Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
22 JUNI 2017. - Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 2 februari 2017 betreffende de steun voor tewerkstelling ten behoeve van de doelgroepen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-07-2017 en tekstbijwerking tot 31-12-2025)
Titre
22 JUIN 2017. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon portant exĂ©cution du dĂ©cret du 2 fĂ©vrier 2017 relatif aux aides Ă  l'emploi Ă  destination des groupes-cibles(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 26-07-2017 et mise Ă  jour au 31-12-2025)
Documentinformatie
Numac: 2017203927
Datum: 2017-06-22
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2017203927
Date: 2017-06-22
Moniteur: Voir
Tekst (22)
Texte (22)
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° het decreet van 2 februari 2017: het decreet van 2 februari 2017 betreffende de steun voor tewerkstelling ten behoeve van de doelgroepen;
2° de Minister: De Minister bevoegd voor Tewerkstelling;
[1 3° het Departement Inspectie: het Departement Inspectie van het Operationele Directoraat-generaal Economie, Tewerkstelling en Onderzoek van de Waalse Overheidsdienst.]1
Article 1er. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'on entend par :
1° le décret du 2 février 2017 : le décret du 2 février 2017 relatif aux aides à l'emploi à destination des groupes-cibles;
2° le Ministre : le Ministre qui a l'Emploi dans ses attributions;
[1 3° le Département de l'Inspection : le Département de l'Inspection de la Direction générale opérationnelle Economie, Emploi et Recherche du Service public de Wallonie.]1
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit worden de volgende periodes gelijkgesteld met de periode van werkloosheid voor de berekening van de duur ervan in de zin van artikel 1, tweede lid, 5°, van het decreet van 2 februari 2017:
1° de periode tijdens dewelke een arbeidsovereenkomst, een statutaire relatie of een activiteit van zelfstandige als hoofdactiviteit wordt uitgeoefend, voor zover de totale duur ervan, ononderbroken of onderbroken, niet meer dan eenendertig dagen bedraagt;
2° de periode tijdens dewelke de inschrijving van de werkzoekende wordt doorgehaald voor het hervatten van studies of voor de objectivering;
3° de periode tijdens dewelke de inschrijving van de werkzoekende wordt doorgehaald voor de betaling van een uitkering met toepassing van de wettelijke of reglementaire bepalingen inzake de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;
4° de periode tijdens dewelke de persoon werd ingeschreven als werkzoekende bij de overheden van een ander Gewest, de Duitstalige Gemeenschap of een andere lidstaat van de Europese Unie en tijdens dewelke ze niet werkt;
5° de periode tijdens dewelke de werkzoekende in aanmerking komt voor de maatschappelijke integratie overeenkomstig de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie of de financiële maatschappelijke hulp voor de personen van buitenlandse herkomst, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die wegens hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie.
Art. 2. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, sont assimilĂ©es Ă  la pĂ©riode d'inoccupation pour le calcul de sa durĂ©e, au sens de l'article 1er, alinĂ©a 1er, 5°, du dĂ©cret du 2 fĂ©vrier 2017, les pĂ©riodes suivantes :
1° la période pendant laquelle un contrat de travail, une relation statutaire ou une activité d'indépendant à titre principal est exercée, pour autant que sa durée totale, continue ou discontinue, n'excÚde pas trente et un jours;
2° la période pendant laquelle l'inscription du demandeur d'emploi a été radiée pour la reprise d'études ou pour l'objectivation;
3° la période pendant laquelle l'inscription du demandeur d'emploi a été radiée pour le paiement d'une allocation par application des dispositions légales ou réglementaires en matiÚre d'assurance obligatoire contre la maladie ou l'invalidité;
4° la période pendant laquelle la personne a été inscrite en qualité de demandeur d'emploi auprÚs des autorités publiques d'une autre Région, de la Communauté germanophone ou d'un autre Etat-membre de l'Union européenne, et pendant laquelle elle est inoccupée;
5° la période pendant laquelle le demandeur d'emploi bénéficie de l'intégration sociale en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale ou de l'aide sociale financiÚre pour les personnes de nationalité étrangÚre, inscrites au registre des étrangers, qui en raison de leur nationalité ne peuvent pas prétendre au droit à l'intégration sociale.
Art. 3. [1 De bedragen van de maandelijkse afbetalingen van de werkuitkering bedoeld in artikel 4 van het decreet van 2 februari 2017 bedragen 500 euro van de eerste tot de vierentwintigste maand.]1
Art. 3. [1 Les montants des mensualités des allocations de travail visées à l'article 4 du décret du 2 février 2017, sont de 500 euros du premier au vingt-quatriÚme mois.]1
Art. 4. [1 De bedragen van de maandelijkse afbetalingen van de werkuitkering bedoeld in artikel 3 van het decreet van 2 februari 2017 bedragen 500 euro van de eerste tot de twaalfde maand.]1
Art. 4. [1 Les montants des mensualités des allocations de travail visées à l'article 3 du décret du 2 février 2017, sont de 500 euros du premier au douziÚme mois.]1
Art. 5. § 1er. Het dossier van aanvraag voor de activering van de werkuitkering, bedoeld in artikel 133, § 1, 10°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, wordt ingediend door de werkzoekende overeenkomstig de bepalingen genomen krachtens artikel 138, eerste lid, 4°, van het voornoemde koninklijk besluit.
Het volledig dossier bedoeld in het eerste lid wordt in ontvangst genomen door de RVA binnen de twee maanden die volgen op de maand waarin de tewerkstelling is begonnen. Bij gebrek, wordt de aanvraag laat overgemaakt.
Het dossier wordt geacht volledig te zijn als hij het formulier van persoonlijke werkloosheidsverklaring C 109 bevat waarvan het model door de RVA wordt opgesteld, een afschrift van de arbeidsovereenkomst en een origineel exemplaar van de bijlage bij de arbeidsovereenkomst waarvan het model door de FOREm wordt opgesteld, en overeenstemmend met het "bewijs van aanvang van een tewerkstelling met activeringsuitkeringen" zoals bedoeld in artikel 137, § 1, 4°, van het voornoemd koninklijk besluit. De bijlage bij de arbeidsovereenkomst wordt ingevuld en ondertekend door de werkgever en de werkzoekende samen met de ondertekening van de arbeidsvovereenkomst.
§ 2. Wanneer de werkzoekende wordt tewerkgesteld bij verschillende werkgevers, dient hij een volledig dossier in van aanvraag voor de activering van de werkuitkering voor elke tewerkstelling, volgens de chronologische volgorde van zijn indiensttredingen bij zijn werkgevers.
§ 3. [3 ...]3
Art. 5. § 1er. Le dossier de demande d'activation de l'allocation de travail, visĂ© Ă  l'article 133, § 1er, 10°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage, est introduit par le demandeur d'emploi conformĂ©ment aux dispositions prises en vertu de l'article 138, alinĂ©a 1er, 4°, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ©.
Le dossier complet visé à l'alinéa 1er est réceptionné par l'ONEm dans les deux mois qui suivent le mois au cours duquel l'occupation a débuté. A défaut, la demande est tardive.
Le dossier est rĂ©putĂ© complet lorsqu'il contient le formulaire de dĂ©claration personnelle de chĂŽmage C109 dont le modĂšle est Ă©tabli par l'ONEm, une copie du contrat de travail et un exemplaire original de l'annexe au contrat de travail, dont le modĂšle est Ă©tabli par le FOREm, et correspondant au "certificat de dĂ©but d'une occupation avec allocations d'activation" tel que visĂ© Ă  l'article 137, § 1er, 4°, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ©. L'annexe au contrat de travail est complĂ©tĂ©e et signĂ©e par l'employeur et le demandeur d'emploi concomitamment Ă  la signature du contrat de travail.
§ 2. Lorsque le demandeur d'emploi est occupé auprÚs de différents employeurs, il introduit un dossier complet de demande d'activation de l'allocation de travail pour chaque occupation, suivant l'ordre chronologique de ses entrées en service auprÚs de ces employeurs.
§ 3. [3 ...]3
Art. 6. § 1er. De berekening van de duur van het recht op de werkuitkering vangt aan op de eerste dag van de maand van de indiensttreding.
Wanneer de werkzoekende is tewerkgesteld bij verschillende werkgevers, begint de berekening van de duur van het recht op de werkuitkering de eerste dag van de maand van de indiensttreding betreffende de tewerkstelling waarvoor de werkzoekende zijn eerste aanvraag voor de activering van de werkuitkering heeft ingediend.
§ 2. De werkuitkering wordt toegekend vanaf de datum van de indiensttreding.
In geval van laattijdige aanvraag wordt de werkuitkering toegekend vanaf de eerste dag van de maand waarin de ontvangstdatum van de aanvraag gelegen is. De werkuitkering wordt evenwel toegekend vanaf de indiensttreding wanneer de werkgever aantoont dat overeenkomstig de bijlage bij de arbeidsovereenkomst, de werkuitkering effectief in mindering is gebracht vanaf de eerste betaling van de bezoldiging.
Wanneer de werkzoekende wordt tewerkgesteld bij verschillende werkgevers, als hij de dossiers van aanvraag voor de activering in de chronologische volgorde van zijn indiensttredingen heeft ingediend, wordt de werkuitkering toegekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid.
Wanneer de werkzoekende wordt tewerkgesteld bij verschillende werkgevers, als hij de dossiers van aanvraag voor de activering in de chronologische volgorde van zijn indiensttredingen niet heeft ingediend, voor zover hij de voorwaarden van de artikelen 3 of 4 van het decreet van 2 februari 2017 verenigt, wordt de werkuitkering toegekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid en, ten vroegste, de eerste dag van de maand van de indiensttreding betreffende de tewerkstelling waarvoor de werkzoekende de eerste aanvraag voor de activering van de werkuitkering heeft ingediend, zelfs als de werkgever aantoont, overeenkomstig de bijlage bij de arbeidsovereenkomst, dat de werkuitkering effectief in mindering werd gebracht vanaf de eerste betaling van de bezoldiging.
Art. 6. § 1er. Le calcul de la durée du droit à l'allocation de travail débute le premier jour du mois de l'entrée en service.
Lorsque le demandeur d'emploi est occupé auprÚs de différents employeurs, le calcul de la durée du droit à l'allocation de travail débute le premier jour du mois de l'entrée en service relative à l'occupation pour laquelle le demandeur d'emploi a introduit sa premiÚre demande d'activation de l'allocation de travail.
§ 2. L'allocation de travail est octroyée à partir de la date de l'entrée en service.
En cas de demande tardive, l'allocation de travail est octroyée à partir du premier jour du mois dans lequel est située la date de la réception de la demande. Toutefois, l'allocation de travail est octroyée à partir de l'entrée en service lorsque l'employeur démontre que conformément à l'annexe au contrat de travail, l'allocation de travail a effectivement été déduite à partir du premier paiement de la rémunération.
Lorsque le demandeur d'emploi est occupé auprÚs de différents employeurs, s'il a introduit les dossiers de demande d'activation dans l'ordre chronologique de ses entrées en service, l'allocation de travail est octroyée conformément aux alinéas 1er et 2.
Lorsque le demandeur d'emploi est occupĂ© auprĂšs de diffĂ©rents employeurs, s'il n'a pas introduit les dossiers de demande d'activation dans l'ordre chronologique de ses entrĂ©es en service, l'allocation est octroyĂ©e pour autant qu'il rĂ©unisse les conditions des articles 3 ou 4 du dĂ©cret du 2 fĂ©vrier 2017, conformĂ©ment aux alinĂ©as 1er et 2, et, au plus tĂŽt, le premier jour du mois de l'entrĂ©e en service relative Ă  l'occupation pour laquelle le demandeur d'emploi a introduit la premiĂšre demande d'activation de l'allocation de travail, mĂȘme lorsque l'employeur dĂ©montre que conformĂ©ment Ă  l'annexe au contrat de travail, l'allocation de travail a effectivement Ă©tĂ© dĂ©duite Ă  partir du premier paiement de la rĂ©munĂ©ration.
Art. 7. Om ervoor te zorgen dat de werkuitkering aan de werkzoekende wordt uitbetaald, vult de werkgever maandelijks een elektronische aangifte van het sociaal risico in, met als opschrift e-ASR-Werkloosheid: scénario 8.
De betaling van de werkuitkeringen wordt geregeld door Hoofdstuk VII - Betaling van de uitkering en Hoofdstuk VIII - Indiening en verificatie van de betalingen van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
Art. 7. Pour que l'allocation de travail soit payée au demandeur d'emploi, l'employeur remplit mensuellement une déclaration électronique du risque social, intitulée e-DRS-ChÎmage : scénario 8.
Le paiement des allocations de travail est rĂ©glĂ© par le Chapitre VII- Paiement de l'allocation et le Chapitre VIII - Introduction et vĂ©rification des paiements de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage.
Art. 8. De werkgever stelt de RVA in kennis van een arbeidsongeval dat de werknemer overkomt en hij verricht, in geval van terugbetaling door de arbeidsongevallenverzekeraar, aan de RVA een betaling van een bedrag gelijk aan het resultaat van de formule A X B X C/D, waarbij :
A gelijk is aan 0,9;
B gelijk is aan de uitkering betaald voor de beschouwde maand;
C gelijk is aan het belastbaar bedrag van het loon voor de periode van arbeidsongeschiktheid in de beschouwde maand;
D gelijk is aan het belastbaar bedrag van het loon voor de beschouwde maand.
Art. 8. L'employeur informe l'ONEm d'un accident de travail dont le demandeur d'emploi est victime et, en cas de remboursement par l'assurance accidents de travail, il effectue Ă  l'ONEm un paiement d'un montant Ă©gal au rĂ©sultat de la formule A X B X C/D, oĂč :
- A est égal à 0,9;
- B est égal à l'allocation payée pour le mois considéré;
- C est égal au montant imposable de la rémunération pour la période d'incapacité de travail dans le mois considéré;
- D est égal au montant imposable de la rémunération pour le mois considéré.
Art. 9. De databank wordt bijgewerkt overeenkomstig artikel 12, derde lid, van het decreet van 2 februari 2017, vanaf authentieke bronnen, met uitzondering van:
1° de aangifte van de werkzoekende betreffende zijn kwalificatieniveau;
2° de attesten afgeleverd bij gebrek aan toegang tot de authentieke bronnen.
Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, van het decreet van 2 februari 2017, heeft de RVA toegang tot de databank bedoeld in artikel 12 van het voornoemd decreet.
Art. 9. La banque de données est mise à jour, conformément à l'article 12, alinéa 3, du décret du 2 février 2017, à partir de sources authentiques, à l'exception de :
1° la déclaration du demandeur d'emploi relativement à son niveau de qualification;
2° les attestations délivrées en l'absence d'accÚs aux sources authentiques.
Aux fins de l'application de l'article 8, alinéa 1er, du décret du 2 février 2017, l'ONEm accÚde à la banque de données visée à l'article 12 du décret précité.
Art. 10. Wanneer de RVA vaststelt dat de voorwaarden voor de toekenning, de schorsing, de stopzetting of de terugvordering van de activering van de werkuitkeringen, bedoeld in artikel 8 van het decreet van 2 februari 2017 zijn verenigd, brengt hij de werkzoekende en de werkgever daarvan op de hoogte.
Art. 10. Lorsque l'ONEm constate que les conditions d'octroi, de suspension, de cessation ou de récupération de l'activation des allocations de travail, visées à l'article 8 du décret du 2 février 2017, sont réunies, il en informe le demandeur d'emploi et l'employeur.
Art. 11. De RVA brengt de werkzoekende en de werkgever op de hoogte van de datum van kennisneming van de oorzaak van de opschorting bedoeld in artikel 10, eerste lid, 2°, van het decreet van 2 februari 2017.
Om de opheffing van de schorsing bedoeld in artikel 10, derde lid, van het decreet van 2 februari 2017 te verkrijgen, is de werkzoekende ingeschreven bij de RVA sinds minstens één dag en behalve het geval van de toestand bedoeld in artikel 5, § 3, dient hij een dossier in van aanvraag voor de activering van de werkuitkering overeenkomstig artikel 5.
Telkens als de toekenning van de steun wordt geschorst voor een ononderbroken of onderbroken duur van 31 dagen, wordt hij met één maand verlengd. De dagen van de maand die voorafgaan aan de indiensttreding betreffende de tewerkstelling waarvoor de werkzoekende zijn eerste aanvraag voor de activering heeft ingediend, zijn inbegrepen in de berekening van de duur van de schorsing.
Art. 11. L'ONEm informe le demandeur d'emploi et l'employeur de la date de prise de connaissance de la cause de suspension visée à l'article 10, alinéa 1er, 2°, du décret du 2 février 2017.
Pour obtenir la levée de la suspension, visée à l'article 10, alinéa 3, du décret du 2 février 2017, le demandeur d'emploi est inscrit au FOREm depuis au moins un jour et excepté le cas de la situation visée à l'article 5, § 3, introduit un dossier de demande d'activation de l'allocation de travail conformément à l'article 5.
Chaque fois que l'octroi de l'aide est suspendu pour une durée continue ou discontinue de 31 jours, il est prorogé d'un mois. Les jours du mois qui précÚdent l'entrée en service relative à l'occupation pour laquelle le demandeur d'emploi a introduit sa premiÚre demande d'activation, sont inclus dans le calcul de la durée de la suspension.
Art. 12. De duur van de ononderbroken schorsingsperiode bedoeld in artikel 11, eerste lid, 3°, van het decreet van 2 februari 2017 bedraagt twaalf maanden.
Art. 12. La durée de la période de suspension ininterrompue visée à l'article 11, alinéa 1er, 3°, du décret du 2 février 2017 est de douze mois.
Art. 13. Wanneer werkuitkeringen werden ontvangen in tegenstelling tot de informatie vervat in de databank bedoeld in artikel 12 van het voornoemd decreet, neemt de RVA, in dit geval, overeenkomstig Hoofdstuk IX-Terugvordering van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, een beslissing van terugvordering van de werkuitkeringen die onrechtmatig zijn uitbetaald.
Art. 13. Lorsque des allocations de travail ont Ă©tĂ© perçues contrairement aux informations contenues dans la banque de donnĂ©es visĂ©e Ă  l'article 12 du dĂ©cret prĂ©citĂ©, l'ONEm, conformĂ©ment au Chapitre IX-RĂ©cupĂ©rations de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage, prend, dans ce cas, une dĂ©cision de rĂ©cupĂ©ration des allocations de travail versĂ©es indĂ»ment.
Art. 14. § 1er. Wanneer op basis van de controle bedoeld in artikel 14 van het decreet van 2 februari 2017, [1 het Departement Inspectie]1 een tekortkoming vaststelt, verwittigt [1 het]1 de werknemer en zijn werkgever(s) bij aangetekend schrijven.
Binnen een termijn van twee maanden te rekenen van de ontvangst van het aangetekend schrijven, kunnen de werknemer en zijn werkgever(s) hun opmerkingen schriftelijk laten gelden en verzoeken om gehoord te worden. In het geval van een verzoek om gehoord te worden, roept [1 de Inspectie]1 de werknemer en zijn werkgever(s) op om in hun wegen en middelen gehoord te worden door de Sociale inspectie binnen een termijn van veertig dagen te rekenen van het verstrijken van de termijn van twee maanden die ingaat op de ontvangstdatum van het aangetekend schrijven. De werknemer die schriftelijk heeft meegedeeld dat hij niet wenst gehoord te worden, wordt niet opgeroepen.
De oproepingen gebeuren door middel van een geschrift dat de reden, de dag en het uur van het verhoor vermeldt, alsmede de mogelijkheid om niet te verschijnen doch schriftelijk verweermiddelen naar voren te brengen. De oproepingen vermelden de feiten of klachten, de aard van de overwogen maatregelen en wijzen de betrokkene erop dat hij kan kennis nemen van de stukken van zijn dossier. Het verhoor vindt ten vroegste plaats de tiende dag na de afgifte van de uitnodiging ter post.
Indien de werknemer de dag waarvoor hij opgeroepen werd belet is, mag hij vragen dat het verhoor verdaagd wordt tot een datum die niet later mag vallen dan vijftien dagen na die welke eerst was vastgesteld. Behoudens gevallen van overmacht wordt het uitstel slechts eenmaal verleend. De vraag tot uitstel moet, behoudens overmacht, uiterlijk toekomen op [1 de Inspectie]1 de dag voorafgaand aan deze waarvoor hij opgeroepen werd.
De werknemer en de werkgever kunnen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat of door een afgevaardigde van een werknemers- of werkgeversorganisatie.
§ 2. Als na afloop van de procedure bedoeld in paragraaf 1, [1 de Inspectie]1 het bestaan van een tekortkoming vaststelt, brengt [1 het]1 de FOREm op de hoogte die, bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing, beslist over de stopzetting van de toekenning van de werkuitkering.
De FOREm betekent zijn beslissing aan de werknemer en aan de werkgever, via een zending met vaste datum, en bepaalt in zijn beslissing de termijnen en middelen van beroep.
§ 3. De FOREm maakt de beslissing bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, over aan de RVA opdat de RVA zou overgaan tot de stopzetting van de werkuitkering vanaf de eerste dag van de tweede maand die volgt op de kennisneming door de RVA van de beslissing van de FOREm om de toekenning van de werkuitkering stop te zetten. De RVA brengt de werknemer en de werkgever op de hoogte van de datum van inwerkingtreding van de stopzetting van de toekenning van de werkuitkering.
Art. 14. § 1er. Lorsque sur la base du contrÎle visé à l'article 14 du décret du 2 février 2017, [1 le Département de l'Inspection]1 constate un manquement, [1 il]1 avertit par lettre recommandée le travailleur et son ou ses employeurs.
Dans un dĂ©lai de deux mois Ă  dater de la rĂ©ception de la lettre recommandĂ©e d'avertissement, le travailleur et son ou ses employeurs, peuvent faire valoir leurs observations par Ă©crit et demander Ă  ĂȘtre entendus. Dans le cas d'une demande d'audition, [1 l'Inspection]1 convoque le travailleur et son ou ses employeurs pour qu'ils puissent ĂȘtre entendus en leurs voies et moyens par l'Inspection sociale dans un dĂ©lai de quarante jours Ă  dater de l'Ă©chĂ©ance du dĂ©lai de deux mois prenant cours Ă  la date de rĂ©ception la lettre recommandĂ©e d'avertissement. Le travailleur qui a communiquĂ© par Ă©crit qu'il ne souhaite pas ĂȘtre entendu, n'est pas convoquĂ©.
Les convocations sont faites au moyen d'un écrit mentionnant le motif, le jour et l'heure de l'audition, ainsi que la possibilité de ne pas se présenter mais de communiquer les moyens de défense par écrit. Les convocations énoncent les faits ou griefs, la nature des mesures envisagées et indiquent à l'intéressé qu'il peut prendre connaissance des piÚces de son dossier. Les auditions ont lieu au plus tÎt le dixiÚme jour qui suit la remise des convocations à la poste.
Si le travailleur ou l'employeur est empĂȘchĂ© le jour oĂč il a Ă©tĂ© convoquĂ©, il peut demander la remise de l'audition Ă  une date qui ne peut ĂȘtre postĂ©rieure de plus de quinze jours Ă  celle qui Ă©tait fixĂ©e pour la premiĂšre audition. La remise n'est accordĂ©e qu'une seule fois, sauf cas de force majeure. La demande de remise doit, sauf cas de force majeure, parvenir Ă  [1 l'Inspection]1 au plus tard le jour prĂ©cĂ©dant celui de la convocation.
Le travailleur et l'employeur peuvent se faire représenter ou assister par un avocat ou par un délégué d'une organisation de travailleurs ou d'employeurs.
§ 2. Si au terme de la procédure visée au paragraphe 1er, [1 l'Inspection]1 constate l'existence de manquement, [1 il]1 en informe le FOREm qui décide, par décision écrite et motivée, de la cessation de l'octroi de l'allocation de travail.
Le FOREm notifie sa décision au travailleur et à l'employeur, par envoi ayant date certaine, et y précise les délais et voie de recours.
§ 3. Le FOREm transmet la décision visée au paragraphe 2, alinéa 1er, à l'ONEM pour qu'il procÚde à la cessation de l'allocation de travail à partir du premier jour du deuxiÚme mois qui suit la prise de connaissance par l'ONEm de la décision du FOREm de la cessation de l'octroi de l'allocation de travail. L'ONEm informe le travailleur et l'employeur de la date de prise d'effet de la cessation de l'octroi de l'allocation de travail.
Art. 15. In het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, vervangen bij het koninklijk besluit van 24 januari 2013 wordt een artikel 4/1 ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 4/1. De loongrens bepaald in artikel 6/1 wordt met 2 % verhoogd voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, voortvloeiend uit de koppeling aan de index bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van de voornoemde wet van 20 december 1999, vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrens wordt verhoogd of, als deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, vanaf dat kwartaal.
Het resultaat van de berekening bedoeld in het vorig lid, wordt tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, en 0,005 wordt naar 0,01 EUR afgerond.
Deze bepaling wordt toegepast vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het bedrag van de betrokken loongrens wordt bepaald".
Art. 15. Dans l'arrĂȘtĂ© royal du 16 mai 2003 pris en exĂ©cution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 (I), visant Ă  harmoniser et Ă  simplifier les rĂ©gimes de rĂ©ductions de cotisations de sĂ©curitĂ© sociale, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 24 janvier 2013, il est insĂ©rĂ© un article 4/1 rĂ©digĂ© comme suit :
" Art. 4/1. Le plafond salarial déterminé à l'article 6/1 est augmenté de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ce plafond salarial est augmenté ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Cette disposition est appliquée à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial concerné est déterminé".
Art. 16. Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
"Art.6. De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 339 van de programmawet (I) van 24 december 2002, kan worden toegekend voor een forfaitair bedrag van:
1° G2 zoals vastgelegd bij Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002 en tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen per kwartaal voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens de leeftijd van 55 tot 57 jaar hebben bereikt;
2° G1 zoals vastgelegd bij Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002 en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, per kwartaal voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens de leeftijd van 58 tot 61 jaar hebben bereikt;
3° G8 zoals vastgelegd bij Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002 en tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen per kwartaal voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens 62 jaar zijn".
Art. 16. L'article 6 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 6. La rĂ©duction groupe-cible, visĂ©e Ă  l'article 339 de la loi-programme (I) du 24 dĂ©cembre 2002, peut ĂȘtre octroyĂ©e pour un montant forfaitaire s'Ă©levant Ă  :
1° G2 tel que fixĂ© par arrĂȘtĂ© royal du 12 juin 2013 portant exĂ©cution de l'article 336 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 et modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 16 mai 2003 pris en exĂ©cution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 (I), visant Ă  harmoniser et Ă  simplifier les rĂ©gimes de rĂ©ductions de cotisations de sĂ©curitĂ© sociale par trimestre pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont ĂągĂ©s d'au moins 55 Ă  57 ans;
2° G1 tel que fixĂ© par arrĂȘtĂ© royal du 12 juin 2013 portant exĂ©cution de l'article 336 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 et modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 16 mai 2003 pris en exĂ©cution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 (I), visant Ă  harmoniser et Ă  simplifier les rĂ©gimes de rĂ©ductions de cotisations de sĂ©curitĂ© sociale, par trimestre pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont ĂągĂ©s d'au moins 58 Ă  61 ans;
3° G8 tel que fixĂ© par arrĂȘtĂ© royal du 12 juin 2013 portant exĂ©cution de l'article 336 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 et modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 16 mai 2003 pris en exĂ©cution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 (I), visant Ă  harmoniser et Ă  simplifier les rĂ©gimes de rĂ©ductions de cotisations de sĂ©curitĂ© sociale, par trimestre pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont ĂągĂ©s d'au moins 62 ans. ".
Art. 17. In hetzelfde besluit wordt een artikel 6/1 ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 6/1. De loongrens bedoeld in artikel 339, eerste lid, 2°, van de programmawet (I) van 24 december 2002, bedraagt 13.942,47 euro per kwartaal".
Art. 17. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un article 6/1 rĂ©digĂ© comme suit :
" Art. 6/1. Le plafond salarial visé à l'article 339, alinéa 1er, 2°, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, s'élÚve à 13.942,47 euros par trimestre. ".
Art. 18. De Minister belast de FOREm ermee, in samenwerking met het Waals Instituut voor Evaluatie, Prospectief Beleid en Statistiek, om over te gaan tot de evaluatie bedoeld in artikel 18 van het decreet van 2 februari 2017.
De evaluatie kan de volgende informatie bevatten:
1° betreffende de werkzoekenden en de werknemers:
a) het aantal werkzoekenden waaraan de werkuitkering bedoeld in de artikelen 3 en 4 van het decreet van 2 februari 2017 verleend wordt of werd;
b) het profiel van de werkzoekenden: werkloosheidsduur, kwalificatieniveau, leeftijd, geslacht, woonplaats;
c) het aantal werknemers die tewerkgesteld blijven na de stopzetting van de toekenning van de werkuitkeringen;
d) het aantal schorsingen bedoeld in artikel 10 van het decreet van 2 februari 2017 gerangschikt per oorzaak van schorsing;
e) het aantal stopzettingen bedoeld in artikel 11, eerste lid, 3°, van het decreet van 2 februari 2017;
f) het aantal werknemers waaraan de doelgroepvermindering sociale bijdragen bedoeld in artikel 339 van de programmawet verleend wordt of werd;
g) het aantal gevallen van cumulatie van de werkuitkeringen met de doelgroepvermindering sociale bijdragen bedoeld in artikel 339 van de programmawet;
2° betreffende de werkgevers :
a) de omvang van het bedrijf, in aantal werknemers met een arbeidsovereenkomst met de werkgever;
b) de lokalisering van de inrichtingseenheid waarin de werkzoekende is tewerkgesteld;
c) het type rechtspersoonlijkheid van de werkgever;
d) de voornaamste activiteitensector en het voornaamste paritair comité.
In de aanvraag die hij aan de FOREm richt, kan de Minister de bijkomende gegevens die moeten beoordeeld worden, bepalen
Art. 18. Le Ministre charge le FOREm, en collaboration avec l'Institut wallon de l'évaluation, de la prospective et de la statistique, de procéder à l'évaluation visée à l'article 18 du décret du 2 février 2017.
L'évaluation peut comprendre les informations suivantes :
1° relatives aux demandeurs d'emploi et aux travailleurs :
a) le nombre de demandeurs d'emploi ayant bénéficié ou bénéficiant des allocations de travail visées aux articles 3 et 4 du décret du 2 février 2017, par groupe-cible;
b) le profil des demandeurs d'emploi : durée d'inoccupation, niveau de qualification, ùge, sexe, domicile;
c) le nombre de travailleurs maintenus Ă  l'emploi aprĂšs la cessation de l'octroi des allocations de travail;
d) le nombre de suspensions visées à l'article 10 du décret du 2 février 2017 classées par cause de suspension;
e) le nombre de cessations visées à l'article 11, alinéa 1er, 3°, du décret du 2 février 2017;
f) le nombre de travailleurs ayant bénéficié ou bénéficiant de la réduction de cotisations sociales groupe-cible visée à l'article 339 de la loi-programme;
g) le nombre de cas de cumul des allocations de travail avec la réduction de cotisations sociales groupe-cible visée à l'article 339 de la loi-programme;
2° relatives aux employeurs :
a) la taille de l'entreprise, en nombre de travailleurs sous contrat de travail avec l'employeur;
b) la localisation de l'unité d'établissement dans laquelle le travailleur est occupé;
c) le type de personnalité juridique de l'employeur;
d) le secteur principal d'activités et la commission paritaire principale.
Dans la demande qu'il adresse au FOREm, le Ministre peut préciser les données complémentaires à évaluer.
Art. 19. Voor de toepassing van artikel 32, tweede lid, van het decreet van 2 februari 2017, is het refertekwartaalloon bedoeld in artikel 28/1, tweede lid, 3°, eerste streepje, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I) betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, vastgelegd op 13.942,47 euro. De loongrens wordt met 2 % verhoogd voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, voortvloeiend uit de koppeling aan de index bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van de voornoemde wet van 20 december 1999, vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrens wordt verhoogd of, als deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, vanaf dat kwartaal.
Het resultaat van de berekening bedoeld in het vorig lid, wordt tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, en 0,005 wordt naar 0,01 EUR afgerond.
Deze bepaling wordt toegepast vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het bedrag van de betrokken loongrens wordt bepaald.
Art. 19. Pour l'application de l'article 32, alinĂ©a 2, du dĂ©cret du 2 fĂ©vrier 2017, le salaire trimestriel de rĂ©fĂ©rence, visĂ© Ă  l'article 28/1, alinĂ©a 2, 3°, 1er tiret, de l'arrĂȘtĂ© royal du 16 mai 2003 pris en exĂ©cution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 (I), visant Ă  harmoniser et Ă  simplifier les rĂ©gimes de rĂ©ductions de cotisations de sĂ©curitĂ© sociale, est fixĂ© Ă  13.942,47 euros. Ce plafond salarial est augmentĂ© de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visĂ©s Ă  l'article 2 de la loi du 20 dĂ©cembre 1999 visant Ă  octroyer un bonus Ă  l'emploi sous la forme d'une rĂ©duction des cotisations personnelles de sĂ©curitĂ© sociale aux travailleurs salariĂ©s ayant un bas salaire et Ă  certains travailleurs qui ont Ă©tĂ© victimes d'une restructuration, rĂ©sultant de la liaison Ă  l'index visĂ©e Ă  l'article 2, § 2, alinĂ©a 3, de la loi du 20 dĂ©cembre 1999 prĂ©citĂ©e, Ă  partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ce plafond salarial est augmentĂ© ou, si cette augmentation coĂŻncide avec le dĂ©but d'un trimestre, Ă  partir de ce trimestre.
Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Cette disposition est appliquée à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial concerné est déterminé.
Art. 20. De aanvragen van de werkkaarten en de aanvragen om herziening van de werkkaarten van de werknemers die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn aangeworven, overeenkomstig de voorwaarden bepaald krachtens het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden, het koninklijk besluit van 29 maart 2006 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ter bevordering van de tewerkstelling van laaggeschoolde of erg laag geschoolde jongeren, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van dit besluit, moeten uiterlijk 31 december 2017 worden ingediend. Bij gebrek, verliest de werkgever elk recht op het gebruik van de bovenvermeld activeringen
Art. 20. Les demandes de cartes de travail et les demandes de rĂ©vision de cartes de travail, des travailleurs engagĂ©s avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, conformĂ©ment aux conditions fixĂ©es en vertu de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 de promotion de mise Ă  l'emploi des demandeurs de longue durĂ©e, de l'arrĂȘtĂ© royal du 29 mars 2006 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m), de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 relatif Ă  la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs pour la promotion de mise Ă  l'emploi des jeunes moins qualifiĂ©s ou trĂšs peu qualifiĂ©s, tels qu'en vigueur avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, doivent ĂȘtre introduites au plus tard le 31 dĂ©cembre 2017. A dĂ©faut, le travailleur perd le droit au bĂ©nĂ©fice des activations susvisĂ©es.
Art. 21. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2017.
Art. 21. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er juillet 2017.
Art. 22. De Minister is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 22. Le Ministre est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.