dienovereenkomstige rekening op grond van de verantwoordingsstukken, na het advies van het begeleidingscomité bedoeld in artikel R.I.12-5, § 3, lid 3, 3°.
Het bedrag van de subsidie wordt bij de vereffening van het saldo aangepast op grond van de werkelijk gedane uitgaven en wordt beperkt tot 75.000 euro.
Het activiteitenverslag en de rekeningen worden uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, aan [2 de administratie]2 overgemaakt.
[1 Het in lid 3 bedoelde bedrag wordt, binnen de beschikbare begrotingsperken, op 1 januari van elk jaar geïndexeerd op basis van de schommelingen van de gezondheidsindex zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen van het land, volgens de formule: initieel bedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de index op 1 januari 2024.]1
Art. R. I.12-4.Modalités de subvention
§ 1er. Subvention de première installation
Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer une subvention unique de première installation aux Maisons de l'urbanisme, à la Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme et à la Maison des plus beaux villages de Wallonie qui sont agréées aux fins d'organiser l'information relative à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme en application de l'article D.I.12, alinéa 1er, 5°.
La subvention couvre les frais de première installation. Les frais admissibles sont relatifs aux investissements liés à l'acquisition, la rénovation ou l'aménagement de biens immeubles qui les accueille ainsi qu'à l'acquisition de biens mobiliers et d'équipements en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la personne.
La subvention est liquidée en une fois sur la base de l'ensemble des justificatifs et du détail d'autres subventions éventuelles, dont les interventions couvrant des objets similaires seront déduites, après avis du Comité d'accompagnement visé à l'article R.I.12-5, § 3, alinéa3, 1°.
Le montant de cette subvention est plafonné à 75.000 euros.
[1 Le montant visé à l'alinéa 3 est indexé, dans les limites budgétaires disponibles, le 1er janvier de chaque année sur base des fluctuations de l'indice santé tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays suivant la formule : montant initial multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice au 1er janvier 2024.]1
§ 2. Subventions de fonctionnement
Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre octroie une subvention annuelle de fonctionnement aux Maisons de l'urbanisme, à la Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme et à la Maison des plus beaux villages de Wallonie agréées. La subvention couvre les frais liés à l'exercice de leurs activités en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la personne et à la rémunération du personnel employé pour mener à bien ses missions.
La demande de subvention est accompagnée du projet d'activités annuelles et du budget y afférant et est transmise à [2 l'administration]2 au plus tard le 30 novembre de l'année qui précède l'année pour laquelle la subvention est sollicitée.
La subvention est liquidée en deux tranches :
1° soixante pour cent du budget approuvé, à l'approbation par le Ministre du projet d'activités annuelles et du budget y afférant, après l'avis du Comité d'accompagnement visé à l'article R.I.12-5, § 3, alinéa 3, 2° ;
2° quarante pour cent, à l'approbation par le Ministre du rapport d'activités et du compte y afférant, sur la base des justificatifs, après l'avis du Comité d'accompagnement visé à l'article R.I.12-5, § 3, alinéa 3, 3°.
Le montant de la subvention est ajusté lors de la liquidation du solde sur la base des dépenses réellement consenties et est plafonné à 75.000 euros.
Le rapport d'activités et les comptes sont transmis à [2 l'administration]2 au plus tard pour le 31 mars de l'année qui suit l'année pour laquelle la subvention est sollicitée.
[1 Le montant visé à l'alinéa 3 est indexé, dans les limites budgétaires disponibles, le 1er janvier de chaque année sur base des fluctuations de l'indice santé tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays suivant la formule : montant initial multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice au 1er janvier 2024.]1
§ 1er. Subvention de première installation
Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer une subvention unique de première installation aux Maisons de l'urbanisme, à la Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme et à la Maison des plus beaux villages de Wallonie qui sont agréées aux fins d'organiser l'information relative à l'aménagement du territoire et à l'urbanisme en application de l'article D.I.12, alinéa 1er, 5°.
La subvention couvre les frais de première installation. Les frais admissibles sont relatifs aux investissements liés à l'acquisition, la rénovation ou l'aménagement de biens immeubles qui les accueille ainsi qu'à l'acquisition de biens mobiliers et d'équipements en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la personne.
La subvention est liquidée en une fois sur la base de l'ensemble des justificatifs et du détail d'autres subventions éventuelles, dont les interventions couvrant des objets similaires seront déduites, après avis du Comité d'accompagnement visé à l'article R.I.12-5, § 3, alinéa3, 1°.
Le montant de cette subvention est plafonné à 75.000 euros.
[1 Le montant visé à l'alinéa 3 est indexé, dans les limites budgétaires disponibles, le 1er janvier de chaque année sur base des fluctuations de l'indice santé tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays suivant la formule : montant initial multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice au 1er janvier 2024.]1
§ 2. Subventions de fonctionnement
Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre octroie une subvention annuelle de fonctionnement aux Maisons de l'urbanisme, à la Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme et à la Maison des plus beaux villages de Wallonie agréées. La subvention couvre les frais liés à l'exercice de leurs activités en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la personne et à la rémunération du personnel employé pour mener à bien ses missions.
La demande de subvention est accompagnée du projet d'activités annuelles et du budget y afférant et est transmise à [2 l'administration]2 au plus tard le 30 novembre de l'année qui précède l'année pour laquelle la subvention est sollicitée.
La subvention est liquidée en deux tranches :
1° soixante pour cent du budget approuvé, à l'approbation par le Ministre du projet d'activités annuelles et du budget y afférant, après l'avis du Comité d'accompagnement visé à l'article R.I.12-5, § 3, alinéa 3, 2° ;
2° quarante pour cent, à l'approbation par le Ministre du rapport d'activités et du compte y afférant, sur la base des justificatifs, après l'avis du Comité d'accompagnement visé à l'article R.I.12-5, § 3, alinéa 3, 3°.
Le montant de la subvention est ajusté lors de la liquidation du solde sur la base des dépenses réellement consenties et est plafonné à 75.000 euros.
Le rapport d'activités et les comptes sont transmis à [2 l'administration]2 au plus tard pour le 31 mars de l'année qui suit l'année pour laquelle la subvention est sollicitée.
[1 Le montant visé à l'alinéa 3 est indexé, dans les limites budgétaires disponibles, le 1er janvier de chaque année sur base des fluctuations de l'indice santé tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays suivant la formule : montant initial multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice au 1er janvier 2024.]1
Art. R. I.12-4_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. I.12-4_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. I.12-5.Voorwaarden om voor de subsidies in aanmerking te komen.
§ 1. Opdrachten.
De " Maisons de l'urbanisme " hebben als opdracht het sensibiliseren en informeren van de burgers, het bespreken van en het communiceren over elke aangelegenheid die rechtstreeks verband houdt met de vraagstukken van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw en met de omschrijving van de leefomgeving.
De " Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme " sensibiliseert de beroepsarchitecten voor, en betrekt ze bij de vraagstukken en de decreetgevende en reglementaire bepalingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw.
De " Maison des plus beaux villages de Wallonie " heeft als opdrachten het sensibiliseren van de burgers, de informatie over de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende het algemeen reglement voor gebouwen in landelijke omgeving, met name in de omtrekken waarop bedoeld reglement van toepassing is in de dorpen, erkend door de vzw "Les plus beaux villages de Wallonie". Op verzoek van de betrokken gemeentecolleges brengt ze advies uit over de vergunningsaanvragen en de aanvragen voor stedenbouwkundige attesten nr. 2.
Deze " Maisons " voeren die opdrachten uit door activiteiten te organiseren met een permanent of een occasioneel karakter. Deze activiteiten staan open voor een zo breed mogelijk publiek en bevorderen de uitwisselingen met de professionals uit deze sector.
§ 2. Erkenning.
Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Minister de " Maisons de l'urbanisme ", de " Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme " en de " Maison des plus beaux villages de Wallonie " tegen volgende voorwaarden erkennen :
1° een vereniging zonder winstoogmerkt zijn, opgericht overeenkomstig [1 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1;
2° een maatschappelijk doel hebben dat de opdrachten bedoeld in paragraaf 1 bevat;
3° de tewerkstelling van een voltijdse medewerker of van meerdere medewerkers wier samengetelde arbeidstijd aan één voltijdse medewerker beantwoordt en de noodzakelijke competenties voor het uitvoeren van voormelde opdrachten aantonen.
Naast de " Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme " en de " Maison des plus beaux villages de Wallonie " worden er voor Wallonië maximum acht " Maisons de l'urbanisme " erkend.
[1 ...]1.
De erkenningsaanvraag wordt samen ingediend met een algemeen beleidsdocument dat de activiteiten uitzet voor een periode van vijf jaar, evenals een gedetailleerde begroting en gedetailleerd programma voor de activiteiten van het eerste jaar.
De erkenning wordt verleend voor een periode van vijf jaar.
De erkenning wordt verlengd onder dezelfde nadere regels als de eerste aanvraag.
De Minister kan de erkenning van elke "Maison" intrekken die voormelde opdrachten niet vervult of die de erkenningsvoorwaarden niet meer in acht neemt, na het begeleidingscomité gehoord te hebben.
Elke intrekking, verlenging of nieuwe aanvraag wordt ter advies voorgelegd aan het begeleidingscomité bedoeld in paragraaf 3.
§ 3. Begeleidingscomité.
Het begeleidingscomité bestaat uit :
1° één vertegenwoordiger van de Minister, die het voorzitterschap waarneemt;
2° twee vertegenwoordigers van [2 de administratie]2, die het secretariaat waarnemen, onder wie één voor de betrokken buitendirectie;
3° één vertegenwoordiger van de Beleidsgroep;
4° één vertegenwoordiger van de Unie van de steden en gemeenten van Wallonië.
Op de voordracht van de betrokken instanties wijst de Minister de leden aan voor een verlengbare duur van vijf jaar.
Op verzoek van [2 de administratie]2 brengt het begeleidingscomité advies uit volgens de consensusprocedure, over :
1° de verantwoordingsstukken die betrekking hebben op de kosten voor de eerste installatie;
2° de jaarlijks ontwerpen voor activiteiten en de desbetreffende begrotingen;
3° de jaarlijkse activiteitenverslagen en de dienovereenkomstige rekeningen;
4° de aanvragen, de verlenging of de intrekking van erkenningen;
5° de zorgvuldige uitvoering van de opdrachten bedoeld in paragraaf 1.
§ 1. Opdrachten.
De " Maisons de l'urbanisme " hebben als opdracht het sensibiliseren en informeren van de burgers, het bespreken van en het communiceren over elke aangelegenheid die rechtstreeks verband houdt met de vraagstukken van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw en met de omschrijving van de leefomgeving.
De " Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme " sensibiliseert de beroepsarchitecten voor, en betrekt ze bij de vraagstukken en de decreetgevende en reglementaire bepalingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw.
De " Maison des plus beaux villages de Wallonie " heeft als opdrachten het sensibiliseren van de burgers, de informatie over de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende het algemeen reglement voor gebouwen in landelijke omgeving, met name in de omtrekken waarop bedoeld reglement van toepassing is in de dorpen, erkend door de vzw "Les plus beaux villages de Wallonie". Op verzoek van de betrokken gemeentecolleges brengt ze advies uit over de vergunningsaanvragen en de aanvragen voor stedenbouwkundige attesten nr. 2.
Deze " Maisons " voeren die opdrachten uit door activiteiten te organiseren met een permanent of een occasioneel karakter. Deze activiteiten staan open voor een zo breed mogelijk publiek en bevorderen de uitwisselingen met de professionals uit deze sector.
§ 2. Erkenning.
Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Minister de " Maisons de l'urbanisme ", de " Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme " en de " Maison des plus beaux villages de Wallonie " tegen volgende voorwaarden erkennen :
1° een vereniging zonder winstoogmerkt zijn, opgericht overeenkomstig [1 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1;
2° een maatschappelijk doel hebben dat de opdrachten bedoeld in paragraaf 1 bevat;
3° de tewerkstelling van een voltijdse medewerker of van meerdere medewerkers wier samengetelde arbeidstijd aan één voltijdse medewerker beantwoordt en de noodzakelijke competenties voor het uitvoeren van voormelde opdrachten aantonen.
Naast de " Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme " en de " Maison des plus beaux villages de Wallonie " worden er voor Wallonië maximum acht " Maisons de l'urbanisme " erkend.
[1 ...]1.
De erkenningsaanvraag wordt samen ingediend met een algemeen beleidsdocument dat de activiteiten uitzet voor een periode van vijf jaar, evenals een gedetailleerde begroting en gedetailleerd programma voor de activiteiten van het eerste jaar.
De erkenning wordt verleend voor een periode van vijf jaar.
De erkenning wordt verlengd onder dezelfde nadere regels als de eerste aanvraag.
De Minister kan de erkenning van elke "Maison" intrekken die voormelde opdrachten niet vervult of die de erkenningsvoorwaarden niet meer in acht neemt, na het begeleidingscomité gehoord te hebben.
Elke intrekking, verlenging of nieuwe aanvraag wordt ter advies voorgelegd aan het begeleidingscomité bedoeld in paragraaf 3.
§ 3. Begeleidingscomité.
Het begeleidingscomité bestaat uit :
1° één vertegenwoordiger van de Minister, die het voorzitterschap waarneemt;
2° twee vertegenwoordigers van [2 de administratie]2, die het secretariaat waarnemen, onder wie één voor de betrokken buitendirectie;
3° één vertegenwoordiger van de Beleidsgroep;
4° één vertegenwoordiger van de Unie van de steden en gemeenten van Wallonië.
Op de voordracht van de betrokken instanties wijst de Minister de leden aan voor een verlengbare duur van vijf jaar.
Op verzoek van [2 de administratie]2 brengt het begeleidingscomité advies uit volgens de consensusprocedure, over :
1° de verantwoordingsstukken die betrekking hebben op de kosten voor de eerste installatie;
2° de jaarlijks ontwerpen voor activiteiten en de desbetreffende begrotingen;
3° de jaarlijkse activiteitenverslagen en de dienovereenkomstige rekeningen;
4° de aanvragen, de verlenging of de intrekking van erkenningen;
5° de zorgvuldige uitvoering van de opdrachten bedoeld in paragraaf 1.
Art. R. I.12-5.Conditions pour bénéficier des subventions
§ 1er. Missions
Les Maisons de l'urbanisme sensibilisent et informent les citoyens, débattent et communiquent toute matière ayant trait directement aux enjeux de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme et à la définition du cadre de vie.
La Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme sensibilise et implique les architectes professionnels aux enjeux et aux dispositions décrétales et réglementaires de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme.
La Maison des plus beaux villages de Wallonie sensibilise les citoyens, les informe des dispositions du guide régional d'urbanisme relatives au règlement général sur les bâtisses en site rural, notamment dans les périmètres d'application qui concernent les villages reconnus par l'ASBL " Les plus beaux villages de Wallonie ". A la demande des collèges communaux concernés, elle remet un avis sur les demandes de permis et de certificats d'urbanisme n° 2.
Les Maisons réalisent ces missions par l'organisation d'activités à caractère permanent ou occasionnel. Ces activités s'ouvrent au public le plus large et favorisent les échanges avec les professionnels du secteur.
§ 2. Agrément
Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut agréer les Maisons de l'urbanisme, la Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme et la Maison des plus beaux villages de Wallonie aux conditions suivantes :
1° être une association sans but lucratif constituée conformément [1 au code des sociétés et des associations]1;
2° avoir un objet statutaire comportant les missions visées au paragraphe 1er;
3° justifier l'occupation d'un travailleur à temps plein ou de plusieurs travailleurs assurant ensemble un temps plein, présentant la formation et les compétences nécessaires à l'accomplissement des missions précitées.
Outre la Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme et la Maison des plus beaux villages de Wallonie, huit Maisons de l'urbanisme au maximum sont agréées pour la Wallonie.
[1 ...]1.
La demande d'agrément est accompagnée d'un document d'orientation générale des activités pour une période de cinq ans ainsi que d'un budget et d'un programme détaillés pour les activités de la première année.
L'agrément est octroyé pour une période de cinq ans.
Le renouvellement de l'agrément se fait selon les mêmes modalités que la demande initiale.
Le Ministre peut retirer l'agrément à toute maison ne remplissant pas les missions précitées ou ne respectant plus les conditions d'agrément, après audition par le Comité d'accompagnement.
Tout retrait, renouvellement ou nouvelle demande est soumis à l'avis du Comité d'accompagnement visé au paragraphe 3.
§ 3. Comité d'accompagnement
Le Comité d'accompagnement se compose :
1° d'un représentant du Ministre qui en assure la présidence;
2° de deux représentants de [2 l'administration]2, qui en assure le secrétariat, dont un pour la direction extérieure concernée;
3° d'un représentant du Pôle;
4° d'un représentant de l'Union des villes et communes de Wallonie.
Sur proposition des instances concernées, le Ministre désigne les membres pour une durée de cinq ans, renouvelable.
A la demande de [2 l'administration]2, le Comité d'accompagnement remet un avis selon la procédure du consensus, sur :
1° les documents justificatifs relevant des frais de première installation;
2° les projets annuels d'activités et les budgets y afférant;
3° les rapports annuels d'activités et les comptes y afférant;
4° les demandes, le renouvellement ou le retrait d'agrément;
5° le bon accomplissement des missions visées au paragraphe 1er.
§ 1er. Missions
Les Maisons de l'urbanisme sensibilisent et informent les citoyens, débattent et communiquent toute matière ayant trait directement aux enjeux de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme et à la définition du cadre de vie.
La Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme sensibilise et implique les architectes professionnels aux enjeux et aux dispositions décrétales et réglementaires de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme.
La Maison des plus beaux villages de Wallonie sensibilise les citoyens, les informe des dispositions du guide régional d'urbanisme relatives au règlement général sur les bâtisses en site rural, notamment dans les périmètres d'application qui concernent les villages reconnus par l'ASBL " Les plus beaux villages de Wallonie ". A la demande des collèges communaux concernés, elle remet un avis sur les demandes de permis et de certificats d'urbanisme n° 2.
Les Maisons réalisent ces missions par l'organisation d'activités à caractère permanent ou occasionnel. Ces activités s'ouvrent au public le plus large et favorisent les échanges avec les professionnels du secteur.
§ 2. Agrément
Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut agréer les Maisons de l'urbanisme, la Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme et la Maison des plus beaux villages de Wallonie aux conditions suivantes :
1° être une association sans but lucratif constituée conformément [1 au code des sociétés et des associations]1;
2° avoir un objet statutaire comportant les missions visées au paragraphe 1er;
3° justifier l'occupation d'un travailleur à temps plein ou de plusieurs travailleurs assurant ensemble un temps plein, présentant la formation et les compétences nécessaires à l'accomplissement des missions précitées.
Outre la Maison régionale de l'architecture et de l'urbanisme et la Maison des plus beaux villages de Wallonie, huit Maisons de l'urbanisme au maximum sont agréées pour la Wallonie.
[1 ...]1.
La demande d'agrément est accompagnée d'un document d'orientation générale des activités pour une période de cinq ans ainsi que d'un budget et d'un programme détaillés pour les activités de la première année.
L'agrément est octroyé pour une période de cinq ans.
Le renouvellement de l'agrément se fait selon les mêmes modalités que la demande initiale.
Le Ministre peut retirer l'agrément à toute maison ne remplissant pas les missions précitées ou ne respectant plus les conditions d'agrément, après audition par le Comité d'accompagnement.
Tout retrait, renouvellement ou nouvelle demande est soumis à l'avis du Comité d'accompagnement visé au paragraphe 3.
§ 3. Comité d'accompagnement
Le Comité d'accompagnement se compose :
1° d'un représentant du Ministre qui en assure la présidence;
2° de deux représentants de [2 l'administration]2, qui en assure le secrétariat, dont un pour la direction extérieure concernée;
3° d'un représentant du Pôle;
4° d'un représentant de l'Union des villes et communes de Wallonie.
Sur proposition des instances concernées, le Ministre désigne les membres pour une durée de cinq ans, renouvelable.
A la demande de [2 l'administration]2, le Comité d'accompagnement remet un avis selon la procédure du consensus, sur :
1° les documents justificatifs relevant des frais de première installation;
2° les projets annuels d'activités et les budgets y afférant;
3° les rapports annuels d'activités et les comptes y afférant;
4° les demandes, le renouvellement ou le retrait d'agrément;
5° le bon accomplissement des missions visées au paragraphe 1er.
Art. R. I.12-5_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. I.12-5_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Afdeling 5. - Subsidies voor de werking en de vorming van de gemeentelijke commissie en voor de vorming van haar leden en het betrokken gemeentepersoneel
Section 5. - Subventions pour le fonctionnement et la formation de la Commission communale et pour la formation de ses membres et du personnel communal concerné
Art. R. I.12-6.§ 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kent de Minister een jaarlijkse subsidie toe aan de gemeente :
1° waarvan de gemeentelijke commissie in de loop van het jaar voorafgaand aan het jaar van de subsidieaanvraag aantoont dat ze haar bevoegdheden regelmatig heeft uitgeoefend en dat ze het minimumaantal jaarlijkse vergaderingen bedoeld in artikel R.I.10.5, § 4, heeft gehouden voor zover het stemmingsquorum op die vergaderingen is bereikt;
2° die de deelname aantoont van de voorzitter, de leden of de persoon die het secretariaat waarneemt in de zin van artikel R.I.10-5, § 1, aan vormingen in verband met hun respectievelijke mandaat.
Het bedrag van de jaarlijkse subsidie bedraagt maximum :
1° 2.500 euro voor de gemeentelijke commissie bestaande uit acht leden naast de voorzitter;
2° 4.500 euro voor de gemeentelijke commissie bestaande uit twaalf leden naast de voorzitter;
3° 6.000 euro voor de gemeentelijke commissie bestaande uit zestien leden naast de voorzitter.
De jaarlijkse subsidie dekt met name de kosten voor :
1° de werking van de gemeentelijke commissie, met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde wanneer ze verschuldigd is en niet door de gemeente terugvorderbaar is en, in voorkomend geval, de betaling van aanwezigheidsgeld;
2° de vormingen aangevraagd door de voorzitter, de leden of de persoon die het secretariaat waarneemt in de zin van artikel R.I.10-5, § 1, met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde wanneer ze verschuldigd is en niet door de gemeente terugvorderbaar is.
De voorzitter van de gemeentelijke commissie heeft recht op 25 euro aanwezigheidsgeld per vergadering.
De leden van de gemeentelijke commissie en, in voorkomend geval, hun plaatsvervangers, hebben recht op 12,50 euro aanwezigheidsgeld per vergadering.
[1 Het bedrag van het presentiegeld waarop de voorzitter en de leden van de gemeentelijke commissie recht hebben, kan door de gemeente geïndexeerd worden. De indexering gebeurt jaarlijks op 1 januari op basis van de schommelingen van de gezondheidsindex zoals gedefinieerd in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen van het land, volgens de formule: oorspronkelijk bedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de index op 1 januari 2024.]1
§ 2. Het gemeentecollege stuurt de subsidieaanvraag aan DGO4 tegen uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, op grond van een dossier dat hetvolgende bevat :
1° het jaarlijks activiteitenverslag van de gemeentelijke commissie;
2° het presentieblad van de leden voor elke vergadering;
3° de verantwoordingsstukken voor de kosten inherent aan de organisatie van vormingen;
4° de lijst van de uitgaven gedragen door de gemeente in het kader van de werking van de commissie.
1° waarvan de gemeentelijke commissie in de loop van het jaar voorafgaand aan het jaar van de subsidieaanvraag aantoont dat ze haar bevoegdheden regelmatig heeft uitgeoefend en dat ze het minimumaantal jaarlijkse vergaderingen bedoeld in artikel R.I.10.5, § 4, heeft gehouden voor zover het stemmingsquorum op die vergaderingen is bereikt;
2° die de deelname aantoont van de voorzitter, de leden of de persoon die het secretariaat waarneemt in de zin van artikel R.I.10-5, § 1, aan vormingen in verband met hun respectievelijke mandaat.
Het bedrag van de jaarlijkse subsidie bedraagt maximum :
1° 2.500 euro voor de gemeentelijke commissie bestaande uit acht leden naast de voorzitter;
2° 4.500 euro voor de gemeentelijke commissie bestaande uit twaalf leden naast de voorzitter;
3° 6.000 euro voor de gemeentelijke commissie bestaande uit zestien leden naast de voorzitter.
De jaarlijkse subsidie dekt met name de kosten voor :
1° de werking van de gemeentelijke commissie, met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde wanneer ze verschuldigd is en niet door de gemeente terugvorderbaar is en, in voorkomend geval, de betaling van aanwezigheidsgeld;
2° de vormingen aangevraagd door de voorzitter, de leden of de persoon die het secretariaat waarneemt in de zin van artikel R.I.10-5, § 1, met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde wanneer ze verschuldigd is en niet door de gemeente terugvorderbaar is.
De voorzitter van de gemeentelijke commissie heeft recht op 25 euro aanwezigheidsgeld per vergadering.
De leden van de gemeentelijke commissie en, in voorkomend geval, hun plaatsvervangers, hebben recht op 12,50 euro aanwezigheidsgeld per vergadering.
[1 Het bedrag van het presentiegeld waarop de voorzitter en de leden van de gemeentelijke commissie recht hebben, kan door de gemeente geïndexeerd worden. De indexering gebeurt jaarlijks op 1 januari op basis van de schommelingen van de gezondheidsindex zoals gedefinieerd in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen van het land, volgens de formule: oorspronkelijk bedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de index op 1 januari 2024.]1
§ 2. Het gemeentecollege stuurt de subsidieaanvraag aan DGO4 tegen uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, op grond van een dossier dat hetvolgende bevat :
1° het jaarlijks activiteitenverslag van de gemeentelijke commissie;
2° het presentieblad van de leden voor elke vergadering;
3° de verantwoordingsstukken voor de kosten inherent aan de organisatie van vormingen;
4° de lijst van de uitgaven gedragen door de gemeente in het kader van de werking van de commissie.
Art. R. I.12-6.§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre octroie une subvention annuelle à la commune :
1° dont la Commission communale justifie, au cours de l'année précédant celle de la demande de subvention, de l'exercice régulier de ses compétences, et de la tenue du nombre minimum de réunions annuelles visé à l'article R.I.10.5, § 4, pour autant que le quorum de vote soit atteint à ces réunions;
2° qui justifie la participation du président, des membres ou de la personne qui assure le secrétariat au sens de l'article R.I.10-5, § 1er concerné à des formations en lien avec leur mandat respectif.
Le montant de la subvention annuelle s'élève à un maximum de :
1° 2.500 euros pour la Commission communale composée, outre le président, de huit membres;
2° 4.500 euros pour la Commission communale composée, outre le président, de douze membres;
3° 6.000 euros pour la Commission communale composée, outre le président, de seize membres.
La subvention annuelle couvre notamment les frais inhérents :
1° au fonctionnement de la Commission communale en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune, et, le cas échéant, au paiement de jetons de présence;
2° aux formations sollicitées par le président, les membres ou la personne qui assure le secrétariat au sens de l'article R.I.10-5, § 1er, en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune.
Le président de la Commission communale a droit à un jeton de présence de 25 euros par réunion.
Les membres de la Commission communale et, le cas échéant, les suppléants des membres, ont droit à un jeton de présence de 12,50 euros par réunion.
§ 2. Le collège communal envoie la demande de subvention à la DGO4 pour le 31 mars de l'année qui suit l'année pour laquelle la subvention est sollicitée, sur la base d'un dossier qui contient :
1° le rapport des activités annuelles de la Commission communale;
2° le tableau des présences des membres à chaque réunion;
3° les justificatifs des frais inhérents à l'organisation de formations;
4° le relevé des dépenses supportées par la commune dans le cadre du fonctionnement de la Commission.
[1 La commune peut indexer le montant des jetons de présences du président et des membres de la Commission communale dans son règlement d'ordre intérieur. L'indexation est réalisée le 1er janvier de chaque année sur base des fluctuations de l'indice santé tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays suivant la formule : montant initial multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice au 1er janvier 2024.]1
1° dont la Commission communale justifie, au cours de l'année précédant celle de la demande de subvention, de l'exercice régulier de ses compétences, et de la tenue du nombre minimum de réunions annuelles visé à l'article R.I.10.5, § 4, pour autant que le quorum de vote soit atteint à ces réunions;
2° qui justifie la participation du président, des membres ou de la personne qui assure le secrétariat au sens de l'article R.I.10-5, § 1er concerné à des formations en lien avec leur mandat respectif.
Le montant de la subvention annuelle s'élève à un maximum de :
1° 2.500 euros pour la Commission communale composée, outre le président, de huit membres;
2° 4.500 euros pour la Commission communale composée, outre le président, de douze membres;
3° 6.000 euros pour la Commission communale composée, outre le président, de seize membres.
La subvention annuelle couvre notamment les frais inhérents :
1° au fonctionnement de la Commission communale en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune, et, le cas échéant, au paiement de jetons de présence;
2° aux formations sollicitées par le président, les membres ou la personne qui assure le secrétariat au sens de l'article R.I.10-5, § 1er, en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune.
Le président de la Commission communale a droit à un jeton de présence de 25 euros par réunion.
Les membres de la Commission communale et, le cas échéant, les suppléants des membres, ont droit à un jeton de présence de 12,50 euros par réunion.
§ 2. Le collège communal envoie la demande de subvention à la DGO4 pour le 31 mars de l'année qui suit l'année pour laquelle la subvention est sollicitée, sur la base d'un dossier qui contient :
1° le rapport des activités annuelles de la Commission communale;
2° le tableau des présences des membres à chaque réunion;
3° les justificatifs des frais inhérents à l'organisation de formations;
4° le relevé des dépenses supportées par la commune dans le cadre du fonctionnement de la Commission.
[1 La commune peut indexer le montant des jetons de présences du président et des membres de la Commission communale dans son règlement d'ordre intérieur. L'indexation est réalisée le 1er janvier de chaque année sur base des fluctuations de l'indice santé tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays suivant la formule : montant initial multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice au 1er janvier 2024.]1
Wijzigingen
Art. R. I.12-6_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kent de Minister een jaarlijkse subsidie toe aan de gemeente :
1° waarvan de gemeentelijke commissie in de loop van het jaar voorafgaand aan het jaar van de subsidieaanvraag aantoont dat ze haar bevoegdheden regelmatig heeft uitgeoefend en dat ze het minimumaantal jaarlijkse vergaderingen bedoeld in artikel R.I.10.5, § 4, heeft gehouden voor zover het stemmingsquorum op die vergaderingen is bereikt;
2° die de deelname aantoont van de voorzitter, de leden of de persoon die het secretariaat waarneemt in de zin van artikel R.I.10-5, § 1, aan vormingen in verband met hun respectievelijke mandaat.
Het bedrag van de jaarlijkse subsidie bedraagt maximum :
1° 2.500 euro voor de gemeentelijke commissie bestaande uit acht leden naast de voorzitter;
2° 4.500 euro voor de gemeentelijke commissie bestaande uit twaalf leden naast de voorzitter;
3° 6.000 euro voor de gemeentelijke commissie bestaande uit zestien leden naast de voorzitter.
De jaarlijkse subsidie dekt met name de kosten voor :
1° de werking van de gemeentelijke commissie, met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde wanneer ze verschuldigd is en niet door de gemeente terugvorderbaar is en, in voorkomend geval, de betaling van aanwezigheidsgeld;
2° de vormingen aangevraagd door de voorzitter, de leden of de persoon die het secretariaat waarneemt in de zin van artikel R.I.10-5, § 1, met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde wanneer ze verschuldigd is en niet door de gemeente terugvorderbaar is.
De voorzitter van de gemeentelijke commissie heeft recht op 25 euro aanwezigheidsgeld per vergadering.
De leden van de gemeentelijke commissie en, in voorkomend geval, hun plaatsvervangers, hebben recht op 12,50 euro aanwezigheidsgeld per vergadering.
§ 2. Het gemeentecollege stuurt de subsidieaanvraag aan [1 het departement]1 tegen uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, op grond van een dossier dat hetvolgende bevat :
1° het jaarlijks activiteitenverslag van de gemeentelijke commissie;
2° het presentieblad van de leden voor elke vergadering;
3° de verantwoordingsstukken voor de kosten inherent aan de organisatie van vormingen;
4° de lijst van de uitgaven gedragen door de gemeente in het kader van de werking van de commissie.
§ 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kent de Minister een jaarlijkse subsidie toe aan de gemeente :
1° waarvan de gemeentelijke commissie in de loop van het jaar voorafgaand aan het jaar van de subsidieaanvraag aantoont dat ze haar bevoegdheden regelmatig heeft uitgeoefend en dat ze het minimumaantal jaarlijkse vergaderingen bedoeld in artikel R.I.10.5, § 4, heeft gehouden voor zover het stemmingsquorum op die vergaderingen is bereikt;
2° die de deelname aantoont van de voorzitter, de leden of de persoon die het secretariaat waarneemt in de zin van artikel R.I.10-5, § 1, aan vormingen in verband met hun respectievelijke mandaat.
Het bedrag van de jaarlijkse subsidie bedraagt maximum :
1° 2.500 euro voor de gemeentelijke commissie bestaande uit acht leden naast de voorzitter;
2° 4.500 euro voor de gemeentelijke commissie bestaande uit twaalf leden naast de voorzitter;
3° 6.000 euro voor de gemeentelijke commissie bestaande uit zestien leden naast de voorzitter.
De jaarlijkse subsidie dekt met name de kosten voor :
1° de werking van de gemeentelijke commissie, met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde wanneer ze verschuldigd is en niet door de gemeente terugvorderbaar is en, in voorkomend geval, de betaling van aanwezigheidsgeld;
2° de vormingen aangevraagd door de voorzitter, de leden of de persoon die het secretariaat waarneemt in de zin van artikel R.I.10-5, § 1, met inbegrip van de belasting over de toegevoegde waarde wanneer ze verschuldigd is en niet door de gemeente terugvorderbaar is.
De voorzitter van de gemeentelijke commissie heeft recht op 25 euro aanwezigheidsgeld per vergadering.
De leden van de gemeentelijke commissie en, in voorkomend geval, hun plaatsvervangers, hebben recht op 12,50 euro aanwezigheidsgeld per vergadering.
§ 2. Het gemeentecollege stuurt de subsidieaanvraag aan [1 het departement]1 tegen uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, op grond van een dossier dat hetvolgende bevat :
1° het jaarlijks activiteitenverslag van de gemeentelijke commissie;
2° het presentieblad van de leden voor elke vergadering;
3° de verantwoordingsstukken voor de kosten inherent aan de organisatie van vormingen;
4° de lijst van de uitgaven gedragen door de gemeente in het kader van de werking van de commissie.
Art. R. I.12-6_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre octroie une subvention annuelle à la commune :
1° dont la Commission communale justifie, au cours de l'année précédant celle de la demande de subvention, de l'exercice régulier de ses compétences, et de la tenue du nombre minimum de réunions annuelles visé à l'article R.I.10.5, § 4, pour autant que le quorum de vote soit atteint à ces réunions;
2° qui justifie la participation du président, des membres ou de la personne qui assure le secrétariat au sens de l'article R.I.10-5, § 1er concerné à des formations en lien avec leur mandat respectif.
Le montant de la subvention annuelle s'élève à un maximum de :
1° 2.500 euros pour la Commission communale composée, outre le président, de huit membres;
2° 4.500 euros pour la Commission communale composée, outre le président, de douze membres;
3° 6.000 euros pour la Commission communale composée, outre le président, de seize membres.
La subvention annuelle couvre notamment les frais inhérents :
1° au fonctionnement de la Commission communale en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune, et, le cas échéant, au paiement de jetons de présence;
2° aux formations sollicitées par le président, les membres ou la personne qui assure le secrétariat au sens de l'article R.I.10-5, § 1er, en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune.
Le président de la Commission communale a droit à un jeton de présence de 25 euros par réunion.
Les membres de la Commission communale et, le cas échéant, les suppléants des membres, ont droit à un jeton de présence de 12,50 euros par réunion.
§ 2. Le collège communal envoie la demande de subvention [1 au département]1 pour le 31 mars de l'année qui suit l'année pour laquelle la subvention est sollicitée, sur la base d'un dossier qui contient :
1° le rapport des activités annuelles de la Commission communale;
2° le tableau des présences des membres à chaque réunion;
3° les justificatifs des frais inhérents à l'organisation de formations;
4° le relevé des dépenses supportées par la commune dans le cadre du fonctionnement de la Commission.
§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre octroie une subvention annuelle à la commune :
1° dont la Commission communale justifie, au cours de l'année précédant celle de la demande de subvention, de l'exercice régulier de ses compétences, et de la tenue du nombre minimum de réunions annuelles visé à l'article R.I.10.5, § 4, pour autant que le quorum de vote soit atteint à ces réunions;
2° qui justifie la participation du président, des membres ou de la personne qui assure le secrétariat au sens de l'article R.I.10-5, § 1er concerné à des formations en lien avec leur mandat respectif.
Le montant de la subvention annuelle s'élève à un maximum de :
1° 2.500 euros pour la Commission communale composée, outre le président, de huit membres;
2° 4.500 euros pour la Commission communale composée, outre le président, de douze membres;
3° 6.000 euros pour la Commission communale composée, outre le président, de seize membres.
La subvention annuelle couvre notamment les frais inhérents :
1° au fonctionnement de la Commission communale en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune, et, le cas échéant, au paiement de jetons de présence;
2° aux formations sollicitées par le président, les membres ou la personne qui assure le secrétariat au sens de l'article R.I.10-5, § 1er, en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la commune.
Le président de la Commission communale a droit à un jeton de présence de 25 euros par réunion.
Les membres de la Commission communale et, le cas échéant, les suppléants des membres, ont droit à un jeton de présence de 12,50 euros par réunion.
§ 2. Le collège communal envoie la demande de subvention [1 au département]1 pour le 31 mars de l'année qui suit l'année pour laquelle la subvention est sollicitée, sur la base d'un dossier qui contient :
1° le rapport des activités annuelles de la Commission communale;
2° le tableau des présences des membres à chaque réunion;
3° les justificatifs des frais inhérents à l'organisation de formations;
4° le relevé des dépenses supportées par la commune dans le cadre du fonctionnement de la Commission.
Wijzigingen
Afdeling 6. - Subsidies voor de indienstneming of het behoud van de indienstneming van één of meerdere adviseurs ruimtelijke ordening en stedenbouw
Section 6-. Subventions relatives à l'engagement ou au maintien de l'engagement d'un ou de plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme
Art. R. I.12-7.§ 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Minister één gemeente of verschillende aangrenzende gemeenten of een vereniging van gemeenten een subsidie toekennen voor de indienstneming of het behoud van de indienstneming van één of meerdere adviseurs ruimtelijke ordening en stedenbouw, tegen de volgende voorwaarden :
1° de gemeente, of de aangrenzende gemeenten, of de vereniging van gemeenten nemen een adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw in dienst binnen de zes maanden na de beslissing tot toekenning van de subsidie;
2° de adviseur voert bij de gemeentelijke commissie, indien bestaand, de door het Wetboek opgelegde opdrachten uit;
3° de adviseur volgt de jaarlijkse vorming, verzorgd door de Permanente Conferentie van de ruimtelijke ontwikkeling, bedoeld in artikel D.I.12, lid 1, 8°.
§ 2. De adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw :
1° ofwel, is houder van een aanvullend masterdiploma " ruimtelijke ordening en stedenbouw ", burgerlijk ingenieur-architect, architect of enig ander diploma van universitair niveau of van het hoger onderwijs van het lange type, dat een vorming inhoudt van minstens tien kredieten omvat in het vakgebied ruimtelijke ordening en stedenbouw;
2° ofwel, toont een ervaring van minstens zeven jaar aan in het beheer en de praktijk op het vlak van ruimtelijke ordening en stedenbouw.
§ 3. Het gemeentecollege richt het aanvraagdossier voor de subsidie voor de indienstneming of het behoud van de indienstneming van één of meerdere adviseurs inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw aan [1 de administratie]1, op grond van een dossier met :
1° een afschrift van het gemeenteraadsbesluit tot indienstneming of tot behoud van de indienstneming van één of meerdere adviseurs ruimtelijke ordening en stedenbouw of tot aanwijzing van één of meerdere statutaire of contractuele gemeentepersoneelsleden in de hoedanigheid van adviseur;
2° een afschrift van het (de) diploma(`s) bedoeld in paragraaf 2, 1°, of een document waaruit de ervaring blijkt in het beheer en de praktijk op het vlak van ruimtelijke ordening en stedenbouw zoals bedoeld in paragraaf 2, 2°.
Bij vervanging van de adviseur of bij aanwijzing van een bijkomende adviseur richt het gemeentecollege een nieuwe aanvraag aan DGO4, samen met de documenten bedoeld in lid 1, 1° en 2°.
§ 4. De vereniging van gemeenten dient een dossier in of de aangrenzende gemeenten dienen een gezamenlijk dossier in voor een subsidieaanvraag met het oog op de indienstneming van een adviseur wiens activiteit uitgeoefend wordt op het grondgebied van betrokken gemeenten.
§ 5. Het bedrag van de jaarlijkse subsidie wordt forfaitair per aanvraag vastgesteld voor voltijdse arbeidsprestaties van één enkele adviseur ten bedrage van :
1° 28.000 euro maximum als de gemeente de toepassingsvoorwaarden verenigt van artikel D.IV.15, lid 1, 1°, of als alle gemeenten de toepassingsvoorwaarden verenigen van artikel D.IV.15, lid 1, 1° voor een vereniging van gemeenten of een groepering van aangrenzende gemeenten;
2° 22.000 euro maximum, als de gemeentelijke commissie bestaat in alle betrokken gemeenten in geval van een vereniging van gemeenten of van een groepering van aangrenzende gemeenten;
3° 7.500 euro maximum, als de gemeentelijke commissie niet bestaat in één van de betrokken gemeenten in geval van een vereniging van gemeenten of van een groepering van aangrenzende gemeenten.
§ 6. De vereffening van de subsidie wordt na afloop van het verlopen kalenderjaar verricht in verhouding tot de werkelijk uitgevoerde prestaties en op grond van :
1° de verantwoording van de uitgaven, waarin met name de arbeidsregeling van de adviseur, diens brutto-jaarsalaris en de werkingskosten voor diens opdrachten begrepen zijn;
2° het activiteitenverslag voor de opdrachten uitgevoerd door de adviseur, met inbegrip van diens opdrachten bij de gemeentelijke commissie en diens deelname aan de activiteiten georganiseerd door één of meerdere "Maisons de l'urbanisme" bedoeld in artikel R.I.12-5, § 1, lid 1;
3° het attest voor de jaarlijkse verplichte vorming bedoeld in paragraaf 1, 3°, waaraan de adviseur deelgenomen heeft in de loop van het kalenderjaar dat voorwerp van de subsidie is.
Het gemeentecollege stuurt de vereffeningsaanvraag, samen met de documenten bedoeld in lid 1, aan [1 de administratie]1 tegen uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op het jaar dat voorwerp van de subsidie is.
De vereffeningsaanvraag geldt als aanvraag tot verlenging van de subsidie.
De Minister kan de inhoud van het activiteitenverslag bedoeld in lid 1, 2°, nader bepalen.
1° de gemeente, of de aangrenzende gemeenten, of de vereniging van gemeenten nemen een adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw in dienst binnen de zes maanden na de beslissing tot toekenning van de subsidie;
2° de adviseur voert bij de gemeentelijke commissie, indien bestaand, de door het Wetboek opgelegde opdrachten uit;
3° de adviseur volgt de jaarlijkse vorming, verzorgd door de Permanente Conferentie van de ruimtelijke ontwikkeling, bedoeld in artikel D.I.12, lid 1, 8°.
§ 2. De adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw :
1° ofwel, is houder van een aanvullend masterdiploma " ruimtelijke ordening en stedenbouw ", burgerlijk ingenieur-architect, architect of enig ander diploma van universitair niveau of van het hoger onderwijs van het lange type, dat een vorming inhoudt van minstens tien kredieten omvat in het vakgebied ruimtelijke ordening en stedenbouw;
2° ofwel, toont een ervaring van minstens zeven jaar aan in het beheer en de praktijk op het vlak van ruimtelijke ordening en stedenbouw.
§ 3. Het gemeentecollege richt het aanvraagdossier voor de subsidie voor de indienstneming of het behoud van de indienstneming van één of meerdere adviseurs inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw aan [1 de administratie]1, op grond van een dossier met :
1° een afschrift van het gemeenteraadsbesluit tot indienstneming of tot behoud van de indienstneming van één of meerdere adviseurs ruimtelijke ordening en stedenbouw of tot aanwijzing van één of meerdere statutaire of contractuele gemeentepersoneelsleden in de hoedanigheid van adviseur;
2° een afschrift van het (de) diploma(`s) bedoeld in paragraaf 2, 1°, of een document waaruit de ervaring blijkt in het beheer en de praktijk op het vlak van ruimtelijke ordening en stedenbouw zoals bedoeld in paragraaf 2, 2°.
Bij vervanging van de adviseur of bij aanwijzing van een bijkomende adviseur richt het gemeentecollege een nieuwe aanvraag aan DGO4, samen met de documenten bedoeld in lid 1, 1° en 2°.
§ 4. De vereniging van gemeenten dient een dossier in of de aangrenzende gemeenten dienen een gezamenlijk dossier in voor een subsidieaanvraag met het oog op de indienstneming van een adviseur wiens activiteit uitgeoefend wordt op het grondgebied van betrokken gemeenten.
§ 5. Het bedrag van de jaarlijkse subsidie wordt forfaitair per aanvraag vastgesteld voor voltijdse arbeidsprestaties van één enkele adviseur ten bedrage van :
1° 28.000 euro maximum als de gemeente de toepassingsvoorwaarden verenigt van artikel D.IV.15, lid 1, 1°, of als alle gemeenten de toepassingsvoorwaarden verenigen van artikel D.IV.15, lid 1, 1° voor een vereniging van gemeenten of een groepering van aangrenzende gemeenten;
2° 22.000 euro maximum, als de gemeentelijke commissie bestaat in alle betrokken gemeenten in geval van een vereniging van gemeenten of van een groepering van aangrenzende gemeenten;
3° 7.500 euro maximum, als de gemeentelijke commissie niet bestaat in één van de betrokken gemeenten in geval van een vereniging van gemeenten of van een groepering van aangrenzende gemeenten.
§ 6. De vereffening van de subsidie wordt na afloop van het verlopen kalenderjaar verricht in verhouding tot de werkelijk uitgevoerde prestaties en op grond van :
1° de verantwoording van de uitgaven, waarin met name de arbeidsregeling van de adviseur, diens brutto-jaarsalaris en de werkingskosten voor diens opdrachten begrepen zijn;
2° het activiteitenverslag voor de opdrachten uitgevoerd door de adviseur, met inbegrip van diens opdrachten bij de gemeentelijke commissie en diens deelname aan de activiteiten georganiseerd door één of meerdere "Maisons de l'urbanisme" bedoeld in artikel R.I.12-5, § 1, lid 1;
3° het attest voor de jaarlijkse verplichte vorming bedoeld in paragraaf 1, 3°, waaraan de adviseur deelgenomen heeft in de loop van het kalenderjaar dat voorwerp van de subsidie is.
Het gemeentecollege stuurt de vereffeningsaanvraag, samen met de documenten bedoeld in lid 1, aan [1 de administratie]1 tegen uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op het jaar dat voorwerp van de subsidie is.
De vereffeningsaanvraag geldt als aanvraag tot verlenging van de subsidie.
De Minister kan de inhoud van het activiteitenverslag bedoeld in lid 1, 2°, nader bepalen.
Art. R. I.12-7.§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer à une ou à plusieurs communes limitrophes ou à une association de communes une subvention pour l'engagement ou le maintien de l'engagement d'un ou plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme aux conditions suivantes :
1° la commune, ou les communes limitrophes, ou l'association de communes, procèdent à l'engagement d'un conseiller en aménagement du territoire et urbanisme dans les six mois de la décision d'octroi de la subvention;
2° le conseiller assure auprès de la Commission communale, si elle existe, les missions que le Code lui assigne;
3° le conseiller suit la formation annuelle assurée par la Conférence permanente du développement territorial visée à l'article D.I.12, alinéa 1er, 8°.
§ 2. Le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme :
1° soit est titulaire du diplôme de master complémentaire en aménagement du territoire et urbanisme, d'ingénieur civil architecte, d'architecte ou de tout diplôme de niveau universitaire ou de l'enseignement supérieur de type long qui comprend une formation d'au moins dix crédits dans le domaine de l'aménagement du territoire et urbanisme;
2° soit justifie d'une expérience d'au moins sept ans de gestion et de pratique en aménagement du territoire et urbanisme.
§ 3. Le collège communal envoie à [1 l'administration]1 le dossier de demande de subvention à l'engagement d'un ou plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme sur la base d'un dossier qui contient :
1° une copie de la délibération du conseil communal décidant l'engagement d'un ou plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme ou la désignation d'un ou plusieurs agents communaux statutaires ou contractuels en qualité de conseillers;
2° une copie du ou des diplômes visés au paragraphe 2, 1°, ou un document attestant de l'expérience de gestion et de pratique en aménagement du territoire et urbanisme visé au paragraphe 2, 2°.
En cas de remplacement du conseiller ou en cas de désignation d'un conseiller supplémentaire, le collège communal envoie une nouvelle demande à [1 l'administration]1, accompagnée des documents visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°.
§ 4. L'association de communes introduit un dossier ou les communes limitrophes introduisent un dossier conjoint de demande de subvention pour l'engagement d'un conseiller dont l'activité s'exerce sur les territoires des communes concernées.
§ 5. Le montant de la subvention annuelle est fixé forfaitairement par demande et pour des prestations à temps plein d'un seul conseiller :
1° à 28.000 euros maximum, si la commune réunit les conditions d'application de l'article D.IV.15 alinéa 1er, 1° ou si toutes les communes réunissent les conditions d'application de l'article D.IV.15 alinéa 1er, 1° en cas d'association de communes ou de groupement de communes limitrophes;
2° à 22.000 euros maximum, si la Commission communale existe, dans toutes les communes concernées en cas d'association de communes ou de groupement de communes limitrophes;
3° à 7.500 euros maximum, si la Commission communale n'existe pas, dans une des communes concernées en cas d'association de communes ou de groupement de communes limitrophes.
§ 6. La liquidation de la subvention se réalise au terme de l'année civile écoulée, au prorata des prestations réellement effectuées et sur la base :
1° du justificatif des dépenses qui comprennent, notamment, le régime de travail du conseiller, son salaire annuel brut et les frais de fonctionnement relatifs à ses missions;
2° du rapport d'activités relatif aux missions effectuées par le conseiller, en ce compris ses missions auprès de la Commission communale et sa participation aux activités organisées par une ou plusieurs maisons de l'urbanisme visées à l'article R.I.12-5, § 1er, alinéa 1er;
3° de l'attestation relative à la formation annuelle obligatoire visée au paragraphe 1er, 3° à laquelle a participé le conseiller au cours de l'année civile objet de la subvention.
Le collège communal envoie à [1 l'administration]1 la demande de liquidation, accompagnée des documents visés à l'alinéa 1er, au plus tard le 31 mars de l'année qui suit l'année civile objet de la subvention.
La demande de liquidation vaut demande de renouvellement de la subvention.
Le Ministre peut préciser le contenu du rapport d'activités visé à l'alinéa 1er, 2°.
1° la commune, ou les communes limitrophes, ou l'association de communes, procèdent à l'engagement d'un conseiller en aménagement du territoire et urbanisme dans les six mois de la décision d'octroi de la subvention;
2° le conseiller assure auprès de la Commission communale, si elle existe, les missions que le Code lui assigne;
3° le conseiller suit la formation annuelle assurée par la Conférence permanente du développement territorial visée à l'article D.I.12, alinéa 1er, 8°.
§ 2. Le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme :
1° soit est titulaire du diplôme de master complémentaire en aménagement du territoire et urbanisme, d'ingénieur civil architecte, d'architecte ou de tout diplôme de niveau universitaire ou de l'enseignement supérieur de type long qui comprend une formation d'au moins dix crédits dans le domaine de l'aménagement du territoire et urbanisme;
2° soit justifie d'une expérience d'au moins sept ans de gestion et de pratique en aménagement du territoire et urbanisme.
§ 3. Le collège communal envoie à [1 l'administration]1 le dossier de demande de subvention à l'engagement d'un ou plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme sur la base d'un dossier qui contient :
1° une copie de la délibération du conseil communal décidant l'engagement d'un ou plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme ou la désignation d'un ou plusieurs agents communaux statutaires ou contractuels en qualité de conseillers;
2° une copie du ou des diplômes visés au paragraphe 2, 1°, ou un document attestant de l'expérience de gestion et de pratique en aménagement du territoire et urbanisme visé au paragraphe 2, 2°.
En cas de remplacement du conseiller ou en cas de désignation d'un conseiller supplémentaire, le collège communal envoie une nouvelle demande à [1 l'administration]1, accompagnée des documents visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°.
§ 4. L'association de communes introduit un dossier ou les communes limitrophes introduisent un dossier conjoint de demande de subvention pour l'engagement d'un conseiller dont l'activité s'exerce sur les territoires des communes concernées.
§ 5. Le montant de la subvention annuelle est fixé forfaitairement par demande et pour des prestations à temps plein d'un seul conseiller :
1° à 28.000 euros maximum, si la commune réunit les conditions d'application de l'article D.IV.15 alinéa 1er, 1° ou si toutes les communes réunissent les conditions d'application de l'article D.IV.15 alinéa 1er, 1° en cas d'association de communes ou de groupement de communes limitrophes;
2° à 22.000 euros maximum, si la Commission communale existe, dans toutes les communes concernées en cas d'association de communes ou de groupement de communes limitrophes;
3° à 7.500 euros maximum, si la Commission communale n'existe pas, dans une des communes concernées en cas d'association de communes ou de groupement de communes limitrophes.
§ 6. La liquidation de la subvention se réalise au terme de l'année civile écoulée, au prorata des prestations réellement effectuées et sur la base :
1° du justificatif des dépenses qui comprennent, notamment, le régime de travail du conseiller, son salaire annuel brut et les frais de fonctionnement relatifs à ses missions;
2° du rapport d'activités relatif aux missions effectuées par le conseiller, en ce compris ses missions auprès de la Commission communale et sa participation aux activités organisées par une ou plusieurs maisons de l'urbanisme visées à l'article R.I.12-5, § 1er, alinéa 1er;
3° de l'attestation relative à la formation annuelle obligatoire visée au paragraphe 1er, 3° à laquelle a participé le conseiller au cours de l'année civile objet de la subvention.
Le collège communal envoie à [1 l'administration]1 la demande de liquidation, accompagnée des documents visés à l'alinéa 1er, au plus tard le 31 mars de l'année qui suit l'année civile objet de la subvention.
La demande de liquidation vaut demande de renouvellement de la subvention.
Le Ministre peut préciser le contenu du rapport d'activités visé à l'alinéa 1er, 2°.
Wijzigingen
Art. R. I.12-7_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Minister één gemeente of verschillende aangrenzende gemeenten of een vereniging van gemeenten een subsidie toekennen voor de indienstneming of het behoud van de indienstneming van één of meerdere adviseurs ruimtelijke ordening en stedenbouw, tegen de volgende voorwaarden :
1° de gemeente, of de aangrenzende gemeenten, of de vereniging van gemeenten nemen een adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw in dienst binnen de zes maanden na de beslissing tot toekenning van de subsidie;
2° de adviseur voert bij de gemeentelijke commissie, indien bestaand, de door het Wetboek opgelegde opdrachten uit;
3° de adviseur volgt de jaarlijkse vorming, verzorgd door de Permanente Conferentie van de ruimtelijke ontwikkeling, bedoeld in artikel D.I.12, lid 1, 8°.
§ 2. De adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw :
1° ofwel, is houder van een aanvullend masterdiploma " ruimtelijke ordening en stedenbouw ", burgerlijk ingenieur-architect, architect of enig ander diploma van universitair niveau of van het hoger onderwijs van het lange type, dat een vorming inhoudt van minstens tien kredieten omvat in het vakgebied ruimtelijke ordening en stedenbouw;
2° ofwel, toont een ervaring van minstens zeven jaar aan in het beheer en de praktijk op het vlak van ruimtelijke ordening en stedenbouw.
§ 3. Het gemeentecollege richt het aanvraagdossier voor de subsidie voor de indienstneming of het behoud van de indienstneming van één of meerdere adviseurs inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw aan [1 het departement]1, op grond van een dossier met :
1° een afschrift van het gemeenteraadsbesluit tot indienstneming of tot behoud van de indienstneming van één of meerdere adviseurs ruimtelijke ordening en stedenbouw of tot aanwijzing van één of meerdere statutaire of contractuele gemeentepersoneelsleden in de hoedanigheid van adviseur;
2° een afschrift van het (de) diploma(`s) bedoeld in paragraaf 2, 1°, of een document waaruit de ervaring blijkt in het beheer en de praktijk op het vlak van ruimtelijke ordening en stedenbouw zoals bedoeld in paragraaf 2, 2°.
Bij vervanging van de adviseur of bij aanwijzing van een bijkomende adviseur richt het gemeentecollege een nieuwe aanvraag aan [1 het departement]1, samen met de documenten bedoeld in lid 1, 1° en 2°.
§ 4. De vereniging van gemeenten dient een dossier in of de aangrenzende gemeenten dienen een gezamenlijk dossier in voor een subsidieaanvraag met het oog op de indienstneming van een adviseur wiens activiteit uitgeoefend wordt op het grondgebied van betrokken gemeenten.
§ 5. Het bedrag van de jaarlijkse subsidie wordt forfaitair per aanvraag vastgesteld voor voltijdse arbeidsprestaties van één enkele adviseur ten bedrage van :
1° 28.000 euro maximum als de gemeente de toepassingsvoorwaarden verenigt van artikel D.IV.15, lid 1, 1°, of als alle gemeenten de toepassingsvoorwaarden verenigen van artikel D.IV.15, lid 1, 1° voor een vereniging van gemeenten of een groepering van aangrenzende gemeenten;
2° 22.000 euro maximum, als de gemeentelijke commissie bestaat in alle betrokken gemeenten in geval van een vereniging van gemeenten of van een groepering van aangrenzende gemeenten;
3° 7.500 euro maximum, als de gemeentelijke commissie niet bestaat in één van de betrokken gemeenten in geval van een vereniging van gemeenten of van een groepering van aangrenzende gemeenten.
§ 6. De vereffening van de subsidie wordt na afloop van het verlopen kalenderjaar verricht in verhouding tot de werkelijk uitgevoerde prestaties en op grond van :
1° de verantwoording van de uitgaven, waarin met name de arbeidsregeling van de adviseur, diens brutto-jaarsalaris en de werkingskosten voor diens opdrachten begrepen zijn;
2° het activiteitenverslag voor de opdrachten uitgevoerd door de adviseur, met inbegrip van diens opdrachten bij de gemeentelijke commissie en diens deelname aan de activiteiten georganiseerd door één of meerdere "Maisons de l'urbanisme" bedoeld in artikel R.I.12-5, § 1, lid 1;
3° het attest voor de jaarlijkse verplichte vorming bedoeld in paragraaf 1, 3°, waaraan de adviseur deelgenomen heeft in de loop van het kalenderjaar dat voorwerp van de subsidie is.
Het gemeentecollege stuurt de vereffeningsaanvraag, samen met de documenten bedoeld in lid 1, aan [1 het departement]1 tegen uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op het jaar dat voorwerp van de subsidie is.
De vereffeningsaanvraag geldt als aanvraag tot verlenging van de subsidie.
De Minister kan de inhoud van het activiteitenverslag bedoeld in lid 1, 2°, nader bepalen.
§ 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Minister één gemeente of verschillende aangrenzende gemeenten of een vereniging van gemeenten een subsidie toekennen voor de indienstneming of het behoud van de indienstneming van één of meerdere adviseurs ruimtelijke ordening en stedenbouw, tegen de volgende voorwaarden :
1° de gemeente, of de aangrenzende gemeenten, of de vereniging van gemeenten nemen een adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw in dienst binnen de zes maanden na de beslissing tot toekenning van de subsidie;
2° de adviseur voert bij de gemeentelijke commissie, indien bestaand, de door het Wetboek opgelegde opdrachten uit;
3° de adviseur volgt de jaarlijkse vorming, verzorgd door de Permanente Conferentie van de ruimtelijke ontwikkeling, bedoeld in artikel D.I.12, lid 1, 8°.
§ 2. De adviseur ruimtelijke ordening en stedenbouw :
1° ofwel, is houder van een aanvullend masterdiploma " ruimtelijke ordening en stedenbouw ", burgerlijk ingenieur-architect, architect of enig ander diploma van universitair niveau of van het hoger onderwijs van het lange type, dat een vorming inhoudt van minstens tien kredieten omvat in het vakgebied ruimtelijke ordening en stedenbouw;
2° ofwel, toont een ervaring van minstens zeven jaar aan in het beheer en de praktijk op het vlak van ruimtelijke ordening en stedenbouw.
§ 3. Het gemeentecollege richt het aanvraagdossier voor de subsidie voor de indienstneming of het behoud van de indienstneming van één of meerdere adviseurs inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw aan [1 het departement]1, op grond van een dossier met :
1° een afschrift van het gemeenteraadsbesluit tot indienstneming of tot behoud van de indienstneming van één of meerdere adviseurs ruimtelijke ordening en stedenbouw of tot aanwijzing van één of meerdere statutaire of contractuele gemeentepersoneelsleden in de hoedanigheid van adviseur;
2° een afschrift van het (de) diploma(`s) bedoeld in paragraaf 2, 1°, of een document waaruit de ervaring blijkt in het beheer en de praktijk op het vlak van ruimtelijke ordening en stedenbouw zoals bedoeld in paragraaf 2, 2°.
Bij vervanging van de adviseur of bij aanwijzing van een bijkomende adviseur richt het gemeentecollege een nieuwe aanvraag aan [1 het departement]1, samen met de documenten bedoeld in lid 1, 1° en 2°.
§ 4. De vereniging van gemeenten dient een dossier in of de aangrenzende gemeenten dienen een gezamenlijk dossier in voor een subsidieaanvraag met het oog op de indienstneming van een adviseur wiens activiteit uitgeoefend wordt op het grondgebied van betrokken gemeenten.
§ 5. Het bedrag van de jaarlijkse subsidie wordt forfaitair per aanvraag vastgesteld voor voltijdse arbeidsprestaties van één enkele adviseur ten bedrage van :
1° 28.000 euro maximum als de gemeente de toepassingsvoorwaarden verenigt van artikel D.IV.15, lid 1, 1°, of als alle gemeenten de toepassingsvoorwaarden verenigen van artikel D.IV.15, lid 1, 1° voor een vereniging van gemeenten of een groepering van aangrenzende gemeenten;
2° 22.000 euro maximum, als de gemeentelijke commissie bestaat in alle betrokken gemeenten in geval van een vereniging van gemeenten of van een groepering van aangrenzende gemeenten;
3° 7.500 euro maximum, als de gemeentelijke commissie niet bestaat in één van de betrokken gemeenten in geval van een vereniging van gemeenten of van een groepering van aangrenzende gemeenten.
§ 6. De vereffening van de subsidie wordt na afloop van het verlopen kalenderjaar verricht in verhouding tot de werkelijk uitgevoerde prestaties en op grond van :
1° de verantwoording van de uitgaven, waarin met name de arbeidsregeling van de adviseur, diens brutto-jaarsalaris en de werkingskosten voor diens opdrachten begrepen zijn;
2° het activiteitenverslag voor de opdrachten uitgevoerd door de adviseur, met inbegrip van diens opdrachten bij de gemeentelijke commissie en diens deelname aan de activiteiten georganiseerd door één of meerdere "Maisons de l'urbanisme" bedoeld in artikel R.I.12-5, § 1, lid 1;
3° het attest voor de jaarlijkse verplichte vorming bedoeld in paragraaf 1, 3°, waaraan de adviseur deelgenomen heeft in de loop van het kalenderjaar dat voorwerp van de subsidie is.
Het gemeentecollege stuurt de vereffeningsaanvraag, samen met de documenten bedoeld in lid 1, aan [1 het departement]1 tegen uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op het jaar dat voorwerp van de subsidie is.
De vereffeningsaanvraag geldt als aanvraag tot verlenging van de subsidie.
De Minister kan de inhoud van het activiteitenverslag bedoeld in lid 1, 2°, nader bepalen.
Art. R. I.12-7_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer à une ou à plusieurs communes limitrophes ou à une association de communes une subvention pour l'engagement ou le maintien de l'engagement d'un ou plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme aux conditions suivantes :
1° la commune, ou les communes limitrophes, ou l'association de communes, procèdent à l'engagement d'un conseiller en aménagement du territoire et urbanisme dans les six mois de la décision d'octroi de la subvention;
2° le conseiller assure auprès de la Commission communale, si elle existe, les missions que le Code lui assigne;
3° le conseiller suit la formation annuelle assurée par la Conférence permanente du développement territorial visée à l'article D.I.12, alinéa 1er, 8°.
§ 2. Le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme :
1° soit est titulaire du diplôme de master complémentaire en aménagement du territoire et urbanisme, d'ingénieur civil architecte, d'architecte ou de tout diplôme de niveau universitaire ou de l'enseignement supérieur de type long qui comprend une formation d'au moins dix crédits dans le domaine de l'aménagement du territoire et urbanisme;
2° soit justifie d'une expérience d'au moins sept ans de gestion et de pratique en aménagement du territoire et urbanisme.
§ 3. Le collège communal envoie [1 au département]1 le dossier de demande de subvention à l'engagement d'un ou plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme sur la base d'un dossier qui contient :
1° une copie de la délibération du conseil communal décidant l'engagement d'un ou plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme ou la désignation d'un ou plusieurs agents communaux statutaires ou contractuels en qualité de conseillers;
2° une copie du ou des diplômes visés au paragraphe 2, 1°, ou un document attestant de l'expérience de gestion et de pratique en aménagement du territoire et urbanisme visé au paragraphe 2, 2°.
En cas de remplacement du conseiller ou en cas de désignation d'un conseiller supplémentaire, le collège communal envoie une nouvelle demande [1 au département]1, accompagnée des documents visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°.
§ 4. L'association de communes introduit un dossier ou les communes limitrophes introduisent un dossier conjoint de demande de subvention pour l'engagement d'un conseiller dont l'activité s'exerce sur les territoires des communes concernées.
§ 5. Le montant de la subvention annuelle est fixé forfaitairement par demande et pour des prestations à temps plein d'un seul conseiller :
1° à 28.000 euros maximum, si la commune réunit les conditions d'application de l'article D.IV.15 alinéa 1er, 1° ou si toutes les communes réunissent les conditions d'application de l'article D.IV.15 alinéa 1er, 1° en cas d'association de communes ou de groupement de communes limitrophes;
2° à 22.000 euros maximum, si la Commission communale existe, dans toutes les communes concernées en cas d'association de communes ou de groupement de communes limitrophes;
3° à 7.500 euros maximum, si la Commission communale n'existe pas, dans une des communes concernées en cas d'association de communes ou de groupement de communes limitrophes.
§ 6. La liquidation de la subvention se réalise au terme de l'année civile écoulée, au prorata des prestations réellement effectuées et sur la base :
1° du justificatif des dépenses qui comprennent, notamment, le régime de travail du conseiller, son salaire annuel brut et les frais de fonctionnement relatifs à ses missions;
2° du rapport d'activités relatif aux missions effectuées par le conseiller, en ce compris ses missions auprès de la Commission communale et sa participation aux activités organisées par une ou plusieurs maisons de l'urbanisme visées à l'article R.I.12-5, § 1er, alinéa 1er;
3° de l'attestation relative à la formation annuelle obligatoire visée au paragraphe 1er, 3° à laquelle a participé le conseiller au cours de l'année civile objet de la subvention.
Le collège communal envoie [1 au département]1 la demande de liquidation, accompagnée des documents visés à l'alinéa 1er, au plus tard le 31 mars de l'année qui suit l'année civile objet de la subvention.
La demande de liquidation vaut demande de renouvellement de la subvention.
Le Ministre peut préciser le contenu du rapport d'activités visé à l'alinéa 1er, 2°.
§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer à une ou à plusieurs communes limitrophes ou à une association de communes une subvention pour l'engagement ou le maintien de l'engagement d'un ou plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme aux conditions suivantes :
1° la commune, ou les communes limitrophes, ou l'association de communes, procèdent à l'engagement d'un conseiller en aménagement du territoire et urbanisme dans les six mois de la décision d'octroi de la subvention;
2° le conseiller assure auprès de la Commission communale, si elle existe, les missions que le Code lui assigne;
3° le conseiller suit la formation annuelle assurée par la Conférence permanente du développement territorial visée à l'article D.I.12, alinéa 1er, 8°.
§ 2. Le conseiller en aménagement du territoire et urbanisme :
1° soit est titulaire du diplôme de master complémentaire en aménagement du territoire et urbanisme, d'ingénieur civil architecte, d'architecte ou de tout diplôme de niveau universitaire ou de l'enseignement supérieur de type long qui comprend une formation d'au moins dix crédits dans le domaine de l'aménagement du territoire et urbanisme;
2° soit justifie d'une expérience d'au moins sept ans de gestion et de pratique en aménagement du territoire et urbanisme.
§ 3. Le collège communal envoie [1 au département]1 le dossier de demande de subvention à l'engagement d'un ou plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme sur la base d'un dossier qui contient :
1° une copie de la délibération du conseil communal décidant l'engagement d'un ou plusieurs conseillers en aménagement du territoire et urbanisme ou la désignation d'un ou plusieurs agents communaux statutaires ou contractuels en qualité de conseillers;
2° une copie du ou des diplômes visés au paragraphe 2, 1°, ou un document attestant de l'expérience de gestion et de pratique en aménagement du territoire et urbanisme visé au paragraphe 2, 2°.
En cas de remplacement du conseiller ou en cas de désignation d'un conseiller supplémentaire, le collège communal envoie une nouvelle demande [1 au département]1, accompagnée des documents visés à l'alinéa 1er, 1° et 2°.
§ 4. L'association de communes introduit un dossier ou les communes limitrophes introduisent un dossier conjoint de demande de subvention pour l'engagement d'un conseiller dont l'activité s'exerce sur les territoires des communes concernées.
§ 5. Le montant de la subvention annuelle est fixé forfaitairement par demande et pour des prestations à temps plein d'un seul conseiller :
1° à 28.000 euros maximum, si la commune réunit les conditions d'application de l'article D.IV.15 alinéa 1er, 1° ou si toutes les communes réunissent les conditions d'application de l'article D.IV.15 alinéa 1er, 1° en cas d'association de communes ou de groupement de communes limitrophes;
2° à 22.000 euros maximum, si la Commission communale existe, dans toutes les communes concernées en cas d'association de communes ou de groupement de communes limitrophes;
3° à 7.500 euros maximum, si la Commission communale n'existe pas, dans une des communes concernées en cas d'association de communes ou de groupement de communes limitrophes.
§ 6. La liquidation de la subvention se réalise au terme de l'année civile écoulée, au prorata des prestations réellement effectuées et sur la base :
1° du justificatif des dépenses qui comprennent, notamment, le régime de travail du conseiller, son salaire annuel brut et les frais de fonctionnement relatifs à ses missions;
2° du rapport d'activités relatif aux missions effectuées par le conseiller, en ce compris ses missions auprès de la Commission communale et sa participation aux activités organisées par une ou plusieurs maisons de l'urbanisme visées à l'article R.I.12-5, § 1er, alinéa 1er;
3° de l'attestation relative à la formation annuelle obligatoire visée au paragraphe 1er, 3° à laquelle a participé le conseiller au cours de l'année civile objet de la subvention.
Le collège communal envoie [1 au département]1 la demande de liquidation, accompagnée des documents visés à l'alinéa 1er, au plus tard le 31 mars de l'année qui suit l'année civile objet de la subvention.
La demande de liquidation vaut demande de renouvellement de la subvention.
Le Ministre peut préciser le contenu du rapport d'activités visé à l'alinéa 1er, 2°.
Wijzigingen
Afdeling 7. [1 - Subsidie met betrekking tot de Permanente Conferentie van de ruimtelijke ontwikkeling]1
Section 7. [1 - Subvention relative à la Conférence permanente du développement territorial]1
Art. R. I.12-8. [1 § 1. De Permanente Conferentie van de ruimtelijke ontwikkeling, hierna de P.C.R.O. genoemd, omvat de "Université catholique de Louvain" (CREAT), de "Université libre de Bruxelles" (IGEAT) en de "Université de Liège" (LEPUR).
§ 2. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de regering een werkingssubsidie toekennen aan de PCRO voor de volgende opdrachten:
1° de voortgezette opleiding van de adviseurs ruimtelijke ordening en stedenbouw :
2° elk onderzoek of elke expertise met betrekking tot de doelstellingen bedoeld in artikel D.II.2, § 2, tweede lid;
3° de kapitalisatie van dit onderzoek of deze expertise en de verspreiding ervan door middel van publicaties, een internetsite, symposia of studiebijeenkomsten;
4° de promotie van doctoraten in het kader van de thematische doctoraatsschool voor Ruimtelijke Ontwikkeling die de drie Franstalige academies samenbrengen.
Het subsidiebesluit stelt de lijst van de opdrachten die aan de P.C.R.O. worden toevertrouwd vast in een jaarlijks werkprogramma.
Tenzij in het subsidiebesluit anders is bepaald, wijden universitaire centra ten minste één halftijdse onderzoeker aan het onderzoek of de expertise waaraan zij worden toegewezen. De universitaire centra kunnen een beroep doen op elke onderaanneming die nodig is voor de uitvoering van het jaarlijkse werkprogramma.
De subsidie is jaarlijks. Het wordt toegekend en vereffend tegen een tarief van een derde aan elke universiteit
§ 3. De vereffening van de subsidie geschiedt als volgt :
1° vijfenveertig procent van de jaarlijkse subsidie op het moment dat het besluit dat de subsidie toekent wordt verzonden;
2° vijfenveertig procent van de jaarlijkse subsidie op basis van een gezamenlijk tussentijds verslag dat door het sturingscomité is goedgekeurd.
3° tien procent van de jaarlijkse subsidie op basis van een gezamenlijk eindverslag dat uiterlijk op 31 januari van het volgende jaar wordt ingediend en door het sturingscomité wordt goedgekeurd.
§ 4. De Regering richt een sturingscomité op en wijst de leden ervan aan voor een periode van maximaal vijf jaar.
Het comité bestaat uit :
1° één vertegenwoordiger van de Minister, die het voorzitterschap waarneemt ;
2° een vertegenwoordiger van elk van de andere Ministers van de Regering;
3° de inspecteur-generaal van het departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw en een gemachtigd ambtenaar van een buitendirectie van hetzelfde departement van het DGO4.
4° een vertegenwoordiger van het "Institut wallon de l'évaluation, de la prospective et de la statistique" (Waals instituut voor Evaluatie, Toekomstverwachting en Statistiek);
5° één vertegenwoordiger van elk van de drie universiteiten.
Voor elk onderzoek waarbij een of meer bevoegdheden van een ander operationeel directoraat-generaal van de Waalse Overheidsdienst dan de DGO4 betrokken zijn, wordt een vertegenwoordiger van deze directie, aangewezen door de minister, uitgenodigd op voorstel van de minister waarvan deze directie deel uitmaakt.
Het Comité wordt ten minste driemaal per jaar door de voorzitter van het Comité bijeengeroepen. De vertegenwoordiger van elk van de drie universiteiten zetelt met raadgevende stem.
§ 5. Het secretariaat van de P.C.R.O. en van het sturingscomité wordt waargenomen door het departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van het DGO4.
§ 6. De opdrachten van het comité bestaan uit:
1° de prioriteiten en de kalender m.b.t. de uitvoering van het jaarlijkse werkprogramma vaststellen;
2° de goede uitvoering van de in paragraaf 2 bedoelde opdrachten evalueren en controleren, de tussentijdse en eindverslagen goedkeuren en, indien nodig, het werkprogramma bijstellen;
3° de noodzakelijke aanpassingen tussen de begrotingsposten binnen het goedgekeurde werkprogramma valideren;
4° instemmen met het gebruik van onderzoeksresultaten of expertise door universitaire centra of derden.
§ 7. Het comité stelt de minister voor, op gemotiveerde wijze, volgens de consensusprocedure en na de vertegenwoordigers van elk van de drie universiteiten te hebben uitgenodigd om hun argumenten te laten gelden, om een onderzoek, expertise of opdracht te schorsen wanneer hij van oordeel is dat de voorwaarden voor het welslagen ervan niet langer vervuld zijn.
Onverminderd de bepalingen van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de Gemeenschappen en de Gewesten, alsook voor de organisatie van de controle van Rekenhof, en rekening houdend met de wetenschappelijke aard van de resultaten van onderzoek, expertise of opdrachten, stelt het sturingscomité aan de Minister voor, op gemotiveerde wijze, volgens de consensusprocedure en na de vertegenwoordigers van elk van de drie universiteiten uitgenodigd te hebben om hun argumenten te laten gelden, het bedrag van de al dan niet terug te betalen subsidie, indien het gezamenlijk tussentijds verslag of het gezamenlijk eindverslag niet wordt goedgekeurd. Hij stelt ook een herverdeling van de desbetreffende begroting voor.
Tussentijdse of eindresultaten van een opgeschort of niet-goedgekeurd onderzoek of expertise worden op geen enkele wijze verspreid of gecommuniceerd.]1
§ 2. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de regering een werkingssubsidie toekennen aan de PCRO voor de volgende opdrachten:
1° de voortgezette opleiding van de adviseurs ruimtelijke ordening en stedenbouw :
2° elk onderzoek of elke expertise met betrekking tot de doelstellingen bedoeld in artikel D.II.2, § 2, tweede lid;
3° de kapitalisatie van dit onderzoek of deze expertise en de verspreiding ervan door middel van publicaties, een internetsite, symposia of studiebijeenkomsten;
4° de promotie van doctoraten in het kader van de thematische doctoraatsschool voor Ruimtelijke Ontwikkeling die de drie Franstalige academies samenbrengen.
Het subsidiebesluit stelt de lijst van de opdrachten die aan de P.C.R.O. worden toevertrouwd vast in een jaarlijks werkprogramma.
Tenzij in het subsidiebesluit anders is bepaald, wijden universitaire centra ten minste één halftijdse onderzoeker aan het onderzoek of de expertise waaraan zij worden toegewezen. De universitaire centra kunnen een beroep doen op elke onderaanneming die nodig is voor de uitvoering van het jaarlijkse werkprogramma.
De subsidie is jaarlijks. Het wordt toegekend en vereffend tegen een tarief van een derde aan elke universiteit
§ 3. De vereffening van de subsidie geschiedt als volgt :
1° vijfenveertig procent van de jaarlijkse subsidie op het moment dat het besluit dat de subsidie toekent wordt verzonden;
2° vijfenveertig procent van de jaarlijkse subsidie op basis van een gezamenlijk tussentijds verslag dat door het sturingscomité is goedgekeurd.
3° tien procent van de jaarlijkse subsidie op basis van een gezamenlijk eindverslag dat uiterlijk op 31 januari van het volgende jaar wordt ingediend en door het sturingscomité wordt goedgekeurd.
§ 4. De Regering richt een sturingscomité op en wijst de leden ervan aan voor een periode van maximaal vijf jaar.
Het comité bestaat uit :
1° één vertegenwoordiger van de Minister, die het voorzitterschap waarneemt ;
2° een vertegenwoordiger van elk van de andere Ministers van de Regering;
3° de inspecteur-generaal van het departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw en een gemachtigd ambtenaar van een buitendirectie van hetzelfde departement van het DGO4.
4° een vertegenwoordiger van het "Institut wallon de l'évaluation, de la prospective et de la statistique" (Waals instituut voor Evaluatie, Toekomstverwachting en Statistiek);
5° één vertegenwoordiger van elk van de drie universiteiten.
Voor elk onderzoek waarbij een of meer bevoegdheden van een ander operationeel directoraat-generaal van de Waalse Overheidsdienst dan de DGO4 betrokken zijn, wordt een vertegenwoordiger van deze directie, aangewezen door de minister, uitgenodigd op voorstel van de minister waarvan deze directie deel uitmaakt.
Het Comité wordt ten minste driemaal per jaar door de voorzitter van het Comité bijeengeroepen. De vertegenwoordiger van elk van de drie universiteiten zetelt met raadgevende stem.
§ 5. Het secretariaat van de P.C.R.O. en van het sturingscomité wordt waargenomen door het departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van het DGO4.
§ 6. De opdrachten van het comité bestaan uit:
1° de prioriteiten en de kalender m.b.t. de uitvoering van het jaarlijkse werkprogramma vaststellen;
2° de goede uitvoering van de in paragraaf 2 bedoelde opdrachten evalueren en controleren, de tussentijdse en eindverslagen goedkeuren en, indien nodig, het werkprogramma bijstellen;
3° de noodzakelijke aanpassingen tussen de begrotingsposten binnen het goedgekeurde werkprogramma valideren;
4° instemmen met het gebruik van onderzoeksresultaten of expertise door universitaire centra of derden.
§ 7. Het comité stelt de minister voor, op gemotiveerde wijze, volgens de consensusprocedure en na de vertegenwoordigers van elk van de drie universiteiten te hebben uitgenodigd om hun argumenten te laten gelden, om een onderzoek, expertise of opdracht te schorsen wanneer hij van oordeel is dat de voorwaarden voor het welslagen ervan niet langer vervuld zijn.
Onverminderd de bepalingen van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de Gemeenschappen en de Gewesten, alsook voor de organisatie van de controle van Rekenhof, en rekening houdend met de wetenschappelijke aard van de resultaten van onderzoek, expertise of opdrachten, stelt het sturingscomité aan de Minister voor, op gemotiveerde wijze, volgens de consensusprocedure en na de vertegenwoordigers van elk van de drie universiteiten uitgenodigd te hebben om hun argumenten te laten gelden, het bedrag van de al dan niet terug te betalen subsidie, indien het gezamenlijk tussentijds verslag of het gezamenlijk eindverslag niet wordt goedgekeurd. Hij stelt ook een herverdeling van de desbetreffende begroting voor.
Tussentijdse of eindresultaten van een opgeschort of niet-goedgekeurd onderzoek of expertise worden op geen enkele wijze verspreid of gecommuniceerd.]1
Art. R. I.12-8. [1 § 1er. La Conférence permanente du développement territorial ci-après dénommé C.P.D.T. regroupe l'Université catholique de Louvain (CREAT), l'Université libre de Bruxelles (IGEAT) et l'Université de Liège (LEPUR).
§ 2. Dans les limites des crédits disponibles, le Gouvernement peut octroyer une subvention de fonctionnement à la CPDT pour l'accomplissement des missions qui suivent :
1° la formation continuée des conseillers en aménagement du territoire et urbanisme ;
2° toute recherche ou expertise relative aux objectifs visés à l'article D.II.2, § 2, alinéa 2 ;
3° la capitalisation de ces recherches ou expertises et leur diffusion par des publications, un site Internet, des colloques ou séminaires ;
4° la promotion de doctorats dans le cadre de l'école doctorale thématique en développement territorial regroupant les trois académies francophones.
L'arrêté de subvention fixe la liste des missions confiées à la C.P.D.T. dans un programme annuel de travail.
Sauf exception prévue dans l'arrêté de subvention, les centres universitaires consacrent au moins un chercheur à mi-temps pour la recherche ou l'expertise à laquelle ils sont affectés. Les centres universitaires peuvent recourir à toute sous-traitance qui est nécessaire à l'accomplissement du programme annuel de travail.
La subvention est annuelle. Elle est octroyée et liquidée à raison d'un tiers à chaque université.
§ 3. La liquidation de la subvention s'effectue comme suit :
1° quarante-cinq pour cent de la subvention annuelle à l'envoi de l'arrêté octroyant la subvention ;
2° quarante-cinq pour cent de la subvention annuelle sur la base d'un rapport intermédiaire commun approuvé par le comité de pilotage ;
3° dix pour cent de la subvention annuelle sur la base d'un rapport final commun transmis au plus tard le 31 janvier de l'année qui suit et approuvé par le comité de pilotage.
§ 4. Le Gouvernement institue un comité de pilotage dont il désigne les membres pour une durée maximale de cinq ans.
Le comité se compose :
1° d'un représentant du Ministre, qui en assure la présidence ;
2° d'un représentant de chacun des autres Ministres du Gouvernement ;
3° de l'inspecteur général du département de l'Aménagement du Territoire et de l'Urbanisme et d'un fonctionnaire délégué d'une direction extérieure du même département de la DGO4 ;
4° d'un représentant de l'Institut wallon de l'évaluation, de la prospective et de la statistique ;
5° d'un représentant de chacune des trois universités.
Pour toute recherche qui implique une ou des compétences d'une direction générale opérationnelle du Service public de Wallonie autre que la DGO4, un représentant de cette direction désigné par le Ministre est invité sur la proposition du Ministre dont cette direction relève.
Le comité est convoqué par le président au minimum trois fois par an. Le représentant de chacune des trois universités siège avec voix consultative.
§ 5. Le secrétariat de la C.P.D.T. et du comité de pilotage est assuré par le département de l'Aménagement du Territoire et de l'Urbanisme de la DGO4.
§ 6. Les missions du comité consistent à :
1° établir les priorités et le calendrier d'exécution du programme annuel de travail ;
2° évaluer et contrôler le bon accomplissement des missions visées au paragraphe 2, approuver les rapports intermédiaires et finaux et, le cas échéant, réorienter le programme de travail ;
3° valider les ajustements nécessaires entre postes budgétaires au sein du programme de travail tel qu'il a été approuvé ;
4° donner son accord sur l'utilisation des résultats des recherches ou expertises par des centres universitaires ou des tiers.
§ 7. Le comité propose au Ministre, de manière motivée, selon la procédure du consensus et après avoir invité les représentants de chacune des trois universités à faire valoir leurs arguments, de suspendre une recherche, une expertise ou une mission lorsqu'il estime que les conditions d'aboutissement de celle-ci ne sont plus réunies.
Sans préjudice des dispositions de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des Comptes, et compte tenu du caractère scientifique du résultat des recherches, expertises ou missions, le comité de pilotage propose au Ministre de manière motivée, selon la procédure du consensus et après avoir invité les représentants de chacune des trois universités à faire valoir leurs arguments, le montant de la subvention à rembourser ou à ne pas payer en cas de non approbation du rapport intermédiaire commun ou du rapport final commun. Il propose également la réallocation budgétaire y relative.
Les résultats intermédiaires ou finaux d'une recherche ou d'une expertise suspendue ou non approuvée ne sont pas diffusés ou communiqués, de quelque manière que ce soit.]1
§ 2. Dans les limites des crédits disponibles, le Gouvernement peut octroyer une subvention de fonctionnement à la CPDT pour l'accomplissement des missions qui suivent :
1° la formation continuée des conseillers en aménagement du territoire et urbanisme ;
2° toute recherche ou expertise relative aux objectifs visés à l'article D.II.2, § 2, alinéa 2 ;
3° la capitalisation de ces recherches ou expertises et leur diffusion par des publications, un site Internet, des colloques ou séminaires ;
4° la promotion de doctorats dans le cadre de l'école doctorale thématique en développement territorial regroupant les trois académies francophones.
L'arrêté de subvention fixe la liste des missions confiées à la C.P.D.T. dans un programme annuel de travail.
Sauf exception prévue dans l'arrêté de subvention, les centres universitaires consacrent au moins un chercheur à mi-temps pour la recherche ou l'expertise à laquelle ils sont affectés. Les centres universitaires peuvent recourir à toute sous-traitance qui est nécessaire à l'accomplissement du programme annuel de travail.
La subvention est annuelle. Elle est octroyée et liquidée à raison d'un tiers à chaque université.
§ 3. La liquidation de la subvention s'effectue comme suit :
1° quarante-cinq pour cent de la subvention annuelle à l'envoi de l'arrêté octroyant la subvention ;
2° quarante-cinq pour cent de la subvention annuelle sur la base d'un rapport intermédiaire commun approuvé par le comité de pilotage ;
3° dix pour cent de la subvention annuelle sur la base d'un rapport final commun transmis au plus tard le 31 janvier de l'année qui suit et approuvé par le comité de pilotage.
§ 4. Le Gouvernement institue un comité de pilotage dont il désigne les membres pour une durée maximale de cinq ans.
Le comité se compose :
1° d'un représentant du Ministre, qui en assure la présidence ;
2° d'un représentant de chacun des autres Ministres du Gouvernement ;
3° de l'inspecteur général du département de l'Aménagement du Territoire et de l'Urbanisme et d'un fonctionnaire délégué d'une direction extérieure du même département de la DGO4 ;
4° d'un représentant de l'Institut wallon de l'évaluation, de la prospective et de la statistique ;
5° d'un représentant de chacune des trois universités.
Pour toute recherche qui implique une ou des compétences d'une direction générale opérationnelle du Service public de Wallonie autre que la DGO4, un représentant de cette direction désigné par le Ministre est invité sur la proposition du Ministre dont cette direction relève.
Le comité est convoqué par le président au minimum trois fois par an. Le représentant de chacune des trois universités siège avec voix consultative.
§ 5. Le secrétariat de la C.P.D.T. et du comité de pilotage est assuré par le département de l'Aménagement du Territoire et de l'Urbanisme de la DGO4.
§ 6. Les missions du comité consistent à :
1° établir les priorités et le calendrier d'exécution du programme annuel de travail ;
2° évaluer et contrôler le bon accomplissement des missions visées au paragraphe 2, approuver les rapports intermédiaires et finaux et, le cas échéant, réorienter le programme de travail ;
3° valider les ajustements nécessaires entre postes budgétaires au sein du programme de travail tel qu'il a été approuvé ;
4° donner son accord sur l'utilisation des résultats des recherches ou expertises par des centres universitaires ou des tiers.
§ 7. Le comité propose au Ministre, de manière motivée, selon la procédure du consensus et après avoir invité les représentants de chacune des trois universités à faire valoir leurs arguments, de suspendre une recherche, une expertise ou une mission lorsqu'il estime que les conditions d'aboutissement de celle-ci ne sont plus réunies.
Sans préjudice des dispositions de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des Comptes, et compte tenu du caractère scientifique du résultat des recherches, expertises ou missions, le comité de pilotage propose au Ministre de manière motivée, selon la procédure du consensus et après avoir invité les représentants de chacune des trois universités à faire valoir leurs arguments, le montant de la subvention à rembourser ou à ne pas payer en cas de non approbation du rapport intermédiaire commun ou du rapport final commun. Il propose également la réallocation budgétaire y relative.
Les résultats intermédiaires ou finaux d'une recherche ou d'une expertise suspendue ou non approuvée ne sont pas diffusés ou communiqués, de quelque manière que ce soit.]1
Art. R. I.12-8_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 § 1. De Permanente Conferentie van de ruimtelijke ontwikkeling, hierna de P.C.R.O. genoemd, omvat de "Université catholique de Louvain" (CREAT), de "Université libre de Bruxelles" (IGEAT) en de "Université de Liège" (LEPUR).
§ 2. [2 De Regering kan binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen en onder de door haar vastgestelde voorwaarden subsidies toekennen aan de PCRO.
De nadere regels omtrent de subsidiëring en de desbetreffende bedragen worden vastgelegd in een overeenkomst die tussen de Regering en de PCRO wordt gesloten.]2
§ 3. [2 ...]2
§ 4. [2 ...]2
§ 5. [2 ...]2
§ 6. [2 ...]2
§ 7. [2 ...]2]1
[1 § 1. De Permanente Conferentie van de ruimtelijke ontwikkeling, hierna de P.C.R.O. genoemd, omvat de "Université catholique de Louvain" (CREAT), de "Université libre de Bruxelles" (IGEAT) en de "Université de Liège" (LEPUR).
§ 2. [2 De Regering kan binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen en onder de door haar vastgestelde voorwaarden subsidies toekennen aan de PCRO.
De nadere regels omtrent de subsidiëring en de desbetreffende bedragen worden vastgelegd in een overeenkomst die tussen de Regering en de PCRO wordt gesloten.]2
§ 3. [2 ...]2
§ 4. [2 ...]2
§ 5. [2 ...]2
§ 6. [2 ...]2
§ 7. [2 ...]2]1
Art. R. I.12-8_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 § 1er. La Conférence permanente du développement territorial ci-après dénommé C.P.D.T. regroupe l'Université catholique de Louvain (CREAT), l'Université libre de Bruxelles (IGEAT) et l'Université de Liège (LEPUR).
§ 2. [2 Dans la limite des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement peut, aux conditions fixées par lui, octroyer des subventions à la CPDT.
Les modalités de subventionnement ainsi que le montant desdites subventions seront fixés dans un contrat à conclure entre le Gouvernement et la CPDT.]2
§ 3. [2 ...]2
§ 4. [2 ]2
§ 5. [2 ...]2
§ 6. [2 ]2
§ 7. [2 ...]2]1
[1 § 1er. La Conférence permanente du développement territorial ci-après dénommé C.P.D.T. regroupe l'Université catholique de Louvain (CREAT), l'Université libre de Bruxelles (IGEAT) et l'Université de Liège (LEPUR).
§ 2. [2 Dans la limite des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement peut, aux conditions fixées par lui, octroyer des subventions à la CPDT.
Les modalités de subventionnement ainsi que le montant desdites subventions seront fixés dans un contrat à conclure entre le Gouvernement et la CPDT.]2
§ 3. [2 ...]2
§ 4. [2 ]2
§ 5. [2 ...]2
§ 6. [2 ]2
§ 7. [2 ...]2]1
Hoofdstuk V.1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Duurzaamheidsfonds]1
Chapitre V.1. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Fonds pour la durabilité]1
HOOFDSTUK VI. - Nadere regels voor verzendingen en het berekenen van termijnen
CHAPITRE VI. - Modalités d'envoi et calcul des délais
Art. R. I.13-1.De procédés waarbij een vaststaande datum aan het versturen en het ontvangen van een akte wordt verleend zijn [1 met name]1:
1° voor het versturen, een gedateerde ontvangstmelding van het schrijven, verstrekt door de distributiedienst [1 , in voorkomend geval overeenkomstig het decreet van 27 maart 2014 betreffende de communicaties via elektronische weg tussen de gebruikers en de Waalse openbare overheden, of ondertekend door de geadresseerde van de mail]1;
2° voor het ontvangen, een bericht van ontvangst of een ontvangstmelding, gedateerd en ondertekend door de bestemmeling van het schrijven;
3° voor het ontvangen, een bewijs van de ontvangstdatum van het schrijven door de bestemmeling ervan, verstrekt door de distributiedienst. [1 De aangetekende elektronische berichten moeten de bepalingen van het decreet van 27 maart 2014 betreffende de communicaties via elektronische weg tussen de gebruikers en de Waalse openbare overheden, in acht nemen.]1
1° voor het versturen, een gedateerde ontvangstmelding van het schrijven, verstrekt door de distributiedienst [1 , in voorkomend geval overeenkomstig het decreet van 27 maart 2014 betreffende de communicaties via elektronische weg tussen de gebruikers en de Waalse openbare overheden, of ondertekend door de geadresseerde van de mail]1;
2° voor het ontvangen, een bericht van ontvangst of een ontvangstmelding, gedateerd en ondertekend door de bestemmeling van het schrijven;
3° voor het ontvangen, een bewijs van de ontvangstdatum van het schrijven door de bestemmeling ervan, verstrekt door de distributiedienst. [1 De aangetekende elektronische berichten moeten de bepalingen van het decreet van 27 maart 2014 betreffende de communicaties via elektronische weg tussen de gebruikers en de Waalse openbare overheden, in acht nemen.]1
Art. R. I.13-1.Les procédés donnant date certaine à l'envoi et ou à la réception d'un acte sont [1 notamment]1:
1° pour l'envoi, un récépissé daté du courrier fourni par le service de distribution [1 , le cas échéant conforme au décret du 27 mars 2014 relatif aux communications par voie électronique entre les usagers et les autorités publiques wallonnes,ou signé par le destinataire du courrier ]1;
2° pour la réception, un accusé de réception ou récépissé daté et signé par le destinataire du courrier;
3° pour la réception, une attestation de la date de réception du courrier par son destinataire fournie par le service de distribution [1 , le cas échéant conforme au décret du 27 mars 2014 relatif aux communications par voie électronique entre les usagers et les autorités publiques wallonnes]1.
1° pour l'envoi, un récépissé daté du courrier fourni par le service de distribution [1 , le cas échéant conforme au décret du 27 mars 2014 relatif aux communications par voie électronique entre les usagers et les autorités publiques wallonnes,ou signé par le destinataire du courrier ]1;
2° pour la réception, un accusé de réception ou récépissé daté et signé par le destinataire du courrier;
3° pour la réception, une attestation de la date de réception du courrier par son destinataire fournie par le service de distribution [1 , le cas échéant conforme au décret du 27 mars 2014 relatif aux communications par voie électronique entre les usagers et les autorités publiques wallonnes]1.
Wijzigingen
HOOFDSTUK VII. - Overgangsrecht
CHAPITRE VII. - Droit transitoire
Afdeling 1. - Commissies
Section 1re. - Commissions
Afdeling 2. - Erkenningen
Section 2. - Agréments
Afdeling 3. - Toelagen
Section 3. - Subventions
Boek 2. - Planificatie
Livre 2. - planification
Boek 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Planning en omtrekken]1
Livre 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Planification et périmètres]1
Titel 1. - Ontwikkelingsplannen
Titre 1er. - schémas
HOOFDSTUK I. - Ruimtelijk ontwikkelingsplan
CHAPITRE Ier. - Schéma de développement du territoire
Afdeling 1. - Begripsomschrijving en inhoud
Section 1re. - Définition et contenu
Afdeling 2. - Procedure
Section 2. - Procédure
Afdeling 3. - Herziening
Section 3. - Révision
HOOFDSTUK II. - Meergemeentelijk ontwikkelingsplan
CHAPITRE II. - Schéma de développement pluricommunal
Afdeling 1-. Begripsomschrijving en inhoud
Section 1re. - Définition et contenu
Afdeling 2. - Procedure
Section 2. - Procédure
Afdeling 3. - Herziening
Section 3. - Révision
HOOFDSTUK III. - Gemeentelijke ontwikkelingsplannen
CHAPITRE III. - Schémas communaux
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Afdeling 2. - Begripsomschrijving en inhoud
Section 2. - Définition et contenu
Onderafdeling 1. - Gemeentelijk ontwikkelingsplan
Sous-section 1re. - Schéma de développement communal
Onderafdeling 2. - Lokaal beleidsontwikkelingsplan
Sous-section 2. - Schéma d'orientation local
Afdeling 3. - Procedure
Section 3. - Procédure
Afdeling 4. - Herziening
Section 4. - Révision
HOOFDSTUK IV. - Opvolging van de milieueffecten
CHAPITRE IV. - Suivi des incidences environnementales
HOOFDSTUK V. - Opheffing
CHAPITRE V. - Abrogation
HOOFDSTUK VI. - Juridische gevolgen en hiërarchie
CHAPITRE VI. - Effets juridiques et hiérarchie
Afdeling 1. - Rechtsgevolgen
Section 1re. - Effets juridiques
Afdeling 2. - Hiërarchie
Section 2. - Hiérarchie
Titel 2. - Gewestplannen
Titre 2. - Plans de secteur
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
HOOFDSTUK II. - Inhoud
CHAPITRE II. - Contenu
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Onderafdeling 1. - Verkeersnetten en leidingen voor het vervoer van vloei- en energiestoffen
Sous-section 1re. - Réseau des principales infrastructures de communication et de transport de fluide et d'énergie
Art. R. II.21-1. Hoofdverkeersinfrastructuren.
Uitgezonderd de aansluitingen op ondernemingen, gebieden van gewestelijk belang, bedrijfsruimtes, recreatiegebieden, gebieden van aanhorigheden van ontginningsgebieden en ontginningsgebieden bestaat het net van de hoofdverkeersinfrastructuren uit het net, opgenomen in de territoriale structuur van het ruimtelijk ontwikkelingsplan en omvat :
1° de autosnelwegen en de gewestelijke verbindingswegen met tweemaal twee rijstroken, daaronder inbegrepen de singelwegen wanneer ze bestaan uit vakken van die wegen, die het Waalse grondgebied zijn structuur verlenen door vermazing van de gewestelijke kernen;
2° de spoorlijnen, uitgezonderd die met een uitsluitend toeristische bestemming;
3° de bevaarbare waterwegen, daaronder inbegrepen de door deze gevormde watervlakken.
Uitgezonderd de aansluitingen op ondernemingen, gebieden van gewestelijk belang, bedrijfsruimtes, recreatiegebieden, gebieden van aanhorigheden van ontginningsgebieden en ontginningsgebieden bestaat het net van de hoofdverkeersinfrastructuren uit het net, opgenomen in de territoriale structuur van het ruimtelijk ontwikkelingsplan en omvat :
1° de autosnelwegen en de gewestelijke verbindingswegen met tweemaal twee rijstroken, daaronder inbegrepen de singelwegen wanneer ze bestaan uit vakken van die wegen, die het Waalse grondgebied zijn structuur verlenen door vermazing van de gewestelijke kernen;
2° de spoorlijnen, uitgezonderd die met een uitsluitend toeristische bestemming;
3° de bevaarbare waterwegen, daaronder inbegrepen de door deze gevormde watervlakken.
Art. R. II.21-1. Principales infrastructures de communication
A l'exception des raccordements aux entreprises, aux zones d'enjeu régional, d'activités économiques, de loisirs, de dépendances d'extraction et d'extraction, le réseau des principales infrastructures de communication est celui qui figure dans la structure territoriale du schéma de développement du territoire et qui comporte :
1° les autoroutes et les routes de liaisons régionales à deux fois deux bandes de circulation, en ce compris les contournements lorsqu'ils constituent des tronçons de ces voiries, qui structurent le territoire wallon en assurant le maillage des pôles régionaux;
2° les lignes de chemin de fer, à l'exception de celles qui ont une vocation exclusivement touristique;
3° les voies navigables, en ce compris les plans d'eau qu'elles forment.
A l'exception des raccordements aux entreprises, aux zones d'enjeu régional, d'activités économiques, de loisirs, de dépendances d'extraction et d'extraction, le réseau des principales infrastructures de communication est celui qui figure dans la structure territoriale du schéma de développement du territoire et qui comporte :
1° les autoroutes et les routes de liaisons régionales à deux fois deux bandes de circulation, en ce compris les contournements lorsqu'ils constituent des tronçons de ces voiries, qui structurent le territoire wallon en assurant le maillage des pôles régionaux;
2° les lignes de chemin de fer, à l'exception de celles qui ont une vocation exclusivement touristique;
3° les voies navigables, en ce compris les plans d'eau qu'elles forment.
Art. R. II.21-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Hoofdverkeersinfrastructuren.
Uitgezonderd de aansluitingen op ondernemingen, gebieden van gewestelijk belang, bedrijfsruimtes, recreatiegebieden, gebieden van aanhorigheden van ontginningsgebieden en ontginningsgebieden bestaat het net van de hoofdverkeersinfrastructuren uit het net, opgenomen in de territoriale structuur van het ruimtelijk ontwikkelingsplan en omvat :
1° de autosnelwegen en de gewestelijke verbindingswegen met tweemaal twee rijstroken, daaronder inbegrepen de singelwegen wanneer ze bestaan uit vakken van die wegen, die het [1 Duitse taalgebied]1 zijn structuur verlenen door vermazing van de gewestelijke kernen;
2° de spoorlijnen, uitgezonderd die met een uitsluitend toeristische bestemming;
3° de bevaarbare waterwegen, daaronder inbegrepen de door deze gevormde watervlakken.
Hoofdverkeersinfrastructuren.
Uitgezonderd de aansluitingen op ondernemingen, gebieden van gewestelijk belang, bedrijfsruimtes, recreatiegebieden, gebieden van aanhorigheden van ontginningsgebieden en ontginningsgebieden bestaat het net van de hoofdverkeersinfrastructuren uit het net, opgenomen in de territoriale structuur van het ruimtelijk ontwikkelingsplan en omvat :
1° de autosnelwegen en de gewestelijke verbindingswegen met tweemaal twee rijstroken, daaronder inbegrepen de singelwegen wanneer ze bestaan uit vakken van die wegen, die het [1 Duitse taalgebied]1 zijn structuur verlenen door vermazing van de gewestelijke kernen;
2° de spoorlijnen, uitgezonderd die met een uitsluitend toeristische bestemming;
3° de bevaarbare waterwegen, daaronder inbegrepen de door deze gevormde watervlakken.
Art. R. II.21-1-COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Principales infrastructures de communication
A l'exception des raccordements aux entreprises, aux zones d'enjeu régional, d'activités économiques, de loisirs, de dépendances d'extraction et d'extraction, le réseau des principales infrastructures de communication est celui qui figure dans la structure territoriale du schéma de développement du territoire et qui comporte :
1° les autoroutes et les routes de liaisons régionales à deux fois deux bandes de circulation, en ce compris les contournements lorsqu'ils constituent des tronçons de ces voiries, qui structurent [1 la région de langue allemande]1 en assurant le maillage des pôles régionaux;
2° les lignes de chemin de fer, à l'exception de celles qui ont une vocation exclusivement touristique;
3° les voies navigables, en ce compris les plans d'eau qu'elles forment.
Principales infrastructures de communication
A l'exception des raccordements aux entreprises, aux zones d'enjeu régional, d'activités économiques, de loisirs, de dépendances d'extraction et d'extraction, le réseau des principales infrastructures de communication est celui qui figure dans la structure territoriale du schéma de développement du territoire et qui comporte :
1° les autoroutes et les routes de liaisons régionales à deux fois deux bandes de circulation, en ce compris les contournements lorsqu'ils constituent des tronçons de ces voiries, qui structurent [1 la région de langue allemande]1 en assurant le maillage des pôles régionaux;
2° les lignes de chemin de fer, à l'exception de celles qui ont une vocation exclusivement touristique;
3° les voies navigables, en ce compris les plans d'eau qu'elles forment.
Wijzigingen
Art. R. II.21-2. Hoofdinfrastructuren voor elektriciteitstransport.
Het hoofdinfrastructuurnet voor elektriciteitstransport bestaat uit de boven- en ondergrondse lijnen met een hogere spanning dan honderdvijftig kilovolt die het elektriciteitstransport waarborgen en deel uitmaken van het structurerend net.
Onder elektriciteitstransport wordt verstaan, de elektriciteitstransmissie, onder uitsluiting van de aansluiting op een eindafnemer, verstaan als zijnde iedere natuurlijke of publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon die elektriciteit koopt voor eigen gebruik.
De aansluiting van de elektriciteitsproductie-installaties, voor wat de injectie in het net betreft, maakt geen deel uit van het hoofdinfrastructuurnet.
Het hoofdinfrastructuurnet voor elektriciteitstransport bestaat uit de boven- en ondergrondse lijnen met een hogere spanning dan honderdvijftig kilovolt die het elektriciteitstransport waarborgen en deel uitmaken van het structurerend net.
Onder elektriciteitstransport wordt verstaan, de elektriciteitstransmissie, onder uitsluiting van de aansluiting op een eindafnemer, verstaan als zijnde iedere natuurlijke of publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon die elektriciteit koopt voor eigen gebruik.
De aansluiting van de elektriciteitsproductie-installaties, voor wat de injectie in het net betreft, maakt geen deel uit van het hoofdinfrastructuurnet.
Art. R. II.21-2. Principales infrastructures de transport d'électricité
Le réseau des principales infrastructures de transport d'électricité est constitué des lignes aériennes et souterraines d'une tension supérieure à cent cinquante kilovolts assurant le transport d'électricité et faisant partie du réseau structurant.
Il y a lieu d'entendre par transport d'électricité, la transmission d'électricité, à l'exclusion du raccordement d'un client final, entendu comme toute personne physique ou morale, publique ou privée, qui achète de l'électricité pour son propre usage.
Le raccordement des installations de production d'électricité pour ce qui concerne l'injection dans le réseau ne fait pas partie du réseau des principales infrastructures.
Le réseau des principales infrastructures de transport d'électricité est constitué des lignes aériennes et souterraines d'une tension supérieure à cent cinquante kilovolts assurant le transport d'électricité et faisant partie du réseau structurant.
Il y a lieu d'entendre par transport d'électricité, la transmission d'électricité, à l'exclusion du raccordement d'un client final, entendu comme toute personne physique ou morale, publique ou privée, qui achète de l'électricité pour son propre usage.
Le raccordement des installations de production d'électricité pour ce qui concerne l'injection dans le réseau ne fait pas partie du réseau des principales infrastructures.
Art. R. II.21-3. Hoofdinfrastructuren voor aardgastransport.
Het hoofdinfrastructuurnet voor aardgastransport bestaat uit de leidingen die deel uitmaken van het op gewestelijke schaal structurerend aardgastransportnet.
Er wordt verstaan onder :
1° aardgastransport : aardgastransmissie, onder uitsluiting van de installaties voor de distributie en de aansluiting van de eindafnemer, verstaan als zijnde iedere persoon die gas koopt voor eigen gebruik;
2° op gewestelijke schaal structurerend net : het net voor aardgastransport, bestaande uit :
a) de interconnecties met de buitenlandse netten voor aardgastransport waarmee de in het buitenland gelegen gasproductiebronnen verbonden zijn met de leidingennetten die ofwel de distributienetten ofwel de elektriciteitscentrales ofwel de industriële verbruikers bevoorraden;
b) de leidingen, hoofdzakelijk bestemd voor aardgastransport zonder leveringen op het grondgebied van het Waalse Gewest;
c) de verbindingen tussen die infrastructuren.
Het hoofdinfrastructuurnet voor aardgastransport bestaat uit de leidingen die deel uitmaken van het op gewestelijke schaal structurerend aardgastransportnet.
Er wordt verstaan onder :
1° aardgastransport : aardgastransmissie, onder uitsluiting van de installaties voor de distributie en de aansluiting van de eindafnemer, verstaan als zijnde iedere persoon die gas koopt voor eigen gebruik;
2° op gewestelijke schaal structurerend net : het net voor aardgastransport, bestaande uit :
a) de interconnecties met de buitenlandse netten voor aardgastransport waarmee de in het buitenland gelegen gasproductiebronnen verbonden zijn met de leidingennetten die ofwel de distributienetten ofwel de elektriciteitscentrales ofwel de industriële verbruikers bevoorraden;
b) de leidingen, hoofdzakelijk bestemd voor aardgastransport zonder leveringen op het grondgebied van het Waalse Gewest;
c) de verbindingen tussen die infrastructuren.
Art. R. II.21-3. Principales infrastructures de transport de gaz naturel
Le réseau des principales infrastructures de transport de gaz naturel est formé des canalisations qui font partie du réseau de transport de gaz naturel structurant à l'échelle régionale.
Il y a lieu d'entendre par :
1° transport de gaz naturel : la transmission de gaz naturel, à l'exclusion des installations de distribution et de raccordement du client final, entendu comme toute personne qui achète du gaz pour son propre usage;
2° réseau structurant à l'échelle régionale : le réseau de transport de gaz naturel constitué :
a) des interconnexions avec les réseaux de transport de gaz naturel étrangers qui relient les sources de production de gaz situées à l'étranger aux réseaux de canalisations qui alimentent, soit les réseaux de distribution, soit les centrales électriques, soit les consommateurs industriels;
b) des canalisations destinées principalement au transport de gaz naturel sans fourniture sur le territoire de la Région wallonne;
c) des connexions entre ces infrastructures.
Le réseau des principales infrastructures de transport de gaz naturel est formé des canalisations qui font partie du réseau de transport de gaz naturel structurant à l'échelle régionale.
Il y a lieu d'entendre par :
1° transport de gaz naturel : la transmission de gaz naturel, à l'exclusion des installations de distribution et de raccordement du client final, entendu comme toute personne qui achète du gaz pour son propre usage;
2° réseau structurant à l'échelle régionale : le réseau de transport de gaz naturel constitué :
a) des interconnexions avec les réseaux de transport de gaz naturel étrangers qui relient les sources de production de gaz situées à l'étranger aux réseaux de canalisations qui alimentent, soit les réseaux de distribution, soit les centrales électriques, soit les consommateurs industriels;
b) des canalisations destinées principalement au transport de gaz naturel sans fourniture sur le territoire de la Région wallonne;
c) des connexions entre ces infrastructures.
Art. R. II.21-3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Hoofdinfrastructuren voor aardgastransport.
Het hoofdinfrastructuurnet voor aardgastransport bestaat uit de leidingen die deel uitmaken van het op gewestelijke schaal structurerend aardgastransportnet.
Er wordt verstaan onder :
1° aardgastransport : aardgastransmissie, onder uitsluiting van de installaties voor de distributie en de aansluiting van de eindafnemer, verstaan als zijnde iedere persoon die gas koopt voor eigen gebruik;
2° op gewestelijke schaal structurerend net : het net voor aardgastransport, bestaande uit :
a) de interconnecties met de buitenlandse netten voor aardgastransport waarmee de in het buitenland gelegen gasproductiebronnen verbonden zijn met de leidingennetten die ofwel de distributienetten ofwel de elektriciteitscentrales ofwel de industriële verbruikers bevoorraden;
b) de leidingen, hoofdzakelijk bestemd voor aardgastransport zonder leveringen op het [1 Duitse taalgebied]1;
c) de verbindingen tussen die infrastructuren.
Hoofdinfrastructuren voor aardgastransport.
Het hoofdinfrastructuurnet voor aardgastransport bestaat uit de leidingen die deel uitmaken van het op gewestelijke schaal structurerend aardgastransportnet.
Er wordt verstaan onder :
1° aardgastransport : aardgastransmissie, onder uitsluiting van de installaties voor de distributie en de aansluiting van de eindafnemer, verstaan als zijnde iedere persoon die gas koopt voor eigen gebruik;
2° op gewestelijke schaal structurerend net : het net voor aardgastransport, bestaande uit :
a) de interconnecties met de buitenlandse netten voor aardgastransport waarmee de in het buitenland gelegen gasproductiebronnen verbonden zijn met de leidingennetten die ofwel de distributienetten ofwel de elektriciteitscentrales ofwel de industriële verbruikers bevoorraden;
b) de leidingen, hoofdzakelijk bestemd voor aardgastransport zonder leveringen op het [1 Duitse taalgebied]1;
c) de verbindingen tussen die infrastructuren.
Art. R. II.21-3-COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Principales infrastructures de transport de gaz naturel
Le réseau des principales infrastructures de transport de gaz naturel est formé des canalisations qui font partie du réseau de transport de gaz naturel structurant à l'échelle régionale.
Il y a lieu d'entendre par :
1° transport de gaz naturel : la transmission de gaz naturel, à l'exclusion des installations de distribution et de raccordement du client final, entendu comme toute personne qui achète du gaz pour son propre usage;
2° réseau structurant à l'échelle régionale : le réseau de transport de gaz naturel constitué :
a) des interconnexions avec les réseaux de transport de gaz naturel étrangers qui relient les sources de production de gaz situées à l'étranger aux réseaux de canalisations qui alimentent, soit les réseaux de distribution, soit les centrales électriques, soit les consommateurs industriels;
b) des canalisations destinées principalement au transport de gaz naturel sans fourniture [1 en région de langue allemande]1;
c) des connexions entre ces infrastructures.
Principales infrastructures de transport de gaz naturel
Le réseau des principales infrastructures de transport de gaz naturel est formé des canalisations qui font partie du réseau de transport de gaz naturel structurant à l'échelle régionale.
Il y a lieu d'entendre par :
1° transport de gaz naturel : la transmission de gaz naturel, à l'exclusion des installations de distribution et de raccordement du client final, entendu comme toute personne qui achète du gaz pour son propre usage;
2° réseau structurant à l'échelle régionale : le réseau de transport de gaz naturel constitué :
a) des interconnexions avec les réseaux de transport de gaz naturel étrangers qui relient les sources de production de gaz situées à l'étranger aux réseaux de canalisations qui alimentent, soit les réseaux de distribution, soit les centrales électriques, soit les consommateurs industriels;
b) des canalisations destinées principalement au transport de gaz naturel sans fourniture [1 en région de langue allemande]1;
c) des connexions entre ces infrastructures.
Wijzigingen
Art. R. II.21-4. Hoofdinfrastructuren voor vloeistoftransport.
Het hoofdinfrastructuurnet voor vloeistoftransport bestaat uit de leidingen die deel uitmaken van het transportnet voor gas- of vloeistofelementen, onder uitsluiting van water en opgenomen in de territoriale structuur van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, onder uitsluiting van de aansluiting op een eindafnemer.
Het hoofdinfrastructuurnet voor vloeistoftransport bestaat uit de leidingen die deel uitmaken van het transportnet voor gas- of vloeistofelementen, onder uitsluiting van water en opgenomen in de territoriale structuur van het ruimtelijk ontwikkelingsplan, onder uitsluiting van de aansluiting op een eindafnemer.
Art. R. II.21-4. Principales infrastructures de transport de fluide
Le réseau des principales infrastructures de transport de fluide est formé des canalisations qui font partie du réseau de transport d'éléments gazeux ou liquides à l'exclusion de l'eau et qui figurent dans la structure territoriale du schéma de développement du territoire, à l'exclusion du raccordement d'un consommateur final.
Le réseau des principales infrastructures de transport de fluide est formé des canalisations qui font partie du réseau de transport d'éléments gazeux ou liquides à l'exclusion de l'eau et qui figurent dans la structure territoriale du schéma de développement du territoire, à l'exclusion du raccordement d'un consommateur final.
Onderafdeling 2. - Doelstellingen en effecten van de beschermingsomtrekken
Sous-section 2. - Objectifs et effets des périmètres de protection
Art. R. II.21-5. De omtrek van waardevolle vergezichten streeft naar de vrijwaring van de buitengewone uitzichten op een bebouwd of onbebouwd landschap.
De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen er ofwel verboden worden ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan voorwaarden waarvan het doel erin bestaat te voorkomen dat het waardevolle vergezicht aangetast wordt.
De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen er ofwel verboden worden ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan voorwaarden waarvan het doel erin bestaat te voorkomen dat het waardevolle vergezicht aangetast wordt.
Art. R. II.21-5. Le périmètre de point de vue remarquable vise à maintenir des vues exceptionnelles sur un paysage bâti ou non bâti.
Les actes et travaux soumis à permis peuvent y être soit interdits, soit subordonnés à des conditions visant à éviter de mettre en péril la vue remarquable.
Les actes et travaux soumis à permis peuvent y être soit interdits, soit subordonnés à des conditions visant à éviter de mettre en péril la vue remarquable.
Art. R. II.21-6. De omtrek van ecologische doorgangsgebieden strekt ertoe, de ruimtes die als doorgang dienen tussen de biotopen van dieren- en plantensoorten in stand te houden.
De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen er ofwel verboden worden ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan bijzondere beschermingsvoorwaarden.
De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen er ofwel verboden worden ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan bijzondere beschermingsvoorwaarden.
Art. R. II.21-6. Le périmètre de liaison écologique vise à garantir aux espèces animales et végétales les espaces de transition entre leurs biotopes.
Les actes et travaux soumis à permis peuvent y être soit interdits, soit subordonnés à des conditions particulières de protection.
Les actes et travaux soumis à permis peuvent y être soit interdits, soit subordonnés à des conditions particulières de protection.
Art. R. II.21-7. De landschappelijk waardevolle omtrek streeft naar de bescherming, het beheer of de inrichting van het landschap.
De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen er toegelaten worden voor zover ze bijdragen tot de bescherming, het beheer of de inrichting van het (on)bebouwd landschap.
De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen er toegelaten worden voor zover ze bijdragen tot de bescherming, het beheer of de inrichting van het (on)bebouwd landschap.
Art. R. II.21-7. Le périmètre d'intérêt paysager vise à la protection, à la gestion ou à l'aménagement du paysage.
Les actes et travaux soumis à permis peuvent y être autorisés pour autant qu'ils contribuent à la protection, à la gestion ou à l'aménagement du paysage bâti ou non bâti.
Les actes et travaux soumis à permis peuvent y être autorisés pour autant qu'ils contribuent à la protection, à la gestion ou à l'aménagement du paysage bâti ou non bâti.
Art. R. II.21-8. De omtrek van cultureel, historisch of esthetisch waardevolle gebieden strekt ertoe, in een bebouwde omgeving naar een evenwicht te streven tussen de al dan niet bebouwde ruimten en de monumenten of plaatsen die overheersend zijn in of kenmerkend zijn voor die gebieden.
De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen er ofwel verboden worden ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan bijzondere beschermingsvoorwaarden.
De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen er ofwel verboden worden ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan bijzondere beschermingsvoorwaarden.
Art. R. II.21-8. Le périmètre d'intérêt culturel, historique et esthétique vise à favoriser au sein d'un ensemble urbanisé l'équilibre entre les espaces bâtis ou non bâtis et les monuments qui les dominent ou les sites qui les caractérisent.
Les actes et travaux soumis à permis peuvent y être soit interdits, soit subordonnés à des conditions particulières de protection.
Les actes et travaux soumis à permis peuvent y être soit interdits, soit subordonnés à des conditions particulières de protection.
Art. R. II.21-9. De omtrek voor de uitbreiding van ontginningsgebieden strekt ertoe, afzettingen van rotsgesteenten potentieel te benutten.
De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen er ofwel verboden worden ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan voorwaarden waarvan het doel erin bestaat te voorkomen dat een potentiële afzetting aangetast wordt.
De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen er ofwel verboden worden ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan voorwaarden waarvan het doel erin bestaat te voorkomen dat een potentiële afzetting aangetast wordt.
Art. R. II.21-9. Le périmètre d'extension de zone d'extraction vise à garantir la valorisation potentielle des gisements de roches.
Les actes et travaux soumis à permis peuvent être soit interdits, soit subordonnés à des conditions particulières de nature à ne pas mettre en péril une exploitation potentielle du gisement.
Les actes et travaux soumis à permis peuvent être soit interdits, soit subordonnés à des conditions particulières de nature à ne pas mettre en péril une exploitation potentielle du gisement.
Art. R. II.21-9/1. [1 De beschermingsomtrek voor gebieden buiten centrumsteden is bedoeld om land te beschermen tegen bodemverharding, stadsuitbreiding en waterdicht maken.
De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen ofwel verboden worden ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan bijzondere beschermingsvoorwaarden.]1
De vergunningsplichtige handelingen en werken kunnen ofwel verboden worden ofwel ondergeschikt worden gemaakt aan bijzondere beschermingsvoorwaarden.]1
Art. R. II.21-9/1. [1 Le périmètre de protection d'espaces hors centralité vise à préserver les terres de l'artificialisation, à lutter contre l'étalement urbain et à limiter l'imperméabilisation.
Les actes et travaux soumis à permis peuvent être soit interdits, soit subordonnés à des conditions particulières de protection. ]1
Les actes et travaux soumis à permis peuvent être soit interdits, soit subordonnés à des conditions particulières de protection. ]1
Onderafdeling 3. - Grafische weergave van het gewestplan
Sous-section 3. - Présentation graphique du plan de secteur
Art. R. II.21-10. Bijlage 3 vormt de verklaring voor de grafische weergave van de ontwerpen van plannen en gewestplannen. Bijlage 3 heeft geen enkele reglementaire draagwijdte voor zover ze er enkel toe strekt, in de grafische weergave van de gebieden, tracés of omtrekken bedoeld in de artikelen D.II.18 tot D.II.68 te voorzien.
Art. R. II.21-10. L'annexe 3 constitue la légende relative à la présentation graphique des projets de plans et des plans de secteur. L'annexe 3 n'a aucune portée réglementaire en ce qu'elle a pour seul objet la présentation graphique des zones, tracés ou périmètres visés aux articles D.II.18 à D.II.68.
Art. R. II.21-11_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - De gecoördineerde gewestplannen van de Duitstalige Gemeenschap omvatten de delen van de gewestplannen VERVIERS-EUPEN, goedgekeurd bij het koninklijk besluit van 28 augustus 1979, HOGE VENEN, goedgekeurd bij het koninklijk besluit van 28 augustus 1979, en MALMEDY-SANKT-VITH, goedgekeurd bij het koninklijk besluit van 19 november 1979, die betrekking hebben op het Duitse taalgebied.]1
Art. R _II.21-11.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Les plans de secteur coordonnés de la Communauté germanophone comprennent les zones des plans de secteur de VERVIERS - EUPEN, approuvé par arrêté royal du 28 août 1979, des HAUTES-FAGNES, approuvé par arrêté royal du 28 août 1979, et de MALMEDY - SAINT-VITH, approuvé par arrêté royal du 19 novembre 1979, qui concernent la région de langue allemande.]1
Wijzigingen
Afdeling 2. - Bestemming en algemene voorschriften van de gebieden
Section 2. - Destination et prescriptions générales des zones
Art. R. II.23-1. In de zin van deze afdeling wordt verstaan onder eigendom, een in rechte en feite homogeen onroerend geheel.
Art. R. II.23-1. Au sens de la présente section, on entend par propriété un ensemble immobilier homogène en droit et en fait.
Art. R _II.23-1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
In de zin van deze afdeling wordt verstaan onder [1 goed]1, een in rechte en feite homogeen onroerend geheel.
In de zin van deze afdeling wordt verstaan onder [1 goed]1, een in rechte en feite homogeen onroerend geheel.
Art. R _II.23-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Au sens de la présente section, on entend par [1 bien]1 un ensemble immobilier homogène en droit et en fait.
Au sens de la présente section, on entend par [1 bien]1 un ensemble immobilier homogène en droit et en fait.
Wijzigingen
Onderafdeling 1. - Gebieden van aanhorigheden van ontginningen
Sous-section 1re. - De la zone de dépendances d'extraction
Art. R. II.33-1.Voorwaarden voor het samenbrengen van inerte afvalstoffen en de benutting van aarde en stenen.
§ 1. Voor het samenbrengen van inerte afvalstoffen kunnen volgende afvalstoffen, opgenomen in het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus, toegelaten worden :
1° aarde en afvalstoffen van bouw- en afbraakwerken bedoeld onder de codes 17.01, 17.05 en 17.07;
2° afvalstoffen uit de ontginning van de mineralen bedoeld onder code 01.01;
3° afvalstoffen afkomstig van de fysische verwerking van niet-metaalhoudende mineralen bedoeld onder code 01.04.
Onder het samenbrengen van inerte afvalstoffen wordt verstaan, de installatie voor het samenbrengen of sorteren van inerte afvalstoffen, zoals bedoeld onder rubriek 90.21.01 [1 of onder rubriek 90.21.01]1 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten.
[1 Voor de verwerking kunnen worden toegelaten :
Conforme grond tegen de gebruiksvoorwaarden bepaald bij het besluit van de Waalse Regering van 5 juli 2018 betreffende beheer en traceerbaarheid van grond en tot wijziging van verscheidene bepalingen terzake;
Natuursteenachtige materialen in overeenstemming met bijlage 1 bij het besluit van 14 juni 2001 waarbij de benutting van sommige afvalstoffen bevorderd wordt (code 010102)";
Zavel geproduceerd bij de bewerking van natuursteen, in overeenstemming met de verwerkingsvoorwaarden bedoeld in bijlage 1 bij het besluit van 14 juni 2001 waarbij de benutting van sommige afvalstoffen bevorderd wordt (code 010409I);
De beperkte mechanische activiteiten zoals het sorteren, het zeven en/of het fijn zeven zijn toelaatbaar voor zover ze nodig zijn en een randvoorwaarde vormen voor de ter plaatse vergunde verwerking [2 zonder dat het bodembestemmingstype het bodembestemmingstype III overschrijdt]2.";
3° "Onder "geëxploiteerde groeven" dient te worden verstaan: groeven waarvan de vergunning voor de activiteit is verstreken of is vervallen na de stopzetting van de activiteit gedurende twee opeenvolgende jaren.]2]1
§ 2. Het samenbrengen, noch het benutten van afvalstoffen zijn toegelaten :
1° in de locaties, erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 over het natuurbehoud;
2° in een vastgelegd preventiegebied, in een preventiegebied of in een toezichtsgebied betreffende de winningen van tot drinkwater verwerkbaar water, ingevoerd krachtens Boek II van het Milieuwetboek;
3° [2 in de reeds uitgebate steengroeven, behoudens:
a) in het geval waarin een vergunning voor het samenbrengen of voorbehandelen van inerte afvalstoffen of tot toelating van bodemreliëfwijziging met gebruikmaking van exogene stoffen is verstrekt voor inwerkingtreding van dit Wetboek";
b) als wordt aangetoond dat de huidige feitelijke situatie niet voldoet aan de beveiliging van de locatie of geen bevredigende herontwikkeling vormt met betrekking tot de goede ontwikkeling van de locatie of het milieu en de afzetting niet in gevaar brengt]2.
[2 Onder "geëxploiteerde groeven" dient te worden verstaan: groeven waarvan de vergunning voor de activiteit is verstreken of is vervallen na de stopzetting van de activiteit gedurende twee opeenvolgende jaren]2.
§ 1. Voor het samenbrengen van inerte afvalstoffen kunnen volgende afvalstoffen, opgenomen in het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus, toegelaten worden :
1° aarde en afvalstoffen van bouw- en afbraakwerken bedoeld onder de codes 17.01, 17.05 en 17.07;
2° afvalstoffen uit de ontginning van de mineralen bedoeld onder code 01.01;
3° afvalstoffen afkomstig van de fysische verwerking van niet-metaalhoudende mineralen bedoeld onder code 01.04.
Onder het samenbrengen van inerte afvalstoffen wordt verstaan, de installatie voor het samenbrengen of sorteren van inerte afvalstoffen, zoals bedoeld onder rubriek 90.21.01 [1 of onder rubriek 90.21.01]1 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten.
[1 Voor de verwerking kunnen worden toegelaten :
Conforme grond tegen de gebruiksvoorwaarden bepaald bij het besluit van de Waalse Regering van 5 juli 2018 betreffende beheer en traceerbaarheid van grond en tot wijziging van verscheidene bepalingen terzake;
Natuursteenachtige materialen in overeenstemming met bijlage 1 bij het besluit van 14 juni 2001 waarbij de benutting van sommige afvalstoffen bevorderd wordt (code 010102)";
Zavel geproduceerd bij de bewerking van natuursteen, in overeenstemming met de verwerkingsvoorwaarden bedoeld in bijlage 1 bij het besluit van 14 juni 2001 waarbij de benutting van sommige afvalstoffen bevorderd wordt (code 010409I);
De beperkte mechanische activiteiten zoals het sorteren, het zeven en/of het fijn zeven zijn toelaatbaar voor zover ze nodig zijn en een randvoorwaarde vormen voor de ter plaatse vergunde verwerking [2 zonder dat het bodembestemmingstype het bodembestemmingstype III overschrijdt]2.";
3° "Onder "geëxploiteerde groeven" dient te worden verstaan: groeven waarvan de vergunning voor de activiteit is verstreken of is vervallen na de stopzetting van de activiteit gedurende twee opeenvolgende jaren.]2]1
§ 2. Het samenbrengen, noch het benutten van afvalstoffen zijn toegelaten :
1° in de locaties, erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 over het natuurbehoud;
2° in een vastgelegd preventiegebied, in een preventiegebied of in een toezichtsgebied betreffende de winningen van tot drinkwater verwerkbaar water, ingevoerd krachtens Boek II van het Milieuwetboek;
3° [2 in de reeds uitgebate steengroeven, behoudens:
a) in het geval waarin een vergunning voor het samenbrengen of voorbehandelen van inerte afvalstoffen of tot toelating van bodemreliëfwijziging met gebruikmaking van exogene stoffen is verstrekt voor inwerkingtreding van dit Wetboek";
b) als wordt aangetoond dat de huidige feitelijke situatie niet voldoet aan de beveiliging van de locatie of geen bevredigende herontwikkeling vormt met betrekking tot de goede ontwikkeling van de locatie of het milieu en de afzetting niet in gevaar brengt]2.
[2 Onder "geëxploiteerde groeven" dient te worden verstaan: groeven waarvan de vergunning voor de activiteit is verstreken of is vervallen na de stopzetting van de activiteit gedurende twee opeenvolgende jaren]2.
Art. R. II.33-1.Conditions relatives au regroupement de déchets inertes et à la valorisation de terres et cailloux.
§ 1er. Pour le regroupement, les déchets inertes suivants repris dans l'arrêté du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 établissant un catalogue des déchets peuvent être autorisés :
1° les terres et déchets de construction et de démolition visés sous les codes 17.01, 17.05 et 17.07;
2° les déchets provenant de l'extraction des minéraux visés sous le code 01.01;
3° les déchets provenant de la transformation physique de minéraux non métallifères, visés sous le code 01.04.
Par regroupement de déchets inertes, on entend l'installation de regroupement ou de tri de déchets inertes visée à la rubrique 90.21.01 [1 ou à la rubrique 90.22.01]1 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées.
[1 Pour la valorisation, peuvent être autorisés :
- les terres conformes aux conditions d'utilisation prévues par l'arrêté du 5 juillet 2018 relatif à la gestion et à la traçabilité des terres et modifiant diverses dispositions en la matière [2 sans que le type d'usage des terres ne soit supérieur au type d'usage III]2;
- les matériaux pierreux naturels conformes à l'annexe 1 de l'arrêté du 14 juin 2001 favorisant la valorisation de certains déchets (code 010102);
- les sables produits lors du travail de pierres naturelles, conformes aux conditions de valorisation prévus à l'annexe 1 de l'arrêté du 14 juin 2001 favorisant la valorisation de certains déchets (code 010409I);
- les activités mécaniques limitées, telles que le tri, le tamisage et/ou le criblage, sont admissibles pour autant qu'elles soient nécessaires et accessoires à la valorisation autorisée sur place. ";
3° sauf dans le cas où un permis autorisant le regroupement ou le prétraitement de déchets inertes ou autorisant la modification du relief du sol au moyen de matériaux exogènes a été délivré avant l'entrée en vigueur du présent Code.]1
§ 2. Ni le regroupement ni la valorisation ne sont autorisés :
1° dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° dans [2 une]2 zone de prévention arrêtée, dans une zone de prévention ou dans une zone de surveillance relative aux captages d'eaux potabilisables instaurée en vertu du Livre II Code de l'Environnement;
3° [2 dans les carrières ayant été exploitées, sauf :
a) dans le cas où un permis autorisant le regroupement ou le prétraitement de déchets inertes ou autorisant la modification du relief du sol au moyen de matériaux exogènes a été délivré avant l'entrée en vigueur du présent Code ;
b) s'il est démontré que la situation de fait actuelle ne satisfait pas à la sécurisation du site ou ne constitue pas un réaménagement satisfaisant au regard du bon aménagement des lieux ou de l'environnement et ne compromet pas le gisement]2.
[2 Par " carrières ayant été exploitées, il faut entendre les carrières dont le permis autorisant l'activité est arrivé à échéance ou est caduc à la suite d'un chômage de l'activité durant deux années consécutives.]2
§ 1er. Pour le regroupement, les déchets inertes suivants repris dans l'arrêté du Gouvernement wallon du 10 juillet 1997 établissant un catalogue des déchets peuvent être autorisés :
1° les terres et déchets de construction et de démolition visés sous les codes 17.01, 17.05 et 17.07;
2° les déchets provenant de l'extraction des minéraux visés sous le code 01.01;
3° les déchets provenant de la transformation physique de minéraux non métallifères, visés sous le code 01.04.
Par regroupement de déchets inertes, on entend l'installation de regroupement ou de tri de déchets inertes visée à la rubrique 90.21.01 [1 ou à la rubrique 90.22.01]1 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées.
[1 Pour la valorisation, peuvent être autorisés :
- les terres conformes aux conditions d'utilisation prévues par l'arrêté du 5 juillet 2018 relatif à la gestion et à la traçabilité des terres et modifiant diverses dispositions en la matière [2 sans que le type d'usage des terres ne soit supérieur au type d'usage III]2;
- les matériaux pierreux naturels conformes à l'annexe 1 de l'arrêté du 14 juin 2001 favorisant la valorisation de certains déchets (code 010102);
- les sables produits lors du travail de pierres naturelles, conformes aux conditions de valorisation prévus à l'annexe 1 de l'arrêté du 14 juin 2001 favorisant la valorisation de certains déchets (code 010409I);
- les activités mécaniques limitées, telles que le tri, le tamisage et/ou le criblage, sont admissibles pour autant qu'elles soient nécessaires et accessoires à la valorisation autorisée sur place. ";
3° sauf dans le cas où un permis autorisant le regroupement ou le prétraitement de déchets inertes ou autorisant la modification du relief du sol au moyen de matériaux exogènes a été délivré avant l'entrée en vigueur du présent Code.]1
§ 2. Ni le regroupement ni la valorisation ne sont autorisés :
1° dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° dans [2 une]2 zone de prévention arrêtée, dans une zone de prévention ou dans une zone de surveillance relative aux captages d'eaux potabilisables instaurée en vertu du Livre II Code de l'Environnement;
3° [2 dans les carrières ayant été exploitées, sauf :
a) dans le cas où un permis autorisant le regroupement ou le prétraitement de déchets inertes ou autorisant la modification du relief du sol au moyen de matériaux exogènes a été délivré avant l'entrée en vigueur du présent Code ;
b) s'il est démontré que la situation de fait actuelle ne satisfait pas à la sécurisation du site ou ne constitue pas un réaménagement satisfaisant au regard du bon aménagement des lieux ou de l'environnement et ne compromet pas le gisement]2.
[2 Par " carrières ayant été exploitées, il faut entendre les carrières dont le permis autorisant l'activité est arrivé à échéance ou est caduc à la suite d'un chômage de l'activité durant deux années consécutives.]2
Art. R. II.33-2.Procedure.
De stedenbouwkundige of de globale vergunning voor het samenbrengen van inerte afvalstoffen of de benutting van aarde en stenen kan slechts verstrekt worden na advies van [1 de milieuadministratie]1 - Departement Bodems en Afvalstoffen.
De stedenbouwkundige of de globale vergunning voor het samenbrengen van inerte afvalstoffen of de benutting van aarde en stenen kan slechts verstrekt worden na advies van [1 de milieuadministratie]1 - Departement Bodems en Afvalstoffen.
Art. R. II.33-2.Procédure
Le permis d'urbanisme ou le permis unique relatif au regroupement de déchets inertes ou à la valorisation de terres et cailloux ne peut être délivré qu'après avis de [1 l'administration de l'Environnement]1 - Département du Sol et des Déchets.
Le permis d'urbanisme ou le permis unique relatif au regroupement de déchets inertes ou à la valorisation de terres et cailloux ne peut être délivré qu'après avis de [1 l'administration de l'Environnement]1 - Département du Sol et des Déchets.
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - Landbouwgebieden
Sous-section 2. - De la zone agricole
Art. R. II.36-1. Aanvullende diversificatieactiviteiten.
De aanvullende diversificatieactiviteiten zijn :
1° de verwerking, de benutting en de verhandeling van producten van één of meerdere, gebundelde landbouwbedrijven, voor zover de gebouwen en de installaties in de nabijheid gelegen zijn van de landbouwproductie-eenheid van één van de landbouwers;
2° het verschaffen van een toeristisch onderkomen op de hoeve, met inbegrip van een hoevekampeerterrein, voor zover de installaties voor het verschaffen van een toeristisch onderkomen in de nabijheid gelegen zijn van de gebouwen en, in voorkomend geval, van het woongedeelte van het landbouwbedrijf;
3° de leerboerderijen in de zin van het Waalse Landbouwwetboek en de boerderijen voor sociale inschakeling;
4° het toerisme op de hoeve, met inbegrip van de recreatie-activiteiten van het bedrijfshoofd zoals boerderijgolf, paardenmanèges of het inrichten van weiden voor tijdelijke verhuur ervan aan jeugdbewegingen;
5° onverminderd de onontbeerlijke biomethaniseringseenheid voor een landbouwbedrijf, in de zin van artikel D.II.36, § 1, lid 2, de biomethaniseringseenheid die gevoed wordt door gewasresten en dierlijke mest, geproduceerd door meerdere landbouwbedrijven.
De aanvullende diversificatieactiviteiten zijn :
1° de verwerking, de benutting en de verhandeling van producten van één of meerdere, gebundelde landbouwbedrijven, voor zover de gebouwen en de installaties in de nabijheid gelegen zijn van de landbouwproductie-eenheid van één van de landbouwers;
2° het verschaffen van een toeristisch onderkomen op de hoeve, met inbegrip van een hoevekampeerterrein, voor zover de installaties voor het verschaffen van een toeristisch onderkomen in de nabijheid gelegen zijn van de gebouwen en, in voorkomend geval, van het woongedeelte van het landbouwbedrijf;
3° de leerboerderijen in de zin van het Waalse Landbouwwetboek en de boerderijen voor sociale inschakeling;
4° het toerisme op de hoeve, met inbegrip van de recreatie-activiteiten van het bedrijfshoofd zoals boerderijgolf, paardenmanèges of het inrichten van weiden voor tijdelijke verhuur ervan aan jeugdbewegingen;
5° onverminderd de onontbeerlijke biomethaniseringseenheid voor een landbouwbedrijf, in de zin van artikel D.II.36, § 1, lid 2, de biomethaniseringseenheid die gevoed wordt door gewasresten en dierlijke mest, geproduceerd door meerdere landbouwbedrijven.
Art. R. II.36-1. Activités de diversification complémentaires.
Les activités de diversification complémentaires sont :
1° la transformation, la valorisation et la commercialisation des produits d'une ou plusieurs exploitations agricoles regroupées pour autant que les bâtiments et installations soient situés à proximité des bâtiments de l'unité de production agricole de l'un des agriculteurs;
2° l'hébergement touristique à la ferme, en ce compris le camping à la ferme, pour autant que les installations d'hébergement touristique soient situées à proximité des bâtiments et, le cas échéant, du logement de l'exploitation agricole;
3° les fermes pédagogiques au sens du Code wallon de l'Agriculture et les fermes d'insertion sociale;
4° le tourisme à la ferme en ce compris les activités récréatives de l'exploitant telles que le golf fermier, les manèges ou l'aménagement de prairies pour leur location temporaire aux mouvements de jeunesse;
5° sans préjudice de l'unité de biométhanisation indispensable à une exploitation agricole au sens de l'article D.II.36, § 1er, alinéa 2, l'unité de biométhanisation qui est alimentée par les résidus de culture et les effluents d'élevage produits par plusieurs exploitations agricoles.
Les activités de diversification complémentaires sont :
1° la transformation, la valorisation et la commercialisation des produits d'une ou plusieurs exploitations agricoles regroupées pour autant que les bâtiments et installations soient situés à proximité des bâtiments de l'unité de production agricole de l'un des agriculteurs;
2° l'hébergement touristique à la ferme, en ce compris le camping à la ferme, pour autant que les installations d'hébergement touristique soient situées à proximité des bâtiments et, le cas échéant, du logement de l'exploitation agricole;
3° les fermes pédagogiques au sens du Code wallon de l'Agriculture et les fermes d'insertion sociale;
4° le tourisme à la ferme en ce compris les activités récréatives de l'exploitant telles que le golf fermier, les manèges ou l'aménagement de prairies pour leur location temporaire aux mouvements de jeunesse;
5° sans préjudice de l'unité de biométhanisation indispensable à une exploitation agricole au sens de l'article D.II.36, § 1er, alinéa 2, l'unité de biométhanisation qui est alimentée par les résidus de culture et les effluents d'élevage produits par plusieurs exploitations agricoles.
Art. R. II.36-2. Windturbines.
De mast van de windturbines, bedoeld in artikel D.II.36, § 2, lid 2, staat op maximum duizend vijfhonderd meter van de as van de hoofdverkeersinfrastructuren in de zin van artikel R.II.21-1 of van de grens van een bedrijfsruimte.
De mast van de windturbines, bedoeld in artikel D.II.36, § 2, lid 2, staat op maximum duizend vijfhonderd meter van de as van de hoofdverkeersinfrastructuren in de zin van artikel R.II.21-1 of van de grens van een bedrijfsruimte.
Art. R. II.36-2. Eoliennes
Le mât des éoliennes visées à l'article D.II.36, § 2, alinéa 2 est situé à une distance maximale de mille cinq cent mètre de l'axe des principales infrastructures de communication au sens de l'article R.II.21-1, ou de la limite d'une zone d'activité économique.
Le mât des éoliennes visées à l'article D.II.36, § 2, alinéa 2 est situé à une distance maximale de mille cinq cent mètre de l'axe des principales infrastructures de communication au sens de l'article R.II.21-1, ou de la limite d'une zone d'activité économique.
Art. R. II.36-3.Bebossing.
Bebossing wordt tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° de bebossing beoogt, een goed of een deel van een goed dat voorheen nog niet van bomen was voorzien voor een langere periode dan twaalf jaar van bomen te voorzien door aanplanting of spontane plantengroei;
2° het project is op een goed gelegen, dat grenst aan een bestaand bos, bosje of woud of aan een bosgebied opgenomen op het gewestplan, behalve als de te bebossen oppervlakte hoger is dan drie hectare uit één stuk;
3° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, zoals bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of in een landschappelijk waardevolle omtrek, zoals bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 3° ;
4° het project houdt geen enkele reliëfwijziging of drainage in;
5° de aanplantingen voldoen aan de criteria van het ecologisch boomsoortenbestand, uitgegeven overeenkomstig artikel 40 van het Boswetboek en zijn aangepast aan de pedologische omstandigheden van het betrokken perceel;
6° de aanplantingen bevatten minstens tien percent loofboomsoorten, waaronder aan de buitenkant een gelaagde bosrand bestaande uit inlandse soorten.
[1 7° de bebossing is verenigbaar met het Waalse landbouwmodel zoals bepaald in artikel D.1 van het Waalse Landbouwwetboek.]1
Bebossing wordt tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° de bebossing beoogt, een goed of een deel van een goed dat voorheen nog niet van bomen was voorzien voor een langere periode dan twaalf jaar van bomen te voorzien door aanplanting of spontane plantengroei;
2° het project is op een goed gelegen, dat grenst aan een bestaand bos, bosje of woud of aan een bosgebied opgenomen op het gewestplan, behalve als de te bebossen oppervlakte hoger is dan drie hectare uit één stuk;
3° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, zoals bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of in een landschappelijk waardevolle omtrek, zoals bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 3° ;
4° het project houdt geen enkele reliëfwijziging of drainage in;
5° de aanplantingen voldoen aan de criteria van het ecologisch boomsoortenbestand, uitgegeven overeenkomstig artikel 40 van het Boswetboek en zijn aangepast aan de pedologische omstandigheden van het betrokken perceel;
6° de aanplantingen bevatten minstens tien percent loofboomsoorten, waaronder aan de buitenkant een gelaagde bosrand bestaande uit inlandse soorten.
[1 7° de bebossing is verenigbaar met het Waalse landbouwmodel zoals bepaald in artikel D.1 van het Waalse Landbouwwetboek.]1
Art. R. II.36-3.Boisement
Le boisement est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° il consiste à couvrir d'arbres pour une période supérieure à douze ans, par plantation ou en laissant se développer la végétation, un bien ou une partie d'un bien non couvert d'arbres auparavant;
2° le projet est situé sur un terrain contigu à un bois, un boqueteau ou une forêt existants, ou à une zone forestière inscrite au plan de secteur, sauf si la superficie à boiser est supérieure à trois hectares d'un seul tenant;
3° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou d'intérêt paysager visé à l'article D.II.21, § 2, 3° ;
4° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
5° les plantations répondent aux critères du fichier écologique des essences édité en application de l'article 40 du Code forestier et sont adaptées aux conditions pédologiques de la parcelle concernée;
6° les plantations comportent au moins dix pour cent d'essences feuillues dont une lisière externe étagée composée d'essences indigènes.
[1 7° le boisement est compatible avec le modèle agricole wallon tel que défini à l'article D.1 du Code wallon de l'Agriculture.]1
Le boisement est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° il consiste à couvrir d'arbres pour une période supérieure à douze ans, par plantation ou en laissant se développer la végétation, un bien ou une partie d'un bien non couvert d'arbres auparavant;
2° le projet est situé sur un terrain contigu à un bois, un boqueteau ou une forêt existants, ou à une zone forestière inscrite au plan de secteur, sauf si la superficie à boiser est supérieure à trois hectares d'un seul tenant;
3° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou d'intérêt paysager visé à l'article D.II.21, § 2, 3° ;
4° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
5° les plantations répondent aux critères du fichier écologique des essences édité en application de l'article 40 du Code forestier et sont adaptées aux conditions pédologiques de la parcelle concernée;
6° les plantations comportent au moins dix pour cent d'essences feuillues dont une lisière externe étagée composée d'essences indigènes.
[1 7° le boisement est compatible avec le modèle agricole wallon tel que défini à l'article D.1 du Code wallon de l'Agriculture.]1
Wijzigingen
Art. R. II-36-4. Intensieve teelt van bosboomsoorten.
Intensieve teelt van bosboomsoorten wordt tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° ze beoogt de productie van biomassa of energiehout en bestaat erin, een goed of een deel van een goed dat voorheen nog niet van bomen was voorzien voor een langere periode dan twaalf jaar van bomen te voorzien door aanplanting of spontane plantengroei;
2° het project is op een goed gelegen, dat grenst aan een bestaand bos, bosje of woud of aan een bosgebied opgenomen op het gewestplan, behalve als de te bebossen oppervlakte hoger is dan drie hectare uit één stuk;
3° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, zoals bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of in een landschappelijk waardevolle omtrek, zoals bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 3° ;
4° het project houdt geen enkele reliëfwijziging of drainage in;
5° wanneer de intensieve teelt van bosboomsoorten beëindigd wordt, krijgt de locatie haar landbouwbestemming terug.
Intensieve teelt van bosboomsoorten wordt tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° ze beoogt de productie van biomassa of energiehout en bestaat erin, een goed of een deel van een goed dat voorheen nog niet van bomen was voorzien voor een langere periode dan twaalf jaar van bomen te voorzien door aanplanting of spontane plantengroei;
2° het project is op een goed gelegen, dat grenst aan een bestaand bos, bosje of woud of aan een bosgebied opgenomen op het gewestplan, behalve als de te bebossen oppervlakte hoger is dan drie hectare uit één stuk;
3° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, zoals bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of in een landschappelijk waardevolle omtrek, zoals bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 3° ;
4° het project houdt geen enkele reliëfwijziging of drainage in;
5° wanneer de intensieve teelt van bosboomsoorten beëindigd wordt, krijgt de locatie haar landbouwbestemming terug.
Art. R. II-36-4. Culture intensive d'essences forestières
La culture intensive d'essences forestières est autorisée aux conditions cumulatives suivantes :
1° elle vise la production de biomasse ou de bois d'énergie, et consiste à couvrir d'arbres pour une période inférieure à 12 ans, par plantation ou en laissant se développer la végétation, un bien ou une partie d'un bien non couvert d'arbres auparavant;
2° le projet est situé sur un terrain contigu à un bois, un boqueteau ou une forêt existants, ou à une zone forestière inscrite au plan de secteur, sauf si la superficie à boiser est supérieure à trois hectares d'un seul tenant;
3° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou d'intérêt paysager visé à l'article D.II.21, § 2, 3° ;
4° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
5° lorsqu'il est mis fin à la culture intensives d'essences forestière, le site retrouve son affectation agricole.
La culture intensive d'essences forestières est autorisée aux conditions cumulatives suivantes :
1° elle vise la production de biomasse ou de bois d'énergie, et consiste à couvrir d'arbres pour une période inférieure à 12 ans, par plantation ou en laissant se développer la végétation, un bien ou une partie d'un bien non couvert d'arbres auparavant;
2° le projet est situé sur un terrain contigu à un bois, un boqueteau ou une forêt existants, ou à une zone forestière inscrite au plan de secteur, sauf si la superficie à boiser est supérieure à trois hectares d'un seul tenant;
3° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou d'intérêt paysager visé à l'article D.II.21, § 2, 3° ;
4° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
5° lorsqu'il est mis fin à la culture intensives d'essences forestière, le site retrouve son affectation agricole.
Art.R.II.36-5.Poel.
Poelen worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° de waterdiepte is maximum 2 meter;
2° de oppervlakte is maximum 10 are;
3° een deel van de omtrek vertoont een zeer zachte helling;
4° de omtreklijnen zijn onregelmatig;
5° ze wordt omringd door een onbewerkt of niet extensief bewerkt buffergebied.
[1 6° genoemde poel is verenigbaar met het Waalse landbouwmodel zoals bepaald in artikel D.1 van het Waalse Landbouwwetboek.]1
Poelen worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° de waterdiepte is maximum 2 meter;
2° de oppervlakte is maximum 10 are;
3° een deel van de omtrek vertoont een zeer zachte helling;
4° de omtreklijnen zijn onregelmatig;
5° ze wordt omringd door een onbewerkt of niet extensief bewerkt buffergebied.
[1 6° genoemde poel is verenigbaar met het Waalse landbouwmodel zoals bepaald in artikel D.1 van het Waalse Landbouwwetboek.]1
Art.R.II.36-5.Mare
La mare est autorisée aux conditions cumulatives suivantes :
1° sa profondeur d'eau est de 2 mètres maximum;
2° sa superficie est de 10 ares maximum;
3° une partie de son périmètre présente une pente très douce;
4° son contour est irrégulier;
5° elle est entourée d'une zone tampon non exploitée ou exploitée de manière extensive;
[1 6° elle est compatible avec le modèle agricole wallon tel que défini à l'article D.1 du Code wallon de l'Agriculture.]1
La mare est autorisée aux conditions cumulatives suivantes :
1° sa profondeur d'eau est de 2 mètres maximum;
2° sa superficie est de 10 ares maximum;
3° une partie de son périmètre présente une pente très douce;
4° son contour est irrégulier;
5° elle est entourée d'une zone tampon non exploitée ou exploitée de manière extensive;
[1 6° elle est compatible avec le modèle agricole wallon tel que défini à l'article D.1 du Code wallon de l'Agriculture.]1
Wijzigingen
Art.R_II.36-5 .DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP...[1 - Vijvers
Een of meer vijvers worden tegen de volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten:
1° de vijver of vijvers hebben een waterdiepte van maximaal twee meter;
2° de vijver of vijvers hebben een totale oppervlakte van maximaal 10 are;
3° minstens een derde van de grond rond de vijver of vijvers is zeer zacht hellend;
4° de omtreklijnen van de vijver of vijvers zijn onregelmatig;
5° de vijver of vijvers worden omringd door een onbewerkt of niet extensief bewerkt buffergebied;
6° het wateroppervlak ligt door boombeplanting gedeeltelijk in de schaduw.]1
Een of meer vijvers worden tegen de volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten:
1° de vijver of vijvers hebben een waterdiepte van maximaal twee meter;
2° de vijver of vijvers hebben een totale oppervlakte van maximaal 10 are;
3° minstens een derde van de grond rond de vijver of vijvers is zeer zacht hellend;
4° de omtreklijnen van de vijver of vijvers zijn onregelmatig;
5° de vijver of vijvers worden omringd door een onbewerkt of niet extensief bewerkt buffergebied;
6° het wateroppervlak ligt door boombeplanting gedeeltelijk in de schaduw.]1
Art.R_II.36-5 .COMMUNAUTE_GERMANOPHONE...[1 - Etangs
Un ou plusieurs étangs sont autorisés aux conditions cumulatives suivantes :
1° la profondeur d'eau de l'étang ou des étangs est de 2 mètres maximum;
2° la superficie totale de l'étang ou des étangs est de 10 ares maximum;
3° au moins un tiers du périmètre de l'étang ou des étangs présente une pente très douce;
4° le contour de l'étang ou des étangs est irrégulier;
5° l'étang ou les étangs sont entourés d'une zone tampon non exploitée ou exploitée de manière extensive;
6° le plan d'eau est en partie ombragé par la plantation d'arbres. ]1
Un ou plusieurs étangs sont autorisés aux conditions cumulatives suivantes :
1° la profondeur d'eau de l'étang ou des étangs est de 2 mètres maximum;
2° la superficie totale de l'étang ou des étangs est de 10 ares maximum;
3° au moins un tiers du périmètre de l'étang ou des étangs présente une pente très douce;
4° le contour de l'étang ou des étangs est irrégulier;
5° l'étang ou les étangs sont entourés d'une zone tampon non exploitée ou exploitée de manière extensive;
6° le plan d'eau est en partie ombragé par la plantation d'arbres. ]1
Wijzigingen
Art. R. II-36-6.Visteelt.
Visteeltbedrijven worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° ze bestaan uit vijvers, bekkens, technische lokalen en aansluitende uitrustingen, nodig voor de teelt en de productie van vissen en andere aquatische producten;
2° de bedrijfsgebouwen bestaan uit verdiepingloze eenvoudige bouwvolumes met een zadeldak waarvan beide hellende delen dezelfde hellingsgraad vertonen of uit een groendak met uitsluitend inlandse soorten;
3° de opgaande muren bestaan uit natuurlijke materialen of worden bedekt met een houten gevelbekleding;
4° het bedrijf wordt in het kader van een beroepsactiviteit gerund.
De woning van de uitbater die visteelt als beroepsactiviteit beoefent wordt, voor zover ze volledig deel uitmaakt van het bedrijf, toegelaten als de onderneming minstens één beroepskrachteenheid verantwoordt.
[1 5° het is verenigbaar met het Waalse landbouwmodel zoals bepaald in artikel D.1 van het Waalse Landbouwwetboek.]1
Visteeltbedrijven worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° ze bestaan uit vijvers, bekkens, technische lokalen en aansluitende uitrustingen, nodig voor de teelt en de productie van vissen en andere aquatische producten;
2° de bedrijfsgebouwen bestaan uit verdiepingloze eenvoudige bouwvolumes met een zadeldak waarvan beide hellende delen dezelfde hellingsgraad vertonen of uit een groendak met uitsluitend inlandse soorten;
3° de opgaande muren bestaan uit natuurlijke materialen of worden bedekt met een houten gevelbekleding;
4° het bedrijf wordt in het kader van een beroepsactiviteit gerund.
De woning van de uitbater die visteelt als beroepsactiviteit beoefent wordt, voor zover ze volledig deel uitmaakt van het bedrijf, toegelaten als de onderneming minstens één beroepskrachteenheid verantwoordt.
[1 5° het is verenigbaar met het Waalse landbouwmodel zoals bepaald in artikel D.1 van het Waalse Landbouwwetboek.]1
Art. R. II-36-6.Pisciculture
Un établissement piscicole est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° il consiste en des étangs, des bassins, des locaux techniques et des équipements connexes nécessaires à l'élevage et à la production de poissons et autres produits aquatiques;
2° les bâtiments d'exploitation sont constitués de volumes simples, sans étage, comportant une toiture à deux versants de même pente ou une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
3° les élévations sont réalisées en matériaux naturels ou sont recouvertes d'un bardage en bois;
4° l'exploitation a lieu dans le cadre d'une activité professionnelle.
Pour autant qu'il fasse partie intégrante de l'exploitation, le logement de l'exploitant dont la pisciculture constitue la profession est autorisé si l'entreprise justifie au moins une unité de main d'oeuvre;
[1 5° il est compatible avec le modèle agricole wallon tel que défini à l'article D.1 du Code wallon de l'Agriculture.]1
Un établissement piscicole est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° il consiste en des étangs, des bassins, des locaux techniques et des équipements connexes nécessaires à l'élevage et à la production de poissons et autres produits aquatiques;
2° les bâtiments d'exploitation sont constitués de volumes simples, sans étage, comportant une toiture à deux versants de même pente ou une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
3° les élévations sont réalisées en matériaux naturels ou sont recouvertes d'un bardage en bois;
4° l'exploitation a lieu dans le cadre d'une activité professionnelle.
Pour autant qu'il fasse partie intégrante de l'exploitation, le logement de l'exploitant dont la pisciculture constitue la profession est autorisé si l'entreprise justifie au moins une unité de main d'oeuvre;
[1 5° il est compatible avec le modèle agricole wallon tel que défini à l'article D.1 du Code wallon de l'Agriculture.]1
Wijzigingen
Art. R. II.36-7. Vissershut.
Vissershutten worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° één enkele vissershut wordt per vijver of groep van vijvers met een minimumoppervlakte van tien are toegelaten;
2° de vissershut is gelegen aan de rand van de vijvers of groep van vijvers;
3° de hut beslaat een bodemoppervlakte van maximum veertig vierkante meter;
4° de hut bestaat uit één enkel verdiepingloos eenvoudig bouwvolume met een donker, mat zadeldak waarvan beide hellende delen dezelfde hellingsgraad vertonen of met een groendak met uitsluitend inlandse soorten;
5° de opgaande muren bestaan uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurig beschermingsproduct.
Vissershutten worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° één enkele vissershut wordt per vijver of groep van vijvers met een minimumoppervlakte van tien are toegelaten;
2° de vissershut is gelegen aan de rand van de vijvers of groep van vijvers;
3° de hut beslaat een bodemoppervlakte van maximum veertig vierkante meter;
4° de hut bestaat uit één enkel verdiepingloos eenvoudig bouwvolume met een donker, mat zadeldak waarvan beide hellende delen dezelfde hellingsgraad vertonen of met een groendak met uitsluitend inlandse soorten;
5° de opgaande muren bestaan uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurig beschermingsproduct.
Art. R. II.36-7. Refuge de pêche
Un refuge de pêche est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° un seul refuge de pêche est autorisé par étang ou groupe d'étangs d'une superficie de dix ares minimum;
2° le refuge est situé au bord de l'étang ou du groupe d'étangs;
3° le refuge présente une superficie au sol de maximum quarante mètres carrés;
4° le refuge est constitué d'un seul volume simple, sans étage, avec une toiture sombre et mate à deux versants de même pente ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
5° ses élévations sont réalisées en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué.
Un refuge de pêche est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° un seul refuge de pêche est autorisé par étang ou groupe d'étangs d'une superficie de dix ares minimum;
2° le refuge est situé au bord de l'étang ou du groupe d'étangs;
3° le refuge présente une superficie au sol de maximum quarante mètres carrés;
4° le refuge est constitué d'un seul volume simple, sans étage, avec une toiture sombre et mate à deux versants de même pente ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
5° ses élévations sont réalisées en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué.
Art. R. II.36-8. Jagershutten.
Jagershutten worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° één enkele jagershut wordt per jachtgebied in de zin van artikel 2bis van de jachtwet van 28 februari 1882 toegelaten;
2° de bodemoppervlakte beslaat maximum veertig vierkante meter;
3° de hut bestaat uit één enkel verdiepingloos eenvoudig bouwvolume met een donker, mat zadeldak waarvan beide hellende delen dezelfde hellingsgraad vertonen of met een groendak met uitsluitend inlandse soorten;
4° de opgaande muren bestaan uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurig beschermingsproduct.
De oppervlakte bedoeld in lid 1, 2°, kan met tien vierkante meter uitgebreid worden indien een koelkamer voor wild ingericht wordt.
Jagershutten worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° één enkele jagershut wordt per jachtgebied in de zin van artikel 2bis van de jachtwet van 28 februari 1882 toegelaten;
2° de bodemoppervlakte beslaat maximum veertig vierkante meter;
3° de hut bestaat uit één enkel verdiepingloos eenvoudig bouwvolume met een donker, mat zadeldak waarvan beide hellende delen dezelfde hellingsgraad vertonen of met een groendak met uitsluitend inlandse soorten;
4° de opgaande muren bestaan uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurig beschermingsproduct.
De oppervlakte bedoeld in lid 1, 2°, kan met tien vierkante meter uitgebreid worden indien een koelkamer voor wild ingericht wordt.
Art. R. II.36-8. Refuges de chasse
Un refuge de chasse est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° un seul refuge de chasse est autorisé par territoire de chasse au sens de l'article 2bis de la loi sur la chasse du 28 février 1882;
2° sa superficie au sol est de maximum quarante mètres carrés;
3° le refuge est constitué d'un seul volume simple, sans étage, avec une toiture sombre et mate à deux versants de même pente ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
4° ses élévations sont réalisées en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué.
La superficie visée à l'alinéa 1er, 2°, peut être augmentée de dix mètres carrés en cas d'installation d'une chambre froide pour le gibier.
Un refuge de chasse est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° un seul refuge de chasse est autorisé par territoire de chasse au sens de l'article 2bis de la loi sur la chasse du 28 février 1882;
2° sa superficie au sol est de maximum quarante mètres carrés;
3° le refuge est constitué d'un seul volume simple, sans étage, avec une toiture sombre et mate à deux versants de même pente ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
4° ses élévations sont réalisées en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué.
La superficie visée à l'alinéa 1er, 2°, peut être augmentée de dix mètres carrés en cas d'installation d'une chambre froide pour le gibier.
Art. R. II.36-9. Kleine schuilplaatsen voor dieren.
Kleine schuilplaatsen voor dieren worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° één enkele schuilplaats per eigendom;
2° de bodemoppervlakte beslaat maximum zestig vierkante meter;
3° de schuiplaats bestaat uit één enkel verdiepingloos eenvoudig bouwvolume met een donker, mat zadeldak waarvan beide hellende delen dezelfde hellingsgraad vertonen of met een groendak met uitsluitend inlandse soorten;
4° de opgaande muren bestaan uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurig beschermingsproduct.
De oppervlakte bedoeld in lid 1, 2°, kan met vijftien vierkante meter uitgebreid worden met het oog op de opslag van diervoeders.
Kleine schuilplaatsen voor dieren worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° één enkele schuilplaats per eigendom;
2° de bodemoppervlakte beslaat maximum zestig vierkante meter;
3° de schuiplaats bestaat uit één enkel verdiepingloos eenvoudig bouwvolume met een donker, mat zadeldak waarvan beide hellende delen dezelfde hellingsgraad vertonen of met een groendak met uitsluitend inlandse soorten;
4° de opgaande muren bestaan uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurig beschermingsproduct.
De oppervlakte bedoeld in lid 1, 2°, kan met vijftien vierkante meter uitgebreid worden met het oog op de opslag van diervoeders.
Art. R. II.36-9. Petits abris pour animaux
Un petit abri pour animaux est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° un seul abri est autorisé par propriété;
2° sa superficie au sol est de maximum soixante mètres carrés;
3° l'abri est constitué d'un seul volume simple, sans étage, avec une toiture sombre et mate à un versant, à deux versants de même pente et longueur ou toiture plate ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
4° ses élévations sont réalisées en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué.
La superficie visée à l'alinéa 1er, 2°, peut être augmentée de quinze mètres carrés pour stocker l'alimentation indispensable à la détention d'animaux.
Un petit abri pour animaux est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° un seul abri est autorisé par propriété;
2° sa superficie au sol est de maximum soixante mètres carrés;
3° l'abri est constitué d'un seul volume simple, sans étage, avec une toiture sombre et mate à un versant, à deux versants de même pente et longueur ou toiture plate ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
4° ses élévations sont réalisées en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué.
La superficie visée à l'alinéa 1er, 2°, peut être augmentée de quinze mètres carrés pour stocker l'alimentation indispensable à la détention d'animaux.
Art. R _II.36-9.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Kleine schuilplaatsen voor dieren.
Kleine schuilplaatsen voor dieren worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° één enkele schuilplaats per [1 goed]1;
2° de bodemoppervlakte beslaat maximum zestig vierkante meter;
3° de schuiplaats bestaat uit één enkel verdiepingloos eenvoudig bouwvolume met een donker, [1 mat lessenaarsdak of zadeldak]1 waarvan beide hellende delen dezelfde hellingsgraad vertonen of met een groendak met uitsluitend inlandse soorten;
4° de opgaande muren bestaan uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurig beschermingsproduct.
De oppervlakte bedoeld in lid 1, 2°, kan met vijftien vierkante meter uitgebreid worden met het oog op de opslag van diervoeders.
Kleine schuilplaatsen voor dieren.
Kleine schuilplaatsen voor dieren worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° één enkele schuilplaats per [1 goed]1;
2° de bodemoppervlakte beslaat maximum zestig vierkante meter;
3° de schuiplaats bestaat uit één enkel verdiepingloos eenvoudig bouwvolume met een donker, [1 mat lessenaarsdak of zadeldak]1 waarvan beide hellende delen dezelfde hellingsgraad vertonen of met een groendak met uitsluitend inlandse soorten;
4° de opgaande muren bestaan uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurig beschermingsproduct.
De oppervlakte bedoeld in lid 1, 2°, kan met vijftien vierkante meter uitgebreid worden met het oog op de opslag van diervoeders.
Art. R _II.36-9.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Petits abris pour animaux
Un petit abri pour animaux est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° un seul abri est autorisé par [1 bien]1;
2° sa superficie au sol est de maximum soixante mètres carrés;
3° l'abri est constitué d'un seul volume simple, sans étage, avec une toiture sombre et mate à un versant, à deux versants de même pente et longueur ou toiture plate ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
4° ses élévations sont réalisées en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué.
La superficie visée à l'alinéa 1er, 2°, peut être augmentée de quinze mètres carrés pour stocker l'alimentation indispensable à la détention d'animaux.
Petits abris pour animaux
Un petit abri pour animaux est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° un seul abri est autorisé par [1 bien]1;
2° sa superficie au sol est de maximum soixante mètres carrés;
3° l'abri est constitué d'un seul volume simple, sans étage, avec une toiture sombre et mate à un versant, à deux versants de même pente et longueur ou toiture plate ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
4° ses élévations sont réalisées en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué.
La superficie visée à l'alinéa 1er, 2°, peut être augmentée de quinze mètres carrés pour stocker l'alimentation indispensable à la détention d'animaux.
Wijzigingen
Art. R. II.36-10.Recreatieve openluchtactiviteiten.
Recreatieve openluchtactiviteiten worden tegen de volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het betreft ontspanningsactiviteiten uit de recreatiesector, met name activiteiten in verband met een dierenpark, of sport, die in specifieke ruimtes beoefend worden, zoals hengelsport, golf, paardrijden, mountainbike, schuttersporten, voetbal, avonturenparcoursen, luchtmodelbouw, ultra lichte gemotoriseerde vliegtuigjes en openluchtactiviteiten waarbij voertuigen met een elektrische, thermische of verbrandingsmotor worden gebruikt;
2° de bestemming van het gebied wordt erdoor niet onherroepelijk gewijzigd;
[1 2° /1 ze zijn verenigbaar met het Waalse landbouwmodel zoals bepaald in artikel D.1 van het Waalse Landbouwwetboek.]1
3° uitgezonderd de vijvers, de uitrustingen voor de opslagverrichtingen van brandstoffen en de uitrustingen voor schuttersactiviteiten, mag geen enkel deel van de bodem met een ondoordringbare grondlaag bedekt worden binnen in de omtrek van de uitrustingen;
4° de parkeerruimte voor voertuigen wordt aangelegd op waterdoorlatend en niet gladgestreken terrein;
5° uitgezonderd de uitrustingen betreffende de schuttersactiviteiten worden de funderingen van gebouwen uitgevoerd op tegeldragers en de opgaande muren worden niet gemetseld of ter plaatse in beton gegoten.
De terreinen waarop openluchtactiviteiten plaatsvinden die gebruik maken van thermische of verbrandingsmotoren zijn op voldoende afstand gelegen van de bewoonde plaatsen en de ruimten die doorgaans voor rust en ontspanning worden gebruikt, zodat ze verenigbaar zijn met de omgeving en de hoofdbestemming van bedoelde plaats en ruimte niet in gevaar brengen.
Recreatieve openluchtactiviteiten worden tegen de volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het betreft ontspanningsactiviteiten uit de recreatiesector, met name activiteiten in verband met een dierenpark, of sport, die in specifieke ruimtes beoefend worden, zoals hengelsport, golf, paardrijden, mountainbike, schuttersporten, voetbal, avonturenparcoursen, luchtmodelbouw, ultra lichte gemotoriseerde vliegtuigjes en openluchtactiviteiten waarbij voertuigen met een elektrische, thermische of verbrandingsmotor worden gebruikt;
2° de bestemming van het gebied wordt erdoor niet onherroepelijk gewijzigd;
[1 2° /1 ze zijn verenigbaar met het Waalse landbouwmodel zoals bepaald in artikel D.1 van het Waalse Landbouwwetboek.]1
3° uitgezonderd de vijvers, de uitrustingen voor de opslagverrichtingen van brandstoffen en de uitrustingen voor schuttersactiviteiten, mag geen enkel deel van de bodem met een ondoordringbare grondlaag bedekt worden binnen in de omtrek van de uitrustingen;
4° de parkeerruimte voor voertuigen wordt aangelegd op waterdoorlatend en niet gladgestreken terrein;
5° uitgezonderd de uitrustingen betreffende de schuttersactiviteiten worden de funderingen van gebouwen uitgevoerd op tegeldragers en de opgaande muren worden niet gemetseld of ter plaatse in beton gegoten.
De terreinen waarop openluchtactiviteiten plaatsvinden die gebruik maken van thermische of verbrandingsmotoren zijn op voldoende afstand gelegen van de bewoonde plaatsen en de ruimten die doorgaans voor rust en ontspanning worden gebruikt, zodat ze verenigbaar zijn met de omgeving en de hoofdbestemming van bedoelde plaats en ruimte niet in gevaar brengen.
Art. R. II.36-10.Activités récréatives de plein air
Les activités récréatives de plein air sont autorisées aux conditions cumulatives suivantes :
1° elles consistent en des activités de délassement relevant du loisir, notamment celles liées à un parc animalier, ou du sport, qui se pratiquent sur des aires spécifiques, notamment la pêche, le golf, l'équitation, le vélo tout-terrain, les activités de tir, les terrains de football, les parcours aventures, l'aéromodélisme, les ultra légers motorisés et les activités de plein air utilisant des véhicules à moteur électrique, thermique ou à explosion;
2° elles ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone;
[1 2° /1 elles sont compatibles avec le modèle agricole wallon tel que défini à l'article D.1 du Code wallon de l'Agriculture;]1
3° à l'exception des étangs, des équipements de manutention de carburants et des équipements relatifs aux activités de tir, aucune partie du sol n'est munie d'un revêtement imperméable à l'intérieur du périmètre des équipements;
4° le parcage des véhicules est établi sur un revêtement discontinu et perméable;
5° à l'exception des équipements relatifs aux activités de tir, les fondations des bâtiments sont réalisées sur plots et les élévations des bâtiments ne sont pas maçonnées ou réalisées en béton coulé sur place.
Les terrains accueillant des activités de plein air utilisant des moteurs thermiques ou à explosion doivent être localisés à une distance suffisante des lieux habités et des espaces habituellement utilisés pour le repos et la détente afin d'assurer la compatibilité avec le voisinage et de ne pas mettre en péril la destination principale de ces lieux et espaces.
Les activités récréatives de plein air sont autorisées aux conditions cumulatives suivantes :
1° elles consistent en des activités de délassement relevant du loisir, notamment celles liées à un parc animalier, ou du sport, qui se pratiquent sur des aires spécifiques, notamment la pêche, le golf, l'équitation, le vélo tout-terrain, les activités de tir, les terrains de football, les parcours aventures, l'aéromodélisme, les ultra légers motorisés et les activités de plein air utilisant des véhicules à moteur électrique, thermique ou à explosion;
2° elles ne mettent pas en cause de manière irréversible la destination de la zone;
[1 2° /1 elles sont compatibles avec le modèle agricole wallon tel que défini à l'article D.1 du Code wallon de l'Agriculture;]1
3° à l'exception des étangs, des équipements de manutention de carburants et des équipements relatifs aux activités de tir, aucune partie du sol n'est munie d'un revêtement imperméable à l'intérieur du périmètre des équipements;
4° le parcage des véhicules est établi sur un revêtement discontinu et perméable;
5° à l'exception des équipements relatifs aux activités de tir, les fondations des bâtiments sont réalisées sur plots et les élévations des bâtiments ne sont pas maçonnées ou réalisées en béton coulé sur place.
Les terrains accueillant des activités de plein air utilisant des moteurs thermiques ou à explosion doivent être localisés à une distance suffisante des lieux habités et des espaces habituellement utilisés pour le repos et la détente afin d'assurer la compatibilité avec le voisinage et de ne pas mettre en péril la destination principale de ces lieux et espaces.
Wijzigingen
Art. R. II.36-11. Modules voor de productie van elektriciteit en warmte.
Een biomethaniseringseenheid per eigendom wordt toegelaten op voorwaarde dat dit verenigbaar is met de omgeving.
Een windturbine per eigendom wordt toegelaten voor zover de mast hoogstens vierentwintig meter meet.
Een module voor de productie van elektriciteit of warmte met de zon als energiebron wordt tegen volgende voorwaarden toegelaten :
1° ofwel, de module wordt rechtstreeks op een bestaand gebouw aangebracht;
2° ofwel, de module wordt rechtstreeks of via een montageconstructie in de bodem verankerd voor zover de module, in verhouding tot de toegangsweg, achter de gebouwen geplaatst wordt.
Een biomethaniseringseenheid per eigendom wordt toegelaten op voorwaarde dat dit verenigbaar is met de omgeving.
Een windturbine per eigendom wordt toegelaten voor zover de mast hoogstens vierentwintig meter meet.
Een module voor de productie van elektriciteit of warmte met de zon als energiebron wordt tegen volgende voorwaarden toegelaten :
1° ofwel, de module wordt rechtstreeks op een bestaand gebouw aangebracht;
2° ofwel, de module wordt rechtstreeks of via een montageconstructie in de bodem verankerd voor zover de module, in verhouding tot de toegangsweg, achter de gebouwen geplaatst wordt.
Art. R. II.36-11. Modules de production d'électricité ou de chaleur
Une unité de biométhanisation est autorisée par propriété à condition qu'elle soit compatible avec le voisinage.
Une éolienne est autorisée par propriété pour autant que le mât soit d'une hauteur maximale de vingt-quatre mètres.
Un module de production d'électricité ou de chaleur d'origine solaire est autorisé aux conditions suivantes :
1° soit il est placé directement sur un bâtiment existant;
2° soit il est ancré directement au sol ou via un support relié au sol pour autant qu'il soit situé à l'arrière des bâtiments par rapport à la voirie de desserte.
Une unité de biométhanisation est autorisée par propriété à condition qu'elle soit compatible avec le voisinage.
Une éolienne est autorisée par propriété pour autant que le mât soit d'une hauteur maximale de vingt-quatre mètres.
Un module de production d'électricité ou de chaleur d'origine solaire est autorisé aux conditions suivantes :
1° soit il est placé directement sur un bâtiment existant;
2° soit il est ancré directement au sol ou via un support relié au sol pour autant qu'il soit situé à l'arrière des bâtiments par rapport à la voirie de desserte.
Art. R _II.36-11.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Modules voor de productie van elektriciteit en warmte.
Een biomethaniseringseenheid per [1 goed]1 wordt toegelaten op voorwaarde dat dit verenigbaar is met de omgeving.
Een windturbine per [1 goed]1 wordt toegelaten voor zover de mast hoogstens vierentwintig meter meet.
Een module voor de productie van elektriciteit of warmte met de zon als energiebron wordt tegen volgende voorwaarden toegelaten :
1° ofwel, de module wordt rechtstreeks op een [2 legaal bestaand]2 gebouw aangebracht;
2° ofwel, de module wordt rechtstreeks of via een montageconstructie in de bodem verankerd voor zover de module, in verhouding tot de [1 openbare toegangsweg]1, achter de gebouwen geplaatst wordt.
Modules voor de productie van elektriciteit en warmte.
Een biomethaniseringseenheid per [1 goed]1 wordt toegelaten op voorwaarde dat dit verenigbaar is met de omgeving.
Een windturbine per [1 goed]1 wordt toegelaten voor zover de mast hoogstens vierentwintig meter meet.
Een module voor de productie van elektriciteit of warmte met de zon als energiebron wordt tegen volgende voorwaarden toegelaten :
1° ofwel, de module wordt rechtstreeks op een [2 legaal bestaand]2 gebouw aangebracht;
2° ofwel, de module wordt rechtstreeks of via een montageconstructie in de bodem verankerd voor zover de module, in verhouding tot de [1 openbare toegangsweg]1, achter de gebouwen geplaatst wordt.
Art. R _II.36-11.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Modules de production d'électricité ou de chaleur
Une unité de biométhanisation est autorisée par [1 bien]1 à condition qu'elle soit compatible avec le voisinage.
Une [2 installation]2 éolienne est autorisée par [1 bien]1 pour autant que le mât soit d'une hauteur maximale de vingt-quatre mètres.
Un module de production d'électricité ou de chaleur d'origine solaire est autorisé aux conditions suivantes :
1° soit il est placé directement sur un bâtiment existant [2 dûment autorisé]2;
2° soit il est ancré directement au sol ou via un support relié au sol pour autant qu'il soit situé à l'arrière des bâtiments par rapport à la voirie de desserte.
Modules de production d'électricité ou de chaleur
Une unité de biométhanisation est autorisée par [1 bien]1 à condition qu'elle soit compatible avec le voisinage.
Une [2 installation]2 éolienne est autorisée par [1 bien]1 pour autant que le mât soit d'une hauteur maximale de vingt-quatre mètres.
Un module de production d'électricité ou de chaleur d'origine solaire est autorisé aux conditions suivantes :
1° soit il est placé directement sur un bâtiment existant [2 dûment autorisé]2;
2° soit il est ancré directement au sol ou via un support relié au sol pour autant qu'il soit situé à l'arrière des bâtiments par rapport à la voirie de desserte.
Art. R. II.36-12. Elke aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 en elke stedenbouwkundige vergunning of elk stedenbouwkundig attest nr. 2 betreffende de activiteiten bedoeld in de artikelen R.II.36-2 tot R.II.36-11 wordt formeel gemotiveerd ten opzichte van de effecten van die activiteiten op de landbouw, het landschap, de flora, de fauna, de bodem, het aflopend hemelwater, het debiet en de kwaliteit van de waterlopen.
De vrijwaring van de kenmerken van een naburige locatie, beschermd krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud of de Richtlijnen 2009/147/EU van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna mag niet in gevaar worden gebracht.
De vrijwaring van de kenmerken van een naburige locatie, beschermd krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud of de Richtlijnen 2009/147/EU van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna mag niet in gevaar worden gebracht.
Art. R. II.36-12. Toute demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 et tout permis d'urbanisme ou certificat d'urbanisme n° 2 relatif aux activités visées aux articles R.II.36-2 à R.II.36-11 est formellement motivé au regard de l'incidence de ces activités sur l'activité agricole, le paysage, la flore, la faune, le sol, le ruissellement, le débit et la qualité des cours d'eau.
La préservation des caractéristiques d'un site voisin protégé en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 ou des Directives 2009/147/UE du Parlement européen et du conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages et 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages ne peut être mise en péril.
La préservation des caractéristiques d'un site voisin protégé en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 ou des Directives 2009/147/UE du Parlement européen et du conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages et 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages ne peut être mise en péril.
Onderafdeling 3. - Bosgebieden
Sous-section 3. - De la zone forestière
Art. R. II.37-1. Kerstbomenteelt.
Kerstbomenaanplantingen worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° de uitbating wordt in het kader van een beroepsactivieit verricht;
2° de kerstbomen worden geveld of uitgetrokken in de periode van twaalf jaar volgend op de aanplanting;
3° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
4° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, in een landschappelijk waardevolle omtrek bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 3°, in de locaties erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud of in een biologisch zeer waardevolle locatie zoals vermeld op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst;
5° de oppervlakte, ingenomen door de kerstbomen, beslaat maximum één hectare per beboste oppervlakte van tien hectare uit één stuk;
6° de aanplanting mag niet de plaats innemen van een loofbos;
7° het terrein is toegankelijk via minstens één weg waarop het voertuigverkeer bij of krachtens het Boswetboek toegelaten is;
8° wanneer de kerstbomenteelt beëindigd wordt, wordt de locatie herbebost rekening houdend met de criteria van het ecologisch soortenbestand, uitgegeven overeenkomstig artikel 40 van het Boswetboek of overgelaten aan natuurlijke regeneratie.
Kerstbomenaanplantingen worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° de uitbating wordt in het kader van een beroepsactivieit verricht;
2° de kerstbomen worden geveld of uitgetrokken in de periode van twaalf jaar volgend op de aanplanting;
3° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
4° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, in een landschappelijk waardevolle omtrek bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 3°, in de locaties erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud of in een biologisch zeer waardevolle locatie zoals vermeld op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst;
5° de oppervlakte, ingenomen door de kerstbomen, beslaat maximum één hectare per beboste oppervlakte van tien hectare uit één stuk;
6° de aanplanting mag niet de plaats innemen van een loofbos;
7° het terrein is toegankelijk via minstens één weg waarop het voertuigverkeer bij of krachtens het Boswetboek toegelaten is;
8° wanneer de kerstbomenteelt beëindigd wordt, wordt de locatie herbebost rekening houdend met de criteria van het ecologisch soortenbestand, uitgegeven overeenkomstig artikel 40 van het Boswetboek of overgelaten aan natuurlijke regeneratie.
Art. R. II.37-1. Culture de sapins de Noël
La plantation de sapins de Noël est autorisée aux conditions cumulatives suivantes :
1° l'exploitation a lieu dans le cadre d'une activité professionnelle;
2° les sapins de Noël sont coupés ou enlevés dans la période de douze ans qui suit leur plantation;
3° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
4° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, d'intérêt paysager visé à l'article D.II.21, § 2, 3°, dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature ou dans un site de grand intérêt biologique repris sur le portail cartographique du SPW;
5° la surface occupée par les sapins de Noël est de maximum un hectare par surface boisée de dix hectares d'un seul tenant;
6° la plantation ne peut remplacer une forêt de feuillus;
7° le terrain est accessible au moins par une voie sur laquelle la circulation des véhicules est autorisée par ou en vertu du Code forestier;
8° lorsqu'il est mis fin à la culture de sapins de Noël, le site est reboisé en tenant compte des critères du fichier écologique des essences édité en application de l'article 40 du Code forestier ou laissé à la régénération naturelle.
La plantation de sapins de Noël est autorisée aux conditions cumulatives suivantes :
1° l'exploitation a lieu dans le cadre d'une activité professionnelle;
2° les sapins de Noël sont coupés ou enlevés dans la période de douze ans qui suit leur plantation;
3° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
4° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, d'intérêt paysager visé à l'article D.II.21, § 2, 3°, dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature ou dans un site de grand intérêt biologique repris sur le portail cartographique du SPW;
5° la surface occupée par les sapins de Noël est de maximum un hectare par surface boisée de dix hectares d'un seul tenant;
6° la plantation ne peut remplacer une forêt de feuillus;
7° le terrain est accessible au moins par une voie sur laquelle la circulation des véhicules est autorisée par ou en vertu du Code forestier;
8° lorsqu'il est mis fin à la culture de sapins de Noël, le site est reboisé en tenant compte des critères du fichier écologique des essences édité en application de l'article 40 du Code forestier ou laissé à la régénération naturelle.
Art. R. II.37-2. Windturbines.
De mast van de windturbines bedoeld in artikel D.II.37, § 1, lid 6, is gelegen :
1° buiten de omtrek van een locatie, erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 over het natuurbehoud;
2° op een afstand van maximum zevenhonderdvijftig meter van de as van de hoofdverkeersinfrastructuren in de zin van artikel R.II.21-1;
3° buiten een loofbomenbestand in de zin van het Boswetboek.
De mast van de windturbines bedoeld in artikel D.II.37, § 1, lid 6, is gelegen :
1° buiten de omtrek van een locatie, erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 over het natuurbehoud;
2° op een afstand van maximum zevenhonderdvijftig meter van de as van de hoofdverkeersinfrastructuren in de zin van artikel R.II.21-1;
3° buiten een loofbomenbestand in de zin van het Boswetboek.
Art. R. II.37-2. Eoliennes
Le mât des éoliennes visées à l'article D.II.37, § 1er, alinéa 6, est situé :
1° en dehors du périmètre d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° à une distance maximale de sept cent cinquante mètres de l'axe des principales infrastructures de communication au sens de l'article R.II.21-1;
3° en dehors d'un peuplement de feuillus au sens du Code forestier.
Le mât des éoliennes visées à l'article D.II.37, § 1er, alinéa 6, est situé :
1° en dehors du périmètre d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° à une distance maximale de sept cent cinquante mètres de l'axe des principales infrastructures de communication au sens de l'article R.II.21-1;
3° en dehors d'un peuplement de feuillus au sens du Code forestier.
Art. R. II.37-3. Constructies voor bostoezicht.
Constructies voor bostoezicht worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het betreft een observatiepost;
2° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
3° de grondinneming bedraagt maximum tien vierkante meter;
4° de opgaande muren, indien onontbeerlijk, bevatten lichtspleten en bestaan uit hout dat enkel ingestreken mag worden met een donkerkleurig beschermingsproduct;
5° in voorkomend geval heeft het dak een donkerkleurige en matte laag of bestaat uit uitsluitend inlandse soorten.
Constructies voor bostoezicht worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het betreft een observatiepost;
2° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
3° de grondinneming bedraagt maximum tien vierkante meter;
4° de opgaande muren, indien onontbeerlijk, bevatten lichtspleten en bestaan uit hout dat enkel ingestreken mag worden met een donkerkleurig beschermingsproduct;
5° in voorkomend geval heeft het dak een donkerkleurige en matte laag of bestaat uit uitsluitend inlandse soorten.
Art. R. II.37-3. Constructions indispensables à la surveillance des bois
Les constructions indispensables à la surveillance des bois sont autorisées aux conditions cumulatives suivantes :
1° il s'agit d'un poste d'observation;
2° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
3° son emprise au sol est de dix mètres carrés maximum;
4° les élévations, si elles sont indispensables, sont réalisées à claire-voie, et en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué;
5° le cas échéant, la toiture est d'une tonalité sombre et mate ou composée exclusivement d'espèces indigènes.
Les constructions indispensables à la surveillance des bois sont autorisées aux conditions cumulatives suivantes :
1° il s'agit d'un poste d'observation;
2° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
3° son emprise au sol est de dix mètres carrés maximum;
4° les élévations, si elles sont indispensables, sont réalisées à claire-voie, et en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué;
5° le cas échéant, la toiture est d'une tonalité sombre et mate ou composée exclusivement d'espèces indigènes.
Art. R. II.37-4. Constructies voor de uitbating van de bossen.
Constructies voor de uitbating van de bossen worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het betreft een hangar voor het onderbrengen van het materiaal voor de uitbating van de bossen;
2° één enkele hangar wordt toegelaten per eigendom van vijfentwintig hectare bos uit één stuk;
3° de hangar is toegankelijk via minstens één weg waarop het voertuigverkeer bij of krachtens het Boswetboek toegelaten is;
4° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
5° de hangar bestaat uit één enkel enkelvoudig verdiepingloos bouwvolume met een zadeldak waarvan beide delen dezelfde hellingsgraad hebben of met een groendak bestaande uit uitsluitend inlandse soorten;
6° de opgaande muren worden opgetrokken uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurige en matte beschermingslaag.
In afwijking van lid 1, 2°, wordt één hangar per eigendom van tien hectare uit één stuk toegelaten voor zover de grondinneming beperkt blijft tot veertig vierkante meter.
Constructies voor de uitbating van de bossen worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het betreft een hangar voor het onderbrengen van het materiaal voor de uitbating van de bossen;
2° één enkele hangar wordt toegelaten per eigendom van vijfentwintig hectare bos uit één stuk;
3° de hangar is toegankelijk via minstens één weg waarop het voertuigverkeer bij of krachtens het Boswetboek toegelaten is;
4° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
5° de hangar bestaat uit één enkel enkelvoudig verdiepingloos bouwvolume met een zadeldak waarvan beide delen dezelfde hellingsgraad hebben of met een groendak bestaande uit uitsluitend inlandse soorten;
6° de opgaande muren worden opgetrokken uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurige en matte beschermingslaag.
In afwijking van lid 1, 2°, wordt één hangar per eigendom van tien hectare uit één stuk toegelaten voor zover de grondinneming beperkt blijft tot veertig vierkante meter.
Art. R. II.37-4. Constructions indispensables à l'exploitation des bois
Les constructions indispensables à l'exploitation du bois sont autorisées aux conditions cumulatives suivantes :
1° il s'agit d'un hangar destiné à abriter le matériel indispensable à l'exploitation des bois;
2° un seul hangar est autorisé par propriété de vingt-cinq hectares de bois d'un seul tenant;
3° le hangar est accessible par une voie sur laquelle la circulation des véhicules est autorisée par ou en vertu du Code forestier;
4° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
5° le hangar est constitué d'un seul volume simple, sans étage, comportant une toiture à deux versants de même pente ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
6° ses élévations sont réalisées en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, un hangar est autorisé par propriété de dix hectares d'un seul tenant pour autant que son emprise au sol soit limitée à quarante mètres carrés.
Les constructions indispensables à l'exploitation du bois sont autorisées aux conditions cumulatives suivantes :
1° il s'agit d'un hangar destiné à abriter le matériel indispensable à l'exploitation des bois;
2° un seul hangar est autorisé par propriété de vingt-cinq hectares de bois d'un seul tenant;
3° le hangar est accessible par une voie sur laquelle la circulation des véhicules est autorisée par ou en vertu du Code forestier;
4° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
5° le hangar est constitué d'un seul volume simple, sans étage, comportant une toiture à deux versants de même pente ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
6° ses élévations sont réalisées en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, un hangar est autorisé par propriété de dix hectares d'un seul tenant pour autant que son emprise au sol soit limitée à quarante mètres carrés.
Art. R. II.37-5. Constructies voor de eerste houtverwerking.
Constructies voor de eerste houtverwerking worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het betreft constructies voor de opslag, het zagen, het drogen, het ontschorsen of het schaven van hout;
2° ze worden opgetrokken aan de rand van een bosgebied opgenomen op het gewestplan, op een terrein dat slechts een klein bosbouwkundig, biologisch, waterbouwkundig of landschappelijk belang vertoont;
3° ze zijn gelegen langs een weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, over een wegverharding beschikt en breed genoeg is, rekening houdend met de verwerkingscapaciteit van de onderneming;
4° de uitbating wordt in het kader van een beroepsactivieit verricht.
Constructies voor de eerste houtverwerking worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het betreft constructies voor de opslag, het zagen, het drogen, het ontschorsen of het schaven van hout;
2° ze worden opgetrokken aan de rand van een bosgebied opgenomen op het gewestplan, op een terrein dat slechts een klein bosbouwkundig, biologisch, waterbouwkundig of landschappelijk belang vertoont;
3° ze zijn gelegen langs een weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, over een wegverharding beschikt en breed genoeg is, rekening houdend met de verwerkingscapaciteit van de onderneming;
4° de uitbating wordt in het kader van een beroepsactivieit verricht.
Art. R. II.37-5. Constructions indispensables à la première transformation du bois
Les constructions indispensables à la première transformation du bois sont autorisées aux conditions cumulatives suivantes :
1° il s'agit de constructions indispensables au stockage, au sciage, au séchage, à l'écorçage ou au rabotage du bois;
2° elles sont implantées en lisière d'une zone forestière inscrite au plan de secteur, sur un terrain ne présentant qu'un faible intérêt sylvicole, biologique, hydrologique ou paysager;
3° elles sont situées à front d'une voirie suffisamment équipée en eau et en électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante compte tenu de la capacité de traitement de l'entreprise;
4° l'exploitation lieu dans le cadre d'une activité professionnelle.
Les constructions indispensables à la première transformation du bois sont autorisées aux conditions cumulatives suivantes :
1° il s'agit de constructions indispensables au stockage, au sciage, au séchage, à l'écorçage ou au rabotage du bois;
2° elles sont implantées en lisière d'une zone forestière inscrite au plan de secteur, sur un terrain ne présentant qu'un faible intérêt sylvicole, biologique, hydrologique ou paysager;
3° elles sont situées à front d'une voirie suffisamment équipée en eau et en électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante compte tenu de la capacité de traitement de l'entreprise;
4° l'exploitation lieu dans le cadre d'une activité professionnelle.
Art. R. II.37-6. Eenheden voor de energievalorisering van de biomassa.
Eenheden voor de energievalorisering van de biomassa worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het betreft verbrandingsinstallaties en bijhorende uitrustingen, waarvoor de brandstof tegen minstens negentig percent bestaat uit reststoffen die rechtstreeks afkomstig zijn van de uitbating van de bossen en de eerste houtverwerking;
2° de eenheid wordt gevestigd aan de rand van een bosgebied opgenomen op het gewestplan, op een terrein dat slechts een klein bosbouwkundig, biologisch, waterbouwkundig of landschappelijk belang vertoont;
3° de eenheid is gelegen langs een weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, over een wegverharding beschikt en breed genoeg is, rekening houdend met de verwerkingscapaciteit van de onderneming;
4° de uitbating wordt in het kader van een beroepsactivieit verricht.
Eenheden voor de energievalorisering van de biomassa worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het betreft verbrandingsinstallaties en bijhorende uitrustingen, waarvoor de brandstof tegen minstens negentig percent bestaat uit reststoffen die rechtstreeks afkomstig zijn van de uitbating van de bossen en de eerste houtverwerking;
2° de eenheid wordt gevestigd aan de rand van een bosgebied opgenomen op het gewestplan, op een terrein dat slechts een klein bosbouwkundig, biologisch, waterbouwkundig of landschappelijk belang vertoont;
3° de eenheid is gelegen langs een weg die voldoende toegerust is met water- en elektriciteitsleidingen, over een wegverharding beschikt en breed genoeg is, rekening houdend met de verwerkingscapaciteit van de onderneming;
4° de uitbating wordt in het kader van een beroepsactivieit verricht.
Art. R. II.37-6. Unité de valorisation énergétique de la biomasse
L'unité de valorisation énergétique de la biomasse est autorisée aux conditions cumulatives suivantes :
1° il s'agit d'installations de combustion, et leurs équipements connexes, dont le combustible est constitué au minimum à nonante pour cent de résidus issus directement de l'exploitation forestière et de la première transformation du bois;
2° l'unité est implantée en lisière d'une zone forestière inscrite au plan de secteur, sur un terrain présentant un faible intérêt sylvicole, biologique, hydrologique ou paysager;
3° l'unité est située à front d'une voirie suffisamment équipée en eau et en électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante compte tenu de la capacité de traitement de l'entreprise;
4° l'exploitation a lieu dans le cadre d'une activité professionnelle.
L'unité de valorisation énergétique de la biomasse est autorisée aux conditions cumulatives suivantes :
1° il s'agit d'installations de combustion, et leurs équipements connexes, dont le combustible est constitué au minimum à nonante pour cent de résidus issus directement de l'exploitation forestière et de la première transformation du bois;
2° l'unité est implantée en lisière d'une zone forestière inscrite au plan de secteur, sur un terrain présentant un faible intérêt sylvicole, biologique, hydrologique ou paysager;
3° l'unité est située à front d'une voirie suffisamment équipée en eau et en électricité, pourvue d'un revêtement solide et d'une largeur suffisante compte tenu de la capacité de traitement de l'entreprise;
4° l'exploitation a lieu dans le cadre d'une activité professionnelle.
Art. R. II.37-7. Visteelt.
Visteelt wordt tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° de visteeltinrichtingen bestaan uit vijvers, bassins, technische lokalen en bijhorende uitrustingen voor de teelt en de productie van vissen en andere aquatische producten;
2° het project wordt aangelegd op een terrein dat een klein bosbouwkundig, biologisch of waterbouwkundig belang vertoont;
3° het project is toegankelijk via minstens één weg waarop het voertuigverkeer bij of krachtens het Boswetboek toegelaten is;
4° de bedrijfsgebouwen bestaan uit enkelvoudige verdiepingloze bouwvolumes met een zadeldak waarvan beide delen dezelfde hellingsgraad hebben of met een groendak bestaande uit uitsluitend inlandse soorten;
5° de opgaande muren worden opgetrokken uit hout of worden bekleed met houtplanken die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurige en matte beschermingslaag.
6° de uitbating wordt in het kader van een beroepsactivieit verricht.
Voor zover de uitbaterswoning volledig deel uitmaakt van het bedrijf, mag de uitbater wiens beroep uit visteelt bestaat zijn woonst vestigen als de onderneming minstens de inzet van één arbeidskrachteenheid verantwoordt.
Visteelt wordt tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° de visteeltinrichtingen bestaan uit vijvers, bassins, technische lokalen en bijhorende uitrustingen voor de teelt en de productie van vissen en andere aquatische producten;
2° het project wordt aangelegd op een terrein dat een klein bosbouwkundig, biologisch of waterbouwkundig belang vertoont;
3° het project is toegankelijk via minstens één weg waarop het voertuigverkeer bij of krachtens het Boswetboek toegelaten is;
4° de bedrijfsgebouwen bestaan uit enkelvoudige verdiepingloze bouwvolumes met een zadeldak waarvan beide delen dezelfde hellingsgraad hebben of met een groendak bestaande uit uitsluitend inlandse soorten;
5° de opgaande muren worden opgetrokken uit hout of worden bekleed met houtplanken die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurige en matte beschermingslaag.
6° de uitbating wordt in het kader van een beroepsactivieit verricht.
Voor zover de uitbaterswoning volledig deel uitmaakt van het bedrijf, mag de uitbater wiens beroep uit visteelt bestaat zijn woonst vestigen als de onderneming minstens de inzet van één arbeidskrachteenheid verantwoordt.
Art. R. II.37-7. Pisciculture
La pisciculture est autorisée aux conditions cumulatives suivantes :
1° les établissements piscicoles consistent en des étangs, des bassins, des locaux techniques et des équipements connexes nécessaires à l'élevage et à la production de poissons et autres produits aquatiques;
2° le projet est implanté sur un terrain présentant un faible intérêt sylvicole, biologique ou hydrologique;
3° le projet est accessible au moins par une voie sur laquelle la circulation des véhicules est autorisée par ou en vertu du Code forestier;
4° les bâtiments d'exploitation sont constitués de volumes simples, sans étage, comportant une toiture à deux versants de même pente ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
5° les élévations sont réalisées en bois ou sont recouvertes d'un bardage en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué;
6° l'exploitation a lieu dans le cadre d'une activité professionnelle.
Pour autant qu'il fasse partie intégrante de l'exploitation, le logement de l'exploitant dont la pisciculture constitue la profession peut être autorisé si l'entreprise justifie au moins une unité de main d'oeuvre.
La pisciculture est autorisée aux conditions cumulatives suivantes :
1° les établissements piscicoles consistent en des étangs, des bassins, des locaux techniques et des équipements connexes nécessaires à l'élevage et à la production de poissons et autres produits aquatiques;
2° le projet est implanté sur un terrain présentant un faible intérêt sylvicole, biologique ou hydrologique;
3° le projet est accessible au moins par une voie sur laquelle la circulation des véhicules est autorisée par ou en vertu du Code forestier;
4° les bâtiments d'exploitation sont constitués de volumes simples, sans étage, comportant une toiture à deux versants de même pente ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
5° les élévations sont réalisées en bois ou sont recouvertes d'un bardage en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué;
6° l'exploitation a lieu dans le cadre d'une activité professionnelle.
Pour autant qu'il fasse partie intégrante de l'exploitation, le logement de l'exploitant dont la pisciculture constitue la profession peut être autorisé si l'entreprise justifie au moins une unité de main d'oeuvre.
Art. R. II.37-8. Jachthutten.
Jachthutten worden tegen de volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° één enkele jachthut wordt toegelaten per jachtgebied in de zin van artikel 2bis van de jachtwet van 28 februari 1882;
2° de grondinneming beslaat een oppervlakte van maximum veertig vierkante meter;
3° de jachthut bestaat uit één enkel enkelvoudig verdiepingloos bouwvolume met een zadeldak waarvan beide delen dezelfde hellingsgraad hebben of met een groendak bestaande uit uitsluitend inlandse soorten;
4° de opgaande muren worden opgetrokken uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurige en matte beschermingslaag.
De oppervlakte bedoeld in lid 1, 2°, kan uitgebreid worden met tien vierkante meter indien er een koelkamer voor de opslag van wildvlees voorzien wordt.
Jachthutten worden tegen de volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° één enkele jachthut wordt toegelaten per jachtgebied in de zin van artikel 2bis van de jachtwet van 28 februari 1882;
2° de grondinneming beslaat een oppervlakte van maximum veertig vierkante meter;
3° de jachthut bestaat uit één enkel enkelvoudig verdiepingloos bouwvolume met een zadeldak waarvan beide delen dezelfde hellingsgraad hebben of met een groendak bestaande uit uitsluitend inlandse soorten;
4° de opgaande muren worden opgetrokken uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurige en matte beschermingslaag.
De oppervlakte bedoeld in lid 1, 2°, kan uitgebreid worden met tien vierkante meter indien er een koelkamer voor de opslag van wildvlees voorzien wordt.
Art. R. II.37-8. Refuges de chasse
Les refuges de chasse sont autorisés aux conditions cumulatives suivantes :
1° un seul refuge de chasse est autorisé par territoire de chasse au sens de l'article 2bis de la loi sur la chasse du 28 février 1882;
2° sa superficie au sol est de maximum quarante mètres carrés;
3° le refuge est constitué d'un seul volume simple, sans étage, avec une toiture sombre et mate à deux versants de même pente ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
4° ses élévations sont réalisées en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué.
La superficie visée à l'alinéa 1er, 2°, peut être augmentée de dix mètres carrés en cas d'installation d'une chambre froide pour le gibier.
Les refuges de chasse sont autorisés aux conditions cumulatives suivantes :
1° un seul refuge de chasse est autorisé par territoire de chasse au sens de l'article 2bis de la loi sur la chasse du 28 février 1882;
2° sa superficie au sol est de maximum quarante mètres carrés;
3° le refuge est constitué d'un seul volume simple, sans étage, avec une toiture sombre et mate à deux versants de même pente ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
4° ses élévations sont réalisées en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué.
La superficie visée à l'alinéa 1er, 2°, peut être augmentée de dix mètres carrés en cas d'installation d'une chambre froide pour le gibier.
Art. R. II.37-9. Vissershutten.
Vissershutten worden tegen de volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° één enkele vissershut wordt toegelaten per vijver of groep van vijvers met een oppervlakte van minstens tien are;
2° de vissershut is gelegen langs een vijver of groep van vijvers;
3° de grondinneming van de vissershut beslaat een oppervlakte van maximum veertig vierkante meter;
4° de vissershut bestaat uit één enkel enkelvoudig verdiepingloos bouwvolume met een zadeldak waarvan beide delen dezelfde hellingsgraad hebben of met een groendak bestaande uit uitsluitend inlandse soorten;
5° de opgaande muren worden opgetrokken uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurige en matte beschermingslaag.
Vissershutten worden tegen de volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° één enkele vissershut wordt toegelaten per vijver of groep van vijvers met een oppervlakte van minstens tien are;
2° de vissershut is gelegen langs een vijver of groep van vijvers;
3° de grondinneming van de vissershut beslaat een oppervlakte van maximum veertig vierkante meter;
4° de vissershut bestaat uit één enkel enkelvoudig verdiepingloos bouwvolume met een zadeldak waarvan beide delen dezelfde hellingsgraad hebben of met een groendak bestaande uit uitsluitend inlandse soorten;
5° de opgaande muren worden opgetrokken uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurige en matte beschermingslaag.
Art. R. II.37-9. Refuges de pêche
Les refuges de pêche sont autorisés aux conditions cumulatives suivantes :
1° un seul refuge de pêche est autorisé par étang ou groupe d'étangs d'une superficie de dix ares minimum;
2° le refuge est situé au bord de l'étang ou du groupe d'étangs;
3° le refuge présente une superficie au sol de maximum quarante mètres carrés;
4° le refuge est constitué d'un seul volume simple, sans étage, avec une toiture sombre et mate à deux versants de même pente ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
5° ses élévations sont réalisées en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué.
Les refuges de pêche sont autorisés aux conditions cumulatives suivantes :
1° un seul refuge de pêche est autorisé par étang ou groupe d'étangs d'une superficie de dix ares minimum;
2° le refuge est situé au bord de l'étang ou du groupe d'étangs;
3° le refuge présente une superficie au sol de maximum quarante mètres carrés;
4° le refuge est constitué d'un seul volume simple, sans étage, avec une toiture sombre et mate à deux versants de même pente ou avec une toiture végétale composée exclusivement d'espèces indigènes;
5° ses élévations sont réalisées en bois sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué.
Art. R. II.37-10. Vrijetijdsverblijven.
Van de lijst van de vrijetijdsverblijven bedoeld in artikel D.II.37, § 4, maken deel uit : de tent, de tipi, de joert, de luchtbel en de houten blokhut, met inbegrip van de paalhut.
Van de lijst van de vrijetijdsverblijven bedoeld in artikel D.II.37, § 4, maken deel uit : de tent, de tipi, de joert, de luchtbel en de houten blokhut, met inbegrip van de paalhut.
Art. R. II.37-10. Hébergements de loisirs
Font partie de la liste des hébergements de loisirs visée à l'article D.II.37, § 4, les tentes, les tipis, les yourtes, les bulles et les cabanes en bois, en ce compris sur pilotis.
Font partie de la liste des hébergements de loisirs visée à l'article D.II.37, § 4, les tentes, les tipis, les yourtes, les bulles et les cabanes en bois, en ce compris sur pilotis.
Art. R. II.37-11.Bouwwerken, uitrustingen, wegen, onmiddellijke omgeving en parkeergelegenheden van publieke activiteiten met didactische doeleinden, bosinitiatie, bosobservatie, recreatieve of toeristische activiteiten.
§ 1. De publieke activiteiten met didactische doeleinden, bosinitiatie, bosobservatie, recreatieve of toeristische activiteiten, behalve de vrijetijdsverblijven, zijn toegelaten in bosgebieden tegen de volgende cumulatieve voorwaarden :
1° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of voor recreatieve of toeristische activiteiten, in een integraal reservaat, bedoeld in artikel 71, leden 1 en 2, van het Boswetboek of in de locaties erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud, uitgezonderd :
a) in de aangewezen Natura 2000-locaties, de beheerseenheden 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in de erkende locaties, de uitvoering van een domaniaal natuurreservaat of een erkend natuurreservaat of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
2° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
3° de bouwwerken, installaties en uitrustingen worden in het natuurlijk milieu geïntegreerd en uitgevoerd na het vinden van een vestigingsplaats en onder de aanwending van technieken die zo weinig schadelijk mogelijk zijn voor de bomen;
4° de bouwwerken worden op een maximumafstand van honderd meter gevestigd ten opzichte van de openbare toegangsweg;
5° voor de ontvangst van het publiek wordt één enkel verdiepingloos bouwwerk met een grondinneming van maximum zestig vierkante meter toegelaten;
6° de bouwwerken en uitrustingen bestaan uit een verdiepingloos enkelvoudig bouwvolume;
7° de opgaande muren van de bouwwerken en uitrustingen worden hoofdzakelijk in hout uitgevoerd;
8° indien nodig, worden de binnenwegen en de parkeergelegenheden voor dienstvoertuigen aangelegd op een waterdoorlatende en niet gladgestreken ondergrond;
9° wanneer de activiteit beëindigd wordt, wordt in voorkomend geval de locatie herbebost rekening houdend met de criteria van het ecologisch soortenbestand, uitgegeven overeenkomstig artikel 40 van het Boswetboek of overgelaten aan natuurlijke regeneratie.
De punten 2°, 5° en 6° zijn niet van toepassing voor zover tegelijk :
1° het project kadert in een project tot toeristische valorisering van bosarealen, ontwikkeld door het Waalse Gewest in de zin van het Waalse Toerismewetboek [1 ...]1;
2° als het project gevestigd wordt in een bos van meer dan twintig hectare uit één stuk onder bosregeling, wordt het plan tot bosinrichting, bedoeld in artikel 57 van het Boswetboek definitief aangenomen.
§ 2. Vrijetijdsverblijven worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of in een integraal reservaat, in de zin van artikel 71, leden 1 en 2, van het Boswetboek of in de locaties erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud, uitgezonderd :
a) in de aangewezen Natura 2000-locaties, de beheerseenheden 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in de erkende locaties, de uitvoering van een domaniaal natuurreservaat of een erkend natuurreservaat of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
2° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
3° het project bevat maximum tien onderkomens per hectare;
4° de onderkomens worden in het natuurlijk milieu geïntegreerd en uitgevoerd na het vinden van een vestigingsplaats en onder de aanwending van technieken die zo weinig schadelijk mogelijk zijn voor de bomen;
5° de onderkomens worden op een maximumafstand van honderd meter gevestigd ten opzichte van de openbare toegangsweg;
6° de oppervlakte van de onderkomens beslaat maximum zestig vierkante meter;
7° voor hutten worden de opgaande muren en het dak opgetrokken uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurige en matte beschermingslaag;
8° als het project gevestigd wordt in een bos van meer dan twintig hectare uit één stuk onder bosregeling, wordt het plan tot bosinrichting, bedoeld in artikel 57 van het Boswetboek, definitief aangenomen.
§ 1. De publieke activiteiten met didactische doeleinden, bosinitiatie, bosobservatie, recreatieve of toeristische activiteiten, behalve de vrijetijdsverblijven, zijn toegelaten in bosgebieden tegen de volgende cumulatieve voorwaarden :
1° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of voor recreatieve of toeristische activiteiten, in een integraal reservaat, bedoeld in artikel 71, leden 1 en 2, van het Boswetboek of in de locaties erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud, uitgezonderd :
a) in de aangewezen Natura 2000-locaties, de beheerseenheden 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in de erkende locaties, de uitvoering van een domaniaal natuurreservaat of een erkend natuurreservaat of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
2° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
3° de bouwwerken, installaties en uitrustingen worden in het natuurlijk milieu geïntegreerd en uitgevoerd na het vinden van een vestigingsplaats en onder de aanwending van technieken die zo weinig schadelijk mogelijk zijn voor de bomen;
4° de bouwwerken worden op een maximumafstand van honderd meter gevestigd ten opzichte van de openbare toegangsweg;
5° voor de ontvangst van het publiek wordt één enkel verdiepingloos bouwwerk met een grondinneming van maximum zestig vierkante meter toegelaten;
6° de bouwwerken en uitrustingen bestaan uit een verdiepingloos enkelvoudig bouwvolume;
7° de opgaande muren van de bouwwerken en uitrustingen worden hoofdzakelijk in hout uitgevoerd;
8° indien nodig, worden de binnenwegen en de parkeergelegenheden voor dienstvoertuigen aangelegd op een waterdoorlatende en niet gladgestreken ondergrond;
9° wanneer de activiteit beëindigd wordt, wordt in voorkomend geval de locatie herbebost rekening houdend met de criteria van het ecologisch soortenbestand, uitgegeven overeenkomstig artikel 40 van het Boswetboek of overgelaten aan natuurlijke regeneratie.
De punten 2°, 5° en 6° zijn niet van toepassing voor zover tegelijk :
1° het project kadert in een project tot toeristische valorisering van bosarealen, ontwikkeld door het Waalse Gewest in de zin van het Waalse Toerismewetboek [1 ...]1;
2° als het project gevestigd wordt in een bos van meer dan twintig hectare uit één stuk onder bosregeling, wordt het plan tot bosinrichting, bedoeld in artikel 57 van het Boswetboek definitief aangenomen.
§ 2. Vrijetijdsverblijven worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of in een integraal reservaat, in de zin van artikel 71, leden 1 en 2, van het Boswetboek of in de locaties erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud, uitgezonderd :
a) in de aangewezen Natura 2000-locaties, de beheerseenheden 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in de erkende locaties, de uitvoering van een domaniaal natuurreservaat of een erkend natuurreservaat of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
2° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
3° het project bevat maximum tien onderkomens per hectare;
4° de onderkomens worden in het natuurlijk milieu geïntegreerd en uitgevoerd na het vinden van een vestigingsplaats en onder de aanwending van technieken die zo weinig schadelijk mogelijk zijn voor de bomen;
5° de onderkomens worden op een maximumafstand van honderd meter gevestigd ten opzichte van de openbare toegangsweg;
6° de oppervlakte van de onderkomens beslaat maximum zestig vierkante meter;
7° voor hutten worden de opgaande muren en het dak opgetrokken uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurige en matte beschermingslaag;
8° als het project gevestigd wordt in een bos van meer dan twintig hectare uit één stuk onder bosregeling, wordt het plan tot bosinrichting, bedoeld in artikel 57 van het Boswetboek, definitief aangenomen.
Art. R. II.37-11.Constructions, équipements, voiries, abords et aires de stationnement des activités d'accueil du public à des fins didactiques, d'initiation à la forêt, d'observation de la forêt, récréatives ou touristiques.
§ 1er. Les activités d'accueil du public à des fins didactiques, d'initiation à la forêt, d'observation de la forêt, récréatives ou touristiques, hormis l'hébergement de loisirs, sont autorisées en zone forestière aux conditions cumulatives suivantes :
1° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou, pour les activités récréatives ou touristiques, dans une réserve intégrale au sens de l'article 71, alinéas 1er et 2, du Code forestier ou dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
3° les constructions, installations et équipements s'intègrent dans le milieu naturel et sont réalisés en recherchant une implantation et en utilisant les techniques les moins dommageables possible pour les arbres;
4° les constructions sont implantées à une distance maximale de cent mètres par rapport à la voirie publique d'accès;
5° une seule construction au sol destinée à l'accueil du public, sans étage et d'une superficie au sol de maximum soixante mètres carré est implantée;
6° les constructions et équipements présentent une volumétrie simple et sans étage;
7° les élévations des constructions et équipements sont réalisées principalement en bois;
8° si elles sont nécessaires, les voiries internes et les aires de stationnement pour véhicules de service sont réalisées en revêtements discontinus et perméables;
9° le cas échéant, lorsqu'il est mis fin à l'activité, le site est reboisé en tenant compte des critères du fichier écologique des essences édité en application de l'article 40 du Code forestier, ou laissé à la régénération naturelle.
Les points 2°, 5° et 6° ne s'appliquent pas pour autant que, cumulativement :
1° le projet s'inscrit dans le cadre du projet de valorisation touristique des massifs forestiers développé par la Région wallonne au sens du Code wallon du tourisme [1 ...]1;
2° si le projet s'implante dans un bois d'un seul tenant de plus de vingt hectares soumis au régime forestier, le plan d'aménagement forestier visé à l'article 57 du Code forestier a été définitivement adopté.
§ 2. L'hébergement de loisirs est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou dans une réserve intégrale au sens de l'article 71, alinéas 1er et 2, du Code forestier, ou dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
3° le projet comporte un maximum de dix hébergements par hectare;
4° l'hébergement s'intègre dans le milieu naturel et est réalisé en recherchant une implantation et en utilisant les techniques les moins dommageables possible pour les arbres;
5° l'hébergement est implanté à une distance maximale de cent mètres par rapport à la voirie publique d'accès;
6° l'hébergement présentent une superficie maximale de soixante mètres carrés;
7° s'il s'agit de cabanes, les élévations et la toiture sont réalisés en bois, sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué;
8° si le projet s'implante dans un bois d'un seul tenant de plus de vingt hectares soumis au régime forestier, le plan d'aménagement forestier visé à l'article 57 du Code forestier a été définitivement adopté.
§ 1er. Les activités d'accueil du public à des fins didactiques, d'initiation à la forêt, d'observation de la forêt, récréatives ou touristiques, hormis l'hébergement de loisirs, sont autorisées en zone forestière aux conditions cumulatives suivantes :
1° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou, pour les activités récréatives ou touristiques, dans une réserve intégrale au sens de l'article 71, alinéas 1er et 2, du Code forestier ou dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
3° les constructions, installations et équipements s'intègrent dans le milieu naturel et sont réalisés en recherchant une implantation et en utilisant les techniques les moins dommageables possible pour les arbres;
4° les constructions sont implantées à une distance maximale de cent mètres par rapport à la voirie publique d'accès;
5° une seule construction au sol destinée à l'accueil du public, sans étage et d'une superficie au sol de maximum soixante mètres carré est implantée;
6° les constructions et équipements présentent une volumétrie simple et sans étage;
7° les élévations des constructions et équipements sont réalisées principalement en bois;
8° si elles sont nécessaires, les voiries internes et les aires de stationnement pour véhicules de service sont réalisées en revêtements discontinus et perméables;
9° le cas échéant, lorsqu'il est mis fin à l'activité, le site est reboisé en tenant compte des critères du fichier écologique des essences édité en application de l'article 40 du Code forestier, ou laissé à la régénération naturelle.
Les points 2°, 5° et 6° ne s'appliquent pas pour autant que, cumulativement :
1° le projet s'inscrit dans le cadre du projet de valorisation touristique des massifs forestiers développé par la Région wallonne au sens du Code wallon du tourisme [1 ...]1;
2° si le projet s'implante dans un bois d'un seul tenant de plus de vingt hectares soumis au régime forestier, le plan d'aménagement forestier visé à l'article 57 du Code forestier a été définitivement adopté.
§ 2. L'hébergement de loisirs est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou dans une réserve intégrale au sens de l'article 71, alinéas 1er et 2, du Code forestier, ou dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
3° le projet comporte un maximum de dix hébergements par hectare;
4° l'hébergement s'intègre dans le milieu naturel et est réalisé en recherchant une implantation et en utilisant les techniques les moins dommageables possible pour les arbres;
5° l'hébergement est implanté à une distance maximale de cent mètres par rapport à la voirie publique d'accès;
6° l'hébergement présentent une superficie maximale de soixante mètres carrés;
7° s'il s'agit de cabanes, les élévations et la toiture sont réalisés en bois, sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué;
8° si le projet s'implante dans un bois d'un seul tenant de plus de vingt hectares soumis au régime forestier, le plan d'aménagement forestier visé à l'article 57 du Code forestier a été définitivement adopté.
Wijzigingen
Art. R. II.37-11_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Bouwwerken, uitrustingen, wegen, onmiddellijke omgeving en parkeergelegenheden van publieke activiteiten met didactische doeleinden, bosinitiatie, bosobservatie, recreatieve of toeristische activiteiten.
§ 1. De publieke activiteiten met didactische doeleinden, bosinitiatie, bosobservatie, recreatieve of toeristische activiteiten, behalve de vrijetijdsverblijven, zijn toegelaten in bosgebieden tegen de volgende cumulatieve voorwaarden :
1° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of voor recreatieve of toeristische activiteiten, in een integraal reservaat, bedoeld in artikel 71, leden 1 en 2, van het Boswetboek of in de locaties erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud, uitgezonderd :
a) in de aangewezen Natura 2000-locaties, de beheerseenheden 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in de erkende locaties, de uitvoering van een domaniaal natuurreservaat of een erkend natuurreservaat of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
2° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
3° de bouwwerken, installaties en uitrustingen worden in het natuurlijk milieu geïntegreerd en uitgevoerd na het vinden van een vestigingsplaats en onder de aanwending van technieken die zo weinig schadelijk mogelijk zijn voor de bomen;
4° de bouwwerken worden op een maximumafstand van honderd meter gevestigd ten opzichte van de openbare toegangsweg;
5° voor de ontvangst van het publiek wordt één enkel verdiepingloos bouwwerk met een grondinneming van maximum zestig vierkante meter toegelaten;
6° de bouwwerken en uitrustingen bestaan uit een verdiepingloos enkelvoudig bouwvolume;
7° de opgaande muren van de bouwwerken en uitrustingen worden hoofdzakelijk in hout uitgevoerd;
8° indien nodig, worden de binnenwegen en de parkeergelegenheden voor dienstvoertuigen aangelegd op een waterdoorlatende en niet gladgestreken ondergrond;
9° wanneer de activiteit beëindigd wordt, wordt in voorkomend geval de locatie herbebost rekening houdend met de criteria van het ecologisch soortenbestand, uitgegeven overeenkomstig artikel 40 van het Boswetboek of overgelaten aan natuurlijke regeneratie.
De punten 2°, 5° en 6° zijn niet van toepassing voor zover tegelijk :
1° het project kadert in [1 ...]1 een project tot toeristische valorisering van de bossen, ontwikkeld door de Duitstalige Gemeenschap;
2° als het project gevestigd wordt in een bos van meer dan twintig hectare uit één stuk onder bosregeling, wordt het plan tot bosinrichting, bedoeld in artikel 57 van het Boswetboek definitief aangenomen.
§ 2. Vrijetijdsverblijven worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of in een integraal reservaat, in de zin van artikel 71, leden 1 en 2, van het Boswetboek of in de locaties erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud, uitgezonderd :
a) in de aangewezen Natura 2000-locaties, de beheerseenheden 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in de erkende locaties, de uitvoering van een domaniaal natuurreservaat of een erkend natuurreservaat of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
2° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
3° het project bevat maximum tien onderkomens per hectare;
4° de onderkomens worden in het natuurlijk milieu geïntegreerd en uitgevoerd na het vinden van een vestigingsplaats en onder de aanwending van technieken die zo weinig schadelijk mogelijk zijn voor de bomen;
5° de onderkomens worden op een maximumafstand van honderd meter gevestigd ten opzichte van de openbare toegangsweg;
6° de oppervlakte van de onderkomens beslaat maximum zestig vierkante meter;
7° voor hutten worden de opgaande muren en het dak opgetrokken uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurige en matte beschermingslaag;
8° als het project gevestigd wordt in een bos van meer dan twintig hectare uit één stuk onder bosregeling, wordt het plan tot bosinrichting, bedoeld in artikel 57 van het Boswetboek, definitief aangenomen.
Bouwwerken, uitrustingen, wegen, onmiddellijke omgeving en parkeergelegenheden van publieke activiteiten met didactische doeleinden, bosinitiatie, bosobservatie, recreatieve of toeristische activiteiten.
§ 1. De publieke activiteiten met didactische doeleinden, bosinitiatie, bosobservatie, recreatieve of toeristische activiteiten, behalve de vrijetijdsverblijven, zijn toegelaten in bosgebieden tegen de volgende cumulatieve voorwaarden :
1° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of voor recreatieve of toeristische activiteiten, in een integraal reservaat, bedoeld in artikel 71, leden 1 en 2, van het Boswetboek of in de locaties erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud, uitgezonderd :
a) in de aangewezen Natura 2000-locaties, de beheerseenheden 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in de erkende locaties, de uitvoering van een domaniaal natuurreservaat of een erkend natuurreservaat of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
2° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
3° de bouwwerken, installaties en uitrustingen worden in het natuurlijk milieu geïntegreerd en uitgevoerd na het vinden van een vestigingsplaats en onder de aanwending van technieken die zo weinig schadelijk mogelijk zijn voor de bomen;
4° de bouwwerken worden op een maximumafstand van honderd meter gevestigd ten opzichte van de openbare toegangsweg;
5° voor de ontvangst van het publiek wordt één enkel verdiepingloos bouwwerk met een grondinneming van maximum zestig vierkante meter toegelaten;
6° de bouwwerken en uitrustingen bestaan uit een verdiepingloos enkelvoudig bouwvolume;
7° de opgaande muren van de bouwwerken en uitrustingen worden hoofdzakelijk in hout uitgevoerd;
8° indien nodig, worden de binnenwegen en de parkeergelegenheden voor dienstvoertuigen aangelegd op een waterdoorlatende en niet gladgestreken ondergrond;
9° wanneer de activiteit beëindigd wordt, wordt in voorkomend geval de locatie herbebost rekening houdend met de criteria van het ecologisch soortenbestand, uitgegeven overeenkomstig artikel 40 van het Boswetboek of overgelaten aan natuurlijke regeneratie.
De punten 2°, 5° en 6° zijn niet van toepassing voor zover tegelijk :
1° het project kadert in [1 ...]1 een project tot toeristische valorisering van de bossen, ontwikkeld door de Duitstalige Gemeenschap;
2° als het project gevestigd wordt in een bos van meer dan twintig hectare uit één stuk onder bosregeling, wordt het plan tot bosinrichting, bedoeld in artikel 57 van het Boswetboek definitief aangenomen.
§ 2. Vrijetijdsverblijven worden tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of in een integraal reservaat, in de zin van artikel 71, leden 1 en 2, van het Boswetboek of in de locaties erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud, uitgezonderd :
a) in de aangewezen Natura 2000-locaties, de beheerseenheden 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in de erkende locaties, de uitvoering van een domaniaal natuurreservaat of een erkend natuurreservaat of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
2° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
3° het project bevat maximum tien onderkomens per hectare;
4° de onderkomens worden in het natuurlijk milieu geïntegreerd en uitgevoerd na het vinden van een vestigingsplaats en onder de aanwending van technieken die zo weinig schadelijk mogelijk zijn voor de bomen;
5° de onderkomens worden op een maximumafstand van honderd meter gevestigd ten opzichte van de openbare toegangsweg;
6° de oppervlakte van de onderkomens beslaat maximum zestig vierkante meter;
7° voor hutten worden de opgaande muren en het dak opgetrokken uit hout die enkel ingestreken mogen worden met een donkerkleurige en matte beschermingslaag;
8° als het project gevestigd wordt in een bos van meer dan twintig hectare uit één stuk onder bosregeling, wordt het plan tot bosinrichting, bedoeld in artikel 57 van het Boswetboek, definitief aangenomen.
Art. R. II.37-11_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Constructions, équipements, voiries, abords et aires de stationnement des activités d'accueil du public à des fins didactiques, d'initiation à la forêt, d'observation de la forêt, récréatives ou touristiques.
§ 1er. Les activités d'accueil du public à des fins didactiques, d'initiation à la forêt, d'observation de la forêt, récréatives ou touristiques, hormis l'hébergement de loisirs, sont autorisées en zone forestière aux conditions cumulatives suivantes :
1° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou, pour les activités récréatives ou touristiques, dans une réserve intégrale au sens de l'article 71, alinéas 1er et 2, du Code forestier ou dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
3° les constructions, installations et équipements s'intègrent dans le milieu naturel et sont réalisés en recherchant une implantation et en utilisant les techniques les moins dommageables possible pour les arbres;
4° les constructions sont implantées à une distance maximale de cent mètres par rapport à la voirie publique d'accès;
5° une seule construction au sol destinée à l'accueil du public, sans étage et d'une superficie au sol de maximum soixante mètres carré est implantée;
6° les constructions et équipements présentent une volumétrie simple et sans étage;
7° les élévations des constructions et équipements sont réalisées principalement en bois;
8° si elles sont nécessaires, les voiries internes et les aires de stationnement pour véhicules de service sont réalisées en revêtements discontinus et perméables;
9° le cas échéant, lorsqu'il est mis fin à l'activité, le site est reboisé en tenant compte des critères du fichier écologique des essences édité en application de l'article 40 du Code forestier, ou laissé à la régénération naturelle.
Les points 2°, 5° et 6° ne s'appliquent pas pour autant que, cumulativement :
1° le projet s'inscrit dans le cadre [1 ...]1 d'un projet de valorisation touristique des forêts développé par la Communauté germanophone;
2° si le projet s'implante dans un bois d'un seul tenant de plus de vingt hectares soumis au régime forestier, le plan d'aménagement forestier visé à l'article 57 du Code forestier a été définitivement adopté.
§ 2. L'hébergement de loisirs est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou dans une réserve intégrale au sens de l'article 71, alinéas 1er et 2, du Code forestier, ou dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
3° le projet comporte un maximum de dix hébergements par hectare;
4° l'hébergement s'intègre dans le milieu naturel et est réalisé en recherchant une implantation et en utilisant les techniques les moins dommageables possible pour les arbres;
5° l'hébergement est implanté à une distance maximale de cent mètres par rapport à la voirie publique d'accès;
6° l'hébergement présentent une superficie maximale de soixante mètres carrés;
7° s'il s'agit de cabanes, les élévations et la toiture sont réalisés en bois, sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué;
8° si le projet s'implante dans un bois d'un seul tenant de plus de vingt hectares soumis au régime forestier, le plan d'aménagement forestier visé à l'article 57 du Code forestier a été définitivement adopté.
Constructions, équipements, voiries, abords et aires de stationnement des activités d'accueil du public à des fins didactiques, d'initiation à la forêt, d'observation de la forêt, récréatives ou touristiques.
§ 1er. Les activités d'accueil du public à des fins didactiques, d'initiation à la forêt, d'observation de la forêt, récréatives ou touristiques, hormis l'hébergement de loisirs, sont autorisées en zone forestière aux conditions cumulatives suivantes :
1° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou, pour les activités récréatives ou touristiques, dans une réserve intégrale au sens de l'article 71, alinéas 1er et 2, du Code forestier ou dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
3° les constructions, installations et équipements s'intègrent dans le milieu naturel et sont réalisés en recherchant une implantation et en utilisant les techniques les moins dommageables possible pour les arbres;
4° les constructions sont implantées à une distance maximale de cent mètres par rapport à la voirie publique d'accès;
5° une seule construction au sol destinée à l'accueil du public, sans étage et d'une superficie au sol de maximum soixante mètres carré est implantée;
6° les constructions et équipements présentent une volumétrie simple et sans étage;
7° les élévations des constructions et équipements sont réalisées principalement en bois;
8° si elles sont nécessaires, les voiries internes et les aires de stationnement pour véhicules de service sont réalisées en revêtements discontinus et perméables;
9° le cas échéant, lorsqu'il est mis fin à l'activité, le site est reboisé en tenant compte des critères du fichier écologique des essences édité en application de l'article 40 du Code forestier, ou laissé à la régénération naturelle.
Les points 2°, 5° et 6° ne s'appliquent pas pour autant que, cumulativement :
1° le projet s'inscrit dans le cadre [1 ...]1 d'un projet de valorisation touristique des forêts développé par la Communauté germanophone;
2° si le projet s'implante dans un bois d'un seul tenant de plus de vingt hectares soumis au régime forestier, le plan d'aménagement forestier visé à l'article 57 du Code forestier a été définitivement adopté.
§ 2. L'hébergement de loisirs est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou dans une réserve intégrale au sens de l'article 71, alinéas 1er et 2, du Code forestier, ou dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
3° le projet comporte un maximum de dix hébergements par hectare;
4° l'hébergement s'intègre dans le milieu naturel et est réalisé en recherchant une implantation et en utilisant les techniques les moins dommageables possible pour les arbres;
5° l'hébergement est implanté à une distance maximale de cent mètres par rapport à la voirie publique d'accès;
6° l'hébergement présentent une superficie maximale de soixante mètres carrés;
7° s'il s'agit de cabanes, les élévations et la toiture sont réalisés en bois, sur lequel seul un produit de protection de couleur sombre peut être appliqué;
8° si le projet s'implante dans un bois d'un seul tenant de plus de vingt hectares soumis au régime forestier, le plan d'aménagement forestier visé à l'article 57 du Code forestier a été définitivement adopté.
Wijzigingen
Art. R. II.37-12. Dierenparkactiviteiten.
Dierenparkactiviteiten worden tegen de volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of in de locaties erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud, uitgezonderd :
a) in de aangewezen Natura 2000-locaties, beheerseenheden 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in de erkende locaties, de uitvoering van een domaniaal natuurreservaat of een erkend natuurreservaat of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
2° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
3° voor de ontvangst van het publiek wordt één enkel verdiepingloos bouwwerk met een grondinneming van maximum zestig vierkante meter toegelaten;
4° de bouwwerken, installaties en uitrustingen worden in het natuurlijk milieu geïntegreerd en uitgevoerd na het vinden van een vestigingsplaats en onder de aanwending van technieken die zo weinig schadelijk mogelijk zijn voor de bomen;
5° de bouwwerken en uitrustingen bestaan uit een verdiepingloos enkelvoudig bouwvolume;
6° de materialen voor de opgaande muren bestaan hoofdzakelijk uit hout en de daken hebben een donkere en matte kleur;
7° indien nodig, worden de binnenwegen en de parkeergelegenheden voor dienstvoertuigen op een waterdoorlatende en niet-gladgestreken ondergrond uitgevoerd;
8° wanneer de activiteit beëindigd wordt, wordt in voorkomend geval de locatie herbebost rekening houdend met de criteria van het ecologisch soortenbestand, uitgegeven overeenkomstig artikel 40 van het Boswetboek of overgelaten aan natuurlijke regeneratie.
Dierenparkactiviteiten worden tegen de volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of in de locaties erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud, uitgezonderd :
a) in de aangewezen Natura 2000-locaties, beheerseenheden 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in de erkende locaties, de uitvoering van een domaniaal natuurreservaat of een erkend natuurreservaat of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
2° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
3° voor de ontvangst van het publiek wordt één enkel verdiepingloos bouwwerk met een grondinneming van maximum zestig vierkante meter toegelaten;
4° de bouwwerken, installaties en uitrustingen worden in het natuurlijk milieu geïntegreerd en uitgevoerd na het vinden van een vestigingsplaats en onder de aanwending van technieken die zo weinig schadelijk mogelijk zijn voor de bomen;
5° de bouwwerken en uitrustingen bestaan uit een verdiepingloos enkelvoudig bouwvolume;
6° de materialen voor de opgaande muren bestaan hoofdzakelijk uit hout en de daken hebben een donkere en matte kleur;
7° indien nodig, worden de binnenwegen en de parkeergelegenheden voor dienstvoertuigen op een waterdoorlatende en niet-gladgestreken ondergrond uitgevoerd;
8° wanneer de activiteit beëindigd wordt, wordt in voorkomend geval de locatie herbebost rekening houdend met de criteria van het ecologisch soortenbestand, uitgegeven overeenkomstig artikel 40 van het Boswetboek of overgelaten aan natuurlijke regeneratie.
Art. R. II.37-12. Activités de parc animalier zoologique
Les activités de parc animalier zoologique sont autorisées aux conditions cumulatives suivantes :
1° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
3° une seule construction au sol destinée à l'accueil du public, sans étage et d'une superficie au sol de maximum, soixante mètres carrés est implantée;
4° les constructions, abris et équipements s'intègrent dans le milieu naturel et sont réalisées en recherchant une implantation et en utilisant les techniques les moins dommageables pour les arbres;
5° les constructions et abris présentent une volumétrie simple, sans étage;
6° les matériaux d'élévation utilisés sont principalement le bois et les toitures sont de ton sombre et mat;
7° si elles sont nécessaires, les voiries internes et les aires de stationnement sont réalisées en revêtement discontinus et perméables;
8° le cas échéant, lorsqu'il est mis fin à l'activité, le site est reboisé en tenant compte des critères du fichier écologique des essences édité en application de l'article 40 du Code forestier, ou laissé à la régénération naturelle.
Les activités de parc animalier zoologique sont autorisées aux conditions cumulatives suivantes :
1° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
2° le projet n'implique aucune modification du relief du sol, ni aucun drainage;
3° une seule construction au sol destinée à l'accueil du public, sans étage et d'une superficie au sol de maximum, soixante mètres carrés est implantée;
4° les constructions, abris et équipements s'intègrent dans le milieu naturel et sont réalisées en recherchant une implantation et en utilisant les techniques les moins dommageables pour les arbres;
5° les constructions et abris présentent une volumétrie simple, sans étage;
6° les matériaux d'élévation utilisés sont principalement le bois et les toitures sont de ton sombre et mat;
7° si elles sont nécessaires, les voiries internes et les aires de stationnement sont réalisées en revêtement discontinus et perméables;
8° le cas échéant, lorsqu'il est mis fin à l'activité, le site est reboisé en tenant compte des critères du fichier écologique des essences édité en application de l'article 40 du Code forestier, ou laissé à la régénération naturelle.
Art. R. II.37-13. Ontbossing voor landbouwdoeleinden.
Ontbossing wordt tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° ontbossingen worden verricht voor teelt- en weidelanddoeleinden in het kader van een landbouwbedrijf;
2° het project wordt aangelegd op een terrein dat een klein bosbouwkundig, biologisch of waterbouwkundig belang vertoont;
3° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of in de locaties erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud, uitgezonderd :
a) in de aangewezen Natura 2000-locaties, beheerseenheden 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in de erkende locaties, de uitvoering van een beheersplan voor een domaniaal natuurreservaat, een erkend natuurreservaat of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
4° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
5° wanneer de landbouwactiviteit beëindigd wordt, wordt in voorkomend geval de locatie herbebost rekening houdend met de criteria van het ecologisch soortenbestand, uitgegeven overeenkomstig artikel 40 van het Boswetboek of overgelaten aan natuurlijke regeneratie.
Ontbossing wordt tegen volgende cumulatieve voorwaarden toegelaten :
1° ontbossingen worden verricht voor teelt- en weidelanddoeleinden in het kader van een landbouwbedrijf;
2° het project wordt aangelegd op een terrein dat een klein bosbouwkundig, biologisch of waterbouwkundig belang vertoont;
3° het project is niet gelegen in een omtrek van waardevolle vergezichten, bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°, of in de locaties erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud, uitgezonderd :
a) in de aangewezen Natura 2000-locaties, beheerseenheden 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in de erkende locaties, de uitvoering van een beheersplan voor een domaniaal natuurreservaat, een erkend natuurreservaat of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
4° het project houdt geen enkele wijziging in het bodemreliëf en geen enkele drainage in;
5° wanneer de landbouwactiviteit beëindigd wordt, wordt in voorkomend geval de locatie herbebost rekening houdend met de criteria van het ecologisch soortenbestand, uitgegeven overeenkomstig artikel 40 van het Boswetboek of overgelaten aan natuurlijke regeneratie.
Art. R. II.37-13. Déboisement à des fins agricoles
Le déboisement est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° le déboisement est réalisé à des fins de culture ou de pâturage dans le cadre d'une exploitation agricole;
2° le projet est implanté sur un terrain ne présentant qu'un faible intérêt sylvicole, biologique, hydrologique ou paysager;
3° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
4° aucune modification du relief du sol ni drainage n'est réalisé;
5° lorsqu'il est mis fin à l'activité agricole, le site est reboisé en tenant compte des critères du fichier écologique des essences édité en application de l'article 40 du Code forestier, ou laissé à la régénération naturelle.
Le déboisement est autorisé aux conditions cumulatives suivantes :
1° le déboisement est réalisé à des fins de culture ou de pâturage dans le cadre d'une exploitation agricole;
2° le projet est implanté sur un terrain ne présentant qu'un faible intérêt sylvicole, biologique, hydrologique ou paysager;
3° le projet n'est pas situé dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°, ou dans les sites reconnus en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
4° aucune modification du relief du sol ni drainage n'est réalisé;
5° lorsqu'il est mis fin à l'activité agricole, le site est reboisé en tenant compte des critères du fichier écologique des essences édité en application de l'article 40 du Code forestier, ou laissé à la régénération naturelle.
Art. R. II.37-14. Elke aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 en elke stedenbouwkundige vergunning of elk stedenbouwkundig attest nr. 2 betreffende de activiteiten bedoeld in de artikelen R.II.37-1 tot R.II.37-13 wordt formeel gemotiveerd ten opzichte van de effecten van die activiteiten op het landschap, de flora, de fauna, het debiet en de kwaliteit van de waterlopen.
De vrijwaring van de kenmerken van een naburige locatie, beschermd krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud of de Richtlijnen 2009/147/EU van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna mag niet in gevaar worden gebracht.
De vrijwaring van de kenmerken van een naburige locatie, beschermd krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud of de Richtlijnen 2009/147/EU van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna mag niet in gevaar worden gebracht.
Art. R. II.37-14. Toute demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 et tout permis d'urbanisme ou certificat d'urbanisme n° 2 relatif aux activités visées aux articles R.II.37-1 à R.II.37-13 est formellement motivé au regard de l'incidence de ces activités sur le paysage, la flore, la faune et le débit et la qualité des cours d'eau.
La préservation des caractéristiques d'un site voisin protégé en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 ou des Directives 2009/147/UE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages et 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages ne peut être mise en péril.
La préservation des caractéristiques d'un site voisin protégé en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 ou des Directives 2009/147/UE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages et 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages ne peut être mise en péril.
Art. R _II.37-14.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Elke aanvraag voor een [1 vergunning]1 of een stedenbouwkundig attest nr. 2 en elke stedenbouwkundige vergunning of elk stedenbouwkundig attest nr. 2 betreffende de activiteiten bedoeld in de artikelen R.II.37-1 tot R.II.37-13 wordt formeel gemotiveerd ten opzichte van de effecten van die activiteiten op het landschap, de flora, de fauna, het debiet en de kwaliteit van de waterlopen.
De vrijwaring van de kenmerken van een naburige locatie, beschermd krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud of de Richtlijnen 2009/147/EU van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna mag niet in gevaar worden gebracht.
Elke aanvraag voor een [1 vergunning]1 of een stedenbouwkundig attest nr. 2 en elke stedenbouwkundige vergunning of elk stedenbouwkundig attest nr. 2 betreffende de activiteiten bedoeld in de artikelen R.II.37-1 tot R.II.37-13 wordt formeel gemotiveerd ten opzichte van de effecten van die activiteiten op het landschap, de flora, de fauna, het debiet en de kwaliteit van de waterlopen.
De vrijwaring van de kenmerken van een naburige locatie, beschermd krachtens de wet van 12 juli 1973 betreffende het natuurbehoud of de Richtlijnen 2009/147/EU van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna mag niet in gevaar worden gebracht.
Art. R _II.37-14.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Toute demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 [1 ou tout permis ou]1 certificat d'urbanisme n° 2 relatif aux activités visées aux articles R.II.37-1 à R.II.37-13 est formellement motivé au regard de l'incidence de ces activités sur le paysage, la flore, la faune et le débit et la qualité des cours d'eau.
La préservation des caractéristiques d'un site voisin protégé en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 ou des Directives 2009/147/UE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages et 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages ne peut être mise en péril.
Toute demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 [1 ou tout permis ou]1 certificat d'urbanisme n° 2 relatif aux activités visées aux articles R.II.37-1 à R.II.37-13 est formellement motivé au regard de l'incidence de ces activités sur le paysage, la flore, la faune et le débit et la qualité des cours d'eau.
La préservation des caractéristiques d'un site voisin protégé en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 ou des Directives 2009/147/UE du Parlement européen et du Conseil du 30 novembre 2009 concernant la conservation des oiseaux sauvages et 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages ne peut être mise en péril.
Wijzigingen
Onderafdeling 4. - Lijst van de handelingen en werken die uitgevoerd mogen worden in een parkgebied, zoals bedoeld in artikel D.II.40
Sous-section 4. - Liste des actes et travaux qui peuvent être réalisés en zone de parc visés à l'article D.II.40
Art. R. II.40-1. De aanvullende handelingen en werken, toegelaten in parkgebied, hebben betrekking op volgende uitrustingen :
1° sport- en speelgronden in de open lucht;
2° loopzones voor zachte mobiliteit;
3° een restaurant of een cafetaria per drie hectare parkgebied;
4° de gebouwen en de installaties voor de ontvangst van het publiek met didactische of recreatieve doeleinden, met inbegrip van dierenschuilplaatsen;
5° het bezorgen van een onderkomen aan het publiek dat aan de didactische activiteiten deelneemt;
6° het plaatsen van tenten, tipis, joerten, luchtbellen en houten blokhutten, met inbegrip van paalhutten, tegen volgende cumulatieve voorwaarden :
a) hun oppervlakte beslaat maximum veertig vierkante meter;
b) ze zijn niet aangesloten op water, gas, elektriciteit en riolering;
c) voor hutten bestaan de materialen volledig uit hout;
d) het project vervult de voorwaarden bedoeld in artikel R.II.37-11, § 2, 2°, 3°, 4° en 5° ;
7° één of meerdere ruimtes voor parkeergelegenheden in waterdoorlatende en niet gladgestreken materialen.
De totale oppervlakte van de handelingen en werken bedoeld in lid 1 en in artikel D.II.40, lid 3, mag tien percent van de totale oppervlakte van een parkgebied kleiner dan of gelijk aan 5 ha niet overschrijden, en vijftien percent van de totale oppervlakte van een parkgebied groter dan 5 ha. Loopzones voor zachte mobiliteit zijn niet inbegrepen in de tien en in de vijftien percent.
1° sport- en speelgronden in de open lucht;
2° loopzones voor zachte mobiliteit;
3° een restaurant of een cafetaria per drie hectare parkgebied;
4° de gebouwen en de installaties voor de ontvangst van het publiek met didactische of recreatieve doeleinden, met inbegrip van dierenschuilplaatsen;
5° het bezorgen van een onderkomen aan het publiek dat aan de didactische activiteiten deelneemt;
6° het plaatsen van tenten, tipis, joerten, luchtbellen en houten blokhutten, met inbegrip van paalhutten, tegen volgende cumulatieve voorwaarden :
a) hun oppervlakte beslaat maximum veertig vierkante meter;
b) ze zijn niet aangesloten op water, gas, elektriciteit en riolering;
c) voor hutten bestaan de materialen volledig uit hout;
d) het project vervult de voorwaarden bedoeld in artikel R.II.37-11, § 2, 2°, 3°, 4° en 5° ;
7° één of meerdere ruimtes voor parkeergelegenheden in waterdoorlatende en niet gladgestreken materialen.
De totale oppervlakte van de handelingen en werken bedoeld in lid 1 en in artikel D.II.40, lid 3, mag tien percent van de totale oppervlakte van een parkgebied kleiner dan of gelijk aan 5 ha niet overschrijden, en vijftien percent van de totale oppervlakte van een parkgebied groter dan 5 ha. Loopzones voor zachte mobiliteit zijn niet inbegrepen in de tien en in de vijftien percent.
Art. R. II.40-1. Les actes et travaux complémentaires admis en zone de parc sont ceux relatifs aux équipements suivants :
1° les aires de jeux et de sport de plein air;
2° les cheminements liés à la mobilité douce;
3° un restaurant ou une cafétéria par trois hectares de zone de parc;
4° les bâtiments et installations destinés à l'accueil du public à des fin didactiques ou récréatives, en ce compris les abris pour animaux;
5° l'hébergement du public participant aux activités didactiques;
6° le placement de tentes, tipis, yourtes, les bulles ou la construction de cabanes en bois, en ce compris sur pilotis, aux conditions cumulatives suivantes :
a) ils présentent une superficie maximale de quarante mètres carrés;
b) ils ne sont pas équipés en eau, gaz ou électricité et en égouttage;
c) s'il s'agit de cabanes, les matériaux sont entièrement en bois;
d) le projet remplit les conditions visées à l'article R.II.37-11, § 2, 2°, 3°, 4° et 5° ;
7° une ou plusieurs aires de parking en matériau perméable et discontinu.
La superficie totale des actes et travaux visés à l'aliéna 1er et à l'article D.II.40, alinéa 3, ne peut excéder dix pour cent de la superficie totale d'une zone de parc inférieure ou égale à 5 ha et quinze pour cent de la superficie totale d'une zone de parc supérieure à 5 ha. Les cheminements liés à la mobilité douce ne sont pas compris dans les dix pour cent et les quinze pour cent.
1° les aires de jeux et de sport de plein air;
2° les cheminements liés à la mobilité douce;
3° un restaurant ou une cafétéria par trois hectares de zone de parc;
4° les bâtiments et installations destinés à l'accueil du public à des fin didactiques ou récréatives, en ce compris les abris pour animaux;
5° l'hébergement du public participant aux activités didactiques;
6° le placement de tentes, tipis, yourtes, les bulles ou la construction de cabanes en bois, en ce compris sur pilotis, aux conditions cumulatives suivantes :
a) ils présentent une superficie maximale de quarante mètres carrés;
b) ils ne sont pas équipés en eau, gaz ou électricité et en égouttage;
c) s'il s'agit de cabanes, les matériaux sont entièrement en bois;
d) le projet remplit les conditions visées à l'article R.II.37-11, § 2, 2°, 3°, 4° et 5° ;
7° une ou plusieurs aires de parking en matériau perméable et discontinu.
La superficie totale des actes et travaux visés à l'aliéna 1er et à l'article D.II.40, alinéa 3, ne peut excéder dix pour cent de la superficie totale d'une zone de parc inférieure ou égale à 5 ha et quinze pour cent de la superficie totale d'une zone de parc supérieure à 5 ha. Les cheminements liés à la mobilité douce ne sont pas compris dans les dix pour cent et les quinze pour cent.
Onderafdeling 5. - Uitvoering van een gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen wordt zoals bedoeld in artikel D.II.42, § 2
Sous-section 5. - Mise en oeuvre de la zone d'aménagement communal concertée visée à l'article D.II.42, § 2
Art. R. II.42-1.De vereenvoudigde inhoud van het plaatselijke beleidsontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.II.42, § 2, bevat de elementen bedoeld in artikel D.II.11, § 2, 1° en 2° [1 a) en]1, c tot f. Wanneer het de uitvoering betreft, als geheel of als deel, van een gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen als parkgebied waarvan de oppervlakte vijf hectare overschrijdt om er de handelingen en werken bedoeld in artikel D.II.40, lid 3, te vergunnen, bevat de vereenvoudigde inhoud van het plaatselijke beleidsontwikkelingsplan bedoeld in artikel D.II.42, § 2, de elementen bedoeld in artikel D.II.11, § 2,1° en 2°, a en c tot f.
Art. R. II.42-1.Le contenu simplifié du schéma d'orientation local visé à l'article D.II.42, § 2, comprend les éléments visés à l'article D.II.11, § 2, 1° et 2°, c à f. Lorsqu'il s'agit d'agit de la mise en oeuvre de tout ou partie de zone d'aménagement communal concerté en zone de parc d'une superficie excédant cinq hectares pour y autoriser les actes et travaux visés à l'article D.II.40, alinéa 3, le contenu simplifié du schéma d'orientation local visé à l'article D.II.42, § 2, comprend les éléments visés à l'article D.II.11, § 2, 1° et 2°, [1 a) et]1 c à f.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Tracé van de hoofdinfrastructuren
Section 3. - Tracé des principales infrastructures
HOOFDSTUK III. - Procedure
CHAPITRE III. - Procédure
Afdeling 1. - Inhoud van het basisdossier
Section 1re. - Contenu du dossier de base
Afdeling 2. - Op de herziening toepasselijke principes
Section 2. - Principes applicables à la révision
Art. R. II.45-1.§ 1. Een compensatie, omschreven in operationele termen, draagt met name bij tot :
1° het uitvoeren van de handelingen en werken voor het herstel, de renovatie, de sanering, de bouw of de heropbouw in een herin te richten locatie, met inbegrip van een locatie tot herstel van landschap en leefmilieu voor de teruggave van haar bebouwingspotentieel;
2° stadshernieuwings-, stadsheroplevings- of plattelandsontwikkelingsverrichtingen uitvoeren;
[1 3° verharde ruimtes ontharden.]1
§ 2. Een compensatie, omschreven in leefmilieutermen, draagt met name bij tot :
1° het verlenen van een hogere bescherming aan onroerende goederen gelegen :
a) in een locatie, erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 over het natuurbehoud;
b) in een gebied onderhevig aan een overstromingsrisico in de zin van artikel D.53 van het Waterwetboek;
2° de herstelling van buitengewone vergezichten in een (on)bebouwd landschap;
3° het waarborgen van doorgangsgebieden tussen de verschillende biotopen van plant- en diersoorten;
4° de bescherming, het beheer en de inrichting van het landschap;
5° het verlenen van een hoger beschermingsniveau aan elk gebied opgenomen in het gewestplan door voorrang te verlenen aan niet voor bebouwing bestemde gebieden in de zin van artikel D.II.23, lid 3.
§ 3. Een compensatie, omschreven in energietermen, draagt met name bij tot het beperken van de effecten van de vectoren die energieverbruik bevorderen zoals uitrustingen, verplaatsingen, op lucht en klimaat.
§ 4. Een compensatie, omschreven in mobiliteitstermen, draagt met name bij tot :
1° een effectieve of verbeterde vermazing van het wegennet;
2° een vlotter en toegankelijker verkeersnet vanuit het gebied of de gebieden waarvan de opneming op het gewestplan overwogen wordt;
3° een vlotter gebruik van loopzones voor zwakke weggebruikers;
4° het aanmoedigen van het gebruik van zachte vervoersmodi en collectief vervoer;
[1 5° trajecten creëren voor de actieve vervoerswijzen;
6° parkeerruimte creëren voor de actieve vervoerswijzen.]1
1° het uitvoeren van de handelingen en werken voor het herstel, de renovatie, de sanering, de bouw of de heropbouw in een herin te richten locatie, met inbegrip van een locatie tot herstel van landschap en leefmilieu voor de teruggave van haar bebouwingspotentieel;
2° stadshernieuwings-, stadsheroplevings- of plattelandsontwikkelingsverrichtingen uitvoeren;
[1 3° verharde ruimtes ontharden.]1
§ 2. Een compensatie, omschreven in leefmilieutermen, draagt met name bij tot :
1° het verlenen van een hogere bescherming aan onroerende goederen gelegen :
a) in een locatie, erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 over het natuurbehoud;
b) in een gebied onderhevig aan een overstromingsrisico in de zin van artikel D.53 van het Waterwetboek;
2° de herstelling van buitengewone vergezichten in een (on)bebouwd landschap;
3° het waarborgen van doorgangsgebieden tussen de verschillende biotopen van plant- en diersoorten;
4° de bescherming, het beheer en de inrichting van het landschap;
5° het verlenen van een hoger beschermingsniveau aan elk gebied opgenomen in het gewestplan door voorrang te verlenen aan niet voor bebouwing bestemde gebieden in de zin van artikel D.II.23, lid 3.
§ 3. Een compensatie, omschreven in energietermen, draagt met name bij tot het beperken van de effecten van de vectoren die energieverbruik bevorderen zoals uitrustingen, verplaatsingen, op lucht en klimaat.
§ 4. Een compensatie, omschreven in mobiliteitstermen, draagt met name bij tot :
1° een effectieve of verbeterde vermazing van het wegennet;
2° een vlotter en toegankelijker verkeersnet vanuit het gebied of de gebieden waarvan de opneming op het gewestplan overwogen wordt;
3° een vlotter gebruik van loopzones voor zwakke weggebruikers;
4° het aanmoedigen van het gebruik van zachte vervoersmodi en collectief vervoer;
[1 5° trajecten creëren voor de actieve vervoerswijzen;
6° parkeerruimte creëren voor de actieve vervoerswijzen.]1
Art. R. II.45-1.§ 1er. Une compensation définie en terme opérationnel contribue notamment à :
1° réaliser des actes et travaux de réhabilitation, de rénovation, d'assainissement, de construction ou de reconstruction dans un site à réaménager, y compris un site de réhabilitation paysagère et environnementale, afin de lui rendre un potentiel d'urbanisation;
2° réaliser des opérations de rénovation urbaine ou de revitalisation urbaine ou de développement rural;
[1 3° désartificaliser des espaces artificialisés.]1
§ 2. Une compensation définie en terme d'environnement contribue notamment à :
1° accroitre la protection des biens immobiliers situés :
a) dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
b) dans une zone [1 soumise]1 à l'aléa inondation au sens de l'article D.53 du Code de l'Eau;
2° recréer des vues exceptionnelles sur un paysage bâti ou non bâti;
3° garantir aux espèces animales et végétales les espaces de transition entre leurs biotopes;
4° contribuer à la protection, à la gestion et à l'aménagement du paysage;
5° accroître le niveau de protection de toute zone inscrite au plan de secteur en privilégiant les zones non destinées à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 3.
§ 3. Une compensation définie en terme énergétique contribue notamment à limiter les effets des vecteurs générateurs de consommation énergétique tels que les équipements, les déplacements, sur l'air et le climat.
§ 4. Une compensation définie en terme de mobilité contribue notamment à :
1° assurer ou améliorer le maillage des voiries;
2° améliorer la fluidité ou l'accessibilité des réseaux de communication en liaison avec la ou les zones qu'il est projeté d'inscrire au plan de secteur;
3° faciliter les cheminements des usagers faibles;
4° encourager l'utilisation des modes doux et des transports collectifs;
[1 5° créer des cheminements pour les modes actifs ;
6° créer des espaces de stationnement pour les modes actifs.]1
1° réaliser des actes et travaux de réhabilitation, de rénovation, d'assainissement, de construction ou de reconstruction dans un site à réaménager, y compris un site de réhabilitation paysagère et environnementale, afin de lui rendre un potentiel d'urbanisation;
2° réaliser des opérations de rénovation urbaine ou de revitalisation urbaine ou de développement rural;
[1 3° désartificaliser des espaces artificialisés.]1
§ 2. Une compensation définie en terme d'environnement contribue notamment à :
1° accroitre la protection des biens immobiliers situés :
a) dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
b) dans une zone [1 soumise]1 à l'aléa inondation au sens de l'article D.53 du Code de l'Eau;
2° recréer des vues exceptionnelles sur un paysage bâti ou non bâti;
3° garantir aux espèces animales et végétales les espaces de transition entre leurs biotopes;
4° contribuer à la protection, à la gestion et à l'aménagement du paysage;
5° accroître le niveau de protection de toute zone inscrite au plan de secteur en privilégiant les zones non destinées à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 3.
§ 3. Une compensation définie en terme énergétique contribue notamment à limiter les effets des vecteurs générateurs de consommation énergétique tels que les équipements, les déplacements, sur l'air et le climat.
§ 4. Une compensation définie en terme de mobilité contribue notamment à :
1° assurer ou améliorer le maillage des voiries;
2° améliorer la fluidité ou l'accessibilité des réseaux de communication en liaison avec la ou les zones qu'il est projeté d'inscrire au plan de secteur;
3° faciliter les cheminements des usagers faibles;
4° encourager l'utilisation des modes doux et des transports collectifs;
[1 5° créer des cheminements pour les modes actifs ;
6° créer des espaces de stationnement pour les modes actifs.]1
Wijzigingen
Art. R _II.45-1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. [1 - Een compensatie, omschreven in operationele termen, draagt met name bij tot:
1° het uitvoeren van handelingen en werken inzake sanering, renovatie en bodemsanering en inzake bouw of heropbouw, om het bebouwingspotentieel van het betrokken goed te herstellen;
2° het uitvoeren van maatregelen voor plattelandsontwikkeling;
3° het uitvoeren van maatregelen inzake herwaardering en ontwikkeling van stedelijke functies]1.
§ 2. Een compensatie, omschreven in leefmilieutermen, draagt met name bij tot :
1° het verlenen van een hogere bescherming aan onroerende goederen gelegen :
a) in een locatie, erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 over het natuurbehoud;
b) in een gebied onderhevig aan een overstromingsrisico in de zin van artikel D.53 van het Waterwetboek;
2° de herstelling van buitengewone vergezichten in een (on)bebouwd landschap;
3° het waarborgen van doorgangsgebieden tussen de verschillende biotopen van plant- en diersoorten;
4° de bescherming, het beheer en de inrichting van het landschap;
5° het verlenen van een hoger beschermingsniveau aan elk gebied opgenomen in het gewestplan door voorrang te verlenen aan niet voor bebouwing bestemde gebieden in de zin van artikel D.II.23, lid 3.
§ 3. Een compensatie, omschreven in energietermen, draagt met name bij tot het beperken van de effecten van de vectoren die energieverbruik bevorderen zoals uitrustingen, verplaatsingen, op lucht en klimaat.
§ 4. Een compensatie, omschreven in mobiliteitstermen, draagt met name bij tot :
1° een effectieve of verbeterde vermazing van het wegennet;
2° een vlotter en toegankelijker verkeersnet vanuit het gebied of de gebieden waarvan de opneming op het gewestplan overwogen wordt;
3° een vlotter gebruik van loopzones voor zwakke weggebruikers;
4° het aanmoedigen van het gebruik van zachte vervoersmodi en collectief vervoer.
§ 1. [1 - Een compensatie, omschreven in operationele termen, draagt met name bij tot:
1° het uitvoeren van handelingen en werken inzake sanering, renovatie en bodemsanering en inzake bouw of heropbouw, om het bebouwingspotentieel van het betrokken goed te herstellen;
2° het uitvoeren van maatregelen voor plattelandsontwikkeling;
3° het uitvoeren van maatregelen inzake herwaardering en ontwikkeling van stedelijke functies]1.
§ 2. Een compensatie, omschreven in leefmilieutermen, draagt met name bij tot :
1° het verlenen van een hogere bescherming aan onroerende goederen gelegen :
a) in een locatie, erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 over het natuurbehoud;
b) in een gebied onderhevig aan een overstromingsrisico in de zin van artikel D.53 van het Waterwetboek;
2° de herstelling van buitengewone vergezichten in een (on)bebouwd landschap;
3° het waarborgen van doorgangsgebieden tussen de verschillende biotopen van plant- en diersoorten;
4° de bescherming, het beheer en de inrichting van het landschap;
5° het verlenen van een hoger beschermingsniveau aan elk gebied opgenomen in het gewestplan door voorrang te verlenen aan niet voor bebouwing bestemde gebieden in de zin van artikel D.II.23, lid 3.
§ 3. Een compensatie, omschreven in energietermen, draagt met name bij tot het beperken van de effecten van de vectoren die energieverbruik bevorderen zoals uitrustingen, verplaatsingen, op lucht en klimaat.
§ 4. Een compensatie, omschreven in mobiliteitstermen, draagt met name bij tot :
1° een effectieve of verbeterde vermazing van het wegennet;
2° een vlotter en toegankelijker verkeersnet vanuit het gebied of de gebieden waarvan de opneming op het gewestplan overwogen wordt;
3° een vlotter gebruik van loopzones voor zwakke weggebruikers;
4° het aanmoedigen van het gebruik van zachte vervoersmodi en collectief vervoer.
Art. R _II.45-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. [1 - Une compensation définie en terme opérationnel contribue notamment à :
1° réaliser des actes et travaux de réhabilitation, de rénovation, d'assainissement, de construction ou de reconstruction afin de rétablir le potentiel d'urbanisation du bien concerné;
2° réaliser des opérations de développement rural;
3° réaliser des opérations de requalification et de développement de fonctions urbaines]1.
§ 2. Une compensation définie en terme d'environnement contribue notamment à :
1° accroitre la protection des biens immobiliers situés :
a) dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
b) dans une zone soumises à l'aléa inondation au sens de l'article D.53 du Code de l'Eau;
2° recréer des vues exceptionnelles sur un paysage bâti ou non bâti;
3° garantir aux espèces animales et végétales les espaces de transition entre leurs biotopes;
4° contribuer à la protection, à la gestion et à l'aménagement du paysage;
5° accroître le niveau de protection de toute zone inscrite au plan de secteur en privilégiant les zones non destinées à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 3.
§ 3. Une compensation définie en terme énergétique contribue notamment à limiter les effets des vecteurs générateurs de consommation énergétique tels que les équipements, les déplacements, sur l'air et le climat.
§ 4. Une compensation définie en terme de mobilité contribue notamment à :
1° assurer ou améliorer le maillage des voiries;
2° améliorer la fluidité ou l'accessibilité des réseaux de communication en liaison avec la ou les zones qu'il est projeté d'inscrire au plan de secteur;
3° faciliter les cheminements des usagers faibles;
4° encourager l'utilisation des modes doux et des transports collectifs.
§ 1er. [1 - Une compensation définie en terme opérationnel contribue notamment à :
1° réaliser des actes et travaux de réhabilitation, de rénovation, d'assainissement, de construction ou de reconstruction afin de rétablir le potentiel d'urbanisation du bien concerné;
2° réaliser des opérations de développement rural;
3° réaliser des opérations de requalification et de développement de fonctions urbaines]1.
§ 2. Une compensation définie en terme d'environnement contribue notamment à :
1° accroitre la protection des biens immobiliers situés :
a) dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
b) dans une zone soumises à l'aléa inondation au sens de l'article D.53 du Code de l'Eau;
2° recréer des vues exceptionnelles sur un paysage bâti ou non bâti;
3° garantir aux espèces animales et végétales les espaces de transition entre leurs biotopes;
4° contribuer à la protection, à la gestion et à l'aménagement du paysage;
5° accroître le niveau de protection de toute zone inscrite au plan de secteur en privilégiant les zones non destinées à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23, alinéa 3.
§ 3. Une compensation définie en terme énergétique contribue notamment à limiter les effets des vecteurs générateurs de consommation énergétique tels que les équipements, les déplacements, sur l'air et le climat.
§ 4. Une compensation définie en terme de mobilité contribue notamment à :
1° assurer ou améliorer le maillage des voiries;
2° améliorer la fluidité ou l'accessibilité des réseaux de communication en liaison avec la ou les zones qu'il est projeté d'inscrire au plan de secteur;
3° faciliter les cheminements des usagers faibles;
4° encourager l'utilisation des modes doux et des transports collectifs.
Wijzigingen
Art. R. II.45-2. De omvang van de alternatieve compensatie wordt beoordeeld op grond van de oppervlakte van het (de) toekomstige bebouwingsgebied(en) die niet het voorwerp uitmaken van een planologische compensatie. Het proportionaliteitsbeginsel vereist een redelijke verhouding tussen, enerzijds, de residuele impact van de oppervlakte die het voorwerp uitmaakt van de alternatieve compensatie en, anderzijds, de overwogen alternatieve compensatie.
Om de inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel te onderzoeken, wordt de kostprijs van de alternatieve compensatie voortvloeiend uit de opneming van het (de) bebouwingsgebied(en) vergeleken met een redelijk geachte kostprijs, geraamd op grond van een theoretisch bedrag, vastgesteld door de Regering tijdens de procedure van de opmaak of herziening van het gewestplan. Dat theoretisch bedrag, bepaald per oppervlakte-eenheid en forfaitair vastgesteld, is gegrond op het type op te nemen gebieden, zoals bepaald in artikel D.II.23, lid 2, 1° tot 7°. De kostprijs voor de alternatieve compensatie mag niet significant hoger of lager zijn dan het theoretisch bedrag dat als ijkpunt dient.
De aard van de alternatieve compensatie is bij voorkeur verbonden aan de aard van de impact, die gecompenseerd dient te worden door maatregelen van operationele, leefmilieu-, energie, of mobiliteitsgerelateerde aard of een combinatie ervan.
Om de inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel te onderzoeken, wordt de kostprijs van de alternatieve compensatie voortvloeiend uit de opneming van het (de) bebouwingsgebied(en) vergeleken met een redelijk geachte kostprijs, geraamd op grond van een theoretisch bedrag, vastgesteld door de Regering tijdens de procedure van de opmaak of herziening van het gewestplan. Dat theoretisch bedrag, bepaald per oppervlakte-eenheid en forfaitair vastgesteld, is gegrond op het type op te nemen gebieden, zoals bepaald in artikel D.II.23, lid 2, 1° tot 7°. De kostprijs voor de alternatieve compensatie mag niet significant hoger of lager zijn dan het theoretisch bedrag dat als ijkpunt dient.
De aard van de alternatieve compensatie is bij voorkeur verbonden aan de aard van de impact, die gecompenseerd dient te worden door maatregelen van operationele, leefmilieu-, energie, of mobiliteitsgerelateerde aard of een combinatie ervan.
Art. R. II.45-2. L'ampleur de la compensation alternative est évaluée sur la base de la superficie de la ou des futures zones destinées à l'urbanisation qui ne font pas l'objet d'une compensation planologique. Le principe de proportionnalité requiert qu'il existe un rapport raisonnable entre d'une part l'impact résiduel de la superficie de la zone faisant l'objet de la compensation alternative et, d'autre part, la compensation alternative envisagée.
L'examen du respect du principe de proportionnalité peut être fait en comparant le coût de la compensation alternative découlant de l'inscription de la ou des zones destinées à l'urbanisation à un coût jugé raisonnable estimé sur la base d'un montant théorique fixé par le Gouvernement lors de la procédure d'élaboration ou de révision du plan de secteur. Ce montant théorique, déterminé par unité de surface et établi forfaitairement, est basé sur le type de zones à inscrire, tel que visé à l'article D.II.23, alinéa 2, 1° à 7°. Le coût de la compensation alternative ne peut pas être inférieur ou supérieur de manière significative au montant théorique servant de point de comparaison.
La nature de la compensation alternative est de préférence liée à la nature de l'impact à compenser par des mesures soit opérationnelles, soit environnementales, soit énergétiques, soit de mobilité, soit par une combinaison de ces mesures.
L'examen du respect du principe de proportionnalité peut être fait en comparant le coût de la compensation alternative découlant de l'inscription de la ou des zones destinées à l'urbanisation à un coût jugé raisonnable estimé sur la base d'un montant théorique fixé par le Gouvernement lors de la procédure d'élaboration ou de révision du plan de secteur. Ce montant théorique, déterminé par unité de surface et établi forfaitairement, est basé sur le type de zones à inscrire, tel que visé à l'article D.II.23, alinéa 2, 1° à 7°. Le coût de la compensation alternative ne peut pas être inférieur ou supérieur de manière significative au montant théorique servant de point de comparaison.
La nature de la compensation alternative est de préférence liée à la nature de l'impact à compenser par des mesures soit opérationnelles, soit environnementales, soit énergétiques, soit de mobilité, soit par une combinaison de ces mesures.
Art. R _II.45-2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De omvang van de alternatieve compensatie wordt beoordeeld op grond van de oppervlakte van het (de) toekomstige bebouwingsgebied(en) die niet het voorwerp uitmaken van een planologische compensatie. Het proportionaliteitsbeginsel vereist een redelijke verhouding tussen, enerzijds, de residuele impact van de oppervlakte die het voorwerp uitmaakt van de alternatieve compensatie en, anderzijds, de overwogen alternatieve compensatie.
Om de inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel te onderzoeken, wordt de kostprijs van de alternatieve compensatie voortvloeiend uit de opneming van het (de) bebouwingsgebied(en) vergeleken met een redelijk geachte kostprijs, geraamd op grond van een theoretisch bedrag, vastgesteld door de Regering tijdens de procedure van de opmaak of herziening van het gewestplan. Dat theoretisch bedrag, bepaald per oppervlakte-eenheid en forfaitair vastgesteld, is gegrond op het type op te nemen gebieden, zoals bepaald in artikel D.II.23, lid 2, 1° tot 7°. De kostprijs voor de alternatieve compensatie mag niet significant hoger of lager zijn dan het theoretisch bedrag dat als ijkpunt dient.
[1 De aard van de alternatieve compensatie is bij voorkeur verbonden aan de aard van de impact die gecompenseerd dient te worden. Er is een combinatie mogelijk van maatregelen van operationele, leefmilieugerelateerde, energiegerelateerde of mobiliteitsgerelateerde aard]1.
De omvang van de alternatieve compensatie wordt beoordeeld op grond van de oppervlakte van het (de) toekomstige bebouwingsgebied(en) die niet het voorwerp uitmaken van een planologische compensatie. Het proportionaliteitsbeginsel vereist een redelijke verhouding tussen, enerzijds, de residuele impact van de oppervlakte die het voorwerp uitmaakt van de alternatieve compensatie en, anderzijds, de overwogen alternatieve compensatie.
Om de inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel te onderzoeken, wordt de kostprijs van de alternatieve compensatie voortvloeiend uit de opneming van het (de) bebouwingsgebied(en) vergeleken met een redelijk geachte kostprijs, geraamd op grond van een theoretisch bedrag, vastgesteld door de Regering tijdens de procedure van de opmaak of herziening van het gewestplan. Dat theoretisch bedrag, bepaald per oppervlakte-eenheid en forfaitair vastgesteld, is gegrond op het type op te nemen gebieden, zoals bepaald in artikel D.II.23, lid 2, 1° tot 7°. De kostprijs voor de alternatieve compensatie mag niet significant hoger of lager zijn dan het theoretisch bedrag dat als ijkpunt dient.
[1 De aard van de alternatieve compensatie is bij voorkeur verbonden aan de aard van de impact die gecompenseerd dient te worden. Er is een combinatie mogelijk van maatregelen van operationele, leefmilieugerelateerde, energiegerelateerde of mobiliteitsgerelateerde aard]1.
Art. R _II.45-2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
L'ampleur de la compensation alternative est évaluée sur la base de la superficie de la ou des futures zones destinées à l'urbanisation qui ne font pas l'objet d'une compensation planologique. Le principe de proportionnalité requiert qu'il existe un rapport raisonnable entre d'une part l'impact résiduel de la superficie de la zone faisant l'objet de la compensation alternative et, d'autre part, la compensation alternative envisagée.
L'examen du respect du principe de proportionnalité peut être fait en comparant le coût de la compensation alternative découlant de l'inscription de la ou des zones destinées à l'urbanisation à un coût jugé raisonnable estimé sur la base d'un montant théorique fixé par le Gouvernement lors de la procédure d'élaboration ou de révision du plan de secteur. Ce montant théorique, déterminé par unité de surface et établi forfaitairement, est basé sur le type de zones à inscrire, tel que visé à l'article D.II.23, alinéa 2, 1° à 7°. Le coût de la compensation alternative ne peut pas être inférieur ou supérieur de manière significative au montant théorique servant de point de comparaison.
[1 La nature de la compensation alternative est de préférence liée à la nature de l'impact à compenser. Une combinaison de mesures opérationnelles, environnementales, énergétiques ou de mobilité est possible]1.
L'ampleur de la compensation alternative est évaluée sur la base de la superficie de la ou des futures zones destinées à l'urbanisation qui ne font pas l'objet d'une compensation planologique. Le principe de proportionnalité requiert qu'il existe un rapport raisonnable entre d'une part l'impact résiduel de la superficie de la zone faisant l'objet de la compensation alternative et, d'autre part, la compensation alternative envisagée.
L'examen du respect du principe de proportionnalité peut être fait en comparant le coût de la compensation alternative découlant de l'inscription de la ou des zones destinées à l'urbanisation à un coût jugé raisonnable estimé sur la base d'un montant théorique fixé par le Gouvernement lors de la procédure d'élaboration ou de révision du plan de secteur. Ce montant théorique, déterminé par unité de surface et établi forfaitairement, est basé sur le type de zones à inscrire, tel que visé à l'article D.II.23, alinéa 2, 1° à 7°. Le coût de la compensation alternative ne peut pas être inférieur ou supérieur de manière significative au montant théorique servant de point de comparaison.
[1 La nature de la compensation alternative est de préférence liée à la nature de l'impact à compenser. Une combinaison de mesures opérationnelles, environnementales, énergétiques ou de mobilité est possible]1.
Wijzigingen
Art. R. II.45-3. De alternatieve compensaties kunnen geheel of gedeeltelijk concreet gemaakt worden door de wijziging van elk bestanddeel van het gewestplan, ongeacht of het gaat om een gebied, een tracé of de plaatsvervangende reservingsomtrek in de zin van artikel D.II.21, § 1, of een bijkomende omtrek of een bijkomend voorschrift, op het gewestplan opgenomen in het kader van de herziening die tot compensatie aanleiding geeft.
Art. R. II.45-3. Les compensations alternatives peuvent être concrétisées, en tout ou en partie, par la modification de toute composante du plan de secteur, qu'il s'agisse d'une zone, d'un tracé ou du périmètre de réservation qui en tient lieu au sens de l'article D.II.21, § 1er, d'un périmètre ou d'une prescription supplémentaire inscrite au plan dans le cadre de la révision donnant lieu à la compensation.
Art. R. II.45-4.Wanneer de alternatieve compensatie pas na de aanneming van de gewestplanherziening aangenomen kan worden, wordt in het besluit, om er de doeltreffendheid van te waarborgen, vermeld wie belast is met de uitvoering van de compensatie, welke de uitvoeringsmodaliteiten ervan zijn, en welke maatregelen als controle op de uitvoering genomen worden. Wanneer de alternatieve compensatie in een overeenkomst is opgenomen, wordt deze bekendgemaakt op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1.
Art. R. II.45-4.Afin de garantir son effectivité, lorsque la compensation alternative ne peut être réalisée qu'après l'adoption de la révision du plan, l'arrêté qui adopte la révision précise qui est chargé d'exécuter la compensation, les modalités d'exécution de celle-ci ainsi que les mesures de contrôle de l'exécution. Lorsque la compensation alternative fait l'objet d'une convention, celle-ci est publiée sur le site Internet du Département de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme de [1 l'administration]1.
Wijzigingen
Art. R. II.45-4_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Wanneer de alternatieve compensatie pas na de aanneming van de gewestplanherziening aangenomen kan worden, wordt in het besluit, om er de doeltreffendheid van te waarborgen, vermeld wie belast is met de uitvoering van de compensatie, welke de uitvoeringsmodaliteiten ervan zijn, en welke maatregelen als controle op de uitvoering genomen worden. Wanneer de alternatieve compensatie in een overeenkomst is opgenomen, wordt deze bekendgemaakt op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1.
Wanneer de alternatieve compensatie pas na de aanneming van de gewestplanherziening aangenomen kan worden, wordt in het besluit, om er de doeltreffendheid van te waarborgen, vermeld wie belast is met de uitvoering van de compensatie, welke de uitvoeringsmodaliteiten ervan zijn, en welke maatregelen als controle op de uitvoering genomen worden. Wanneer de alternatieve compensatie in een overeenkomst is opgenomen, wordt deze bekendgemaakt op de website [1 van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1.
Art. R. II.45-4_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Afin de garantir son effectivité, lorsque la compensation alternative ne peut être réalisée qu'après l'adoption de la révision du plan, l'arrêté qui adopte la révision précise qui est chargé d'exécuter la compensation, les modalités d'exécution de celle-ci ainsi que les mesures de contrôle de l'exécution. Lorsque la compensation alternative fait l'objet d'une convention, celle-ci est publiée sur le site Internet [1 du Ministère de la Communauté germanophone]1.
Afin de garantir son effectivité, lorsque la compensation alternative ne peut être réalisée qu'après l'adoption de la révision du plan, l'arrêté qui adopte la révision précise qui est chargé d'exécuter la compensation, les modalités d'exécution de celle-ci ainsi que les mesures de contrôle de l'exécution. Lorsque la compensation alternative fait l'objet d'une convention, celle-ci est publiée sur le site Internet [1 du Ministère de la Communauté germanophone]1.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Gewone herzieningen
Section 3-. Révisions ordinaires
Onderafdeling 1. - Herzieningen op initiatief van de Regering
Sous-section 1re. - Révision à l'initiative du Gouvernement
Onderafdeling 2. - Herzieningen op initiatief van de gemeente
Sous-section 2. - Révision à l'initiative de la commune
Art. R. II.47.[1 De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.47, § 2, nuttig acht om te raadplegen en draagt [2 de administratie]2 op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
Art. R. II.47.[1 Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.47, § 2, et charge [2 l'administration]2 de soumettre le dossier pour avis.]1
Art. R. II.47_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.47, § 2, nuttig acht om te raadplegen en draagt [2 het departement]2 op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
[1 De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.47, § 2, nuttig acht om te raadplegen en draagt [2 het departement]2 op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
Art. R. II.47_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.47, § 2, et charge [2 le département]2 de soumettre le dossier pour avis.]1
[1 Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.47, § 2, et charge [2 le département]2 de soumettre le dossier pour avis.]1
Onderafdeling 3. - Herziening op initiatief van een privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon
Sous-section 3. - Révision à l'initiative d'une personne physique ou morale, privée ou publique
Art. R. II.48. [1 De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.48, § 4, nuttig acht om te raadplegen en draagt de DGO4 op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
Art. R. II.48. [1 Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.48, § 4, et charge la DGO4 de soumettre le dossier pour avis.]1
Art. R. II.48_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.48, § 4, nuttig acht om te raadplegen en draagt [2 het departement]2 op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
[1 De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.48, § 4, nuttig acht om te raadplegen en draagt [2 het departement]2 op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
Art. R. II.48_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.48, § 4, et charge [2 le département]2 de soumettre le dossier pour avis.]1
[1 Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.48, § 4, et charge [2 le département]2 de soumettre le dossier pour avis.]1
Onderafdeling 4. - Gemeenrechtelijke procedure
Sous-section 4. - Procédure de droit commun
Art. R. II.49-1.[1 De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.49, § 2, nuttig acht om te raadplegen en draagt [2 de administratie]2 op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
Art. R. II.49-1.[1 Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.49, § 2, et charge [2 l'administration]2 de soumettre le dossier pour avis.]1
Art. R. II.49-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.49, § 2, nuttig acht om te raadplegen en draagt [2 het departement]2 op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
[1 De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.49, § 2, nuttig acht om te raadplegen en draagt [2 het departement]2 op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
Art. R. II.49-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.49, § 2, et charge [2 le département]2 de soumettre le dossier pour avis.]1
[1 Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.49, § 2, et charge [2 le département]2 de soumettre le dossier pour avis.]1
Art. R. II.49-2.[2 De administratie]2 licht de gemeenteraad [1 of de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon,]1 in over de beslissing tot goedkeuring van het ontwerp-plan, overeenkomstig artikel D.II.49, § 3.
Art. R. II.49-2.[2 L'administration]2 avise le conseil communal [1 ou la personne physique ou morale, privée ou publique,]1 de la décision d'approbation du projet de plan en application de l'article D.II.49, § 3.
Art. R. II.49-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[2 Het departement]2 licht de gemeenteraad [1 of de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon,]1 in over de beslissing tot goedkeuring van het ontwerp-plan, overeenkomstig artikel D.II.49, § 3.
[2 Het departement]2 licht de gemeenteraad [1 of de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon,]1 in over de beslissing tot goedkeuring van het ontwerp-plan, overeenkomstig artikel D.II.49, § 3.
Art. R. II.49-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[2 Le département]2 avise le conseil communal [1 ou la personne physique ou morale, privée ou publique,]1 de la décision d'approbation du projet de plan en application de l'article D.II.49, § 3.
[2 Le département]2 avise le conseil communal [1 ou la personne physique ou morale, privée ou publique,]1 de la décision d'approbation du projet de plan en application de l'article D.II.49, § 3.
Art. R. II.50-1.[1 De administratie]1 richt het afschrift van de beslissing aan de gemeenten, overeenkomstig artikel D.II.50, § 2.
Art. R. II.50-1.[1 L'administration]1 envoie la copie de la décision aux communes en application de l'article D.II.50, § 2.
Wijzigingen
Art. R. II.50-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Het departement]1 richt het afschrift van de beslissing aan de gemeenten, overeenkomstig artikel D.II.50, § 2.
[1 Het departement]1 richt het afschrift van de beslissing aan de gemeenten, overeenkomstig artikel D.II.50, § 2.
Art. R. II.50-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le département]1 envoie la copie de la décision aux communes en application de l'article D.II.50, § 2.
[1 Le département]1 envoie la copie de la décision aux communes en application de l'article D.II.50, § 2.
Wijzigingen
Afdeling 4-. Versnelde herzieningen
Section 4. - Révisions accélérées
Onderafdeling 1. [1 - Procedure voor de herziening van een gewestplan met het oog op de opneming van een gebied van gewestelijk belang zonder compensatie]1
Sous-section 1re. [1 - Procédure de révision de plan de secteur en vue de l'inscription d'une zone d'enjeu régional sans compensation]1
Art. R. II.51-1.[1 [2 De administratie]2 richt het afschrift van het besluit voor advies aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.51, § 1. De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.51, § 2, nuttig acht om te raadplegen en draagt [2 de administratie]2 op om het dossier voor advies voor te leggen. DGO4 richt het afschrift van de beslissing aan de gemeenten en aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.51, § 5.]1
Art. R. II.51-1.[1 [2 L'administration]2 envoie la copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.51, § 1er. Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.51, § 2, et charge [2 l'administration]2 de soumettre le dossier pour avis. [2 L'administration]2 envoie la copie de la décision aux communes et aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.51, § 5. ]1
Art. R. II.51-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 [2 Het departement richt]2 het afschrift van het besluit voor advies aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.51, § 1. De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.51, § 2, nuttig acht om te raadplegen en [2 draagt het departement op]2 om het dossier voor advies voor te leggen. DGO4 richt het afschrift van de beslissing aan de gemeenten en aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.51, § 5.]1
[1 [2 Het departement richt]2 het afschrift van het besluit voor advies aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.51, § 1. De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.51, § 2, nuttig acht om te raadplegen en [2 draagt het departement op]2 om het dossier voor advies voor te leggen. DGO4 richt het afschrift van de beslissing aan de gemeenten en aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.51, § 5.]1
Art. R. II.51-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 [2 Le département]2 envoie la copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.51, § 1er. Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.51, § 2, et charge [2 le département]2 de soumettre le dossier pour avis. [2 Le département]2 envoie la copie de la décision aux communes et aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.51, § 5. ]1
[1 [2 Le département]2 envoie la copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.51, § 1er. Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.51, § 2, et charge [2 le département]2 de soumettre le dossier pour avis. [2 Le département]2 envoie la copie de la décision aux communes et aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.51, § 5. ]1
Onderafdeling 2. - Herziening van een gewestplan met het oog op de opneming van een gebied van gemeentelijk belang zonder compensatie of herziening van een gewestplan waarvoor geen compensatie vereist is [1 , een niet-bebouwingsgebied, een beschermingsomtrek voor ruimten gelegen buiten een centrumgebied of een bijkomend voorschrift met betrekking tot de ruimteoptimalisatie]1
Sous-section 2. - Révision de plan de secteur en vue de l'inscription d'une zone d'enjeu communal sans compensation ou révision de plan de secteur ne nécessitant pas de compensation [1 , d'une zone non destinée à l'urbanisation, d'un périmètre de protection des espaces hors centralité ou d'une prescription supplémentaire portant sur l'optimisation spatiale]1
Art. R. II.52-1.[1 [2 De administratie]2 richt het afschrift van het besluit voor advies aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.52, § 1. De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.52, § 3, nuttig acht om te raadplegen en draagt [2 de administratie]2 op om het dossier voor advies voor te leggen. DGO4 richt het afschrift van de beslissing aan de gemeenten en aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.52, § 7.]1
Art. R. II.52-1.[1 [2 L'administration]2 envoie la copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.52, § 1er. Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.52, § 3, et charge [2 l'administration]2 de soumettre le dossier pour avis. [2 L'administration]2 envoie la copie de la décision aux communes et aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.52, § 7.]1
Art. R. II.52-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 [2 Het departement richt]2 het afschrift van het besluit voor advies aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.52, § 1. De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.52, § 3, nuttig acht om te raadplegen en [2 draagt het departement op]2 om het dossier voor advies voor te leggen. DGO4 richt het afschrift van de beslissing aan de gemeenten en aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.52, § 7.]1
[1 [2 Het departement richt]2 het afschrift van het besluit voor advies aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.52, § 1. De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.52, § 3, nuttig acht om te raadplegen en [2 draagt het departement op]2 om het dossier voor advies voor te leggen. DGO4 richt het afschrift van de beslissing aan de gemeenten en aan de eigenaars van de betrokken onroerende goederen, overeenkomstig artikel D.II.52, § 7.]1
Art. R. II.52-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 [2 Le département]2 envoie la copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.52, § 1er. Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.52, § 3, et charge [2 le département]2 de soumettre le dossier pour avis. [2 Le département]2 envoie la copie de la décision aux communes et aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.52, § 7.]1
[1 [2 Le département]2 envoie la copie de l'arrêté pour avis aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.52, § 1er. Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.52, § 3, et charge [2 le département]2 de soumettre le dossier pour avis. [2 Le département]2 envoie la copie de la décision aux communes et aux propriétaires des biens immobiliers concernés en application de l'article D.II.52, § 7.]1
Afdeling 5. - Opmakingsprocedure
Section 5. - Procédure d'élaboration
HOOFDSTUK IV. - Gezamenlijke procedure plan-vergunningen
CHAPITRE IV. - Procédure conjointe plan-permis
Afdeling 1. [1 Toepassingsgebied.]1
Section 1ere. [1 Champ d'application]1
Afdeling 2. [1 Indiening van de gezamenlijke aanvraag]1
Section 2. [1 Introduction de la demande conjointe]1
Onderafdeling 1. [1 Indiening van de aanvraag tot de herziening van het gewestplan]1
Sous-section 1ère. [1 Introduction de la demande de révision du plan de secteur]1
Onderafdeling 2. [1 Gezamenlijke effectenbeoordeling]1
Sous-section 2. [1 Evaluation conjointe des incidences]1
Art. R. II.54/4-1. [1 De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.54/4 nuttig acht om te raadplegen en draagt de administratie op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
Art. R. II.54/4-1. [1 Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.54/4, et charge l'administration de soumettre le dossier pour avis.]1
Art. R. II.54/5-1. [1 De administratie stuurt de aanvrager de beslissing van de Regering overeenkomstig artikel D.II.54/5.]1
Art. R. II.54/5-1. [1 L'administration envoie au demandeur la décision du Gouvernement en application de l'article D.II.54/5.]1
Art. R. II.54/5-2. [1 De aanmaning bedoeld in artikel D.II.54/5 wordt gezonden aan de minister met een afschrift aan de directeur-generaal van de administratie.]1
Art. R. II.54/5-2. [1 Le rappel visé à l'article D.II.54/5 est adressé au Ministre avec copie au directeur général de l'administration]1
Onderafdeling 3. [1 Indiening van de vergunningsaanvraag]1
Sous-section 3. [1 Introduction de la demande de permis]1
Art. R. II.54/7-1. [1 De Minister bepaalt de personen of instanties die hij krachtens artikel D.II.54/7, § 2, nuttig acht om te raadplegen en draagt de administratie op om het dossier voor advies voor te leggen.
De directeur-generaal van de administratie of, bij gebrek, de inspecteur-generaal van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van de administratie wijst de gemeenten aan op wier grondgebied het openbaar onderzoek wordt uitgevoerd.]1
De directeur-generaal van de administratie of, bij gebrek, de inspecteur-generaal van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van de administratie wijst de gemeenten aan op wier grondgebied het openbaar onderzoek wordt uitgevoerd.]1
Art. R. II.54/7-1. [1 Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.II.54/7, § 1er ou § 2, et charge l'administration de soumettre le dossier pour avis.
Le directeur général de l'administration ou, à défaut, l'inspecteur général du Département de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme de l'administration désigne les communes sur le territoire desquelles une enquête publique est réalisée.]1
Le directeur général de l'administration ou, à défaut, l'inspecteur général du Département de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme de l'administration désigne les communes sur le territoire desquelles une enquête publique est réalisée.]1
Afdeling 3. [1 Behandeling van de gezamenlijkeaanvraag]1
Section 3. [1 Instruction de la demande conjointe]1
Art. R. II.54/8-1. [1 De beslissing van de aanvrager om geen vergunning als bedoeld in artikel D.II.54/8 aan te vragen, wordt gericht aan de Minister met een afschrift, in het geval van een aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning, aan de directeur-generaal van de administratie en aan de gedelegeerd ambtenaar en, in het geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning, aan de directeur-generaal van de administratie, aan de directeur-generaal van de administratie Leefmilieu, aan de gedelegeerd ambtenaar en aan de technisch ambtenaar. ]1
Art. R. II.54/8-1. [1 La décision du demandeur de ne pas introduire de demande de permis visée à l'article D.II.54/8 est adressée au Ministre avec copie, s'il s'agit d'une demande de permis d'urbanisme au Directeur général de l'administration et au fonctionnaire délégué et, s'il s'agit d'une demande de permis unique au Directeur général de l'administration, au Directeur général de l'administration de l'Environnement, au fonctionnaire délégué et au fonctionnaire technique.]1
Afdeling 4. [1 Beslissing]1
Section 4. [1 Décision.]1
Art. R. II.54/9-1. [1 De aanvulling wordt verstuurd naar de minister met een afschrift, in het geval van een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, naar de directeur-generaal van de Administratie en de gedelegeerd ambtenaar en, in het geval van een aanvraag voor een globale vergunning, naar de directeur-generaal van de Administratie, de directeur-generaal van de Milieuadministratie, de gedelegeerd ambtenaar en de technisch ambtenaar.]1
Art. R. II.54/9-1. [1 Le complément est adressé au Ministre avec copie, s'il s'agit d'une demande de permis d'urbanisme au Directeur général de l'administration et au fonctionnaire délégué et, s'il s'agit d'une demande de permis unique au Directeur général de l'administration, au Directeur général de l'administration de l'Environnement, au fonctionnaire délégué et au fonctionnaire technique.]1
Art. R. II.54/9-2. [1 De administratie stuurt de aanvrager de beslissing van de Regering overeenkomstig artikel D.II.54/9.]1
Art. R. II.54/9-2. [1 L'administration envoie au demandeur la décision du Gouvernement en application de l'article D.II.54/9.]1
Art. R. II.54/10-1. [1 Krachtens artikel D.II.54/10 stuurt de administratie een afschriftvan de beslissing naar de leidend ambtenaar en de operator in de zin van het decreet van 2 februari 2017 betreffende de ontwikkeling van bedrijfsparken.]1
Art. R. II.54/10-1. [1 En application de l'article D.II.54/10, l'administration envoie la copie de la décision au fonctionnaire dirigeant et à l'opérateur au sens du décret du 2 février 2017 relatif au développement des parcs d'activités économiques.]1
Art. R. II.54/11-1. [1 Overeenkomstig artikel D.II.54/11 zendt de administratie een afschrift van de beslissing aan de gemeenten en aan de bevoegde autoriteiten van het Gewest, de Lidstaat van de Europese Unie of de Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo en die advies heeft uitgebracht over het verzoek op grond van artikel D.VIII.45.]1
Art. R. II.54/11-1. [1 En application de l'article D.II.54/11, l'administration envoie la copie de la décision aux communes et aux autorités compétentes de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo qui a émis un avis sur la demande en application de l'article D.VIII.45.]1
HOOFDSTUK V. - Juridische gevolgen
CHAPITRE V. - Effets juridiques
Titel 2.1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Omtrekken]1
Titre 2.1. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Périmètres]1
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Algemeen]1
Chapitre Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Généralités]1
Art. R. II.57.1-1. [1 - De saneringshandelingen en -werken bedoeld in artikel D.II.57.1, § 1, 2°, omvatten:
1° de dringende maatregelen die verband houden met:
a) de afbraakwerken bevolen bij een besluit van de burgemeester om redenen van openbare veiligheid;
b) de opheffing van het gevaar voor de buurt in verband met het instabiliteitsrisico van bouwwerken, bouwelementen of uitrustingen;
c) de beperking van risico's op ongevallen voor de personen die het goed betreden, in verband met gevaarlijke gronden, bouwwerken, bouwelementen of uitrustingen;
d) de beperking van ongeoorloofde betredingen, voor voertuigen of personen, van gronden of bouwwerken die een makkelijke prooi zijn voor krakers, kleine delinquenten, daders van ongeoorloofde activiteiten, sluik- of afvalstorters, al naar gelang de aard van de locatie;
e) bewarende maatregelen voor in stand te houden bouwwerken, bouwelementen of uitrustingen die aangetast dreigen te worden door menselijk toedoen (vandalisme, moedwillige afbraak, diefstallen) of door de weersomstandigheden, zoals de instandhoudingswerken, het afdekken van daken met zeilen, het dichtmetselen van openingen, het herstellen van regenpijpen of het weghalen van wildgroeiende planten;
2° de inzameling, de verwijdering of de verwerking van producten, materialen, materieel, puin en afval die achtergelaten werden of afkomstig zijn van de verrichtingen; het leegpompen van kelders, tanks, leidingen, het reinigen van putten, vijvers en bekkens; de afvalwaterverwerking; de verwijdering en verwerking van afvalstoffen overeenkomstig het decreet van het Waals Gewest van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
3° de afbraak van bouwwerken en uitrustingen, met inbegrip van ingegraven structuren en volgens hiernavolgende bepalingen:
a) het laten instorten van ingegraven holle structuren, kelders, leidingen, onderaardse gangen en tanks, ongeacht hoe diep hun ligging is;
b) de afbraak van ingegraven dichte structuren, funderingen, onderbouwen en vloerplaten tot op een diepte van één meter onder het afgewerkte niveau of dieper indien ze hinderend zijn voor heropbouw;
c) het in kaart brengen van de ingegraven structuren die behouden werden, uitgezonderd de herbruikbare funderingen, gedocumenteerd met een plan;
4° het verwijderen van het struikgewas en het opruimen van de gronden;
5° de grondwerken en het effenen van de grond, met inbegrip van de afvoer, de toevoer en de stabilisering van de gronden;
6° het inzaaien van grasperken, het planten van sierplanten en het aanleggen van bossen;
7° het herstellen van bouwwerken voor het draineren, vergaren en opvangen van regenwater, bestemd voor exclusief gebruik van de locatie;
8° de herstellingen, de beschermingen en de stabiliseringen van gronden, installaties en uitrustingen die vrijgekomen zijn bij afbraakwerken of voortvloeien uit erfdienstbaarheden die op het onroerend goed wegen;
9° de herstelling, de vervanging of de plaatsing van afsluitingen, omringende muren, poorten en hoofdingangen;
10° het saneren van de bodem, onverminderd het decreet van het Waals Gewest van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering;
11° de gedeeltelijke ontmantelingen en het schoonmaken in de bouwwerken die in stand te houden zijn.]1
1° de dringende maatregelen die verband houden met:
a) de afbraakwerken bevolen bij een besluit van de burgemeester om redenen van openbare veiligheid;
b) de opheffing van het gevaar voor de buurt in verband met het instabiliteitsrisico van bouwwerken, bouwelementen of uitrustingen;
c) de beperking van risico's op ongevallen voor de personen die het goed betreden, in verband met gevaarlijke gronden, bouwwerken, bouwelementen of uitrustingen;
d) de beperking van ongeoorloofde betredingen, voor voertuigen of personen, van gronden of bouwwerken die een makkelijke prooi zijn voor krakers, kleine delinquenten, daders van ongeoorloofde activiteiten, sluik- of afvalstorters, al naar gelang de aard van de locatie;
e) bewarende maatregelen voor in stand te houden bouwwerken, bouwelementen of uitrustingen die aangetast dreigen te worden door menselijk toedoen (vandalisme, moedwillige afbraak, diefstallen) of door de weersomstandigheden, zoals de instandhoudingswerken, het afdekken van daken met zeilen, het dichtmetselen van openingen, het herstellen van regenpijpen of het weghalen van wildgroeiende planten;
2° de inzameling, de verwijdering of de verwerking van producten, materialen, materieel, puin en afval die achtergelaten werden of afkomstig zijn van de verrichtingen; het leegpompen van kelders, tanks, leidingen, het reinigen van putten, vijvers en bekkens; de afvalwaterverwerking; de verwijdering en verwerking van afvalstoffen overeenkomstig het decreet van het Waals Gewest van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
3° de afbraak van bouwwerken en uitrustingen, met inbegrip van ingegraven structuren en volgens hiernavolgende bepalingen:
a) het laten instorten van ingegraven holle structuren, kelders, leidingen, onderaardse gangen en tanks, ongeacht hoe diep hun ligging is;
b) de afbraak van ingegraven dichte structuren, funderingen, onderbouwen en vloerplaten tot op een diepte van één meter onder het afgewerkte niveau of dieper indien ze hinderend zijn voor heropbouw;
c) het in kaart brengen van de ingegraven structuren die behouden werden, uitgezonderd de herbruikbare funderingen, gedocumenteerd met een plan;
4° het verwijderen van het struikgewas en het opruimen van de gronden;
5° de grondwerken en het effenen van de grond, met inbegrip van de afvoer, de toevoer en de stabilisering van de gronden;
6° het inzaaien van grasperken, het planten van sierplanten en het aanleggen van bossen;
7° het herstellen van bouwwerken voor het draineren, vergaren en opvangen van regenwater, bestemd voor exclusief gebruik van de locatie;
8° de herstellingen, de beschermingen en de stabiliseringen van gronden, installaties en uitrustingen die vrijgekomen zijn bij afbraakwerken of voortvloeien uit erfdienstbaarheden die op het onroerend goed wegen;
9° de herstelling, de vervanging of de plaatsing van afsluitingen, omringende muren, poorten en hoofdingangen;
10° het saneren van de bodem, onverminderd het decreet van het Waals Gewest van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering;
11° de gedeeltelijke ontmantelingen en het schoonmaken in de bouwwerken die in stand te houden zijn.]1
Art. R. II.57.1-1. [1 - Les actes et travaux de réhabilitation visés à l'article D.II.57.1, § 1er, 2°, comprennent :
1° les mesures d'urgence qui se rapportent :
a) aux démolitions ordonnées par un arrêté du bourgmestre pour des raisons de sécurité publique;
b) à la suppression des dangers pour le voisinage liés au risque d'instabilité de constructions, d'éléments constructifs ou d'équipements;
c) à la limitation des risques d'accident pour les personnes pénétrant sur le bien, liés aux terrains, constructions, éléments constructifs ou équipements dangereux;
d) à la limitation d'accès illicite, aux véhicules ou aux personnes, des terrains ou constructions propices au squattage, à la petite délinquance, aux activités illicites, aux versages clandestins ou à la constitution de dépotoirs, en fonction de la configuration des lieux;
e) aux mesures conservatoires des constructions, éléments constructifs ou équipements à maintenir, menacés de dégradations du fait de l'Homme (vandalisme, démolitions sauvages, vols) ou du fait des conditions climatiques, par exemple les travaux de sauvegarde, le bâchage des toitures, l'obturation des baies, la canalisation des descentes d'eau défectueuses ou la suppression de la végétation parasite;
2° la collecte, l'élimination et le traitement des produits, matériaux, matériels, décombres et déchets abandonnés ou provenant des opérations; la vidange des caves, citernes, canalisations, le curage des fosses, mares et bassins; le traitement des effluents; l'élimination et le traitement des déchets en application du décret de la Région wallonne du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
3° la démolition des constructions et équipements, en ce compris les structures enterrées et selon les dispositions qui suivent :
a) le défoncement des structures enterrées creuses, caves, canalisations, galeries et citernes, quelle que soit leur profondeur;
b) la démolition des structures enterrées pleines, fondations, massifs et dalles de sol jusqu'à une profondeur d'un mètre sous le niveau fini ou sur une profondeur supérieure là où ils font obstacle à la reconstruction;
c) le report sur plan de repérage des structures enterrées maintenues, à l'exception des fondations réutilisables, moyennant production d'un plan à l'appui;
4° le débroussaillement et le nettoyage des terrains;
5° les terrassements et nivellements, en ce compris les évacuations, les apports et la stabilisation des terrains;
6° l'engazonnement, les plantations et le boisement;
7° la réparation des ouvrages de drainage, de collecte et de reprise des eaux pluviales, destinés à l'usage exclusif du site;
8° les réparations, les protections et les stabilisations des terrains, constructions et équipements dégagés lors des démolitions ou résultant de servitudes grevant le bien immobilier;
9° la réparation, le remplacement ou l'établissement des clôtures, murs d'enceinte, portes et portails;
10° sans préjudice du décret de la Région wallonne du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols, l'assainissement du sol;
11° les démontages partiels et le nettoyage dans les constructions à maintenir.]1
1° les mesures d'urgence qui se rapportent :
a) aux démolitions ordonnées par un arrêté du bourgmestre pour des raisons de sécurité publique;
b) à la suppression des dangers pour le voisinage liés au risque d'instabilité de constructions, d'éléments constructifs ou d'équipements;
c) à la limitation des risques d'accident pour les personnes pénétrant sur le bien, liés aux terrains, constructions, éléments constructifs ou équipements dangereux;
d) à la limitation d'accès illicite, aux véhicules ou aux personnes, des terrains ou constructions propices au squattage, à la petite délinquance, aux activités illicites, aux versages clandestins ou à la constitution de dépotoirs, en fonction de la configuration des lieux;
e) aux mesures conservatoires des constructions, éléments constructifs ou équipements à maintenir, menacés de dégradations du fait de l'Homme (vandalisme, démolitions sauvages, vols) ou du fait des conditions climatiques, par exemple les travaux de sauvegarde, le bâchage des toitures, l'obturation des baies, la canalisation des descentes d'eau défectueuses ou la suppression de la végétation parasite;
2° la collecte, l'élimination et le traitement des produits, matériaux, matériels, décombres et déchets abandonnés ou provenant des opérations; la vidange des caves, citernes, canalisations, le curage des fosses, mares et bassins; le traitement des effluents; l'élimination et le traitement des déchets en application du décret de la Région wallonne du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
3° la démolition des constructions et équipements, en ce compris les structures enterrées et selon les dispositions qui suivent :
a) le défoncement des structures enterrées creuses, caves, canalisations, galeries et citernes, quelle que soit leur profondeur;
b) la démolition des structures enterrées pleines, fondations, massifs et dalles de sol jusqu'à une profondeur d'un mètre sous le niveau fini ou sur une profondeur supérieure là où ils font obstacle à la reconstruction;
c) le report sur plan de repérage des structures enterrées maintenues, à l'exception des fondations réutilisables, moyennant production d'un plan à l'appui;
4° le débroussaillement et le nettoyage des terrains;
5° les terrassements et nivellements, en ce compris les évacuations, les apports et la stabilisation des terrains;
6° l'engazonnement, les plantations et le boisement;
7° la réparation des ouvrages de drainage, de collecte et de reprise des eaux pluviales, destinés à l'usage exclusif du site;
8° les réparations, les protections et les stabilisations des terrains, constructions et équipements dégagés lors des démolitions ou résultant de servitudes grevant le bien immobilier;
9° la réparation, le remplacement ou l'établissement des clôtures, murs d'enceinte, portes et portails;
10° sans préjudice du décret de la Région wallonne du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l'assainissement des sols, l'assainissement du sol;
11° les démontages partiels et le nettoyage dans les constructions à maintenir.]1
Art. R. II.57.1-2._DUITSTAALIGE. [1 - De renovatiehandelingen en -werken bedoeld in artikel D.II.57.1, § 1, 2°, omvatten voor de bestaande, ter plaatse in stand gehouden gebouwen waarvan de afmeting nageleefd wordt, de schimmeldodende behandelingen, de ontmanteling, het schoonmaken, het herstel in oorspronkelijke staat of de vervanging van de structuurelementen en de buitenmuren, met inbegrip van de bescherming via gevelbekleding of vochtwerende middelen en hun isolatie, evenals het buitenschrijnwerk, het dakgebinte, de bedekking en de isolatie van daken, de zonnepanelen als ze volledig deel uitmaken van de bedekking, de schoorstenen, de kroonlijsten, de dakgoten, de regenpijpen en de werken die de afvoer van de regen mogelijk maken, alsook de onderzoeken ernaar.]1
Art. R _II.57.1-2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Les actes et travaux de rénovation visés à l'article D.II.57.1, § 1er, 2°, comprennent - concernant les immeubles existants, maintenus sur place et dont le gabarit est respecté - le traitement antifongique, le démontage, le nettoyage, la remise en état ou le remplacement des éléments de structure et des murs extérieurs, en ce compris la protection par bardage ou hydrofugation et leur isolation ainsi que les menuiseries extérieures, les charpentes, la couverture et l'isolation des toitures, les panneaux solaires lorsqu'ils font partie intégrante de la couverture, les cheminées, les corniches, les gouttières, les descentes d'eau pluviale et les ouvrages permettant leur évacuation ainsi que les études y relatives.]1
Wijzigingen
Art. R. II.57.1-3._DUITSTAALIGE. [1 - De voor de sanering en renovatie van de locatie geplande handelingen en werken die deel uitmaken van het aanvraagdossier om aanneming of wijziging van de omtrek mogen niet betrekking hebben op een onroerend goed dat met toepassing van het erfgoeddecreet voorlopig of definitief gerangschikt is of zich op een archeologische vindplaats bevindt.]1
Art. R _II.57.1-3.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Les actes et travaux projetés pour la réhabilitation et la rénovation du site qui font partie du dossier de demande d'adoption ou de modification du périmètre ne peuvent pas porter sur un bien immobilier qui, en application du décret sur le patrimoine, est classé provisoirement ou définitivement ou se trouve sur un site archéologique]1
HOOFDSTUK II._DUITSTAALIGE GEMEENSCHAP.[1 - Procedure m.b.t. de aanneming van de omtrek]1
Chapitre II.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Procédure d'adoption du périmètre]1
Afdeling 1._DUITSTAALIGE GEMEENSCHAP.[1 - Initiatiefrecht en voorstel]1
Section 1re.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Droit d'initiative et proposition]1
Art. R. II.57.3-1._DUITSTAALIGE. [1 - De Minister beslist over de volledigheid en de ontvankelijkheid van de aanvraag binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst ervan.]1
Art. R. II.57.3-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Le Ministre statue sur le caractère complet et recevable de la demande dans un délai de vingt jours à compter de sa réception.]1
Art. R. II.57.3-2._DUITSTAALIGE. [1 - Het kaartmodel bedoeld in artikel D.II.57.3, eerste lid, 2°, geeft de omtrek weer en bestaat uit de volgende vier luiken, elk opgesteld in A4-formaat of een veelvoud van dat formaat volgens de oppervlakte van de omtrek en gevouwen tot A4-formaat:
1° de afbakening van de geplande omtrek op een kadastraal plan, met vermelding van:
a) voor elk perceel van de omtrek, het overeenstemmende kadastraal nummer;
b) het geografische noorden;
c) de schaal van het plan;
2° de kadastrale inlichtingen, in voorkomend geval, gewijzigd bij de aanwijzingen van de ontvanger der registratie, voorgesteld onder de vorm van een tabel met evenveel lijnen als kadastrale percelen betrokken bij de ontwerp-omtrek en vijf kolommen met de volgende titels:
a) nr.: het volgnummer van de regel van de tabel;
b) perceelnummer: het kadastraal nummer van een perceel of perceelsgedeelte dat de geplande omtrek vormt alsook zijn gemeente, en zijn bij het kadaster gekende afdeling en sectie;
c) aard: de aard, volgens de kadastrale informatie, van het perceel of van het betrokken perceelsgedeelte;
d) totale oppervlakte: de oppervlakte van het betrokken perceel of perceelsgedeelte, in drie subkolommen gescheiden die respectievelijk overeenstemmen met het aantal hectaren (ha), aren (a) en centiaren (ca);
e) eigenaar(s): de identiteit en het adres van de eigenaar(s) van het perceel of van het betrokken perceelsgedeelte;
3° de afbakening van de geplande omtrek voorgesteld op een uittreksel van een NGI-kaart op schaal 1/10.000e;
4° voor de saneringslocatie, een officieel document, opgesteld door de ontvanger der registratie van het betrokken gebied, dat de eigendomstitels van de percelen opgenomen in de omtrek van de locatie vermeldt en de datum van hun opsporing.
De tabel bedoeld in het eerste lid, 2°, ziet er als volgt uit:
1° de afbakening van de geplande omtrek op een kadastraal plan, met vermelding van:
a) voor elk perceel van de omtrek, het overeenstemmende kadastraal nummer;
b) het geografische noorden;
c) de schaal van het plan;
2° de kadastrale inlichtingen, in voorkomend geval, gewijzigd bij de aanwijzingen van de ontvanger der registratie, voorgesteld onder de vorm van een tabel met evenveel lijnen als kadastrale percelen betrokken bij de ontwerp-omtrek en vijf kolommen met de volgende titels:
a) nr.: het volgnummer van de regel van de tabel;
b) perceelnummer: het kadastraal nummer van een perceel of perceelsgedeelte dat de geplande omtrek vormt alsook zijn gemeente, en zijn bij het kadaster gekende afdeling en sectie;
c) aard: de aard, volgens de kadastrale informatie, van het perceel of van het betrokken perceelsgedeelte;
d) totale oppervlakte: de oppervlakte van het betrokken perceel of perceelsgedeelte, in drie subkolommen gescheiden die respectievelijk overeenstemmen met het aantal hectaren (ha), aren (a) en centiaren (ca);
e) eigenaar(s): de identiteit en het adres van de eigenaar(s) van het perceel of van het betrokken perceelsgedeelte;
3° de afbakening van de geplande omtrek voorgesteld op een uittreksel van een NGI-kaart op schaal 1/10.000e;
4° voor de saneringslocatie, een officieel document, opgesteld door de ontvanger der registratie van het betrokken gebied, dat de eigendomstitels van de percelen opgenomen in de omtrek van de locatie vermeldt en de datum van hun opsporing.
De tabel bedoeld in het eerste lid, 2°, ziet er als volgt uit:
Art. R. II.57.3-2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Le modèle de carte visé à l'article D.II.57.3, alinéa 1er, 2°, représente le périmètre et est composé des quatre volets ci-après, établis chacun au format A4 ou à un multiple de ce format suivant la superficie du périmètre et pliés au format A4 :
1° la délimitation du périmètre projeté qui figure, sur un fond de plan cadastral :
a) pour chaque parcelle du périmètre, le numéro cadastral correspondant;
b) l'orientation du Nord géographique;
c) l'échelle du plan;
2° les renseignements cadastraux, le cas échéant, modifiés par les indications du receveur de l'enregistrement, présentés sous la forme d'un tableau comportant autant de lignes que de parcelles cadastrales concernées par le projet de périmètre et cinq colonnes dont les titres sont :
a) n° : le numéro d'ordre de la ligne du tableau;
b) numéro : le numéro cadastral d'une parcelle ou d'une partie de parcelle composant le périmètre projeté ainsi que sa commune, sa division et sa section cadastrale;
c) nature : la nature, selon l'information cadastrale, de la parcelle ou de la partie de parcelle concernée;
d) contenance totale : la contenance de la parcelle ou de la partie de parcelle concernée, décomposée en trois sous-colonnes correspondant respectivement aux nombres d'hectares (ha), d'ares (a) et de centiares (ca);
e) propriétaire(s) : l'identité et l'adresse du ou des propriétaires de la parcelle ou de la partie de parcelle concernée;
3° la délimitation du périmètre projeté présentée sur un extrait de carte IGN à l'échelle 1/10.000;
4° pour le site à réaménager, un document officiel, établi par le receveur de l'enregistrement de la zone concernée, qui reprend les titres de propriété des parcelles reprises dans le périmètre du site et la date de leur recherche.
Le tableau visé à l'alinéa 1er, 2°, est présenté comme suit :
1° la délimitation du périmètre projeté qui figure, sur un fond de plan cadastral :
a) pour chaque parcelle du périmètre, le numéro cadastral correspondant;
b) l'orientation du Nord géographique;
c) l'échelle du plan;
2° les renseignements cadastraux, le cas échéant, modifiés par les indications du receveur de l'enregistrement, présentés sous la forme d'un tableau comportant autant de lignes que de parcelles cadastrales concernées par le projet de périmètre et cinq colonnes dont les titres sont :
a) n° : le numéro d'ordre de la ligne du tableau;
b) numéro : le numéro cadastral d'une parcelle ou d'une partie de parcelle composant le périmètre projeté ainsi que sa commune, sa division et sa section cadastrale;
c) nature : la nature, selon l'information cadastrale, de la parcelle ou de la partie de parcelle concernée;
d) contenance totale : la contenance de la parcelle ou de la partie de parcelle concernée, décomposée en trois sous-colonnes correspondant respectivement aux nombres d'hectares (ha), d'ares (a) et de centiares (ca);
e) propriétaire(s) : l'identité et l'adresse du ou des propriétaires de la parcelle ou de la partie de parcelle concernée;
3° la délimitation du périmètre projeté présentée sur un extrait de carte IGN à l'échelle 1/10.000;
4° pour le site à réaménager, un document officiel, établi par le receveur de l'enregistrement de la zone concernée, qui reprend les titres de propriété des parcelles reprises dans le périmètre du site et la date de leur recherche.
Le tableau visé à l'alinéa 1er, 2°, est présenté comme suit :
| NR. | PERCEELNUMMER | AARD | TOTALE OPPERVLAKTE | EIGENAAR(S) | ||
| ha | a | ca | ||||
| Totaal: | ||||||
| N° | NUMERO | NATURE | CONTENANCE TOTALE | PROPRIETAIRE(S) | ||
| ha | a | ca | ||||
| Total : | ||||||
Total :
Les titres de propriété visés à l'alinéa 1er, 4°, indiquent :
1° s'il s'agit d'une personne physique, son nom, son ou ses prénom(s), son domicile, son lieu de naissance et sa date de naissance;
2° s'il s'agit d'une société, sa forme juridique, son nom, son siège social, le lieu et la date de sa constitution et le numéro d'entreprise;
3° pour chaque bien, l'origine de la propriété et le dernier titre transcrit, s'il a moins de trente ans, et l'identité du vendeur.
Lorsqu'elle envoie la carte au département, la personne visée à l'article D.II.57.2, alinéa 1er, 2° ou 3°, en envoie une version sous format de texte sur support informatique, à savoir sous format de texte pour le volet visé à l'alinéa 1er, 2°, et sous format PDF pour les volets visés à l'alinéa 1er, 1°, 3° et 4°.]1
Totaal:
-
De eigendomstitels bedoeld in het eerste lid, 4°, vermelden:
1° als het gaat om een natuurlijke persoon: de naam, de voornamen, de woonplaats, de geboorteplaats en -datum;
2° als het gaat om een vennootschap: de rechtsvorm, de benaming, de maatschappelijke zetel, de oprichtingsplaats, de oprichtingsdatum en het ondernemingsnummer;
3° voor elk goed: de oorsprong van het eigendom en de laatst overgeschreven titel indien hij minder dan dertig jaar oud is en de identiteit van de verkoper.
Als hij de kaart naar het departement stuurt, stuurt de persoon bedoeld in artikel D.II.57.2, eerste lid, 2° of 3°, een versie ervan op informaticadrager, in tekstformaat voor het luik bedoeld in het eerste lid, 2°, en in pdf-formaat voor de luiken bedoeld in het eerste lid, 1°, 3° en 4°.]1
1° als het gaat om een natuurlijke persoon: de naam, de voornamen, de woonplaats, de geboorteplaats en -datum;
2° als het gaat om een vennootschap: de rechtsvorm, de benaming, de maatschappelijke zetel, de oprichtingsplaats, de oprichtingsdatum en het ondernemingsnummer;
3° voor elk goed: de oorsprong van het eigendom en de laatst overgeschreven titel indien hij minder dan dertig jaar oud is en de identiteit van de verkoper.
Als hij de kaart naar het departement stuurt, stuurt de persoon bedoeld in artikel D.II.57.2, eerste lid, 2° of 3°, een versie ervan op informaticadrager, in tekstformaat voor het luik bedoeld in het eerste lid, 2°, en in pdf-formaat voor de luiken bedoeld in het eerste lid, 1°, 3° en 4°.]1
-
Afdeling 2._DUITSTAALIGE GEMEENSCHAP.[1 - Procedure]1
Section 2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Procédure]1
HOOFDSTUK III._DUITSTAALIGE GEMEENSCHAP.[1 - Bijzondere bepalingen voor saneringslocaties]1
Chapitre III.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Dispositions particulières concernant les sites à réaménager ]1
Art. R. II.57.7-1._DUITSTAALIGE. [1 - De Regering wijst de beambten aan die bevoegd zijn om de onderzoekingen en controles bedoeld in artikel D.II.57.7 te verrichten.
De beambten kunnen zich voor de behoorlijke uitoefening van hun opdracht laten bijstaan door elke persoon die zij noodzakelijk achten.]1
De beambten kunnen zich voor de behoorlijke uitoefening van hun opdracht laten bijstaan door elke persoon die zij noodzakelijk achten.]1
Art. R. II.57.7-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Le Gouvernement désigne les agents compétents pour procéder aux investigations et contrôles visés à l'article D.II.57.7.
Les agents peuvent se faire assister de toute personne qu'ils jugent nécessaire au bon accomplissement de leur mission.]1
Les agents peuvent se faire assister de toute personne qu'ils jugent nécessaire au bon accomplissement de leur mission.]1
Art. R. II.57.9-1._DUITSTAALIGE. [1 - De Minister geeft de eigenaars toestemming om de in de voorgestelde of definitief vastgelegde omtrek van de saneringslocatie gelegen goederen te vervreemden of met zakelijke rechten te bezwaren.]1
Art. R. II.57.9-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Le Ministre autorise les propriétaires à aliéner ou grever de droits réels les biens situés dans le périmètre du site à réaménager, qu'il soit proposé ou définitivement fixé.]1
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Titel 3. - Overgangsrecht
Titre 3. - Droit transitoire
HOOFDSTUK I. - Gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan
CHAPITRE Ier. -Schéma de développement de l'espace régional
HOOFDSTUK III. - Gemeentelijke ontwikkelingsplannen
CHAPITRE II. - Schémas communaux
Afdeling 1. - Gemeentelijk structuurplan
Section 1re. - Schéma de structure communal
Afdeling 2. - Stedenbouwkundig en leefmilieuverslag
Section 2. - Rapport urbanistique et environnemental
HOOFDSTUK III. - Plannen van aanleg
CHAPITRE III. -Plans d'aménagement
Afdeling 1. - Gewestplan
Section 1re. - Plan de secteur
Onderafdeling 1. - Bestemming en algemene voorschriften van de gebieden
Sous-section 1re. - Destination et prescriptions générales des zones
Onderafdeling 2. - Procedure
Sous-section 2. - Procédure
Afdeling 2. - Gemeentelijk plan van aanleg
Section 2. -Plan communal d'aménagement
Onderafdeling 1. - Juridische draagwijdte
Sous-section 1re. - Portée juridique
Art. R. II.66-1.Nadere regels voor de omschakeling van de bestemmingen van de afwijkende gemeentelijke plannen naar bestemmingen van het gewestplan.
§ 1. De omschakeling van de bestemmingen van de afwijkende gemeentelijke plannen, definitief goedgekeurd of aangenomen door de Regering of de Minister voor de inwerkingtreding van het Wetboek, wordt uitgevoerd volgens onderstaande nadere regels :
1° in het geval waarin het besluit van de Waalse Regering of de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het plan samen met een kaart met de bestemmingen van het grondgebied op 1/10.000e wordt genomen en die kaart conform dit besluit is, worden de bestemmingen van het gewestplan door die kaart bepaald;
2° in de andere gevallen, worden volgende bepalingen toegepast :
a) in het geval waarin het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg samen met kaart met de bestemmingen van het grondgebied op 1/10.000e wordt genomen :
i) wanneer het bestemmingsplan niet afwijkt van de bestemmingen, vastgelegd in het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de gerziening, door het onderzoek van de kaart als bijlage bij het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening;
ii) wanneer het bestemmingsplan afwijkt van de bestemmingen, vastgelegd in het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening, door het onderzoek van het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het plan en van het definitief goedgekeurd of aangenomen gewestplan;
b) in het geval waarin het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg niet samen met kaart met de bestemmingen van het grondgebied op 1/10.000e wordt genomen, worden de bestemmingen van het gewestplan bepaald door het onderzoek :
i) van het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het plan;
ii) van het definitief goedgekeurd of aangenomen bestemmingsplan;
iii) in voorkomend geval, van het besluit tot machtiging tot de opmaak of herziening van het gemeentelijk plan van aanleg;
iv) in voorkomend geval, van het gemeenteraadsbesluit waarbij de opmaak of de herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg wordt aangevraagd;
c) in het geval waarin er geen besluit bestaat tot machtiging tot opmaak of herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg, worden de bestemmingen van het gewestplan bepaald door het onderzoek :
i) van het definitief goedgekeurd of aangenomen bestemmingsplan;
ii) van het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg;
iii) in voorkomend geval, van het gemeenteraadsbesluit bedoeld bij het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg.
§ 2. [1 De administratie]1 maakt de omschakeling van de bestemmingen van de afwijkende gemeentelijke plannen tot bestemmingen van het gewestplan bekend op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1.
§ 1. De omschakeling van de bestemmingen van de afwijkende gemeentelijke plannen, definitief goedgekeurd of aangenomen door de Regering of de Minister voor de inwerkingtreding van het Wetboek, wordt uitgevoerd volgens onderstaande nadere regels :
1° in het geval waarin het besluit van de Waalse Regering of de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het plan samen met een kaart met de bestemmingen van het grondgebied op 1/10.000e wordt genomen en die kaart conform dit besluit is, worden de bestemmingen van het gewestplan door die kaart bepaald;
2° in de andere gevallen, worden volgende bepalingen toegepast :
a) in het geval waarin het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg samen met kaart met de bestemmingen van het grondgebied op 1/10.000e wordt genomen :
i) wanneer het bestemmingsplan niet afwijkt van de bestemmingen, vastgelegd in het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de gerziening, door het onderzoek van de kaart als bijlage bij het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening;
ii) wanneer het bestemmingsplan afwijkt van de bestemmingen, vastgelegd in het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening, door het onderzoek van het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het plan en van het definitief goedgekeurd of aangenomen gewestplan;
b) in het geval waarin het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg niet samen met kaart met de bestemmingen van het grondgebied op 1/10.000e wordt genomen, worden de bestemmingen van het gewestplan bepaald door het onderzoek :
i) van het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het plan;
ii) van het definitief goedgekeurd of aangenomen bestemmingsplan;
iii) in voorkomend geval, van het besluit tot machtiging tot de opmaak of herziening van het gemeentelijk plan van aanleg;
iv) in voorkomend geval, van het gemeenteraadsbesluit waarbij de opmaak of de herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg wordt aangevraagd;
c) in het geval waarin er geen besluit bestaat tot machtiging tot opmaak of herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg, worden de bestemmingen van het gewestplan bepaald door het onderzoek :
i) van het definitief goedgekeurd of aangenomen bestemmingsplan;
ii) van het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg;
iii) in voorkomend geval, van het gemeenteraadsbesluit bedoeld bij het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg.
§ 2. [1 De administratie]1 maakt de omschakeling van de bestemmingen van de afwijkende gemeentelijke plannen tot bestemmingen van het gewestplan bekend op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1.
Art. R. II.66-1.Modalités de conversion des affectations des plans communaux dérogatoires en affectations du plan de secteur.
§ 1er. La conversion des affectations des plans communaux dérogatoires approuvés ou adoptés définitivement par le Gouvernement ou le Ministre avant l'entrée en vigueur du Code est réalisée en appliquant les modalités qui suivent :
1° dans le cas où l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan est accompagné d'une carte d'affectation du territoire au 1/10.000ème et que cette carte est conforme à cet arrêté, les affectations du plan de secteur sont déterminées par cette carte;
2° dans les autres cas, il est fait application des dispositions suivantes :
a) dans le cas où l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire est accompagné d'une carte d'affectation du territoire au 1/10.000ème :
i) lorsque le plan de destination ne s'écarte pas des affectations décidées dans l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision, par l'examen de la carte annexée à l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision;
ii) lorsque le plan de destination s'écarte des affectations décidées dans l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision, par l'examen de l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan et du plan de destination approuvé ou adopté définitivement;
b) dans le cas où l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire n'est pas accompagné d'une carte d'affectation du territoire au 1/10.000e, les affectations du plan de secteur sont déterminées par l'examen :
i) de l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan;
ii) du plan de destination approuvé ou adopté définitivement;
iii) le cas échéant, de l'arrêté autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement;
iv) à le cas échéant, de la délibération du conseil communal sollicitant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire;
c) dans le cas où il n'existe pas d'arrêté autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire, les affectations du plan de secteur sont déterminées par l'examen :
i) du plan de destination approuvé ou adopté définitivement;
ii) de l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan communal d'aménagement dérogatoire;
iii) le cas échéant, de la délibération du conseil communal visée par l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan communal d'aménagement dérogatoire.
§ 2. [1 L'administration]1 publie la conversion des affectations des plans communaux dérogatoires en affectations du plan de secteur sur le site internet du Département de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme de [1 l'administration]1.
§ 1er. La conversion des affectations des plans communaux dérogatoires approuvés ou adoptés définitivement par le Gouvernement ou le Ministre avant l'entrée en vigueur du Code est réalisée en appliquant les modalités qui suivent :
1° dans le cas où l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan est accompagné d'une carte d'affectation du territoire au 1/10.000ème et que cette carte est conforme à cet arrêté, les affectations du plan de secteur sont déterminées par cette carte;
2° dans les autres cas, il est fait application des dispositions suivantes :
a) dans le cas où l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire est accompagné d'une carte d'affectation du territoire au 1/10.000ème :
i) lorsque le plan de destination ne s'écarte pas des affectations décidées dans l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision, par l'examen de la carte annexée à l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision;
ii) lorsque le plan de destination s'écarte des affectations décidées dans l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision, par l'examen de l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan et du plan de destination approuvé ou adopté définitivement;
b) dans le cas où l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire n'est pas accompagné d'une carte d'affectation du territoire au 1/10.000e, les affectations du plan de secteur sont déterminées par l'examen :
i) de l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan;
ii) du plan de destination approuvé ou adopté définitivement;
iii) le cas échéant, de l'arrêté autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement;
iv) à le cas échéant, de la délibération du conseil communal sollicitant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire;
c) dans le cas où il n'existe pas d'arrêté autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire, les affectations du plan de secteur sont déterminées par l'examen :
i) du plan de destination approuvé ou adopté définitivement;
ii) de l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan communal d'aménagement dérogatoire;
iii) le cas échéant, de la délibération du conseil communal visée par l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan communal d'aménagement dérogatoire.
§ 2. [1 L'administration]1 publie la conversion des affectations des plans communaux dérogatoires en affectations du plan de secteur sur le site internet du Département de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme de [1 l'administration]1.
Wijzigingen
Art. R. II.66-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Nadere regels voor de omschakeling van de bestemmingen van de afwijkende gemeentelijke plannen naar bestemmingen van het gewestplan.
§ 1. De omschakeling van de bestemmingen van de afwijkende gemeentelijke plannen, definitief goedgekeurd of aangenomen door de Regering of de Minister voor de inwerkingtreding van het Wetboek, wordt uitgevoerd volgens onderstaande nadere regels :
1° in het geval waarin het besluit van de Waalse Regering of de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het plan samen met een kaart met de bestemmingen van het grondgebied op 1/10.000e wordt genomen en die kaart conform dit besluit is, worden de bestemmingen van het gewestplan door die kaart bepaald;
2° in de andere gevallen, worden volgende bepalingen toegepast :
a) in het geval waarin het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg samen met kaart met de bestemmingen van het grondgebied op 1/10.000e wordt genomen :
i) wanneer het bestemmingsplan niet afwijkt van de bestemmingen, vastgelegd in het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de gerziening, door het onderzoek van de kaart als bijlage bij het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening;
ii) wanneer het bestemmingsplan afwijkt van de bestemmingen, vastgelegd in het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening, door het onderzoek van het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het plan en van het definitief goedgekeurd of aangenomen gewestplan;
b) in het geval waarin het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg niet samen met kaart met de bestemmingen van het grondgebied op 1/10.000e wordt genomen, worden de bestemmingen van het gewestplan bepaald door het onderzoek :
i) van het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het plan;
ii) van het definitief goedgekeurd of aangenomen bestemmingsplan;
iii) in voorkomend geval, van het besluit tot machtiging tot de opmaak of herziening van het gemeentelijk plan van aanleg;
iv) in voorkomend geval, van het gemeenteraadsbesluit waarbij de opmaak of de herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg wordt aangevraagd;
c) in het geval waarin er geen besluit bestaat tot machtiging tot opmaak of herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg, worden de bestemmingen van het gewestplan bepaald door het onderzoek :
i) van het definitief goedgekeurd of aangenomen bestemmingsplan;
ii) van het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg;
iii) in voorkomend geval, van het gemeenteraadsbesluit bedoeld bij het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg.
§ 2. [1 Het departement maakt]1 de omschakeling van de bestemmingen van de afwijkende gemeentelijke plannen tot bestemmingen van het gewestplan bekend op de website van [1 het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1.
Nadere regels voor de omschakeling van de bestemmingen van de afwijkende gemeentelijke plannen naar bestemmingen van het gewestplan.
§ 1. De omschakeling van de bestemmingen van de afwijkende gemeentelijke plannen, definitief goedgekeurd of aangenomen door de Regering of de Minister voor de inwerkingtreding van het Wetboek, wordt uitgevoerd volgens onderstaande nadere regels :
1° in het geval waarin het besluit van de Waalse Regering of de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het plan samen met een kaart met de bestemmingen van het grondgebied op 1/10.000e wordt genomen en die kaart conform dit besluit is, worden de bestemmingen van het gewestplan door die kaart bepaald;
2° in de andere gevallen, worden volgende bepalingen toegepast :
a) in het geval waarin het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg samen met kaart met de bestemmingen van het grondgebied op 1/10.000e wordt genomen :
i) wanneer het bestemmingsplan niet afwijkt van de bestemmingen, vastgelegd in het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de gerziening, door het onderzoek van de kaart als bijlage bij het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening;
ii) wanneer het bestemmingsplan afwijkt van de bestemmingen, vastgelegd in het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening, door het onderzoek van het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het plan en van het definitief goedgekeurd of aangenomen gewestplan;
b) in het geval waarin het ministerieel besluit tot machtiging tot de opmaak of de herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg niet samen met kaart met de bestemmingen van het grondgebied op 1/10.000e wordt genomen, worden de bestemmingen van het gewestplan bepaald door het onderzoek :
i) van het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het plan;
ii) van het definitief goedgekeurd of aangenomen bestemmingsplan;
iii) in voorkomend geval, van het besluit tot machtiging tot de opmaak of herziening van het gemeentelijk plan van aanleg;
iv) in voorkomend geval, van het gemeenteraadsbesluit waarbij de opmaak of de herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg wordt aangevraagd;
c) in het geval waarin er geen besluit bestaat tot machtiging tot opmaak of herziening van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg, worden de bestemmingen van het gewestplan bepaald door het onderzoek :
i) van het definitief goedgekeurd of aangenomen bestemmingsplan;
ii) van het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg;
iii) in voorkomend geval, van het gemeenteraadsbesluit bedoeld bij het besluit van de Waalse Regering of van de Minister tot definitieve goedkeuring of aanneming van het afwijkend gemeentelijk plan van aanleg.
§ 2. [1 Het departement maakt]1 de omschakeling van de bestemmingen van de afwijkende gemeentelijke plannen tot bestemmingen van het gewestplan bekend op de website van [1 het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap]1.
Art. R. II.66-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Modalités de conversion des affectations des plans communaux dérogatoires en affectations du plan de secteur.
§ 1er. La conversion des affectations des plans communaux dérogatoires approuvés ou adoptés définitivement par le Gouvernement ou le Ministre avant l'entrée en vigueur du Code est réalisée en appliquant les modalités qui suivent :
1° dans le cas où l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan est accompagné d'une carte d'affectation du territoire au 1/10.000ème et que cette carte est conforme à cet arrêté, les affectations du plan de secteur sont déterminées par cette carte;
2° dans les autres cas, il est fait application des dispositions suivantes :
a) dans le cas où l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire est accompagné d'une carte d'affectation du territoire au 1/10.000ème :
i) lorsque le plan de destination ne s'écarte pas des affectations décidées dans l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision, par l'examen de la carte annexée à l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision;
ii) lorsque le plan de destination s'écarte des affectations décidées dans l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision, par l'examen de l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan et du plan de destination approuvé ou adopté définitivement;
b) dans le cas où l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire n'est pas accompagné d'une carte d'affectation du territoire au 1/10.000e, les affectations du plan de secteur sont déterminées par l'examen :
i) de l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan;
ii) du plan de destination approuvé ou adopté définitivement;
iii) le cas échéant, de l'arrêté autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement;
iv) à le cas échéant, de la délibération du conseil communal sollicitant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire;
c) dans le cas où il n'existe pas d'arrêté autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire, les affectations du plan de secteur sont déterminées par l'examen :
i) du plan de destination approuvé ou adopté définitivement;
ii) de l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan communal d'aménagement dérogatoire;
iii) le cas échéant, de la délibération du conseil communal visée par l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan communal d'aménagement dérogatoire.
§ 2. [1 Le département]1 publie la conversion des affectations des plans communaux dérogatoires en affectations du plan de secteur sur le site internet [1 du Ministère de la Communauté germanophone]1.
Modalités de conversion des affectations des plans communaux dérogatoires en affectations du plan de secteur.
§ 1er. La conversion des affectations des plans communaux dérogatoires approuvés ou adoptés définitivement par le Gouvernement ou le Ministre avant l'entrée en vigueur du Code est réalisée en appliquant les modalités qui suivent :
1° dans le cas où l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan est accompagné d'une carte d'affectation du territoire au 1/10.000ème et que cette carte est conforme à cet arrêté, les affectations du plan de secteur sont déterminées par cette carte;
2° dans les autres cas, il est fait application des dispositions suivantes :
a) dans le cas où l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire est accompagné d'une carte d'affectation du territoire au 1/10.000ème :
i) lorsque le plan de destination ne s'écarte pas des affectations décidées dans l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision, par l'examen de la carte annexée à l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision;
ii) lorsque le plan de destination s'écarte des affectations décidées dans l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision, par l'examen de l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan et du plan de destination approuvé ou adopté définitivement;
b) dans le cas où l'arrêté ministériel autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire n'est pas accompagné d'une carte d'affectation du territoire au 1/10.000e, les affectations du plan de secteur sont déterminées par l'examen :
i) de l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan;
ii) du plan de destination approuvé ou adopté définitivement;
iii) le cas échéant, de l'arrêté autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement;
iv) à le cas échéant, de la délibération du conseil communal sollicitant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire;
c) dans le cas où il n'existe pas d'arrêté autorisant l'élaboration ou la révision du plan communal d'aménagement dérogatoire, les affectations du plan de secteur sont déterminées par l'examen :
i) du plan de destination approuvé ou adopté définitivement;
ii) de l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan communal d'aménagement dérogatoire;
iii) le cas échéant, de la délibération du conseil communal visée par l'arrêté du Gouvernement wallon ou du Ministre approuvant ou adoptant définitivement le plan communal d'aménagement dérogatoire.
§ 2. [1 Le département]1 publie la conversion des affectations des plans communaux dérogatoires en affectations du plan de secteur sur le site internet [1 du Ministère de la Communauté germanophone]1.
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - Procedure
Sous-section 2. - Procédure
HOOFDSTUK IV. - Andere plannen en schema's
CHAPITRE IV. - Autres plans et schémas
Boek 3. - Handleidingen voor stedenbouw
Livre 3. - Guides d'urbanisme
Titel 1. - Gewestelijke handleiding voor stedenbouw
Titre 1er. - Guide régional d'urbanisme
HOOFDSTUK I. - Algemeen
CHAPITRE Ier. - Généralités
HOOFDSTUK II. - Inhoud
CHAPITRE II. - Contenu
Art. R. III.3-1.
Art. R. III.3-1.
HOOFDSTUK III. - Procedure
CHAPITRE III. - Procédure
Titel 2. - de gemeentelijke handleiding voor stedenbouw
Titre 2. - Guide communal d'urbanisme
HOOFDSTUK I. - Algemeen
CHAPITRE Ier. - Généralités
HOOFDSTUK II. - Inhoud
CHAPITRE II. - Contenu
HOOFDSTUK III. - Procedure
CHAPITRE III. - Procédure
Titel 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
Titre 3. - Dispositions communes
HOOFDSTUK I. - Herziening en opheffing
CHAPITRE Ier. - Révision et abrogation
HOOFDSTUK II. - Juridische gevolgen
CHAPITRE II. - Effets juridiques
HOOFDSTUK III. - Hiërarchie
CHAPITRE III. - Hiérarchie
Afdeling 1. - Het verband tussen de gewestelijke handleiding en de gemeentelijke handleiding
Section 1re. - Lien entre le guide régional et le guide communal
Afdeling 2. - Het verband tussen de ontwikkelingsplannen en de handleidingen
Section 2. - Lien entre les schémas et les guides
Titel 4. - Overgangsrecht
Titre 4. - Droit transitoire
HOOFDSTUK I. - Gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen
CHAPITRE Ier. - Règlements régionaux d'urbanisme
HOOFDSTUK II. - Gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen
CHAPITRE II. - Règlements communaux d'urbanisme
Boek 4. - Stedenbouwkundige vergunningen en attesten
Livre 4. - Permis et certificats d'urbanisme
Titel 1. - Algemeen
Titre 1er. - Généralités
HOOFDSTUK I. - Begrippen
CHAPITRE Ier. - Notions
Art. R. IV.1-1.[1 Handelingen, werken en installaties vrijgesteld van de stedenbouwkundige vergunning, met een beperkte impact of die de verplichte medewerking van een architect niet vereisen.
Volgende nomenclatuur bepaalt de handelingen, werken en installaties die:
1° vrijgesteld worden van een stedenbouwkundige vergunning;
2° een beperkte impact hebben in de zin van de artikelen D.IV.16 en D.IV.48;
3° niet de verplichte tussenkomst van een architect vereisen.
Van een stedenbouwkundige vergunning worden niet vrijgesteld, de handelingen en werken die betrekking hebben op:
1° de wijziging van de bouwschil van een gebouw, van een bouwwerk of van een installatie, de uitbreiding, vernietiging of sloop ervan en de bouw of herbouw van een veranda of van een bijgebouw en die zich bevinden in een beschermingszone in de zin van artikel D.3, 45°, van het Waalse Ergoedwetboek;
2° de wijziging van de bouwschil van een gebouw, van een bouwwerk of een van installatie, de uitbreiding, vernietiging of sloop ervan en de bouw of herbouw van een veranda of van een bijgebouw van een goed opgenomen met stippen in de gewestelijke inventaris van het erfgoed;
3° de wijziging, de vernietiging, de sloop of de verplaatsing van een onroerend goed dat tot het klein volkspatrimonium behoort en dat in aanmerking komt of is gekomen voor de financiële tegemoetkoming van het Gewest.";
Overeenkomstig het decreetgevend deel van het Wetboek doen de handelingen en werken met een beperkte impact geen afbreuk aan:
1° het voorafgaand eensluidend advies van de gemachtigd ambtenaar bedoeld in artikel D.IV.17 ;
2° het voorafgaand eensluidend advies van de gemachtigd ambtenaar bedoeld
a) in artikel D.IV.16, eerste lid, 2°, indien de aanvraag een afwijking inhoudt;
b) in artikel D.IV.16, eerste de lid, 3°, wanneer de aanvraag één of meerdere afwijkingen inhoudt ten opzichte van de bodembestemmingskaart of de gewestelijke handleiding voor stedenbouw";
3° het facultatief voorafgaand advies van de gedelegeerde ambtenaar indien het gemeentecollege hierom vraagt.
De handelingen en werken die zijn vrijgesteld van vergunningen doen geen afbreuk aan de toepassing van het decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestatie van gebouwen en zijn uitvoeringsbesluiten overeenkomstig de bepalingen van dit decreet;
In de zin van deze nomenclatuur wordt verstaan onder :
1° technische kast : kast, geplaatst in de nabijheid van een telecommunicatieantenne of een locatie voor telecommunicatieantennes en waarin de nodige technische elementen geplaatst zijn voor de goede werking van een telecommunicatieantenne of een locatie voor telecommunicatieantennes, zoals elektriciteitsdistributie, noodbatterijen, transmissie-elementen en koelsystemen, met inbegrip van het steunelement; kasten voor het transport, de distributie en de particuliere aansluiting van elektriciteit en gas, waarin de technische elementen zijn ondergebracht die nodig zijn voor de goede werking van deze installaties, zoals gasverbindingskasten, laag- en middenspanningskasten voor het aansluiten of afsluiten van elektriciteit, telecommunicatiekasten, laad- en losstations voor elektriciteit en gas;
2° grondinneming : het oppervlak dat overeenkomt met de verticale projectie op de grond, berekend van de buitenkant van de muren, installatie of constructie, met uitzondering van het traditionele uitspringend deel of de architectonische elementen zoals erkers, onbedekte overhangende balkons en dakoverstekken;
3° bouwschil : geheel van muren van het beschermde volume, gevormd door alle ruimten van een gebouw dat thermisch beschermd wordt van de buitenomgeving (lucht of water), van de bodem en alle omgevende ruimtes;"
4° binnenplaats en tuin: de bij een woning behorende grondoppervlakte voor belevingsdoeleinden, gelegen hetzij aan de achterzijde, hetzij aan de voorzijde of aan de zijkant van de woning en bestaande uit: a) een binnenplaats, zijnde de ruimte voorzien van een verhard oppervlak of discontinu materiaal; b) een tuin, zijnde de begroeide ruimte; c) een combinatie van deze twee elementen;
5° technische installatie bedoeld in punt Y : de technische uitrustingen, geplaatst in de nabijheid van de telecommunicatieantennes of kabeltelevisie-, glasvezel-, elektriciteits- en gastransmissie- en -distributie-installaties en die nodig zijn voor de goede werking en de veiligheid van de locatie, zoals aan de grond vastgemaakte kabels, de kabelgoten die bovenop aan de grond vastgemaakte kabels gevestigd zijn, de roostervloerplaten, de behuizing voor radiomodules op afstand, de verlichting, de verwijderbare veiligheidshandleiders, de bliksemafleidsystemen of de stabilisatieplaten voor masten, meet-, elektrische beveiligings- en nulpunttransformatoren, batterijen, generatoren, geluidsschermen rond transformatoren, ondergrondse kuipen, tanks en vaten, interne drainage;
6° pergola: de kleine tuinstructuur bestaande uit dakvormige balken, ondersteund door kolommen, die klimplanten ondersteunen;
7° eigendom: een in feite en in rechte homogeen onroerend geheel;
8° bijenkorf: structuur waarin een bijenvolk ondergebracht is ;
9° bijenkast: een gebouw, opgetrokken om bijenkorven in onder te brengen ;
10° reeds ingerichte technische locatie: de gronden waarop zich installaties bevinden voor de productie, het transport en de distributie van drinkwater, elektriciteit of aardgas of voor de waterverdamping;"
11° functionele eenheid: een geheel van elementen, gelegen in elkaars nabijheid en die afzonderlijk verschillende functies kunnen uitoefenen maar samen bijdragen tot het vervullen van één enkele hoofdfunctie;
12° bijgebouw: daaronder verstaan, een alleenstaand bouwvolume, ondergebracht op hetzelfde eigendom als het hoofdgebouw en dat er een functionele eenheid mee vormt;
13° secundair volume : een ander bouwvolume als aanbouw aan het hoofdgebouw dan een veranda en die er een functionele eenheid mee vormt; het secundair bouwvolume kan door een dakelement op het hoofdgebouw aangesloten worden. ";
14° draadloze netwerktoegangsapparatuur met laag vermogen van kleine omvang die binnen een klein bereik werkt, bestaande uit verschillende operationele onderdelen, zoals een signaalverwerkingseenheid, een radiofrequentie-eenheid, een antennesysteem, kabelverbindingen en een behuizing en die gebruikmaakt van vergunningsplichtig of vergunningvrij radiospectrum of van een combinatie van beide, deel kan uitmaken van een openbaar elektronischecommunicatienetwerk, uitgerust is met een of meerdere antennes met lage visuele impact, en aan de gebruikers toegang tot elektronischecommunicatienetwerken verleent, ongeacht of de onderliggende netwerktopologie mobiel dan wel vast is;
15° zone van handelingen en werken: de geografische omtrek waarbinnen de handelingen en werken worden uitgevoerd of de installaties die onder de nomenclatuur vallen, zich bevinden;
16° zone met een hoog overstromingsrisico: de zone waar handelingen en werken worden uitgevoerd, bevindt zich geheel of gedeeltelijk in een zone met een hoog overstromingsrisico als gevolg van het overlopen van waterlopen of een zone met een hoog overstromingsrisico als gevolg van geconcentreerde afvloeiing die is aangeduid op de overstromingsrisicokaart die door de de stroomgebiedsoverheid is aangenomen in toepassing van artikel D.53-2 van boek II van de Milieuwetboek;
17° actief mobiliteitstoestel: fietsen in de zin van 2.15.1, niet-gemotoriseerde voortbewegingstoestellen in de zin van 2.15.2, 1°, en gemotoriseerde fietsen in de zin van artikel 2.15.3 van de Wegcode.
Volgende nomenclatuur bepaalt de handelingen, werken en installaties die:
1° vrijgesteld worden van een stedenbouwkundige vergunning;
2° een beperkte impact hebben in de zin van de artikelen D.IV.16 en D.IV.48;
3° niet de verplichte tussenkomst van een architect vereisen.
Van een stedenbouwkundige vergunning worden niet vrijgesteld, de handelingen en werken die betrekking hebben op:
1° de wijziging van de bouwschil van een gebouw, van een bouwwerk of van een installatie, de uitbreiding, vernietiging of sloop ervan en de bouw of herbouw van een veranda of van een bijgebouw en die zich bevinden in een beschermingszone in de zin van artikel D.3, 45°, van het Waalse Ergoedwetboek;
2° de wijziging van de bouwschil van een gebouw, van een bouwwerk of een van installatie, de uitbreiding, vernietiging of sloop ervan en de bouw of herbouw van een veranda of van een bijgebouw van een goed opgenomen met stippen in de gewestelijke inventaris van het erfgoed;
3° de wijziging, de vernietiging, de sloop of de verplaatsing van een onroerend goed dat tot het klein volkspatrimonium behoort en dat in aanmerking komt of is gekomen voor de financiële tegemoetkoming van het Gewest.";
Overeenkomstig het decreetgevend deel van het Wetboek doen de handelingen en werken met een beperkte impact geen afbreuk aan:
1° het voorafgaand eensluidend advies van de gemachtigd ambtenaar bedoeld in artikel D.IV.17 ;
2° het voorafgaand eensluidend advies van de gemachtigd ambtenaar bedoeld
a) in artikel D.IV.16, eerste lid, 2°, indien de aanvraag een afwijking inhoudt;
b) in artikel D.IV.16, eerste de lid, 3°, wanneer de aanvraag één of meerdere afwijkingen inhoudt ten opzichte van de bodembestemmingskaart of de gewestelijke handleiding voor stedenbouw";
3° het facultatief voorafgaand advies van de gedelegeerde ambtenaar indien het gemeentecollege hierom vraagt.
De handelingen en werken die zijn vrijgesteld van vergunningen doen geen afbreuk aan de toepassing van het decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestatie van gebouwen en zijn uitvoeringsbesluiten overeenkomstig de bepalingen van dit decreet;
In de zin van deze nomenclatuur wordt verstaan onder :
1° technische kast : kast, geplaatst in de nabijheid van een telecommunicatieantenne of een locatie voor telecommunicatieantennes en waarin de nodige technische elementen geplaatst zijn voor de goede werking van een telecommunicatieantenne of een locatie voor telecommunicatieantennes, zoals elektriciteitsdistributie, noodbatterijen, transmissie-elementen en koelsystemen, met inbegrip van het steunelement; kasten voor het transport, de distributie en de particuliere aansluiting van elektriciteit en gas, waarin de technische elementen zijn ondergebracht die nodig zijn voor de goede werking van deze installaties, zoals gasverbindingskasten, laag- en middenspanningskasten voor het aansluiten of afsluiten van elektriciteit, telecommunicatiekasten, laad- en losstations voor elektriciteit en gas;
2° grondinneming : het oppervlak dat overeenkomt met de verticale projectie op de grond, berekend van de buitenkant van de muren, installatie of constructie, met uitzondering van het traditionele uitspringend deel of de architectonische elementen zoals erkers, onbedekte overhangende balkons en dakoverstekken;
3° bouwschil : geheel van muren van het beschermde volume, gevormd door alle ruimten van een gebouw dat thermisch beschermd wordt van de buitenomgeving (lucht of water), van de bodem en alle omgevende ruimtes;"
4° binnenplaats en tuin: de bij een woning behorende grondoppervlakte voor belevingsdoeleinden, gelegen hetzij aan de achterzijde, hetzij aan de voorzijde of aan de zijkant van de woning en bestaande uit: a) een binnenplaats, zijnde de ruimte voorzien van een verhard oppervlak of discontinu materiaal; b) een tuin, zijnde de begroeide ruimte; c) een combinatie van deze twee elementen;
5° technische installatie bedoeld in punt Y : de technische uitrustingen, geplaatst in de nabijheid van de telecommunicatieantennes of kabeltelevisie-, glasvezel-, elektriciteits- en gastransmissie- en -distributie-installaties en die nodig zijn voor de goede werking en de veiligheid van de locatie, zoals aan de grond vastgemaakte kabels, de kabelgoten die bovenop aan de grond vastgemaakte kabels gevestigd zijn, de roostervloerplaten, de behuizing voor radiomodules op afstand, de verlichting, de verwijderbare veiligheidshandleiders, de bliksemafleidsystemen of de stabilisatieplaten voor masten, meet-, elektrische beveiligings- en nulpunttransformatoren, batterijen, generatoren, geluidsschermen rond transformatoren, ondergrondse kuipen, tanks en vaten, interne drainage;
6° pergola: de kleine tuinstructuur bestaande uit dakvormige balken, ondersteund door kolommen, die klimplanten ondersteunen;
7° eigendom: een in feite en in rechte homogeen onroerend geheel;
8° bijenkorf: structuur waarin een bijenvolk ondergebracht is ;
9° bijenkast: een gebouw, opgetrokken om bijenkorven in onder te brengen ;
10° reeds ingerichte technische locatie: de gronden waarop zich installaties bevinden voor de productie, het transport en de distributie van drinkwater, elektriciteit of aardgas of voor de waterverdamping;"
11° functionele eenheid: een geheel van elementen, gelegen in elkaars nabijheid en die afzonderlijk verschillende functies kunnen uitoefenen maar samen bijdragen tot het vervullen van één enkele hoofdfunctie;
12° bijgebouw: daaronder verstaan, een alleenstaand bouwvolume, ondergebracht op hetzelfde eigendom als het hoofdgebouw en dat er een functionele eenheid mee vormt;
13° secundair volume : een ander bouwvolume als aanbouw aan het hoofdgebouw dan een veranda en die er een functionele eenheid mee vormt; het secundair bouwvolume kan door een dakelement op het hoofdgebouw aangesloten worden. ";
14° draadloze netwerktoegangsapparatuur met laag vermogen van kleine omvang die binnen een klein bereik werkt, bestaande uit verschillende operationele onderdelen, zoals een signaalverwerkingseenheid, een radiofrequentie-eenheid, een antennesysteem, kabelverbindingen en een behuizing en die gebruikmaakt van vergunningsplichtig of vergunningvrij radiospectrum of van een combinatie van beide, deel kan uitmaken van een openbaar elektronischecommunicatienetwerk, uitgerust is met een of meerdere antennes met lage visuele impact, en aan de gebruikers toegang tot elektronischecommunicatienetwerken verleent, ongeacht of de onderliggende netwerktopologie mobiel dan wel vast is;
15° zone van handelingen en werken: de geografische omtrek waarbinnen de handelingen en werken worden uitgevoerd of de installaties die onder de nomenclatuur vallen, zich bevinden;
16° zone met een hoog overstromingsrisico: de zone waar handelingen en werken worden uitgevoerd, bevindt zich geheel of gedeeltelijk in een zone met een hoog overstromingsrisico als gevolg van het overlopen van waterlopen of een zone met een hoog overstromingsrisico als gevolg van geconcentreerde afvloeiing die is aangeduid op de overstromingsrisicokaart die door de de stroomgebiedsoverheid is aangenomen in toepassing van artikel D.53-2 van boek II van de Milieuwetboek;
17° actief mobiliteitstoestel: fietsen in de zin van 2.15.1, niet-gemotoriseerde voortbewegingstoestellen in de zin van 2.15.2, 1°, en gemotoriseerde fietsen in de zin van artikel 2.15.3 van de Wegcode.
Art. R. IV.1-1.[1 Actes, travaux et installations exonérés du permis d'urbanisme, d'impact limité ou qui ne requièrent pas le concours obligatoire d'un architecte.
La nomenclature qui suit détermine les actes, travaux et installations qui :
1° sont exonérés du permis d'urbanisme ;
2° sont d'impact limité au sens des articles D.IV.16 et D.IV.48 ;
3° ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte.
Ne sont pas exonérés du permis d'urbanisme les actes et travaux qui visent la :
1° modification de l'enveloppe d'un bâtiment, d'une construction ou d'une installation, son agrandissement, sa destruction ou sa démolition ainsi que la construction ou la reconstruction d'une véranda ou d'un volume annexe et qui se situent dans une zone de protection au sens de l'article D.3, 45°, du Code wallon du Patrimoine ;
2° modification de l'enveloppe d'un bâtiment, d'une construction ou d'une installation, son agrandissement, sa destruction ou sa démolition ainsi que la construction ou la reconstruction d'une véranda ou d'un volume annexe d'un bien repris pastillé à l'inventaire régional du patrimoine ;
3° modification, la destruction, la démolition ou le déplacement d'un bien immobilier qui relève du petit patrimoine populaire et qui bénéficie ou qui a bénéficié de l'intervention financière de la Région.
Conformément à la partie décrétale du Code, les actes et travaux d'impact limité ne préjudicient pas :
1° de l'avis préalable conforme du fonctionnaire délégué visé à l'article D.IV.17 ;
2° de l'avis préalable obligatoire du fonctionnaire délégué visé
a) à l'article D.IV.16, alinéa 1er, 2°, si la demande implique un écart ;
b) à l'article D.IV.16, alinéa 1er, 3° si la demande implique un ou plusieurs écarts par rapport à la carte d'affectation des sols ou au guide régional d'urbanisme ;
3° de l'avis préalable facultatif du fonctionnaire délégué s'il est sollicité par le collège communal.
Les actes et travaux dispensés de permis ne préjudicient pas à l'application du décret du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments et de ses arrêtés d'exécution conformément aux dispositions de ce décret ;
Au sens de la présente nomenclature, on entend par :
1° armoire technique : l'armoire installée à proximité d'une antenne de télécommunication ou d'un site d'antennes et à l'intérieur de laquelle sont placés des éléments techniques nécessaires au bon fonctionnement d'une antenne ou d'un site d'antennes de télécommunications tels que la distribution électrique, les batteries de secours, les éléments de transmission et les systèmes de refroidissement, y compris son support ; les armoires pour le transport, la distribution et les raccordements privés d'électricité et de gaz, à l'intérieur desquelles sont placés les éléments techniques nécessaires au bon fonctionnement de ces installations tels que des armoires de détente ou de raccordement en gaz, des armoires de raccordement ou de sectionnement basse et moyenne tension en électricité, des armoires de télécommunication, des bornes de rechargement en électricité et en gaz ;
2° emprise au sol : la surface qui correspond à la projection verticale au sol, calculée à partir de l'extérieur des murs, de l'installation ou de la construction, exception faite des saillies traditionnelles ou des éléments architecturaux tels des oriels, des balcons en porte-à-faux non couverts, des débordements de toiture ;
3° enveloppe : l'ensemble des parois du volume protégé qui est constitué de tous les espaces d'un bâtiment qui est protégé, du point de vue thermique, de l'environnement extérieur (air ou eau), du sol et de tous les espaces adjacents ;
4° espace de cours et jardins : l'espace au sol à vocation d'agrément lié à une habitation situé soit à l'arrière, soit à l'avant, soit sur le côté de celle-ci et constitué : a) soit, d'une cour qui est l'espace pourvu d'un revêtement en dur ou en matériau discontinu ; b) soit, d'un jardin qui est l'espace végétalisé ; c) soit, d'une combinaison de ces deux éléments ;
5° installation technique visée au point Y: les équipements techniques installés sur un site à proximité des antennes de télécommunications ou d'installations de télédistribution, de fibre optique, de transport et de distribution d'électricité et de gaz et qui sont nécessaires au bon fonctionnement et à la sécurité du site, tels que les câbles fixés au sol, les chemins de câbles couvrant les câbles fixés au sol, les caillebotis, les boîtiers de modules radio distants, les concentrateurs, l'éclairage, les rambardes de sécurité amovibles, les systèmes de protection anti-foudre, les dalles de stabilisation de mâts, transformateurs de mesure, de protections électriques et de point neutre, les batteries, les groupes électrogènes, les murs anti-bruits autour des transformateurs, les encuvements, citernes et cuves enterrées, l'égouttage interne ;
6° pergola : la petite structure de jardin faite de poutres en forme de toiture soutenue par des colonnes, qui sert de support à des plantes grimpantes ;
7° propriété : un ensemble immobilier homogène en droit et en fait ;
8° ruche : une structure abritant une colonie d'abeilles ;
9° rucher : un bâtiment construit pour abriter des ruches ;
10° site technique déjà aménagé : les terrains sur lesquels se situent des installations pour la production, le transport et la distribution d'eau potable, d'électricité ou de gaz naturel ou pour l'épuration des eaux ;
11° unité fonctionnelle : un ensemble d'éléments qui sont situés à proximité l'un de l'autre et qui, pris séparément peuvent avoir des fonctions différentes mais qui, conjointement, contribuent à remplir une seule fonction principale ;
12° volume annexe : une construction d'un volume isolé, situé sur la même propriété que le bâtiment principal et qui forme une unité fonctionnelle avec celui-ci ;
13° volume secondaire : un volume contigu au bâtiment principal, autre qu'une véranda et qui forme une unité fonctionnelle avec celui-ci ; le volume secondaire peut être raccordé au volume principal par un élément avec toiture. " ;
14° point d'accès sans fil à portée limitée : un équipement d'accès sans fil au réseau à faible puissance, de taille réduite et de portée limitée, comprenant différents éléments tels qu'une unité de traitement du signal, une unité de radiofréquence, un système d'antenne, des connections câblées et un boitier, et utilisant le spectre radioélectrique sous licence ou en exemption de licence ou une combinaison de spectre radioélectrique sous licence et en exemption de licence, qui peut être utilisé comme une partie d'un réseau de communications électroniques public, qui peut être équipé d'une ou plusieurs antennes à faible impact visuel, et qui permet l'accès sans fil des utilisateurs aux réseaux de communications électroniques quelle que soit la topologie de réseau sous-jacente, qu'il s'agisse d'un réseau mobile ou fixe ;
15° zone d'actes et travaux : le périmètre géographique au sein duquel sont exécutés les actes et travaux ou implantées les installations visées par la nomenclature ;
16° zone soumise à un aléa élevé d'inondation : la zone d'actes et travaux est située en tout ou en partie dans une zone d'aléa élevé par débordement de cours d'eau ou axe d'aléa élevé par ruissellement concentré identifié dans la cartographie de l'aléa d'inondation adoptée par l'autorité de bassin en application de l'article D.53-2 du livre II du Code de l'environnement ;
17° engin de mobilité active : les cycles au sens du 2.15.1, les engins de déplacement non motorisé au sens du 2.15.2, 1°, et les cycles motorisés au sens de l'article 2.15.3 du Code de la route.
La nomenclature qui suit détermine les actes, travaux et installations qui :
1° sont exonérés du permis d'urbanisme ;
2° sont d'impact limité au sens des articles D.IV.16 et D.IV.48 ;
3° ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte.
Ne sont pas exonérés du permis d'urbanisme les actes et travaux qui visent la :
1° modification de l'enveloppe d'un bâtiment, d'une construction ou d'une installation, son agrandissement, sa destruction ou sa démolition ainsi que la construction ou la reconstruction d'une véranda ou d'un volume annexe et qui se situent dans une zone de protection au sens de l'article D.3, 45°, du Code wallon du Patrimoine ;
2° modification de l'enveloppe d'un bâtiment, d'une construction ou d'une installation, son agrandissement, sa destruction ou sa démolition ainsi que la construction ou la reconstruction d'une véranda ou d'un volume annexe d'un bien repris pastillé à l'inventaire régional du patrimoine ;
3° modification, la destruction, la démolition ou le déplacement d'un bien immobilier qui relève du petit patrimoine populaire et qui bénéficie ou qui a bénéficié de l'intervention financière de la Région.
Conformément à la partie décrétale du Code, les actes et travaux d'impact limité ne préjudicient pas :
1° de l'avis préalable conforme du fonctionnaire délégué visé à l'article D.IV.17 ;
2° de l'avis préalable obligatoire du fonctionnaire délégué visé
a) à l'article D.IV.16, alinéa 1er, 2°, si la demande implique un écart ;
b) à l'article D.IV.16, alinéa 1er, 3° si la demande implique un ou plusieurs écarts par rapport à la carte d'affectation des sols ou au guide régional d'urbanisme ;
3° de l'avis préalable facultatif du fonctionnaire délégué s'il est sollicité par le collège communal.
Les actes et travaux dispensés de permis ne préjudicient pas à l'application du décret du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments et de ses arrêtés d'exécution conformément aux dispositions de ce décret ;
Au sens de la présente nomenclature, on entend par :
1° armoire technique : l'armoire installée à proximité d'une antenne de télécommunication ou d'un site d'antennes et à l'intérieur de laquelle sont placés des éléments techniques nécessaires au bon fonctionnement d'une antenne ou d'un site d'antennes de télécommunications tels que la distribution électrique, les batteries de secours, les éléments de transmission et les systèmes de refroidissement, y compris son support ; les armoires pour le transport, la distribution et les raccordements privés d'électricité et de gaz, à l'intérieur desquelles sont placés les éléments techniques nécessaires au bon fonctionnement de ces installations tels que des armoires de détente ou de raccordement en gaz, des armoires de raccordement ou de sectionnement basse et moyenne tension en électricité, des armoires de télécommunication, des bornes de rechargement en électricité et en gaz ;
2° emprise au sol : la surface qui correspond à la projection verticale au sol, calculée à partir de l'extérieur des murs, de l'installation ou de la construction, exception faite des saillies traditionnelles ou des éléments architecturaux tels des oriels, des balcons en porte-à-faux non couverts, des débordements de toiture ;
3° enveloppe : l'ensemble des parois du volume protégé qui est constitué de tous les espaces d'un bâtiment qui est protégé, du point de vue thermique, de l'environnement extérieur (air ou eau), du sol et de tous les espaces adjacents ;
4° espace de cours et jardins : l'espace au sol à vocation d'agrément lié à une habitation situé soit à l'arrière, soit à l'avant, soit sur le côté de celle-ci et constitué : a) soit, d'une cour qui est l'espace pourvu d'un revêtement en dur ou en matériau discontinu ; b) soit, d'un jardin qui est l'espace végétalisé ; c) soit, d'une combinaison de ces deux éléments ;
5° installation technique visée au point Y: les équipements techniques installés sur un site à proximité des antennes de télécommunications ou d'installations de télédistribution, de fibre optique, de transport et de distribution d'électricité et de gaz et qui sont nécessaires au bon fonctionnement et à la sécurité du site, tels que les câbles fixés au sol, les chemins de câbles couvrant les câbles fixés au sol, les caillebotis, les boîtiers de modules radio distants, les concentrateurs, l'éclairage, les rambardes de sécurité amovibles, les systèmes de protection anti-foudre, les dalles de stabilisation de mâts, transformateurs de mesure, de protections électriques et de point neutre, les batteries, les groupes électrogènes, les murs anti-bruits autour des transformateurs, les encuvements, citernes et cuves enterrées, l'égouttage interne ;
6° pergola : la petite structure de jardin faite de poutres en forme de toiture soutenue par des colonnes, qui sert de support à des plantes grimpantes ;
7° propriété : un ensemble immobilier homogène en droit et en fait ;
8° ruche : une structure abritant une colonie d'abeilles ;
9° rucher : un bâtiment construit pour abriter des ruches ;
10° site technique déjà aménagé : les terrains sur lesquels se situent des installations pour la production, le transport et la distribution d'eau potable, d'électricité ou de gaz naturel ou pour l'épuration des eaux ;
11° unité fonctionnelle : un ensemble d'éléments qui sont situés à proximité l'un de l'autre et qui, pris séparément peuvent avoir des fonctions différentes mais qui, conjointement, contribuent à remplir une seule fonction principale ;
12° volume annexe : une construction d'un volume isolé, situé sur la même propriété que le bâtiment principal et qui forme une unité fonctionnelle avec celui-ci ;
13° volume secondaire : un volume contigu au bâtiment principal, autre qu'une véranda et qui forme une unité fonctionnelle avec celui-ci ; le volume secondaire peut être raccordé au volume principal par un élément avec toiture. " ;
14° point d'accès sans fil à portée limitée : un équipement d'accès sans fil au réseau à faible puissance, de taille réduite et de portée limitée, comprenant différents éléments tels qu'une unité de traitement du signal, une unité de radiofréquence, un système d'antenne, des connections câblées et un boitier, et utilisant le spectre radioélectrique sous licence ou en exemption de licence ou une combinaison de spectre radioélectrique sous licence et en exemption de licence, qui peut être utilisé comme une partie d'un réseau de communications électroniques public, qui peut être équipé d'une ou plusieurs antennes à faible impact visuel, et qui permet l'accès sans fil des utilisateurs aux réseaux de communications électroniques quelle que soit la topologie de réseau sous-jacente, qu'il s'agisse d'un réseau mobile ou fixe ;
15° zone d'actes et travaux : le périmètre géographique au sein duquel sont exécutés les actes et travaux ou implantées les installations visées par la nomenclature ;
16° zone soumise à un aléa élevé d'inondation : la zone d'actes et travaux est située en tout ou en partie dans une zone d'aléa élevé par débordement de cours d'eau ou axe d'aléa élevé par ruissellement concentré identifié dans la cartographie de l'aléa d'inondation adoptée par l'autorité de bassin en application de l'article D.53-2 du livre II du Code de l'environnement ;
17° engin de mobilité active : les cycles au sens du 2.15.1, les engins de déplacement non motorisé au sens du 2.15.2, 1°, et les cycles motorisés au sens de l'article 2.15.3 du Code de la route.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-04-2025, p. 45522)
".]1
".]1
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-04-2025, p. 45482)
".]1
".]1
Wijzigingen
Art. R. IV.1-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Handelingen, werken en installaties vrijgesteld van de stedenbouwkundige vergunning, met een beperkte impact of die de verplichte medewerking van een architect niet vereisen.
Volgende nomenclatuur bepaalt de handelingen, werken en installaties die :
1° vrijgesteld worden van een stedenbouwkundige vergunning;
2° een beperkte impact hebben in de zin van de artikelen D.IV.15 en D.IV.48;
3° niet de verplichte tussenkomst van een architect vereisen.
[3 ...]3
[1 [3 ...]3]1
[2 De handelingen en werken met een beperkte impact doen geen afbreuk aan:
1° het voorafgaand eensluidend advies [3 van de Regering]3 bedoeld in artikel D.IV.17 ;
2° het voorafgaand verplicht advies [3 van de Regering]3 bedoeld in artikel D.IV.16, eerste lid, 3° en 2°, indien de aanvraag één of meer afwijkingen van de bodembestemmingskaart of de gewestelijke handleiding voor stedenbouw met zich meebrengt;
3° het facultatief voorafgaand advies [3 van de Regering]3 indien het gemeentecollege hierom vraagt.
De handelingen en werken die zijn vrijgesteld van vergunningen doen geen afbreuk aan de toepassing van het decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestatie van gebouwen en de uitvoeringsbesluiten ervan.]2
[2 In de zin van deze nomenclatuur wordt verstaan onder :
1° technische kast : kast, geplaatst in de nabijheid van een telecommunicatieantenne of een locatie voor telecommunicatieantennes en waarin de nodige technische elementen geplaatst zijn voor de goede werking van een telecommunicatieantenne of een locatie voor telecommunicatieantennes, zoals elektriciteitsdistributie, noodbatterijen, transmissie-elementen en koelsystemen, met inbegrip van het steunelement; kasten voor het transport, de distributie en de particuliere aansluiting van elektriciteit en gas, waarin de technische elementen zijn ondergebracht die nodig zijn voor de goede werking van deze installaties, zoals gasverbindingskasten, laag- en middenspanningskasten voor het aansluiten of afsluiten van elektriciteit, telecommunicatiekasten, laad- en losstations voor elektriciteit en gas;
2° grondinneming : het oppervlak dat overeenkomt met de verticale projectie op de grond, berekend van de buitenkant van de muren, installatie of constructie, met uitzondering van het traditionele uitspringend deel of de architectonische elementen zoals erkers, onbedekte overhangende balkons en dakoverstekken;
[4 2.1 gebouw: zelfstandig bruikbaar, overdekt bouwwerk dat door mensen kan worden betreden en dat geschikt of bestemd is om mensen, dieren of zaken te beschermen;]4
3° bouwschil : geheel van muren van het beschermde volume, gevormd door alle ruimten van een gebouw dat thermisch beschermd wordt van de buitenomgeving (lucht of water), van de bodem en alle omgevende ruimtes;
4° voor- en achtertuinen : ruimte op de bodem [4 ...]4 van een woonst, gelegen voor, achter of aan de zijkant ervan, en gevormd door:
a) ofwel een oprit, als ruimte bestemd voor een verharde of een niet-gladgestreken bodembedekking;
b) ofwel een tuin, als groene ruimte,
ofwel een combinatie van beide elementen;
5° technische installatie bedoeld in punt Y : de technische uitrustingen, geplaatst in de nabijheid van de telecommunicatieantennes of kabeltelevisie-, glasvezel-, elektriciteits- en gastransmissie- en -distributie-installaties en die nodig zijn voor de goede werking en de veiligheid van de locatie, zoals aan de grond vastgemaakte kabels, de kabelgoten die bovenop aan de grond vastgemaakte kabels gevestigd zijn, de roostervloerplaten, de behuizing voor radiomodules op afstand, de verlichting, de verwijderbare veiligheidshandleiders, de bliksemafleidsystemen of de stabilisatieplaten voor masten;
6° pergola: de kleine tuinstructuur bestaande uit dakvormige balken, ondersteund door kolommen, die klimplanten ondersteunen;
7° [4 goed]4: een in feite en in rechte homogeen onroerend geheel ;
8° bijenkorf: structuur waarin een bijenvolk ondergebracht is ;
9° bijenkast: een gebouw, opgetrokken om bijenkorven in onder te brengen ;
10° reeds ingerichte technische locatie: de gronden waarop zich installaties bevinden voor de productie, het transport en de distributie van drinkwater, elektriciteit of aardgas of voor de waterverdamping;
11° functionele eenheid: een geheel van elementen, gelegen [4 in elkaars werkelijke nabijheid, zonder daarom aan elkaar te grenzen]4 en die afzonderlijk verschillende functies kunnen uitoefenen maar samen bijdragen tot het vervullen van één enkele hoofdfunctie;
12° bijgebouw: daaronder verstaan, een alleenstaand bouwvolume, ondergebracht op hetzelfde [4 goed]4 als het hoofdgebouw en dat er een functionele eenheid mee vormt;
13° [4 aanbouwvolume]4 : een ander bouwvolume als aanbouw aan het hoofdgebouw dan een veranda en die er een functionele eenheid mee vormt; het [4 aanbouwvolume]4 kan door een dakelement op het hoofdgebouw aangesloten worden;]2
[4 14° zwemvijver: een om te zwemmen of te baden kunstmatig aangelegd stilstaand watervlak met beplantingen, waarvan het water biologisch en niet-chemisch gereinigd wordt;]4
[4 15° graveltuin: een tuinstrook die zich niet beperkt tot een weg en die bedekt is met stenen zoals steenslag, split, grind, geëxpandeerde klei van ongeacht welke afmeting, oorsprong, kleur of vorm, waarbij de stenen het belangrijkste vormgevingsmiddel of bodembedekkingsmiddel zijn en planten niet of slechts in gering aantal voorkomen;]4
[4 16° bouwwerk: een door mensen opgerichte constructie die met de ondergrond verbonden is en slechts moeilijk daarvan los te maken is of die op zijn minst op de ondergrond steunt;]4
[4 17° draadloos toegangspunt met klein bereik: draadloze netwerktoegangsapparatuur met laag vermogen van kleine omvang die binnen een klein bereik werkt, die gebruikmaakt van radiospectrum en aan de gebruikers toegang tot elektronischecommunicatienetwerken in de zin van artikel 4, 43°, van het decreet van 1 maart 2021 betreffende de mediadiensten en de filmvoorstellingen verleent, ongeacht of de onderliggende netwerktopologie mobiel dan wel vast is, die deel uitmaakt van een elektronisch communicatienetwerk en uitgerust is met een of meerdere antennes met lage visuele impact. Een draadloos toegangspunt met klein bereik bestaat uit verschillende operationele onderdelen, zoals een signaalverwerkingseenheid, een radiofrequentie-eenheid, een antennesysteem, kabelverbindingen en een behuizing;]4
[5 18° erkende natuurramp: een natuurramp die erkend is op grond van het decreet van het Waals Gewest van 26 mei 2016 betreffende het herstel van sommige schade veroorzaakt door algemene natuurrampen.]5
[2
Handelingen, werken en installaties vrijgesteld van de stedenbouwkundige vergunning, met een beperkte impact of die de verplichte medewerking van een architect niet vereisen.
Volgende nomenclatuur bepaalt de handelingen, werken en installaties die :
1° vrijgesteld worden van een stedenbouwkundige vergunning;
2° een beperkte impact hebben in de zin van de artikelen D.IV.15 en D.IV.48;
3° niet de verplichte tussenkomst van een architect vereisen.
[3 ...]3
[1 [3 ...]3]1
[2 De handelingen en werken met een beperkte impact doen geen afbreuk aan:
1° het voorafgaand eensluidend advies [3 van de Regering]3 bedoeld in artikel D.IV.17 ;
2° het voorafgaand verplicht advies [3 van de Regering]3 bedoeld in artikel D.IV.16, eerste lid, 3° en 2°, indien de aanvraag één of meer afwijkingen van de bodembestemmingskaart of de gewestelijke handleiding voor stedenbouw met zich meebrengt;
3° het facultatief voorafgaand advies [3 van de Regering]3 indien het gemeentecollege hierom vraagt.
De handelingen en werken die zijn vrijgesteld van vergunningen doen geen afbreuk aan de toepassing van het decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestatie van gebouwen en de uitvoeringsbesluiten ervan.]2
[2 In de zin van deze nomenclatuur wordt verstaan onder :
1° technische kast : kast, geplaatst in de nabijheid van een telecommunicatieantenne of een locatie voor telecommunicatieantennes en waarin de nodige technische elementen geplaatst zijn voor de goede werking van een telecommunicatieantenne of een locatie voor telecommunicatieantennes, zoals elektriciteitsdistributie, noodbatterijen, transmissie-elementen en koelsystemen, met inbegrip van het steunelement; kasten voor het transport, de distributie en de particuliere aansluiting van elektriciteit en gas, waarin de technische elementen zijn ondergebracht die nodig zijn voor de goede werking van deze installaties, zoals gasverbindingskasten, laag- en middenspanningskasten voor het aansluiten of afsluiten van elektriciteit, telecommunicatiekasten, laad- en losstations voor elektriciteit en gas;
2° grondinneming : het oppervlak dat overeenkomt met de verticale projectie op de grond, berekend van de buitenkant van de muren, installatie of constructie, met uitzondering van het traditionele uitspringend deel of de architectonische elementen zoals erkers, onbedekte overhangende balkons en dakoverstekken;
[4 2.1 gebouw: zelfstandig bruikbaar, overdekt bouwwerk dat door mensen kan worden betreden en dat geschikt of bestemd is om mensen, dieren of zaken te beschermen;]4
3° bouwschil : geheel van muren van het beschermde volume, gevormd door alle ruimten van een gebouw dat thermisch beschermd wordt van de buitenomgeving (lucht of water), van de bodem en alle omgevende ruimtes;
4° voor- en achtertuinen : ruimte op de bodem [4 ...]4 van een woonst, gelegen voor, achter of aan de zijkant ervan, en gevormd door:
a) ofwel een oprit, als ruimte bestemd voor een verharde of een niet-gladgestreken bodembedekking;
b) ofwel een tuin, als groene ruimte,
ofwel een combinatie van beide elementen;
5° technische installatie bedoeld in punt Y : de technische uitrustingen, geplaatst in de nabijheid van de telecommunicatieantennes of kabeltelevisie-, glasvezel-, elektriciteits- en gastransmissie- en -distributie-installaties en die nodig zijn voor de goede werking en de veiligheid van de locatie, zoals aan de grond vastgemaakte kabels, de kabelgoten die bovenop aan de grond vastgemaakte kabels gevestigd zijn, de roostervloerplaten, de behuizing voor radiomodules op afstand, de verlichting, de verwijderbare veiligheidshandleiders, de bliksemafleidsystemen of de stabilisatieplaten voor masten;
6° pergola: de kleine tuinstructuur bestaande uit dakvormige balken, ondersteund door kolommen, die klimplanten ondersteunen;
7° [4 goed]4: een in feite en in rechte homogeen onroerend geheel ;
8° bijenkorf: structuur waarin een bijenvolk ondergebracht is ;
9° bijenkast: een gebouw, opgetrokken om bijenkorven in onder te brengen ;
10° reeds ingerichte technische locatie: de gronden waarop zich installaties bevinden voor de productie, het transport en de distributie van drinkwater, elektriciteit of aardgas of voor de waterverdamping;
11° functionele eenheid: een geheel van elementen, gelegen [4 in elkaars werkelijke nabijheid, zonder daarom aan elkaar te grenzen]4 en die afzonderlijk verschillende functies kunnen uitoefenen maar samen bijdragen tot het vervullen van één enkele hoofdfunctie;
12° bijgebouw: daaronder verstaan, een alleenstaand bouwvolume, ondergebracht op hetzelfde [4 goed]4 als het hoofdgebouw en dat er een functionele eenheid mee vormt;
13° [4 aanbouwvolume]4 : een ander bouwvolume als aanbouw aan het hoofdgebouw dan een veranda en die er een functionele eenheid mee vormt; het [4 aanbouwvolume]4 kan door een dakelement op het hoofdgebouw aangesloten worden;]2
[4 14° zwemvijver: een om te zwemmen of te baden kunstmatig aangelegd stilstaand watervlak met beplantingen, waarvan het water biologisch en niet-chemisch gereinigd wordt;]4
[4 15° graveltuin: een tuinstrook die zich niet beperkt tot een weg en die bedekt is met stenen zoals steenslag, split, grind, geëxpandeerde klei van ongeacht welke afmeting, oorsprong, kleur of vorm, waarbij de stenen het belangrijkste vormgevingsmiddel of bodembedekkingsmiddel zijn en planten niet of slechts in gering aantal voorkomen;]4
[4 16° bouwwerk: een door mensen opgerichte constructie die met de ondergrond verbonden is en slechts moeilijk daarvan los te maken is of die op zijn minst op de ondergrond steunt;]4
[4 17° draadloos toegangspunt met klein bereik: draadloze netwerktoegangsapparatuur met laag vermogen van kleine omvang die binnen een klein bereik werkt, die gebruikmaakt van radiospectrum en aan de gebruikers toegang tot elektronischecommunicatienetwerken in de zin van artikel 4, 43°, van het decreet van 1 maart 2021 betreffende de mediadiensten en de filmvoorstellingen verleent, ongeacht of de onderliggende netwerktopologie mobiel dan wel vast is, die deel uitmaakt van een elektronisch communicatienetwerk en uitgerust is met een of meerdere antennes met lage visuele impact. Een draadloos toegangspunt met klein bereik bestaat uit verschillende operationele onderdelen, zoals een signaalverwerkingseenheid, een radiofrequentie-eenheid, een antennesysteem, kabelverbindingen en een behuizing;]4
[5 18° erkende natuurramp: een natuurramp die erkend is op grond van het decreet van het Waals Gewest van 26 mei 2016 betreffende het herstel van sommige schade veroorzaakt door algemene natuurrampen.]5
[2
Art. R. IV.1-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Actes, travaux et installations exonérés du permis d'urbanisme, d'impact limité ou qui ne requièrent pas le concours obligatoire d'un architecte.
La nomenclature qui suit détermine les actes, travaux et installations qui :
1° sont exonérés du permis d'urbanisme;
2° sont d'impact limité au sens des articles D.IV.15 et D.IV.48;
3° ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte.
[3 ...]3
[1 [3 ...]3]1
[2 Les actes et travaux d'impact limité ne préjudicient pas :
1° de l'avis préalable conforme [3 du Gouvernement]3 visé à l'article D.IV.17 ;
2° de l'avis préalable obligatoire [3 du Gouvernement]3 visé à l'article D.IV.16, alinéa 1er, 3° et 2°, si la demande implique un ou plusieurs écarts par rapport à la carte d'affectation des sols ou au guide régional d'urbanisme ;
3° de l'avis préalable facultatif [3 du Gouvernement]3 s'il est sollicité par le collège communal.
Les actes et travaux dispensés de permis ne préjudicient pas à l'application du décret du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments et de ses arrêtés d'exécution.]2
[2 Au sens de la présente nomenclature, on entend par :
1° armoire technique : l'armoire installée à proximité d'une antenne de télécommunication ou d'un site d'antennes et à l'intérieur de laquelle sont placés des éléments techniques nécessaires au bon fonctionnement d'une antenne ou d'un site d'antennes de télécommunications tels que la distribution électrique, les batteries de secours, les éléments de transmission et les systèmes de refroidissement, y compris son support ; les armoires pour le transport, la distribution et les raccordements privés d'électricité et de gaz, à l'intérieur desquelles sont placés les éléments techniques nécessaires au bon fonctionnement de ces installations tels que des armoires de détente ou de raccordement en gaz, des armoires de raccordement ou de sectionnement basse et moyenne tension en électricité, des armoires de télécommunication, des bornes de rechargement en électricité et en gaz ;
2° emprise au sol : la surface qui correspond à la projection verticale au sol, calculée à partir de l'extérieur des murs, de l'installation ou de la construction, exception faite des saillies traditionnelles ou des éléments architecturaux tels des oriels, des balcons en porte-à-faux non couverts, des débordements de toiture ;
[4 2.1 bâtiment : construction autonome couverte accessible aux humains et appropriée ou destinée à protéger des humains, des animaux ou des objets;]4
3° enveloppe : l'ensemble des parois du volume protégé qui est constitué de tous les espaces d'un bâtiment qui est protégé, du point de vue thermique, de l'environnement extérieur (air ou eau), du sol et de tous les espaces adjacents ;
4° espace de cours et jardins : l'espace au sol [4 ...]4 lié à une habitation situé soit à l'arrière, soit à l'avant, soit sur le côté de celle-ci et constitué :
a) soit d'une cour qui est l'espace pourvu d'un revêtement en dur ou en matériau discontinu,
b) soit d'un jardin qui est l'espace végétalisé,
soit d'une combinaison de ces deux éléments ;
5° installation technique visée au point Y : les équipements techniques installés sur un site à proximité des antennes de télécommunications ou d'installations de télédistribution, de fibre optique, de transport et de distribution d'électricité et de gaz et qui sont nécessaires au bon fonctionnement et à la sécurité du site, tels que les câbles fixés au sol, les chemins de câbles couvrant les câbles fixés au sol, les caillebotis, les boîtiers de modules radio distants, les concentrateurs, l'éclairage, les rambardes de sécurité amovibles, les systèmes de protection anti-foudre ou les dalles de stabilisation de mâts ;
6° pergola : la petite structure de jardin faite de poutres en forme de toiture soutenue par des colonnes, qui sert de support à des plantes grimpantes ;
7° [4 bien]4 : un ensemble immobilier homogène en droit et en fait ;
8° ruche : une structure abritant une colonie d'abeilles ;
9° rucher : un bâtiment construit pour abriter des ruches ;
10° site technique déjà aménagé : les terrains sur lesquels se situent des installations pour la production, le transport et la distribution d'eau potable, d'électricité ou de gaz naturel ou pour l'épuration des eaux ;
11° unité fonctionnelle : un ensemble d'éléments qui sont situés [4 réellement]4 à proximité l'un de l'autre [4 , sans être nécessairement contigus,]4 et qui, pris séparément peuvent avoir des fonctions différentes mais qui, conjointement, contribuent à remplir une seule fonction principale ;
12° [4 volume secondaire]4 : une construction d'un volume isolé, situé sur [4 le même bien]4 que le bâtiment principal et qui forme une unité fonctionnelle avec celui-ci ;
13° [4 volume annexe]4 : un volume contigu au bâtiment principal, autre qu'une véranda et qui forme une unité fonctionnelle avec celui-ci ; le volume secondaire peut être raccordé au volume principal par un élément avec toiture;]2
[4 14° étang de baignade : une retenue d'eau aménagée artificiellement pour la nage ou la baignade, avec des plantations et dont l'eau est purifiée naturellement et non chimiquement;]4
[4 15° rocaille : une surface du jardin non limitée à un sentier et recouverte de pierres, telles que des rochers, des gravillons, du gravier, de l'argile expansée, de n'importe quel diamètre, où les pierres constituent l'élément principal en termes d'organisation et de recouvrement du sol et où les plantes sont peu ou pas présentes; ]4
[4 16° bâtiment : une construction érigée par l'homme qui est difficilement dissociable du sous-sol ou qui se trouve du moins en contact avec celui-ci;]4
[4 17° point d'accès sans fil à portée limitée : une petite installation de faible puissance et à portée limitée destinée à l'accès au réseau sans fil qui utilise les radiofréquences et qui permet à l'utilisateur un accès sans fil, indépendant de la topologie des réseaux fixes ou mobiles, aux réseaux publics de communication au sens de l'article 4, 43°, du décret du 1er mars 2021 relatif aux services de médias et aux représentations cinématographiques, utilisée comme une partie d'un réseau de communications électroniques et pouvant être équipée d'une ou de plusieurs antennes qui ont une incidence visuelle minimale. Un point d'accès sans fil à portée limitée comprend différents éléments opérationnels, tels qu'une unité de traitement du signal, une unité de radiofréquence, un système d'antenne, des connexions câblées et un boitier;]4
[5 18° calamité naturelle reconnue : une calamité naturelle reconnue en vertu du décret de la Région wallonne du 26 mai 2016 relatif à la réparation de certains dommages causés par des calamités naturelles publiques.]5
[2
Actes, travaux et installations exonérés du permis d'urbanisme, d'impact limité ou qui ne requièrent pas le concours obligatoire d'un architecte.
La nomenclature qui suit détermine les actes, travaux et installations qui :
1° sont exonérés du permis d'urbanisme;
2° sont d'impact limité au sens des articles D.IV.15 et D.IV.48;
3° ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte.
[3 ...]3
[1 [3 ...]3]1
[2 Les actes et travaux d'impact limité ne préjudicient pas :
1° de l'avis préalable conforme [3 du Gouvernement]3 visé à l'article D.IV.17 ;
2° de l'avis préalable obligatoire [3 du Gouvernement]3 visé à l'article D.IV.16, alinéa 1er, 3° et 2°, si la demande implique un ou plusieurs écarts par rapport à la carte d'affectation des sols ou au guide régional d'urbanisme ;
3° de l'avis préalable facultatif [3 du Gouvernement]3 s'il est sollicité par le collège communal.
Les actes et travaux dispensés de permis ne préjudicient pas à l'application du décret du 28 novembre 2013 relatif à la performance énergétique des bâtiments et de ses arrêtés d'exécution.]2
[2 Au sens de la présente nomenclature, on entend par :
1° armoire technique : l'armoire installée à proximité d'une antenne de télécommunication ou d'un site d'antennes et à l'intérieur de laquelle sont placés des éléments techniques nécessaires au bon fonctionnement d'une antenne ou d'un site d'antennes de télécommunications tels que la distribution électrique, les batteries de secours, les éléments de transmission et les systèmes de refroidissement, y compris son support ; les armoires pour le transport, la distribution et les raccordements privés d'électricité et de gaz, à l'intérieur desquelles sont placés les éléments techniques nécessaires au bon fonctionnement de ces installations tels que des armoires de détente ou de raccordement en gaz, des armoires de raccordement ou de sectionnement basse et moyenne tension en électricité, des armoires de télécommunication, des bornes de rechargement en électricité et en gaz ;
2° emprise au sol : la surface qui correspond à la projection verticale au sol, calculée à partir de l'extérieur des murs, de l'installation ou de la construction, exception faite des saillies traditionnelles ou des éléments architecturaux tels des oriels, des balcons en porte-à-faux non couverts, des débordements de toiture ;
[4 2.1 bâtiment : construction autonome couverte accessible aux humains et appropriée ou destinée à protéger des humains, des animaux ou des objets;]4
3° enveloppe : l'ensemble des parois du volume protégé qui est constitué de tous les espaces d'un bâtiment qui est protégé, du point de vue thermique, de l'environnement extérieur (air ou eau), du sol et de tous les espaces adjacents ;
4° espace de cours et jardins : l'espace au sol [4 ...]4 lié à une habitation situé soit à l'arrière, soit à l'avant, soit sur le côté de celle-ci et constitué :
a) soit d'une cour qui est l'espace pourvu d'un revêtement en dur ou en matériau discontinu,
b) soit d'un jardin qui est l'espace végétalisé,
soit d'une combinaison de ces deux éléments ;
5° installation technique visée au point Y : les équipements techniques installés sur un site à proximité des antennes de télécommunications ou d'installations de télédistribution, de fibre optique, de transport et de distribution d'électricité et de gaz et qui sont nécessaires au bon fonctionnement et à la sécurité du site, tels que les câbles fixés au sol, les chemins de câbles couvrant les câbles fixés au sol, les caillebotis, les boîtiers de modules radio distants, les concentrateurs, l'éclairage, les rambardes de sécurité amovibles, les systèmes de protection anti-foudre ou les dalles de stabilisation de mâts ;
6° pergola : la petite structure de jardin faite de poutres en forme de toiture soutenue par des colonnes, qui sert de support à des plantes grimpantes ;
7° [4 bien]4 : un ensemble immobilier homogène en droit et en fait ;
8° ruche : une structure abritant une colonie d'abeilles ;
9° rucher : un bâtiment construit pour abriter des ruches ;
10° site technique déjà aménagé : les terrains sur lesquels se situent des installations pour la production, le transport et la distribution d'eau potable, d'électricité ou de gaz naturel ou pour l'épuration des eaux ;
11° unité fonctionnelle : un ensemble d'éléments qui sont situés [4 réellement]4 à proximité l'un de l'autre [4 , sans être nécessairement contigus,]4 et qui, pris séparément peuvent avoir des fonctions différentes mais qui, conjointement, contribuent à remplir une seule fonction principale ;
12° [4 volume secondaire]4 : une construction d'un volume isolé, situé sur [4 le même bien]4 que le bâtiment principal et qui forme une unité fonctionnelle avec celui-ci ;
13° [4 volume annexe]4 : un volume contigu au bâtiment principal, autre qu'une véranda et qui forme une unité fonctionnelle avec celui-ci ; le volume secondaire peut être raccordé au volume principal par un élément avec toiture;]2
[4 14° étang de baignade : une retenue d'eau aménagée artificiellement pour la nage ou la baignade, avec des plantations et dont l'eau est purifiée naturellement et non chimiquement;]4
[4 15° rocaille : une surface du jardin non limitée à un sentier et recouverte de pierres, telles que des rochers, des gravillons, du gravier, de l'argile expansée, de n'importe quel diamètre, où les pierres constituent l'élément principal en termes d'organisation et de recouvrement du sol et où les plantes sont peu ou pas présentes; ]4
[4 16° bâtiment : une construction érigée par l'homme qui est difficilement dissociable du sous-sol ou qui se trouve du moins en contact avec celui-ci;]4
[4 17° point d'accès sans fil à portée limitée : une petite installation de faible puissance et à portée limitée destinée à l'accès au réseau sans fil qui utilise les radiofréquences et qui permet à l'utilisateur un accès sans fil, indépendant de la topologie des réseaux fixes ou mobiles, aux réseaux publics de communication au sens de l'article 4, 43°, du décret du 1er mars 2021 relatif aux services de médias et aux représentations cinématographiques, utilisée comme une partie d'un réseau de communications électroniques et pouvant être équipée d'une ou de plusieurs antennes qui ont une incidence visuelle minimale. Un point d'accès sans fil à portée limitée comprend différents éléments opérationnels, tels qu'une unité de traitement du signal, une unité de radiofréquence, un système d'antenne, des connexions câblées et un boitier;]4
[5 18° calamité naturelle reconnue : une calamité naturelle reconnue en vertu du décret de la Région wallonne du 26 mai 2016 relatif à la réparation de certains dommages causés par des calamités naturelles publiques.]5
[2
| [1 | Handelingen/werken/ installaties | Omschrijving/eigenschappen | Vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning | Met een geringe impact | Verplichte tussenkomst van een architect niet vereist | |||
| A | Wijziging van de bouwschil van een gebouw (isolatie, opgaande muren, dak, openingen) | 1 | De plaatsing van de materialen voor de bekleding van de opgaande muren en de bedekking van de daken vormen de bouwschil van het gebouw of de vervanging ervan door andere materialen om de vigerende energienormen onder de volgende voorwaarden te bereiken: a) de materialen hebben hetzelfde buitenaanzicht; b) de bijkomende laag bedraagt niet meer dan 0,30 m c) indien het goed valt onder de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende de beschermde gebieden van sommige gemeenten inzake stedenbouw of betreffende de gebouwen in landelijk gebied, of de artikelen R.II.36-6 à R.II.36-9, D.II.37, § 4, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, stemmen de kleuren en materialen overeen met de betrokken aanduidingen en voorschriften. | x | x | |||
| 2 | [5 ...]5 | x | x | |||||
| 3 | Beplanting van één of meer gevels die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg of van één of meer groendakken op een bestaand gebouw of een bestaande installatie. | x | x | |||||
| 4 | Het schilderen, bepleisteren, zandstralen of opnieuw voegen van een bestaand bouwwerk dat een wijziging van het bouwvolume of de architectuur als gevolg heeft. | x | x | |||||
| 5 | De plaatsing of vervanging van materialen voor gevelbekledingen en dakbedekkingen door materialen voor bekledingen die niet voldoen aan de in de punten 1 tot en met 3 genoemde voorwaarden. | x | x | |||||
| 6 | De vervanging van deuren of ramen in de opgaande muren of in de daken door deuren of ramen met als doel het bereiken van de vigerende energienormen. | x | x | |||||
| 7 | Het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen die zich bevinden in het dakvlak op maximum één verdieping en met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende gevel of het overeenstemmende dakvlak; het sluiten of wijzigen dient uitgevoerd te worden met hetzelfde materieel als dat van het dak. | x | x | |||||
| 8 | Het sluiten, openen of wijzigen van deuren of openingen in de opgaande muren met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende opgaande muur voor zover: a) Het sluiten, openen of wijzigen niet uitgevoerd wordt in een opgaande muur gelegen op de rooilijn en/of waarvan het plan gericht is op de verbindingsweg van het betrokken hoofdgebouw; b) het sluiten of het wijzigen gebeuren met dezelfde bekledingsmaterialen als die voor de opgaande muur; c) elke opening of wijziging afzonderlijk op maximum één verdieping wordt uitgevoerd; d) als het goed valt onder een gewestelijk of gemeentelijke handleiding voor stedenbouw stemmen de handelingen en werken met de handeling overeen. | x | x | |||||
| 9 | Het sluiten, openen of wijzigen van deuren en ramen die in totaal (alle openingen op hetzelfde niveau) niet meer dan een vierde van de lengte van de desbetreffende gevel of het desbetreffende dakvlak bedragen en die de in de punt 7 en 8 bedoelde voorwaarden niet vervullen. | x | x | |||||
| 10 | De installatie of vervanging van schoorstenen of schoorsteenkanalen, regengoten of regenpijpen, afvoersystemen voor installaties zoals afzuigkappen en verwarmingsketels, op voorwaarde dat, wanneer het goed onderworpen is aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw die betrekking hebben op de beschermde gebieden van bepaalde gemeenten op het gebied van stedenbouw of op gebouwen in landelijk gebied, de handelingen en werkzaamheden in overeenstemming zijn met deze handleiding. | x | x | |||||
| 11 | De plaatsing of vervanging van de in punt 10 genoemde elementen die niet aan de voorwaarden voldoen. | x | x | |||||
| 12 | De afbraak of het weghalen van de in de punten 10 en 11 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | x | |||||
| B | Verbouwing van een bestaand gebouw | 1 | De vervanging van de dragende structuur van een dak zonder wijziging van het gebouwde volume en voor zover de punten A1 en A7 worden gerespecteerd. | x | x | |||
| 2 | De verbouwing zonder vergroting van een bestaand gebouw met het oog op de creatie van meerdere ruimten die niet bestemd zijn voor bewoning [4 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]4, voor zover de handelingen en werken, in voorkomend geval, vermeld worden in de punten A1, A2, A3, A6, A7, A8 en A10. | x | x | |||||
| 3 | De verbouwing zonder vergroting van een bestaand, niet in de punten 1 en 2 bedoeld gebouw, die geen gevolgen heeft voor de dragende structuur van het gebouw. | x | x | |||||
| 4 | Verbouwing met vergroting van een bestaand gebouw overeenkomstig de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of overeenkomstig de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw om een ruimte in te richten die niet bestemd is voor bewoning [4 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]4, voor zover volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn: a) slechts één aanbouwvolume per goed en er is niet meer dan één veranda op het goed; b) de grondoppervlakte van de uitbreiding bedraagt hoogstens 40,00 m2 en is: i) ofwel een aanbouwvolume zonder verdieping en kelder; ii) ofwel de verlenging van het hoofdvolume en het zo gevormde geheel heeft geen verdieping en geen kelder; c) de uitbreiding wordt uitgevoerd met materialen in soortgelijke kleurtonen als die van het bestaande gebouw; d) de uitbreiding bevindt zich minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grenzen. | x | x | |||||
| 5 | De verbouwing van een bestaand gebouw dat voldoet aan de cumulatieve voorwaarden opgenomen in punt 4 en dat niet overeenstemt met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. | x | ||||||
| 6 | Het plaatsen van een buitentrap | x | x | |||||
| 7 | Het plaatsen/opstellen van een ventilatiesysteem of airconditioningsysteem. | x | x | |||||
| 8 | De verbouwing van een ander bestaand gebouw dan dat bedoeld in punt 1 tot 7 voor zover de grondinneming van het [5 bestaande geheel]5 maximum verdubbeld wordt en de hoogte van de druiplijst en/of de hoogte van de dakopstand van het bestaande gebouw niet overschreden wordt. | x | ||||||
| 9 | De afbraak of verwijdering van een aanbouwvolume, een buitentrap of een airconditioningsinstallatie voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | x | |||||
| [2 10 | Handelingen en werken voor het herstellen van gebouwen of bouwwerken ten gevolge van een erkende natuurramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de handelingen en werken geschieden binnen 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp; b) de handelingen en werken worden minstens 15 dagen voordat ze worden aangevangen, aan het gemeentecollege meegedeeld; c) de handelingen en werken tasten de dragende structuur van het gebouw of bouwwerk niet aan; d) de handelingen en werken zijn in overeenstemming met de voorwaarden vermeld in punt A1; e) het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen in het dakvlak geschiedt op maximum één verdieping en met dezelfde materialen als die van het dak; f) het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen in opgaande muren voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden: i) het sluiten of het wijzigen gebeurt met dezelfde bekledingsmaterialen als die van de opgaande muur; ii) elke opening of wijziging wordt afzonderlijk beschouwd en wordt op maximum één verdieping uitgevoerd; iii) als het goed valt onder een gewestelijke of gemeentelijke handleiding voor stedenbouw stemmen de handelingen en werken met die handleiding overeen. | x | x | |||||
| 11 | Het afbreken van vrijstaande gebouwen, constructies of installaties ten gevolge van een erkende natuurramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het afbreken geschiedt binnen 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp; b) het afbreken wordt minstens 15 dagen vóór aanvang aan het gemeentecollege meegedeeld; | x | x | |||||
| 12 | Het afbreken van niet-vrijstaande gebouwen, constructies of installaties ten gevolge van een erkende natuurramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het afbreken geschiedt binnen 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp; b) het afbreken geschiedt in het kader van een besluit van de burgemeester genomen bij hoogdringendheid met het oog op het verzekeren van de openbare veiligheid. | x | x]2 | |||||
| C | Veranda | 1 | Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. Slechts één per goed en er is niet meer dan één aanbouwvolume op het goed. Gelegen : leunt tegen een bestaand gebouw, aan de achterkant van dat gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg. Ligging : op minstens 2,00 meter van de gemeenschappelijke grens. Maximale oppervlakte van 40,00 m2. Volumetrie: zonder verdieping, plat dak of hellend dak met één of meer hellende vlakken Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau en voor zover het dakgootniveau kleiner is dan het dakgootniveau van het hoofdvolume onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) druiplijst: 3,00 m; b) nokhoogte: 5,00 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen : lichte structuur en wanden hoofdzakelijk van glas of van polycarbonaat zowel in de opgaande muren als in de daken | x | x | |||
| 2 | De bouw van een veranda met een maximale oppervlakte van 40,00 m2 die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult | x | x | |||||
| 3 | De afbraak van een veranda voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | x | |||||
| D | Creatie van één of meerdere woningen [5 of toeristische logiesverstrekkende inrichtingen]5 | 1 | De creatie van een [5 van een of meerdere woningen of een of meerdere toeristische logiesverstrekkende inrichtingen]5 in een gebouw voor zover de verbouwingshandelingen en -werken de verplichte tussenkomst van een architect niet vereisen. | x | x | |||
| 2 | [5 ...]5 | x | ||||||
| E | Plaatsing van technische installaties en bouw of heropbouw van een bijgebouw zoals: * garage, * atelier, * poolhouse, * opslagplattform * geprefabriceerde gebouwen... | 1 | Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. Slechts één bijgebouw per goed. [4 Niet bestemd voor bewoning of toeristische logiesverstrekkende inrichting]4. Gelegen: * Behalve als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, wordt het aan de achterkant van een bestaand gebouw opgericht. * Als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, is dit volume rechtstreeks verbonden met de openbare weg en het gevelaanzicht aan de straatkant van het bijgebouw is niet gelegen verder dan het gevelaanzicht van het hoofdgebouw aan de achterkant. Ligging: op minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grens. Maximale oppervlakte: 40,00 m2. Volumetrie: zonder verdieping, plat dak of hellend dak met één of meer hellende vlakken Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau, voor zover de dakgoot of de dakopstand op dezelfde hoogte is als de dakgoot of de dakopstand van het hoofdvolume onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: hout voor de opgaande muren of elk ander materiaal met dezelfde kleurschakering als die van het hoofdgebouw. | x | x | |||
| 2 | Plaatsing, verbouwing, vergroting van een technische installatie in de zin van artikel R.IV.1-2, tweede lid, met inbegrip van een kuip, die een functionele eenheid met de bestaande onderneming vormt. Hoogstens drie per goed. Gelegen : in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) binnen een straal van 30,00 m van een legale bestaande installatie of een legaal bestaand gebouw; c) op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant; d) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; e) op minimum 10,00 m van een waterloop; f) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; g) de werken vereisen niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: de totale gecumuleerde oppervlakte van de plaatsing en uitbreiding van technische installaties die van de vergunning zijn vrijgesteld, bedraagt minder dan 100,00 m2. Hoogte : maximum 10,00 m en lager dan het hoogste gebouw op het goed. | x | x | |||||
| 3 | Bouw, verbouwing, vergroting van een gebouw of plaatsing of verplaatsing van geprefabriceerde gebouwen, met inbegrip van de buitentrap, [4 niet bestemd voor bewoning of als toeristische logiesverstrekkende inrichting]4 [3 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]3 en een functionele eenheid vormend met de bestaande onderneming. Gelegen: in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) binnen een straal van 30,00 m van een legale bestaande installatie of een legaal bestaand gebouw; c) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; d) op minimum 10,00 m van een waterloop; e) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; f) de werken vereisen niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: de gecumuleerde totale oppervlakte van de bouw, van de vergroting of van het geprefabriceerde gebouw vrijgesteld van vergunning bedraagt 75,00 m2. Volumetrie: één verdieping maximum, plat dak of dak met een hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken. Maximale hoogte van de dakopstand of van de nok: 7,00 m en lager dan of even hoog als het hoogste gebouw op het goed. Materialen: met dezelfde kleurschakering als die van de bestaande gebouwen. | x | x | |||||
| 4 | De installatie van een opslagplatform, voor zover die geen merkbare wijziging van het bodemreliëf als gevolg heeft. Eén opslagplatform per goed. Gelegen: in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; c) op minimum 10,00 m van een waterloop; d) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; e) ze vereist niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: 75,00 m2. | x | x | |||||
| 5 | De bouw van een bijgebouw of de plaatsing van een technische installatie die niet in de punten 1 tot en met 4 wordt bedoeld of die niet voldoet aan de in de punten 1 tot en met 4 bedoelde voorwaarden, die niet bestemd is voor [4 bewoning of als toeristische logiesverstrekkende inrichting]4 [3 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]3 en die een functionele eenheid vormt met een of meer bestaande constructies, op voorwaarde dat de grondinneming van het zo gevormde geheel ten hoogste verdubbeld wordt. | x | x | |||||
| 6 | De afbraak of de verwijdering van een bijgebouw, van een technische installatie, van een bouw of van een geprefabriceerd gebouw zoals bedoeld in de punten 1 tot 5 voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of de verwijdering afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | x | |||||
| [5 7 | Oppervlakten uit beton of teer herstellen, als die werken betrekking hebben op een totale oppervlakte per goed van maximaal 20 m2. | |||||||
| 8 | Oppervlakten uit beton of teer herstellen die niet voldoen aan de voorwaarde vermeld in punt 7. | |||||||
| 9 | De afbraak of het weghalen van oppervlakten uit beton of teer voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.]5 | |||||||
| F | Carport, toegang en parkeerplaats | 1 | Eén carport per goed. Ligging: a) verbonden met de openbare weg; b) het gevelaanzicht mag niet hoger uitkomen dan het gevelaanzicht aan de achterkant van het hoofdgebouw Maximale oppervlakte: 40,00 m2. Volumetrie: plat dak of dak met één hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken Maximale hoogten: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: a) Structuur bestaande uit houten, betonnen of metalen palen of op pijlers met materialen vergelijkbaar met de bekleding van het bestaand gebouw of met dezelfde kleurschakering. b) dak met één of verschillende hellingen met materialen vergelijkbaar met die van het hoofdgebouw. | x | x | |||
| 2 | Elke andere carport die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervult | x | x | |||||
| 3 | De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde carport voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | x | |||||
| 4 | De parkeerplaatsen in de open lucht en hun toegang tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) [5 ze zijn gelegen in de omgeving van een legaal bestaand gebouw en vormen samen met dat gebouw een functionele eenheid]5 ; b) [5 ze zijn verbonden met de openbare weg; behalve in bedrijfsruimte mag de toegang maximaal 6 meter breed zijn]5; c) ze bestaan uit waterdoorlatende en onderbroken materialen; d) [5 ze hebben een maximale oppervlakte van: - 300,00 m2 in bedrijfsruimte; - 100,00 m2 in andere gebieden]5; e) zij vereisen geen significante wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3, punten 1° tot en met 5°, 7° tot en met 9°, 11°, 12° en 15°. | x | x | |||||
| 5 | [5 de andere dan in punt 4 bedoelde toegangen en parkeerplaatsen in de open lucht]5 | x | x | |||||
| G | Tuinhuisje/berging | 1 | Slechts één tuinhuisje of berging per goed. Ligging: a) in de ruimtes van hoven en tuinen; b) ofwel niet-zichtbaar vanaf de openbare weg, ofwel gelegen aan de achterkant ten opzichte van de openbare toegangsweg. Ligging: minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte: 20,00 m2. Volumetrie: dak met één hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken of plat dak. Maximale hoogten: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: van hout of elk ander materiaal met een kleurschakering gelijk aan het gebouw of de omgeving waarop het betrekking heeft. | x | x | |||
| 2 | De tuinhuisjes of bergingen die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen. | x | x | |||||
| 3 | De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde tuinhuisjes of bergingen voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | x | |||||
| H | Zwembad/zwemvijver | 1 | Opbouwzwembad of zelfdragend zwembad: Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. | x | x | |||
| 2 | Geheel of gedeeltelijk ingegraven zwembad, alsook elke veiligheidsinrichting met een maximale hoogte van 2,00 m rond het zwembad: a) slechts één per goed; b) al dan niet overdekt door een lichte, uitschuifbare telescopische zwembadoverkapping waarmee de oppervlakte bedekt wordt voor zover de nokhoogte kleiner is dan 3,50 m; c) voor privé-doeleinden; d) de afgegraven aarde voor [5 het zwembad]5 brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte (watervlak): 75,00 m2 | x | x | |||||
| 2.1 | Zwemvijver: a) slechts één per goed; b) niet overdekt; c) voor privé-doeleinden; d) de voor deze zwemvijver afgegraven aarde brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte (totale oppervlakte zwemgedeelte en filtergedeelte): 100,00 m2 | x | x | |||||
| 3 | De zwembaden of zwemvijvers die de in de punten 1, 2 en 2.1 bedoelde voorwaarden niet vervullen. | x | x | |||||
| 4 | Het weghalen, de afbraak of de opvulling van de in de punten 1 tot 3 bedoelde zwembaden of zwemvijvers, voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving en voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen. | x | x | |||||
| I | [5 Vijver]5 | 1 | Slechts één per goed. Ligging: buiten een locatie die erkend is krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud (met uitzondering van een beheermaatregel ''BE5-verbindingsweide'' of ''B11-akkerland'' en antropogene elementen in een Natura 2000-locatie). Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale wateroppervlakte: 100,00 m2. [5 Minstens een derde van de oever is zeer zacht hellend (< 30°).]5 De afgegraven aarde voor [5 de vijver]5 brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Met uitzondering van [5 ...]5 vijvers in de ruimtes van hoven en tuinen moet het wateroppervlak door boombeplanting gedeeltelijk in de schaduw liggen. | x | x | |||
| 2 | De vijvers [5 ...]5 die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen. | x | x | |||||
| 3 | De verwijdering of de opvulling van de vijvers [5 ...]5 bedoeld in punt 1 voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen. | x | x | |||||
| J | Inrichtingen, accessoires en meubilair | 1 | Het plaatsen van luifels, zonneschermen of daken van een terras op de begane grond, aangrenzend of geïsoleerd. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen. Maximale hoogte: 3,50 m. Maximale totale oppervlakte van al deze inrichtingen: 40,00 m2. Ligging: minimum op 2,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. | x | x | |||
| 2 | Het plaatsen van in de bodem verankerd of ingebouwd tuinmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, open haarden of barbecues, vuilnisemmers, compostbakken, pergola's of zuilen, plantenbakken, sierfonteinen, watertuinen, kinderspelletjes, structuren voor leibomen. Het plaatsen van lantaarn- en verlichtingspalen zodat de op de grond vallende lichtbundel van de lampen niet over de gemeenschappelijke grenzen heen straalt. De speel- en sportterreinen uit waterdoorlatende materialen en de apparaten die strikt nodig zijn voor het gebruik van die terreinen. Gelegen ofwel in de ruimtes van hoven en tuinen, ofwel in de omgeving van een gebouw gelegen in een voor bebouwing bestemd gebied dat een functionele eenheid vormt met dat gebouw. Maximale hoogte: 3,50 m. | x | x | |||||
| 3 | x | x | ||||||
| 3.1 | [5 Aanleg van graveltuinen met maximaal 8 m2 bedekte tuinoppervlakte per goed (buiten de wegen). ]5 | x | x | |||||
| 3.2 | [5 Aanleg van graveltuinen met een totale oppervlakte per goed van meer dan 8 m2 (buiten de wegen).]5 | x | x | |||||
| 4 | Het plaatsen van plantenserres die een maximale oppervlakte van 20,00 m2 hebben. | x | x | |||||
| 5 | Zolang ze het goed niet afbakenen: a) De aanleg van afsluitingen die bestaan uit met elkaar verbonden palen met draad of draadgaas met brede mazen, eventueel bevestigd op een betonplaat of een muurtje met een maximumhoogte van 0,70 m, ofwel uit met elkaar verbonden palen met horizontale dwarsstukken, ofwel uit palissades van hout, ofwel uit schanskorven met een maximale dikte van 20,00 cm en de installatie van deuren, poorten of hekjes met een maximale hoogte van 2,00 m b) de bouw en de wijziging van steunmuren, met inbegrip van schanskorven, met een maximale hoogte van 0,70 m; c) de bouw en de wijziging van muren met een maximale hoogte van 2,00 m die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg of die ten opzichte van de openbare toegangsweg aan de achterkant van het gebouw liggen. | x | x | |||||
| 6 | De in de bodem verankerde of ingebouwde [5 installaties]5, accessoires, tuinmeubilair, niet bedoeld in de punten 1 tot 5 of die de in de punten 1 tot 5 bedoelde voorwaarden niet vervullen. | x | x | |||||
| 7 | De afbraak, de verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 6 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving. | x | x | |||||
| K | Microwoningen in de zin van het Waals Wetboek van Duurzaam Wonen | 1 | De plaatsing van de geprefabriceerde of als kit geleverde microwoningen. | x | ||||
| 2 | De plaatsing van microwoningen niet bedoeld in punt 1 voor zover zij : a) zonder verdieping zijn; b) een oppervlakte van minder dan 40,00 m2 hebben; c) een maximale hoogte van 2,50 m onder een kroonlijst hebben, 3,50 m op de nok en, indien van toepassing, 3,20 m aan de dakopstand. | x | ||||||
| L | Hernieuwbare energieën Modules voor de productie van elektriciteit of warmte | 1 | [5 Hernieuwbare energieën Modules voor de productie van elektriciteit of warmte | 1 | 1° Het plaatsen van een of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte met zonne-energie als energiebron en de bijbehorende energieopslaginstallatie, voor zover ze daarmee verbonden is en op hetzelfde goed gelegen is, zoals bijvoorbeeld een batterij: a) ofwel geïntegreerd in of aangebracht op een wettelijk bestaand gebouw, ofwel op de gevel of op het dak; b) ofwel aangebracht op een wettelijk bestaande kunstmatige structuur, zoals een straat, een parkeerterrein, een spoorweg, een perron, een opslagplaats voor materialen of goederen, met uitzondering van kunstmatige watervlakken. 2° Het vervangen van een of meer wettelijk bestaande modules voor de productie van elektriciteit of warmte met zonne-energie als energiebron, als dat geen extra plaats inneemt en overeenstemt met de geldende milieumaatregelen die voor de oorspronkelijke installatie zijn vastgelegd. 3° Het plaatsen van een warmtepomp (met inbegrip van geothermische warmtepompen) met een stroomcapaciteit van minder dan 50 MW en een maximale diepte van 500 meter: a) ofwel in een wettelijk bestaand gesloten bouwwerk; b) ofwel met een geluiddempende omkasting en op minstens 2 meter afstand van de gemeenschappelijke grenzen. 4° Het plaatsen van een warmtepomp (met inbegrip van geothermische warmtepompen) met een stroomcapaciteit van hoogstens 12 kW: a) op minstens 2 meter afstand van de gemeenschappelijke grenzen; b) en ofwel met een geluiddempende omkasting, ofwel op 15 meter van het volgende woongebouw gelegen (met uitzondering van het eigen woongebouw).]5 | x | x | |
| [5 1.1 | Het plaatsen van een warmtepomp van maximaal 300 kW die niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in punt 1. | x | x |
2Het plaatsen van één of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte uit een hernieuwbare energiebron waarmee op hetzelfde goed gelegen bouwwerken, installaties of gebouwen rechtstreeks bevoorraad worden en die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen. xx
3De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 2 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.x xMOmheiningen1Het plaatsen van doorzichtige afsluitingen met een maximale hoogte van 2,00 m die ofwel bestaan uit palen die met elkaar verbonden zijn door draad of draadgaas en met eventueel een hoogstens 0,70 m hoge betonplaat of muur als basis, of die met elkaar verbonden zijn door houten verbindingselementen. De bouw of de wijziging van steunmuren van minder dan 0,70 m hoog, met inbegrip van schanskorven; Het plaatsen van deurtjes, hekjes of poorten met een maximumhoogte van 2,00 meter waardoor een breed gezicht op het goed mogelijk blijft.x x
2Het plaatsen van afsluitingen, deurtjes, poorten of hekjes die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen of die niet bedoeld zijn in punt 1. xx
3De bouw of de wijziging van steunmuren met een hoogte van meer dan 0,70 m of afsluitingsmuren in de omgeving van een legaal bestaand gebouw of een legaal bestaande installatie. xx
4De afbraak of het weghalen van de in de punten 1 tot 4 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.x xNHokken voor één of meerdere dieren met inbegrip van de bijenstallen en mestvloeren1Een of meerdere bijenstallen per goed. Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunningx x
2Een of meerdere hokken voor dieren per goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen. Ligging: a) minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen b) bij grote dieren op minimum 20,00 m van elke naburige woning c) bij grote dieren niet gelegen in de zichtlijn die loodrecht staat op de achtergevel van een naburige woning. Maximale totale oppervlakte van alle hokken voor dieren op het goed: 25,00 m2 voor één of meerdere hokken. Volumetrie: zonder verdieping; een dak met één helling, een dak met twee hellingen met dezelfde hellingsgraad en lengte of een plat dak. Maximale hoogte berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: hout of traliewerk of vergelijkbaar met de materialen van het bestaande hoofdgebouw. Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale en sectorale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunningx x
3De aanleg van een mestvloer. Gelegen ten minste 20,00 m van een andere woning dan die op het goed. Ligging: op een afstand van minimum 10,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Hoogte: op de begane grond. Maximale oppervlakte: 10,00 m2.x x 3.1De aanleg van een mestvloer die de voorwaarden van punt 3 niet vervult. xx
4De plaatsing of de bouw van hokken voor dieren die de voorwaarden van de [5 punt 2]5 niet vervullen [5 , waarbij de maximale totale oppervlakte van alle hokken voor dieren op het goed hoogstens 100 m2 bedraagt]5. xx [5 4.1De plaatsing of de bouw van hokken voor dieren die de voorwaarden van punt 2 of 4 niet vervullen.]5
5De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 en 4 bedoelde hokken,[5 bijenstallen]5 en mestvloeren voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.x xOLandbouwbedrijven1De bouw van geheel of gedeeltelijk ingegraven opslagsilo's, voor zover de bovenhoogte van de steunmuren niet meer dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijk bodemreliëf uitstijgt xx
2De aanleg van een mestvloer. Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant. Ligging: op een afstand van minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Hoogte: de bovenhoogte van de mestvloer of van de steunmuren bedraagt niet meer dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijke bodemreliëf. xx
3Het plaatsen van geheel of gedeeltelijk ingegraven watertanks of giersilo's. Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant en buiten het woongebied. Ligging: a) op minimum 10,00 m van elke bevaarbare of niet-bevaarbare waterloop; b) op minimum 3,00 m van het openbaar domein. Hoogte: De bovenhoogte van de steunmuren bedraagt niet meer dan 0,70 m. xx 3.1Het plaatsen van een flexitank voor vloeibare mest, per bedrijf en per seizoen, voor een maximumduur van vier maanden, voor zover het goed na afloop van die termijn in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt.x x 3.2Het plaatsen van flexitanks voor vloeibare mest die de voorwaarden van punt 3.1 niet vervullen. xx
4Het plaatsen van tunnelserres bestemd voor de teelt van de landbouw- en tuinbouwgewassen en die na de teelt worden weggehaald.x x
5Anti-hagelnetten die een in de grond verankerde structuur impliceren en het plaatsen van [5 tunnelserres met een maximale totale oppervlakte op het goed van hoogstens 100 m2]5 die de in de punten 1 tot 4 bedoelde voorwaarden niet vervullen. xx [5 5.1Antihagelnetten en het plaatsen van tunnelserres die de in punt 4 of 5 bedoelde voorwaarden niet vervullen.]5
6Het plaatsen van een installatie voor waterwinning in een niet-bevaarbare of niet-ingedeelde waterloop die uitsluitend bestemd is voor het drinken van veex x 6.1Het plaatsen van veepassages over onbevaarbare waterlopen, voor zover noch de bedding, noch de oever veranderd worden en voor zover een voorafgaande schriftelijke vergunning werd aangevraagd bij de beheerder van de waterloop en - in een krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend gebied - bij de luidens die wet bevoegde overheid. De passages dienen uitsluitend om vee te laten oversteken (geen machines). Maximale breedte: 3,00 mx x
7De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 tot 6 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.x xPTijdelijke bouwwerken en installaties1De tijdelijke constructies voor de installatie van bouwplaatsen voor toegelaten handelingen en werken, met inbegrip van refters, onderkomens en sanitair evenals de ontvangstpaviljoenen, tijdens de duur van de handelingen en werken en voor zover de bouwplaats onafgebroken plaatsvindt.x x
2Het plaatsen van installaties met een sociaal, cultureel, sportief of recreatief karakter met inbegrip van de desbetreffende parkeerplaatsen in de openlucht voor een maximumduur van negentig dagen voor zover het goed na afloop van die termijn in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt.x x
3De plaatsing van commerciële installaties, op het openbaar domein, of op het private domein op voorwaarde dat ze verbonden zijn met een bestaande activiteit, met inbegrip van de bijbehorende buitenparkeerplaatsen, voor een periode van maximaal zestig dagen, op voorwaarde dat de installaties voldoen aan de gemeentelijke en gewestelijke handleiding voor stedenbouw en dat op het einde van de periode het goed terugkeert in zijn oorspronkelijke staat.x x
4Het tijdelijk plaatsen van installaties die nodig zijn om een ontheemde activiteit onder te brengen, voor de duur van de handelingen en werken waarvoor een vergunning vereist is, op voorwaarde dat de werkzaamheden ononderbroken worden voortgezet en dat na het verrichten van de handelingen en werken of het verstrijken van de vergunning de installaties worden verwijderd.x x [2 4.1Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing van installaties op het openbaar domein die een openbare dienst of een activiteit van algemeen belang in de zin van artikel D.IV.22, eerste lid, 7°, of een activiteit van openbaar nut in de zin van artikel R.IV.22-2, 17°, huisvesten. De vergunning voor het gebruik van het openbaar domein wordt vooraf aangevraagd. Aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat.x x 4.2Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing van installaties, met inbegrip van parkeerplaatsen, op privaat domein die een openbare dienst of een activiteit van algemeen belang in de zin van artikel D.IV.22, eerste lid, 7°, of een activiteit van openbaar nut in de zin van artikel R.IV.22-2, 17°, huisvesten, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het gaat om de verplaatsing van een activiteit die in de gemeente bestaat; b) het gaat om een gebied dat is bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23; c) het gaat niet om een terrein of een gedeelte van een terrein dat blootgesteld is aan een risico in de zin van artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, of dat blootgesteld is aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke as van geconcentreerd afvloeiend water; d) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat in de laatste vijf jaar overstroomd is geweest; e) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat het risico op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van het Waals Gewest van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kan vergroten of de gevolgen van zo'n ongeval kan verergeren; f) het gaat niet om een locatie die krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend is, noch om een biologisch zeer waardevolle locatie zoals vermeld op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst; g) aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat.x x 4.3Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing - op het openbaar domein - van commerciële installaties of installaties waar de activiteit van een zelfstandige of een onderneming wordt uitgeoefend, op voorwaarde dat de activiteit in de gemeente bestaat en verplaatst werd. De vergunning voor het gebruik van het openbaar domein wordt vooraf aangevraagd. Aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat.x x 4.4Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing - op privédomein - van commerciële installaties of installaties waar de activiteit van een zelfstandige of een onderneming wordt uitgeoefend, met inbegrip van de bijbehorende parkeerplaatsen in open lucht, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het gaat om de verplaatsing van een activiteit die in de gemeente bestaat; b) het gaat om een gebied dat is bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23; c) het gaat niet om een terrein of een gedeelte van een terrein dat blootgesteld is aan een risico in de zin van artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, of dat blootgesteld is aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke as van geconcentreerd afvloeiend water; d) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat in de laatste vijf jaar overstroomd is geweest; e) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat het risico op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van het Waals Gewest van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kan vergroten of de gevolgen van zo'n ongeval kan verergeren; f) het gaat niet om een locatie die krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend is, noch om een biologisch zeer waardevolle locatie zoals vermeld op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst; g) aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat.x x 4.5Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing - door of in opdracht van de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de openbare huisvestingsmaatschappijen - van microwoningen met het oog op de huisvesting van de slachtoffers van die ramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het gaat om een gebied dat is bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23; b) het gaat niet om een terrein of een deel van een terrein dat blootgesteld is aan een risico in de zin van artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, of dat blootgesteld is aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke as van geconcentreerd afvloeiend water; c) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat in de laatste vijf jaar overstroomd is geweest; d) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat het risico op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van het Waals Gewest van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kan vergroten of de gevolgen van zo'n ongeval kan verergeren; e) het gaat niet om een locatie die krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend is, noch om een biologisch zeer waardevolle locatie zoals vermeld op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst; f) aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat.x x]2
5De verwijdering of het weghalen van de in de [2 punten 1 en 4 tot 4.5]2 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.x xQUithangborden en reclamezuilen1Het plaatsen van één of meer uithangborden of reclamezuilen xx
2De verwijdering of het weghalen van de in punt 1 bedoelde uithangborden en reclamezuilen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.x xRHoogzitten en uitkijkposten1In bosgebied, in gebied aanpalend aan bosgebied en in landbouwgebied, de houten of uit mat metaal gemaakte hoogzitten en andere uitkijkposten bedoeld in artikel 1, § 1, 9°, van de jachtwet van 28 februari 1882. Maximale bruikbare oppervlakte: 4,00 m2x x 1.1Hoogzitten en uitkijkposten in bosgebied, in het gebied aanpalend aan het bosgebied en in landbouwgebied die de voorwaarden van punt 1 niet vervullen xx
2De verwijdering van de hoogzitten en uitkijkposten bedoeld in punt 1 of punt 1.1 voor zover de afval voortvloeiend uit het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.x xSBomen, hagen en wijziging van de beplanting1De bebossing of de ontbossing xx
2Onverminderd artikel R.IV.4-4, de kerstbomenteelt xx
3Voor zover artikel D.IV.4, eerste lid, 11°,een rol speelt: het kappen van een haag over een doorlopende lengte van minder dan 2,50 m om één enkele toegang tot een bestaande woning te creëren.x x
4Het vellen van hoogstammige alleenstaande bomen, van een haag of het vellen van een, meerdere of alle bomen van een allee in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 11°. xx
5Het vellen, het toebrengen van schade aan het wortelstelsel of de wijziging van het aspect van een waardevolle boom, struik of haag in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 12°. xx
6Het rooien of wijzigen van de beplanting in elk gebied bedoeld in artikel R.IV.4-11. xx
7Het vellen van bomen bedoeld in de punten 4 tot 6 dat het voorwerp uitmaakt van een besluit van de burgemeester genomen bij hoogdringendheid met het oog op het verzekeren van de openbare veiligheid.x xTWijziging van het bodemreliëf1De merkbare wijziging van het bodemreliëf voor het boren of nemen van bodemmonsters in het kader van een geotechnisch onderzoek, een geologische prospectie- of bodemverontreinigingsonderzoek.x x
2[5 De merkbare wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 binnen een straal van 30,00 m van een legaal bestaand bouwwerk dat of legaal bestaande installatie die op hetzelfde goed gelegen is.]5 xx
3Voor de uitvoering van een actieprogramma voor rivieren door middel van een geïntegreerde en sectorale aanpak als bedoeld in artikel D. 33/3 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt: a) opvulmateriaal of uitgegraven materiaal dat niet meer dan 50,00 centimeter hoog is en dat zich op een maximale afstand van 6,00 m van de top van de oever van een waterloop bevindt, ook in gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat; b) het storten en verspreiden van producten die het gevolg zijn van de ruimingswerken van een waterloopx xU[5 Gebruik van een terrein voor opslag en voor mobiele installaties1Een terrein gebruiken voor het plaatsen van een of meer mobiele installaties in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 15°, b), om kampeerterreinen op de hoeve te creëren]5x x
2[5 Een terrein doorgaans gebruiken voor: - de opslag van een of meerdere afgedankte wagens, schroot, materialen of afvalstoffen; - de plaatsing van een of meer mobiele installaties, zoals reclameaanhangwagens, huifkarren, caravans, afgedankte voertuigen of tenten, met uitzondering van mobiele verblijven in de zin van het decreet van 23 januari 2017 ter bevordering van het toerisme.]5 xxVStructuur die als toeristische en vrijetijdslogies dient1[5 De plaatsing van een of meer gemakkelijk te demonteren en te vervoeren structuren voor toeristisch verblijf die bestemd zijn voor tijdelijk of seizoensgebonden gebruik, voor zover is voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het mobiele verblijf heeft een maximale oppervlakte van 50,00 m2; b) de plaatsing of constructie ervan vereist geen belangrijke wijziging van het bodemreliëf; c) het is gelegen op een kampeerterrein in de zin van het decreet van 23 januari 2017 ter bevordering van het toerisme.]5x x
2De bouw van een terras met of zonder balustrade dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 249 BWR, eerste lid, 3° en tweede lid van het Waalse Wetboek van Toerisme op een toeristisch kampeerterrein.x x
3[5 De bouw of plaatsing per goed van een blokhut of een tent of een tipi of een joert of een luchtbel in een bosgebied.]5 xx
4Het weghalen of de afbraak van de in de punten 1 tot 3 bedoelde toeristische of vrijetijdslogies, terrassen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.x xWHandelingen en werken op het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen1Voor zover de wegbedding niet verbreed wordt, de hernieuwing van de funderingen en de verharding van de wegen, bermen, boorden, trottoirs, eilandjes en openbare plaatsen uitgezonderd de veranderingen van verhardingen bestaande uit natuursteen en, voor openbare plaatsen, voor zover dat de handelingen en werken niet leiden tot een toename van de oppervlakte van de verhardingen van ondoordringbaar materiaal.x x
2De plaatsing, de hernieuwing, de verplaatsing of de verwijdering van de bijkomende elementen zoals de radarinstallaties, relingen, de beveiligingsconstructies en de schampranden, met uitzondering van de steunmuren en de geluidsschermen.x x
3De plaatsing, de verplaatsing, de verbouwing, de uitbreiding, of de verwijdering van vloeistofnetwerken (met een druk van ten hoogste 20 bar voor gas), energie (met een spanning van ten hoogste 70 KV voor elektriciteit) en telecommunicatienetwerken die in het publieke domein zijn aangebracht, verankerd, ondersteund of overhangend, met inbegrip van privé-aansluitingen, hulpelementen en bijbehorende uitrusting zoals palen, technische kasten, pylonen en palen met een maximale hoogte van 14,00 meter.x x
4De tijdelijke weginrichtingen met een maximale duur van vijf jaar [2 , met inbegrip van kunstwerken die wegen of een spoorlijn dragen]2.x x
5De werken voor de aanleg van ruimten voor voetgangers, personen met een verminderde beweeglijkheid of fietsers en waarbij de plaatselijke creatie of verruiming van die ruimten, de verbetering van hun esthetisch aspect of de veiligheid van de gebruikers wordt beoogd, ongeacht of deze werkzaamheden al dan niet leiden tot een versmalling van de wegbedding.x x
6Het plaatsen of vernieuwen van klein stadmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, vuilnisemmers, lantaarn- en verlichtingspalen, plantenbakken, fonteintjes, elektrische aansluitpunten, containers, al dan niet ingegraven en bestemd voor de ophaling van huishoudelijke en daarmee gelijkgestelde afval.x x
7De werken voor de inrichting van de ruimtes bestemd voor de beplantingen.x x
8De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de signalisatie-elementen : a) de verkeersborden, met inbegrip van de steunstructuren en portalen, evenals van de bescherming ervan tegenover het verkeer; b) de vaste of mobiele installaties waarbij het verkeer, het parkeren of de snelheid beperkt worden; c) de installaties voor de controle op het parkeren zoals parkeermeters of parkeerautomaten; d) de niet-overdekte installaties voor het parkeren van tweewielers; e) de bijkomende technische al dan niet ondergrondse installaties zoals kasten voor de elektrische bediening van verkeerslichten of van de openbare verlichting, praatpalen, brandpalen en bedieningskasten voor teledistributie.x x
9De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van inrichtingen voor de openbare verlichting.x x
10Voor zover ze niet onderworpen worden aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende de beschermde gebieden van sommige gemeente inzake stedenbouw, de plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de volgende reclameborden: a) de aanplakzuilen waarvan de schacht met een diameter van maximum 1,20 m beperkt blijft tot 3,50 m hoogte; b) de aanplakborden op voeten waarvan de maximale hoogte en breedte respectievelijk niet meer dan 2,50 m en 1,70 m bedragen en waarvan de bruikbare oppervlakte niet meer dan 4 m2 per vlak bedraagt.x x
11Het aanbrengen of de wijziging van de wegmarkeringen.x x
12De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van verkeersdrempels.x x
13Het aanbrengen, verwijderen of hernieuwen van funderingen en inrichtingen voor het gebruik van de wegen en de openbare vervoerslijnen zoals rails, verbindingen, ballast, palen van bovenleidingen, signalen, portieken, hokjes, bedieningskasten voor verkeersborden of palen voor bus- of tramhaltes voor reizigers.x x
14Het plaatsen van een seizoensgebonden openluchtterras in de horecasector.x x
15De hokjes voor de reizigers bij de haltes van het openbaar vervoer.x x
16De plaatsing of de verplaatsing van brievenbussen.x x
17De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van beelden, gedenktekens en andere kunstwerken geplaatst door de overheid of op bevel van de overheid.x x
18Het aanleggen, vernieuwen of verwijderen van kunstwerken voor de bescherming van de oevers in een niet-bevaarbare waterloop, met uitzondering van gemetselde muren, op een lengte van niet meer dan 100,00 m en een maximale hoogte van 2,00 m.x x [2 19De installatie van technische apparatuur voor de controle van waterlopen.x x 20In gebieden die getroffen werden door een erkende natuurramp en op voorwaarde dat de werken op significante wijze zijn aangevat binnen een termijn van drie jaar na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, handelingen en werken voor de heropbouw van bruggen, met inbegrip van de werken voor de dragende structuur, het herstel van rivieroevers of van het rivierbed van een waterloop of voor het herstel van stuwdammen en hun installaties, voor zover de lokalisatie van de installaties onveranderd blijft en maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de verschillende gebruikers ze kunnen blijven gebruiken.x x 21In gebieden die getroffen werden door een erkende natuurramp en op voorwaarde dat de werken op significante wijze zijn aangevat binnen een termijn van drie jaar na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, het slopen, herstellen of wederopbouwen van muren voor de bescherming van de oevers en andere kunstwerken die eigendom zijn van de beheerder van de niet-bevaarbare waterloop.x x]2XRiolering, leiding en netten buiten het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen, boringen en waterwinningen1Het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, alsook het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de eventuele afgegraven aarde voor deze [5 installaties]5 brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het eigendom; b) die inrichtingen hebben betrekking op de infrastructuur die noodzakelijk is voor het aanleggen van het goed en zijn uitsluitend gelegen op bedoeld goed.x x
2De privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, evenals het plaatsen van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen. xx
3[5 Het plaatsen van hoogstens één bovengrondse tank per goed.]5 xx
4De invoering of de versterking van ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen in een reeds ingerichte technische locatie tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de ontworpen werken zijn eigen aan de functie van de locatie; b) de bestaande installaties, gebouwen, bouwwerken en bedekking zijn legaal; c) de werken beogen de bouw van een gebouw niet; d) de grondinneming beperkt de bestaande isoleringsomtrekken of voorzieningen niet.x x
5De boringen van putten of waterwinningen.x x
6In de niet-bebouwingsgebieden, en voor zover geen vergunning vereist is in de zin van artikel R.IV.4-3, eerste lid, 6°, het aanleggen of wijzigen van een drainagesysteem voor zover het terrein niet gelegen is in een locatie erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van de Natura 2000-locaties, of blootgesteld aan een groot natuurrisico of grote geotechnische druk zoals bedoeld in artikel D.IV.57, 3°.x x
7De installatie, de verplaatsing, de wijziging of de uitbreiding van ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovengrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen en de bijkomende en bijbehorende uitrustingen wanneer ze buiten het openbare domein gelegen zijn. xx [2 7.1Ten gevolge van een erkende natuurramp en op voorwaarde dat de werken op significante wijze zijn aangevat binnen een termijn van drie jaar na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de plaatsing, verplaatsing, wijziging en vervanging van al dan niet ondergrondse riolerings-, vloeistof-, energie- en telecommunicatienetten en de bijbehorende elementen en bijbehorende uitrusting.x x]2
8Het weghalen van de in de [2 punten 1 tot 7.1]2 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.x xYTelecommunicatie, kabeltelevisie, glasvezel, gas, elektriciteit1De vervanging van technische installaties of technische kasten door technische installaties of technische kasten van een kleiner of gelijkwaardig volume.x x
2De vervanging van bestaande antennes door antennes met een gelijke, of kleinere of grotere afmeting op voorwaarde dat de totale hoogte van de mast niet verhoogd wordt en dat de nieuwe antennes een maximale hoogte van 3,00 m hebben.x x
3De vervanging van een pyloon of een bestaande paal door een zo hoge pyloon of paal van hetzelfde type geïnstalleerd op dezelfde locatie.x x
4De plaatsing van een technische kast op een plat dak, op voorwaarde dat ze vanaf de weg niet-zichtbaar is, dat ze gelegen is op een afstand van minstens een anderhalf keer de hoogte van de kast vanaf de dakopstand.x x
5De plaatsing of de vervanging van technische kasten naast een pyloon of een paal geplaatst op de bodem of in een technisch lokaal gelegen in de nabijheid van een mast geplaatst op een dak.x x
6De aanleg van technische installaties om de stabiliteit en de veiligheid van bestaande installaties evenals hun goede werking te verzekeren.x x
7De plaatsing van antennes of radiogolven, technische kasten en installaties tijdens culturele, sport-, recreatie- of commerciële evenementen, geplaatst voor een maximale duur van 90 dagen op voorwaarde dat deze antennes of golven, kasten en installaties niet meer dan 15 dagen voor het begin van het evenement geplaatst worden en dat ze uiterlijk 15 dagen na het einde van het evenement weggehaald worden.x x
8De verplaatsing en/of de heropbouw van antennes of radiogolven, ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovengrondse leidingen en van technische kasten en installaties om dringende redenen, om redenen van veiligheid of openbaar belang onvoorzienbaar uit hoofde van de beheerder, de tijd nodig om alle vereiste vergunningen voor de verplaatsing en/of de heropbouw van de locatie te krijgen.x x
9De tijdelijke verplaatsing van een bestaande installatie om de continuïteit van de diensten te verzekeren in geval van werken uitgevoerd door de eigenaar van de oorspronkelijke structuur voor de uitsluitende duur van de werken.x x
10De plaatsing van installaties zoals antennes, radiogolven, technische kasten en installaties voor zover ze gelegen zijn binnen gebouwen, bouwwerken of bestaande structuren of overdekt met materialen die lijken op de bestaande materialen.x x
11De plaatsing van radiogolven met een maximale diameter van 90,00 cm op een bestaande pyloon of een legaal bestaande mast op een dak.x x 11.1Plaatsen van draadloze toegangspunten met klein bereik die volledig en veilig in hun draagconstructie geïntegreerd worden en dus onzichtbaar zijn voor het publiek.x x 11.2Plaatsen van draadloze toegangspunten met klein bereik die aan volgende voorwaarden voldoen: a) Het totale volume van het voor het grote publiek zichtbare deel van een draadloos toegangspunt met klein bereik voor gebruik door een of meer radiospectrumgebruikers bedraagt maximaal 30 liter; b) Het totale volume van de voor het grote publiek zichtbare delen van meerdere afzonderlijke draadloze toegangspunten met klein bereik die een infrastructuurlocatie met een afzonderlijk begrensd oppervlak delen, zoals een lantaarnpaal, een verkeerslicht, een reclamebord of een bushalte, bedraagt maximaal 30 liter; c) Indien het antennesysteem en andere onderdelen van het draadloze toegangspunt met klein bereik, zoals een radiofrequentie-eenheid, een digitale processor, een opslageenheid, een koelsysteem, stroomvoorziening, bekabeling, backhaulonderdelen of onderdelen voor aarding en bevestiging, afzonderlijk worden geïnstalleerd, wordt elk gedeelte daarvan dat het maximale volume van 30 liter overschrijdt, aan het zicht van het grote publiek onttrokken; d) Het draadloze toegangspunt met klein bereik is visueel consistent met de draagconstructie, heeft een omvang die in verhouding staat tot de totale omvang van de draagconstructie, een coherente vorm, neutrale kleuren die passen bij of overgaan in de draagconstructie, en verborgen kabels, en is visueel niet storend in combinatie met andere draadloze toegangspunten met klein bereik die al zijn geïnstalleerd op dezelfde locatie of op aangrenzende locaties; e) Het gewicht en de vorm van een draadloos toegangspunt met klein bereik vereisen geen structurele versterking van de draagconstructie; Draadloze toegangspunten met klein bereik waarvan het equivalent isotropisch uitgestraald vermogen 10 watt bedraagt, mogen bovendien alleen worden geïmplementeerd in de buitenruimte of in grote binnenruimten met een minimale plafondhoogte van vier meter, waarbij het laagste uitstralende onderdeel van de antenne zich in een publiek toegankelijke ruimte op ten minste 2,2 meter hoogte moet bevinden.x x
12Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne). Ligging: * ofwel verankerd op een opgaande muur aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg of minstens 4,00 m achter de rooilijn * ofwel verankerd in de grond of op een dakdeel en gevestigd aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg. Maximale oppervlakte: 1,00 m2. Materialen: de antenne vertoont een kleurschakering die gelijk is aan die van haar draagbasis.x x
13Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne). Ligging: op een plat dak. Maximale hoogte: 5,00 meter, met inbegrip van de steun, en de hoogte is kleiner dan de afstand tussen de installatie en de dakopstand. Maximale oppervlakte: 1,00 m2.x x
14[5 Het plaatsen van een in punt 12 of 13 bedoelde antenne die de voorwaarden bedoeld in punt 12 of 13 niet vervult.]5 xx
15De plaatsing van antennes en van de behuizing voor radiomodules op afstand op een bestaande pyloon verankerd op de bodem of op legaal bestaande mast op een dak op voorwaarde dat de afstand maximum 1 m is in het geval van een pyloon en maximum 40 cm in het geval van een mast en dat de hoogte van de pyloon of van de mast niet overschreden is.x x
16De plaatsing van antennes tegen een bestaande gevel met maximum één antenne ( met inbegrip van de actieve elementen die nodig zijn voor de aansluiting ervan), over zes strekkende gevelmeters, of op een bestaande puntgevel met maximum één antenne per puntgevel, of op een schoorsteen op voorwaarde dat die antennes een kleur gelijk aan de bedekking van de gevel of van de puntgevel heeft.x x
17De plaatsing van antennes op het plat dak of het plat gedeelte van het dak van een gebouw op voorwaarde dat ze een maximale hoogte van 3 meter, met inbegrip van de steun, hebben, dat die hoogte kleiner is dan de afstand tussen de installatie en de lagere kant of de rand van het dak of de dakopstand en dat het gebouw minstens 12,00 m hoog is.x x
18De plaatsing op de gevel of bovengronds van elektronische of numerieke communicatiekabels en leidingen en van verbindingsdozen voor zover de kleur neutraal en discreet is en voor zover het tracé van de kabel de bouwkundige lijnen van de woning volgt, zoals de raamdorpel, de kroonlijst, de verbindingen tussen de gevels, de lagere kant of de rand van het dak, de dakopstand.x x
19De plaatsing van de antenne van een radioamateur in de zin van het ministerieel besluit van 9 januari 2001 betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs. xx
20Het plaatsen op het openbaar domein van steunen met een maximale diameter van 30,00 cm en een maximale hoogte van 8,00 meter voor technische telecommunicatieapparatuur en antennes, met inbegrip van radiogolven met een maximale diameter van 90,00 cm, met een afstand van niet meer dan 40,00 cm.x x
21De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 tot 20 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.x xZMilitaire domeinen1De uitvoering van defensieve werken van operationele aard of die strategisch geheim moeten blijven, ten behoeve van het ministerie van Defensie en waarvan de lijst gezamenlijk wordt opgesteld door de Minister van Defensie en de Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordeningx x ]1(1)2021-07-01/10, art. 7, 015; Inwerkingtreding : 01-09-2021>(2)2022-01-31/06, art. 1, 019; Inwerkingtreding : 14-06-2022>(3)2022-12-08/15, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 30-01-2023>(4)2023-01-26/19, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 01-02-2023>(5)2024-04-18/28, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-05-2024> [1 Handelingen/werken/ installatiesOmschrijving/eigenschappenVrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunningMet een geringe impactVerplichte tussenkomst van een architect niet vereistAWijziging van de bouwschil van een gebouw (isolatie, opgaande muren, dak, openingen)1De plaatsing van de materialen voor de bekleding van de opgaande muren en de bedekking van de daken vormen de bouwschil van het gebouw of de vervanging ervan door andere materialen om de vigerende energienormen onder de volgende voorwaarden te bereiken: a) de materialen hebben hetzelfde buitenaanzicht; b) de bijkomende laag bedraagt niet meer dan 0,30 m c) indien het goed valt onder de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende de beschermde gebieden van sommige gemeenten inzake stedenbouw of betreffende de gebouwen in landelijk gebied, of de artikelen R.II.36-6 à R.II.36-9, D.II.37, § 4, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, stemmen de kleuren en materialen overeen met de betrokken aanduidingen en voorschriften.xx
2[5 ...]5xx
3Beplanting van één of meer gevels die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg of van één of meer groendakken op een bestaand gebouw of een bestaande installatie.xx
4Het schilderen, bepleisteren, zandstralen of opnieuw voegen van een bestaand bouwwerk dat een wijziging van het bouwvolume of de architectuur als gevolg heeft.xx
5De plaatsing of vervanging van materialen voor gevelbekledingen en dakbedekkingen door materialen voor bekledingen die niet voldoen aan de in de punten 1 tot en met 3 genoemde voorwaarden.xx
6De vervanging van deuren of ramen in de opgaande muren of in de daken door deuren of ramen met als doel het bereiken van de vigerende energienormen.xx
7Het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen die zich bevinden in het dakvlak op maximum één verdieping en met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende gevel of het overeenstemmende dakvlak; het sluiten of wijzigen dient uitgevoerd te worden met hetzelfde materieel als dat van het dak.xx
8Het sluiten, openen of wijzigen van deuren of openingen in de opgaande muren met in het totaal maximum één kwart van de lengte van de overeenstemmende opgaande muur voor zover: a) Het sluiten, openen of wijzigen niet uitgevoerd wordt in een opgaande muur gelegen op de rooilijn en/of waarvan het plan gericht is op de verbindingsweg van het betrokken hoofdgebouw; b) het sluiten of het wijzigen gebeuren met dezelfde bekledingsmaterialen als die voor de opgaande muur; c) elke opening of wijziging afzonderlijk op maximum één verdieping wordt uitgevoerd; d) als het goed valt onder een gewestelijk of gemeentelijke handleiding voor stedenbouw stemmen de handelingen en werken met de handeling overeen.xx
9Het sluiten, openen of wijzigen van deuren en ramen die in totaal (alle openingen op hetzelfde niveau) niet meer dan een vierde van de lengte van de desbetreffende gevel of het desbetreffende dakvlak bedragen en die de in de punt 7 en 8 bedoelde voorwaarden niet vervullen.xx
10De installatie of vervanging van schoorstenen of schoorsteenkanalen, regengoten of regenpijpen, afvoersystemen voor installaties zoals afzuigkappen en verwarmingsketels, op voorwaarde dat, wanneer het goed onderworpen is aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw die betrekking hebben op de beschermde gebieden van bepaalde gemeenten op het gebied van stedenbouw of op gebouwen in landelijk gebied, de handelingen en werkzaamheden in overeenstemming zijn met deze handleiding.xx
11De plaatsing of vervanging van de in punt 10 genoemde elementen die niet aan de voorwaarden voldoen.xx
12De afbraak of het weghalen van de in de punten 10 en 11 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxBVerbouwing van een bestaand gebouw1De vervanging van de dragende structuur van een dak zonder wijziging van het gebouwde volume en voor zover de punten A1 en A7 worden gerespecteerd.xx
2De verbouwing zonder vergroting van een bestaand gebouw met het oog op de creatie van meerdere ruimten die niet bestemd zijn voor bewoning [4 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]4, voor zover de handelingen en werken, in voorkomend geval, vermeld worden in de punten A1, A2, A3, A6, A7, A8 en A10.xx
3De verbouwing zonder vergroting van een bestaand, niet in de punten 1 en 2 bedoeld gebouw, die geen gevolgen heeft voor de dragende structuur van het gebouw.xx
4Verbouwing met vergroting van een bestaand gebouw overeenkomstig de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of overeenkomstig de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw om een ruimte in te richten die niet bestemd is voor bewoning [4 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]4, voor zover volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn: a) slechts één aanbouwvolume per goed en er is niet meer dan één veranda op het goed; b) de grondoppervlakte van de uitbreiding bedraagt hoogstens 40,00 m2 en is: i) ofwel een aanbouwvolume zonder verdieping en kelder; ii) ofwel de verlenging van het hoofdvolume en het zo gevormde geheel heeft geen verdieping en geen kelder; c) de uitbreiding wordt uitgevoerd met materialen in soortgelijke kleurtonen als die van het bestaande gebouw; d) de uitbreiding bevindt zich minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grenzen.xx
5De verbouwing van een bestaand gebouw dat voldoet aan de cumulatieve voorwaarden opgenomen in punt 4 en dat niet overeenstemt met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw.x
6Het plaatsen van een buitentrapxx
7Het plaatsen/opstellen van een ventilatiesysteem of airconditioningsysteem.xx
8De verbouwing van een ander bestaand gebouw dan dat bedoeld in punt 1 tot 7 voor zover de grondinneming van het [5 bestaande geheel]5 maximum verdubbeld wordt en de hoogte van de druiplijst en/of de hoogte van de dakopstand van het bestaande gebouw niet overschreden wordt.x
9De afbraak of verwijdering van een aanbouwvolume, een buitentrap of een airconditioningsinstallatie voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xx[2 10Handelingen en werken voor het herstellen van gebouwen of bouwwerken ten gevolge van een erkende natuurramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de handelingen en werken geschieden binnen 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp; b) de handelingen en werken worden minstens 15 dagen voordat ze worden aangevangen, aan het gemeentecollege meegedeeld; c) de handelingen en werken tasten de dragende structuur van het gebouw of bouwwerk niet aan; d) de handelingen en werken zijn in overeenstemming met de voorwaarden vermeld in punt A1; e) het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen in het dakvlak geschiedt op maximum één verdieping en met dezelfde materialen als die van het dak; f) het sluiten, het maken of het wijzigen van openingen in opgaande muren voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden: i) het sluiten of het wijzigen gebeurt met dezelfde bekledingsmaterialen als die van de opgaande muur; ii) elke opening of wijziging wordt afzonderlijk beschouwd en wordt op maximum één verdieping uitgevoerd; iii) als het goed valt onder een gewestelijke of gemeentelijke handleiding voor stedenbouw stemmen de handelingen en werken met die handleiding overeen.xx11Het afbreken van vrijstaande gebouwen, constructies of installaties ten gevolge van een erkende natuurramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het afbreken geschiedt binnen 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp; b) het afbreken wordt minstens 15 dagen vóór aanvang aan het gemeentecollege meegedeeld;xx12Het afbreken van niet-vrijstaande gebouwen, constructies of installaties ten gevolge van een erkende natuurramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het afbreken geschiedt binnen 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp; b) het afbreken geschiedt in het kader van een besluit van de burgemeester genomen bij hoogdringendheid met het oog op het verzekeren van de openbare veiligheid.xx]2CVeranda1Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. Slechts één per goed en er is niet meer dan één aanbouwvolume op het goed. Gelegen : leunt tegen een bestaand gebouw, aan de achterkant van dat gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg. Ligging : op minstens 2,00 meter van de gemeenschappelijke grens. Maximale oppervlakte van 40,00 m2. Volumetrie: zonder verdieping, plat dak of hellend dak met één of meer hellende vlakken Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau en voor zover het dakgootniveau kleiner is dan het dakgootniveau van het hoofdvolume onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) druiplijst: 3,00 m; b) nokhoogte: 5,00 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen : lichte structuur en wanden hoofdzakelijk van glas of van polycarbonaat zowel in de opgaande muren als in de dakenxx
2De bouw van een veranda met een maximale oppervlakte van 40,00 m2 die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervultxx
3De afbraak van een veranda voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxDCreatie van één of meerdere woningen [5 of toeristische logiesverstrekkende inrichtingen]51De creatie van een [5 van een of meerdere woningen of een of meerdere toeristische logiesverstrekkende inrichtingen]5 in een gebouw voor zover de verbouwingshandelingen en -werken de verplichte tussenkomst van een architect niet vereisen.xx
2[5 ...]5xEPlaatsing van technische installaties en bouw of heropbouw van een bijgebouw zoals: * garage, * atelier, * poolhouse, * opslagplattform * geprefabriceerde gebouwen...1Overeenstemmend met de decretale en reglementaire voorschriften van het gewestplan of met de normen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw. Slechts één bijgebouw per goed. [4 Niet bestemd voor bewoning of toeristische logiesverstrekkende inrichting]4. Gelegen: * Behalve als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, wordt het aan de achterkant van een bestaand gebouw opgericht. * Als het om een volume bestemd voor een motorvoertuig gaat, is dit volume rechtstreeks verbonden met de openbare weg en het gevelaanzicht aan de straatkant van het bijgebouw is niet gelegen verder dan het gevelaanzicht van het hoofdgebouw aan de achterkant. Ligging: op minstens 2 meter van de gemeenschappelijke grens. Maximale oppervlakte: 40,00 m2. Volumetrie: zonder verdieping, plat dak of hellend dak met één of meer hellende vlakken Maximale hoogten berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau, voor zover de dakgoot of de dakopstand op dezelfde hoogte is als de dakgoot of de dakopstand van het hoofdvolume onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: hout voor de opgaande muren of elk ander materiaal met dezelfde kleurschakering als die van het hoofdgebouw.xx
2Plaatsing, verbouwing, vergroting van een technische installatie in de zin van artikel R.IV.1-2, tweede lid, met inbegrip van een kuip, die een functionele eenheid met de bestaande onderneming vormt. Hoogstens drie per goed. Gelegen : in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) binnen een straal van 30,00 m van een legale bestaande installatie of een legaal bestaand gebouw; c) op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant; d) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; e) op minimum 10,00 m van een waterloop; f) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; g) de werken vereisen niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: de totale gecumuleerde oppervlakte van de plaatsing en uitbreiding van technische installaties die van de vergunning zijn vrijgesteld, bedraagt minder dan 100,00 m2. Hoogte : maximum 10,00 m en lager dan het hoogste gebouw op het goed.xx
3Bouw, verbouwing, vergroting van een gebouw of plaatsing of verplaatsing van geprefabriceerde gebouwen, met inbegrip van de buitentrap, [4 niet bestemd voor bewoning of als toeristische logiesverstrekkende inrichting]4 [3 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]3 en een functionele eenheid vormend met de bestaande onderneming. Gelegen: in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) binnen een straal van 30,00 m van een legale bestaande installatie of een legaal bestaand gebouw; c) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; d) op minimum 10,00 m van een waterloop; e) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; f) de werken vereisen niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: de gecumuleerde totale oppervlakte van de bouw, van de vergroting of van het geprefabriceerde gebouw vrijgesteld van vergunning bedraagt 75,00 m2. Volumetrie: één verdieping maximum, plat dak of dak met een hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken. Maximale hoogte van de dakopstand of van de nok: 7,00 m en lager dan of even hoog als het hoogste gebouw op het goed. Materialen: met dezelfde kleurschakering als die van de bestaande gebouwen.xx
4De installatie van een opslagplatform, voor zover die geen merkbare wijziging van het bodemreliëf als gevolg heeft. Eén opslagplatform per goed. Gelegen: in een bedrijfsruimte. Ligging: a) niet gelegen tussen een hoofdgevel en een openbare weg; b) op minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen; c) op minimum 10,00 m van een waterloop; d) buiten de omtrek of de afzonderingsvoorziening van de bedrijfsruimte; e) ze vereist niet het vellen van bomen, hagen of alleeën in de zin van artikel D.IV.4. 11°. Maximale oppervlakte: 75,00 m2.xx
5De bouw van een bijgebouw of de plaatsing van een technische installatie die niet in de punten 1 tot en met 4 wordt bedoeld of die niet voldoet aan de in de punten 1 tot en met 4 bedoelde voorwaarden, die niet bestemd is voor [4 bewoning of als toeristische logiesverstrekkende inrichting]4 [3 of toeristische logiesverstrekkende inrichting]3 en die een functionele eenheid vormt met een of meer bestaande constructies, op voorwaarde dat de grondinneming van het zo gevormde geheel ten hoogste verdubbeld wordt.xx
6De afbraak of de verwijdering van een bijgebouw, van een technische installatie, van een bouw of van een geprefabriceerd gebouw zoals bedoeld in de punten 1 tot 5 voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of de verwijdering afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xx[5 7Oppervlakten uit beton of teer herstellen, als die werken betrekking hebben op een totale oppervlakte per goed van maximaal 20 m2.8Oppervlakten uit beton of teer herstellen die niet voldoen aan de voorwaarde vermeld in punt 7.9De afbraak of het weghalen van oppervlakten uit beton of teer voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.]5FCarport, toegang en parkeerplaats1Eén carport per goed. Ligging: a) verbonden met de openbare weg; b) het gevelaanzicht mag niet hoger uitkomen dan het gevelaanzicht aan de achterkant van het hoofdgebouw Maximale oppervlakte: 40,00 m2. Volumetrie: plat dak of dak met één hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken Maximale hoogten: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: a) Structuur bestaande uit houten, betonnen of metalen palen of op pijlers met materialen vergelijkbaar met de bekleding van het bestaand gebouw of met dezelfde kleurschakering. b) dak met één of verschillende hellingen met materialen vergelijkbaar met die van het hoofdgebouw.xx
2Elke andere carport die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervultxx
3De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde carport voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xx
4De parkeerplaatsen in de open lucht en hun toegang tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) [5 ze zijn gelegen in de omgeving van een legaal bestaand gebouw en vormen samen met dat gebouw een functionele eenheid]5 ; b) [5 ze zijn verbonden met de openbare weg; behalve in bedrijfsruimte mag de toegang maximaal 6 meter breed zijn]5; c) ze bestaan uit waterdoorlatende en onderbroken materialen; d) [5 ze hebben een maximale oppervlakte van: - 300,00 m2 in bedrijfsruimte; - 100,00 m2 in andere gebieden]5; e) zij vereisen geen significante wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3, punten 1° tot en met 5°, 7° tot en met 9°, 11°, 12° en 15°.xx
5[5 de andere dan in punt 4 bedoelde toegangen en parkeerplaatsen in de open lucht]5xxGTuinhuisje/berging1Slechts één tuinhuisje of berging per goed. Ligging: a) in de ruimtes van hoven en tuinen; b) ofwel niet-zichtbaar vanaf de openbare weg, ofwel gelegen aan de achterkant ten opzichte van de openbare toegangsweg. Ligging: minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte: 20,00 m2. Volumetrie: dak met één hellend vlak of dak met meerdere hellende vlakken of plat dak. Maximale hoogten: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: van hout of elk ander materiaal met een kleurschakering gelijk aan het gebouw of de omgeving waarop het betrekking heeft.xx
2De tuinhuisjes of bergingen die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen.xx
3De verwijdering of de afbraak van de in punt 1 en 2 bedoelde tuinhuisjes of bergingen voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxHZwembad/zwemvijver1Opbouwzwembad of zelfdragend zwembad: Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: minimum op 1,00 m van de gemeenschappelijke grenzen.xx
2Geheel of gedeeltelijk ingegraven zwembad, alsook elke veiligheidsinrichting met een maximale hoogte van 2,00 m rond het zwembad: a) slechts één per goed; b) al dan niet overdekt door een lichte, uitschuifbare telescopische zwembadoverkapping waarmee de oppervlakte bedekt wordt voor zover de nokhoogte kleiner is dan 3,50 m; c) voor privé-doeleinden; d) de afgegraven aarde voor [5 het zwembad]5 brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte (watervlak): 75,00 m2xx2.1Zwemvijver: a) slechts één per goed; b) niet overdekt; c) voor privé-doeleinden; d) de voor deze zwemvijver afgegraven aarde brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen, niet-zichtbaar vanaf de openbare weg. Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale oppervlakte (totale oppervlakte zwemgedeelte en filtergedeelte): 100,00 m2xx
3De zwembaden of zwemvijvers die de in de punten 1, 2 en 2.1 bedoelde voorwaarden niet vervullen.xx
4Het weghalen, de afbraak of de opvulling van de in de punten 1 tot 3 bedoelde zwembaden of zwemvijvers, voor zover het sloopafval afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving en voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen.xxI[5 Vijver]51Slechts één per goed. Ligging: buiten een locatie die erkend is krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud (met uitzondering van een beheermaatregel ''BE5-verbindingsweide'' of ''B11-akkerland'' en antropogene elementen in een Natura 2000-locatie). Ligging: Watervlak minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Maximale wateroppervlakte: 100,00 m2. [5 Minstens een derde van de oever is zeer zacht hellend (< 30°).]5 De afgegraven aarde voor [5 de vijver]5 brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het goed. Met uitzondering van [5 ...]5 vijvers in de ruimtes van hoven en tuinen moet het wateroppervlak door boombeplanting gedeeltelijk in de schaduw liggen.xx
2De vijvers [5 ...]5 die de in punt 1 bedoelde voorwaarden niet vervullen.xx
3De verwijdering of de opvulling van de vijvers [5 ...]5 bedoeld in punt 1 voor zover de opvullingen met de vigerende wetgeving overeenstemmen.xxJInrichtingen, accessoires en meubilair1Het plaatsen van luifels, zonneschermen of daken van een terras op de begane grond, aangrenzend of geïsoleerd. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen. Maximale hoogte: 3,50 m. Maximale totale oppervlakte van al deze inrichtingen: 40,00 m2. Ligging: minimum op 2,00 m van de gemeenschappelijke grenzen.xx
2Het plaatsen van in de bodem verankerd of ingebouwd tuinmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, open haarden of barbecues, vuilnisemmers, compostbakken, pergola's of zuilen, plantenbakken, sierfonteinen, watertuinen, kinderspelletjes, structuren voor leibomen. Het plaatsen van lantaarn- en verlichtingspalen zodat de op de grond vallende lichtbundel van de lampen niet over de gemeenschappelijke grenzen heen straalt. De speel- en sportterreinen uit waterdoorlatende materialen en de apparaten die strikt nodig zijn voor het gebruik van die terreinen. Gelegen ofwel in de ruimtes van hoven en tuinen, ofwel in de omgeving van een gebouw gelegen in een voor bebouwing bestemd gebied dat een functionele eenheid vormt met dat gebouw. Maximale hoogte: 3,50 m.xx
3xx3.1[5 Aanleg van graveltuinen met maximaal 8 m2 bedekte tuinoppervlakte per goed (buiten de wegen). ]5xx3.2[5 Aanleg van graveltuinen met een totale oppervlakte per goed van meer dan 8 m2 (buiten de wegen).]5xx
4Het plaatsen van plantenserres die een maximale oppervlakte van 20,00 m2 hebben.xx
5Zolang ze het goed niet afbakenen: a) De aanleg van afsluitingen die bestaan uit met elkaar verbonden palen met draad of draadgaas met brede mazen, eventueel bevestigd op een betonplaat of een muurtje met een maximumhoogte van 0,70 m, ofwel uit met elkaar verbonden palen met horizontale dwarsstukken, ofwel uit palissades van hout, ofwel uit schanskorven met een maximale dikte van 20,00 cm en de installatie van deuren, poorten of hekjes met een maximale hoogte van 2,00 m b) de bouw en de wijziging van steunmuren, met inbegrip van schanskorven, met een maximale hoogte van 0,70 m; c) de bouw en de wijziging van muren met een maximale hoogte van 2,00 m die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg of die ten opzichte van de openbare toegangsweg aan de achterkant van het gebouw liggen.xx
6De in de bodem verankerde of ingebouwde [5 installaties]5, accessoires, tuinmeubilair, niet bedoeld in de punten 1 tot 5 of die de in de punten 1 tot 5 bedoelde voorwaarden niet vervullen.xx
7De afbraak, de verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 6 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxKMicrowoningen in de zin van het Waals Wetboek van Duurzaam Wonen1De plaatsing van de geprefabriceerde of als kit geleverde microwoningen.x
2De plaatsing van microwoningen niet bedoeld in punt 1 voor zover zij : a) zonder verdieping zijn; b) een oppervlakte van minder dan 40,00 m2 hebben; c) een maximale hoogte van 2,50 m onder een kroonlijst hebben, 3,50 m op de nok en, indien van toepassing, 3,20 m aan de dakopstand.xLHernieuwbare energieën Modules voor de productie van elektriciteit of warmte1[5 Hernieuwbare energieën Modules voor de productie van elektriciteit of warmte 1 1° Het plaatsen van een of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte met zonne-energie als energiebron en de bijbehorende energieopslaginstallatie, voor zover ze daarmee verbonden is en op hetzelfde goed gelegen is, zoals bijvoorbeeld een batterij: a) ofwel geïntegreerd in of aangebracht op een wettelijk bestaand gebouw, ofwel op de gevel of op het dak; b) ofwel aangebracht op een wettelijk bestaande kunstmatige structuur, zoals een straat, een parkeerterrein, een spoorweg, een perron, een opslagplaats voor materialen of goederen, met uitzondering van kunstmatige watervlakken. 2° Het vervangen van een of meer wettelijk bestaande modules voor de productie van elektriciteit of warmte met zonne-energie als energiebron, als dat geen extra plaats inneemt en overeenstemt met de geldende milieumaatregelen die voor de oorspronkelijke installatie zijn vastgelegd. 3° Het plaatsen van een warmtepomp (met inbegrip van geothermische warmtepompen) met een stroomcapaciteit van minder dan 50 MW en een maximale diepte van 500 meter: a) ofwel in een wettelijk bestaand gesloten bouwwerk; b) ofwel met een geluiddempende omkasting en op minstens 2 meter afstand van de gemeenschappelijke grenzen. 4° Het plaatsen van een warmtepomp (met inbegrip van geothermische warmtepompen) met een stroomcapaciteit van hoogstens 12 kW: a) op minstens 2 meter afstand van de gemeenschappelijke grenzen; b) en ofwel met een geluiddempende omkasting, ofwel op 15 meter van het volgende woongebouw gelegen (met uitzondering van het eigen woongebouw).]5xx[5 1.1Het plaatsen van een warmtepomp van maximaal 300 kW die niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in punt 1. x x 24° in regel L2 van de nomenclatuur worden de woorden
2Het plaatsen van één of meer modules voor de productie van elektriciteit of warmte uit een hernieuwbare energiebron waarmee op hetzelfde goed gelegen bouwwerken, installaties of gebouwen rechtstreeks bevoorraad worden en die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen.xx
3De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 en 2 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxMOmheiningen1Het plaatsen van doorzichtige afsluitingen met een maximale hoogte van 2,00 m die ofwel bestaan uit palen die met elkaar verbonden zijn door draad of draadgaas en met eventueel een hoogstens 0,70 m hoge betonplaat of muur als basis, of die met elkaar verbonden zijn door houten verbindingselementen. De bouw of de wijziging van steunmuren van minder dan 0,70 m hoog, met inbegrip van schanskorven; Het plaatsen van deurtjes, hekjes of poorten met een maximumhoogte van 2,00 meter waardoor een breed gezicht op het goed mogelijk blijft.xx
2Het plaatsen van afsluitingen, deurtjes, poorten of hekjes die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen of die niet bedoeld zijn in punt 1.xx
3De bouw of de wijziging van steunmuren met een hoogte van meer dan 0,70 m of afsluitingsmuren in de omgeving van een legaal bestaand gebouw of een legaal bestaande installatie.xx
4De afbraak of het weghalen van de in de punten 1 tot 4 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxNHokken voor één of meerdere dieren met inbegrip van de bijenstallen en mestvloeren1Een of meerdere bijenstallen per goed. Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunningxx
2Een of meerdere hokken voor dieren per goed. Gelegen in de ruimtes van hoven en tuinen. Ligging: a) minimum op 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen b) bij grote dieren op minimum 20,00 m van elke naburige woning c) bij grote dieren niet gelegen in de zichtlijn die loodrecht staat op de achtergevel van een naburige woning. Maximale totale oppervlakte van alle hokken voor dieren op het goed: 25,00 m2 voor één of meerdere hokken. Volumetrie: zonder verdieping; een dak met één helling, een dak met twee hellingen met dezelfde hellingsgraad en lengte of een plat dak. Maximale hoogte berekend ten opzichte van het natuurlijk bodemniveau: a) druiplijst: 2,50 m; b) nokhoogte: 3,50 m; c) in voorkomend geval, hoogte van de dakopstand: 3,20 m. Materialen: hout of traliewerk of vergelijkbaar met de materialen van het bestaande hoofdgebouw. Onverminderd de toepassing van de bepalingen bedoeld in het Landbouwwetboek en de integrale en sectorale voorwaarden genomen krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunningxx
3De aanleg van een mestvloer. Gelegen ten minste 20,00 m van een andere woning dan die op het goed. Ligging: op een afstand van minimum 10,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Hoogte: op de begane grond. Maximale oppervlakte: 10,00 m2.xx3.1De aanleg van een mestvloer die de voorwaarden van punt 3 niet vervult.xx
4De plaatsing of de bouw van hokken voor dieren die de voorwaarden van de [5 punt 2]5 niet vervullen [5 , waarbij de maximale totale oppervlakte van alle hokken voor dieren op het goed hoogstens 100 m2 bedraagt]5.xx[5 4.1De plaatsing of de bouw van hokken voor dieren die de voorwaarden van punt 2 of 4 niet vervullen.]5
5De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 en 4 bedoelde hokken,[5 bijenstallen]5 en mestvloeren voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxOLandbouwbedrijven1De bouw van geheel of gedeeltelijk ingegraven opslagsilo's, voor zover de bovenhoogte van de steunmuren niet meer dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijk bodemreliëf uitstijgtxx
2De aanleg van een mestvloer. Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant. Ligging: op een afstand van minimum 3,00 m van de gemeenschappelijke grenzen. Hoogte: de bovenhoogte van de mestvloer of van de steunmuren bedraagt niet meer dan 2,00 m boven het niveau van het natuurlijke bodemreliëf.xx
3Het plaatsen van geheel of gedeeltelijk ingegraven watertanks of giersilo's. Gelegen op minimum 20,00 m van elke andere woning dan die van de exploitant en buiten het woongebied. Ligging: a) op minimum 10,00 m van elke bevaarbare of niet-bevaarbare waterloop; b) op minimum 3,00 m van het openbaar domein. Hoogte: De bovenhoogte van de steunmuren bedraagt niet meer dan 0,70 m.xx3.1Het plaatsen van een flexitank voor vloeibare mest, per bedrijf en per seizoen, voor een maximumduur van vier maanden, voor zover het goed na afloop van die termijn in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt.xx3.2Het plaatsen van flexitanks voor vloeibare mest die de voorwaarden van punt 3.1 niet vervullen.xx
4Het plaatsen van tunnelserres bestemd voor de teelt van de landbouw- en tuinbouwgewassen en die na de teelt worden weggehaald.xx
5Anti-hagelnetten die een in de grond verankerde structuur impliceren en het plaatsen van [5 tunnelserres met een maximale totale oppervlakte op het goed van hoogstens 100 m2]5 die de in de punten 1 tot 4 bedoelde voorwaarden niet vervullen.xx[5 5.1Antihagelnetten en het plaatsen van tunnelserres die de in punt 4 of 5 bedoelde voorwaarden niet vervullen.]5
6Het plaatsen van een installatie voor waterwinning in een niet-bevaarbare of niet-ingedeelde waterloop die uitsluitend bestemd is voor het drinken van veexx6.1Het plaatsen van veepassages over onbevaarbare waterlopen, voor zover noch de bedding, noch de oever veranderd worden en voor zover een voorafgaande schriftelijke vergunning werd aangevraagd bij de beheerder van de waterloop en - in een krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend gebied - bij de luidens die wet bevoegde overheid. De passages dienen uitsluitend om vee te laten oversteken (geen machines). Maximale breedte: 3,00 mxx
7De afbraak en het weghalen van de in de punten 1 tot 6 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxPTijdelijke bouwwerken en installaties1De tijdelijke constructies voor de installatie van bouwplaatsen voor toegelaten handelingen en werken, met inbegrip van refters, onderkomens en sanitair evenals de ontvangstpaviljoenen, tijdens de duur van de handelingen en werken en voor zover de bouwplaats onafgebroken plaatsvindt.xx
2Het plaatsen van installaties met een sociaal, cultureel, sportief of recreatief karakter met inbegrip van de desbetreffende parkeerplaatsen in de openlucht voor een maximumduur van negentig dagen voor zover het goed na afloop van die termijn in zijn oorspronkelijke toestand hersteld wordt.xx
3De plaatsing van commerciële installaties, op het openbaar domein, of op het private domein op voorwaarde dat ze verbonden zijn met een bestaande activiteit, met inbegrip van de bijbehorende buitenparkeerplaatsen, voor een periode van maximaal zestig dagen, op voorwaarde dat de installaties voldoen aan de gemeentelijke en gewestelijke handleiding voor stedenbouw en dat op het einde van de periode het goed terugkeert in zijn oorspronkelijke staat.xx
4Het tijdelijk plaatsen van installaties die nodig zijn om een ontheemde activiteit onder te brengen, voor de duur van de handelingen en werken waarvoor een vergunning vereist is, op voorwaarde dat de werkzaamheden ononderbroken worden voortgezet en dat na het verrichten van de handelingen en werken of het verstrijken van de vergunning de installaties worden verwijderd.xx[2 4.1Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing van installaties op het openbaar domein die een openbare dienst of een activiteit van algemeen belang in de zin van artikel D.IV.22, eerste lid, 7°, of een activiteit van openbaar nut in de zin van artikel R.IV.22-2, 17°, huisvesten. De vergunning voor het gebruik van het openbaar domein wordt vooraf aangevraagd. Aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat.xx4.2Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing van installaties, met inbegrip van parkeerplaatsen, op privaat domein die een openbare dienst of een activiteit van algemeen belang in de zin van artikel D.IV.22, eerste lid, 7°, of een activiteit van openbaar nut in de zin van artikel R.IV.22-2, 17°, huisvesten, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het gaat om de verplaatsing van een activiteit die in de gemeente bestaat; b) het gaat om een gebied dat is bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23; c) het gaat niet om een terrein of een gedeelte van een terrein dat blootgesteld is aan een risico in de zin van artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, of dat blootgesteld is aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke as van geconcentreerd afvloeiend water; d) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat in de laatste vijf jaar overstroomd is geweest; e) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat het risico op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van het Waals Gewest van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kan vergroten of de gevolgen van zo'n ongeval kan verergeren; f) het gaat niet om een locatie die krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend is, noch om een biologisch zeer waardevolle locatie zoals vermeld op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst; g) aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat.xx4.3Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing - op het openbaar domein - van commerciële installaties of installaties waar de activiteit van een zelfstandige of een onderneming wordt uitgeoefend, op voorwaarde dat de activiteit in de gemeente bestaat en verplaatst werd. De vergunning voor het gebruik van het openbaar domein wordt vooraf aangevraagd. Aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat.xx4.4Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing - op privédomein - van commerciële installaties of installaties waar de activiteit van een zelfstandige of een onderneming wordt uitgeoefend, met inbegrip van de bijbehorende parkeerplaatsen in open lucht, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het gaat om de verplaatsing van een activiteit die in de gemeente bestaat; b) het gaat om een gebied dat is bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23; c) het gaat niet om een terrein of een gedeelte van een terrein dat blootgesteld is aan een risico in de zin van artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, of dat blootgesteld is aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke as van geconcentreerd afvloeiend water; d) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat in de laatste vijf jaar overstroomd is geweest; e) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat het risico op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van het Waals Gewest van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kan vergroten of de gevolgen van zo'n ongeval kan verergeren; f) het gaat niet om een locatie die krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend is, noch om een biologisch zeer waardevolle locatie zoals vermeld op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst; g) aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat.xx4.5Ten gevolge van een erkende natuurramp en gedurende hoogstens 24 maanden na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de tijdelijke plaatsing - door of in opdracht van de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de openbare huisvestingsmaatschappijen - van microwoningen met het oog op de huisvesting van de slachtoffers van die ramp, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het gaat om een gebied dat is bestemd voor bebouwing in de zin van artikel D.II.23; b) het gaat niet om een terrein of een deel van een terrein dat blootgesteld is aan een risico in de zin van artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, of dat blootgesteld is aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke as van geconcentreerd afvloeiend water; c) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat in de laatste vijf jaar overstroomd is geweest; d) het gaat niet om een terrein of deel van een terrein dat het risico op een zwaar ongeval in de zin van het decreet van het Waals Gewest van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kan vergroten of de gevolgen van zo'n ongeval kan verergeren; e) het gaat niet om een locatie die krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud erkend is, noch om een biologisch zeer waardevolle locatie zoals vermeld op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst; f) aan het einde van de periode keert het terrein terug in zijn oorspronkelijke staat.xx]2
5De verwijdering of het weghalen van de in de [2 punten 1 en 4 tot 4.5]2 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxQUithangborden en reclamezuilen1Het plaatsen van één of meer uithangborden of reclamezuilenxx
2De verwijdering of het weghalen van de in punt 1 bedoelde uithangborden en reclamezuilen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxRHoogzitten en uitkijkposten1In bosgebied, in gebied aanpalend aan bosgebied en in landbouwgebied, de houten of uit mat metaal gemaakte hoogzitten en andere uitkijkposten bedoeld in artikel 1, § 1, 9°, van de jachtwet van 28 februari 1882. Maximale bruikbare oppervlakte: 4,00 m2xx1.1Hoogzitten en uitkijkposten in bosgebied, in het gebied aanpalend aan het bosgebied en in landbouwgebied die de voorwaarden van punt 1 niet vervullenxx
2De verwijdering van de hoogzitten en uitkijkposten bedoeld in punt 1 of punt 1.1 voor zover de afval voortvloeiend uit het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxSBomen, hagen en wijziging van de beplanting1De bebossing of de ontbossingxx
2Onverminderd artikel R.IV.4-4, de kerstbomenteeltxx
3Voor zover artikel D.IV.4, eerste lid, 11°,een rol speelt: het kappen van een haag over een doorlopende lengte van minder dan 2,50 m om één enkele toegang tot een bestaande woning te creëren.xx
4Het vellen van hoogstammige alleenstaande bomen, van een haag of het vellen van een, meerdere of alle bomen van een allee in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 11°.xx
5Het vellen, het toebrengen van schade aan het wortelstelsel of de wijziging van het aspect van een waardevolle boom, struik of haag in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 12°.xx
6Het rooien of wijzigen van de beplanting in elk gebied bedoeld in artikel R.IV.4-11.xx
7Het vellen van bomen bedoeld in de punten 4 tot 6 dat het voorwerp uitmaakt van een besluit van de burgemeester genomen bij hoogdringendheid met het oog op het verzekeren van de openbare veiligheid.xxTWijziging van het bodemreliëf1De merkbare wijziging van het bodemreliëf voor het boren of nemen van bodemmonsters in het kader van een geotechnisch onderzoek, een geologische prospectie- of bodemverontreinigingsonderzoek.xx
2[5 De merkbare wijziging van het bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 binnen een straal van 30,00 m van een legaal bestaand bouwwerk dat of legaal bestaande installatie die op hetzelfde goed gelegen is.]5xx
3Voor de uitvoering van een actieprogramma voor rivieren door middel van een geïntegreerde en sectorale aanpak als bedoeld in artikel D. 33/3 van Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt: a) opvulmateriaal of uitgegraven materiaal dat niet meer dan 50,00 centimeter hoog is en dat zich op een maximale afstand van 6,00 m van de top van de oever van een waterloop bevindt, ook in gebieden waar gevaar voor overstroming bestaat; b) het storten en verspreiden van producten die het gevolg zijn van de ruimingswerken van een waterloopxxU[5 Gebruik van een terrein voor opslag en voor mobiele installaties1Een terrein gebruiken voor het plaatsen van een of meer mobiele installaties in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 15°, b), om kampeerterreinen op de hoeve te creëren]5xx
2[5 Een terrein doorgaans gebruiken voor: - de opslag van een of meerdere afgedankte wagens, schroot, materialen of afvalstoffen; - de plaatsing van een of meer mobiele installaties, zoals reclameaanhangwagens, huifkarren, caravans, afgedankte voertuigen of tenten, met uitzondering van mobiele verblijven in de zin van het decreet van 23 januari 2017 ter bevordering van het toerisme.]5xxVStructuur die als toeristische en vrijetijdslogies dient1[5 De plaatsing van een of meer gemakkelijk te demonteren en te vervoeren structuren voor toeristisch verblijf die bestemd zijn voor tijdelijk of seizoensgebonden gebruik, voor zover is voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden: a) het mobiele verblijf heeft een maximale oppervlakte van 50,00 m2; b) de plaatsing of constructie ervan vereist geen belangrijke wijziging van het bodemreliëf; c) het is gelegen op een kampeerterrein in de zin van het decreet van 23 januari 2017 ter bevordering van het toerisme.]5xx
2De bouw van een terras met of zonder balustrade dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 249 BWR, eerste lid, 3° en tweede lid van het Waalse Wetboek van Toerisme op een toeristisch kampeerterrein.xx
3[5 De bouw of plaatsing per goed van een blokhut of een tent of een tipi of een joert of een luchtbel in een bosgebied.]5xx
4Het weghalen of de afbraak van de in de punten 1 tot 3 bedoelde toeristische of vrijetijdslogies, terrassen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxWHandelingen en werken op het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen1Voor zover de wegbedding niet verbreed wordt, de hernieuwing van de funderingen en de verharding van de wegen, bermen, boorden, trottoirs, eilandjes en openbare plaatsen uitgezonderd de veranderingen van verhardingen bestaande uit natuursteen en, voor openbare plaatsen, voor zover dat de handelingen en werken niet leiden tot een toename van de oppervlakte van de verhardingen van ondoordringbaar materiaal.xx
2De plaatsing, de hernieuwing, de verplaatsing of de verwijdering van de bijkomende elementen zoals de radarinstallaties, relingen, de beveiligingsconstructies en de schampranden, met uitzondering van de steunmuren en de geluidsschermen.xx
3De plaatsing, de verplaatsing, de verbouwing, de uitbreiding, of de verwijdering van vloeistofnetwerken (met een druk van ten hoogste 20 bar voor gas), energie (met een spanning van ten hoogste 70 KV voor elektriciteit) en telecommunicatienetwerken die in het publieke domein zijn aangebracht, verankerd, ondersteund of overhangend, met inbegrip van privé-aansluitingen, hulpelementen en bijbehorende uitrusting zoals palen, technische kasten, pylonen en palen met een maximale hoogte van 14,00 meter.xx
4De tijdelijke weginrichtingen met een maximale duur van vijf jaar [2 , met inbegrip van kunstwerken die wegen of een spoorlijn dragen]2.xx
5De werken voor de aanleg van ruimten voor voetgangers, personen met een verminderde beweeglijkheid of fietsers en waarbij de plaatselijke creatie of verruiming van die ruimten, de verbetering van hun esthetisch aspect of de veiligheid van de gebruikers wordt beoogd, ongeacht of deze werkzaamheden al dan niet leiden tot een versmalling van de wegbedding.xx
6Het plaatsen of vernieuwen van klein stadmeubilair zoals banken, tafels, stoelen, vuilnisemmers, lantaarn- en verlichtingspalen, plantenbakken, fonteintjes, elektrische aansluitpunten, containers, al dan niet ingegraven en bestemd voor de ophaling van huishoudelijke en daarmee gelijkgestelde afval.xx
7De werken voor de inrichting van de ruimtes bestemd voor de beplantingen.xx
8De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de signalisatie-elementen : a) de verkeersborden, met inbegrip van de steunstructuren en portalen, evenals van de bescherming ervan tegenover het verkeer; b) de vaste of mobiele installaties waarbij het verkeer, het parkeren of de snelheid beperkt worden; c) de installaties voor de controle op het parkeren zoals parkeermeters of parkeerautomaten; d) de niet-overdekte installaties voor het parkeren van tweewielers; e) de bijkomende technische al dan niet ondergrondse installaties zoals kasten voor de elektrische bediening van verkeerslichten of van de openbare verlichting, praatpalen, brandpalen en bedieningskasten voor teledistributie.xx
9De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van inrichtingen voor de openbare verlichting.xx
10Voor zover ze niet onderworpen worden aan de bepalingen van de gewestelijke handleiding voor stedenbouw betreffende de beschermde gebieden van sommige gemeente inzake stedenbouw, de plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van de volgende reclameborden: a) de aanplakzuilen waarvan de schacht met een diameter van maximum 1,20 m beperkt blijft tot 3,50 m hoogte; b) de aanplakborden op voeten waarvan de maximale hoogte en breedte respectievelijk niet meer dan 2,50 m en 1,70 m bedragen en waarvan de bruikbare oppervlakte niet meer dan 4 m2 per vlak bedraagt.xx
11Het aanbrengen of de wijziging van de wegmarkeringen.xx
12De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van verkeersdrempels.xx
13Het aanbrengen, verwijderen of hernieuwen van funderingen en inrichtingen voor het gebruik van de wegen en de openbare vervoerslijnen zoals rails, verbindingen, ballast, palen van bovenleidingen, signalen, portieken, hokjes, bedieningskasten voor verkeersborden of palen voor bus- of tramhaltes voor reizigers.xx
14Het plaatsen van een seizoensgebonden openluchtterras in de horecasector.xx
15De hokjes voor de reizigers bij de haltes van het openbaar vervoer.xx
16De plaatsing of de verplaatsing van brievenbussen.xx
17De plaatsing, de verplaatsing of het weghalen van beelden, gedenktekens en andere kunstwerken geplaatst door de overheid of op bevel van de overheid.xx
18Het aanleggen, vernieuwen of verwijderen van kunstwerken voor de bescherming van de oevers in een niet-bevaarbare waterloop, met uitzondering van gemetselde muren, op een lengte van niet meer dan 100,00 m en een maximale hoogte van 2,00 m.xx[2 19De installatie van technische apparatuur voor de controle van waterlopen.xx20In gebieden die getroffen werden door een erkende natuurramp en op voorwaarde dat de werken op significante wijze zijn aangevat binnen een termijn van drie jaar na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, handelingen en werken voor de heropbouw van bruggen, met inbegrip van de werken voor de dragende structuur, het herstel van rivieroevers of van het rivierbed van een waterloop of voor het herstel van stuwdammen en hun installaties, voor zover de lokalisatie van de installaties onveranderd blijft en maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de verschillende gebruikers ze kunnen blijven gebruiken.xx21In gebieden die getroffen werden door een erkende natuurramp en op voorwaarde dat de werken op significante wijze zijn aangevat binnen een termijn van drie jaar na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, het slopen, herstellen of wederopbouwen van muren voor de bescherming van de oevers en andere kunstwerken die eigendom zijn van de beheerder van de niet-bevaarbare waterloop.xx]2XRiolering, leiding en netten buiten het openbaar domein van de weg, spoorwegen en waterlopen, boringen en waterwinningen1Het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, alsook het plaatsen, de verplaatsing, de wijziging van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de eventuele afgegraven aarde voor deze [5 installaties]5 brengt geen enkele merkbare wijziging mee van het natuurlijke bodemreliëf in de zin van artikel R.IV.4-3 op de rest van het eigendom; b) die inrichtingen hebben betrekking op de infrastructuur die noodzakelijk is voor het aanleggen van het goed en zijn uitsluitend gelegen op bedoeld goed.xx
2De privé-aansluitingen, met inbegrip van de technische kasten, op ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen, evenals het plaatsen van ondergrondse water- of brandstoffenopslagtanks, straatkolken, zakputten, straatgoten, inspectieputten, deksels en septische tanken en ieder ander individueel zuiveringssysteem die de voorwaarden bedoeld in punt 1 niet vervullen.xx
3[5 Het plaatsen van hoogstens één bovengrondse tank per goed.]5xx
4De invoering of de versterking van ondergrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen in een reeds ingerichte technische locatie tegen de volgende cumulatieve voorwaarden: a) de ontworpen werken zijn eigen aan de functie van de locatie; b) de bestaande installaties, gebouwen, bouwwerken en bedekking zijn legaal; c) de werken beogen de bouw van een gebouw niet; d) de grondinneming beperkt de bestaande isoleringsomtrekken of voorzieningen niet.xx
5De boringen van putten of waterwinningen.xx
6In de niet-bebouwingsgebieden, en voor zover geen vergunning vereist is in de zin van artikel R.IV.4-3, eerste lid, 6°, het aanleggen of wijzigen van een drainagesysteem voor zover het terrein niet gelegen is in een locatie erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van de Natura 2000-locaties, of blootgesteld aan een groot natuurrisico of grote geotechnische druk zoals bedoeld in artikel D.IV.57, 3°.xx
7De installatie, de verplaatsing, de wijziging of de uitbreiding van ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovengrondse draineerleidingen, energie- of telecommunicatieleidingen en de bijkomende en bijbehorende uitrustingen wanneer ze buiten het openbare domein gelegen zijn.xx[2 7.1Ten gevolge van een erkende natuurramp en op voorwaarde dat de werken op significante wijze zijn aangevat binnen een termijn van drie jaar na de bekendmaking van het besluit houdende erkenning van de natuurramp, de plaatsing, verplaatsing, wijziging en vervanging van al dan niet ondergrondse riolerings-, vloeistof-, energie- en telecommunicatienetten en de bijbehorende elementen en bijbehorende uitrusting.xx]2
8Het weghalen van de in de [2 punten 1 tot 7.1]2 bedoelde elementen voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxYTelecommunicatie, kabeltelevisie, glasvezel, gas, elektriciteit1De vervanging van technische installaties of technische kasten door technische installaties of technische kasten van een kleiner of gelijkwaardig volume.xx
2De vervanging van bestaande antennes door antennes met een gelijke, of kleinere of grotere afmeting op voorwaarde dat de totale hoogte van de mast niet verhoogd wordt en dat de nieuwe antennes een maximale hoogte van 3,00 m hebben.xx
3De vervanging van een pyloon of een bestaande paal door een zo hoge pyloon of paal van hetzelfde type geïnstalleerd op dezelfde locatie.xx
4De plaatsing van een technische kast op een plat dak, op voorwaarde dat ze vanaf de weg niet-zichtbaar is, dat ze gelegen is op een afstand van minstens een anderhalf keer de hoogte van de kast vanaf de dakopstand.xx
5De plaatsing of de vervanging van technische kasten naast een pyloon of een paal geplaatst op de bodem of in een technisch lokaal gelegen in de nabijheid van een mast geplaatst op een dak.xx
6De aanleg van technische installaties om de stabiliteit en de veiligheid van bestaande installaties evenals hun goede werking te verzekeren.xx
7De plaatsing van antennes of radiogolven, technische kasten en installaties tijdens culturele, sport-, recreatie- of commerciële evenementen, geplaatst voor een maximale duur van 90 dagen op voorwaarde dat deze antennes of golven, kasten en installaties niet meer dan 15 dagen voor het begin van het evenement geplaatst worden en dat ze uiterlijk 15 dagen na het einde van het evenement weggehaald worden.xx
8De verplaatsing en/of de heropbouw van antennes of radiogolven, ingebouwde, verankerde ondergrondse of bovengrondse leidingen en van technische kasten en installaties om dringende redenen, om redenen van veiligheid of openbaar belang onvoorzienbaar uit hoofde van de beheerder, de tijd nodig om alle vereiste vergunningen voor de verplaatsing en/of de heropbouw van de locatie te krijgen.xx
9De tijdelijke verplaatsing van een bestaande installatie om de continuïteit van de diensten te verzekeren in geval van werken uitgevoerd door de eigenaar van de oorspronkelijke structuur voor de uitsluitende duur van de werken.xx
10De plaatsing van installaties zoals antennes, radiogolven, technische kasten en installaties voor zover ze gelegen zijn binnen gebouwen, bouwwerken of bestaande structuren of overdekt met materialen die lijken op de bestaande materialen.xx
11De plaatsing van radiogolven met een maximale diameter van 90,00 cm op een bestaande pyloon of een legaal bestaande mast op een dak.xx11.1Plaatsen van draadloze toegangspunten met klein bereik die volledig en veilig in hun draagconstructie geïntegreerd worden en dus onzichtbaar zijn voor het publiek.xx11.2Plaatsen van draadloze toegangspunten met klein bereik die aan volgende voorwaarden voldoen: a) Het totale volume van het voor het grote publiek zichtbare deel van een draadloos toegangspunt met klein bereik voor gebruik door een of meer radiospectrumgebruikers bedraagt maximaal 30 liter; b) Het totale volume van de voor het grote publiek zichtbare delen van meerdere afzonderlijke draadloze toegangspunten met klein bereik die een infrastructuurlocatie met een afzonderlijk begrensd oppervlak delen, zoals een lantaarnpaal, een verkeerslicht, een reclamebord of een bushalte, bedraagt maximaal 30 liter; c) Indien het antennesysteem en andere onderdelen van het draadloze toegangspunt met klein bereik, zoals een radiofrequentie-eenheid, een digitale processor, een opslageenheid, een koelsysteem, stroomvoorziening, bekabeling, backhaulonderdelen of onderdelen voor aarding en bevestiging, afzonderlijk worden geïnstalleerd, wordt elk gedeelte daarvan dat het maximale volume van 30 liter overschrijdt, aan het zicht van het grote publiek onttrokken; d) Het draadloze toegangspunt met klein bereik is visueel consistent met de draagconstructie, heeft een omvang die in verhouding staat tot de totale omvang van de draagconstructie, een coherente vorm, neutrale kleuren die passen bij of overgaan in de draagconstructie, en verborgen kabels, en is visueel niet storend in combinatie met andere draadloze toegangspunten met klein bereik die al zijn geïnstalleerd op dezelfde locatie of op aangrenzende locaties; e) Het gewicht en de vorm van een draadloos toegangspunt met klein bereik vereisen geen structurele versterking van de draagconstructie; Draadloze toegangspunten met klein bereik waarvan het equivalent isotropisch uitgestraald vermogen 10 watt bedraagt, mogen bovendien alleen worden geïmplementeerd in de buitenruimte of in grote binnenruimten met een minimale plafondhoogte van vier meter, waarbij het laagste uitstralende onderdeel van de antenne zich in een publiek toegankelijke ruimte op ten minste 2,2 meter hoogte moet bevinden.xx
12Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne). Ligging: * ofwel verankerd op een opgaande muur aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg of minstens 4,00 m achter de rooilijn * ofwel verankerd in de grond of op een dakdeel en gevestigd aan de achterkant van het gebouw ten opzichte van de openbare toegangsweg. Maximale oppervlakte: 1,00 m2. Materialen: de antenne vertoont een kleurschakering die gelijk is aan die van haar draagbasis.xx
13Het plaatsen van een radio- en televisie-antenne of radiogolven (parabolische antenne of paneelantenne). Ligging: op een plat dak. Maximale hoogte: 5,00 meter, met inbegrip van de steun, en de hoogte is kleiner dan de afstand tussen de installatie en de dakopstand. Maximale oppervlakte: 1,00 m2.xx
14[5 Het plaatsen van een in punt 12 of 13 bedoelde antenne die de voorwaarden bedoeld in punt 12 of 13 niet vervult.]5xx
15De plaatsing van antennes en van de behuizing voor radiomodules op afstand op een bestaande pyloon verankerd op de bodem of op legaal bestaande mast op een dak op voorwaarde dat de afstand maximum 1 m is in het geval van een pyloon en maximum 40 cm in het geval van een mast en dat de hoogte van de pyloon of van de mast niet overschreden is.xx
16De plaatsing van antennes tegen een bestaande gevel met maximum één antenne ( met inbegrip van de actieve elementen die nodig zijn voor de aansluiting ervan), over zes strekkende gevelmeters, of op een bestaande puntgevel met maximum één antenne per puntgevel, of op een schoorsteen op voorwaarde dat die antennes een kleur gelijk aan de bedekking van de gevel of van de puntgevel heeft.xx
17De plaatsing van antennes op het plat dak of het plat gedeelte van het dak van een gebouw op voorwaarde dat ze een maximale hoogte van 3 meter, met inbegrip van de steun, hebben, dat die hoogte kleiner is dan de afstand tussen de installatie en de lagere kant of de rand van het dak of de dakopstand en dat het gebouw minstens 12,00 m hoog is.xx
18De plaatsing op de gevel of bovengronds van elektronische of numerieke communicatiekabels en leidingen en van verbindingsdozen voor zover de kleur neutraal en discreet is en voor zover het tracé van de kabel de bouwkundige lijnen van de woning volgt, zoals de raamdorpel, de kroonlijst, de verbindingen tussen de gevels, de lagere kant of de rand van het dak, de dakopstand.xx
19De plaatsing van de antenne van een radioamateur in de zin van het ministerieel besluit van 9 januari 2001 betreffende het aanleggen en het doen werken van radiostations door radioamateurs.xx
20Het plaatsen op het openbaar domein van steunen met een maximale diameter van 30,00 cm en een maximale hoogte van 8,00 meter voor technische telecommunicatieapparatuur en antennes, met inbegrip van radiogolven met een maximale diameter van 90,00 cm, met een afstand van niet meer dan 40,00 cm.xx
21De verwijdering of het weghalen van de in de punten 1 tot 20 bedoelde elementen, voor zover de afval voortvloeiend uit de afbraak, de verwijdering of het weghalen afgevoerd wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving.xxZMilitaire domeinen1De uitvoering van defensieve werken van operationele aard of die strategisch geheim moeten blijven, ten behoeve van het ministerie van Defensie en waarvan de lijst gezamenlijk wordt opgesteld door de Minister van Defensie en de Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordeningxx ]1(1)(2)(3)(4)(5)
]2
Wijzigingen
| [1 | '' Actes/ Travaux/Installations | Description/Caractéristiques | Sont exonérés du permis d'urbanisme | Sont d'impact limité | Ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte | |
| A | Modification de l'enveloppe d'un bâtiment (isolation, élévations, toiture, baies) | 1 | a) les matériaux présentent le même aspect extérieur; b) l'accroissement d'épaisseur n'excède pas 0,30 m; c) lorsque le bien est soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme ou relatives aux bâtisses en site rural, ou aux articles R.II.36-6 à R.II.36-9, D.II.37, § 4, R.II.37-3, R.II.37-4 et R.II.37-7 à R.II.37-9, R.II.37-11, R.II.37-12, les couleurs et les matériaux sont conformes aux indications et prescriptions concernées. | x | x | |
| 2 | [5 ...]5 | x | x | |||
| 3 | La réalisation de façade(s) végétale(s) non visible(s) depuis la voirie publique ou de toiture(s) végétale(s) sur une construction ou une installation existante. | x | x | |||
| 4 | La pose d'une peinture ou d'un enduit sur une construction existante qui a pour effet la modification du volume construit ou l'aspect architectural. | x | x | |||
| 5 | Le placement ou le remplacement de matériaux de parements d'élévation et de couvertures de toiture par des matériaux de parements qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 3. | x | x | |||
| 6 | Le remplacement de portes ou de châssis, en élévation ou en toiture, par des portes ou des châssis visant à atteindre les normes énergétiques en vigueur. | x | x | |||
| 7 | L'obturation, l'ouverture ou la modification de baies situées dans le plan de la toiture, sur maximum un niveau et totalisant au maximum un quart de la longueur de la façade ou toiture correspondante, pour autant que l'obturation ou la modification soit effectuée dans les mêmes matériaux que ceux de la toiture. | x | x | |||
| 8 | L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies totalisant au maximum un quart de la longueur de l'élévation correspondante, dans la mesure où les conditions cumulatives suivantes sont remplies : a) l'obturation, l'ouverture ou la modification n'est pas effectuée sur une élévation située à l'alignement et/ou dont le plan est orienté vers la voirie de desserte publique du bâtiment principal concerné; b) l'obturation ou la modification est effectuée avec les mêmes matériaux de parement que ceux de l'élévation; c) chaque ouverture ou modification s'étend sur maximum un niveau; d) lorsque le bien est soumis à un guide régional ou communal d'urbanisme, les actes et travaux sont conformes à ce guide. | x | x | |||
| 9 | L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies totalisant (toutes les ouvertures d'un même niveau) au maximum un quart de la longueur de la façade ou toiture correspondante et qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 7 et 8. | x | x | |||
| 10 | Le placement ou le remplacement de cheminées ou de conduits de cheminée, de gouttières ou de tuyaux de descentes d'eau de pluie, de systèmes d'évacuation pour des installations telles que hotte, chaudière, pour autant que, lorsque le bien est soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme ou relatives aux bâtisses en site rural, les actes et travaux soient conformes au guide. | x | x | |||
| 11 | Le placement ou le remplacement des éléments visés au point 10 qui ne remplissent pas les conditions. | x | x | |||
| 12 | La démolition ou l'enlèvement des éléments visés aux points 10 et 11 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| B | Transformation d'une construction existante | 1 | Le remplacement de la structure portante d'une toiture sans modification du volume construit et pour autant que les points A1 et A7 soient respectés. | x | x | |
| 2 | La transformation sans agrandissement d'une construction existante en vue de créer une ou plusieurs pièces non destinées à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4, pour autant que, le cas échéant, les actes et travaux soient repris aux points A1, A2, A3, A6, A7, A8 et A10. | x | x | |||
| 3 | La transformation sans agrandissement d'une construction existante non visée aux points 1 et 2 et qui ne portent pas atteinte à la structure portante de la construction. | x | x | |||
| 4 | La transformation avec agrandissement conforme aux prescriptions décrétales et règlementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme d'une construction existante en vue de créer une pièce non destinée à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4, aux conditions cumulatives suivantes : a) un seul volume annexe par bien, et le bien ne compte pas plus d'une véranda; b) l'extension est d'une emprise au sol inférieure ou égale à 40,00 m2 et est : i) soit un volume annexe sans étage, ni sous-sol; ii) soit la prolongation du volume principal, et l'ensemble formé est sans étage, ni sous-sol; c) l'extension est effectuée dans des matériaux de tonalité similaire à ceux de la construction existante; d) l'extension est implantée à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne. | x | x | |||
| 5 | La transformation d'une construction existante qui répond aux conditions cumulatives reprises au point 4 et qui n'est pas conforme aux prescriptions décrétales et règlementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme. | x | ||||
| 6 | Le placement d'un escalier extérieur. | x | x | |||
| 7 | Le placement d'une installation d'aération ou de climatisation | x | x | |||
| 8 | La transformation d'une construction existante autre que celles visées aux points 1 à 7 pour autant que l'emprise au sol [5 de l'existant]5 soit au maximum doublée et que la hauteur sous corniche et/ou la hauteur de l'attique du bâtiment existant ne soit pas dépassée. | x | ||||
| 9 | La démolition ou l'enlèvement d'un volume annexe, d'un escalier extérieur ou d'un appareil de conditionnement d'air, pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| [2 10 | Actes et travaux de remise en état de bâtiments et constructions à la suite d'une calamité naturelle reconnue, pour autant que cumulativement : a) les actes et travaux sont réalisés dans les vingt-quatre mois suivant la publication de l'arrêté reconnaissant la calamité naturelle; b) les actes et travaux sont communiqués au collège communal au moins quinze jours avant leur début; c) les actes et travaux ne portent pas atteinte à la structure portante des bâtiments ou constructions; d) les actes et travaux répondent aux conditions mentionnées au point A1; e) l'obturation, l'ouverture ou la modification de baies existantes situées dans le plan de toiture, sur maximum un niveau, effectuée dans les mêmes matériaux que ceux de la toiture; f) l'obturation, l'ouverture ou la modification de baies existantes dans les élévations pour autant que, cumulativement : i) l'obturation ou la modification est effectuée avec les mêmes matériaux de parement que ceux de l'élévation; ii) chaque ouverture ou modification s'étend sur maximum un niveau; iii) lorsque le bien est soumis à un guide régional ou communal d'urbanisme, les actes et travaux sont conformes à ce guide. | x | x | |||
| 11 | A la suite d'une calamité naturelle reconnue, la démolition de bâtiments, constructions et installations isolés, pour autant que cumulativement : a) la démolition est réalisée dans les vingt-quatre mois suivant la publication de l'arrêté reconnaissant la calamité naturelle; b) la démolition est communiquée au collège communal au moins quinze jours avant son début. | x | x | |||
| 12 | A la suite d'une calamité naturelle reconnue, la démolition de bâtiments, constructions et installations non isolés, pour autant que cumulativement : a) la démolition est réalisée dans les vingt-quatre mois suivant la publication de l'arrêté reconnaissant la calamité naturelle; b) la démolition est réalisée dans le cadre d'un arrêté du bourgmestre pris en urgence dans le but d'assurer la sécurité publique. | x | x]2 | |||
| C | Véranda | 1 | Conforme aux prescriptions décrétales et règlementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme. Seulement une par bien, et le bien ne compte pas plus d'un volume annexe. Situation : érigée en contiguïté avec un bâtiment existant, à l'arrière de ce bâtiment par rapport à la voirie de desserte. Implantation : à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne. Superficie maximale de 40,00 m2. Volumétrie : sans étage; toiture plate ou à un ou plusieurs versants. Hauteurs maximales calculées par rapport au niveau naturel du sol et pour autant que le niveau de gouttière soit inférieur au niveau de gouttière du volume principal et que les conditions suivantes soient respectées : a) 3,00 m sous corniche; b) 5,00 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : structure légère et parois majoritairement en verre ou en polycarbonate tant en élévation qu'en toiture | x | x | |
| 2 | La construction d'une véranda d'une superficie maximale de 40,00 m2 qui ne remplit pas les conditions visées au point 1. | x | x | |||
| 3 | La démolition d'une véranda pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| D | Création d'un ou de plusieurs logements | 1 | La création d'un logement [4 ou d'un hébergement touristique]4 dans un bâtiment pour autant que les actes et travaux de transformation ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte. | x | x | |
| 2 | [4 La [5 création d'un ou de plusieurs logements ou d'un ou de plusieurs hébergements touristiques]5 qui ne remplit pas les conditions visées au point 1, ou la création de plusieurs logements ou de plusieurs hébergements touristiques dans un bâtiment.]4 | x | ||||
| E | Placement d'installations techniques et construction ou reconstruction d'un volume secondaire tels que : * garage, * atelier, * pool house, * dalle de stockage * bâtiments préfabriqués, etc. | 1 | [5 ...]5 | x | x | |
| 2 | [5 Installation, transformation]5, agrandissement d'une installation technique au sens de l'article R.IV.1-2, alinéa 2, en ce compris un encuvement, qui forme une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante. Trois maximum par bien. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) dans un rayon de 30,00 m d'une installation ou d'une construction existante dument autorisée; c) à 20,00 m au moins de tout logement autre que celui de l'exploitant; d) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; e) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; f) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; g) travaux n'impliquant pas d'abattage d'arbre, de haie ou d'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale : [5 la superficie totale cumulée de l'installation]5 et de l'agrandissement des installations techniques dispensée de permis est inférieure à 100,00 m2. Hauteur : maximum 10,00 m et inférieure à celle du bâtiment le plus haut situé sur le bien. | x | x | |||
| 3 | Construction, transformation, agrandissement d'un bâtiment ou [5 installation]5 ou déplacement de bâtiments préfabriqués, en ce compris l'escalier extérieur, non destiné à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4 et formant une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) dans un rayon de 30,00 m d'une installation ou d'une construction existante dument autorisée; c) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; d) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; e) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; f) travaux n'impliquant pas l'abattage d'arbres, de haies ou d'allées au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale: la superficie totale cumulée de la construction, de l'agrandissement et du bâtiment préfabriqué dispensée de permis est de 75,00 m2. Volumétrie : un étage maximum, toiture plate ou à un ou plusieurs versants. Hauteur maximale de l'attique ou du faîte : 7,00 m et inférieure ou égale à celle du bâtiment le plus haut situé sur le bien. Matériaux : de tonalité similaire avec ceux des bâtiments existants. | x | x | |||
| 4 | L'établissement d'une dalle de stockage pour autant qu'il n'implique aucune modification sensible du relief du sol. Une seule dalle de stockage par bien. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; c) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; d) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; e) travaux n'impliquant pas l'abattage d'arbres, de haies ou d'allées au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale : 75,00 m2. | x | x | |||
| 5 | La construction d'un volume secondaire ou le placement d'une installation technique non visé(e) au point 1 à 4 ou qui ne remplit pas les conditions visées aux points 1 à 4, non destinée à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4 et qui forme une unité fonctionnelle avec une construction ou un ensemble de constructions existant pour autant que l'emprise au sol de l'ensemble formé soit au maximum doublée. | x | x | |||
| 6 | La démolition ou l'enlèvement d'un volume secondaire, d'une installation technique, d'une construction ou d'un bâtiment préfabriqué visés aux points 1 à 5 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| [5 7 | Travaux de remise en état et de réparation des surfaces en béton et en goudron si ces travaux concernent une superficie totale par bien n'excédant pas 20 m2. | x | x | |||
| 8 | Travaux de remise en état et de réparation des surfaces en béton et en goudron qui ne remplissent pas la condition énoncée au point 7. | x | ||||
| 9 | La démolition ou l'enlèvement des surfaces en béton ou en goudron, pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x]5 | |||
| F | Carport, accès et parcage | 1 | Un seul carport par bien. Situation : a) en relation directe avec la voirie de desserte publique; b) le plan de l'élévation à rue du carport ne peut être situé au-delà du plan de l'élévation arrière du bâtiment principal. Superficie maximale : 40,00 m2 Volumétrie : toiture plate ou à un ou plusieurs versants Hauteurs maximales : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : a) structure constituée de poteaux en bois, en béton, métalliques ou de piliers en matériaux similaires au parement du bâtiment existant ou d'une tonalité similaire à ceux-ci; b) toiture à un ou plusieurs versants en matériaux similaires à ceux du bâtiment principal. | x | x | |
| 2 | Le carport autre qui ne remplit pas les conditions visées au point 1. | x | x | |||
| 3 | L'enlèvement ou la démolition d'un carport visé aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| 4 | Les emplacements de stationnement en plein air ainsi que leurs accès aux conditions cumulatives suivantes : a) [5 ils sont situés aux abords d'un bâtiment existant dûment autorisé et forment une unité fonctionnelle avec celui-ci]5; b) [5 ils sont reliés à la voirie de desserte publique; sauf en zone d'activité économique, l'accès peut présenter une largeur maximale de 6 mètres]5; c) ils sont constitués en matériaux perméables et discontinus; d) [5 ils présentent une superficie maximale de - 300,00 m2 en zone d'activité économique; - 100,00 m2 dans d'autres zones]5; e) ils ne nécessitent pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3, points 1° à 5°, 7° à 9°, 11°, 12° et 15°. | x | x | |||
| 5 | Les chemins et emplacements de stationnement en plein air [5 ...]5, autres que ceux visés au point 4. | x | x | |||
| G | Abri de jardin/Remise | 1 | Un(e) seul(e) abri de jardin/remise par bien. Situation : a) dans les espaces de cours et jardins; b) soit non visible depuis la voirie publique, soit situé(e) à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique. Implantation : à 1,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale : 20,00 m2. Volumétrie : toiture à un ou plusieurs versants ou toiture plate. Hauteur maximale : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : en bois ou tout autre matériau de tonalité similaire avec le bâtiment ou le milieu dans lequel il s'intègre. | x | x | |
| 2 | Les abris de jardin ou les remises qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. | x | x | |||
| 3 | L'enlèvement ou la démolition des abris de jardins ou remises visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| H | Piscine/Etang de baignade | 1 | Hors sol ou autoportante : Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : à 1,00 m au moins des limites mitoyennes. | x | x | |
| 2 | Enterrée partiellement ou complètement, ainsi que tout dispositif de sécurité d'une hauteur maximale de 2,00 m entourant la piscine : a) une par bien; a) non couverte ou couverte par un abri télescopique à structure légère et repliable qui en recouvre la surface pour autant que la hauteur du faîte soit inférieure à 3,50 m; c) à usage privé; d) les déblais nécessaires [5 à la piscine]5 n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale (plan d'eau) : 75,00 m2 | x | x | |||
| 2.1 | Etang de baignade : a) un seul par bien; b) non-couvert; c) à usage privé; d) les déblais nécessaires à cet étang de baignade n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale (zone de baignade + zone de lagunage) : 100,00 m2 | x | x | |||
| 3 | Les piscines et étangs de baignade qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1, 2 et 2.1. | x | x | |||
| 4 | L'enlèvement, la démolition ou le remblaiement de piscines et étangs de baignade visés aux points 1 à 3 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur et que les remblais soient conformes à la législation en vigueur. | x | x | |||
| I | [5 Etang]5 | 1 | Un(e) seul(e) par bien. Situation : en dehors d'un site reconnu en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 (à l'exception d'une mesure de gestion '' UG5-prairie de liaison '' ou '' UG11-terre de cultures et éléments anthropiques '' dans une zone Natura 2000). Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale : 100,00 m2. [5 Au moins un tiers de la berge présente une pente très douce (< 30°).]5 Les déblais nécessaires [5 à l'étang]5 n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Sauf les [5 ...]5 étangs dans les espaces de cours et jardins, le plan d'eau doit être partiellement ombragé par la plantation d'arbres. | x | x | |
| 2 | Les étangs [5 ...]5 qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. | x | x | |||
| 3 | La suppression ou le remblaiement des étangs [5 ...]5 visés au point 1 pour autant que les remblais soient conformes à la législation en vigueur. | x | x | |||
| J | Aménagements, accessoires et mobiliers | 1 | Le placement d'auvents, de tentes solaires ou de couvertures d'une terrasse située au niveau du sol, accolés ou isolés. Situation : dans les espaces de cours et jardins. Hauteur maximale : 3,50 m. Superficie maximale totale de l'ensemble de ces [5 installations]5: 40,00 m2. Implantation : à 2,00 m au moins des limites mitoyennes. | x | x | |
| 2 | Le placement de mobilier de jardin ancré au sol ou enterré, tel que bancs, tables, sièges, feux ouverts ou barbecues, poubelles, compostières, pergolas, colonnes, bacs à plantations, fontaines décoratives, bassins de jardin, jeux pour enfants, structures pour arbres palissés. Le placement de candélabres et de poteaux d'éclairage, de manière telle que le faisceau lumineux issu de lampes reporté au sol n'excède pas les limites mitoyennes. Les aires de jeux et de sport en matériaux perméables et les appareillages strictement nécessaires à leur pratique. Situation : soit dans les espaces de cours et jardins, soit aux abords d'une construction située dans une zone destinée à l'urbanisation et formant une unité fonctionnelle avec cette construction. Hauteur maximale : 3,50 m. | x | x | |||
| 3 | La création de chemins en matériaux perméables et de terrasses, aux abords d'une ou plusieurs constructions existantes, au niveau du sol et qui ne requiert pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3, à l'exception des rocailles. | x | x | |||
| 3.1 | [5 La création de rocailles, avec une surface de jardin recouverte de 8 m2 au maximum par bien (hors chemins).]5 | x | x | |||
| 3.2 | [5 La création de rocailles, avec une surface totale dépassant les 8 m2 par bien (hors chemins).]5 | x | x | |||
| 4 | Le placement de serres de jardin qui totalisent une superficie maximale de 20,00 m2. | x | x | |||
| 5 | Pour autant qu'ils ne délimitent pas le bien : a) La pose de clôtures constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit de piquets reliés entre eux par une ou deux traverses horizontales, soit de palissades en bois, soit de gabions d'une épaisseur maximale de 20,00 cm, ainsi que la pose de portiques, portails, portillons d'une hauteur maximale de 2,00 m; b) la construction et la transformation de murs de soutènement, en ce compris en gabions, d'une hauteur maximale de 0,70 m; c) la construction et la transformation de murs d'une hauteur maximale de 2,00 m, non visibles depuis la voirie publique ou situés à l'arrière d'un bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique. | x | x | |||
| 6 | Les [5 installations]5, accessoires, mobiliers de jardins ancrés au sol ou enterrés, non visés aux points 1 à 5 ou qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 5. | x | x | |||
| 7 | La démolition, la suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition, de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| K | Habitations légères au sens du Code wallon de l'habitation durable | 1 | Le placement d'habitations légères préfabriquées ou en kit. | x | ||
| 2 | Construction d'habitations légères non visées au point 1 pour autant qu'elles soient : a) sans étage; b) d'une superficie inférieure à 40 m2; c) d'une hauteur maximale de 2,50 m sous corniche, 3,50 m au faîte et, le cas échéant, 3,20 m à l'attique. | x | ||||
| L | Energies renouvelables Modules de production d'électricité ou de chaleur | 1 | [5 1. Le placement d'un ou de plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur utilisant l'énergie solaire comme source d'énergie ainsi que l'installation de stockage d'énergie correspondante, pour autant qu'elle y soit raccordée et qu'elle soit située sur le même bien, par exemple une batterie, si le ou les modules : a) sont intégrés dans un bâtiment existant dûment autorisé ou installés sur ce dernier, soit sur la façade, soit sur le toit, b) ou bien sont installés sur une structure artificielle existante dûment autorisée, comme une voirie, un parking, une voie ferrée, un quai, un emplacement de stockage pour matériaux ou biens, à l'exception des plans d'eau artificiels. 2. Le remplacement d'un ou de plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur existants dûment autorisés utilisant l'énergie solaire comme source d'énergie, à condition que ce ou ces modules ne nécessitent pas d'espace supplémentaire et répondent aux mesures de compatibilité environnementale en vigueur, définies pour l'installation d'origine. 3. Le placement d'une pompe à chaleur (en ce compris les pompes à chaleur géothermiques) d'une capacité électrique inférieure à 50 Mw et d'une profondeur maximale de 500 mètres, laquelle : a) est implantée dans une construction fermée existante dûment autorisée b) ou est pourvue d'un caisson acoustique et est située à une distance d'au moins 2 mètres par rapport à la limite mitoyenne. 4. Le placement d'une pompe à chaleur (en ce compris les pompes à chaleur géothermiques) d'une capacité électrique de 12 Kw au maximum, laquelle : a) est située à une distance d'au moins 2 mètres par rapport à la limite mitoyenne; b) et est soit pourvue d'un caisson acoustique, soit située à 15 mètres de l'habitation la plus proche (à l'exclusion de sa propre habitation). ]5 | x | x | |
| [5 1.1 | Le placement d'une pompe à chaleur de 300 kW au maximum, qui ne remplit pas les conditions visées au point 1. | x | x]5 | |||
| 2 | Le placement d'un ou de plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bâtiment [5 existant dûment autorisé]5 situé sur le même bien dont la source d'énergie est renouvelable qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. | x | x | |||
| 3 | La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| M | Clôtures | 1 | La pose de clôtures transparentes de 2,00 m de hauteur maximum constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit par des éléments de fixation en bois. La construction ou la transformation de murs de soutènement de moins de 0,70 m de haut, en ce compris en gabions. La pose de portiques, portillons ou portails d'une hauteur maximale de 2,00 m permettant une large vue sur le bien. | x | x | |
| 2 | La pose de portiques, portails ou portillons qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1 ou qui ne sont pas visés au point 1. | x | x | |||
| 3 | La construction ou la transformation de murs de soutènement de plus de 0,70 m de haut ou de murs de clôture aux abords d'une construction ou d'une installation existante dument autorisée. | x | x | |||
| 4 | La démolition ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| N | Abris pour un ou des animaux en ce compris les ruchers et les dalles de fumière | 1 | Un ou plusieurs ruchers par bien. Sans préjudice de l'application des dispositions visées au Code rural et des conditions intégrales prises en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement. | x | x | |
| 2 | Un ou plusieurs abris pour animaux par bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins. Implantation : a) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; b) lorsqu'il s'agit de grands animaux, à 20,00 m au moins de toute habitation voisine; c) lorsqu'il s'agit de grands animaux, non situés dans l'axe de vue perpendiculaire à la façade arrière d'une habitation voisine. Superficie maximale totale de l'ensemble des abris pour animaux sur le bien : 25,00 m2 pour un ou plusieurs abris. Volumétrie : sans étage, toiture à un ou deux versants de mêmes pente et longueur ou une toiture plate. Hauteur maximale calculée par rapport au niveau naturel du sol : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : bois ou grillage ou similaires à ceux du bâtiment principal existant. Sans préjudice de l'application des dispositions visées dans le Code rural et des conditions intégrales et sectorielles prises en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement. | x | x | |||
| 3 | L'établissement d'une dalle de fumière. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle située sur le bien. Implantation : distante de 10,00 m au moins des limites mitoyennes. Hauteur : au niveau du sol. Superficie maximale : 10,00 m2. | x | x | |||
| 3.1 | Le placement d'une dalle de fumière qui ne remplit pas les conditions du point 3. | x | x | |||
| 4 | Le placement ou la construction d'abris pour animaux qui ne remplissent pas les conditions des [5 du point 2]5 [5 , la superficie maximale totale de l'ensemble des abris pour animaux sur le bien ne dépassant pas 100 m2]5. | x | x | |||
| [5 4.1 | Le placement ou la construction d'abris pour animaux qui ne remplissent pas les conditions des points 2 ou 4. | x]5 | ||||
| 5 | La démolition et l'enlèvement des abris, [5 ruchers]5 et dalles de fumière visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| O | Exploitations agricoles | 1 | La construction de silos de stockage en tout ou en partie enterrés, pour autant que le niveau supérieur des murs de soutènement n'excède pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol. | x | x | |
| 2 | L'établissement d'une dalle de fumière. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant. Implantation : distante de 3,00 m minimum des limites mitoyennes. Hauteur : le niveau supérieur de la dalle ou des murs de soutènement n'excède pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol. | x | x | |||
| 3 | La pose/le placement de citernes de stockage d'eau ou de poches à lisier en tout ou en partie enterrées. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant et en dehors de la zone d'habitat. Implantation : a) à 10,00 m minimum de tout cours d'eau navigable ou non navigable; b) à 3,00 m minimum du domaine public. Hauteur : le niveau supérieur du mur de soutènement n'excède pas 0,70 m. | x | x | |||
| 3.1 | Le placement d'une poche à lisier par exploitation et par saison, pour une durée maximale de quatre mois, à condition que le bien retrouve son état initial au terme de ce délai. | x | x | |||
| 3.2 | Le placement de poches à lisier qui ne remplissent pas les conditions du point 3.1. | x | x | |||
| 4 | Le placement de serres-tunnels destinées à la culture de plantes agricoles ou horticoles et qui sont enlevées après la récolte. | x | x | |||
| 5 | Les filets anti-grêle qui impliquent une structure ancrée au sol et le placement de serres-tunnels [5 dont la superficie maximale totale sur le bien ne dépasse pas 100 m2 et]5 qui ne remplissent pas les conditions visées au point 4. | x | x | |||
| [5 5.1 | Les filets anti-grêle et le placement de serres-tunnels qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 4 ou 5 | x]5 | ||||
| 6 | Le placement d'une installation de prise d'eau dans un cours d'eau non navigable ou non classé, destinée exclusivement à l'abreuvement du bétail. | x | x | |||
| 6.1 | Aménagement d'installations permettant au bétail de passer au-dessus de cours d'eau non navigables, pour autant que ni le lit du ruisseau ni les berges ne soient modifiés et pour autant qu'une autorisation écrite préalable ait été demandée auprès du gestionnaire du cours d'eau ainsi que, dans une zone reconnue en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, auprès de l'autorité compétente en application de ladite loi. Les installations servent uniquement au passage du bétail (pas de machines). Largeur maximale : 3,00 m. | x | x | |||
| 7 | La démolition et l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| P | Constructions et installations provisoires | 1 | Les constructions provisoires d'infrastructures de chantiers relatifs à des actes et travaux autorisés, en ce compris les réfectoires, logements et sanitaires ainsi que les pavillons d'accueil, pendant la durée des actes et travaux et pour autant que le chantier se poursuive de manière continue. | x | x | |
| 2 | Le placement d'installations à caractère social, culturel, sportif ou récréatif, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durée maximale de nonante jours pour autant qu'au terme de ce délai, le bien retrouve son état initial. | x | x | |||
| 3 | Le placement d'installations à caractère commercial, sur le domaine public, ou sur le domaine privé à la condition d'être en lien avec une activité existante, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durée maximale de soixante jours pour autant que les installations soient conformes aux guide communal et régional d'urbanisme et qu'au terme du délai, le bien retrouve son état initial. | x | x | |||
| 4 | Le placement provisoire d'installations nécessaires à l'accueil d'une activité déplacée, pendant la durée des actes et travaux soumis à permis, pour autant que le chantier se poursuive de manière continue et qu'une fois les actes et travaux réalisés ou le permis périmé, les installations soient enlevées. | x | x | |||
| [2 4.1 | A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine public d'installations accueillant un service public ou une activité à finalité d'intérêt général visée à l'article D.IV.22, alinéa 1er, 7°, ou une activité d'utilité publique visée à l'article R.IV.22-2, 17°. L'autorisation d'occupation du domaine public est demandée au préalable. Au terme du délai, le terrain retrouve son état initial. | x | x | |||
| 4.2 | A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine privé d'installations, en ce compris des emplacements de stationnement en plein air, accueillant un service public ou une activité à finalité d'intérêt général visée à l'article D.IV.22, alinéa 1er, 7°, ou une activité d'utilité publique visée à l'article R.IV.22-2, 17°, pour autant que, cumulativement : a) il s'agit du déplacement d'une activité existant dans la commune; b) il s'agit d'une zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23; c) le terrain ou la partie de terrain ne sont pas concernés par un risque au sens de l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3°, ou un risque de ruissellement concentré, c.-à-d. un axe de concentration naturel des eaux pluviales; d) le terrain ou la partie de terrain n'ont pas subi d'inondation dans les cinq dernières années; e) la localisation du terrain ou de la partie de terrain n'est pas susceptible d'accroitre le risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'en aggraver les conséquences; f) il ne s'agit ni d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, ni d'un site de grand intérêt biologique figurant sur le site cartographique du SPW; g) au terme du délai, le terrain retrouve son état initial. | x | x | |||
| 4.3 | A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine public d'installations à caractère commercial ou accueillant l'activité d'un indépendant ou d'une entreprise, à la condition que l'activité existe dans la commune et soit déplacée. L'autorisation d'occupation du domaine public est demandée au préalable. Au terme du délai, le terrain retrouve son état initial. | x | x | |||
| 4.4 | A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine privé d'installations à caractère commercial ou accueillant l'activité d'une entreprise ou d'un indépendant - en ce compris les emplacements de stationnement - pour autant que, cumulativement : a) il s'agit du déplacement d'une activité existant dans la commune; b) il s'agit d'une zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23; c) le terrain ou la partie de terrain ne sont pas concernés par un risque au sens de l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3°, ou un risque de ruissellement concentré, c.-à-d. un axe de concentration naturel des eaux pluviales; d) le terrain ou la partie de terrain n'ont pas subi d'inondation dans les cinq dernières années; e) la localisation du terrain ou de la partie de terrain n'est pas susceptible d'accroitre le risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'en aggraver les conséquences; f) il ne s'agit ni d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, ni d'un site de grand intérêt biologique figurant sur le site cartographique du SPW; g) au terme du délai, le terrain retrouve son état initial. | x | x | |||
| 4.5 | A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire d'habitations légères par ou pour le compte des communes, des centres publics d'action sociale ou des sociétés de logement de service public - en vue d'héberger des victimes de la calamité naturelle - pour autant que, cumulativement : a) il s'agit d'une zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23; b) le terrain ou la partie de terrain ne sont pas concernés par un risque au sens de l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3°, ou un risque de ruissellement concentré, c.-à-d. un axe de concentration naturel des eaux pluviales; c) le terrain ou la partie de terrain n'ont pas subi d'inondation dans les cinq dernières années; d) la localisation du terrain ou de la partie de terrain n'est pas susceptible d'accroitre le risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'en aggraver les conséquences; e) il ne s'agit ni d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, ni d'un site de grand intérêt biologique figurant sur le site cartographique du SPW; f) au terme du délai, le terrain retrouve son état initial. | x | x]2 | |||
| 5 | La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points [2 1 et 4 à 4.5]2, pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| Q | Enseignes et dispositifs de publicité | 1 | Le placement d'une ou plusieurs enseignes, ou d'un ou plusieurs dispositifs de publicité. | x | x | |
| 2 | L'enlèvement des enseignes et dispositifs visés au point 1 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| R | Miradors et postes d'observation | 1 | En zone forestière, dans la zone contigüe à la zone forestière et en zone agricole, les miradors et autres postes d'observation en bois ou métalliques de ton mat visés à l'article 1er, § 1er, 9°, de la loi du 28 février 1882 sur la chasse. Superficie utile maximale : 4,00 m2 | x | x | |
| 1.1 | En zone forestière, dans la zone contigüe à la zone forestière et en zone agricole, les miradors et autres postes d'observation ne remplissant pas les conditions visées au point 1. | x | x | |||
| 2 | L'enlèvement des miradors et des postes d'observation visés aux points 1 ou 1.1 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| S | Arbres, haies et modification de la végétation | 1 | Le boisement ou le déboisement. | x | x | |
| 2 | Sans préjudice de l'article R.IV.4-4, la culture de sapins de Noël. | x | x | |||
| 3 | L'abattage d'une haie sur une longueur continue de moins de 2,50 m en vue de créer un seul accès à une habitation existante, pour autant que cet abattage soit concerné par l'article D.IV.4, alinéa 1er, 11°. | x | x | |||
| 4 | L'abattage d'arbres isolés à haute tige, d'une haie, ou l'abattage d'un ou plusieurs ou de tous les arbres d'une allée au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 11°. | x | x | |||
| 5 | L'abattage, l'atteinte au système racinaire ou la modification de l'aspect d'un arbre remarquable, d'un arbuste remarquable ou d'une haie remarquable au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 12°. | x | x | |||
| 6 | Le défrichage ou la modification de la végétation de toute zone visée à l'article R.IV.4-11. | x | x | |||
| 7 | L'abattage d'arbres visé aux points 4 à 6 faisant l'objet d'un arrêté du bourgmestre pris en urgence dans le but d'assurer la sécurité publique. | x | x | |||
| T | Modification du relief du sol | 1 | La modification sensible du relief du sol pour les forages ou carottages réalisés dans le cadre d'une étude géotechnique, d'une prospection géologique ou d'une étude de la pollution du sol. | x | x | |
| [5 2 | La modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 dans un rayon de 30,00 m d'une construction ou d'une installation existante, dûment autorisée, sur le même bien. | x | x]5 | |||
| 3 | Pour la mise en oeuvre d'un programme d'action sur les rivières par une approche intégrée et sectorielle visé à l'article D. 33/3 du Livre II du Code de l'environnement, constituant le Code de l'eau, qui concerne : a) les travaux de remblais ou de déblais n'excédant pas 50,00 centimètres et situés à une distance maximum de 6,00 m à partir de la crête de berge d'un cours d'eau, y compris dans les zones soumises à l'aléa d'inondation; b) le dépôt et l'étalement des produits provenant des travaux de curage d'un cours d'eau. | x | x | |||
| U | [5 Utilisation d'un terrain pour dépôts et installations mobiles | 1 | Utilisation d'un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 15°, b), en vue de réaliser des campings à la ferme. | x]5 | ||
| 2 | [5 Utilisation habituelle d'un terrain : - pour le dépôt d'un ou plusieurs véhicules usagés, de mitrailles, de matériaux ou de déchets; - pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles, telles que remorques publicitaires, roulottes, caravanes, véhicules désaffectés ou tentes, à l'exception des abris mobiles au sens du décret du 23 janvier 2017 visant à promouvoir le tourisme. | x | x]5 | |||
| V | [5 Structure destinée à l'hébergement touristique et de loisirs | 1 | Le placement d'une ou plusieurs structures destinées à l'hébergement touristique pour une occupation temporaire ou saisonnière, conçues pour être démontées aisément ou transportables, aux conditions cumulatives suivantes : a) l'abri mobile a une superficie maximale de 50,00 m2; b) son placement ou sa construction ne nécessite pas de modification sensible du relief du sol; c) il est situé sur un terrain de camping au sens du décret du 23 janvier 2017 visant à promouvoir le tourisme. | x | x]5 | |
| 2 | [5 ...]5 | |||||
| 3 | [5 La construction ou le placement par bien d'une cabane en bois ou d'une tente ou d'un tipi ou d'une yourte ou d'une bulle en zone forestière. | x | x]5 | |||
| 4 | L'enlèvement ou la démolition des hébergements touristiques ou de loisirs, de terrasses visés aux points 1 à 3 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| W | Actes et travaux sur le domaine public de la voirie, des voies ferrées et des cours d'eau | 1 | Pour autant qu'il n'y ait pas d'élargissement de l'assiette des voiries, le renouvellement des fondations et du revêtement des voiries, bermes, bordures, trottoirs, îlots et places publiques, à l'exception des changements de revêtements constitués de pierres naturelles et, pour les places publiques, pour autant que les actes et travaux n'augmentent pas la superficie des revêtements en matériau imperméable. | x | x | |
| 2 | La pose, le renouvellement, le déplacement ou l'enlèvement des éléments accessoires tels que les radars, parapets, les glissières et bordures de sécurité, à l'exception des murs de soutènement et des écrans antibruit. | x | x | |||
| 3 | L'installation, le déplacement, la transformation, l'extension ou l'enlèvement des réseaux de fluides, d'une pression inférieure ou égale à 20 bars pour le gaz, d'énergie, d'une tension inférieure ou égale à 70 KV pour l'électricité, et de télécommunication insérés, ancrés, prenant appui ou surplombant le domaine public en ce compris les raccordements privés, les éléments accessoires et équipements connexes tels que bornes, armoires techniques, pylônes et poteaux d'une hauteur maximale de 14,00 mètres. | x | x | |||
| 4 | Les aménagements provisoires de voirie d'une durée maximale de cinq ans [2 en ce compris les ouvrages d'art supportant des rues ou des voies ferrées]2. | x | x | |||
| 5 | Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux piétons, personnes à mobilité réduite ou cyclistes et visant la création ou l'agrandissement local de ces espaces, l'amélioration de leur aspect esthétique ou la sécurité des usagers, que ces travaux entrainent ou non un rétrécissement [5 ...]5 de la ou des voiries. | x | x | |||
| 6 | Le placement ou le renouvellement de petit mobilier urbain tels que bancs, tables, sièges, poubelles, candélabres, bacs à plantations, petites pièces d'eau, bornes électriques, conteneurs, enterrés ou non, affectés à la collecte des déchets ménagers ou assimilés. | x | x | |||
| 7 | Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux plantations. | x | x | |||
| 8 | Le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs ou éléments de signalisation suivants : a) la signalisation, en ce compris son support et les portiques, ainsi que sa protection vis-à-vis de la circulation; b) les dispositifs fixes ou mobiles limitant la circulation, le stationnement ou la vitesse; c) les dispositifs de contrôle du stationnement, tels que les parcmètres ou appareils horodateurs; d) les dispositifs de stationnement non-couverts pour véhicules à deux roues; e) les dispositifs accessoires d'installations techniques, souterraines ou non, tels que des armoires de commande électrique de feux de signalisation ou d'éclairage public, bornes téléphoniques, bornes incendies et armoires de télédiffusion. | x | x | |||
| 9 | Le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs d'éclairage public. | x | x | |||
| 10 | Pour autant qu'ils ne soient pas soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme, le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs d'affichage et de publicité suivants : a) les colonnes dont le fût est d'au plus 1,20 m de diamètre et ne dépasse pas 3,50 m de hauteur; b) les panneaux sur pied dont les hauteur et largeur maximales ne dépassent pas respectivement 2,50 m et 1,70 m et dont la superficie utile ne dépasse pas 4,00 m2 par face. | x | x | |||
| 11 | L'établissement ou la modification de la signalisation au sol. | x | x | |||
| 12 | Le placement, le déplacement ou l'enlèvement de ralentisseurs de trafic. | x | x | |||
| 13 | La pose, l'enlèvement ou le renouvellement des fondations et des dispositifs d'exploitation des voies et des lignes de transport en commun existants tels que rails, traverses, ballast, poteaux caténaires, signaux, portiques, loges, armoires de signalisation ou poteaux d'arrêts pour les voyageurs. | x | x | |||
| 14 | Le placement d'une terrasse ouverte saisonnière dans le secteur Horeca. | x | x | |||
| 15 | Les abris pour voyageurs aux arrêts de transport public. | x | x | |||
| 16 | Le placement ou le déplacement de boîtes postales. | x | x | |||
| 17 | Le placement, le déplacement ou l'enlèvement de statues, monuments commémoratifs et autres oeuvres artistiques, placés par les autorités ou sur l'ordre des autorités. | x | x | |||
| 18 | La pose, le renouvellement ou l'enlèvement d'ouvrages de protection des berges dans un cours d'eau non navigable, à l'exception de murs maçonnés, sur un linéaire n'excédant pas 100,00 m et d'une hauteur maximum de 2,00 m. | x | x | |||
| [2 19 | L'installation d'équipements techniques de surveillance des cours d'eau. | x | x | |||
| 20 | Dans les zones touchées par des calamités naturelles reconnues et pour autant que les travaux aient commencé de manière significative dans les trois ans qui suivent la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, les actes et travaux concernant la reconstruction de ponts, en ce compris les travaux de soutènement, la réfection des berges ou du lit d'un cours d'eau, ou la réparation de barrages et de leurs installations, pour autant que leur localisation reste inchangée et que les conditions offertes aux différents usagers sont conservées. | x | x | |||
| 21 | Dans des zones touchées par des calamités naturelles reconnues et pour autant que les travaux aient commencé de manière significative dans les trois ans qui suivent la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, la démolition, la réfection ou la reconstruction de murs de berges ou d'autres ouvrages d'art situés sur la propriété du gestionnaire du cours d'eau non navigable. | x | x]2 | |||
| X | Egouttage, canalisation et réseaux en dehors du domaine public de la voirie, des voies ferrées et des cours d'eau, forages et prises d'eau | 1 | L'installation, le déplacement, la transformation de raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que l'installation, le déplacement, la transformation de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre système d'épuration individuelle des eaux usées domestiques pour autant que, cumulativement : a) les déblais éventuels nécessaires à ces [5 installations]5 n'entrainent aucune modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien; b) ces dispositifs soient reliés à l'infrastructure nécessaire à l'aménagement du bien et situés exclusivement sur celui-ci. | x | x | |
| 2 | Les raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que le placement de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre système d'épuration individuelle qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1. | x | x | |||
| 3 | [5 Le placement d'au maximum une citerne aérienne par bien. | x | x]5 | |||
| 4 | L'insertion ou le renforcement de réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication dans un site technique déjà aménagé pour autant que, cumulativement : a) les travaux projetés sont propres à la fonction du site; b) les installations, bâtiments, constructions et revêtement existants ont été légalement autorisés; c) les travaux ne visent pas la construction d'un bâtiment; d) l'emprise au sol ne réduit pas les périmètres ou les dispositifs d'isolement existants. | x | x | |||
| 5 | Les forages de puits et les prises d'eau. | x | x | |||
| 6 | Dans les zones non destinées à l'urbanisation et à condition de ne pas nécessiter de permis au sens de l'article R.IV.4-3, alinéa 1er, 6°, l'établissement ou la modification d'un système de drainage pour autant que le terrain ne soit pas situé dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception des sites Natura 2000, ou exposé à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tel que visé à l'article D.IV.57, 3°. | x | x | |||
| 7 | L'installation, le déplacement, la transformation ou l'extension des réseaux de fluides, d'énergie et de télécommunication insérés ou ancrés, enterrés ou aériens et les éléments accessoires et les équipements connexes, lorsqu'ils sont situés en dehors du domaine public. | x | x | |||
| [2 7.1 | Dans des zones touchées par des calamités naturelles reconnues et pour autant que les travaux aient commencé de manière significative dans les trois ans qui suivent la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement, le déplacement, la transformation et le remplacement de réseaux d'eaux usées, de fluides, d'énergie et de télécommunication, enterrés ou aériens, et de leurs dispositifs accessoires. | x | x]2 | |||
| 8 | L'enlèvement des éléments visés aux points [2 1° à 7.1]2 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| Y | Télécommunication, télédistribution, fibre optique, gaz, électricité | 1 | Le remplacement d'installations ou d'armoires techniques par des installations ou armoires techniques d'un volume moindre ou équivalent. | x | x | |
| 2 | Le remplacement d'antennes existantes par des antennes de dimensions égales ou inférieures ou supérieures, à la condition que la hauteur totale incluant leur mât de support ne soit pas augmentée et que les nouvelles antennes soient d'une hauteur maximale de 3,00 m. | x | x | |||
| 3 | Le remplacement d'un pylône ou d'un poteau existant par un pylône ou un poteau de même hauteur et de même type installé sur le même site. | x | x | |||
| 4 | Le placement d'une armoire technique sur une toiture plate à condition qu'elle ne soit pas visible depuis la voirie, à savoir qu'elle soit située à une distance d'au moins une fois et demi la hauteur de l'armoire depuis l'attique. | x | x | |||
| 5 | Le placement ou le remplacement d'armoires techniques à côté d'un pylône ou d'un poteau posé au sol ou dans un local technique situé à proximité d'un mât de support placé sur un toit. | x | x | |||
| 6 | La pose d'installations techniques en vue d'assurer la stabilité et la sécurité d'installations existantes ainsi que leur bon fonctionnement. | x | x | |||
| 7 | Le placement d'antennes ou faisceaux hertziens, d'armoires et d'installations techniques lors d'évènements culturels, sportifs, récréatifs ou commerciaux, placées pour une durée maximale de 90 jours à condition que ces antennes ou faisceaux, armoires et installations ne soient pas placés plus de 15 jours avant le début de l'évènement et qu'ils soient enlevés au plus tard 15 jours après la fin de l'évènement. | x | x | |||
| 8 | Le déplacement et/ou la reconstruction d'antennes ou faisceaux hertziens, de réseaux insérés, ancrés, enterrés ou aériens, et d'armoires et installations techniques pour des raisons d'urgence, de sécurité ou d'intérêt public imprévisibles dans le chef de l'opérateur, le temps nécessaire pour obtenir toutes les autorisations requises au déplacement et/ou à la reconstruction du site. | x | x | |||
| 9 | Le déplacement temporaire d'une installation existante afin d'assurer la continuité des services, en cas de travaux effectués par le propriétaire de la structure initiale, pour la durée exclusive des travaux. | x | x | |||
| 10 | La pose d'installations telles que les antennes, faisceaux hertziens, armoires et installations techniques pour autant qu'elles soient situées à l'intérieur de bâtiments, de constructions ou de structures existantes ou couvertes par des matériaux ayant la même apparence que les matériaux existants. | x | x | |||
| 11 | Le placement de faisceaux hertziens ayant un diamètre maximal de 90,00 cm sur un pylône existant ou un mât de support en toiture existant dument autorisé. | x | x | |||
| 11.1 | L'installation de points d'accès sans fil à portée limitée qui sont intégrés dans leur totalité et en toute sécurité dans leur structure porteuse et, partant, invisibles pour le grand public. | x | x | |||
| 11.2 | L'installation de points d'accès sans fil à portée limitée qui remplissent les conditions suivantes : a) le volume total de la partie visible par le public d'un point d'accès sans fil à portée limitée desservant un ou plusieurs utilisateurs du spectre radioélectrique ne dépasse pas 30 litres; b) le volume total des parties visibles par le public de plusieurs points d'accès sans fil à portée limitée séparés qui occupent un même site d'infrastructure d'une surface individuelle délimitée, tel qu'un poteau d'éclairage, des feux de circulation, un panneau d'affichage ou un arrêt de bus, ne dépasse pas 30 litres; c) dans les cas où le système d'antenne et d'autres éléments du point d'accès sans fil à portée limitée, tels qu'une unité de radiofréquence, un processeur numérique, une unité de stockage, un système de refroidissement, l'alimentation électrique, des connexions par câble, des éléments de collecte ou des éléments de mise à la terre et de fixation, sont installés séparément, toute partie de tels éléments supérieure à 30 litres est rendue invisible par le public; d) le point d'accès sans fil à portée limitée a une cohérence visuelle avec la structure porteuse et possède une taille proportionnée par rapport à la taille globale de la structure porteuse, une forme cohérente, des couleurs neutres qui s'harmonisent avec la structure porteuse ou se fondent avec cette dernière, ainsi que des câbles cachés et ne crée pas de surcharge visuelle en combinaison avec d'autres points d'accès sans fil à portée limitée déjà installés sur le même site ou sur des sites adjacents; e) le poids et la forme d'un point d'accès sans fil à portée limitée n'imposent pas de renforcement structurel de la structure porteuse. Les points d'accès sans fil à portée limitée dont la puissance isotrope rayonnée équivalente s'élève à 10 watts peuvent être uniquement déployés dans un espace extérieur ou dans un vaste espace intérieur présentant une hauteur de plafond d'au moins 4,00 m, la partie rayonnante inférieure de l'antenne devant être installée à une hauteur d'au moins 2,20 mètres au-dessus du niveau de passage du public. | x | x | |||
| 12 | Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau). Situation : * soit ancrée sur une élévation à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique ou en recul d'au moins 4,00 m de l'alignement; * soit ancrée au sol ou sur un pan de toiture et implantée à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique. Superficie maximale : 1,00 m2. Matériaux : il faut que l'antenne soit d'un ton similaire à celui de son support. | x | x | |||
| 13 | Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau). Situation : sur un toit plat. Hauteur maximale : 5,00 m support compris, et la hauteur est inférieure à la distance séparant l'installation de l'attique. Superficie maximale : 1,00 m2. | x | x | |||
| 14 | [5 Le placement d'une antenne visée aux points 12 ou 13, et qui ne remplit pas les conditions visées aux points 12 ou 13. | x | x]5 | |||
| 15 | Le placement d'antennes et de boîtiers de modules radio distants sur un pylône existant ancré au sol ou un mât de support en toiture existant dument autorisé, à condition que le déport soit de maximum 1,00 m dans le cas d'un pylône et de maximum 0,40 m dans le cas d'un mât de support, et que la hauteur du pylône ou du mât ne soit pas dépassée. | x | x | |||
| 16 | Le placement d'antennes accolées à une façade existante avec un maximum d'une antenne, en ce compris les éléments actifs nécessaires à son raccordement, par 6 mètres courants de façade, ou à un pignon existant avec un maximum d'une antenne par pignon, ou sur une cheminée à condition que ces antennes aient une couleur similaire au revêtement de la façade ou du pignon. | x | x | |||
| 17 | Le placement d'antennes sur le toit plat ou la partie plate du toit d'un immeuble, à condition qu'elles aient une hauteur maximale de 3,00 m support inclus, que cette hauteur soit inférieure à la distance séparant l'installation du bord inférieur ou de la rive de la toiture ou de l'attique et que le bâtiment soit d'une hauteur minimale de 12,00 m. | x | x | |||
| 18 | Le placement sur façade et en aérien de câbles et conduites de communications électroniques ou numériques et des boîtes de raccordement connexes, pour autant que la couleur soit neutre et discrète et pour autant que le tracé du câble suive les lignes architecturales de l'habitation telles que le seuil de la fenêtre, la corniche, les jointages entre façades, le bord inférieur ou la rive de toiture, l'attique. | x | x | |||
| 19 | Le placement de l'antenne d'une station d'amateur au sens de l'arrêté ministériel du 9 janvier 2001 relatif à l'établissement et la mise en service de stations radioélectriques par des radioamateurs. | x | x | |||
| 20 | Le placement sur le domaine public de supports d'un diamètre maximum de 30,00 cm et d'une hauteur maximale de 8,00 m supportant des équipements techniques de télécommunication et des antennes, y compris des faisceaux hertziens d'un diamètre maximum de 90,00 cm, avec un déport n'excédant pas 40,00 cm. | x | x | |||
| 21 | La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 20, pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur. | x | x | |||
| Z | Domaines militaires | 1 | La réalisation d'ouvrages défensifs à caractère opérationnel ou devant rester secret stratégique, pour le compte du Ministère de la Défense nationale et dont la liste est établie conjointement par le Ministre de la Défense nationale et le Ministre ayant l'Aménagement du territoire dans ses attributions. | x | x]1 | |
| (1)2021-07-01/10, art. 4, 015; En vigueur : 01-09-2021> | ||||||
| (2)2022-01-31/06, art. 1, 019; En vigueur : 14-06-2022> | ||||||
| (3)2022-12-08/15, art. 1, 020; En vigueur : 30-01-2023> | ||||||
| (4)2023-01-26/19, art. 1, 023; En vigueur : 01-02-2023> | ||||||
| (5)2024-04-18/28, art. 31, 025; En vigueur : 01-05-2024> | ||||||
2[5 ...]5xx
3La réalisation de façade(s) végétale(s) non visible(s) depuis la voirie publique ou de toiture(s) végétale(s) sur une construction ou une installation existante.xx
4La pose d'une peinture ou d'un enduit sur une construction existante qui a pour effet la modification du volume construit ou l'aspect architectural.xx
5Le placement ou le remplacement de matériaux de parements d'élévation et de couvertures de toiture par des matériaux de parements qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 3.xx
6Le remplacement de portes ou de châssis, en élévation ou en toiture, par des portes ou des châssis visant à atteindre les normes énergétiques en vigueur.xx
7L'obturation, l'ouverture ou la modification de baies situées dans le plan de la toiture, sur maximum un niveau et totalisant au maximum un quart de la longueur de la façade ou toiture correspondante, pour autant que l'obturation ou la modification soit effectuée dans les mêmes matériaux que ceux de la toiture.xx
8L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies totalisant au maximum un quart de la longueur de l'élévation correspondante, dans la mesure où les conditions cumulatives suivantes sont remplies : a) l'obturation, l'ouverture ou la modification n'est pas effectuée sur une élévation située à l'alignement et/ou dont le plan est orienté vers la voirie de desserte publique du bâtiment principal concerné; b) l'obturation ou la modification est effectuée avec les mêmes matériaux de parement que ceux de l'élévation; c) chaque ouverture ou modification s'étend sur maximum un niveau; d) lorsque le bien est soumis à un guide régional ou communal d'urbanisme, les actes et travaux sont conformes à ce guide.xx
9L'obturation, l'ouverture ou la modification de portes ou de baies totalisant (toutes les ouvertures d'un même niveau) au maximum un quart de la longueur de la façade ou toiture correspondante et qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 7 et 8.xx
10Le placement ou le remplacement de cheminées ou de conduits de cheminée, de gouttières ou de tuyaux de descentes d'eau de pluie, de systèmes d'évacuation pour des installations telles que hotte, chaudière, pour autant que, lorsque le bien est soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme ou relatives aux bâtisses en site rural, les actes et travaux soient conformes au guide.xx
11Le placement ou le remplacement des éléments visés au point 10 qui ne remplissent pas les conditions.xx
12La démolition ou l'enlèvement des éléments visés aux points 10 et 11 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxBTransformation d'une construction existante1Le remplacement de la structure portante d'une toiture sans modification du volume construit et pour autant que les points A1 et A7 soient respectés.xx
2La transformation sans agrandissement d'une construction existante en vue de créer une ou plusieurs pièces non destinées à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4, pour autant que, le cas échéant, les actes et travaux soient repris aux points A1, A2, A3, A6, A7, A8 et A10.xx
3La transformation sans agrandissement d'une construction existante non visée aux points 1 et 2 et qui ne portent pas atteinte à la structure portante de la construction.xx
4La transformation avec agrandissement conforme aux prescriptions décrétales et règlementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme d'une construction existante en vue de créer une pièce non destinée à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4, aux conditions cumulatives suivantes : a) un seul volume annexe par bien, et le bien ne compte pas plus d'une véranda; b) l'extension est d'une emprise au sol inférieure ou égale à 40,00 m2 et est : i) soit un volume annexe sans étage, ni sous-sol; ii) soit la prolongation du volume principal, et l'ensemble formé est sans étage, ni sous-sol; c) l'extension est effectuée dans des matériaux de tonalité similaire à ceux de la construction existante; d) l'extension est implantée à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne.xx
5La transformation d'une construction existante qui répond aux conditions cumulatives reprises au point 4 et qui n'est pas conforme aux prescriptions décrétales et règlementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme.x
6Le placement d'un escalier extérieur.xx
7Le placement d'une installation d'aération ou de climatisationxx
8La transformation d'une construction existante autre que celles visées aux points 1 à 7 pour autant que l'emprise au sol [5 de l'existant]5 soit au maximum doublée et que la hauteur sous corniche et/ou la hauteur de l'attique du bâtiment existant ne soit pas dépassée.x
9La démolition ou l'enlèvement d'un volume annexe, d'un escalier extérieur ou d'un appareil de conditionnement d'air, pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur.xx[2 10Actes et travaux de remise en état de bâtiments et constructions à la suite d'une calamité naturelle reconnue, pour autant que cumulativement : a) les actes et travaux sont réalisés dans les vingt-quatre mois suivant la publication de l'arrêté reconnaissant la calamité naturelle; b) les actes et travaux sont communiqués au collège communal au moins quinze jours avant leur début; c) les actes et travaux ne portent pas atteinte à la structure portante des bâtiments ou constructions; d) les actes et travaux répondent aux conditions mentionnées au point A1; e) l'obturation, l'ouverture ou la modification de baies existantes situées dans le plan de toiture, sur maximum un niveau, effectuée dans les mêmes matériaux que ceux de la toiture; f) l'obturation, l'ouverture ou la modification de baies existantes dans les élévations pour autant que, cumulativement : i) l'obturation ou la modification est effectuée avec les mêmes matériaux de parement que ceux de l'élévation; ii) chaque ouverture ou modification s'étend sur maximum un niveau; iii) lorsque le bien est soumis à un guide régional ou communal d'urbanisme, les actes et travaux sont conformes à ce guide.xx11A la suite d'une calamité naturelle reconnue, la démolition de bâtiments, constructions et installations isolés, pour autant que cumulativement : a) la démolition est réalisée dans les vingt-quatre mois suivant la publication de l'arrêté reconnaissant la calamité naturelle; b) la démolition est communiquée au collège communal au moins quinze jours avant son début.xx12A la suite d'une calamité naturelle reconnue, la démolition de bâtiments, constructions et installations non isolés, pour autant que cumulativement : a) la démolition est réalisée dans les vingt-quatre mois suivant la publication de l'arrêté reconnaissant la calamité naturelle; b) la démolition est réalisée dans le cadre d'un arrêté du bourgmestre pris en urgence dans le but d'assurer la sécurité publique.xx]2CVéranda1Conforme aux prescriptions décrétales et règlementaires du plan de secteur ou aux normes du guide régional d'urbanisme. Seulement une par bien, et le bien ne compte pas plus d'un volume annexe. Situation : érigée en contiguïté avec un bâtiment existant, à l'arrière de ce bâtiment par rapport à la voirie de desserte. Implantation : à 2,00 m minimum de la limite mitoyenne. Superficie maximale de 40,00 m2. Volumétrie : sans étage; toiture plate ou à un ou plusieurs versants. Hauteurs maximales calculées par rapport au niveau naturel du sol et pour autant que le niveau de gouttière soit inférieur au niveau de gouttière du volume principal et que les conditions suivantes soient respectées : a) 3,00 m sous corniche; b) 5,00 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : structure légère et parois majoritairement en verre ou en polycarbonate tant en élévation qu'en toiturexx
2La construction d'une véranda d'une superficie maximale de 40,00 m2 qui ne remplit pas les conditions visées au point 1.xx
3La démolition d'une véranda pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxDCréation d'un ou de plusieurs logements1La création d'un logement [4 ou d'un hébergement touristique]4 dans un bâtiment pour autant que les actes et travaux de transformation ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte.xx
2[4 La [5 création d'un ou de plusieurs logements ou d'un ou de plusieurs hébergements touristiques]5 qui ne remplit pas les conditions visées au point 1, ou la création de plusieurs logements ou de plusieurs hébergements touristiques dans un bâtiment.]4xEPlacement d'installations techniques et construction ou reconstruction d'un volume secondaire tels que : * garage, * atelier, * pool house, * dalle de stockage * bâtiments préfabriqués, etc.1[5 ...]5xx
2[5 Installation, transformation]5, agrandissement d'une installation technique au sens de l'article R.IV.1-2, alinéa 2, en ce compris un encuvement, qui forme une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante. Trois maximum par bien. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) dans un rayon de 30,00 m d'une installation ou d'une construction existante dument autorisée; c) à 20,00 m au moins de tout logement autre que celui de l'exploitant; d) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; e) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; f) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; g) travaux n'impliquant pas d'abattage d'arbre, de haie ou d'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale : [5 la superficie totale cumulée de l'installation]5 et de l'agrandissement des installations techniques dispensée de permis est inférieure à 100,00 m2. Hauteur : maximum 10,00 m et inférieure à celle du bâtiment le plus haut situé sur le bien.xx
3Construction, transformation, agrandissement d'un bâtiment ou [5 installation]5 ou déplacement de bâtiments préfabriqués, en ce compris l'escalier extérieur, non destiné à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4 et formant une unité fonctionnelle avec l'entreprise existante. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) dans un rayon de 30,00 m d'une installation ou d'une construction existante dument autorisée; c) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; d) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; e) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; f) travaux n'impliquant pas l'abattage d'arbres, de haies ou d'allées au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale: la superficie totale cumulée de la construction, de l'agrandissement et du bâtiment préfabriqué dispensée de permis est de 75,00 m2. Volumétrie : un étage maximum, toiture plate ou à un ou plusieurs versants. Hauteur maximale de l'attique ou du faîte : 7,00 m et inférieure ou égale à celle du bâtiment le plus haut situé sur le bien. Matériaux : de tonalité similaire avec ceux des bâtiments existants.xx
4L'établissement d'une dalle de stockage pour autant qu'il n'implique aucune modification sensible du relief du sol. Une seule dalle de stockage par bien. Situation : en zone d'activité économique. Implantation : a) non située entre une façade principale et une voirie publique; b) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; c) à 10,00 m au moins d'un cours d'eau; d) en dehors du périmètre ou du dispositif d'isolement de la zone d'activité économique; e) travaux n'impliquant pas l'abattage d'arbres, de haies ou d'allées au sens de l'article D.IV.4, 11°. Superficie maximale : 75,00 m2.xx
5La construction d'un volume secondaire ou le placement d'une installation technique non visé(e) au point 1 à 4 ou qui ne remplit pas les conditions visées aux points 1 à 4, non destinée à l'habitation [4 ou à l'hébergement touristique]4 et qui forme une unité fonctionnelle avec une construction ou un ensemble de constructions existant pour autant que l'emprise au sol de l'ensemble formé soit au maximum doublée.xx
6La démolition ou l'enlèvement d'un volume secondaire, d'une installation technique, d'une construction ou d'un bâtiment préfabriqué visés aux points 1 à 5 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xx[5 7Travaux de remise en état et de réparation des surfaces en béton et en goudron si ces travaux concernent une superficie totale par bien n'excédant pas 20 m2.xx8Travaux de remise en état et de réparation des surfaces en béton et en goudron qui ne remplissent pas la condition énoncée au point 7.x9La démolition ou l'enlèvement des surfaces en béton ou en goudron, pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xx]5FCarport, accès et parcage1Un seul carport par bien. Situation : a) en relation directe avec la voirie de desserte publique; b) le plan de l'élévation à rue du carport ne peut être situé au-delà du plan de l'élévation arrière du bâtiment principal. Superficie maximale : 40,00 m2 Volumétrie : toiture plate ou à un ou plusieurs versants Hauteurs maximales : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : a) structure constituée de poteaux en bois, en béton, métalliques ou de piliers en matériaux similaires au parement du bâtiment existant ou d'une tonalité similaire à ceux-ci; b) toiture à un ou plusieurs versants en matériaux similaires à ceux du bâtiment principal.xx
2Le carport autre qui ne remplit pas les conditions visées au point 1.xx
3L'enlèvement ou la démolition d'un carport visé aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur.xx
4Les emplacements de stationnement en plein air ainsi que leurs accès aux conditions cumulatives suivantes : a) [5 ils sont situés aux abords d'un bâtiment existant dûment autorisé et forment une unité fonctionnelle avec celui-ci]5; b) [5 ils sont reliés à la voirie de desserte publique; sauf en zone d'activité économique, l'accès peut présenter une largeur maximale de 6 mètres]5; c) ils sont constitués en matériaux perméables et discontinus; d) [5 ils présentent une superficie maximale de - 300,00 m2 en zone d'activité économique; - 100,00 m2 dans d'autres zones]5; e) ils ne nécessitent pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3, points 1° à 5°, 7° à 9°, 11°, 12° et 15°.xx
5Les chemins et emplacements de stationnement en plein air [5 ...]5, autres que ceux visés au point 4.xxGAbri de jardin/Remise1Un(e) seul(e) abri de jardin/remise par bien. Situation : a) dans les espaces de cours et jardins; b) soit non visible depuis la voirie publique, soit situé(e) à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique. Implantation : à 1,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale : 20,00 m2. Volumétrie : toiture à un ou plusieurs versants ou toiture plate. Hauteur maximale : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : en bois ou tout autre matériau de tonalité similaire avec le bâtiment ou le milieu dans lequel il s'intègre.xx
2Les abris de jardin ou les remises qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1.xx
3L'enlèvement ou la démolition des abris de jardins ou remises visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxHPiscine/Etang de baignade1Hors sol ou autoportante : Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : à 1,00 m au moins des limites mitoyennes.xx
2Enterrée partiellement ou complètement, ainsi que tout dispositif de sécurité d'une hauteur maximale de 2,00 m entourant la piscine : a) une par bien; a) non couverte ou couverte par un abri télescopique à structure légère et repliable qui en recouvre la surface pour autant que la hauteur du faîte soit inférieure à 3,50 m; c) à usage privé; d) les déblais nécessaires [5 à la piscine]5 n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale (plan d'eau) : 75,00 m2xx2.1Etang de baignade : a) un seul par bien; b) non-couvert; c) à usage privé; d) les déblais nécessaires à cet étang de baignade n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins, non visible depuis la voirie publique. Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale (zone de baignade + zone de lagunage) : 100,00 m2xx
3Les piscines et étangs de baignade qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1, 2 et 2.1.xx
4L'enlèvement, la démolition ou le remblaiement de piscines et étangs de baignade visés aux points 1 à 3 pour autant que les déchets provenant de la démolition soient évacués conformément à la législation en vigueur et que les remblais soient conformes à la législation en vigueur.xxI[5 Etang]51Un(e) seul(e) par bien. Situation : en dehors d'un site reconnu en vertu de la loi sur la conservation de la nature du 12 juillet 1973 (à l'exception d'une mesure de gestion '' UG5-prairie de liaison '' ou '' UG11-terre de cultures et éléments anthropiques '' dans une zone Natura 2000). Implantation : le plan d'eau est situé à 3,00 m au moins des limites mitoyennes. Superficie maximale : 100,00 m2. [5 Au moins un tiers de la berge présente une pente très douce (< 30°).]5 Les déblais nécessaires [5 à l'étang]5 n'entrainent aucune modification sensible du relief naturel du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien. Sauf les [5 ...]5 étangs dans les espaces de cours et jardins, le plan d'eau doit être partiellement ombragé par la plantation d'arbres.xx
2Les étangs [5 ...]5 qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1.xx
3La suppression ou le remblaiement des étangs [5 ...]5 visés au point 1 pour autant que les remblais soient conformes à la législation en vigueur.xxJAménagements, accessoires et mobiliers1Le placement d'auvents, de tentes solaires ou de couvertures d'une terrasse située au niveau du sol, accolés ou isolés. Situation : dans les espaces de cours et jardins. Hauteur maximale : 3,50 m. Superficie maximale totale de l'ensemble de ces [5 installations]5: 40,00 m2. Implantation : à 2,00 m au moins des limites mitoyennes.xx
2Le placement de mobilier de jardin ancré au sol ou enterré, tel que bancs, tables, sièges, feux ouverts ou barbecues, poubelles, compostières, pergolas, colonnes, bacs à plantations, fontaines décoratives, bassins de jardin, jeux pour enfants, structures pour arbres palissés. Le placement de candélabres et de poteaux d'éclairage, de manière telle que le faisceau lumineux issu de lampes reporté au sol n'excède pas les limites mitoyennes. Les aires de jeux et de sport en matériaux perméables et les appareillages strictement nécessaires à leur pratique. Situation : soit dans les espaces de cours et jardins, soit aux abords d'une construction située dans une zone destinée à l'urbanisation et formant une unité fonctionnelle avec cette construction. Hauteur maximale : 3,50 m.xx
3La création de chemins en matériaux perméables et de terrasses, aux abords d'une ou plusieurs constructions existantes, au niveau du sol et qui ne requiert pas de modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3, à l'exception des rocailles.xx3.1[5 La création de rocailles, avec une surface de jardin recouverte de 8 m2 au maximum par bien (hors chemins).]5xx3.2[5 La création de rocailles, avec une surface totale dépassant les 8 m2 par bien (hors chemins).]5xx
4Le placement de serres de jardin qui totalisent une superficie maximale de 20,00 m2.xx
5Pour autant qu'ils ne délimitent pas le bien : a) La pose de clôtures constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit de piquets reliés entre eux par une ou deux traverses horizontales, soit de palissades en bois, soit de gabions d'une épaisseur maximale de 20,00 cm, ainsi que la pose de portiques, portails, portillons d'une hauteur maximale de 2,00 m; b) la construction et la transformation de murs de soutènement, en ce compris en gabions, d'une hauteur maximale de 0,70 m; c) la construction et la transformation de murs d'une hauteur maximale de 2,00 m, non visibles depuis la voirie publique ou situés à l'arrière d'un bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique.xx
6Les [5 installations]5, accessoires, mobiliers de jardins ancrés au sol ou enterrés, non visés aux points 1 à 5 ou qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 1 à 5.xx
7La démolition, la suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition, de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxKHabitations légères au sens du Code wallon de l'habitation durable1Le placement d'habitations légères préfabriquées ou en kit.x
2Construction d'habitations légères non visées au point 1 pour autant qu'elles soient : a) sans étage; b) d'une superficie inférieure à 40 m2; c) d'une hauteur maximale de 2,50 m sous corniche, 3,50 m au faîte et, le cas échéant, 3,20 m à l'attique.xLEnergies renouvelables Modules de production d'électricité ou de chaleur1[5 1. Le placement d'un ou de plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur utilisant l'énergie solaire comme source d'énergie ainsi que l'installation de stockage d'énergie correspondante, pour autant qu'elle y soit raccordée et qu'elle soit située sur le même bien, par exemple une batterie, si le ou les modules : a) sont intégrés dans un bâtiment existant dûment autorisé ou installés sur ce dernier, soit sur la façade, soit sur le toit, b) ou bien sont installés sur une structure artificielle existante dûment autorisée, comme une voirie, un parking, une voie ferrée, un quai, un emplacement de stockage pour matériaux ou biens, à l'exception des plans d'eau artificiels. 2. Le remplacement d'un ou de plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur existants dûment autorisés utilisant l'énergie solaire comme source d'énergie, à condition que ce ou ces modules ne nécessitent pas d'espace supplémentaire et répondent aux mesures de compatibilité environnementale en vigueur, définies pour l'installation d'origine. 3. Le placement d'une pompe à chaleur (en ce compris les pompes à chaleur géothermiques) d'une capacité électrique inférieure à 50 Mw et d'une profondeur maximale de 500 mètres, laquelle : a) est implantée dans une construction fermée existante dûment autorisée b) ou est pourvue d'un caisson acoustique et est située à une distance d'au moins 2 mètres par rapport à la limite mitoyenne. 4. Le placement d'une pompe à chaleur (en ce compris les pompes à chaleur géothermiques) d'une capacité électrique de 12 Kw au maximum, laquelle : a) est située à une distance d'au moins 2 mètres par rapport à la limite mitoyenne; b) et est soit pourvue d'un caisson acoustique, soit située à 15 mètres de l'habitation la plus proche (à l'exclusion de sa propre habitation). ]5xx[5 1.1Le placement d'une pompe à chaleur de 300 kW au maximum, qui ne remplit pas les conditions visées au point 1.xx]5
2Le placement d'un ou de plusieurs modules de production d'électricité ou de chaleur qui alimentent directement toute construction, installation ou tout bâtiment [5 existant dûment autorisé]5 situé sur le même bien dont la source d'énergie est renouvelable qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1.xx
3La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 et 2 pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxMClôtures1La pose de clôtures transparentes de 2,00 m de hauteur maximum constituées soit de piquets reliés entre eux par des fils ou treillis avec, éventuellement, à la base, une plaque de béton ou un muret de 0,70 m de hauteur maximum, soit par des éléments de fixation en bois. La construction ou la transformation de murs de soutènement de moins de 0,70 m de haut, en ce compris en gabions. La pose de portiques, portillons ou portails d'une hauteur maximale de 2,00 m permettant une large vue sur le bien.xx
2La pose de portiques, portails ou portillons qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1 ou qui ne sont pas visés au point 1.xx
3La construction ou la transformation de murs de soutènement de plus de 0,70 m de haut ou de murs de clôture aux abords d'une construction ou d'une installation existante dument autorisée.xx
4La démolition ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxNAbris pour un ou des animaux en ce compris les ruchers et les dalles de fumière1Un ou plusieurs ruchers par bien. Sans préjudice de l'application des dispositions visées au Code rural et des conditions intégrales prises en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.xx
2Un ou plusieurs abris pour animaux par bien. Situation : dans les espaces de cours et jardins. Implantation : a) à 3,00 m au moins des limites mitoyennes; b) lorsqu'il s'agit de grands animaux, à 20,00 m au moins de toute habitation voisine; c) lorsqu'il s'agit de grands animaux, non situés dans l'axe de vue perpendiculaire à la façade arrière d'une habitation voisine. Superficie maximale totale de l'ensemble des abris pour animaux sur le bien : 25,00 m2 pour un ou plusieurs abris. Volumétrie : sans étage, toiture à un ou deux versants de mêmes pente et longueur ou une toiture plate. Hauteur maximale calculée par rapport au niveau naturel du sol : a) 2,50 m sous corniche; b) 3,50 m au faîte; c) le cas échéant, 3,20 m à la hauteur de l'attique. Matériaux : bois ou grillage ou similaires à ceux du bâtiment principal existant. Sans préjudice de l'application des dispositions visées dans le Code rural et des conditions intégrales et sectorielles prises en vertu du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.xx
3L'établissement d'une dalle de fumière. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle située sur le bien. Implantation : distante de 10,00 m au moins des limites mitoyennes. Hauteur : au niveau du sol. Superficie maximale : 10,00 m2.xx3.1Le placement d'une dalle de fumière qui ne remplit pas les conditions du point 3.xx
4Le placement ou la construction d'abris pour animaux qui ne remplissent pas les conditions des [5 du point 2]5 [5 , la superficie maximale totale de l'ensemble des abris pour animaux sur le bien ne dépassant pas 100 m2]5.xx[5 4.1Le placement ou la construction d'abris pour animaux qui ne remplissent pas les conditions des points 2 ou 4.x]5
5La démolition et l'enlèvement des abris, [5 ruchers]5 et dalles de fumière visés aux points 1 à 4 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxOExploitations agricoles1La construction de silos de stockage en tout ou en partie enterrés, pour autant que le niveau supérieur des murs de soutènement n'excède pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol.xx
2L'établissement d'une dalle de fumière. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant. Implantation : distante de 3,00 m minimum des limites mitoyennes. Hauteur : le niveau supérieur de la dalle ou des murs de soutènement n'excède pas de 2,00 m le niveau du relief naturel du sol.xx
3La pose/le placement de citernes de stockage d'eau ou de poches à lisier en tout ou en partie enterrées. Situation : à 20,00 m minimum de toute habitation autre que celle de l'exploitant et en dehors de la zone d'habitat. Implantation : a) à 10,00 m minimum de tout cours d'eau navigable ou non navigable; b) à 3,00 m minimum du domaine public. Hauteur : le niveau supérieur du mur de soutènement n'excède pas 0,70 m.xx3.1Le placement d'une poche à lisier par exploitation et par saison, pour une durée maximale de quatre mois, à condition que le bien retrouve son état initial au terme de ce délai.xx3.2Le placement de poches à lisier qui ne remplissent pas les conditions du point 3.1.xx
4Le placement de serres-tunnels destinées à la culture de plantes agricoles ou horticoles et qui sont enlevées après la récolte.xx
5Les filets anti-grêle qui impliquent une structure ancrée au sol et le placement de serres-tunnels [5 dont la superficie maximale totale sur le bien ne dépasse pas 100 m2 et]5 qui ne remplissent pas les conditions visées au point 4.xx[5 5.1Les filets anti-grêle et le placement de serres-tunnels qui ne remplissent pas les conditions visées aux points 4 ou 5x]5
6Le placement d'une installation de prise d'eau dans un cours d'eau non navigable ou non classé, destinée exclusivement à l'abreuvement du bétail.xx6.1Aménagement d'installations permettant au bétail de passer au-dessus de cours d'eau non navigables, pour autant que ni le lit du ruisseau ni les berges ne soient modifiés et pour autant qu'une autorisation écrite préalable ait été demandée auprès du gestionnaire du cours d'eau ainsi que, dans une zone reconnue en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, auprès de l'autorité compétente en application de ladite loi. Les installations servent uniquement au passage du bétail (pas de machines). Largeur maximale : 3,00 m.xx
7La démolition et l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 6 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxPConstructions et installations provisoires1Les constructions provisoires d'infrastructures de chantiers relatifs à des actes et travaux autorisés, en ce compris les réfectoires, logements et sanitaires ainsi que les pavillons d'accueil, pendant la durée des actes et travaux et pour autant que le chantier se poursuive de manière continue.xx
2Le placement d'installations à caractère social, culturel, sportif ou récréatif, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durée maximale de nonante jours pour autant qu'au terme de ce délai, le bien retrouve son état initial.xx
3Le placement d'installations à caractère commercial, sur le domaine public, ou sur le domaine privé à la condition d'être en lien avec une activité existante, en ce compris les emplacements de stationnement en plein air y relatifs, pour une durée maximale de soixante jours pour autant que les installations soient conformes aux guide communal et régional d'urbanisme et qu'au terme du délai, le bien retrouve son état initial.xx
4Le placement provisoire d'installations nécessaires à l'accueil d'une activité déplacée, pendant la durée des actes et travaux soumis à permis, pour autant que le chantier se poursuive de manière continue et qu'une fois les actes et travaux réalisés ou le permis périmé, les installations soient enlevées.xx[2 4.1A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine public d'installations accueillant un service public ou une activité à finalité d'intérêt général visée à l'article D.IV.22, alinéa 1er, 7°, ou une activité d'utilité publique visée à l'article R.IV.22-2, 17°. L'autorisation d'occupation du domaine public est demandée au préalable. Au terme du délai, le terrain retrouve son état initial.xx4.2A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine privé d'installations, en ce compris des emplacements de stationnement en plein air, accueillant un service public ou une activité à finalité d'intérêt général visée à l'article D.IV.22, alinéa 1er, 7°, ou une activité d'utilité publique visée à l'article R.IV.22-2, 17°, pour autant que, cumulativement : a) il s'agit du déplacement d'une activité existant dans la commune; b) il s'agit d'une zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23; c) le terrain ou la partie de terrain ne sont pas concernés par un risque au sens de l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3°, ou un risque de ruissellement concentré, c.-à-d. un axe de concentration naturel des eaux pluviales; d) le terrain ou la partie de terrain n'ont pas subi d'inondation dans les cinq dernières années; e) la localisation du terrain ou de la partie de terrain n'est pas susceptible d'accroitre le risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'en aggraver les conséquences; f) il ne s'agit ni d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, ni d'un site de grand intérêt biologique figurant sur le site cartographique du SPW; g) au terme du délai, le terrain retrouve son état initial.xx4.3A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine public d'installations à caractère commercial ou accueillant l'activité d'un indépendant ou d'une entreprise, à la condition que l'activité existe dans la commune et soit déplacée. L'autorisation d'occupation du domaine public est demandée au préalable. Au terme du délai, le terrain retrouve son état initial.xx4.4A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire sur le domaine privé d'installations à caractère commercial ou accueillant l'activité d'une entreprise ou d'un indépendant - en ce compris les emplacements de stationnement - pour autant que, cumulativement : a) il s'agit du déplacement d'une activité existant dans la commune; b) il s'agit d'une zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23; c) le terrain ou la partie de terrain ne sont pas concernés par un risque au sens de l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3°, ou un risque de ruissellement concentré, c.-à-d. un axe de concentration naturel des eaux pluviales; d) le terrain ou la partie de terrain n'ont pas subi d'inondation dans les cinq dernières années; e) la localisation du terrain ou de la partie de terrain n'est pas susceptible d'accroitre le risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'en aggraver les conséquences; f) il ne s'agit ni d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, ni d'un site de grand intérêt biologique figurant sur le site cartographique du SPW; g) au terme du délai, le terrain retrouve son état initial.xx4.5A la suite d'une calamité naturelle reconnue et pour une période de vingt-quatre mois au plus suivant la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement provisoire d'habitations légères par ou pour le compte des communes, des centres publics d'action sociale ou des sociétés de logement de service public - en vue d'héberger des victimes de la calamité naturelle - pour autant que, cumulativement : a) il s'agit d'une zone destinée à l'urbanisation au sens de l'article D.II.23; b) le terrain ou la partie de terrain ne sont pas concernés par un risque au sens de l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3°, ou un risque de ruissellement concentré, c.-à-d. un axe de concentration naturel des eaux pluviales; c) le terrain ou la partie de terrain n'ont pas subi d'inondation dans les cinq dernières années; d) la localisation du terrain ou de la partie de terrain n'est pas susceptible d'accroitre le risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement ou d'en aggraver les conséquences; e) il ne s'agit ni d'un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, ni d'un site de grand intérêt biologique figurant sur le site cartographique du SPW; f) au terme du délai, le terrain retrouve son état initial.xx]2
5La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points [2 1 et 4 à 4.5]2, pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxQEnseignes et dispositifs de publicité1Le placement d'une ou plusieurs enseignes, ou d'un ou plusieurs dispositifs de publicité.xx
2L'enlèvement des enseignes et dispositifs visés au point 1 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxRMiradors et postes d'observation1En zone forestière, dans la zone contigüe à la zone forestière et en zone agricole, les miradors et autres postes d'observation en bois ou métalliques de ton mat visés à l'article 1er, § 1er, 9°, de la loi du 28 février 1882 sur la chasse. Superficie utile maximale : 4,00 m2xx1.1En zone forestière, dans la zone contigüe à la zone forestière et en zone agricole, les miradors et autres postes d'observation ne remplissant pas les conditions visées au point 1.xx
2L'enlèvement des miradors et des postes d'observation visés aux points 1 ou 1.1 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxSArbres, haies et modification de la végétation1Le boisement ou le déboisement.xx
2Sans préjudice de l'article R.IV.4-4, la culture de sapins de Noël.xx
3L'abattage d'une haie sur une longueur continue de moins de 2,50 m en vue de créer un seul accès à une habitation existante, pour autant que cet abattage soit concerné par l'article D.IV.4, alinéa 1er, 11°.xx
4L'abattage d'arbres isolés à haute tige, d'une haie, ou l'abattage d'un ou plusieurs ou de tous les arbres d'une allée au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 11°.xx
5L'abattage, l'atteinte au système racinaire ou la modification de l'aspect d'un arbre remarquable, d'un arbuste remarquable ou d'une haie remarquable au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 12°.xx
6Le défrichage ou la modification de la végétation de toute zone visée à l'article R.IV.4-11.xx
7L'abattage d'arbres visé aux points 4 à 6 faisant l'objet d'un arrêté du bourgmestre pris en urgence dans le but d'assurer la sécurité publique.xxTModification du relief du sol1La modification sensible du relief du sol pour les forages ou carottages réalisés dans le cadre d'une étude géotechnique, d'une prospection géologique ou d'une étude de la pollution du sol.xx
[5 2La modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 dans un rayon de 30,00 m d'une construction ou d'une installation existante, dûment autorisée, sur le même bien.xx]5
3Pour la mise en oeuvre d'un programme d'action sur les rivières par une approche intégrée et sectorielle visé à l'article D. 33/3 du Livre II du Code de l'environnement, constituant le Code de l'eau, qui concerne : a) les travaux de remblais ou de déblais n'excédant pas 50,00 centimètres et situés à une distance maximum de 6,00 m à partir de la crête de berge d'un cours d'eau, y compris dans les zones soumises à l'aléa d'inondation; b) le dépôt et l'étalement des produits provenant des travaux de curage d'un cours d'eau.xxU[5 Utilisation d'un terrain pour dépôts et installations mobiles1Utilisation d'un terrain pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 15°, b), en vue de réaliser des campings à la ferme.x]5
2[5 Utilisation habituelle d'un terrain : - pour le dépôt d'un ou plusieurs véhicules usagés, de mitrailles, de matériaux ou de déchets; - pour le placement d'une ou plusieurs installations mobiles, telles que remorques publicitaires, roulottes, caravanes, véhicules désaffectés ou tentes, à l'exception des abris mobiles au sens du décret du 23 janvier 2017 visant à promouvoir le tourisme.xx]5V[5 Structure destinée à l'hébergement touristique et de loisirs1Le placement d'une ou plusieurs structures destinées à l'hébergement touristique pour une occupation temporaire ou saisonnière, conçues pour être démontées aisément ou transportables, aux conditions cumulatives suivantes : a) l'abri mobile a une superficie maximale de 50,00 m2; b) son placement ou sa construction ne nécessite pas de modification sensible du relief du sol; c) il est situé sur un terrain de camping au sens du décret du 23 janvier 2017 visant à promouvoir le tourisme.xx]5
2[5 ...]5
3[5 La construction ou le placement par bien d'une cabane en bois ou d'une tente ou d'un tipi ou d'une yourte ou d'une bulle en zone forestière.xx]5
4L'enlèvement ou la démolition des hébergements touristiques ou de loisirs, de terrasses visés aux points 1 à 3 pour autant que les déchets provenant de la démolition ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxWActes et travaux sur le domaine public de la voirie, des voies ferrées et des cours d'eau1Pour autant qu'il n'y ait pas d'élargissement de l'assiette des voiries, le renouvellement des fondations et du revêtement des voiries, bermes, bordures, trottoirs, îlots et places publiques, à l'exception des changements de revêtements constitués de pierres naturelles et, pour les places publiques, pour autant que les actes et travaux n'augmentent pas la superficie des revêtements en matériau imperméable.xx
2La pose, le renouvellement, le déplacement ou l'enlèvement des éléments accessoires tels que les radars, parapets, les glissières et bordures de sécurité, à l'exception des murs de soutènement et des écrans antibruit.xx
3L'installation, le déplacement, la transformation, l'extension ou l'enlèvement des réseaux de fluides, d'une pression inférieure ou égale à 20 bars pour le gaz, d'énergie, d'une tension inférieure ou égale à 70 KV pour l'électricité, et de télécommunication insérés, ancrés, prenant appui ou surplombant le domaine public en ce compris les raccordements privés, les éléments accessoires et équipements connexes tels que bornes, armoires techniques, pylônes et poteaux d'une hauteur maximale de 14,00 mètres.xx
4Les aménagements provisoires de voirie d'une durée maximale de cinq ans [2 en ce compris les ouvrages d'art supportant des rues ou des voies ferrées]2.xx
5Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux piétons, personnes à mobilité réduite ou cyclistes et visant la création ou l'agrandissement local de ces espaces, l'amélioration de leur aspect esthétique ou la sécurité des usagers, que ces travaux entrainent ou non un rétrécissement [5 ...]5 de la ou des voiries.xx
6Le placement ou le renouvellement de petit mobilier urbain tels que bancs, tables, sièges, poubelles, candélabres, bacs à plantations, petites pièces d'eau, bornes électriques, conteneurs, enterrés ou non, affectés à la collecte des déchets ménagers ou assimilés.xx
7Les travaux d'aménagement des espaces réservés aux plantations.xx
8Le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs ou éléments de signalisation suivants : a) la signalisation, en ce compris son support et les portiques, ainsi que sa protection vis-à-vis de la circulation; b) les dispositifs fixes ou mobiles limitant la circulation, le stationnement ou la vitesse; c) les dispositifs de contrôle du stationnement, tels que les parcmètres ou appareils horodateurs; d) les dispositifs de stationnement non-couverts pour véhicules à deux roues; e) les dispositifs accessoires d'installations techniques, souterraines ou non, tels que des armoires de commande électrique de feux de signalisation ou d'éclairage public, bornes téléphoniques, bornes incendies et armoires de télédiffusion.xx
9Le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs d'éclairage public.xx
10Pour autant qu'ils ne soient pas soumis aux dispositions du guide régional d'urbanisme relatives aux zones protégées de certaines communes en matière d'urbanisme, le placement, le déplacement ou l'enlèvement des dispositifs d'affichage et de publicité suivants : a) les colonnes dont le fût est d'au plus 1,20 m de diamètre et ne dépasse pas 3,50 m de hauteur; b) les panneaux sur pied dont les hauteur et largeur maximales ne dépassent pas respectivement 2,50 m et 1,70 m et dont la superficie utile ne dépasse pas 4,00 m2 par face.xx
11L'établissement ou la modification de la signalisation au sol.xx
12Le placement, le déplacement ou l'enlèvement de ralentisseurs de trafic.xx
13La pose, l'enlèvement ou le renouvellement des fondations et des dispositifs d'exploitation des voies et des lignes de transport en commun existants tels que rails, traverses, ballast, poteaux caténaires, signaux, portiques, loges, armoires de signalisation ou poteaux d'arrêts pour les voyageurs.xx
14Le placement d'une terrasse ouverte saisonnière dans le secteur Horeca.xx
15Les abris pour voyageurs aux arrêts de transport public.xx
16Le placement ou le déplacement de boîtes postales.xx
17Le placement, le déplacement ou l'enlèvement de statues, monuments commémoratifs et autres oeuvres artistiques, placés par les autorités ou sur l'ordre des autorités.xx
18La pose, le renouvellement ou l'enlèvement d'ouvrages de protection des berges dans un cours d'eau non navigable, à l'exception de murs maçonnés, sur un linéaire n'excédant pas 100,00 m et d'une hauteur maximum de 2,00 m.xx[2 19L'installation d'équipements techniques de surveillance des cours d'eau.xx20Dans les zones touchées par des calamités naturelles reconnues et pour autant que les travaux aient commencé de manière significative dans les trois ans qui suivent la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, les actes et travaux concernant la reconstruction de ponts, en ce compris les travaux de soutènement, la réfection des berges ou du lit d'un cours d'eau, ou la réparation de barrages et de leurs installations, pour autant que leur localisation reste inchangée et que les conditions offertes aux différents usagers sont conservées.xx21Dans des zones touchées par des calamités naturelles reconnues et pour autant que les travaux aient commencé de manière significative dans les trois ans qui suivent la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, la démolition, la réfection ou la reconstruction de murs de berges ou d'autres ouvrages d'art situés sur la propriété du gestionnaire du cours d'eau non navigable.xx]2XEgouttage, canalisation et réseaux en dehors du domaine public de la voirie, des voies ferrées et des cours d'eau, forages et prises d'eau1L'installation, le déplacement, la transformation de raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que l'installation, le déplacement, la transformation de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre système d'épuration individuelle des eaux usées domestiques pour autant que, cumulativement : a) les déblais éventuels nécessaires à ces [5 installations]5 n'entrainent aucune modification sensible du relief du sol au sens de l'article R.IV.4-3 sur le reste du bien; b) ces dispositifs soient reliés à l'infrastructure nécessaire à l'aménagement du bien et situés exclusivement sur celui-ci.xx
2Les raccordements privés, en ce compris les armoires techniques, aux réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication ainsi que le placement de citernes à eau ou combustibles enfouies, drains, avaloirs, filets d'eau, regards, taques et fosses septiques et tout autre système d'épuration individuelle qui ne remplissent pas les conditions visées au point 1.xx
3[5 Le placement d'au maximum une citerne aérienne par bien.xx]5
4L'insertion ou le renforcement de réseaux enterrés de fluide, d'énergie, de télécommunication dans un site technique déjà aménagé pour autant que, cumulativement : a) les travaux projetés sont propres à la fonction du site; b) les installations, bâtiments, constructions et revêtement existants ont été légalement autorisés; c) les travaux ne visent pas la construction d'un bâtiment; d) l'emprise au sol ne réduit pas les périmètres ou les dispositifs d'isolement existants.xx
5Les forages de puits et les prises d'eau.xx
6Dans les zones non destinées à l'urbanisation et à condition de ne pas nécessiter de permis au sens de l'article R.IV.4-3, alinéa 1er, 6°, l'établissement ou la modification d'un système de drainage pour autant que le terrain ne soit pas situé dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception des sites Natura 2000, ou exposé à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tel que visé à l'article D.IV.57, 3°.xx
7L'installation, le déplacement, la transformation ou l'extension des réseaux de fluides, d'énergie et de télécommunication insérés ou ancrés, enterrés ou aériens et les éléments accessoires et les équipements connexes, lorsqu'ils sont situés en dehors du domaine public.xx[2 7.1Dans des zones touchées par des calamités naturelles reconnues et pour autant que les travaux aient commencé de manière significative dans les trois ans qui suivent la publication de l'arrêté reconnaissant ladite calamité, le placement, le déplacement, la transformation et le remplacement de réseaux d'eaux usées, de fluides, d'énergie et de télécommunication, enterrés ou aériens, et de leurs dispositifs accessoires.xx]2
8L'enlèvement des éléments visés aux points [2 1° à 7.1]2 pour autant que les déchets provenant de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxYTélécommunication, télédistribution, fibre optique, gaz, électricité1Le remplacement d'installations ou d'armoires techniques par des installations ou armoires techniques d'un volume moindre ou équivalent.xx
2Le remplacement d'antennes existantes par des antennes de dimensions égales ou inférieures ou supérieures, à la condition que la hauteur totale incluant leur mât de support ne soit pas augmentée et que les nouvelles antennes soient d'une hauteur maximale de 3,00 m.xx
3Le remplacement d'un pylône ou d'un poteau existant par un pylône ou un poteau de même hauteur et de même type installé sur le même site.xx
4Le placement d'une armoire technique sur une toiture plate à condition qu'elle ne soit pas visible depuis la voirie, à savoir qu'elle soit située à une distance d'au moins une fois et demi la hauteur de l'armoire depuis l'attique.xx
5Le placement ou le remplacement d'armoires techniques à côté d'un pylône ou d'un poteau posé au sol ou dans un local technique situé à proximité d'un mât de support placé sur un toit.xx
6La pose d'installations techniques en vue d'assurer la stabilité et la sécurité d'installations existantes ainsi que leur bon fonctionnement.xx
7Le placement d'antennes ou faisceaux hertziens, d'armoires et d'installations techniques lors d'évènements culturels, sportifs, récréatifs ou commerciaux, placées pour une durée maximale de 90 jours à condition que ces antennes ou faisceaux, armoires et installations ne soient pas placés plus de 15 jours avant le début de l'évènement et qu'ils soient enlevés au plus tard 15 jours après la fin de l'évènement.xx
8Le déplacement et/ou la reconstruction d'antennes ou faisceaux hertziens, de réseaux insérés, ancrés, enterrés ou aériens, et d'armoires et installations techniques pour des raisons d'urgence, de sécurité ou d'intérêt public imprévisibles dans le chef de l'opérateur, le temps nécessaire pour obtenir toutes les autorisations requises au déplacement et/ou à la reconstruction du site.xx
9Le déplacement temporaire d'une installation existante afin d'assurer la continuité des services, en cas de travaux effectués par le propriétaire de la structure initiale, pour la durée exclusive des travaux.xx
10La pose d'installations telles que les antennes, faisceaux hertziens, armoires et installations techniques pour autant qu'elles soient situées à l'intérieur de bâtiments, de constructions ou de structures existantes ou couvertes par des matériaux ayant la même apparence que les matériaux existants.xx
11Le placement de faisceaux hertziens ayant un diamètre maximal de 90,00 cm sur un pylône existant ou un mât de support en toiture existant dument autorisé.xx11.1L'installation de points d'accès sans fil à portée limitée qui sont intégrés dans leur totalité et en toute sécurité dans leur structure porteuse et, partant, invisibles pour le grand public.xx11.2L'installation de points d'accès sans fil à portée limitée qui remplissent les conditions suivantes : a) le volume total de la partie visible par le public d'un point d'accès sans fil à portée limitée desservant un ou plusieurs utilisateurs du spectre radioélectrique ne dépasse pas 30 litres; b) le volume total des parties visibles par le public de plusieurs points d'accès sans fil à portée limitée séparés qui occupent un même site d'infrastructure d'une surface individuelle délimitée, tel qu'un poteau d'éclairage, des feux de circulation, un panneau d'affichage ou un arrêt de bus, ne dépasse pas 30 litres; c) dans les cas où le système d'antenne et d'autres éléments du point d'accès sans fil à portée limitée, tels qu'une unité de radiofréquence, un processeur numérique, une unité de stockage, un système de refroidissement, l'alimentation électrique, des connexions par câble, des éléments de collecte ou des éléments de mise à la terre et de fixation, sont installés séparément, toute partie de tels éléments supérieure à 30 litres est rendue invisible par le public; d) le point d'accès sans fil à portée limitée a une cohérence visuelle avec la structure porteuse et possède une taille proportionnée par rapport à la taille globale de la structure porteuse, une forme cohérente, des couleurs neutres qui s'harmonisent avec la structure porteuse ou se fondent avec cette dernière, ainsi que des câbles cachés et ne crée pas de surcharge visuelle en combinaison avec d'autres points d'accès sans fil à portée limitée déjà installés sur le même site ou sur des sites adjacents; e) le poids et la forme d'un point d'accès sans fil à portée limitée n'imposent pas de renforcement structurel de la structure porteuse. Les points d'accès sans fil à portée limitée dont la puissance isotrope rayonnée équivalente s'élève à 10 watts peuvent être uniquement déployés dans un espace extérieur ou dans un vaste espace intérieur présentant une hauteur de plafond d'au moins 4,00 m, la partie rayonnante inférieure de l'antenne devant être installée à une hauteur d'au moins 2,20 mètres au-dessus du niveau de passage du public.xx
12Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau). Situation : * soit ancrée sur une élévation à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique ou en recul d'au moins 4,00 m de l'alignement; * soit ancrée au sol ou sur un pan de toiture et implantée à l'arrière du bâtiment par rapport à la voirie de desserte publique. Superficie maximale : 1,00 m2. Matériaux : il faut que l'antenne soit d'un ton similaire à celui de son support.xx
13Le placement d'une antenne de radio-télévision ou de faisceaux hertziens (antenne parabolique ou antenne-panneau). Situation : sur un toit plat. Hauteur maximale : 5,00 m support compris, et la hauteur est inférieure à la distance séparant l'installation de l'attique. Superficie maximale : 1,00 m2.xx
14[5 Le placement d'une antenne visée aux points 12 ou 13, et qui ne remplit pas les conditions visées aux points 12 ou 13.xx]5
15Le placement d'antennes et de boîtiers de modules radio distants sur un pylône existant ancré au sol ou un mât de support en toiture existant dument autorisé, à condition que le déport soit de maximum 1,00 m dans le cas d'un pylône et de maximum 0,40 m dans le cas d'un mât de support, et que la hauteur du pylône ou du mât ne soit pas dépassée.xx
16Le placement d'antennes accolées à une façade existante avec un maximum d'une antenne, en ce compris les éléments actifs nécessaires à son raccordement, par 6 mètres courants de façade, ou à un pignon existant avec un maximum d'une antenne par pignon, ou sur une cheminée à condition que ces antennes aient une couleur similaire au revêtement de la façade ou du pignon.xx
17Le placement d'antennes sur le toit plat ou la partie plate du toit d'un immeuble, à condition qu'elles aient une hauteur maximale de 3,00 m support inclus, que cette hauteur soit inférieure à la distance séparant l'installation du bord inférieur ou de la rive de la toiture ou de l'attique et que le bâtiment soit d'une hauteur minimale de 12,00 m.xx
18Le placement sur façade et en aérien de câbles et conduites de communications électroniques ou numériques et des boîtes de raccordement connexes, pour autant que la couleur soit neutre et discrète et pour autant que le tracé du câble suive les lignes architecturales de l'habitation telles que le seuil de la fenêtre, la corniche, les jointages entre façades, le bord inférieur ou la rive de toiture, l'attique.xx
19Le placement de l'antenne d'une station d'amateur au sens de l'arrêté ministériel du 9 janvier 2001 relatif à l'établissement et la mise en service de stations radioélectriques par des radioamateurs.xx
20Le placement sur le domaine public de supports d'un diamètre maximum de 30,00 cm et d'une hauteur maximale de 8,00 m supportant des équipements techniques de télécommunication et des antennes, y compris des faisceaux hertziens d'un diamètre maximum de 90,00 cm, avec un déport n'excédant pas 40,00 cm.xx
21La suppression ou l'enlèvement des éléments visés aux points 1 à 20, pour autant que les déchets provenant de la suppression ou de l'enlèvement soient évacués conformément à la législation en vigueur.xxZDomaines militaires1La réalisation d'ouvrages défensifs à caractère opérationnel ou devant rester secret stratégique, pour le compte du Ministère de la Défense nationale et dont la liste est établie conjointement par le Ministre de la Défense nationale et le Ministre ayant l'Aménagement du territoire dans ses attributions.xx]1(1)(2)(3)(4)(5)
]2
Wijzigingen
Art. R. IV.1-2.Handelingen en werken die niet de verplichte tussenkomst van een architect vereisen
Naast de bepalingen van de nomenclatuur bedoeld in artikel R.IV.1-1 is de tussenkomst van een architect niet verplicht voor :
1° de handelingen en werken bedoeld in artikel D.I.V4, eerste lid, 3°, 9° en 10° ;
2° de wijziging van de bestemming van het geheel of een gedeelte van een goed bedoeld bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 7°, en [2 de oprichting van een handelszaak in de gevallen bedoeld in artikel D IV.4., eerste lid, 8°, c), d) en e)]2 in de zin van artikel D IV.4, eerste lid, 8° en voor zover de geplande handelingen en werken de draagstructuren van het gebouw niet veranderen of ze een andere wijziging van het opgebouwde volume of van het architectonische karakter dan de wijziging van de bouwschil van een gebouw in de zin van punt B van de nomenclatuur bedoeld in artikel R.IV.1.met zich meebrengen;
3° het plaatsen van één of verschillende vaste of verplaatsbare installaties [1 ...]1;
4° de handelingen en werken gebonden aan uitvoering van een bijzonder beheersplan van een staatsnatuurreservaat, bedoeld in artikel 14 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, en een beheersplan van een erkend natuurreservaat bedoeld in artikel 19 van dezelfde wet;
[1 4/1° de bouw van een loods bedoeld in artikel R.II.37-4, een vissershut, een jachthut, een observatiepost;]1
5° de uitvoering van technische werken.
Onder "technische werken" wordt verstaan :
a) [1 werken, waarin de technieken van een ingenieur van doorslaggevende betekenis zijn, zoals bruggen en tunnels, wegen, openbare plaatsen, parkings, spoorwegen, metro en ieder vervoer met vaste steunpunten, startbanen der vliegvelden, waterwerken, stuwdammen, kanalen, havens en jachthavens, waterwinningsplaatsen, elektrische lijnen, pylonen, masten, de inkoopstations, windmolens, turbines, gasleidingen, olieleidingen, pijpleidingen en televerbindingen;]1
b) cultuurtechnische werken;
c) de installaties of bouwwerken waarin de technieken van de ingenieur van doorslaggevende betekenis zijn, zoals de productie-, opslag-, behandelingsuitrustingen, transportbanden, deurtjes, leidingen, rolbruggen, opslagtorens, silo's, buitenfilters.
Naast de bepalingen van de nomenclatuur bedoeld in artikel R.IV.1-1 is de tussenkomst van een architect niet verplicht voor :
1° de handelingen en werken bedoeld in artikel D.I.V4, eerste lid, 3°, 9° en 10° ;
2° de wijziging van de bestemming van het geheel of een gedeelte van een goed bedoeld bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 7°, en [2 de oprichting van een handelszaak in de gevallen bedoeld in artikel D IV.4., eerste lid, 8°, c), d) en e)]2 in de zin van artikel D IV.4, eerste lid, 8° en voor zover de geplande handelingen en werken de draagstructuren van het gebouw niet veranderen of ze een andere wijziging van het opgebouwde volume of van het architectonische karakter dan de wijziging van de bouwschil van een gebouw in de zin van punt B van de nomenclatuur bedoeld in artikel R.IV.1.met zich meebrengen;
3° het plaatsen van één of verschillende vaste of verplaatsbare installaties [1 ...]1;
4° de handelingen en werken gebonden aan uitvoering van een bijzonder beheersplan van een staatsnatuurreservaat, bedoeld in artikel 14 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, en een beheersplan van een erkend natuurreservaat bedoeld in artikel 19 van dezelfde wet;
[1 4/1° de bouw van een loods bedoeld in artikel R.II.37-4, een vissershut, een jachthut, een observatiepost;]1
5° de uitvoering van technische werken.
Onder "technische werken" wordt verstaan :
a) [1 werken, waarin de technieken van een ingenieur van doorslaggevende betekenis zijn, zoals bruggen en tunnels, wegen, openbare plaatsen, parkings, spoorwegen, metro en ieder vervoer met vaste steunpunten, startbanen der vliegvelden, waterwerken, stuwdammen, kanalen, havens en jachthavens, waterwinningsplaatsen, elektrische lijnen, pylonen, masten, de inkoopstations, windmolens, turbines, gasleidingen, olieleidingen, pijpleidingen en televerbindingen;]1
b) cultuurtechnische werken;
c) de installaties of bouwwerken waarin de technieken van de ingenieur van doorslaggevende betekenis zijn, zoals de productie-, opslag-, behandelingsuitrustingen, transportbanden, deurtjes, leidingen, rolbruggen, opslagtorens, silo's, buitenfilters.
Art. R. IV.1-2.Actes et travaux qui ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte
Outre ce qui figure dans la nomenclature visée à l'article R.IV.1-1, l'intervention d'un architecte n'est pas obligatoire pour :
1° les actes et travaux visés à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 3°, 9° et 10° ;
2° la modification de la destination de tout ou partie d'un bien visée à l'article D IV.4, alinéa 1er, 7°, et [2 l'implantation d'un commerce dans les cas visés à l'article D IV.4., alinéa 1er, 8°, c), d) et e)]2 au sens de l'article D IV.4., alinéa 1er, 8°, et à la condition que les actes et travaux envisagés ne portent pas atteintes aux structures portantes du bâtiment ou qu'ils n'entraînent pas une modification de son volume construit ou de son aspect architectural autre que la modification de son enveloppe au sens du point B de la nomenclature visée à l'article R.IV.1;
3° le placement d'une ou plusieurs installations, fixes ou mobiles [1 ...]1;
4° les actes et travaux liés à la mise en oeuvre d'un plan particulier de gestion d'une réserve naturelle domaniale, visé à l'article 14 de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, et d'un plan de gestion d'une réserve naturelle agréée, visé à l'article 19 de la même loi;
[1 4/1° la construction d'un hangar visé à l'article R.II.37-4, d'un refuge de pêche, d'un refuge de chasse, d'un poste d'observation ;]1
5° la réalisation de travaux techniques.
Par travaux techniques, on entend :
a) [1 les travaux pour lesquels les techniques de l'ingénieur ont une part prépondérante tels que les ponts et tunnels, routes, places publiques, parkings, voies ferrées, métro et tout transport à supports fixes, pistes des aérodromes, ouvrages hydrauliques, barrages, canaux, ports et marines, captage des eaux, lignes électriques, pylônes, mâts, cabines de tête, éoliennes, turbines, gazoducs, oléoducs, pipe-lines, télécommunication;]1
b) les travaux de génie rural;
c) les installations ou constructions dans la conception desquels les techniques de l'ingénieur ont une part prépondérante tels que les équipements de production, de stockage, de manutention, les bandes transporteuses, les portiques, les tuyauteries, les ponts roulants, les tours de stockage, les silos, les filtres extérieurs.
Outre ce qui figure dans la nomenclature visée à l'article R.IV.1-1, l'intervention d'un architecte n'est pas obligatoire pour :
1° les actes et travaux visés à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 3°, 9° et 10° ;
2° la modification de la destination de tout ou partie d'un bien visée à l'article D IV.4, alinéa 1er, 7°, et [2 l'implantation d'un commerce dans les cas visés à l'article D IV.4., alinéa 1er, 8°, c), d) et e)]2 au sens de l'article D IV.4., alinéa 1er, 8°, et à la condition que les actes et travaux envisagés ne portent pas atteintes aux structures portantes du bâtiment ou qu'ils n'entraînent pas une modification de son volume construit ou de son aspect architectural autre que la modification de son enveloppe au sens du point B de la nomenclature visée à l'article R.IV.1;
3° le placement d'une ou plusieurs installations, fixes ou mobiles [1 ...]1;
4° les actes et travaux liés à la mise en oeuvre d'un plan particulier de gestion d'une réserve naturelle domaniale, visé à l'article 14 de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, et d'un plan de gestion d'une réserve naturelle agréée, visé à l'article 19 de la même loi;
[1 4/1° la construction d'un hangar visé à l'article R.II.37-4, d'un refuge de pêche, d'un refuge de chasse, d'un poste d'observation ;]1
5° la réalisation de travaux techniques.
Par travaux techniques, on entend :
a) [1 les travaux pour lesquels les techniques de l'ingénieur ont une part prépondérante tels que les ponts et tunnels, routes, places publiques, parkings, voies ferrées, métro et tout transport à supports fixes, pistes des aérodromes, ouvrages hydrauliques, barrages, canaux, ports et marines, captage des eaux, lignes électriques, pylônes, mâts, cabines de tête, éoliennes, turbines, gazoducs, oléoducs, pipe-lines, télécommunication;]1
b) les travaux de génie rural;
c) les installations ou constructions dans la conception desquels les techniques de l'ingénieur ont une part prépondérante tels que les équipements de production, de stockage, de manutention, les bandes transporteuses, les portiques, les tuyauteries, les ponts roulants, les tours de stockage, les silos, les filtres extérieurs.
Art. R _IV.1-2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Handelingen en werken die niet de verplichte tussenkomst van een architect vereisen
Naast de bepalingen van de nomenclatuur bedoeld in artikel R.IV.1-1 is de tussenkomst van een architect niet verplicht voor :
1° de handelingen en werken bedoeld in artikel D.I.V4, eerste lid, 3°, 9° en 10° ;
2° de wijziging van de bestemming van het geheel of een gedeelte van een goed bedoeld bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 7°, en de wijziging van de verdeling van de verkoopoppervlakten in de zin van artikel D IV.4, eerste lid, 8° en voor zover de geplande handelingen en werken de draagstructuren van het gebouw niet veranderen of ze een andere wijziging van het opgebouwde volume of van het architectonische karakter dan de wijziging van de bouwschil van een gebouw in de zin van punt B van de nomenclatuur bedoeld in artikel R.IV.1.met zich meebrengen;
3° het plaatsen van één of verschillende vaste of verplaatsbare installaties [1 ...]1;
4° de handelingen en werken gebonden aan uitvoering van een bijzonder beheersplan van een staatsnatuurreservaat, bedoeld in artikel 14 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, en een beheersplan van een erkend natuurreservaat bedoeld in artikel 19 van dezelfde wet;
[1 4/1° de bouw van een loods bedoeld in artikel R.II.37-4, een vissershut, een jachthut, een observatiepost;]1
5° de uitvoering van technische werken.
Onder "technische werken" wordt verstaan :
a) [1 werken, waarin de technieken van een ingenieur van doorslaggevende betekenis zijn, zoals bruggen en tunnels, wegen, openbare plaatsen, parkings, spoorwegen, metro en ieder vervoer met vaste steunpunten, startbanen der vliegvelden, waterwerken, stuwdammen, kanalen, havens en jachthavens, waterwinningsplaatsen, elektrische lijnen, pylonen, masten, de inkoopstations, windmolens, turbines, gasleidingen, olieleidingen, pijpleidingen en televerbindingen;]1
b) cultuurtechnische werken;
c) de installaties of bouwwerken waarin de technieken van de ingenieur van doorslaggevende betekenis zijn, zoals de productie-, opslag-, behandelingsuitrustingen, transportbanden, deurtjes, leidingen, rolbruggen, opslagtorens, silo's, buitenfilters.
Handelingen en werken die niet de verplichte tussenkomst van een architect vereisen
Naast de bepalingen van de nomenclatuur bedoeld in artikel R.IV.1-1 is de tussenkomst van een architect niet verplicht voor :
1° de handelingen en werken bedoeld in artikel D.I.V4, eerste lid, 3°, 9° en 10° ;
2° de wijziging van de bestemming van het geheel of een gedeelte van een goed bedoeld bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 7°, en de wijziging van de verdeling van de verkoopoppervlakten in de zin van artikel D IV.4, eerste lid, 8° en voor zover de geplande handelingen en werken de draagstructuren van het gebouw niet veranderen of ze een andere wijziging van het opgebouwde volume of van het architectonische karakter dan de wijziging van de bouwschil van een gebouw in de zin van punt B van de nomenclatuur bedoeld in artikel R.IV.1.met zich meebrengen;
3° het plaatsen van één of verschillende vaste of verplaatsbare installaties [1 ...]1;
4° de handelingen en werken gebonden aan uitvoering van een bijzonder beheersplan van een staatsnatuurreservaat, bedoeld in artikel 14 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, en een beheersplan van een erkend natuurreservaat bedoeld in artikel 19 van dezelfde wet;
[1 4/1° de bouw van een loods bedoeld in artikel R.II.37-4, een vissershut, een jachthut, een observatiepost;]1
5° de uitvoering van technische werken.
Onder "technische werken" wordt verstaan :
a) [1 werken, waarin de technieken van een ingenieur van doorslaggevende betekenis zijn, zoals bruggen en tunnels, wegen, openbare plaatsen, parkings, spoorwegen, metro en ieder vervoer met vaste steunpunten, startbanen der vliegvelden, waterwerken, stuwdammen, kanalen, havens en jachthavens, waterwinningsplaatsen, elektrische lijnen, pylonen, masten, de inkoopstations, windmolens, turbines, gasleidingen, olieleidingen, pijpleidingen en televerbindingen;]1
b) cultuurtechnische werken;
c) de installaties of bouwwerken waarin de technieken van de ingenieur van doorslaggevende betekenis zijn, zoals de productie-, opslag-, behandelingsuitrustingen, transportbanden, deurtjes, leidingen, rolbruggen, opslagtorens, silo's, buitenfilters.
Art. R _IV.1-2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Actes et travaux qui ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte
[2 En complément de]2 ce qui figure dans la nomenclature visée à l'article R.IV.1-1, l'intervention d'un architecte n'est pas obligatoire pour :
1° les actes et travaux visés à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 3°, 9° et 10° ;
2° la modification de la destination de tout ou partie d'un bien visée à l'article D IV.4, alinéa 1er, 7°, et la modification de répartition des surfaces de vente et des activités commerciales au sens de l'article D IV.4., alinéa 1er, 8°, et à la condition que les actes et travaux envisagés ne portent pas atteintes aux structures portantes du bâtiment ou qu'ils n'entraînent pas une modification de son volume construit ou de son aspect architectural autre que la modification de son enveloppe au sens du point B de la nomenclature visée à l'article R.IV.1;
3° le placement d'une ou plusieurs installations, fixes ou mobiles [1 ...]1;
4° les actes et travaux liés à la mise en oeuvre d'un plan particulier de gestion d'une réserve naturelle domaniale, visé à l'article 14 de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, et d'un plan de gestion d'une réserve naturelle agréée, visé à l'article 19 de la même loi;
[1 4/1° la construction d'un hangar visé à l'article R.II.37-4, d'un refuge de pêche, d'un refuge de chasse, d'un poste d'observation ;]1
5° la réalisation de travaux techniques.
Par travaux techniques, on entend :
a) [1 les travaux pour lesquels les techniques de l'ingénieur ont une part prépondérante tels que les ponts et tunnels, routes, places publiques, parkings, voies ferrées, métro et tout transport à supports fixes, pistes des aérodromes, ouvrages hydrauliques, barrages, canaux, ports et marines, captage des eaux, lignes électriques, pylônes, mâts, cabines de tête, éoliennes, turbines, gazoducs, oléoducs, pipe-lines, télécommunication;]1
b) les travaux de génie rural;
c) les installations ou constructions dans la conception desquels les techniques de l'ingénieur ont une part prépondérante tels que les équipements de production, de stockage, de manutention, les bandes transporteuses, les portiques, les tuyauteries, les ponts roulants, les tours de stockage, les silos, les filtres extérieurs.
Actes et travaux qui ne requièrent pas l'intervention obligatoire d'un architecte
[2 En complément de]2 ce qui figure dans la nomenclature visée à l'article R.IV.1-1, l'intervention d'un architecte n'est pas obligatoire pour :
1° les actes et travaux visés à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 3°, 9° et 10° ;
2° la modification de la destination de tout ou partie d'un bien visée à l'article D IV.4, alinéa 1er, 7°, et la modification de répartition des surfaces de vente et des activités commerciales au sens de l'article D IV.4., alinéa 1er, 8°, et à la condition que les actes et travaux envisagés ne portent pas atteintes aux structures portantes du bâtiment ou qu'ils n'entraînent pas une modification de son volume construit ou de son aspect architectural autre que la modification de son enveloppe au sens du point B de la nomenclature visée à l'article R.IV.1;
3° le placement d'une ou plusieurs installations, fixes ou mobiles [1 ...]1;
4° les actes et travaux liés à la mise en oeuvre d'un plan particulier de gestion d'une réserve naturelle domaniale, visé à l'article 14 de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, et d'un plan de gestion d'une réserve naturelle agréée, visé à l'article 19 de la même loi;
[1 4/1° la construction d'un hangar visé à l'article R.II.37-4, d'un refuge de pêche, d'un refuge de chasse, d'un poste d'observation ;]1
5° la réalisation de travaux techniques.
Par travaux techniques, on entend :
a) [1 les travaux pour lesquels les techniques de l'ingénieur ont une part prépondérante tels que les ponts et tunnels, routes, places publiques, parkings, voies ferrées, métro et tout transport à supports fixes, pistes des aérodromes, ouvrages hydrauliques, barrages, canaux, ports et marines, captage des eaux, lignes électriques, pylônes, mâts, cabines de tête, éoliennes, turbines, gazoducs, oléoducs, pipe-lines, télécommunication;]1
b) les travaux de génie rural;
c) les installations ou constructions dans la conception desquels les techniques de l'ingénieur ont une part prépondérante tels que les équipements de production, de stockage, de manutention, les bandes transporteuses, les portiques, les tuyauteries, les ponts roulants, les tours de stockage, les silos, les filtres extérieurs.
HOOFDSTUK II. - Handelingen die onderworpen zijn aan een bebouwingsvergunning
CHAPITRE II. - Actes soumis à permis d'urbanisation
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Handelingen die een ontsluitingsvergunning of opsplitsingsvergunning vereisen]1
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Actes soumis à permis d'urbaniser ou à permis de diviser]1
HOOFDSTUK III. - Handelingen en werken onderworpen aan een stedenbouwkundige vergunning
CHAPITRE III. - Actes et travaux soumis à permis d'urbanisme
Art. R. IV.4-1.Gehele of gedeeltelijke wijziging van de bestemming van een goed
De gehele of gedeeltelijke wijziging van de bestemming van een goed in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 7°, is diegene die in een bestaand bouwwerk [2 in een vaste of mobiele installatie of daarbuiten]2, een nieuwe functie creëert die verschillende is van de hoofdfunctie gevestigd op het goed en die volgens het geval bestaat uit de uitvoering van :
1° nuts- of gemeenschapsvoorzieningen, voor zover de voorziening zich buiten een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen bevindt bedoeld in artikel D.II.26;
2° een culturele voorziening, voor zover de voorziening zich buiten een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen bevindt bedoeld in artikel D.II.26;
3° een recreatieve voorziening, voor zover de voorziening zich buiten een recreatiegebied bevindt bedoeld in artikel D.II.27;
4° een ambachtelijke activiteit, van kleine industrie of opslag, voor zover het goed zich bevindt buiten een gemengde bedrijfsruimte bedoeld in artikel D.II.29 of een gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is bedoeld in artikel D.II.32 en bestemd om de activiteiten bedoeld in artikel D.II.29 te ontvangen;
5° het verkoops- of ruilaanbod van [2 ...]2 erfdienstbaarheden in een ruimte die meer dan driehonderd vierkante meter bedraagt [2 ...]2.
[1 De terbeschikkingstelling ter betaling, zelfs op occasionele basis, van een of meer bestaande kamers als toeristische logiesverstrekkende inrichting is een wijziging van het gebruik van een onroerend goed of een deel ervan. Voor het verstrekken van minder dan zes kamers die als toeristische logiesverstrekkende inrichting in de woning worden gebruikt, is echter geen vergunning vereist.]1
Onverminderd artikel D.IV.4, derde lid, is het gebruik als studentenkamer die als kot wordt bewoond, van één of meerdere bestaande kamers een gehele of gedeeltelijke wijziging van de bestemming van een goed.
In het geval dat de handelingen en werken betreffende de wijziging van de bestemming van een goed geheel of gedeeltelijk onder de toepassing van artikel D.IV.4, eerste lid, 1°, vallen, maken de wijziging van de bestemming alsook de handelingen en werken het voorwerp uit van één en dezelfde vergunningsaanvraag.
[1 Voor de toepassing van het tweede en derde lid kan de kamer bestaan uit een of meer vertrekken, maar mag deze niet alle basisfuncties van de woning bevatten, zoals genoemd in artikel D.IV.4, tweede lid.]1
[2 In een bestaande woning die is blootgesteld aan een groot natuurrisico of een geotechnische beperking als omschreven in artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, is het toekennen van een of meer nieuwe vertrekken aan een basisfunctie in de zin van artikel D.IV.4, tweede lid, een bestemmingswijziging van een woning of een gedeelte ervan.]2
De gehele of gedeeltelijke wijziging van de bestemming van een goed in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 7°, is diegene die in een bestaand bouwwerk [2 in een vaste of mobiele installatie of daarbuiten]2, een nieuwe functie creëert die verschillende is van de hoofdfunctie gevestigd op het goed en die volgens het geval bestaat uit de uitvoering van :
1° nuts- of gemeenschapsvoorzieningen, voor zover de voorziening zich buiten een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen bevindt bedoeld in artikel D.II.26;
2° een culturele voorziening, voor zover de voorziening zich buiten een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen bevindt bedoeld in artikel D.II.26;
3° een recreatieve voorziening, voor zover de voorziening zich buiten een recreatiegebied bevindt bedoeld in artikel D.II.27;
4° een ambachtelijke activiteit, van kleine industrie of opslag, voor zover het goed zich bevindt buiten een gemengde bedrijfsruimte bedoeld in artikel D.II.29 of een gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is bedoeld in artikel D.II.32 en bestemd om de activiteiten bedoeld in artikel D.II.29 te ontvangen;
5° het verkoops- of ruilaanbod van [2 ...]2 erfdienstbaarheden in een ruimte die meer dan driehonderd vierkante meter bedraagt [2 ...]2.
[1 De terbeschikkingstelling ter betaling, zelfs op occasionele basis, van een of meer bestaande kamers als toeristische logiesverstrekkende inrichting is een wijziging van het gebruik van een onroerend goed of een deel ervan. Voor het verstrekken van minder dan zes kamers die als toeristische logiesverstrekkende inrichting in de woning worden gebruikt, is echter geen vergunning vereist.]1
Onverminderd artikel D.IV.4, derde lid, is het gebruik als studentenkamer die als kot wordt bewoond, van één of meerdere bestaande kamers een gehele of gedeeltelijke wijziging van de bestemming van een goed.
In het geval dat de handelingen en werken betreffende de wijziging van de bestemming van een goed geheel of gedeeltelijk onder de toepassing van artikel D.IV.4, eerste lid, 1°, vallen, maken de wijziging van de bestemming alsook de handelingen en werken het voorwerp uit van één en dezelfde vergunningsaanvraag.
[1 Voor de toepassing van het tweede en derde lid kan de kamer bestaan uit een of meer vertrekken, maar mag deze niet alle basisfuncties van de woning bevatten, zoals genoemd in artikel D.IV.4, tweede lid.]1
[2 In een bestaande woning die is blootgesteld aan een groot natuurrisico of een geotechnische beperking als omschreven in artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, is het toekennen van een of meer nieuwe vertrekken aan een basisfunctie in de zin van artikel D.IV.4, tweede lid, een bestemmingswijziging van een woning of een gedeelte ervan.]2
Art. R. IV.4-1.Modification de la destination de tout ou partie d'un bien
La modification de la destination de tout ou partie d'un bien au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 7°, est celle qui crée, dans une construction existante [2 dans une installation fixe ou mobile ou en dehors de celles-ci]2, une nouvelle fonction différente de la fonction principale établie sur le bien et qui consiste selon le cas en la mise en oeuvre :
1° d'un équipement de service public ou communautaire, dans la mesure où l'équipement se situe en dehors d'une zone de services publics et d'équipements communautaires visée à l'article D.II.26;
2° d'un équipement à usage culturel dans la mesure où l'équipement se situe en dehors d'une zone de services publics et d'équipements communautaires visée à l'article D.II.26;
3° d'un équipement à usage récréatif, dans la mesure où l'équipement se situe en dehors d'une zone de loisirs visée à l'article D.II.27;
4° d'une activité artisanale, de petite industrie ou de stockage, dans la mesure où le bien se situe en dehors d'une zone d'activité économique mixte visée à l'article D.II.29 ou d'une zone d'aménagement communal concerté à caractère économique visée à l'article D.II.32 et destinée à recevoir les activités visées à l'article D.II.29;
5° d'une offre en vente ou en échange de [2 ...]2 services sur un espace supérieur à trois cents mètres carrés [2 ...]2.
[1 La mise à disposition à titre onéreux, même à titre occasionnel, d'une ou de plusieurs pièces existantes à titre d'hébergement touristique est une modification de destination de tout ou partie d'un bien. Toutefois, la mise à disposition de moins de six chambres occupées à titre d'hébergement touristique chez l'habitant n'est pas soumise à permis.]1
Sans préjudice de l'article D.IV.4, alinéa 3, l'utilisation en tant que chambre d'étudiant occupée à titre de kot, d'une ou plusieurs pièces existantes est une modification de destination de tout ou partie d'un bien.
Dans le cas où les actes et travaux relatifs à la modification de destination d'un bien tombent en tout ou en partie sous l'application de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1°, la modification de destination ainsi que ces actes et travaux font l'objet d'une seule et même demande de permis.
[1 Pour l'application des alinéas 2 et 3, la chambre peut être composée d'une ou de plusieurs pièces mais ne peut pas contenir l'ensemble des fonctions de base de l'habitat telles qu'énumérées à l'article D.IV.4, alinéa 2.]1
[2 Dans un logement existant exposé à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tels que définis à l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3°, l'affectation d'une ou de plusieurs nouvelles pièces à une fonction de base au sens de l'article D.IV.4, alinéa 2 est une modification de destination de tout ou partie d'un bien.]2
La modification de la destination de tout ou partie d'un bien au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 7°, est celle qui crée, dans une construction existante [2 dans une installation fixe ou mobile ou en dehors de celles-ci]2, une nouvelle fonction différente de la fonction principale établie sur le bien et qui consiste selon le cas en la mise en oeuvre :
1° d'un équipement de service public ou communautaire, dans la mesure où l'équipement se situe en dehors d'une zone de services publics et d'équipements communautaires visée à l'article D.II.26;
2° d'un équipement à usage culturel dans la mesure où l'équipement se situe en dehors d'une zone de services publics et d'équipements communautaires visée à l'article D.II.26;
3° d'un équipement à usage récréatif, dans la mesure où l'équipement se situe en dehors d'une zone de loisirs visée à l'article D.II.27;
4° d'une activité artisanale, de petite industrie ou de stockage, dans la mesure où le bien se situe en dehors d'une zone d'activité économique mixte visée à l'article D.II.29 ou d'une zone d'aménagement communal concerté à caractère économique visée à l'article D.II.32 et destinée à recevoir les activités visées à l'article D.II.29;
5° d'une offre en vente ou en échange de [2 ...]2 services sur un espace supérieur à trois cents mètres carrés [2 ...]2.
[1 La mise à disposition à titre onéreux, même à titre occasionnel, d'une ou de plusieurs pièces existantes à titre d'hébergement touristique est une modification de destination de tout ou partie d'un bien. Toutefois, la mise à disposition de moins de six chambres occupées à titre d'hébergement touristique chez l'habitant n'est pas soumise à permis.]1
Sans préjudice de l'article D.IV.4, alinéa 3, l'utilisation en tant que chambre d'étudiant occupée à titre de kot, d'une ou plusieurs pièces existantes est une modification de destination de tout ou partie d'un bien.
Dans le cas où les actes et travaux relatifs à la modification de destination d'un bien tombent en tout ou en partie sous l'application de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1°, la modification de destination ainsi que ces actes et travaux font l'objet d'une seule et même demande de permis.
[1 Pour l'application des alinéas 2 et 3, la chambre peut être composée d'une ou de plusieurs pièces mais ne peut pas contenir l'ensemble des fonctions de base de l'habitat telles qu'énumérées à l'article D.IV.4, alinéa 2.]1
[2 Dans un logement existant exposé à un risque naturel ou à une contrainte géotechnique majeurs tels que définis à l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3°, l'affectation d'une ou de plusieurs nouvelles pièces à une fonction de base au sens de l'article D.IV.4, alinéa 2 est une modification de destination de tout ou partie d'un bien.]2
Art. R _IV.4-1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Gehele of gedeeltelijke wijziging van de bestemming van een goed
De gehele of gedeeltelijke wijziging van de bestemming van een goed in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 7°, is diegene die in een bestaand bouwwerk of daarbuiten, een nieuwe functie creëert die verschillende is van de hoofdfunctie gevestigd op het goed en die volgens het geval bestaat uit de uitvoering van :
1° nuts- of gemeenschapsvoorzieningen, voor zover de voorziening zich buiten een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen bevindt bedoeld in artikel D.II.26;
2° een culturele voorziening, voor zover de voorziening zich buiten een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen bevindt bedoeld in artikel D.II.26;
3° een recreatieve voorziening, voor zover de voorziening zich buiten een recreatiegebied bevindt bedoeld in artikel D.II.27;
4° een ambachtelijke activiteit, van kleine industrie of opslag, voor zover het goed zich bevindt buiten een gemengde bedrijfsruimte bedoeld in artikel D.II.29 of een gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is bedoeld in artikel D.II.32 en bestemd om de activiteiten bedoeld in artikel D.II.29 te ontvangen;
5° het verkoops- of ruilaanbod van goederen en erfdienstbaarheden in een ruimte die meer dan [3 honderd]3 vierkante meter bedraagt, voor zover het goed zich bevindt buiten een gemengde bedrijfsruimte bedoeld in artikel D.II.29 of een gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is bedoeld in artikel D.II.32 en bestemd om de activiteiten bedoeld in artikel D.II.29 te ontvangen.
[2 De terbeschikkingstelling ter betaling, zelfs op occasionele basis, van een of meer bestaande kamers als toeristische logiesverstrekkende inrichting is een wijziging van het gebruik van een onroerend goed of een deel ervan. Voor het verstrekken van minder dan zes kamers die als toeristische logiesverstrekkende inrichting in de woning worden gebruikt, is echter geen vergunning vereist.]2
[1 Als de bestemming van een goed in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 7°, geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd, gaat het om de omschakeling in woongebruik van op de begane grond van de straat gelegen ruimten in een bestaand bouwwerk die worden gebruikt voor de verkoop of ruil van goederen en diensten of voor een drinkgelegenheid, ongeacht de grootte van de ruimten en zelfs indien daarbij geen nieuwe woning wordt gecreëerd.]1
Onverminderd artikel D.IV.4, derde lid, is het gebruik als studentenkamer die als kot wordt bewoond, van één of meerdere bestaande kamers een gehele of gedeeltelijke wijziging van de bestemming van een goed.
In het geval dat de handelingen en werken betreffende de wijziging van de bestemming van een goed geheel of gedeeltelijk onder de toepassing van artikel D.IV.4, eerste lid, 1°, vallen, maken de wijziging van de bestemming alsook de handelingen en werken het voorwerp uit van één en dezelfde vergunningsaanvraag.
[2 Voor de toepassing van het tweede en derde lid kan de kamer bestaan uit een of meer vertrekken, maar mag deze niet alle basisfuncties van de woning bevatten, zoals genoemd in artikel D.IV.4, tweede lid.]2
Gehele of gedeeltelijke wijziging van de bestemming van een goed
De gehele of gedeeltelijke wijziging van de bestemming van een goed in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 7°, is diegene die in een bestaand bouwwerk of daarbuiten, een nieuwe functie creëert die verschillende is van de hoofdfunctie gevestigd op het goed en die volgens het geval bestaat uit de uitvoering van :
1° nuts- of gemeenschapsvoorzieningen, voor zover de voorziening zich buiten een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen bevindt bedoeld in artikel D.II.26;
2° een culturele voorziening, voor zover de voorziening zich buiten een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen bevindt bedoeld in artikel D.II.26;
3° een recreatieve voorziening, voor zover de voorziening zich buiten een recreatiegebied bevindt bedoeld in artikel D.II.27;
4° een ambachtelijke activiteit, van kleine industrie of opslag, voor zover het goed zich bevindt buiten een gemengde bedrijfsruimte bedoeld in artikel D.II.29 of een gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is bedoeld in artikel D.II.32 en bestemd om de activiteiten bedoeld in artikel D.II.29 te ontvangen;
5° het verkoops- of ruilaanbod van goederen en erfdienstbaarheden in een ruimte die meer dan [3 honderd]3 vierkante meter bedraagt, voor zover het goed zich bevindt buiten een gemengde bedrijfsruimte bedoeld in artikel D.II.29 of een gebied met een economisch karakter waarvan de inrichting aan gemeentelijk overleg onderworpen is bedoeld in artikel D.II.32 en bestemd om de activiteiten bedoeld in artikel D.II.29 te ontvangen.
[2 De terbeschikkingstelling ter betaling, zelfs op occasionele basis, van een of meer bestaande kamers als toeristische logiesverstrekkende inrichting is een wijziging van het gebruik van een onroerend goed of een deel ervan. Voor het verstrekken van minder dan zes kamers die als toeristische logiesverstrekkende inrichting in de woning worden gebruikt, is echter geen vergunning vereist.]2
[1 Als de bestemming van een goed in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 7°, geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd, gaat het om de omschakeling in woongebruik van op de begane grond van de straat gelegen ruimten in een bestaand bouwwerk die worden gebruikt voor de verkoop of ruil van goederen en diensten of voor een drinkgelegenheid, ongeacht de grootte van de ruimten en zelfs indien daarbij geen nieuwe woning wordt gecreëerd.]1
Onverminderd artikel D.IV.4, derde lid, is het gebruik als studentenkamer die als kot wordt bewoond, van één of meerdere bestaande kamers een gehele of gedeeltelijke wijziging van de bestemming van een goed.
In het geval dat de handelingen en werken betreffende de wijziging van de bestemming van een goed geheel of gedeeltelijk onder de toepassing van artikel D.IV.4, eerste lid, 1°, vallen, maken de wijziging van de bestemming alsook de handelingen en werken het voorwerp uit van één en dezelfde vergunningsaanvraag.
[2 Voor de toepassing van het tweede en derde lid kan de kamer bestaan uit een of meer vertrekken, maar mag deze niet alle basisfuncties van de woning bevatten, zoals genoemd in artikel D.IV.4, tweede lid.]2
Art. R _IV.4-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Modification de la destination de tout ou partie d'un bien
La modification de la destination de tout ou partie d'un bien au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 7°, est celle qui crée, dans une construction existante ou en dehors de celle-ci, une nouvelle fonction différente de la fonction principale établie sur le bien et qui consiste selon le cas en la mise en oeuvre :
1° d'un équipement de service public ou communautaire, dans la mesure où l'équipement se situe en dehors d'une zone de services publics et d'équipements communautaires visée à l'article D.II.26;
2° d'un équipement à usage culturel dans la mesure où l'équipement se situe en dehors d'une zone de services publics et d'équipements communautaires visée à l'article D.II.26;
3° d'un équipement à usage récréatif, dans la mesure où l'équipement se situe en dehors d'une zone de loisirs visée à l'article D.II.27;
4° d'une activité artisanale, de petite industrie ou de stockage, dans la mesure où le bien se situe en dehors d'une zone d'activité économique mixte visée à l'article D.II.29 ou d'une zone d'aménagement communal concerté à caractère économique visée à l'article D.II.32 et destinée à recevoir les activités visées à l'article D.II.29;
5° d'une offre en vente ou en échange de biens et services sur un espace [3 supérieur à cent mètres]3 carrés, dans la mesure où le bien se situe en dehors d'une [3 zone d'activité]3 économique mixte visée à l'article D.II.29 ou d'une zone d'aménagement communal concerté à caractère économique visée à l'article D.II.32 et destinée à recevoir les activités visées à l'article D.II.29.
[2 La mise à disposition à titre onéreux, même à titre occasionnel, d'une ou de plusieurs pièces existantes à titre d'hébergement touristique est une modification de destination de tout ou partie d'un bien. Toutefois, la mise à disposition de moins de six chambres occupées à titre d'hébergement touristique chez l'habitant n'est pas soumise à permis.]2
[1 La modification de destination de tout ou partie d'un bien au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 7°, est la transformation en zone d'habitat de surfaces en rez-de-chaussée d'une construction existante qui sont utilisées pour la vente ou l'échange de marchandises et services ou comme débit de boissons, indépendamment de leur taille, et ce, même s'il ne s'agit pas de créer un nouveau logement.]1
Sans préjudice de l'article D.IV.4, alinéa 3, l'utilisation en tant que chambre d'étudiant occupée à titre de kot, d'une ou plusieurs pièces existantes est une modification de destination de tout ou partie d'un bien.
Dans le cas où les actes et travaux relatifs à la modification de destination d'un bien tombent en tout ou en partie sous l'application de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1°, la modification de destination ainsi que ces actes et travaux font l'objet d'une seule et même demande de permis.
[2 Pour l'application des alinéas 2 et 3, la chambre peut être composée d'une ou de plusieurs pièces mais ne peut pas contenir l'ensemble des fonctions de base de l'habitat telles qu'énumérées à l'article D.IV.4, alinéa 2.]2
Modification de la destination de tout ou partie d'un bien
La modification de la destination de tout ou partie d'un bien au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 7°, est celle qui crée, dans une construction existante ou en dehors de celle-ci, une nouvelle fonction différente de la fonction principale établie sur le bien et qui consiste selon le cas en la mise en oeuvre :
1° d'un équipement de service public ou communautaire, dans la mesure où l'équipement se situe en dehors d'une zone de services publics et d'équipements communautaires visée à l'article D.II.26;
2° d'un équipement à usage culturel dans la mesure où l'équipement se situe en dehors d'une zone de services publics et d'équipements communautaires visée à l'article D.II.26;
3° d'un équipement à usage récréatif, dans la mesure où l'équipement se situe en dehors d'une zone de loisirs visée à l'article D.II.27;
4° d'une activité artisanale, de petite industrie ou de stockage, dans la mesure où le bien se situe en dehors d'une zone d'activité économique mixte visée à l'article D.II.29 ou d'une zone d'aménagement communal concerté à caractère économique visée à l'article D.II.32 et destinée à recevoir les activités visées à l'article D.II.29;
5° d'une offre en vente ou en échange de biens et services sur un espace [3 supérieur à cent mètres]3 carrés, dans la mesure où le bien se situe en dehors d'une [3 zone d'activité]3 économique mixte visée à l'article D.II.29 ou d'une zone d'aménagement communal concerté à caractère économique visée à l'article D.II.32 et destinée à recevoir les activités visées à l'article D.II.29.
[2 La mise à disposition à titre onéreux, même à titre occasionnel, d'une ou de plusieurs pièces existantes à titre d'hébergement touristique est une modification de destination de tout ou partie d'un bien. Toutefois, la mise à disposition de moins de six chambres occupées à titre d'hébergement touristique chez l'habitant n'est pas soumise à permis.]2
[1 La modification de destination de tout ou partie d'un bien au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 7°, est la transformation en zone d'habitat de surfaces en rez-de-chaussée d'une construction existante qui sont utilisées pour la vente ou l'échange de marchandises et services ou comme débit de boissons, indépendamment de leur taille, et ce, même s'il ne s'agit pas de créer un nouveau logement.]1
Sans préjudice de l'article D.IV.4, alinéa 3, l'utilisation en tant que chambre d'étudiant occupée à titre de kot, d'une ou plusieurs pièces existantes est une modification de destination de tout ou partie d'un bien.
Dans le cas où les actes et travaux relatifs à la modification de destination d'un bien tombent en tout ou en partie sous l'application de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 1°, la modification de destination ainsi que ces actes et travaux font l'objet d'une seule et même demande de permis.
[2 Pour l'application des alinéas 2 et 3, la chambre peut être composée d'une ou de plusieurs pièces mais ne peut pas contenir l'ensemble des fonctions de base de l'habitat telles qu'énumérées à l'article D.IV.4, alinéa 2.]2
Art. R. IV.4-2.
Art. R. IV.4-2.
Art. R. IV.4-3.Merkbare wijziging van het bodemreliëf
Een wijziging van het bodemreliëf, als ophoging of in ingraving, is merkbaar als ze één van de volgende voorwaarden vervult :
1° een wijziging met een volume van meer dan 40 kubieke meter;
2° een wijziging met een hoogte van meer dan vijftig centimeter ten opzichte van het natuurlijk niveau van de grond en een volume dat meer dan 5 kubieke meter bedraagt;
3° een wijziging gelegen op minder dan 2 meter van de gemeenschappelijke grens;
4° een wijziging met betrekking tot een gedeelte van grond of een grond onderworpen aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke concentratielijn van het afvloeiend water dat overeenstemt met een thalweg, vallei of droge vallei;
5° een wijziging gelegen in een gebied onderhevig aan het overstromingsrisico in de zin van artikel D.53 van het Waterwetboek of met betrekking tot het gedeelte van een grond of een grond die in de loop van de laatste vijf jaar overstromingen heeft ondergaan;
6° een wijziging met als doel of tot gevolg dat het draineersysteem van een watering wordt gewijzigd;
7° een wijziging gelegen in een gebied erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van :
a) in de aangewezen Natura 2000-gebieden, de beheerseenheden [2 ...]2 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in erkende gebieden, de uitvoering van een beheersplan van een domaniaal natuurreservaat, een erkend natuurreservaat, of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
8° een wijziging gelegen in een site met een hoge biologische waarde opgenomen op de cartografische portaalsite van de "SPW" (Waalse Overheidsdienst);
9° een wijziging gelegen in een natuurgebied bedoeld in artikel D.II.39;
10° [2 met als doel een natuurlijk of kunstmatig, permanent of tijdelijk waterlichaam te creëren, met uitzondering van de poelen en vijvers bedoeld in artikel R.IV.1-1, punt [3 I, 1 en 2]3, of een natuurlijk of kunstmatig, permanent of tijdelijk waterlichaam te dempen, met uitzondering van de poelen en vijvers bedoeld in artikel R.IV.1-1, punt I, 1]2;
11° een wijziging van het reliëf van de oevers van een waterloop behalve als ze voortvloeit uit bagger- of ruimingswerken uitgevoerd door de beheerder van de waterloop;
12° een wijziging met als doel of tot gevolg om de depressie voortvloeiend uit de aanwezigheid van een natuurrisico of grote geotechnische druk bedoeld in artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, op te vullen;
13° een wijziging met als doel om een parkeerruimte op te richten, met uitzondering van de parkeerplaatsen bedoeld in artikel R.IV.1-1, punt [3 F5]3;
14° een wijziging met als doel om een niet-overdekte piste op te richten die bestemd is voor paardrij-oefeningen;
15° een wijziging betreffende een dichtbijgelegen preventiegebied in de zin van het Waterwetboek, waarvan de waterwinning voor menselijke consumptie bestemd is in de vorm van verpakt bron- of natuurlijk mineraal water.
In afwijking van het eerste lid, 1° en 2°, , zijn de wijzigingen in een landbouwgebiedv an het bodemreliëf om een depressie van de grond van maximum 2 aren op te vullen, merkbaar als ze een hoogte hebben van meer dan vijftig centimeter.
In afwijking van het eerste lid, 1° en 2°, zijn de wijzigingen van het bodemreliëf om een depressie van de grond van maximum 2 aren op te vullen, merkbaar als ze een hoogte hebben van meer dan vijftig centimeter, voor zover de opvulling in verband staat met een landbouwactiviteit en dat de opvulling niet in een woongebied gelegen is.
[1 In afwijking van het lid, 1° en 2° zijn wijzigingen van het bodemreliëf die verband houden met een landbouwactiviteit en die worden uitgevoerd met grond uit het wassen of de mechanische behandeling op vibrerende tafel van suikerbieten, aardappelen en andere producties van akkerbouwmatig geteelde groenten, gevoelig wanneer zij meer dan vijftig centimeter bedragen.]1
In afwijking van het eerste lid, 1° en 2°, zijn de wijzigingen van het bodemreliëf uitgevoerd, hetzij tijdens de oprichting en de uitrusting van de bedrijfsruimte, hetzij die de sanering van de te herontwikkelen locatie of locatie met herstel van landschap en leefmilieu beogen, merkbaar als ze een hoogte hebben van meer dan een meter in de bedrijfsruimte, in de te herontwikkelen locaties en in de locaties met herstel van landschap en leefmilieu.
Een wijziging van het bodemreliëf, als ophoging of in ingraving, is merkbaar als ze één van de volgende voorwaarden vervult :
1° een wijziging met een volume van meer dan 40 kubieke meter;
2° een wijziging met een hoogte van meer dan vijftig centimeter ten opzichte van het natuurlijk niveau van de grond en een volume dat meer dan 5 kubieke meter bedraagt;
3° een wijziging gelegen op minder dan 2 meter van de gemeenschappelijke grens;
4° een wijziging met betrekking tot een gedeelte van grond of een grond onderworpen aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke concentratielijn van het afvloeiend water dat overeenstemt met een thalweg, vallei of droge vallei;
5° een wijziging gelegen in een gebied onderhevig aan het overstromingsrisico in de zin van artikel D.53 van het Waterwetboek of met betrekking tot het gedeelte van een grond of een grond die in de loop van de laatste vijf jaar overstromingen heeft ondergaan;
6° een wijziging met als doel of tot gevolg dat het draineersysteem van een watering wordt gewijzigd;
7° een wijziging gelegen in een gebied erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van :
a) in de aangewezen Natura 2000-gebieden, de beheerseenheden [2 ...]2 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in erkende gebieden, de uitvoering van een beheersplan van een domaniaal natuurreservaat, een erkend natuurreservaat, of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
8° een wijziging gelegen in een site met een hoge biologische waarde opgenomen op de cartografische portaalsite van de "SPW" (Waalse Overheidsdienst);
9° een wijziging gelegen in een natuurgebied bedoeld in artikel D.II.39;
10° [2 met als doel een natuurlijk of kunstmatig, permanent of tijdelijk waterlichaam te creëren, met uitzondering van de poelen en vijvers bedoeld in artikel R.IV.1-1, punt [3 I, 1 en 2]3, of een natuurlijk of kunstmatig, permanent of tijdelijk waterlichaam te dempen, met uitzondering van de poelen en vijvers bedoeld in artikel R.IV.1-1, punt I, 1]2;
11° een wijziging van het reliëf van de oevers van een waterloop behalve als ze voortvloeit uit bagger- of ruimingswerken uitgevoerd door de beheerder van de waterloop;
12° een wijziging met als doel of tot gevolg om de depressie voortvloeiend uit de aanwezigheid van een natuurrisico of grote geotechnische druk bedoeld in artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, op te vullen;
13° een wijziging met als doel om een parkeerruimte op te richten, met uitzondering van de parkeerplaatsen bedoeld in artikel R.IV.1-1, punt [3 F5]3;
14° een wijziging met als doel om een niet-overdekte piste op te richten die bestemd is voor paardrij-oefeningen;
15° een wijziging betreffende een dichtbijgelegen preventiegebied in de zin van het Waterwetboek, waarvan de waterwinning voor menselijke consumptie bestemd is in de vorm van verpakt bron- of natuurlijk mineraal water.
In afwijking van het eerste lid, 1° en 2°, , zijn de wijzigingen in een landbouwgebiedv an het bodemreliëf om een depressie van de grond van maximum 2 aren op te vullen, merkbaar als ze een hoogte hebben van meer dan vijftig centimeter.
In afwijking van het eerste lid, 1° en 2°, zijn de wijzigingen van het bodemreliëf om een depressie van de grond van maximum 2 aren op te vullen, merkbaar als ze een hoogte hebben van meer dan vijftig centimeter, voor zover de opvulling in verband staat met een landbouwactiviteit en dat de opvulling niet in een woongebied gelegen is.
[1 In afwijking van het lid, 1° en 2° zijn wijzigingen van het bodemreliëf die verband houden met een landbouwactiviteit en die worden uitgevoerd met grond uit het wassen of de mechanische behandeling op vibrerende tafel van suikerbieten, aardappelen en andere producties van akkerbouwmatig geteelde groenten, gevoelig wanneer zij meer dan vijftig centimeter bedragen.]1
In afwijking van het eerste lid, 1° en 2°, zijn de wijzigingen van het bodemreliëf uitgevoerd, hetzij tijdens de oprichting en de uitrusting van de bedrijfsruimte, hetzij die de sanering van de te herontwikkelen locatie of locatie met herstel van landschap en leefmilieu beogen, merkbaar als ze een hoogte hebben van meer dan een meter in de bedrijfsruimte, in de te herontwikkelen locaties en in de locaties met herstel van landschap en leefmilieu.
Art. R. IV.4-3.Modification sensible du relief du sol
Une modification du relief du sol, en remblai ou en déblai, est sensible lorsqu'elle remplit l'une des conditions suivantes :
1° elle est d'un volume supérieur à 40 mètres cubes;
2° elle est d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres par rapport au niveau naturel du terrain et d'un volume supérieur à 5 mètres cubes;
3° elle est située à moins de 2 mètres de la limite mitoyenne;
4° elle porte sur une partie de terrain ou un terrain soumise à un risque de ruissellement concentré c'est-à-dire un axe de concentration naturel des eaux de ruissellement qui correspond à un thalweg, une vallée ou un vallon sec;
5° elle est située dans une zone soumise à l'aléa inondation au sens de l'article D.53 du Code de l'Eau ou porte sur une partie de terrain ou un terrain qui a subi des inondations dans les cinq dernières années;
6° elle a pour finalité ou pour effet de modifier le système de drainage d'une wateringue;
7° elle est située dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion [2 ...]2 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
8° elle est située dans un site de grand intérêt biologique repris sur le portail cartographique du SPW;
9° elle est située dans une zone naturelle visée à l'article D.II.39;
10° [2 elle a pour finalité de créer un plan d'eau naturel ou artificiel, permanent ou temporaire, à l'exception des mares et des étangs visés à l'article R.IV.1-1, point [3 I, 1 et 2]3, ou de combler un plan d'eau naturel ou artificiel, permanent ou temporaire, à l'exception des mares et étangs visés à l'article R.IV.1-1 point I, 1]2;
11° elle modifie le relief des berges d'un cours d'eau, sauf si elle résulte de travaux de dragage et de curage réalisés par le gestionnaire du cours d'eau;
12° elle a pour finalité ou pour effet de combler une dépression résultant de la présence d'un risque naturel ou d'une contrainte géotechnique majeurs visés à l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3° ;
13° elle a pour finalité de créer un parking, à l'exception des emplacements de stationnement visés à l'article R.IV.1-1, point [3 F5]3;
14° elle a pour finalité de créer une piste non couverte destinée à des exercices d'équitation;
15° elle concerne une zone de prévention rapprochée au sens du Code de l'Eau, dont le captage est destiné à la consommation humaine sous forme conditionnée d'eau de source ou minérale naturelle.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, en zone agricole, les modifications du relief du sol réalisées pour combler une dépression du terrain de deux ares maximum sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, les modifications du relief du sol réalisées pour combler une dépression du terrain de deux ares maximum sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres pour autant que le comblement soit lié à une activité agricole et qu'il ne soit pas situé en zone d'habitat.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, les modifications du relief du sol liées à une activité agricole et réalisées avec des terres issues du lavage ou du traitement mécanique sur table vibrante de produits agricoles tels que les betteraves, les pommes de terre, et autres productions de légumes de plein champ, sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, les modifications du relief du sol réalisées soit lors de la création et de l'équipement de la zone d'activité économique, soit qui visent la réhabilitation du site à réaménager ou du site de réhabilitation paysagère et environnementale sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à un mètre en zone d'activité économique, dans les sites à réaménager et les sites de réhabilitation paysagère et environnementale.
Une modification du relief du sol, en remblai ou en déblai, est sensible lorsqu'elle remplit l'une des conditions suivantes :
1° elle est d'un volume supérieur à 40 mètres cubes;
2° elle est d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres par rapport au niveau naturel du terrain et d'un volume supérieur à 5 mètres cubes;
3° elle est située à moins de 2 mètres de la limite mitoyenne;
4° elle porte sur une partie de terrain ou un terrain soumise à un risque de ruissellement concentré c'est-à-dire un axe de concentration naturel des eaux de ruissellement qui correspond à un thalweg, une vallée ou un vallon sec;
5° elle est située dans une zone soumise à l'aléa inondation au sens de l'article D.53 du Code de l'Eau ou porte sur une partie de terrain ou un terrain qui a subi des inondations dans les cinq dernières années;
6° elle a pour finalité ou pour effet de modifier le système de drainage d'une wateringue;
7° elle est située dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion [2 ...]2 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
8° elle est située dans un site de grand intérêt biologique repris sur le portail cartographique du SPW;
9° elle est située dans une zone naturelle visée à l'article D.II.39;
10° [2 elle a pour finalité de créer un plan d'eau naturel ou artificiel, permanent ou temporaire, à l'exception des mares et des étangs visés à l'article R.IV.1-1, point [3 I, 1 et 2]3, ou de combler un plan d'eau naturel ou artificiel, permanent ou temporaire, à l'exception des mares et étangs visés à l'article R.IV.1-1 point I, 1]2;
11° elle modifie le relief des berges d'un cours d'eau, sauf si elle résulte de travaux de dragage et de curage réalisés par le gestionnaire du cours d'eau;
12° elle a pour finalité ou pour effet de combler une dépression résultant de la présence d'un risque naturel ou d'une contrainte géotechnique majeurs visés à l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3° ;
13° elle a pour finalité de créer un parking, à l'exception des emplacements de stationnement visés à l'article R.IV.1-1, point [3 F5]3;
14° elle a pour finalité de créer une piste non couverte destinée à des exercices d'équitation;
15° elle concerne une zone de prévention rapprochée au sens du Code de l'Eau, dont le captage est destiné à la consommation humaine sous forme conditionnée d'eau de source ou minérale naturelle.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, en zone agricole, les modifications du relief du sol réalisées pour combler une dépression du terrain de deux ares maximum sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, les modifications du relief du sol réalisées pour combler une dépression du terrain de deux ares maximum sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres pour autant que le comblement soit lié à une activité agricole et qu'il ne soit pas situé en zone d'habitat.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, les modifications du relief du sol liées à une activité agricole et réalisées avec des terres issues du lavage ou du traitement mécanique sur table vibrante de produits agricoles tels que les betteraves, les pommes de terre, et autres productions de légumes de plein champ, sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, les modifications du relief du sol réalisées soit lors de la création et de l'équipement de la zone d'activité économique, soit qui visent la réhabilitation du site à réaménager ou du site de réhabilitation paysagère et environnementale sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à un mètre en zone d'activité économique, dans les sites à réaménager et les sites de réhabilitation paysagère et environnementale.
Art. R _IV.4-3.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Merkbare wijziging van het bodemreliëf
Een wijziging van het bodemreliëf, als ophoging of in ingraving, is merkbaar als ze één van de volgende voorwaarden vervult :
1° een wijziging met een volume van meer dan 40 kubieke meter;
2° een wijziging met een hoogte van meer dan vijftig centimeter ten opzichte van het natuurlijk niveau van de grond en een volume dat meer dan 5 kubieke meter bedraagt;
3° een wijziging gelegen op minder dan 2 meter van de gemeenschappelijke grens;
4° een wijziging met betrekking tot een gedeelte van grond of een grond onderworpen aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke concentratielijn van het afvloeiend water dat overeenstemt met een thalweg, vallei of droge vallei;
5° een wijziging gelegen in een gebied onderhevig aan het overstromingsrisico in de zin van artikel D.53 van het Waterwetboek of met betrekking tot het gedeelte van een grond of een grond die in de loop van de laatste vijf jaar overstromingen heeft ondergaan;
6° een wijziging met als doel of tot gevolg dat het draineersysteem van een watering wordt gewijzigd;
7° een wijziging gelegen in een gebied erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van :
a) in de aangewezen Natura 2000-gebieden, de beheerseenheden [1 1, 2, 3, 6, 7, 8]1 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in erkende gebieden, de uitvoering van een beheersplan van een domaniaal natuurreservaat, een erkend natuurreservaat, of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
8° een wijziging gelegen in een site met een hoge biologische waarde opgenomen op de cartografische portaalsite van de "SPW" (Waalse Overheidsdienst);
9° een wijziging gelegen in een natuurgebied bedoeld in artikel D.II.39;
10° een wijziging met als doel een watervlak te creëeren of een natuurlijk of kunstmatig watervlak, permanent of tijdelijk, op te vullen, met uitzondering van de [2 ...]2 vijvers bedoeld in artikel R.IV.1-1, punt I, 1 en 3;
11° een wijziging van het reliëf van de oevers van een waterloop behalve als ze voortvloeit uit bagger- of ruimingswerken uitgevoerd door de beheerder van de waterloop;
12° een wijziging met als doel of tot gevolg om de depressie voortvloeiend uit de aanwezigheid van een natuurrisico of grote geotechnische druk bedoeld in artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, op te vullen;
13° een wijziging met als doel om een parkeerruimte op te richten, met uitzondering van de parkeerplaatsen bedoeld in artikel R.IV.1-1, punt F4;
14° een wijziging met als doel om een niet-overdekte piste op te richten die bestemd is voor paardrij-oefeningen;
15° een wijziging betreffende een dichtbijgelegen preventiegebied in de zin van het Waterwetboek, waarvan de waterwinning voor menselijke consumptie bestemd is in de vorm van verpakt bron- of natuurlijk mineraal water.
In afwijking van het eerste lid, 1° en 2°, , zijn de wijzigingen in een landbouwgebiedv an het bodemreliëf om een depressie van de grond van maximum 2 aren op te vullen, merkbaar als ze een hoogte hebben van meer dan vijftig centimeter.
In afwijking van het eerste lid, 1° en 2°, zijn de wijzigingen van het bodemreliëf om een depressie van de grond van maximum 2 aren op te vullen, merkbaar als ze een hoogte hebben van meer dan vijftig centimeter, voor zover de opvulling in verband staat met een landbouwactiviteit en dat de opvulling niet in een woongebied gelegen is.
[1 In afwijking van het lid, 1° en 2° zijn wijzigingen van het bodemreliëf die verband houden met een landbouwactiviteit en die worden uitgevoerd met grond uit het wassen of de mechanische behandeling op vibrerende tafel van suikerbieten, aardappelen en andere producties van akkerbouwmatig geteelde groenten, gevoelig wanneer zij meer dan vijftig centimeter bedragen.]1
[2 In afwijking van het eerste lid, 1° en 2°, zijn de wijzigingen van het bodemreliëf die hetzij tijdens de oprichting en de uitrusting van de bedrijfsruimte, hetzij met het oog op de sanering van de saneringslocatie zijn uitgevoerd, merkbaar als ze een hoogte hebben van meer dan een meter in de bedrijfsruimte of saneringslocatie]2.
Merkbare wijziging van het bodemreliëf
Een wijziging van het bodemreliëf, als ophoging of in ingraving, is merkbaar als ze één van de volgende voorwaarden vervult :
1° een wijziging met een volume van meer dan 40 kubieke meter;
2° een wijziging met een hoogte van meer dan vijftig centimeter ten opzichte van het natuurlijk niveau van de grond en een volume dat meer dan 5 kubieke meter bedraagt;
3° een wijziging gelegen op minder dan 2 meter van de gemeenschappelijke grens;
4° een wijziging met betrekking tot een gedeelte van grond of een grond onderworpen aan een risico van geconcentreerd afvloeiend water, namelijk een natuurlijke concentratielijn van het afvloeiend water dat overeenstemt met een thalweg, vallei of droge vallei;
5° een wijziging gelegen in een gebied onderhevig aan het overstromingsrisico in de zin van artikel D.53 van het Waterwetboek of met betrekking tot het gedeelte van een grond of een grond die in de loop van de laatste vijf jaar overstromingen heeft ondergaan;
6° een wijziging met als doel of tot gevolg dat het draineersysteem van een watering wordt gewijzigd;
7° een wijziging gelegen in een gebied erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van :
a) in de aangewezen Natura 2000-gebieden, de beheerseenheden [1 1, 2, 3, 6, 7, 8]1 10 en 11 in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 19 mei 2011 tot bepaling van de beheerseenheidstypes die binnen een Natura 2000-locatie afgebakend zouden kunnen worden, alsook tot bepaling van de verbodsmaatregelen en van de bijzondere preventieve maatregelen die erop toepasselijk zijn;
b) in erkende gebieden, de uitvoering van een beheersplan van een domaniaal natuurreservaat, een erkend natuurreservaat, of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
8° een wijziging gelegen in een site met een hoge biologische waarde opgenomen op de cartografische portaalsite van de "SPW" (Waalse Overheidsdienst);
9° een wijziging gelegen in een natuurgebied bedoeld in artikel D.II.39;
10° een wijziging met als doel een watervlak te creëeren of een natuurlijk of kunstmatig watervlak, permanent of tijdelijk, op te vullen, met uitzondering van de [2 ...]2 vijvers bedoeld in artikel R.IV.1-1, punt I, 1 en 3;
11° een wijziging van het reliëf van de oevers van een waterloop behalve als ze voortvloeit uit bagger- of ruimingswerken uitgevoerd door de beheerder van de waterloop;
12° een wijziging met als doel of tot gevolg om de depressie voortvloeiend uit de aanwezigheid van een natuurrisico of grote geotechnische druk bedoeld in artikel D.IV.57, eerste lid, 3°, op te vullen;
13° een wijziging met als doel om een parkeerruimte op te richten, met uitzondering van de parkeerplaatsen bedoeld in artikel R.IV.1-1, punt F4;
14° een wijziging met als doel om een niet-overdekte piste op te richten die bestemd is voor paardrij-oefeningen;
15° een wijziging betreffende een dichtbijgelegen preventiegebied in de zin van het Waterwetboek, waarvan de waterwinning voor menselijke consumptie bestemd is in de vorm van verpakt bron- of natuurlijk mineraal water.
In afwijking van het eerste lid, 1° en 2°, , zijn de wijzigingen in een landbouwgebiedv an het bodemreliëf om een depressie van de grond van maximum 2 aren op te vullen, merkbaar als ze een hoogte hebben van meer dan vijftig centimeter.
In afwijking van het eerste lid, 1° en 2°, zijn de wijzigingen van het bodemreliëf om een depressie van de grond van maximum 2 aren op te vullen, merkbaar als ze een hoogte hebben van meer dan vijftig centimeter, voor zover de opvulling in verband staat met een landbouwactiviteit en dat de opvulling niet in een woongebied gelegen is.
[1 In afwijking van het lid, 1° en 2° zijn wijzigingen van het bodemreliëf die verband houden met een landbouwactiviteit en die worden uitgevoerd met grond uit het wassen of de mechanische behandeling op vibrerende tafel van suikerbieten, aardappelen en andere producties van akkerbouwmatig geteelde groenten, gevoelig wanneer zij meer dan vijftig centimeter bedragen.]1
[2 In afwijking van het eerste lid, 1° en 2°, zijn de wijzigingen van het bodemreliëf die hetzij tijdens de oprichting en de uitrusting van de bedrijfsruimte, hetzij met het oog op de sanering van de saneringslocatie zijn uitgevoerd, merkbaar als ze een hoogte hebben van meer dan een meter in de bedrijfsruimte of saneringslocatie]2.
Art. R _IV.4-3.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Modification sensible du relief du sol
Une modification du relief du sol, en remblai ou en déblai, est sensible lorsqu'elle remplit l'une des conditions suivantes :
1° elle est d'un volume supérieur à 40 mètres cubes;
2° elle est d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres par rapport au niveau naturel du terrain et d'un volume supérieur à 5 mètres cubes;
3° elle est située à moins de 2 mètres de la limite mitoyenne;
4° elle porte sur une partie de terrain ou un terrain soumise à un risque de ruissellement concentré c'est-à-dire un axe de concentration naturel des eaux de ruissellement qui correspond à un thalweg, une vallée ou un vallon sec;
5° elle est située dans une zone soumise à l'aléa inondation au sens de l'article D.53 du Code de l'Eau ou porte sur une partie de terrain ou un terrain qui a subi des inondations dans les cinq dernières années;
6° elle a pour finalité ou pour effet de modifier le système de drainage d'une wateringue;
7° elle est située dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion [1 1, 2, 3, 6, 7, 8]1 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
8° elle est située dans un site de grand intérêt biologique repris sur le portail cartographique du SPW;
9° elle est située dans une zone naturelle visée à l'article D.II.39;
10° elle a pour finalité de créer un plan d'eau ou de combler un plan d'eau naturel ou artificiel, permanent ou temporaire, à l'exception [2 ...]2 des étangs visés à l'article R.IV.1-1, point I, 1 et 3;
11° elle modifie le relief des berges d'un cours d'eau, sauf si elle résulte de travaux de dragage et de curage réalisés par le gestionnaire du cours d'eau;
12° elle a pour finalité ou pour effet de combler une dépression résultant de la présence d'un risque naturel ou d'une contrainte géotechnique majeurs visés à l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3° ;
13° elle a pour finalité de créer un parking, à l'exception des emplacements de stationnement visés à l'article R.IV.1-1, point F4;
14° elle a pour finalité de créer une piste non couverte destinée à des exercices d'équitation;
15° elle concerne une zone de prévention rapprochée au sens du Code de l'Eau, dont le captage est destiné à la consommation humaine sous forme conditionnée d'eau de source ou minérale naturelle.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, en zone agricole, les modifications du relief du sol réalisées pour combler une dépression du terrain de deux ares maximum sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, les modifications du relief du sol réalisées pour combler une dépression du terrain de deux ares maximum sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres pour autant que le comblement soit lié à une activité agricole et qu'il ne soit pas situé en zone d'habitat.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, les modifications du relief du sol liées à une activité agricole et réalisées avec des terres issues du lavage ou du traitement mécanique sur table vibrante de produits agricoles tels que les betteraves, les pommes de terre, et autres productions de légumes de plein champ, sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, les modifications du relief du sol réalisées soit lors de la création et de l'équipement de la zone d'activité économique, soit qui visent la réhabilitation du site à réaménager sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à un mètre en zone d'activité économique ou dans le site à réaménager.]2.
Modification sensible du relief du sol
Une modification du relief du sol, en remblai ou en déblai, est sensible lorsqu'elle remplit l'une des conditions suivantes :
1° elle est d'un volume supérieur à 40 mètres cubes;
2° elle est d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres par rapport au niveau naturel du terrain et d'un volume supérieur à 5 mètres cubes;
3° elle est située à moins de 2 mètres de la limite mitoyenne;
4° elle porte sur une partie de terrain ou un terrain soumise à un risque de ruissellement concentré c'est-à-dire un axe de concentration naturel des eaux de ruissellement qui correspond à un thalweg, une vallée ou un vallon sec;
5° elle est située dans une zone soumise à l'aléa inondation au sens de l'article D.53 du Code de l'Eau ou porte sur une partie de terrain ou un terrain qui a subi des inondations dans les cinq dernières années;
6° elle a pour finalité ou pour effet de modifier le système de drainage d'une wateringue;
7° elle est située dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception :
a) dans les sites Natura 2000 désignés, des unités de gestion [1 1, 2, 3, 6, 7, 8]1 10 et 11 au sens de l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 mai 2011 fixant les types d'unités de gestion susceptibles d'être délimitées au sein d'un site Natura 2000 ainsi que les interdictions et mesures préventives particulières qui y sont applicables;
b) dans les sites reconnus, de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
8° elle est située dans un site de grand intérêt biologique repris sur le portail cartographique du SPW;
9° elle est située dans une zone naturelle visée à l'article D.II.39;
10° elle a pour finalité de créer un plan d'eau ou de combler un plan d'eau naturel ou artificiel, permanent ou temporaire, à l'exception [2 ...]2 des étangs visés à l'article R.IV.1-1, point I, 1 et 3;
11° elle modifie le relief des berges d'un cours d'eau, sauf si elle résulte de travaux de dragage et de curage réalisés par le gestionnaire du cours d'eau;
12° elle a pour finalité ou pour effet de combler une dépression résultant de la présence d'un risque naturel ou d'une contrainte géotechnique majeurs visés à l'article D.IV.57, alinéa 1er, 3° ;
13° elle a pour finalité de créer un parking, à l'exception des emplacements de stationnement visés à l'article R.IV.1-1, point F4;
14° elle a pour finalité de créer une piste non couverte destinée à des exercices d'équitation;
15° elle concerne une zone de prévention rapprochée au sens du Code de l'Eau, dont le captage est destiné à la consommation humaine sous forme conditionnée d'eau de source ou minérale naturelle.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, en zone agricole, les modifications du relief du sol réalisées pour combler une dépression du terrain de deux ares maximum sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, les modifications du relief du sol réalisées pour combler une dépression du terrain de deux ares maximum sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres pour autant que le comblement soit lié à une activité agricole et qu'il ne soit pas situé en zone d'habitat.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, les modifications du relief du sol liées à une activité agricole et réalisées avec des terres issues du lavage ou du traitement mécanique sur table vibrante de produits agricoles tels que les betteraves, les pommes de terre, et autres productions de légumes de plein champ, sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à cinquante centimètres.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1° et 2°, les modifications du relief du sol réalisées soit lors de la création et de l'équipement de la zone d'activité économique, soit qui visent la réhabilitation du site à réaménager sont sensibles lorsqu'elles sont d'une hauteur supérieure à un mètre en zone d'activité économique ou dans le site à réaménager.]2.
Art. R. IV.4-4.Kerstbomenteelt
De kerstbomenteelt wordt onderworpen aan een stedenbouwkundige vergunning in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, in een recreatiegebied, in de bedrijfsruimtes, in gebied van gewestelijk belang, in een gebied van gemeentelijk belang, in een groengebied, in een natuurgebied, in een parkgebied, in een ontginningsgebied en in een gebied waarvan de inrichting aan een gemeentelijk overleg is onderworpen.
De kerstbomenteelt wordt onderworpen aan een vergunning in een woongebied, in een woongebied met landelijk karakter, in een landbouwgebied en in een bosgebied als ze één van de volgende voorwaarden vervult :
1° ofwel gebeurt de exploitatie buiten het kader van een beroepsactiviteit;
2° ofwel impliceert het project een wijziging van het bodemreliëf of een drainage;
3° ofwel heeft het project betrekking op een grond gelegen :
a) in een omtrek met waardevolle vergezichten bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°,
a) in een landschappelijk waardevolle omtrek bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 3°,
c) in een site die in aanmerking komt voor het Natura 2000-net of een Natura 2000-locatie erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van de uitvoering van een beheersplan van een domaniaal natuurreservaat, een erkend natuurreservaat, of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
d) in een site met een hoge biologische waarde opgenomen op de cartografische portaalsite van de "SPW" (Waalse Overheidsdienst);
4° ofwel neemt het project de voorschriften bedoeld in [1 de artikelen D.II.37 en R.II.37-1 in bosgebied]1 niet in acht.
Als de aanvraag niet onderworpen is aan een vergunning, verwittigt de producent van kerstbomen het gemeentecollege van het begin van de beplantingswerkzaamheden vijftien dagen vóór hun aanvang.
De kerstbomenteelt wordt onderworpen aan een stedenbouwkundige vergunning in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, in een recreatiegebied, in de bedrijfsruimtes, in gebied van gewestelijk belang, in een gebied van gemeentelijk belang, in een groengebied, in een natuurgebied, in een parkgebied, in een ontginningsgebied en in een gebied waarvan de inrichting aan een gemeentelijk overleg is onderworpen.
De kerstbomenteelt wordt onderworpen aan een vergunning in een woongebied, in een woongebied met landelijk karakter, in een landbouwgebied en in een bosgebied als ze één van de volgende voorwaarden vervult :
1° ofwel gebeurt de exploitatie buiten het kader van een beroepsactiviteit;
2° ofwel impliceert het project een wijziging van het bodemreliëf of een drainage;
3° ofwel heeft het project betrekking op een grond gelegen :
a) in een omtrek met waardevolle vergezichten bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°,
a) in een landschappelijk waardevolle omtrek bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 3°,
c) in een site die in aanmerking komt voor het Natura 2000-net of een Natura 2000-locatie erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van de uitvoering van een beheersplan van een domaniaal natuurreservaat, een erkend natuurreservaat, of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
d) in een site met een hoge biologische waarde opgenomen op de cartografische portaalsite van de "SPW" (Waalse Overheidsdienst);
4° ofwel neemt het project de voorschriften bedoeld in [1 de artikelen D.II.37 en R.II.37-1 in bosgebied]1 niet in acht.
Als de aanvraag niet onderworpen is aan een vergunning, verwittigt de producent van kerstbomen het gemeentecollege van het begin van de beplantingswerkzaamheden vijftien dagen vóór hun aanvang.
Art. R. IV.4-4.Culture de sapins de Noël
La culture de sapins de Noël est soumise à permis d'urbanisme en zone de services publics et d'équipements communautaires, en zone de loisirs, dans les zones d'activité économique, en zone d'enjeu régional, en zone d'enjeu communal, en zone d'espaces verts, en zone naturelle, en zone de parc, en zone d'extraction et en zone d'aménagement communal concerté.
La culture de sapins de Noël est soumise à permis en zone d'habitat, en zone d'habitat à caractère rural, en zone agricole et en zone forestière lorsqu'elle remplit l'une des conditions suivantes :
1° soit l'exploitation a lieu en dehors du cadre d'une activité professionnelle;
2° soit le projet implique une modification du relief du sol ou un drainage;
3° soit le projet porte sur un terrain situé :
a) dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°,
b) dans un périmètre d'intérêt paysager visé à l'article D.II.21, § 2, 3°,
c) dans un site candidat au réseau Natura 2000 ou dans un site Natura 2000 reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature à l'exception de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
d) dans un site de grand intérêt biologique repris sur le portail cartographique du SPW;
4° soit le projet ne respecte pas les prescriptions visées à [1 les articles D.II.37 et R.II.37-1 en zone forestière]1.
Lorsque la demande n'est pas soumise à permis, le producteur de sapin de Noël avertit le collège communal du début des travaux de plantations quinze jours avant leur commencement.
La culture de sapins de Noël est soumise à permis d'urbanisme en zone de services publics et d'équipements communautaires, en zone de loisirs, dans les zones d'activité économique, en zone d'enjeu régional, en zone d'enjeu communal, en zone d'espaces verts, en zone naturelle, en zone de parc, en zone d'extraction et en zone d'aménagement communal concerté.
La culture de sapins de Noël est soumise à permis en zone d'habitat, en zone d'habitat à caractère rural, en zone agricole et en zone forestière lorsqu'elle remplit l'une des conditions suivantes :
1° soit l'exploitation a lieu en dehors du cadre d'une activité professionnelle;
2° soit le projet implique une modification du relief du sol ou un drainage;
3° soit le projet porte sur un terrain situé :
a) dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°,
b) dans un périmètre d'intérêt paysager visé à l'article D.II.21, § 2, 3°,
c) dans un site candidat au réseau Natura 2000 ou dans un site Natura 2000 reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature à l'exception de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
d) dans un site de grand intérêt biologique repris sur le portail cartographique du SPW;
4° soit le projet ne respecte pas les prescriptions visées à [1 les articles D.II.37 et R.II.37-1 en zone forestière]1.
Lorsque la demande n'est pas soumise à permis, le producteur de sapin de Noël avertit le collège communal du début des travaux de plantations quinze jours avant leur commencement.
Wijzigingen
Art. R _IV.4-4.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Kerstbomenteelt
De kerstbomenteelt wordt onderworpen aan een stedenbouwkundige vergunning in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, in een recreatiegebied, in de bedrijfsruimtes, in gebied van gewestelijk belang, in een gebied van gemeentelijk belang, in een groengebied, in een natuurgebied, in een parkgebied, in een ontginningsgebied en in een gebied waarvan de inrichting aan een gemeentelijk overleg is onderworpen.
De kerstbomenteelt wordt onderworpen aan een vergunning in een woongebied, in een woongebied met landelijk karakter, in een landbouwgebied en in een bosgebied als ze één van de volgende voorwaarden vervult :
1° ofwel gebeurt de exploitatie buiten het kader van een beroepsactiviteit;
2° ofwel impliceert het project een wijziging van het bodemreliëf of een drainage;
3° ofwel heeft het project betrekking op een grond gelegen :
a) in een omtrek met waardevolle vergezichten bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°,
[2 b)]2 in een landschappelijk waardevolle omtrek bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 3°,
c) in een site die in aanmerking komt voor het Natura 2000-net of een Natura 2000-locatie erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van de uitvoering van een beheersplan van een domaniaal natuurreservaat, een erkend natuurreservaat, of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
d) in een site met een hoge biologische waarde opgenomen op de cartografische portaalsite van de "SPW" (Waalse Overheidsdienst);
4° ofwel neemt het project de voorschriften bedoeld in [1 de artikelen D.II.37 en R.II.37-1 in bosgebied]1 niet in acht.
Als de aanvraag niet onderworpen is aan een vergunning, verwittigt de producent van kerstbomen het gemeentecollege van het begin van de beplantingswerkzaamheden vijftien dagen vóór hun aanvang.
Kerstbomenteelt
De kerstbomenteelt wordt onderworpen aan een stedenbouwkundige vergunning in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, in een recreatiegebied, in de bedrijfsruimtes, in gebied van gewestelijk belang, in een gebied van gemeentelijk belang, in een groengebied, in een natuurgebied, in een parkgebied, in een ontginningsgebied en in een gebied waarvan de inrichting aan een gemeentelijk overleg is onderworpen.
De kerstbomenteelt wordt onderworpen aan een vergunning in een woongebied, in een woongebied met landelijk karakter, in een landbouwgebied en in een bosgebied als ze één van de volgende voorwaarden vervult :
1° ofwel gebeurt de exploitatie buiten het kader van een beroepsactiviteit;
2° ofwel impliceert het project een wijziging van het bodemreliëf of een drainage;
3° ofwel heeft het project betrekking op een grond gelegen :
a) in een omtrek met waardevolle vergezichten bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 1°,
[2 b)]2 in een landschappelijk waardevolle omtrek bedoeld in artikel D.II.21, § 2, 3°,
c) in een site die in aanmerking komt voor het Natura 2000-net of een Natura 2000-locatie erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van de uitvoering van een beheersplan van een domaniaal natuurreservaat, een erkend natuurreservaat, of een bosreservaat in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
d) in een site met een hoge biologische waarde opgenomen op de cartografische portaalsite van de "SPW" (Waalse Overheidsdienst);
4° ofwel neemt het project de voorschriften bedoeld in [1 de artikelen D.II.37 en R.II.37-1 in bosgebied]1 niet in acht.
Als de aanvraag niet onderworpen is aan een vergunning, verwittigt de producent van kerstbomen het gemeentecollege van het begin van de beplantingswerkzaamheden vijftien dagen vóór hun aanvang.
Art. R _IV.4-4.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Culture de sapins de Noël
La culture de sapins de Noël est soumise à permis d'urbanisme en zone de services publics et d'équipements communautaires, en zone de loisirs, dans les zones d'activité économique, en zone d'enjeu régional, en zone d'enjeu communal, en zone d'espaces verts, en zone naturelle, en zone de parc, en zone d'extraction et en zone d'aménagement communal concerté.
La culture de sapins de Noël est soumise à permis en zone d'habitat, en zone d'habitat à caractère rural, en zone agricole et en zone forestière lorsqu'elle remplit l'une des conditions suivantes :
1° soit l'exploitation a lieu en dehors du cadre d'une activité professionnelle;
2° soit le projet implique une modification du relief du sol ou un drainage;
3° soit le projet porte sur un terrain situé :
a) dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°,
[2 b)]2 dans un périmètre d'intérêt paysager visé à l'article D.II.21, § 2, 3°,
c) dans un site candidat au réseau Natura 2000 ou dans un site Natura 2000 reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature à l'exception de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
d) dans un site de grand intérêt biologique repris sur le portail cartographique du SPW;
4° soit le projet ne respecte pas les prescriptions visées à [1 les articles D.II.37 et R.II.37-1 en zone forestière]1.
Lorsque la demande n'est pas soumise à permis, le producteur de sapin de Noël avertit le collège communal du début des travaux de plantations quinze jours avant leur commencement.
Culture de sapins de Noël
La culture de sapins de Noël est soumise à permis d'urbanisme en zone de services publics et d'équipements communautaires, en zone de loisirs, dans les zones d'activité économique, en zone d'enjeu régional, en zone d'enjeu communal, en zone d'espaces verts, en zone naturelle, en zone de parc, en zone d'extraction et en zone d'aménagement communal concerté.
La culture de sapins de Noël est soumise à permis en zone d'habitat, en zone d'habitat à caractère rural, en zone agricole et en zone forestière lorsqu'elle remplit l'une des conditions suivantes :
1° soit l'exploitation a lieu en dehors du cadre d'une activité professionnelle;
2° soit le projet implique une modification du relief du sol ou un drainage;
3° soit le projet porte sur un terrain situé :
a) dans un périmètre de point de vue remarquable visé à l'article D.II.21, § 2, 1°,
[2 b)]2 dans un périmètre d'intérêt paysager visé à l'article D.II.21, § 2, 3°,
c) dans un site candidat au réseau Natura 2000 ou dans un site Natura 2000 reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature à l'exception de la mise en oeuvre d'un plan de gestion d'une réserve naturelle domaniale, d'une réserve naturelle agréée ou d'une réserve forestière au sens de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
d) dans un site de grand intérêt biologique repris sur le portail cartographique du SPW;
4° soit le projet ne respecte pas les prescriptions visées à [1 les articles D.II.37 et R.II.37-1 en zone forestière]1.
Lorsque la demande n'est pas soumise à permis, le producteur de sapin de Noël avertit le collège communal du début des travaux de plantations quinze jours avant leur commencement.
Art. R. IV.4-5.[1 Definities
"Voor de toepassing van de artikelen R.IV.4-6, R .R.IV.4-7 en R.IV.4-8, wordt verstaan onder:"
1° boom: een houtachtige soort die op volwassen leeftijd meer dan acht meter hoog is wanneer hij vrij groeit;
2° haag: een groep struiken of bomen geplant op een maximale afstand van anderhalve meter tussen elke voet, zodat een dichte kordon van niet meer dan tien meter breed tussen de buitenste voeten wordt gevormd;
3° struik, houtachtige soort waarvan de groei niet hoger is dan acht meter;
4° bomenlaan: bomenrijen;
5° openbare ruimte: plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek zonder toelating zoals de wegen, de plaatsen, de openbare parken;
6° inlandse soort: soort bedoeld in bijlage 2 bij het besluit van 24 maart 2011 houdende de algemene preventieve maatregelen die toepasselijk zijn op de Natura 2000-locaties, alsook op de locaties die in aanmerking komen voor het Natura 2000-netwerk
Voor de toepassing van de artikelen R .IV.4-7 en R.IV.4-8, wordt verstaan onder:
1° groep bomen: een groep bomen met de volgende kenmerken :
a) een gemeenschappelijke kruin ;
b) de projectie op de grond van deze gemeenschappelijke kruin past binnen een cirkel met een straal van maximaal vijftien meter, genomen vanuit het middelpunt van de groep;
2° groep struiken: een groep struikenmet de volgende kenmerken :
a) een gemeenschappelijke kruin ;
b) de projectie op de grond van deze gemeenschappelijke kruin past binnen een cirkel met een straal van maximaal viermeter, genomen vanuit het middelpunt van de groep]1
"Voor de toepassing van de artikelen R.IV.4-6, R .R.IV.4-7 en R.IV.4-8, wordt verstaan onder:"
1° boom: een houtachtige soort die op volwassen leeftijd meer dan acht meter hoog is wanneer hij vrij groeit;
2° haag: een groep struiken of bomen geplant op een maximale afstand van anderhalve meter tussen elke voet, zodat een dichte kordon van niet meer dan tien meter breed tussen de buitenste voeten wordt gevormd;
3° struik, houtachtige soort waarvan de groei niet hoger is dan acht meter;
4° bomenlaan: bomenrijen;
5° openbare ruimte: plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek zonder toelating zoals de wegen, de plaatsen, de openbare parken;
6° inlandse soort: soort bedoeld in bijlage 2 bij het besluit van 24 maart 2011 houdende de algemene preventieve maatregelen die toepasselijk zijn op de Natura 2000-locaties, alsook op de locaties die in aanmerking komen voor het Natura 2000-netwerk
Voor de toepassing van de artikelen R .IV.4-7 en R.IV.4-8, wordt verstaan onder:
1° groep bomen: een groep bomen met de volgende kenmerken :
a) een gemeenschappelijke kruin ;
b) de projectie op de grond van deze gemeenschappelijke kruin past binnen een cirkel met een straal van maximaal vijftien meter, genomen vanuit het middelpunt van de groep;
2° groep struiken: een groep struikenmet de volgende kenmerken :
a) een gemeenschappelijke kruin ;
b) de projectie op de grond van deze gemeenschappelijke kruin past binnen een cirkel met een straal van maximaal viermeter, genomen vanuit het middelpunt van de groep]1
Art. R. IV.4-5.[1 Définitions
Pour l'application des articles R.IV.4-6, R.IV.4-7 et R.IV.4-8, on entend par :
1° arbre : une espèce ligneuse qui en port libre au stade adulte dépasse huit mètres de hauteur ;
2° haie : un ensemble d'arbustes ou d'arbres implantés à une distance maximale d'un mètre cinquante entre chaque pied de façon à constituer un cordon dense d'une largeur maximale de dix mètres entre pieds extérieurs ;
3° arbuste : une espèce ligneuse dont le port libre au stade adulte n'excède pas huit mètres de haut ;
4° allée : un alignement d'arbres ;
5° espace public : les lieux accessibles au public sans autorisation comme les voies, les places, les parcs publics ;
6° espèce indigène : une espèce visée à l'annexe 2 de l'arrêté du 24 mars 2011 portant les mesures préventives générales applicables aux sites Natura 2000 ainsi qu'aux sites candidats au réseau Natura 2000.
Pour l'application des articles R.IV.4-7 et R.IV.4-8 on entend par :
1° groupe d'arbres : un ensemble de sujets possédant les caractéristiques suivantes :
a) une couronne commune ;
b) la projection au sol de cette couronne commune s'inscrit dans un cercle de maximum quinze mètres de rayon pris à partir du centre du groupe ;
2° groupe d'arbustes : un ensemble de sujets possédant les caractéristiques suivantes :
a) une couronne commune ;
b) la projection au sol de cette couronne commune s'inscrit dans un cercle de maximum quatre mètres de rayon pris à partir du centre du groupe.]1
Pour l'application des articles R.IV.4-6, R.IV.4-7 et R.IV.4-8, on entend par :
1° arbre : une espèce ligneuse qui en port libre au stade adulte dépasse huit mètres de hauteur ;
2° haie : un ensemble d'arbustes ou d'arbres implantés à une distance maximale d'un mètre cinquante entre chaque pied de façon à constituer un cordon dense d'une largeur maximale de dix mètres entre pieds extérieurs ;
3° arbuste : une espèce ligneuse dont le port libre au stade adulte n'excède pas huit mètres de haut ;
4° allée : un alignement d'arbres ;
5° espace public : les lieux accessibles au public sans autorisation comme les voies, les places, les parcs publics ;
6° espèce indigène : une espèce visée à l'annexe 2 de l'arrêté du 24 mars 2011 portant les mesures préventives générales applicables aux sites Natura 2000 ainsi qu'aux sites candidats au réseau Natura 2000.
Pour l'application des articles R.IV.4-7 et R.IV.4-8 on entend par :
1° groupe d'arbres : un ensemble de sujets possédant les caractéristiques suivantes :
a) une couronne commune ;
b) la projection au sol de cette couronne commune s'inscrit dans un cercle de maximum quinze mètres de rayon pris à partir du centre du groupe ;
2° groupe d'arbustes : un ensemble de sujets possédant les caractéristiques suivantes :
a) une couronne commune ;
b) la projection au sol de cette couronne commune s'inscrit dans un cercle de maximum quatre mètres de rayon pris à partir du centre du groupe.]1
Wijzigingen
Art. R _IV.4-5.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van de artikelen R.IV.4-6, R .IV.4-7 en R.IV.4-8, wordt verstaan onder :
1° haag, verzameling struiken en bomen die op een korte afstand van elkaar [1 geplant zijn]1 om een dichtbegroeide strook van hoofdzakelijk struiken te vormen die zich voordoet onder één van de volgende vormen :
a) de gesnoeide haag is de haag die op een bepaalde breedte en hoogte wordt gehouden door regelmatige snoeibeurten;
b) de vrij groeiende haag is een haag met een variabele hoogte en breedte waarvan de groei enkel ingeperkt wordt door een occasionele snoeibeurt;
c) de windscherm haag is een vrije haag die naast struiken ook bomen telt en door het bestaan van meerdere rangen diep wordt;
2° struik, houtachtige soort waarvan de groei niet hoger is dan zeven meter;
3° pad, een rij van bomen;
4° openbare ruimte, plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek zonder toelating zoals de wegen, de plaatsen, de openbare parken.
Voor de toepassing van de artikelen R .IV.4-7 en R.IV.4-8, wordt verstaan onder :
1° groep van bomen, een geheel van bomen waarvan de takken en de twijgen elkaar aanraken en een omvang vormen waarvan de spreiding op de bodem aansluit op een cirkel van maximum vijftien meter omtrek vanaf het centrum van de groep;
2° groep van struiken, een geheel van struiken waarvan de takken en de twijgen elkaar aanraken en een omvang vormen waarvan de spreiding op de bodem aansluit op een cirkel van maximum vier meter omtrek vanaf het centrum van de groep.
Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van de artikelen R.IV.4-6, R .IV.4-7 en R.IV.4-8, wordt verstaan onder :
1° haag, verzameling struiken en bomen die op een korte afstand van elkaar [1 geplant zijn]1 om een dichtbegroeide strook van hoofdzakelijk struiken te vormen die zich voordoet onder één van de volgende vormen :
a) de gesnoeide haag is de haag die op een bepaalde breedte en hoogte wordt gehouden door regelmatige snoeibeurten;
b) de vrij groeiende haag is een haag met een variabele hoogte en breedte waarvan de groei enkel ingeperkt wordt door een occasionele snoeibeurt;
c) de windscherm haag is een vrije haag die naast struiken ook bomen telt en door het bestaan van meerdere rangen diep wordt;
2° struik, houtachtige soort waarvan de groei niet hoger is dan zeven meter;
3° pad, een rij van bomen;
4° openbare ruimte, plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek zonder toelating zoals de wegen, de plaatsen, de openbare parken.
Voor de toepassing van de artikelen R .IV.4-7 en R.IV.4-8, wordt verstaan onder :
1° groep van bomen, een geheel van bomen waarvan de takken en de twijgen elkaar aanraken en een omvang vormen waarvan de spreiding op de bodem aansluit op een cirkel van maximum vijftien meter omtrek vanaf het centrum van de groep;
2° groep van struiken, een geheel van struiken waarvan de takken en de twijgen elkaar aanraken en een omvang vormen waarvan de spreiding op de bodem aansluit op een cirkel van maximum vier meter omtrek vanaf het centrum van de groep.
Art. R _IV.4-5.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Définitions
Pour l'application des articles R.IV.4-6, R .IV.4-7 et R.IV.4-8, on entend par :
1° haie, un ensemble d'arbustes ou d'arbres plantés à faible distance les uns des autres de façon à constituer un cordon arbustif dense, qui se présente sous une des formes suivantes:
a) la haie taillée est la haie maintenue à une largeur et une hauteur déterminées par une taille fréquente;
b) la haie libre est la haie de hauteur et de largeur variables dont la croissance n'est limitée que par une taille occasionnelle;
c) la haie brise-vent est la haie libre qui, outre des arbustes, comporte des arbres et qui peut devenir épaisse par [1 l'agencement]1 de plusieurs rangs;
2° arbuste, une essence ligneuse dont le port n'excède pas sept mètres de haut;
3° allée, un alignement d'arbres;
4° espace public, les lieux accessibles au public sans autorisation comme les voies, les places, les parcs publics.
Pour l'application des articles R.IV.4-7 et R.IV.4-8 on entend par :
1° groupe d'arbres, un ensemble d'individus dont les branches et les rameaux se touchent en formant une envergure dont la projection au sol s'inscrit dans un cercle de maximum quinze mètres de rayon pris à partir du centre du groupe;
2° groupe d'arbustes, un ensemble d'individus dont les branches et les rameaux se touchent en formant une envergure dont la projection au sol s'inscrit dans un cercle de maximum quatre mètres de rayon pris à partir du centre du groupe.
Définitions
Pour l'application des articles R.IV.4-6, R .IV.4-7 et R.IV.4-8, on entend par :
1° haie, un ensemble d'arbustes ou d'arbres plantés à faible distance les uns des autres de façon à constituer un cordon arbustif dense, qui se présente sous une des formes suivantes:
a) la haie taillée est la haie maintenue à une largeur et une hauteur déterminées par une taille fréquente;
b) la haie libre est la haie de hauteur et de largeur variables dont la croissance n'est limitée que par une taille occasionnelle;
c) la haie brise-vent est la haie libre qui, outre des arbustes, comporte des arbres et qui peut devenir épaisse par [1 l'agencement]1 de plusieurs rangs;
2° arbuste, une essence ligneuse dont le port n'excède pas sept mètres de haut;
3° allée, un alignement d'arbres;
4° espace public, les lieux accessibles au public sans autorisation comme les voies, les places, les parcs publics.
Pour l'application des articles R.IV.4-7 et R.IV.4-8 on entend par :
1° groupe d'arbres, un ensemble d'individus dont les branches et les rameaux se touchent en formant une envergure dont la projection au sol s'inscrit dans un cercle de maximum quinze mètres de rayon pris à partir du centre du groupe;
2° groupe d'arbustes, un ensemble d'individus dont les branches et les rameaux se touchent en formant une envergure dont la projection au sol s'inscrit dans un cercle de maximum quatre mètres de rayon pris à partir du centre du groupe.
Wijzigingen
Art. R. IV.4-6.Hagen en paden
De haag bedoeld in artikel D.IV.4, 11° b) voldoet cumulatief aan de volgende voorwaarden :
1° ze bestaat uit [1 overwegend]1 inlandse soorten;
2° ze heeft een onafgebroken lengte van minstens 10 meter.
Het pad bedoeld in artikel D.IV.4, 11° b) voldoet cumulatief aan de volgende voorwaarden :
1° ze bestaat uit minstens tien hoogstammige bomen op een rij van minstens honderd meter lang;
2° ze omvat minstens vier bomen die simultaan en in hun geheel zichtbaar zijn vanaf een punt van de openbare ruimte;
[1 3° de maximale onderlinge afstand tussen twee onderdelen is veertig meter.]1
De haag bedoeld in artikel D.IV.4, 11° b) voldoet cumulatief aan de volgende voorwaarden :
1° ze bestaat uit [1 overwegend]1 inlandse soorten;
2° ze heeft een onafgebroken lengte van minstens 10 meter.
Het pad bedoeld in artikel D.IV.4, 11° b) voldoet cumulatief aan de volgende voorwaarden :
1° ze bestaat uit minstens tien hoogstammige bomen op een rij van minstens honderd meter lang;
2° ze omvat minstens vier bomen die simultaan en in hun geheel zichtbaar zijn vanaf een punt van de openbare ruimte;
[1 3° de maximale onderlinge afstand tussen twee onderdelen is veertig meter.]1
Art. R. IV.4-6.Haies et allées
La haie visée à l'article D.IV.4, 11° b) remplit cumulativement les conditions suivantes :
1° elle est constituée [1 majoritairement]1 d'essences indigènes;
2° elle présente une longueur continue de minimum 10 mètres.
L'allée visée à l'article D.IV.4, 11° b) remplit cumulativement les conditions suivantes :
1° elle comporte au moins dix arbres à haute tige alignés en au moins une rangée d'une longueur de minimum cent mètres;
2° elle contient au moins quatre arbres visibles simultanément et dans leur entièreté depuis un point de l'espace public;
[1 3° l'inter distance maximale entre deux sujets est de quarante mètres.]1
La haie visée à l'article D.IV.4, 11° b) remplit cumulativement les conditions suivantes :
1° elle est constituée [1 majoritairement]1 d'essences indigènes;
2° elle présente une longueur continue de minimum 10 mètres.
L'allée visée à l'article D.IV.4, 11° b) remplit cumulativement les conditions suivantes :
1° elle comporte au moins dix arbres à haute tige alignés en au moins une rangée d'une longueur de minimum cent mètres;
2° elle contient au moins quatre arbres visibles simultanément et dans leur entièreté depuis un point de l'espace public;
[1 3° l'inter distance maximale entre deux sujets est de quarante mètres.]1
Wijzigingen
Art. R _IV.4-6.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 - Hagen en alleeën
De haag bedoeld in artikel D.IV.4, 11°, b), voldoet cumulatief aan de volgende voorwaarden:
1° ze bestaat voornamelijk uit inheemse soorten;
2° ze heeft een onafgebroken lengte van minstens tien meter;
3° de maximale breedte tussen de buitenste stamvoeten bedraagt tien meter.
De allee bedoeld in artikel D.IV.4, 11°, b), voldoet cumulatief aan de volgende voorwaarden:
1° ze telt minstens tien hoogstammige bomen die in ten minste één rij staan;
2° de maximale afstand tussen elke boom is veertig meter.]1
[1 - Hagen en alleeën
De haag bedoeld in artikel D.IV.4, 11°, b), voldoet cumulatief aan de volgende voorwaarden:
1° ze bestaat voornamelijk uit inheemse soorten;
2° ze heeft een onafgebroken lengte van minstens tien meter;
3° de maximale breedte tussen de buitenste stamvoeten bedraagt tien meter.
De allee bedoeld in artikel D.IV.4, 11°, b), voldoet cumulatief aan de volgende voorwaarden:
1° ze telt minstens tien hoogstammige bomen die in ten minste één rij staan;
2° de maximale afstand tussen elke boom is veertig meter.]1
Art. R _IV.4-6.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 - Haies et allées
La haie au sens de l'article D.IV.4, 11°, b), remplit cumulativement les conditions suivantes :
1° elle est constituée principalement d'essences indigènes;
2° elle présente une longueur continue de minimum dix mètres;
3° La largeur maximale entre les pieds extérieurs est de dix mètres.
L'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°, b), remplit cumulativement les conditions suivantes :
1° elle comporte au moins dix arbres à haute tige, alignés sur au moins une rangée;
2° la distance maximale entre les différents arbres est de 40 mètres.]1
[1 - Haies et allées
La haie au sens de l'article D.IV.4, 11°, b), remplit cumulativement les conditions suivantes :
1° elle est constituée principalement d'essences indigènes;
2° elle présente une longueur continue de minimum dix mètres;
3° La largeur maximale entre les pieds extérieurs est de dix mètres.
L'allée au sens de l'article D.IV.4, 11°, b), remplit cumulativement les conditions suivantes :
1° elle comporte au moins dix arbres à haute tige, alignés sur au moins une rangée;
2° la distance maximale entre les différents arbres est de 40 mètres.]1
Wijzigingen
Art. R. IV.4-7.Waardevolle bomen en struiken
Voor de toepassing van artikel D.IV.4, 12°, worden beschouwd als waardevolle bomen en struiken :
1° de bomen en struiken die individueel, in groep of in pad zijn geregistreerd voor hun landschappelijke, historische, dendrologische, folkloristische of religieuze waarde, die van bijzonder biologisch belang zijn, een uitzonderlijke lengte hebben of het feit dat ze een geografisch baken vormen, op lijsten opgesteld overeenkomstig artikel R.IV.4-9;
2° [1 de boom die cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) de stam en de kruin zijn elk meestal zichtbaar vanaf een punt in de openbare ruimte;
b) de stam, gemeten op een hoogte van 150 centimeter van de bodem, vertoont een omtrek van minstens honderd vijftig centimeter.
Bomen die een groep vormen en minstens één boom bevatten die aan de bovenstaande voorwaarden voldoet, worden allemaal in aanmerking genomen]1;
[1 2/1° de struik die cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) de stam en de kruin zijn elk meestal zichtbaar vanaf een punt in de openbare ruimte;
b) de stam, gemeten op een hoogte van 150 centimeter van de bodem, vertoont een omtrek van minstens zeventig centimeter.
Struiken die een groep vormen en minstens één struik bevatten die aan de bovenstaande voorwaarden voldoet, worden allemaal in aanmerking genomen.
De bomen die deel uitmaken van een bebossing of bomenrijen bestemd voor de bosbouw of de boslandbouw vallen daar niet onder;]1
3° de fruitbomen tegen de volgende cumulatieve voorwaarden :
a) ze zijn hoogstammig;
b) ze behoren tot één van de variëteiten bedoeld in artikel 8 van het besluit van 8 september 2016 tot toekenning van subsidies voor de aanplanting van heggen, houtwallen, boomgaarden, bomenrijen en voor het onderhoud van knotbomen;
c) ze maken deel uit van een boomgaard die minstens vijftien fruitbomen telt;
d) de stam, gemeten op een hoogte van 150 centimeter van de bodem, vertoont een omtrek van minstens honderd centimeter.
Voor de toepassing van artikel D.IV.4, 12°, worden beschouwd als waardevolle bomen en struiken :
1° de bomen en struiken die individueel, in groep of in pad zijn geregistreerd voor hun landschappelijke, historische, dendrologische, folkloristische of religieuze waarde, die van bijzonder biologisch belang zijn, een uitzonderlijke lengte hebben of het feit dat ze een geografisch baken vormen, op lijsten opgesteld overeenkomstig artikel R.IV.4-9;
2° [1 de boom die cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) de stam en de kruin zijn elk meestal zichtbaar vanaf een punt in de openbare ruimte;
b) de stam, gemeten op een hoogte van 150 centimeter van de bodem, vertoont een omtrek van minstens honderd vijftig centimeter.
Bomen die een groep vormen en minstens één boom bevatten die aan de bovenstaande voorwaarden voldoet, worden allemaal in aanmerking genomen]1;
[1 2/1° de struik die cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) de stam en de kruin zijn elk meestal zichtbaar vanaf een punt in de openbare ruimte;
b) de stam, gemeten op een hoogte van 150 centimeter van de bodem, vertoont een omtrek van minstens zeventig centimeter.
Struiken die een groep vormen en minstens één struik bevatten die aan de bovenstaande voorwaarden voldoet, worden allemaal in aanmerking genomen.
De bomen die deel uitmaken van een bebossing of bomenrijen bestemd voor de bosbouw of de boslandbouw vallen daar niet onder;]1
3° de fruitbomen tegen de volgende cumulatieve voorwaarden :
a) ze zijn hoogstammig;
b) ze behoren tot één van de variëteiten bedoeld in artikel 8 van het besluit van 8 september 2016 tot toekenning van subsidies voor de aanplanting van heggen, houtwallen, boomgaarden, bomenrijen en voor het onderhoud van knotbomen;
c) ze maken deel uit van een boomgaard die minstens vijftien fruitbomen telt;
d) de stam, gemeten op een hoogte van 150 centimeter van de bodem, vertoont een omtrek van minstens honderd centimeter.
Art. R. IV.4-7.Arbres et arbustes remarquables
Pour l'application de l'article D.IV.4, 12°, sont considérés comme arbres et arbustes remarquables :
1° les arbres et arbustes répertoriés, individuellement, en groupe ou en allée, pour leur intérêt paysager, historique, dendrologique, folklorique ou religieux, de curiosité biologique, leur taille exceptionnelle ou le fait qu'ils constituent un repère géographique, sur des listes établies conformément à l'article R.IV.4-9;
2° [1 l'arbre qui remplit cumulativement les conditions suivantes :
a) le tronc et la couronne sont chacun majoritairement visibles depuis un point de l'espace public ;
b) le tronc mesuré à cent cinquante centimètres du sol présente une circonférence de minimum cent cinquante centimètres.
Les sujets qui forment un groupe d'arbres qui comportent au moins un arbre conforme aux conditions ci-dessus sont tous pris en compte]1.
[1 2/1° l'arbuste qui remplit cumulativement les conditions suivantes :
a) le tronc et la couronne sont chacun majoritairement visibles depuis un point de l'espace public ;
b) le tronc mesuré à cent cinquante centimètres du sol présente une circonférence de minimum septante centimètres
Les sujets qui forment un groupe d'arbustes qui comportent au moins un arbuste conforme aux conditions ci-dessus sont tous pris en compte.
Les arbres constitutifs de boisement ou d'alignements destinés à une exploitation sylvicole ou à l'agroforesterie ne sont pas concernés.]1
3° les arbres fruitiers aux conditions cumulatives suivantes :
a) ils sont menés en haute-tige;
b) ils appartiennent à une des variétés visée à l'article 8 de l'arrêté du 8 septembre 2016 relatif à l'octroi de subventions pour la plantation d'une haie vive, d'un taillis linéaire, d'un verger et d'alignement d'arbres ainsi que pour l'entretien des arbres têtards;
c) ils font partie d'un verger comptant un minimum de quinze arbres fruitiers;
d) leur tronc mesuré à cent cinquante centimètres du sol présente une circonférence de minimum cent centimètres.
Pour l'application de l'article D.IV.4, 12°, sont considérés comme arbres et arbustes remarquables :
1° les arbres et arbustes répertoriés, individuellement, en groupe ou en allée, pour leur intérêt paysager, historique, dendrologique, folklorique ou religieux, de curiosité biologique, leur taille exceptionnelle ou le fait qu'ils constituent un repère géographique, sur des listes établies conformément à l'article R.IV.4-9;
2° [1 l'arbre qui remplit cumulativement les conditions suivantes :
a) le tronc et la couronne sont chacun majoritairement visibles depuis un point de l'espace public ;
b) le tronc mesuré à cent cinquante centimètres du sol présente une circonférence de minimum cent cinquante centimètres.
Les sujets qui forment un groupe d'arbres qui comportent au moins un arbre conforme aux conditions ci-dessus sont tous pris en compte]1.
[1 2/1° l'arbuste qui remplit cumulativement les conditions suivantes :
a) le tronc et la couronne sont chacun majoritairement visibles depuis un point de l'espace public ;
b) le tronc mesuré à cent cinquante centimètres du sol présente une circonférence de minimum septante centimètres
Les sujets qui forment un groupe d'arbustes qui comportent au moins un arbuste conforme aux conditions ci-dessus sont tous pris en compte.
Les arbres constitutifs de boisement ou d'alignements destinés à une exploitation sylvicole ou à l'agroforesterie ne sont pas concernés.]1
3° les arbres fruitiers aux conditions cumulatives suivantes :
a) ils sont menés en haute-tige;
b) ils appartiennent à une des variétés visée à l'article 8 de l'arrêté du 8 septembre 2016 relatif à l'octroi de subventions pour la plantation d'une haie vive, d'un taillis linéaire, d'un verger et d'alignement d'arbres ainsi que pour l'entretien des arbres têtards;
c) ils font partie d'un verger comptant un minimum de quinze arbres fruitiers;
d) leur tronc mesuré à cent cinquante centimètres du sol présente une circonférence de minimum cent centimètres.
Wijzigingen
Art. R. IV.4-8.Waardevolle hagen
Voor de toepassing van artikel D.IV.4, 12°, worden beschouwd als waardevolle hagen :
1° de hagen die geregistreerd zijn voor hun landschappelijke, historische, dendrologische, folkloristische of religieuze waarde, die van bijzonder biologisch belang zijn, een uitzonderlijke lengte hebben of het feit dat ze een geografisch baken vormen, op lijsten opgesteld overeenkomstig artikel R.IV.4-9;
2° [1 hagen die hoofdzakelijk bestaan uit inlandse soorten die al meer dan dertig jaar op het openbare domein staan en waarvan de breedte tussen de buitenvoeten gelijk is aan of minder is dan drie meter]1.
Voor de toepassing van artikel D.IV.4, 12°, worden beschouwd als waardevolle hagen :
1° de hagen die geregistreerd zijn voor hun landschappelijke, historische, dendrologische, folkloristische of religieuze waarde, die van bijzonder biologisch belang zijn, een uitzonderlijke lengte hebben of het feit dat ze een geografisch baken vormen, op lijsten opgesteld overeenkomstig artikel R.IV.4-9;
2° [1 hagen die hoofdzakelijk bestaan uit inlandse soorten die al meer dan dertig jaar op het openbare domein staan en waarvan de breedte tussen de buitenvoeten gelijk is aan of minder is dan drie meter]1.
Art. R. IV.4-8.Haies remarquables
Pour l'application de l'article D.IV.4, 12°, sont considérées comme haies remarquables :
1° les haies répertoriées pour leur intérêt paysager, historique, dendrologique, folklorique ou religieux, de curiosité biologique, leur taille exceptionnelle ou le fait qu'elles constituent un repère géographique, sur des listes établies conformément à l'article R.IV.4-9;
2° [1 les haies majoritairement constituées d'essences indigènes implantées depuis plus de trente ans sur le domaine public de la voirie et dont la largeur entre pieds extérieurs est égale ou inférieure à trois mètres]1.
Pour l'application de l'article D.IV.4, 12°, sont considérées comme haies remarquables :
1° les haies répertoriées pour leur intérêt paysager, historique, dendrologique, folklorique ou religieux, de curiosité biologique, leur taille exceptionnelle ou le fait qu'elles constituent un repère géographique, sur des listes établies conformément à l'article R.IV.4-9;
2° [1 les haies majoritairement constituées d'essences indigènes implantées depuis plus de trente ans sur le domaine public de la voirie et dont la largeur entre pieds extérieurs est égale ou inférieure à trois mètres]1.
Wijzigingen
Art. R _IV.4-8.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Waardevolle hagen
Voor de toepassing van artikel D.IV.4, 12°, worden beschouwd als waardevolle hagen :
1° de hagen die geregistreerd zijn voor hun landschappelijke, historische, dendrologische, folkloristische of religieuze waarde, die van bijzonder biologisch belang zijn, een uitzonderlijke lengte hebben of het feit dat ze een geografisch baken vormen, op lijsten opgesteld overeenkomstig artikel R.IV.4-9;
2° [1 de hagen uit voornamelijk inlandse soorten die sedert meer dan dertig jaar op het openbaar domein van de wegen geplant zijn.]1
Waardevolle hagen
Voor de toepassing van artikel D.IV.4, 12°, worden beschouwd als waardevolle hagen :
1° de hagen die geregistreerd zijn voor hun landschappelijke, historische, dendrologische, folkloristische of religieuze waarde, die van bijzonder biologisch belang zijn, een uitzonderlijke lengte hebben of het feit dat ze een geografisch baken vormen, op lijsten opgesteld overeenkomstig artikel R.IV.4-9;
2° [1 de hagen uit voornamelijk inlandse soorten die sedert meer dan dertig jaar op het openbaar domein van de wegen geplant zijn.]1
Art. R _IV.4-8.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Haies remarquables
Pour l'application de l'article D.IV.4, 12°, sont considérées comme haies remarquables :
1° les haies répertoriées pour leur intérêt paysager, historique, dendrologique, folklorique ou religieux, de curiosité biologique, leur taille exceptionnelle ou le fait qu'elles constituent un repère géographique, sur des listes établies conformément à l'article R.IV.4-9;
2° [1 les haies constituées principalement d'essences indigènes, plantées depuis plus de trente ans sur le domaine public de la voirie]1
Haies remarquables
Pour l'application de l'article D.IV.4, 12°, sont considérées comme haies remarquables :
1° les haies répertoriées pour leur intérêt paysager, historique, dendrologique, folklorique ou religieux, de curiosité biologique, leur taille exceptionnelle ou le fait qu'elles constituent un repère géographique, sur des listes établies conformément à l'article R.IV.4-9;
2° [1 les haies constituées principalement d'essences indigènes, plantées depuis plus de trente ans sur le domaine public de la voirie]1
Wijzigingen
Art. R. IV.4-9.De lijst met de waardevolle bomen, struiken en hagen wordt om de drie jaar volgens de volgende procedure bijgewerkt :
1° [2 De administratie]2 stuurt naar elk gemeentecollege de bestaande lijst betreffende zijn grondgebied alsook de telling uitgevoerd sinds het laatste ministerieel besluit genomen door de daartoe aangewezen dienst van [1 de milieuadministratie]1;
2° binnen twaalf maanden van de zending van [2 de administratie]2, na advies van de gemeentelijke commissie die over een termijn van zestig dagen vanaf de aanvraag van het college beschikt, stuurt het gemeentecollege naar [2 de administratie]2 de lijst van de bomen, struiken of hagen die hij wenst toe te voegen of weg te halen van de lijst en van de telling bedoeld in 1°, door de naam van de soort en de lokalisatie ervan te identificeren; bij gebrek aan voorstel binnen de vereiste termijn, wordt er geen rekening mee gehouden;
3° wanneer het gemeentecollege zijn voorstel binnen de vereiste termijn heeft overgemaakt, stuurt DGO4 het voorstel voor advies naar [1 de milieuadministratie]1 dat, binnen zes maanden van de verzending van de adviesaanvraag, zijn advies aan [2 de administratie]2 overmaakt;
4° [2 de administratie]2 maakt de lijst aan de Minister en aan Minister van Natuurbehoud over en identificeert, in voorkomend geval, de bomen, struiken en hagen die het voorwerp uitmaken van een uiteenlopend advies tussen DGO3 en het gemeentecollege;
5° de Minister bedoeld in punt 4° bepalen de lijst van de waardevolle bomen, struiken en hagen;
6° de lijst wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst.
Wanneer de gemeentelijke Commissie haar advies niet binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, 2°, overmaakt, wordt aan het advies voorbijgegaan.
Elke persoon kan aan de daartoe aangewezen dienst van [1 de milieuadministratie]1, een boom, een struik of een haag voorstellen die één of meerdere van de criteria vermeld in de artikelen R.IV.4-7 of R.IV.4-8 vertoont.
De lijsten aangenomen per ministerieel besluit vóór de datum van inwerkingtreding van het Wetboek zijn lijsten die bestaan in de zin van het eerste lid, 1°.
1° [2 De administratie]2 stuurt naar elk gemeentecollege de bestaande lijst betreffende zijn grondgebied alsook de telling uitgevoerd sinds het laatste ministerieel besluit genomen door de daartoe aangewezen dienst van [1 de milieuadministratie]1;
2° binnen twaalf maanden van de zending van [2 de administratie]2, na advies van de gemeentelijke commissie die over een termijn van zestig dagen vanaf de aanvraag van het college beschikt, stuurt het gemeentecollege naar [2 de administratie]2 de lijst van de bomen, struiken of hagen die hij wenst toe te voegen of weg te halen van de lijst en van de telling bedoeld in 1°, door de naam van de soort en de lokalisatie ervan te identificeren; bij gebrek aan voorstel binnen de vereiste termijn, wordt er geen rekening mee gehouden;
3° wanneer het gemeentecollege zijn voorstel binnen de vereiste termijn heeft overgemaakt, stuurt DGO4 het voorstel voor advies naar [1 de milieuadministratie]1 dat, binnen zes maanden van de verzending van de adviesaanvraag, zijn advies aan [2 de administratie]2 overmaakt;
4° [2 de administratie]2 maakt de lijst aan de Minister en aan Minister van Natuurbehoud over en identificeert, in voorkomend geval, de bomen, struiken en hagen die het voorwerp uitmaken van een uiteenlopend advies tussen DGO3 en het gemeentecollege;
5° de Minister bedoeld in punt 4° bepalen de lijst van de waardevolle bomen, struiken en hagen;
6° de lijst wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de cartografische portaalsite van de Waalse Overheidsdienst.
Wanneer de gemeentelijke Commissie haar advies niet binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, 2°, overmaakt, wordt aan het advies voorbijgegaan.
Elke persoon kan aan de daartoe aangewezen dienst van [1 de milieuadministratie]1, een boom, een struik of een haag voorstellen die één of meerdere van de criteria vermeld in de artikelen R.IV.4-7 of R.IV.4-8 vertoont.
De lijsten aangenomen per ministerieel besluit vóór de datum van inwerkingtreding van het Wetboek zijn lijsten die bestaan in de zin van het eerste lid, 1°.
Art. R. IV.4-9.La liste des arbres, arbustes et haies remarquables est mise à jour tous les trois ans selon la procédure suivante :
1° la DGO4 envoie à chaque collège communal la liste existante relative à son territoire ainsi que le recensement effectué depuis la prise du dernier arrêté ministériel par le service de [1 l'administration de l'Environnement]1 désigné à cette fin;
2° dans les douze mois de l'envoi de [2 l'administration]2, après avis de la Commission communale qui dispose d'un délai de soixante jours à date de la demande du collège, le collège communal envoie à [2 l'administration]2 la liste des arbres, arbustes ou haies qu'il souhaite ajouter ou retirer de la liste et du recensement visés au 1°, en identifiant le nom de l'espèce et sa localisation; à défaut de proposition dans le délai requis, il est passé outre;
3° lorsque le collège communal a transmis sa proposition dans le délai requis, la DGO4 l'envoie pour avis à [1 l'administration de l'Environnement]1 qui, dans les six mois de l'envoi de la demande d'avis, transmet son avis à [2 l'administration]2;
4° la DGO4 transmet la liste au Ministre et au Ministre de la Conservation de la Nature en identifiant, le cas échéant, les arbres, arbustes et haies faisant l'objet d'un avis divergent entre [1 l'administration de l'Environnement]1 et le collège communal;
5° les Ministres visés au 4° arrêtent la liste arbres, arbustes et haies remarquables;
6° la liste est publiée au Moniteur belge et sur le portail cartographique du SPW.
Lorsque la Commission communale ne transmet pas son avis dans le délai visé à l'alinéa 1er, 2°, il est passé outre.
Toute personne peut proposer au service de [1 l'administration de l'Environnement]1 désigné à cette fin, un arbre, un arbuste ou une haie qui présente un ou plusieurs des critères mentionnés aux articles R.IV.4-7 ou R.IV.4-8.
Les listes adoptées par arrêté ministériel avant la date d'entrée en vigueur du Code sont des listes existantes au sens de l'alinéa 1er, 1°.
1° la DGO4 envoie à chaque collège communal la liste existante relative à son territoire ainsi que le recensement effectué depuis la prise du dernier arrêté ministériel par le service de [1 l'administration de l'Environnement]1 désigné à cette fin;
2° dans les douze mois de l'envoi de [2 l'administration]2, après avis de la Commission communale qui dispose d'un délai de soixante jours à date de la demande du collège, le collège communal envoie à [2 l'administration]2 la liste des arbres, arbustes ou haies qu'il souhaite ajouter ou retirer de la liste et du recensement visés au 1°, en identifiant le nom de l'espèce et sa localisation; à défaut de proposition dans le délai requis, il est passé outre;
3° lorsque le collège communal a transmis sa proposition dans le délai requis, la DGO4 l'envoie pour avis à [1 l'administration de l'Environnement]1 qui, dans les six mois de l'envoi de la demande d'avis, transmet son avis à [2 l'administration]2;
4° la DGO4 transmet la liste au Ministre et au Ministre de la Conservation de la Nature en identifiant, le cas échéant, les arbres, arbustes et haies faisant l'objet d'un avis divergent entre [1 l'administration de l'Environnement]1 et le collège communal;
5° les Ministres visés au 4° arrêtent la liste arbres, arbustes et haies remarquables;
6° la liste est publiée au Moniteur belge et sur le portail cartographique du SPW.
Lorsque la Commission communale ne transmet pas son avis dans le délai visé à l'alinéa 1er, 2°, il est passé outre.
Toute personne peut proposer au service de [1 l'administration de l'Environnement]1 désigné à cette fin, un arbre, un arbuste ou une haie qui présente un ou plusieurs des critères mentionnés aux articles R.IV.4-7 ou R.IV.4-8.
Les listes adoptées par arrêté ministériel avant la date d'entrée en vigueur du Code sont des listes existantes au sens de l'alinéa 1er, 1°.
Art. R. IV.4-9_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De lijst van waardevolle bomen, struiken en hagen die samen met het Waals Gewest is aangenomen, wordt bijgehouden zoals bepaald in artikel 70, § 2, van het Samenwerkingsakkoord.]1
[1 De lijst van waardevolle bomen, struiken en hagen die samen met het Waals Gewest is aangenomen, wordt bijgehouden zoals bepaald in artikel 70, § 2, van het Samenwerkingsakkoord.]1
Art. R. IV.4-9_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 La liste des arbres, arbustes et haies remarquables adoptée en commun avec la Région wallonne est mise à jour selon la procédure mentionnée à l'article 70, § 2, de l'accord de coopération.]1
[1 La liste des arbres, arbustes et haies remarquables adoptée en commun avec la Région wallonne est mise à jour selon la procédure mentionnée à l'article 70, § 2, de l'accord de coopération.]1
Wijzigingen
Art. R. IV.4-10.§ 1. Worden beschouwd als werken die het uitzicht van waardevolle bomen, struiken en hagen wijzigen :
1° het toppen dat erin bestaat om het geheel van de kruin te verwijderen;
2° het bijeenbrengen dat erin bestaat om de gesteltakken op een derde van hun lengte te snoeien;
3° het afhakken bestaat erin om de gesteltakken [1 levende]1 te snoeien tot aan hun aanhechtingsplaats aan de stam;
4° de inkorting van de [1 takken van meer dan dertig centimeter omtrek die een wonde veroorzaken]1 voor de struiken en van meer dan vijftig centimeter omtrek voor de bomen;
5° het uitdunnen met het verwijderen van meer dan één derde van de kruin verdeeld op het geheel van de kroon;
6° het aanpassen van het snoeien met de verwijdering van een afgebakend gedeelte van de kruin om de kroon aan te passen aan de plaatselijke eisen;
7° de lengte na verwerking bestaat erin om de vorm van de kruin of de structuur en/of de samenstelling van de vegetatie van de haag duidelijk te wijzigen;
8° het snoeien van de haag met een mulcher hakselaar;
9° het kort snoeien van de haag of de struik.
Paragraaf 1 is niet van toepassing op de waardevolle geknotte bomen of op de bomen waarvan het snoeien het onderhoud van de fruitbomen bedoeld in artikel R.IV.4-7, 3° beoogt.
§ 2. [1 Voor bomen, struiken, worden werkzaamheden zoals hierna volgend, op voorwaarde dat ze worden uitgevoerd in de cirkel gedefinieerd door de verticale projectie op de grond van hun kruinn waaraan vijf meter wordt toegevoegd en voor opmerkelijke hagen op voorwaarde dat ze worden uitgevoerd in een strook van twee meter aan weerszijden van de haag, " beschouwd als werkzaamheden die het wortelstelsel beschadigen]1:
1° het ondoorlatend maken van de gronden;
2° de inklinking van de gronden;
3° het schoonschrapen van de gronden op meer dan dertig centimeter diepte;
4° de extra belasting van de grond boven het niveau van de gronden die reeds bestonden vóór de werken;
5° het voorbijrijden van voertuigen, de besturing van bouwmachines, de opslag en vervoer van materialen, met uitzondering van de doorgang van voertuigen bestemd voor het onderhoud van de bomen, struiken en hagen;
6° het afsnijden van de wortels;
7° de ingraving van de kraag;
8° het gebruik van chemische producten : brandstoffen, fungiciden, herbiciden, chemische producten voor de bouw [1 , product gevaarlijk voor bomen, struiken of hagen]1;
9° het aansteken van vuur.
1° het toppen dat erin bestaat om het geheel van de kruin te verwijderen;
2° het bijeenbrengen dat erin bestaat om de gesteltakken op een derde van hun lengte te snoeien;
3° het afhakken bestaat erin om de gesteltakken [1 levende]1 te snoeien tot aan hun aanhechtingsplaats aan de stam;
4° de inkorting van de [1 takken van meer dan dertig centimeter omtrek die een wonde veroorzaken]1 voor de struiken en van meer dan vijftig centimeter omtrek voor de bomen;
5° het uitdunnen met het verwijderen van meer dan één derde van de kruin verdeeld op het geheel van de kroon;
6° het aanpassen van het snoeien met de verwijdering van een afgebakend gedeelte van de kruin om de kroon aan te passen aan de plaatselijke eisen;
7° de lengte na verwerking bestaat erin om de vorm van de kruin of de structuur en/of de samenstelling van de vegetatie van de haag duidelijk te wijzigen;
8° het snoeien van de haag met een mulcher hakselaar;
9° het kort snoeien van de haag of de struik.
Paragraaf 1 is niet van toepassing op de waardevolle geknotte bomen of op de bomen waarvan het snoeien het onderhoud van de fruitbomen bedoeld in artikel R.IV.4-7, 3° beoogt.
§ 2. [1 Voor bomen, struiken, worden werkzaamheden zoals hierna volgend, op voorwaarde dat ze worden uitgevoerd in de cirkel gedefinieerd door de verticale projectie op de grond van hun kruinn waaraan vijf meter wordt toegevoegd en voor opmerkelijke hagen op voorwaarde dat ze worden uitgevoerd in een strook van twee meter aan weerszijden van de haag, " beschouwd als werkzaamheden die het wortelstelsel beschadigen]1:
1° het ondoorlatend maken van de gronden;
2° de inklinking van de gronden;
3° het schoonschrapen van de gronden op meer dan dertig centimeter diepte;
4° de extra belasting van de grond boven het niveau van de gronden die reeds bestonden vóór de werken;
5° het voorbijrijden van voertuigen, de besturing van bouwmachines, de opslag en vervoer van materialen, met uitzondering van de doorgang van voertuigen bestemd voor het onderhoud van de bomen, struiken en hagen;
6° het afsnijden van de wortels;
7° de ingraving van de kraag;
8° het gebruik van chemische producten : brandstoffen, fungiciden, herbiciden, chemische producten voor de bouw [1 , product gevaarlijk voor bomen, struiken of hagen]1;
9° het aansteken van vuur.
Art. R. IV.4-10.§ 1er. Sont considérés comme travaux modifiant l'aspect des arbres, arbustes ou haies remarquables :
1° l'étêtage consistant à enlever l'ensemble du houppier;
2° le rapprochement consistant à couper les branches charpentières sur un tiers de leur longueur;
3° le ravalement consistant à couper les branches charpentières [1 vivantes]1 jusqu'à leur point d'insertion au tronc;
4° le raccourcissement des branches [1 vivantes occassionnant une plaie]1 de plus de trente centimètres de tour pour les arbustes et de plus de cinquante centimètres de tour pour les arbres;
5° la taille d'éclaircissage avec enlèvement de plus du tiers du houppier réparti dans l'ensemble de la couronne;
6° la taille d'adaptation avec enlèvement d'une partie circonscrite du houppier pour adapter la couronne aux contraintes locales;
7° la taille de conversion consistant à modifier significativement la forme du houppier ou la structure et/ou la composition de la végétation de la haie;
8° la taille de haie à l'épareuse;
9° le recépage de la haie ou de l'arbuste.
Le paragraphe 1er ne s'applique pas aux arbres remarquables dont la taille a été menée en têtard ou dont la taille vise l'entretien des arbres fruitiers visés à l'article R.IV.4-7, 3°.
§ 2. [1 Pour les arbres, arbustes, à la condition qu'ils soient réalisés dans le cercle défini par la projection verticale au sol de leur couronne auquel on ajoute cinq mètres et pour les haies remarquables à la condition qu'ils soient réalisés dans une bande de deux mètres de part et d'autre de la haie, sont considérés comme travaux portant atteinte au système racinaire des travaux tels que]1 :
1° l'imperméabilisation des terres;
2° le tassement des terres;
3° le décapage des terres sur plus de trente centimètres de profondeur;
4° la surcharge de terre au-dessus du niveau des terres préexistant aux travaux;
5° le passage de véhicules, manipulation d'engins de chantier, dépôts et transports de matériaux, à l'exception du charroi des véhicules destinés à l'entretien des arbres, arbustes et haies;
6° la section des racines;
7° l'enfouissement du collet;
8° l'usage de produits chimiques : carburants, fongicides, herbicides, produits chimiques pour la construction [1 , produit dangereux pour l'arbre, l'arbuste ou la haie]1;
9° l'allumage de feux.
1° l'étêtage consistant à enlever l'ensemble du houppier;
2° le rapprochement consistant à couper les branches charpentières sur un tiers de leur longueur;
3° le ravalement consistant à couper les branches charpentières [1 vivantes]1 jusqu'à leur point d'insertion au tronc;
4° le raccourcissement des branches [1 vivantes occassionnant une plaie]1 de plus de trente centimètres de tour pour les arbustes et de plus de cinquante centimètres de tour pour les arbres;
5° la taille d'éclaircissage avec enlèvement de plus du tiers du houppier réparti dans l'ensemble de la couronne;
6° la taille d'adaptation avec enlèvement d'une partie circonscrite du houppier pour adapter la couronne aux contraintes locales;
7° la taille de conversion consistant à modifier significativement la forme du houppier ou la structure et/ou la composition de la végétation de la haie;
8° la taille de haie à l'épareuse;
9° le recépage de la haie ou de l'arbuste.
Le paragraphe 1er ne s'applique pas aux arbres remarquables dont la taille a été menée en têtard ou dont la taille vise l'entretien des arbres fruitiers visés à l'article R.IV.4-7, 3°.
§ 2. [1 Pour les arbres, arbustes, à la condition qu'ils soient réalisés dans le cercle défini par la projection verticale au sol de leur couronne auquel on ajoute cinq mètres et pour les haies remarquables à la condition qu'ils soient réalisés dans une bande de deux mètres de part et d'autre de la haie, sont considérés comme travaux portant atteinte au système racinaire des travaux tels que]1 :
1° l'imperméabilisation des terres;
2° le tassement des terres;
3° le décapage des terres sur plus de trente centimètres de profondeur;
4° la surcharge de terre au-dessus du niveau des terres préexistant aux travaux;
5° le passage de véhicules, manipulation d'engins de chantier, dépôts et transports de matériaux, à l'exception du charroi des véhicules destinés à l'entretien des arbres, arbustes et haies;
6° la section des racines;
7° l'enfouissement du collet;
8° l'usage de produits chimiques : carburants, fongicides, herbicides, produits chimiques pour la construction [1 , produit dangereux pour l'arbre, l'arbuste ou la haie]1;
9° l'allumage de feux.
Wijzigingen
Art. R. IV.4-10_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. [1 Onverminderd artikel 70, § 1, van het Samenwerkingsakkoord worden beschouwd]1 als werken die het uitzicht van waardevolle bomen, struiken en hagen wijzigen :
1° het toppen dat erin bestaat om het geheel van de kruin te verwijderen;
2° het bijeenbrengen dat erin bestaat om de gesteltakken op een derde van hun lengte te snoeien;
3° het afhakken bestaat erin om de [2 levende gesteltakken]2 te snoeien tot aan hun aanhechtingsplaats aan de stam;
4° [2 het inkorten van takken die op het snoeipunt een omtrek van meer dan dertig centimeter hebben;]2
5° het uitdunnen met het verwijderen van meer dan één derde van de kruin verdeeld op het geheel van de kroon;
6° het aanpassen van het snoeien met de verwijdering van een afgebakend gedeelte van de kruin om de kroon aan te passen aan de plaatselijke eisen;
7° de lengte na verwerking bestaat erin om de vorm van de kruin of de structuur en/of de samenstelling van de vegetatie van de haag duidelijk te wijzigen;
8° het snoeien van de haag met een mulcher hakselaar [2 , behalve als dit elk jaar of om de twee jaar gebeurt; doorgroeiende bomen mogen niet worden beschadigd]2;
9° het kort snoeien van de haag of de struik.
[2 Paragraaf 1 is niet van toepassing op waardevolle bomen, als het snoeien tot doel heeft om die bomen als knotbomen te behouden of om in het regelmatig onderhoud te voorzien van fruitbomen in de zin van artikel R.IV.4-7, 3°.]2
§ 2. Worden beschouwd als werken die schade toebrengen aan het wortelstelsel van de waardevolle bomen, struiken en hagen, de werken die uitgevoerd worden in de cirkel bepaald door de verticale projectie van de kruin van de boom of struik en in een strook van twee meter aan weerskanten van de haag zoals :
1° het ondoorlatend maken van de gronden;
2° de inklinking van de gronden;
3° het schoonschrapen van de gronden op meer dan dertig centimeter diepte;
4° de extra belasting van de grond boven het niveau van de gronden die reeds bestonden vóór de werken;
5° het voorbijrijden van voertuigen, de besturing van bouwmachines, de opslag en vervoer van materialen, met uitzondering van de doorgang van voertuigen bestemd voor het onderhoud van de bomen, struiken en hagen;
6° het afsnijden van de wortels;
7° de ingraving van de kraag;
8° het gebruik van chemische producten : brandstoffen, fungiciden, herbiciden, chemische producten voor de bouw;
9° het aansteken van vuur.
§ 1. [1 Onverminderd artikel 70, § 1, van het Samenwerkingsakkoord worden beschouwd]1 als werken die het uitzicht van waardevolle bomen, struiken en hagen wijzigen :
1° het toppen dat erin bestaat om het geheel van de kruin te verwijderen;
2° het bijeenbrengen dat erin bestaat om de gesteltakken op een derde van hun lengte te snoeien;
3° het afhakken bestaat erin om de [2 levende gesteltakken]2 te snoeien tot aan hun aanhechtingsplaats aan de stam;
4° [2 het inkorten van takken die op het snoeipunt een omtrek van meer dan dertig centimeter hebben;]2
5° het uitdunnen met het verwijderen van meer dan één derde van de kruin verdeeld op het geheel van de kroon;
6° het aanpassen van het snoeien met de verwijdering van een afgebakend gedeelte van de kruin om de kroon aan te passen aan de plaatselijke eisen;
7° de lengte na verwerking bestaat erin om de vorm van de kruin of de structuur en/of de samenstelling van de vegetatie van de haag duidelijk te wijzigen;
8° het snoeien van de haag met een mulcher hakselaar [2 , behalve als dit elk jaar of om de twee jaar gebeurt; doorgroeiende bomen mogen niet worden beschadigd]2;
9° het kort snoeien van de haag of de struik.
[2 Paragraaf 1 is niet van toepassing op waardevolle bomen, als het snoeien tot doel heeft om die bomen als knotbomen te behouden of om in het regelmatig onderhoud te voorzien van fruitbomen in de zin van artikel R.IV.4-7, 3°.]2
§ 2. Worden beschouwd als werken die schade toebrengen aan het wortelstelsel van de waardevolle bomen, struiken en hagen, de werken die uitgevoerd worden in de cirkel bepaald door de verticale projectie van de kruin van de boom of struik en in een strook van twee meter aan weerskanten van de haag zoals :
1° het ondoorlatend maken van de gronden;
2° de inklinking van de gronden;
3° het schoonschrapen van de gronden op meer dan dertig centimeter diepte;
4° de extra belasting van de grond boven het niveau van de gronden die reeds bestonden vóór de werken;
5° het voorbijrijden van voertuigen, de besturing van bouwmachines, de opslag en vervoer van materialen, met uitzondering van de doorgang van voertuigen bestemd voor het onderhoud van de bomen, struiken en hagen;
6° het afsnijden van de wortels;
7° de ingraving van de kraag;
8° het gebruik van chemische producten : brandstoffen, fungiciden, herbiciden, chemische producten voor de bouw;
9° het aansteken van vuur.
Art. R. IV.4-10_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. [1 Sans préjudice de l'article 70, § 1er, de l'accord de coopération sont considérés]1 comme travaux modifiant l'aspect des arbres, arbustes ou haies remarquables :
1° l'étêtage consistant à enlever l'ensemble du houppier;
2° le rapprochement consistant à couper les branches charpentières sur un tiers de leur longueur;
3° le ravalement consistant à couper les branches charpentières [2 vivantes]2 jusqu'à leur point d'insertion au tronc;
4° [2 le raccourcissement des branches qui ont plus de trente centimètres de tour au point de taille;]2
5° la taille d'éclaircissage avec enlèvement de plus du tiers du houppier réparti dans l'ensemble de la couronne;
6° la taille d'adaptation avec enlèvement d'une partie circonscrite du houppier pour adapter la couronne aux contraintes locales;
7° la taille de conversion consistant à modifier significativement la forme du houppier ou la structure et/ou la composition de la végétation de la haie;
8° la taille de haie à l'épareuse [2 , sauf si cette taille a lieu tous les ans ou tous les deux ans; des arbres en croissance ne peuvent être endommagés]2;
9° le recépage de la haie ou de l'arbuste.
Le paragraphe 1er ne s'applique pas aux arbres remarquables dont la taille a été menée en têtard ou dont la taille vise l'entretien des arbres fruitiers visés à l'article R.IV.4-7, 3°.
§ 2. Sont considérés comme travaux portant atteinte au système racinaire des arbres, arbustes ou haies remarquables, les travaux exécutés dans le cercle défini par la projection verticale de la couronne de l'arbre ou de l'arbuste et dans une bande de deux mètres de part et d'autre de la haie tels que :
1° l'imperméabilisation des terres;
2° le tassement des terres;
3° le décapage des terres sur plus de trente centimètres de profondeur;
4° la surcharge de terre au-dessus du niveau des terres préexistant aux travaux;
5° le passage de véhicules, manipulation d'engins de chantier, dépôts et transports de matériaux, à l'exception du charroi des véhicules destinés à l'entretien des arbres, arbustes et haies;
6° la section des racines;
7° l'enfouissement du collet;
8° l'usage de produits chimiques : carburants, fongicides, herbicides, produits chimiques pour la construction;
9° l'allumage de feux.
§ 1er. [1 Sans préjudice de l'article 70, § 1er, de l'accord de coopération sont considérés]1 comme travaux modifiant l'aspect des arbres, arbustes ou haies remarquables :
1° l'étêtage consistant à enlever l'ensemble du houppier;
2° le rapprochement consistant à couper les branches charpentières sur un tiers de leur longueur;
3° le ravalement consistant à couper les branches charpentières [2 vivantes]2 jusqu'à leur point d'insertion au tronc;
4° [2 le raccourcissement des branches qui ont plus de trente centimètres de tour au point de taille;]2
5° la taille d'éclaircissage avec enlèvement de plus du tiers du houppier réparti dans l'ensemble de la couronne;
6° la taille d'adaptation avec enlèvement d'une partie circonscrite du houppier pour adapter la couronne aux contraintes locales;
7° la taille de conversion consistant à modifier significativement la forme du houppier ou la structure et/ou la composition de la végétation de la haie;
8° la taille de haie à l'épareuse [2 , sauf si cette taille a lieu tous les ans ou tous les deux ans; des arbres en croissance ne peuvent être endommagés]2;
9° le recépage de la haie ou de l'arbuste.
Le paragraphe 1er ne s'applique pas aux arbres remarquables dont la taille a été menée en têtard ou dont la taille vise l'entretien des arbres fruitiers visés à l'article R.IV.4-7, 3°.
§ 2. Sont considérés comme travaux portant atteinte au système racinaire des arbres, arbustes ou haies remarquables, les travaux exécutés dans le cercle défini par la projection verticale de la couronne de l'arbre ou de l'arbuste et dans une bande de deux mètres de part et d'autre de la haie tels que :
1° l'imperméabilisation des terres;
2° le tassement des terres;
3° le décapage des terres sur plus de trente centimètres de profondeur;
4° la surcharge de terre au-dessus du niveau des terres préexistant aux travaux;
5° le passage de véhicules, manipulation d'engins de chantier, dépôts et transports de matériaux, à l'exception du charroi des véhicules destinés à l'entretien des arbres, arbustes et haies;
6° la section des racines;
7° l'enfouissement du collet;
8° l'usage de produits chimiques : carburants, fongicides, herbicides, produits chimiques pour la construction;
9° l'allumage de feux.
Art. R. IV.4-11.De beschermde gebieden bedoeld in artikel D.IV.4, 13°, zijn :
1° [1 [3 ...]3]1
2° [1 de beschermingsgebieden in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek [3 ...]3;]1
3° [2 de gebieden erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering [4 van de beheerseenheden 4, 5, 10 en 11]4 van de aangewezen Natura 2000-gebieden]2
4° [2 ...]2
1° [1 [3 ...]3]1
2° [1 de beschermingsgebieden in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek [3 ...]3;]1
3° [2 de gebieden erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering [4 van de beheerseenheden 4, 5, 10 en 11]4 van de aangewezen Natura 2000-gebieden]2
4° [2 ...]2
Art. R. IV.4-11.Les zones protégées visées à l'article D.IV.4, 13°, sont :
1° [1 [3 ...]3]1
2° [1 les zones de protection au sens du Code wallon du Patrimoine [3 ...]3;]1
3° [2 les sites reconnus par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception [4 des unités de gestion 4, 5, 10 et 11]4 des sites Natura 2000 désignés.]2
4° [2 ...]2
1° [1 [3 ...]3]1
2° [1 les zones de protection au sens du Code wallon du Patrimoine [3 ...]3;]1
3° [2 les sites reconnus par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception [4 des unités de gestion 4, 5, 10 et 11]4 des sites Natura 2000 désignés.]2
4° [2 ...]2
Art. R. IV.4-11_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De beschermde gebieden bedoeld in artikel D.IV.4, 13°, zijn :
1° [1 [3 de goederen die met toepassing van het erfgoeddecreet voorlopig of definitief gerangschikt zijn;]3]1
2° [1 [3 de goederen die zich in het beschermingsgebied van een voorlopig of definitief gerangschikt goed of op een archeologische vindplaats bevinden]3;]1
3° [2 de gebieden erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van de aangewezen Natura 2000-gebieden]2
4° [2 ...]2
De beschermde gebieden bedoeld in artikel D.IV.4, 13°, zijn :
1° [1 [3 de goederen die met toepassing van het erfgoeddecreet voorlopig of definitief gerangschikt zijn;]3]1
2° [1 [3 de goederen die zich in het beschermingsgebied van een voorlopig of definitief gerangschikt goed of op een archeologische vindplaats bevinden]3;]1
3° [2 de gebieden erkend krachtens de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van de aangewezen Natura 2000-gebieden]2
4° [2 ...]2
Art. R. IV.4-11_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Les zones protégées visées à l'article D.IV.4, 13°, sont :
1° [1 [3 les biens classés provisoirement ou définitivement en application du décret sur le patrimoine;]3]1
2° [1 [3 les biens situés dans la zone de protection d'un bien classé provisoirement ou définitivement en application du décret sur le patrimoine ou sur un site archéologique;]3]1
3° [2 les sites reconnus par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception des sites Natura 2000 désignés.]2
4° [2 ...]2
Les zones protégées visées à l'article D.IV.4, 13°, sont :
1° [1 [3 les biens classés provisoirement ou définitivement en application du décret sur le patrimoine;]3]1
2° [1 [3 les biens situés dans la zone de protection d'un bien classé provisoirement ou définitivement en application du décret sur le patrimoine ou sur un site archéologique;]3]1
3° [2 les sites reconnus par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, à l'exception des sites Natura 2000 désignés.]2
4° [2 ...]2
HOOFDSTUK IV. - Afwijkingen en verschillen
CHAPITRE IV. - Dérogations et écarts
Afdeling 1. - Verschillen
Section 1re. - Ecarts
Afdeling 2. - Afwijkingen
Section 2. -Dérogations
Art. R. IV.9.1-1. [1 - Een project leidt tot coherente verdichting in zones die geschikt zijn voor verdichting, voor zover wordt voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° het project ligt dicht bij een dorpskern die beschikt over fundamentele verzorgingskwaliteit en bereikbaar is met het openbaar vervoer;
2° het project ligt aan een openbare weg die verhard is en die, rekening houdend met de ligging, breed genoeg is en voldoende toegerust is met waterleidingen, elektriciteitsleidingen en rioleringen, wat projecten die de opening of wijziging van een gemeenteweg vereisen, niet uitsluit, voor zover de kosten voor het aanleggen of toerusten van de weg worden gedragen door de aanvrager;
3° het project druist niet in tegen ecologische doorgangsgebieden;
4° het project betreft niet een terrein of deel van een terrein dat in de laatste vijf jaar overstroomd is geweest;
5° het project bevindt zich niet op een locatie die erkend is krachtens de wet van 12 juli 1973 over het natuurbehoud;
6° het project bevindt zich niet in een natuurgebied;
7° het project:
a) is aangepast aan de overheersende architectuur in het omliggende gebied;
b) beantwoordt aan de typische kenmerken van de plaatselijke bouwcultuur;
c) verhindert niet de verdere ontsluiting van het gebied;
d) als het om een parkgebied gaat: leidt niet tot de volledige opheffing van de parkfunctie en houdt rekening met het karakter van het gebied."
8° als het om een ontsluitingsproject of een project voor groepen van bouwwerken gaat:
a) integreert het project een concept dat rekening houdt met de zachte mobiliteit;
b) leidt het project niet tot lintbebouwing;
c) integreert het project een bijzonder concept voor openbare ruimten en installaties, met inbegrip van een groen concept.]1
1° het project ligt dicht bij een dorpskern die beschikt over fundamentele verzorgingskwaliteit en bereikbaar is met het openbaar vervoer;
2° het project ligt aan een openbare weg die verhard is en die, rekening houdend met de ligging, breed genoeg is en voldoende toegerust is met waterleidingen, elektriciteitsleidingen en rioleringen, wat projecten die de opening of wijziging van een gemeenteweg vereisen, niet uitsluit, voor zover de kosten voor het aanleggen of toerusten van de weg worden gedragen door de aanvrager;
3° het project druist niet in tegen ecologische doorgangsgebieden;
4° het project betreft niet een terrein of deel van een terrein dat in de laatste vijf jaar overstroomd is geweest;
5° het project bevindt zich niet op een locatie die erkend is krachtens de wet van 12 juli 1973 over het natuurbehoud;
6° het project bevindt zich niet in een natuurgebied;
7° het project:
a) is aangepast aan de overheersende architectuur in het omliggende gebied;
b) beantwoordt aan de typische kenmerken van de plaatselijke bouwcultuur;
c) verhindert niet de verdere ontsluiting van het gebied;
d) als het om een parkgebied gaat: leidt niet tot de volledige opheffing van de parkfunctie en houdt rekening met het karakter van het gebied."
8° als het om een ontsluitingsproject of een project voor groepen van bouwwerken gaat:
a) integreert het project een concept dat rekening houdt met de zachte mobiliteit;
b) leidt het project niet tot lintbebouwing;
c) integreert het project een bijzonder concept voor openbare ruimten en installaties, met inbegrip van een groen concept.]1
Art. R. IV.9.1-1. [1 - Un projet a pour conséquence la densification cohérente au sein de zones propices à la densification si les conditions suivantes sont remplies cumulativement :
1° le projet est situé à proximité du centre-ville et dispose d'une qualité d'approvisionnement de base et de liaisons avec les transports publics;
2° le projet est réalisé en liaison avec une voirie publique pourvue d'un revêtement solide ainsi que d'une largeur et d'un équipement en eau, électricité et égouttage suffisants compte tenu du projet, ce qui n'exclut pas les projets nécessitant l'ouverture ou la modification d'une voirie communale, à condition que les coûts liés à la réalisation et à l'équipement de la voirie soient supportés par le demandeur;
3° le projet ne fait pas obstacle aux liaisons écologiques;
4° le projet ne concerne pas un terrain ou, selon le cas, une partie de terrain qui a directement subi des inondations dans les cinq dernières années;
5° le projet n'est pas situé dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
6° le projet n'est pas situé dans une réserve naturelle;
7° le projet :
a) est adapté à la structure prédominante du territoire environnant;
b) respecte les caractéristiques typiques locales de la culture du bâti;
c) n'empêche pas de poursuivre l'urbanisation du territoire;
d) n'a pas pour conséquence, si un parc est concerné, de supprimer entièrement la fonction du parc, et tient compte du caractère du territoire;
8° s'il s'agit d'un projet d'urbanisation ou d'un projet de constructions groupées :
a) le projet intègre un concept tenant compte de la mobilité douce;
b) le projet ne conduit pas à un mitage en ruban du paysage;
c) le projet intègre un concept particulier pour les installations et espaces publics, en ce compris un concept écologique.]1
1° le projet est situé à proximité du centre-ville et dispose d'une qualité d'approvisionnement de base et de liaisons avec les transports publics;
2° le projet est réalisé en liaison avec une voirie publique pourvue d'un revêtement solide ainsi que d'une largeur et d'un équipement en eau, électricité et égouttage suffisants compte tenu du projet, ce qui n'exclut pas les projets nécessitant l'ouverture ou la modification d'une voirie communale, à condition que les coûts liés à la réalisation et à l'équipement de la voirie soient supportés par le demandeur;
3° le projet ne fait pas obstacle aux liaisons écologiques;
4° le projet ne concerne pas un terrain ou, selon le cas, une partie de terrain qui a directement subi des inondations dans les cinq dernières années;
5° le projet n'est pas situé dans un site reconnu en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature;
6° le projet n'est pas situé dans une réserve naturelle;
7° le projet :
a) est adapté à la structure prédominante du territoire environnant;
b) respecte les caractéristiques typiques locales de la culture du bâti;
c) n'empêche pas de poursuivre l'urbanisation du territoire;
d) n'a pas pour conséquence, si un parc est concerné, de supprimer entièrement la fonction du parc, et tient compte du caractère du territoire;
8° s'il s'agit d'un projet d'urbanisation ou d'un projet de constructions groupées :
a) le projet intègre un concept tenant compte de la mobilité douce;
b) le projet ne conduit pas à un mitage en ruban du paysage;
c) le projet intègre un concept particulier pour les installations et espaces publics, en ce compris un concept écologique.]1
Wijzigingen
Titel 2. - Procedure
Titre 2. - Procédure
HOOFDSTUK I. - Bevoegde overheden
CHAPITRE Ier. - Autorités compétentes
Afdeling 1. - Gemeentecollege
Section 1re. - Collège communal
Onderafdeling 1. - Algemeen
Sous-section 1re. - Généralités
Onderafdeling 2. - Vergunning
Sous-section 2. - Permis
Onderafdeling 3. - Stedenbouwkundige attesten
Sous-section 3. - Certificats d'urbanisme
Afdeling 2. - Gemachtigde ambtenaar
Section 2. -Fonctionnaire délégué
Afdeling 2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Gouvernement]1
Onderafdeling 1. - Vergunning
Sous-section première. - Permis
Art. R. IV.22-1.De publiekrechtelijke personen bedoeld in [1 artikel D.IV.22]1, 1°, zijn :
1° de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de provincies, de gemeenten en intercommunales bedoeld in het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie;
2° Proximus;
3° de gemeente- of provinciebedrijven, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de kerkfabrieken;
4° [1 de Comités voor landinrichting]1 [3 , en de subregionale Comités voor landinrichting]3 en de wateringen;
5° de internationale organisaties waarvan de Staat, de Gewesten of de Gemeenschappen lid zijn;
6° de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen;
7° de autonome havens van Charleroi, Luik, Namen en "du Centre et de l'Ouest";
8° Bpost;
9° de Belgische Radiotelevisie van de Franse Gemeenschap [3 ...]3
10° de Regie der Gebouwen;
11° de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, Infrabel en de maatschappij HR Rail;
12° de "Société wallonne des Aéroports" (Waalse Maatschappij voor Luchthavens);
13° [2 "Wallonie Entreprendre (WE)" en haar gespecialiseerde dochtermaatschappijen]2;
14° de " Société wallonne du Logement " (Waalse huisvestingsmaatschappij) en de openbare huisvestingsmaatschappijen;
15° de "Société régionale wallonne du transport" (Gewestelijke Waalse Vervoermaatschappij) en haar maatschappijen van openbaar vervoer;
16° de "Société wallonne des eaux" (Waalse watermaatschappij);
17° de "Société wallonne de financement complémentaire des infrastructures" (Waalse maatschappij voor de aanvullende financiering van de infrastructuren)
18° de société publique de la gestion de l'eau (openbare waterbeheersmaatschappij)
19° Belgocontrol;
20° Astrid;
21° het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers.
[1 22° de politiezone]1
1° de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de provincies, de gemeenten en intercommunales bedoeld in het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie;
2° Proximus;
3° de gemeente- of provinciebedrijven, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de kerkfabrieken;
4° [1 de Comités voor landinrichting]1 [3 , en de subregionale Comités voor landinrichting]3 en de wateringen;
5° de internationale organisaties waarvan de Staat, de Gewesten of de Gemeenschappen lid zijn;
6° de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen;
7° de autonome havens van Charleroi, Luik, Namen en "du Centre et de l'Ouest";
8° Bpost;
9° de Belgische Radiotelevisie van de Franse Gemeenschap [3 ...]3
10° de Regie der Gebouwen;
11° de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, Infrabel en de maatschappij HR Rail;
12° de "Société wallonne des Aéroports" (Waalse Maatschappij voor Luchthavens);
13° [2 "Wallonie Entreprendre (WE)" en haar gespecialiseerde dochtermaatschappijen]2;
14° de " Société wallonne du Logement " (Waalse huisvestingsmaatschappij) en de openbare huisvestingsmaatschappijen;
15° de "Société régionale wallonne du transport" (Gewestelijke Waalse Vervoermaatschappij) en haar maatschappijen van openbaar vervoer;
16° de "Société wallonne des eaux" (Waalse watermaatschappij);
17° de "Société wallonne de financement complémentaire des infrastructures" (Waalse maatschappij voor de aanvullende financiering van de infrastructuren)
18° de société publique de la gestion de l'eau (openbare waterbeheersmaatschappij)
19° Belgocontrol;
20° Astrid;
21° het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers.
[1 22° de politiezone]1
Art. R. IV.22-1.Les personnes de droit public visées à l'[1 article D.IV.22]1, 1° sont :
1° l'Etat, les Régions, les Communautés, les provinces, les communes et les intercommunales visées par le Code de la démocratie locale et de la décentralisation;
2° Proximus;
3° les régies communales et provinciales, les centres publics d'action sociale et les fabriques d'église;
4° les Comités [1 d'aménagement foncier]1 [3 , et les Comités subrégionaux d'aménagement foncier]3 et les wateringues;
5° les organisations internationales dont Etat, les Régions ou les Communautés sont membres;
6° l'Organisme national des déchets radioactifs et des matières fissiles enrichies;
7° les ports autonomes de Charleroi, Liège, Namur et du Centre et Ouest;
8° Bpost;
9° la Radio-Télévision belge de la Communauté française [3 ...]3;
10° la Régie des bâtiments;
11° la Société nationale des Chemins de fer belges, Infrabel et la société HR Rail;
12° la Société wallonne des aéroports;
13° [2 Wallonie Entreprendre (WE) et ses filiales spécialisées]2;
14° la Société wallonne du Logement et les sociétés de logement de service public;
15° la Société régionale wallonne du Transport et ses sociétés de transport en commun;
16° la Société wallonne des Eaux;
17° la Société wallonne de Financement complémentaire des infrastructures;
18° la Société Publique de la Gestion de l'Eau;
19° Belgocontrol;
20° Astrid;
21° l'Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile.
[1 22° la zone de police.]1
1° l'Etat, les Régions, les Communautés, les provinces, les communes et les intercommunales visées par le Code de la démocratie locale et de la décentralisation;
2° Proximus;
3° les régies communales et provinciales, les centres publics d'action sociale et les fabriques d'église;
4° les Comités [1 d'aménagement foncier]1 [3 , et les Comités subrégionaux d'aménagement foncier]3 et les wateringues;
5° les organisations internationales dont Etat, les Régions ou les Communautés sont membres;
6° l'Organisme national des déchets radioactifs et des matières fissiles enrichies;
7° les ports autonomes de Charleroi, Liège, Namur et du Centre et Ouest;
8° Bpost;
9° la Radio-Télévision belge de la Communauté française [3 ...]3;
10° la Régie des bâtiments;
11° la Société nationale des Chemins de fer belges, Infrabel et la société HR Rail;
12° la Société wallonne des aéroports;
13° [2 Wallonie Entreprendre (WE) et ses filiales spécialisées]2;
14° la Société wallonne du Logement et les sociétés de logement de service public;
15° la Société régionale wallonne du Transport et ses sociétés de transport en commun;
16° la Société wallonne des Eaux;
17° la Société wallonne de Financement complémentaire des infrastructures;
18° la Société Publique de la Gestion de l'Eau;
19° Belgocontrol;
20° Astrid;
21° l'Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile.
[1 22° la zone de police.]1
Art. R. IV.22-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De publiekrechtelijke personen bedoeld in [1 artikel D.IV.22]1, 1°, zijn :
1° de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de provincies, de gemeenten en intercommunales bedoeld in het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie;
2° Proximus;
3° de gemeente- of provinciebedrijven, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de kerkfabrieken;
4° [1 de Comités voor landinrichting]1 en de wateringen;
5° de internationale organisaties waarvan de Staat, de Gewesten of de Gemeenschappen lid zijn;
6° de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen;
7° [2 ...]2
8° Bpost;
9° [2 het Belgische Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap (BRF);]2
10° de Regie der Gebouwen;
11° de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, Infrabel en de maatschappij HR Rail;
12° [2 ...]2
13° [3 "Wallonie Entreprendre (WE)" en haar gespecialiseerde dochtermaatschappijen]3;
14° [2 ...]2 de openbare huisvestingsmaatschappijen;
15° de "Société régionale wallonne du transport" (Gewestelijke Waalse Vervoermaatschappij) en haar maatschappijen van openbaar vervoer;
16° de "Société wallonne des eaux" (Waalse watermaatschappij);
17° de "Société wallonne de financement complémentaire des infrastructures" (Waalse maatschappij voor de aanvullende financiering van de infrastructuren)
18° de société publique de la gestion de l'eau (openbare waterbeheersmaatschappij)
19° Belgocontrol;
20° Astrid;
21° het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers.
[1 22° de politiezone]1
De publiekrechtelijke personen bedoeld in [1 artikel D.IV.22]1, 1°, zijn :
1° de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de provincies, de gemeenten en intercommunales bedoeld in het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie;
2° Proximus;
3° de gemeente- of provinciebedrijven, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de kerkfabrieken;
4° [1 de Comités voor landinrichting]1 en de wateringen;
5° de internationale organisaties waarvan de Staat, de Gewesten of de Gemeenschappen lid zijn;
6° de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen;
7° [2 ...]2
8° Bpost;
9° [2 het Belgische Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap (BRF);]2
10° de Regie der Gebouwen;
11° de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, Infrabel en de maatschappij HR Rail;
12° [2 ...]2
13° [3 "Wallonie Entreprendre (WE)" en haar gespecialiseerde dochtermaatschappijen]3;
14° [2 ...]2 de openbare huisvestingsmaatschappijen;
15° de "Société régionale wallonne du transport" (Gewestelijke Waalse Vervoermaatschappij) en haar maatschappijen van openbaar vervoer;
16° de "Société wallonne des eaux" (Waalse watermaatschappij);
17° de "Société wallonne de financement complémentaire des infrastructures" (Waalse maatschappij voor de aanvullende financiering van de infrastructuren)
18° de société publique de la gestion de l'eau (openbare waterbeheersmaatschappij)
19° Belgocontrol;
20° Astrid;
21° het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers.
[1 22° de politiezone]1
Art. R. IV.22-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Les personnes de droit public visées à l'[1 article D.IV.22]1, 1° sont :
1° l'Etat, les Régions, les Communautés, les provinces, les communes et les intercommunales visées par le Code de la démocratie locale et de la décentralisation;
2° Proximus;
3° les régies communales et provinciales, les centres publics d'action sociale et les fabriques d'église;
4° les Comités [1 d'aménagement foncier]1 et les wateringues;
5° les organisations internationales dont Etat, les Régions ou les Communautés sont membres;
6° l'Organisme national des déchets radioactifs et des matières fissiles enrichies;
7° [2 ...]2
8° Bpost;
9° [2 ...]2 le Centre belge pour la Radiodiffusion-Télévision en langue allemande;
10° la Régie des bâtiments;
11° la Société nationale des Chemins de fer belges, Infrabel et la société HR Rail;
12° [2 ...]2
13° [3 Wallonie Entreprendre (WE) et ses filiales spécialisées]3;
14° [2 ...]2 les sociétés de logement de service public;
15° la Société régionale wallonne du Transport et ses sociétés de transport en commun;
16° la Société wallonne des Eaux;
17° la Société wallonne de Financement complémentaire des infrastructures;
18° la Société Publique de la Gestion de l'Eau;
19° Belgocontrol;
20° Astrid;
21° l'Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile.
[1 22° la zone de police.]1
Les personnes de droit public visées à l'[1 article D.IV.22]1, 1° sont :
1° l'Etat, les Régions, les Communautés, les provinces, les communes et les intercommunales visées par le Code de la démocratie locale et de la décentralisation;
2° Proximus;
3° les régies communales et provinciales, les centres publics d'action sociale et les fabriques d'église;
4° les Comités [1 d'aménagement foncier]1 et les wateringues;
5° les organisations internationales dont Etat, les Régions ou les Communautés sont membres;
6° l'Organisme national des déchets radioactifs et des matières fissiles enrichies;
7° [2 ...]2
8° Bpost;
9° [2 ...]2 le Centre belge pour la Radiodiffusion-Télévision en langue allemande;
10° la Régie des bâtiments;
11° la Société nationale des Chemins de fer belges, Infrabel et la société HR Rail;
12° [2 ...]2
13° [3 Wallonie Entreprendre (WE) et ses filiales spécialisées]3;
14° [2 ...]2 les sociétés de logement de service public;
15° la Société régionale wallonne du Transport et ses sociétés de transport en commun;
16° la Société wallonne des Eaux;
17° la Société wallonne de Financement complémentaire des infrastructures;
18° la Société Publique de la Gestion de l'Eau;
19° Belgocontrol;
20° Astrid;
21° l'Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile.
[1 22° la zone de police.]1
Art. R. IV.22-2.Onverminderd artikel R.IV.22-1, zijn de handelingen en werken van openbaar nut bedoeld in artikel D.IV.22, 2°, diegenen die het volgende betreffen :
1° een gewestweg of een autosnelweg;
2° een spoorweg- of een waterweginfrastructuur;
3° [1 een elektrische lijn met een spanning van meer dan 70 kv, met uitzondering van de privé-aansluitingen, of een lokaal transmissienet in de zin van het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt]1;
4° een infrastructuur voor het vervoer van aardgas of vloeistoffen bedoeld in de artikelen R.II.21-3 et R.II.21-4;
5° een telecommunicatienet, namelijk de elektronische of digitale, telefonie, radiotelefonie en kabeltelevisie telecommunicatienetten;
6° een centrale bestemd voor de productie van elektriciteit;
7° een infrastructuur voor de productie van drinkwater uitsluitend bestemd voor de gemeenschap;
8° een haven of elke infrastructuur voor het watervervoer;
9° een luchthaven of elke infrastructuur voor het luchtvervoer;
10° een stuwdam of een kunstmatig meer;
11° een zuiveringsstation voor het afvalwater;
12° een afvalwatercollector in de zin van saneringsplannen per onderstroomgebied, met uitsluiting van de riolen;
13° een technisch ingravingscentrum;
14° een verbrandingsoven;
15° een containerpark;
16° een crematorium;
17° een inrichting voor hoger onderwijs in de zin van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies.
1° een gewestweg of een autosnelweg;
2° een spoorweg- of een waterweginfrastructuur;
3° [1 een elektrische lijn met een spanning van meer dan 70 kv, met uitzondering van de privé-aansluitingen, of een lokaal transmissienet in de zin van het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt]1;
4° een infrastructuur voor het vervoer van aardgas of vloeistoffen bedoeld in de artikelen R.II.21-3 et R.II.21-4;
5° een telecommunicatienet, namelijk de elektronische of digitale, telefonie, radiotelefonie en kabeltelevisie telecommunicatienetten;
6° een centrale bestemd voor de productie van elektriciteit;
7° een infrastructuur voor de productie van drinkwater uitsluitend bestemd voor de gemeenschap;
8° een haven of elke infrastructuur voor het watervervoer;
9° een luchthaven of elke infrastructuur voor het luchtvervoer;
10° een stuwdam of een kunstmatig meer;
11° een zuiveringsstation voor het afvalwater;
12° een afvalwatercollector in de zin van saneringsplannen per onderstroomgebied, met uitsluiting van de riolen;
13° een technisch ingravingscentrum;
14° een verbrandingsoven;
15° een containerpark;
16° een crematorium;
17° een inrichting voor hoger onderwijs in de zin van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies.
Art. R. IV.22-2.Sans préjudice de l'article R.IV.22-1, les actes et travaux d'utilité publique visés à l'article D.IV.22, 2° sont ceux qui concernent :
1° une route régionale ou d'une autoroute;
2° une infrastructure de communication ferroviaire ou fluviale;
3° [1 un réseau électrique d'une tension supérieure à 70 kV, à l'exception des raccordements privés, ou un réseau de transport local au sens du décret du 12 avril 2001 relatif à l'organisation du marché régional de l'électricité]1;
4° une infrastructure de transport de gaz naturel ou de fluide visée aux articles R.II.21-3 et R.II.21-4;
5° un réseau de télécommunication, notamment les réseaux de télécommunications électroniques ou numériques, de téléphonie, de radiotéléphonie et de télédistribution;
6° une centrale destinée à la production d'électricité;
7° une infrastructure de production d'eau potable destinée exclusivement à la collectivité;
8° un port ou de toute infrastructure destinée au transport par eau;
9° un aéroport ou de toute infrastructure destinée au transport aérien;
10° un barrage ou d'un lac artificiel;
11° une station d'épuration des eaux usées;
12° un collecteur d'eaux usées au sens des plans d'assainissement par sous-bassins hydrographiques, à l'exclusion des égouts;
13° un centre d'enfouissement technique;
14° un incinérateur;
15° un parc à conteneurs;
16° un crématorium;
17° un établissement d'enseignement supérieur au sens du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études.
1° une route régionale ou d'une autoroute;
2° une infrastructure de communication ferroviaire ou fluviale;
3° [1 un réseau électrique d'une tension supérieure à 70 kV, à l'exception des raccordements privés, ou un réseau de transport local au sens du décret du 12 avril 2001 relatif à l'organisation du marché régional de l'électricité]1;
4° une infrastructure de transport de gaz naturel ou de fluide visée aux articles R.II.21-3 et R.II.21-4;
5° un réseau de télécommunication, notamment les réseaux de télécommunications électroniques ou numériques, de téléphonie, de radiotéléphonie et de télédistribution;
6° une centrale destinée à la production d'électricité;
7° une infrastructure de production d'eau potable destinée exclusivement à la collectivité;
8° un port ou de toute infrastructure destinée au transport par eau;
9° un aéroport ou de toute infrastructure destinée au transport aérien;
10° un barrage ou d'un lac artificiel;
11° une station d'épuration des eaux usées;
12° un collecteur d'eaux usées au sens des plans d'assainissement par sous-bassins hydrographiques, à l'exclusion des égouts;
13° un centre d'enfouissement technique;
14° un incinérateur;
15° un parc à conteneurs;
16° un crématorium;
17° un établissement d'enseignement supérieur au sens du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études.
Wijzigingen
Art. R. IV.22-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Onverminderd artikel R.IV.22-1, zijn de handelingen en werken van openbaar nut bedoeld in artikel D.IV.22, 2°, diegenen die het volgende betreffen :
1° een gewestweg of een autosnelweg;
2° een spoorweg- of een waterweginfrastructuur;
3° een elektrische lijn met een spanning van meer dan 70 kv, met uitzondering van de privé-aansluitingen, of die deel uitmaken van het lokale transmissienet in de zin van het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt;
4° een infrastructuur voor het vervoer van aardgas of vloeistoffen bedoeld in de artikelen R.II.21-3 et R.II.21-4;
5° een telecommunicatienet, namelijk de elektronische of digitale, telefonie, radiotelefonie en kabeltelevisie telecommunicatienetten;
6° een centrale bestemd voor de productie van elektriciteit;
7° een infrastructuur voor de productie van drinkwater uitsluitend bestemd voor de gemeenschap;
8° een haven of elke infrastructuur voor het watervervoer;
9° een luchthaven of elke infrastructuur voor het luchtvervoer;
10° een stuwdam of een kunstmatig meer;
11° een zuiveringsstation voor het afvalwater;
12° een afvalwatercollector in de zin van saneringsplannen per onderstroomgebied, met uitsluiting van de riolen;
13° een technisch ingravingscentrum;
14° een verbrandingsoven;
15° een containerpark;
16° een crematorium;
17° een inrichting voor hoger onderwijs [1 ...]1.
Onverminderd artikel R.IV.22-1, zijn de handelingen en werken van openbaar nut bedoeld in artikel D.IV.22, 2°, diegenen die het volgende betreffen :
1° een gewestweg of een autosnelweg;
2° een spoorweg- of een waterweginfrastructuur;
3° een elektrische lijn met een spanning van meer dan 70 kv, met uitzondering van de privé-aansluitingen, of die deel uitmaken van het lokale transmissienet in de zin van het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt;
4° een infrastructuur voor het vervoer van aardgas of vloeistoffen bedoeld in de artikelen R.II.21-3 et R.II.21-4;
5° een telecommunicatienet, namelijk de elektronische of digitale, telefonie, radiotelefonie en kabeltelevisie telecommunicatienetten;
6° een centrale bestemd voor de productie van elektriciteit;
7° een infrastructuur voor de productie van drinkwater uitsluitend bestemd voor de gemeenschap;
8° een haven of elke infrastructuur voor het watervervoer;
9° een luchthaven of elke infrastructuur voor het luchtvervoer;
10° een stuwdam of een kunstmatig meer;
11° een zuiveringsstation voor het afvalwater;
12° een afvalwatercollector in de zin van saneringsplannen per onderstroomgebied, met uitsluiting van de riolen;
13° een technisch ingravingscentrum;
14° een verbrandingsoven;
15° een containerpark;
16° een crematorium;
17° een inrichting voor hoger onderwijs [1 ...]1.
Art. R. IV.22-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Sans préjudice de l'article R.IV.22-1, les actes et travaux d'utilité publique visés à l'article D.IV.22, 2° sont ceux qui concernent :
1° une route régionale ou d'une autoroute;
2° une infrastructure de communication ferroviaire ou fluviale;
3° une ligne électrique d'une tension supérieure à 70 kv, à l'exception des raccordements privés, ou qui fait partie du réseau de transport local au sens du décret du 12 avril 2001 relatif à l'organisation du marché régional de l'électricité;
4° une infrastructure de transport de gaz naturel ou de fluide visée aux articles R.II.21-3 et R.II.21-4;
5° un réseau de télécommunication, notamment les réseaux de télécommunications électroniques ou numériques, de téléphonie, de radiotéléphonie et de télédistribution;
6° une centrale destinée à la production d'électricité;
7° une infrastructure de production d'eau potable destinée exclusivement à la collectivité;
8° un port ou de toute infrastructure destinée au transport par eau;
9° un aéroport ou de toute infrastructure destinée au transport aérien;
10° un barrage ou d'un lac artificiel;
11° une station d'épuration des eaux usées;
12° un collecteur d'eaux usées au sens des plans d'assainissement par sous-bassins hydrographiques, à l'exclusion des égouts;
13° un centre d'enfouissement technique;
14° un incinérateur;
15° un parc à conteneurs;
16° un crématorium;
17° un établissement d'enseignement supérieur [1 ...]1.
Sans préjudice de l'article R.IV.22-1, les actes et travaux d'utilité publique visés à l'article D.IV.22, 2° sont ceux qui concernent :
1° une route régionale ou d'une autoroute;
2° une infrastructure de communication ferroviaire ou fluviale;
3° une ligne électrique d'une tension supérieure à 70 kv, à l'exception des raccordements privés, ou qui fait partie du réseau de transport local au sens du décret du 12 avril 2001 relatif à l'organisation du marché régional de l'électricité;
4° une infrastructure de transport de gaz naturel ou de fluide visée aux articles R.II.21-3 et R.II.21-4;
5° un réseau de télécommunication, notamment les réseaux de télécommunications électroniques ou numériques, de téléphonie, de radiotéléphonie et de télédistribution;
6° une centrale destinée à la production d'électricité;
7° une infrastructure de production d'eau potable destinée exclusivement à la collectivité;
8° un port ou de toute infrastructure destinée au transport par eau;
9° un aéroport ou de toute infrastructure destinée au transport aérien;
10° un barrage ou d'un lac artificiel;
11° une station d'épuration des eaux usées;
12° un collecteur d'eaux usées au sens des plans d'assainissement par sous-bassins hydrographiques, à l'exclusion des égouts;
13° un centre d'enfouissement technique;
14° un incinérateur;
15° un parc à conteneurs;
16° un crématorium;
17° un établissement d'enseignement supérieur [1 ...]1.
Wijzigingen
Art. R. IV.22-3.Het gemeentecollege verleent de stedenbouwkundige vergunningen en attesten nr. 2 betreffende de gemengde handelingen en werken bedoeld in artikel D.IV.22, derde lid, die [1 met name]1 het volgende betreffen :
1° de installatie, de wijziging, de bouw of de uitbreiding van de ingegraven bekabeling van een telecommunicatienet of de privé-aansluitingen op een telecommunicatienet
2° de bouwwerken of uitrustingen bestemd voor activiteiten met een doel van algemeen belang bedoeld in artikel D.IV.22, eerste lid, 7°, d en h.
1° de installatie, de wijziging, de bouw of de uitbreiding van de ingegraven bekabeling van een telecommunicatienet of de privé-aansluitingen op een telecommunicatienet
2° de bouwwerken of uitrustingen bestemd voor activiteiten met een doel van algemeen belang bedoeld in artikel D.IV.22, eerste lid, 7°, d en h.
Art. R. IV.22-3.Le collège communal délivre les permis et les certificats d'urbanisme n° 2 relatifs aux actes et travaux mixtes visés à l'article D.IV.22, alinéa 3, qui concernent [1 notamment]1:
1° l'installation, la modification, la construction ou l'agrandissement du cablage enfoui d'un réseau de télécommunication ou des raccordements privés à un réseau de télécommunication;
2° les constructions ou équipements destinés aux activités à finalité d'intérêt général visés à l'article D.IV.22, alinéa 1er, 7°, d et h.
1° l'installation, la modification, la construction ou l'agrandissement du cablage enfoui d'un réseau de télécommunication ou des raccordements privés à un réseau de télécommunication;
2° les constructions ou équipements destinés aux activités à finalité d'intérêt général visés à l'article D.IV.22, alinéa 1er, 7°, d et h.
Wijzigingen
Art. R_IV.22-3.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Sous-section 2. - Certificat d'urbanisme
Onderafdeling 2. - Stedenbouwkundig attest
Section 3. - Gouvernement
Afdeling 3. - Regering
Section 3_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Afdeling 3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.IV.25-1.
Art. R.IV.25-1.
CHAPITRE II. - Dossiers de demande
HOOFDSTUK II. - Aanvraagdossiers
Section 1re. - Dossier de demande de permis
Afdeling 1. - Vergunningsaanvraagdossier
Art. R.IV.26-1.[1 § 1er. La demande de permis d'urbanisme portant sur des actes et travaux qui requièrent le concours obligatoire d'un architecte est introduite en utilisant le formulaire repris en annexe 4 qui en fixe le contenu.
Art. R. IV.26-1.[1 § 1. De aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor handelingen en werken waarvoor de medewerking van een architect vereist is, wordt ingediend met behulp van het formulier in bijlage 4, waarin de inhoud ervan is vastgelegd.
De aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor handelingen en werken waarvoor de verplichte medewerking van een architect niet vereist is, wordt ingediend met behulp van het formulier in bijlage 6, waarin de inhoud ervan is vastgelegd.
De aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning die betrekking heeft op de vestiging van een handelszaak in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, van het Wetboek, wordt ingediend door middel van het formulier in bijlage 5, dat de inhoud ervan bepaalt.
Wanneer de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning zowel betrekking heeft op de vestiging van een handelszaak in de zin van artikel D.IV.4, lid 1, 8°, van het Wetboek en op andere handelingen en werken bedoeld in artikel D.IV.4, lid 1, van het Wetboek, waarvoor verschillende formulieren vereist zijn, worden deze bij het dossier gevoegd en vormen zij één enkele vergunningsaanvraag.
§ 2. De aanvraag tot bebouwingsvergunning, wijziging van de bebouwingsvergunning of bebouwingsvergunning met vereenvoudigde inhoud wordt ingediend door het formulier opgenomen in bijlage 7 te gebruiken die de inhoud ervan vastlegt.
§ 3. De Minister is bevoegd om de inhoud van de bijlagen 4 tot 7 te wijzigen.
Bijlage 4 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de personalia van de aanvrager;
2° de ligging van het project en de bijzonderheden van de aanvraag in termen van ruimtelijke optimalisatie;
3° het voorwerp van de aanvraag;
4° de inrichtingsopties en de architectonische opzet van het project;
5° de lijst van vrijstellingen en afwijkingen en de redenen daarvoor ;
6° de lijst van documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd, evenals hun kenmerken en het minimumaantal exemplaren dat moet worden verstrekt;
7° de te verstrekken plannen, evenals hun schaal en kenmerken;
8° de informatie met betrekking tot de gegevensbescherming.
9° de vereiste handtekeningen.
Bijlage 5 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de personalia van de aanvrager;
2° het voorwerp van de aanvraag;
3° de omschrijving van de activiteiten die het voorwerp uitmaken van de erkenningsaanvraag;
4° de ligging van het project;
5° de lijst van vrijstellingen en afwijkingen en de redenen daarvoor ;
6° de lijst van documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd, evenals hun kenmerken en het minimumaantal exemplaren dat moet worden verstrekt;
7° de te verstrekken plannen, evenals hun schaal en kenmerken;
8° de informatie met betrekking tot de gegevensbescherming.
9° de vereiste handtekeningen.
Bijlage 6 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de personalia van de aanvrager;
2° de ligging van het project;
3° het voorwerp van de aanvraag;
4° de lijst van vrijstellingen en afwijkingen en de redenen daarvoor ;
5° de lijst van documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd, evenals hun kenmerken en het minimumaantal exemplaren dat moet worden verstrekt;
6° de te verstrekken plannen, evenals hun schaal en kenmerken;
7° de informatie met betrekking tot de gegevensbescherming.
8° de vereiste handtekeningen.
Bijlage 7 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de personalia van de aanvrager;
2° de ligging van het project;
3° het voorwerp van de aanvraag;
4° de lijst van vrijstellingen en afwijkingen en de redenen daarvoor ;
5° in geval van wijziging van een stedenbouwkundige vergunning, de lijst van eigenaars van een perceel die de aanvraag hebben medeondertekend;
6° de lijst van documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd, evenals hun kenmerken en het minimumaantal exemplaren dat moet worden verstrekt;
7° de te verstrekken plannen, evenals hun schaal en kenmerken;
8° de informatie met betrekking tot de gegevensbescherming.
9° de vereiste handtekeningen.]1
De aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor handelingen en werken waarvoor de verplichte medewerking van een architect niet vereist is, wordt ingediend met behulp van het formulier in bijlage 6, waarin de inhoud ervan is vastgelegd.
De aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning die betrekking heeft op de vestiging van een handelszaak in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, van het Wetboek, wordt ingediend door middel van het formulier in bijlage 5, dat de inhoud ervan bepaalt.
Wanneer de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning zowel betrekking heeft op de vestiging van een handelszaak in de zin van artikel D.IV.4, lid 1, 8°, van het Wetboek en op andere handelingen en werken bedoeld in artikel D.IV.4, lid 1, van het Wetboek, waarvoor verschillende formulieren vereist zijn, worden deze bij het dossier gevoegd en vormen zij één enkele vergunningsaanvraag.
§ 2. De aanvraag tot bebouwingsvergunning, wijziging van de bebouwingsvergunning of bebouwingsvergunning met vereenvoudigde inhoud wordt ingediend door het formulier opgenomen in bijlage 7 te gebruiken die de inhoud ervan vastlegt.
§ 3. De Minister is bevoegd om de inhoud van de bijlagen 4 tot 7 te wijzigen.
Bijlage 4 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de personalia van de aanvrager;
2° de ligging van het project en de bijzonderheden van de aanvraag in termen van ruimtelijke optimalisatie;
3° het voorwerp van de aanvraag;
4° de inrichtingsopties en de architectonische opzet van het project;
5° de lijst van vrijstellingen en afwijkingen en de redenen daarvoor ;
6° de lijst van documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd, evenals hun kenmerken en het minimumaantal exemplaren dat moet worden verstrekt;
7° de te verstrekken plannen, evenals hun schaal en kenmerken;
8° de informatie met betrekking tot de gegevensbescherming.
9° de vereiste handtekeningen.
Bijlage 5 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de personalia van de aanvrager;
2° het voorwerp van de aanvraag;
3° de omschrijving van de activiteiten die het voorwerp uitmaken van de erkenningsaanvraag;
4° de ligging van het project;
5° de lijst van vrijstellingen en afwijkingen en de redenen daarvoor ;
6° de lijst van documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd, evenals hun kenmerken en het minimumaantal exemplaren dat moet worden verstrekt;
7° de te verstrekken plannen, evenals hun schaal en kenmerken;
8° de informatie met betrekking tot de gegevensbescherming.
9° de vereiste handtekeningen.
Bijlage 6 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de personalia van de aanvrager;
2° de ligging van het project;
3° het voorwerp van de aanvraag;
4° de lijst van vrijstellingen en afwijkingen en de redenen daarvoor ;
5° de lijst van documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd, evenals hun kenmerken en het minimumaantal exemplaren dat moet worden verstrekt;
6° de te verstrekken plannen, evenals hun schaal en kenmerken;
7° de informatie met betrekking tot de gegevensbescherming.
8° de vereiste handtekeningen.
Bijlage 7 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de personalia van de aanvrager;
2° de ligging van het project;
3° het voorwerp van de aanvraag;
4° de lijst van vrijstellingen en afwijkingen en de redenen daarvoor ;
5° in geval van wijziging van een stedenbouwkundige vergunning, de lijst van eigenaars van een perceel die de aanvraag hebben medeondertekend;
6° de lijst van documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd, evenals hun kenmerken en het minimumaantal exemplaren dat moet worden verstrekt;
7° de te verstrekken plannen, evenals hun schaal en kenmerken;
8° de informatie met betrekking tot de gegevensbescherming.
9° de vereiste handtekeningen.]1
Art. R _IV.26-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. [1 La demande de permis d'urbanisme pour laquelle l'intervention d'un architecte est requise est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 4 qui en fixe le contenu pour les projets.
La demande de permis d'urbanisme pour laquelle l'intervention d'un architecte n'est pas requise est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 5 qui en fixe le contenu pour les projets.
La demande de permis d'urbanisme pour les actes poursuivant les objectifs suivants est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 6 qui en fixe le contenu :
1° boisement, déboisement, abattage d'arbres isolés à haute tige, de haies ou d'allées;
2° culture de sapins de Noël, abattage qui porte préjudice au système racinaire;
3° modification de l'aspect d'un ou plusieurs arbres, arbustes ou haies remarquables;
4° défrichement ou modification de la végétation d'une zone dont le Gouvernement juge la protection nécessaire.
Si la demande de permis porte sur des objets différents réquérant des formulaires distincts, ceux-ci sont joints au dossier, constituant ainsi une seule demande de permis.]1
§ 2. [3 La demande de permis d'urbaniser ou de modification ou d'abrogation d'un permis d'urbaniser est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 10 qui en fixe le contenu]3.
[2 § 3. La demande de permis de diviser est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 29 qui en fixe le contenu.]2
§ 1er. [1 La demande de permis d'urbanisme pour laquelle l'intervention d'un architecte est requise est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 4 qui en fixe le contenu pour les projets.
La demande de permis d'urbanisme pour laquelle l'intervention d'un architecte n'est pas requise est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 5 qui en fixe le contenu pour les projets.
La demande de permis d'urbanisme pour les actes poursuivant les objectifs suivants est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 6 qui en fixe le contenu :
1° boisement, déboisement, abattage d'arbres isolés à haute tige, de haies ou d'allées;
2° culture de sapins de Noël, abattage qui porte préjudice au système racinaire;
3° modification de l'aspect d'un ou plusieurs arbres, arbustes ou haies remarquables;
4° défrichement ou modification de la végétation d'une zone dont le Gouvernement juge la protection nécessaire.
Si la demande de permis porte sur des objets différents réquérant des formulaires distincts, ceux-ci sont joints au dossier, constituant ainsi une seule demande de permis.]1
§ 2. [3 La demande de permis d'urbaniser ou de modification ou d'abrogation d'un permis d'urbaniser est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 10 qui en fixe le contenu]3.
[2 § 3. La demande de permis de diviser est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 29 qui en fixe le contenu.]2
Art. R _IV.26-1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. [1 - De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning waarvoor een architect moet worden ingeschakeld, wordt ingediend via het formulier in bijlage 4, waarin de inhoud van dat formulier wordt vastgelegd voor de projecten.
De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning waarvoor geen architect hoeft te worden ingeschakeld, wordt ingediend via het formulier in bijlage 5, waarin de inhoud van dat formulier wordt vastgelegd voor de projecten.
De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor handelingen die volgende doeleinden hebben, wordt ingediend via het formulier in bijlage 6, waarin de inhoud van dat formulier wordt vastgelegd:
1° bebossing, ontbossing, het vellen van hoogstammige alleenstaande bomen, van hagen of van alleeën;
2° kerstbomenteelt, het vellen dat schade toebrengt aan het wortelstelsel;
3° wijziging van het uitzicht van waardevolle bomen, struiken of hagen;
4° het rooien of wijzigen van de vegetatie in een gebied waarvan de bescherming noodzakelijk wordt geacht door de Regering.
Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op verschillende objecten die verschillende formulieren vereisen, dan worden deze formulieren bij het dossier gevoegd en vormen ze één enkele vergunningsaanvraag.]1
§ 2. [3 - De aanvraag voor een ontsluitingsvergunning of tot wijziging of opheffing van een ontsluitingsvergunning wordt ingediend via het formulier in bijlage 10, dat de inhoud ervan vastlegt.]3
[2 § 3 - De aanvraag tot opsplitsingsvergunning wordt ingediend door gebruik te maken van het formulier opgenomen in bijlage 29, dat de inhoud ervan vastlegt.]2
§ 1. [1 - De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning waarvoor een architect moet worden ingeschakeld, wordt ingediend via het formulier in bijlage 4, waarin de inhoud van dat formulier wordt vastgelegd voor de projecten.
De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning waarvoor geen architect hoeft te worden ingeschakeld, wordt ingediend via het formulier in bijlage 5, waarin de inhoud van dat formulier wordt vastgelegd voor de projecten.
De aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor handelingen die volgende doeleinden hebben, wordt ingediend via het formulier in bijlage 6, waarin de inhoud van dat formulier wordt vastgelegd:
1° bebossing, ontbossing, het vellen van hoogstammige alleenstaande bomen, van hagen of van alleeën;
2° kerstbomenteelt, het vellen dat schade toebrengt aan het wortelstelsel;
3° wijziging van het uitzicht van waardevolle bomen, struiken of hagen;
4° het rooien of wijzigen van de vegetatie in een gebied waarvan de bescherming noodzakelijk wordt geacht door de Regering.
Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op verschillende objecten die verschillende formulieren vereisen, dan worden deze formulieren bij het dossier gevoegd en vormen ze één enkele vergunningsaanvraag.]1
§ 2. [3 - De aanvraag voor een ontsluitingsvergunning of tot wijziging of opheffing van een ontsluitingsvergunning wordt ingediend via het formulier in bijlage 10, dat de inhoud ervan vastlegt.]3
[2 § 3 - De aanvraag tot opsplitsingsvergunning wordt ingediend door gebruik te maken van het formulier opgenomen in bijlage 29, dat de inhoud ervan vastlegt.]2
Art. R. IV.26-2.La décision du Ministre, du fonctionnaire délégué ou du collège communal et la proposition du fonctionnaire délégué au collège communal d'octroi ou de refus de permis d'urbanisme, de permis d'urbanisme de constructions groupées, de permis d'urbanisation, de modification de permis d'urbanisation est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 12.
La décision du Ministre statuant en recours sur une demande de permis d'urbanisme, de permis d'urbanisme de constructions groupées, de permis d'urbanisation, de modification de permis d'urbanisation est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 13.
[1 Le Ministre est autorisé à modifier le contenu des annexes 12 et 13.
L'annexe 12 comporte au minimum les éléments suivants à compléter par l'autorité compétente :
1° l'identification de l'objet et de la localisation de la demande ;
2° l'identification d'une réunion de projet qui s'est tenue préalablement à l'introduction de la demande ;
3° l'identification de la situation de droit ;
4° l'existence d'une notice ou d'une étude d'incidences jointe à la demande et les raisons de leur dépôt ;
5° l'identification et la justification des éventuels dérogations et écarts ;
6° l'identification des incidences du projet sur la voirie communale et, le cas échéant, l'existence d'une décision définitive relative à la voirie communale au sens de l'article D.IV.41 ;
7° l'identification des mesures de publicité qui ont été réalisées, et, le cas échéant, le résumé des observations et réclamations et la réponse qu'y apporte l'autorité compétente ;
8° l'identification des consultations qui ont été réalisées, et, le cas échéant, le résumé des avis et la réponse qu'y apporte l'autorité compétente ;
9° le cas échéant, l'identification des plans modificatifs ou compléments d'évaluation des incidences ;
10° le cas échéant, l'identification et la justification des charges d'urbanisme imposées.
L'annexe 13 comporte au minimum les éléments suivants à compléter par le Gouvernement :
1° l'identification de l'objet et de la localisation de la demande ;
2° l'identification de la décision rendue en première instance ou de l'absence de décision ;
3° l'identification du recours introduit et l'appréciation de sa recevabilité ;
4° l'identification d'une réunion de projet qui s'est tenue préalablement à l'introduction de la demande ;
5° l'identification de la situation de droit ;
6° l'existence d'une notice ou d'une étude d'incidences jointe à la demande et les raisons de leur dépôt ;
7° l'identification et la justification des éventuels dérogations et écarts ;
8° l'identification des incidences du projet sur la voirie communale et, le cas échéant, l'existence d'une décision définitive relative à la voirie communale au sens de `l'article D.IV.41 ;
9° l'identification des mesures de publicité qui ont été réalisées, et, le cas échéant, le résumé des observations et réclamations et la réponse qu'y apporte le Gouvernement ;
10° l'identification des consultations qui ont été réalisées, et, le cas échéant, le résumé des avis et la réponse qu'y apporte le Gouvernement ;
11° le cas échéant, l'identification des plans modificatifs ou compléments d'évaluation des incidences ;
12° la mention de la date à laquelle les parties et la Commission d'avis sur les recours ont été invitées à une audition et, le cas échéant, l'identification de l'avis rendu par la Commission d'avis sur les recours et la réponse qu'y apporte le Gouvernement ;
13° l'identification de la proposition de décision motivée envoyée par l'administration et, le cas échéant, la réponse qu'y apporte le Gouvernement ;
14° le cas échéant, l'identification et la justification des charges d'urbanisme imposées.]1
La décision du Ministre statuant en recours sur une demande de permis d'urbanisme, de permis d'urbanisme de constructions groupées, de permis d'urbanisation, de modification de permis d'urbanisation est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 13.
[1 Le Ministre est autorisé à modifier le contenu des annexes 12 et 13.
L'annexe 12 comporte au minimum les éléments suivants à compléter par l'autorité compétente :
1° l'identification de l'objet et de la localisation de la demande ;
2° l'identification d'une réunion de projet qui s'est tenue préalablement à l'introduction de la demande ;
3° l'identification de la situation de droit ;
4° l'existence d'une notice ou d'une étude d'incidences jointe à la demande et les raisons de leur dépôt ;
5° l'identification et la justification des éventuels dérogations et écarts ;
6° l'identification des incidences du projet sur la voirie communale et, le cas échéant, l'existence d'une décision définitive relative à la voirie communale au sens de l'article D.IV.41 ;
7° l'identification des mesures de publicité qui ont été réalisées, et, le cas échéant, le résumé des observations et réclamations et la réponse qu'y apporte l'autorité compétente ;
8° l'identification des consultations qui ont été réalisées, et, le cas échéant, le résumé des avis et la réponse qu'y apporte l'autorité compétente ;
9° le cas échéant, l'identification des plans modificatifs ou compléments d'évaluation des incidences ;
10° le cas échéant, l'identification et la justification des charges d'urbanisme imposées.
L'annexe 13 comporte au minimum les éléments suivants à compléter par le Gouvernement :
1° l'identification de l'objet et de la localisation de la demande ;
2° l'identification de la décision rendue en première instance ou de l'absence de décision ;
3° l'identification du recours introduit et l'appréciation de sa recevabilité ;
4° l'identification d'une réunion de projet qui s'est tenue préalablement à l'introduction de la demande ;
5° l'identification de la situation de droit ;
6° l'existence d'une notice ou d'une étude d'incidences jointe à la demande et les raisons de leur dépôt ;
7° l'identification et la justification des éventuels dérogations et écarts ;
8° l'identification des incidences du projet sur la voirie communale et, le cas échéant, l'existence d'une décision définitive relative à la voirie communale au sens de `l'article D.IV.41 ;
9° l'identification des mesures de publicité qui ont été réalisées, et, le cas échéant, le résumé des observations et réclamations et la réponse qu'y apporte le Gouvernement ;
10° l'identification des consultations qui ont été réalisées, et, le cas échéant, le résumé des avis et la réponse qu'y apporte le Gouvernement ;
11° le cas échéant, l'identification des plans modificatifs ou compléments d'évaluation des incidences ;
12° la mention de la date à laquelle les parties et la Commission d'avis sur les recours ont été invitées à une audition et, le cas échéant, l'identification de l'avis rendu par la Commission d'avis sur les recours et la réponse qu'y apporte le Gouvernement ;
13° l'identification de la proposition de décision motivée envoyée par l'administration et, le cas échéant, la réponse qu'y apporte le Gouvernement ;
14° le cas échéant, l'identification et la justification des charges d'urbanisme imposées.]1
Wijzigingen
Art. R. IV.26-2.De beslissing van de Minister, van de gemachtigde ambtenaar of van het gemeentecollege en het voorstel van de gemachtigde ambtenaar aan het gemeentecollege voor de toekenning of weigering van stedenbouwkundige vergunning, van stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken, van bebouwingsvergunning, van wijziging van de bebouwingsvergunning wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 12.
De beslissing van de Minister die in beroep beslist over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, tot stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken, tot bebouwingsvergunning, tot wijziging van de bebouwingsvergunning, wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 13.
[1 De Minister is bevoegd om de inhoud van de bijlagen 12 en 13 te wijzigen.
Bijlage 12 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de identificatie van het voorwerp en de uiteenzetting van de aanvraag;
2° de identificatie van een projectvergadering gehouden voorafgaand aan de indiening van de aanvraag;
3° de identificatie van de rechtstoestand;
4° het bestaan van een beoordeling of effectenstudie die bij de aanvraag is gevoegd en de redenen voor de indiening ervan;
5° de identificatie en de motivering van eventuele afwijkingen en verschillen;
6° identificatie van de effecten van het project op het gemeentelijk wegennet en, in voorkomend geval, het bestaan van een definitieve beslissing met betrekking tot het gemeentelijke wegennet in de zin van artikel D.IV.41 ;
7° de identificatie van de genomen publiciteitsmaatregelen en, in voorkomend geval, een samenvatting van de opmerkingen en bezwaren en het antwoord van de bevoegde autoriteit daarop;
8° de identificatie van de gedane raadplegingen en, in voorkomend geval, een samenvatting van de adviezen en het antwoord van de bevoegde autoriteit daarop;
9° indien nodig, de identificatie van eventuele wijzigingsplannen of bijkomende effectbeoordelingen;
10° indien van toepassing, de identificatie en rechtvaardiging van opgelegde stedenbouwkundige lasten.
Bijlage 13 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de identificatie van het voorwerp en de uiteenzetting van de aanvraag;
2° de identificatie van de in eerste aanleg gegeven beslissing of het ontbreken van een beslissing;
3° de identificatie van het ingestelde beroep en het beoordelen van de ontvankelijkheid ervan;
4° de identificatie van een projectvergadering gehouden voorafgaand aan de indiening van de aanvraag;
5° de identificatie van de rechtstoestand;
6° het bestaan van een beoordeling of effectenstudie die bij de aanvraag is gevoegd en de redenen voor de indiening ervan;
7° de identificatie en de motivering van eventuele afwijkingen en verschillen;
6° identificatie van de effecten van het project op het gemeentelijk wegennet en, in voorkomend geval, het bestaan van een definitieve beslissing met betrekking tot het gemeentelijke wegennet in de zin van artikel D.IV.41 ;
9° de identificatie van de genomen publiciteitsmaatregelen en, in voorkomend geval, een samenvatting van de opmerkingen en bezwaren en het antwoord van de Regering daarop;
10° de identificatie van de gedane raadplegingen en, in voorkomend geval, een samenvatting van de adviezen en het antwoord van de Regering daarop;
11° indien nodig, de identificatie van eventuele wijzigingsplannen of bijkomende effectbeoordelingen;
12° de vermelding van de datum waarop de partijen en het Adviescomité voor Beroep werden uitgenodigd voor een hoorzitting en, in voorkomend geval, identificatie van het advies uitgebracht door het Adviescomité voor Beroep en het antwoord van de Regering daarop;
13° de identificatie van het voorstel tot gemotiveerde beslissing dat door de administratie wordt toegezonden en, in voorkomend geval, het antwoord van de Regering daarop;
14° indien van toepassing, de identificatie en rechtvaardiging van opgelegde stedenbouwkundige lasten.]1
De beslissing van de Minister die in beroep beslist over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, tot stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken, tot bebouwingsvergunning, tot wijziging van de bebouwingsvergunning, wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 13.
[1 De Minister is bevoegd om de inhoud van de bijlagen 12 en 13 te wijzigen.
Bijlage 12 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de identificatie van het voorwerp en de uiteenzetting van de aanvraag;
2° de identificatie van een projectvergadering gehouden voorafgaand aan de indiening van de aanvraag;
3° de identificatie van de rechtstoestand;
4° het bestaan van een beoordeling of effectenstudie die bij de aanvraag is gevoegd en de redenen voor de indiening ervan;
5° de identificatie en de motivering van eventuele afwijkingen en verschillen;
6° identificatie van de effecten van het project op het gemeentelijk wegennet en, in voorkomend geval, het bestaan van een definitieve beslissing met betrekking tot het gemeentelijke wegennet in de zin van artikel D.IV.41 ;
7° de identificatie van de genomen publiciteitsmaatregelen en, in voorkomend geval, een samenvatting van de opmerkingen en bezwaren en het antwoord van de bevoegde autoriteit daarop;
8° de identificatie van de gedane raadplegingen en, in voorkomend geval, een samenvatting van de adviezen en het antwoord van de bevoegde autoriteit daarop;
9° indien nodig, de identificatie van eventuele wijzigingsplannen of bijkomende effectbeoordelingen;
10° indien van toepassing, de identificatie en rechtvaardiging van opgelegde stedenbouwkundige lasten.
Bijlage 13 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de identificatie van het voorwerp en de uiteenzetting van de aanvraag;
2° de identificatie van de in eerste aanleg gegeven beslissing of het ontbreken van een beslissing;
3° de identificatie van het ingestelde beroep en het beoordelen van de ontvankelijkheid ervan;
4° de identificatie van een projectvergadering gehouden voorafgaand aan de indiening van de aanvraag;
5° de identificatie van de rechtstoestand;
6° het bestaan van een beoordeling of effectenstudie die bij de aanvraag is gevoegd en de redenen voor de indiening ervan;
7° de identificatie en de motivering van eventuele afwijkingen en verschillen;
6° identificatie van de effecten van het project op het gemeentelijk wegennet en, in voorkomend geval, het bestaan van een definitieve beslissing met betrekking tot het gemeentelijke wegennet in de zin van artikel D.IV.41 ;
9° de identificatie van de genomen publiciteitsmaatregelen en, in voorkomend geval, een samenvatting van de opmerkingen en bezwaren en het antwoord van de Regering daarop;
10° de identificatie van de gedane raadplegingen en, in voorkomend geval, een samenvatting van de adviezen en het antwoord van de Regering daarop;
11° indien nodig, de identificatie van eventuele wijzigingsplannen of bijkomende effectbeoordelingen;
12° de vermelding van de datum waarop de partijen en het Adviescomité voor Beroep werden uitgenodigd voor een hoorzitting en, in voorkomend geval, identificatie van het advies uitgebracht door het Adviescomité voor Beroep en het antwoord van de Regering daarop;
13° de identificatie van het voorstel tot gemotiveerde beslissing dat door de administratie wordt toegezonden en, in voorkomend geval, het antwoord van de Regering daarop;
14° indien van toepassing, de identificatie en rechtvaardiging van opgelegde stedenbouwkundige lasten.]1
Art. R. IV.26-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
La décision du Ministre [1 ...]1 ou du collège communal et la proposition du [1 Ministre]1 au collège communal d'octroi ou de refus de permis d'urbanisme, de permis d'urbanisme de constructions groupées, [3 de permis d'urbaniser, de modification ou d'abrogation de permis d'urbaniser]3 [2 , de permis de diviser]2 est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 12.
[3 La décision du Gouvernement statuant en recours et la proposition de la commission de recours adressée au Gouvernement au sujet d'une demande de permis d'urbanisme, de permis d'urbanisme de constructions groupées, de permis d'urbaniser, de modification ou d'abrogation de permis d'urbaniser ou de permis de diviser sont émises, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 13]3.
La décision du Ministre [1 ...]1 ou du collège communal et la proposition du [1 Ministre]1 au collège communal d'octroi ou de refus de permis d'urbanisme, de permis d'urbanisme de constructions groupées, [3 de permis d'urbaniser, de modification ou d'abrogation de permis d'urbaniser]3 [2 , de permis de diviser]2 est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 12.
[3 La décision du Gouvernement statuant en recours et la proposition de la commission de recours adressée au Gouvernement au sujet d'une demande de permis d'urbanisme, de permis d'urbanisme de constructions groupées, de permis d'urbaniser, de modification ou d'abrogation de permis d'urbaniser ou de permis de diviser sont émises, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 13]3.
Art. R. IV.26-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De beslissing van de Minister [1 of van het gemeentecollege]1 en [1 het voorstel van de Minister]1 aan het gemeentecollege voor de toekenning of weigering van stedenbouwkundige vergunning, van stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken, van [3 ontsluitingsvergunning, van wijziging of opheffing van de ontsluitingsvergunning]3 [2 , van opsplitsingsvergunning]2 wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 12.
[3 De beslissing van de Regering in beroep en het aan de Regering gerichte voorstel van de beroepscommissie over een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, voor een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken, voor een ontsluitingsvergunning, tot wijziging of opheffing van een ontsluitingsvergunning of voor een opsplitsingsvergunning, wordt, op straffe van nietigheid, wordt opgesteld door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 13]3.
De beslissing van de Minister [1 of van het gemeentecollege]1 en [1 het voorstel van de Minister]1 aan het gemeentecollege voor de toekenning of weigering van stedenbouwkundige vergunning, van stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken, van [3 ontsluitingsvergunning, van wijziging of opheffing van de ontsluitingsvergunning]3 [2 , van opsplitsingsvergunning]2 wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 12.
[3 De beslissing van de Regering in beroep en het aan de Regering gerichte voorstel van de beroepscommissie over een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, voor een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken, voor een ontsluitingsvergunning, tot wijziging of opheffing van een ontsluitingsvergunning of voor een opsplitsingsvergunning, wordt, op straffe van nietigheid, wordt opgesteld door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 13]3.
Art. R. IV.26-3.Moyennant accord préalable de l'autorité compétente ou de la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 ou du fonctionnaire délégué lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux articles D.II.54, D.IV.25 et D.V.16, le demandeur peut produire les plans à une autre échelle que celles arrêtées.
A titre exceptionnel, l'autorité compétente ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 ou le fonctionnaire délégué lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux articles D.II.54, D.IV.25 et D.V.16 peut solliciter la production de documents complémentaires si ceux-ci sont indispensables à la compréhension du projet. Ces documents complémentaires sont mentionnés dans le relevé des pièces manquantes visé à l'article D.IV.33, alinéa 1er, 2°.
[3 Le nombre d'exemplaires à fournir est fixé dans les annexes 4 à 7 visées à l'article R.IV.26-1]3.
[2 ...]2
Lorsque l'autorité compétente ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 ou le fonctionnaire délégué lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux articles D.II.54, D.IV.25 et D.V.16 sollicite des exemplaires supplémentaires auprès du demandeur, elle le mentionne dans le relevé des pièces manquantes visé à l'article D.IV.33, alinéa 1er, 2°. Le nombre de ces exemplaires complémentaires ne peut dépasser celui des avis à solliciter.
L'autorité compétente ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 ou le fonctionnaire délégué lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux articles D.II.54, D.IV.25 et D.V.16 peut inviter le demandeur à communiquer l'exemplaire supplémentaire sur support informatique en précisant le format du fichier y relatif.
A titre exceptionnel, l'autorité compétente ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 ou le fonctionnaire délégué lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux articles D.II.54, D.IV.25 et D.V.16 peut solliciter la production de documents complémentaires si ceux-ci sont indispensables à la compréhension du projet. Ces documents complémentaires sont mentionnés dans le relevé des pièces manquantes visé à l'article D.IV.33, alinéa 1er, 2°.
[3 Le nombre d'exemplaires à fournir est fixé dans les annexes 4 à 7 visées à l'article R.IV.26-1]3.
[2 ...]2
Lorsque l'autorité compétente ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 ou le fonctionnaire délégué lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux articles D.II.54, D.IV.25 et D.V.16 sollicite des exemplaires supplémentaires auprès du demandeur, elle le mentionne dans le relevé des pièces manquantes visé à l'article D.IV.33, alinéa 1er, 2°. Le nombre de ces exemplaires complémentaires ne peut dépasser celui des avis à solliciter.
L'autorité compétente ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 ou le fonctionnaire délégué lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux articles D.II.54, D.IV.25 et D.V.16 peut inviter le demandeur à communiquer l'exemplaire supplémentaire sur support informatique en précisant le format du fichier y relatif.
Art. R. IV.26-3.Mits voorafgaande toestemming van de bevoegde overheid of van de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33 of van de gemachtigd ambtenaar wanneer hij de overheid is die belast is met het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de artikelen D.II.54, D.IV.25 en D.V.16, kan de aanvrager de plannen produceren op een andere schaal dan diegenen die worden bepaald.
Bij wijze van uitzondering, kan de bevoegde overheid of de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33 of de gemachtigd ambtenaar wanneer hij de overheid is die belast is met het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de artikelen D.II.54, D.IV.25 en D.V.16, verzoeken om bijkomende documenten te produceren als ze onontbeerlijk zijn voor het goed begrip van het project. Deze bijkomende documenten worden vermeld in de opsomming van de ontbrekende stukken bedoel in artikel D.IV.33, eerste lid, 2°.
[3 Het aantal te leveren exemplaren wordt bepaald in de bijlagen 4 tot 7 bedoeld in artikel R.IV.26-1]3.
[2 ...]2
Als de bevoegde overheid of de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33 of de gemachtigd ambtenaar wanneer hij de overheid is die belast is met het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de artikelen D.II.54, D.IV.25 en D.V.16, bijkomende exemplaren bij de aanvrager vraagt, dan vermeldt ze dit in de opsomming van de ontbrekende stukken bedoeld in artikel D.IV.33, eerste lid, 2°. Het aantal bijkomende exemplaren mag het aantal aangevraagde adviezen niet overschrijden.
De bevoegde overheid of de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33 of de gemachtigd ambtenaar wanneer hij de overheid is die belast is met het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de artikelen D.II.54, D.IV.25 en D.V.16, kan de aanvrager uitnodigen om het bijkomend exemplaar mee te delen op informaticadrager met vermelding van het formaat van het desbetreffende bestand.
Bij wijze van uitzondering, kan de bevoegde overheid of de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33 of de gemachtigd ambtenaar wanneer hij de overheid is die belast is met het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de artikelen D.II.54, D.IV.25 en D.V.16, verzoeken om bijkomende documenten te produceren als ze onontbeerlijk zijn voor het goed begrip van het project. Deze bijkomende documenten worden vermeld in de opsomming van de ontbrekende stukken bedoel in artikel D.IV.33, eerste lid, 2°.
[3 Het aantal te leveren exemplaren wordt bepaald in de bijlagen 4 tot 7 bedoeld in artikel R.IV.26-1]3.
[2 ...]2
Als de bevoegde overheid of de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33 of de gemachtigd ambtenaar wanneer hij de overheid is die belast is met het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de artikelen D.II.54, D.IV.25 en D.V.16, bijkomende exemplaren bij de aanvrager vraagt, dan vermeldt ze dit in de opsomming van de ontbrekende stukken bedoeld in artikel D.IV.33, eerste lid, 2°. Het aantal bijkomende exemplaren mag het aantal aangevraagde adviezen niet overschrijden.
De bevoegde overheid of de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33 of de gemachtigd ambtenaar wanneer hij de overheid is die belast is met het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de artikelen D.II.54, D.IV.25 en D.V.16, kan de aanvrager uitnodigen om het bijkomend exemplaar mee te delen op informaticadrager met vermelding van het formaat van het desbetreffende bestand.
Art. R. IV.26-3_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Moyennant accord préalable de l'autorité compétente ou de la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 ou [2 du Ministre]2 lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux [3 articles D.II.54 ou D.IV.22, alinéa 1er, 12°]3, le demandeur peut produire les plans à une autre échelle que celles arrêtées.
A titre exceptionnel, l'autorité compétente ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 ou [2 le Ministre]2 lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux [3 articles D.II.54 ou D.IV.22, alinéa 1er, 12°]3 peut solliciter la production de documents complémentaires si ceux-ci sont indispensables à la compréhension du projet. Ces documents complémentaires sont mentionnés dans le relevé des pièces manquantes visé à l'article D.IV.33, alinéa 1er, 2°.
Le nombre d'exemplaires à fournir est fixé dans les annexes 4 à 11 visées à l'article R.IV.26-1.
[1 Les communes peuvent adapter les annexes 4 à 11 dans le cadre de l'application de la réglementation relative à la protection des données personnelles qui les concerne et pour cette seule fin, et ajouter au formulaire adapté le nom de la commune et son logo.]1
Lorsque l'autorité compétente ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 ou [2 le Ministre]2 lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux [3 articles D.II.54 ou D.IV.22, alinéa 1er, 12°]3 sollicite des exemplaires supplémentaires auprès du demandeur, elle le mentionne dans le relevé des pièces manquantes visé à l'article D.IV.33, alinéa 1er, 2°. Le nombre de ces exemplaires complémentaires ne peut dépasser celui des avis à solliciter.
L'autorité compétente ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 ou [2 le Ministre]2 lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux [3 articles D.II.54 ou D.IV.22, alinéa 1er, 12°]3 peut inviter le demandeur à communiquer l'exemplaire supplémentaire sur support informatique en précisant le format du fichier y relatif.
Moyennant accord préalable de l'autorité compétente ou de la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 ou [2 du Ministre]2 lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux [3 articles D.II.54 ou D.IV.22, alinéa 1er, 12°]3, le demandeur peut produire les plans à une autre échelle que celles arrêtées.
A titre exceptionnel, l'autorité compétente ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 ou [2 le Ministre]2 lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux [3 articles D.II.54 ou D.IV.22, alinéa 1er, 12°]3 peut solliciter la production de documents complémentaires si ceux-ci sont indispensables à la compréhension du projet. Ces documents complémentaires sont mentionnés dans le relevé des pièces manquantes visé à l'article D.IV.33, alinéa 1er, 2°.
Le nombre d'exemplaires à fournir est fixé dans les annexes 4 à 11 visées à l'article R.IV.26-1.
[1 Les communes peuvent adapter les annexes 4 à 11 dans le cadre de l'application de la réglementation relative à la protection des données personnelles qui les concerne et pour cette seule fin, et ajouter au formulaire adapté le nom de la commune et son logo.]1
Lorsque l'autorité compétente ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 ou [2 le Ministre]2 lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux [3 articles D.II.54 ou D.IV.22, alinéa 1er, 12°]3 sollicite des exemplaires supplémentaires auprès du demandeur, elle le mentionne dans le relevé des pièces manquantes visé à l'article D.IV.33, alinéa 1er, 2°. Le nombre de ces exemplaires complémentaires ne peut dépasser celui des avis à solliciter.
L'autorité compétente ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 ou [2 le Ministre]2 lorsqu'il est l'autorité chargée de l'instruction des demandes de permis visées aux [3 articles D.II.54 ou D.IV.22, alinéa 1er, 12°]3 peut inviter le demandeur à communiquer l'exemplaire supplémentaire sur support informatique en précisant le format du fichier y relatif.
Art. R. IV.26-3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Mits voorafgaande toestemming van de bevoegde overheid of van de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33 of van [2 de Minister]2 wanneer hij de overheid is die belast is met het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de [3 artikelen D.II.54 of D.IV.22, eerste lid, 12°]3, kan de aanvrager de plannen produceren op een andere schaal dan diegenen die worden bepaald.
Bij wijze van uitzondering, kan de bevoegde overheid of de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33 of [2 de Minister]2 wanneer hij de overheid is die belast is met het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de [3 artikelen D.II.54 of D.IV.22, eerste lid, 12°]3, verzoeken om bijkomende documenten te produceren als ze onontbeerlijk zijn voor het goed begrip van het project. Deze bijkomende documenten worden vermeld in de opsomming van de ontbrekende stukken bedoel in artikel D.IV.33, eerste lid, 2°.
Het aantal te leveren exemplaren wordt bepaald in de bijlagen 4 tot 11 bedoeld in artikel R.IV.26-1.
[1 De gemeenten kunnen de bijlagen 4 tot en met 11 aanpassen in het kader van de toepassing van het reglement betreffende de bescherming van hun persoonsgegevens en uitsluitend voor dit doel, en de naam van de gemeente en haar logo toevoegen aan het aangepaste formulier.]1
Als de bevoegde overheid of de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33 of [2 de Minister]2 wanneer hij de overheid is die belast is met het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de [3 artikelen D.II.54 of D.IV.22, eerste lid, 12°]3, bijkomende exemplaren bij de aanvrager vraagt, dan vermeldt ze dit in de opsomming van de ontbrekende stukken bedoeld in artikel D.IV.33, eerste lid, 2°. Het aantal bijkomende exemplaren mag het aantal aangevraagde adviezen niet overschrijden.
De bevoegde overheid of de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33 of [2 de Minister]2 wanneer hij de overheid is die belast is met het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de [3 artikelen D.II.54 of D.IV.22, eerste lid, 12°]3, kan de aanvrager uitnodigen om het bijkomend exemplaar mee te delen op informaticadrager met vermelding van het formaat van het desbetreffende bestand.
Mits voorafgaande toestemming van de bevoegde overheid of van de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33 of van [2 de Minister]2 wanneer hij de overheid is die belast is met het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de [3 artikelen D.II.54 of D.IV.22, eerste lid, 12°]3, kan de aanvrager de plannen produceren op een andere schaal dan diegenen die worden bepaald.
Bij wijze van uitzondering, kan de bevoegde overheid of de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33 of [2 de Minister]2 wanneer hij de overheid is die belast is met het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de [3 artikelen D.II.54 of D.IV.22, eerste lid, 12°]3, verzoeken om bijkomende documenten te produceren als ze onontbeerlijk zijn voor het goed begrip van het project. Deze bijkomende documenten worden vermeld in de opsomming van de ontbrekende stukken bedoel in artikel D.IV.33, eerste lid, 2°.
Het aantal te leveren exemplaren wordt bepaald in de bijlagen 4 tot 11 bedoeld in artikel R.IV.26-1.
[1 De gemeenten kunnen de bijlagen 4 tot en met 11 aanpassen in het kader van de toepassing van het reglement betreffende de bescherming van hun persoonsgegevens en uitsluitend voor dit doel, en de naam van de gemeente en haar logo toevoegen aan het aangepaste formulier.]1
Als de bevoegde overheid of de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33 of [2 de Minister]2 wanneer hij de overheid is die belast is met het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de [3 artikelen D.II.54 of D.IV.22, eerste lid, 12°]3, bijkomende exemplaren bij de aanvrager vraagt, dan vermeldt ze dit in de opsomming van de ontbrekende stukken bedoeld in artikel D.IV.33, eerste lid, 2°. Het aantal bijkomende exemplaren mag het aantal aangevraagde adviezen niet overschrijden.
De bevoegde overheid of de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33 of [2 de Minister]2 wanneer hij de overheid is die belast is met het onderzoek van de vergunningsaanvragen bedoeld in de [3 artikelen D.II.54 of D.IV.22, eerste lid, 12°]3, kan de aanvrager uitnodigen om het bijkomend exemplaar mee te delen op informaticadrager met vermelding van het formaat van het desbetreffende bestand.
Art. R. IV.28-1. Les demandes de permis d'urbanisation qui bénéficient d'un contenu simplifié sont celles :
1° soit relatives à l'urbanisation d'un terrain situé dans le périmètre d'un schéma d'orientation local qui contient les indications visées à l'article D.II.11, § 3, 1°, ou d'un guide communal d'urbanisme qui contient les indications visées à l'article D.III.2, § 1er, 1° à 6°, 8° et 9° ;
2° soit qui remplissent cumulativement les conditions suivantes:
a) elles n'impliquent pas la création ou l'élargissement d'une voirie communale;
b) elles n'impliquent pas la création ou l'élargissement d'une voirie régionale;
c) elles sont relatives à l'urbanisation d'un terrain sur une longueur maximale de 300 mètres mesurés en bordure de voirie et sur une profondeur maximale de 50 mètres mesurés depuis le bord de la voirie.
1° soit relatives à l'urbanisation d'un terrain situé dans le périmètre d'un schéma d'orientation local qui contient les indications visées à l'article D.II.11, § 3, 1°, ou d'un guide communal d'urbanisme qui contient les indications visées à l'article D.III.2, § 1er, 1° à 6°, 8° et 9° ;
2° soit qui remplissent cumulativement les conditions suivantes:
a) elles n'impliquent pas la création ou l'élargissement d'une voirie communale;
b) elles n'impliquent pas la création ou l'élargissement d'une voirie régionale;
c) elles sont relatives à l'urbanisation d'un terrain sur une longueur maximale de 300 mètres mesurés en bordure de voirie et sur une profondeur maximale de 50 mètres mesurés depuis le bord de la voirie.
Art. R. IV.28-1. De aanvragen tot bebouwingsvergunningen die in aanmerking komen voor een vereenvoudigde inhoud zijn de volgende :
1° ofwel staan ze in verband met de bebouwing van een terrein geleden in de omtrek van een lokaal beleidsontwikkelingsplan dat de aanwijzingen inhoudt bedoeld in artikel D.II.11, § 3, 1°, of met een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw die de aanwijzingen inhoudt bedoeld in artikel D.III.2, § 1er, 1° tot 6°, 8° et 9° ;
2° ofwel vervullen ze cumulatief de volgende voorwaarden :
a) ze impliceren niet de aanleg of de uitbreiding van een gemeenteweg
b) ze impliceren niet de aanleg of de uitbreiding van een gewestweg;
c) ze hebben betrekking op de bebouwing van een terrein op een maximale lengte van 300 meter gemeten langs de weg en op een maximale diepte van 50 meter gemeten vanaf de kant van de weg.
1° ofwel staan ze in verband met de bebouwing van een terrein geleden in de omtrek van een lokaal beleidsontwikkelingsplan dat de aanwijzingen inhoudt bedoeld in artikel D.II.11, § 3, 1°, of met een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw die de aanwijzingen inhoudt bedoeld in artikel D.III.2, § 1er, 1° tot 6°, 8° et 9° ;
2° ofwel vervullen ze cumulatief de volgende voorwaarden :
a) ze impliceren niet de aanleg of de uitbreiding van een gemeenteweg
b) ze impliceren niet de aanleg of de uitbreiding van een gewestweg;
c) ze hebben betrekking op de bebouwing van een terrein op een maximale lengte van 300 meter gemeten langs de weg en op een maximale diepte van 50 meter gemeten vanaf de kant van de weg.
Art. R _IV.28-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Les demandes de [1 permis d'urbaniser ou, selon le cas, de modification ou d'abrogation d'un permis d'urbaniser]1 qui bénéficient d'un contenu simplifié sont celles :
1° soit relatives à l'urbanisation d'un terrain situé dans le périmètre d'un schéma d'orientation local qui contient les indications visées à l'article D.II.11, § 3, 1°, ou d'un guide communal d'urbanisme qui contient les indications visées à l'article D.III.2, § 1er, 1° à 6°, 8° et 9° ;
2° soit qui remplissent cumulativement les conditions suivantes:
a) elles n'impliquent pas la création ou l'élargissement d'une voirie communale;
b) elles n'impliquent pas la création ou l'élargissement d'une voirie régionale;
c) elles sont relatives à l'urbanisation d'un terrain sur une longueur maximale de 300 mètres mesurés en bordure de voirie et sur une profondeur maximale de 50 mètres mesurés depuis le bord de la voirie.
Les demandes de [1 permis d'urbaniser ou, selon le cas, de modification ou d'abrogation d'un permis d'urbaniser]1 qui bénéficient d'un contenu simplifié sont celles :
1° soit relatives à l'urbanisation d'un terrain situé dans le périmètre d'un schéma d'orientation local qui contient les indications visées à l'article D.II.11, § 3, 1°, ou d'un guide communal d'urbanisme qui contient les indications visées à l'article D.III.2, § 1er, 1° à 6°, 8° et 9° ;
2° soit qui remplissent cumulativement les conditions suivantes:
a) elles n'impliquent pas la création ou l'élargissement d'une voirie communale;
b) elles n'impliquent pas la création ou l'élargissement d'une voirie régionale;
c) elles sont relatives à l'urbanisation d'un terrain sur une longueur maximale de 300 mètres mesurés en bordure de voirie et sur une profondeur maximale de 50 mètres mesurés depuis le bord de la voirie.
Wijzigingen
Art. R _IV.28-1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De [1 aanvragen voor een ontsluitingsvergunning, dan wel tot wijziging of opheffing van een ontsluitingsvergunning]1 die in aanmerking komen voor een vereenvoudigde inhoud zijn de volgende :
1° ofwel staan ze in verband met de bebouwing van een terrein geleden in de omtrek van een lokaal beleidsontwikkelingsplan dat de aanwijzingen inhoudt bedoeld in artikel D.II.11, § 3, 1°, of met een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw die de aanwijzingen inhoudt bedoeld in artikel D.III.2, § 1er, 1° tot 6°, 8° et 9° ;
2° ofwel vervullen ze cumulatief de volgende voorwaarden :
a) ze impliceren niet de aanleg of de uitbreiding van een gemeenteweg
b) ze impliceren niet de aanleg of de uitbreiding van een gewestweg;
c) ze hebben betrekking op de bebouwing van een terrein op een maximale lengte van 300 meter gemeten langs de weg en op een maximale diepte van 50 meter gemeten vanaf de kant van de weg.
De [1 aanvragen voor een ontsluitingsvergunning, dan wel tot wijziging of opheffing van een ontsluitingsvergunning]1 die in aanmerking komen voor een vereenvoudigde inhoud zijn de volgende :
1° ofwel staan ze in verband met de bebouwing van een terrein geleden in de omtrek van een lokaal beleidsontwikkelingsplan dat de aanwijzingen inhoudt bedoeld in artikel D.II.11, § 3, 1°, of met een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw die de aanwijzingen inhoudt bedoeld in artikel D.III.2, § 1er, 1° tot 6°, 8° et 9° ;
2° ofwel vervullen ze cumulatief de volgende voorwaarden :
a) ze impliceren niet de aanleg of de uitbreiding van een gemeenteweg
b) ze impliceren niet de aanleg of de uitbreiding van een gewestweg;
c) ze hebben betrekking op de bebouwing van een terrein op een maximale lengte van 300 meter gemeten langs de weg en op een maximale diepte van 50 meter gemeten vanaf de kant van de weg.
Art. R. IV.28-2.
Art. R. IV.28-2.
Art. R _IV.28-2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
La demande [1 visée à l'article R.IV.28-1]1 est introduite en utilisant le formulaire repris en [1 annexe 10]1 qui en fixe le contenu simplifié.
La demande [1 visée à l'article R.IV.28-1]1 est introduite en utilisant le formulaire repris en [1 annexe 10]1 qui en fixe le contenu simplifié.
Wijzigingen
Art. R_IV.28-2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 2. - Dossier de demande de certificat d'urbanisme
Afdeling 2. - Aanvraagdossier voor een stedenbouwkundig attest
Art. R.IV.30-1.[1 La demande de certificat d'urbanisme n° 1 est introduite en utilisant le formulaire repris en annexe 14 qui en fixe le contenu.
Art. R. IV.30-1.[1 De aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 1 wordt ingediend door gebruik te maken van het formulier opgenomen in bijlage 14 die de inhoud ervan vastlegt.
De aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. wordt ingediend door gebruik te maken van het formulier opgenomen in bijlage 8 die de inhoud ervan vastlegt.
De Minister kan de inhoud van bijlage 8 wijzigen.
Bijlage 8 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de personalia van de aanvrager;
2° de ligging van het project;
3° het voorwerp van de aanvraag;
5° de lijst van vrijstellingen en afwijkingen en de redenen daarvoor ;
6° de lijst van documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd, evenals hun kenmerken en het minimumaantal exemplaren dat moet worden verstrekt;
7° de te verstrekken plannen, evenals hun schaal en kenmerken;
8° de informatie met betrekking tot de gegevensbescherming.
9° de vereiste handtekeningen.]1
De aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. wordt ingediend door gebruik te maken van het formulier opgenomen in bijlage 8 die de inhoud ervan vastlegt.
De Minister kan de inhoud van bijlage 8 wijzigen.
Bijlage 8 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de personalia van de aanvrager;
2° de ligging van het project;
3° het voorwerp van de aanvraag;
5° de lijst van vrijstellingen en afwijkingen en de redenen daarvoor ;
6° de lijst van documenten die bij de aanvraag moeten worden gevoegd, evenals hun kenmerken en het minimumaantal exemplaren dat moet worden verstrekt;
7° de te verstrekken plannen, evenals hun schaal en kenmerken;
8° de informatie met betrekking tot de gegevensbescherming.
9° de vereiste handtekeningen.]1
Art. R. IV.30-2. La décision du collège communal d'octroi d'un certificat d'urbanisme n° 1 est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 16.
La décision du Ministre, du fonctionnaire délégué ou du collège communal et la proposition du fonctionnaire délégué au collège communal d'octroi ou de refus d'un certificat d'urbanisme n° 2 est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 12.
La décision du Ministre statuant en recours sur une demande de certificat d'urbanisme n° 2 est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 13.
La décision du Ministre, du fonctionnaire délégué ou du collège communal et la proposition du fonctionnaire délégué au collège communal d'octroi ou de refus d'un certificat d'urbanisme n° 2 est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 12.
La décision du Ministre statuant en recours sur une demande de certificat d'urbanisme n° 2 est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 13.
Art. R. IV.30-2. De beslissing van het gemeentecollege voor de toekenning van een stedenbouwkundig attest nr. 1 wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 16.
De beslissing van de Minister, van de gemachtigde ambtenaar of van het gemeentecollege en het voorstel van de gemachtigde ambtenaar aan het gemeentecollege voor de toekenning of weigering van stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 12.
De beslissing van de Minister die in beroep beslist over een aanvraag tot stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 13.
De beslissing van de Minister, van de gemachtigde ambtenaar of van het gemeentecollege en het voorstel van de gemachtigde ambtenaar aan het gemeentecollege voor de toekenning of weigering van stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 12.
De beslissing van de Minister die in beroep beslist over een aanvraag tot stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 13.
Art. R. IV.30-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
La décision du collège communal d'octroi d'un certificat d'urbanisme n° 1 est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 16.
La décision du Ministre [1 ...]1 ou du collège communal et la proposition [1 du Ministre]1 au collège communal d'octroi ou de refus d'un certificat d'urbanisme n° 2 est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 12.
La décision [1 du Gouvernement]1 statuant en recours sur une demande de certificat d'urbanisme n° 2 est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 13.
La décision du collège communal d'octroi d'un certificat d'urbanisme n° 1 est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 16.
La décision du Ministre [1 ...]1 ou du collège communal et la proposition [1 du Ministre]1 au collège communal d'octroi ou de refus d'un certificat d'urbanisme n° 2 est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 12.
La décision [1 du Gouvernement]1 statuant en recours sur une demande de certificat d'urbanisme n° 2 est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 13.
Wijzigingen
Art. R. IV.30-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De beslissing van het gemeentecollege voor de toekenning van een stedenbouwkundig attest nr. 1 wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 16.
De beslissing van de Minister [1 of van het gemeentecollege]1 en [1 het voorstel van de Minister]1 aan het gemeentecollege voor de toekenning of weigering van stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 12.
De beslissing [1 van de Regering]1 die in beroep beslist over een aanvraag tot stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 13.
De beslissing van het gemeentecollege voor de toekenning van een stedenbouwkundig attest nr. 1 wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 16.
De beslissing van de Minister [1 of van het gemeentecollege]1 en [1 het voorstel van de Minister]1 aan het gemeentecollege voor de toekenning of weigering van stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 12.
De beslissing [1 van de Regering]1 die in beroep beslist over een aanvraag tot stedenbouwkundig attest nr. 2 wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 13.
Art. R. IV.30-3.Moyennant accord préalable de l'autorité compétente ou de la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33, le demandeur [2 de certificat d'urbanisme n° 2]2 peut produire les plans à une autre échelle que celles arrêtées.
A titre exceptionnel, l'autorité compétente [2 pour délivrer le certificat d'urbanisme n° 2]2 ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 peut solliciter la production de documents complémentaires si ceux-ci sont indispensables à la compréhension du projet. Ces documents complémentaires sont mentionnés dans le relevé des pièces manquantes visé à l'article D.IV.33, alinéa 1er, 2°.
[3 Le nombre d'exemplaires à fournir est fixé dans l'annexe 8 visée à l'article R.IV.30-1]3.
[2 ...]2.
Lorsque l'autorité compétente [2 pour délivrer le certificat d'urbanisme n° 2]2 ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 sollicite des exemplaires supplémentaires auprès du demandeur, elle le mentionne dans le relevé des pièces manquantes visé à l'article D.IV.33, alinéa 1er, 2°. Le nombre de ces exemplaires complémentaires ne peut dépasser celui des avis à solliciter. L'autorité compétente ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 peut demander l'exemplaire supplémentaire sur support informatique en précisant le format du fichier y relatif.
A titre exceptionnel, l'autorité compétente [2 pour délivrer le certificat d'urbanisme n° 2]2 ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 peut solliciter la production de documents complémentaires si ceux-ci sont indispensables à la compréhension du projet. Ces documents complémentaires sont mentionnés dans le relevé des pièces manquantes visé à l'article D.IV.33, alinéa 1er, 2°.
[3 Le nombre d'exemplaires à fournir est fixé dans l'annexe 8 visée à l'article R.IV.30-1]3.
[2 ...]2.
Lorsque l'autorité compétente [2 pour délivrer le certificat d'urbanisme n° 2]2 ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 sollicite des exemplaires supplémentaires auprès du demandeur, elle le mentionne dans le relevé des pièces manquantes visé à l'article D.IV.33, alinéa 1er, 2°. Le nombre de ces exemplaires complémentaires ne peut dépasser celui des avis à solliciter. L'autorité compétente ou la personne qu'elle délègue en vertu de l'article D.IV.33 peut demander l'exemplaire supplémentaire sur support informatique en précisant le format du fichier y relatif.
Art. R.IV.30-3.Mits voorafgaande toestemming van de bevoegde overheid of van de persoon die ze daartoe machtigt krachtens artikel D.IV.33, kan de aanvrager [2 van een stedenbouwkundig attest nr° 2]2 de plannen produceren op een andere schaal dan diegenen die worden bepaald.
CHAPITRE III. - Réunion de projet
HOOFDSTUK III. - Projectvergadering
CHAPITRE IV. - Dépôt de la demande
HOOFDSTUK IV. - Indiening van de aanvraag
Section 1re. - Généralités
Afdeling 1. - Algemeen
Art. R.IV.32-1. Le relevé des pièces manquantes est établi en utilisant le modèle qui figure en annexe 17 du Code.
Art. R. IV.32-1. De opsomming van de ontbrekende stukken wordt opgesteld door gebruik te maken van het model dat voorkomt in bijlage 17 van het Wetboek.
Art. R. IV.32-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. IV.32-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. IV.34-1. L'accusé de réception délivré par le collège communal est établi en utilisant le modèle qui figure en annexe 18 du Code.
L'accusé de réception délivré par le fonctionnaire délégué est établi en utilisant le modèle qui figure en annexe 19 du Code.
L'accusé de réception délivré par le fonctionnaire délégué est établi en utilisant le modèle qui figure en annexe 19 du Code.
Art. R. IV.34-1. Het door het gemeentecollege afgegeven bericht van ontvangst wordt opgesteld door gebruik te maken van het model dat voorkomt in bijlage 18 van het Wetboek.
Het door de gemachtigde ambtenaar afgegeven bericht van ontvangst wordt opgesteld door gebruik te maken van het model dat voorkomt in bijlage 19 van het Wetboek.
Het door de gemachtigde ambtenaar afgegeven bericht van ontvangst wordt opgesteld door gebruik te maken van het model dat voorkomt in bijlage 19 van het Wetboek.
Art. R. IV.34-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[2 L'avis de complétude formelle]2 délivré par le collège communal est établi en utilisant le modèle qui figure en annexe 18 [1 ...]1.
[2 L'avis de complétude formelle]2 délivré par le [1 Ministre]1 est établi en utilisant le modèle qui figure en annexe 19 [1 ...]1.
[2 L'avis de complétude formelle]2 délivré par le collège communal est établi en utilisant le modèle qui figure en annexe 18 [1 ...]1.
[2 L'avis de complétude formelle]2 délivré par le [1 Ministre]1 est établi en utilisant le modèle qui figure en annexe 19 [1 ...]1.
Art. R.IV.34-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE V. - Consultations
HOOFDSTUK V. - Raadplegingen
Art. R.IV.35-1.Les consultations obligatoires dans le cadre de l'instruction d'une demande de permis ou de certificat d'urbanisme n° 2 visées dans l'article D.IV.35, alinéa 2, sont reprises dans le tableau qui suit. Toutefois la consultation n'est pas obligatoire lorsque l'instance ou le service à consulter est le demandeur du permis ou du certificat d'urbanisme n° 2.
Art. R. IV.35-1.[1 - De adviezen die overeenkomstig artikel D.IV.35, tweede lid, en in overeenstemming met de artikelen 12, 13 en 83 van het Samenwerkingsakkoord tijdens het onderzoek van een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundig attest nr. 2 moeten worden aangevraagd, stemmen overeen met de hierna volgende tabel. Er hoeft echter geen advies te worden ingewonnen als de overheid of dienst die om advies moet worden verzocht, de overheid of dienst is die de aanvraag voor een vergunning of attest nr. 2 indient."
Art. R. IV.35-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Les consultations obligatoires dans le cadre de l'instruction d'une demande de permis d'urbanisme ou de certificat d'urbanisme n° 2, conformément à l'article D.IV.35, alinéa 2, et en conformité avec les articles 12, 13 et 83 de l'accord de coopération, sont reprises dans le tableau qui suit. Toutefois, la consultation n'est pas obligatoire lorsque l'instance ou le service à consulter est le demandeur du permis ou du certificat n° 2.
| Situation/Spécificité du projet | Actes et travaux | Consultations obligatoires | |
| 1. | Zone agricole du plan de secteur | Actes et travaux situés en zone agricole, à l'exclusion des transformations de bâtiments sans agrandissement et sans modification de destination | SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Ruralité et des Cours d'eau |
| 2. | Zone forestière du plan de secteur | Actes et travaux situés en zone forestière, à l'exclusion des transformations de bâtiments sans agrandissement et sans modification de destination | SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Nature et des Forêts |
| 3. | Zone naturelle du plan de secteur | Actes et travaux situés en zone naturelle, à l'exclusion des transformations de bâtiments sans agrandissement et sans modification de destination | SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Nature et des Forêts |
| 4. | Infrastructures de communication | Actes et travaux situés dans le périmètre de réservation d'une voirie régionale ou autoroute au plan de secteur | SPW Mobilité et Infrastructures |
| 5. | Actes et travaux situés dans le périmètre de réservation d'une voie ferrée au plan de secteur | INFRABEL (infrastructure) | |
| 6. | Voirie régionale et autoroute : construction d'immeuble, aménagement de parking sur un terrain qui jouxte la voirie | SPW Mobilité et Infrastructures | |
| 7. | Voie ferrée : construction d'immeuble, aménagement de parking sur un terrain qui jouxte la voie ferrée | INFRABEL (infrastructure) | |
| 8. | Cours d'eau navigable : construction d'immeuble, aménagement de parking sur un terrain qui jouxte le cours d'eau | SPW Mobilité et Infrastructures - Département des Voies hydrauliques | |
| 9. | Cours d'eau non navigable de 1re catégorie : construction d'un immeuble, aménagement d'un parking sur un terrain qui jouxte le cours d'eau | SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Direction des Cours d'eau non navigables SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Nature et des Forêts | |
| 10. | Cours d'eau non navigable de 2e catégorie ou cours d'eau non classé : construction d'un immeuble, aménagement d'un parking sur un terrain qui jouxte le cours d'eau | Service technique provincial SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Nature et des Forêts | |
| 11. | Cours d'eau non navigable de 3e catégorie : construction d'un immeuble ou d'une installation, aménagement d'un parking sur un terrain qui jouxte le cours d'eau | Collège communal concerné SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Nature et des Forêts | |
| 12. | Réseau Autonome des Voies Lentes : construction d'immeuble, aménagement de parking sur un terrain qui jouxte le RAVeL | SPW Mobilité et Infrastructures - Direction des Déplacements doux et des Partenariats communaux | |
| 13. | Actes et travaux situés dans un domaine des ports autonomes | Le gestionnaire du Port autonome SPW Mobilité et Infrastructures - Département des Voies hydrauliques | |
| 14. | A proximité d'un aéroport | Actes et travaux situés dans un domaine aéroportuaire ou dans un périmètre de réservation lié à un aéroport | SPW Mobilité et Infrastructures - Direction de l'aéroport SOWAER |
| 15. | Actes et travaux situés dans une zone A du plan de développement à long terme lié à un aéroport, à l'exclusion des transformations de bâtiments sans agrandissement | SPW Mobilité et Infrastructures - Direction de l'aéroport SOWAER SKEYES | |
| 16. | Voirie de communication par terre affectée à la circulation du public et à la desserte d'immeuble | Actes et travaux relatifs à la création, modification d'une voirie communale | Service d'incendie (hydrant, configuration, passage des véhicules de secours) |
| 17. | Infrastructures de transport de fluide et d'énergie | Canalisations principales destinées au transport de corps solides, liquides ou gazeux : construction d'immeuble, aménagement de parking sur un terrain qui jouxte ou traversé par les canalisations | Le gestionnaire de réseau Oléoduc, pipe-line : OTAN |
| 18. | Ligne du réseau de transport et distribution d'électricité : construction d'immeuble, aménagement de parking situé à moins de trente mètres d'une ligne aérienne haute tension ou jouxtant une ligne haute tension enterrée | Le gestionnaire de réseau | |
| 19. | Actes et travaux situés dans le périmètre de réservation ou le long du tracé d'une ligne du réseau de transport et distribution d'électricité | Le gestionnaire de réseau | |
| 20. | Actes et travaux situés dans le périmètre de réservation ou tracé d'une canalisation principale de gaz | Le gestionnaire de réseau Service d'incendie | |
| 21. | Actes et travaux situés dans le périmètre de réservation ou tracé d'une canalisation d'autres gaz | Le gestionnaire de réseau Service d'incendie | |
| 22. | Actes et travaux situés dans le périmètre de réservation ou tracé d'un oléoduc, pipe-line | OTAN Service d'incendie | |
| 23. | Actes et travaux situés dans le périmètre de réservation ou tracé d'une canalisation principale d'alimentation en eau | Société de distribution d'eau concernée par le projet | |
| 24. | Patrimoine naturel | Arbres, arbustes et haies remarquables : abattre, porter préjudice au système racinaire ou modifier l'aspect d'un arbre ou arbuste remarquable ou d'une haie remarquable | SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Nature et des Forêts |
| 25. | Actes et travaux situés à l'intérieur d'une zone reconnue en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature ou aux abords d'une telle zone, dans la mesure où ces actes et travaux peuvent sérieusement porter atteinte à la zone. | SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Nature et des Forêts | |
| 26. | Protection des personnes, des biens ou de l'environnement | Site SEVESO : actes et travaux se rapportant à un nouvel établissement ou la modification d'un établissement existant présentant un risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement | SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Cellule "RAM" Service d'incendie |
| 27. | Site SEVESO : tout projet dont la localisation est susceptible d'accroître le risque d'accident majeur ou d'en aggraver les conséquences, vis-à-vis d'un établissement existant présentant un risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement | SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Cellule "RAM" Service d'incendie | |
| 28. | Aléa d'inondation : tout projet relatif à un bien immobilier qui, de par sa localisation ou sa nature, est susceptible de produire un impact sur un cours d'eau ou est soumis à l'aléa d'inondation au sens de la cartographie adoptée par le Gouvernement wallon en application de l'article D.53-2 du Code de l'Eau | Cours d'eau navigable : SPW Mobilité et Infrastructures - Département des Voies hydrauliques; Cours d'eau non navigable de 1re catégorie : SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Ruralité et des Cours d'eau Cours d'eau non navigable de 2e catégorie ou cours d'eau non classé : service technique provincial Cours d'eau non navigable de 3e catégorie : collège communal concerné | |
| 29. | Tout projet situé dans un axe de ruissellement concentré au sens de l'article R.IV.4-3, alinéa 1er, 4° | SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Ruralité et des Cours d'eau | |
| 30. | Centre d'enfouissement technique Tout projet jouxtant un centre d'enfouissement technique ou implanté sur un ancien site d'enfouissement de déchets | SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département du Sol et des Déchets | |
| 31. | Périmètre de protection du centre de l'Agence spatiale européenne visé dans l'accord entre le Fédéral et la Région | Centre de l'Agence spatiale européenne | |
| 32. | Aménagement foncier rural | Actes et travaux dans le périmètre d'un aménagement foncier de biens ruraux (ex-remembrement rural) | Comité d'aménagement foncier institué du Code wallon de l'Agriculture |
| 33. | Equipement touristique | Projet touristique dont la superficie est supérieure à 5 ha au sens de l'article R.IV.45-3 | Commissariat Général au Tourisme de la Région wallonne L'autorité de la Communauté germanophone compétente en matière de tourisme |
| 34. | Projet touristique en zone forestière | Commissariat Général au Tourisme de la Région wallonne L'autorité de la Communauté germanophone compétente en matière de tourisme | |
| 35. | Sécurité Normes incendie | Construction de bâtiments ou espaces ouverts au public : 1° les immeubles destinés à l'accueil ou l'hébergement de personnes âgées ou handicapées; 2° les hôpitaux, dont les cliniques; 3° les centres d'aide médicale, psychique, familiale et sociale; 4° les bâtiments et espaces destinés aux activités socio-culturelles, sportives, récréatives ou touristiques, ces derniers s'ils hébergent un nombre de personnes égal ou supérieur à 11, ainsi que les aires de jeux couvertes; 5° les établissements destinés à la pratique du culte et les centres funéraires; 6° les bâtiments et infrastructures scolaires, universitaires et de formation; 7° les internats, les homes pour étudiants et les homes pour enfants; 8° les établissements pénitentiaires et de rééducation; 9° les bâtiments et infrastructures où sont assurées des missions de service public, notamment les maisons communales, les cours et tribunaux et leur greffe, les bureaux de poste, les gares, les aérogares et les stations de chemin de fer, de métro et de bus, en ce compris les quais; 10° les banques et autres établissements financiers; 11° les parkings en ouvrage; 12° les immeubles à usage de bureaux, les commerces, les centres commerciaux, les hôtels, les auberges, les restaurants et les cafés. | Service d'incendie |
| 36. | Construction de bâtiments d'immeubles de logements multiples | Service d'incendie | |
| 37. | Construction ou transformation majeure de bâtiments industriels | Service d'incendie | |
| 38. | Projets impliquant la création ou la modification de voiries | Service d'incendie | |
| 39. | Regroupement de déchets inertes ou valorisation de terres et cailloux | Projets visés à l'article R.II.33-2 | SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département du Sol et des Déchets |
| 40. | Implantations commerciales | Projets de construction, de placement, d'extension ou de modification du type de l'activité commerciale d'implantations commerciales présentant une surface commerciale nette supérieure à 1 000 m2, dans la mesure où l'avis de l'autorité wallonne ne doit pas être sollicité sur la base d'autres législations. Il convient d'entendre par "surface commerciale nette" la surface destinée à la vente et accessible au public, y compris les surfaces non couvertes. En cas d'extension, la surface commerciale nette à prendre en considération est la surface totale après réalisation du projet d'implantation commerciale. Cette surface inclut notamment les zones de caisses, les zones situées à l'arrière des caisses et les halls d'entrée lorsque ceux-ci sont aussi utilisés à des fins d'expositions ou de ventes de marchandises. | SPW Economie, Emploi, Recherche - Département du Développement économique - Direction des Implantations commerciales |
Situation/Spécificité du projet Actes et travaux Consultations obligatoires 1. Zone agricole du plan de secteur Actes et travaux situés en zone agricole, à l'exclusion des transformations de bâtiments sans agrandissement et sans modification de destination SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Ruralité et des Cours d'eau 2. Zone forestière du plan de secteur Actes et travaux situés en zone forestière, à l'exclusion des transformations de bâtiments sans agrandissement et sans modification de destination SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Nature et des Forêts 3. Zone naturelle du plan de secteur Actes et travaux situés en zone naturelle, à l'exclusion des transformations de bâtiments sans agrandissement et sans modification de destination SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Nature et des Forêts 4. Infrastructures de communication Actes et travaux situés dans le périmètre de réservation d'une voirie régionale ou autoroute au plan de secteur SPW Mobilité et Infrastructures 5. Actes et travaux situés dans le périmètre de réservation d'une voie ferrée au plan de secteur INFRABEL (infrastructure) 6. Voirie régionale et autoroute : construction d'immeuble, aménagement de parking sur un terrain qui jouxte la voirie SPW Mobilité et Infrastructures 7. Voie ferrée : construction d'immeuble, aménagement de parking sur un terrain qui jouxte la voie ferrée INFRABEL (infrastructure) 8. Cours d'eau navigable : construction d'immeuble, aménagement de parking sur un terrain qui jouxte le cours d'eau SPW Mobilité et Infrastructures - Département des Voies hydrauliques9. Cours d'eau non navigable de 1re catégorie : construction d'un immeuble, aménagement d'un parking sur un terrain qui jouxte le cours d'eau SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Direction des Cours d'eau non navigables SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Nature et des Forêts 10. Cours d'eau non navigable de 2e catégorie ou cours d'eau non classé : construction d'un immeuble, aménagement d'un parking sur un terrain qui jouxte le cours d'eau Service technique provincial SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Nature et des Forêts11. Cours d'eau non navigable de 3e catégorie : construction d'un immeuble ou d'une installation, aménagement d'un parking sur un terrain qui jouxte le cours d'eau Collège communal concerné SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Nature et des Forêts 12. Réseau Autonome des Voies Lentes : construction d'immeuble, aménagement de parking sur un terrain qui jouxte le RAVeL SPW Mobilité et Infrastructures - Direction des Déplacements doux et des Partenariats communaux 13. Actes et travaux situés dans un domaine des ports autonomes Le gestionnaire du Port autonome SPW Mobilité et Infrastructures - Département des Voies hydrauliques 14. A proximité d'un aéroport Actes et travaux situés dans un domaine aéroportuaire ou dans un périmètre de réservation lié à un aéroport SPW Mobilité et Infrastructures - Direction de l'aéroport SOWAER 15. Actes et travaux situés dans une zone A du plan de développement à long terme lié à un aéroport, à l'exclusion des transformations de bâtiments sans agrandissement SPW Mobilité et Infrastructures - Direction de l'aéroport SOWAER SKEYES 16. Voirie de communication par terre affectée à la circulation du public et à la desserte d'immeuble Actes et travaux relatifs à la création, modification d'une voirie communale Service d'incendie (hydrant, configuration, passage des véhicules de secours) 17. Infrastructures de transport de fluide et d'énergie Canalisations principales destinées au transport de corps solides, liquides ou gazeux : construction d'immeuble, aménagement de parking sur un terrain qui jouxte ou traversé par les canalisations Le gestionnaire de réseau Oléoduc, pipe-line : OTAN 18. Ligne du réseau de transport et distribution d'électricité : construction d'immeuble, aménagement de parking situé à moins de trente mètres d'une ligne aérienne haute tension ou jouxtant une ligne haute tension enterrée Le gestionnaire de réseau 19. Actes et travaux situés dans le périmètre de réservation ou le long du tracé d'une ligne du réseau de transport et distribution d'électricité Le gestionnaire de réseau 20. Actes et travaux situés dans le périmètre de réservation ou tracé d'une canalisation principale de gaz Le gestionnaire de réseau Service d'incendie 21. Actes et travaux situés dans le périmètre de réservation ou tracé d'une canalisation d'autres gaz Le gestionnaire de réseau Service d'incendie 22. Actes et travaux situés dans le périmètre de réservation ou tracé d'un oléoduc, pipe-line OTAN Service d'incendie 23. Actes et travaux situés dans le périmètre de réservation ou tracé d'une canalisation principale d'alimentation en eau Société de distribution d'eau concernée par le projet 24. Patrimoine naturel Arbres, arbustes et haies remarquables : abattre, porter préjudice au système racinaire ou modifier l'aspect d'un arbre ou arbuste remarquable ou d'une haie remarquable SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Nature et des Forêts25. Actes et travaux situés à l'intérieur d'une zone reconnue en vertu de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature ou aux abords d'une telle zone, dans la mesure où ces actes et travaux peuvent sérieusement porter atteinte à la zone. SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Nature et des Forêts 26. Protection des personnes, des biens ou de l'environnement Site SEVESO : actes et travaux se rapportant à un nouvel établissement ou la modification d'un établissement existant présentant un risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Cellule "RAM" Service d'incendie 27. Site SEVESO : tout projet dont la localisation est susceptible d'accroître le risque d'accident majeur ou d'en aggraver les conséquences, vis-à-vis d'un établissement existant présentant un risque d'accident majeur au sens du décret de la Région wallonne du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Cellule "RAM" Service d'incendie 28. Aléa d'inondation : tout projet relatif à un bien immobilier qui, de par sa localisation ou sa nature, est susceptible de produire un impact sur un cours d'eau ou est soumis à l'aléa d'inondation au sens de la cartographie adoptée par le Gouvernement wallon en application de l'article D.53-2 du Code de l'Eau Cours d'eau navigable : SPW Mobilité et Infrastructures - Département des Voies hydrauliques; Cours d'eau non navigable de 1re catégorie : SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Ruralité et des Cours d'eau Cours d'eau non navigable de 2e catégorie ou cours d'eau non classé : service technique provincial Cours d'eau non navigable de 3e catégorie : collège communal concerné 29. Tout projet situé dans un axe de ruissellement concentré au sens de l'article R.IV.4-3, alinéa 1er, 4° SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département de la Ruralité et des Cours d'eau 30. Centre d'enfouissement technique Tout projet jouxtant un centre d'enfouissement technique ou implanté sur un ancien site d'enfouissement de déchets SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département du Sol et des Déchets 31. Périmètre de protection du centre de l'Agence spatiale européenne visé dans l'accord entre le Fédéral et la Région Centre de l'Agence spatiale européenne 32. Aménagement foncier rural Actes et travaux dans le périmètre d'un aménagement foncier de biens ruraux (ex-remembrement rural) Comité d'aménagement foncier institué du Code wallon de l'Agriculture 33. Equipement touristique Projet touristique dont la superficie est supérieure à 5 ha au sens de l'article R.IV.45-3 Commissariat Général au Tourisme de la Région wallonne L'autorité de la Communauté germanophone compétente en matière de tourisme 34. Projet touristique en zone forestière Commissariat Général au Tourisme de la Région wallonne L'autorité de la Communauté germanophone compétente en matière de tourisme35. Sécurité Normes incendie Construction de bâtiments ou espaces ouverts au public : 1° les immeubles destinés à l'accueil ou l'hébergement de personnes âgées ou handicapées; 2° les hôpitaux, dont les cliniques; 3° les centres d'aide médicale, psychique, familiale et sociale; 4° les bâtiments et espaces destinés aux activités socio-culturelles, sportives, récréatives ou touristiques, ces derniers s'ils hébergent un nombre de personnes égal ou supérieur à 11, ainsi que les aires de jeux couvertes; 5° les établissements destinés à la pratique du culte et les centres funéraires; 6° les bâtiments et infrastructures scolaires, universitaires et de formation; 7° les internats, les homes pour étudiants et les homes pour enfants; 8° les établissements pénitentiaires et de rééducation; 9° les bâtiments et infrastructures où sont assurées des missions de service public, notamment les maisons communales, les cours et tribunaux et leur greffe, les bureaux de poste, les gares, les aérogares et les stations de chemin de fer, de métro et de bus, en ce compris les quais; 10° les banques et autres établissements financiers; 11° les parkings en ouvrage; 12° les immeubles à usage de bureaux, les commerces, les centres commerciaux, les hôtels, les auberges, les restaurants et les cafés. Service d'incendie 36. Construction de bâtiments d'immeubles de logements multiples Service d'incendie 37. Construction ou transformation majeure de bâtiments industriels Service d'incendie 38. Projets impliquant la création ou la modification de voiries Service d'incendie 39. Regroupement de déchets inertes ou valorisation de terres et cailloux Projets visés à l'article R.II.33-2 SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement - Département du Sol et des Déchets 40. Implantations commerciales Projets de construction, de placement, d'extension ou de modification du type de l'activité commerciale d'implantations commerciales présentant une surface commerciale nette supérieure à 1 000 m2, dans la mesure où l'avis de l'autorité wallonne ne doit pas être sollicité sur la base d'autres législations.
Il convient d'entendre par "surface commerciale nette" la surface destinée à la vente et accessible au public, y compris les surfaces non couvertes. En cas d'extension, la surface commerciale nette à prendre en considération est la surface totale après réalisation du projet d'implantation commerciale. Cette surface inclut notamment les zones de caisses, les zones situées à l'arrière des caisses et les halls d'entrée lorsque ceux-ci sont aussi utilisés à des fins d'expositions ou de ventes de marchandises. SPW Economie, Emploi, Recherche - Département du Développement économique - Direction des Implantations commerciales
]1
Wijzigingen
Gewijzigd door:
-
-
Art. R.IV.35-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE VI. - Formalités complémentaires
HOOFDSTUK VI. - Aanvullende formaliteiten
Section 1re. - Mesures particulières de publicité
Afdeling 1. - Bijzondere bekendmakingmaatregelen
Sous-section 1re. - Demandes soumises à enquête publique
Onderafdeling 1. - Aanvragen onderworpen aan een openbaar onderzoek
Art. R.IV.40-1.§ 1er. Outre les cas prévus aux articles D.IV.26, § 2, alinéa 2, et [3 D.IV.40, alinéas 2 à 5]3, sont soumises à une enquête publique les demandes de permis d'urbanisation qui permettent les actes et travaux suivants et les demandes de permis d'urbanisme relatives aux actes et travaux suivants, ainsi que les demandes de certificats d'urbanisme n° 2 ayant le même objet :
Art. R. IV.40-1.§ 1. Behalve de gevallen bedoeld in de artikelen D.IV.26, § 2, tweede lid, en [3 D.IV.40, leden 2 tot 5]3, worden onderworpen aan een openbaar onderzoek de aanvragen tot bebouwingsvergunningen die de hierondervermelde handelingen en werken toelaten en de aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen betreffende de hierondervermelde handelingen en werken, alsook de aanvragen om stedenbouwkundige attesten nr. 2 met hetzelfde doel :
1° bouwen of herbouwen van gebouwen waarvan de bouwhoogte ten minste zes bouwlagen of de goothoogte ten minste achttien meter bedraagt en ten minste drie meter hoger reikt dan de gemiddelde goothoogte van de aan dezelfde straat staande gebouwen binnen een omtrek van vijftig meter aan weerszijden van het ontwerpen bouwwerk, alsmede verbouwen van gebouwen waardoor deze in dezelfde toestand worden gebracht;
2° de bouw of herbouw van een winkel, of de wijziging van de bestemming van een winkelgebouw met een nettoverkoopoppervlakte van meer dan vierhonderd vierkante meter, alsmede de verbouwing van gebouwen met hetzelfde opzicht;
3° de bouw of herbouw van kantoren, of de wijziging van de bestemming van een kantorengebouw met een vloeroppervlakte van meer dan zeshonderd vijftig vierkante meter, alsmede de verbouwing van gebouwen met hetzelfde opzicht;
5° de bouw of herbouw van een werkplaats, of de wijziging van de bestemming van een werkplaats, opslagplaats of -hal die niet voor agrarische doeleinden bestemd is en waarvan de vloeroppervlakte meer dan vierhonderd vierkante meter bedraagt, alsmede de verbouwing van gebouwen met hetzelfde opzicht;
5° het gewone gebruik van een terrein voor de opslag van één of meer afgedankte voertuigen, schroot, materialen of afvalstoffen;
6° [1 e bouw, herbouw of verbouwing van een goed [2 dat geklasseerd of daarmee gelijkgesteld is, of gelegen is in een beschermingsgebied in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek]2;]1
7° de aanvragen om de bebouwingsvergunning, de stedenbouwkundige vergunning of de stedenbouwkundige attesten nr. 2 bedoeld in artikel D.IV.41;
8° de wegen bedoeld in artikel R.II.21-1, 1°, voor zover de handelingen en werken een wijziging van hun afmeting tot gevolg hebben.
§ 2. De in paragraaf 1, 1° tot 5°, bedoelde aanvragen worden onderworpen aan een openbaar onderzoek voor zover het goed gelegen is buiten een bedrijfsruimte bedoeld in artikel D.II.28 of buiten een gebied van gewestelijk belang bedoeld in artikel D.II.34.
De aanvragen van stedenbouwkundige vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 6°, worden niet onderworpen aan een openbaar onderzoek als ze overeenstemmen met een niet-vervallen bebouwingsvergunning.
1° bouwen of herbouwen van gebouwen waarvan de bouwhoogte ten minste zes bouwlagen of de goothoogte ten minste achttien meter bedraagt en ten minste drie meter hoger reikt dan de gemiddelde goothoogte van de aan dezelfde straat staande gebouwen binnen een omtrek van vijftig meter aan weerszijden van het ontwerpen bouwwerk, alsmede verbouwen van gebouwen waardoor deze in dezelfde toestand worden gebracht;
2° de bouw of herbouw van een winkel, of de wijziging van de bestemming van een winkelgebouw met een nettoverkoopoppervlakte van meer dan vierhonderd vierkante meter, alsmede de verbouwing van gebouwen met hetzelfde opzicht;
3° de bouw of herbouw van kantoren, of de wijziging van de bestemming van een kantorengebouw met een vloeroppervlakte van meer dan zeshonderd vijftig vierkante meter, alsmede de verbouwing van gebouwen met hetzelfde opzicht;
5° de bouw of herbouw van een werkplaats, of de wijziging van de bestemming van een werkplaats, opslagplaats of -hal die niet voor agrarische doeleinden bestemd is en waarvan de vloeroppervlakte meer dan vierhonderd vierkante meter bedraagt, alsmede de verbouwing van gebouwen met hetzelfde opzicht;
5° het gewone gebruik van een terrein voor de opslag van één of meer afgedankte voertuigen, schroot, materialen of afvalstoffen;
6° [1 e bouw, herbouw of verbouwing van een goed [2 dat geklasseerd of daarmee gelijkgesteld is, of gelegen is in een beschermingsgebied in de zin van het Waalse Erfgoedwetboek]2;]1
7° de aanvragen om de bebouwingsvergunning, de stedenbouwkundige vergunning of de stedenbouwkundige attesten nr. 2 bedoeld in artikel D.IV.41;
8° de wegen bedoeld in artikel R.II.21-1, 1°, voor zover de handelingen en werken een wijziging van hun afmeting tot gevolg hebben.
§ 2. De in paragraaf 1, 1° tot 5°, bedoelde aanvragen worden onderworpen aan een openbaar onderzoek voor zover het goed gelegen is buiten een bedrijfsruimte bedoeld in artikel D.II.28 of buiten een gebied van gewestelijk belang bedoeld in artikel D.II.34.
De aanvragen van stedenbouwkundige vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 6°, worden niet onderworpen aan een openbaar onderzoek als ze overeenstemmen met een niet-vervallen bebouwingsvergunning.
Art. R. IV.40-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Outre les cas prévus aux articles D.IV.26, § 2, alinéa 2, et D.IV.40, alinéa 2, sont soumises à une enquête publique les demandes de [3 permis d'urbaniser ]3 qui permettent les actes et travaux suivants et les demandes de permis d'urbanisme relatives aux actes et travaux suivants, ainsi que les demandes de certificats d'urbanisme n° 2 ayant le même objet :
1° la construction ou la reconstruction de bâtiments dont la hauteur est d'au moins six niveaux ou dix-huit mètres sous corniche et dépasse de trois mètres ou plus la moyenne des hauteurs sous corniche des bâtiments situés dans la même rue jusqu'à cinquante mètres de part et d'autre de la construction projetée, la transformation de bâtiments ayant pour effet de placer ceux-ci dans les mêmes conditions;
2° la construction, la reconstruction d'un magasin ou la modification de la destination d'un bâtiment en magasin dont la surface commerciale nette est supérieure à quatre cents mètres carrés, la transformation de bâtiments ayant pour effet de placer ceux-ci dans les mêmes conditions;
3° la construction, la reconstruction de bureaux ou la modification de la destination d'un bâtiment en bureaux dont la superficie des planchers est supérieure à six cent cinquante mètres carrés, la transformation de bâtiments ayant pour effet de placer ceux-ci dans les mêmes conditions;
4° la construction, la reconstruction ou la modification de la destination d'un bâtiment en atelier, entrepôt ou hall de stockage à caractère non agricole dont la superficie des planchers est supérieure à quatre cents mètres carrés, la transformation de bâtiments ayant pour effet de placer ceux-ci dans les mêmes conditions;
5° l'utilisation habituelle d'un terrain pour le dépôt d'un ou plusieurs véhicules usagés, de mitrailles, de matériaux ou de déchets;
6° [1 [2 ...]2]1
7° les demandes de [3 permis d'urbaniser]3, de permis d'urbanisme ou de certificats d'urbanisme n° 2 visées à l'article D.IV.41;
8° les voiries visées à l'article R.II.21-1, 1°, pour autant que les actes et travaux impliquent une modification de leur gabarit.
§ 2. Les demandes visées au paragraphe 1er, 1° à 5°, donnent lieu à enquête publique pour autant que le bien se situe en dehors des zones d'activité économique visées à l'article D.II.28 ou en dehors d'une zone d'enjeu régional visée à l'article D.II.34.
Les demandes de permis d'urbanisme ou de certificat d'urbanisme n° 2 visées au paragraphe 1er, 1° à 6°, ne donnent pas lieu à une enquête publique lorsqu'elles sont conformes à un [3 permis d'urbaniser]3 non périmé.
§ 1er. Outre les cas prévus aux articles D.IV.26, § 2, alinéa 2, et D.IV.40, alinéa 2, sont soumises à une enquête publique les demandes de [3 permis d'urbaniser ]3 qui permettent les actes et travaux suivants et les demandes de permis d'urbanisme relatives aux actes et travaux suivants, ainsi que les demandes de certificats d'urbanisme n° 2 ayant le même objet :
1° la construction ou la reconstruction de bâtiments dont la hauteur est d'au moins six niveaux ou dix-huit mètres sous corniche et dépasse de trois mètres ou plus la moyenne des hauteurs sous corniche des bâtiments situés dans la même rue jusqu'à cinquante mètres de part et d'autre de la construction projetée, la transformation de bâtiments ayant pour effet de placer ceux-ci dans les mêmes conditions;
2° la construction, la reconstruction d'un magasin ou la modification de la destination d'un bâtiment en magasin dont la surface commerciale nette est supérieure à quatre cents mètres carrés, la transformation de bâtiments ayant pour effet de placer ceux-ci dans les mêmes conditions;
3° la construction, la reconstruction de bureaux ou la modification de la destination d'un bâtiment en bureaux dont la superficie des planchers est supérieure à six cent cinquante mètres carrés, la transformation de bâtiments ayant pour effet de placer ceux-ci dans les mêmes conditions;
4° la construction, la reconstruction ou la modification de la destination d'un bâtiment en atelier, entrepôt ou hall de stockage à caractère non agricole dont la superficie des planchers est supérieure à quatre cents mètres carrés, la transformation de bâtiments ayant pour effet de placer ceux-ci dans les mêmes conditions;
5° l'utilisation habituelle d'un terrain pour le dépôt d'un ou plusieurs véhicules usagés, de mitrailles, de matériaux ou de déchets;
6° [1 [2 ...]2]1
7° les demandes de [3 permis d'urbaniser]3, de permis d'urbanisme ou de certificats d'urbanisme n° 2 visées à l'article D.IV.41;
8° les voiries visées à l'article R.II.21-1, 1°, pour autant que les actes et travaux impliquent une modification de leur gabarit.
§ 2. Les demandes visées au paragraphe 1er, 1° à 5°, donnent lieu à enquête publique pour autant que le bien se situe en dehors des zones d'activité économique visées à l'article D.II.28 ou en dehors d'une zone d'enjeu régional visée à l'article D.II.34.
Les demandes de permis d'urbanisme ou de certificat d'urbanisme n° 2 visées au paragraphe 1er, 1° à 6°, ne donnent pas lieu à une enquête publique lorsqu'elles sont conformes à un [3 permis d'urbaniser]3 non périmé.
Art. R.IV.40-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Sous-section 2. - Demandes soumises à annonce de projet
Onderafdeling 2. - Aanvragen onderworpen aan een project aankondiging
Art. R.IV.40-2. § 1er Outre les cas prévus à l'article D.IV.40, alinéa 3, sont soumises à une annonce de projet les demandes de permis d'urbanisation qui permettent les actes et travaux suivants et les demandes de permis d'urbanisme relatives aux actes et travaux suivants, ainsi que les demandes de certificats d'urbanisme n° 2 ayant le même objet :
Art. R. IV.40-2. § 1. Behalve de gevallen bedoeld in artikel D.IV.40, derde lid, worden onderworpen aan een projectaankondiging de aanvragen tot bebouwingsvergunning die de hierondervermelde handelingen en werken toelaten en de aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen betreffende de hierondervermelde handelingen en werken, alsook de aanvragen om stedenbouwkundige attesten nr. 2 met hetzelfde doel :
1° bouwen of herbouwen van gebouwen waarvan de bouwhoogte ten minste drie bouwlagen of de goothoogte ten minste negen meter bedraagt en ten minste drie meter hoger reikt dan de gemiddelde goothoogte van de aan dezelfde straat staande gebouwen binnen een omtrek van vijfentwintig meter aan weerszijden van het ontwerpen bouwwerk, alsmede verbouwen van gebouwen waardoor deze in dezelfde toestand worden gebracht;
2° de bouw of herbouw van gebouwen waarvan de diepte, gemeten vanaf de rooilijn of de bouwlijn wanneer de aangrenzende bouwwerken niet gevestigd zijn op de rooilijn, groter is dan vijftien meter en vier meter meer bedraagt dan die van de gebouwen gelegen op de aangrenzende percelen; alsmede de verbouwing van gebouwen met hetzelfde opzicht;
3° de bouw of herbouw van een winkel, of de wijziging van de bestemming van een winkelgebouw met een netto-handelsoppervlakte van minder dan vierhonderd vierkante meter, alsmede de verbouwing van gebouwen met hetzelfde opzicht.
§ 2. De in paragraaf 1, 1° tot 3°, bedoelde aanvragen worden onderworpen aan een projectaankondiging voor zover het goed gelegen is buiten de bedrijfsruimten bedoeld in artikel D.II.28 of buiten een gebied van gewestelijk belang bedoeld in artikel D.II.34.
De aanvragen van stedenbouwkundige vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 3°, worden niet onderworpen aan een project aankondiging als ze overeenstemmen met een niet-vervallen bebouwingsvergunning.
1° bouwen of herbouwen van gebouwen waarvan de bouwhoogte ten minste drie bouwlagen of de goothoogte ten minste negen meter bedraagt en ten minste drie meter hoger reikt dan de gemiddelde goothoogte van de aan dezelfde straat staande gebouwen binnen een omtrek van vijfentwintig meter aan weerszijden van het ontwerpen bouwwerk, alsmede verbouwen van gebouwen waardoor deze in dezelfde toestand worden gebracht;
2° de bouw of herbouw van gebouwen waarvan de diepte, gemeten vanaf de rooilijn of de bouwlijn wanneer de aangrenzende bouwwerken niet gevestigd zijn op de rooilijn, groter is dan vijftien meter en vier meter meer bedraagt dan die van de gebouwen gelegen op de aangrenzende percelen; alsmede de verbouwing van gebouwen met hetzelfde opzicht;
3° de bouw of herbouw van een winkel, of de wijziging van de bestemming van een winkelgebouw met een netto-handelsoppervlakte van minder dan vierhonderd vierkante meter, alsmede de verbouwing van gebouwen met hetzelfde opzicht.
§ 2. De in paragraaf 1, 1° tot 3°, bedoelde aanvragen worden onderworpen aan een projectaankondiging voor zover het goed gelegen is buiten de bedrijfsruimten bedoeld in artikel D.II.28 of buiten een gebied van gewestelijk belang bedoeld in artikel D.II.34.
De aanvragen van stedenbouwkundige vergunning of stedenbouwkundig attest nr. 2 bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 3°, worden niet onderworpen aan een project aankondiging als ze overeenstemmen met een niet-vervallen bebouwingsvergunning.
Art. R _IV.40-2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er Outre les cas prévus à l'article D.IV.40, alinéa 3, sont soumises à une annonce de projet les demandes de [1 permis d'urbaniser]1 qui permettent les actes et travaux suivants et les demandes de permis d'urbanisme relatives aux actes et travaux suivants, ainsi que les demandes de certificats d'urbanisme n° 2 ayant le même objet :
1° la construction ou la reconstruction de bâtiments dont la hauteur est d'au moins trois niveaux ou neuf mètres sous corniche et dépasse de trois mètres ou plus la moyenne des hauteurs sous corniche des bâtiments situés dans la même rue jusqu'à vingt-cinq mètres de part et d'autre de la construction projetée, la transformation de bâtiments ayant pour effet de placer ceux-ci dans les mêmes conditions;
2° la construction ou la reconstruction de bâtiments dont la profondeur, mesurée à partir de l'alignement ou du front de bâtisse lorsque les constructions voisines ne sont pas implantées sur l'alignement, est supérieure à quinze mètres et dépasse de plus de quatre mètres les bâtiments situés sur les parcelles contiguës, la transformation de bâtiments ayant pour effet de placer ceux-ci dans les mêmes conditions;
3° la construction, la reconstruction d'un magasin ou la modification de la destination d'un bâtiment en magasin dont la surface commerciale nette est inférieure à quatre cent mètres carrés, la transformation de bâtiments ayant pour effet de placer ceux-ci dans les mêmes conditions.
§ 2. Les demandes visées au paragraphe 1er, 1° à 3°, donnent lieu à une annonce de projet pour autant que le bien se situe en dehors des zones d'activité économique visées à l'article D.II.28 ou en dehors d'une zone d'enjeu régional visée à l'article D.II.34.
Les demandes de permis d'urbanisme ou de certificat d'urbanisme n° 2 visées au paragraphe 1er, 1° à 3°, ne donnent pas lieu à une annonce de projet lorsqu'elles sont conformes à un [1 permis d'urbaniser]1 non périmé.
§ 1er Outre les cas prévus à l'article D.IV.40, alinéa 3, sont soumises à une annonce de projet les demandes de [1 permis d'urbaniser]1 qui permettent les actes et travaux suivants et les demandes de permis d'urbanisme relatives aux actes et travaux suivants, ainsi que les demandes de certificats d'urbanisme n° 2 ayant le même objet :
1° la construction ou la reconstruction de bâtiments dont la hauteur est d'au moins trois niveaux ou neuf mètres sous corniche et dépasse de trois mètres ou plus la moyenne des hauteurs sous corniche des bâtiments situés dans la même rue jusqu'à vingt-cinq mètres de part et d'autre de la construction projetée, la transformation de bâtiments ayant pour effet de placer ceux-ci dans les mêmes conditions;
2° la construction ou la reconstruction de bâtiments dont la profondeur, mesurée à partir de l'alignement ou du front de bâtisse lorsque les constructions voisines ne sont pas implantées sur l'alignement, est supérieure à quinze mètres et dépasse de plus de quatre mètres les bâtiments situés sur les parcelles contiguës, la transformation de bâtiments ayant pour effet de placer ceux-ci dans les mêmes conditions;
3° la construction, la reconstruction d'un magasin ou la modification de la destination d'un bâtiment en magasin dont la surface commerciale nette est inférieure à quatre cent mètres carrés, la transformation de bâtiments ayant pour effet de placer ceux-ci dans les mêmes conditions.
§ 2. Les demandes visées au paragraphe 1er, 1° à 3°, donnent lieu à une annonce de projet pour autant que le bien se situe en dehors des zones d'activité économique visées à l'article D.II.28 ou en dehors d'une zone d'enjeu régional visée à l'article D.II.34.
Les demandes de permis d'urbanisme ou de certificat d'urbanisme n° 2 visées au paragraphe 1er, 1° à 3°, ne donnent pas lieu à une annonce de projet lorsqu'elles sont conformes à un [1 permis d'urbaniser]1 non périmé.
Wijzigingen
Art. R_IV.40-2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 2. - Ouverture et modification de la voirie communale
Afdeling 2. - Opening en wijziging van gemeentewegen
Section 3. - Modification de la demande de permis en cours de procédure
Afdeling 3. - Wijziging van de vergunningsaanvraag in de loop van de procedure
Section 4. - Obtention préalable d'un certificat de patrimoine
Afdeling 4. - Voorafgaandelijk verkrijgen van een erfgoedcertificaat
Section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Suspension de la procédure en vue de rectifier la demande de permis]1
Afdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Opschorting van de procedure om de vergunningsaanvraag te rectificeren]1
Section 5. - Hébergement de loisirs
Afdeling 5. - Recreatieve logies
Sous-section 1re. - Généralités
Onderafdeling 1. - Algemeen
Art. R.IV.45-1. Pour l'application de l'article D.IV.45, alinéa 3, la superficie du projet est calculée de la manière que celle d'un lotissement visé à la rubrique 70.11.01 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées.
Art. R.IV.45-1. Voor de toepassing van artikel D.IV.45, derde lid, wordt de oppervlakte van het project berekend op dezelfde manier als die van een verkaveling bedoeld in rubriek 70.11.01 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten.
Sous-section 2. - Conditions d'établissement des villages de vacances
Afdeling 2. - Voorwaarden voor de vestiging van een vakantiedorp
Art. R.IV.45-2.Le village de vacances respecte les conditions suivantes:
Art. R.IV.45-2.Het vakantiedorp neemt de volgende voorwaarden in acht :
Sous-section 3. - Dossier de demande de permis d'un village de vacances
Onderafdeling 3. - Vergunningsaanvraagdossier voor een vakantiedorp
Art. R.IV.45-3.Le dossier de demande de permis d'urbanisme relatif à la création ou à l'extension d'un village de vacances comporte, en plus du formulaire repris en annexe 4 et de son contenu:
Art. R.IV.45-3.Het dossier betreffende de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor de oprichting en de uitbreiding van een vakantiedorp bevat naast het in bijlage 4 opgenomen formulier en zijn inhoud :
Sous-section 4. - Conditions d'établissement et d'urbanisation d'un parc résidentiel de week-end
Onderafdeling 4. - Inrichtings- en bebouwingsvoorwaarden voor weekendverblijfparken
Art. R.IV.45-4. Le parc résidentiel de week-end respecte les conditions visées à l'article R.IV.45-1.
Art. R.IV.45-4. Het weekendverblijfpark leeft de voorwaarden bedoeld in artikel R.IV.45-1 na.
Sous-section 5. - Dossier de demande de permis d'un parc résidentiel de week-end
Onderafdeling 5. - Vergunningsaanvraagdossier voor een weekendverblijfpark
Art. R.IV.45-5. Le dossier de demande de permis d'urbanisation relatif à la création ou à l'extension d'un parc résidentiel de week-end comporte, en plus du formulaire repris en annexe 10 ou 11 et de son contenu:
Art. R. IV.45-5. Het dossier betreffende de aanvraag van een bebouwingsvergunning voor de oprichting en de uitbreiding van een weekendverblijfpark bevat naast het in bijlage 10 of 11 opgenomen formulier en zijn inhoud :
1° een plan houdende plaatsbepaling in de streek met de grote verkeerswegen en de nabijgelegen bebouwde kommen, alsook een overzicht van de plaatsen gelegen in een straal van 10 kilometer en vanuit dewelke het terrein zichtbaar is;
2° een plan van de bestaande ligging met gegevens i.v.m. het reliëf, de geologie, de pedologie, de waterlopen, de plantengroei, alsmede een kadaster van de opmerkelijke bomen;
3° een landschapsplan waarop de te behouden en de te maskeren uitzichten zijn aangegeven, de synthese van de te beschermen gebieden, de voor bebouwing ongeschikte gebieden en de bezonningsgebieden zijn aangegeven, alsook de genummerde opgave van de opnames van de fotoreportage waarmee deze worden geïllustreerd;
4° een bouwplan, op schaal 1/1 000 of 1/500, met aanduiding van de bestemming van de grond, zoals de ruimten voor de weekendverblijven, de weg(en), de parkeerplaatsen, de gemeenschapsvoorzieningen, de te behouden groene ruimten, de nieuwe aanplantingen;
5° de indicatieve perceelsindeling;
6° een verslag met de volgende gegevens :
5° een verslag omvattende de bepaling betreffende de huisvuilophaal en de brandbestrijding;
b) het bestaande openbare vervoer.
7° in geval van uitvoering van verschillende fasen, een programmering van de uitvoering van de infrastructuren, van de bouw van de woningen en van de gemeenschapsvoorzieningen.
1° een plan houdende plaatsbepaling in de streek met de grote verkeerswegen en de nabijgelegen bebouwde kommen, alsook een overzicht van de plaatsen gelegen in een straal van 10 kilometer en vanuit dewelke het terrein zichtbaar is;
2° een plan van de bestaande ligging met gegevens i.v.m. het reliëf, de geologie, de pedologie, de waterlopen, de plantengroei, alsmede een kadaster van de opmerkelijke bomen;
3° een landschapsplan waarop de te behouden en de te maskeren uitzichten zijn aangegeven, de synthese van de te beschermen gebieden, de voor bebouwing ongeschikte gebieden en de bezonningsgebieden zijn aangegeven, alsook de genummerde opgave van de opnames van de fotoreportage waarmee deze worden geïllustreerd;
4° een bouwplan, op schaal 1/1 000 of 1/500, met aanduiding van de bestemming van de grond, zoals de ruimten voor de weekendverblijven, de weg(en), de parkeerplaatsen, de gemeenschapsvoorzieningen, de te behouden groene ruimten, de nieuwe aanplantingen;
5° de indicatieve perceelsindeling;
6° een verslag met de volgende gegevens :
5° een verslag omvattende de bepaling betreffende de huisvuilophaal en de brandbestrijding;
b) het bestaande openbare vervoer.
7° in geval van uitvoering van verschillende fasen, een programmering van de uitvoering van de infrastructuren, van de bouw van de woningen en van de gemeenschapsvoorzieningen.
Art. R _IV.45-5.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le dossier de demande de [1 permis d'urbaniser]1 relatif à la création ou à l'extension d'un parc résidentiel de week-end comporte, en plus du formulaire repris en annexe 10 [1 ...]1 et de son contenu:
1° un plan de localisation dans la région avec les grandes voies de communication et les agglomérations proches, ainsi qu'un relevé des lieux situés dans un rayon de 10 kilomètres et à partir desquels le terrain est visible;
2° un plan de la situation existante donnant les renseignements sur le relief, la géologie, la pédologie, les cours d'eau, la végétation, ainsi qu'un cadastre des arbres remarquables;
3° un plan paysager indiquant les vues à maintenir et à masquer, la synthèse des zones à protéger, des zones impropres à la construction et des zones d'ensoleillement ainsi que l'indication numérotée des prises de vues du reportage photographique illustrant celui-ci;
4° un plan masse établi à l'échelle du 1/1.000e ou du 1/500e, indiquant les différentes affectations du sol tels que les espaces réservés aux résidences de week-end, la ou les voiries, les aires de parcage, les équipements communautaires, espaces verts à maintenir, plantations nouvelles;
5° le parcellaire indicatif;
6° un rapport comportant les renseignements suivants :
a) les dispositions relatives à l'évacuation des immondices et de lutte contre l'incendie;
b) les transports en commun existants;
7° si plusieurs phases de réalisation sont prévues, une programmation de la réalisation des infrastructures, de la construction des logements et des équipements communautaires.
Le dossier de demande de [1 permis d'urbaniser]1 relatif à la création ou à l'extension d'un parc résidentiel de week-end comporte, en plus du formulaire repris en annexe 10 [1 ...]1 et de son contenu:
1° un plan de localisation dans la région avec les grandes voies de communication et les agglomérations proches, ainsi qu'un relevé des lieux situés dans un rayon de 10 kilomètres et à partir desquels le terrain est visible;
2° un plan de la situation existante donnant les renseignements sur le relief, la géologie, la pédologie, les cours d'eau, la végétation, ainsi qu'un cadastre des arbres remarquables;
3° un plan paysager indiquant les vues à maintenir et à masquer, la synthèse des zones à protéger, des zones impropres à la construction et des zones d'ensoleillement ainsi que l'indication numérotée des prises de vues du reportage photographique illustrant celui-ci;
4° un plan masse établi à l'échelle du 1/1.000e ou du 1/500e, indiquant les différentes affectations du sol tels que les espaces réservés aux résidences de week-end, la ou les voiries, les aires de parcage, les équipements communautaires, espaces verts à maintenir, plantations nouvelles;
5° le parcellaire indicatif;
6° un rapport comportant les renseignements suivants :
a) les dispositions relatives à l'évacuation des immondices et de lutte contre l'incendie;
b) les transports en commun existants;
7° si plusieurs phases de réalisation sont prévues, une programmation de la réalisation des infrastructures, de la construction des logements et des équipements communautaires.
Wijzigingen
Art. R_IV.45-5.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE VII. - Décisions sur les demandes de permis et de certificat d'urbanisme
HOOFDSTUK VII. - Beslissingen over aanvragen van vergunningen en stedenbouwkundige attesten
CHAPITRE VII. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Décision sur les demandes de permis ou de certificat d'urbanisme]1
HOOFDSTUK VII. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Beslissing over de aanvragen voor een vergunning of voor een stedenbouwkundig attest]1
Section 1re. - Délai
Afdeling 1. - Termijn
Sous-section 1re. - Décision du collège communal
Onderafdeling 1. - Beslissing van het gemeentecollege
Sous-section 2. - Décision du fonctionnaire délégué ou du Gouvernement
Onderafdeling 2. - Beslissing van de gemachtigd ambtenaar of van de Regering
Sous-section 2_ COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Décision [1 ...]1 du Gouvernement
Onderafdeling 2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. - Beslissing [1 ...]1 van de Regering
Sous-section 3. - Décision du Parlement
Onderafdeling 3. - Beslissing van het Parlement
Sous-section 4. - Délivrance du certificat d'urbanisme n° 1
Onderafdeling 4. - Aflevering van het stedenbouwkundig attest nr. 1
Section 2. - Contenu de la décision
Afdeling 2. - Inhoud van de beslissing
Sous-section 1re. - Généralités
Onderafdeling 1. - Algemeen
Sous-section 2. - Charges d'urbanisme
Onderafdeling 2. - Stedenbouwkundige lasten
Art. R.IV.54-1.[1 L'autorité compétente peut, lors de la réunion de projet ou en cours de procédure, aviser le demandeur du permis des charges qu'elle envisage d'imposer afin d'évaluer leur faisabilité et d'y substituer, le cas échéant, d'autres charges plus adéquates. Les charges peuvent faire partie intégrante de la demande de permis.
Art. R. IV.54-1.[1 De bevoegde overheid kan, tijdens de projectvergadering of tijdens de procedure, de aanvrager van de vergunning van de lasten in kennis stellen van het feit dat ze voorziet om op te leggen om hun haalbaarheid te evalueren en om ze, in voorkomend geval, door andere meer aangepaste lasten te vervangen De lasten kunnen volledig deel uit maken van de vergunningsaanvraag.
De vergunning bepaalt duidelijk de opgelegde voorwaarden en lasten mits een motivering die de keuze van de lasten en hun ligging en de naleving van het proportionaliteitsbeginsel rechtvaardigt.
De bevoegde overheid kan de uitvoering van de stedenbouwkundige lasten per fasen opleggen.]1
De vergunning bepaalt duidelijk de opgelegde voorwaarden en lasten mits een motivering die de keuze van de lasten en hun ligging en de naleving van het proportionaliteitsbeginsel rechtvaardigt.
De bevoegde overheid kan de uitvoering van de stedenbouwkundige lasten per fasen opleggen.]1
Art. R. IV.54-2.[1 La nature des charges imposées ne doit pas nécessairement être en relation immédiate avec le projet autorisé. Néanmoins, les actes et travaux imposés au titre de charges d'urbanisme doivent soit se situer dans ou à proximité du projet, soit être justifiés au regard de la stratégie territoriale définie à l'échelle communale ou pluricommunale, au sens des articles D.II.10 et D.II.6.]1
Wijzigingen
Art. R. IV.54-2.[1 De aard van de opgelegde lasten moet niet noodzakelijk in rechtstreeks verband gebracht worden met het toegelaten project. De handelingen en werken opgelegd als stedenbouwkundige lasten moeten niettemin, ofwel plaatshebben in of in de buurt van het project, ofwel verantwoord zijn ten opzichte van de beleidsopties omschreven op gemeentelijke of meergemeentelijke schaal, in de zin van de artikelen D.II.10 et D.II.6.]1
Art. R. IV.54-2/1. [1 Les voiries et espaces verts publics visés à l'article D.IV.54/2 sont entendus au sens large et intègrent notamment les aménagements visant à améliorer le déplacement des différents usagers et leur sécurité, les équipements, le mobilier, tels que le placement de poteaux d'éclairage, de signalisation routière, la réalisation d'une piste cyclable, d'un piétonnier, l'aménagement d'un parking public, d'une place, la création ou l'extension des impétrants ou de l'égouttage qui profitent à la collectivité, la construction d'un abribus, et les aménagements végétaux réalisés sur un bien accessible au public, tels que la création d'un square, d'un parc, la plantation d'alignement d'arbres en voirie, la création d'un bassin d'orage paysager.]1
Art. R. IV.54-3.[1 § 1. Het evenredigheidsbeginsel vereist dat er een redelijke verhouding bestaat tussen enerzijds de financiële kosten die de uitvoering van het project waarschijnlijk voor de gemeenschap met zich meebrengt en anderzijds de kosten van de opgelegde heffingen en overdrachten om niet.
De kost van de opgelegde lasten en kostoverdrachten mag echter geen gewicht hebben dat in wanverhouding staat tot het doel van de vergunning waarom de aanvrager verzoekt.
Voor het onderzoek van de naleving van het proportionaliteitsbeginsel wordt geen rekening gehouden met de voorwaarden waaraan het project moet voldoen om aanvaardbaar te zijn, en dat ofwel zijn haalbaarheid betreft, d.w.z. de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor zijn uitvoering en zijn uitbating, ofwel zijn integratie in zijn al dan niet bebouwde omgeving.
§ 2. Het onderzoek van de naleving van het proportionaliteitsbeginsel kan gebeuren door de werkelijke kost van de opgelegde lasten en kosteloze overdrachten te vergelijken met de redelijke kost geschat op grond van een theoretisch bedrag bepaald door de bevoegde overheid. De last en de kosteloze overdracht worden beschouwd als proportioneel wanneer hun gecumuleerde kosten het theoretisch bedrag dat als vergelijking dient, niet overschrijden.
§ 3. Voor vergunningen die niet bedoeld zijn om nieuwe woningen te creëren, wordt het theoretische bedrag vastgesteld op basis van de locatie en de oppervlakte van het project, gemeten in termen van bruikbare oppervlakte, vloeroppervlak of andere, het aantal personen dat wordt gehuisvest, accommodatiecapaciteit of andere, het daaruit voortvloeiende verkeer of elke andere relevante factor waarvan het effect financieel kan worden beoordeeld.
De Minister kan de methodologie bepalen die moet worden toegepast om de waarde van de elementen te berekenen op basis waarvan het theoretisch bedrag wordt bepaald.
§ 4. Voor vergunningen die tot doel hebben nieuwe woningen te creëren, kan de Minister het theoretische bedrag van de heffing vaststellen dat het basisbedrag van de heffing vormt, alsook een marge waarbinnen wordt aangenomen dat de heffing evenredig is met de te compenseren effecten.
Hij past de volgende principes toe om het basisbedrag van de heffing vast te stellen:
1° bepaling van een gemiddelde kostprijs van uitrusting voor een bevolking van duizend personen als volgt :
a) het opstellen van een lijst met openbare uitrustingen die nodig zijn als gevolg van de woningbouw;
b) het bepalen van de structuur van de bevolking;
c) het bepalen van de leeftijdscategorieën die door elke uitrusting worden gedekt ;
d) het bepalen van het aantal vierkante meter openbare uitrustingen die nodig zijn geworden als gevolg van de woningbouw voor duizend gebruikers;
e) vermenigvuldiging van dit aantal met de bouwkosten per vierkante meter voor deze uitrustingen;
f) het bepalen van de bouwkosten van de uitrustingen die kunnen worden toegewezen aan elke leeftijdscategorie ;
g) vermenigvuldiging van de kosten van de uitrustingen met het percentage van de betrokken bevolking, bepaald op basis van de bevolkingsstructuur ;
2° verhouding tussen een gemiddelde kostprijs van uitrusting voor een bevolking van duizend personenper vierkante meter nieuwbouw als volgt :
a) bepaling van het gemiddelde aantal inwoners per woning;
b) bepaling van de gemiddelde oppervlakte van woningen in vierkante meter ;
c) bepaling van de nodige oppervlakte aan woningen per duizend inwoners.
Om het bereik vast te stellen, weegt de Minister voor elke gemeente het verkregen bedrag door rekening te houden met ofwel de positie van de gemeente in een rangschikking van gemeenten volgens de prijs van woningen op de secundaire markt, ofwel de verhouding tussen de mediane prijs van de secundaire markt in de gemeente en de gemiddelde mediane prijs in het Gewest.
Op basis van het gewogen bedrag bepaalt de Minister een bereik waarbinnen wordt aangenomen dat de last in verhouding staat tot de te compenseren effecten.
Om het basisbedrag van de heffing vast te stellen binnen het door de Minister bepaalde bereik, zal de bevoegde instantie rekening houden met de eventuele impact die het project zal hebben op de gemeenschap op gemeentelijk niveau.
§ 5. Voor vergunningen die niet uitsluitend tot doel hebben huisvesting te creëren, wordt de naleving van het evenredigheidsbeginsel onderzocht door de beginselen van de paragrafen 3 en 4 toe te passen op respectievelijk elk deel van het project.]1
De kost van de opgelegde lasten en kostoverdrachten mag echter geen gewicht hebben dat in wanverhouding staat tot het doel van de vergunning waarom de aanvrager verzoekt.
Voor het onderzoek van de naleving van het proportionaliteitsbeginsel wordt geen rekening gehouden met de voorwaarden waaraan het project moet voldoen om aanvaardbaar te zijn, en dat ofwel zijn haalbaarheid betreft, d.w.z. de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor zijn uitvoering en zijn uitbating, ofwel zijn integratie in zijn al dan niet bebouwde omgeving.
§ 2. Het onderzoek van de naleving van het proportionaliteitsbeginsel kan gebeuren door de werkelijke kost van de opgelegde lasten en kosteloze overdrachten te vergelijken met de redelijke kost geschat op grond van een theoretisch bedrag bepaald door de bevoegde overheid. De last en de kosteloze overdracht worden beschouwd als proportioneel wanneer hun gecumuleerde kosten het theoretisch bedrag dat als vergelijking dient, niet overschrijden.
§ 3. Voor vergunningen die niet bedoeld zijn om nieuwe woningen te creëren, wordt het theoretische bedrag vastgesteld op basis van de locatie en de oppervlakte van het project, gemeten in termen van bruikbare oppervlakte, vloeroppervlak of andere, het aantal personen dat wordt gehuisvest, accommodatiecapaciteit of andere, het daaruit voortvloeiende verkeer of elke andere relevante factor waarvan het effect financieel kan worden beoordeeld.
De Minister kan de methodologie bepalen die moet worden toegepast om de waarde van de elementen te berekenen op basis waarvan het theoretisch bedrag wordt bepaald.
§ 4. Voor vergunningen die tot doel hebben nieuwe woningen te creëren, kan de Minister het theoretische bedrag van de heffing vaststellen dat het basisbedrag van de heffing vormt, alsook een marge waarbinnen wordt aangenomen dat de heffing evenredig is met de te compenseren effecten.
Hij past de volgende principes toe om het basisbedrag van de heffing vast te stellen:
1° bepaling van een gemiddelde kostprijs van uitrusting voor een bevolking van duizend personen als volgt :
a) het opstellen van een lijst met openbare uitrustingen die nodig zijn als gevolg van de woningbouw;
b) het bepalen van de structuur van de bevolking;
c) het bepalen van de leeftijdscategorieën die door elke uitrusting worden gedekt ;
d) het bepalen van het aantal vierkante meter openbare uitrustingen die nodig zijn geworden als gevolg van de woningbouw voor duizend gebruikers;
e) vermenigvuldiging van dit aantal met de bouwkosten per vierkante meter voor deze uitrustingen;
f) het bepalen van de bouwkosten van de uitrustingen die kunnen worden toegewezen aan elke leeftijdscategorie ;
g) vermenigvuldiging van de kosten van de uitrustingen met het percentage van de betrokken bevolking, bepaald op basis van de bevolkingsstructuur ;
2° verhouding tussen een gemiddelde kostprijs van uitrusting voor een bevolking van duizend personenper vierkante meter nieuwbouw als volgt :
a) bepaling van het gemiddelde aantal inwoners per woning;
b) bepaling van de gemiddelde oppervlakte van woningen in vierkante meter ;
c) bepaling van de nodige oppervlakte aan woningen per duizend inwoners.
Om het bereik vast te stellen, weegt de Minister voor elke gemeente het verkregen bedrag door rekening te houden met ofwel de positie van de gemeente in een rangschikking van gemeenten volgens de prijs van woningen op de secundaire markt, ofwel de verhouding tussen de mediane prijs van de secundaire markt in de gemeente en de gemiddelde mediane prijs in het Gewest.
Op basis van het gewogen bedrag bepaalt de Minister een bereik waarbinnen wordt aangenomen dat de last in verhouding staat tot de te compenseren effecten.
Om het basisbedrag van de heffing vast te stellen binnen het door de Minister bepaalde bereik, zal de bevoegde instantie rekening houden met de eventuele impact die het project zal hebben op de gemeenschap op gemeentelijk niveau.
§ 5. Voor vergunningen die niet uitsluitend tot doel hebben huisvesting te creëren, wordt de naleving van het evenredigheidsbeginsel onderzocht door de beginselen van de paragrafen 3 en 4 toe te passen op respectievelijk elk deel van het project.]1
Art. R. IV.54-2-2. [1 La commune peut céder les logements d'utilité publique qu'elle reçoit en exécution de l'article D.IV.54/2 à la Société wallonne du logement, à une société de logement de service public ou à un centre public d'action sociale.
Elle peut céder les droits de jouissance qu'elle reçoit en exécution de l'article D.IV.54/2 à la Société wallonne du logement, à une société de logement de service public, à un centre public d'action sociale ou à une agence immobilière sociale.]1
Elle peut céder les droits de jouissance qu'elle reçoit en exécution de l'article D.IV.54/2 à la Société wallonne du logement, à une société de logement de service public, à un centre public d'action sociale ou à une agence immobilière sociale.]1
Art. R _IV.54-4.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - § 1 - De last vermeld in artikel D.IV.54, § 2, eerste lid, 2°, die bestaat in de gratis afstand van een of meer wooneenheden aan de openbare huisvestingsmaatschappij waarbij de betrokken gemeente aangesloten is, wordt uitgevoerd via een schenkingsovereenkomst.
Er wordt bepaald dat, voor projecten waarbij minstens 600 m2 bruto-woonoppervlakte via nieuwbouw, verbouwing of renovatie wordt gecreëerd, gratis afstand doen van 10
van de totale bruto-woonoppervlakte van het project overeenstemt met het evenredigheidsbeginsel. De woonoppervlakte waarvan afstand moet worden gedaan, wordt geïntegreerd in het totaalproject in de vorm van een of meer wooneenheden. De uitrusting ervan stemt overeen met de uitrusting van de andere wooneenheden, voor zover geen bijzondere uitrusting met de huisvestingsmaatschappij wordt overeengekomen.
§ 2 - De last vermeld in artikel D.IV.54, § 2, eerste lid, 1°, die bestaat in de schriftelijk overeengekomen terbeschikkingstelling van een of meer wooneenheden aan de openbare huisvestingsmaatschappij waarbij de betrokken gemeente aangesloten is, is beperkt tot een periode van negen jaar.
Er wordt bepaald dat, voor projecten waarbij minstens 600 m2 bruto-woonoppervlakte via nieuwbouw, verbouwing of renovatie wordt gecreëerd, een schriftelijk overeengekomen terbeschikkingstelling van 20
van de totale bruto-woonoppervlakte van het project overeenstemt met het evenredigheidsbeginsel. De ter beschikking te stellen woonoppervlakte wordt geïntegreerd in het totaalproject in de vorm van een of meer wooneenheden. De uitrusting ervan stemt overeen met de uitrusting van de andere wooneenheden, voor zover geen bijzondere uitrusting met de huisvestingsmaatschappij wordt overeengekomen.
De huisvestingsmaatschappij is bevoegd voor het beheer van de woning en, in voorkomend geval, voor het herstel van de woning op het einde van de overeenkomst. Het zoeken van een huurder, het opstellen van huurovereenkomsten en plaatsbeschrijvingen, het controleren van de naleving van de verplichtingen van de huurder, het waarborgen van de betaling van de huur, het controleren van de instandhouding van het onroerend goed door de huurder en het herstellen van eventuele beschadiging zijn ten laste van de huisvestingsmaatschappij.
§ 3 - De last vermeld in artikel D.IV.54, § 2, eerste lid, 2° of 3°, die bestaat in de verkoop tegen een bepaalde prijs van een of meer wooneenheden aan de openbare huisvestingsmaatschappij waarbij de betrokken gemeente aangesloten is of aan privaatrechtelijke of publiekrechtelijke personen voor wie de toegang tot eigendom moet worden bevorderd, wordt uitgevoerd via een koopovereenkomst, een koopoptie of een andere overeenkomst.
De prijs wordt bepaald met hulp van de comités voor de aankoop van onroerende goederen van het Waals Gewest en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Het is de taak van de gemeenten om op basis van objectieve criteria te bepalen voor welke personen de toegang tot eigendom moet worden bevorderd.
§ 4 - De bruto-woonoppervlakte in de zin van de paragrafen 1 en 2 omvat alle bebouwde oppervlakten die bestemd zijn voor bewoning, met inbegrip van bijruimten (technische ruimten, toegangen enz.), met uitzondering van:
1° kelders, ondergrondse garages en zolders;
2° niet-omsloten ruimten, met inbegrip van loggia's, balkons en carports.]1
Er wordt bepaald dat, voor projecten waarbij minstens 600 m2 bruto-woonoppervlakte via nieuwbouw, verbouwing of renovatie wordt gecreëerd, gratis afstand doen van 10
van de totale bruto-woonoppervlakte van het project overeenstemt met het evenredigheidsbeginsel. De woonoppervlakte waarvan afstand moet worden gedaan, wordt geïntegreerd in het totaalproject in de vorm van een of meer wooneenheden. De uitrusting ervan stemt overeen met de uitrusting van de andere wooneenheden, voor zover geen bijzondere uitrusting met de huisvestingsmaatschappij wordt overeengekomen.
§ 2 - De last vermeld in artikel D.IV.54, § 2, eerste lid, 1°, die bestaat in de schriftelijk overeengekomen terbeschikkingstelling van een of meer wooneenheden aan de openbare huisvestingsmaatschappij waarbij de betrokken gemeente aangesloten is, is beperkt tot een periode van negen jaar.
Er wordt bepaald dat, voor projecten waarbij minstens 600 m2 bruto-woonoppervlakte via nieuwbouw, verbouwing of renovatie wordt gecreëerd, een schriftelijk overeengekomen terbeschikkingstelling van 20
van de totale bruto-woonoppervlakte van het project overeenstemt met het evenredigheidsbeginsel. De ter beschikking te stellen woonoppervlakte wordt geïntegreerd in het totaalproject in de vorm van een of meer wooneenheden. De uitrusting ervan stemt overeen met de uitrusting van de andere wooneenheden, voor zover geen bijzondere uitrusting met de huisvestingsmaatschappij wordt overeengekomen.
De huisvestingsmaatschappij is bevoegd voor het beheer van de woning en, in voorkomend geval, voor het herstel van de woning op het einde van de overeenkomst. Het zoeken van een huurder, het opstellen van huurovereenkomsten en plaatsbeschrijvingen, het controleren van de naleving van de verplichtingen van de huurder, het waarborgen van de betaling van de huur, het controleren van de instandhouding van het onroerend goed door de huurder en het herstellen van eventuele beschadiging zijn ten laste van de huisvestingsmaatschappij.
§ 3 - De last vermeld in artikel D.IV.54, § 2, eerste lid, 2° of 3°, die bestaat in de verkoop tegen een bepaalde prijs van een of meer wooneenheden aan de openbare huisvestingsmaatschappij waarbij de betrokken gemeente aangesloten is of aan privaatrechtelijke of publiekrechtelijke personen voor wie de toegang tot eigendom moet worden bevorderd, wordt uitgevoerd via een koopovereenkomst, een koopoptie of een andere overeenkomst.
De prijs wordt bepaald met hulp van de comités voor de aankoop van onroerende goederen van het Waals Gewest en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Het is de taak van de gemeenten om op basis van objectieve criteria te bepalen voor welke personen de toegang tot eigendom moet worden bevorderd.
§ 4 - De bruto-woonoppervlakte in de zin van de paragrafen 1 en 2 omvat alle bebouwde oppervlakten die bestemd zijn voor bewoning, met inbegrip van bijruimten (technische ruimten, toegangen enz.), met uitzondering van:
1° kelders, ondergrondse garages en zolders;
2° niet-omsloten ruimten, met inbegrip van loggia's, balkons en carports.]1
Art. R. IV.54-2-3. [1 Les constructions ou équipements publics ou communautaires visés à l'article D.IV.54/2, sont soit relatifs aux activités dont l'accomplissement est indispensable à la réalisation du bien commun et qui justifient que les pouvoirs publics veillent à l'existence de l'offre, soit l'équipement ou la construction qui est mis à la disposition du public dans des conditions raisonnables sans qu'un but de lucre soit essentiellement visé. Peuvent être imposés par exemple la création d'une plaine de jeux, d'un équipement sportif, la construction d'une crèche, d'une maison de quartier.]1
Art. R _IV.54-5.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - § 1 - De last vermeld in artikel D.IV.54, § 3, eerste lid, 1°, die bestaat in de gratis afstand van een of meer percelen aan de openbare huisvestingsmaatschappij waarbij de betrokken gemeente aangesloten is, wordt uitgevoerd via een schenkingsovereenkomst.
Er wordt bepaald dat, voor ontsluitingen of opsplitsingen die voorzien in de creatie van minstens tien voor bewoning gebruikte of bruikbare percelen, de gratis afstand, vanaf het tiende perceel, van één perceel per vijf gecreëerde percelen overeenstemt met het evenredigheidsbeginsel.
Er wordt bepaald dat, voor ontsluitingen of opsplitsingen die voorzien in de creatie van minstens tien voor bewoning gebruikte of bruikbare percelen, de gratis afstand, vanaf het tiende perceel, van één perceel per vijf gecreëerde percelen overeenstemt met het evenredigheidsbeginsel.
Art. R. IV.54-2-4. [1 Les mesures favorables à l'environnement visées à l'article D.IV.54/2, sont celles ayant un impact favorable notamment sur la diversité biologique, la population, la santé humaine, la faune, la flore, les sols, les eaux, l'air, les facteurs climatiques, les biens matériels, le patrimoine culturel, architectural et archéologique et les paysages, tels que l'utilisation de matériaux écologiques, le placement d'une installation de chauffage collective, le placement d'une installation de production d'énergie renouvelable, la maîtrise de la gestion des déchets ménagers, de la gestion de l'eau, l'imposition de fauchages tardifs, l'inscription du projet dans le plan Maya, la plantation de haies ou la désartificialisation d'espaces artificialisés.]1
| Aantal voor bewoning gebruikte of bruikbare percelen die door het project worden gecreëerd | Aantal percelen die gratis moeten worden afgestaan |
| Tussen 1 en 9 percelen | / |
| Tussen 10 en 14 percelen | 1 perceel |
| Tussen 15 en 19 percelen | 2 percelen |
| Tussen 20 en 24 percelen | 3 percelen |
| Tussen 25 en 29 percelen | 4 percelen |
| enz. | enz. |
§ 2 - De last vermeld in artikel D.IV.54, § 3, eerste lid, 1° en 2°, die bestaat in de verkoop tegen een bepaalde prijs van een of meer voor bewoning gebruikte of bruikbare percelen aan de openbare huisvestingsmaatschappij waarbij de betrokken gemeente aangesloten is of aan privaatrechtelijke of publiekrechtelijke personen voor wie de toegang tot eigendom moet worden bevorderd, wordt uitgevoerd via een koopovereenkomst, een koopoptie of een andere overeenkomst.
Er wordt bepaald dat, voor ontsluitingen of opsplitsingen die voorzien in de creatie van minstens vijf voor bewoning gebruikte of bruikbare percelen, de verkoop tegen kostprijs, vanaf het vijfde perceel, van één perceel per vijf gecreëerde percelen, overeenstemt met het evenredigheidsbeginsel.
-
| Aantal voor bewoning gebruikte of bruikbare percelen die door het project worden gecreëerd | Aantal percelen die tegen kostprijs moeten worden verkocht |
| Tussen 1 en 4 percelen | / |
| Tussen 5 en 9 percelen | 1 perceel |
| Tussen 10 en 14 percelen | 2 percelen |
| Tussen 15 en 19 percelen | 3 percelen |
| Tussen 20 en 24 percelen | 4 percelen |
| enz. | enz. |
De prijs stemt overeen met de kostprijs van de percelen en dus met de vergoeding van de kosten die de aanvrager maakt om de percelen op te splitsen en/of te ontsluiten.
Het is de taak van de gemeenten om op basis van objectieve criteria te bepalen voor welke personen de toegang tot eigendom moet worden bevorderd.]1
-
Art. R. IV.54/2-1. [1 De wegen en openbare groengebieden bedoeld in artikel D.IV.54/2 worden verstaan in de ruime zin en integreren met name de inrichtingen om de verplaatsing en de veiligheid van de verschillende gebruikers te verbeteren, de uitrustingen, het meubilair, zoals de plaatsing van verlichtingspalen, verkeerstekens, de uitvoering van een fietspad, een voetpad, de aanleg van een openbare parkeerruimte, een plaats, de aanleg of de uitbreiding van grondleidingen of rioleringen die gunstig zijn voor de gemeenschap, de bouw van een bushokje, en de planteninrichtingen uitgevoerd op een goed dat toegankelijk is voor het publiek, zoals de aanleg van een square, een park, de aanplanting van bomenrijen langs de weg, de plaatsing van een landschappelijke vergaarkom.]1
Art. R. IV.54-3.[1 § 1er. Le principe de proportionnalité requiert qu'il existe un rapport raisonnable de proportionnalité entre, d'une part, le coût financier que l'exécution du projet est susceptible de faire peser sur la collectivité et, d'autre part, le coût des charges et des cessions à titre gratuit imposées.
Le coût des charges et des cessions à titre gratuit imposées ne peut cependant pas avoir une importance déraisonnable par rapport à l'objet du permis sollicité par le demandeur.
Pour l'examen du respect du principe de proportionnalité, il n'est pas tenu compte des conditions que le projet doit remplir pour être acceptable, et qui concernent soit sa faisabilité, c'est-à-dire les conditions nécessaires à sa mise en oeuvre et à son exploitation, soit son intégration à l'environnement bâti et non bâti.
§ 2. L'examen du respect du principe de proportionnalité peut être fait en comparant le coût réel des charges et des cessions à titre gratuit imposées à un coût jugé raisonnable estimé sur base d'un montant théorique en euros fixé par l'autorité compétente. La charge et la cession à titre gratuit sont considérées comme proportionnées lorsque leurs coûts cumulés ne dépassent pas le montant théorique servant de point de comparaison.
§ 3. Pour les permis dont l'objet n'est pas de créer des logements neufs, le montant théorique est fixé en fonction de la localisation et de la superficie du projet, mesurée en surface utile, surface plancher ou autre, du nombre de personnes accueillies, capacité d'accueil ou autre, du trafic généré ou tout autre élément pertinent dont l'incidence est financièrement évaluable.
Le Ministre peut déterminer la méthodologie à appliquer en vue de calculer la valeur des éléments sur la base desquels le montant théorique est fixé.
§ 4. Pour les permis dont l'objet est de créer des logements neufs, le Ministre peut déterminer le montant théorique de la charge qui constitue le montant de base de celle-ci, ainsi qu'une fourchette dans laquelle il est présumé que la charge est proportionnelle aux impacts à compenser.
Il applique les principes suivants pour fixer le montant de base de la charge :
1° détermination d'un coût moyen en équipements pour une population de mille habitants comme suit :
a) établissement d'une liste d'équipements publics dont le besoin est généré par la création de logements ;
b) détermination de la structure de la population ;
c) détermination des catégories d'âge concernées par chaque équipement ;
d) détermination du nombre de mètres carrés d'équipements publics dont le besoin est généré par la création de logements pour mille utilisateurs ;
e) multiplication de ce nombre par les coûts de construction au mètre carré de ces équipements ;
f) détermination des coûts de construction des équipements imputables à chaque catégorie d'âge ;
g) multiplication du coût des équipements par le pourcentage de la population concernée déterminé sur la base de la structure de la population ;
2° rapport du coût moyen en équipement pour une population de mille habitants au mètre carré de logement neuf comme suit :
a) détermination du nombre moyen d'habitants par logement ;
b) détermination de la surface moyenne des logement en mètres carrés ;
c) détermination de la superficie de logements nécessaire pour mille habitants.
Pour établir la fourchette, pour chaque commune, le Ministre pondère le montant obtenu en considération soit de la position de celle-ci dans un classement des communes en fonction du prix du logement sur le marché secondaire, soit du rapport entre le prix médian du marché secondaire dans la commune et le prix médian moyen dans la Région.
Sur la base du montant pondéré, le Ministre détermine une fourchette dans laquelle il est présumé que la charge est proportionnelle aux impacts à compenser.
Pour fixer le montant de base de la charge à l'intérieur de la fourchette déterminée par le Ministre, l'autorité compétente prend en considération tout impact que le projet fait peser sur la collectivité au niveau communal.
§ 5. Pour les permis dont l'objet ne vise pas exclusivement la création de logements, l'examen du respect du principe de proportionnalité est réalisé en appliquant respectivement à chaque partie du projet les principes énoncés aux paragraphes 3 et 4.]1
Le coût des charges et des cessions à titre gratuit imposées ne peut cependant pas avoir une importance déraisonnable par rapport à l'objet du permis sollicité par le demandeur.
Pour l'examen du respect du principe de proportionnalité, il n'est pas tenu compte des conditions que le projet doit remplir pour être acceptable, et qui concernent soit sa faisabilité, c'est-à-dire les conditions nécessaires à sa mise en oeuvre et à son exploitation, soit son intégration à l'environnement bâti et non bâti.
§ 2. L'examen du respect du principe de proportionnalité peut être fait en comparant le coût réel des charges et des cessions à titre gratuit imposées à un coût jugé raisonnable estimé sur base d'un montant théorique en euros fixé par l'autorité compétente. La charge et la cession à titre gratuit sont considérées comme proportionnées lorsque leurs coûts cumulés ne dépassent pas le montant théorique servant de point de comparaison.
§ 3. Pour les permis dont l'objet n'est pas de créer des logements neufs, le montant théorique est fixé en fonction de la localisation et de la superficie du projet, mesurée en surface utile, surface plancher ou autre, du nombre de personnes accueillies, capacité d'accueil ou autre, du trafic généré ou tout autre élément pertinent dont l'incidence est financièrement évaluable.
Le Ministre peut déterminer la méthodologie à appliquer en vue de calculer la valeur des éléments sur la base desquels le montant théorique est fixé.
§ 4. Pour les permis dont l'objet est de créer des logements neufs, le Ministre peut déterminer le montant théorique de la charge qui constitue le montant de base de celle-ci, ainsi qu'une fourchette dans laquelle il est présumé que la charge est proportionnelle aux impacts à compenser.
Il applique les principes suivants pour fixer le montant de base de la charge :
1° détermination d'un coût moyen en équipements pour une population de mille habitants comme suit :
a) établissement d'une liste d'équipements publics dont le besoin est généré par la création de logements ;
b) détermination de la structure de la population ;
c) détermination des catégories d'âge concernées par chaque équipement ;
d) détermination du nombre de mètres carrés d'équipements publics dont le besoin est généré par la création de logements pour mille utilisateurs ;
e) multiplication de ce nombre par les coûts de construction au mètre carré de ces équipements ;
f) détermination des coûts de construction des équipements imputables à chaque catégorie d'âge ;
g) multiplication du coût des équipements par le pourcentage de la population concernée déterminé sur la base de la structure de la population ;
2° rapport du coût moyen en équipement pour une population de mille habitants au mètre carré de logement neuf comme suit :
a) détermination du nombre moyen d'habitants par logement ;
b) détermination de la surface moyenne des logement en mètres carrés ;
c) détermination de la superficie de logements nécessaire pour mille habitants.
Pour établir la fourchette, pour chaque commune, le Ministre pondère le montant obtenu en considération soit de la position de celle-ci dans un classement des communes en fonction du prix du logement sur le marché secondaire, soit du rapport entre le prix médian du marché secondaire dans la commune et le prix médian moyen dans la Région.
Sur la base du montant pondéré, le Ministre détermine une fourchette dans laquelle il est présumé que la charge est proportionnelle aux impacts à compenser.
Pour fixer le montant de base de la charge à l'intérieur de la fourchette déterminée par le Ministre, l'autorité compétente prend en considération tout impact que le projet fait peser sur la collectivité au niveau communal.
§ 5. Pour les permis dont l'objet ne vise pas exclusivement la création de logements, l'examen du respect du principe de proportionnalité est réalisé en appliquant respectivement à chaque partie du projet les principes énoncés aux paragraphes 3 et 4.]1
Wijzigingen
Art. R. IV.54/2-2. [1 De gemeente kan de openbare huisvesting die zij ontvangt overeenkomstig artikel D.IV.54/2 overdragen aan de "Société wallonne du logement", aan een openbare huisvestingsmaatschappij of aan een openbaar centrum voor sociaal welzijn.
Zij kan de genotsrechten die zij ontvangt overeenkomstig artikel D.IV.54/2 overdragen aan de "Société wallonne du logement", aan een openbare huisvestingsmaatschappij of aan een openbaar centrum voor sociaal welzijn of aan een sociaal vastgoedagentschap.]1
Zij kan de genotsrechten die zij ontvangt overeenkomstig artikel D.IV.54/2 overdragen aan de "Société wallonne du logement", aan een openbare huisvestingsmaatschappij of aan een openbaar centrum voor sociaal welzijn of aan een sociaal vastgoedagentschap.]1
Art. R. IV.54/3-1. [1 Sans préjudice de l'article D.IV.54/3, § 4, le fonds supra-communal au sens de l'article D.IV.54/3, § 3, est un fonds intégré à la comptabilité de la Société wallonne du logement, d'une société de logement de service public, ou d'une agence immobilière sociale.]1
Art. R. IV.54/2-3. [1 De openbare of gemeenschappelijke gebouwen of voorzieningen bedoeld in artikel D.IV.54/2 zijn ofwel met betrekking tot de activiteiten waarvan de uitoefening noodzakelijk is voor de uitvoering van het gemene goed en die rechtvaardigen dat de overheid zorgt voor het bestaan van het aanbod, ofwel de voorziening of het gebouw dat ter beschikking gesteld wordt van het publiek onder redelijke omstandigheden zonder dat een winstgevend doel wordt nagestreefd. Kunnen worden opgelegd bijvoorbeeld, de aanleg van een speelplein, een sportvoorziening, de bouw van een kinderdagverblijf, een "maison de quartier" (wijkhuis).]1
Art. R _IV.54-4.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - § 1er - La charge mentionnée à l'article D.IV.54, § 2, alinéa 1er, 2°, consistant en la cession à titre gratuit d'une ou de plusieurs unités de logement à la société de logement de service public à laquelle est affiliée la commune concernée, est mise en oeuvre par un contrat de donation.
Il est établi que, pour les projets prévoyant la création d'une surface habitable brute d'au moins 600 m2 par la construction, la transformation ou la rénovation, une cession à titre gratuit de 10
de la surface habitable brute totale du projet est conforme au principe de proportionnalité. La surface habitable à céder est intégrée dans l'ensemble du projet sous forme d'une ou de plusieurs unités de logement. Son équipement correspond à l'équipement des unités de logement restantes, sauf si un équipement particulier est convenu avec la société de logement.
§ 2 - La charge mentionnée à l'article D.IV.54, § 2, alinéa 1er, 1°, consistant en la mise à disposition, par accord écrit, d'une ou de plusieurs unités de logement à la société de logement de service public à laquelle est affiliée la commune concernée, est limitée à une période de neuf ans.
Il est établi que, pour les projets prévoyant la création d'une surface habitable brute d'au moins 600 m2 par la construction, la transformation ou la rénovation, une mise à disposition, par accord écrit, de 20
de la surface habitable brute totale du projet est conforme au principe de proportionnalité. La surface habitable à mettre à disposition est intégrée dans l'ensemble du projet sous forme d'une ou de plusieurs unités de logement. Son équipement correspond à l'équipement des unités de logement restantes, sauf si un équipement particulier est convenu avec la société de logement.
La société de logement est compétente pour la gestion du logement et, le cas échéant, pour sa remise en état au terme de l'accord. La recherche d'un locataire, l'établissement des contrats de location et des états des lieux, le contrôle du respect des obligations du locataire, la garantie du paiement du loyer, le contrôle de l'entretien du bien immobilier par le locataire et la remise en état du bien immobilier en cas de détérioration sont à la charge de la société de logement.
§ 3 - La charge mentionnée à l'article D.IV.54, § 2, alinéa 1er, 2° ou 3°, consistant en la vente, à un prix déterminé, d'une ou de plusieurs unités de logement à la société de logement de service public à laquelle est affiliée la commune concernée ou à des personnes de droit privé ou public dont l'accès à la propriété doit être promu, est mise en oeuvre par un contrat d'achat, une option d'achat ou un autre instrument contractuel.
Le prix est déterminé avec l'aide du Comité d'acquisition d'immeubles de la Région wallonne et en tenant compte du principe de proportionnalité. La détermination des personnes dont l'accès à la propriété doit être promu appartient aux communes et s'effectue sur la base de critères sélectionnés de manière objective.
§ 4 - La surface habitable brute au sens des § § 1er et 2 comprend toutes les surfaces bâties à des fins d'habitation, en ce compris les surfaces auxiliaires (locaux techniques, accès, etc.), à l'exception des :
1° caves, parkings souterrains et greniers;
2° surfaces non closes, en ce compris les loggias, les balcons et les carports.]1
Il est établi que, pour les projets prévoyant la création d'une surface habitable brute d'au moins 600 m2 par la construction, la transformation ou la rénovation, une cession à titre gratuit de 10
de la surface habitable brute totale du projet est conforme au principe de proportionnalité. La surface habitable à céder est intégrée dans l'ensemble du projet sous forme d'une ou de plusieurs unités de logement. Son équipement correspond à l'équipement des unités de logement restantes, sauf si un équipement particulier est convenu avec la société de logement.
§ 2 - La charge mentionnée à l'article D.IV.54, § 2, alinéa 1er, 1°, consistant en la mise à disposition, par accord écrit, d'une ou de plusieurs unités de logement à la société de logement de service public à laquelle est affiliée la commune concernée, est limitée à une période de neuf ans.
Il est établi que, pour les projets prévoyant la création d'une surface habitable brute d'au moins 600 m2 par la construction, la transformation ou la rénovation, une mise à disposition, par accord écrit, de 20
de la surface habitable brute totale du projet est conforme au principe de proportionnalité. La surface habitable à mettre à disposition est intégrée dans l'ensemble du projet sous forme d'une ou de plusieurs unités de logement. Son équipement correspond à l'équipement des unités de logement restantes, sauf si un équipement particulier est convenu avec la société de logement.
La société de logement est compétente pour la gestion du logement et, le cas échéant, pour sa remise en état au terme de l'accord. La recherche d'un locataire, l'établissement des contrats de location et des états des lieux, le contrôle du respect des obligations du locataire, la garantie du paiement du loyer, le contrôle de l'entretien du bien immobilier par le locataire et la remise en état du bien immobilier en cas de détérioration sont à la charge de la société de logement.
§ 3 - La charge mentionnée à l'article D.IV.54, § 2, alinéa 1er, 2° ou 3°, consistant en la vente, à un prix déterminé, d'une ou de plusieurs unités de logement à la société de logement de service public à laquelle est affiliée la commune concernée ou à des personnes de droit privé ou public dont l'accès à la propriété doit être promu, est mise en oeuvre par un contrat d'achat, une option d'achat ou un autre instrument contractuel.
Le prix est déterminé avec l'aide du Comité d'acquisition d'immeubles de la Région wallonne et en tenant compte du principe de proportionnalité. La détermination des personnes dont l'accès à la propriété doit être promu appartient aux communes et s'effectue sur la base de critères sélectionnés de manière objective.
§ 4 - La surface habitable brute au sens des § § 1er et 2 comprend toutes les surfaces bâties à des fins d'habitation, en ce compris les surfaces auxiliaires (locaux techniques, accès, etc.), à l'exception des :
1° caves, parkings souterrains et greniers;
2° surfaces non closes, en ce compris les loggias, les balcons et les carports.]1
Wijzigingen
Art. R. IV.54/2-4. [1 De maatregelen voor het leefmilieu bedoeld in artikel D.IV.54/2 zijn de maatregelen met een gunstige impact o.a. op de biodiversiteit, de bevolking, de menselijke gezondheid, de fauna, de flora, de bodems, het water, de lucht, de klimaatfactoren, de materiële goederen, het culturele erfgoed met inbegrip van het architectonisch en het archeologisch erfgoed, de landschappen, zoals het gebruik van ecologische materialen, de plaatsing van een gemeenschappelijke verwarmingsinstallatie, de plaatsing van een installatie voor de productie van hernieuwbare energie, de beheersing van het beheer van het huishoudelijk afval, de verplichting tot laattijdig maaien, de opneming van het project in het "Maya" plan, de aanplanting van hagen of de bodemontharding.]1
Art. R _IV.54-5.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - § 1er - La charge mentionnée à l'article D.IV.54, § 3, alinéa 1er, 1°, consistant en la cession à titre gratuit d'un ou de plusieurs lots à la société de logement de service public à laquelle est affiliée la commune concernée, est mise en oeuvre par un contrat de donation.
Il est établi que, pour les urbanisations ou les divisions prévoyant la création d'au moins dix lots utilisés ou utilisables à des fins d'habitation, la cession à titre gratuit, à partir du dixième lot, d'un lot pour cinq lots créés est conforme au principe de proportionnalité.
Il est établi que, pour les urbanisations ou les divisions prévoyant la création d'au moins dix lots utilisés ou utilisables à des fins d'habitation, la cession à titre gratuit, à partir du dixième lot, d'un lot pour cinq lots créés est conforme au principe de proportionnalité.
-
| Nombre de lots utilisés ou utilisables à des fins d'habitation, créés par le projet | Nombre de lots à céder à titre gratuit |
| Entre 1 et 9 lots | / |
| Entre 10 et 14 lots | 1 lot |
| Entre 15 et 19 lots | 2 lots |
| Entre 20 et 24 lots | 3 lots |
| Entre 25 et 29 lots | 4 lots |
| etc. | etc. |
§ 2 - La charge mentionnée à l'article D.IV.54, § 3, alinéa 1er, 1° et 2°, consistant en la vente, à un prix déterminé, d'un ou de plusieurs lots, utilisés ou utilisables à des fins d'habitation, à la société de logement de service public à laquelle est affiliée la commune concernée ou à des personnes de droit privé ou public dont l'accès à la propriété doit être promu, est mise en oeuvre par un contrat d'achat, une option d'achat ou un autre instrument contractuel.
Il est établi que, pour les urbanisations ou les divisions prévoyant la création d'au moins cinq lots utilisés ou utilisables à des fins d'habitation, la vente à prix coûtant, à partir du cinquième lot, d'un lot pour cinq lots créés est conforme au principe de proportionnalité.
-
| Nombre de lots utilisés ou utilisables à des fins d'habitation, créés par le projet | Nombre de lots à vendre à prix coûtant |
| Entre 1 et 4 lots | / |
| Entre 5 et 9 lots | 1 lot |
| Entre 10 et 14 lots | 2 lots |
| Entre 15 et 19 lots | 3 lots |
| Entre 20 et 24 lots | 4 lots |
| etc. | etc. |
Le prix correspond au prix coûtant des lots, et donc au remboursement des frais dont s'acquitte le demandeur pour la division et/ou l'urbanisation des lots.
La détermination des personnes dont l'accès à la propriété doit être promu appartient aux communes et s'effectue sur la base de critères sélectionnés de manière objective.]1
Art. R. IV.54/3-1. [1 Onverminderd artikel D.IV.54/3, § 4, is het bovengemeentelijk fonds in de zin van artikel D.IV.54/3, § 3, een fonds dat opgenomen is in de rekeningen van de Société wallonne du logement, een openbare huisvestingsmaatschappijvoor huisvesting of een sociaal huisvestingsagentschap.]1
Art. R. IV.54/5-1. [1 Sans préjudice de l'article D.IV.54/2, § 2, la nature des charges imposées permet par priorité :
1° de faciliter les modes de déplacement actifs et les transports en commun ;
2° de construire ou rénover des équipements collectifs, d'agrément ou de convivialité ;
3° d'améliorer la performance énergétique de l'urbanisation.
Par délibération, le conseil communal peut aménager cet ordre y compris en y intégrant d'autres priorités, en considération des besoins de la collectivité à rencontrer prioritairement sur le territoire communal.]1
1° de faciliter les modes de déplacement actifs et les transports en commun ;
2° de construire ou rénover des équipements collectifs, d'agrément ou de convivialité ;
3° d'améliorer la performance énergétique de l'urbanisation.
Par délibération, le conseil communal peut aménager cet ordre y compris en y intégrant d'autres priorités, en considération des besoins de la collectivité à rencontrer prioritairement sur le territoire communal.]1
Art. R.IV.54/5-1. [1 Onverminderd artikel D.IV.54/2, § 2, geeft de aard van de ten laste gelegde feiten voorrang aan :
Sous-section 3. - Motifs liés à la viabilisation du terrain
Onderafdeling 3. - Motieven in verband met het bouwrijp maken van gronden
Sous-section 4. - Motifs liés à la protection des personnes, des biens ou de l'environnement
Onderafdeling 4. - Motieven in verband met de bescherming van de personen, de goederen of het leefmilieu
Sous-section 5. - Motifs liés à la planologie en cours
Onderafdeling 5. - Motieven in verband met de lopende planologie
Section 3. - Dispositions diverses
Afdeling 3. - Diverse bepalingen
Sous-section 1re. - Ordre des travaux
Onderafdeling 1. - Volgorde van de werken
Art. R.IV.59-1. Le délai endéans lequel les conditions et les charges qui assortissent le permis sont réalisées ne peut être supérieur au délai de péremption du permis.
Art. R.IV.59-1. De termijn waarbinnen de voorwaarden en de lasten waaraan de vergunning is onderworpen, worden vervuld, mag niet hoger zijn dan de vervaltermijn van de vergunning.
Sous-section 2. - Garanties financières
Onderafdeling 2. - Financiële garanties
Art. R.IV.60-1. [1 - La garantie financière exigée par l'autorité compétente, visée à l'article D.IV.60, alinéa 4, pour l'introduction des documents énumérés à l'article D.IV.73, s'élève à au moins 100 euros pour une demande de permis sans l'intervention d'un architecte et à au moins 750 euros pour une demande de permis avec l'intervention d'un architecte.]1
Art. R.IV.60-1. [1 - De in artikel D.IV.60, vierde lid, vermelde, door de bevoegde overheid geëiste financiële garantie voor het indienen van de stukken overeenkomstig artikel D.IV.73 bedraagt minstens 100 euro voor een vergunningsaanvraag zonder tussenkomst van een architect en minstens 750 euro voor een vergunningsaanvraag met tussenkomst van een architect.]1
Section 4. - Décision sur la demande de certificat d'urbanisme n° 2
Afdeling 4. - Beslissingen over aanvragen van stedenbouwkundige attesten nr. 2
CHAPITRE VIII. - Tutelle du fonctionnaire délégué sur les permis et les certificats
HOOFDSTUK VIII. - Toezicht van de gemachtigd ambtenaar op de vergunningen en attesten
CHAPITRE VIII_ COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. - Tutelle [1 du Gouvernement]1 sur les permis et les certificats
HOOFDSTUK VIII. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. - Toezicht [1 van de Regering]1 op de vergunningen en attesten
CHAPITRE IX. - Recours
HOOFDSTUK IX. - Beroepen
Section 1re. - Titulaires du droit de recours
Afdeling 1. - Beroepsgerechtigden
Section 2. - Procédure
Afdeling 2. - Procedure
Art. R.IV.66-1.Sous peine d'irrecevabilité, le recours introduit en vertu de l'article D.IV.63 par le demandeur, en ce compris par le collège communal lorsqu'il est le demandeur, est établi au moyen du formulaire et selon le contenu repris en annexe 20 du Code.
Art. R. IV.66-1.Op straffe van niet-ontvankelijkheid, wordt het beroep ingediend door de aanvrager krachtens artikel D.IV.63 met inbegrip van het gemeentecollege als hij aanvrager is, opgemaakt door middel van een formulier en volgens de inhoud opgenomen in bijlage 20 van het Wetboek.
Het beroep ingediend door het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar krachtens artikel D.IV.64 of D.IV.65, wordt ook ingediend door middel van een formulier en volgens de inhoud opgenomen in bijlage 20 van het Wetboek.
[1 De Minister is bevoegd om de inhoud van bijlagen 20 te wijzigen.
Bijlage 20 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de identificatie van de omstreden beslissing;
2° de adresgegevens van de auteur van het beroep;
3° de identificatie van het project;
4° de motivering van het beroep;
5° de identificatie van de te verstrekken bijlagen ;
6° de vereiste handtekeningen;
7° de relevante uittreksels uit het Wetboek;
8° de informatie met betrekking tot de gegevensbescherming.]1
De verzoeker stuurt het beroep naar de directeur-generaal van [2 de administratie]2, rue des Brigades d'Irlande 1, te 5100 Jambes.
Het gemeentecollege en de gemachtigd ambtenaar, al dan niet indiener van het beroep, sturen naar het bovenvermelde adres binnen acht dagen van de aanvraag van [2 de administratie]2 :
1° een afschrift van het betrokken dossier, namelijk :
a) van de vergunningsaanvraag
b) van het geheel van het administratief dossier, alsook, in voorkomend geval, van de beslissing waartegen een beroep is ingediend en het bewijs van zijn verzending naar de verschillende partijen;
c) van de plannen beoogd tijdens zijn beslissing of zijn advies, alsook van de eventuele vorige versies van deze plannen ingediend in het kader van hetzelfde dossier van vergunningsaanvraag;
d) van elke andere nuttige informatie zoals het bestaan van een vorige beslissing of een proces-verbaal van overtreding;
2° een kaartweergave die de informatie bevat bedoeld in artikel D.IV.97, met uitzondering van punt 7°.
Het beroep ingediend door het gemeentecollege of de gemachtigd ambtenaar krachtens artikel D.IV.64 of D.IV.65, wordt ook ingediend door middel van een formulier en volgens de inhoud opgenomen in bijlage 20 van het Wetboek.
[1 De Minister is bevoegd om de inhoud van bijlagen 20 te wijzigen.
Bijlage 20 bevat ten minste de volgende informatie die door de aanvrager moet worden ingevuld:
1° de identificatie van de omstreden beslissing;
2° de adresgegevens van de auteur van het beroep;
3° de identificatie van het project;
4° de motivering van het beroep;
5° de identificatie van de te verstrekken bijlagen ;
6° de vereiste handtekeningen;
7° de relevante uittreksels uit het Wetboek;
8° de informatie met betrekking tot de gegevensbescherming.]1
De verzoeker stuurt het beroep naar de directeur-generaal van [2 de administratie]2, rue des Brigades d'Irlande 1, te 5100 Jambes.
Het gemeentecollege en de gemachtigd ambtenaar, al dan niet indiener van het beroep, sturen naar het bovenvermelde adres binnen acht dagen van de aanvraag van [2 de administratie]2 :
1° een afschrift van het betrokken dossier, namelijk :
a) van de vergunningsaanvraag
b) van het geheel van het administratief dossier, alsook, in voorkomend geval, van de beslissing waartegen een beroep is ingediend en het bewijs van zijn verzending naar de verschillende partijen;
c) van de plannen beoogd tijdens zijn beslissing of zijn advies, alsook van de eventuele vorige versies van deze plannen ingediend in het kader van hetzelfde dossier van vergunningsaanvraag;
d) van elke andere nuttige informatie zoals het bestaan van een vorige beslissing of een proces-verbaal van overtreding;
2° een kaartweergave die de informatie bevat bedoeld in artikel D.IV.97, met uitzondering van punt 7°.
Art. R. IV.66-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Sous peine d'irrecevabilité, le recours introduit en vertu de l'article D.IV.63 par le demandeur, en ce compris par le collège communal lorsqu'il est le demandeur, est établi au moyen du formulaire et selon le contenu repris en annexe 20 [1 ...]1.
Le recours introduit en vertu de l'article D.IV.64 [1 ...]1 par le collège communal [1 ...]1 est également introduit au moyen du formulaire et selon le contenu repris en annexe 20 [1 ...]1.
Le requérant envoie le recours [1 au Gouvernement]1.
Le collège communal [1 ...]1, qu'ils soient l'auteur du recours ou non, envoient [1 ...]1 dans les huit jours de la demande [1 du département]1 :
1° une copie du dossier concerné à savoir :
a) de la demande de permis;
b) de l'ensemble du dossier administratif, ainsi que, le cas échéant, de la décision dont recours et la preuve de son envoi aux différentes parties;
c) des plans visés lors de sa décision ou de son avis, ainsi que des éventuelles précédentes versions de ces plans introduites dans le cadre du même dossier de demande de permis;
d) de toute autre information utile telle que l'existence d'une décision antérieure ou d'un procès-verbal d'infraction;
2° un repérage qui comprend les informations visées à l'article D.IV.97, à l'exception du 7°.
Sous peine d'irrecevabilité, le recours introduit en vertu de l'article D.IV.63 par le demandeur, en ce compris par le collège communal lorsqu'il est le demandeur, est établi au moyen du formulaire et selon le contenu repris en annexe 20 [1 ...]1.
Le recours introduit en vertu de l'article D.IV.64 [1 ...]1 par le collège communal [1 ...]1 est également introduit au moyen du formulaire et selon le contenu repris en annexe 20 [1 ...]1.
Le requérant envoie le recours [1 au Gouvernement]1.
Le collège communal [1 ...]1, qu'ils soient l'auteur du recours ou non, envoient [1 ...]1 dans les huit jours de la demande [1 du département]1 :
1° une copie du dossier concerné à savoir :
a) de la demande de permis;
b) de l'ensemble du dossier administratif, ainsi que, le cas échéant, de la décision dont recours et la preuve de son envoi aux différentes parties;
c) des plans visés lors de sa décision ou de son avis, ainsi que des éventuelles précédentes versions de ces plans introduites dans le cadre du même dossier de demande de permis;
d) de toute autre information utile telle que l'existence d'une décision antérieure ou d'un procès-verbal d'infraction;
2° un repérage qui comprend les informations visées à l'article D.IV.97, à l'exception du 7°.
Wijzigingen
Art. R. IV.66-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Op straffe van niet-ontvankelijkheid, wordt het beroep ingediend door de aanvrager krachtens artikel D.IV.63 met inbegrip van het gemeentecollege als hij aanvrager is, opgemaakt door middel van een formulier en volgens de inhoud opgenomen in bijlage 20 [1 ...]1.
Het beroep ingediend door het gemeentecollege [1 ...]1 krachtens artikel D.IV.64 [1 ...]1, wordt ook ingediend door middel van een formulier en volgens de inhoud opgenomen in bijlage 20 [1 ...]1.
De verzoeker stuurt het beroep naar [1 de Regering]1.
[1 Het gemeentecollege, al dan niet indiener van het beroep, stuurt binnen acht dagen, te rekenen vanaf de aanvraag van het departement, het volgende:]1
1° een afschrift van het betrokken dossier, namelijk :
a) van de vergunningsaanvraag
b) van het geheel van het administratief dossier, alsook, in voorkomend geval, van de beslissing waartegen een beroep is ingediend en het bewijs van zijn verzending naar de verschillende partijen;
c) van de plannen beoogd tijdens zijn beslissing of zijn advies, alsook van de eventuele vorige versies van deze plannen ingediend in het kader van hetzelfde dossier van vergunningsaanvraag;
d) van elke andere nuttige informatie zoals het bestaan van een vorige beslissing of een proces-verbaal van overtreding;
2° een kaartweergave die de informatie bevat bedoeld in artikel D.IV.97, met uitzondering van punt 7°.
Op straffe van niet-ontvankelijkheid, wordt het beroep ingediend door de aanvrager krachtens artikel D.IV.63 met inbegrip van het gemeentecollege als hij aanvrager is, opgemaakt door middel van een formulier en volgens de inhoud opgenomen in bijlage 20 [1 ...]1.
Het beroep ingediend door het gemeentecollege [1 ...]1 krachtens artikel D.IV.64 [1 ...]1, wordt ook ingediend door middel van een formulier en volgens de inhoud opgenomen in bijlage 20 [1 ...]1.
De verzoeker stuurt het beroep naar [1 de Regering]1.
[1 Het gemeentecollege, al dan niet indiener van het beroep, stuurt binnen acht dagen, te rekenen vanaf de aanvraag van het departement, het volgende:]1
1° een afschrift van het betrokken dossier, namelijk :
a) van de vergunningsaanvraag
b) van het geheel van het administratief dossier, alsook, in voorkomend geval, van de beslissing waartegen een beroep is ingediend en het bewijs van zijn verzending naar de verschillende partijen;
c) van de plannen beoogd tijdens zijn beslissing of zijn advies, alsook van de eventuele vorige versies van deze plannen ingediend in het kader van hetzelfde dossier van vergunningsaanvraag;
d) van elke andere nuttige informatie zoals het bestaan van een vorige beslissing of een proces-verbaal van overtreding;
2° een kaartweergave die de informatie bevat bedoeld in artikel D.IV.97, met uitzondering van punt 7°.
Art. R. IV.66-1bis. [1 Les auditions visées à l'article D.IV.66 du Code du Développement territorial se tiennent de manière virtuelle, par vidéo-conférence.
Le demandeur qui éprouve des difficultés numériques, excepté le collège communal lorsqu'il est le demandeur, peut refuser que l'audition se tienne par vidéo-conférence en le signalant, par toute voie utile, dans les 5 jours qui suivent la réception de l'accusé de réception, à la direction du SPW TLPE qui a envoyé l'accusé de réception.
Lorsque l'audition est organisée par vidéo-conférence, les personnes ou instances invitées peuvent déposer au dossier, après l'avoir exposée, une note de motivation ou toute pièce complémentaire qu'elles jugent utile. Ce dépôt au dossier est réalisé en fin d'audition par voie électronique à l'adresse du secrétaire permanent.]1
Le demandeur qui éprouve des difficultés numériques, excepté le collège communal lorsqu'il est le demandeur, peut refuser que l'audition se tienne par vidéo-conférence en le signalant, par toute voie utile, dans les 5 jours qui suivent la réception de l'accusé de réception, à la direction du SPW TLPE qui a envoyé l'accusé de réception.
Lorsque l'audition est organisée par vidéo-conférence, les personnes ou instances invitées peuvent déposer au dossier, après l'avoir exposée, une note de motivation ou toute pièce complémentaire qu'elles jugent utile. Ce dépôt au dossier est réalisé en fin d'audition par voie électronique à l'adresse du secrétaire permanent.]1
Art. R. IV.66-1bis. [1 De hoorzittingen bedoeld in artikel D.IV.66 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling worden virtueel per video-call gehouden.
De aanvraag die moeilijkheden ondervindt met digitale technologieën, uitgezonderd de gemeenteraad wanneer hij de aanvrager is, kan weigeren dat de hoorzitting via een video-call plaatsvindt door dit bij elk nuttig middel binnen de vijf dagen volgend op de ontvangst van het bericht van ontvangst te melden aan de directie van de Waalse Overheidsdienst Gebiedsbeleid Wonen Erfgoed Energie die het bericht van ontvangst heeft verstuurd.
Wanneer de hoorzitting via hoorzitting wordt gehouden, kunnen de genodigde personen of instanties, na een uiteenzetting ervab, een motiveringsnota of elk aanvullend stuk dat ze nuttig achten bij het dossier voegen. Het voegen ervan bij het dossier gebeurt elektronisch op het einde van de hoorzitting op het adres van de vaste secretaris.]1
De aanvraag die moeilijkheden ondervindt met digitale technologieën, uitgezonderd de gemeenteraad wanneer hij de aanvrager is, kan weigeren dat de hoorzitting via een video-call plaatsvindt door dit bij elk nuttig middel binnen de vijf dagen volgend op de ontvangst van het bericht van ontvangst te melden aan de directie van de Waalse Overheidsdienst Gebiedsbeleid Wonen Erfgoed Energie die het bericht van ontvangst heeft verstuurd.
Wanneer de hoorzitting via hoorzitting wordt gehouden, kunnen de genodigde personen of instanties, na een uiteenzetting ervab, een motiveringsnota of elk aanvullend stuk dat ze nuttig achten bij het dossier voegen. Het voegen ervan bij het dossier gebeurt elektronisch op het einde van de hoorzitting op het adres van de vaste secretaris.]1
Art. R. IV.66-1/1. [1 Les auditions visées à l'article D.IV.66 du Code du Développement territorial se tiennent de manière virtuelle, par vidéo-conférence.
L'auteur du recours, excepté le collège communal lorsqu'il est le demandeur, peut refuser que l'audition se tienne par vidéo-conférence en le signalant, par courrier électronique ou par téléphone, dans les cinq jours qui suivent la réception de l'accusé de réception, à la Direction Juridique, des Recours et du Contentieux du Service public de Wallonie Territoire, Logement, Patrimoine et Energie qui a envoyé l'accusé de réception.
Lorsque l'audition est organisée par vidéo-conférence, les personnes ou instances invitées peuvent déposer au dossier, après l'avoir exposée, une note de motivation ou toute pièce complémentaire qu'elles jugent utile. Ce dépôt au dossier se réalise en fin d'audition par voie électronique à l'adresse du secrétaire permanent. ]1
L'auteur du recours, excepté le collège communal lorsqu'il est le demandeur, peut refuser que l'audition se tienne par vidéo-conférence en le signalant, par courrier électronique ou par téléphone, dans les cinq jours qui suivent la réception de l'accusé de réception, à la Direction Juridique, des Recours et du Contentieux du Service public de Wallonie Territoire, Logement, Patrimoine et Energie qui a envoyé l'accusé de réception.
Lorsque l'audition est organisée par vidéo-conférence, les personnes ou instances invitées peuvent déposer au dossier, après l'avoir exposée, une note de motivation ou toute pièce complémentaire qu'elles jugent utile. Ce dépôt au dossier se réalise en fin d'audition par voie électronique à l'adresse du secrétaire permanent. ]1
Art. R. IV.66-1/1. [1 De hoorzittingen bedoeld in artikel D.IV.66 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling worden virtueel per video-call gehouden.
De auteur van het beroep, met uitzondering van het gemeentecollege wanneer dit de verzoeker is, kan weigeren dat de hoorzitting per video-call plaatsvindt door dit binnen vijf dagen na ontvangst van het ontvangstbewijs per e-mail of telefonisch te melden aan de Directie Juridische Aangelegenheden, Beroepen en Geschillen van de Waalse Overheidsdienst Gebiedsontwikkeling, Woonbeleid, Erfgoed en Energie, die de ontvangstbevestiging heeft verstuurd.
Wanneer de hoorzitting via video-call wordt gehouden, kunnen de genodigde personen of instanties, na een uiteenzetting ervan, een motiveringsnota of elk aanvullend stuk dat ze nuttig achten bij het dossier voegen. Het voegen ervan bij het dossier gebeurt elektronisch op het einde van de hoorzitting op het adres van de vaste secretaris.]1
De auteur van het beroep, met uitzondering van het gemeentecollege wanneer dit de verzoeker is, kan weigeren dat de hoorzitting per video-call plaatsvindt door dit binnen vijf dagen na ontvangst van het ontvangstbewijs per e-mail of telefonisch te melden aan de Directie Juridische Aangelegenheden, Beroepen en Geschillen van de Waalse Overheidsdienst Gebiedsontwikkeling, Woonbeleid, Erfgoed en Energie, die de ontvangstbevestiging heeft verstuurd.
Wanneer de hoorzitting via video-call wordt gehouden, kunnen de genodigde personen of instanties, na een uiteenzetting ervan, een motiveringsnota of elk aanvullend stuk dat ze nuttig achten bij het dossier voegen. Het voegen ervan bij het dossier gebeurt elektronisch op het einde van de hoorzitting op het adres van de vaste secretaris.]1
Art. R. IV.66-2.Le repérage visé à l'article R.IV.66-1, alinéa 3, 2°, joint à la première analyse du recours visée à l'article D.IV.66. est validé par la Direction en charge des recours au sein de [1 l'administration]1.
Les agents instruisant le recours ne peuvent être intervenus à quel que titre que ce soit dans le cadre de l'instruction du dossier par le collège communal, le fonctionnaire délégué ou par tout autre acteur.
[1 L'administration]1 tient le dossier et les éléments reçus à la disposition des membres.
Les pièces complémentaires déposées lors de l'audition sont jointes au dossier administratif.
Les agents instruisant le recours ne peuvent être intervenus à quel que titre que ce soit dans le cadre de l'instruction du dossier par le collège communal, le fonctionnaire délégué ou par tout autre acteur.
[1 L'administration]1 tient le dossier et les éléments reçus à la disposition des membres.
Les pièces complémentaires déposées lors de l'audition sont jointes au dossier administratif.
Wijzigingen
Art. R. IV.66-2.De kaartweergave bedoeld in artikel R.IV.66-1, derde lid, 2°, gevoegd bij de eerste analyse van het beroep bedoeld in artikel D.IV.66. wordt gevalideerd door de Directie belast met de beroepen binnen [1 de administratie]1.
De personeelsleden die het beroep onderzoeken mogen, in welke hoedanigheid ook, niet tussenbeide komen in het kader van het onderzoek van het dossier door het gemeentecollege, de gemachtigd ambtenaar of door elke andere actor.
[1 De administratie]1 houdt het dossier en de ontvangen gegevens ter beschikking van de leden.
De bijkomende stukken neergelegd tijdens de hoorzitting worden gevoegd bij het administratief dossier.
De personeelsleden die het beroep onderzoeken mogen, in welke hoedanigheid ook, niet tussenbeide komen in het kader van het onderzoek van het dossier door het gemeentecollege, de gemachtigd ambtenaar of door elke andere actor.
[1 De administratie]1 houdt het dossier en de ontvangen gegevens ter beschikking van de leden.
De bijkomende stukken neergelegd tijdens de hoorzitting worden gevoegd bij het administratief dossier.
Art. R. IV.66-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le repérage visé à l'article R.IV.66-1, alinéa 3, 2°, joint à la première analyse du recours visée à l'article D.IV.66. est validé [1 par le département]1.
Les agents instruisant le recours ne peuvent être intervenus à quel que titre que ce soit dans le cadre de l'instruction du dossier par le collège communal [1 ...]1 ou par tout autre acteur.
[1 Le département]1 tient le dossier et les éléments reçus à la disposition des membres.
Les pièces complémentaires déposées lors de l'audition sont jointes au dossier administratif.
Le repérage visé à l'article R.IV.66-1, alinéa 3, 2°, joint à la première analyse du recours visée à l'article D.IV.66. est validé [1 par le département]1.
Les agents instruisant le recours ne peuvent être intervenus à quel que titre que ce soit dans le cadre de l'instruction du dossier par le collège communal [1 ...]1 ou par tout autre acteur.
[1 Le département]1 tient le dossier et les éléments reçus à la disposition des membres.
Les pièces complémentaires déposées lors de l'audition sont jointes au dossier administratif.
Wijzigingen
Art. R. IV.66-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De kaartweergave bedoeld in artikel R.IV.66-1, derde lid, 2°, gevoegd bij de eerste analyse van het beroep bedoeld in artikel D.IV.66. wordt gevalideerd door [1 het departement]1.
De personeelsleden die het beroep onderzoeken mogen, in welke hoedanigheid ook, niet tussenbeide komen in het kader van het onderzoek van het dossier door het gemeentecollege [1 ...]1 of door elke andere actor.
[1 Het departement]1 houdt het dossier en de ontvangen gegevens ter beschikking van de leden.
De bijkomende stukken neergelegd tijdens de hoorzitting worden gevoegd bij het administratief dossier.
De kaartweergave bedoeld in artikel R.IV.66-1, derde lid, 2°, gevoegd bij de eerste analyse van het beroep bedoeld in artikel D.IV.66. wordt gevalideerd door [1 het departement]1.
De personeelsleden die het beroep onderzoeken mogen, in welke hoedanigheid ook, niet tussenbeide komen in het kader van het onderzoek van het dossier door het gemeentecollege [1 ...]1 of door elke andere actor.
[1 Het departement]1 houdt het dossier en de ontvangen gegevens ter beschikking van de leden.
De bijkomende stukken neergelegd tijdens de hoorzitting worden gevoegd bij het administratief dossier.
Art. R. IV.66-3.
Art. R. IV.66-3.
Art. R. IV.69-1. [1 Le collège communal transmet l'avis visé à l'article D.IV.69, § 4 dans les délais suivant à dater de l'envoi de la demande du Ministre :
1° trente jours lorsque le Ministre n'exécute pas de mesures particulières de publicité ;
2° quarante jours lorsque le Ministre exécute des mesures particulières de publicité.]1
1° trente jours lorsque le Ministre n'exécute pas de mesures particulières de publicité ;
2° quarante jours lorsque le Ministre exécute des mesures particulières de publicité.]1
Art. R.IV.69-1. [1 Het gemeentecollegestuurt het advies bedoeld in artikel D.IV.69, § 4 binnen de volgende termijn vanaf de datum van verzending van het verzoek van de Minister:
Section 3. - Décision
Afdeling 3. - Beslissing
CHAPITRE X. - Formalités post-décisoires
HOOFDSTUK X. - Formaliteiten ter afronding van het beslissingsstadium
Section 1re. - Affichage du permis
Afdeling 1. - Aanplakking van de vergunning
Section 2-. Notification du début des travaux
Afdeling 2. - Kennisgeving van de aanvang van de werken
Section 3. - Indication de l'implantation des constructions nouvelles
Afdeling 3. - Aanwijzing van de plaats van vestiging van nieuwbouw
Section 3.1. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Demande simplifiée de modifications du permis délivré avant ou pendant la réalisation des travaux]1
Afdeling 3.1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Vereenvoudigde aanvraag tot wijziging van de toegekende vergunning voorafgaand aan of tijdens de uitvoering van de werken]1
Art. R.IV.72-1. [1 - La demande simplifiée de modifications après délivrance du permis, avant ou pendant l'achèvement des travaux est introduite, selon la forme de la demande, au moyen du formulaire repris en annexe 4, 5 ou 10 qui en fixe le contenu.]1
Art. R.IV.72-1. [1 - De vereenvoudigde aanvraag tot wijziging van de toegekende vergunning voorafgaand aan of tijdens de uitvoering van de werken wordt, afhankelijk van de vorm van de aanvraag, ingediend via het formulier opgenomen in bijlage 4, 5 of 10, dat de inhoud ervan vastlegt.]1
Section 4. - Déclaration d'achèvement des travaux
Afdeling 4. - Aanmelding van voltooiing van de werken
Section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Documents après réalisation des actes ou travaux]1
Afdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Documenten na uitvoering van de handelingen of werken]1
Art. R.IV.73-1. [1 Les plans de conformité présentent le contenu des plans du permis qui ont été introduits conformément à l'article D.IV.26 et représentent la situation réelle après l'achèvement des travaux. Les différences entre les plans approuvés et les plans de conformité sont représentées en rouge.
Afdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. - Conformiteitsplannen en conformiteitsverklaring na voltooiing van de werken
Art. R_IV.73-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Les documents après réalisation des actes ou travaux sont introduits en utilisant le modèle repris en annexe 34, qui en définit le contenu.
Art. R. IV.73-1. [1 - De conformiteitsplannen laten de inhoud zien van de plannen van de vergunning die werden ingediend overeenkomstig artikel D.IV.26, en geven de werkelijke situatie na voltooiing van de werken weer. Verschillen tussen de vergunde plannen en de conformiteitsplannen worden in het rood weergegeven.
Verschillen in de zin van de conformiteitsplannen zijn niet-uitgevoerde, anders uitgevoerde of bijkomend uitgevoerde werken en handelingen.
De conformiteitsplannen en/of de fotoreportage moeten de inachtneming van eventuele stedenbouwkundige lasten bewijzen.]1
Verschillen in de zin van de conformiteitsplannen zijn niet-uitgevoerde, anders uitgevoerde of bijkomend uitgevoerde werken en handelingen.
De conformiteitsplannen en/of de fotoreportage moeten de inachtneming van eventuele stedenbouwkundige lasten bewijzen.]1
Art. R. IV.73-1-1. [1 - La demande de déclaration de conformité après l'achèvement des travaux est introduite au moyen du formulaire repris en annexe 30 qui en fixe le contenu.
Le contenu des plans introduits représente la situation réelle après l'achèvement des travaux. Les différences par rapport aux plans approuvés sont représentées en vert.]1
Le contenu des plans introduits représente la situation réelle après l'achèvement des travaux. Les différences par rapport aux plans approuvés sont représentées en vert.]1
Art. R _IV.73-1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - De documenten na uitvoering van de handelingen of werken worden ingediend door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 34, dat de inhoud ervan vastlegt.
De documenten na uitvoering van de handelingen of werken bedoeld in artikel D.IV.73.1, § 1, 2° en 3°, bevatten de inhoud van de overeenkomstig artikel D.IV.26 ingediende plannen van de vergunning en beschrijven de werkelijke situatie na uitvoering van de handelingen of werken, alsook de stedenbouwkundige lasten. Verschillen tussen de vergunde plannen en de documenten na uitvoering van de handelingen of werken worden in het rood weergegeven.
Verschillen zijn niet uitgevoerde, anders uitgevoerde of bijkomend uitgevoerde werken en handelingen.]1
De documenten na uitvoering van de handelingen of werken bedoeld in artikel D.IV.73.1, § 1, 2° en 3°, bevatten de inhoud van de overeenkomstig artikel D.IV.26 ingediende plannen van de vergunning en beschrijven de werkelijke situatie na uitvoering van de handelingen of werken, alsook de stedenbouwkundige lasten. Verschillen tussen de vergunde plannen en de documenten na uitvoering van de handelingen of werken worden in het rood weergegeven.
Verschillen zijn niet uitgevoerde, anders uitgevoerde of bijkomend uitgevoerde werken en handelingen.]1
Art. R _IV.73-1-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 - [2 La déclaration visée à l'article D.IV.73-1, alinéa 2, est créée en utilisant le modèle repris en annexe 33, qui en définit le contenu.]2.
Le contenu des plans introduits représente la situation réelle après l'achèvement des travaux. Les différences par rapport aux plans approuvés sont représentées en vert.]1
[1 - [2 La déclaration visée à l'article D.IV.73-1, alinéa 2, est créée en utilisant le modèle repris en annexe 33, qui en définit le contenu.]2.
Le contenu des plans introduits représente la situation réelle après l'achèvement des travaux. Les différences par rapport aux plans approuvés sont représentées en vert.]1
Art. R. IV.73-1-1. [1 - De aanvraag tot een conformiteitsverklaring na voltooiing van de werken wordt ingediend door gebruik te maken van het formulier opgenomen in bijlage 30, dat de inhoud ervan vastlegt.
De inhoud van de ingediende plannen geeft de werkelijke situatie na voltooiing van de werken weer. Verschillen met de vergunde plannen worden in het groen weergegeven]1
De inhoud van de ingediende plannen geeft de werkelijke situatie na voltooiing van de werken weer. Verschillen met de vergunde plannen worden in het groen weergegeven]1
Art. R. IV.73-1-2.[1 - La décision du Ministre d'octroi ou de refus de déclaration de conformité après l'achèvement des travaux est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 31.]1
Art. R _IV.73-1-1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 [2 De verklaring vermeld in artikel D.IV.73-1, tweede lid, wordt opgesteld door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 33, dat de inhoud ervan vastlegt]2.
De inhoud van de ingediende plannen geeft de werkelijke situatie na voltooiing van de werken weer. Verschillen met de vergunde plannen worden in het groen weergegeven]1
[1 [2 De verklaring vermeld in artikel D.IV.73-1, tweede lid, wordt opgesteld door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 33, dat de inhoud ervan vastlegt]2.
De inhoud van de ingediende plannen geeft de werkelijke situatie na voltooiing van de werken weer. Verschillen met de vergunde plannen worden in het groen weergegeven]1
Art. R _IV.73-1-2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R.IV.73-1.2. [1 - De beslissing van de Minister tot toekenning of weigering van een conformiteitsverklaring na voltooiing van de werken wordt genomen, op straffe van nietigheid, door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 31.]1
Section 5. - Constat de l'exécution des conditions ou des charges d'urbanisme et responsabilité décennale
Art. R_IV.73-1.2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 6. - Publicité
Afdeling 5. - Vaststelling van de uitvoering van de stedenbouwkundige voorwaarden of lasten en tienjarige verantwoordelijkheid
Titre 3. - Effets du permis
Afdeling 6. - Bekendmaking
CHAPITRE Ier. - Généralités
Titel 3. - Effecten van de vergunning
CHAPITRE II. - Permis à durée limitée
HOOFDSTUK I. - Algemeen
CHAPITRE III. - Péremption des permis
HOOFDSTUK II. - Vergunningen met beperkte duur
Section 1re. - Péremption du permis d'urbanisation
HOOFDSTUK III. - Vervallen van vergunningen
Section 1re. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Péremption du permis d'urbaniser ou de diviser]1
Afdeling 1. - Vervallen van de bebouwingsvergunning
Section 2. - Péremption des permis d'urbanisme
Afdeling 1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Het vervallen van de ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1
Section 3. - Dispositions communes
Afdeling 2. - Vervallen van de stedenbouwkundige vergunningen
CHAPITRE IV. - Suspension du permis
Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen
CHAPITRE V. - Retrait de permis
HOOFDSTUK G. IV - Opschorting van de vergunning
CHAPITRE VI. - Cession du permis
HOOFDSTUK V. - Intrekking van de vergunning
CHAPITRE VII. - Renonciation au permis
HOOFDSTUK V. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Intrekking van de vergunning]1
CHAPITRE VIII. - Modification du permis d'urbanisation
HOOFDSTUK VI. - Overdracht van de vergunning
CHAPITRE VIII. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Modification et abrogation du permis d'urbaniser ou de diviser]1
HOOFDSTUK VII. - Afzien van de vergunning
Titre 4. - Effets du certificat d'urbanisme
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van de bebouwingsvergunning
Art. R.IV.97-1.Les informations visées à l'article D.IV.97, 1° à 6° et 9° à 10°, sont accessibles à tous sur le géoportail de la Wallonie et, pour les informations relevant de leurs compétences respectives, sur le site Internet d'une des Directions générales opérationnelles du SPW. Les informations visées à l'article D.IV.97, 8°, sont accessibles conformément aux articles 17 et 17 bis du décret du 5 décembre 2008 relatif à la gestion des sols.
HOOFDSTUK VIII. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Wijziging of opheffing van de ontsluitings- of opsplitsingsvergunning]1
Art. R.IV.97-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titel 4. - Gevolgen van het stedenbouwkundig attest
Titre 5. - Obligations d'information sur le statut administratif des biens
Art. R.IV.97-1.De informatie bedoeld in artikel D.IV.97, 1° tot 6° en 9° tot 10°, ligt ter inzage voor allen op het geoportaal van Wallonië en, voor de informatie die onder hun respectievelijke bevoegdheden ressorteert, op de website van één van de operationele directoraten-generaal van de Waalse Overheidsdienst. De informatie bedoeld in artikel D.IV.97, 8°, ligt ter inzage overeenkomstig de artikelen 17 en 17 bis van het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer
CHAPITRE Ier. - Mentions dans les actes de cession
Art. R.IV.97-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE II. - Acte préalable à toute division
Titel 5. - Verplichtingen tot informatieverstrekking over het administratieve statuut van de goederen
Section 1re. - Division postérieure à l'octroi d'un permis
HOOFDSTUK I. - Vermeldingen in akten van overdracht
Section 2. - Division non soumise à permis
HOOFDSTUK II. - Akte voorafgaand aan elke verdeling
CHAPITRE III. - Acte postérieur à la modification du permis d'urbanisation
Afdeling 1. - Verdeling na toekenning van een vergunning
CHAPITRE III. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Acte postérieur à la modification du permis d'urbaniser]1
Afdeling 2. - Niet-vergunningsplichtige verdeling
CHAPITRE IV. - Information sur la cession des permis
HOOFDSTUK III. - Akte na de wijziging van de bebouwingsvergunning
Titre 6. - Renseignements à fournir
HOOFDSTUK III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Akte na de wijziging van de ontsluitingsvergunning]1
Art. R.IV.105-1. Les informations visées à l'article D.IV.97, 1° à 6° et 8° à 10°, sont accessibles conformément à l'article R.IV.97-1.
HOOFDSTUK IV. - Informatie over de overdracht van de vergunningen
Art. R.IV.105-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titel 6. - Te verstrekken inlichtingen
Titre 7. - Des permis en relation avec d'autres polices administratives
Art. R.IV.105-1. De informatie bedoeld in artikel D.IV.97, 1° tot 6° en 8° tot 10°, ligt ter inzage overeenkomstig artikel R.IV.97-1.
Titre 7. 1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Procédure d'urgence]1
Art. R.IV.105.5-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Chapitre Ier.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Champ d'application]1
Titel 7. - Vergunningen in verband met andere administratieve diensten
Chapitre II.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Exceptions et dérogations]1
Titel 7.1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Spoedprocedure]1
Chapitre III.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Procédure ]1
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Toepassingsgebied]1
Art. R.IV.109.5-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - La demande de permis dans le cadre de la procédure d'urgence est introduite, selon la forme de la demande, au moyen du formulaire repris en annexe 4 ou 5 qui en fixe le contenu.]1
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Afwijkingen en verschillen]1
Art. R.IV.109.7-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - L'avis de complétude formelle délivré par le Ministre dans le cadre de la procédure d'urgence est émis en utilisant le modèle repris en annexe 19.]1
HOOFDSTUK III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Procedure]1
Art. R.IV.109.11-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - La décision du Ministre d'octroi ou de refus d'un permis d'urbanisme ou d'un permis d'urbanisme de constructions groupées dans le cadre d'une procédure d'urgence est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 12.]1
Art. R.IV.109.5-1. [1 - De vergunningsaanvraag in het kader van de spoedprocedure wordt, afhankelijk van de vorm van de aanvraag, ingediend via het formulier opgenomen in bijlage 4 of 5, dat de inhoud ervan vastlegt.]1
Chapitre IV.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Dispositions applicables]1
Art. R.IV.109.7-1. [1 - Het door de Minister afgegeven bericht van formele volledigheid in het kader van de spoedprocedure wordt opgesteld door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 19.]1
Titre 8. - Droit transitoire
Art. R.IV.109.11-1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - De beslissing van de Minister tot toekenning of weigering van een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning of voor een stedenbouwkundige vergunning voor groepen van bouwwerken in het kader van een spoedprocedure wordt, op straffe van nietigheid, genomen door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 12.]1
CHAPITRE Ier. - Procédure
HOOFDSTUK IV.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Van toepassing zijnde bepalingen]1
CHAPITRE II. - Effets juridiques
Titel 8. - Overgangsrecht
Section 1re. - Permis d'urbanisation
HOOFDSTUK I. - Procedure
Sous-section 1re. - Valeur juridique
HOOFDSTUK II. - Juridische gevolgen
Sous-section 2. - Péremption
Afdeling 1. - Bebouwingsvergunningen
Sous-section 3. - Modification
Onderafdeling 1. - Rechtsgeldigheid
Section 2. - Permis d'urbanisme - péremption
Onderafdeling 2. - Verval
Livre 5. - Aménagement du territoire et urbanisme opérationnels
Onderafdeling 3. - Wijziging
Livre 5. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Afdeling 2. - Het vervallen van de stedenbouwkundige vergunningen
Titre 1er. - Sites à réaménager
Boek 5. - Operationele ruimtelijke ordening en stedenbouw
Titre 1er. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Boek 5. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE Ier. - Généralités
Titel 1. - Te herontwikkelen bedrijfsruimten
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titel 1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.V.1-1.
HOOFDSTUK I. - Algemeen
Art. R.V.1-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.V.1-2.Les actes et travaux de réhabilitation visés à l'article D.V.1, 2°, comprennent :
Art. R. V.1-1.
Art. R. V.1-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. V.1-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. V.1-3. Les actes et travaux de rénovation visés à l'article D.V.1, 2°, concernent les immeubles existants, maintenus sur place et dont le gabarit est respecté, et comprennent le traitement antifongique, le démontage, le nettoyage, la remise en état ou le remplacement des éléments de structure et des murs extérieurs, en ce compris la protection par bardage ou hydrofugation et leur isolation ainsi que les menuiseries extérieures, les charpentes, la couverture et l'isolation des toitures, les panneaux solaires lorsqu'ils font partie intégrante de la couverture, les cheminées, les corniches, les gouttières, les descentes d'eau pluviale et les ouvrages permettant leur évacuation ainsi que les études y relatives.
Art. R. V.1-2.De saneringshandelingen en -werken bedoeld in artikel D.V.1, 2°, omvatten :
1° de dringende maatregelen die verband houden met :
a) de afbraakwerken bevolen bij een besluit van de burgemeesters om redenen van openbare veiligheid
b) de opheffing van het gevaar voor de buurt in verband met het instabiliteitsrisico van bouwwerken, van bouwelementen of uitrustingen;
c) de beperking van gevaren voor ongevallen voor de personen die het goed betreden, in verband met gevaarlijke gronden, bouwwerken, bouwelementen of uitrustingen;
d) de beperking van ongeoorloofde betredingen, voor voertuigen of personen, van gronden of bouwwerken die een makkelijke prooi zijn voor krakers, kleine delinquenten, daders van ongeoorloofde activiteiten, sluik- of afvalstorters, al naar gelang de aard van de locatie;
e) bewarende maatregelen voor in stand te houden bouwwerken, bouwelementen of uitrustingen die aangetast dreigen te worden door 's mensen toedoen (vandalisme, moedwillige afbraak, diefstallen) of door de weersomstandigheden zoals de instandhoudingswerken, het afdekken van daken met zeilen, het dichtmetselen van openingen, het herstellen van regenpijpen of het weghalen van wildgroeiende planten;
2° de inzameling, de verwijdering en de verwerking, van producten, stoffen, materialen, puin en afval die achtergelaten werden of afkomstig zijn van de verrichtingen; het leegpompen van kelders, tanks, leidingen, het reinigen van putten, plassen en vijvers; de verwerking van dierlijke meststoffen; de verwijdering en de verwerking van afvalstoffen overeenkomstig het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
3° de afbraak van bouwwerken en uitrustingen, met inbegrip van ingegraven structuren en volgens hiernavolgende bepalingen : het laten instorten van ingegraven holle structuren, kelders, leidingen, onderaardse gangen en tanks, ongeacht hoe diep hun ligging is, de afbraak van ingegraven dichte structuren, funderingen, onderbouwen en vloerplaten tot op een diepte van één meter onder het afgewerkte niveau of dieper indien ze hinderend zijn voor heropbouw en het in kaart brengen van de ingegraven structuren die behouden werden, uitgezonderd de herbruikbare funderingen, mits het voorleggen van een plan ter staving;
4° het verwijderen van het struikgewas en het opruimen van de gronden;
5° de grondwerken en het effenen van de grond, met inbegrip van de afvoer-, de toevoerleidingen en de stabilisering van de gronden;
6° het inzaaien van grasperken, het aanleggen van planten en bossen;
7° het herstellen of het aanleggen van draineringswerken, vergaar- en opvangbekkens van regenwater, bestemd voor exclusief gebruik van de locatie;
8° de herstellingen, de beschermingen en de stabiliseringen van gronden, bouwwerken en uitrustingen die vrijgekomen zijn bij afbraakwerken of voortvloeiend uit erfdienstbaarheden die op het onroerend goed wegen;
9° de herstelling, de vervanging of de plaatsing van afsluitingen, omringende muren, poorten en hoofdingangen;
10° onverminderd van het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer, de bodemsanering;
11° de gedeeltelijke ontmantelingen en het schoonmaken in de bouwwerken die in stand te houden zijn;
12° de onderzoeken naar de handelingen en -werken bedoeld in de punten 1° tot 9°.
Voor de afbraakwerken bevolen bij een besluit van de burgemeester om redenen van openbare veiligheid, moet de aanvraag om subsidie ingediend wordt binnen de twee maanden na kennisgeving van dat besluit en moet er een omstandig technisch verslag, gevalideerd door [1 administratie]1, bijgevoegd worden.
1° de dringende maatregelen die verband houden met :
a) de afbraakwerken bevolen bij een besluit van de burgemeesters om redenen van openbare veiligheid
b) de opheffing van het gevaar voor de buurt in verband met het instabiliteitsrisico van bouwwerken, van bouwelementen of uitrustingen;
c) de beperking van gevaren voor ongevallen voor de personen die het goed betreden, in verband met gevaarlijke gronden, bouwwerken, bouwelementen of uitrustingen;
d) de beperking van ongeoorloofde betredingen, voor voertuigen of personen, van gronden of bouwwerken die een makkelijke prooi zijn voor krakers, kleine delinquenten, daders van ongeoorloofde activiteiten, sluik- of afvalstorters, al naar gelang de aard van de locatie;
e) bewarende maatregelen voor in stand te houden bouwwerken, bouwelementen of uitrustingen die aangetast dreigen te worden door 's mensen toedoen (vandalisme, moedwillige afbraak, diefstallen) of door de weersomstandigheden zoals de instandhoudingswerken, het afdekken van daken met zeilen, het dichtmetselen van openingen, het herstellen van regenpijpen of het weghalen van wildgroeiende planten;
2° de inzameling, de verwijdering en de verwerking, van producten, stoffen, materialen, puin en afval die achtergelaten werden of afkomstig zijn van de verrichtingen; het leegpompen van kelders, tanks, leidingen, het reinigen van putten, plassen en vijvers; de verwerking van dierlijke meststoffen; de verwijdering en de verwerking van afvalstoffen overeenkomstig het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
3° de afbraak van bouwwerken en uitrustingen, met inbegrip van ingegraven structuren en volgens hiernavolgende bepalingen : het laten instorten van ingegraven holle structuren, kelders, leidingen, onderaardse gangen en tanks, ongeacht hoe diep hun ligging is, de afbraak van ingegraven dichte structuren, funderingen, onderbouwen en vloerplaten tot op een diepte van één meter onder het afgewerkte niveau of dieper indien ze hinderend zijn voor heropbouw en het in kaart brengen van de ingegraven structuren die behouden werden, uitgezonderd de herbruikbare funderingen, mits het voorleggen van een plan ter staving;
4° het verwijderen van het struikgewas en het opruimen van de gronden;
5° de grondwerken en het effenen van de grond, met inbegrip van de afvoer-, de toevoerleidingen en de stabilisering van de gronden;
6° het inzaaien van grasperken, het aanleggen van planten en bossen;
7° het herstellen of het aanleggen van draineringswerken, vergaar- en opvangbekkens van regenwater, bestemd voor exclusief gebruik van de locatie;
8° de herstellingen, de beschermingen en de stabiliseringen van gronden, bouwwerken en uitrustingen die vrijgekomen zijn bij afbraakwerken of voortvloeiend uit erfdienstbaarheden die op het onroerend goed wegen;
9° de herstelling, de vervanging of de plaatsing van afsluitingen, omringende muren, poorten en hoofdingangen;
10° onverminderd van het decreet van 5 december 2008 betreffende het bodembeheer, de bodemsanering;
11° de gedeeltelijke ontmantelingen en het schoonmaken in de bouwwerken die in stand te houden zijn;
12° de onderzoeken naar de handelingen en -werken bedoeld in de punten 1° tot 9°.
Voor de afbraakwerken bevolen bij een besluit van de burgemeester om redenen van openbare veiligheid, moet de aanvraag om subsidie ingediend wordt binnen de twee maanden na kennisgeving van dat besluit en moet er een omstandig technisch verslag, gevalideerd door [1 administratie]1, bijgevoegd worden.
Art. R _V.1-3.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. V.1-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. V.1-4. Les actes et travaux de construction ou de reconstruction sur le site visés à l'article D.V.1, 2°, désignent les actes et travaux de gros-oeuvre fermé et les études y relatives.
Art. R. V.1-3. De renovatiehandelingen en -werken bedoeld in artikel D.V.1, 2°, hebben betrekking op de bestaande gebouwen, ter plaatse in stand gehouden en waarvaan de afmeting nageleefd wordt, en omvatten de schimmeldodende behandelingen, de ontmanteling, het schoonmaken, het herstel in oorspronkelijke staat of de vervanging van de structuurelementen en de buitenmuren, met inbegrip van de bescherming via gevelbekleding of vochtwerende middelen en hun isolatie, evenals het buitenschrijnwerk, het dakgebinte, de bedekking en de isolatie van daken, de zonnepanelen als ze volledig deel uitmaken van de bedekking, de schoorstenen, de kroonlijsten, de dakgoten, de regenpijpen en de werken die de afvoer van de regen mogelijk maken, alsook de onderzoeken ernaar.
Art. R _V.1-4.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R _V.1-3.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. V.1-5.Les actes et travaux projetés pour la réhabilitation et la rénovation du site qui font partie du dossier de demande d'adoption ou de modification du périmètre ne peuvent pas porter sur un bien immobilier [2 classé ou assimilé]2, situé dans une zone de protection ou [1 visés à la carte archéologique, au sens du Code wallon du Patrimoine, ]1 en vertu du Code wallon du Patrimoine [3 ...]3.
Art. R. V.1-4. De bouw- of heropbouwhandelingen en werken ter plaatse, bedoeld in artikel D.V.1, 2°, doelen op de handelingen en werken in verband met de winddichte ruwbouw en de onderzoeken ernaar.
Art. R. V.1-5_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R_V.1-4.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE II. - Procédure d'adoption du périmètre
Art. R.V.1-5.De handelingen en werken die gepland zijn voor de sanering en renovatie van de locatie, die deel uitmaken van het aanvraagdossier om aanneming of wijziging van de omtrek mogen niet betrekking hebben op een onroerend goed [2 geklasseerd of daarmee gelijkgesteld]2 gelegen in een beschermingsgebied of [1 bedoeld in de archeologische kaart in de zin van het Erfgoedwetboek,]1 krachtens het Waals Wetboek van het Erfgoed [3 ...]3.
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. V.1-5_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. V.2-1.[1 [2 L'administration]2 statue sur le caractère complet et recevable de la demande dans les vingt jours de la réception de la demande.]1
HOOFDSTUK II. - Procedure m.b.t. de aanneming van de omtrek
Art. R.V.2-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.V.2-2.Le modèle de carte visé à l'article D.V.2, § 2, représente le périmètre du site à réaménager projeté et est composé des quatre volets, établis chacun au format 29 cm x 21,7 cm ou à un multiple de ce format suivant la superficie du périmètre et plié au format 29 cm x 21,7 cm, qui suivent :
Art. R. V.2-1.[1 De [2 administratie]2 neemt haar beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk bevonden wordt binnen twintig dagen na ontvangst van de aanvraag.]1
Art. R. V.2-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R.V.2-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE III. - Investigations
Art. R.V.2-2.Het kaartmodel bedoeld in artikel D.V.2, § 2, stelt de omtrek van de geplande herin te richten locatie voor en bestaat uit de hiernavolgende vier luiken, elk opgesteld onder het formaat 29 cm x 21,7 cm of een veelvoud van dat formaat volgens de oppervlakte van de omtrek en gevouwen tot het formaat 29 cm x 21,7 cm :
CHAPITRE III. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. V.2-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. V.3-1.Les agents compétents pour procéder aux investigations et contrôles visés à l'article D.V.3 sont les agents de rang A ou B de [1 l'administration]1. Les agents peuvent se faire assister de toute personne qu'ils jugent nécessaire au bon accomplissement de leur mission.
Wijzigingen
HOOFDSTUK III. - Onderzoekingen
Art. R.V.3-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE IV. - Aliénation
Art. R.V.3-1.De personeelsleden bevoegd om de onderzoekingen en controles bedoeld in artikel D.V.3 te verrichten, zijn de personeelsleden van rang A of B van de [1 administratie]1. De personeelsleden kunnen zich voor de behoorlijke uitoefening van hun taak laten bijstaan door elke persoon die zij noodzakelijk achten.
CHAPITRE IV. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. V.3-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. V.4-1.Le directeur général de [1 l'administration]1 ou, à défaut, l'inspecteur général du Département de l'Aménagement et de l'Urbanisme de la DGO4 autorise les propriétaires à aliéner ou grever de droits réels les biens situés dans le site à réaménager.
Wijzigingen
HOOFDSTUK IV. - Vervreemding
Art. R.V.4-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK IV. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE V. - Conservation de la beauté des paysages
Art. R.V.4-1.De directeur-generaal van [1 de administratie]1 of, bij gebrek, de inspecteur-generaal van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1 laat de eigenaars toe om de in de te herontwikkelen locatie gelegen goederen te vervreemden of met zakelijke rechten te bezwaren.
CHAPITRE V. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R.V.4-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE VI. - Droit transitoire
HOOFDSTUK V. - Instandhouding van de schoonheid van de landschappen
CHAPITRE VI. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK V. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Titre 2. - Sites de réhabilitation paysagère et environnementale
HOOFDSTUK VI. - Overgangsrecht
Titre 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK VI. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE Ier. - Sites de réhabilitation paysagère et environnementale
Titel 2. - sites bestemd voor herontwikkeling wat betreft de landschappen en het leefmilieu
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titel 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.V.7-1.[1 [2 L'administration]2 statue sur le caractère complet et recevable de la demande dans les vingt jours de la réception de la demande.]1
HOOFDSTUK I. - Sites bestemd voor herontwikkeling wat betreft de landschappen en het leefmilieu
Art. R.V.7-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE II. - Droit transitoire
Art. R.V.7-1.[1 De [2 administratie]2 neemt haar beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk bevonden wordt binnen twintig dagen na ontvangst van de aanvraag.]1
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R.V.7-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Titre 3. - Périmètres de remembrement urbain
HOOFDSTUK II. - Overgangsrecht
Titre 3. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE Ier. - Généralités
Titel 3. - Stedelijke verkavelingsomtrekken
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titel 3. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE II. - Procédure d'adoption du périmètre
HOOFDSTUK I. - Algemeen
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.V.11-1.
HOOFDSTUK II. - Procedure m.b.t. de aanneming van de omtrek
Art. R_V.11-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE III. - Droit transitoire
Art. R.V.11-1.
CHAPITRE III. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R_V.11-1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Titre 4. - revitalisation urbaine
HOOFDSTUK III. - Overgangsrecht
Titre 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK III. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.V.13-1.
Titel 4. - stadsheropleving
Art. R_V.13-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titel 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.V.13-2.
Art. R. V.13-1.
Art. R _V.13-2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R _V.13-1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. V.13-3.
Art. R. V.13-2.
Art. R. V.13-3_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R _V.13-2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. V.13-4.
Art. R. V.13-3.
Art. R. V.13-4_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. V.13-3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. V.13-5.
Art. R. V.13-4.
Art. R _V.13-5.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. V.13-4_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. V.13-6.
Art. R. V.13-5.
Art. R. V.13-6_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R_V.13-5.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Titre 5. - Rénovation urbaine
Art. R.V.13-6.
Titre 5. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R.V.13-6_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Titre 6. - Zones d'initiatives privilégiées
Titel 5. - Stadsvernieuwing
Titre 6. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titel 5. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Titre 7. - Procédure conjointe périmètre - Permis
Titel 6. - Bevoorrechte initiatiefgebieden
Titre 7. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titel 6. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.V.16-1.
Titel 7. - Gezamenlijke procedure voor omtrekken en vergunningen
Art. R_V.16-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titel 7. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE Ier . [1 Champ d'application]1
Art. R.V.16-1.
CHAPITRE 2. [1 Introduction de la demande conjointe]1
Art. R_V.16-1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 1er. [1 Introduction de la demande de périmètre.]1
HOOFDSTUK I . [1 Toepassingsgebied.]1
Art. R.V.16/2-1. [1 Le directeur général de l'administration ou, à défaut, l'inspecteur général du Département de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme de l'administration accuse réception de la demande visée à l'article D.V.16/2.
HOOFDSTUK 2. [1 Indiening van de gezamenlijke aanvraag]1
Art. R.V.16/2-2. [1 Le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.V.16/2 et charge l'administration de soumettre le dossier pour avis.]1
Afdeling 1. [1 Indiening van de omtrekaanvraag]1
Art. R.V.16/2-3. [1 Le directeur général de l'administration ou, à défaut, l'inspecteur général du Département de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme de l'administration désigne les communes sur le territoire desquelles une enquête publique est réalisée.]1
Art. R.V.16/2-1. [1 De directeur-generaal van de administratie of, bij gebrek, de inspecteur-generaal van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van de administratie bevestigt ontvangst van de aanvraag bedoeld in artikel D.V.16/2.
Section 2. [1 Evaluation conjointe des incidences]1
Art. R.V.16/2-2. [1 De Minister bepaalt de personen of instanties die hij overeenkomstig artikel D.V.16/2, nuttig acht om te raadplegen en draagt de administratie op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
Section 3. [1 Introduction de la demande de permis.]1
Art. R. V.16/2-3. [1 De directeur-generaal van de administratie of, bij gebrek, de inspecteur-generaal van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van de administratie wijst de gemeenten aan op wier grondgebied het openbaar onderzoek wordt uitgevoerd.]1
Art. R. V.16/5-1. [1 L'administration envoie au demandeur de la décision du Gouvernement en application de l'article D.V.16/5.]1
Afdeling 2 [1 "De procedure". Gezamenlijke effectenbeoordeling]1
CHAPITRE IV. [1 Décision.]1
Afdeling 3. [1 Indiening van de vergunningsaanvraag]1
Art. R.V.16/7-1. [1 L'administration envoie au demandeur et aux destinataires visés à l'article D.V.2, paragraphe 3 de la décision du Gouvernement en application de l'article D.V.16/7.]1
Art. R. V.16/5-1. [1 De administratie stuurt de aanvrager de beslissing van de Regering overeenkomstig artikel D.V.16/5.]1
Art. R. V.16/8-1. [1 En application de l'article D.V.16/8, l'administration envoie la copie de la décision aux communes et aux autorités compétentes de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo qui a émis un avis sur la demande en application de l'article D.VIII.54.]1
HOOFDSTUK 3. [1 Indiening van de gezamenlijke aanvraag]1
CHAPITRE 5. [1 Investigations]1
Art. R.V.16/6-1. [1 De aanvulling van de korte uiteenzetting of beoordeling wordt verstuurd naar de Minister met een afschrift, in het geval van een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, naar de directeur-generaal van de Administratie en de gedelegeerd ambtenaar en, in het geval van een aanvraag voor een globale vergunning, naar de directeur-generaal van de Administratie, de directeur-generaal van de Milieuadministratie, de gedelegeerd ambtenaar en de technisch ambtenaar.]1
Titre 8. - Fonds d'aménagement opérationnel et fonds d'assainissement des sites à réaménager et des sites de réhabilitation paysagère et environnementale
HOOFDSTUK IV. [1 - Beslissing]1
Titre 8. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R.V.16/7-1. [1 De administratie stuurt de aanvrager en de bestemmelingen bedoeld in artikel D.V.2, pargaraaf 3, van de beslissing van de Regering overeenkomstig artikel D.V.16/7.]1
Titre 9. - Dispositions financières
Art. R.V.16/8-1. [1 Overeenkomstig artikel D.V.16/8 zendt de administratie een afschrift van de beslissing aan de gemeenten en aan de bevoegde autoriteiten van het Gewest, de Lidstaat van de Europese Unie of de Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo en die advies heeft uitgebracht over het verzoek op grond van artikel D.VIII.54.]1
Titre 9. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK 5. [1 Onderzoekingen]1
CHAPITRE Ier. - Principe
Titel 8. - Fonds voor operationele inrichting en fonds voor de sanering van de te herontwikkelen locaties en locaties met te herontwikkelen landschappen en milieus
CHAPITRE Ier. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titel 8. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 1re. - Subventions octroyées aux personnes de droit public pour l'acquisition de biens repris dans un site à réaménager et pour les études préalables ou des actes et travaux réalisés dans un périmètre de site à réaménager
Titel 9. - Financiële bepalingen
Section 1re. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titel 9. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Sous-section 1re. - Généralités
HOOFDSTUK I. - Beginsel
Sous-section 1re. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK I. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.V.19-1. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer à toute personne morale de droit public autre que la Région wallonne ou que toute société anonyme dont la Région wallonne est le seul actionnaire une subvention pour acquérir ou réhabiliter ou rénover un site à réaménager.
Afdeling 1. - Subsidies toegekend aan de publiekrechtelijke personen voor de aankoop van goederen opgenomen in een herin te richten locatie en voor de voorafgaande studies of handelingen en werken uitgevoerd in een omtrek met betrekking tot een herin te richten locatie
Art. R.V.19-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Afdeling 1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Sous-section 2. - Acquisitions
Onderafdeling 1. - Algemeen
Sous-section 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Onderafdeling 1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.V.19-2. § 1er. La subvention visée à l'article R.V.19-1 couvre l'acquisition d'un bien immobilier réalisée au plus tôt à l'adoption définitive du périmètre du site.
Art. R. V.19-1. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan de Minister aan elke publiekrechtelijke rechtspersoon ander dan het Waalse Gewest of dan een naamloze vennootschap waarvan het Waalse Gewest de enige aandeelhouder is, een subsidie toekennen voor de aankoop of de sanering of de renovatie van een herin te richten locatie.
Art. R _V.19-2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R.V.19-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Sous-section 3. - Etudes et actes et travaux de réhabilitation et de rénovation
Onderafdeling 2. - Aankopen
Sous-section 3. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Onderafdeling 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.V.19-3.La subvention visée à l'article R.V.19-1 couvre aussi le coût des actes et travaux de réhabilitation ou de rénovation visés aux articles R.V.1-2 et R.V.1-3, en ce compris la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la personne morale, les révisions et les décomptes contractuels ainsi que les frais d'études, de direction et de surveillance et de coordination des actes et travaux.
Art. R. V.19-2. § 1. De subsidie bedoeld in artikel R.V.19-1 dekt de aankoop van een onroerend goed ten vroegste uitgevoerd bij de definitieve aanneming van de omtrek van de locatie.
De subsidie bedoeld in het eerste lid dekt voor maximum zestig percent :
1° in het geval van gerechtelijke onteigening :
a) het bedrag bepaald bij het vonnis dat het bedrag van de vergoedingen bepaalt;
b) het geheel van de kosten ten laste van de publiekrechtelijke rechtspersoon die uitdrukkelijk zijn vermeld in het oordeel, met uitzondering van de kosten van de hypothecaire inschrijving en van de erelonen van advocaten;
c) de kosten i.v.m. het verlijden van de authentieke akte;
2° in de andere gevallen :
a) maximum de verkoopwaarde van het onroerend goed zoals vastgesteld door het Aankoopcomité, door de ontvanger der registratie, door een notaris, door een landmeter-deskundige opgenomen in de tabel opgesteld door de Federale Raad van landmeters-experten of door een architect ingeschreven bij de Orde der Architecten.
b) de kosten i.v.m. het verlijden van de authentieke akte.
Ze wordt beperkt volgens de modaliteiten bedoeld in artikel R.V.19-10.
De aankoop van goederen die eigendom zijn van een publiekrechtelijke persoon komt niet voor subsidie in aanmerking.
§ 2. Voor de aankoop van een goed dat valt onder de uitgaven die in aanmerking komen voor een bijdrage van de Europese fondsen, is het subsidiëringspercentage In afwijking van paragraaf 1, datgene dat door de Europese Verordeningen wordt bepaald. De andere bepalingen van paragraaf 1 zijn op hem van toepassing.
In afwijking van paragraaf 1, kan de aankoop van een onroerend goed ten vroegste uitgevoerd bij de goedkeuring door de Regering van een lijst van acties gevoerd op haar initiatief of uitgevoerd tijdens de periode van in aanmerking komen van de uitgaven aan een bijdrage van de Europese fondsen, het voorwerp uitmaken van de subsidie bedoeld in paragraaf 1, tweede lid.
De subsidie bedoeld in het eerste lid dekt voor maximum zestig percent :
1° in het geval van gerechtelijke onteigening :
a) het bedrag bepaald bij het vonnis dat het bedrag van de vergoedingen bepaalt;
b) het geheel van de kosten ten laste van de publiekrechtelijke rechtspersoon die uitdrukkelijk zijn vermeld in het oordeel, met uitzondering van de kosten van de hypothecaire inschrijving en van de erelonen van advocaten;
c) de kosten i.v.m. het verlijden van de authentieke akte;
2° in de andere gevallen :
a) maximum de verkoopwaarde van het onroerend goed zoals vastgesteld door het Aankoopcomité, door de ontvanger der registratie, door een notaris, door een landmeter-deskundige opgenomen in de tabel opgesteld door de Federale Raad van landmeters-experten of door een architect ingeschreven bij de Orde der Architecten.
b) de kosten i.v.m. het verlijden van de authentieke akte.
Ze wordt beperkt volgens de modaliteiten bedoeld in artikel R.V.19-10.
De aankoop van goederen die eigendom zijn van een publiekrechtelijke persoon komt niet voor subsidie in aanmerking.
§ 2. Voor de aankoop van een goed dat valt onder de uitgaven die in aanmerking komen voor een bijdrage van de Europese fondsen, is het subsidiëringspercentage In afwijking van paragraaf 1, datgene dat door de Europese Verordeningen wordt bepaald. De andere bepalingen van paragraaf 1 zijn op hem van toepassing.
In afwijking van paragraaf 1, kan de aankoop van een onroerend goed ten vroegste uitgevoerd bij de goedkeuring door de Regering van een lijst van acties gevoerd op haar initiatief of uitgevoerd tijdens de periode van in aanmerking komen van de uitgaven aan een bijdrage van de Europese fondsen, het voorwerp uitmaken van de subsidie bedoeld in paragraaf 1, tweede lid.
Art. R. V.19-3_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R_V.19-2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 2. - Subventions aux personnes de droit privé pour les études préalables ou les actes et travaux réalisés dans un périmètre de site à réaménager ou de site de réhabilitation paysagère et environnementale en application de l'article D.V.19, 2°
Onderafdeling 3. - Studies en handelingen en herontwikkelings- en renovatiewerken
Section 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Onderafdeling 3. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.V.19-4. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer à toute personne physique ou toute personne morale de droit privé, propriétaire d'un bien immobilier ou titulaire d'un droit réel sur un bien immobilier dans le périmètre d'un site adopté définitivement une subvention pour réaliser les actes et travaux de réhabilitation, de rénovation,, de construction ou de reconstruction.
Art. R. V.19-3.De subsidie bedoeld in artikel R.V.19-1 dekt ook de kostprijs van de handelingen en werken voor de sanering of de renovatie bedoeld in de artikelen R.V.1-2 en R.V.1-3, inclusief de belasting over de toegevoegde waarde als ze verschuldigd en niet terugvorderbaar is, de herzieningen en de contractuele verrekeningen alsmede de studiekosten en de kosten voor de leiding van en het toezicht op de handelingen en werken.
De subsidie wordt toegekend ten belope van een maximum van tachtig percent voor de eerste schijf van één miljoen euro, en van vijftig percent voor het saldo.
De aanvrager richt de aanvraag aan de [1 administratie]1; de aanvraag omvat een tegensprekelijk plan van afpaling van de onroerende goederen die de herin te richten locatie vormen.
De subsidie wordt toegekend ten belope van een maximum van tachtig percent voor de eerste schijf van één miljoen euro, en van vijftig percent voor het saldo.
De aanvrager richt de aanvraag aan de [1 administratie]1; de aanvraag omvat een tegensprekelijk plan van afpaling van de onroerende goederen die de herin te richten locatie vormen.
Art. R _V.19-4.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. V.19-3_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. V.19-5. La subvention visée à l'article R.V.19-4 couvre la prise en charge des intérêts du ou des emprunts contractés pour réaliser les actes et travaux de réhabilitation, de rénovation, de construction ou de reconstruction visés aux articles R.V.1-2 à R.V.1-4.
La subvention est accordée pour autant que les actes et travaux soient terminés dans les cinq ans à dater de la notification de l'octroi de la subvention. A la demande de la personne de droit privé, le Ministre peut prolonger ce délai.
La subvention est octroyée à concurrence d'un maximum de cinq pourcent par an, pendant cinq ans, des intérêts d'un emprunt d'un montant maximum de cinq cent mille euros. Si l'emprunt est inférieur à cinq cent mille euros, la subvention est réduite en proportion de la somme empruntée.
Une convention conclue entre la Région wallonne, représentée par le Ministre, et la personne physique ou la personne morale de droit privé visée à l'article R.V.19-4 accompagne l'arrêté d'octroi de la subvention.
La convention fixe au minimum la description, les modalités et les délais d'exécution des actes et travaux ainsi que les conditions d'octroi, de contrôle et de remboursement de la subvention.
La subvention est accordée pour autant que les actes et travaux soient terminés dans les cinq ans à dater de la notification de l'octroi de la subvention. A la demande de la personne de droit privé, le Ministre peut prolonger ce délai.
La subvention est octroyée à concurrence d'un maximum de cinq pourcent par an, pendant cinq ans, des intérêts d'un emprunt d'un montant maximum de cinq cent mille euros. Si l'emprunt est inférieur à cinq cent mille euros, la subvention est réduite en proportion de la somme empruntée.
Une convention conclue entre la Région wallonne, représentée par le Ministre, et la personne physique ou la personne morale de droit privé visée à l'article R.V.19-4 accompagne l'arrêté d'octroi de la subvention.
La convention fixe au minimum la description, les modalités et les délais d'exécution des actes et travaux ainsi que les conditions d'octroi, de contrôle et de remboursement de la subvention.
Afdeling 2. - Subsidies aan de privaatrechtelijke personen voor de voorafgaande studies of handelingen en werken uitgevoerd in een omtrek met betrekking tot een herin te richten locatie of locatie met herstel van landschap en leefmilieu overeenkomstig artikel D.V.19, 2°
Art. R.V.19-5_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Afdeling 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 3. - Subventions aux personnes physiques ou morales de droit privé pour les actes et travaux réalisés dans un périmètre de site à réaménager ou de site de réhabilitation paysagère et environnementale en application de l'article D.V.19, 3°
Art. R.V.19-4. Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Minister aan elke natuurlijke persoon of elke privaatrechtelijke rechtspersoon die eigenaar is van een onroerend goed of die houder is van een zakelijk recht op een onroerend goed in de omtrek van een definitief aangenomen locatie een subsidie toekennen voor de uitvoering van sanerings-, renovatie-, bouw- of heropbouwhandelingen en -werken.
Section 3. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R _V.19-4.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. V.19-6. Dans les limites des crédits disponibles, le Ministre peut octroyer à toute personne physique ou morale de droit privé une subvention pour réaliser les actes et travaux visés aux articles R.V.1-2 à R.V.1-4 pour autant que cumulativement :
1° elle soit propriétaire d'un bien immobilier ou titulaire d'un droit réel sur un bien immobilier, inclus dans un site à réaménager ou constituant un site à réaménager adopté définitivement, ou ait conclu avec le propriétaire ou titulaire une convention ayant pour objet le réaménagement du site;
2° elle conserve l'affectation de logement pendant quinze ans à dater de la réception provisoire des travaux;
3° les actes et travaux proposés conduisent au réaménagement complet du bien et sont achevés dans les cinq ans à dater de la notification de l'octroi de la subvention, sauf lorsque le réaménagement est autorisé par phases.
La condition visée à l'alinéa 1er, 2°, est imposée au titre de servitude conventionnelle grevant le bien et doit figurer dans tout acte de cession ou de constitution ultérieure d'un droit réel sur tout ou partie du bien immobilier jusqu'à l'échéance de l'obligation.
A la demande de la personne de droit privé, le Ministre peut proroger le délai visé à l'alinéa 1er, 3°. Lorsque le réaménagement complet est autorisé par phases, le Ministre détermine le point de départ du délai de péremption de cinq ans pour chaque phase autre que la première.
Le coût des actes et travaux pris en compte pour le calcul de l'intervention inclut la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la personne, les révisions et les décomptes contractuels ainsi que les frais d'études, de direction et de surveillance et de coordination.
Le Ministre peut fixer le montant maximum de la subvention et le phasage de l'octroi de la subvention.
1° elle soit propriétaire d'un bien immobilier ou titulaire d'un droit réel sur un bien immobilier, inclus dans un site à réaménager ou constituant un site à réaménager adopté définitivement, ou ait conclu avec le propriétaire ou titulaire une convention ayant pour objet le réaménagement du site;
2° elle conserve l'affectation de logement pendant quinze ans à dater de la réception provisoire des travaux;
3° les actes et travaux proposés conduisent au réaménagement complet du bien et sont achevés dans les cinq ans à dater de la notification de l'octroi de la subvention, sauf lorsque le réaménagement est autorisé par phases.
La condition visée à l'alinéa 1er, 2°, est imposée au titre de servitude conventionnelle grevant le bien et doit figurer dans tout acte de cession ou de constitution ultérieure d'un droit réel sur tout ou partie du bien immobilier jusqu'à l'échéance de l'obligation.
A la demande de la personne de droit privé, le Ministre peut proroger le délai visé à l'alinéa 1er, 3°. Lorsque le réaménagement complet est autorisé par phases, le Ministre détermine le point de départ du délai de péremption de cinq ans pour chaque phase autre que la première.
Le coût des actes et travaux pris en compte pour le calcul de l'intervention inclut la taxe sur la valeur ajoutée lorsqu'elle est due et non récupérable par la personne, les révisions et les décomptes contractuels ainsi que les frais d'études, de direction et de surveillance et de coordination.
Le Ministre peut fixer le montant maximum de la subvention et le phasage de l'octroi de la subvention.
Art. R. V.19-5. De subsidie bedoeld in artikel R.V.19-4 dekt de tenlasteneming van de interestkosten voor de lening(en) aangegaan voor de uitvoering van de sanerings-, renovatie-, bouw- of heropbouwhandelingen en -werken bedoeld in de artikelen R.V.1-2 à R.V.1-4.
De subsidie wordt toegekend voor zover de handelingen en werken voltooid zijn binnen de vijf jaar te rekenen van de kennisgeving van de toekenning van de subsidie. Op verzoek van de privaatrechtelijke persoon kan de Minister deze termijn verlengen.
De subsidie wordt toegekend ten belope van een maximum van vijf percent per jaar, gedurende vijf jaar, van de interesten van een lening van maximum vijfhonderdduizend euro. Indien de lening lager is dan vijfhonderdduizend euro, wordt de subsidie verminderd in verhouding tot het geleende bedrag.
Een overeenkomst gesloten tussen het Waals Gewest, vertegenwoordigd door de Minister, en de natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon bedoeld in artikel R.V.19-4 wordt gevoegd bij het besluit tot toekenning van de subsidie.
De overeenkomst bepaalt minstens de omschrijving, de nadere regels en de termijnen voor de uitvoering van de handelingen en werken, de voorwaarden voor de toekenning van, de controle over en de terugbetaling van de subsidie.
De subsidie wordt toegekend voor zover de handelingen en werken voltooid zijn binnen de vijf jaar te rekenen van de kennisgeving van de toekenning van de subsidie. Op verzoek van de privaatrechtelijke persoon kan de Minister deze termijn verlengen.
De subsidie wordt toegekend ten belope van een maximum van vijf percent per jaar, gedurende vijf jaar, van de interesten van een lening van maximum vijfhonderdduizend euro. Indien de lening lager is dan vijfhonderdduizend euro, wordt de subsidie verminderd in verhouding tot het geleende bedrag.
Een overeenkomst gesloten tussen het Waals Gewest, vertegenwoordigd door de Minister, en de natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon bedoeld in artikel R.V.19-4 wordt gevoegd bij het besluit tot toekenning van de subsidie.
De overeenkomst bepaalt minstens de omschrijving, de nadere regels en de termijnen voor de uitvoering van de handelingen en werken, de voorwaarden voor de toekenning van, de controle over en de terugbetaling van de subsidie.
Art. R _V.19-6.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. V.19-5_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. V.19-7.Le demandeur adresse la demande de subvention à [1 l'administration]1. Pour être considérée comme complète, la demande est datée et signée et contient, au moins :
1° l'avant-projet des actes et travaux;
2° l'estimation détaillée du coût des actes et travaux, en ce compris, le cas échéant, les travaux de décontamination;
3° la répartition des actes et travaux visés aux articles R.V.1-2 à R.V.1-4;
4° un rapport qui démontre le respect de la règle de répartition des dépenses visée à l'article D.V.19, 3° ;
5° la programmation et le calendrier des actes et travaux;
6° le certificat du receveur de l'enregistrement qui établit le droit réel dont est titulaire sur le bien immobilier la personne de droit privé, dans le cas où une modification est intervenue depuis la notification de l'arrêté visé à l'article D.V.2, § 1er;
7° un plan de bornage contradictoire des biens immobiliers composant le site à réaménager.
Préalablement à l'octroi de la subvention, [1 l'administration]1 soumet le dossier de demande au Pôle qui transmet son avis dans un délai de trente jours de la demande. A défaut, il est réputé favorable.
1° l'avant-projet des actes et travaux;
2° l'estimation détaillée du coût des actes et travaux, en ce compris, le cas échéant, les travaux de décontamination;
3° la répartition des actes et travaux visés aux articles R.V.1-2 à R.V.1-4;
4° un rapport qui démontre le respect de la règle de répartition des dépenses visée à l'article D.V.19, 3° ;
5° la programmation et le calendrier des actes et travaux;
6° le certificat du receveur de l'enregistrement qui établit le droit réel dont est titulaire sur le bien immobilier la personne de droit privé, dans le cas où une modification est intervenue depuis la notification de l'arrêté visé à l'article D.V.2, § 1er;
7° un plan de bornage contradictoire des biens immobiliers composant le site à réaménager.
Préalablement à l'octroi de la subvention, [1 l'administration]1 soumet le dossier de demande au Pôle qui transmet son avis dans un délai de trente jours de la demande. A défaut, il est réputé favorable.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Subsidies aan de privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen voor de handelingen en werken uitgevoerd in een omtrek met betrekking tot een herin te richten locatie of locatie met herstel van landschap en leefmilieu overeenkomstig artikel D.V.19, 3°
Art. R.V.19-7_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Afdeling 3. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.V.19-8. Une convention conclue entre la Région wallonne, représentée par le Ministre, et le demandeur régit la subvention et détermine les engagements réciproques des parties.
Art. R. V.19-6. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, kan de Minister aan elke privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen een subsidie toekennen om de handelingen en werken bedoeld in de artikelen R.V.1-2 à R.V.1-4 uit te voeren, voor zover cumulatief :
1° hij eigenaar is van een onroerend goed of houder van een zakelijk recht op een onroerend goed dat staat op een herin te richten locatie of dat een definitief aangenomen herin te richten locatie vormt, of met die eigenaar of houder een overeenkomst gesloten heeft voor de herinrichting van de locatie;
2° hij de bestemming als woning behoudt tijdens vijftien jaar te rekenen van de voorlopige oplevering van de werken;
3° de voorgestelde handelingen en werken leiden tot de volledige herinrichting van het goed en voltooid zijn binnen de vijf jaar te rekenen van de kennisgeving van de toekenning van de subsidie, behalve als de herinrichting per fasen toegelaten wordt.
De voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt opgelegd als conventionele erfdienstbaarheid die het goed belast en moet opgenomen worden in elke latere akte van afstand of vorming van een zakelijk recht op een deel of het geheel van het onroerend goed, tot en met de vervaldatum van de verplichting.
Op verzoek van de privaatrechtelijke persoon kan de Minister de termijn bedoeld in het eerste lid, 3°, verlengen. Wanneer de volledige herinrichting per fase wordt toegelaten, bepaalt de Minister het tijdstip waarop de vijfjarige vervaltermijn ingaat voor elke fase buiten de eerste.
De kostprijs van de handelingen en werken die in aanmerking komen voor de berekening van de tegemoetkoming houdt de belasting over de toegevoegde waarde in wanneer ze verschuldigd en niet terugvorderbaar is, de herzieningen en de contractuele verrekeningen alsmede de studiekosten en de kosten voor de leiding, het toezicht en de coördinatie.
De Minister kan het maximum bedrag van de subsidie en de fasering van de toekenning van de subsidie bepalen.
1° hij eigenaar is van een onroerend goed of houder van een zakelijk recht op een onroerend goed dat staat op een herin te richten locatie of dat een definitief aangenomen herin te richten locatie vormt, of met die eigenaar of houder een overeenkomst gesloten heeft voor de herinrichting van de locatie;
2° hij de bestemming als woning behoudt tijdens vijftien jaar te rekenen van de voorlopige oplevering van de werken;
3° de voorgestelde handelingen en werken leiden tot de volledige herinrichting van het goed en voltooid zijn binnen de vijf jaar te rekenen van de kennisgeving van de toekenning van de subsidie, behalve als de herinrichting per fasen toegelaten wordt.
De voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt opgelegd als conventionele erfdienstbaarheid die het goed belast en moet opgenomen worden in elke latere akte van afstand of vorming van een zakelijk recht op een deel of het geheel van het onroerend goed, tot en met de vervaldatum van de verplichting.
Op verzoek van de privaatrechtelijke persoon kan de Minister de termijn bedoeld in het eerste lid, 3°, verlengen. Wanneer de volledige herinrichting per fase wordt toegelaten, bepaalt de Minister het tijdstip waarop de vijfjarige vervaltermijn ingaat voor elke fase buiten de eerste.
De kostprijs van de handelingen en werken die in aanmerking komen voor de berekening van de tegemoetkoming houdt de belasting over de toegevoegde waarde in wanneer ze verschuldigd en niet terugvorderbaar is, de herzieningen en de contractuele verrekeningen alsmede de studiekosten en de kosten voor de leiding, het toezicht en de coördinatie.
De Minister kan het maximum bedrag van de subsidie en de fasering van de toekenning van de subsidie bepalen.
Art. R. V.19-8_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R _V.19-6.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. V.19-9. Sans préjudice de l'article D.IV.22, alinéa 1er, 5°, le demandeur ne peut entreprendre les actes et travaux avant la notification de la subvention. A défaut, le coût des actes et travaux exécutés avant la notification ne pourra être comptabilisé pour démontrer le respect de la règle de répartition des dépenses visées à l'article D.V.19, 3°.
Art. R. V.19-7.De aanvrager richt de subsidie-aanvraag aan de [1 administratie]1. Om als volledig te worden beschouwd, wordt de aanvraag gedagtekend en ondertekend en bevat hij minstens :
1° het voorontwerp van de handelingen en werken;
2° de omstandige raming van de kostprijs van de handelingen en werken, met inbegrip van, in voorkomend geval, de ontsmettingswerken;
3° de verdeling van de handelingen en werken bedoeld in de artikelen R.V.1-2 tot R.V.1-4;
4° een verslag waarin aangetoond wordt dat de regel van de verdeling van de uitgaven bedoeld in artikel D.V.19, 3°, nageleefd wordt;
5° de programmatie en het tijdsschema van de handelingen en werken;
6° het getuigschrift van de ontvanger van de registratie dat het zakelijk recht op het onroerend goed vaststelt waarvan de privaatrechtelijke persoon houder is, indien een wijziging is opgetreden sinds de kennisgeving van het besluit bedoeld in artikel D.V.2, § 1;
7° een tegensprekelijk plan van afpaling van de onroerende goederen die de herin te richten locatie vormen.
Voor de toekenning van de subsidie, onderwerpt de [1 administratie]1 het aanvraagdossier aan de Beleidsgroep die zijn advies binnen dertig dagen na de aanvraag overmaakt. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
1° het voorontwerp van de handelingen en werken;
2° de omstandige raming van de kostprijs van de handelingen en werken, met inbegrip van, in voorkomend geval, de ontsmettingswerken;
3° de verdeling van de handelingen en werken bedoeld in de artikelen R.V.1-2 tot R.V.1-4;
4° een verslag waarin aangetoond wordt dat de regel van de verdeling van de uitgaven bedoeld in artikel D.V.19, 3°, nageleefd wordt;
5° de programmatie en het tijdsschema van de handelingen en werken;
6° het getuigschrift van de ontvanger van de registratie dat het zakelijk recht op het onroerend goed vaststelt waarvan de privaatrechtelijke persoon houder is, indien een wijziging is opgetreden sinds de kennisgeving van het besluit bedoeld in artikel D.V.2, § 1;
7° een tegensprekelijk plan van afpaling van de onroerende goederen die de herin te richten locatie vormen.
Voor de toekenning van de subsidie, onderwerpt de [1 administratie]1 het aanvraagdossier aan de Beleidsgroep die zijn advies binnen dertig dagen na de aanvraag overmaakt. Bij ontstentenis wordt het advies gunstig geacht.
Art. R _V.19-9.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R.V.19-7_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 4. - Subventions pour l'embelllissement extérieur des immeubles d'habitation
Art. R.V.19-8. Een overeenkomst gesloten tussen het Waalse Gewest vertegenwoordigd door de Minister, en de aanvrager bepaalt de wederzijdse verplichtingen der partijen.
Section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R.V.19-8_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 5. - Modalités de liquidation des subventions
Art. R.V.19-9. Onverminderd artikel D.IV.22, lid 1, 5°, mag de aanvrager de handelingen en werken niet ondernemen voor de kennisgeving van de subsidie. Zoniet kan de kostprijs van de handelingen en werken die uitgevoerd worden voor de kennisgeving niet in rekening worden gebracht om aan te tonen dat de regel voor de verdeling van de uitgaven bedoeld in artikel D.V.19, 3°, nageleefd wordt.
Section 5. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R _V.19-9.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R. V.19-10. Pour la liquidation des subventions relatives aux acquisitions visées à l'article R.V.19-2, 2°, la valeur du bien immobilier à prendre en considération sera limitée :
- soit à la valeur réelle d'acquisition du bien immobilier si elle est inférieure à la valeur vénale visée par l'article R.V.19-2, 2° ;
- soit la valeur vénale visée par l'article R.V.19-2, 2°, dans les autres cas.
Toute demande de liquidation d'une subvention relative à une acquisition visée par l'article R.V.19-2, 2°, est accompagnée d'une copie de l'acte authentique d'acquisition du bien.
- soit à la valeur réelle d'acquisition du bien immobilier si elle est inférieure à la valeur vénale visée par l'article R.V.19-2, 2° ;
- soit la valeur vénale visée par l'article R.V.19-2, 2°, dans les autres cas.
Toute demande de liquidation d'une subvention relative à une acquisition visée par l'article R.V.19-2, 2°, est accompagnée d'une copie de l'acte authentique d'acquisition du bien.
Afdeling 4. - Subsidies voor de uiterlijke verfraaiing van de woongebouwen
Art. R_V.19-10.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Afdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.V.19-11.La liquidation des subventions relative aux actes et travaux de réhabilitation et de rénovation, de construction ou de reconstruction visés aux sections 1 et 3 s'effectue selon les dispositions qui suivent:
Afdeling 5. - Nadere regels voor de uitbetaling van de subsidies
Art. R.V.19-11_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Afdeling 5. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. R.V.19-12. Lorsque le projet bénéficie d'autres interventions financières, les subventions octroyées sur la base du présent chapitre respectent les modalités qui suivent :
Art. R. V.19-10. Voor de uitbetaling van de subsidies betreffende de aankopen bedoeld in artikel R.V.19-2, 2°, zal de waarde van het onroerend goed waarmee rekening moet worden gehouden, beperkt zijn :
- hetzij tot werkelijke aankoopwaarde van het onroerend goed als ze lager is dan de verkoopwaarde bedoeld in artikel R.V.19-2, 2° ;
- hetzij tot de verkoopwaarde bedoeld in artikel R.V.19-2, 2°, in de andere gevallen.
Elke aanvraag tot uitbetaling van een subsidie betreffende een aankoop bedoeld in artikel R.V.19-2, 2°, gaat vergezeld van een afschrift van de authentieke akte van aankoop van het goed.
- hetzij tot werkelijke aankoopwaarde van het onroerend goed als ze lager is dan de verkoopwaarde bedoeld in artikel R.V.19-2, 2° ;
- hetzij tot de verkoopwaarde bedoeld in artikel R.V.19-2, 2°, in de andere gevallen.
Elke aanvraag tot uitbetaling van een subsidie betreffende een aankoop bedoeld in artikel R.V.19-2, 2°, gaat vergezeld van een afschrift van de authentieke akte van aankoop van het goed.
Art. R _V.19-12.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R_V.19-10.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE II. - Droit transitoire
Art. R.V.19-11.De uitbetaling van de subsidies voor de sanerings-, renovatie-, bouw- of heropbouwhandelingen en werken bedoeld in de afdelingen 1 en 3 wordt verricht volgens deze bepalingen :
CHAPITRE II. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R.V.19-11_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Livre 6. - Politique foncière
Art. R.V.19-12. Wanneer het project andere tegemoetkomingen krijgt, moeten de subsidies die worden toegekend op grond van dit hoofdstuk, aan volgende nadere regels voldoen :
Titre 1er. - Expropriations et indemnités
Art. R_V.19-12.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE Ier. - Biens susceptibles d'expropriation
HOOFDSTUK II. - Overgangsrecht
CHAPITRE II. - Pouvoirs expropriants
HOOFDSTUK II. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE III. - Procédure administrative
Boek 6. - Grondbeleid
CHAPITRE IV. - Procédure judiciaire
Titel 1. - Onteigeningen en vergoedingen
CHAPITRE V. - Calcul des indemnités
HOOFDSTUK I. - Goederen die onteigend zouden kunnen worden
CHAPITRE VI. - Expropriation à la demande d'un tiers
HOOFDSTUK II. - Onteigenende overheden
CHAPITRE VII. - Comité d'acquisition
HOOFDSTUK III. - Administratieve procedure
CHAPITRE VIII. - Renonciation à l'expropriation
HOOFDSTUK IV. - Gerechtelijke procedure
CHAPITRE IX. - Droit transitoire
HOOFDSTUK V. - Berekening van de vergoedingen
Titre 2. - Droit de préemption
HOOFDSTUK VI. - Onteigening op verzoek van een derde
CHAPITRE Ier. - Champ d'application
HOOFDSTUK VII. - Aankoopcomité
Section 1re. - Périmètres de préemption
HOOFDSTUK VIII. - Verzaak aan de onteigening
Art. R.VI.17-1.Le périmètre de préemption est publié sur le site internet de [1 l'administration]1 qui sert d'inventaire.
HOOFDSTUK IX. - Overgangsrecht
Art. R.VI.17-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titel 2. - Voorkooprecht
Section 2. - Objet de la préemption
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied
Section 3. - Pouvoirs préempteurs
Afdeling 1. - De omtrekken van voorkoop
Section 4. - Actes générateurs de la procédure de préemption
Art. R.VI.17-1.De omtrek van voorkoop wordt op de website van [1 de administratie]1 bekendgemaakt die als inventaris dient.
Section 5. - Durée
Art. R.VI.17-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE II. - Procédure d'adoption des périmètres
Afdeling 2. - Voorwerp van de voorkoop
CHAPITRE III. - Procédure de préemption
Afdeling 3. - Voorkoopgerechtigde overheden
Section 1re. - Déclaration d'intention d'aliéner
Afdeling 4. - Akten die de voorkoopprocedure doen ontstaan
Art. R.VI.25-1. Le modèle de déclaration d'intention d'aliéner un droit réel immobilier soumis au droit de préemption figure en annexe 21.
Afdeling 5. - Duurtijd
Art. R.VI.25-2.Tout titulaire de droit réel ou son mandataire adresse une déclaration pour chacun des biens qu'il a l'intention de céder.
HOOFDSTUK II. - Procedure m.b.t. de aanneming van de omtrekken
Art. R.VI.25-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK III. - Voorkoopprocedure
Section 2. - Transmission de la déclaration d'intention d'aliéner
Afdeling 1. - Verklaring van het voornemen tot vervreemding
Section 3. - Décision des bénéficiaires du droit de préemption
Art. R.VI.25-1. Het model van verklaring van het voornemen tot vervreemding van een zakelijk onroerend recht onderworpen aan het voorkooprecht wordt als bijlage 21 opgenomen bij dit besluit.
Section 4. - Renonciation à exercer le droit de préemption
Art. R. VI.25-2.Elke houder van een zakelijk recht of zijn gemachtigde richt een verklaring aan voor elk goed dat hij wil afstaan.
Ofwel de notaris, wanneer zijn tussenkomst opzettelijk of krachtens de wet wordt vereist, ofwel de overdrager(s), maken aan [1 de administratie]1 en het gemeentecollege van de betrokken gemeente een exemplaar over van het in artikel R.VI.25-1 bedoelde formulier en een afschrift van het compromis of van het ontwerp van daad van vervreemding.
Ofwel de notaris, wanneer zijn tussenkomst opzettelijk of krachtens de wet wordt vereist, ofwel de overdrager(s), maken aan [1 de administratie]1 en het gemeentecollege van de betrokken gemeente een exemplaar over van het in artikel R.VI.25-1 bedoelde formulier en een afschrift van het compromis of van het ontwerp van daad van vervreemding.
Art.R.VI.29-1.[1 L'administration]1 reçoit les informations visées à l'article D.VI.29, alinéa 2, et les copies des actes d'acquisition en application du même article.
Wijzigingen
Art. R. VI.25-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Elke houder van een zakelijk recht of zijn gemachtigde richt een verklaring aan voor elk goed dat hij wil afstaan.
Ofwel de notaris, wanneer zijn tussenkomst opzettelijk of krachtens de wet wordt vereist, ofwel de overdrager(s), maken aan [1 het departement]1 en het gemeentecollege van de betrokken gemeente een exemplaar over van het in artikel R.VI.25-1 bedoelde formulier en een afschrift van het compromis of van het ontwerp van daad van vervreemding.
Elke houder van een zakelijk recht of zijn gemachtigde richt een verklaring aan voor elk goed dat hij wil afstaan.
Ofwel de notaris, wanneer zijn tussenkomst opzettelijk of krachtens de wet wordt vereist, ofwel de overdrager(s), maken aan [1 het departement]1 en het gemeentecollege van de betrokken gemeente een exemplaar over van het in artikel R.VI.25-1 bedoelde formulier en een afschrift van het compromis of van het ontwerp van daad van vervreemding.
Art.R.VI.29-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE...
[1 Le département]1 reçoit les informations visées à l'article D.VI.29, alinéa 2, et les copies des actes d'acquisition en application du même article.
[1 Le département]1 reçoit les informations visées à l'article D.VI.29, alinéa 2, et les copies des actes d'acquisition en application du même article.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Overdracht van de verklaring van het voornemen tot vervreemden
Section 5. - Préemption et paiement du prix
Afdeling 3. - Beslissing van de voorkoopgerechtigden
CHAPITRE IV. - Dispositions diverses
Afdeling 4. - Verzaking aan de uitoefening van het recht van voorkoop
Art. R.VI.32-1. L'attestation établissant l'existence d'une déclaration d'intention d'aliéner réalisée avant la réception d'un acte authentique figure en annexe 22.
Art. R. VI.29-1.[1 De administratie]1 krijgt de informatie bedoeld in artikel D.VI.29, tweede lid, en de afschriften van de aankoopakten overeenkomstig hetzelfde artikel.
Art. R. VI.32-2.Pour délivrer l'attestation visée à l'article D.VI.32, délégation de pouvoir est accordée au directeur général de [1 l'administration]1 ou, à défaut, l'inspecteur général du Département de l'Aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1.
Wijzigingen
Art. R. VI.29-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Het departement]1 krijgt de informatie bedoeld in artikel D.VI.29, tweede lid, en de afschriften van de aankoopakten overeenkomstig hetzelfde artikel.
[1 Het departement]1 krijgt de informatie bedoeld in artikel D.VI.29, tweede lid, en de afschriften van de aankoopakten overeenkomstig hetzelfde artikel.
Art. R. VI.32-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Afdeling 5. - Voorkoop en betaling van de prijs
Art. R.VI.32-3. Le Ministre est habilité à modifier les annexes du présent titre.
HOOFDSTUK IV. - Diverse bepalingen
CHAPITRE V. - Droit transitoire
Art. R.VI.32-1. Het attest ter bevestiging van het bestaan van een intentieverklaring tot vervreemding opgemaakt vóór de ontvangst van een authentieke akte wordt vermeld in bijlage 22 bij dit besluit.
Titre 3. - remembrement et relotissement
Art. R.VI.32-2.De directeur-generaal van [1 de administratie]1 of, bij ontstentenis, de inspecteur-generaal van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1 worden ertoe gemachtigd om het attest bedoeld in artikel D.VI.32, af te geven.
Titre 4. - régime des moins-values et des bénéfices
Art. R.VI.32-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE Ier. - Indemnisation des moins-values
Art. R.VI.32-3. De Minister wordt ertoe gemachtigd om de bijlagen bij deze titel te wijzigen.
Section 1re. - Principe
HOOFDSTUK V. - Overgangsrecht
Section 2. - Absence d'indemnisation
Titel 3. - ruilverkaveling en herverkaveling
Section 3. - Réduction ou refus d'indemnisation
Titel 4. - stelsel van de minderwaarden en de winsten
Section 4. - Naissance du droit à l'indemnisation
HOOFDSTUK 1. - Vergoeding van de minderwaarden
Section 5. - Calcul de l'indemnité
Afdeling 1. - Beginsel
Section 6. - Procédure
Afdeling 2. - Onverschuldigde vergoeding
Section 7. - Exécution de l'obligation d'indemnisation
Afdeling 3. - Vermindering of weigering van de vergoeding
Section 8. - Droit transitoire
Afdeling 4. - Ontstaan van het recht op de vergoeding
CHAPITRE II. - Régime des bénéfices résultant de la planification
Afdeling 5. - Berekening van de vergoeding
Section 1re. - Taxe régionale
Afdeling 6. - Procedure
Sous-section 1re. - Fondement, exemptions et suspensions
Afdeling 7. - Uitvoering van de verplichting tot vergoeding
Art. R.VI.50-1. [1 § 1er. Le redevable qui souhaite une réduction de la taxe transmet la déclaration sur l'honneur attestant du montant de l'investissement à réaliser et le plan financier à l'agent de niveau A responsable du Département de l'Etablissement et du Contrôle de la Direction générale opérationnelle Fiscalité du Service public de Wallonie, ou l'agent qui exerce cette fonction, ou l'agent délégué par lui, dès réception du permis visé à l'article D.VI.48, alinéa 1er, 2°, second tiret, et, au plus tard, dans les soixante jours de sa réception sous peine de perdre le droit à la réduction; il joint une copie du permis délivré et des plans. La déclaration sur l'honneur est introduite en utilisant le formulaire repris en annexe 28. Le Ministre peut modifier l'annexe 28.
Afdeling 8. - Overgangsrecht
Art. R.VI.51-1.Les personnes, instances ou organismes dont les biens sont exemptés de la taxe en application de l'article D.VI.50, § 1er, 1°, renseignent par envoi l'agent de [1 l'administration]1 chargé de former les rôles visé à l'article R.VI.57-1 de leur intention d'exproprier ou d'acquérir à l'amiable pour cause d'utilité publique, ou de la révocation de cette intention, dès que cette décision est prise.
HOOFDSTUK II. - Planwinstenstelsel
Art. R.VI.51-2.Le notaire chargé de l'acte authentique visé à l'article D.VI.48, 2°, interroge l'administration communale de la commune sur le territoire de laquelle la parcelle concernée est située quant à l'existence d'une servitude d'utilité publique empêchant une construction sur la parcelle. La demande est envoyée trente jours au moins avant la date prévue pour la passation de l'acte. L'administration communale envoie le renseignement au notaire dans les trente jours de la réception de la demande. Le notaire joint le renseignement fourni par l'administration communale à l'envoi, à l'agent de [1 l'administration]1 chargé de former les rôles visé à l'article R.VI.57-1, de l'information visée à l'article D.VI.57, alinéa 3.
Afdeling 1. - Gewestelijke retributie
Art. R.VI.51-3.La période au cours de laquelle le plan de secteur est suspendu par le Conseil d'Etat court à dater du jour de la réception de l'arrêt de suspension jusqu'au jour de la réception de l'arrêt final par le Gouvernement.
Onderafdeling 1. - Grondslag, vrijstellingen en opschortingen
Sous-section 2. - Redevable
Art. R.VI.50-1. [1 § 1. De belastingplichtige die de belasting wenst te verminderen, moet de verklaring op erewoord ten belope van het bedrag van de te verrichten investering en het financieel plan aan het personeelslid van niveau A dat verantwoordelijk is voor het Departement Vestiging en Controle Belastingen van het Operationeel Directoraat-generaal Fiscaliteit van de Waalse Overheidsdienst, of aan het personeelslid dat deze functie uitoefent, of aan het personeelslid dat hij heeft gedelegeerd, overmaken na ontvangst van de vergunning bedoeld in artikel D.VI.48, eerste lid, 2°, tweede streepje, en uiterlijk 60 dagen na ontvangst van de vergunning op straffe van het verliezen van zijn vermindering; hij voegt een afschrift van de vergunning en van de plannen bij. Voor de verklaring op erewoord wordt gebruik gemaakt van het formulier in bijlage 28. De Minister kan bijlage 28 wijzigen.
Sous-section 3-. Calcul de la taxe
Art. R.VI.51-1.De personen, instanties of instellingen waarvan de goederen vrijgesteld zijn van de retributie overeenkomstig artikel D.VI.50, § 1, 1°, lichten het personeelslid van [1 de administratie]1 belast met het opstellen van de kohieren bedoeld in artikel R.VI.57-1, per zending in, over het voornemen tot onteigening of minnelijke verwerving om reden van openbaar nut, of van de herroeping van dat voornemen, zodra deze beslissing genomen is.
Sous-section 4-. Registre des bénéfices fonciers
Art. R. VI.51-2.De notaris belast met de authentieke akte bedoeld in artikel D.VI.48, 2°, ondervraagt het gemeentebestuur van de gemeente op het grondgebied waarvan het betrokken perceel gelegen is inzake het bestaan van een erfdienstbaarheid van openbaar nut die een bouwwerk op het perceel zou verhinderen. De aanvraag wordt verstuurd minstens dertig dagen vóór de voorziene datum voor het verlijden van de akte. Het gemeentebestuur stuurt de informatie naar de notaris binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag. De notaris voegt de informatie verstrekt door het gemeentebestuur bij de zending, aan het personeelslid van [1 de administratie]1 belast met het opstellen van de kohieren bedoeld in artikel R.VI.57-1, van de informatie bedoeld in artikel D.VI.57, derde lid.
Art. R. VI.56-1.Le registre des bénéfices fonciers se présente sous la forme d'un tableau comportant autant de lignes que de parcelles ou parties de parcelle cadastrales reprises dans le périmètre d'élaboration ou de révision du plan de secteur, avec une seule destination par ligne, et sept colonnes dont les titres sont :
1° n° : le numéro d'ordre de la ligne du tableau;
2° numéro : le numéro cadastral d'une parcelle ou d'une partie de parcelle composant le périmètre concerné ainsi que sa commune, sa division et sa section cadastrale tel qu'il est repris au moment de l'adoption définitive ou de la révision définitive du plan de secteur;
3° destination anterieure : sa destination au plan de secteur avant la modification dont découle la taxe;
4° destination future : sa destination au plan de secteur après la modification dont découle la taxe;
5° contenance totale : la contenance de la parcelle ou de la partie de parcelle concernée, décomposée en deux sous-colonnes correspondant respectivement aux nombres d'hectares (ha) et d'ares (a);
6° nature de la modification : le point de l'article D.VI.49 applicable en relation avec les mètres carrés concernés;
7° exclusion : les cas où l'article D.VI.50, alinéa 1er, 2°, 3°, 4° ou 6°, est d'application.
Le registre est présenté sous la forme suivante :
1° n° : le numéro d'ordre de la ligne du tableau;
2° numéro : le numéro cadastral d'une parcelle ou d'une partie de parcelle composant le périmètre concerné ainsi que sa commune, sa division et sa section cadastrale tel qu'il est repris au moment de l'adoption définitive ou de la révision définitive du plan de secteur;
3° destination anterieure : sa destination au plan de secteur avant la modification dont découle la taxe;
4° destination future : sa destination au plan de secteur après la modification dont découle la taxe;
5° contenance totale : la contenance de la parcelle ou de la partie de parcelle concernée, décomposée en deux sous-colonnes correspondant respectivement aux nombres d'hectares (ha) et d'ares (a);
6° nature de la modification : le point de l'article D.VI.49 applicable en relation avec les mètres carrés concernés;
7° exclusion : les cas où l'article D.VI.50, alinéa 1er, 2°, 3°, 4° ou 6°, est d'application.
Le registre est présenté sous la forme suivante :
-
| N° | NUMERO | DESTINATION ANTERIEURE | DESTINATION FUTURE | CONTENANCE TOTALE | NATURE DE LA MODIFICATION | EXCLUSION | |
| ha | a | ||||||
| Total | |||||||
Total
Le registre est accompagné d'une carte permettant d'identifier les parcelles cadastrales sur le périmètre du plan de secteur élaboré ou révisé.
Le registre et la carte sont accessibles sur le site Internet du Département de l'aménagement du territoire et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1.
Wijzigingen
Art. R. VI.51-3.De periode waarin het gewestplan door de Raad van State geschorst wordt loopt vanaf de dag van ontvangst van het opschortingsbesluit tot de dag van ontvangst van het eindarrest door de Regering.
De periode waarin de vergunning bedoeld in artikel D.VI.48, 2°, het voorwerp uitmaakt van een beroep bij de Raad van State loopt vanaf de dag van indiening van verzoek tot de dag van ontvangst van het eindarrest door de Regering, of door de overheid die de vergunning verleend heeft als het Gewest geen hoedanigheid van partij in de zaak heeft.
Als het Gewest geen hoedanigheid van partij in de zaak heeft, verwittigt de overheid die de vergunning verleend heeft het personeelslid van [1 de administratie]1 belast met het opstellen van de kohieren bedoeld in artikel R.VI.57-1 van de datum van afgifte van het verzoek en van de datum van ontvangst van het eindarrest.
De periode waarin de vergunning bedoeld in artikel D.VI.48, 2°, het voorwerp uitmaakt van een beroep bij de Raad van State loopt vanaf de dag van indiening van verzoek tot de dag van ontvangst van het eindarrest door de Regering, of door de overheid die de vergunning verleend heeft als het Gewest geen hoedanigheid van partij in de zaak heeft.
Als het Gewest geen hoedanigheid van partij in de zaak heeft, verwittigt de overheid die de vergunning verleend heeft het personeelslid van [1 de administratie]1 belast met het opstellen van de kohieren bedoeld in artikel R.VI.57-1 van de datum van afgifte van het verzoek en van de datum van ontvangst van het eindarrest.
Art. R. VI.56-2.L'agent de niveau A désigné par le directeur général de [1 l'administration]1 ou l'agent délégué par lui est chargé d'établir le registre des bénéfices fonciers.
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - De retributieplichtige
Sous-section 5-. Etablissement, perception, recouvrement, délais de paiement et recours
Onderafdeling 3-. - Berekening van de retributie
Art. R.VI.57-1.[1 Les rôles sont formés par l'agent de niveau A désigné par le directeur général de [2 l'administration]2 ou l'agent délégué par lui.
Onderafdeling 4-. - Register van de grondwinsten
Art. R.VI.57-2.En cas de suspension de la taxe après formation des rôles, l'agent de [1 l'administration]1 chargé de former les rôles avertit le receveur désigné à l'article R.VI.57-3 du début et de la fin du délai de suspension, et de l'issue de la procédure.
Art. R. VI.56-1.Het register van de grondwinsten wordt voorgesteld onder de vorm van een tabel met evenveel lijnen als percelen of delen van kadastrale percelen opgenomen in de omtrek van opmaak of van herziening van het gewestplan, met één enkele bestemming per lijn, en zeven kolommen met de volgende titels :
1° nr. : het volgnummer van de lijn van de tabel;
2° nummer : het kadastraal nummer van een perceel of perceelsgedeelte dat de betrokken omtrek vormt alsook zijn gemeente, en zijn bij het kadaster gekende afdeling en sectie zoals opgenomen op het ogenblik van de definitieve aanneming of de definitieve herziening van het gewestplan;
3° vorige bestemming : zijn bestemming op het gewestplan voor de wijziging waaruit de retributie voortvloeit;
4° toekomstige bestemming : zijn bestemming op het gewestplan na de wijziging waaruit de retributie voortvloeit;
5° totale oppervlakte : de oppervlakte van het betrokken perceel of perceelgedeelte, in twee sub-kolommen gescheiden die respectievelijk overeenstemmen met het aantal hectaren (ha) en aren (a);
6° aard van de wijziging : het punt van artikel D.VI.49 dat van toepassing is met de betrokken vierkante meter;
7° uitsluiting : de gevallen waarin artikel D.VI.50, leden 1, 2, 3, 4 of 6, van toepassing is.
Het register wordt voorgesteld onder de volgende vorm :
1° nr. : het volgnummer van de lijn van de tabel;
2° nummer : het kadastraal nummer van een perceel of perceelsgedeelte dat de betrokken omtrek vormt alsook zijn gemeente, en zijn bij het kadaster gekende afdeling en sectie zoals opgenomen op het ogenblik van de definitieve aanneming of de definitieve herziening van het gewestplan;
3° vorige bestemming : zijn bestemming op het gewestplan voor de wijziging waaruit de retributie voortvloeit;
4° toekomstige bestemming : zijn bestemming op het gewestplan na de wijziging waaruit de retributie voortvloeit;
5° totale oppervlakte : de oppervlakte van het betrokken perceel of perceelgedeelte, in twee sub-kolommen gescheiden die respectievelijk overeenstemmen met het aantal hectaren (ha) en aren (a);
6° aard van de wijziging : het punt van artikel D.VI.49 dat van toepassing is met de betrokken vierkante meter;
7° uitsluiting : de gevallen waarin artikel D.VI.50, leden 1, 2, 3, 4 of 6, van toepassing is.
Het register wordt voorgesteld onder de volgende vorm :
Art. R. VI.57-3. Le receveur chargé de la perception et du recouvrement de la taxe est l'agent de niveau A de la Direction générale opérationnelle Fiscalité du Service public de Wallonie qui est désigné par l'inspecteur général du Département du Recouvrement de la Direction générale opérationnelle Fiscalité du Service public de Wallonie ou l'agent qui exerce cette fonction.
| NR. | NUM- MER | VORIGE BESTEMMING | TOEKOMSTIGE BESTEMMING | TOTALE OPPERVLAKTE | AARD VAN DE WIJZIGING | UITLUITING | |
| ha | a | ||||||
| Totaal | |||||||
MER VORIGE BESTEMMING TOEKOMSTIGE BESTEMMING TOTALE OPPERVLAKTE AARD VAN DE WIJZIGING UITLUITINGha a
Totaal
Het register gaat vergezeld van een kaart dat de mogelijkheid biedt om de kadastrale percelen op de omtrek van het opgemaakte of herziene gewestplan te identificeren.
Het register en de kaart liggen ter inzage op de website van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1.
-
Art. R.. Het personeelslid van niveau A aangewezen door de directeur-generaal van [1 de administratie]1 of het door hem gemachtigd personeelslid is belast met het opstellen van het register van de grondwinsten.
Art. R. VI.57-4.L'information visée à l'article D.VI.57, alinéa 3, est envoyée à l'agent chargé de former les rôles [1 de [2 l'administration]2]1 et comprend une attestation indiquant le ou les nom(s) et adresse(s) du redevable visé à l'article D.VI.48, alinéa 1er, 2°.
Onderafdeling 5. - Vestiging, inning, vordering, betaaltermijnen en beroepen
Art. R.VI.57-5.L'information visée à l'article D.VI.57, alinéa 4, est envoyée à l'agent chargé de former les rôles [1 de [2 l'administration]2]1 et comprend une copie de la décision, le formulaire de la demande de permis et les plans.
Art. R. VI.57-1.[1 De kohieren worden gevormd door het personeelslid van niveau A aangewezen door de directeur-generaal van [2 de administratie]2 of het door hem gemachtigd personeelslid.
Wanneer een belastingvermindering wordt gevraagd, worden de kohieren gezamenlijk gevormd door het personeelslid van niveau A aangewezen door de directeur-generaal van DGO4 of het door hem gemachtigd personeelslid en door het personeelslid van niveau A verantwoordelijk voor het Departement Vestiging en Controle Belastingen van het Operationeel Directoraat-generaal Fiscaliteit van de Waalse Overheidsdienst of het personeelslid dat deze functie uitoefent, of het door hem gemachtigd personeelslid.
De kohieren worden uitvoerbaar verklaard door het personeelslid van niveau A verantwoordelijk voor het Departement Vestiging en Controle Belastingen van het Operationeel Directoraat-generaal Fiscaliteit van de Waalse Overheidsdienst of het personeelslid dat deze functie uitoefent, of het door hem gemachtigd personeelslid.]1
Wanneer een belastingvermindering wordt gevraagd, worden de kohieren gezamenlijk gevormd door het personeelslid van niveau A aangewezen door de directeur-generaal van DGO4 of het door hem gemachtigd personeelslid en door het personeelslid van niveau A verantwoordelijk voor het Departement Vestiging en Controle Belastingen van het Operationeel Directoraat-generaal Fiscaliteit van de Waalse Overheidsdienst of het personeelslid dat deze functie uitoefent, of het door hem gemachtigd personeelslid.
De kohieren worden uitvoerbaar verklaard door het personeelslid van niveau A verantwoordelijk voor het Departement Vestiging en Controle Belastingen van het Operationeel Directoraat-generaal Fiscaliteit van de Waalse Overheidsdienst of het personeelslid dat deze functie uitoefent, of het door hem gemachtigd personeelslid.]1
Art. R. VI.59-1.L`agent chargé de statuer sur les recours est le directeur général de [2 l'administration]2. Dès réception du recours, [2 l'administration]2 en informe le receveur désigné à l'article R.VI.57-3.
Si le recours porte sur le non-respect du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes, le directeur général de la DGO7 ou l'agent délégué par lui transmet au fonctionnaire chargé d'instruire le recours, dans les trente jours de la réception de sa demande, tous les renseignements dont il a besoin et dont [1 l'administration de la fiscalité]1 dispose.
Le directeur général de [2 l'administration]2 ou l'agent délégué par lui transmet une copie de chaque décision administrative rendue au receveur désigné à l'article R.VI.57-3.
Si le recours porte sur le non-respect du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes, le directeur général de la DGO7 ou l'agent délégué par lui transmet au fonctionnaire chargé d'instruire le recours, dans les trente jours de la réception de sa demande, tous les renseignements dont il a besoin et dont [1 l'administration de la fiscalité]1 dispose.
Le directeur général de [2 l'administration]2 ou l'agent délégué par lui transmet une copie de chaque décision administrative rendue au receveur désigné à l'article R.VI.57-3.
Art. R.VI.57-2.In het geval van opschorting van de retributie na de vorming van de kohieren, verwittigt het personeelslid van [1 de administratie]1 belast met het opstellen van de kohieren de ontvanger aangewezen in artikel R.VI.57-3 van het begin en het einde van de opschortingstermijn, en van de afloop van de procedure.
Sous-section 6. - Evaluation
Art. R.VI.57-3. De ontvanger die belast is met de inning en de invordering van de retributie is het personeelslid van niveau A van het Operationeel Directoraat-generaal Fiscaliteit van de Waalse Overheidsdienst die aangewezen is door de inspecteur-generaal van het Departement Invordering van het Operationeel Directoraat-generaal Fiscaliteit van de Waalse Overheidsdienst of het personeelslid dat deze functie uitoefent.
Sous-section 7. - Droit transitoire
Art. R. VI.57-4.De informatie bedoeld in artikel D.VI.57, derde lid, wordt verstuurd naar het personeelslid [1 van [2 de administratie]2]1 belast met het opstellen van de kohieren en bevat een attest met aanduiding van de naam (namen) en adres (adressen) van de retributieplichtige bedoeld in artikel D.VI.48, eerste lid, 2°.
Art. R. VI.62.1-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Conformément à l'article D.VI.62.1, les articles R.VI.50-1 à R.VI.59-1 ne sont pas applicables à partir du 1er janvier 2020.]1
[1 Conformément à l'article D.VI.62.1, les articles R.VI.50-1 à R.VI.59-1 ne sont pas applicables à partir du 1er janvier 2020.]1
Art. R.VI.57-5.De informatie bedoeld in artikel D.VI.57, vierde lid, wordt verstuurd naar het personeelslid [1 van [2 de administratie]2]1 belast met het opstellen van de kohieren en bevat een afschrift van de beslissing, het formulier van vergunningsaanvraag en de plannen.
Section 2. - Taxes communales
Art. R.VI.59-1.Het personeelslid dat moet beslissen over de beroepen is de directeur-generaal van [2 de administratie]2. Zodra het beroep wordt ontvangen, verwittigt [2 de administratie]2 de ontvanger aangewezen in artikel R.VI.57-3.
Livre 7. - infractions et sanctions
Onderafdeling 6. - Evaluatie
CHAPITRE Ier. - Actes infractionnels
Onderafdeling 7. - Overgangsrecht
CHAPITRE Ierbis. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Actes et travaux présumés conformes au droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme]1
Art. R.VI.62.1-1_DUITSTALIGE.
CHAPITRE Ierter. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Déclarations de conformité d'actes ou de travaux avec le droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme]1
Afdeling 2. - Gemeentelijke retributies
CHAPITRE Ierter-1. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - La demande de déclaration de conformité avec le droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme est introduite en utilisant le formulaire repris en annexe 30, qui en fixe le contenu.]1
Boek 7. - overtredingen en straffen
CHAPITRE Ierter-2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - La déclaration de conformité avec le droit de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme est faite, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 31.]1
HOOFDSTUK I. - Strafbare handelingen
CHAPITRE II. - Contrevenants
HOOFDSTUK Ibis. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Handelingen en werken die vermoedelijk in overeenstemming zijn met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw]1
CHAPITRE III. - Constat des infractions
HOOFDSTUK Iter. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Verklaringen betreffende de overeenstemming van handelingen en werken met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw]1
Section 1re. - Agents constatateurs
Art. R. VII.1ter-1. [1 - De aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring betreffende de overeenstemming van handelingen of werken met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw wordt ingediend door gebruik te maken van het formulier opgenomen in bijlage 30, dat de inhoud ervan vastlegt.]1
Art. R. VII.3-1.La liste des fonctionnaires et agents de la Région qui ont la qualité d'agent [2 constatateur]2 au sens de l'article D.VII.3, alinéa 1er, 3°, est la suivante :
1° les fonctionnaires délégués et les directeurs du Département de l'Aménagement du Territoire et de l'Urbanisme de [5 l'administration]5 ainsi que les fonctionnaires et agents en charge des infractions au sein de [5 l'administration]5;
2° [3 ...]3 Les fonctionnaires des Directions extérieures de [5 l'administration]5, ayant au moins le grade d'attaché et ayant en charge le patrimoine;
3° les directeurs, les chefs de cantonnement et les préposés forestiers du Département de la Nature et des Forêt de [4 l'administration de l'Environnement]4.
[1 [3 ...]3]1
Les agents constatateurs visés à l'alinéa 1er, 3°, sont compétents, sur l'étendue du territoire relevant respectivement de leur direction, de leur cantonnement et de leur triage, pour rechercher et constater :
1° les infractions visées à l'article D.VII.1, § 1er, 1°, 2° ou 3°, lorsqu'elles concernent des actes et travaux visés à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 9° à 14° ;
2° les infractions visées à l'article D.VII.1, D.VII.7, alinéa 3, et [2 D.VII.11, alinéa 2]2, commises dans les zones agricoles, les zones forestières, les zones d'espaces verts, les zones naturelles ainsi que dans les sites bénéficiant d'un régime de protection des milieux naturels visés par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature.
1° les fonctionnaires délégués et les directeurs du Département de l'Aménagement du Territoire et de l'Urbanisme de [5 l'administration]5 ainsi que les fonctionnaires et agents en charge des infractions au sein de [5 l'administration]5;
2° [3 ...]3 Les fonctionnaires des Directions extérieures de [5 l'administration]5, ayant au moins le grade d'attaché et ayant en charge le patrimoine;
3° les directeurs, les chefs de cantonnement et les préposés forestiers du Département de la Nature et des Forêt de [4 l'administration de l'Environnement]4.
[1 [3 ...]3]1
Les agents constatateurs visés à l'alinéa 1er, 3°, sont compétents, sur l'étendue du territoire relevant respectivement de leur direction, de leur cantonnement et de leur triage, pour rechercher et constater :
1° les infractions visées à l'article D.VII.1, § 1er, 1°, 2° ou 3°, lorsqu'elles concernent des actes et travaux visés à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 9° à 14° ;
2° les infractions visées à l'article D.VII.1, D.VII.7, alinéa 3, et [2 D.VII.11, alinéa 2]2, commises dans les zones agricoles, les zones forestières, les zones d'espaces verts, les zones naturelles ainsi que dans les sites bénéficiant d'un régime de protection des milieux naturels visés par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature.
Wijzigingen
Art. R _VII.1ter-2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - De verklaring betreffende de overeenstemming met het recht inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw wordt, op straffe van nietigheid, afgegeven door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 31.]1
Art. R. VII.3-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
La liste des fonctionnaires et agents [3 ...]3 qui ont la qualité d'agent [2 constatateur]2 au sens de l'article D.VII.3, alinéa 1er, 3°, est la suivante :
1° [3 les agents du Ministère de la Communauté germanophone désignés par le Gouvernement;]3
2° [3 ...]3
3° [3 conformément à l'article 71 de l'accord de coopération,]3 les directeurs, les chefs de cantonnement et les préposés forestiers du Département de la Nature et des Forêt de la DGO3.
[1 [3 ...]3.]1
Les agents constatateurs visés à l'alinéa 1er, 3°, sont compétents, sur l'étendue du territoire relevant respectivement de leur direction, de leur cantonnement et de leur triage, pour rechercher et constater :
1° les infractions visées à l'article D.VII.1, § 1er, 1°, 2° ou 3°, lorsqu'elles concernent des actes et travaux visés à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 9° à 14° ;
2° les infractions visées à l'article D.VII.1, D.VII.7, alinéa 3, et [2 D.VII.11, alinéa 2]2, commises dans les zones agricoles, les zones forestières, les zones d'espaces verts, les zones naturelles ainsi que dans les sites bénéficiant d'un régime de protection des milieux naturels visés par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature.
La liste des fonctionnaires et agents [3 ...]3 qui ont la qualité d'agent [2 constatateur]2 au sens de l'article D.VII.3, alinéa 1er, 3°, est la suivante :
1° [3 les agents du Ministère de la Communauté germanophone désignés par le Gouvernement;]3
2° [3 ...]3
3° [3 conformément à l'article 71 de l'accord de coopération,]3 les directeurs, les chefs de cantonnement et les préposés forestiers du Département de la Nature et des Forêt de la DGO3.
[1 [3 ...]3.]1
Les agents constatateurs visés à l'alinéa 1er, 3°, sont compétents, sur l'étendue du territoire relevant respectivement de leur direction, de leur cantonnement et de leur triage, pour rechercher et constater :
1° les infractions visées à l'article D.VII.1, § 1er, 1°, 2° ou 3°, lorsqu'elles concernent des actes et travaux visés à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 9° à 14° ;
2° les infractions visées à l'article D.VII.1, D.VII.7, alinéa 3, et [2 D.VII.11, alinéa 2]2, commises dans les zones agricoles, les zones forestières, les zones d'espaces verts, les zones naturelles ainsi que dans les sites bénéficiant d'un régime de protection des milieux naturels visés par la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature.
HOOFDSTUK II. - Overtreders
Art. R.VII.3-2.Le document attestant la qualité d'agent constatateur visé à l'article R.VII.3-1, alinéa 1er, 1° et 2°, est délivré par le directeur général de [2 l'administration]2 ou, à défaut, par l'inspecteur général du Département de l'Aménagement et de l'Urbanisme de [2 l'administration]2.
HOOFDSTUK III. - Vaststelling van de overtredingen
Art. R.VII.3-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Afdeling 1. - Vaststellende beambten
Section 2. - Avertissement préalable et mise en conformité
Art. R. VII.3-1.De lijst van de ambtenaren en personeelsleden van het Gewest die de hoedanigheid hebben van vaststellende beambte in de zin van artikel D.VII.3, eerste lid, 3°, is de volgende :
1° de gemachtigde ambtenaren en de directeurs van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [5 de administratie]5 alsook de ambtenaren en personeelsleden belast met de overtredingen binnen [5 de administratie]5.
2° [3 ...]3 De ambtenaren van de Buitendirecties van DGO4 die minstens de graad van attaché hebben en met het erfgoed belast zijn;
3° de directeurs, houtvesters en bosbeambten van het Departement Natuur en Bossen van [4 de milieuadministratie]4.
[1 [3 ...]3]1
De vaststellende beambten bedoeld in het eerste lid, 2°, zijn bevoegd op het gezamenlijke grondgebied van hun directie, vesterij en bosgedeelte om het volgende op te zoeken en vast te stellen :
1° de overtredingen bedoeld in artikel D.VII.1, § 1, 1°, 2° of 3°, wanneer ze betrekking hebben op handelingen en werken die bedoeld zijn in artikel D.IV.4, eerste lid, 9° tot 14° ;
2° de overtredingen bedoeld in artikel D.VII.1, D.VII.7, derde lid, en [2 D.VII.11, tweede lid]2 , gepleegd in de landbouwgebieden, de bosgebieden, de groengebieden, de natuurgebieden en de landschappen die in aanmerking komen voor het stelsel van de bescherming van de natuurlijke milieus bedoeld in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.
1° de gemachtigde ambtenaren en de directeurs van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [5 de administratie]5 alsook de ambtenaren en personeelsleden belast met de overtredingen binnen [5 de administratie]5.
2° [3 ...]3 De ambtenaren van de Buitendirecties van DGO4 die minstens de graad van attaché hebben en met het erfgoed belast zijn;
3° de directeurs, houtvesters en bosbeambten van het Departement Natuur en Bossen van [4 de milieuadministratie]4.
[1 [3 ...]3]1
De vaststellende beambten bedoeld in het eerste lid, 2°, zijn bevoegd op het gezamenlijke grondgebied van hun directie, vesterij en bosgedeelte om het volgende op te zoeken en vast te stellen :
1° de overtredingen bedoeld in artikel D.VII.1, § 1, 1°, 2° of 3°, wanneer ze betrekking hebben op handelingen en werken die bedoeld zijn in artikel D.IV.4, eerste lid, 9° tot 14° ;
2° de overtredingen bedoeld in artikel D.VII.1, D.VII.7, derde lid, en [2 D.VII.11, tweede lid]2 , gepleegd in de landbouwgebieden, de bosgebieden, de groengebieden, de natuurgebieden en de landschappen die in aanmerking komen voor het stelsel van de bescherming van de natuurlijke milieus bedoeld in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.
Wijzigingen
Art. R. VII.4-1. [1 - L'avertissement préalable établi par les agents constatateurs au sens de l'article D.VII.4 est émis, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 32.]1
Wijzigingen
Art. R.VII.3-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 3. - Procès-verbal
Art. R. VII.3-2.Het bewijs van hoedanigheid van vaststellende beambte bedoeld in artikel R.VII.3-1, eerste lid, 1° en 2°, wordt verstrekt door de directeur-generaal van DGO4 of, bij gebrek, door de inspecteur-generaal van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [2 de administratie]2.
Het bewijs van hoedanigheid van vaststellende beambte bedoeld in artikel R.VII.3-1, eerste lid, 1° en 2°, wordt verstrekt door de directeur-generaal van [1 de milieuadministratie]1 of, bij gebrek, door de inspecteur-generaal van het Departement Natuur en Bossen van [1 de milieuadministratie]1.
Het bewijs van hoedanigheid van vaststellende beambte bedoeld in artikel R.VII.3-1, eerste lid, 1° en 2°, wordt verstrekt door de directeur-generaal van [1 de milieuadministratie]1 of, bij gebrek, door de inspecteur-generaal van het Departement Natuur en Bossen van [1 de milieuadministratie]1.
Art. R. VII.5-1. Le modèle de procès-verbal dressé par les agents constatateurs au sens de l'article D.VII.3 figure en annexe 23.
Art. R. VII.3-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Het bewijs van hoedanigheid van vaststellende beambte bedoeld in artikel R.VII.3-1, eerste lid, 1° en 2°, wordt verstrekt [1 door de Minister]1.
Het bewijs van hoedanigheid van vaststellende beambte bedoeld in artikel R.VII.3-1, eerste lid, 1° en 2°, wordt verstrekt door de directeur-generaal van DGO3 of, bij gebrek, [1 overeenkomstig artikel 71 van het Samenwerkingsakkoord door de Minister]1.
Het bewijs van hoedanigheid van vaststellende beambte bedoeld in artikel R.VII.3-1, eerste lid, 1° en 2°, wordt verstrekt [1 door de Minister]1.
Het bewijs van hoedanigheid van vaststellende beambte bedoeld in artikel R.VII.3-1, eerste lid, 1° en 2°, wordt verstrekt door de directeur-generaal van DGO3 of, bij gebrek, [1 overeenkomstig artikel 71 van het Samenwerkingsakkoord door de Minister]1.
Art. R. VII.9-1. Le modèle de la confirmation écrite figure en annexe 24.
Afdeling 2. - Voorafgaande waarschuwing en het in overeenstemming brengen
Section 3. - Demande de levée de l'ordre
Art. R.VII.4-1. [1 - De door de vaststellende beambten opgestelde voorafgaande waarschuwing in de zin van artikel D.VII.4 wordt, op straffe van nietigheid, afgegeven door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 32.]1
Section 4. - Mesures complémentaires
Afdeling 3. - Proces-verbaal
CHAPITRE V. - Poursuite devant le tribunal correctionnel
Art. R.VII.5-1. Het model van proces-verbaal opgemaakt door de vaststellende beambten in de zin van artikel D.VII.3 wordt vermeld in bijlage 23 bij dit besluit.
CHAPITRE VI. - Transaction et mesures de restitution
Art. R.VII.9-1. Het model van de schriftelijke bevestiging wordt vermeld in bijlage 24 bij dit besluit.
CHAPITRE VI. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Mesures extrajudiciaires après verbalisation]1
Afdeling 3. - Verzoeken tot opheffen van het bevel
Section 1re. - Absence de poursuite
Afdeling 4. - Aanvullende maatregelen
Section 2. - Concertation
HOOFDSTUK V. - Vervolging voor de correctionele rechtbank
Section 3. [1 Régularisation et transaction]1
HOOFDSTUK VI. - Vergelijk en teruggavemaatregelen
Section 3. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Contrôle de régularisation et transaction]1
HOOFDSTUK VI. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Buitengerechtelijke maatregelen na het opstellen van een proces-verbaal]1
Art. R.VII.18-1. [1 - La décision du Gouvernement relative à la demande de contrôle de régularisation est prise, sous peine de nullité, en utilisant le modèle repris en annexe 12.]1
Afdeling 1. - Afwezigheid van vervolgingen
Art. R.VII.18-2.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Le montant de la transaction visé à l'article D.VII.18 est calculé comme suit :
Afdeling 2. - Overleg
Art. R.VII.18-3.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Le montant de la transaction visé à l'article R.VII.18-2 est doublé lorsque les actes et travaux concernent des biens immeubles qui, en application du décret sur le patrimoine, sont provisoirement ou définitivement classés, se situent dans la zone de protection d'un tel bien ou sur un site archéologique.]1
Afdeling 3. [1 Regularisatie en vergelijk]1
Sous-section 1re.
Afdeling 3. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Regularisatieonderzoek en vergelijk]1
Sous-section 1re. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. VII.18-1. [1 - De beslissing van de Regering over de aanvraag voor een regularisatieonderzoek wordt, op straffe van nietigheid, genomen door gebruik te maken van het model opgenomen in bijlage 12.]1
Art. R. VII.19-1.Le montant de l'amende transactionnelle visée à l'article D.VII.19, est calculé comme suit :
1° construction, reconstruction ou extension de bâtiments destinés au logement, de bâtiments à usage agricole, de dépendances, de volumes annexes ou isolés tels que sous-sol, garages, vérandas, serres, abris de jardin, abris pour animaux:
a) [1 22,50]1 euros par m3 pour les infractions allant de 1 à 100 m3;
b) [1 37,50]1 euros par mü pour le volume infractionnel au-delà de 100 m3, mesuré à l'extérieur;
2° construction, reconstruction ou extension de bâtiments à usage industriel, commercial, professionnel ou de bureau :
a) [1 37,50]1 euros par m3 pour les infractions allant de 1 à 100 m3;
b) [1 75]1 euros par mü pour le volume infractionnel au-delà de 100 m3, mesuré à l'extérieur;
3° construction, reconstruction ou extension de volumes annexes ouverts tels que les car-port : [1 15]1 euros par m3
4° implantation d'un bâtiment non conforme au permis délivré : [1 37,50]1 euros par m d'emprise au sol;
5° placement d'installations fixes : 100 euros par m d'emprise au sol ou [1 150]1 euros par mètre courant calculé en hauteur, le montant le plus élevé étant appliqué;
6° placement d'enseignes et de dispositifs de publicité : [1 150]1 euros par m;
7° démolition : [1 37,50]1 euros par m d'emprise au sol;
8° transformation d'un bâtiment construit ou à construire portant atteinte à ses structures portantes: [1 375]1 euros;
9° transformation d'un bâtiment construit ou à construire impliquant une modification de sa volumétrie : [1 22,50]1 euros par mü mesuré à l'extérieur;
10° modification de l'aspect de matériaux de toiture ou de parement des élévations : [1 37,50]1 euros par m;
11° ouverture, modification ou obturation de baies en toiture ou en élévation : [1 150]1 euros par baie;
12° remplacement de portes ou de châssis : [1 375]1 euros par porte ou châssis;
13° création d'un nouveau logement dans une construction existante : [1 1500]1 euros par logement;
14° modification de la destination de tout ou partie d'un bien : [1 37,50]1 euros par mü de bâtiment mesuré à l'extérieur lorsque la modification de destination est réalisée dans une construction existante ou [1 150]1 euros par m2 de terrain lorsque la modification de destination est réalisée en dehors d'une construction existante;
15° [1 implantation d'un commerce au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8° : 100 euros par m2 de surface commerciale nette]1;
16° modification sensible du relief du sol, en ce compris la création de retenues d'eau ou le creusement d'excavations : [1 15]1 euros par mü;
17° boisement, déboisement, en ce compris la sylviculture et la culture de sapins de Noël : [1 7,50]1 euros par m de surface boisée, déboisée ou faisant l'objet d'une culture de sapins de Noël;
18° abattage d'arbres isolés à haute tige dans les zones d'espaces verts ou dans le périmètre d'un schéma d'orientation local : [1 150]1 euros par arbre abattu;
19° abattage de haies ou d'allées: [1 22,50]1 euros par mètre courant de haie abattue, [1 375]1 euros par arbre abattu dans l'allée;
20° abattage d'arbres, d'arbustes ou de haies remarquables : [1 1500]1 euros par arbre, [1 750]1 euros par arbuste, [1 37,50]1 euros par mètre courant de haie abattu;
21° modification de la silhouette d'arbres, d'arbustes ou de haies remarquables : [1 500]1 euros par arbre, [1 250]1 par arbuste, [1 10]1 euros par mètre courant de haie;
22° travaux portant atteinte au système racinaire d'arbres, d'arbustes ou de haies remarquables : [1 350]1 euros par arbre, [1 175]1 par arbuste, [1 7]1 euros par mètre courant de haie;
23° défrichage de la végétation visée à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 13° : [1 37,50]1 euros par m2 de surface défrichée;
24° modification de la végétation visée à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 13° : [1 22,50]1 euros par m2 de surface modifiée;
25° dépôt de véhicules usagés : [1 150]1 euros par véhicule;
26° dépôt de mitrailles, de matériaux, de déchets : [1 37,50]1 euros par mü;
27° placement d'installations mobiles, telles que roulottes, caravanes et tentes : [1 150]1 euros par installation;
28° construction de murs: [1 37,50]1 euros par mètre courant;
29° pose de clôtures : [1 22,50]1 euros par mètre courant;
30° pose de portiques ou portillons : [1 150]1 euros par portique ou portillon;
31° réalisation d'ouvrages d'art tels que ponts, tunnels, routes, canalisations : 10 % du coût estimé des travaux;
32° réalisation d'actes ou de travaux non visés aux points 1° à 31° : de [1 375]1 euros minimum à [1 3.750]1 euros maximum.
1° construction, reconstruction ou extension de bâtiments destinés au logement, de bâtiments à usage agricole, de dépendances, de volumes annexes ou isolés tels que sous-sol, garages, vérandas, serres, abris de jardin, abris pour animaux:
a) [1 22,50]1 euros par m3 pour les infractions allant de 1 à 100 m3;
b) [1 37,50]1 euros par mü pour le volume infractionnel au-delà de 100 m3, mesuré à l'extérieur;
2° construction, reconstruction ou extension de bâtiments à usage industriel, commercial, professionnel ou de bureau :
a) [1 37,50]1 euros par m3 pour les infractions allant de 1 à 100 m3;
b) [1 75]1 euros par mü pour le volume infractionnel au-delà de 100 m3, mesuré à l'extérieur;
3° construction, reconstruction ou extension de volumes annexes ouverts tels que les car-port : [1 15]1 euros par m3
4° implantation d'un bâtiment non conforme au permis délivré : [1 37,50]1 euros par m d'emprise au sol;
5° placement d'installations fixes : 100 euros par m d'emprise au sol ou [1 150]1 euros par mètre courant calculé en hauteur, le montant le plus élevé étant appliqué;
6° placement d'enseignes et de dispositifs de publicité : [1 150]1 euros par m;
7° démolition : [1 37,50]1 euros par m d'emprise au sol;
8° transformation d'un bâtiment construit ou à construire portant atteinte à ses structures portantes: [1 375]1 euros;
9° transformation d'un bâtiment construit ou à construire impliquant une modification de sa volumétrie : [1 22,50]1 euros par mü mesuré à l'extérieur;
10° modification de l'aspect de matériaux de toiture ou de parement des élévations : [1 37,50]1 euros par m;
11° ouverture, modification ou obturation de baies en toiture ou en élévation : [1 150]1 euros par baie;
12° remplacement de portes ou de châssis : [1 375]1 euros par porte ou châssis;
13° création d'un nouveau logement dans une construction existante : [1 1500]1 euros par logement;
14° modification de la destination de tout ou partie d'un bien : [1 37,50]1 euros par mü de bâtiment mesuré à l'extérieur lorsque la modification de destination est réalisée dans une construction existante ou [1 150]1 euros par m2 de terrain lorsque la modification de destination est réalisée en dehors d'une construction existante;
15° [1 implantation d'un commerce au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8° : 100 euros par m2 de surface commerciale nette]1;
16° modification sensible du relief du sol, en ce compris la création de retenues d'eau ou le creusement d'excavations : [1 15]1 euros par mü;
17° boisement, déboisement, en ce compris la sylviculture et la culture de sapins de Noël : [1 7,50]1 euros par m de surface boisée, déboisée ou faisant l'objet d'une culture de sapins de Noël;
18° abattage d'arbres isolés à haute tige dans les zones d'espaces verts ou dans le périmètre d'un schéma d'orientation local : [1 150]1 euros par arbre abattu;
19° abattage de haies ou d'allées: [1 22,50]1 euros par mètre courant de haie abattue, [1 375]1 euros par arbre abattu dans l'allée;
20° abattage d'arbres, d'arbustes ou de haies remarquables : [1 1500]1 euros par arbre, [1 750]1 euros par arbuste, [1 37,50]1 euros par mètre courant de haie abattu;
21° modification de la silhouette d'arbres, d'arbustes ou de haies remarquables : [1 500]1 euros par arbre, [1 250]1 par arbuste, [1 10]1 euros par mètre courant de haie;
22° travaux portant atteinte au système racinaire d'arbres, d'arbustes ou de haies remarquables : [1 350]1 euros par arbre, [1 175]1 par arbuste, [1 7]1 euros par mètre courant de haie;
23° défrichage de la végétation visée à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 13° : [1 37,50]1 euros par m2 de surface défrichée;
24° modification de la végétation visée à l'article D.IV.4, alinéa 1er, 13° : [1 22,50]1 euros par m2 de surface modifiée;
25° dépôt de véhicules usagés : [1 150]1 euros par véhicule;
26° dépôt de mitrailles, de matériaux, de déchets : [1 37,50]1 euros par mü;
27° placement d'installations mobiles, telles que roulottes, caravanes et tentes : [1 150]1 euros par installation;
28° construction de murs: [1 37,50]1 euros par mètre courant;
29° pose de clôtures : [1 22,50]1 euros par mètre courant;
30° pose de portiques ou portillons : [1 150]1 euros par portique ou portillon;
31° réalisation d'ouvrages d'art tels que ponts, tunnels, routes, canalisations : 10 % du coût estimé des travaux;
32° réalisation d'actes ou de travaux non visés aux points 1° à 31° : de [1 375]1 euros minimum à [1 3.750]1 euros maximum.
Wijzigingen
Art. R _VII.18-2.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Het bedrag van de transactiesom bedoeld in artikel D.VII.18 wordt berekend als volgt:
1° bouw, heropbouw of uitbreiding van bouwwerken, secundaire volumes, aanbouwvolumes, overdekte oppervlakten die niet gebruikt worden voor industriële doeleinden, handelsdoeleinden of beroepsdoeleinden:
a) als het buiten gemeten strafbare volume minder dan 100 m3 bedraagt: 25 euro/m3;
b) als het buiten gemeten strafbare volume meer dan 100 m3, maar minder dan 200 m3 bedraagt: 35 euro/m3;
2° bouw, heropbouw of uitbreiding van bouwwerken, secundaire volumes, aanbouwvolumes, overdekte oppervlakten voor industriële doeleinden, handelsdoeleinden of beroepsdoeleinden:
a) als het buiten gemeten strafbare volume minder dan 100 m3 bedraagt: 35 euro/m3;
b) als het buiten gemeten strafbare volume meer dan 100 m3, maar minder dan 200 m3 bedraagt: 60 euro/m3;
c) als het buiten gemeten strafbare volume meer dan 200 m3 bedraagt: 80 euro/m3;
3° plaatsen van vaste installaties, muren en omheiningen: 50 euro/m2 grondinneming of door de installatie ingenomen plaats of 50 euro per in de hoogte of lengte berekende strekkende meter bij puntvormige of lineaire installaties, muren en omheiningen;
4° plaatsen van uithang- en reclameborden: 200 euro/m2;
5° sloop: 100 euro per buiten gemeten m3;
6° werken aan de dragende structuur van een gebouw zonder wijziging van het volume of de bestemming: 250 euro;
7° wijziging van het uitzicht van de dakmaterialen of bekleding van de opgaande muren: 25 euro/m2;
8° maken of wijzigen van openingen of deuren en ramen in het dakvlak of in opgaande muren: 100 euro per opening;
9° vervanging van buitendeuren of ramen: 250 euro per deur of raam;
10° herstellen van oppervlakten uit beton of teer: 100 euro per m2 strafbaar gestelde oppervlakte;
11° verharding van oppervlakten door ononderbroken en ondoordringbare materialen: 150 euro per m2 strafbaar gestelde oppervlakte;
12° creatie van een nieuwe woning of een toeristische logiesverstrekkende inrichting in een bestaand gebouw: 5.000 euro per woning of toeristische logiesverstrekkende inrichting;
13° gehele of gedeeltelijke wijziging van de bestemming van een goed: 25 euro/m3 van het buiten gemeten gebouw, als de wijziging van de bestemming buiten een bestaand gebouw plaatsvindt;
14° wijziging in een gebouw waarvan de bij stedenbouwkundige vergunning toegelaten bestemming commercieel is: wijziging van de verdeling van de verkoopoppervlakten en van de toegelaten handelsactiviteiten: 35 euro/m2;
15° merkbare wijziging van het reliëf van de bodem, met inbegrip van het aanleggen van dammen of het uitgraven van holtes: 10 euro/m3;
16° bebossing, ontbossing, met inbegrip van de bosbouw en de kerstbomenteelt: 5 euro per m2 beboste of ontboste oppervlakte of oppervlakte die het voorwerp uitmaakt van een kerstbomenteelt;
17° vellen van alleenstaande hoogstammige bomen in groengebieden die krachtens het geldend gewestplan of een geldend lokaal beleidsontwikkelingsplan zijn ingericht: 1.000 euro per gevelde boom;
18° vellen van hagen of alleeën: 100 euro per strekkende meter gevelde haag, 500 euro per in de allee gevelde boom;
19° vellen van waardevolle bomen, struiken of hagen: 1.000 euro per boom, 500 euro per struik, 100 euro per strekkende meter gevelde haag;
20° wijziging van het uitzicht van waardevolle bomen, struiken of hagen: 500 euro per boom, 250 euro per struik, 10 euro per strekkende meter gewijzigde haag;
21° werken die het wortelstelsel van waardevolle bomen, struiken of hagen beschadigen: 350 euro per boom, 175 euro per struik, 10 euro per strekkende meter gevelde haag;
22° rooien van de beplanting bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 13°: 125 euro per m2 gerooide oppervlakte;
23° wijzigen van de beplanting bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 13°: 15 euro per m2 gewijzigde oppervlakte;
24° opslag van afgedankte wagens: 250 euro per voertuig;
25° opslag van oud ijzer, materialen, afvalstoffen: 100 euro/m3;
26° plaatsen van mobiele installaties zoals woonwagens, caravans en tenten: 100 euro/m2 ingenomen plaats op de grond;
27° bouwen van kunstwerken zoals bruggen, tunnels, wegen, leidingen: 10
van de geraamde kostprijs van de werken;
28° uitvoering van handelingen of werken die niet in de punten 1° tot 27° bedoeld worden: minimum 250 euro.]1
1° bouw, heropbouw of uitbreiding van bouwwerken, secundaire volumes, aanbouwvolumes, overdekte oppervlakten die niet gebruikt worden voor industriële doeleinden, handelsdoeleinden of beroepsdoeleinden:
a) als het buiten gemeten strafbare volume minder dan 100 m3 bedraagt: 25 euro/m3;
b) als het buiten gemeten strafbare volume meer dan 100 m3, maar minder dan 200 m3 bedraagt: 35 euro/m3;
2° bouw, heropbouw of uitbreiding van bouwwerken, secundaire volumes, aanbouwvolumes, overdekte oppervlakten voor industriële doeleinden, handelsdoeleinden of beroepsdoeleinden:
a) als het buiten gemeten strafbare volume minder dan 100 m3 bedraagt: 35 euro/m3;
b) als het buiten gemeten strafbare volume meer dan 100 m3, maar minder dan 200 m3 bedraagt: 60 euro/m3;
c) als het buiten gemeten strafbare volume meer dan 200 m3 bedraagt: 80 euro/m3;
3° plaatsen van vaste installaties, muren en omheiningen: 50 euro/m2 grondinneming of door de installatie ingenomen plaats of 50 euro per in de hoogte of lengte berekende strekkende meter bij puntvormige of lineaire installaties, muren en omheiningen;
4° plaatsen van uithang- en reclameborden: 200 euro/m2;
5° sloop: 100 euro per buiten gemeten m3;
6° werken aan de dragende structuur van een gebouw zonder wijziging van het volume of de bestemming: 250 euro;
7° wijziging van het uitzicht van de dakmaterialen of bekleding van de opgaande muren: 25 euro/m2;
8° maken of wijzigen van openingen of deuren en ramen in het dakvlak of in opgaande muren: 100 euro per opening;
9° vervanging van buitendeuren of ramen: 250 euro per deur of raam;
10° herstellen van oppervlakten uit beton of teer: 100 euro per m2 strafbaar gestelde oppervlakte;
11° verharding van oppervlakten door ononderbroken en ondoordringbare materialen: 150 euro per m2 strafbaar gestelde oppervlakte;
12° creatie van een nieuwe woning of een toeristische logiesverstrekkende inrichting in een bestaand gebouw: 5.000 euro per woning of toeristische logiesverstrekkende inrichting;
13° gehele of gedeeltelijke wijziging van de bestemming van een goed: 25 euro/m3 van het buiten gemeten gebouw, als de wijziging van de bestemming buiten een bestaand gebouw plaatsvindt;
14° wijziging in een gebouw waarvan de bij stedenbouwkundige vergunning toegelaten bestemming commercieel is: wijziging van de verdeling van de verkoopoppervlakten en van de toegelaten handelsactiviteiten: 35 euro/m2;
15° merkbare wijziging van het reliëf van de bodem, met inbegrip van het aanleggen van dammen of het uitgraven van holtes: 10 euro/m3;
16° bebossing, ontbossing, met inbegrip van de bosbouw en de kerstbomenteelt: 5 euro per m2 beboste of ontboste oppervlakte of oppervlakte die het voorwerp uitmaakt van een kerstbomenteelt;
17° vellen van alleenstaande hoogstammige bomen in groengebieden die krachtens het geldend gewestplan of een geldend lokaal beleidsontwikkelingsplan zijn ingericht: 1.000 euro per gevelde boom;
18° vellen van hagen of alleeën: 100 euro per strekkende meter gevelde haag, 500 euro per in de allee gevelde boom;
19° vellen van waardevolle bomen, struiken of hagen: 1.000 euro per boom, 500 euro per struik, 100 euro per strekkende meter gevelde haag;
20° wijziging van het uitzicht van waardevolle bomen, struiken of hagen: 500 euro per boom, 250 euro per struik, 10 euro per strekkende meter gewijzigde haag;
21° werken die het wortelstelsel van waardevolle bomen, struiken of hagen beschadigen: 350 euro per boom, 175 euro per struik, 10 euro per strekkende meter gevelde haag;
22° rooien van de beplanting bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 13°: 125 euro per m2 gerooide oppervlakte;
23° wijzigen van de beplanting bedoeld in artikel D.IV.4, eerste lid, 13°: 15 euro per m2 gewijzigde oppervlakte;
24° opslag van afgedankte wagens: 250 euro per voertuig;
25° opslag van oud ijzer, materialen, afvalstoffen: 100 euro/m3;
26° plaatsen van mobiele installaties zoals woonwagens, caravans en tenten: 100 euro/m2 ingenomen plaats op de grond;
27° bouwen van kunstwerken zoals bruggen, tunnels, wegen, leidingen: 10
van de geraamde kostprijs van de werken;
28° uitvoering van handelingen of werken die niet in de punten 1° tot 27° bedoeld worden: minimum 250 euro.]1
Art. R. VII.19-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R _VII.18-3.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Het bedrag van de transactiesom vermeld in artikel R.VII.18-2 wordt verdubbeld als de handelingen en werken betrekking hebben op onroerende goederen die met toepassing van het erfgoeddecreet voorlopig of definitief gerangschikt zijn, in het beschermingsgebied van een voorlopig of definitief gerangschikt goed liggen of zich op een archeologische vindplaats bevinden.]1
Art. R. VII.19-2.
Onderafdeling 1.
Art. R.VII.19-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Onderafdeling 1. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Sous-section 2.
Art. R.VII.19-1.Het bedrag van de transactiesom bedoeld in artikel D.VII.19, wordt berekend als volgt :
Sous-section 2. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R_VII.19-1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 4. - Mesures de restitution
Art. R.VII.19-2.
Section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Mesures administratives]1
Art. R.VII.19-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 5_ COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Mesures compensatoires]1
Onderafdeling 2.
Section 6_ COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 - Amendes administratives]1
Onderafdeling 2. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE VII. - - Poursuite devant le tribunal civil
Afdeling 4. -Teruggavemaatregelen
CHAPITRE VIII. - Droit des tiers et dispositions diverses
Afdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Administratieve maatregelen]1
CHAPITRE IX. - Droit transitoire
Afdeling 5. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Compenserende maatregelen]1
Livre 8. - Participation du public et évaluation des incidences des plans et programmes
Afdeling 6. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - Administratieve geldboetes]1
Titre 1er. - Participation du public
HOOFDSTUK VII. - Vervolging voor de correctionele rechtbank
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
HOOFDSTUK VIII. - Recht van derden en diverse bepalingen
Section 1re. - Classification des plans, périmètres, schémas, guides, permis et certificats d'urbanisme n° 2
HOOFDSTUK IX. - Overgangsrecht
Section 2. - Principes généraux de la participation du public
Boek 8. - Inspraak en evaluatie van de gevolgen van de plannen en programma's
Art. R.VIII.4-1.Le directeur général de [1 l'administration]1 ou, à défaut, l'inspecteur général du Département de l'Aménagement et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1 désigne les communes sur le territoire desquelles une enquête publique est réalisée.
Titel 1. - Inspraak van het publiek
Art. R.VIII.4-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
CHAPITRE II. - Réunion d'information préalable
Afdeling 1. - Indeling van de plannen, omtrekken, ontwikkelingsplannen, leidraden, vergunningen en stedenbouwkundige attesten nr. 2
Section 1ere. [1 - Réunion d'information préalable à la révision du plan de secteur]1
Afdeling 2. - Algemene principes van de inspraak
Section 2. [1 Réunion d'information préalable à une procédure conjointe plan - permis.]1
Art. R. VIII.4-1.De directeur-generaal van [1 de administratie]1 of, bij gebrek, de inspecteur-generaal van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1 wijst de gemeenten aan op wier grondgebied het openbaar onderzoek wordt uitgevoerd.
Art. R. VIII.5/4-1. [1 Le directeur général de l'administration ou, à défaut, l'inspecteur général du Département de l'Aménagement et de l'Urbanisme de l'administration entend et, le cas échéant, récuse la personne visée à l'article D.VIII.5/4.]1
Art. R.VIII.4-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 3. [1 Réunion d'information préalable à une procédure conjointe périmètre - permis.]1
HOOFDSTUK II. - Voorafgaandelijke informatievergadering
Art. R.VIII.5/11-1. [1 Le directeur général de l'administration ou, à défaut, l'inspecteur général du Département de l'Aménagement et de l'Urbanisme de l'administration entend et, le cas échéant, récuse la personne visée à l'article D.VIII.5/4]1
Afdeling 1. [1 - Informatievergadering voorafgaand aan de herziening van het gewestplan]1
CHAPITRE III. - Annonce de projet
Afdeling 2. [1 Informatiebijeenkomst voorafgaand aan een gezamenlijke plan - vergunningsprocedure.]1
Art. R.VIII.6-1.[1 L'avis d'annonce de projet visé à l'article D.VIII.6 affiché sur le terrain est imprimé en lettres noires sur fond vert clair et est au format A2. L'avis d'annonce de projet visé à l'article D.VIII.6 affiché par le collège communal aux endroits habituels d'affichage est imprimé en lettres noires sur fond vert clair et est au format A4.
Art. R.VIII.5/4-1. [1 De directeur-generaal van de administratie of, bij gebrek, de inspecteur-generaal van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van de administratie wraakt de persoon bedoeld in artikel D.VIII.5.]1
CHAPITRE IV. - Enquête publique
Afdeling 3. [1 Informatiebijeenkomst voorafgaand aan een gezamenlijke omtrek - vergunningsprocedure.]1
Section 1re. - Mesures d'annonce générale de l'enquête publique
Art. R. VIII.5/11-1. [1 De directeur-generaal van de administratie of, bij gebrek, de inspecteur-generaal van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van de administratie wraakt de persoon bedoeld in artikel D.VIII.5.]1
Art. R. VIII.7-1.[1 L'avis d'enquête publique visé à l'article D.VIII.7 affiché sur le terrain est imprimé en lettres noires sur fond jaune et est au format A2. L'avis d'enquête publique visé à l'article D.VIII.7 affiché par le collège communal aux endroits habituels d'affichage est imprimé en lettres noires sur fond jaune et est au format A4.]1
Pour les permis ou certificats d'urbanisme n° 2, il comporte au minimum les indications reprises dans le modèle qui figure en annexe 26.
Pour l'adoption, la révision ou l'abrogation d'un plan de secteur, d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal, d'un schéma d'orientation local, d'un guide communal d'urbanisme, d'un périmètre de site à réaménager, d'un périmètre de réhabilitation paysagère et environnementale, d'un périmètre de remembrement urbain, d'un plan d'expropriation, d'un périmètre de préemption, il comporte au minimum les indications reprises dans le modèle qui figure en annexe 27.
Pour les permis ou certificats d'urbanisme n° 2, il comporte au minimum les indications reprises dans le modèle qui figure en annexe 26.
Pour l'adoption, la révision ou l'abrogation d'un plan de secteur, d'un schéma de développement pluricommunal, d'un schéma de développement communal, d'un schéma d'orientation local, d'un guide communal d'urbanisme, d'un périmètre de site à réaménager, d'un périmètre de réhabilitation paysagère et environnementale, d'un périmètre de remembrement urbain, d'un plan d'expropriation, d'un périmètre de préemption, il comporte au minimum les indications reprises dans le modèle qui figure en annexe 27.
Wijzigingen
HOOFDSTUK III. - Project aankondiging
Art. R_VIII.7-1.COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R. VIII.6-1.[1 Het advies van project aankondiging bedoeld in artikel D.VIII.6 aangeplakt op het terrein wordt afgedrukt in zwarte letters op lichtgroene achtergrond en is in A2-formaat. Het advies van project aankondiging bedoeld in artikel D.VIII.6 dat door het gemeentecollege op de gebruikelijke plaatsen van aanplakking wordt geplaatst, wordt afgedrukt in zwarte letters op een lichtgroene achtergrond en is in A4-formaat.
Hij omvat minstens de aanduidingen naar het model opgenomen in bijlage 25.]1
Hij omvat minstens de aanduidingen naar het model opgenomen in bijlage 25.]1
Art. R. VIII.7-2. Le Ministre désigne les services ou la personne auprès desquels toute personne peut obtenir des explications relatives au schéma de développement du territoire.
HOOFDSTUK IV. - Openbaar onderzoek
Art. R.VIII.8-1.Le directeur général de [1 l'administration]1 ou, à défaut, l'inspecteur général du Département de l'Aménagement et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1 procède aux annonces visées à l'article D.VIII.8.
Afdeling 1. - Maatregelen inzake de algemene aankondiging van het openbaar onderzoek
Art. R.VIII.8-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. R.VIII.7-1.[1 Het bericht van openbaar onderzoek bedoeld in artikel D.VIII.7 aangeplakt op het terrein wordt afgedrukt in zwarte letters op gele achtergrond en is in A2-formaat. Het bericht van openbaar onderzoek bedoeld in artikel D.VIII.7 dat door het gemeentecollege op de gebruikelijke plaatsen van aanplakking wordt geplaatst, wordt afgedrukt in zwarte letters op een gele achtergrond en is in A4-formaat.]1
Section 2. - Séance de présentation du schéma de développement du territoire
Art. R _VIII.7-1.DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Het bericht van openbaar onderzoek bedoeld in artikel D.VIII.7 aangeplakt op het terrein wordt afgedrukt in zwarte letters op gele achtergrond en is in A2-formaat. Het bericht van openbaar onderzoek bedoeld in artikel D.VIII.7 dat door het gemeentecollege op de gebruikelijke plaatsen van aanplakking wordt geplaatst, wordt afgedrukt in zwarte letters op een gele achtergrond en is in A4-formaat.]1
Voor de vergunningen of stedenbouwkundige attesten nr. 2, omvat hij minstens de aanduidingen naar het model opgenomen in bijlage 26.
Voor de aanneming, de herziening of de opheffing van een gewestplan, van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, van een gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan, van een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw, van een [2 saneringslocatie]2, van een omtrek van stedelijke herverkaveling, van een onteigeningsplan, van een omtrek van voorkoop, omvat hij minstens de aanduidingen naar het model opgenomen in bijlage 27.
[1 Het bericht van openbaar onderzoek bedoeld in artikel D.VIII.7 aangeplakt op het terrein wordt afgedrukt in zwarte letters op gele achtergrond en is in A2-formaat. Het bericht van openbaar onderzoek bedoeld in artikel D.VIII.7 dat door het gemeentecollege op de gebruikelijke plaatsen van aanplakking wordt geplaatst, wordt afgedrukt in zwarte letters op een gele achtergrond en is in A4-formaat.]1
Voor de vergunningen of stedenbouwkundige attesten nr. 2, omvat hij minstens de aanduidingen naar het model opgenomen in bijlage 26.
Voor de aanneming, de herziening of de opheffing van een gewestplan, van een meergemeentelijk ontwikkelingsplan, van een gemeentelijk ontwikkelingsplan, van een plaatselijk beleidsontwikkelingsplan, van een gemeentelijke handleiding voor stedenbouw, van een [2 saneringslocatie]2, van een omtrek van stedelijke herverkaveling, van een onteigeningsplan, van een omtrek van voorkoop, omvat hij minstens de aanduidingen naar het model opgenomen in bijlage 27.
Art. R. VIII.10-1.Le directeur général de [1 l'administration]1 ou, à défaut, l'inspecteur général du Département de l'Aménagement et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1 organise les séances de présentation du projet de schéma de développement du territoire.
Wijzigingen
Art. R. VIII.7-2. De Minister wijst de diensten of de persoon aan waarbij elke persoon uitleg kan krijgen met betrekking tot het ruimtelijk ontwikkelingsplan.
Art. R. VIII.10-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le département]1 organise les séances de présentation du projet de schéma de développement du territoire.
[1 Le département]1 organise les séances de présentation du projet de schéma de développement du territoire.
Wijzigingen
Art. R.VIII.8-1.De directeur-generaal van [1 de administratie]1 of, bij gebrek, de inspecteur-generaal van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1 gaat over tot de aankondigingen bedoeld in artikel D.VIII.8.
Section 3. - Mesures d'annonce individuelle de l'enquête publique
Art. R. VIII.8-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Het departement]1 gaat over tot de aankondigingen bedoeld in artikel D.VIII.8.
[1 Het departement]1 gaat over tot de aankondigingen bedoeld in artikel D.VIII.8.
Art. R. VIII.12-1.§ 1er. L'autorité chargée d'adopter le plan [1 , le schéma, le guide ou le périmètre]1 ou son délégué, envoie, en application de l'article D.VIII.12, le dossier avant le début de l'enquête publique ou dans les trente jours de la demande qui lui est faite.
Outre les éléments visés à l'article D.VIII.12, l'envoi mentionne le délai dans lequel l'avis de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo visés à l'article D.VIII.12 doit être envoyé à l'autorité visée à l'alinéa 1er ou à son délégué.
Pour le schéma de développement pluricommunal, les obligations visées aux alinéas 1 et 2 sont accomplies par le Comité d'accompagnement visé à l'article D.II.7, § 2.
En même temps qu'elle transmet le dossier, l'autorité visée à l'alinéa 1er ou son délégué en informe le Ministre et la ou les communes où une enquête publique est organisée.
§ 2. Les délais d'envoi de l'avis visé au paragraphe 1er, alinéa 2, sont, à dater de la clôture de l'enquête publique, de :
1° 45 jours pour le schéma de développement du territoire et le plan de secteur;
2° 30 jours pour le schéma de développement pluricommunal, le schéma de développement communal [1 , le schéma d'orientation local, le guide communal d'urbanisme, le périmètre de site à réaménager et le périmètre de remembrement urbain]1.
Si l'avis n'est pas envoyé dans les délais précités, il est passé outre.
§ 3. [1 Dès que le plan, le schéma, le guide ou le périmètre]1 a fait l'objet d'une décision définitive, expresse ou tacite, l'autorité visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou son délégué informe les autorités compétentes de la Région ou de l'Etat que la décision fait l'objet de l'affichage visé à l'article D.VIII.26 et que, [1 durant toute la durée de l'affichage, le plan, le schéma, le guide ou le périmètre]1 sont accessibles selon les modalités visées à l'article D.VIII.17. La même autorité ou son délégué envoie aux autorités compétentes de la Région ou de l'Etat une copie :
1° [1 du plan, du schéma, du guide ou du périmètre]1;
2° de la décision en vertu de laquelle il est adopté ou approuvé ou, à défaut, de la pulication au Moniteur belge visée à l'article D.VIII.23;
3° de la déclaration environnementale;
4° des mesures arrêtées concernant le suivi.
Outre les éléments visés à l'article D.VIII.12, l'envoi mentionne le délai dans lequel l'avis de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo visés à l'article D.VIII.12 doit être envoyé à l'autorité visée à l'alinéa 1er ou à son délégué.
Pour le schéma de développement pluricommunal, les obligations visées aux alinéas 1 et 2 sont accomplies par le Comité d'accompagnement visé à l'article D.II.7, § 2.
En même temps qu'elle transmet le dossier, l'autorité visée à l'alinéa 1er ou son délégué en informe le Ministre et la ou les communes où une enquête publique est organisée.
§ 2. Les délais d'envoi de l'avis visé au paragraphe 1er, alinéa 2, sont, à dater de la clôture de l'enquête publique, de :
1° 45 jours pour le schéma de développement du territoire et le plan de secteur;
2° 30 jours pour le schéma de développement pluricommunal, le schéma de développement communal [1 , le schéma d'orientation local, le guide communal d'urbanisme, le périmètre de site à réaménager et le périmètre de remembrement urbain]1.
Si l'avis n'est pas envoyé dans les délais précités, il est passé outre.
§ 3. [1 Dès que le plan, le schéma, le guide ou le périmètre]1 a fait l'objet d'une décision définitive, expresse ou tacite, l'autorité visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou son délégué informe les autorités compétentes de la Région ou de l'Etat que la décision fait l'objet de l'affichage visé à l'article D.VIII.26 et que, [1 durant toute la durée de l'affichage, le plan, le schéma, le guide ou le périmètre]1 sont accessibles selon les modalités visées à l'article D.VIII.17. La même autorité ou son délégué envoie aux autorités compétentes de la Région ou de l'Etat une copie :
1° [1 du plan, du schéma, du guide ou du périmètre]1;
2° de la décision en vertu de laquelle il est adopté ou approuvé ou, à défaut, de la pulication au Moniteur belge visée à l'article D.VIII.23;
3° de la déclaration environnementale;
4° des mesures arrêtées concernant le suivi.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Informatievergadering over het ruimtelijk ontwikkelingsplan
Art. R.VIII.12-2. Pour l'application de l'article R.VIII.12-1, le Ministre est délégué en ce qui concerne le schéma de développement du territoire et le plan de secteur.
Art. R.VIII.10-1.De directeur-generaal van [1 de administratie]1 of, bij gebrek, de inspecteur-generaal van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1 organiseert de informatievergaderingen over het project van ruimtelijk ontwikkelingsplan.
Section 4.-. Publicité supplémentaire
Art. R.VIII.10-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Section 5. - Durée de l'enquête publique
Afdeling 3. - Maatregelen inzake de individuele aankondiging van het openbaar onderzoek
Section 6. - Modalités de l'accès à l'information dans le cadre de l'enquête publique
Art. R. VIII.12-1.§ 1. De overheid die het plan [1 , het ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek]1 moet aannemen, of diens afgevaardigde, verstuurt, overeenkomstig artikel D.VIII.12, het dossier vóór het begin van het openbaar onderzoek of binnen de dertig dagen na het aan hem gericht verzoek.
Naast de elementen bedoeld in artikel D.VIII.12, vermeldt de zending de termijn waarin het advies van het Gewest, van de lidstaat van de Europese Unie of van de staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo bedoeld in artikel D.VIII.12 verstuurd moet worden naar de overheid bedoeld in het eerste lid, of diens afgevaardigde.
Voor het meergemeentelijke ontwikkelingsplan, worden de verplichtingen bedoeld in lid 1 en 2 vervuld door het Begeleidingscomité bedoeld in artikel D.II.7, § 2.
Als de overheid bedoeld in het eerste lid of haar afgevaardigde het dossier overmaakt, informeert zij of hij gelijktijdig de Minister en de gemeente(n) waar een openbaar onderzoek wordt georganiseerd.
§ 2. De termijnen voor de zending van het advies bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, bedragen, te rekenen van de afsluiting van het openbaar onderzoek,
1° 45 dagen voor het ruimtelijke ontwikkelingsplan en het gewestplan;
2° 30 dagen voor het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het gemeentelijk ontwikkelingsplan [1 , het plaatselijk beleidsontwikkelingsplan, de gemeentelijke stedenbouwkundige leidraad of de stedelijke ruilverkavelingsomtrek]1
Bij gebrek aan advies binnen de voorgeschreven termijn wordt aan de adviesvereiste voorbijgegaan.
§ 3. [1 Zodra het plan, het ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek]1 het voorwerp heeft uitgemaakt van een definitieve, expliciete of stilzwijgende beslissing, informeert de overheid bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, of haar afgevaardigde, de bevoegde overheden van het Gewest of de Staat over het feit dat de beslissing het voorwerp uitmaakt van de aanplakking bedoeld in artikel D.VIII.26 [1 en dat, tijdens de hele duur van de aanplakking, het plan, het ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek ter inzage liggen]1 volgens de modaliteiten bedoeld in artikel D.VIII.17. Dezelfde overheid of haar afgevaardigde stuurt naar de bevoegde overheden van het Gewest of de Staat een afschrift :
1° [1 van het plan, het ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek]1;
2° van de beslissing krachtens welke hij aangenomen of goedgekeurd is of, bij gebrek, van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bedoeld in artikel D.VIII.23;
3° van de milieuverklaring;
4° van de vastgestelde opvolgingsmaatregelen.
Naast de elementen bedoeld in artikel D.VIII.12, vermeldt de zending de termijn waarin het advies van het Gewest, van de lidstaat van de Europese Unie of van de staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo bedoeld in artikel D.VIII.12 verstuurd moet worden naar de overheid bedoeld in het eerste lid, of diens afgevaardigde.
Voor het meergemeentelijke ontwikkelingsplan, worden de verplichtingen bedoeld in lid 1 en 2 vervuld door het Begeleidingscomité bedoeld in artikel D.II.7, § 2.
Als de overheid bedoeld in het eerste lid of haar afgevaardigde het dossier overmaakt, informeert zij of hij gelijktijdig de Minister en de gemeente(n) waar een openbaar onderzoek wordt georganiseerd.
§ 2. De termijnen voor de zending van het advies bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, bedragen, te rekenen van de afsluiting van het openbaar onderzoek,
1° 45 dagen voor het ruimtelijke ontwikkelingsplan en het gewestplan;
2° 30 dagen voor het meergemeentelijk ontwikkelingsplan, het gemeentelijk ontwikkelingsplan [1 , het plaatselijk beleidsontwikkelingsplan, de gemeentelijke stedenbouwkundige leidraad of de stedelijke ruilverkavelingsomtrek]1
Bij gebrek aan advies binnen de voorgeschreven termijn wordt aan de adviesvereiste voorbijgegaan.
§ 3. [1 Zodra het plan, het ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek]1 het voorwerp heeft uitgemaakt van een definitieve, expliciete of stilzwijgende beslissing, informeert de overheid bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, of haar afgevaardigde, de bevoegde overheden van het Gewest of de Staat over het feit dat de beslissing het voorwerp uitmaakt van de aanplakking bedoeld in artikel D.VIII.26 [1 en dat, tijdens de hele duur van de aanplakking, het plan, het ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek ter inzage liggen]1 volgens de modaliteiten bedoeld in artikel D.VIII.17. Dezelfde overheid of haar afgevaardigde stuurt naar de bevoegde overheden van het Gewest of de Staat een afschrift :
1° [1 van het plan, het ontwikkelingsplan, de leidraad of de omtrek]1;
2° van de beslissing krachtens welke hij aangenomen of goedgekeurd is of, bij gebrek, van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bedoeld in artikel D.VIII.23;
3° van de milieuverklaring;
4° van de vastgestelde opvolgingsmaatregelen.
Art. R. VIII.18-1. Le Ministre désigne les services ou la personne auprès desquels toute personne peut obtenir des explications relatives au schéma de développement du territoire.
Art. R.VIII.12-2. Voor de toepassing van artikel R.VIII.12-1, wordt de Minister gemachtigd wat betreft het ruimtelijk ontwikkelingsplan en het gewestplan
Section 7. - Pouvoir de substitution
Afdeling 4. - Bijkomende bekendmaking
Art. R.VIII.21-1. Le Ministre et le fonctionnaire délégué sont compétents pour envoyer l'avertissement visé à l'article D.VIII.21 et pour avoir recours à un huissier de justice de leur choix.
Afdeling 5. - Duur van het openbaar onderzoek
Art. R.VIII.21-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Afdeling 6. - Modaliteiten van de toegang tot de informatie in het kader van het openbaar onderzoek
CHAPITRE V. - Publicité relative à la décision
Art. R.VIII.18-1. De Minister wijst de diensten of de persoon aan waarbij elke persoon uitleg kan krijgen met betrekking tot het ruimtelijk ontwikkelingsplan.
Titre 2. [1 - Evaluation des incidences des plans, schémas, guides, périmètres et demandes conjointes]1
Afdeling 7. - Vervangingsbevoegdheid
CHAPITRE Ier. - Objectifs
Art. R.VIII.21-1. De Minister en de gemachtigd ambtenaar zijn bevoegd om de waarschuwing bedoeld in artikel D.VIII.21 te sturen en om een beroep te doen op een gerechtsdeurwaarder die ze zelf hebben gekozen.
CHAPITRE II. [1 Système d'évaluation des incidences sur l'environnement des plans, schémas, guides et périmètres]1
Art. R. VIII.21-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De Minister [1 is]1 bevoegd om de waarschuwing bedoeld in artikel D.VIII.21 te sturen en om een beroep te doen op een gerechtsdeurwaarder [1 die hij zelf heeft]1 gekozen.
De Minister [1 is]1 bevoegd om de waarschuwing bedoeld in artikel D.VIII.21 te sturen en om een beroep te doen op een gerechtsdeurwaarder [1 die hij zelf heeft]1 gekozen.
Art. R. VIII.31-1.[1 En ce qui concerne le plan de secteur [2 , le guide régional ou le périmètre]2, le Ministre détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.VIII.31, § 4, et charge [3 l'administration]3 de soumettre le dossier pour avis.]1
HOOFDSTUK V. - Bekendmaking betreffende de beslissing
Art. R.VIII.31-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Titel 2. [1 - Beoordeling van de impact van plannen, ontwikkelingsplannen, leidraden, omtrekken en gezamenlijke aanvragen]1
Art. R.VIII.33-1.Le Ministre détermine les informations que le rapport sur les incidences environnementales contient en ce qui concerne le plan de secteur [2 , le guide régional ou le périmètre]2. [1 Il détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.VIII.33, § 4, alinéa 1er, et charge [3 l'administration]3 de soumettre le dossier pour avis, en ce qui concerne le schéma de développement du territoire et le plan de secteur.]1 Il sollicite les avis transrégionaux et transnationaux visés à l'article D.VIII.33, § 4, en ce qui concerne le schéma de développement du territoire et le plan de secteur.
HOOFDSTUK I. - Doelstellingen
Art. R.VIII.33-1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
HOOFDSTUK II. [1 Systeem voor de beoordeling van de effecten van de plannen, ontwikkelingsplannen, leidraden en omtrekken op het leefmilieu]1
Art. R.VIII.34-1. Le Ministre désigne la personne physique ou morale, privée ou publique, qui est chargée de la réalisation du rapport sur les incidences environnementales visé à l'article D.VIII.34, alinéa 1er.
Art. R. VIII.31-1.[1 Wat het gewestplan betreft [2 , de gewestelijke leidraad of de omtrek]2, bepaalt de Minister de personen of instanties die hij krachtens artikel D.VIII.31, § 4, nuttig acht om te raadplegen en draagt [3 de administratie]3 op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
Art. R. VIII.34-2.Le directeur général de [1 l'administration]1 ou, à défaut, l'inspecteur général du Département de l'Aménagement et de l'Urbanisme de [1 l'administration]1 récuse la personne visée à l'article D.VIII.34, alinéa 2.
Wijzigingen
Art. R. VIII.31-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Wat het gewestplan betreft, bepaalt de Minister de personen of instanties die hij krachtens artikel D.VIII.31, § 4, nuttig acht om te raadplegen en draagt [2 het departement]2 op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
[1 Wat het gewestplan betreft, bepaalt de Minister de personen of instanties die hij krachtens artikel D.VIII.31, § 4, nuttig acht om te raadplegen en draagt [2 het departement]2 op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
Art. R. VIII.34-2_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le Ministre]1 récuse la personne visée à l'article D.VIII.34, alinéa 2.
[1 Le Ministre]1 récuse la personne visée à l'article D.VIII.34, alinéa 2.
Wijzigingen
Art. R.VIII.33-1.De Minister bepaalt de informaties die in het milieueffectenverslag opgenomen moeten worden, wat betreft het gewestplan [2 , de gewestelijke leidraad of de omtrek]2. [1 Wat het ruimtelijk ontwikkelingsplan en het gewestplan betreft, bepaalt de Minister de personen of instanties die hij krachtens artikel D.VIII.33, § 4, eerste lid, nuttig acht om te raadplegen en draagt de [3 de administratie]3 op om het dossier voor advies voor te leggen.]1 Hij verzoekt om de gewest- en landgrensoverschrijdende adviezen bedoeld in artikel D.VIII.33, § 4, wat betreft het ruimtelijk ontwikkelingsplan en het gewestplan.
CHAPITRE 3. [1 Système d'évaluation des incidences des demandes conjointes plan-permis.]1
Art. R. VIII.33-1_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De Minister bepaalt de informaties die in het milieueffectenverslag opgenomen moeten worden, wat betreft het gewestplan. [1 Wat het ruimtelijk ontwikkelingsplan en het gewestplan betreft, bepaalt de Minister de personen of instanties die hij krachtens artikel D.VIII.33, § 4, eerste lid, nuttig acht om te raadplegen en draagt [2 het departement]2 op om het dossier voor advies voor te leggen.]1 Hij verzoekt om de gewest- en landgrensoverschrijdende adviezen bedoeld in artikel D.VIII.33, § 4, wat betreft het ruimtelijk ontwikkelingsplan en het gewestplan.
De Minister bepaalt de informaties die in het milieueffectenverslag opgenomen moeten worden, wat betreft het gewestplan. [1 Wat het ruimtelijk ontwikkelingsplan en het gewestplan betreft, bepaalt de Minister de personen of instanties die hij krachtens artikel D.VIII.33, § 4, eerste lid, nuttig acht om te raadplegen en draagt [2 het departement]2 op om het dossier voor advies voor te leggen.]1 Hij verzoekt om de gewest- en landgrensoverschrijdende adviezen bedoeld in artikel D.VIII.33, § 4, wat betreft het ruimtelijk ontwikkelingsplan en het gewestplan.
Art. R. VIII.40-1. [1 Le Ministre détermine les personnes ou les instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.VIII.40 et charge l'administration de soumettre le dossier pour avis.]1
Art. R. VIII.34-1. De Minister wijst de privé- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon aan die belast is met de uitvoering van het milieueffectenverslag bedoeld in artikel D.VIII.34, eerste lid.
Art. R. VIII.43-1. [1 Le Ministre détermine les informations que l'évaluation conjointe des incidences contient. Il détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.VIII.43 et charge l'administration de soumettre le dossier pour avis. Il sollicite les avis transrégionaux et transnationaux visés à l'article D.VIII.45.]1
Art. R. VIII.34-2.De directeur-generaal van [1 de administratie]1 of, bij gebrek, de inspecteur-generaal van het Departement Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van [1 de administratie]1 wraakt de persoon bedoeld in artikel D.VIII.34, tweede lid.
Art. R. VIII.45-1. [1 § 1er. Le Ministre envoie, en application de l'article D.VIII.45, le dossier avant le début de l'enquête publique ou dans les trente jours de la demande qui lui est faite.
Outre les éléments visés à l'article D.VIII.45, l'envoi mentionne le délai dans lequel l'avis de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo visés à l'article D.VIII.45 doit être envoyé au Ministre.
En même temps qu'il transmet le dossier, le Ministre en informe la ou les communes où une enquête publique est organisée.
§ 2. Le délai d'envoi de l'avis visé au paragraphe 1er, alinéa 2, est, à dater de la clôture de l'enquête publique, de quarante cinq jours.
Si l'avis n'est pas envoyé dans les délais précités, il est passé outre.
§ 3. Dès que la demande conjointe a fait l'objet d'une décision définitive, expresse ou tacite, le Ministre informe les autorités compétentes de la Région ou de l'Etat que la décision fait l'objet de l'affichage visé à l'article D.VIII.26 et que, durant toute la durée de l'affichage, la décision est accessible selon les modalités visées à l'article D.VIII.17. Le Ministre envoie aux autorités compétentes de la Région ou de l'Etat une copie:
1° du plan ;
2° de la décision en vertu de laquelle il est adopté ou, à défaut, de la publication au Moniteur belge visée à l'article D.VIII.22 ;
3° de la déclaration environnementale ;
4° des mesures arrêtées concernant le suivi.]1
Outre les éléments visés à l'article D.VIII.45, l'envoi mentionne le délai dans lequel l'avis de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo visés à l'article D.VIII.45 doit être envoyé au Ministre.
En même temps qu'il transmet le dossier, le Ministre en informe la ou les communes où une enquête publique est organisée.
§ 2. Le délai d'envoi de l'avis visé au paragraphe 1er, alinéa 2, est, à dater de la clôture de l'enquête publique, de quarante cinq jours.
Si l'avis n'est pas envoyé dans les délais précités, il est passé outre.
§ 3. Dès que la demande conjointe a fait l'objet d'une décision définitive, expresse ou tacite, le Ministre informe les autorités compétentes de la Région ou de l'Etat que la décision fait l'objet de l'affichage visé à l'article D.VIII.26 et que, durant toute la durée de l'affichage, la décision est accessible selon les modalités visées à l'article D.VIII.17. Le Ministre envoie aux autorités compétentes de la Région ou de l'Etat une copie:
1° du plan ;
2° de la décision en vertu de laquelle il est adopté ou, à défaut, de la publication au Moniteur belge visée à l'article D.VIII.22 ;
3° de la déclaration environnementale ;
4° des mesures arrêtées concernant le suivi.]1
Art. R.VIII.34-2_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
CHAPITRE 4. [1 Système d'évaluation des incidences des demandes conjointes périmètre-permis .]1
HOOFDSTUK 3. [1 Systeem voor de evaluatie van effecten van gezamenlijke plan- en vergunningsaanvragen op het leefmilieu.]1
Art. R.VIII.49-1. [1 Le Ministre détermine les personnes ou les instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.VIII.49 et charge l'administration de soumettre le dossier pour avis.]1
Art. R. VIII.40-1. [1 De Minister bepaalt de personen of instanties die hij overeenkosmtig artikel D.VIII.40/4 nuttig acht om te raadplegen en draagt de administratie op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
Art. R. VIII.52-1. [1 Le Ministre détermine les informations que l'évaluation conjointe des incidences contient. Il détermine les personnes ou instances qu'il juge utile de consulter en application de l'article D.VIII.43 et charge l'administration de soumettre le dossier pour avis. Il sollicite les avis transrégionaux et transnationaux visés à l'article D.VIII.45.]1
Art. R. VIII.43-1. [1 De Minister bepaalt welke informatie wordt opgenomen in de gezamenlijke effectbeoordeling. De Minister bepaalt de personen of instanties die hij overeenkomstig artikel D.VIII.43 nuttig acht om te raadplegen en draagt de administratie op om het dossier voor advies voor te leggen. Hij wint de in artikel D.VIII.45 bedoelde gewest- en landsgrensoverschrijdende adviezen in.]1
Art. R. VIII.54-1. [1 § 1er. Le Ministre envoie, en application de l'article D.VIII.54, le dossier avant le début de l'enquête publique ou dans les trente jours de la demande qui lui est faite.
Outre les éléments visés à l'article D.VIII.54, l'envoi mentionne le délai dans lequel l'avis de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo visés à l'article D.VIII.54 doit être envoyé au Ministre.
En même temps qu'il transmet le dossier, le Ministre en informe la ou les communes où une enquête publique est organisée.
§ 2. Le délai d'envoi de l'avis visé au paragraphe 1er, alinéa 2, est, à dater de la clôture de l'enquête publique, de trente jours.
Si l'avis n'est pas envoyé dans les délais précités, il est passé outre.
§ 3. Dès que la demande conjointe a fait l'objet d'une décision définitive, expresse ou tacite, le Ministre informe les autorités compétentes de la Région ou de l'Etat que la décision fait l'objet de l'affichage visé à l'article D.VIII.26 et que, durant toute la durée de l'affichage, la décision est accessible selon les modalités visées à l'article D.VIII.17. Le Ministre envoie aux autorités compétentes de la Région ou de l'Etat une copie:
1° du plan ;
2° de la décision en vertu de laquelle il est adopté ou, à défaut, de la publication au Moniteur belge visée à l'article D.VIII.22 ;
3° de la déclaration environnementale ;
4° des mesures arrêtées concernant le suivi.]1
Outre les éléments visés à l'article D.VIII.54, l'envoi mentionne le délai dans lequel l'avis de la Région, de l'Etat membre de l'Union européenne ou de l'Etat partie à la Convention d'Espoo visés à l'article D.VIII.54 doit être envoyé au Ministre.
En même temps qu'il transmet le dossier, le Ministre en informe la ou les communes où une enquête publique est organisée.
§ 2. Le délai d'envoi de l'avis visé au paragraphe 1er, alinéa 2, est, à dater de la clôture de l'enquête publique, de trente jours.
Si l'avis n'est pas envoyé dans les délais précités, il est passé outre.
§ 3. Dès que la demande conjointe a fait l'objet d'une décision définitive, expresse ou tacite, le Ministre informe les autorités compétentes de la Région ou de l'Etat que la décision fait l'objet de l'affichage visé à l'article D.VIII.26 et que, durant toute la durée de l'affichage, la décision est accessible selon les modalités visées à l'article D.VIII.17. Le Ministre envoie aux autorités compétentes de la Région ou de l'Etat une copie:
1° du plan ;
2° de la décision en vertu de laquelle il est adopté ou, à défaut, de la publication au Moniteur belge visée à l'article D.VIII.22 ;
3° de la déclaration environnementale ;
4° des mesures arrêtées concernant le suivi.]1
Art. R.VIII.45-1. [1 § 1. De Minister verstuurt, overeenkomstig artikel D.VIII.45, het dossier vóór het begin van het openbaar onderzoek of binnen de dertig dagen na het aan hem gericht verzoek.
ANNEXES.
HOOFDSTUK 4. [1 Systeem voor de evaluatie van effecten van gezamenlijke omtrek- en vergunningsaanvragen]1
Art. N. Annexes 1 à 27.
Art. R. VIII.49-1. [1 De Minister bepaalt de personen of instanties die hij overeenkosmtig artikel D.VIII.49/4 nuttig acht om te raadplegen en draagt de administratie op om het dossier voor advies voor te leggen.]1
Art. N _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Annexe 1 à 25
Aperçu
Annexe 1re (remplace l'annexe 2 du Code du Développement territorial) :
Appel à candidature pour l'établissement ou le renouvellement de la commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 11922)
Annexe 2 (remplace l'annexe 4 du Code du Développement territorial) :
Demande de permis d'urbanisme avec concours d'un architecte (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 11924)
Annexe 3 (remplace l'annexe 5 du Code du Développement territorial) :
Demande de permis d'urbanisme portant exclusivement sur la modification de la destination de tout ou partie d'un bien au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 7°, du CoDT ou sur la modification de la répartition des surfaces de vente et des activités commerciales au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, du CoDT (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 11937)
Annexe 4 (remplace l'annexe 6 du Code du Développement territorial) :
[2 - Demande de permis d'urbanisme avec concours d'un architecte]2
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 09-07-2021, p. 69827)
Annexe 5 (remplace l'annexe 7 du Code du Développement territorial) :
[3 - Demande de permis d'urbanisme sans concours d'un architecte]3
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 09-07-2021, p. 69827)
Annexe 6 (remplace l'annexe 8 du Code du Développement territorial) :
[4 - Demande de permis portant sur des actes de : boisement, de déboisement, d'abattage d'arbres isolés à haute tige, de haies ou d'allées, de culture de sapins de Noël, des actes d'abattage qui portent préjudice au système racinaire ou de modification de l'aspect d'un ou plusieurs arbres, arbustes ou haies remarquables, des actes de défrichement, de modification de la végétation d'une zone dont le Gouvernement juge la protection nécessaire]4
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 09-07-2021, p. 69827)
Annexe 7 [5 ...]5
Annexe 8 [5 ...]5
Annexe 9 [5 ...]5
Annexe 10 (remplace l'annexe 12 du Code du Développement territorial) :
Octroi/Refus du permis/certificat d'urbanisme n° 2/par le Collège communal/le Gouvernement (1) (2)
Proposition de décision relative à l'octroi/au refus - du permis/certificat d'urbanisme n° 2 par le Gouvernement (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12014)
Annexe 11 (remplace l'annexe 13 du Code du Développement territorial) :
Formulaire relatif à l'octroi - au refus - d'un permis/permis d'urbanisation/certificat d'urbanisme n° 2 - sur recours par le Gouvernement de la Communauté germanophone (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12026)
Annexe 12 (remplace l'annexe 14 du Code du Développement territorial) :
Demande de certificat d'urbanisme n° 1 (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12041)
Annexe 13 (remplace l'annexe 15 du Code du Développement territorial) :
Demande de certificat d'urbanisme n° 2 (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12045)
Annexe 14 (remplace l'annexe 16 du Code du Développement territorial) :
Certificat d'urbanisme n° 1 (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12056)
Annexe 15 (remplace l'annexe 17 du Code du Développement territorial) :
Relevé des pièces manquantes (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12058)
Annexe 16 (remplace l'annexe 18 du Code du Développement territorial) :
Attestation de complétude par le Collège communal (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12062)
Annexe 17 (remplace l'annexe 19 du Code du Développement territorial) :
Accusé de réception par le Gouvernement (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12065)
Annexe 18 (remplace l'annexe 20 du Code du Développement territorial) :
Introduction d'un recours par le demandeur ou le Collège communal (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12068)
Annexe 19 (remplace l'annexe 21 du Code du Développement territorial) :
Déclaration d'intention d'aliéner un droit réel soumis au droit de préemption (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12076)
Annexe 20 (remplace l'annexe 22 du Code du Développement territorial) :
Attestation établissant l'existence d'une déclaration d'intention d'aliéner réalisée avant la réception d'un acte authentique (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12082)
Annexe 21 (remplace l'annexe 23 du Code du Développement territorial) :
Procès-verbal de constat d'une infraction urbanistique (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12084)
Annexe 22 (remplace l'annexe 24 du Code du Développement territorial) :
Confirmation d'ordre verbal (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12087)
Annexe 23 (remplace l'annexe 25 du Code du Développement territorial) :
Urbanisme Avis d'annonce de projet (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12090)
Annexe 24 (remplace l'annexe 26 du Code du Développement territorial) :
Urbanisme - Avis d'enquête publique (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12092)
Annexe 25 (remplace l'annexe 27 du Code du Développement territorial) :
Aménagement du territoire Avis d'enquête publique (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12094)]1
[1 Annexe 1 à 25
Aperçu
Annexe 1re (remplace l'annexe 2 du Code du Développement territorial) :
Appel à candidature pour l'établissement ou le renouvellement de la commission consultative communale d'aménagement du territoire et de mobilité (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 11922)
Annexe 2 (remplace l'annexe 4 du Code du Développement territorial) :
Demande de permis d'urbanisme avec concours d'un architecte (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 11924)
Annexe 3 (remplace l'annexe 5 du Code du Développement territorial) :
Demande de permis d'urbanisme portant exclusivement sur la modification de la destination de tout ou partie d'un bien au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 7°, du CoDT ou sur la modification de la répartition des surfaces de vente et des activités commerciales au sens de l'article D.IV.4, alinéa 1er, 8°, du CoDT (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 11937)
Annexe 4 (remplace l'annexe 6 du Code du Développement territorial) :
[2 - Demande de permis d'urbanisme avec concours d'un architecte]2
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 09-07-2021, p. 69827)
Annexe 5 (remplace l'annexe 7 du Code du Développement territorial) :
[3 - Demande de permis d'urbanisme sans concours d'un architecte]3
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 09-07-2021, p. 69827)
Annexe 6 (remplace l'annexe 8 du Code du Développement territorial) :
[4 - Demande de permis portant sur des actes de : boisement, de déboisement, d'abattage d'arbres isolés à haute tige, de haies ou d'allées, de culture de sapins de Noël, des actes d'abattage qui portent préjudice au système racinaire ou de modification de l'aspect d'un ou plusieurs arbres, arbustes ou haies remarquables, des actes de défrichement, de modification de la végétation d'une zone dont le Gouvernement juge la protection nécessaire]4
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 09-07-2021, p. 69827)
Annexe 7 [5 ...]5
Annexe 8 [5 ...]5
Annexe 9 [5 ...]5
Annexe 10 (remplace l'annexe 12 du Code du Développement territorial) :
Octroi/Refus du permis/certificat d'urbanisme n° 2/par le Collège communal/le Gouvernement (1) (2)
Proposition de décision relative à l'octroi/au refus - du permis/certificat d'urbanisme n° 2 par le Gouvernement (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12014)
Annexe 11 (remplace l'annexe 13 du Code du Développement territorial) :
Formulaire relatif à l'octroi - au refus - d'un permis/permis d'urbanisation/certificat d'urbanisme n° 2 - sur recours par le Gouvernement de la Communauté germanophone (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12026)
Annexe 12 (remplace l'annexe 14 du Code du Développement territorial) :
Demande de certificat d'urbanisme n° 1 (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12041)
Annexe 13 (remplace l'annexe 15 du Code du Développement territorial) :
Demande de certificat d'urbanisme n° 2 (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12045)
Annexe 14 (remplace l'annexe 16 du Code du Développement territorial) :
Certificat d'urbanisme n° 1 (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12056)
Annexe 15 (remplace l'annexe 17 du Code du Développement territorial) :
Relevé des pièces manquantes (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12058)
Annexe 16 (remplace l'annexe 18 du Code du Développement territorial) :
Attestation de complétude par le Collège communal (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12062)
Annexe 17 (remplace l'annexe 19 du Code du Développement territorial) :
Accusé de réception par le Gouvernement (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12065)
Annexe 18 (remplace l'annexe 20 du Code du Développement territorial) :
Introduction d'un recours par le demandeur ou le Collège communal (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12068)
Annexe 19 (remplace l'annexe 21 du Code du Développement territorial) :
Déclaration d'intention d'aliéner un droit réel soumis au droit de préemption (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12076)
Annexe 20 (remplace l'annexe 22 du Code du Développement territorial) :
Attestation établissant l'existence d'une déclaration d'intention d'aliéner réalisée avant la réception d'un acte authentique (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12082)
Annexe 21 (remplace l'annexe 23 du Code du Développement territorial) :
Procès-verbal de constat d'une infraction urbanistique (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12084)
Annexe 22 (remplace l'annexe 24 du Code du Développement territorial) :
Confirmation d'ordre verbal (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12087)
Annexe 23 (remplace l'annexe 25 du Code du Développement territorial) :
Urbanisme Avis d'annonce de projet (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12090)
Annexe 24 (remplace l'annexe 26 du Code du Développement territorial) :
Urbanisme - Avis d'enquête publique (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12092)
Annexe 25 (remplace l'annexe 27 du Code du Développement territorial) :
Aménagement du territoire Avis d'enquête publique (Erratum, voir M.B. 28-02-2020, p. 12094)]1
Wijzigingen
Art. R. VIII.52-1. [1 De Minister bepaalt welke informatie wordt opgenomen in de gezamenlijke effectbeoordeling. De Minister bepaalt de personen of instanties die hij overeenkomstig artikel D.VIII.43 nuttig acht om te raadplegen en draagt de administratie op om het dossier voor advies voor te leggen. Hij wint de in artikel D.VIII.45 bedoelde gewest- en landsgrensoverschrijdende adviezen in.]1
-
Art. R. VIII.54-1. [1 § 1. De Minister verstuurt, overeenkomstig artikel D.VIII.54, het dossier vóór het begin van het openbaar onderzoek of binnen de dertig dagen na het aan hem gericht verzoek.
Naast de elementen bedoeld in artikel D.VIII.54, vermeldt de zending de termijn waarin het advies van het Gewest, van de lidstaat van de Europese Unie of van de staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo bedoeld in artikel D.VIII.54 verstuurd moet worden naar de Minister.
Terwijl hij het dossier overmaakt, stelt de Minister de gemeente(n) in kennis van de plaats waar een openbaar onderzoek wordt gevoerd.
§ 2. De termijnen voor de zending van het advies bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, bedragen dertig dagen te rekenen van de afsluiting van het openbaar onderzoek
Bij gebrek aan advies binnen de voorgeschreven termijn wordt aan de adviesvereiste voorbijgegaan.
§ 3. Zodra de gezamenlijke aanvraag het voorwerp heeft uitgemaakt van een definitieve of stilzwijgende beslissing, informeert de bevoegde overheid van het Gewest of de Staat over het feit dat de beslissing het voorwerp uitmaakt van de aanplakking bedoeld in artikel D.VIII.26 en dat, tijdens de hele duur van de aanplakking, de beslissing ter inzage ligt volgens de modaliteiten bedoeld in artikel D.VIII.17. De Minister stuurt een afschrift naar de bevoegde autoriteiten van het Gewest of de Staat van:
1° het plan;
2° de beslissing krachtens welke hij aangenomen is of, bij gebrek, van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bedoeld in artikel D.VIII.22;
3° van de milieuverklaring;
4° van de vastgestelde opvolgingsmaatregelen.]1
Naast de elementen bedoeld in artikel D.VIII.54, vermeldt de zending de termijn waarin het advies van het Gewest, van de lidstaat van de Europese Unie of van de staat die verdragsluitende partij is van het Verdrag van Espoo bedoeld in artikel D.VIII.54 verstuurd moet worden naar de Minister.
Terwijl hij het dossier overmaakt, stelt de Minister de gemeente(n) in kennis van de plaats waar een openbaar onderzoek wordt gevoerd.
§ 2. De termijnen voor de zending van het advies bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, bedragen dertig dagen te rekenen van de afsluiting van het openbaar onderzoek
Bij gebrek aan advies binnen de voorgeschreven termijn wordt aan de adviesvereiste voorbijgegaan.
§ 3. Zodra de gezamenlijke aanvraag het voorwerp heeft uitgemaakt van een definitieve of stilzwijgende beslissing, informeert de bevoegde overheid van het Gewest of de Staat over het feit dat de beslissing het voorwerp uitmaakt van de aanplakking bedoeld in artikel D.VIII.26 en dat, tijdens de hele duur van de aanplakking, de beslissing ter inzage ligt volgens de modaliteiten bedoeld in artikel D.VIII.17. De Minister stuurt een afschrift naar de bevoegde autoriteiten van het Gewest of de Staat van:
1° het plan;
2° de beslissing krachtens welke hij aangenomen is of, bij gebrek, van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bedoeld in artikel D.VIII.22;
3° van de milieuverklaring;
4° van de vastgestelde opvolgingsmaatregelen.]1
-
BIJLAGEN.
-
Art. N. Bijlagen 1 tot en met 27.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 03-04-2017, p. 47796)
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 03-04-2017, p. 47796)
-
Gewijzigd bij :
-
Art. N _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Bijlagen 1 tot 25
Overzicht
Bijlage 1 (vervangt bijlage 2 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Oproep tot de kandidaten voor de oprichting of de hernieuwing van de gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit
Bijlage 2 (vervangt bijlage 4 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning met medewerking van een architect
Bijlage 3 (vervangt bijlage 5 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning die uitsluitend betrekking heeft op de wijziging van de bestemming van het geheel of een gedeelte van een goed in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 7°, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling of op de wijziging van de verdeling van de verkoopoppervlakten en van de handelsactiviteiten in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling
Bijlage 4 (vervangt bijlage 6 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
[2 - Aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning met medewerking van een architect (zie Duitse versie)]2
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-07-2021, p.69861)
Bijlage 5 (vervangt bijlage 7 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
[3 - Aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning zonder medewerking van een architect (zie Duitse versie)]3
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-07-2021, p.69861)
Bijlage 6 (vervangt bijlage 8 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
[4 - Vergunningsaanvraag voor handelingen met het oog op: bebossing, ontbossing, het omhakken van alleenstaande hoogstammige bomen, hagen of alleeën, kerstbomenteelt, handelingen m.b.t. het omhakken die schade toebrengen aan het wortelstelsel, de wijziging van het uitzicht van waardevolle bomen, struiken of hagen, het rooien of wijzigen van de vegetatie in een gebied waarvan de Regering de bescherming noodzakelijk acht (zie Duitse versie)]4
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-07-2021, p.69861)
Bijlage 7 [5 ...]5
Bijlage 8 [5 ...]5
Bijlage 9 [5 ...]5
Bijlage 10 (vervangt bijlage 12 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Toekenning/weigering van de stedenbouwkundige vergunning/het stedenbouwkundige atttest nr. 2 door het gemeentecollege/de Regering (1) (2)
Voorstel tot beslissing van de Regering tot toekenning/weigering van de stedenbouwkundige vergunning/het stedenbouwkundig attest nr. 2
Bijlage 11 (vervangt bijlage 13 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Formulier voor de toekenning - de weigering - van een vergunning/bebouwingsvergunning/stedenbouwkundig attest nr. 2 - door de Regering van de Duitstalige Gemeenschap in het kader van een beroep
Bijlage 12 (vervangt bijlage 14 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 1
Bijlage 13 (vervangt bijlage 15 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2
Bijlage 14 (vervangt bijlage 16 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Stedenbouwkundig attest nr. 1
Bijlage 15 (vervangt bijlage 17 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Lijst van de ontbrekende stukken
Bijlage 16 (vervangt bijlage 18 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Bericht van volledigheid door het gemeentecollege
Bijlage 17 (vervangt bijlage 19 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Ontvangstbevestiging door de Regering
Bijlage 18 (vervangt bijlage 20 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Indiening van een beroep door de aanvrager of door het gemeentecollege
Bijlage 19 (vervangt bijlage 21 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Intentieverklaring tot vervreemding van een zakelijk recht waarop het recht van voorkoop van toepassing is
Bijlage 20 (vervangt bijlage 22 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Attest ter bevestiging van een intentieverklaring tot vervreemding verricht vóór de ontvangst van een authentieke akte
Bijlage 21 (vervangt bijlage 23 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Proces-verbaal tot vaststelling van een stedenbouwkundige overtreding
Bijlage 22 (vervangt bijlage 24 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Bevestiging van een mondeling bevel
Bijlage 23 (vervangt bijlage 25 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Stedenbouw. Bekendmaking - Projectaankondiging
Bijlage 24 (vervangt bijlage 26 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Stedenbouw. Bekendmaking van een openbaar onderzoek
Bijlage 25 (vervangt bijlage 27 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Ruimtelijke Ordening. Bekendmaking van een openbaar onderzoek]1
[1 Bijlagen 1 tot 25
Overzicht
Bijlage 1 (vervangt bijlage 2 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Oproep tot de kandidaten voor de oprichting of de hernieuwing van de gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit
Bijlage 2 (vervangt bijlage 4 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning met medewerking van een architect
Bijlage 3 (vervangt bijlage 5 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning die uitsluitend betrekking heeft op de wijziging van de bestemming van het geheel of een gedeelte van een goed in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 7°, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling of op de wijziging van de verdeling van de verkoopoppervlakten en van de handelsactiviteiten in de zin van artikel D.IV.4, eerste lid, 8°, van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling
Bijlage 4 (vervangt bijlage 6 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
[2 - Aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning met medewerking van een architect (zie Duitse versie)]2
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-07-2021, p.69861)
Bijlage 5 (vervangt bijlage 7 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
[3 - Aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning zonder medewerking van een architect (zie Duitse versie)]3
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-07-2021, p.69861)
Bijlage 6 (vervangt bijlage 8 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
[4 - Vergunningsaanvraag voor handelingen met het oog op: bebossing, ontbossing, het omhakken van alleenstaande hoogstammige bomen, hagen of alleeën, kerstbomenteelt, handelingen m.b.t. het omhakken die schade toebrengen aan het wortelstelsel, de wijziging van het uitzicht van waardevolle bomen, struiken of hagen, het rooien of wijzigen van de vegetatie in een gebied waarvan de Regering de bescherming noodzakelijk acht (zie Duitse versie)]4
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 09-07-2021, p.69861)
Bijlage 7 [5 ...]5
Bijlage 8 [5 ...]5
Bijlage 9 [5 ...]5
Bijlage 10 (vervangt bijlage 12 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Toekenning/weigering van de stedenbouwkundige vergunning/het stedenbouwkundige atttest nr. 2 door het gemeentecollege/de Regering (1) (2)
Voorstel tot beslissing van de Regering tot toekenning/weigering van de stedenbouwkundige vergunning/het stedenbouwkundig attest nr. 2
Bijlage 11 (vervangt bijlage 13 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Formulier voor de toekenning - de weigering - van een vergunning/bebouwingsvergunning/stedenbouwkundig attest nr. 2 - door de Regering van de Duitstalige Gemeenschap in het kader van een beroep
Bijlage 12 (vervangt bijlage 14 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 1
Bijlage 13 (vervangt bijlage 15 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Aanvraag voor een stedenbouwkundig attest nr. 2
Bijlage 14 (vervangt bijlage 16 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Stedenbouwkundig attest nr. 1
Bijlage 15 (vervangt bijlage 17 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Lijst van de ontbrekende stukken
Bijlage 16 (vervangt bijlage 18 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Bericht van volledigheid door het gemeentecollege
Bijlage 17 (vervangt bijlage 19 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Ontvangstbevestiging door de Regering
Bijlage 18 (vervangt bijlage 20 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Indiening van een beroep door de aanvrager of door het gemeentecollege
Bijlage 19 (vervangt bijlage 21 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Intentieverklaring tot vervreemding van een zakelijk recht waarop het recht van voorkoop van toepassing is
Bijlage 20 (vervangt bijlage 22 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Attest ter bevestiging van een intentieverklaring tot vervreemding verricht vóór de ontvangst van een authentieke akte
Bijlage 21 (vervangt bijlage 23 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Proces-verbaal tot vaststelling van een stedenbouwkundige overtreding
Bijlage 22 (vervangt bijlage 24 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Bevestiging van een mondeling bevel
Bijlage 23 (vervangt bijlage 25 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Stedenbouw. Bekendmaking - Projectaankondiging
Bijlage 24 (vervangt bijlage 26 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Stedenbouw. Bekendmaking van een openbaar onderzoek
Bijlage 25 (vervangt bijlage 27 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling):
Ruimtelijke Ordening. Bekendmaking van een openbaar onderzoek]1
Wijzigingen
-