Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
12 DECEMBER 2017. - Reglement van 12 december 2017 van de Nationale Bank van België tot wijziging van het reglement van 4 maart 2014 van de Nationale Bank van België betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013
Titre
12 DECEMBRE 2017. - Règlement du 12 décembre 2017 de la Banque nationale de Belgique modifiant le règlement du 4 mars 2014 de la Banque nationale de Belgique relatif à la mise en oeuvre du règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013
Tekst (8)
Texte (8)
Artikel 1. Artikel 2 van het reglement van de Nationale Bank van België van 4 maart 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 wordt vervangen als volgt :
"Dit reglement is van toepassing op de kredietinstellingen naar Belgisch recht als bedoeld in boek II van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, en op de beleggingsondernemingen naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 2), van Verordening nr. 575/2013, hierna "de instelling" of "de instellingen" genoemd.
In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 3, 4, 5, 9, 10, eerste lid, 11, 12, 13, 14, 15, 16bis, 35, 36 en 37 en de bijlage bij dit reglement enkel van toepassing op de kredietinstellingen naar Belgisch recht die krachtens artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening niet onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan, en op de beleggingsondernemingen naar Belgisch recht als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 2), van Verordening nr. 575/2013.".
Article 1er. L'article 2 du règlement de la Banque nationale de Belgique du 4 mars 2014 relatif à la mise en oeuvre du Règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 est remplacé par ce qui suit :
"Le présent règlement s'applique aux établissements de crédit de droit belge visés au livre II de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, et aux entreprises d'investissement de droit belge visées à l'article 4, paragraphe 1er, 2), du Règlement n° 575/2013, ci-après " l'établissement " ou " les établissements ".
Par dérogation à l'alinéa 1er, les articles 3, 4, 5, 9, 10, alinéa 1er, 11, 12, 13, 14, 15, 16bis, 35, 36 et 37 et l'annexe au présent règlement ne sont applicables qu'aux établissements de crédit de droit belge qui ne relèvent pas de la surveillance directe de la Banque centrale européenne en vertu de l'article 6, paragraphe 4, du règlement " MSU " et aux entreprises d'investissement de droit belge visées à l'article 4, paragraphe 1er, 2), du Règlement n° 575/2013. ".
Art. 2. Artikel 5 van hetzelfde reglement wordt vervangen als volgt :
"Risicoweging van en verbod op in aanmerking komende deelnemingen buiten de financiële sector.
Art. 5. Onverminderd artikel 90 van Verordening (EU) nr. 575/2013 passen de instellingen voor de berekening van de kapitaalvereisten overeenkomstig deel drie van Verordening (EU) nr. 575/2013 een risicogewicht van 1250 % toe op het hoogste van de volgende bedragen :
a) het bedrag van de in artikel 89, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde in aanmerking komende deelnemingen in ondernemingen dat hoger is dan 15 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling, en
b) het totale bedrag van de in artikel 89, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde in aanmerking komende deelnemingen in ondernemingen dat hoger is dan 60 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling.".
Art. 2. L'article 5 du même règlement est remplacé par ce qui suit :
"Pondération et interdiction de participations qualifiées hors du secteur financier.
Art. 5. Sans préjudice de l'article 90 du Règlement (UE) n° 575/2013, pour le calcul des exigences de fonds propres conformément à la troisième partie du Règlement (UE) n° 575/2013, les établissements appliquent une pondération de 1250 % au plus élevé des montants suivants :
a) le montant des participations qualifiées dans des entreprises visées à l'article 89, paragraphe 1er, du Règlement (UE) n° 575/2013, excédant 15 % des fonds propres éligibles de l'établissement ; et
b) le montant total des participations qualifiées dans des entreprises visées à l'article 89, paragraphe 2, du Règlement (UE) n° 575/2013, qui excède 60 % des fonds propres éligibles de l'établissement. ".
Art. 3. Artikel 12 van hetzelfde reglement wordt vervangen als volgt :
"Art.12. De instellingen passen de "meer-dan-90-dagen-achterstallig"-regel toe voor de in artikel 178, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde categorieën blootstellingen."
Art. 3. L'article 12 du même règlement est remplacé par ce qui suit :
" Art. 12. Les établissements appliquent la règle de l'" arriéré supérieur à 90 jours " pour les catégories d'expositions visées à l'article 178, paragraphe 1, point b), du Règlement (UE) n° 575/2013. ".
Art. 4. Artikel 14 van hetzelfde reglement wordt vervangen als volgt:
"Art. 14. Voor de in artikel 282, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde transacties gebruiken de instellingen de op de waardering tegen marktwaarde gebaseerde methode als bedoeld in artikel 274 van Verordening (EU) nr. 575/2013."
Art. 4. L'article 14 du même règlement est remplacé par ce qui suit :
" Art. 14. Concernant les opérations visées à l'article 282, paragraphe 6, du Règlement (UE) n° 575/2013, les établissements utilisent la méthode de l'évaluation au prix du marché définie à l'article 274 du Règlement (UE) n° 575/2013. ".
Art. 5. Artikel 16bis van hetzelfde reglement wordt vervangen als volgt :
"Art. 16bis. Overeenkomstig artikel 400, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zijn de volgende vrijstellingen van toepassing :
a) De in artikel 400, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde blootstellingen zijn ten belope van 80 % van de nominale waarde van de gedekte obligaties vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1, van de genoemde v, mits voldaan is aan de in artikel 400, lid 3, van dezelfde verordening bedoelde voorwaarden;
b) De in artikel 400, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde blootstellingen zijn ten belope van 80 % van hun waarde vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1, van de genoemde Verordening, mits voldaan is aan de in artikel 400, lid 3, van dezelfde verordening bedoelde voorwaarden;
c) De in artikel 400, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde blootstellingen zijn volledig vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1, van de genoemde Verordening, mits voldaan is aan de in artikel 400, lid 3, van dezelfde verordening bedoelde voorwaarden, zoals nader bepaald in de bijlage bij dit reglement;
d) De in artikel 400, lid 2, onder e) tot h), j) en k), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde blootstellingen zijn volledig vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1, van de genoemde verordening, en de blootstellingen bedoeld in artikel 400, lid 2, onder i), zijn vrijgesteld tot het door die bepaling toegestane maximumbedrag, mits voldaan is aan de in artikel 400, lid 3, van dezelfde verordening bedoelde voorwaarden;
e) De instellingen beoordelen of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 400, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals nader bepaald in de bijlage bij dit reglement.
De instellingen stellen de in de bijlage bij dit reglement bedoelde documenten op het eerste verzoek ter beschikking van de NBB."
Art. 5. L'article 16bis du même règlement est remplacé par ce qui suit :
" Art. 16bis. Conformément à l'article 400, paragraphe 2, du Règlement (UE) n° 575/2013, les exemptions suivantes sont applicables :
a) Les expositions visées à l'article 400, paragraphe 2, point a), du Règlement (UE) n° 575/2013 sont exemptées de l'application de l'article 395, paragraphe 1, dudit règlement à concurrence de 80 % de la valeur nominale des obligations garanties, pour autant que les conditions prévues à l'article 400, paragraphe 3 de ce même règlement soient remplies ;
b) Les expositions visées à l'article 400, paragraphe 2, point b), du Règlement (UE) n° 575/2013 sont exemptées de l'application de l'article 395, paragraphe 1, dudit règlement à concurrence de 80 % de leur valeur, pour autant que les conditions prévues à l'article 400, paragraphe 3, de ce même règlement soient remplies ;
c) Les expositions visées à l'article 400, paragraphe 2, point d), du Règlement (UE) n° 575/2013 sont totalement exemptées de l'application de l'article 395, paragraphe 1, dudit règlement, pour autant que les conditions énoncées à l'article 400, paragraphe 3 de ce même règlement, telles qu'elles sont précisées à l'annexe du présent règlement, soient remplies ;
d) Les expositions visées à l'article 400, paragraphe 2, points e) à h), j) et k), du Règlement (UE) n° 575/2013 sont totalement exemptées et celles visées à l'article 400, paragraphe 2, point i), sont exemptées à hauteur du montant maximal autorisé par ladite disposition, de l'application de l'article 395, paragraphe 1, dudit règlement, pour autant que les conditions prévues à l'article 400, paragraphe 3, de ce même règlement soient remplies ;
e) Les établissements évaluent si les conditions prévues à l'article 400, paragraphe 3, du Règlement (UE) n° 575/2013, telles que précisées à l'annexe du présent règlement, sont remplies.
Les établissements mettent les documents visés à l'annexe du présent règlement à la disposition de la BNB à la première demande. ".
Art. 6. De artikelen 7, 8 en 19 van hetzelfde reglement worden opgeheven.
Art. 6. Les articles 7, 8 et 19 du même règlement sont supprimés.
Art. 7. Dit reglement wordt aangevuld met een bijlage, luidende :
"Bijlage:
Voorwaarden voor de beoordeling van de vrijstelling bedoeld in artikel 400, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in artikel 16bis, punt c) van dit reglement.
Art. 1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder " instelling " of "instellingen", de kredietinstelling of kredietinstellingen bedoeld in artikel 400, lid 2, onder d) van Verordening (EU) nr. 575/2013, voor zover die kredietinstelling of kredietinstellingen krachtens artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening niet onder het rechtstreeks toezicht van de Europese Centrale Bank staan.
Art. 2. § 1. De instellingen passen de in de punten a) en b) bedoelde criteria toe om te bepalen of een in artikel 400, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde blootstelling voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden van artikel 400, lid 3, van de genoemde verordening.
a) Om te beoordelen of de specifieke aard van de blootstelling, van het centrale orgaan of van de regionale entiteiten waarmee de instelling in het kader van een netwerk is verbonden, of van de relatie tussen de instelling en het centrale orgaan of de regionale entiteiten, het blootstellingsrisico opheft of verkleint overeenkomstig artikel 400, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, gaan de instellingen na of :
i) er juridische of feitelijke belemmeringen van wezenlijke betekenis aanwezig of te voorzien zijn die verhinderen dat de tegenpartij van de instelling de terugbetalingen van de blootstelling op de vervaldagen verricht, behoudens in een herstel- of afwikkelingssituatie, waarin de in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad bedoelde beperkingen moeten worden toegepast;
ii) de betrokken blootstellingen stroken met de normale bedrijfsvoering en het bedrijfsmodel van de instelling of gerechtvaardigd zijn door de netwerkfinancieringsstructuur;
iii) de procedure voor het nemen van een besluit tot goedkeuring van een blootstelling van de instelling op het centrale orgaan of de regionale entiteiten, en de op die blootstellingen toepasselijke monitoring- en herzieningsprocedure, op het niveau van de instelling, en, in voorkomend geval, op geconsolideerd niveau, vergelijkbaar zijn met die welke worden toegepast voor de goedkeuring van een blootstelling op derden;
iv) de risicobeheerprocedures, het IT-systeem en de interne rapportering van de instelling het mogelijk maken voortdurend te controleren of en te verzekeren dat de grote blootstellingen op het centraal orgaan of de regionale entiteiten in overeenstemming zijn met de risicostrategie van de instelling.
b) Om te beoordelen of een resterend concentratierisico kan worden ondervangen met andere even doeltreffende middelen, zoals de regelingen, processen en mechanismen bedoeld in artikel 81 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad, overeenkomstig artikel 400, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, gaan de instellingen na of :
i) de instelling over robuuste processen, procedures en controles beschikt om te verzekeren dat de gebruikmaking van de vrijstelling niet resulteert in een concentratierisico dat het kader van haar risicostrategie te boven gaat;
ii) de instelling formeel met het uit blootstellingen op het centrale orgaan of de regionale entiteiten voortvloeiende concentratierisico rekening heeft gehouden als onderdeel van haar algemeen risicobeoordelingskader;
iii) de instelling over een risicobeheersingskader beschikt dat de betrokken blootstellingen adequaat monitort;
iv) het ontstane concentratierisico duidelijk is of zal worden geïdentificeerd in het Internal Capital Adequacy Assessment Process (ICAAP) van de instelling en actief zal worden beheerd. De regelingen, processen en mechanismen voor het concentratierisicobeheer zullen tijdens de procedure van prudentiële toetsing en evaluatie (SREP) beoordeeld worden.
§ 2. Om te beoordelen of het centrale orgaan of een regionale entiteit waarmee de instelling in het kader van een netwerk is verbonden, belast is met de verevening van onderlinge geldposities, als bedoeld in artikel 400, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, gaan de instellingen na of de statuten of oprichtingsakten van het centrale orgaan of de regionale entiteiten expliciet bepalen dat zij onder meer de volgende verantwoordelijkheden hebben :
a) marktfinanciering voor het hele netwerk;
b) verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk, overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013;
c) liquiditeitsverstrekking aan aangesloten instellingen;
d) afroming van het liquiditeitsoverschot van aangesloten instellingen.
§ 3. Om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden van de paragrafen 1 en 2, stellen de instellingen de volgende documenten op het eerste verzoek ter beschikking van de NBB :
a) een door de wettelijke vertegenwoordiger van de instelling ondertekende en door het wettelijk bestuursorgaan goedgekeurde brief waarin verklaard wordt dat de instelling voldoet aan alle in artikel 400, lid 3 van verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden voor de verlening van een vrijstelling als bedoeld in artikel 400, lid 2, onder d), van dezelfde verordening;
b) een door het wettelijk bestuursorgaan goedgekeurd juridisch advies van hetzij een onafhankelijke externe jurist, hetzij de interne juridische dienst, waarin wordt bevestigd dat er geen belemmeringen bestaan die verhinderen dat de blootstellingen van de instelling op het centrale orgaan of de regionale entiteiten, die voortvloeien uit hetzij bepalingen, die door of krachtens de wet van toepassing zijn op deze blootstellingen, waaronder fiscale bepalingen, hetzij bindende contractuele bepalingen, worden terugbetaald op de vervaldagen;
c) een door de wettelijke vertegenwoordiger ondertekende en door het wettelijk bestuursorgaan goedgekeurde verklaring dat :
i) er geen praktische belemmeringen bestaan voor de terugbetalingen op de vervaldagen van de blootstellingen van de instelling op het centrale orgaan of de regionale entiteiten;
ii) de netwerkfinancieringsstructuur de blootstellingen op het centrale orgaan of de regionale entiteiten rechtvaardigt;
iii) de procedure voor het nemen van een besluit tot goedkeuring van een blootstelling op het centrale orgaan of de regionale entiteiten, en de op die blootstellingen toepasselijke monitoring- en herzieningsprocedure, op het niveau van de instelling en op geconsolideerd niveau, vergelijkbaar zijn met die welke worden toegepast op blootstellingen op derden;
iv) rekening is gehouden met het uit blootstellingen op het centrale orgaan of de regionale entiteiten voortvloeiende concentratierisico als onderdeel van het algemene risicobeoordelingskader van de instelling;
d) door de wettelijke vertegenwoordiger ondertekende en door het wettelijk bestuursorgaan goedgekeurde documenten waarin verklaard wordt dat de procedures van de instelling voor de beoordeling, de meting en de beheersing van de risico's dezelfde zijn als die van het centrale orgaan en de regionale entiteiten, en dat de risicobeheerprocedures, het IT-systeem en de interne rapportage van de instelling het wettelijk bestuursorgaan in staat stellen het niveau van de grote blootstellingen voortdurend te monitoren, en voortdurend na te gaan of dit niveau strookt met de risicostrategie van de instelling, zowel op het niveau van de instelling als, in voorkomend geval, op geconsolideerd niveau, en met de beginselen van een deugdelijk intern liquiditeitsbeheer binnen het netwerk;
e) documenten die aantonen dat het Internal Capital Adequacy Assessment Process (ICAAP) het uit grote blootstellingen aan het centrale orgaan of de regionale entiteiten voortvloeiende concentratierisico duidelijk identificeert en dat dit risico actief wordt beheerd;
f) documenten die aantonen dat het concentratierisicobeheer strookt met het herstelplan van het netwerk.".
Art. 7. Le présent règlement est complété par une annexe rédigée comme suit :
" Annexe :
Conditions d'évaluation de l'exemption visée à l'article 400, paragraphe 2, point d), du Règlement (UE) n° 575/2013 et à l'article 16bis, point c), du présent règlement.
Art. 1er. Pour l'application de la présente annexe, on entend par " établissement " ou " établissements ", le ou les établissements de crédit visés à l'article 400, paragraphe 2, point d) du Règlement (UE) n° 575/2013, pour autant que le ou lesdits établissements de crédit ne relèvent pas de la surveillance directe de la Banque centrale européenne en vertu de l'article 6, paragraphe 4 du Règlement " MSU ".
Art. 2. § 1er. Les établissements appliquent les critères énoncés sous les points a) et b) lorsqu'ils déterminent si une exposition visée à l'article 400, paragraphe 2, point d), du Règlement (UE) n° 575/2013 répond aux conditions d'exemption prévues à l'article 400, paragraphe 3, dudit règlement.
a) Afin d'évaluer si la nature spécifique de l'exposition, de l'organisme central ou des entités régionales auxquelles l'établissement est associé au sein d'un réseau, ou de la relation entre l'établissement et l'organisme central ou les entités régionales, élimine ou réduit le risque de l'exposition conformément à l'article 400, paragraphe 3, point a), du Règlement (UE) n° 575/2013, les établissements examinent :
i) s'il existe, en droit ou en fait, des obstacles significatifs, actuels ou prévus, empêchant les remboursements aux échéances de l'exposition par la contrepartie de l'établissement, autres que dans une situation de redressement ou de résolution dans laquelle les restrictions énoncées dans la Directive 2014/59/UE du Parlement européen et du Conseil doivent être mises en oeuvre ;
ii) si les expositions concernées sont conformes à la conduite normale des affaires de l'établissement et à son modèle économique ou sont justifiées par la structure de financement du réseau ;
iii) si le processus d'adoption d'une décision destinée à approuver une exposition de l'établissement sur l'organisme central ou les entités régionales et le processus de suivi et de réexamen applicable à de telles expositions, au niveau de l'établissement et, le cas échéant, au niveau consolidé, sont semblables à ceux appliqués pour l'approbation d'une exposition sur des tiers ;
iv) si les procédures de gestion des risques, le système informatique et les rapports internes de l'établissement permettent de vérifier et de garantir en permanence que les grands risques encourus sur l'organisme central ou les entités régionales sont compatibles avec la stratégie de l'établissement en matière de risques.
b) Afin d'évaluer si un risque de concentration résiduel peut être traité par d'autres moyens d'une efficacité équivalente, tels que les dispositifs, processus et mécanismes visés à l'article 81 de la directive 2013/36/UE du Parlement européen et du Conseil, conformément à l'article 400, paragraphe 3, point b), du Règlement (UE) n° 575/2013, les établissements examinent si :
i) l'établissement dispose de processus, de procédures et de contrôles solides pour garantir que l'utilisation de l'exemption n'entraîne pas un risque de concentration dépassant le cadre fixé par sa stratégie en matière de risques ;
ii) l'établissement a formellement pris en compte le risque de concentration découlant d'expositions sur l'organisme central ou les entités régionales en tant qu'élément de son dispositif global d'évaluation des risques ;
iii) l'établissement dispose d'un dispositif de contrôle des risques qui suit de manière adéquate les expositions concernées ;
iv) le risque de concentration survenu a été ou sera clairement identifié dans le cadre du processus d'évaluation de l'adéquation du capital interne (ICAAP) de l'établissement et s'il sera géré activement. Les dispositifs, processus et mécanismes de gestion du risque de concentration seront évalués lors du processus de surveillance et d'évaluation prudentielle (SREP).
§ 2. En outre, pour évaluer si l'organisme central ou une entité régionale auquel ou à laquelle l'établissement est associé au sein d'un réseau est chargé d'opérer la compensation des liquidités prévue à l'article 400, paragraphe 2, point d), du Règlement (UE) n° 575/2013, les établissements vérifient si les statuts ou actes constitutifs de l'organisme central ou des entités régionales prévoient explicitement, mais pas uniquement, que ceux-ci sont en charge des responsabilités suivantes :
a) le financement sur les marchés pour l'ensemble du réseau ;
b) la compensation des liquidités au sein du réseau, conformément à l'article 10 du Règlement (UE) n° 575/2013 ;
c) la fourniture de liquidités aux établissements affiliés ;
d) l'absorption de l'excédent de liquidité des établissements affiliés.
§ 3. Afin de vérifier si les conditions visées aux paragraphes 1er et 2 sont remplies, les établissements mettent à disposition de la BNB, à la première demande, les documents suivants :
a) une lettre signée par le représentant légal de l'établissement, approuvée par l'organe légal d'administration, attestant que l'établissement remplit toutes les conditions visées à l'article 400, paragraphe 3 du Règlement (UE) n° 575/2013, nécessaires à l'octroi d'une exemption visée à l'article 400, paragraphe 2, point d) du même règlement ;
b) un avis juridique, émis par un juriste externe indépendant ou par le service juridique interne, et approuvé par l'organe légal d'administration, établissant qu'il n'existe aucun obstacle aux remboursements, aux échéances, des expositions de l'établissement sur l'organisme central ou les entités régionales, résultant soit de dispositions qui leur sont applicables par ou en vertu de la loi, y compris des dispositions en matière fiscale, soit de dispositions contractuelles qui les lient ;
c) une déclaration signée par le représentant légal et approuvée par l'organe légal d'administration attestant :
i) qu'il n'existe aucun obstacle concret empêchant les remboursements aux échéances d'expositions de l'établissement sur l'organisme central ou les entités régionales ;
ii) que les expositions sur l'organisme central ou les entités régionales sont justifiées par la structure de financement du réseau ;
iii) que le processus d'adoption d'une décision destinée à approuver une exposition sur l'organisme central ou les entités régionales et le processus de suivi et de réexamen applicable à de telles expositions, au niveau de l'établissement et au niveau consolidé, sont semblables à ceux appliqués pour les expositions sur des tiers ;
iv) que le risque de concentration résultant d'expositions sur l'organisme central ou les entités régionales a été pris en compte en tant qu'élément du dispositif général d'évaluation des risques de l'établissement ;
d) les documents signés par le représentant légal et approuvés par l'organe légal d'administration, attestant que les procédures de l'établissement en matière d'évaluation, de mesure et de contrôle des risques sont identiques à celles de l'organisme central et des entités régionales et que les procédures de gestion des risques, le système informatique et les rapports internes de l'établissement permettent à l'organe légal d'administration de suivre en permanence le niveau des grands risques et sa conformité avec la stratégie en matière de risques de l'établissement et ce tant au niveau de l'établissement que, le cas échéant, au niveau consolidé, ainsi qu'avec les principes d'une gestion interne saine de la liquidité au sein du réseau ;
e) les documents démontrant que le processus d'évaluation de l'adéquation du capital interne (ICAAP) identifie clairement le risque de concentration découlant des grands risques encourus sur l'organisme central ou les entités régionales et que ce risque est géré activement ;
f) les documents démontrant que la gestion du risque de concentration est cohérente avec le plan de redressement du réseau. ".
Art. 8. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2018.
Art. 8. Le présent règlement entre en vigueur le 1er janvier 2018.