Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
8 DECEMBER 2017. - Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-12-2017 en tekstbijwerking tot 19-06-2019)
Titre
8 DECEMBRE 2017. - Décret modifiant diverses dispositions en matière d'aménagement du territoire, d'écologie, d'environnement et d'aménagement du territoire(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 20-12-2017 et mise à jour au 19-06-2019)
Documentinformatie
Numac: 2017040986
Datum: 2017-12-08
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2017040986
Date: 2017-12-08
Moniteur: Voir
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Disposition générale CHAPITRE 2. - Modifications du décret du 5 avri... CHAPITRE 3. - Modifications du décret du 21 oct... CHAPITRE 4. - Modifications du décret du vendre... CHAPITRE 5. - Modifications du décret du 16 jui... CHAPITRE 6. - Modifications du décret du 20 mar... CHAPITRE 7. - Modifications du Code flamand de ... CHAPITRE 8. - Modifications du décret du 4 avri... CHAPITRE 9. - Modifications du décret du 4 avri... CHAPITRE 10. - Modifications du décret du 25 av... CHAPITRE 11. - Modifications du décret du 25 av... CHAPITRE 12. - Modifications du décret du 25 av... CHAPITRE 13. - Modifications du décret du 18 dé... CHAPITRE 14. - Modifications du décret du 4 mai... CHAPITRE 15. - Modification du décret du 15 jui... CHAPITRE 16. - Dispositions finales Section 1re. - Mesures transitoires Sous-section 1re. - Planification de la politique Sous-section 2. - Surveillance des plans d'exéc... Sous-section 3. - Zones désignées comme zones d... Sous-section 4. - Bénéfices résultant de la pla... Sous-section 5. - Obligation de lotissement à p... Sous-section 6. - Déclarations Sous-section 7. - Lotissements vieux de plus de... Sous-section 8. - Deuxièmement appartement supe... Sous-section 9. - Jardinerie Sous-section 10. - Révision, abrogation ou modi... Sous-section 11. - Modifications de la végétation Sous-section 12. - Possibilité de recours modifiée Section 2. - Disposition abrogatoire Section 3. - Dispositions d'entrée en vigueur
Tekst (273)
Texte (273)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière communautaire.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 2. - Modifications du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 2. In artikel 5.1.1, 12°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt a) worden de woorden "inrichting of activiteit" vervangen door de woorden "ingedeelde inrichting of activiteit";
  2° een punt d) wordt toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "d) het splitsen van een ingedeelde inrichting of activiteit in meerdere ingedeelde inrichtingen of activiteiten voor zover geen afbreuk wordt gedaan aan de definitie van een ingedeelde inrichting of activiteit, vermeld in punt 8°. ".
Art. 2. A l'article 5.1.1, 12° du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, modifié par le décret du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point a), les mots " établissement ou activité " sont remplacés par les mots " établissement ou activité classés " ;
  2° 3° il est ajouté un point d), libellé comme suit :
  " d) la scission d'un établissement classé ou d'une activité classée en plusieurs établissements ou activités classés, pour autant que la définition d'un établissement classé ou d'une activité classée, visée au point 8°, ne soit pas affectée. "
Art. 3. In artikel 5.6.5 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden tussen de woorden "het resultaat" en de woorden "het verval" de woorden "de schorsing of" ingevoegd;
  2° in het tweede lid worden tussen de woorden "de nadere regels voor" en de woorden "het verval" de woorden "de schorsing of" ingevoegd.
Art. 3. A l'article 5.6.5 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au premier alinéa, les mots " la suspension ou " sont insérés entre les mots " peuvent entraîner " et les mots " la déchéance " ;
  2° au deuxième alinéa, les mots " la suspension ou de " sont insérés entre les mots " les modalités de " et les mots " la déchéance ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu
CHAPITRE 3. - Modifications du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel
Art. 4. Aan artikel 2 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 mei 2014, wordt een punt 72° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "72° omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie: de omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie of het geheel of gedeeltelijk wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan.".
Art. 4. A l'article 2 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, modifié en dernier lieu par le décret du 9 mai 2014, il est ajouté un point 72°, libellé comme suit :
  " 72° permis d'environnement pour la modification de la végétation : le permis d'environnement pour la modification de la végétation ou pour la modification en tout ou en partie de petits éléments paysagers ou de leur végétation. ".
Art. 5. In artikel 9bis, § 7, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 mei 2014, worden de woorden "een vergunning voor het wijzigen van de vegetatie" vervangen door de woorden "een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie".
Art. 5. A l'article 9bis, § 7, premier alinéa, du même décret, inséré par le décret du 9 mai 2014, les mots " une autorisation de modification de la végétation " sont remplacés par les mots " un permis d'environnement pour la modification de la végétation ".
Art. 6. In artikel 13 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "van het verkrijgen van een vergunning" vervangen door de woorden "van het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie";
  2° in paragraaf 5 worden de woorden "van het verkrijgen van een vergunning" vervangen door de woorden "van het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie";
  3° er wordt een paragraaf 8 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 8. Het zonder voorafgaandelijke omgevingsvergunning of in strijd met deze omgevingsvergunning uitvoeren van vergunningsplichtige handelingen inzake wijziging van de vegetatie of van kleine landschapselementen of van de vegetatie ervan of van handelingen die verboden zijn op basis van of in uitvoering van artikel 13, § 3, is verboden.".
Art. 6. A l'article 13 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 9 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 4, premier alinéa, les mots " de l'obtention d'une autorisation " sont remplacés par les mots " de l'obtention d'un permis d'environnement pour la modification de la végétation ".
  2° au paragraphe 5, les mots " à l'obtention d'une autorisation " sont remplacés par les mots " à l'obtention d'un permis d'environnement pour la modification de la végétation ".
  3° il est ajouté un paragraphe 8, libellé comme suit :
  " § 8. Il est interdit d'effectuer, sans obtention préalable d'un permis d'environnement ou en violation de ce permis d'environnement, des actes soumis à autorisation visant à modifier la végétation ou de petits éléments paysagers ou leur végétation, ou des actes qui sont interdits par ou en vertu de l'article 13, § 3. ".
Art. 7. In artikel 15 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2002, wordt tussen de zinsnede "de toestemming," en het woord "alsook" de zinsnede "vermeld in artikel 9 en artikel 13, §§ 1, 2 en 3," ingevoegd.
Art. 7. A l'article 15 du même décret, modifié par le décret du 19 juillet 2002, il est inséré, entre les mots " ou de la permission " et les mots " ainsi qu'en ", le membre de phrase " , mentionnés à l'article 9 et à l'article 13, §§ 1, 2 et 3, ".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het decreet van 27 juni 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003
CHAPITRE 4. - Modifications du décret du vendredi 27 juin 2003 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2003
Art. 8. In artikel 29, 1°, van het decreet van 27 juni 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003 wordt de zinsnede "artikel 88, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening" vervangen door de woorden "artikel 2.6.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening".
Art. 8. A l'article 29, 1°, du décret du 27 juin 2003 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2003, le membre de phrase " à l'article 88, § 1, du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire " est remplacé par les mots " à l'article 2.6.4. du Code flamand de l'aménagement du territoire ".
Art. 9. Aan artikel 30 van hetzelfde decreet wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "7° de vergoedingen als gevolg van de aanduiding als watergevoelig openruimtegebied, zoals bedoeld in artikel 5.6.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.".
Art. 9. A l'article 30 du même décret est ajouté un point 7°, libellé comme suit :
  " 7° indemnisations résultant de la désignation comme zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau, telle que visée à l'article 5.6.8 du Code flamand de l'aménagement du territoire. ".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen
CHAPITRE 5. - Modifications du décret du 16 juin 2006 portant création d'une " Vlaamse Grondenbank " (Banque foncière flamande) et portant modification de diverses dispositions
Art. 10. In artikel 2, 6°, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen worden de woorden "het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen" vervangen door de woorden "het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen of het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen".
Art. 10. A l'article 2, 6°, du décret du 16 juin 2006 portant création d'une " Vlaamse Grondenbank " (Banque foncière flamande) et portant modification de diverses dispositions, les mots " le Schéma de Structure d'Aménagement de la Flandre " sont remplacés par les mots " le Schéma de Structure d'Aménagement de la Flandre ou le Plan de politique spatiale pour la Flandre ".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het decreet van 20 maart 2009 betreffende het mobiliteitsbeleid
CHAPITRE 6. - Modifications du décret du 20 mars 2009 relatif à la politique de mobilité
Art. 11. In artikel 7, § 3, 1°, van het decreet van 20 maart 2009 betreffende het mobiliteitsbeleid worden de woorden "ruimtelijke structuurplannen" vervangen door de woorden "ruimtelijke structuurplannen of ruimtelijke beleidsplannen".
Art. 11. A l'article 7, § 3, 1° du décret du 20 mars 2009 relatif à la politique de mobilité, les mots " schémas de structure d'aménagement " sont remplacés par les mots " schémas de structure d'aménagement ou plans de politique spatiale ".
Art. 12. In artikel 10, § 1, 3°, van hetzelfde decreet worden de woorden "het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen" vervangen door de woorden "het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen of het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen".
Art. 12. A l'article 2, 6°, du même décret, les mots " le Schéma de Structure d'Aménagement de la Flandre " sont remplacés par les mots " le Schéma de Structure d'Aménagement de la Flandre ou le Plan de politique spatiale pour la Flandre ".
Art. 13. In artikel 17, § 1, 3°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 februari 2012, worden de woorden "provinciale en gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen" vervangen door de woorden "provinciale en gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen of provinciale en gemeentelijke ruimtelijke beleidsplannen".
Art. 13. A l'article 17, § 1, 3° du même décret, modifié par le décret du 10 février 2012, les mots " schémas de structure d'aménagement provinciaux et communaux " sont remplacés par les mots " schémas de structure d'aménagement provinciaux et communaux ou plans de politique spatiale provinciaux et communaux ".
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
CHAPITRE 7. - Modifications du Code flamand de l'aménagement du territoire
Art. 14. In artikel 1.1.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2016, wordt punt 13° vervangen door wat volgt:
  "13° stedenbouwkundig voorschrift: een reglementaire bepaling, opgenomen in:
  a) een ruimtelijk uitvoeringsplan;
  b) een plan van aanleg;
  c) een stedenbouwkundige verordening, of een bouwverordening vastgelegd op grond van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996;
  d) het herkenbare onderdeel van een projectbesluit dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan;".
Art. 14. A l'article 1.1.2 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, modifié en dernier lieu par le décret du 1er juillet 2016, le point 13° est remplacé par ce qui suit :
  " 13° prescription urbanistique : une disposition réglementaire, reprise dans :
  a) un plan d'exécution spatial ;
  b) un plan d'aménagement ;
  c) un règlement urbanistique ou un règlement sur la bâtisse adopté en vertu du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996 ;
  d) la partie identifiable d'un arrêté relatif au projet qui vaut plan d'exécution spatial ; ".
Art. 15. In artikel 1.1.3 van dezelfde codex worden de woorden "ruimtelijke structuurplannen" vervangen door de woorden "ruimtelijke structuurplannen of ruimtelijke beleidsplannen".
Art. 15. A l'article 1.1.3 du même code, les mots " des schémas de structure d'aménagement " sont remplacés par les mots " des schémas de structure d'aménagement ou plans de politique spatiale ".
Art. 16. In titel I van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2016, worden in het opschrift van hoofdstuk II de woorden "ruimtelijk structuurplan Vlaanderen" vervangen door de woorden "ruimtelijk structuurplan Vlaanderen of Beleidsplan Ruimte Vlaanderen".
Art. 16. Au titre I du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 1er juillet 2016, les mots " le Schéma de Structure d'Aménagement de la Flandre " dans l'intitulé du chapitre II sont remplacés par les mots " le Schéma de Structure d'Aménagement de la Flandre ou le Plan de politique spatiale pour la Flandre ".
Art. 17. In hoofdstuk I van titel I van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2016, wordt een artikel 1.1.4/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 1.1.4/1. § 1. Ruimtelijke impulsprojecten zijn ruimtelijke projecten die passen binnen de doelstellingen, vermeld in artikel 1.1.4, en die het ruimtelijk rendement op een kwalitatieve manier verhogen zodat het maatschappelijk gebruik toeneemt, zoals door een efficiënter of hernieuwd ruimtegebruik van reeds ingenomen ruimte of doordat het project daar impact op heeft.
  Zij hebben expliciet aandacht voor functieverweving, hergebruik of tijdelijk ruimtegebruik. Ze geven een impuls aan nieuwe ruimtelijke realisaties in een projectgebied met een ruimtelijke kwaliteitsgarantie die ook een verbetering van landschappelijke kwaliteit inhoudt.
  De Vlaamse Regering bepaalt de aard, de omvang en de organisatorische voorwaarden van ruimtelijke impulsprojecten.
  § 2. De Vlaamse Regering kan, binnen de perken van de begroting, subsidies verlenen aan publieke, publiek-private of private initiatiefnemers voor ruimtelijke impulsprojecten als vermeld in paragraaf 1.".
Art. 17. Au chapitre I du titre I du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 1er juillet 2016, il est inséré un article 1.1.4/1, libellé comme suit :
  " Art. 1.1.4/1. § 1er. Les projets d'impulsion spatiale sont des projets spatiaux qui s'inscrivent dans le cadre des objectifs énoncés à l'article 1.1.4 et qui augmentent le rendement spatial de manière qualitative de telle sorte que l'utilisation sociale s'accroît, par exemple par une utilisation plus efficace ou renouvelée de l'espace déjà occupé ou du fait que le projet exerce un impact sur celui-ci.
  Ils accordent explicitement de l'attention à l'imbrication fonctionnelle, à la réutilisation ou à l'utilisation temporaire de l'espace. Ils donnent une impulsion à de nouvelles réalisations spatiales dans une zone de projet avec une garantie de qualité spatiale qui implique également une amélioration de la qualité paysagère.
  Le Gouvernement flamand détermine la nature, l'étendue et les conditions organisationnelles des projets d'impulsion spatiale.
  § 2. Le Gouvernement flamand peut, dans les limites du budget, octroyer des subsides aux initiateurs publics, publics-privés ou privés pour des projets d'impulsion spatiale tels que visés au paragraphe 1er. ".
Art. 18. In artikel 1.2.1, 3°, van dezelfde codex worden de woorden "ruimtelijk structuurplan Vlaanderen" vervangen door de woorden "ruimtelijk structuurplan Vlaanderen of Beleidsplan Ruimte Vlaanderen".
Art. 18. A l'article 1.2.1, 3° du même code, les mots " du schéma de structure d'aménagement de la Flandre " sont remplacés par les mots " du schéma de structure d'aménagement de la Flandre ou du Plan de politique spatiale pour la Flandre ".
Art. 19. In artikel 1.3.2, § 3, derde lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 7° wordt het getal "drie" vervangen door het getal "vier";
  2° in punt 8° wordt het getal "acht" vervangen door het getal "zeven" en de zinsnede ", onroerend erfgoed, en cultuur" door de woorden "en onroerend erfgoed".
Art. 19. A l'article 1.3.2, § 3, troisième alinéa, du même code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 7°, le nombre " trois " est remplacé par le nombre " quatre " ;
  2° Au point 8°, le nombre " huit " est remplacé par le nombre " sept " et le membre de phrase " le patrimoine immobilier et la culture " par les mots " et le patrimoine immobilier ".
Art. 20. In artikel 1.3.3 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een paragraaf 3/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3/1. Twee of meer gemeenten kunnen, via een intergemeentelijk samenwerkingsverband, een intergemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening oprichten.
  De bepalingen van de andere paragrafen van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een intergemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening, uitgezonderd wat volgt.
  De betrokken gemeenteraden beslissen elk afzonderlijk welke maatschappelijke geledingen moeten worden opgeroepen om een of meer vertegenwoordigers voor te dragen als lid van de intergemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening. Al die verschillende geledingen worden vertegenwoordigd in de intergemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening.
  Het vereiste aantal leden is afhankelijk van de som van de inwoneraantallen van de deelnemende gemeenten. Het maximumaantal kan alleen overschreden worden als dat vereist is om alle verschillende geledingen te laten vertegenwoordigen.
  Het intergemeentelijk samenwerkingsverband doet de oproep van vertegenwoordigers en formuleert een gemotiveerd voorstel van samenstelling.
  De benoeming van de voorzitter, de leden, de plaatsvervangers en de vaste secretaris is definitief zodra elk van de betrokken gemeenteraden eenzelfde voorstel van samenstelling goedgekeurd heeft.
  Het huishoudelijk reglement is definitief zodra elk van de betrokken gemeenteraden dat reglement of de wijzigingen ervan goedgekeurd heeft.
  Als een intergemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening is opgericht conform de bepalingen van dit artikel, oefent die intergemeentelijke commissie de taken uit die zijn toegewezen aan de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening.";
  2° in paragraaf 9 worden tussen het woord "gemeenteraad" en de woorden "stelt de gemeentelijke commissie" de woorden "of het intergemeentelijk samenwerkingsverband" ingevoegd;
  3° paragraaf 11 wordt opgeheven.
Art. 20. A l'article 1.3.3 du même code, modifié par le décret du 4 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° il est inséré un paragraphe 3/1, libellé comme suit :
  " § 3/1. Deux ou plusieurs communes peuvent, par le biais d'un partenariat intercommunal, créer une commission intercommunale pour l'aménagement du territoire.
  Les dispositions des autres paragraphes du présent article s'appliquent par analogie à une commission intercommunale pour l'aménagement du territoire, à l'exception de ce qui suit.
  Il appartient aux conseils communaux concernés de décider individuellement quels groupes de la société doivent être appelés à désigner un ou plusieurs représentants en tant que membres de la commission intercommunale pour l'aménagement du territoire. Tous ces différents groupes seront représentés au sein de la commission intercommunale pour l'aménagement du territoire.
  Le nombre de membres requis dépend du nombre total d'habitants des communes participantes. Le nombre maximum ne peut être dépassé que si cela est nécessaire pour représenter tous les différents groupes sociaux.
  Le partenariat intercommunal procède à un appel des représentants et formule une proposition motivée de composition.
  La nomination du président, des membres, des suppléants et du secrétaire permanent est définitive dès que chacun des conseils communaux concernés a approuvé une même proposition de composition.
  Le règlement d'ordre intérieur est définitif dès que chacun des conseils communaux concernés les a approuvés ou a approuvé les modifications y apportées.
  Si une commission intercommunale pour l'aménagement du territoire a été constituée conformément aux dispositions du présent article, cette commission intercommunale pour l'aménagement du territoire exécute les tâches qui sont dévolues à la commission intercommunale pour l'aménagement du territoire.
  2° Dans le paragraphe 9, les mots " ou le partenariat communal " sont insérés entre les mots " conseil communal " et les mots " met un secrétariat permanent " ;
  3° le paragraphe 11 est supprimé.
Art. 21. Aan titel I van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2016, wordt een hoofdstuk V toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk V. - Het register van ruimtelijke planners".
Art. 21. Au titre I du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 1er juillet 2016, il est inséré un chapitre V, libellé comme suit :
  " Chapitre V. - Le registre des planificateurs spatiaux ".
Art. 22. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2017, wordt aan hoofdstuk V, ingevoegd bij artikel 21, een artikel 1.5.1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 1.5.1. De Vlaamse Regering legt een register aan waarin vermeld wordt welke personen voor de toepassing van deze codex als ruimtelijk planner worden beschouwd. Alleen natuurlijke personen kunnen conform deze codex als ruimtelijke planner worden beschouwd. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor opname in het register en de modaliteiten ervan.".
Art. 22. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 février 2017, il est inséré au chapitre V, inséré sous l'article 21, un article 1.5.1, libellé comme suit :
  " Art. 1.5.1. Le Gouvernement flamand établit un registre indiquant quelles personnes sont considérées comme des planificateurs spatiaux pour l'application de ce code. Seules des personnes physiques peuvent être considérées comme des planificateurs spatiaux conformément à ce code. Le Gouvernement flamand détermine les conditions et modalités de l'inclusion dans le registre. "
Art. 23. In titel II van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2016, wordt hoofdstuk I, dat bestaat uit artikel 2.1.1 tot en met 2.1.19, vervangen door wat volgt:
  "Hoofdstuk I. - Ruimtelijke beleidsplannen
  Afdeling 1. - Algemene bepalingen
  Art. 2.1.1. § 1. Een ruimtelijk beleidsplan bestaat uit een strategische visie en een of meer beleidskaders die samen het kader aangeven voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Het ruimtelijk beleidsplan is erop gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen in de ruimtelijke ordening. Het is realisatiegericht.
  De strategische visie omvat een langetermijnvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling.
  Een beleidskader bevat operationele beleidskeuzes voor de middellange termijn en actieprogramma's voor een thema of voor een gebiedsdeel. Beleidskaders beschrijven onder meer hoe en met wie de gewenste ruimtelijke ontwikkeling wordt gerealiseerd. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de inhoud van een beleidskader.
  Het ruimtelijk beleidsplan maakt deel uit van een cyclisch planningsproces. Dat betekent dat:
  1° het door onderzoek onderbouwd wordt;
  2° het opgemaakt of herzien wordt met inspraak van de bevolking en via overleg tussen onder meer bestuursniveaus, beleidsdomeinen of diensten en middenveldorganisaties;
  3° de uitvoering ervan gemonitord wordt;
  4° het in de eerste helft van elke regeer- of bestuursperiode geëvalueerd wordt;
  5° het te allen tijde geheel of gedeeltelijk herzien kan worden.
  De vaststelling van een strategische visie en een of meer beleidskaders kan worden gevolgd door de vaststelling van aanvullende beleidskaders die vervolgens integraal deel uitmaken van het ruimtelijk beleidsplan.
  De strategische visie kan niet worden opgeheven, ze kan alleen geheel of gedeeltelijk worden herzien. Een beleidskader kan worden opgeheven, met inachtneming van de vereisten en de procedure die gelden voor de opmaak of herziening.
  § 2. Er worden ruimtelijke beleidsplannen opgemaakt op de volgende niveaus:
  1° door het Vlaamse Gewest voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest: het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen;
  2° door een provincie voor het grondgebied van de provincie: het provinciaal beleidsplan ruimte;
  3° door een of meer gemeenten voor het grondgebied van de gemeente of de betrokken gemeenten: het gemeentelijk of intergemeentelijk beleidsplan ruimte.
  Op gemeentelijk niveau kunnen zowel de strategische visie als de beleidskaders afzonderlijk, intergemeentelijk zijn. Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt een intergemeentelijk beleidsplan ruimte, een intergemeentelijke strategische visie en een intergemeentelijk beleidskader gelijkgesteld met respectievelijk een gemeentelijk beleidsplan ruimte, een gemeentelijke strategische visie en een gemeentelijk beleidskader, telkens voor de beleidskeuzes die op het eigen gemeentelijk grondgebied betrekking hebben of de engagementen van de eigen gemeente ten aanzien van de andere gemeenten. De beslissingen van de respectieve gemeenteraden geven uitdrukkelijk aan op welk onderdeel of welke onderdelen van het intergemeentelijk beleidsplan de beslissing betrekking heeft.
  § 3. In elk ruimtelijk beleidsplan wordt aangegeven hoe het zich verhoudt tot de ruimtelijke beleidsplannen van de andere niveaus.
  Bij het formuleren van keuzes, doelstellingen, eigen engagementen en verwachtingen ten aanzien van andere actoren die in het ruimtelijk beleidsplan worden opgenomen, wordt rekening gehouden met de bevoegdheidsbepalende regels uit het Gemeentedecreet, het Provinciedecreet, het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en andere regelgeving die relevant is voor het thema in kwestie.
  Art. 2.1.2. § 1. Geen van de onderdelen van een beleidsplan heeft verordenende kracht.
  § 2. Een beleidskader schikt zich naar de strategische visie van het niveau in kwestie.
  § 3. Bij het vaststellen of herzien van ruimtelijke uitvoeringsplannen en stedenbouwkundige verordeningen, bij het nemen van een voorkeursbesluit of projectbesluit als vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, en bij het aanvragen van vergunningen voor eigen projecten mogen de Vlaamse Regering, de provincieraad, de deputatie, de gemeenteraad, het college van burgemeester en schepenen en de instellingen die ressorteren onder elk van die organen, niet afwijken van de beleidskaders van het niveau in kwestie, behalve in geval van:
  1° onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten;
  2° dringende sociale, economische of budgettaire redenen.
  Als er met toepassing van de redenen, vermeld in het eerste lid, wordt afgeweken van een beleidskader, wordt dat uitdrukkelijk gemotiveerd. Daarbij wordt aangetoond dat het plan, de verordening, het besluit of de vergunningsaanvraag het nastreven van de strategische visie van het niveau in kwestie niet hypothekeert.
  Art. 2.1.3. Het ontwerp van ruimtelijk beleidsplan wordt opgemaakt onder de verantwoordelijkheid van een of meer ruimtelijke planners.
  De Vlaamse Regering kan bepalen dat een ruimtelijk beleidsplan door verschillende personen in een samenwerkingsverband moet worden opgemaakt, waaronder minstens één ruimtelijke planner. Ze kan daarbij de vereiste deskundigheden specificeren.
  Art. 2.1.4. Binnen de perken van de begroting kan de Vlaamse Regering subsidies verlenen aan provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare instellingen en aan private rechtspersonen die betrokken zijn bij een samenwerkingsverband voor het opzetten, coördineren en realiseren van een strategisch project ter uitvoering van de doelstellingen, geformuleerd in de strategische visie of in een beleidskader van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.
  Afdeling 2. - Het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen
  Art. 2.1.5. § 1. De Vlaamse Regering beslist tot de opmaak van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen en neemt de nodige maatregelen voor de opmaak en de vaststelling ervan.
  § 2. De opmaak en de vaststelling van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen omvatten minstens de volgende stappen:
  1° de raadpleging in verschillende fasen van het opmaakproces van:
  a) de strategische adviesraad;
  b) de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
  c) de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen;
  d) de Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij;
  e) de Mobiliteitsraad van Vlaanderen;
  2° overleg tussen de verschillende bestuursniveaus in verschillende fasen van het opmaakproces;
  3° de raadpleging van het publiek in verschillende fasen van het opmaakproces, met inbegrip van een openbaar onderzoek over een voorlopig vastgestelde visie en een voorlopig vastgesteld beleidskader;
  4° wat de strategische visie betreft:
  a) een voorlopige vaststelling van de visie door de Vlaamse Regering;
  b) een standpunt van het Vlaams Parlement over de voorlopig vastgestelde visie, vermeld in punt a);
  c) een definitieve vaststelling van de visie door de Vlaamse Regering;
  d) de bekrachtiging door het Vlaams Parlement van de definitief vastgestelde visie, vermeld in punt c);
  5° wat de beleidskaders betreft:
  a) een voorlopige vaststelling door de Vlaamse Regering;
  b) een definitieve vaststelling door de Vlaamse Regering.
  Bij de definitieve vaststelling van beleidskaders kan de Vlaamse Regering onderdelen van provinciale of gemeentelijke beleidskaders omschrijven of aanduiden die niet meer geldig zijn. De Vlaamse Regering wint hiervoor het advies in van de betrokken provincieraad of de gemeenteraad, al naargelang.
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak en de vaststelling van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.
  Art. 2.1.6. Bekrachtigde besluiten houdende definitieve vaststelling van een Vlaamse strategische visie of besluiten houdende definitieve vaststelling van een Vlaams beleidskader worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treden in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan.
  De Vlaamse Regering stuurt een afschrift van de strategische visie of het beleidskader naar elke gemeente, waar die documenten kunnen worden ingezien.
  Het geldende Beleidsplan Ruimte Vlaanderen is raadpleegbaar op de website van het departement. Op dezelfde website wordt documentatie bijgehouden over aspecten van het cyclische planningsproces, vermeld in artikel 2.1.1, § 1, vierde lid, wat betreft het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.
  Art. 2.1.7. De regels voor de opmaak en de vaststelling van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen zijn van toepassing op de herziening ervan. De herziening kan gedeeltelijk zijn.
  Afdeling 3. - Het provinciaal beleidsplan ruimte
  Art. 2.1.8. § 1. De provincieraad besluit tot de opmaak van een provinciaal beleidsplan ruimte. De deputatie neemt de nodige maatregelen voor de opmaak en de vaststelling ervan.
  § 2. De opmaak van een provinciaal beleidsplan ruimte omvat minstens de volgende stappen:
  1° de raadpleging in verschillende fasen van het opmaakproces van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening;
  2° overleg tussen de verschillende bestuursniveaus in verschillende fasen van het opmaakproces;
  3° de raadpleging van het publiek in verschillende fasen van het opmaakproces, met inbegrip van een openbaar onderzoek over een voorlopig vastgestelde visie en een voorlopig vastgesteld beleidskader;
  4° een voorlopige vaststelling en een definitieve vaststelling door de provincieraad.
  Bij de definitieve vaststelling van beleidskaders kan de provincieraad onderdelen van gemeentelijke beleidskaders omschrijven of aanduiden die niet meer geldig zijn. De provincieraad wint hiervoor het advies in van de betrokken gemeenteraad.
  De Vlaamse Regering kan, naar aanleiding van de definitieve vaststelling van het provinciaal beleidsplan ruimte, een voorbehoud maken bij bepaalde opties uit het plan. Dat voorbehoud is voldoende precies.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak en de vaststelling van een provinciaal beleidsplan ruimte, en voor de toepassing van het derde lid.
  Art. 2.1.9. Besluiten houdende definitieve vaststelling van een provinciale strategische visie of een provinciaal beleidskader worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treden in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan.
  De deputatie stuurt een afschrift van de strategische visie of het beleidskader naar elke gemeente, waar die documenten kunnen worden ingezien.
  Het geldende provinciaal beleidsplan ruimte is raadpleegbaar op de website van de provincie. Op dezelfde website wordt documentatie bijgehouden over aspecten van het cyclische planningsproces, vermeld in artikel 2.1.1, § 1, vierde lid, wat betreft het provinciaal beleidsplan ruimte.
  Art. 2.1.10. De regels voor de opmaak en de vaststelling van het provinciaal beleidsplan ruimte zijn van toepassing op de herziening ervan. De herziening kan gedeeltelijk zijn.
  Afdeling 4. - Het gemeentelijk beleidsplan ruimte
  Art. 2.1.11. § 1. De gemeenteraad besluit tot de opmaak van een gemeentelijk beleidsplan ruimte. Het college van burgemeester en schepenen neemt de nodige maatregelen voor de opmaak en de vaststelling ervan.
  § 2. De opmaak van een gemeentelijk beleidsplan ruimte omvat minstens de volgende stappen:
  1° de raadpleging in verschillende fasen van het opmaakproces van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening;
  2° overleg tussen de verschillende bestuursniveaus in verschillende fasen van het opmaakproces;
  3° de raadpleging van het publiek in verschillende fasen van het opmaakproces, met inbegrip van een openbaar onderzoek over een voorlopig vastgestelde visie en een voorlopig vastgesteld beleidskader;
  4° een voorlopige vaststelling en een definitieve vaststelling door de gemeenteraad.
  De Vlaamse Regering en de deputatie kunnen, naar aanleiding van de definitieve vaststelling van het gemeentelijk beleidsplan ruimte, een voorbehoud maken bij bepaalde opties uit het plan. Dat voorbehoud is voldoende precies.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak en de vaststelling van een gemeentelijk beleidsplan ruimte, en voor de toepassing van het tweede lid.
  Art. 2.1.12. Besluiten houdende definitieve vaststelling van een gemeentelijke strategische visie of een gemeentelijk beleidskader worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treden in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan.
  De strategische visie of het beleidskader kunnen worden ingezien op de gemeente.
  Het geldende gemeentelijk beleidsplan ruimte is raadpleegbaar op de website van de gemeente. Op dezelfde website wordt documentatie bijgehouden over aspecten van het cyclische planningsproces, vermeld in artikel 2.1.1, § 1, vierde lid, wat betreft het gemeentelijk beleidsplan ruimte.
  Art. 2.1.13. De regels voor de opmaak en de vaststelling van het gemeentelijk beleidsplan ruimte zijn van toepassing op de herziening ervan. De herziening kan gedeeltelijk zijn.".
Art. 23. Au titre II du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 15 juillet 2016, le chapitre Ier, composé des articles 2.1.1 à 2.1.19 inclus, est remplacé par ce qui suit :
  " Chapitre Ier. - Plans de politique spatiale
  Division 1re. - Dispositions générales
  Art. 2.1.1. § 1er. Un plan de politique spatiale se compose d'une vision stratégique et d'un ou plusieurs cadres politiques qui définissent conjointement le cadre du développement spatial souhaité. Le plan d'aménagement du territoire vise à assurer la cohérence dans la préparation, l'adoption et l'exécution des décisions en matière d'aménagement du territoire. Il est axé sur la réalisation.
  La vision stratégique comprend une vision à long terme du développement spatial.
  Un cadre politique contient des choix stratégiques opérationnels à moyen terme et des programmes d'action pour un thème ou un domaine. Les cadres politiques décrivent, entre autres, comment et avec qui le développement spatial souhaité sera réalisé. Le Gouvernement flamand peut définir des modalités relatives au contenu d'un cadre politique.
  Le plan de politique spatiale fait partie d'un processus de planification cyclique. Cela signifie :
  1° qu'il est étayé par des recherches ;
  2° qu'il est élaboré ou révisé avec la participation de la population et par le biais de consultations entre les niveaux d'administration, les domaines ou services politiques et les organisations de la société civile ;
  3° que sa mise en oeuvre fait l'objet d'une surveillance ;
  4° qu'il est évalué durant la première moitié de chaque période de gouvernance ou d'administration ;
  5° qu'il est à tout moment sujet à révision en tout ou en partie.
  L'adoption d'une vision stratégique et d'un ou plusieurs cadres politiques peut être suivie par l'adoption de cadres politiques supplémentaires, qui feront alors partie intégrante du plan de politique spatiale.
  La vision stratégique ne peut être supprimée ; elle peut seulement être révisée en tout ou en partie. Un cadre politique peut être supprimé ; et ce, dans le respect des exigences de la procédure qui s'applique à la création ou à la révision.
  § 2. Des plans de politique spatiale sont élaborés aux niveaux suivants :
  1° par la Région flamande pour le territoire de la Région flamande : le Plan de politique spatiale pour la Flandre ;
  2° par une province pour le territoire de la province : le plan de politique spatiale provincial ;
  3° par une ou plusieurs communes pour le territoire de la commune ou des communes concernées : le plan de politique spatiale communal ou intercommunal.
  Au niveau communal, tant la vision stratégique que les cadres politiques peuvent être séparés, intercommunaux. Aux fins de l'application des dispositions du présent chapitre, un plan de politique spatiale intercommunal, une vision stratégique intercommunale et un cadre politique intercommunal sont respectivement assimilés à un plan de politique spatiale communal, une vision stratégique communale et un cadre politique communal, dans chaque cas pour les choix politiques se rapportant au territoire communal propre ou aux engagements de la commune propre envers les autres communes. Les décisions des conseils communaux respectifs indiquent explicitement à quelle(s) partie s) du plan de politique spatiale intercommunal la décision se rapporte.
  § 3. Chaque plan de politique spatiale contient une indication de la relation qu'il entretient avec les plans de politique spatiale des autres niveaux.
  Lors de la formulation des choix, des objectifs, des engagements propres et des attentes à l'égard des autres acteurs figurant dans le plan de politique spatiale, il est tenu compte des règles de compétence qui déterminent les règles du décret communal, du décret provincial, du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement et de toute autre réglementation pertinente pour le thème en question.
  Art. 2.1.2. § 1er. Aucun des éléments d'un plan de politique spatiale n'a de force réglementaire.
  § 2. Un cadre politique est conforme à la vision stratégique du niveau en question.
  § 3. Lors de l'adoption ou de la révision de plans d'exécution spatiaux et de règlements urbanistiques, lors de la prise d'une décision préférentielle ou d'une décision de projet, telles que visées dans l'arrêté du 25 avril 2014 relatif à des projets complexes, et lors de la demande de permis pour des projets propres, le Gouvernement flamand, le conseil provincial, la députation, le conseil communal, le collège des bourgmestre et échevins et les institutions relevant de chacun de ces organes ne peuvent pas s'écarter des cadres politiques du niveau en question, hormis :
  1° en cas d'évolution imprévue des besoins spatiaux des différentes activités sociales ;
  2° pour des raisons sociales, économiques ou budgétaires urgentes.
  Si les raisons visées au premier alinéa sont invoquées pour s'écarter d'un cadre politique, cela sera explicitement justifié. A cet égard, il sera démontré que le plan, le règlement, la décision ou la demande de permis n'hypothèque pas la poursuite de la vision stratégique du niveau en question.
  Art. 2.1.3. Le projet de plan de politique spatiale est établi sous la responsabilité d'un ou plusieurs planificateurs spatiaux.
  Le Gouvernement flamand peut stipuler qu'un plan de politique spatiale doit être élaboré par différentes personnes au sein d'une structure collaborative, dont l'une au moins sera un planificateur spatial. Il peut spécifier les compétences requises à cet effet.
  Art. 2.1.4. Dans les limites du budget, le Gouvernement flamand peut octroyer des subsides aux provinces, communes, associations de communes, institutions publiques et à des entités juridiques privées qui sont impliquées dans une structure collaborative pour la mise en place, la coordination et la réalisation d'un projet stratégique visant à mettre en oeuvre les objectifs formulés dans la vision stratégique ou dans un cadre politique du Plan de politique spatiale pour la Flandre.
  Le Gouvernement flamand arrête les modalités afférentes.
  Division 2. - Le Plan de politique spatiale pour la Flandre
  Art. 2.1.5. § 1er. Le Gouvernement flamand décide de l'élaboration du Plan de politique spatiale pour la Flandre et prend les mesures nécessaires à son élaboration et à son adoption.
  § 2. L'élaboration et l'adoption du Plan de politique spatiale pour la Flandre comportent au minimum les étapes suivantes :
  1° la consultation, à différents stades du processus d'élaboration :
  a) du conseil consultatif stratégique ;
  b) du Conseil socio-économique de la Flandre ;
  c) du Conseil de l'environnement et de la nature de la Flandre ;
  d) du Conseil consultatif stratégique pour l'agriculture et la pêche ;
  e) du Conseil de la mobilité de Flandre ;
  2° une concertation entre les différents niveaux d'administration à différents stades du processus d'élaboration ;
  3° la consultation du public à différents stades du processus d'élaboration, en ce compris une enquête publique sur une vision et un cadre politique adoptés à titre provisoire ;
  4° concernant la vision stratégique :
  a) une adoption provisoire de la vision par le Gouvernement flamand ;
  b) un point de vue du Parlement flamand sur la vision adoptée à titre provisoire, mentionnée au point a) ;
  c) une adoption définitive de la vision par le Gouvernement flamand ;
  d) la ratification par le Parlement flamand de la vision adoptée à titre définitif, mentionnée au point c) ;
  5° concernant les cadres politiques :
  a) une adoption provisoire par le Gouvernement flamand ;
  b) une adoption définitive par le Gouvernement flamand.
  Lors de l'adoption définitive des cadres politiques, le Gouvernement flamand peut définir ou désigner des éléments des cadres politiques provinciaux ou communaux qui ne sont plus valables. Le Gouvernement flamand recueille à cet effet l'avis du conseil provincial ou du conseil communal compétent, selon le cas.
  § 3. Le Gouvernement flamand détermine les modalités d'élaboration et d'adoption du Plan de politique spatiale pour la Flandre.
  Art. 2.1.6. Les décisions ratifiées portant adoption définitive d'une vision stratégique flamande ou les décisions portant adoption définitive d'un cadre politique flamand sont publiées par extrait au Moniteur belge. Elles entrent en vigueur 15 jours après leur publication.
  Le Gouvernement flamand envoie une copie de la vision stratégique ou du cadre politique à chaque commune, où ces documents peuvent alors être consultés.
  Le Plan de politique spatiale pour la Flandre en vigueur est consultable sur le site Web du département. Sur ce même site Web, une documentation est tenue à jour concernant les aspects du processus de planification cyclique visé à l'article 2.1.1, § 1, quatrième alinéa, en ce qui concerne le Plan de politique spatiale pour la Flandre.
  Art. 2.1.7. Les règles d'élaboration et d'adoption du Plan de politique spatiale pour la Flandre s'appliquent également à la révision de celui-ci. La révision peut être partielle.
  Division 3. Le plan de politique spatiale provincial
  Art. 2.1.8. § 1er. Le conseil provincial décide de l'élaboration d'un plan de politique spatiale provincial. La députation prend les mesures nécessaires à l'élaboration et à l'adoption de celui-ci.
  § 2. L'élaboration d'un plan de politique spatiale provincial comprend au minimum les étapes suivantes :
  1° la consultation de la commission provinciale pour l'aménagement du territoire à différents stades du processus d'élaboration ;
  2° une concertation entre les différents niveaux d'administration aux différents stades du processus d'élaboration ;
  3° la consultation du public à différents stades du processus d'élaboration, en ce compris une enquête publique sur une vision adoptée à titre provisoire et un cadre politique adopté à titre provisoire ;
  4° une adoption provisoire et une adoption définitive par le conseil provincial.
  Lors de l'adoption définitive des cadres politiques, le Gouvernement flamand peut définir ou désigner des éléments des cadres politiques communaux qui ne sont plus valables. Le conseil provincial recueille à cet effet l'avis du conseil communal concerné.
  Après l'adoption définitive du plan de politique spatiale provincial, le Gouvernement flamand peut émettre des réserves concernant certaines options du plan. Ces réserves seront suffisamment précises.
  Le Gouvernement flamand détermine les modalités d'élaboration et d'adoption d'un plan de politique spatiale provincial ainsi que les modalités d'application du troisième alinéa.
  Art. 2.1.9. Les décisions portant adoption définitive d'une vision stratégique provinciale ou d'un cadre politique provincial sont publiées par extrait au Moniteur belge. Elles entrent en vigueur 15 jours après leur publication.
  Le Gouvernement flamand envoie une copie de la vision stratégique ou du cadre politique à chaque commune, où ces documents peuvent alors être consultés.
  Le plan de politique spatiale provincial en vigueur est consultable sur le site Web de la province. Sur ce même site Web, une documentation est tenue à jour concernant des aspects du processus de planification cyclique visé à l'article 2.1.1, § 1, quatrième alinéa, en ce qui concerne le plan de politique spatiale provincial.
  Art. 2.1.10. Les règles d'élaboration et d'adoption du plan de politique spatiale provincial s'appliquent également à la révision de celui-ci. La révision peut être partielle.
  Division 4. - Le plan de politique spatiale communal
  Art. 2.1.11. § 1er. Le conseil communal décide de l'élaboration d'un plan de politique spatiale communal. Le collège des bourgmestre et échevins prend les mesures nécessaires à l'élaboration et à l'adoption de celui-ci.
  § 2. L'élaboration d'un plan de politique spatiale communal comprend au minimum les étapes suivantes :
  1° la consultation de la commission communale pour l'aménagement du territoire à différents stades de l'élaboration ;
  2° une concertation entre les différents niveaux d'administration à différents stades du processus d'élaboration ;
  3° la consultation du public à différents stades du processus d'élaboration, en ce compris une enquête publique sur une vision adoptée à titre provisoire et un cadre politique adopté à titre provisoire ;
  4° une adoption provisoire et une adoption définitive par le conseil communal.
  Après l'adoption définitive du plan de politique spatiale communal, le Gouvernement flamand et la députation peuvent émettre des réserves concernant certaines options du plan. Ces réserves seront suffisamment précises.
  Le Gouvernement flamand détermine les modalités d'élaboration et d'adoption d'un plan de politique spatiale communal ainsi que les modalités d'application du deuxième alinéa.
  Art. 2.1.12. Les décisions portant adoption définitive d'une vision stratégique communale ou d'un cadre politique communal sont publiées par extrait au Moniteur belge. Elles entrent en vigueur 15 jours après leur publication.
  La vision stratégique ou le cadre politique peuvent être consultés à la commune.
  Le plan de politique spatiale communal en vigueur est consultable sur le site Web de la commune. Sur ce même site Web, une documentation est tenue à jour concernant des aspects du processus de planification cyclique visé à l'article 2.1.1, § 1, quatrième alinéa, en ce qui concerne le plan de politique spatiale communal.
  Art. 2.1.13. Les règles d'élaboration et d'adoption du plan de politique spatiale communal s'appliquent également à la révision de celui-ci. La révision peut être partielle.
Art. 24. In artikel 2.2.3 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, wordt het derde lid opgeheven.
Art. 24. A l'article 2.2.3 du même code, remplacé par le décret du 1er juillet 2016, le troisième alinéa est supprimé.
Art. 25. In artikel 2.2.4, § 2, 5°, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, worden de woorden "ruimtelijk structuurplan" vervangen door de woorden "ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk beleidsplan".
Art. 25. A l'article 2.2.4, § 2, 5° du même code, remplacé par le décret du 1er juillet 2016, les mots " le schéma de structure d'aménagement " sont remplacés par les mots " le schéma de structure d'aménagement ou le plan de politique spatiale ".
Art. 26. In artikel 2.2.5, § 1, eerste lid, 6°, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, worden de woorden "ruimtelijk structuurplan of de ruimtelijke structuurplannen" vervangen door de woorden "ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk beleidsplan of de ruimtelijke structuurplannen of ruimtelijke beleidsplannen".
Art. 26. A l'article 2.2.5, § 1, alinéa premier, 6° du même code, remplacé par le décret du 1er juillet 2016, les mots " le(s) schéma(s) de structure d'aménagement " sont remplacés par les mots " le(s) schéma(s) de structure d'aménagement ou le(s) plan(s) de politique spatiale ".
Art. 27. In artikel 2.2.5, § 2, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan het eerste lid wordt de volgende zinsnede toegevoegd:
  ", zonder dat deze voorschriften milieuvoorwaarden kunnen bepalen die rechtstreeks gelden voor individuele ingedeelde inrichtingen en activiteiten, zoals bedoeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning of in titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid";
  2° in het vijfde lid wordt de zinsnede "en 13° " opgeheven.
Art. 27. A l'article 2.2.5, § 2, du même code, remplacé par le décret du 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au premier alinéa, il est ajouté le membre de phrase suivant :
  " , sans que cette prescription puisse déterminer des conditions environnementales qui soient directement applicables à des établissements et activités classés individuels, tels que visés dans le décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ou au titre V du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement " ;
  2° au cinquième alinéa, le membre de phrase " et 13° " est supprimé.
Art. 28. In artikel 2.2.6, § 2, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De gebieden die conform artikel 5.6.8, § 1, worden aangeduid als `watergevoelig open ruimtegebied' worden voor de toepassing van deze codex beschouwd als te ressorteren onder de subcategorie van gebiedsaanduiding `gemengd openruimtegebied'".
Art. 28. A l'article 2.2.6, § 2, du même code, modifié par le décret du 1er juillet 2016, il est inséré entre le deuxième et le troisième alinéa un alinéa, libellé comme suit :
  " Les zones qui, conformément à l'article 5.6.8, § 1, sont désignées comme "zones d'espace ouvert vulnérables du point de vue de l'eau" sont, pour l'application de ce code, considérées comme relevant de la sous-catégorie d'affectation de zone "zone d'espace ouvert mixte" ".
Art. 29. In artikel 2.2.7, § 1, tweede lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, worden de woorden "Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen" vervangen door de woorden "Beleidsplan Ruimte Vlaanderen".
Art. 29. A l'article 2.2.7, § 1, deuxième alinéa, du même code, remplacé par le décret du 1er juillet 2016, les mots " schéma de structure d'aménagement de la Flandre " sont remplacés par les mots " Plan de politique spatiale pour la Flandre ".
Art. 30. In artikel 2.2.9, derde lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, worden de woorden "schriftelijk advies" vervangen door het woord "advies" en worden de woorden "schriftelijke opmerkingen" vervangen door het woord "opmerkingen".
Art. 30. A l'article 2.2.9, troisième alinéa, du même code, remplacé par le décret du 1er juillet 2016, les mots " avis écrit " sont remplacés par le mot " avis ", et les mots " observations écrites " sont remplacés par le mot " observations ".
Art. 31. In artikel 2.2.10, § 6, tweede lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, wordt de zinsnede ", met een maximum van dertig dagen" opgeheven.
Art. 31. A l'article 2.2.10, § 6, deuxième alinéa, du même code, remplacé par le décret du 1er juillet 2016, le membre de phrase " , avec un maximum de trente jours " est supprimé.
Art. 32. Aan artikel 2.2.11, derde lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "De Vlaamse Regering stuurt een afschrift van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en van het vaststellingsbesluit naar het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed, voor zover in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een erfgoedlandschap afgebakend of gewijzigd wordt.".
Art. 32. A l'article 2.2.11, troisième alinéa, du même code, remplacé par le décret du 1er juillet 2016, la phrase suivante est ajoutée :
  " Le Gouvernement flamand envoie une copie du plan d'exécution spatial régional et de l'arrêté d'adoption à l'agence compétente dans le domaine politique de l'environnement et de l'aménagement du territoire qui est chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier, pour autant qu'un paysage patrimonial soit délimité ou modifié dans le plan d'exécution spatial régional. ".
Art. 33. In artikel 2.2.12, § 1, tweede lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, worden de woorden "het provinciaal ruimtelijk structuurplan" vervangen door de woorden "het provinciaal beleidsplan ruimte of het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen".
Art. 33. A l'article 2.2.12, § 1, deuxième alinéa, du même code, remplacé par le décret du 1er juillet 2016, les mots " du schéma de structure d'aménagement provincial " sont remplacés par les mots " du plan de politique spatiale provincial ou du Plan de politique spatiale pour la Flandre ".
Art. 34. In artikel 2.2.14 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengt het departement advies uit over de verenigbaarheid met:
  1° het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen dan wel het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen of een ontwerp van beleidskader, als het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen in werking is getreden;
  2° de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen of een of meer ontwerpen van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.";
  2° in het vierde lid worden de woorden "schriftelijk advies" vervangen door het woord "advies" en worden de woorden "schriftelijke opmerkingen" vervangen door het woord "opmerkingen".
Art. 34. A l'article 2.2.14 du même code, remplacé par le décret du 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " Au plus tard lors de la session plénière, le département émet un avis sur la compatibilité avec :
  1° le Schéma de structure d'aménagement de la Flandre ou bien le Plan de politique spatiale pour la Flandre ou un projet de cadre politique, si le Plan de politique spatiale pour la Flandre est entré en vigueur ;
  2° les plans d'exécution spatiaux régionaux ou un ou plusieurs projets de plan d'exécution spatial régional. " ;
  2° au quatrième alinéa, les mots " avis écrit " sont remplacés par le mot " avis ", et les mots " observations écrites " sont remplacés par le mot " observations ".
Art. 35. In artikel 2.2.15, § 4, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
  "Het departement bezorgt de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3, een advies over de verenigbaarheid met:
  1° het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen dan wel het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen of een ontwerp van beleidskader, als het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen in werking is getreden;
  2° de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen of een of meer ontwerpen van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.".
Art. 35. A l'article 2.2.15, § 4, du même code, modifié par le décret du 1er juillet 2016, le quatrième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Le département fournit à la commission provinciale pour l'aménagement du territoire, dans le délai visé au paragraphe 3, un avis sur la compatibilité avec :
  1° le Schéma de structure d'aménagement de la Flandre ou bien le Plan de politique spatiale pour la Flandre ou un projet de cadre politique, si le Plan de politique spatiale pour la Flandre est entré en vigueur ;
  2° les plans d'exécution spatiaux régionaux ou un ou plusieurs projets de plan d'exécution spatial régional. ".
Art. 36. In artikel 2.2.16 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "de Vlaamse Regering" vervangen door de woorden "het departement";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. De Vlaamse Regering beschikt over een termijn van vijfenveertig dagen die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 1 of in paragraaf 4, tweede lid, om de uitvoering van het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan te schorsen of te vernietigen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. Een afschrift van de beslissing tot schorsing of vernietiging wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie.";
  3° in paragraaf 3, inleidende zin, wordt het woord "geschorst" vervangen door de woorden "geschorst of vernietigd";
  4° in paragraaf 3 wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° als het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft aan een optie uit het provinciaal beleidsplan ruimte waarbij de Vlaamse Regering voorbehoud heeft gemaakt conform artikel 2.1.8, § 2, derde lid;";
  5° in paragraaf 3 worden een punt 1° /1 en 1° /2 ingevoegd, die luiden als volgt:
  "1° /1 als het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft aan een beleidskader van het provinciaal beleidsplan ruimte dat de Vlaamse Regering niet meer geldig heeft verklaard conform artikel 2.1.5, § 2, tweede lid;
  1° /2 als het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan kennelijk onverenigbaar is met een beleidskader of, in voorkomend geval, een ontwerp van beleidskader van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen;";
  6° aan paragraaf 3 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het eerste lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 4.";
  7° in paragraaf 4 worden de woorden "zestig dagen" telkens vervangen door de woorden "negentig dagen" en de woorden "de Vlaamse Regering" door de woorden "het departement".
Art. 36. A l'article 2.2.16 du même code, remplacé par le décret du 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, les mots " le Gouvernement flamand " sont remplacés par les mots " le département " ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Le Gouvernement flamand dispose d'un délai de quarante-cinq jours prenant cours le lendemain de la signification visée au paragraphe 1er ou au paragraphe 4, alinéa 2, pour suspendre ou annuler l'exécution de l'arrêté du conseil provincial portant adoption définitive du plan d'exécution spatial provincial. Une suspension ne peut pas être partielle. Une copie de la décision de suspension ou d'abrogation est transmise à la députation dans un délai de forclusion de dix jours par envoi sécurisé. " ;
  3° au paragraphe 3, phrase introductive, le mot " suspendu " est remplacé par les mots " suspendu ou abrogé " ;
  4° au paragraphe 3, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  "1° si le plan d'exécution spatial provincial donne exécution à une option du plan de politique spatiale provincial sur laquelle le Gouvernement flamand a émis des réserves conformément à l'article 2.1.8, § 2, troisième alinéa ; " ;
  5° au paragraphe 3 est inséré un point 1° /1 et 1° /2, libellé comme suit :
  "1° /1 si le plan d'exécution spatial provincial donne exécution à un cadre politique du plan de politique spatiale provincial que le Gouvernement flamand n'a pu valider conformément à l'article 2.1.5, § 2, deuxième alinéa ;
  1° /2 si le plan d'exécution spatial provincial est manifestement incompatible avec un cadre politique ou, le cas échéant, avec un projet de cadre politique du Plan de politique spatiale pour la Flandre ; " ;
  6° au paragraphe 3, il est ajouté un alinéa 2, libellé comme suit :
  " Le Gouvernement flamand ne procède à l'abrogation que s'il estime que l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect, visé au premier alinéa, ne peut être réparé, éliminé ou résolu en suivant la procédure visée au paragraphe 4. " ;
  7° au paragraphe 4, les mots " soixante jours " sont chaque fois remplacés par les mots " nonante jours " et les mots " Gouvernement flamand " par le mot " département ".
Art. 37. In artikel 2.2.17 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt het woord "geschorst" vervangen door de woorden "geschorst of vernietigd";
  2° aan het derde lid wordt de volgende zin toegevoegd:
  "De deputatie stuurt een afschrift van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan en van het vaststellingsbesluit naar het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed, voor zover in het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan een erfgoedlandschap afgebakend of gewijzigd wordt.".
Art. 37. A l'article 2.2.17 du même code, remplacé par le décret du 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au premier alinéa, le mot " suspendu " est remplacé par les mots " suspendu ou abrogé " ;
  2° 2° au troisième alinéa, la phrase suivante est ajoutée :
  " La députation envoie une copie du plan d'exécution spatial provincial et de l'arrêté d'adoption à l'agence compétente dans le domaine politique de l'environnement et de l'aménagement du territoire qui est chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier, pour autant qu'un paysage patrimonial soit délimité ou modifié dans le plan d'exécution spatial régional. ".
Art. 38. In artikel 2.2.18, § 1, tweede lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 juli 2016, worden de woorden "het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan" vervangen door de woorden "het gemeentelijk beleidsplan ruimte, het provinciaal beleidsplan ruimte of het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen".
Art. 38. A l'article2.2.18, § 1er, deuxième alinéa, du même code, remplacé par le décret du 1er juillet 2016, les mots " du schéma de structure d'aménagement provincial " sont remplacés par les mots " du plan de politique spatiale communal, du plan de politique spatiale provincial ou du Plan de politique spatiale pour la Flandre ".
Art. 39. In artikel 2.2.20 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Uiterlijk tijdens de plenaire vergadering brengt het departement advies uit over de verenigbaarheid met:
  1° het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen dan wel het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen of een ontwerp van beleidskader, als het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen in werking is getreden;
  2° de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen of een of meer ontwerpen van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.";
  2° in het vierde lid worden de woorden "schriftelijk advies" vervangen door het woord "advies" en worden de woorden "al dan niet schriftelijke opmerkingen" vervangen door het woord "opmerkingen".
Art. 39. A l'article 2.2.20 du même code, inséré par le décret du 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " Au plus tard lors de la session plénière, le département émet un avis sur la compatibilité avec :
  1° Le Schéma de structure d'aménagement de la Flandre ou bien le Plan de politique spatiale pour la Flandre ou un projet de cadre politique, si le Plan de politique spatiale pour la Flandre est entré en vigueur ;
  2° les plans d'exécution spatiaux régionaux ou un ou plusieurs projets de plan d'exécution spatial régional. " ;
  2° au quatrième alinéa, les mots " avis écrit " sont remplacés par le mot " avis ", et les mots " observations écrites ou non " sont remplacés par le mot " observations ".
Art. 40. In artikel 2.2.21, § 4, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het derde en vierde lid worden vervangen door wat volgt:
  "De deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt, bezorgt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3, een advies over de verenigbaarheid met:
  1° het provinciaal ruimtelijk structuurplan of, in voorkomend geval, een ontwerp van provinciaal ruimtelijk structuurplan, dan wel het provinciaal beleidsplan ruimte of een ontwerp van beleidskader, als het provinciaal beleidsplan ruimte in werking is getreden;
  2° de provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen of een of meer ontwerpen van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan.
  Als er geen advies is verleend binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.";
  2° tussen het vierde en het vijfde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het departement bezorgt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening en het planteam binnen de termijn, vermeld in paragraaf 3, een advies over de verenigbaarheid met:
  1° het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen dan wel het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen of een ontwerp van beleidskader, als het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen in werking is getreden;
  2° de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen of een of meer ontwerpen van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.".
Art. 40. A l'article 2.2.21, § 4, du même code, inséré par le décret du 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les alinéas 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
  " La députation de la province où est située la commune fournit à la commission communale pour l'aménagement du territoire, dans le délai visé au paragraphe 3, un avis sur la compatibilité avec :
  1° le schéma de structure d'aménagement provincial ou, le cas échéant, un projet de schéma de structure d'aménagement provincial, ou bien le plan de politique spatiale provincial ou un projet de cadre politique, si le plan de politique spatiale provincial est entré en vigueur ;
  2° les plans d'exécution spatiaux provinciaux ou un ou plusieurs projets de plan d'exécution spatial provincial.
  Si aucun avis n'a été rendu dans le délai visé au paragraphe 3, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée. " ;
  2° il est inséré, entre les alinéas 4 et 5, un alinéa libellé comme suit :
  " Le département fournit à la commission communale pour l'aménagement du territoire et à l'équipe du plan, dans le délai visé au paragraphe 3, un avis sur la compatibilité avec :
  1° Le Schéma de structure d'aménagement de la Flandre ou bien le Plan de politique spatiale pour la Flandre ou un projet de cadre politique, si le Plan de politique spatiale pour la Flandre est entré en vigueur ;
  2° les plans d'exécution spatiaux régionaux ou un ou plusieurs projets de plan d'exécution spatial régional. ".
Art. 41. In artikel 2.2.22 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2016, worden de woorden "de Vlaamse Regering" vervangen door de woorden "het departement".
Art. 41. A l'article 2.2.22 du même code, inséré par le décret du 1er juillet 2016, les mots " Gouvernement flamand " sont remplacés par le mot " département ".
Art. 42. In artikel 2.2.23 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De Vlaamse Regering en de deputatie beschikken over een termijn van vijfenveertig dagen die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in artikel 2.2.22 of in paragraaf 3, tweede lid, om de uitvoering van het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan te schorsen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. De Vlaamse Regering kan binnen de voormelde termijn een definitief vastgesteld gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ook geheel of gedeeltelijk vernietigen. Een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen.";
  2° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "Binnen de ordetermijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de Vlaamse Regering een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit aan de deputatie. Als de deputatie een schorsingsbesluit neemt, bezorgt ze daarvan binnen de voormelde ordetermijn een afschrift aan het departement.";
  3° in paragraaf 1 wordt het derde lid opgeheven;
  4° in paragraaf 2, inleidende zin, wordt het woord "geschorst" vervangen door de woorden "geschorst of vernietigd";
  5° in paragraaf 2 wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft aan een optie uit het gemeentelijk beleidsplan ruimte waarbij de Vlaamse Regering of de deputatie voorbehoud heeft gemaakt conform artikel 2.1.11, § 2, tweede lid;";
  6° in paragraaf 2 worden een punt 1° /1 en 1° /2 ingevoegd, die luiden als volgt:
  "1° /1 als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft aan een beleidskader van het gemeentelijk beleidsplan ruimte dat de Vlaamse Regering niet meer geldig heeft verklaard conform artikel 2.1.5, § 2, tweede lid, of dat de provincieraad niet meer geldig heeft verklaard conform artikel 2.1.8, § 2, tweede lid;
  1° /2 als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kennelijk onverenigbaar is met een beleidskader of, in voorkomend geval, een ontwerp van beleidskader van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen of het provinciaal beleidsplan ruimte;";
  7° aan paragraaf 2 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het eerste lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 3.";
  8° in paragraaf 3 worden de woorden "zestig dagen" telkens vervangen door de woorden "negentig dagen" en de woorden "de Vlaamse Regering" door de woorden "het departement".
Art. 42. A l'article 2.2.23 du même code, inséré par le décret du 1er juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Le Gouvernement flamand et la députation disposent d'un délai de quarante-cinq jours prenant cours le lendemain de la signification visée à l'article 2.2.22, ou au paragraphe 3, alinéa 2, pour suspendre l'exécution de l'arrêté du conseil communal portant adoption définitive du plan d'exécution spatial communal. Une suspension ne peut pas être partielle. Dans le même délai, le Gouvernement flamand peut aussi abroger en tout ou en partie un plan d'exécution spatial communal adopté à titre définitif. Une copie de l'arrêté de suspension ou d'abrogation est transmise au collège des bourgmestre et échevins par envoi sécurisé dans un délai de forclusion de dix jours. " ;
  2° au paragraphe 1er, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Dans le délai de forclusion visé à l'alinéa premier, le Gouvernement flamand fournit à la députation une copie de l'arrêté de suspension ou d'abrogation. Si la députation prend une décision de suspension, elle en transmet une copie au département dans le délai de forclusion susmentionné. " ;
  3° au paragraphe 1er, le troisième alinéa est supprimé ;
  4° au paragraphe 2, phrase introductive, le mot " suspendu " est remplacé par les mots " suspendu ou abrogé " ;
  5° au paragraphe 2, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° si le plan d'exécution spatial communal donne exécution à une option du plan de politique spatiale communal sur laquelle le Gouvernement flamand a émis des réserves conformément à l'article 2.1.11, § 2, deuxième alinéa ; " ;
  6° au paragraphe 2, il est inséré un point 1° /1 et un point 1° /2, libellés comme suit :
  " 1° /1 si le plan d'exécution spatial communal donne exécution à un cadre politique du plan de politique spatiale communal que le Gouvernement flamand n'a plus validé conformément à l'article 2.1.5, § 2, deuxième alinéa, ou que le conseil provincial n'a plus validé conformément à l'article 2.1.8, § 2, deuxième alinéa ;
  1° /2 si le plan d'exécution spatial communal est manifestement incompatible avec un cadre politique ou, le cas échéant, avec un projet de cadre politique du Plan de politique spatiale pour la Flandre ou du plan de politique spatiale provincial ; " ;
  7° au paragraphe 2, il est ajouté un alinéa 2 libellé comme suit :
  " Le Gouvernement flamand ne procède à l'abrogation que s'il estime que l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect visé au premier alinéa ne peut être réparé, éliminé ou résolu en suivant la procédure visée au paragraphe 3. " ;
  8° au paragraphe 3, les mots " soixante jours " sont chaque fois remplacés par les mots " nonante jours " et les mots " Gouvernement flamand " par le mot " département ".
Art. 43. In artikel 2.2.24 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2016, wordt het woord "geschorst" vervangen door de woorden "geschorst of vernietigd".
Art. 43. A l'article 2.2.24 du même code, inséré par le décret du 1er juillet 2016, le mot " suspendu " est remplacé par les mots " suspendu ou abrogé ".
Art. 44. In artikel 2.2.25 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2016, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het college van burgemeester en schepenen stuurt een afschrift van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en van het vaststellingsbesluit naar het agentschap van het beleidsdomein Omgeving dat belast is met de uitvoering van het beleid inzake onroerend erfgoed, voor zover in het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een erfgoedlandschap afgebakend of gewijzigd wordt.".
Art. 44. A l'article 2.2.25 du même code, inséré par le décret du 1er juillet 2016, il est inséré entre les alinéas 1 et 2 un alinéa libellé comme suit :
  " Le collège des bourgmestre et échevins envoie une copie du plan d'exécution spatial communal et de l'arrêté d'adoption à l'agence compétente dans le domaine de l'environnement et de l'aménagement du territoire qui est chargée de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier, pour autant qu'un paysage patrimonial soit délimité ou modifié dans le plan d'exécution spatial communal. ".
Art. 45. In artikel 2.3.1 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, inleidende zin, wordt tussen de woorden "bevatten de nodige" en het woord "voorschriften" het woord "stedenbouwkundige" ingevoegd;
  2° in het eerste lid wordt punt 13° opgeheven;
  3° in het tweede lid wordt de zinsnede "en aspecten waarvoor maatregelen vereist zijn met toepassing van artikel 2.2.5, § 2" opgeheven;
  4° in het derde lid, 3°, worden de woorden "gebouwen en constructies" vervangen door de zinsnede "gebouwen, constructies of publiciteitsinrichtingen";
  5° in het vierde lid worden de woorden "bevatten voorschriften die verband houden met de ruimtelijke ordening en" opgeheven.
Art. 45. A l'article 2.3.1 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 15 juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° Au premier alinéa, phrase introductive, le mot " urbanistiques " est inséré entre les mots " contiennent toutes les prescriptions " et le mot " requises " ;
  2° au premier alinéa, le point 13° est supprimé ;
  3° au deuxième alinéa, le membre de phrase " et les aspects pour lesquels des mesures sont requises en application de l'article 2.2.5, § 2 " est supprimé ;
  4° au troisième alinéa, 3°, les mots " bâtiments et constructions " sont remplacés par le membre de phrase " bâtiments, constructions et établissements publicitaires " ;
  5° au quatrième alinéa, les mots " contiennent des prescriptions relatives à l'aménagement du territoire et ils " sont supprimés.
Art. 46. In artikel 2.3.2 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010, 4 april 2014, 25 april 2014 en 15 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in het vierde lid wordt de zin "Het departement geeft bindend advies over de verenigbaarheid met gewestelijke verordeningen." vervangen door de zin "Het departement geeft advies over de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in paragraaf 1/1, tweede lid.";
  b) het zesde tot en met het elfde lid worden vervangen door wat volgt:
  "De provinciale stedenbouwkundige verordening wordt samen met het besluit van de provincieraad en het volledige advies van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening binnen tien dagen na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement.";
  2° er worden een paragraaf 1/1 en een paragraaf 1/2 ingevoegd, die luiden als volgt:
  " § 1/1. De Vlaamse Regering beschikt over een termijn van vijfenveertig dagen die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 1, zesde lid, om de uitvoering van het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening te schorsen of te vernietigen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. Een afschrift van de beslissing tot schorsing of vernietiging wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie.
  Het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening kan alleen worden geschorst of vernietigd:
  1° als de provinciale stedenbouwkundige verordening uitvoering geeft aan een optie uit het provinciaal beleidsplan ruimte waarbij de Vlaamse Regering voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig artikel 2.1.8, § 2, derde lid;
  2° als de provinciale stedenbouwkundige verordening uitvoering geeft aan een beleidskader van het provinciaal beleidsplan ruimte dat de Vlaamse Regering niet meer geldig heeft verklaard overeenkomstig artikel 2.1.5, § 2, tweede lid;
  3° als de provinciale stedenbouwkundige verordening kennelijk onverenigbaar is met een beleidskader of, in voorkomend geval, een ontwerp van beleidskader van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen;
  4° als de provinciale stedenbouwkundige verordening strijdig is met een gewestelijke stedenbouwkundige verordening of, in voorkomend geval, een ontwerp van gewestelijke stedenbouwkundige verordening;
  5° als de provinciale stedenbouwkundige verordening strijdig is met artikel 2.3.1 of 4.2.5;
  6° als de provinciale stedenbouwkundige verordening strijdig is met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening;
  7° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste.
  De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het tweede lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 1/2.
  § 1/2. In geval van schorsing beschikt de provincieraad over een termijn van negentig dagen die ingaat op de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan de deputatie, om de provinciale stedenbouwkundige verordening opnieuw definitief vast te stellen. Bij de definitieve vaststelling van de verordening kunnen ten opzichte van de geschorste verordening alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit.
  De provinciale stedenbouwkundige verordening wordt samen met het nieuwe besluit van de provincieraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan het departement.
  Als de provincieraad binnen de voormelde termijn van negentig dagen geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening neemt, vervallen het geschorste provincieraadsbesluit en de provinciale stedenbouwkundige verordening.
  Als het besluit van de provincieraad tot definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt de provincieraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van de provinciale stedenbouwkundige verordening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.";
  3° in paragraaf 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) het zesde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Het college van burgemeester en schepenen legt het ontwerp van stedenbouwkundige verordening voor advies voor aan het departement, de deputatie en aan de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening. Het departement en de deputatie geven advies over de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in paragraaf 2/1, derde lid.";
  b) het achtste tot en met het dertiende lid worden vervangen door wat volgt:
  "De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening wordt samen met het besluit van de gemeenteraad en het volledige advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening binnen tien dagen na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie en het departement.".
  4° er worden een paragraaf 2/1 en een paragraaf 2/2 toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 2/1. De deputatie en de Vlaamse Regering beschikken over een termijn van vijfenveertig dagen, die ingaat de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 2, achtste lid, om de uitvoering van het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening te schorsen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. De Vlaamse Regering kan binnen de voormelde termijn een definitief vastgestelde gemeentelijke stedenbouwkundige verordening ook geheel of gedeeltelijk vernietigen. Een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen.
  Binnen de ordetermijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de Vlaamse Regering een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit aan de deputatie. Als de deputatie een schorsingsbesluit neemt, bezorgt ze daarvan binnen de voormelde ordetermijn een afschrift aan het departement.
  Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening kan alleen worden geschorst:
  1° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening uitvoering geeft aan een optie uit het gemeentelijk beleidsplan ruimte waarbij de Vlaamse Regering of de deputatie voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig artikel 2.1.11, § 2, tweede lid;
  2° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening uitvoering geeft aan een beleidskader van het gemeentelijk beleidsplan ruimte dat de Vlaamse Regering niet meer geldig heeft verklaard overeenkomstig artikel 2.1.5, § 2, tweede lid, of dat de provincieraad niet meer geldig heeft verklaard overeenkomstig artikel 2.1.8, § 2, tweede lid;
  3° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening kennelijk onverenigbaar is met een beleidskader of, in voorkomend geval, een ontwerp van beleidskader van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen of het provinciaal beleidsplan ruimte;
  4° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening strijdig is met een gewestelijke of provinciale stedenbouwkundige verordening of, in voorkomend geval, een ontwerp van gewestelijke of provinciale stedenbouwkundige verordening;
  5° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening strijdig is met artikel 2.3.1 of 4.2.5;
  6° als de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening strijdig is met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening;
  7° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste.
  De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het derde lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf 2/2.
  § 2/2. In geval van schorsing beschikt de gemeenteraad over een termijn van negentig dagen die ingaat de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan het college van burgemeester en schepenen, om de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening opnieuw definitief vast te stellen. Bij de definitieve vaststelling van de verordening kunnen ten opzichte van de geschorste verordening alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit.
  De gemeentelijke stedenbouwkundige verordening wordt samen met het nieuwe besluit van de gemeenteraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie en het departement.
  Als de gemeenteraad binnen de voormelde termijn van negentig dagen geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening neemt, vervallen het geschorste gemeenteraadsbesluit en het ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundige verordening.
  Als het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt de gemeenteraadsbeslissing houdende definitieve vaststelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.".
Art. 46. A l'article 2.3.2 du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010, 4 avril 2014, 25 avril 2014 en 15 juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, les modifications suivantes sont apportées :
  a) au quatrième alinéa, la phrase " Le département émet un avis contraignant sur la compatibilité avec les règlements régionaux. " est remplacée par la phrase " Le département émet un avis sur l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect, visés au paragraphe 1/1, deuxième alinéa. " ;
  b) les alinéas 6 à 11 inclus sont remplacés par ce qui suit :
  " Le règlement urbanistique provincial ainsi que l'arrêté du conseil provincial et l'avis complet de la commission provinciale pour l'aménagement du territoire sont transmis au département par envoi sécurisé dans les dix jours qui suivent l'adoption définitive. " ;
  2° il est inséré un paragraphe 1/1 et un paragraphe 1/2, libellés comme suit :
  " § 1/1. Le Gouvernement flamand dispose d'un délai de quarante-cinq jours prenant cours le lendemain de la signification visée au paragraphe 1er, alinéa 6, pour suspendre ou annuler l'exécution de l'arrêté du conseil provincial portant adoption définitive du règlement urbanistique provincial. Une suspension ne peut pas être partielle. Une copie de l'arrêté de suspension ou d'abrogation est transmise à la députation dans un délai de forclusion de dix jours par envoi sécurisé. " ;
  L'arrêté du conseil provincial portant adoption définitive du règlement urbanistique provincial ne peut être suspendu ou abrogé que :
  1° si le règlement urbanistique provincial donne exécution à une option du plan de politique spatiale provincial sur laquelle le Gouvernement flamand a émis des réserves conformément à l'article 2.1.8, § 2, troisième alinéa ;
  2° si le règlement urbanistique provincial donne exécution à un cadre politique du plan de politique spatiale provincial que le Gouvernement flamand n'a plus validé conformément à l'article 2.1.5, § 2, deuxième alinéa ;
  3° si le règlement urbanistique provincial est manifestement incompatible avec un cadre politique ou, le cas échéant, avec un projet de cadre politique du Plan de politique spatiale pour la Flandre ;
  4° si le règlement urbanistique provincial est en contradiction avec un règlement urbanistique régional ou, le cas échéant, avec un projet de règlement urbanistique régional ;
  5° si le règlement urbanistique provincial est en contradiction avec l'article 2.3.1 ou 4.2.5 ;
  6° si le règlement urbanistique provincial est en contradiction avec des normes s'appliquant directement à des domaines politiques autres que l'aménagement du territoire ;
  7° en cas de non-respect d'une condition de forme substantielle.
  " Le Gouvernement flamand ne procède à l'abrogation que s'il estime que l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect visé au deuxième alinéa ne peut être réparé, éliminé ou résolu en suivant la procédure visée au paragraphe 1/2.
  § 1/2. En cas de suspension, le conseil provincial dispose d'un délai de nonante jours prenant cours le lendemain de l'envoi de l'arrêté de suspension à la députation, pour rétablir l'adoption définitive du règlement urbanistique. Lors de l'adoption définitive du règlement, seules des modifications basées sur l'arrêté de suspension ou en découlant peuvent être apportées par rapport au règlement suspendu.
  Le règlement urbanistique provincial est transmis conjointement avec le nouvel arrêté du conseil provincial par envoi sécurisé au département immédiatement après l'adoption définitive.
  Si le conseil provincial ne prend pas de nouvel arrêté d'adoption définitive du règlement urbanistique provincial dans le délai précité de 90 jours, l'arrêté suspendu du Conseil provincial et le règlement urbanistique provincial deviennent caducs.
  Si l'arrêté d'adoption définitive du règlement urbanistique provincial pris par le conseil provincial n'a pas été suspendu ou abrogé dans les délais requis, la décision du conseil provincial portant adoption définitive du règlement urbanistique provincial est publiée par extrait au Moniteur belge. " ;
  3° au paragraphe 2, les modifications suivantes sont apportées :
  a) l'alinéa 6 est remplacé par ce qui suit :
  " Le collège des bourgmestre et échevins soumet le projet de règlement urbanistique pour avis au département, à la députation et à la commission communale pour l'aménagement du territoire. Le département et la députation rendent un avis sur l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect visés au paragraphe 2/1, troisième alinéa. " ;
  b) les alinéas 8 à 13 inclus sont remplacés par ce qui suit :
  " Le règlement urbanistique communal ainsi que l'arrêté du conseil communal et l'avis complet de la commission communale pour l'aménagement du territoire sont transmis à la députation et au département par envoi sécurisé dans les dix jours qui suivent l'adoption définitive. " ;
  4° il est inséré un paragraphe 2/1 et un paragraphe 2/2, libellés comme suit :
  " § 2/1. La députation et le Gouvernement flamand disposent d'un délai de quarante-cinq jours prenant cours le lendemain de la signification visée au paragraphe 2, alinéa 8, pour suspendre l'exécution de l'arrêté du conseil communal portant adoption définitive du règlement urbanistique communal. Une suspension ne peut pas être partielle. Dans le même délai, le Gouvernement flamand peut aussi abroger en tout ou en partie un règlement urbanistique communal adopté à titre définitif. Une copie de l'arrêté de suspension ou d'abrogation est transmise au collège des bourgmestre et échevins par envoi sécurisé dans un délai de forclusion de dix jours.
  Dans le délai de forclusion visé au premier alinéa, le Gouvernement flamand procure à la députation une copie de l'arrêté de suspension ou d'abrogation. Si la députation prend un arrêté de suspension, elle en procure une copie au département dans le délai de forclusion susmentionné.
  L'arrêté du conseil communal portant adoption définitive du règlement urbanistique communal ne peut être suspendu que :
  1° si le règlement urbanistique communal donne exécution à une option du plan de politique spatiale communal sur laquelle le Gouvernement flamand ou la députation a émis des réserves conformément à l'article 2.1.11, § 2, deuxième alinéa ;
  2° si le plan d'exécution spatial communal donne exécution à un cadre politique du plan de politique spatiale communal que le Gouvernement flamand n'a plus validé conformément à l'article 2.1.5, § 2, deuxième alinéa, ou que le conseil provincial n'a plus validé conformément à l'article 2.1.8, § 2, deuxième alinéa ;
  3° si le règlement urbanistique communal est manifestement incompatible avec un cadre politique ou, le cas échéant, avec un projet de cadre politique du Plan de politique spatiale pour la Flandre ou du plan de politique spatiale provincial ;
  4° si le règlement urbanistique communal est en contradiction avec un règlement urbanistique régional ou provincial ou, le cas échéant, avec un projet de règlement urbanistique régional ou provincial ;
  5° si le règlement urbanistique communal est en contradiction avec l'article 2.3.1 ou 4.2.5 ;
  6° si le règlement urbanistique communal est en contradiction avec des normes s'appliquant directement à des domaines politiques autres que l'aménagement du territoire ;
  7° en cas de non-respect d'une condition de forme substantielle.
  " Le Gouvernement flamand ne procède à l'abrogation que s'il estime que l'incompatibilité, la contradiction ou le non-respect visé au troisième alinéa ne peut être réparé, éliminé ou résolu en suivant la procédure visée au paragraphe 2/2.
  § 2/2. En cas de suspension, le conseil communal dispose d'un délai de nonante jours prenant cours le lendemain de l'envoi de l'arrêté de suspension au collège des bourgmestre et échevins pour adopter à nouveau définitivement le règlement urbanistique communal. Lors de l'adoption définitive du règlement, seules des modifications basées sur l'arrêté de suspension ou en découlant peuvent être apportées par rapport au règlement suspendu.
  Le règlement urbanistique communal ainsi que le nouvel arrêté du conseil communal sont transmis à la députation et au département par envoi sécurisé immédiatement après l'adoption définitive.
  Si le conseil communal ne prend pas de nouvel arrêté d'adoption définitive du règlement urbanistique communal dans le délai précité de nonante jours, l'arrêté suspendu du conseil communal et le projet de règlement urbanistique communal deviennent caducs.
  Si l'arrêté d'adoption définitive du règlement urbanistique communal pris par le conseil communal n'a pas été suspendu ou abrogé en temps voulu, la décision du conseil communal d'adoption définitive du règlement urbanistique communal est publiée par extrait au Moniteur belge. ".
Art. 47. In artikel 2.4.10, § 1, eerste lid, van dezelfde codex worden de woorden "de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of" opgeheven.
Art. 47. A l'article 2.4.10, § 1, premier alinéa, du même code, les mots " son bien immeuble a considérablement diminué de valeur ou que " sont supprimés.
Art. 48. In artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, van dezelfde codex wordt punt 4° vervangen door wat volgt:
  "4° in gebieden die ressorteren onder de gebiedsbestemming `woongebied', vermeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, of die ressorteren onder de categorie van gebiedsaanduiding `wonen', vermeld in artikel 2.2.6, § 2, tweede lid, 1°, komt enkel de eerste 50 meter vanaf de rooilijn in aanmerking voor planschade.".
Art. 48. A l'article 2.6.1, § 3, premier alinéa, du même code, le point 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° dans les zones qui relèvent de l'affectation de zone " zone d'habitat ", visée à l'article 5 de l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en oeuvre des projets de plans et des plans de secteur, ou qui relèvent de la catégorie d'affectation de zone " habitation ", visée à l'article 2.2.6, § 2, alinéa 2, 1°, seuls les 50 premiers mètres à partir de l'alignement sont pris en compte pour les dommages résultant de la planification spatiale. ".
Art. 49. In artikel 2.6.6 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, geldt proportioneel voor de oppervlakte waarop de onteigening of de overdracht in der minne ten algemenen nutte betrekking heeft.";
  2° in het bestaande tweede lid, dat het derde lid wordt, worden tussen de woorden "betaalde bedragen" en het woord "terugbetaald" de woorden "naar rato van de toegekende vrijstelling" ingevoegd.
Art. 49. A l'article 2.6.6 du même code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° il est inséré entre les premier et deuxième alinéas un alinéa, libellé comme suit :
  " L'exemption visée au premier alinéa s'applique proportionnellement à la surface concernée par l'expropriation ou la cession à l'amiable pour cause d'utilité publique. " ;
  2° dans le deuxième alinéa existant, qui devient le troisième alinéa, les mots " au prorata de l'exemption accordée " sont insérés entre les mots " seront remboursés " et le membre de phrase " , mais toutefois ".
Art. 50. In artikel 2.6.10, § 2, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2016, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De vermoede meerwaarde van een perceel wordt berekend conform de volgende tabel:
Art. 50. A l'article 2.6.10, § 2, du même code, modifié par le décret du 1er juillet 2016, l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
  " La plus-value présumée d'une parcelle est calculée conformément au tableau suivant :
aard van de bestemmingswijziging bedrag van de vermoede meerwaarde per m²
wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 1° 117,64 euro
wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 2° 116,65 euro
wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 3° 113,24 euro
wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 4° 116,07 euro
wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 5° 63,08 euro
wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 6° 84,80 euro
wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 7° 83,81 euro
wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 8° 80,40 euro
wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 9° 83,23 euro
wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 10° 2,83 euro
wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 11° 4,40 euro
wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 12° 3,41 euro
wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 13° 0,99 euro
wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 14° 5,49 euro
wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 15° 4,50 euro
aard van de bestemmingswijziging bedrag van de vermoede meerwaarde per m²wijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 1° 117,64 eurowijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 2° 116,65 eurowijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 3° 113,24 eurowijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 4° 116,07 eurowijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 5° 63,08 eurowijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 6° 84,80 eurowijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 7° 83,81 eurowijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 8° 80,40 eurowijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 9° 83,23 eurowijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 10° 2,83 eurowijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 11° 4,40 eurowijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 12° 3,41 eurowijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 13° 0,99 eurowijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 14° 5,49 eurowijziging als vermeld in artikel 2.6.4, 15° 4,50 euro
".
Nature de la modification de destination Montant de la plus-value présumée par m2
Modification visée à l'article 2.6.4, 1° 117,64 euros
Modification visée à l'article 2.6.4, 2° 116,65 euros
Modification visée à l'article 2.6.4, 3° 113,24 euros
Modification visée à l'article 2.6.4, 4° 116,07 euros
Modification visée à l'article 2.6.4, 5° 63,08 euros
Modification visée à l'article 2.6.4, 6° 84,80 euros
Modification visée à l'article 2.6.4, 7° 83,81 euros
Modification visée à l'article 2.6.4, 8° 80,40 euros
Modification visée à l'article 2.6.4, 9° 83,23 euros
Modification visée à l'article 2.6.4, 10° 2,83 euros
Modification visée à l'article 2.6.4, 11° 4,40 euros
Modification visée à l'article 2.6.4, 12° 3,41 euros
Modification visée à l'article 2.6.4, 13° 0,99 euro
Modification visée à l'article 2.6.4, 14° 5,49 euros
Modification visée à l'article 2.6.4, 15° 4,50 euros
Nature de la modification de destination Montant de la plus-value présumée par m2Modification visée à l'article 2.6.4, 1° 117,64 eurosModification visée à l'article 2.6.4, 2° 116,65 eurosModification visée à l'article 2.6.4, 3° 113,24 eurosModification visée à l'article 2.6.4, 4° 116,07 eurosModification visée à l'article 2.6.4, 5° 63,08 eurosModification visée à l'article 2.6.4, 6° 84,80 eurosModification visée à l'article 2.6.4, 7° 83,81 eurosModification visée à l'article 2.6.4, 8° 80,40 eurosModification visée à l'article 2.6.4, 9° 83,23 eurosModification visée à l'article 2.6.4, 10° 2,83 eurosModification visée à l'article 2.6.4, 11° 4,40 eurosModification visée à l'article 2.6.4, 12° 3,41 eurosModification visée à l'article 2.6.4, 13° 0,99 euroModification visée à l'article 2.6.4, 14° 5,49 eurosModification visée à l'article 2.6.4, 15° 4,50 euros
".
Art. 51. In artikel 2.6.17, § 3, eerste lid, 1°, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 5 juli 2013, 4 april 2014 en 1 juli 2016, wordt de zinsnede "artikel 2.6.6, tweede lid" vervangen door de zinsnede "artikel 2.6.6, derde lid".
Art. 51. A l'article 2.6.17, § 3, premier alinéa, 1°, du même code, modifié par les décrets du 5 juillet 2013, du 4 avril 2014 et du 1er juillet 2016, le membre de phrase " article 2.6.6, deuxième alinéa " est remplacé par le membre de phrase " article 2.6.6, troisième alinéa ".
Art. 52. In artikel 4.1.1 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1°, e), wordt de zinsnede "artikel 2.2.2, § 1, eerste lid, 2° " vervangen door de zinsnede "artikel 2.2.5, § 1, eerste lid, 3° ";
  2° in punt 3° wordt de zinsnede ", een publiciteitsinrichting of uithangbord" opgeheven;
  3° aan punt 12° wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Het aanbrengen van gevelisolatie aan de buitenzijde van een woning tot een maximum van 26 centimeter wordt beschouwd als aanpassingswerken binnen het bestaande bouwvolume.";
4° in punt 14° wordt tussen de woorden "twee of meer" en het woord "kavels" het woord "onbebouwde" ingevoegd;
  5° in punt 18°, d), worden punt 1) en 2) vervangen door wat volgt:
  "1) hetzij ten hoogste twee personen, waarvan ten minste één persoon 65 jaar of ouder is;
  2) hetzij ten hoogste twee personen, waarvan ten minste één persoon die hulpbehoevend is. Een hulpbehoevende persoon is een persoon met een handicap, een persoon die in aanmerking komt voor een zorgverzekeringstegemoetkoming, een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden of een basisondersteuningsbudget als vermeld in artikel 4, eerste lid, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, of een persoon die een behoefte heeft aan ondersteuning om zich in zijn thuismilieu te kunnen handhaven. De kinderen ten laste van de hulpbehoevende persoon worden niet meegerekend bij het bepalen van het maximum van twee personen;".
Art. 52. A l'article 4.1.1 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 1 juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 1°, e), le membre de phrase " article 2.2.2, § 1, alinéa premier, 2° " est remplacé par le membre de phrase " article 2.2.5, § 1, alinéa premier, 3° " ;
  2° au point 3°, le membre de phrase " , un aménagement publicitaire ou une enseigne " est supprimé ;
  3° au point 12°, la phrase suivante est ajoutée :
  " La pose d'une isolation de façade à l'extérieur d'une habitation jusqu'à un maximum de 26 cm est considérée comme constituant des travaux d'adaptation effectués à l'intérieur du volume de construction existant. " ;
4° au point 14°, il est inséré, entre les mots " deux ou plusieurs lots " et le mot " afin ", les mots " non bâtis " ;
  5° 2° au point 18°, d), le point 1) et le point 2) sont remplacés par ce qui suit :
  "1) soit de maximum deux personnes, dont l'une au moins est âgée de 65 ans ou plus ;
  2) soit de maximum deux personnes, dont l'une au moins nécessite des soins. Une personne nécessitant des soins est une personne handicapée, une personne qui peut prétendre à une prestation d'assurance-maladie, à une allocation d'aide aux personnes âgées ou à un budget d'assistance de base comme visé à l'article 4, premier alinéa, du décret du 24 juin 2016 relatif à la protection sociale flamande, ou une personne qui a besoin d'être soutenue pour pouvoir se maintenir dans son environnement familial. Les enfants à charge de la personne nécessitant des soins ne sont pas pris en compte pour la détermination du maximum de deux personnes ; ".
(NOTA : bij arrest nr 80/2019 van 23 mei 2019 (B.St. 24-06-2019, p. 64909) heeft het Grondwettelijk hof dit artikel 52,4°)
(NOTE : par son arrêt n° 80/2019 du 23 mai 2019 (M.B. du 24-06-2019, p. 64910) annule l'article 52,4°)
Art. 53. Aan artikel 4.2.1 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 5 februari 2016, wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "9° een publiciteitsinrichting plaatsen of aanbrengen.".
Art. 53. A l'article 4.2.1 du même code, modifié par le décret du 25 avril 2014 et du 5 février 2016, il est ajouté un point 9°, libellé comme suit :
  " 9° placer ou installer un aménagement publicitaire. ".
Art. 54. In artikel 4.2.2 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt het woord "melding" telkens vervangen door het woord "meldingsakte";
  2° een paragraaf 3 wordt toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3. Regulariserende meldingen kunnen worden verricht onverminderd de strafbaarstelling van inbreuken op de meldingsplicht.".
Art. 54. A l'article 4.2.2 du même code, remplacé par le décret du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 2, les mots " une déclaration est considérée " sont remplacés par les mots " un acte de déclaration est considéré ", les mots " Une déclaration équivaut " sont remplacés par les mots " Un acte de déclaration équivaut " et les mots " si la déclaration " sont remplacés par les mots " si l'acte de déclaration " ;
  2° il est ajouté un paragraphe 3, libellé comme suit :
  " § 3. Des déclarations de régularisation peuvent être effectuées sans préjudice de l'incrimination des infractions à l'obligation de déclaration. ".
Art. 55. In artikel 4.2.4, § 1, van dezelfde codex wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De verwezenlijking van een ondergeschikte wooneenheid met het oog op de creatie van een vorm van zorgwonen is meldingsplichtig op voorwaarde dat de ondergeschikte wooneenheid verwezenlijkt wordt binnen het bestaande bouwvolume van de woning.".
Art. 55. A l'article 4.2.4, § 1 du même code, l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
  " La réalisation d'une unité d'habitation subordonnée en vue de la création d'une forme d'appartement supervisé est soumise à l'obligation de déclaration, à condition toutefois que l'unité d'habitation subordonnée soit réalisée à l'intérieur du volume de construction existant de l'habitation. "
Art. 56. In titel IV, hoofdstuk II, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° sectie 4, die bestaat uit artikel 4.2.7 tot en met 4.2.13, wordt vervangen door wat volgt:
  "Sectie 4. - As-built
  Art. 4.2.7. De uitvoering van vergunde stedenbouwkundige handelingen betreffende een constructie mag worden gecombineerd met de uitvoering van de volgende stedenbouwkundige handelingen:
  1° handelingen die niet zijn onderworpen aan de vergunningsplicht, opgenomen in artikel 4.2.1;
  2° handelingen die zijn vrijgesteld van de vergunningsplicht in toepassing van artikel 4.2.3;
  3° handelingen die zijn onderworpen aan de meldingsplicht in toepassing van artikel 4.2.2, voor zover deze handelingen beperkt blijven tot handelingen binnen in gebouwen.
  Het eerste lid is slechts van toepassing voor zover de handelingen, opgesomd in het eerste lid, niet uitdrukkelijk verboden of beperkt zijn in de vergunning.
  In afwijking van het eerste lid kunnen handelingen die het voorwerp uitmaken van provinciale of gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen, opgemaakt met toepassing van artikel 4.2.5 of 4.2.6, niet gecombineerd worden met de uitvoering van vergunde stedenbouwkundige handelingen betreffende een constructie.
  De handelingen, vermeld in het eerste lid, worden niet beschouwd als strijdig met de verleende stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen.
  Art. 4.2.8. De uitvoering van stedenbouwkundige handelingen wordt beschouwd als beantwoordend aan de verleende vergunning als er geen grotere afwijkingen in maatvoering zijn dan deze die inherent verbonden zijn aan het bouwproces. Deze technische tolerantiemarge wordt het metsershaar genoemd. De toepassing van het metsershaar kan geen afbreuk doen aan burgerlijke rechten.
  Art. 4.2.9. Als voor de handelingen de medewerking van een architect is vereist, kan de architect, belast met het toezicht op de uitvoering van de vergunde stedenbouwkundige handelingen, op verzoek van de opdrachtgever, een as-builtattest opstellen waarin hij:
  1° in voorkomend geval beschrijft op welke wijze gebruik werd gemaakt van de mogelijkheden, vermeld in artikel 4.2.7;
  2° verklaart dat de bepalingen rond het metsershaar, vermeld in artikel 4.2.8, zijn nageleefd.
  De architect bezorgt een afschrift van het as-builtattest aan het college van burgemeester en schepenen.
  De Vlaamse Regering kan een model van as-builtattest vaststellen.";
  2° artikel 4.2.10 tot en met 4.2.13 worden opgeheven.
Art. 56. Au titre IV, chapitre II du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° la division 4, composée des articles 4.2.7 à 4.2.13 inclus, est remplacée par ce qui suit :
  " Division 4. - Attestation as-built
  Art. 4.2.7. L'exécution d'actes urbanistiques autorisés se rapportant à une construction peut être combinée avec l'exécution des actes urbanistiques suivants :
  1° les actes qui ne sont pas soumis à l'obligation d'autorisation, repris à l'article 4.2.1 ;
  2° les actes qui sont exemptés de l'obligation d'autorisation en application de l'article 4.2.3 ;
  3° les actes qui sont soumis à l'obligation d'autorisation en application de l'article 4.2.2, pour autant que ces actes restent limités à des actes à l'intérieur des bâtiments.
  Le premier alinéa n'est d'application que dans la mesure où les actes énumérés dans le premier alinéa ne sont pas expressément interdits ou limités dans l'autorisation.
  Par dérogation au premier alinéa, les actes qui font l'objet de règlements urbanistiques provinciaux ou communaux, élaborés en application de l'article 4.2.5 ou 4.2.6, ne peuvent pas être combinés avec l'exécution d'actes urbanistiques autorisés et se rapportant à une construction.
  Les actes visés au premier alinéa ne sont pas considérés comme contraires au permis d'urbanisme ou au permis d'environnement relatifs aux actes urbanistiques.
  Art. 4.2.8. L'exécution d'actes urbanistiques est considérée comme conforme au permis octroyé si elle ne comporte pas d'écarts dimensionnels plus importants que ceux qui sont intrinsèquement liés au processus de construction. Cette marge de tolérance technique correspond au concept désigné en néerlandais par le terme " metsershaar ". L'application de cette marge " d'erreur " ne peut porter atteinte aux droits civils.
  Art. 4.2.9. Si les actes requièrent la collaboration d'un architecte, l'architecte chargé de superviser l'exécution des actes urbanistiques autorisés peut, à la demande du donneur d'ordre, établir une attestation as-built dans laquelle il :
  1° décrit, le cas échéant, la manière dont les possibilités visées à l'article 4.2.7 ont été utilisées ;
  2° déclare que les dispositions concernant la marge de tolérance technique, visées à l'article 4.2.8, ont été respectées.
  L'architecte remet copie de l'attestation as-built au collège des bourgmestre et échevins.
  Le Gouvernement flamand peut établir un modèle d'attestation as-built. " ;
  2° les articles 4.2.10 à 4.2.13 sont supprimés.
Art. 57. In artikel 4.2.17 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 25 april 2014, wordt het tweede lid vervangen door de volgende twee leden:
  "Een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden geldt tevens als omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie, vermeld in artikel 9bis, § 7, en artikel 13, § 4 en § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, wat betreft alle handelingen die zijn opgenomen in de vergunning en die de verkaveling bouwrijp maken.
  Het eerste en het tweede lid gelden als de vergunningsaanvraag voor het verkavelen van gronden voldoet aan de vereisten inzake ontvankelijkheid en volledigheid die gelden voor de aanvraag voor stedenbouwkundige handelingen of voor het wijzigen van de vegetatie.".
Art. 57. A l'article 4.2.17 du même code, remplacé par le décret du 25 avril 2014, le deuxième alinéa est remplacé par les deux alinéas suivants :
  " Un permis d'environnement pour le lotissement de terrains tient également lieu de permis d'environnement pour la modification de la végétation, visé à l'article 9bis, § 7, et à l'article 13, § 4 et § 5, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, en ce qui concerne tous les actes qui sont repris dans le permis et qui préparent le lotissement pour la construction.
  Le premier et le deuxième alinéa s'appliquent si la demande de permis pour le lotissement de terrains satisfait aux exigences en matière de recevabilité et d'exhaustivité applicables à la demande d'actes urbanistiques ou de modification de la végétation. ".
Art. 58. In artikel 4.3.1 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010, 4 april 2014 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° als het aangevraagde onverenigbaar is met:
  a) stedenbouwkundige voorschriften, voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken;
  b) verkavelingsvoorschriften inzake wegenis en openbaar groen;
  c) andere verkavelingsvoorschriften dan deze die vermeld zijn onder b), voor zover de verkaveling niet ouder is dan vijftien jaar op het ogenblik van de indiening van de vergunningsaanvraag, en voor zover van die verkavelingsvoorschriften niet op geldige wijze is afgeweken;
  d) een goede ruimtelijke ordening;";
  2° aan paragraaf 1 wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De termijn van vijftien jaar, vermeld in het eerste lid, 1°, b) en c), wordt berekend vanaf de datum van afgifte van de oorspronkelijke vergunning in laatste administratieve aanleg. Als de vergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het verkavelingsproject, wordt de termijn gerekend per fase. Voor de tweede fase en volgende fasen wordt de termijn dientengevolge gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.";
  3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook de volgende aspecten in rekening brengen:
  a) beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in punt 1° ;
  b) de bijdrage van het aangevraagde aan de verhoging van het ruimtelijk rendement voor zover:
  1) de rendementsverhoging gebeurt met respect voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving;
  2) de rendementsverhoging in de betrokken omgeving verantwoord is.".
Art. 58. A l'article 4.3.1 du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010, du 4 avril 2014 et du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, premier alinéa, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° lorsque la demande s'avère incompatible avec :
  a) les prescriptions urbanistiques, s'il n'y a pas été dérogé valablement ;
  b) les prescriptions de lotissement en matière de voirie et d'espaces verts publics ;
  c) d'autres prescriptions de lotissement que celles visées sous b), si le lotissement n'est pas vieux de plus de 15 ans au moment de l'introduction de la demande de permis, et s'il n'a pas été dérogé valablement aux prescriptions de lotissement ;
  d) un bon aménagement du territoire ; " ;
  2° au paragraphe 1er, il est ajouté un quatrième alinéa, libellé comme suit :
  " Le délai de 15 ans visé à l'alinéa premier, 1°, b) et c), est calculé à partir de la date de délivrance du permis initial en dernière instance administrative. Si la demande fait expressément état des différentes phases du projet de lotissement, le délai est calculé pour chacune des phases. Pour la deuxième phase et les phases suivantes, le délai est dès lors calculé à partir de la date de début de la phase concernée. " ;
  3° au paragraphe 2, premier alinéa, le point 2 est remplacé par ce qui suit :
  " 2° lors de l'évaluation de la demande, l'organe administratif accordant les permis tient compte de la situation existante dans les environs, mais peut aussi prendre en compte les aspects suivants :
  a) d'éventuels développements politiques souhaités en rapport avec les points d'attention mentionnés au point 1° ;
  b) la contribution de ce qui est demandé à l'augmentation du rendement spatial, pour autant que : :
  1) l'augmentation de rendement se fasse dans le respect de la qualité du cadre d'habitat et de vie ;
  2) l'augmentation de rendement soit justifiée dans l'environnement concerné. ".
Art. 59. In artikel 4.3.5, § 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt de zinsnede "dagrecreatie, handel, horeca, kantoorfunctie, diensten, industrie, ambacht" vervangen door de zinsnede "dagrecreatie, met inbegrip van sport, detailhandel, dancing, restaurant en café, kantoorfunctie, dienstverlening, vrije beroepen, industrie, bedrijvigheid".
Art. 59. A l'article 4.3.5, § 1, du même code, modifié par le décret du 25 avril 2014, le membre de phrase " récréation de jour, commerce, horeca, bureau, services, industrie, artisanat " est remplacé par le membre de phrase " récréation de jour, y compris sport, commerce de détail, dancing, restaurant et café, fonctions de bureau, prestations de services, professions libérales, industrie, affaires ".
Art. 60. Aan artikel 4.3.6 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een vergunning wordt geweigerd als de aanvraag betrekking heeft op het oprichten van een tweede of een bijkomende, vrijstaande bedrijfswoning bij eenzelfde bedrijf.".
Art. 60. A l'article 4.3.6 du même code, modifié par le décret du 25 avril 2014, il est ajouté un deuxième alinéa, libellé comme suit :
  " Un permis est refusé si la demande concerne l'établissement d'une deuxième habitation d'entreprise ou d'une habitation d'entreprise indépendante supplémentaire dans une même entreprise. ".
Art. 61. In artikel 4.3.8 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Een stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen kan niet worden verleend voor het bouwen, verbouwen, herbouwen of uitbreiden van een constructie op een stuk grond dat door een rooilijn of een achteruitbouwstrook is getroffen, behoudens onder de voorwaarden die worden bepaald bij of krachtens het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen.";
  2° in de inleidende zin van paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "het bouwen van een constructie" vervangen door de zinsnede "handelingen, vermeld in artikel 4.2.1, 1°, ";
  3° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "Als de onteigening alsnog plaatsvindt vóór het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt bij het bepalen van de vergoeding volledig rekening gehouden met de eventuele waardevermeerdering die voortvloeit uit de vergunde, gemelde of vrijgestelde handelingen.";
  4° aan paragraaf 2 worden een derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "De Vlaamse Regering bepaalt of en in welke mate bij onteigening na het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, 2°, bij het bepalen van de vergoeding rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering die voortvloeit uit vergunde, gemelde of vrijgestelde handelingen.
  Er wordt rekening gehouden met de eventuele waardevermeerdering die voortvloeit uit de volgende handelingen aan bestaande, hoofdzakelijk vergunde constructies:
  1° onderhoudswerken;
  2° vergunde stabiliteitswerken;
  3° van vergunning vrijgestelde handelingen binnen het bestaande bouwvolume;
  4° vergunde verbouwingen binnen het bestaande bouwvolume;
  5° vergunde herstelwerken na vernietiging of beschadiging door vreemde oorzaak;
  6° handelingen als vermeld in artikel 4.4.19, § 1.".
Art. 61. A l'article 4.3.8 du même code, modifié par le décret du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1. Un permis d'urbanisme ou un permis d'environnement pour des actes urbanistiques ne peut pas être octroyé pour l'édification, la transformation, la reconstruction ou l'extension d'un bâtiment sur une parcelle de terrain touchée par un alignement ou par l'imposition d'une zone de recul, sauf sous les conditions fixées par ou en vertu du décret du 8 mai 2009 portant établissement et réalisation des alignements. " ;
  2° dans la phrase introductive du paragraphe 2, premier alinéa, les mots " l'édification d'une construction " sont remplacés par le membre de phrase " les actes visés à l'article 4.2.1, 1°, " ;
  3° au paragraphe 2, le deuxième alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " En cas d'expropriation avant l'expiration du délai visé au premier alinéa, 2°, il sera pleinement tenu compte, lors de la détermination de l'indemnité, de l'éventuelle plus-value découlant des actes autorisés, déclarés ou exemptés. "
  4° au paragraphe 2, il est ajouté un alinéa 3 et un alinéa 4, libellés comme suit :
  " Le Gouvernement flamand détermine si et dans quelle mesure, en cas d'expropriation après l'expiration du délai visé à l'alinéa premier, 2°, il sera pleinement tenu compte, lors de la détermination de l'indemnité, de l'éventuelle plus-value découlant des actes autorisés, déclarés ou exemptés. "
  Il est également tenu compte de l'éventuelle plus-value découlant des travaux suivants sur des constructions existantes autorisées en principal :
  1° travaux d'entretien.
  2° travaux de stabilisation autorisés ;
  3° actes exemptés de permis effectués à l'intérieur du volume de construction existant ;
  4° transformations autorisées à l'intérieur du volume de construction existant ;
  5° travaux de réparation autorisés après destruction ou dommages provoqués par une cause étrangère ;
  6° les actes visés à l'article 4.4.19, § 1. ".
Art. 62. In artikel 4.4.1 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010, 11 mei 2012, 25 april 2014 en 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. De volgende handelingen worden niet beschouwd als afwijkend van stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften, tenzij die voorschriften deze handelingen uitdrukkelijk verbieden:
  1° de plaatsing van fotovoltaïsche zonnepanelen of zonneboilers geïntegreerd in het dakvlak;
  2° de creatie van een zorgwoning in de zin van artikel 4.1.1, 18° ;
  3° het aanbrengen van gevelisolatie aan de buitenzijde van een woning met een dikte van ten hoogste 26 centimeter.";
  2° in paragraaf 3, eerste lid, inleidende zin, worden de woorden "provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen" vervangen door de woorden "provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen en meer dan vijftien jaar oude verkavelingen";
  3° in paragraaf 3, tweede lid, inleidende zin, wordt het woord "verkavelingen" vervangen door de woorden "minder dan vijftien jaar oude verkavelingen";
  4° in paragraaf 3, derde lid, wordt het woord "verkavelingsvergunningen" vervangen door het woord "verkavelingen" en wordt de zinsnede ", tenzij deze voorschriften deze handelingen uitdrukkelijk en specifiek beperken of verbieden" toegevoegd;
  5° aan paragraaf 3 wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De termijn van vijftien jaar, vermeld in het eerste lid en tweede lid, wordt berekend vanaf de datum van afgifte van de oorspronkelijke vergunning in laatste administratieve aanleg. Als de vergunning uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het verkavelingsproject, wordt de termijn gerekend per fase. Voor de tweede fase en volgende fasen wordt de termijn dientengevolge gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.".
Art. 62. A l'article 4.4.1 du même code, modifié par les décrets des 16 juillet 2010, 11 mai 2012, 25 avril 2014 en 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Les actes suivants ne sont pas considérés comme dérogatoires aux prescriptions urbanistiques ou aux prescriptions de lotissement, à moins que celles-ci interdisent explicitement ces actes :
  1° l'installation de panneaux solaires photovoltaïques ou de chauffe-eau solaires intégrés dans la toiture ;
  2° la création d'un appartement supervisé au sens de l'article 4.1.1, 18° ;
  3° la pose d'une isolation de façade à l'extérieur d'une habitation, d'une épaisseur de 26 cm au maximum. " ;
  2° au paragraphe 3, premier alinéa, phrase introductive, les mots " de plans d'exécution spatiaux régionaux ou provinciaux " sont remplacés par les mots " de plans d'exécution spatiaux régionaux ou provinciaux et de lotissements vieux de plus de 15 ans " ;
  3° au paragraphe 3, deuxième alinéa, phrase introductive, le mot " lotissements " est remplacé par les mots " lotissements vieux de moins de 15 ans " ;
  4° au paragraphe 3, troisième alinéa, le mot " permis de lotir " est remplacé par le mot " lotissements " et il est ajouté le membre de phrase " à moins que lesdites prescriptions limitent ou interdisent expressément et spécifiquement ces actes " ;
  5° au paragraphe 3, il est ajouté un alinéa 4 libellé comme suit :
  " Le délai de 15 ans visé aux premier et deuxième alinéas est calculé à partir de la date de délivrance du permis initial en dernière instance administrative. Si la demande fait expressément état des différentes phases du projet de lotissement, le délai est calculé pour chacune des phases. Pour la deuxième phase et les phases suivantes, le délai est dès lors calculé à partir de la date de début de la phase concernée. " ;
Art. 63. In artikel 4.4.6 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "of landschap" vervangen door de woorden "cultuurhistorisch landschap of archeologische site";
  2° in het eerste lid wordt het woord "gunstig" opgeheven;
  3° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Hetzelfde geldt voor handelingen aan of in de omgeving van een beschermd monument of binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht, cultuurhistorisch landschap of archeologische site die aan al de volgende voorwaarden voldoen:
  1° ze betreffen ontsluitingen, parkings, verhardingen, reliëfwijzigingen, ondergrondse constructies, technische constructies of onthaalinfrastructuur met een maximale vloeroppervlakte van 100 vierkante meter;
  2° ze bevorderen het functioneren van de aanwezige of te vergunnen activiteiten binnen de beschermde goederen, vermeld in het eerste lid, of ze zorgen voor de valorisatie ervan.".
Art. 63. A l'article 4.4.6 du même code, modifié par le décret du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le premier alinéa, les mots " ou d'un paysage " sont remplacés par les mots " ou d'un paysage historico-culturel ou site archéologique " ;
  2° dans l'alinéa premier, le mot " positif " est supprimé ;
  3° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Il en va de même pour les actes sur des monuments protégé ou dans leur voisinage, ou dans un site urbain ou rural, un paysage historico-culturel ou un site archéologique protégés, qui satisfont aux conditions suivantes :
  1° ils concernent des enceintes, parkings, revêtements, modifications de relief, constructions souterraines, constructions techniques ou infrastructures d'accueil ayant une superficie au sol maximale de 100 mètres carrés ;
  2° ils améliorent le fonctionnement des activités présentes ou à autoriser dans les biens protégés visés au premier alinéa, ou ils en assurent la valorisation. ".
Art. 64. In artikel 4.4.7, § 1, inleidende zin, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014, worden de woorden "de Vlaamse Regering of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar" vervangen door de woorden "het vergunningverlenende bestuursorgaan".
Art. 64. A l'article 4.4.7, § 1, phrase introductive, du même code, modifié par le décret du 4 avril 2014, les mots " le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire urbaniste régional " sont remplacés par les mots " l'organe administratif accordant l'autorisation ".
Art. 65. Artikel 4.4.8/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 april 2014, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 4.4.8/1. Ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen kunnen worden toegelaten in gebieden die niet groter zijn dan drie hectare en die op de gewestplannen als een van de volgende gebieden zijn aangewezen:
  1° gebied voor milieubelastende industrieën of voor vervuilende industrieën;
  2° regionaal bedrijventerrein, regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter of regionaal bedrijventerrein, ingericht door de overheid.
  Als de in het eerste lid vermelde gebieden groter zijn dan drie hectare en niet groter zijn dan tien hectare, kan de afwijkingsregeling, vermeld in het eerste lid, worden toegepast op voorwaarde dat op minstens de helft van het gebied in kwestie al bedrijven gevestigd zijn.
  Niet-milieubelastende regionale bedrijven kunnen worden toegelaten in gebieden die groter zijn dan tien hectare en die op de gewestplannen zijn aangewezen als lokaal bedrijventerrein met openbaar karakter, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° het bedrijf is geen inrichting of activiteit met een GPBV-installatie;
  2° het bedrijf ligt op minstens dertig meter van woongebied in de ruime zin.".
Art. 65. L'article 4.4.8/1 du même code, inséré par le décret du 4 avril 2014, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 4.4.8/1. Des entreprises artisanales ou des petites et moyennes entreprises peuvent être admises dans les zones dont la superficie ne dépasse pas trois hectares et qui sont identifiées sur les plans de secteur comme relevant d'une des catégories suivantes :
  1° zone affectée aux industries provoquant des pressions environnementales ou aux industries polluantes ;
  2° zone d'activité économique mixte régionale, zone d'activité économique mixte régionale à caractère public ou zone d'activité économique mixte régionale aménagée par les autorités.
  Si les zones visées au premier alinéa ont une superficie supérieure à trois hectares et inférieure à dix hectares, le règlement de dérogation visé au premier alinéa est appliqué à condition toutefois que des entreprises soient déjà implantées sur au moins la moitié de la zone en question.
  Les entreprises régionales ne provoquant pas de pression environnementale peuvent être admises dans des zones dont la superficie est supérieure à 10 hectares et qui sont identifiées sur les plans de secteur comme terrain local d'activités économiques à caractère public, s'il est satisfait aux conditions suivantes :
  1° l'entreprise n'est pas un établissement ou une activité comportant une installation réputée incommode ;
  2° l'entreprise est située à trente mètres au moins de toute zone d'habitat au sens large. ".
Art. 66. In titel IV, hoofdstuk IV, afdeling 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt een onderafdeling 7/2 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Onderafdeling 7/2. - Stallen voor weidedieren".
Art. 66. Au titre IV, chapitre IV, division 1, du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010 et du 11 mai 2012, il est inséré une sous-division 7/2, libellée comme suit :
  " Sous-division 7/2. - Etables pour animaux en pâture ".
Art. 67. In dezelfde codex wordt in onderafdeling 7/2, ingevoegd bij artikel 66, een artikel 4.4.8/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 4.4.8/2. § 1. In gebieden met een gebiedsaanduiding die tot de categorie `landbouw' behoren, kan, voor zover er geen bestaande stallingsmogelijkheden zijn, een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen worden afgegeven voor het oprichten van één stal voor weidedieren die geen betrekking heeft op een effectief beroepslandbouwbedrijf, als voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden:
  1° de stal wordt volledig opgericht binnen een straal van vijftig meter van een hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte residentiële woning of bedrijfswoning;
  2° de stal heeft een maximale kroonlijsthoogte van 3,5 meter;
  3° de stal heeft een maximale vloeroppervlakte van 120 vierkante meter per hectare graasland, met een absoluut maximum van 200 vierkante meter.
  Bij de beoordeling van vergunningsaanvragen wordt rekening gehouden met de landschappelijke inpasbaarheid in het gebied.
  Gebieden met bestemmingsvoorschriften van een plan van aanleg die overeenkomstig artikel 7.4.13 werden geconcordeerd naar de categorie met de gebiedsaanduiding `landbouw' worden voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met gebieden met een gebiedsaanduiding die behoren tot de categorie `landbouw'.
  De mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt niet in de volgende gebieden:
  1° ruimtelijk kwetsbaar gebied;
  2° gebieden aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen als:
  a) bouwvrij agrarisch gebied;
  b) agrarisch gebied met overdruk natuurverweving.
  § 2. De omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor het oprichten van een stal voor weidedieren, verleend met toepassing van paragraaf 1, vervalt van rechtswege naast de gevallen, vermeld in artikel 99 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, als gedurende een periode van vijf opeenvolgende jaren geen weidedieren worden gehouden op het perceel of de percelen waarop de vergunning betrekking heeft.
  Na het verval van de vergunning, vermeld in het eerste lid, moet de stal voor weidedieren binnen zes maanden worden afgebroken.
  § 3. De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van dit artikel, onder meer inzake de berekening en de vaststelling van de termijn van vijf opeenvolgende jaren opgenomen in paragraaf twee, eerste lid.".
Art. 67. Dans le même code, il est inséré dans la sous-division 7/2, insérée sous l'article 66, un article 4.4.8/2, libellé comme suit :
  " Art. 4.4.8/2. § 1er. Dans les zones dont la désignation de zone relève de la catégorie " agriculture ", un permis d'environnement peut, en l'absence de possibilités de stabulation existantes, être délivré pour l'implantation d'une et une seule étable pour animaux en pâture qui ne se rapporte pas à une exploitation agricole professionnelle effective, s'il a été satisfait aux conditions suivantes :
  1° l'étable est entièrement implantée dans un rayon de cinquante mètres de toute habitation résidentielle ou habitation d'entreprise autorisée ou réputée autorisée en principal ;
  2° la hauteur de corniche maximale de l'étable est de 3,5 mètres ;
  3° l'étable a une superficie au sol maximale de 120 mètres carrés par hectare de pâturage, avec un maximum absolu de 200 mètres carrés.
  Lors de l'évaluation des demandes de permis, il est tenu compte de la compatibilité paysagère dans la zone.
  Pour l'application du premier alinéa, les zones ayant des prescriptions de destination d'un plan d'aménagement pour lesquelles, conformément à l'article 7.4.13, la concordance a été établie avec la catégorie d'affectation de zone " agriculture " sont assimilées aux zones dont l'affectation de zone relève de la catégorie " agriculture ".
  La possibilité visée au premier alinéa ne s'applique pas dans les zones suivantes :
  1° zone vulnérable d'un point de vue spatial ;
  2° zones identifiées sur les plans d'aménagement ou les plans d'exécution spatiaux comme :
  a) zone agraire non habitée ;
  b) zone agraire avec surcharge d'imbrication naturelle.
  § 2. Le permis d'environnement pour actes urbanistiques concernant l'implantation d'une étable pour animaux en pâture, octroyé en application du paragraphe 1er, expire de plein droit, outre les cas visés à l'article 99 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, si durant une période de cinq années successives il n'a pas été tenu d'animaux en pâture sur la parcelle ou les parcelles auxquelles le permis se rapporte.
  Après l'expiration du permis, visée à l'alinéa premier, l'étable pour animaux en pâture doit être démantelée dans un délai de six mois.
  § 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités plus spécifiques pour l'application de cet article, notamment en matière de calcul et de constatation du délai de cinq années successives visé au paragraphe deux, premier alinéa ".
Art. 68. In titel IV, hoofdstuk IV, afdeling 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt een onderafdeling 7/3 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Onderafdeling 7/3. - Handelingen in ontginningsgebieden".
Art. 68. Au titre IV, chapitre IV, division 1, du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010 et du 11 mai 2012, il est inséré une sous-division 7/3, libellée comme suit :
  " Sous-division 7/3. - Actes dans les zones d'extraction ".
(NOTA : bij arrest nr.144/2018 van 18-10-2018 (B.St. 08-11-2018, p. 86335), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 144/2018 du 18-10-2018 (M.B. 08-11-2018, p. 86335), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art. 69. In dezelfde codex wordt in onderafdeling 7/3, ingevoegd bij artikel 68, een artikel 4.4.8/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 4.4.8/3. In de op de gewestplannen aangewezen ontginningsgebieden en de gebieden die vallen onder de subcategorie van gebiedsaanduiding `gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen' zijn naast de ontginning van primaire grondstoffen ook volgende handelingen toegelaten, met inbegrip van de daartoe benodigde wegneembare constructies, voor zover de eventuele nabestemming van het gebied niet in het gedrang gebracht wordt:
  1° de mechanische bewerking van de ontgonnen delfstoffen;
  2° de verrijking van de ontgonnen delfstoffen door menging met afbraakstoffen in het kader van een duurzame materialenkringloop in de zin van artikel 3, 22°, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.".
Art. 69. Dans le même code, il est inséré dans la sous-division 7/3, insérée sous l'article 68, un article 4.4.8/3 libellé comme suit :
  " Art. 4.4.8/3. Dans les zones d'extraction identifiées sur les plans de secteur et les zones qui relèvent de la sous-catégorie d'affectation de zone " zone pour l'exploitation de minerais de surface primaires ", les actes suivants, outre l'extraction de matières premières primaires, sont également admis, en ce compris les constructions amovibles nécessaires à cet effet, pour autant que l'éventuelle destination ultérieure de la zone ne soit pas compromise :
  1° le traitement mécanique des minerais extraits ;
  2° l'enrichissement des minerais extraits par mélange avec des matériaux provenant de travaux de démolition dans le cadre d'un cycle de matériaux durable au sens de l'article 3, 22°, du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets. ".
(NOTA : bij arrest nr.144/2018 van 18-10-2018 (B.St. 08-11-2018, p. 86335), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 144/2018 du 18-10-2018 (M.B. 08-11-2018, p. 86335), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
Art. 70. Aan titel IV, hoofdstuk IV, afdeling 1, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juli 2010 en 11 mei 2012, wordt een onderafdeling 9 toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Onderafdeling 9. - Handelingen sorterend onder voorschriften van een bijzonder plan van aanleg dat ouder is dan vijftien jaar".
Art. 70. Au titre IV, chapitre IV, division 1, du même code, modifié par le décret du 16 juillet 2010 et du 11 mai 2012, il est inséré une sous-division 9, libellée comme suit :
  " Sous-division 9. - Actes relevant des prescriptions d'un plan particulier d'aménagement vieux de plus de 15 ans ".
Art. 71. In dezelfde codex wordt in onderafdeling 9, toegevoegd bij artikel 70, een artikel 4.4.9/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 4.4.9/1. Het vergunningverlenende bestuursorgaan mag bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg, voor zover dit plan ouder is dan vijftien jaar op het ogenblik van de indiening van de aanvraag.
  Afwijkingen kunnen niet toegestaan worden voor wat betreft wegenis, openbaar groen en erfgoedwaarden.
  De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan slechts worden toegepast voor stedenbouwkundige voorschriften van bijzondere plannen van aanleg die een aanvulling vormen op:
  1° de volgende gebiedsaanduidingen, vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen:
  a) woongebieden, met uitzondering van woonparken;
  b) industriegebieden in de ruime zin;
  c) dienstverleningsgebieden;
  d) gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
  2° de volgende aanvullende voorschriften van het gewestplan:
  a) gebieden voor service-residentie;
  b) kantoor- en dienstenzones;
  c) gebieden voor handelsbeursactiviteiten en grootschalige activiteiten;
  d) lokale en regionale bedrijventerreinen;
  e) luchthavengebonden bedrijventerreinen;
  f) gebieden voor luchthavengerelateerde kantoren en diensten;
  g) businessparken;
  h) teleport;
  i) gebieden voor hoofdkwartierfunctie;
  j) gebieden hoofdzakelijk bestemd voor de vestiging van grootwinkelbedrijven;
  k) zones voor kleinhandel en kleine en middelgrote ondernemingen;
  l) kleinhandelszones;
  m) zones van handelsvestigingen;
  n) gebieden voor zeehaven- en watergebonden bedrijven;
  o) zeehavengebieden;
  p) gebieden voor watergebonden bedrijven;
  q) transportzones;
  r) regionale gemengde zones voor diensten en handel;
  s) research-, universiteits- en wetenschapsparken;
  t) bedrijfsgebied met stedelijk karakter;
  u) gemengde woon- en industriegebieden;
  v) gemengde gemeenschapsvoorzienings- en dienstverleningsgebied;
  w) stedelijke ontwikkelingsgebieden;
  x) gebieden voor duurzame stedelijke ontwikkeling;
  y) gebieden voor kernontwikkeling.
  De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan niet worden toegepast voor bijzondere plannen van aanleg die voorzien in stedenbouwkundige voorschriften voor agrarisch gebied, ruimtelijk kwetsbaar gebied of recreatiegebied in afwijking van het gewestplan of voor gebieden die in uitvoering van artikel 5.6.8 van deze codex aangeduid zijn als watergevoelig openruimtegebied.
  Elke aanvraag tot afwijking overeenkomstig het eerste lid, wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek.".
Art. 71. Dans le même code, il est inséré dans la sous-division 9, insérée par le biais de l'article 70, un article 4.4.9/1 libellé comme suit :
  " Art. 4.4.9/1. Lors de l'octroi d'un permis d'environnement, l'organe administratif accordant l'autorisation peut déroger aux prescriptions urbanistiques d'un plan particulier d'aménagement, pour autant que ce plan ait plus de 15 ans d'âge au moment de l'introduction de la demande.
  Aucune dérogation ne peut être admise en ce qui concerne la voirie, les espaces verts publics et les valeurs patrimoniales.
  La possibilité de dérogation visée au premier alinéa ne peut s'appliquer qu'à des prescriptions urbanistiques de plans particuliers d'aménagement qui complètent :
  1° les affectations de zone suivantes, visées à l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en oeuvre des projets de plans et des plans de secteur :
  a) zone d'habitat, à l'exception des parcs résidentiels ;
  b) zones industrielles au sens large ;
  c) zones de services publics ;
  d) zones d'équipements communautaires et de services publics ;
  2° les prescriptions complémentaires suivantes du plan de secteur :
  a) zones de résidence-service ;
  b) zones de bureaux et de services ;
  c) zones réservées aux foires commerciales et aux activités à grande échelle ;
  d) zones d'activité économique locale et régionale ;
  e) zones d'activités économiques portuaires ;
  f) zones réservées aux bureaux et services à caractère portuaire ;
  g) parcs industriels ;
  h) téléport ;
  I) zones à fonction de quartier général ;
  j) zones industrielles destinées principalement à l'établissement de grands magasins
  k) zones réservées au commerce de détail ainsi qu'aux petites et moyennes entreprises ;
  l) zones de commerce de détail ;
  m) zones d'établissements de commerce
  n) zones pour entreprises liées aux ports maritimes et aux voies d'eau ;
  o) zones portuaires ;
  p) zones destinées aux entreprises liées à la voie d'eau ;
  q) zones de transport ;
  r) zones d'activité économique mixte régionale pour les services et le commerce ;
  s) parcs de recherche, parcs universitaires et parcs scientifiques ;
  t) zone d'activité économique à caractère urbain ;
  u) zones résidentielles et industrielles mixtes ;
  v) zone mixte d'équipements communautaires et de services communautaires ;
  w) zones de développement urbain ;
  x) zones de développement urbain durable ;
  y) zone de développement nucléaire.
  La possibilité de dérogation visée au premier alinéa ne s'applique pas aux plans particuliers d'aménagement qui prévoient des prescriptions urbanistiques pour les zones agraires, les zones vulnérables d'un point de vue spatial ou les zones de récréation par dérogation au plan de secteur, ou pour les zones qui en vertu de l'article 5.6.8 de ce code ont été répertoriées comme zones d'espace ouvert vulnérables du point de vue de l'eau.
  Toute demande de dérogation conformément au premier alinéa est soumise à une enquête publique. ".
Art. 72. Aan artikel 4.4.12 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "De creatie van een zorgwoning in de zin van artikel 4.1.1, 18°, is wel toegelaten.".
Art. 72. A l'article 4.4.12 du même code, modifié par le décret du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  La création d'un appartement supervisé au sens de l'article 4.1.1, 18° est toutefois admise. ".
Art. 73. Aan artikel 4.4.13, § 1, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "De creatie van een zorgwoning in de zin van artikel 4.1.1, 18°, is wel toegelaten.".
Art. 73. A l'article 4.4.13, § 1, premier alinéa, du même code, modifié par le décret du 25 avril 2014, la phrase suivante est ajoutée :
  " La création d'un appartement supervisé au sens de l'article 4.1.1, 18° est toutefois admise. ".
Art. 74. Aan artikel 4.4.14, § 1, eerste lid, 1°, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "De creatie van een zorgwoning in de zin van artikel 4.1.1, 18°, is wel toegelaten.".
Art. 74. A l'article 4.4.13, § 1, premier alinéa, 1°, du même code, modifié par le décret du 25 avril 2014, il est ajouté la phrase suivante :
  " La création d'un appartement supervisé au sens de l'article 4.1.1, 18° est toutefois admise. ".
Art. 75. Aan artikel 4.4.15, eerste lid, van dezelfde codex wordt de volgende zin toegevoegd:
  "De creatie van een zorgwoning in de zin van artikel 4.1.1, 18°, is wel toegelaten.".
Art. 75. A l'article 4.4.15, premier alinéa, du même code, il est ajouté la phrase suivante :
  " La création d'un appartement supervisé au sens de l'article 4.1.1, 18° est toutefois admise. ".
Art. 76. Aan artikel 4.4.21, 4°, van dezelfde codex wordt de volgende zin toegevoegd:
  "De creatie van een zorgwoning in de zin van artikel 4.1.1, 18°, is wel toegelaten.".
Art. 76. A l'article 4.4.21, 4°, du même code, il est ajouté la phrase suivante :
  " La création d'un appartement supervisé au sens de l'article 4.1.1, 18° est toutefois admise. ".
Art. 77. In artikel 4.4.24 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Dit artikel kan ook toegepast worden op een tuincentrum waarvan de functie niet vergund of vergund geacht is, als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
  1° het tuincentrum ligt in agrarisch gebied in de ruime zin;
  2° de constructies die noodzakelijk zijn voor een normale bedrijfsvoering zijn vergund of vergund geacht;
  3° de wijziging van de hoofdfunctie land- en tuinbouw in detailhandel heeft uiterlijk op 1 mei 2000 plaatsgevonden;
  4° minstens vijftig procent van het terrein bestaat uit serres of gronden die actief gebruikt worden voor het kweken of conditioneren van bloemen, planten of bomen en de serres of gronden sluiten aan bij de grond waarop het tuincentrum gevestigd is. Onder conditioneren wordt verstaan: het in de ruime zin klaarmaken van bloemen, planten en bomen voor de verkoop ervan;
  5° minstens vijftig procent van de nettohandelsoppervlakte bestaat uit de verkoop van planten, bloemen of bomen, en maximaal vijftig procent van de nettohandelsoppervlakte bestaat uit de verkoop van aanverwante producten.";
  2° aan het bestaande vierde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "3° het bedrijf is een tuincentrum.".
Art. 77. A l'article 4.4.24 du même code, modifié par le décret du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° il est inséré entre les premier et deuxième alinéas un alinéa, libellé comme suit :
  " Cet article peut aussi être appliqué à une jardinerie dont la fonction n'a pas été autorisée ni présumée autorisée, s'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
  1° la jardinerie est située dans une zone agraire au sens large ;
  2° les constructions nécessaires à une exploitation normale ont été autorisées ou présumées autorisées ;
  3° la modification de la fonction principale d'agriculture et d'horticulture en commerce de détail a eu lieu au plus tard le 1er mai 2000 ;
  4° au moins cinquante pour cent du terrain est constitué par des serres ou des terrains qui sont activement utilisées pour la culture ou le conditionnement de fleurs, de plantes ou d'arbres, et les serres ou terrains jouxtent le terrain sur lequel la jardinerie a été implantée. Par conditionnement, il convient d'entendre : la préparation au sens large de fleurs, de plantes et d'arbres en vue de leur vente ultérieure ;
  5° au moins cinquante pour cent de la surface commerciale nette est consacré à la vente de plantes, de fleurs ou d'arbres, et au maximum cinquante pour cent de la surface commerciale nette à la vente de produits apparentés. " ;
  2° au quatrième alinéa existant, qui devient le cinquième alinéa, il est ajouté un point 3°, libellé comme suit :
  " 3° l'entreprise est une jardinerie. ".
  (NOTA : bij arrest nr 179/2019 van 14 november 2019 (B.St. 27-12-2019, p. 118450) heeft het Grondwettelijk hof dit artikel 77 vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 179/2019 du 14 novembre 2019 (M.B. 27-12-2019, p. 118450), la Cour constitutionnelle annule l'article 77)
Art. 78. In artikel 4.4.25, § 6, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014, worden de woorden "een ruimtelijk structuurplan" vervangen door de woorden "een ruimtelijk structuurplan of een ruimtelijk beleidsplan".
Art. 78. A l'article 4.4.25, § 6, premier alinéa, du même code, modifié par le décret du 4 avril 2014, les mots " un schéma de structure d'aménagement " sont remplacés par les mots " un schéma de structure d'aménagement ou un plan de politique spatiale ".
Art. 79. Aan artikel 4.4.29 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2011, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De Vlaamse Regering kan de begrippen, vermeld in artikel 4.4.24, tweede lid, verfijnen en kan verdere voorwaarden verbinden aan de afgifte van een planologisch attest aan een tuincentrum.".
Art. 79. A l'article 4.4.29 du même code, modifié par le décret du 8 juillet 2011, il est ajouté un deuxième alinéa, libellé comme suit :
  " Le Gouvernement flamand peut affiner les concepts visés à l'article 4.4.24, deuxième alinéa, et peut fixer d'autres conditions à la délivrance d'une attestation planologique à une jardinerie. ".
  (NOTA : bij arrest nr 179/2019 van 14 november 2019 (B.St. 27-12-2019, p. 118450) heeft het Grondwettelijk hof dit artikel 79 vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 179/2019 du 14 novembre 2019 (M.B. 27-12-2019, p. 118450), la Cour constitutionnelle annule l'article 79)
Art. 80. In artikel 4.8.2 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015, wordt punt 2° opgeheven.
Art. 80. A l'article 4.8.2 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2015, le point 2° est supprimé.
Art. 81. In artikel 4.8.11 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de inleidende zin van paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "validerings- of" opgeheven;
  2° in paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt de zinsnede "de aanvrager van het as-builtattest, respectievelijk" opgeheven;
  3° in paragraaf 1, eerste lid, 2° en 3°, wordt de zinsnede "validerings- of" opgeheven;
  4° in de inleidende zin van paragraaf 2 wordt de zinsnede "validerings- of" opgeheven;
  5° in paragraaf 2 wordt punt 1° opgeheven.
Art. 81. A l'article 4.8.11 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans la phrase introductive du paragraphe 1er, premier alinéa, le membre de phrase " de validation ou " est supprimé ;
  2° Au paragraphe 1er, premier alinéa, 1°, le membre de phrase " le demandeur de l'attestation as-built, ou " est supprimé ;
  3° au paragraphe 1er, premier alinéa, 2° et 3°, le membre de phrase " de validation ou " est supprimé ;
  4° dans la phrase introductive du paragraphe 2, le membre de phrase " de validation ou " est supprimé ;
  5° au paragraphe 2, le point 1° est supprimé.
Art. 82. Aan artikel 5.1.1, § 1, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, worden een punt 6° en 7° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "6° de aanduiding van de gronden die conform artikel 5.6.8, § 1, van deze codex beschouwd worden als `watergevoelig openruimtegebied';
  7° de aanduiding van de gronden waarvoor de reservatiestrook is opgeheven conform artikel 7.4.2/3 van deze codex.".
Art. 82. A l'article 5.1.1, § 1, premier alinéa, du même code, modifié par le décret du 25 avril 2014, il est ajouté un point 6° et un point 7°, libellés comme suit :
  "6° l'indication des terrains qui, conformément à l'article 5.6.8, § 1, de ce code sont considérées comme " zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau " ;
  7° l'indication des terrains pour lesquels la zone de réservation a été supprimée conformément à l'article 7.4.2/3 de ce code. ".
Art. 83. In artikel 5.1.2, § 1, tweede lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 7° wordt het woord "gevalideerde" opgeheven;
  2° een punt 13° tot en met 15° worden toegevoegd, die luiden als volgt:
  "13° elk projectbesluit als daarin uitspraak wordt gedaan over vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden;
  14° elke administratieve beslissing en rechterlijke uitspraak met betrekking tot de projectbesluiten, vermeld in punt 13°, en de identiteit van de personen die beroep aantekenen;
  15° het verval van de projectbesluiten, vermeld in punt 13°. ".
Art. 83. A l'article 5.1.2, § 1, du même code, remplacé par le décret du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° Au point 7°, le mot " validées " est supprimé ;
  2° Il est ajouté des points 13° à 15° inclus, libellés comme suit :
  "13° tout arrêté relatif au projet s'il se prononce sur des actes urbanistiques soumis à autorisation ou sur le lotissement de terrains ;
  14° toute décision administrative et toute décision judiciaire concernant les arrêtés relatifs au projet, visés au point 13°, et l'identité des personnes qui interjettent appel ;
  15° la péremption des arrêtés relatifs au projet, visés au point 13°. ".
Art. 84. In artikel 5.1.6, derde lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014, wordt de zinsnede "vermeld in artikel 1.4.3 en 1.4.4," vervangen door de zinsnede "vermeld in de artikelen 1.4.3 en 1.4.9 van deze codex en de artikelen 9/1 en 10 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning".
Art. 84. A l'article 5.1.6, troisième alinéa, du même code, modifié par le décret du 4 avril 2014, le membre de phrase " mentionnés dans l'article 1.4.3 et 1.4.4 inclus " est remplacé par le membre de phrase " mentionnés dans les articles 1.4.3 et 1.4.9 de ce code et dans les articles 9/1 et 10 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement ".
Art. 85. Aan artikel 5.2.1, § 1, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 6° wordt opgeheven;
  2° een punt 8° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een aanduiding als watergevoelig openruimtegebied conform artikel 5.6.8, § 1.".
Art. 85. A l'article 5.2.1, § 1, premier alinéa, du même code, modifié par les décrets des 25 avril 2014 et 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 6° est supprimé ;
  2° il est ajouté un point 8°, libellé comme suit :
  "8° si le bien immobilier fait l'objet d'une désignation comme zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau conformément à l'article 5.6.8, § 1. ".
Art. 86. In artikel 5.2.3, § 2, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014, wordt tussen de zinsnede "op zijn verzoek," en de woorden "voor een instrumenterende ambtenaar" de zinsnede "en in zoverre de bijstelling van de omgevingsvergunning een wijziging van de perceelsconfiguratie, opgelegde lasten of de zakelijke rechten tot gevolg heeft," ingevoegd.
Art. 86. A l'article 5.2.3, § 2, du même code, modifié par le décret du 4 avril 2014, il est inséré entre le membre de phrase " à sa demande " et les mots " être passé devant un fonctionnaire instrumentant ", le membre de phrase " et dans la mesure où l'actualisation du permis d'environnement entraîne une modification de la configuration de la parcelle, des charges imposées ou des droits réels ".
Art. 87. Aan artikel 5.2.5, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zinsnede "en of het krachtens artikel 4.2.12, § 2, 2°, voor de overdracht verplichte as-builtattest is uitgereikt en gevalideerd," wordt opgeheven;
  2° de volgende zin wordt toegevoegd:
  "In voorkomend geval wordt ook vermeld of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een aanduiding als watergevoelig openruimtegebied conform artikel 5.6.8, § 1.".
Art. 87. A l'article 5.2.5, premier alinéa, du même code, modifié par le décret du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le membre de phrase " et si l'attestation "as built" obligatoire pour la cession en vertu de l'article 4.2.12, § 2, 2° a été octroyée et validée " est supprimé ;
  2° la phrase suivante est ajoutée :
  " Le cas échéant, il est aussi indiqué si le bien immobilier fait l'objet d'une désignation comme zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau conformément à l'article 5.6.8, § 1. ".
Art. 88. In artikel 5.2.6, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 6° wordt opgeheven;
  2° een punt 7° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "7° of het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een aanduiding als watergevoelig openruimtegebied conform artikel 5.6.8, § 1.".
Art. 88. A l'article 5.2.6, premier alinéa, du même code, modifié par le décret du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 6° est supprimé ;
  2° il est ajouté un point 7°, libellé comme suit :
  "7° si le bien immobilier fait l'objet d'une désignation comme zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau conformément à l'article 5.6.8, § 1. ".
Art. 89. In artikel 5.6.2, § 2, eerste lid, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° wordt de zinsnede "van de in § 1, 2°, vermelde belasting:" opgeheven;
  2° in punt 2° wordt de zinsnede "van de in § 1 vermelde belastingen:" opgeheven.
Art. 89. A l'article 5.6.2, § 2, premier alinéa, du même code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 1°, le membre de phrase " de l'impôt visé au § 1er, 2° : " est supprimé ;
  2° au point 1°, le membre de phrase " de l'impôt visé au § 1er, 2° : " est supprimé.
Art. 90. In titel V, hoofdstuk VI, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2016, wordt een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen over het aanduiden van gebieden als watergevoelig openruimtegebied met het oog op de bescherming van de belangen van het watersysteem".
Art. 90. Au titre V, chapitre VI du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2016, il est inséré une division 3, libellée comme suit :
  " Division 3. - Dispositions particulières relatives à la désignation de zones comme zones d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau en vue de la protection des intérêts du système hydrologique ".
Art. 91. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2017, wordt in afdeling 3, ingevoegd bij artikel 90, een artikel 5.6.8 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.6.8. § 1. De Vlaamse Regering kan gebieden waar een conflict bestaat tussen de verdere realisatie van de bestemming en de belangen van het watersysteem, aanduiden als watergevoelig openruimtegebied.
  Bij de aanduiding, vermeld in het eerste lid, houdt de Vlaamse Regering rekening met:
  1° de juridische toestand van het gebied, onder meer de bestemmingsvoorschriften volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen of niet-vervallen verkavelingen;
  2° het waterbergend vermogen van het gebied en de overstromingsgevoeligheid, onder meer op basis van de watertoetskaart en de overstromingsgevaarkaarten;
  3° de feitelijke toestand van het gebied, onder meer wat betreft bebouwing;
  4° in voorkomend geval, de acties of maatregelen die gepland zijn voor het gebied of die impact hebben op het gebied in de stroomgebiedbeheerplannen, wateruitvoeringsprogramma's, tussentijdse afbakeningen van de Vlaamse Regering en andere waterbeheerplannen;
  5° de bezwaren en opmerkingen die geformuleerd zijn tijdens het openbaar onderzoek;
  6° de tijdig verleende en ontvangen adviezen;
  7° de eerder genomen beslissingen van de Vlaamse Regering over gebieden waar een conflict bestaat tussen de verdere realisatie van de bestemming en de belangen van het watersysteem.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor het aanduiden van de gebieden, vermeld in het eerste lid. De aanduiding gebeurt cartografisch.
  § 2. De Vlaamse Regering onderwerpt de voorgenomen aanduiding aan een openbaar onderzoek dat zestig dagen duurt, en wint advies in bij de bevoegde waterbeheerders, bij de deputatie, bij de gemeenteraden en de gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening van de gemeenten waar de voor aanduiding gebieden in kwestie liggen.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor dat openbaar onderzoek en die consultatie.
  De aanduiding van de watergevoelige openruimtegebieden wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Ze heeft uitwerking veertien dagen na de publicatie.
  § 3. Binnen de aangeduide watergevoelige openruimtegebieden zijn waterbeheer, natuurbehoud, bosbouw, landschapszorg, landbouw en recreatie nevengeschikte functies.
  Voor zover de ruimtelijk-ecologische draagkracht en de waterbeheersfunctie van het gebied niet worden overschreden, zijn alleen de volgende handelingen die nodig of nuttig zijn voor de functies, vermeld in het eerste lid, toegelaten:
  1° het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur, gericht op de sociale, educatieve of recreatieve functie van het gebied, waaronder sanitaire gebouwen of schuilplaatsen van één bouwlaag met een oppervlakte van ten hoogste 100 m², met uitsluiting van elke verblijfsaccommodatie;
  2° het aanleggen, herstellen, heraanleggen of verplaatsen van openbare wegen en nutsleidingen. Openbare wegen en nutsleidingen kunnen aangelegd of verplaatst worden voor zover dat noodzakelijk is voor de kwaliteit van het leefmilieu, het beheer van het landschap, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu, de openbare veiligheid of de volksgezondheid;
  3° het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur, gericht op het gebruik van het gebied voor landbouw of hobbylandbouw;
  4° handelingen die nodig of nuttig zijn om overstromingen te beheersen of om wateroverlast buiten de natuurlijke overstromingsgebieden te voorkomen.
  De mogelijkheden om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften of om rekening te houden met ontwerpen van stedenbouwkundige voorschriften, vermeld in titel IV, hoofdstuk 4, zijn van overeenkomstige toepassing in de aldus aangeduide gebieden.
  § 4. De aanduiding als watergevoelig openruimtegebied heeft van rechtswege het verval tot gevolg van:
  1° het onbebouwde deel of de onbebouwde delen van een niet-vervallen verkavelingsvergunning of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden die binnen de perimeter van dat gebied liggen;
  2° een principieel akkoord als vermeld in artikel 5.6.6, § 2 of § 3, tweede lid, dat afgegeven werd voor gronden die binnen de perimeter van dat gebied liggen.
  § 5. Voor de gebieden die als watergevoelig openruimtegebied zijn aangeduid, kan een ruimtelijk uitvoeringsplan vastgesteld worden met een andersluidende regeling dan de regeling, vermeld in paragraaf 3, in zoverre bij de opmaak van dat ruimtelijk uitvoeringsplan rekening wordt gehouden met het conflict dat bestaat tussen de verdere realisatie van de bestemming en de belangen van het watersysteem. Er kan geen ruimtelijk uitvoeringsplan worden opgemaakt waarvan de voorschriften andere of ruimere bebouwing toelaten dan deze vermeld in paragraaf 3, tweede lid.
  De vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan in toepassing van deze paragraaf geeft geen aanleiding tot planschadevergoeding, vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 1, noch tot een planbatenheffing, vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling 2, noch tot kapitaalschade in de zin van boek 6 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid.
  § 6. Eigenaars van gronden die in watergevoelig openruimtegebied liggen, aangeduid conform dit artikel, kunnen een vergoeding verkrijgen met toepassing van dezelfde voorwaarden en modaliteiten als deze die gelden voor de planschadevergoeding, vermeld in artikel 2.6.1 tot en met 2.6.3, waarbij:
  1° het recht op vergoeding ontstaat op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad van het besluit van de Vlaamse Regering tot aanduiding van het watergevoelig openruimtegebied;
  2° het vorderingsrecht vervalt twee jaar nadat het recht op vergoeding is ontstaan;
  3° de vergoedingsgerechtigde diegene is die op het ogenblik van de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering tot aanduiding van het watergevoelig openruimtegebied het eigendomsrecht of het bloot eigendomsrecht op het perceel kan laten gelden.
  De vergoeding wordt gevorderd ten aanzien van het Vlaamse Gewest en aangerekend op het Rubiconfonds.
  § 7. De Vlaamse Regering kan, hangende de procedure of uiterlijk binnen het jaar na een veroordeling tot vergoeding die kracht van gewijsde heeft verkregen, beslissen om de aanduiding als watergevoelig openruimtegebied zoals vermeld in paragraaf 1, geheel of gedeeltelijk op te heffen voor de gronden waarvoor de vergoeding werd gevorderd. De Vlaamse Regering wint hierover het advies in van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de gronden gelegen zijn, en van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, bedoeld in artikel 25 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.
  De Vlaamse Regering kan aan de opheffing voorwaarden verbinden in verband met de realisatie van de bestemming, zonder die realisatie uit te sluiten.
  De opheffing geldt als voldoening aan de verplichting tot vergoeding, ongeacht de voorwaarden die de realisatie van de bestemming aan voorwaarden verbinden zonder ze uit te sluiten.
  Als de opheffing slechts gedeeltelijk is, dan wordt de te betalen vergoeding pro rata berekend.".
Art. 91. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 février 2017, est inséré dans la division 3, insérée sous l'article 90, un article 5.6.8, libellé comme suit :
  " Art. 5.6.8. § 1er. Le Gouvernement flamand peut désigner comme zones d'espace ouvert vulnérables du point de vue de l'eau des zones où existe un conflit entre la réalisation ultérieure de la destination et les intérêts du système hydrologique.
  Lors de la désignation mentionnée au premier alinéa, le Gouvernement flamand tient compte :
  1° de la situation juridique de la zone, et notamment des prescriptions de destination suivant les plans d'aménagement ou plans d'exécution spatiaux ou lotissements non échus en vigueur ;
  2° de la capacité de rétention d'eau de la zone et la vulnérabilité aux inondations, notamment sur la base de la carte d'évaluation aquatique et des cartes des risques d'inondation ;
  3° de la situation de fait de la zone, notamment en ce qui concerne l'urbanisation ;
  4° le cas échéant, des actes ou mesures qui ont été planifiés pour la zone ou qui ont un impact sur la zone dans les plans de gestion des zones inondables, les programmes de mise en oeuvre en matière d'eau, les délimitations intermédiaires du Gouvernement flamand et d'autres plans de gestion des eaux ;
  5° des objections et observations formulées durant l'enquête publique ;
  6° des avis donnés et reçus en temps voulu ;
  7° des décisions prises antérieurement par le Gouvernement flamand concernant les zones où existe un conflit entre la réalisation ultérieure de la destination et les intérêts du système hydrologique.
  Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités plus précises pour la désignation des zones mentionnées au premier alinéa. La désignation s'effectue sur une base cartographique.
  § 2. Le Gouvernement flamand soumet le projet de désignation à une enquête publique d'une durée de soixante jours et recueille l'avis des gestionnaires de l'eau compétents, de la députation, des conseils communaux et des commissions communales pour l'aménagement du territoire dans les communes où se situent les zones concernées par la désignation.
  Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à cette enquête publique et à cette consultation.
  La désignation des zones d'espace ouvert vulnérables du point de vue de l'eau est publiée au Moniteur belge. Elle prend effet 15 jours après la publication.
  § 3. Dans les zones d'espace ouvert vulnérables du point de vue de l'eau faisant l'objet de la désignation, la gestion de l'eau, la conservation de la nature, la sylviculture, la préservation des paysages, l'agriculture et la récréation constituent des fonctions secondaires.
  Dans la mesure où la capacité spatio-écologique et la fonction de gestion des eaux de la zone ne sont pas dépassées, seules sont autorisés les actes suivants qui sont nécessaires ou utiles aux fonctions mentionnées au premier alinéa :
  1° l'installation de petites infrastructures axées sur la fonction sociale, éducative ou récréative de la zone, y compris des bâtiments sanitaires ou des abris d'un seul niveau et d'une superficie maximale de 100 m², à l'exclusion de tout logement ;
  2° la construction, la réparation, la reconstruction ou la relocalisation de voies publiques et de conduites d'utilité publique. Les voies publiques et les conduites utilitaires peuvent être construites ou déplacées dans la mesure où cela est nécessaire pour la qualité de l'environnement, la gestion du paysage, la restauration et le développement de la nature et du milieu naturel, et la sécurité publique ou la santé publique ;
  3° la mise en place de petites infrastructures axées sur l'utilisation de la zone à des fins agricoles ou d'agriculture de loisir ;
  4° les actions nécessaires ou utiles pour maîtriser les crues ou prévenir les inondations en dehors des zones inondables naturelles.
  Les possibilités de dérogation aux prescriptions urbanistiques ou de prise en compte des projets de prescriptions urbanistiques, visées au titre IV, chapitre 4, s'appliquent par analogie dans les zones ainsi désignées.
  § 4. La désignation comme zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau entraîne de plein droit la déchéance :
  1° de la partie non bâtie ou des parties non bâties d'un permis de lotissement non échu ou d'un permis d'environnement pour le lotissement de terrains situés dans le périmètre de cette zone ;
  2° d'un accord de principe tel que visé à l'article 5.6.6, § 2 ou § 3, deuxième alinéa, qui a été délivré pour des terrains situés dans le périmètre de cette zone.
  § 5. Pour les zones qui ont été désignées comme zones d'espace ouvert vulnérables du point de vue de l'eau, il peut être établi un plan d'exécution spatial soumis à un règlement différent de celui visé au paragraphe 3, dans la mesure où, lors de l'adoption du plan d'exécution spatial, il est tenu compte du conflit qui existe entre la réalisation ultérieure de la destination et les intérêts du système hydrologique. Il ne peut être adopté aucun plan d'exécution spatial dont les prescriptions autorisent la construction d'autres bâtiments ou de bâtiments plus grands que ceux visés au paragraphe 3, deuxième alinéa.
  L'adoption d'un plan d'exécution spatial en application de ce paragraphe ne donne lieu à aucune indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale, visée au titre II, chapitre VI, division 1, ni à aucune taxe sur les bénéfices du plan, telle que visée au titre II, chapitre VI, division 2, ni à des dégâts de capital au sens du livre 6 du décret du 27 mars 2009 relatif à la politique foncière et immobilière.
  § 6. Les propriétaires de terrains situés en zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau, désignée conformément à cet article, peuvent obtenir une indemnité en application des mêmes conditions et modalités que celles qui s'appliquent à l'indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale, visée aux articles 2.6.1 à 2.6.3 inclus, étant entendu que :
  1° le droit à l'indemnisation prend naissance le jour de la publication au Moniteur belge de la décision du Gouvernement flamand de désigner la zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau ;
  2° le droit de réquisition expire deux ans après l'apparition du droit à l'indemnisation ;
  3° l'ayant droit à indemnisation est celui qui, au moment de l'entrée en vigueur de la décision du Gouvernement flamand désignant l'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau, peut faire valoir le droit de propriété ou de nue-propriété sur la parcelle.
  L'indemnité est réclamée à la Région flamande et portée en compte au Fonds Rubicon.
  § 7. Le Gouvernement flamand peut décider, au cours de la procédure ou au plus tard dans un délai d'un an à compter de la condamnation à verser l'indemnité ayant acquis force de chose jugée, d'abroger en tout ou en partie la désignation comme espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau visée au paragraphe 1er pour les terrains pour lesquels l'indemnité a été réclamée. Le Gouvernement flamand recueille à cet égard l'avis du collège des bourgmestre et échevins de la commune où les terrains sont situés ainsi que de la Commission de coordination de la Politique intégrée de l'Eau, visée à l'article 25 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau.
  Le Gouvernement flamand peut soumettre l'abrogation à des conditions liées à la réalisation de la destination, sans pour autant exclure cette réalisation.
  L'abrogation vaut accomplissement de l'obligation d'indemnisation, quelles que soient les dispositions qui soumettent la réalisation de la destination à des conditions sans pour autant l'exclure.
  Si l'abrogation n'est que partielle, l'indemnité due est calculée au prorata. ".
Art. 92. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2017, wordt in dezelfde afdeling 3 een artikel 5.6.9 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.6.9. De Vlaamse Regering kan voor ruimtelijke uitvoeringsplannen die definitief zijn vastgesteld vóór de aanduiding van de gebieden als watergevoelig openruimtegebied en die al rekening houden met het conflict dat bestaat tussen de verdere realisatie van de bestemming en de belangen van het watersysteem, beslissen om de daaruit resulterende planschadevergoeding volledig aan te rekenen op het Rubiconfonds.".
Art. 92. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 février 2017, est inséré dans la même division 3 un article 5.6.9, libellé comme suit :
  " Art. 5.6.9. Le Gouvernement flamand peut décider, pour les plans d'exécution spatiaux qui ont été définitivement adoptés avant la désignation des zones en tant qu'espaces ouverts vulnérables du point de vue de l'eau et qui tiennent déjà compte du conflit existant entre la réalisation ultérieure de la destination et les intérêts du système hydrologique, de facturer intégralement au Fonds Rubicon l'indemnisation des dommages résultant de la planification spatiale. ".
Art. 93. Aan titel V van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2016, wordt een hoofdstuk VII toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk VII. - Gewestplanvoorschriften".
Art. 93. Au titre I du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 15 juillet 2016, il est inséré un chapitre VII, libellé comme suit :
  " Chapitre VII. - Prescriptions du plan de secteur ".
Art. 94. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2017, wordt in hoofdstuk VII, toegevoegd bij artikel 93, een artikel 5.7.1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 5.7.1. § 1. Het voorschrift, vermeld in artikel 15, 4.6.1, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, wordt toegepast als volgt. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, evenals handelingen en werken die de landschapsontwikkeling of -opbouw tot doel hebben.
  Bij de beoordeling van vergunningsaanvragen wordt rekening gehouden met de actueel in het gebied aanwezige karakteristieke landschapselementen en landschapsopbouw. In deze gebieden mogen slechts handelingen en werken worden uitgevoerd in zoverre op basis van een afweging wordt aangetoond dat het aangevraagde landschappelijk inpasbaar is in het gebied. Deze afweging kan een beschrijving van maatregelen bevatten ter bevordering van de landschapsintegratie, in voorkomend geval met betrekking tot de inplanting, gabariet, architectuur, aard van de gebruikte materialen en landschapsinkleding en kan eveneens rekening houden met de landschapskenmerken uit de vastgestelde landschapsatlas, vermeld in artikel 4.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 en de mate waarin het landschap gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van clusters van bedrijfscomplexen of verspreide bebouwing of de aanwezigheid van lijninfrastructuur.
  § 2. Als de gebieden, vermeld in paragraaf 1, deel uitmaken van een erfgoedlandschap of een beschermd cultuurhistorisch landschap, vermeld in artikel 2.1, 14°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, mogen slechts handelingen en werken worden uitgevoerd in zoverre op basis van een afweging wordt aangetoond dat het aangevraagde de in het gebied aanwezige karakteristieke landschapselementen en landschapsopbouw niet in gevaar brengt. Deze afweging bevat een actuele analyse van de landschaps- en erfgoedelementen van het gebied en een beschrijving van maatregelen ter bevordering van de landschapsintegratie, in voorkomend geval met betrekking tot de inplanting, gabariet, architectuur, aard van de gebruikte materialen en landschapsinkleding.
  § 3. Als er in de aanvraag in de gebieden, vermeld in paragrafen 1 of 2, maatregelen voorzien worden of als in de vergunning voorwaarden voor landschapsintegratie opgelegd worden, impliceert dat niet dat het aangevraagde niet kan worden ingepast in het gebied noch dat het aangevraagde de in het gebied aanwezige karakteristieke landschapselementen en landschapsopbouw in gevaar brengt.".
Art. 94. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 février 2017, il est ajouté au chapitre VII, ajouté sous l'article 93, un article 5.7.1 libellé comme suit :
  " Art. 5.7.1. § 1er. La prescription, visée à l'article 15, 4.6.1, de l'arrêté royal du 28 décembre 1972 relatif à la présentation et à la mise en oeuvre des projets de plans et des plans de secteur, est modifiée comme suit. Dans ces zones peuvent être exécutés tous les actes et travaux qui correspondent à l'usage prévu indiqué en couleur de base, ainsi que les actes et travaux destinés au développement ou à l'édification du paysage.
  Lors de l'évaluation des demandes de permis, il est tenu compte des éléments paysagers caractéristiques et du développement paysager actuellement présents dans la zone. Dans ces zones, des actes et travaux ne peuvent être réalisés que s'il est démontré, sur la base d'une évaluation, que la demande est compatible avec la zone du point de vue paysager. Cette évaluation peut comprendre une description des mesures visant à promouvoir l'intégration paysagère, le cas échéant en ce qui concerne l'implantation, le gabarit, l'architecture, la nature des matériaux utilisés et l'habillement paysager, et peut également tenir compte des caractéristiques paysagères de l'atlas paysager établi, visé à l'article 4.1.1 du décret sur le patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, et de la mesure dans laquelle le paysage est caractérisé par la présence de grappes de complexes industriels ou de bâtiments épars ou par la présence d'infrastructures linéaires.
  § 2. Si les zones visées au paragraphe 1er font partie d'un paysage patrimonial ou d'un paysage historico-culturel protégé au sens de l'article 2.1, 14° du Décret sur le patrimoine immobilier du 12 juillet 2013, des actes et travaux ne peuvent y être réalisés que s'il est démontré, sur la base d'une évaluation, que la demande ne met pas en danger les éléments paysagers caractéristiques et le développement paysager présents dans la zone. Cette évaluation comprend une analyse actuelle des éléments paysagers et patrimoniaux de la zone et une description des mesures visant à promouvoir l'intégration paysagère, le cas échéant en ce qui concerne l'emplacement, le gabarit, l'architecture, la nature des matériaux utilisés et l'habillement paysager.
  § 3. Si des mesures sont prévues dans la demande pour les zones visées aux paragraphes 1 ou 2, ou si des conditions d'intégration paysagère sont imposées dans le permis, il ne s'ensuit pas pour autant que la demande ne peut pas être intégrée dans la zone ou que la demande met en péril les éléments paysagers caractéristiques et le développement paysager de la zone. ".
Art. 99. In artikel 7.4.2 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2017, wordt de zinsnede "en "kleinhandelszone"" vervangen door de zinsnede ", "kleinhandelszone", "gebied voor kernontwikkeling" en "gebied voor stedelijke ontwikkeling"".
Art. 99. A l'article 7.4.2 du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 février 2017, le membre de phrase " et "zone réservée au commerce de détail" " est remplacé par le membre de phrase " "zone réservée au commerce de détail", "zone de développement nucléaire" et "zone de développement urbain" ".
Art. 100. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2017, wordt een artikel 7.4.2/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 7.4.2/3. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt uiterlijk op 31 december 2018 welke reservatiestroken die in overdruk zijn afgebakend in gewestplannen of algemene plannen van aanleg, opgeheven worden.
  De beslissing kan betrekking hebben op de volledige reservatiestrook of een deel ervan. Ze omvat een cartografische aanduiding.
  De beslissing heeft in voorkomend geval tot gevolg dat de rooilijn, vastgesteld voor de opgeheven reservatiestrook, van rechtswege als opgeheven beschouwd wordt, met inbegrip van de eventueel geldende achteruitbouwstrook. Het rooilijnplan blijft desgevallend van kracht voor de delen ervan die niet zijn vastgelegd ter realisatie van de geheel of gedeeltelijk opgeheven reservatiestrook.
  De beslissing wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
  § 2. Paragraaf 1, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de rooilijnen, vastgelegd voor reservatiestroken die geheel of gedeeltelijk worden opgeheven door een plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan.".
Art. 100. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 février 2017, il est inséré un article 7.4.2/3, libellé comme suit :
  " Art. 7.4.2/3. § 1er. Le Gouvernement flamand déterminera au plus tard le 31 décembre 2018 quelles zones de réservation, délimitées en surpression dans les plans de secteur ou les plans généraux d'aménagement, seront abrogées.
  La décision peut porter sur tout ou partie de la zone de réservation. Elle comporte une référence cartographique.
  Le cas échéant, la décision a pour effet que l'alignement fixé pour la zone de réservation abrogée est de plein droit réputé avoir été supprimé, y compris, le cas échéant, toute zone de recul éventuellement applicable. Le plan d'alignement reste, le cas échéant, en vigueur pour les parties de celui-ci qui n'ont pas été fixées pour la réalisation de la zone de réservation supprimée en tout ou en partie.
  La décision est publiée par extrait au Moniteur belge.
  § 2. Le paragraphe 1er, troisième alinéa, s'applique par analogie aux alignements fixés pour les zones de réservation qui sont supprimées en tout ou en partie par un plan d'aménagement ou un plan d'exécution spatial. "
Art. 101. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2017, wordt een artikel 7.4.4/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 7.4.4/1. § 1. Op initiatief van het college van burgemeester en schepenen en na advies van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar of de gemeentelijke omgevingsambtenaar kunnen de stedenbouwkundige voorschriften van algemene en bijzondere plannen van aanleg worden herzien of opgeheven wat betreft:
  1° de perceelsafmetingen;
  2° de afmetingen en de inplanting van constructies;
  3° de dakvorm en de gebruikte materialen;
  4° de maximaal mogelijke vloerterreinindex;
  5° het aantal bouwlagen;
  6° de voortuinstroken, de tuinzones met inbegrip van tuinconstructies, de binnenplaatsen, de afsluitingen, de buitenaanleg rond gebouwen met inbegrip van verhardingen, de bouwvrije stroken en de bufferstroken;
  7° het aantal toegelaten woongelegenheden of bedrijfseenheden per kavel;
  8° de toegelaten functies in bebouwbare zones of van bebouwde onroerende goederen;
  9° de parkeergelegenheden.
  De herziening of opheffing kan, voor het gebied waarop ze betrekking heeft, niet tot gevolg hebben dat de oppervlakte aan openbare groen- of recreatievoorzieningen kleiner wordt.
  De herziening of opheffing kan geen afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan voor het gebied in kwestie tot gevolg hebben.
  De herziening of opheffing kan niet worden toegepast voor stedenbouwkundige voorschriften die afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan voor het gebied in kwestie.
  De herziening of opheffing strookt met de opties van, al naargelang het geval, het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of het gemeentelijk beleidsplan ruimte.
  Het advies van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar of de gemeentelijke omgevingsambtenaar geeft aan welke projecten, soorten projecten, functies of activiteiten in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening voor het plangebied, maar verhinderd worden door de bestaande stedenbouwkundige voorschriften van het plan. Het advies staaft de conformiteit van de voorgenomen herziening of opheffing met de opties van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of het gemeentelijk beleidsplan ruimte, en toont aan hoe de voorgenomen herziening of opheffing van stedenbouwkundige voorschriften bijdraagt aan een kwalitatieve verhoging van het ruimtelijk rendement op plaatsen waar die rendementsverhoging verantwoord is, of aan ingrepen gericht op energiebesparing.
  De herziening of opheffing neemt de vorm aan van tekstuele wijzigingen en, zo nodig, een grafisch plan.
  § 2. De procedure, vermeld in dit artikel, is ook van toepassing voor de herziening of opheffing van stedenbouwkundige voorschriften van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, met uitsluiting van voorschriften over de toegelaten functies.
  De inhoudelijke beperkingen, vermeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, zijn voor het overige van overeenkomstige toepassing.
  § 3. De herziening of de opheffing, vermeld in paragraaf 1 en 2, is onderworpen aan een openbaar onderzoek, met inachtneming van de volgende regelingen:
  1° het openbaar onderzoek duurt dertig dagen;
  2° iedere belanghebbende kan gedurende die termijn schriftelijk of digitaal opmerkingen en bezwaren indienen.
  De Vlaamse Regering bepaalt de minimale organisatorische en procedurele vereisten bij de organisatie van een openbaar onderzoek, vermeld in het eerste lid.
  § 4. De gemeente wint het voorafgaande advies in van de deputatie, het departement en de instanties die aangewezen zijn door de Vlaamse Regering.
  De adviezen worden uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen die ingaat op de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als er geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
  § 5. Het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 3, en de adviesverlening, vermeld in paragraaf 4, kunnen geheel of gedeeltelijk samenvallen.
  § 6. De gemeenteraad beslist tot herziening of opheffing van de voorschriften binnen een vervaltermijn van 180 dagen na het einde van het openbaar onderzoek, vermeld in paragraaf 3, dan wel het einde van de adviesperiode, vermeld in paragraaf 4, waarbij gerekend wordt vanaf de meest recente datum.
  § 7. Het besluit van de gemeenteraad tot herziening of opheffing van de voorschriften wordt onmiddellijk met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt en aan het departement.
  § 8. De Vlaamse Regering en de deputatie beschikken over een termijn van vijfenveertig dagen die ingaat de dag na de betekening, vermeld in paragraaf 7 of 10, tweede lid, om de uitvoering van het besluit van de gemeenteraad tot herziening of opheffing te schorsen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. De Vlaamse Regering kan binnen de voormelde termijn het besluit van de gemeenteraad ook geheel of gedeeltelijk vernietigen. Een afschrift van het schorsing- of vernietigingsbesluit wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen.
  Binnen de ordetermijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de Vlaamse Regering een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit aan de deputatie. Als de deputatie een schorsingsbesluit neemt, bezorgt ze daarvan binnen de voormelde ordetermijn een afschrift aan het departement.
  § 9. Het besluit van de gemeenteraad tot herziening of opheffing van de voorschriften van het algemeen of bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, conform dit artikel, kan alleen worden geschorst of vernietigd omwille van de redenen, vermeld in artikel 2.2.23, § 2.
  § 10. In geval van schorsing beschikt de gemeenteraad over een termijn van negentig dagen die ingaat de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan het college van burgemeester en schepenen, om een nieuw besluit tot herziening of opheffing te nemen. In dat nieuwe besluit kunnen ten opzichte van het geschorste besluit alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit.
  Het nieuwe besluit tot herziening of opheffing wordt onmiddellijk met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt, en aan het departement.
  Als de gemeenteraad binnen de voormelde termijn van negentig dagen geen nieuw besluit tot herziening of opheffing neemt, vervalt het geschorste gemeenteraadsbesluit.
  Als het besluit van de gemeenteraad tot herziening of opheffing van de voorschriften niet tijdig is geschorst of vernietigd, wordt de gemeenteraadsbeslissing tot herziening of opheffing bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Het besluit van de gemeenteraad tot herziening of opheffing van de voorschriften treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking van dit besluit bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad.
  Het besluit van de gemeenteraad tot herziening of opheffing van de voorschriften wordt op dezelfde manier als een gewone planwijziging opgenomen in het plannenregister, vermeld in artikel 5.1.1.
  § 11. De regeling in verband met planschade, vermeld in artikel 2.6.1 tot en met 2.6.3, is van overeenkomstige toepassing op gemeenteraadsbesluiten tot herziening of opheffing van voorschriften.
  § 12. De Vlaamse Regering kan nadere procedurele regels bepalen voor de toepassing van dit artikel.".
Art. 101. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 février 2017, il est inséré un article 7.4.4/1, libellé comme suit :
  " Art. 7.4.4/1. § 1er. A l'initiative du collège des bourgmestre et échevins et après avis du fonctionnaire urbaniste communal ou du fonctionnaire communal de l'environnement, les prescriptions urbanistiques des plans généraux et particuliers d'aménagement sont révisées ou supprimées en ce qui concerne :
  1° les dimensions des parcelles ;
  2° les dimensions et l'implantation des constructions ;
  3° la forme de la toiture et les matériaux utilisés ;
  4° l'indice de surface de plancher maximum admissible ;
  5° le nombre de niveaux ;
  6° les zones de jardin de façade, les zones de jardin y compris les constructions de jardin, les cours intérieures, les enclos, l'aménagement extérieur autour des bâtiments y compris les revêtements, les zones non bâties et les zones tampons ;
  7° le nombre maximum admissible de logements ou d'unités d'exploitation par lot ;
  8° les fonctions autorisées dans les zones à bâtir ou celles des biens immobiliers bâtis ;
  9° les aires de stationnement.
  La révision ou l'abrogation ne peut, pour la zone à laquelle elle se rapporte, entraîner une réduction de la superficie des espaces verts publics ou des installations récréatives.
  La révision ou l'abrogation ne peut pas entraîner une dérogation aux prescriptions urbanistiques du plan de secteur pour la zone concernée.
  La révision ou l'abrogation ne peut être appliquée aux prescriptions urbanistiques qui dérogent aux prescriptions urbanistiques du plan de secteur pour la zone concernée.
  La révision ou l'abrogation s'inscrit dans le droit fil des options du schéma de structure d'aménagement communal ou du plan de politique spatiale communal, selon le cas.
  L'avis du fonctionnaire urbaniste communal ou du fonctionnaire communal de l'environnement indique quels projets, types de projets, fonctions ou activités sont conformes à un bon aménagement du territoire pour la zone de planification, mais sont contrecarrés par les prescriptions urbanistiques existantes du plan. L'avis justifie la conformité du projet de révision ou d'abrogation avec les options du schéma de structure d'aménagement communal ou du plan de politique spatiale communal, et montre comment la révision ou l'abrogation de prescriptions urbanistiques contribue à une augmentation qualitative du rendement spatial dans les lieux où cette augmentation de rendement est justifiée, ou à des interventions axées sur les économies d'énergie.
  La révision ou l'abrogation prend la forme de modifications textuelles et, le cas échéant, d'un plan graphique.
  § 2. La procédure visée dans cet article s'applique également à la révision ou à l'abrogation de prescriptions urbanistiques de plans d'exécution spatiaux communaux, à l'exception des prescriptions ayant trait aux fonctions admises.
  Les restrictions de fond visées au paragraphe 1er, premier et deuxième alinéas, s'appliquent par ailleurs mutatis mutandis.
  § 3. La révision ou l'abrogation, visée aux paragraphes 1 et 2, est soumise à une enquête publique dans le respect des règles suivantes :
  1° l'enquête publique dure 30 jours ;
  2° durant cette période, toute partie intéressée peut formuler des observations et objections par écrit ou par voie électronique.
  Le Gouvernement flamand détermine les exigences organisationnelles et procédurales minimales pour la mise en place d'une enquête publique telle que visée au premier alinéa.
  § 4. La commune recueille l'avis préalable de la députation, du département et des autorités désignées par le Gouvernement flamand.
  Les avis sont rendus dans un délai de trente jours à compter du jour suivant celui de la réception de la demande d'avis. Si aucun avis n'est rendu dans ce délai, l'obligation en matière d'avis peut être ignorée.
  § 5. L'enquête publique visée au paragraphe 3 et l'avis visé au paragraphe 4 peuvent coïncider en tout ou en partie.
  § 6. Le conseil communal décide de réviser ou d'abroger les prescriptions dans les 180 jours suivant la fin de l'enquête publique visée au paragraphe 3 ou la fin de la période consultative visée au paragraphe 4, à compter de la date la plus récente.
  § 7. La décision du conseil communal de réviser ou d'abroger les prescriptions est immédiatement transmise par envoi sécurisé à la députation de la province où se situe la commune et au département.
  § 8. Le Gouvernement flamand et la députation disposent d'un délai de quarante-cinq jours prenant cours le lendemain de la signification visée au paragraphe 7 ou 10, alinéa 2, pour suspendre l'exécution de l'arrêté du conseil communal portant révision ou abrogation. Une suspension ne peut pas être partielle. Le Gouvernement flamand peut également abroger tout ou partie de la décision du conseil communal dans le délai susmentionné. Une copie de l'arrêté de suspension ou d'abrogation est transmise au collège des bourgmestre et échevins par envoi sécurisé dans un délai de forclusion de dix jours.
  Dans le délai de forclusion visé à l'alinéa premier, le Gouvernement flamand remet à la députation une copie de l'arrêté de suspension ou d'abrogation. Si la députation prend un arrêté de suspension, elle en remet copie au département dans le délai de forclusion susmentionné.
  § 9. La décision du conseil communal de réviser ou d'abroger les prescriptions du plan général ou particulier d'aménagement ou du plan d'exécution spatial communal, conformément à cet article, ne peut être suspendue ou abrogée que pour les motifs énoncés à l'article 2.2.23, § 2.
  § 10. En cas de suspension, le conseil communal dispose d'un délai de nonante jours prenant cours le lendemain de l'envoi de l'arrêté de suspension au collège des bourgmestre et échevins pour prendre un nouvel arrêté de révision ou d'abrogation. Dans ce nouvel arrêté, seules des modifications basées sur l'arrêté de suspension ou en découlant peuvent être apportées par rapport à l'arrêté suspendu.
  Le nouvel arrêté de révision ou d'abrogation est immédiatement transmis par envoi sécurisé à la députation de la province où se situe la commune et au département.
  Si le conseil communal ne prend pas un nouvel arrêté de révision ou d'abrogation dans le délai de nonante jours précité, l'arrêté suspendu du conseil communal échoit.
  Si la décision du conseil communal de réviser ou d'abroger les prescriptions n'a pas été suspendue ou abrogée en temps voulu, l'arrêté communal de révision ou d'abrogation est publié par extrait au Moniteur belge.
  L'arrêté de révision ou d'abrogation des prescriptions pris par le conseil communal entre en vigueur 15 jours après sa publication par extrait au Moniteur belge.
  L'arrêté de révision ou d'abrogation des prescriptions pris par le conseil communal est repris de la même manière qu'une modification ordinaire de plan dans le registre des plans, visé à l'article 5.1.1.
  § 11. Le règlement relatif aux dommages résultant de la planification spatiale, visé aux articles 2.6.1 à 2.6.3 inclus, s'applique par analogie aux décisions du conseil communal de réviser ou d'abroger des prescriptions.
  § 12. Le Gouvernement flamand peut déterminer des modalités de procédure plus spécifiques pour l'application de cet article. "
Art. 102. In artikel 7.6.2, § 1, derde lid, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014, wordt punt 2° opgeheven.
Art. 102. A l'article 7.6.2, § 1, troisième alinéa, du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 4 avril 2014, le point 2° est supprimé.
Art. 103. Aan titel VII, hoofdstuk VII, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2017, wordt een artikel 7.7.7 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 7.7.7. De bepalingen over bestuursdwang en last onder dwangsom, vermeld in titel VI, hoofdstuk IV, afdeling 3 en 4, zijn niet van toepassing als het recht om een herstelvordering in te stellen is ontstaan vóór de inwerkingtreding van titel VI, hoofdstuk IV.".
Art. 103. Dans le titre VII, chapitre VII, du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 février 2017, il est ajouté un article 7.7.7, libellé comme suit :
  " Art. 7.7.7. Les dispositions relatives à la contrainte administrative et à la charge sous astreinte, visées au titre VI, chapitre IV, divisions 3 et 4, ne sont pas applicables si le droit d'introduire une action en réparation a pris naissance avant l'entrée en vigueur du titre VI, chapitre IV. ".
Art. 104. Aan titel VII, hoofdstuk VII, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2017, wordt een artikel 7.7.8 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 7.7.8. De rechtsgevolgen die verbonden zijn aan een bevel tot staking, dat is gegeven buiten de termijnen, vermeld in artikel 6.4.4, § 1, tweede lid, vervallen van rechtswege vanaf de inwerkingtreding van artikel 6.4.4, tenzij dat wordt tegengesproken door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing.".
Art. 104. Au titre VII, chapitre VII, du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 février 2017, il est ajouté un article 7.7.8, libellé comme suit :
  " Art. 7.7.8. Les effets juridiques liés à un ordre de cessation prononcé en dehors des délais mentionnés à l'article 6.4.4, § 1, deuxième alinéa, cessent automatiquement de produire leurs effets à compter de l'entrée en vigueur de l'article 6.4.4, à moins que cela ne soit contredit par une décision judiciaire passée en force de chose jugée. ".
Art. 105. Aan titel VII, hoofdstuk VII, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2017, wordt een artikel 7.7.9 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 7.7.9. De aanwijzing door de Vlaamse Regering van de ambtenaren van de entiteit, bevoegd voor de uitvoering van de handhavingstaken met betrekking tot de ruimtelijke ordening, op grond van artikel 6.1.5, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 1°, tot aan een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering.
  De aanwijzing door de Vlaamse Regering van de ambtenaren van andere entiteiten middels een protocol, op grond van artikel 6.1.5, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 2°, tot aan een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering.
  De aanwijzing door de gouverneur van personeelsleden van een gemeente of van een intergemeentelijk samenwerkingsverband op grond van artikel 6.1.5 zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4°, tot aan een andersluidende beslissing van het college van burgemeester en schepenen.".
Art. 105. Au titre VII, chapitre VII, du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 février 2017, il est ajouté un article 7.7.9, libellé comme suit :
  " Art. 7.7.9. La désignation par le Gouvernement flamand des fonctionnaires de l'entité chargés des tâches d'exécution relatives à l'aménagement du territoire, conformément à l'article 6.1.5 tel qu'applicable avant l'entrée en vigueur de l'article 20 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement, est assimilée à une désignation au sens de l'article 6.2.5/1, § 1, premier alinéa, 1°, jusqu'à décision contraire du Gouvernement flamand.
  La désignation par le Gouvernement flamand des fonctionnaires d'autres entités par le biais d'un protocole, conformément à l'article 6.1.5 tel qu'applicable avant l'entrée en vigueur de l'article 20 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement, est assimilée à une désignation au sens de l'article 6.2.5/1, § 1, premier alinéa, 2°, jusqu'à décision contraire du Gouvernement flamand.
  La désignation par le gouverneur de membres du personnel d'une commune ou d'un partenariat communal conformément à l'article 6.1.5 tel qu'applicable avant l'entrée en vigueur de l'article 20 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement, est assimilée à une désignation au sens de l'article 6.2.5/1, § 1, premier alinéa, 3° et 4°, jusqu' à décision contraire du collège des bourgmestre et échevins. ".
Art. 106. Aan titel VII, hoofdstuk VII, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2017, wordt een artikel 7.7.10 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 7.7.10. De aanstelling als gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op grond van artikel 1.4.3, eerste lid, 1°, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt voor de lopende duurtijd van deze aanstelling gelijkgesteld met de aanwijzing als verbalisant ruimtelijke ordening, bedoeld in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 1°, behoudens een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering tot beëindiging van de aanstelling. De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur behoudt gedurende de gelijkstelling de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, die hij eerder verkreeg op grond van artikel 6.1.5, vierde lid, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.
  De aanstelling als gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op grond van artikel 1.4.3, eerste lid, 1°, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt voor de lopende duurtijd van deze aanstelling gelijkgesteld met de aanstelling als gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur, bedoeld in artikel 1.4.9, tweede lid, behoudens een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering tot beëindiging van deze aanstelling.".
Art. 106. Au titre VII, chapitre VII, du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 février 2017, il est ajouté un article 7.7.10, libellé comme suit :
  " Art. 7.7.10. La nomination comme inspecteur urbaniste régional en vertu de l'article 1.4.3, premier alinéa, 1°, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 4 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement, est assimilée pour la durée en cours de cette nomination à la désignation en tant qu'agent verbalisateur de l'aménagement du territoire, au sens de l'article 6.2.5/1, § 1, premier alinéa, 1°, sauf décision contraire du Gouvernement flamand de mettre fin à cette nomination. Pendant la période d'assimilation, l'inspecteur urbaniste régional conserve le statut d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi, qu'il avait précédemment obtenu en vertu de l'article 6.1.5, quatrième alinéa, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 4 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement.
  La nomination comme inspecteur urbaniste régional en vertu de l'article 1.4.3, premier alinéa, 1°, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 4 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement, est assimilée pour la durée de cette nomination à la désignation en tant qu'inspecteur urbaniste régional, au sens de l'article 1.4.9, deuxième alinéa, sauf décision contraire du Gouvernement flamand de mettre fin à cette nomination. "
Art. 107. Aan titel VII, hoofdstuk VII, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2017, wordt een artikel 7.7.11 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 7.7.11. De zetelende leden van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, worden op de dag van de inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, van rechtswege bekleed met een mandaat in de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering, behoudens indien zij daar uitdrukkelijk van afzien. In dat geval wordt voor het openstaande mandaat een specifieke oproep tot de kandidaten georganiseerd.
  In afwijking van artikel 6.3.9, § 1, hebben de mandaten vermeld in het eerste lid, een duurtijd tot en met 24 juli 2020. Enkel de leden die worden aangeduid op grond van een specifieke oproep tot kandidaten worden aangeduid voor een volle en hernieuwbare termijn van vijf jaar.".
Art. 107. Au titre VII, chapitre VII, du même code, modifié en dernier lieu par le décret du 3 février 2017, il est ajouté un article 7.7.11, libellé comme suit :
  " Art. 7.7.11. Le jour de l'entrée en vigueur de l'article 61 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement, les membres siégeant du Conseil supérieur de la Politique de maintien sont de plein droit investis d'un mandat au Conseil supérieur d'exécution du maintien, à moins qu'ils n'y renoncent expressément. Dans ce cas, un appel à candidatures spécifique est organisé pour le mandat ouvert.
  Par dérogation à l'article 6.3.9, § 1, la durée des mandats mentionnés au premier alinéa s'étend jusqu'au 24 juillet 2020 inclus. Seuls les membres nommés sur la base d'un appel à candidatures spécifique sont nommés pour une période complète et renouvelable de cinq ans. ".
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges
CHAPITRE 8. - Modifications du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes
Art. 108. Aan artikel 2, 1°, b), van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, gewijzigd door het decreet van 25 april 2014, worden de woorden "en artikel 43 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017" toegevoegd.
Art. 108. A l'article 2, 1°, b), du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes, modifié par le décret du 25 avril 2014, il est ajouté les mots " et l'article 43 du décret flamand sur l'expropriation du 24 février 2017 ".
Art. 109. In artikel 34, § 8 en § 9, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, worden de woorden "het decreet" vervangen door de woorden "de decreten".
Art. 109. A l'article 34, § 8 et § 9 du même décret, modifié par le décret du 3 juillet 2015, les mots " le décret " sont remplacés par les mots " les décrets ".
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het decreet van 4 april 2014 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het grond- en pandenbeleid
CHAPITRE 9. - Modifications du décret du 4 avril 2014 modifiant divers décrets relatifs à l'aménagement du territoire et à la politique foncière et immobilière.
Art. 110. In het decreet van 4 april 2014 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het grond- en pandenbeleid worden de volgende bepalingen opgeheven:
  1° artikel 11, 1° ;
  2° artikel 13, 1° ;
  3° artikel 14, 1° ;
  4° artikel 17, 1° ;
  5° artikel 20, 1° ;
  6° artikel 24, 1°.
Art. 110. Dans le décret du 4 avril 2014 modifiant divers décrets relatifs à l'aménagement du territoire et à la politique foncière et immobilière, les dispositions suivantes sont supprimées :
  1° article 11, 1° ;
  2° article 13, 1° ;
  3° article 14, 1° ;
  4° article 17, 1° ;
  5° article 20, 1° ;
  6° article 24, 1° ;
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
CHAPITRE 10. - Modifications du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement
Art. 111. In artikel 2 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt aan punt 4° de zinsnede "en die, wat betreft het recht tot voortzetting van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit als vermeld in artikel 70, § 1, tweede lid, en artikel 390, § 6, niet voor een eerste maal geheel of gedeeltelijk vernietigd is door de Raad van Vergunningsbetwistingen en voor zover de beslissingen in eerste en tweede administratieve aanleg de verdere uitbating toelieten. Het recht op verdere exploitatie stopt definitief wanneer de Raad van Vergunningsbetwistingen de schorsing van de vergunning uitspreekt of na een termijn van maximum vijf maand na de eerste uitspraak van de Raad van Vergunningsbetwistingen" toegevoegd;
  2° in het eerste lid, 8°, wordt een punt d) ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "d) het wijzigen van de vegetatie;";
  3° aan het tweede lid wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "4° de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.".
Art. 111. A l'article 2 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement, modifié par le décret du 15 juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° Au premier alinéa, il est ajouté au point 4° le membre de phrase " et qui, en ce qui concerne le droit de poursuivre l'exploitation de l'établissement ou de l'activité classés tel que visé à l'article 70, paragraphe 1er, deuxième alinéa, et à l'article 390, paragraphe 6, n'ont pas été une première fois abrogées en tout ou en partie par le Conseil pour les contestations des autorisations en matière de permis d'environnement et pour autant que les décisions en première et deuxième instance administrative aient autorisé la poursuite de l'exploitation. Le droit d'exploitation prend fin définitivement si le Conseil pour les contestations des autorisations prononce la suspension du permis ou après un délai maximum de cinq mois à compter de la première décision du Conseil pour les contestations des autorisations. "
  2° A l'alinéa premier, 8°, il est inséré un point d), libellé comme suit :
  " d) la modification de la végétation ; " ;
  3° au deuxième alinéa, il est ajouté un point 4°, libellé comme suit :
  "4° les définitions visées à l'article 2 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel. ".
Art. 112. In artikel 3 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan het eerste lid wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "4° artikel 6 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.";
  2° aan het tweede lid wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.".
Art. 112. A l'article 3 du même décret, modifié par le décret du 15 juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa premier, il est ajouté un point 4°, libellé comme suit :
  " 4° article 6 du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel. " ;
  2° au deuxième alinéa, il est ajouté un point 4°, libellé comme suit :
  "4° le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel. ".
Art. 113. In artikel 5 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan punt 1° wordt een punt e) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "e) vergunningsplichtige wijzigingen van de vegetatie, vermeld in artikel 9bis, § 7, en artikel 13, § 4 en § 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.";
  2° in punt 2° wordt tussen de zinsnede "vermeld in artikel 4.2.2" en de zinsnede "van de VCRO" de zinsnede "en artikel 4.2.4" ingevoegd.
Art. 113. A l'article 5 du même décret, modifié par le décret du 15 juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 1°, il est ajouté un point e), libellé comme suit :
  " e) modifications de la végétation soumises à autorisation, visées à l'article 9bis, § 7, et à l'article 13, § 4 et § 5, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel. " ;
  2° au point 2°, il est inséré entre le membre de phrase " mentionnées dans l'article 4.2.2 " et le membre de phrase " du VCRO " le membre de phrase " et l'article 4.2.4 ".
Art. 114. In hoofdstuk 1 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2017, wordt het opschrift van afdeling 4 vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 4. Aanwijzing gemeentelijke, provinciale en gewestelijke omgevingsambtenaar".
Art. 114. Dans le chapitre 1 du même décret, modifié par le décret du 3 février 2017, l'intitulé de la section 4 est remplacé par ce qui suit :
  " Section 4. Désignation du fonctionnaire environnement communal, provincial et régional ".
Art. 115. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2017, wordt een artikel 9/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 9/1. Iedere provincie wijst bij provincieraadsbeslissing minimaal één provinciale omgevingsambtenaar aan.
  De provincie zorgt ervoor dat de aangestelde personeelsleden gezamenlijk voldoende kennis van zowel de ruimtelijke ordening als het milieu in zich verenigen. De Vlaamse Regering kan de kwaliteitseisen vastleggen waaruit deze kennis blijkt.
  De provinciale omgevingsambtenaar oefent de taken, vermeld in dit decreet, onafhankelijk en neutraal uit. Hij mag geen nadeel ondervinden van de uitoefening hiervan.".
Art. 115. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du vendredi 3 février 2017, il est inséré un article 9/1 libellé comme suit :
  " Art. 9/1. Chaque province désigne, par décision du conseil provincial, au moins un fonctionnaire environnement provincial.
  La province veille à ce que les membres du personnel désignés disposent conjointement d'une connaissance suffisante aussi bien en matière d'aménagement du territoire qu'en matière d'environnement. Le Gouvernement flamand peut fixer les exigences de qualité attestant de cette connaissance.
  Le fonctionnaire environnement provincial exerce les tâches visées dans ce décret de manière indépendante et neutre. Il ne peut subir de préjudice en raison de l'exécution de ces tâches. ".
Art. 116. In artikel 15 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2, eerste lid, wordt vervangen door de volgende twee leden:
  "Van een vergunningsaanvraag voor de verandering van een ingedeelde inrichting of activiteit, met uitzondering van de splitsing van een ingedeelde inrichting of activiteit, wordt kennisgenomen en wordt er een beslissing genomen door de overheid die overeenkomstig paragraaf 1 bevoegd is voor het project waartoe de ingedeelde inrichting of activiteit behoort na verandering.
  Van een vergunningsaanvraag voor de splitsing van een ingedeelde inrichting of activiteit wordt kennisgenomen en wordt er een beslissing genomen door de overheid die overeenkomstig paragraaf 1 bevoegd is voor het project waartoe de ingedeelde inrichting of activiteit behoort voor de splitsing.";
  2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 wordt als project beschouwd het geheel dat een bouwtechnisch en functioneel geheel vormt en waarbij in voorkomend geval de exploitatie een samenhangend technisch geheel vormt.
  Een bedrijfswoning vormt samen met de bijhorende bedrijfsgebouwen één project.";
  3° in paragraaf 4, eerste lid, wordt de zinsnede ", vermeld in paragraaf 3 en artikel 79, vierde lid," opgeheven.
Art. 116. A l'article 15 du même décret, modifié par le décret du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 2, premier alinéa, est remplacé par les deux alinéas suivants :
  " Il sera pris connaissance et statué à propos d'une demande d'autorisation portant sur la modification d'une installation ou activité classée à l'exception de la scission d'une installation ou activité classée, par l'autorité qui, conformément au paragraphe 1er, est compétente pour le projet dont relève l'installation ou l'activité classée après modification.
  Il sera pris connaissance et statué à propos d'une demande d'autorisation portant sur la scission d'une installation ou activité classée, par l'autorité qui, conformément au paragraphe 1er, est compétente pour le projet dont relève l'installation ou l'activité classée avant la scission.
  2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Pour l'application des paragraphes 1 et 2, est considéré comme projet l'ensemble qui forme un tout du point de vue fonctionnel et en termes de technique de construction et pour lequel, le cas échéant, l'exploitation constitue un ensemble technique cohérent.
  Une habitation d'entreprise constitue, avec les bâtiments d'entreprise correspondants, un projet unique. " ;
  3° au paragraphe 4, premier alinéa, le membre de phrase " mentionné au paragraphe 3 et à l'article 79, quatrième alinéa, " est supprimé.
Art. 117. In artikel 18 van hetzelfde decreet wordt tussen het tweede lid en het derde lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De verplichting tot gezamenlijke indiening, vermeld in het tweede lid, geldt niet voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een project enerzijds, en voor het aanvragen van een omgevingsvergunning die alleen nodig is tijdens de uitvoeringsfase van het project anderzijds. Als voor het project een milieueffect-rapport moet worden opgesteld en het milieueffectrapport relevante uitspraken doet over de uitvoeringswijze, wordt gestreefd naar een gezamenlijke indiening voor wat betreft de aspecten die in het milieueffectrapport worden behandeld.".
Art. 117. A l'article 18 du même décret, il est inséré entre les deuxième et troisième alinéas un nouvel alinéa libellé comme suit :
  " L'obligation d'introduction conjointe, mentionnée dans le deuxième alinéa, ne s'applique pas à la demande d'un permis d'environnement pour un projet, d'une part, ni à la demande d'un permis d'environnement qui n'est nécessaire que durant la phase d'exécution du projet, d'autre part. S'il y a lieu d'établir un rapport d'évaluation des incidences environnementales pour un projet et que ce rapport d'évaluation des incidences environnementales donne des éclaircissements pertinents sur le mode d'exécution, une introduction conjointe est souhaitée en ce qui concerne les aspects traités par le rapport d'évaluation des incidences environnementales.
Art. 118. In artikel 19 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar" vervangen door de zinsnede "of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar";
  2° in het tweede lid worden de woorden "de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar" vervangen door de zinsnede "de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde".
Art. 118. A l'article 19 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au premier alinéa, les mots " le fonctionnaire mandaté par elle ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal " sont remplacés par le membre de phrase " ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional " ;
  2° au deuxième alinéa, les mots " le fonctionnaire mandaté par elle ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal " sont remplacés par le membre de phrase " ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional ".
Art. 119. In artikel 20 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar" worden vervangen door de zinsnede "of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar";
  2° een tweede lid wordt toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als de aanvraag door de bevoegde overheid zelf wordt ingediend, dan verricht de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar de in het eerste lid vermelde taken.".
Art. 119. A l'article 20 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots " le fonctionnaire mandaté par elle ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal " sont remplacés par le membre de phrase " ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional " ;
  2° il est ajouté un alinéa 2, libellé comme suit :
  " Si la demande est introduite par l'autorité compétente elle-même, le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional effectue les tâches mentionnées au premier alinéa. ".
Art. 120. In artikel 25, eerste en tweede lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar" telkens vervangen door de zinsnede "de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde.".
Art. 120. A l'article 25, premier et deuxième alinéas, du même décret, les mots " le fonctionnaire mandaté par elle ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional ou la personne mandatée par celui-ci. ".
Art. 121. In artikel 29 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt paragraaf 1;
  2° in paragraaf 1 worden tussen de zinsnede "de bevoegde overheid is," en de woorden "maakt de" de woorden "en geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is" ingevoegd;
  3° in paragraaf 1 wordt tussen de woorden "het integraal handelsvestigingsbeleid" en de zinsnede ". Het verslag omvat" een punt 4° ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;";
  4° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De gemeentelijke omgevingsambtenaar stelt dit verslag ter beschikking van het college van burgemeester en schepenen uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde beslissingstermijn. Het college van burgemeester en schepenen geeft in haar motivering van de beslissing aan op welke wijze rekening wordt gehouden met het verslag. Als geen verslag wordt uitgebracht binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, kan het college van burgemeester en schepenen aan de vereiste van een verslag voorbijgaan.";
  5° er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2. Paragraaf 1 is van overeenkomstige toepassing op de deputatie en de provinciale omgevingsambtenaar.".
Art. 121. A l'article 29 du même décret, modifié par le décret du 15 juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le premier alinéa devient le paragraphe 1er ;
  2° au paragraphe 1er, il est inséré, entre les mots " l'autorité compétente " et le membre de phrase " , le fonctionnaire ", les mots " et qu'aucun avis d'une commission du permis d'environnement n'est requis " ;
  3° au paragraphe 1er, il est inséré entre les mots " la politique d'implantation commerciale intégrale " et le membre de phrase " . Le rapport comprend " un point 4°, libellé comme suit :
  "4° le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel. ".
  4° au paragraphe 1er, il est ajouté un deuxième alinéa, libellé comme suit :
  " Le fonctionnaire environnement communal met ce rapport à la disposition du collège des bourgmestre et échevins au plus tard dix jours avant l'expiration du délai de décision fixé ou, le cas échéant, prolongé. Le collège des bourgmestre et échevins indique dans sa motivation de quelle manière il est tenu compte du rapport. Si aucun rapport n'est établi dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, le collège des bourgmestre et échevins peut ignorer l'obligation en matière de rapport. " ;
  5° il est ajouté un paragraphe 2, libellé comme suit :
  " § 2. Le paragraphe 1er s'applique par analogie à la députation et au fonctionnaire environnement provincial. ".
Art. 122. Artikel 30 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 30. Na het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 23, kan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, op verzoek van de vergunningsaanvrager, toestaan dat er wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht.
  Het verzoek van de vergunningsaanvrager stelt de bevoegde overheid in staat om te oordelen of de wijzigingen geen afbreuk doen aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening.
  Als de bevoegde overheid toestaat dat er wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht, dan wordt een openbaar onderzoek over de gewijzigde vergunningsaanvraag georganiseerd als voldaan is aan een van volgende voorwaarden:
  1° de wijzigingen komen niet tegemoet aan de adviezen of aan de standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend;
  2° de wijzigingen brengen kennelijk een schending van de rechten van derden met zich mee.
  Als een openbaar onderzoek wordt georganiseerd over de gewijzigde vergunningsaanvraag, wint de bevoegde overheid, in voorkomend geval, het advies van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, of de adviezen, vermeld in artikel 24, alsnog, dan wel een tweede keer in.".
Art. 122. L'article 30 du même décret est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 30. Après l'enquête publique mentionnée à l'article 23, l'autorité compétente mentionnée à l'article 15 peut, à la demande du demandeur de permis, permettre que des modifications soient apportées à la demande de permis.
  La requête du demandeur de permis permet à l'autorité compétente de déterminer si les modifications ne portent pas atteinte à la protection de l'homme ou de l'environnement ou du bon aménagement du territoire.
  Si l'autorité compétente permet que des modifications soient apportées à la demande de permis, une enquête publique sur la demande de permis modifiée est organisée, pour autant qu'il ait été satisfait à l'une des conditions suivantes :
  1° les modifications ne sont pas conformes aux avis ou aux points de vue, remarques et objections qui ont été notifiés durant l'enquête publique ;
  2° les modifications impliquent manifestement une transgression des droits de tiers.
  Si une enquête publique est organisée sur la demande de permis modifié, l'autorité compétente recueille, le cas échéant, l'avis de la commission du permis d'environnement compétent, mentionnée à l'article 16, § 1, ou les avis mentionnés à l'article 24, éventuellement pour la deuxième fois. ".
Art. 123. Aan artikel 32, § 3, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten" toegevoegd.
Art. 123. A l'article 32, § 3, du même décret, il est ajouté le membre de phrase " ou après réception des données ou documents manquants ".
Art. 124. In artikel 37 van hetzelfde decreet wordt tussen het tweede lid en het derde lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De verplichting tot gezamenlijke indiening, vermeld in het tweede lid, geldt niet voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een project enerzijds, en voor het aanvragen van een omgevingsvergunning die enkel nodig is tijdens de uitvoeringsfase van het project anderzijds.".
Art. 124. A l'article 37 du même décret, il est inséré entre les deuxième et troisième alinéas un nouvel alinéa libellé comme suit :
  " L'obligation d'introduction conjointe, mentionnée dans le deuxième alinéa, ne s'applique pas à la demande d'un permis d'environnement pour un projet, d'une part, ni à la demande d'un permis d'environnement qui n'est nécessaire que durant la phase d'exécution du projet, d'autre part. "
Art. 125. In artikel 38 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar" vervangen door de zinsnede "of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar";
  2° in het tweede lid worden de woorden "de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar" vervangen door de zinsnede "de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde".
Art. 125. A l'article 38 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au premier alinéa, les mots " le fonctionnaire mandaté par elle ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal " sont remplacés par le membre de phrase " ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional " ;
  2° au deuxième alinéa, les mots " le fonctionnaire mandaté par elle ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal " sont remplacés par le membre de phrase " ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional ".
Art. 126. In artikel 39 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar" worden vervangen door de zinsnede "of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar";
  2° een tweede lid wordt toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als de aanvraag door de bevoegde overheid zelf wordt ingediend, dan verricht de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar de in het eerste lid vermelde taken.".
Art. 126. A l'article 39 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots " le fonctionnaire mandaté par elle ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal " sont remplacés par le membre de phrase " ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional " ;
  2° il est ajouté un alinéa 2, libellé comme suit :
  " Si la demande est introduite par l'autorité compétente elle-même, le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional effectue les tâches mentionnées au premier alinéa. ".
Art. 127. In artikel 40 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015, worden in het vijfde lid de woorden "de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar" telkens vervangen door de zinsnede "of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar".
Art. 127. A l'article 40 du même décret, modifié par le décret du 18 décembre 2015, au cinquième alinéa, les mots " le fonctionnaire mandaté par elle ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional ".
Art. 128. In artikel 42, derde lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar" vervangen door de zinsnede "de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde".
Art. 128. A l'article 42, troisième alinéa, du même décret, les mots " le fonctionnaire mandaté par elle ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal " sont remplacés par le membre de phrase " le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional ou la personne mandatée par celui-ci. ".
Art. 129. In artikel 44 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt paragraaf 1;
  2° aan paragraaf 1 wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.";
  3° aan paragraaf 1 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De gemeentelijke omgevingsambtenaar stelt dit verslag ter beschikking van het college van burgemeester en schepenen uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde beslissingstermijn. Het college van burgemeester en schepenen geeft in haar motivering van de beslissing aan op welke wijze rekening wordt gehouden met het verslag. Als geen verslag wordt uitgebracht binnen de vastgestelde termijn, kan het college van burgemeester en schepenen aan de vereiste van een verslag voorbijgaan.";
  4° er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2. Paragraaf 1 is van overeenkomstige toepassing op de deputatie en de provinciale omgevingsambtenaar.".
Art. 129. A l'article 44 du même décret, modifié par le décret du 15 juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le premier alinéa devient le paragraphe 1er ;
  2° au paragraphe 1er, il est ajouté un point 4°, libellé comme suit :
  " 4° le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel. " ;
  3° au paragraphe 1er, il est ajouté un alinéa, libellé comme suit :
  " Le fonctionnaire environnement communal met ce rapport à la disposition du collège des bourgmestre et échevins au plus tard dix jours avant l'expiration du délai de décision fixé ou, le cas échéant, prolongé. Le collège des bourgmestre et échevins indique dans sa motivation de quelle manière il est tenu compte du rapport. Si aucun rapport n'est établi dans le délai fixé ou le cas échéant prolongé, le collège des bourgmestre et échevins peut ignorer l'obligation en matière de rapport. " ;
  4° il est ajouté un paragraphe 2, libellé comme suit :
  " § 2. Le paragraphe 1er s'applique par analogie à la députation et au fonctionnaire environnement provincial. ".
Art. 130. Artikel 45 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 45. De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, kan, op verzoek van de vergunningsaanvrager, toestaan dat er wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht.
  Wijzigingen aan de vergunningsaanvraag kunnen worden toegestaan als voldaan is aan al de volgende voorwaarden:
  1° de wijzigingen doen geen afbreuk aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening;
  2° de wijzigingen hebben niet tot gevolg dat een openbaar onderzoek over de gewijzigde aanvraag zou dienen te worden georganiseerd.".
Art. 130. L'article 45 du même décret est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 45. L'autorité compétente mentionnée à l'article 15 peut, à la demande du demandeur de permis, permettre que des modifications soient apportées à la demande de permis.
  Des modifications à la demande de permis peuvent être admises s'il a été satisfait à toutes les conditions suivantes :
  1° les modifications ne portent pas atteinte à la protection de l'homme ou de l'environnement ou du bon aménagement du territoire ;
  2° les modifications n'ont pas pour conséquence qu'une enquête publique sur la demande modifiée doive être organisée. ".
Art. 131. Aan artikel 46, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten" toegevoegd.
Art. 131. A l'article 46, § 1, deuxième alinéa, du même décret, il est ajouté le membre de phrase " ou après réception des données ou documents manquants ".
Art. 132. In artikel 52 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "De Vlaamse Regering is bevoegd" vervangen door de woorden "De Vlaamse Regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar zijn bevoegd";
  2° tussen het eerste en het tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen de gewestelijke omgevingsambtenaar over het beroep kan beslissen.".
Art. 132. A l'article 52 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au premier alinéa, les mots " Le Gouvernement flamand est compétent " sont remplacés par les mots " Le Gouvernement flamand ou le fonctionnaire environnement régional sont compétents " ;
  2° entre le premier et le deuxième alinéa, qui devient le troisième alinéa, est inséré un nouvel alinéa, libellé comme suit :
  " Le Gouvernement flamand détermine dans quels cas le fonctionnaire environnement régional peut statuer sur le recours. ".
Art. 133. In artikel 53 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° de leidend ambtenaar van het agentschap, bevoegd voor natuur en bos, of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde als het project vergunningsplichtige wijzigingen van de vegetatie omvat.";
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als de aanvraag in eerste administratieve aanleg overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure behandeld is, kan het betrokken publiek alleen een beroep instellen als hij tijdens het openbaar onderzoek een gemotiveerd standpunt, opmerking of bezwaar heeft ingediend, tenzij aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° het beroep is ingegeven door een wijziging aan de vergunningsaanvraag, aangebracht na het openbaar onderzoek;
  2° het beroep is ingegeven door:
  a) een bijzondere milieuvoorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, wat betreft de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
  b) een andere voorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, die geen betrekking heeft op de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
  3° het betrokken publiek toont aan dat hij door specifieke omstandigheden in de onmogelijkheid was om een standpunt, opmerking of bezwaar in te dienen tijdens het openbaar onderzoek.".
Art. 133. A l'article 53 du même décret, modifié par le décret du 15 juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° il est ajouté un point 8°, libellé comme suit :
  "8° le fonctionnaire dirigeant de l'" Agentschap voor Natuur en Bos " (Agence de la Nature et des Forêts) ou, en son absence, son représentant autorisé si le projet comporte des modifications de la végétation soumises à autorisation. " ;
2° il est ajouté un deuxième alinéa, libellé comme suit :
  " Lorsque la demande a été traitée, en première instance administrative, conformément à la procédure normale d'autorisation, le public concerné ne peut introduire un recours que s'il a formulé un avis, une remarque ou une objection motivés durant l'enquête publique, à moins qu'il n'ait été satisfait à l'une des conditions suivantes :
  1° le recours est motivé par une modification à la demande de permis, apportée après l'enquête publique ;
  2° le recours a été motivé par :
  a) une condition environnementale particulière, imposée dans le permis contesté, en ce qui concerne l'exploitation d'une installation ou activité classée ;
  b) une autre condition, imposée dans le permis contesté, qui ne concerne pas l'exploitation d'une installation ou activité classée ;
  3° le public concerné démontre que, en raison de circonstances spécifiques, il se trouvait dans l'impossibilité de formuler un point de vue, une remarque ou une objection durant l'enquête publique. ".
(NOTA : bij arrest nr.46/2019 van 14-03-2019 (B.St. 09-04-2019, p. 36042), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 133,2° vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 46/2019 du 14-03-2019 (M.B. 09-04-2019, p. 36042), la Cour constitutionnelle a annulé l'article 133, 2°)
Art. 134. In artikel 56, derde lid, van hetzelfde decreet wordt tussen het woord "bepaalt" en de woorden "de bewijsstukken" de zinsnede ", eventueel met inbegrip van een onontvankelijkheidssanctie, nadere regels met betrekking tot de opbouw en de inhoud van het beroepsschrift en" ingevoegd.
Art. 134. A l'article 56, troisième alinéa, du même décret, il est inséré entre le mot " détermine " et les mots " les pièces justificatives " le membre de phrase " , éventuellement en y joignant une sanction d'irrecevabilité, des modalités plus précises concernant la structure et le contenu de l'acte de recours et ".
Art. 135. In artikel 57 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "de door haar gemachtigde ambtenaar" vervangen door de woorden "de provinciale respectievelijk gewestelijke omgevingsambtenaar";
  2° in het tweede lid worden de woorden "of de door haar gemachtigde ambtenaar" vervangen door de woorden "of de provinciale respectievelijk gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde".
Art. 135. A l'article 57 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au premier alinéa, les mots " le fonctionnaire mandaté par elle " sont remplacés par les mots " le fonctionnaire environnement provincial ou régional " ;
  2° au deuxième alinéa, les mots " ou le fonctionnaire mandaté par elle " sont remplacés par les mots " le fonctionnaire environnement provincial ou régional ou le fonctionnaire mandaté par elle ".
Art. 136. In artikel 60 van hetzelfde decreet worden de woorden "of de door haar gemachtigde ambtenaar" telkens vervangen door de woorden "de provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde".
Art. 136. A l'article 60 du même décret, les mots " ou le fonctionnaire mandaté par elle " sont chaque fois remplacés par les mots " le fonctionnaire environnement provincial ou régional ou le fonctionnaire mandaté par elle ".
Art. 137. In artikel 62, eerste lid, 2°, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede ", de door haar gemachtigde ambtenaar of de gewestelijke omgevingsambtenaar" vervangen door de woorden "of de provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar".
Art. 137. A l'article 62, premier alinéa, 2°, du même décret, le membre de phrase " , le fonctionnaire mandaté par elle ou le fonctionnaire environnement régional " est remplacé par les mots " ou le fonctionnaire environnement provincial ou régional ".
Art. 138. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 9 mei 2014 en 18 december 2015, wordt een artikel 63/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 63/1. Als de deputatie de bevoegde overheid is en er geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is, maakt de provinciale omgevingsambtenaar voor elke beslissing over een beroep een verslag op, dat deel uitmaakt van het vergunningendossier. Het verslag toetst de aanvraag, in voorkomend geval, aan de beoordelingsgronden, bepaald bij of krachtens:
  1° titel IV van de VCRO;
  2° titel V van het DABM;
  3° het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid;
  4° het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.
  Het verslag omvat, in voorkomend geval, een voorstel van antwoord op de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het eventuele openbaar onderzoek.
  De provinciale omgevingsambtenaar stelt dit verslag ter beschikking van de deputatie uiterlijk tien dagen voor het verstrijken van de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde beslissingstermijn. De deputatie geeft in haar motivering van de beslissing aan op welke wijze rekening wordt gehouden met het verslag. Als geen verslag wordt uitgebracht binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, kan de deputatie aan de vereiste van een verslag voorbijgaan.".
Art. 138. Dans le même décret, modifié par les décrets du 9 mai 2014 et du 18 décembre 2015, il est inséré un article 63/1, libellé comme suit :
  " Art. 63/1. Si l'autorité compétente est la députation et qu'aucun avis d'une commission du permis d'environnement n'est requis, le fonctionnaire environnement provincial établit, pour toute décision sur un recours, un rapport qui fait partie du dossier des autorisations. Le cas échéant, le rapport évalue la demande sur la base des éléments d'appréciation déterminés par les dispositions suivantes ou en vertu de celles-ci :
  1° Le titre IV du VCRO ;
  2° Le titre V du DABM ;
  3° le décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale ;
  4° le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel.
  Le rapport comprend, le cas échéant, une proposition de réponse aux points de vue, remarques et objections qui ont été formulés durant l'enquête publique éventuelle.
  Le fonctionnaire environnement communal met ce rapport à la disposition du collège des bourgmestre et échevins au plus tard dix jours avant l'expiration du délai de décision fixé ou, le cas échéant, prolongé. Le collège des bourgmestre et échevins indique dans sa motivation de quelle manière il est tenu compte du rapport. Si aucun rapport n'est établi dans le délai fixé ou, le cas échéant, prolongé, le collège des bourgmestre et échevins peut ignorer l'obligation en matière de rapport. " ;
Art. 139. Aan artikel 66, § 3, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "hetzij na de ontvangst van de ontbrekende gegevens of documenten, waarbij de meest recente datum geldt" toegevoegd.
Art. 139. A l'article 66, § 3, premier alinéa, du même décret, il est ajouté le membre de phrase " ou après réception des données ou documents manquants, la date la plus récente étant d'application ".
Art. 140. In artikel 68, tweede lid, 7°, a), van hetzelfde decreet worden de woorden "ruimtelijk structuurplan" vervangen door de woorden "ruimtelijk structuurplan of ruimtelijk beleidsplan.".
Art. 140. A l'article 68, deuxième alinéa, 7°, a), du même code, les mots " le schéma de structure d'aménagement " sont remplacés par les mots " le schéma de structure d'aménagement ou le plan de politique spatiale ".
Art. 141. Aan artikel 70, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt de volgende zin toegevoegd:
  "De exploitatie gebeurt onder naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en de tot dan toe geldende bijzondere milieuvoorwaarden uit de vergunning.".
Art. 141. A l'article 70, § 1, deuxième alinéa, du même décret, la phrase suivante est ajoutée :
  " L'exploitation s'effectue dans le respect des conditions environnementales générales et sectorielles et des conditions environnementales particulières, en vigueur jusque-là, définies dans le permis. ".
Art. 142. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 3 februari 2017, wordt een artikel 73/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 73/2. De bevoegde overheid kan voorwaarden verbinden aan de uitvoering van het wijzigen van de vegetatie ervan.".
Art. 142. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du vendredi 3 février 2017, il est inséré un article 73/2, libellé comme suit :
  " Art. 73/2. L'autorité compétente peut fixer des conditions à l'exécution de la modification de sa végétation. ".
Art. 143. In artikel 75, tweede lid, 1°, van hetzelfde decreet worden de woorden "de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar" vervangen door de woorden "de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde".
Art. 143. A l'article 75, deuxième alinéa, 1°, du même décret, les mots " le fonctionnaire mandaté par elle ou, le cas échéant, le fonctionnaire environnement communal " sont remplacés par les mots " le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional ou la personne mandatée par celui-ci. ".
Art. 144. In artikel 79 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid wordt de zinsnede "overeenkomstig artikel 15" vervangen door de woorden "voor de overdracht";
  2° in het derde lid worden de woorden "of opgesplitst in verschillende vergunningsbesluiten" opgeheven;
  3° het vierde lid wordt opgeheven.
Art. 144. A l'article 79 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au deuxième alinéa, le membre de phrase " conformément à l'article 15 " est remplacé par les mots " pour le transfert " ;
  2° au troisième alinéa, les mots " ou scindée par l'autorité compétente en différentes décisions d'autorisation " sont supprimés ;
  3° l'alinéa 4 est supprimé.
Art. 145. In artikel 85 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden het tweede en derde lid vervangen door wat volgt:
  "Het bijstellen van de omgevingsvergunning, vermeld in dit artikel, verloopt overeenkomstig de bepalingen van de gewone vergunningsprocedure, met dien verstande dat de vergunningsaanvraag of de aanvraag gelezen moet worden als de aanvraag of het verzoek tot bijstelling en de aanvrager als aanvrager of verzoeker van de bijstelling.
  De gemeente brengt voor de start van het openbaar onderzoek alle eigenaars van een kavel met een gewone brief of beveiligde zending op de hoogte van het openbaar onderzoek en van de bepalingen van paragraaf 2.
  De gemeente brengt eveneens alle eigenaars van buiten de verkaveling gelegen percelen die palen aan de kavels die het voorwerp uitmaken van de bijstelling, voor de start van het openbaar onderzoek met een gewone brief of beveiligde zending op de hoogte van het openbaar onderzoek.";
  2° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 145. A l'article 85 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, les alinéas 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit :
  " L'actualisation du permis d'environnement visée dans cet article est effectuée conformément aux dispositions de la procédure normale d'autorisation, étant entendu que la demande d'autorisation ou demande doit se lire comme la demande ou la requête en actualisation et que le demandeur doit se lire comme le demandeur ou requérant de l'actualisation.
  Avant le début de l'enquête publique, la commune informe tous les propriétaires de lots par lettre ordinaire ou par envoi sécurisé de l'enquête publique et des dispositions du paragraphe 2.
  Avant le début de l'enquête publique, la commune informe également, par lettre ordinaire ou par envoi sécurisé, tous les propriétaires de parcelles situées en dehors du lotissement qui jouxtent les lots faisant l'objet de l'actualisation, de l'enquête publique.
  2° le paragraphe 3 est supprimé.
Art. 146. In artikel 86 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "De aanvraag doorloopt dezelfde procedure als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, met dien verstande dat de vergunningsaanvraag of de aanvraag gelezen moet worden als de aanvraag of het verzoek tot bijstelling en de aanvrager als aanvrager of verzoeker van de bijstelling.
  De gemeente brengt alle eigenaars van een kavel die geen aanvrager zijn op de hoogte van de bepalingen van paragraaf 2, en, in voorkomend geval, van het openbaar onderzoek:
  1° als een openbaar onderzoek vereist is, voor de start ervan;
  2° als er geen openbaar onderzoek vereist is, binnen tien dagen na de dag waarop de gemeente het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek aan de aanvrager heeft verstuurd.
  In het geval een openbaar onderzoek vereist is, brengt de gemeente de eigenaars van percelen die buiten de verkaveling liggen maar die palen aan de kavels die het voorwerp uitmaken van de bijstelling, op de hoogte van het openbaar onderzoek voor de start ervan.
  De mededeling, vermeld in het derde en vierde lid, wordt op volgende wijze gedaan:
  1° met een beveiligde zending voor de eigenaars van aanpalende percelen;
  2° met een gewone brief of beveiligde zending in de andere gevallen.";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede ", tijdens het openbaar onderzoek" opgeheven en wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Dat bezwaar moet worden ingediend:
  1° als een openbaar onderzoek vereist is, tijdens het openbaar onderzoek;
  2° als er geen openbaar onderzoek vereist is, binnen een vervaltermijn van dertig dagen die ingaat de dag na de datum van de verzending van de mededeling, vermeld in paragraaf 1, derde lid.";
  3° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 146. A l'article 86 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " La demande suit la même procédure qu'une demande de permis d'environnement pour le lotissement de terrains, étant entendu que la demande d'autorisation ou demande doit se lire comme la demande ou la requête en actualisation et que le demandeur doit se lire comme le demandeur ou requérant de l'actualisation.
  La commune informe tous les propriétaires de lots qui ne sont pas demandeurs des dispositions du paragraphe 2, et, le cas échéant, de l'enquête publique :
  1° si une enquête publique est requise, avant le début de celle-ci ;
  2° si aucune enquête publique n'est requise, dans un délai de dix jours à compter du jour où la commune a communiqué au demandeur le résultat de l'examen de recevabilité et de complétude.
  Dans le cas où une enquête publique est requise, la commune informe également, par lettre ordinaire ou par envoi sécurisé, tous les propriétaires de parcelles situées en dehors du lotissement mais qui jouxtent les lots faisant l'objet de l'actualisation, de l'enquête publique.
  La notification mentionnée aux alinéas 3 et 4 s'effectue de la manière suivante :
  1° par envoi sécurisé en ce qui concerne les propriétaires de parcelles adjacentes ;
  2° par envoi ordinaire ou par envoi sécurisé dans les autres cas. " ;
  2° au paragraphe 2, premier alinéa, les mots "pendant l'enquête publique" sont supprimés et la phrase suivante est ajoutée :
  " Cette objection doit être introduite :
  1° si une enquête publique est requise, pendant l'enquête publique ;
  2° si aucune enquête publique n'est requise, dans un délai de trente jours à compter du jour suivant la date d'envoi de la notification visée au paragraphe 1er, alinéa 3. " ;
  3° le paragraphe 3 est supprimé.
Art. 147. In artikel 87, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "de door haar gemachtigde ambtenaar of de gemeentelijke omgevingsambtenaar" vervangen door de zinsnede "of de gemeentelijke, provinciale of gewestelijke omgevingsambtenaar".
Art. 147. A l'article 87, premier alinéa, du même décret, les mots " le fonctionnaire mandaté par elle ou le fonctionnaire environnement régional " sont remplacés par le membre de phrase " ou le fonctionnaire environnement communal, provincial ou régional ".
Art. 148. In hoofdstuk 8 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2016, wordt het opschrift van afdeling 1 vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 1. - Verval van de omgevingsvergunning voor de uitvoering van stedenbouwkundige handelingen, de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, kleinhandelsactiviteiten of het wijzigen van de vegetatie".
Art. 148. Dans le chapitre 8 du même décret, modifié par le décret du 15 juillet 2016, l'intitulé de la section 1 est remplacé par ce qui suit :
  " Section 1re. - Expiration du permis d'environnement pour l'exécution d'actes urbanistiques, l'exploitation d'une installation ou d'une activité classée, ou l'exécution d'activités de commerce de détail ".
Art. 149. In artikel 99 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, 3°, worden de woorden "binnen drie jaar na de aanvang van de vergunde stedenbouwkundige handelingen" vervangen door de woorden "binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning";
  2° in paragraaf 1 worden tussen het eerste en het tweede lid de volgende leden ingevoegd, die luiden als volgt:
  "De termijn, vermeld in het eerste lid, 1°, kan evenwel, op verzoek van de vergunninghouder, voor een periode van twee jaar verlengd worden als hij aantoont dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend. De vergunninghouder dient de aanvraag van de verlenging, op straffe van verval, met een beveiligde zending en minstens drie maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar in bij de overheid die de vergunning heeft verleend. Die overheid weigert de aanvraag van de verlenging alleen als:
  1° er geen sprake is van een vreemde oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden toegerekend;
  2° de aangevraagde en vergunde handelingen strijdig zijn met inmiddels gewijzigde stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften.
  De overheid bezorgt haar beslissing uiterlijk de dag van het verstrijken van de oorspronkelijke vervaltermijn van twee jaar. Bij ontstentenis van een beslissing wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd. Als de verlenging wordt goedgekeurd, worden de termijnen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, ook met twee jaar verlengd.";
  3° in het tweede lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "twee of drie jaar" vervangen door de zinsnede "twee, drie of vijf jaar";
  4° er wordt een paragraaf 2/2 ingevoegd, die luidt als volgt:
  " § 2/2. De omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie vervalt van rechtswege als het wijzigen van de vegetatie niet binnen twee jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangt.".
Art. 149. A l'article 99 du même décret, modifié par le décret du 15 juillet 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° Au paragraphe 1er, premier alinéa, 3°, les mots " dans les trois ans qui suivent le début des actes urbanistiques autorisés " sont remplacés par les mots " dans un délai de cinq ans après la délivrance du permis d'environnement définitif " ;
  2° Au paragraphe 1er, entre le premier et le deuxième alinéas, il est inséré les alinéas suivants, libellés comme suit :
  " Le délai mentionné au premier alinéa, 1°, peut toutefois, à la demande du titulaire du permis, être prolongé d'une période de deux ans s'il démontre que la non-réalisation résulte d'une cause étrangère qui ne lui est pas imputable. Le titulaire de permis introduit la demande de prolongation, sous peine de déchéance, par envoi sécurisé et au moins trois mois avant l'expiration du délai initial de deux ans, auprès de l'autorité qui a délivré le permis. L'autorité ne rejette la demande de prolongation que :
  1° s'il n'existe aucune cause étrangère non imputable au titulaire du permis ;
  2° si les actes demandés et autorisés vont à l'encontre de prescriptions urbanistiques ou de prescriptions en matière de lotissements qui ont été modifiées dans l'intervalle.
  Le gouvernement rend sa décision au plus tard à l'expiration du délai initial de deux ans. En l'absence de décision, la prolongation est réputée avoir été approuvée. Si la prolongation est approuvée, les délais visés au premier alinéa, 3° et 4°, sont également prolongés de deux ans. " ;
  3° au deuxième alinéa, qui devient le quatrième alinéa, les mots " deux à trois ans " sont remplacés par le membre de phrase " 2,3 ou cinq ans " ;
  4° il est inséré un paragraphe 2/2, libellé comme suit :
  " § 2/2. Le permis d'environnement pour la modification de la végétation expire de plein droit si la modification de la végétation ne commence pas dans les deux ans suivant la délivrance du permis d'environnement définitif. ".
Art. 150. In artikel 101 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt tussen de zinsnede ", vermeld in artikel 99," en de woorden "worden geschorst" de zinsnede "in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1" ingevoegd;
  2° in het tweede, derde en vierde lid wordt de zinsnede "De termijnen van twee of drie jaar, vermeld in artikel 99," vervangen door de zinsnede "De termijnen van twee, drie of vijf jaar, vermeld in artikel 99, in voorkomend geval verlengd conform artikel 99, § 1,";
  3° in het vierde lid worden tussen de zinsnede "vermeld in titel VI" en de zinsnede ", niet wordt ingetrokken" de woorden "van de VCRO" ingevoegd.
Art. 150. A l'article 101 du même décret, modifié par le décret du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au premier alinéa, entre le membre de phrase " , visés à l'article 99, " et les mots " sont suspendus ", il est inséré le membre de phrase " le cas échéant prolongés conformément à l'article 99, § 1 " ;
  2° aux deuxième, troisième et quatrième alinéas, le membre de phrase " Les délais de deux ou de trois ans, mentionnés à l'article 99, " est remplacé par le membre de phrase " Les délais de deux ou de trois ans, mentionnés à l'article 99, le cas échéant prolongés conformément à l'article 99, § 1, " ;
  3° au quatrième alinéa, entre le membre de phrase " dont question au titre VI " et le membre de phrase " n'est pas retiré ", il est inséré les mots " du VCRO ".
Art. 151. In artikel 105 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2015, 15 juli 2016 en 9 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden tussen de woorden "de aktename" en de woorden "van een melding" de woorden "of de niet-aktename" ingevoegd;
  2° aan paragraaf 2, eerste lid, wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° de leidend ambtenaar van het agentschap, bevoegd voor natuur en bos, of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde als het project vergunningsplichtige wijzigingen van de vegetatie omvat.";
3° in paragraaf 2 wordt tussen het tweede en het derde lid, dat het vierde lid wordt, een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als de aanvraag overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure behandeld is, kan het betrokken publiek alleen een beroep instellen als hij tijdens het openbaar onderzoek een gemotiveerd standpunt, opmerking of bezwaar heeft ingediend, tenzij aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° het beroep is ingegeven door een wijziging aan de vergunningsaanvraag, aangebracht na het openbaar onderzoek;
  2° het beroep is ingegeven door:
  a) een bijzondere milieuvoorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, in het geval van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit;
  b) een voorwaarde, opgelegd in de bestreden vergunning, in het geval van een andere omgevingsvergunning, dan de vergunning vermeld in punt a);
  3° het betrokken publiek toont aan dat hij door specifieke omstandigheden in de onmogelijkheid was om een standpunt, opmerking of bezwaar in te dienen tijdens het openbaar onderzoek.".
Art. 151. A l'article 105 du même décret, modifié par les décrets des vendredi 18 décembre 2015, vendredi 15 juillet 2016 et vendredi 9 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, entre les mots " la prise d'acte " et les mots " d'une notification ", il est inséré les mots " ou la non-prise d'acte " ;
  2° au paragraphe 2, il est ajouté un point 8°, libellé comme suit :
  "8° le fonctionnaire dirigeant de l'" Agentschap voor Natuur en Bos " (Agence de la Nature et des Forêts) ou, en son absence, son représentant autorisé si le projet comporte des modifications de la végétation soumises à autorisation. " ;
3° au paragraphe 2, il est inséré entre le deuxième et le troisième alinéa un alinéa, libellé comme suit :
  " Lorsque la demande a été traitée conformément à la procédure normale d'autorisation, le public concerné ne peut introduire un recours que s'il a formulé un avis, une observation ou une objection motivés durant l'enquête publique, à moins que l'une des conditions suivantes ne soit remplie :
  1° le recours est motivé par une modification à la demande de permis, apportée après l'enquête publique ;
  2° le recours a été motivé par :
  a) une condition environnementale particulière, imposée dans le permis contesté, dans le cas d'un permis d'environnement pour l'exploitation d'une installation ou activité classée ;
  b) une condition, imposée dans le permis contesté, dans le cas d'un permis d'environnement autre que le permis visé au point a) ;
  3° le public concerné démontre que, en raison de circonstances spécifiques, il se trouvait dans l'impossibilité de formuler un point de vue, une remarque ou une objection pendant l'enquête publique. ".
(NOTA : bij arrest nr.46/2019 van 14-03-2019 (B.St. 09-04-2019, p. 36042), heeft het Grondwettelijk Hof het artikel 151, 3° vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 46/2019 du 14-03-2019 (M.B. 09-04-2019, p. 36042), la Cour constitutionnelle a annulé l'article 151, 3°)
Art. 152. Aan artikel 106 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als een project elementen bevat die onderworpen zijn zowel aan een meldingsplicht als aan een vergunningsplicht, bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, en die aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, dan omvat de vergunningsaanvraag de melding. Als bepaalde aspecten van een meldingsplichtig project, vermeld in de melding, onderworpen zijn aan de vergunningsplicht is de melding onontvankelijk en moet een vergunningsaanvraag worden ingediend.".
Art. 152. A l'article 106 du même décret, il est ajouté un alinéa 2, libellé comme suit :
  " Si le projet contient des éléments qui sont soumis aussi bien à une obligation de déclaration qu'à une obligation d'autorisation telles que fixées par ou en vertu des décrets visés à l'article 5, et que ces aspects sont indissolublement liés, la demande de permis comprendra la déclaration. Si certains aspects d'un projet soumis à l'obligation de déclaration mentionnés dans la déclaration sont soumis à l'obligation d'autorisation, la déclaration sera irrecevable et une demande d'autorisation devra être introduite. ".
Art. 153. Artikel 107 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 107. Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing op de melding.
  Onverminderd artikel 5.2.1 van het DABM geldt de omgevingsvergunning als aktename voor dat deel van het project dat meldingsplichtig is als tegelijkertijd uitspraak wordt gedaan over de vergunningsaanvraag en de melding. In het geval de vergunning wordt geweigerd, wordt aan de melding geen verder gevolg gegeven.".
Art. 153. L'article 107 du même décret, modifié par le décret du vendredi 18 décembre 2015, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 107. L'article 15 s'applique par analogie à la déclaration.
  Sans préjudice de l'article 5.2.1 du DABM, le permis d'environnement tient lieu de prise d'acte pour la partie du projet soumise à l'obligation de déclaration, s'il est en même temps statué sur la demande de permis et la déclaration. Dans le cas où le permis est refusé, il n'est donné aucune suite à la déclaration. ".
Art. 154. In artikel 111, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° artikel 4.2.2, § 1, en artikel 4.2.4 van de VCRO.".
Art. 154. A l'article 111, premier alinéa, du même décret, le point 2° est remplacé par la disposition suivante :
  " 2° article 4.2.2, § 1, et article 4.2.4 du VCRO. ".
Art. 155. Aan artikel 112 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De vervalregeling, vermeld in artikel 99 tot en met 101, is van overeenkomstige toepassing op de meldingsakte.".
Art. 155. A l'article 112 du même décret, il est ajouté un alinéa 2, libellé comme suit :
  " Le régime de péremption visé aux articles 99 à 101 inclus s'applique par analogie à l'acte de déclaration. ".
Art. 156. In artikel 388, § 3, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 december 2015, wordt de zinsnede "De milieuvergunning en de melding in toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning die toelaat een ingedeelde inrichting te exploiteren" vervangen door de zinsnede "De vergunning en de milieuvergunning, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, en de melding, vermeld in paragraaf 1, tweede lid".
Art. 156. A l'article 388, § 3, premier alinéa, du même décret, remplacé par le décret du 18 décembre 2015, le membre de phrase " Le permis d'environnement et la déclaration en application du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique, qui permet d'exploiter une installation classée " est remplacé par le membre de phrase " l'autorisation et le permis d'environnement, visés au paragraphe 1er, premier alinéa, et la déclaration, visée au paragraphe 1er, deuxième alinéa ".
Art. 157. In artikel 390 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "vanaf 10 september 2002 is aangevraagd en" vervangen door het woord "is";
  2° in paragraaf 1 wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° het betrokken publiek dient geen kennelijk gegrond bezwaar in tegen de omzetting tijdens het openbaar onderzoek. De omgevingsvergunningscommissie onderzoekt de kennelijke gegrondheid van de bezwaren binnen een termijn van vijftig dagen die aanvangt de dag na de datum waarop de mededeling, vermeld in punt 1°, door de bevoegde overheid naar de commissie is gestuurd;
  2° /1 de leidende ambtenaren van de adviesinstanties aangewezen krachtens artikel 24 of artikel 42, verlenen geen negatief advies over de mededeling van de vraag tot omzetting binnen een termijn van 30 dagen die aanvangt de dag na de datum waarop de mededeling, vermeld in punt 1°, door de bevoegde overheid naar de adviesinstantie is gestuurd.";
  3° er wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 6. De exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit waarvoor de vraag tot omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur overeenkomstig artikel 390, § 4 of § 5, wordt behandeld, kan na de einddatum van de milieuvergunning in afwachting van een definitieve beslissing over de vraag tot omzetting worden voortgezet.
  De exploitatie gebeurt onder naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en de tot dan toe geldende bijzondere milieuvoorwaarden uit de vergunning.".
Art. 157. A l'article 390 du même décret, modifié par le décret du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe1, les mots " demandée à partir du 10 septembre 2002 et " sont supprimés ;
  2° au paragraphe 1er, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  "2° le public concerné ne formule aucune objection manifestement fondée à la conversion durant l'enquête publique. La commission du permis d'environnement examine le bien-fondé apparent des objections dans un délai de cinquante jours à compter du jour suivant la date à laquelle la notification visée au point 1° lui a été adressée par l'autorité compétente ;
  2° /1 les fonctionnaires dirigeants des instances d'avis désignées en vertu de l'article 24 ou de l'article 42 ne rendent pas un avis négatif sur la notification de la demande de conversion dans un délai de 30 jours prenant cours le jour suivant la date à laquelle la notification visée au point 1° a été adressée à l'instance d'avis par l'autorité compétente. " ;
  3° il est ajouté un paragraphe 6, libellé comme suit :
  " § 6. L'exploitation de l'installation ou activité classée pour laquelle la demande de conversion du permis d'environnement à durée déterminée en permis à durée indéterminée conformément à l'article 390, § 4 ou § 5 est traitée peut se poursuivre après la date d'expiration du permis d'environnement, en attendant une décision définitive sur la question de la conversion.
  " L'exploitation s'effectue dans le respect des conditions environnementales générales et sectorielles et des conditions environnementales particulières, en vigueur jusqu'alors, définies dans le permis. ".
Art. 158. In artikel 390/1, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 mei 2014, wordt de zinsnede "uiterlijk 31 december 2018" vervangen door de zinsnede "uiterlijk 31 december 2019".
Art. 158. A l'article 390/1, § 1, du même décret, inséré par le décret du 9 mai 2014, les mots " 31 décembre 2018 au plus tard " sont remplacés par les mots " 31 décembre 2019 au plus tard ".
Art. 159. In hetzelfde decreet wordt een artikel 390/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 390/2. § 1. De vergunningstermijn van een milieuvergunning, verleend voor de exploitatie van een inrichting met een stikstofdepositie die minstens 50 procent bijdraagt aan de kritische depositiewaarde van een habitat, en die overeenkomstig artikel 388, § 1, of artikel 390/1 vergund is, wordt verlengd met maximaal zeven jaar als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1° op het moment van het verstrijken van de verlengde vergunningstermijn is de exploitant ofwel een natuurlijke persoon die 65 jaar of ouder is, ofwel een personenvennootschap waarvan alle aandelen op naam zijn en waarbij minstens één van de zaakvoerders of bestuurders die sinds minstens vijf jaar voor de aanvang van de verlengde vergunningstermijn van maximaal zeven jaar meerderheidsaandeelhouder is, 65 jaar of ouder is;
  2° de exploitant van de inrichting deelt de gevraagde duur van de verlenging mee en geeft uitdrukkelijk aan dat hij de exploitatie uiterlijk zeven jaar na het verstrijken van de lopende vergunning zal stopzetten;
  3° de exploitatie stoot gedurende de termijn van de verlenging geen bijkomende stikstofemissies uit;
  4° tijdens de verlenging van de vergunning en op het einde van de verlengde vergunning kan de exploitant van de inrichting alleen nog beroep doen op de maatregelen bedrijfsbeëindiging, koopplicht of erfdienstbaarheid.
  § 2. Voor de verlenging van de vergunning, vermeld in paragraaf 1, moet de vergunninghouder uiterlijk vier maanden vóór het verstrijken van de lopende vergunning een verzoek indienen bij de bevoegde vergunningverlenende overheid.
  Het ingediende verzoek bevat het resultaat van de impactscoreberekening uitgevoerd met de onlinetoepassing `impactscore NH3', zoals beschikbaar op de website Natura 2000 die maximaal één maand vóór het indienen van het verzoek is uitgevoerd op basis van de gegevens uit de lopende milieuvergunning.
  De bevoegde vergunningverlenende overheid neemt akte van het verzoek als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.
  Tegen die akte kan geen administratief beroep worden ingediend als aan de toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1 en 2 is voldaan.
  § 3. Deze bepalingen laten het verval van de vergunning, vermeld in artikel 99, § 2 en § 3, onverkort bestaan.".
Art. 159. Dans le même décret, il est inséré un article 390/2, libellé comme suit :
  " Art. 390/2. § 1er. La période d'autorisation d'un permis d'environnement délivré pour l'exploitation d'une installation avec dépôt d'azote qui contribue pour au moins cinquante pour cent à la valeur critique de dépôt d'un habitat et qui a été autorisée conformément à l'article 388, § 1, ou à l'article 390/1, est prorogée d'une durée maximale de sept ans s'il est satisfait aux conditions suivantes :
  1° à l'expiration de la période d'autorisation prorogée, l'exploitant est soit une personne physique âgée de 65 ans ou plus, soit une société de personnes dont toutes les actions sont nominatives et dans laquelle au moins un des gérants ou administrateurs ayant été actionnaire majoritaire pendant au moins cinq ans avant le début de la période d'autorisation prorogée, de sept ans maximum, est âgé de 65 ans ou plus ;
  2° l'exploitant de l'installation communique la durée demandée de la prolongation et indique expressément qu'il cessera ses activités au plus tard sept ans après l'expiration de l'autorisation en cours ;
  3° l'exploitation ne dégage pas d'émissions d'azote supplémentaires pendant la période de prolongation ;
  4° durant la prolongation du permis et au terme du permis prorogé, l'exploitant de l'installation ne peut plus faire appel qu'aux mesures de cessation d'exploitation, d'obligation d'acquisition ou de servitude.
  § 2. Pour la prorogation de l'autorisation dont question au paragraphe 1er, le titulaire du permis doit introduire une demande auprès de l'autorité compétente délivrant l'autorisation avant l'expiration du permis en cours.
  La demande introduite comprend le résultat du calcul du score d'impact effectué au moyen de l'application en ligne " impactscore NH3 ", disponible sur le site Internet Natura 2000, qui aura été effectué au moins un mois avant l'introduction de la demande sur la base des données du permis d'environnement en cours.
  L'autorité compétente qui délivre l'autorisation prend acte de la demande s'il est satisfait aux modalités d'application mentionnées aux paragraphes 1 et 2.
  Aucun recours administratif ne peut être déposé à l'encontre de cet acte s'il est satisfait aux conditions d'application dont question aux paragraphes 1 et 2.
  § 3. Ces dispositions ne portent pas préjudice à l'expiration de l'autorisation visée à l'article 99, § 2 et § 3. ".
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning
CHAPITRE 11. - Modifications du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement
Art. 160. In artikel 5 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning worden in het opschrift van de toe te voegen afdeling 4 van titel I, hoofdstuk IV, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de woorden "gewestelijke beboetingsambtenaren en de" opgeheven.
Art. 160. A l'article 5 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement, les mots " fonctionnaires de verbalisation régionaux et les " dans l'intitulé de la section 4 du titre I, chapitre IV, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, sont supprimés.
Art. 161. In artikel 6 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 1.4.9 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de zinsnede "respectievelijk gewestelijke beboetingsambtenaar," en de zinsnede ", 2° " opgeheven;
  2° in het tweede lid worden de woorden "gewestelijke beboetingsambtenaar of" opgeheven en wordt het woord "ambtenaren" vervangen door het woord "personeelsleden".
Art. 161. A l'article 6 du même décret, à l'article 1.4.9, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au premier alinéa, le membre de phrase " fonctionnaires de verbalisation régionaux, " et le membre de phrase " , 2° " sont supprimés ;
  2° au deuxième alinéa, les mots " fonctionnaires de verbalisation régionaux ou " sont supprimés et le mot " fonctionnaires " est remplacé par le mot " membres du personnel ".
Art. 162. In artikel 15 van hetzelfde decreet worden in het te vervangen artikel 6.1.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
  "1° gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur: het personeelslid dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening, vermeld in deze titel, bevoegd voor het grondgebied van een of meer gemeenten die het college of de colleges van burgemeester en schepenen van de gemeente of de gemeenten in kwestie daarvoor als zodanig hebben aangesteld zoals vermeld in artikel 1.4.9, tweede lid;";
  2° punt 2° wordt vervangen door wat volgt:
  "2° gewestelijke entiteit: de subentiteit, die de Vlaamse Regering aanwijst om de alternatieve en bestuurlijke geldboete of de exclusieve geldboete op te leggen zoals bedoeld in artikel 16.1.2, 4°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;";
  3° punt 3° wordt vervangen door wat volgt:
  "3° gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur: het gewestelijke personeelslid dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening, vermeld in deze titel, bevoegd voor het geheel of voor onderdelen van het grondgebied van het Vlaamse Gewest, die de Vlaamse Regering als zodanig heeft aangesteld als gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur zoals vermeld in artikel 1.4.9, tweede lid;";
  4° er wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "8° verbalisant ruimtelijke ordening: het personeelslid, bedoeld in artikel 6.2.5/1, dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening vermeld in deze titel.".
Art. 162. A l'article 15 du même décret, à l'article 6.1.1, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° inspecteur urbaniste communal : le membre du personnel chargé de l'exécution du maintien de l'aménagement du territoire, visé dans ce titre, compétent pour le territoire d'une ou de plusieurs communes ayant désigné à cet effet le ou les collèges des bourgmestre et échevins de la ou des communes concernées, comme visé à l'article 1.4.9, deuxième alinéa ; " ;
  2° le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  "2° entité régionale : la sous-entité désignée par le Gouvernement flamand pour imposer l'amende administrative alternative ou l'amende administrative exclusive visées à l'article 16.1.2, 4° du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ; " ;
  3° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  "3° inspecteur urbaniste régional : le membre du personnel régional chargé de l'exécution du maintien de l'aménagement du territoire, visé dans ce titre, compétent pour tout ou partie du territoire de la Région flamande, qui a été désigné comme tel par le Gouvernement flamand en tant qu'inspecteur urbaniste régional tel que visé à l'article 1.4.9, deuxième alinéa ; " ;
  4° il est ajouté un point 8° libellé comme suit :
  " 8° agent verbalisateur de l'aménagement du territoire : le membre du personnel, visé à l'article 6.2.5/1, qui est chargé de l'exécution du maintien de l'aménagement du territoire visé dans ce titre. ".
Art. 163. Aan artikel 30 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in het eerste lid de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 1° wordt vervangen door wat volgt:
  "1° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning, of het verder uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 en artikel 4.2.15, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning;";
  2° in punt 2°, 4° en 5° worden de woorden "of voortzetten" opgeheven;
  3° in punt 3° wordt het woord "voortzetten" vervangen door de woorden "verder uitvoeren";
  4° punt 6° wordt vervangen door wat volgt:
  "6° het uitvoeren van handelingen in een conform artikel 5.6.8 aangeduid watergevoelig openruimtegebied die:
  a) of niet zijn toegelaten in artikel 5.6.8, § 3, tenzij deze handelingen vergund of vergund geacht zijn en, voor zover het gebied niet opgeheven wordt met toepassing van artikel 5.6.8, § 7;
  b) of die de voorwaarden die door de Vlaamse Regering worden verbonden aan de schrapping vermeld in artikel 5.6.8, § 7, derde lid schenden, tenzij deze handelingen vergund of vergund geacht zijn;";
  5° in punt 7° worden de woorden "of voortgezet" opgeheven.
Art. 163. A l'article 30 du même décret, à l'article 6.2.1, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, au premier alinéa, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° l'exécution des actes visés aux articles 4.2.1 et 4.2.15, soit sans qu'il ait été obtenu au préalable un permis d'urbanisme, de lotissement, d'environnement pour des actes urbanistiques, ou un permis d'environnement pour le lotissement de terrains, soit en violation du permis correspondant, ou la poursuite de l'exécution des actes visés à l'article 4.2.1 et à l'article 4.2.15, soit après déchéance, abrogation ou expiration de la durée de validité du permis concerné, soit en cas de suspension du permis concerné ; " ;
  2° aux points 2°, 4° et 5°, les mots " ou poursuivre " sont supprimés ;
  3° au point 3°, le mot " poursuivre " est remplacé par les mots " continuer à exécuter " ;
  4° le point 6° est remplacé par ce qui suit :
  "6° exécuter, dans une zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau désignée conformément à l'article 5.6.8, des actes qui :
  soit ne sont pas admis dans l'article 5.6.8, § 3, à moins que ces actes aient été autorisés ou présumés autorisés et pour autant que la zone ne soit pas abrogée en application de l'article 5.6.8, § 7 ;
  ou qui enfreignent les conditions auxquelles le Gouvernement flamand soumet l'abrogation, comme visé à l'article 5.6.8, § 7, troisième alinéa, à moins que ces actes aient été autorisés ou présumés autorisés. " ;
  5° au point 7°, les mots " ou poursuivis " sont supprimés.
Art. 164. Aan artikel 31 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 3° worden de woorden "of voortzetten" opgeheven en wordt de zinsnede "112" vervangen door de zinsnede "6, tweede lid";
  2° in punt 5° worden de woorden "of voortzetten" opgeheven;
  3° in punt 6° worden de woorden "of voortzetten" opgeheven en wordt het woord "verkavelingsvergunningen" vervangen door de woorden "verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden";
  4° in punt 7° worden de woorden "of voortgezet" opgeheven.
Art. 164. A l'article 31 du même décret, à l'article 6.2.2, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 3°, les mots " ou poursuivre " sont supprimés et le membre de phrase " 112 " est remplacé par le membre de phrase " 6, deuxième alinéa " ;
  2° au point 5°, les mots " ou poursuivre " sont supprimés ;
  3° au point 6°, les mots " ou poursuivre " sont supprimés et les mots " permis de lotissement " sont remplacés par les mots " permis de lotissement ou permis d'environnement pour le lotissement de terrains " ;
  4° au point 7°, les mots " ou poursuivies " sont supprimés.
Art. 165. In artikel 34 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.2.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "bevoegde personen" vervangen door de woorden "verbalisanten ruimtelijke ordening";
  2° in paragraaf 1 wordt het tweede lid opgeheven;
  3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "bevoegde personen, vermeld in artikel 6.2.3," vervangen door de woorden "verbalisanten ruimtelijke ordening".
Art. 165. A l'article 34 du même décret, à l'article 6.2.3, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, premier alinéa, les mots " personnes compétentes " sont remplacés par les mots " agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire " ;
  2° au paragraphe 1er, le deuxième alinéa est supprimé ;
  3° au paragraphe 2, premier alinéa, le membre de phrase " personnes compétentes, visées à l'article 6.2.3 " est remplacé par les mots " agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire ".
Art. 166. In artikel 36 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.2.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren van het Vlaamse Gewest en de door het college van burgemeester en schepenen aangewezen personeelsleden van de gemeente of van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden" vervangen door de woorden "verbalisanten ruimtelijke ordening";
  2° in het eerste lid worden na de zinsnede ", op te sporen en vast te stellen door een proces-verbaal" de woorden "dat ze onmiddellijk bezorgen aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het misdrijf is gepleegd" toegevoegd;
  3° aan het eerste lid worden de zinnen "Als de vermoedelijke overtreder bekend is, wordt een kopie van het proces-verbaal met een beveiligde zending betekend aan de vermoedelijke overtreder. Die betekening gebeurt binnen een termijn van veertien dagen na de datum van de afsluiting van het proces-verbaal." toegevoegd;
  4° het tweede lid wordt opgeheven;
  5° het derde lid wordt opgeheven;
  6° in het vierde lid, dat het tweede lid wordt, wordt de zinsnede ", ambtenaren en personeelsleden, vermeld in het eerste lid," vervangen door de woorden "en de verbalisanten ruimtelijke ordening";
  7° het zesde lid, dat het vierde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
  "Een afschrift van een proces-verbaal waarin een misdrijf wordt vastgesteld of van een navolgend proces-verbaal waarin het vrijwillig herstel of de regularisatie wordt vastgesteld, wordt altijd gericht aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gewestelijke entiteit en de gemeente van het grondgebied waarop de handelingen hebben plaatsgevonden.";
  8° het zevende lid wordt opgeheven.
Art. 166. A l'article 36 du même décret, à l'article 6.2.4, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au premier alinéa, les mots " les fonctionnaires de la Région flamande désignés par le Gouvernement flamand et les membres du personnel de la commune ou de partenariats communaux désignés par le collège des bourgmestre et échevins " sont remplacés par les mots " agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire " ;
  2° au premier alinéa, les mots " pour rechercher et constater par procès-verbal les délits décrits dans le présent chapitre " sont remplacés par le membre de phrase " pour rechercher les délits décrits dans le présent chapitre et constater ceux-ci par un procès-verbal, qu'ils remettront directement au procureur du Roi auprès du tribunal de la juridiction où le délit a été commis ".
  3° au premier alinéa, il est ajouté les phrases " Si le contrevenant présumé est connu, une copie du procès-verbal lui est notifiée par envoi sécurisé. Cette notification a lieu dans un délai de 15 jours à compter de la date de clôture du procès-verbal. "
  4° le deuxième alinéa est supprimé.
  5° le troisième alinéa est supprimé ;
  6° dans le quatrième alinéa, qui devient le deuxième alinéa, le membre de phrase " , fonctionnaires et membres du personnel visés au premier alinéa " est remplacé par les mots " et les agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire " ;
  7° le sixième alinéa, qui devient le quatrième alinéa, est remplacé par ce qui suit :
  " Une copie d'un procès-verbal constatant un délit ou d'un procès-verbal ultérieur constatant la réparation volontaire ou la régularisation est toujours adressée à l'inspecteur urbaniste régional, à l'entité régionale et à la commune du territoire sur lequel les actes ont eu lieu. " ;
  8° le septième alinéa est supprimé.
Art. 167. In artikel 38 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.2.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede ", vermeld in artikel 6.2.4," vervangen door de woorden "ruimtelijke ordening";
  2° in het eerste lid wordt het woord "beboetingsambtenaar" vervangen door het woord "entiteit";
  3° in het eerste lid wordt de zinsnede "6.2.4, vierde en vijfde lid" vervangen door de zinsnede "6.2.4, tweede en derde lid".
Art. 167. A l'article 38 du même décret, à l'article 6.2.5, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au premier alinéa, le membre de phrase " , visés à l'article 6.2.4, " est remplacé par les mots " aménagement du territoire " ;
  2° au premier alinéa, les mots " fonctionnaire de verbalisation régional " sont remplacés par les mots " entité régionale " ;
  3° au premier alinéa, le membre de phrase " 6.2.4, quatrième et cinquième alinéas " est remplacé par le membre de phrase " 6.2.4, deuxième et troisième alinéas ".
Art. 168. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2015, 4 mei 2016 en 1 juli 2016, wordt een artikel 38/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 38/1. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015 wordt aan afdeling 2, ingevoegd bij artikel 32, een onderafdeling 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Onderafdeling 4. - Verbalisanten ruimtelijke ordening".".
Art. 168. Dans le même décret, modifié par les décrets du 18 décembre 2015, du 4 mai 2016 et du 1er juillet 2016, il est inséré un article 38/1, libellé comme suit :
  " Art. 38/1. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2015, il est ajouté à la section 2, insérée sous l'article 32, une sous-section 4, libellée comme suit :
  " Sous-section 4. - Agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire". ".
Art. 169. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2015, 4 mei 2016 en 1 juli 2016, wordt een artikel 38/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 38/2. In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015 wordt aan onderafdeling 4, toegevoegd bij artikel 38/1, een artikel 6.2.5/1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 6.2.5/1. § 1. De volgende personen kunnen verbalisant ruimtelijke ordening zijn:
  1° de personeelsleden van de entiteit, bevoegd voor de uitvoering van de handhavingstaken met betrekking tot de ruimtelijke ordening, die daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse Regering;
  2° de personeelsleden van het Vlaamse Gewest van andere entiteiten, die daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse Regering;
  3° de personeelsleden van de gemeente, die daarvoor worden aangewezen door het college van burgemeester en schepenen;
  4° de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband, die daarvoor worden aangewezen door de colleges van burgemeester en schepenen.
  De Vlaamse Regering kan voorwaarden, die onder meer betrekking kunnen hebben op de scholingsvereisten, bepalen waaraan de verbalisanten ruimtelijke ordening moeten voldoen.
  § 2. De Vlaamse Regering wijst onder de gewestelijke personeelsleden die als verbalisant ruimtelijke ordening zijn aangewezen, degenen aan die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, verkrijgen om misdrijven als vermeld in dit hoofdstuk, op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal.
  § 3. Contractuele personeelsleden kunnen alleen verbalisant ruimtelijke ordening zijn als ze zijn beëdigd. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden van de eedaflegging bepalen.
  Een beëdiging op grond van artikel 106 van het Gemeentedecreet geldt tevens als eedaflegging in de zin van het eerste lid.
  § 4. De Vlaamse Regering kan de aanwijzingsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 1 en 2, delegeren.".".
Art. 169. Dans le même décret, modifié par les décrets du 18 décembre 2015, du 4 mai 2016 et du 1er juillet 2016, il est inséré un article 38/2, libellé comme suit :
  " Art. 38/2. Dans le même code, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2015, il est ajouté à la section 4, ajoutée par l'article 38/1, un article 6.2.5/1, libellé comme suit :
  " Art. 6.2.5/1. § 1er. Les personnes suivantes peuvent être agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire :
  1° les membres du personnel de l'entité, compétents pour l'exécution des tâches de maintien en matière d'aménagement du territoire, qui sont désignés à cet effet par le Gouvernement flamand ;
  2° les membres du personnel de la Région flamande d'autres entités, qui sont désignés à cet effet par le Gouvernement flamand ;
  3° les membres du personnel de la commune, qui sont désignés à cet effet par le collège des bourgmestre et échevins ;
  4° les membres du personnel d'un partenariat intercommunal, qui sont désignés à cet effet par le collège des bourgmestre et échevins.
  Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions, pouvant notamment porter sur les exigences en matière de formation, auxquelles les agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire doivent satisfaire.
  § 2. Le Gouvernement flamand désigne, parmi les membres du personnel régionaux désignés comme agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire, ceux qui acquièrent la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, pour rechercher les délits visés dans ce chapitre et les constater par procès-verbal.
  § 3. Les membres du personnel contractuels ne peuvent être agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire que s'ils sont assermentés. Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions de la prestation de serment.
  Une assermentation fondée sur l'article 106 du Décret communal vaut aussi prestation de serment au sens du premier alinéa.
  § 4. Le Gouvernement flamand peut déléguer le pouvoir de désignation visé aux paragraphes 1 et 2. ". ".
Art. 170. In artikel 42, 50 en 52 van hetzelfde decreet wordt in de toe te voegen artikelen 6.2.7, 6.2.13 en 6.2.14 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening het woord "beboetingsambtenaar" telkens vervangen door het woord "entiteit".
Art. 170. Aux articles 42, 50 et 52 du même décret, les mots " le fonctionnaire de verbalisation régional ", dans les articles 6.2.7, 6.2.13 et 6.2.14, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, sont chaque fois remplacés par les mots " l'entité régionale ".
Art. 171. Artikel 43 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 171. L'article 43 du même décret est abrogé.
Art. 172. In artikel 46 van hetzelfde decreet wordt in het toe te voegen artikel 6.2.11 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in paragraaf 4 de zinsnede "en, in voorkomend geval, de bijbehorende expertisekosten en de opgelegde voordeelontnemingen" opgeheven.
Art. 172. A l'article 46 du même décret, à l'article 6.2.11, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, le membre de phrase " et, le cas échéant, des frais d'expertise supplémentaires et les dessaisissements d'avantages imposés " est supprimé.
Art. 173. In artikel 48 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.2.12 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede ", samen met een afschrift van het verslag waarop dat gegrond wordt," opgeheven;
  2° in paragraaf 1, eerste en tweede lid, wordt het woord "beboetingsambtenaar" vervangen door het woord "entiteit";
  3° paragraaf 1, derde lid, wordt vervangen door wat volgt:
  "De gewestelijk entiteit kan een verbalisant ruimtelijke ordening verzoeken om aanvullende inlichtingen te verstrekken.";
  4° in paragraaf 2 wordt het woord "beboetingsambtenaar" vervangen door het woord "entiteit";
  5° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 4. Binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de vermoedelijke overtreder op de hoogte wordt gebracht van de beslissing van de gewestelijke entiteit tot het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete, kan degene aan wie de boete is opgelegd, beroep indienen bij het Handhavingscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 3, afdelingen 1 en 2, en hoofdstuk 4, afdelingen 1, 2 en 4, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het beroep schorst de bestreden beslissing.".
Art. 173. A l'article 48 du même décret, à l'article 6.2.12, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, premier alinéa, le membre de phrase " , en joignant une copie du rapport sur lequel cette intention se fonde " est supprimé ;
  2° au paragraphe 1er, dans le premier alinéa, les mots " du fonctionnaire de verbalisation régional " sont remplacés par les mots " de l'entité régionale " et, dans le deuxième alinéa, les mots " le fonctionnaire de verbalisation régional " sont remplacés par les mots " l'entité régionale " ;
  3° le paragraphe 1er, troisième alinéa, est remplacé par ce qui suit :
  " L'entité régionale peut demander à un agent verbalisateur de l'aménagement du territoire de fournir des renseignements complémentaires. " ;
  4° au paragraphe 2, les mots " le fonctionnaire de verbalisation régional " sont remplacés par les mots " l'entité régionale " ;
  5° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Dans un délai de trente jours à compter de la date à laquelle le contrevenant présumé est informé de la décision de l'entité régionale d'imposer une amende administrative exclusive, le justiciable de l'amende peut introduire un recours auprès du Collège de maintien environnemental visé à l'article 16.4.19 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, conformément à la procédure visée au chapitre 3, sections 1 et 2 et au chapitre 4, sections 1, 2 et 4 du décret du 4 avril 2014 modifiant divers décrets relatifs à l'aménagement du territoire et à la politique foncière et immobilière. Le recours suspend la décision contestée. ".
Art. 174. In artikel 50 van hetzelfde decreet wordt in het toe te voegen artikel 6.2.13 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening paragraaf 4, derde lid, vervangen door wat volgt:
  "Binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de vermoedelijke overtreder op de hoogte wordt gebracht van de beslissing van de gewestelijke entiteit tot het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, kan degene aan wie de boete is opgelegd, beroep indienen bij het Handhavingscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, volgens de procedure, vermeld in hoofdstuk 3, afdelingen 1 en 2, en hoofdstuk 4, afdelingen 1, 2 4, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het beroep schorst de bestreden beslissing.".
Art. 174. A l'article 50 du même décret, à l'article 6.2.13, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, le paragraphe 4, troisième alinéa, est remplacé par ce qui suit :
  Dans un délai de trente jours à compter de la date à laquelle le contrevenant présumé est informé de la décision de l'entité régionale d'imposer une amende administrative alternative, le justiciable de l'amende peut introduire un recours auprès du Collège de maintien environnemental visé à l'article 16.4.19 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, conformément à la procédure visée au chapitre 3, sections 1 et 2 et au chapitre 4, sections 1, 2 et 4 du décret du 4 avril 2014 modifiant divers décrets relatifs à l'aménagement du territoire et à la politique foncière et immobilière. Le recours suspend la décision contestée. ".
Art. 175. In artikel 53 van hetzelfde decreet wordt in het opschrift van hoofdstuk III het woord "Rechterlijk" vervangen door het woord "Rechterlijke".
Art. 175. In artikel 53 van hetzelfde decreet wordt in het opschrift van hoofdstuk III het woord "Rechterlijk" vervangen door het woord "Rechterlijke".
Art. 176. In artikel 54 en 61 van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "hoofdstuk IIII," vervangen door de zinsnede "hoofdstuk III,".
Art. 176. Aux articles 54 et 61 du même décret, le membre de phrase " chapitre IIII, " est remplacé par le membre de phrase " chapitre III, ".
Art. 177. In artikel 55 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Onder bevoegde overheid als vermeld in deze afdeling, wordt verstaan: het Openbaar Ministerie, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur in naam van het Vlaamse Gewest, alsook de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester in naam van de gemeente.";
  2° paragraaf 5, tweede lid, wordt vervangen door wat volgt:
  "De rechtbank bepaalt het bedrag van de meerwaarde. De rechtbank hanteert daarvoor de forfaitaire bedragen, bepaald door de Vlaamse Regering, maar kan het aldus bekomen bedrag ambtshalve of op verzoek verminderen als dat bedrag kennelijk de vergoeding te boven gaat om de schade aan de goede ruimtelijke ordening te herstellen.".
Art. 177. A l'article 55 du même décret, à l'article 6.3.1, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Par autorité compétente, comme visé dans cette section, il convient d'entendre : le Ministère public, l'inspecteur urbaniste régional au nom de la Région flamande, ainsi que l'inspecteur urbaniste communal et le bourgmestre au nom de la commune. " ;
  2° le paragraphe 5, alinéa 2, est remplacé par ce qui suit :
  " Le tribunal détermine le montant de la plus-value. Le tribunal applique à cet effet les montants forfaitaires fixés par le Gouvernement flamand, mais il peut réduire le montant ainsi obtenu d'office ou sur demande si ce montant est manifestement supérieur à l'indemnisation requise pour réparer les dommages causés au bon aménagement du territoire. ".
Art. 178. In artikel 57 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.3.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De Vlaamse Regering kan nadere formele voorwaarden vastleggen waaraan de herstelvordering op straffe van onontvankelijkheid moet voldoen.";
  2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Het vorderingsrecht van de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester verjaart als volgt:
  1° in ruimtelijk kwetsbaar gebied: na verloop van tien jaar;
  2° in open ruimtegebied: na verloop van tien jaar;
  3° in de andere gebieden: na verloop van vijf jaar.
  Bij herstelvorderingen voor stedenbouwkundige misdrijven nemen de termijnen, vermeld in het eerste lid, een aanvang de dag waarop het misdrijf is voltooid. In afwijking van het eerste lid kunnen herstelvorderingen voor de burgerlijke rechtbank, gebaseerd op stedenbouwkundige misdrijven, nooit verjaren voor het verval van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en de gemeenrechtelijke schorsings- en stuitingsgronden betreffende burgerlijke rechtsvorderingen die volgen uit een misdrijf, blijven van toepassing.
  Bij herstelvorderingen voor stedenbouwkundige inbreuken voor de burgerlijke rechtbank neemt de verjaringstermijn een aanvang de dag die volgt op de dag waarop de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld. De gemeenrechtelijke schorsings- en stuitingsgronden, vermeld in de artikelen 2242 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, blijven van toepassing.".
Art. 178. A l'article 57 du même décret, à l'article 6.3.3, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, il est ajouté un troisième alinéa, qui s'énonce comme suit :
  Le Gouvernement flamand peut fixer les conditions formelles auxquelles la requête en réparation doit satisfaire sous peine d'irrecevabilité. " ;
  2° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Le droit de réquisition de l'inspecteur urbaniste et du bourgmestre se prescrit comme suit :
  1° dans une zone vulnérable d'un point de vue spatial : au bout de dix années ;
  2° dans une zone d'espace ouvert : au bout de dix années ;
  3° dans les autres zones : au bout de cinq années ;
  Dans le cas de requêtes en réparation pour des délits urbanistiques, les délais visés au premier alinéa prennent cours le jour où le délit a été commis. Par dérogation au premier alinéa, les requêtes en réparation basées sur des délits urbanistiques ne peuvent jamais se prescrire avant la déchéance de la possibilité d'imposition d'une amende administrative. L'article 26 du titre préliminaire du Code pénal ainsi que les motifs de suspension et d'opposition de droit commun concernant les actions civiles engagées à la suite d'un délit restent d'application.
  Dans le cas de requêtes en réparation pour des infractions urbanistiques par-devant le tribunal civil, le délai de prescription prend cours le jour qui suit celui où le premier acte ou la première omission délictueux, faisant ou non partie de faits liés par unité d'intention, a été commis. Les motifs de suspension et d'opposition de droit commun, visés aux articles 2242 et suivants du Code civil, restent d'application.
Art. 179. In artikel 58 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.3.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 4, tweede lid, wordt vervangen door wat volgt:
  "De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel, kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, ambtshalve of op eenvoudig verzoek beslissen dat een opeisbare dwangsomschuld niet of maar gedeeltelijk wordt ingevorderd, zonder dat die beslissing betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. Er wordt in de beslissing rekening gehouden met de gestelde handelingen en genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook met de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel.";
  2° er wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 5. Onverminderd paragraaf 4 kan het Vlaamse Gewest of de gemeente, respectievelijk vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen, op gemotiveerd verzoek tijdelijk of definitief afzien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. Dat kan voor het geheel of voor een gedeelte van de opeisbare schuldvordering zonder dat het betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. De Vlaamse Regering respectievelijk het college van burgemeester en schepenen kunnen hun beslissingsbevoegdheid delegeren.
  Het gemotiveerde verzoek, met inbegrip van eventuele bijlagen, wordt ingediend met een beveiligde zending respectievelijk bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde of bij het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde. De verzoeker bezorgt een afschrift van het verzoek aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel.
  Binnen een ordetermijn van negentig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de beveiligde zending wordt er uitspraak gedaan, in voorkomend geval, na het schriftelijke advies, vermeld in artikel 6.3.12, van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering. De termijn van negentig dagen is geschorst vanaf de adviesaanvraag tot de dag dat het advies wordt verleend of tot de termijn voor het verlenen van advies is verstreken. Het advies is niet bindend.
  De verzoeker wordt met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing. De beslissing wordt ook bezorgd aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitvoering van deze paragraaf.".
Art. 179. A l'article 58 du même décret, à l'article 6.3.4, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° Le paragraphe 4, deuxième alinéa, est remplacé par ce qui suit :
  " L'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte, peut, au nom de la Région flamande ou de la commune, d'office ou sur simple demande, décider qu'une astreinte exigible ne soit pas recouvrée ou ne le soit que partiellement, sans que cela ne puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. La décision tient compte des actions et engagements pris en vue d'une exécution correcte de la condamnation principale, ainsi que de la réalisation totale ou partielle de la réparation. " ;
  2° il est ajouté un paragraphe 5, libellé comme suit :
  " § 5. Sans préjudice du paragraphe 4, la Région flamande ou la commune, représentée respectivement par le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins, peut, sur demande motivée, renoncer temporairement ou définitivement à la perception d'une astreinte devenue exigible. Ladite renonciation est possible pour tout ou partie de la créance exigible sans que cela ne puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. Le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins peuvent déléguer leur pouvoir de décision.
  La demande motivée, y compris ses annexes éventuelles, est introduite soit auprès du Gouvernement flamand ou de son représentant autorisé, soit auprès du collège des bourgmestre et échevins. Le demandeur fait parvenir une copie de la demande à l'inspecteur urbaniste régional, à l'inspecteur urbaniste communal ou au bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte.
  Dans un délai de nonante jours à compter du lendemain du jour suivant la réception de l'envoi sécurisé, une décision est rendue, le cas échéant, après l'avis écrit, visé à l'article 6.3.12, du Conseil supérieur d'exécution du maintien. Le délai de nonante jours est suspendu à compter de la demande d'avis jusqu'à la date à laquelle l'avis est rendu ou jusqu'à l'expiration du délai de remise de l'avis. L'avis n'est pas contraignant.
  Le demandeur est informé de la décision par envoi sécurisé. La décision est également transmise à l'inspecteur urbaniste régional, à l'inspecteur urbaniste communal ou au bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte.
  Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions plus précises pour l'application de ce paragraphe. ".
Art. 180. In artikel 59 van hetzelfde decreet wordt in het toe te voegen artikel 6.3.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening aan paragraaf 2, 4°, na de zinsnede " § 4" de zinsnede "en § 5" toegevoegd.
Art. 180. A l'article 59 du même décret, à l'article 6.3.5, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, il est ajouté au paragraphe 2, 4°, après le membre de phrase " § 4 ", le membre de phrase " et § 5 ".
Art. 181. In artikel 60 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.3.6 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "bevoegde overheid" vervangen door de zinsnede "stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "bevoegde overheid" vervangen door de zinsnede "stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,";
  3° paragraaf 1, derde lid, wordt vervangen door wat volgt:
  "Bij gebrek aan een betekening met bevel tot uitvoeren is alleen de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur bevoegd om een proces-verbaal van vaststelling op te stellen.";
  4° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "bevoegde overheid" vervangen door de zinsnede "stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren," en wordt de zinsnede "overheden, vermeld in het derde lid," vervangen door de zinsnede "stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester, die niet in de akte van betekening vermeld zijn als opdrachtgever".
Art. 181. A l'article 60 du même décret, à l'article 6.3.6, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, premier alinéa, les mots " l'autorité compétente " sont remplacés par le membre de phrase " l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution, " ;
  2° au paragraphe 1er, deuxième alinéa, les mots " l'autorité compétente " sont remplacés par le membre de phrase " l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution, " ;
  3° le paragraphe 1er, troisième alinéa, est remplacé par ce qui suit :
  " A défaut d'une signification avec ordre d'exécution, seul l'inspecteur urbaniste régional est compétent pour dresser un procès-verbal de constatation. " ;
  4° Au paragraphe 1er, quatrième alinéa, les mots " L'autorité compétente " sont remplacés par le membre de phrase " L'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution, " et le membre de phrase " aux autres autorités visées au troisième alinéa, " est remplacé par le membre de phrase " à l'inspecteur urbaniste ou au bourgmestre, qui n'ont pas été mentionnés comme donneurs d'ordre dans l'acte de signification ".
Art. 182. In artikel 69 van hetzelfde decreet wordt het opschrift van de toe te voegen onderafdeling 3 vervangen door wat volgt:
  "Onderafdeling 3. - Bevoegdheid inzake advisering bij opeisbare dwangsomschulden en bij beroepen tegen bestuurlijke besluiten".
Art. 182. A l'article 69 du même décret, l'intitulé de la sous-section 3, à ajouter, est remplacé par ce qui suit :
  " Sous-section 3. - Compétence en matière de consultation en cas d'astreintes exigibles et en cas de recours contre des décisions administratives ".
Art. 183. In artikel 70 van hetzelfde decreet wordt het toe te voegen artikel 6.3.12 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vervangen door wat volgt:
  "Art. 6.3.12. § 1. In de procedure, vermeld in artikel 6.3.4, § 5, wint respectievelijk de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen een schriftelijk advies in bij de hoge raad over het verzoek om tijdelijk of definitief af te zien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. De hoge raad behandelt die adviesaanvragen bij voorrang.
  In zijn advies houdt de hoge raad in het bijzonder rekening met de gestelde handelingen en de genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook met de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel. De hoge raad toetst zijn advies aan de beleidslijnen die in voorkomend geval opgenomen zijn in het handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening, vermeld in artikel 6.1.3, § 1, vierde lid, 6°.
  § 2. Het advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de adviesaanvraag door de hoge raad. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
  § 3. De werkingsregels, vermeld in artikel 6.3.13, § 1, en artikel 6.3.14 tot en met 6.3.17, zijn van overeenkomstige toepassing. Het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14, regelt de nadere procedurele regels.".
Art. 183. A l'article 70 du même décret, l'article 6.3.12, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 6.3.12. § 1er. Dans le cadre de la procédure visée à l'article 6.3.4, § 5, le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins, respectivement, recueille un avis écrit du Conseil Supérieur sur la demande de renonciation temporaire ou définitive à poursuivre la perception d'une astreinte devenue exigible. Le Conseil supérieur traite ces demandes d'avis en priorité.
  Dans son avis, il tient compte, en particulier, des actions et engagements pris en vue d'une exécution correcte de la condamnation principale, ainsi que de la réalisation totale ou partielle de la réparation. Le Conseil supérieur évalue son avis à la lumière des directives qui, le cas échéant, sont reprises dans le programme de maintien de l'aménagement du territoire, visé à l'article 6.1.3, § 1, quatrième alinéa, 6°.
  § 2. L'avis est rendu dans un délai de quarante-cinq jours à compter du jour suivant la réception de la demande d'avis par le Conseil supérieur. Si ce délai est dépassé, l'exigence en matière d'avis peut être ignorée.
  § 3. Les règles de fonctionnement, visées à l'article 6.3.13, § 1, et aux articles 6.3.14 à 6.3.17 inclus, s'appliquent par analogie. Le règlement de procédure et de fonctionnement, visé à l'article 6.3.14, régit les modalités de la procédure. ".
Art. 184. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2015, 4 mei 2016 en 1 juli 2016, wordt een artikel 70/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 70/1. In dezelfde codex wordt aan onderafdeling 3, ingevoegd bij artikel 69, een artikel 6.3.12/1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 6.3.12/1. § 1. In de beroepsprocedure, vermeld in artikel 6.4.8 en 6.4.15, wint de Vlaamse Regering schriftelijk advies in bij de hoge raad over de herstelmaatregelen als het dossier ontvankelijk wordt bevonden. De hoge raad behandelt die adviesaanvragen bij voorrang.
  § 2. Het advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de adviesaanvraag door de hoge raad. Als die termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
  § 3. De werkingsregels, vermeld in artikel 6.3.13, § 1, en artikel 6.3.14 tot en met 6.3.17, zijn van overeenkomstige toepassing. Het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14, regelt de nadere procedurele regels.".".
Art. 184. Dans le même décret, modifié par les décrets du 18 décembre 2015, du 4 mai 2016 et du 1er juillet 2016, il est inséré un article 70/1, libellé comme suit :
  " Art. 70/1. Dans le même code, il est ajouté à la sous-section 3, insérée sous l'article 69, un article 6.3.12/1, libellé comme suit :
  " Art. 06-03-2012/1. § 1er. Dans le cadre de la procédure de recours visée aux articles 6.4.8 et 6.4.15, le Gouvernement flamand recueille l'avis écrit du Conseil supérieur sur les mesures de réparation si le dossier est jugé recevable. Le Conseil supérieur traite ces demandes d'avis en priorité.
  § 2. L'avis est rendu dans un délai de quarante-cinq jours à compter du jour suivant la réception de la demande d'avis par le Conseil supérieur. Si ce délai est dépassé, l'exigence en matière d'avis peut être ignorée.
  § 3. Les règles de fonctionnement, visées à l'article 6.3.13, § 1, et aux articles 6.3.14 à 6.3.17 inclus, s'appliquent par analogie. Le règlement de procédure et de fonctionnement, visé à l'article 6.3.14, régit les modalités de la procédure. ". ".
Art. 185. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2015, 4 mei 2016 en 1 juli 2016, wordt een artikel 70/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 70/2. In titel VI, hoofdstuk III, van dezelfde codex, wordt in afdeling 2, ingevoegd bij artikel 61, een onderafdeling 3/1 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Onderafdeling 3/1. - Bemiddeling".".
Art. 185. Dans le même décret, modifié par les décrets du 18 décembre 2015, du 4 mai 2016 et du 1er juillet 2016, il est inséré un article 70/2, libellé comme suit :
  " Art. 70/2. Au titre VI, chapitre III, du même code, dans la section 2, insérée sous l'article 61, il est inséré une sous-section 3/1, libellée comme suit :
  " Sous-section 3/1. - Médiation ". ".
Art. 186. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2015, 4 mei 2016 en 1 juli 2016, wordt een artikel 70/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 70/3. In titel VI, hoofdstuk III, afdeling 2, van dezelfde codex, wordt in onderafdeling 3/1, ingevoegd bij artikel 70/2, een artikel 6.3.12/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 6.3.12/2. De hoge raad is belast met vrijwillige en gerechtelijke bemiddeling zoals vermeld in artikel 6.3.12/3 en 6.3.12/4.
  De hoge raad kan een bemiddelaar aanwijzen onder zijn leden of onder de leden van het permanent secretariaat.
  Het procedure- en werkingsreglement, vermeld in artikel 6.3.14, regelt de nadere procedurele regels.".".
Art. 186. Dans le même décret, modifié par les décrets du 18 décembre 2015, du 4 mai 2016 et du 1er juillet 2016, il est inséré un article 70/3, libellé comme suit :
  " Art. 70/3. Au titre VI, chapitre III, section 2, du même code, il est inséré dans la sous-section 3/1, insérée sous l'article 70/2, un article 6.3.12/2, libellé comme suit :
  " Art. 6.3.12/2. Le Conseil supérieur est chargé d'une médiation volontaire et judiciaire, comme mentionné aux articles 6.3.12/3 et 6.3.12/4.
  Le Conseil supérieur peut désigner un médiateur parmi ses membres ou parmi les membres du secrétariat permanent.
  Le règlement de procédure et de fonctionnement, visé à l'article 6.3.14, régit les modalités de la procédure. ". ".
Art. 187. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2015, 4 mei 2016 en 1 juli 2016, wordt een artikel 70/4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 70/4. In titel VI, hoofdstuk III, afdeling 2, van dezelfde codex, wordt in onderafdeling 3/1, ingevoegd bij artikel 70/2, een artikel 6.3.12/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 6.3.12/3. § 1. Van bij de aanvang van een bestuurlijke procedure tot minnelijke schikking zoals vermeld in artikel 6.4.19 of een procedure tot het sluiten van een dading zoals vermeld in artikel 6.3.5, kan elke belanghebbende vragen aan de hoge raad om een vrijwillige bemiddeling op te starten.
  Dit geldt ook in geval van weigering van een minnelijke schikking of een dading door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester.
  § 2. De aanvraag om een vrijwillige bemiddeling op te starten wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending betekend aan de hoge raad.
  De aanvrager doet in de bemiddelingsaanvraag een opgave van de personen aan wie de zakelijke rechten op het onroerend goed waarop de minnelijke schikking of de dading betrekking heeft, toebehoren.
  In geval van niet-inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag stelt de hoge raad de aanvrager, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester van de bevoegde gemeente hiervan per beveiligde zending in kennis.
  In geval van inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag stelt de hoge raad de personen, vermeld in het tweede en derde lid, hiervan per beveiligde zending in kennis.
  De personen, vermeld in het tweede en derde lid, worden voor de toepassing van dit artikel samen aangeduid als de betrokken partijen.
  De door de hoge raad aangewezen bemiddelaar kan ook derden bij de bemiddeling betrekken.
  § 3. Een bemiddeling eindigt wanneer de betrokken partijen een bemiddelingsakkoord bereiken.
  Onverminderd het eerste lid kan de hoge raad een bemiddeling te allen tijde beëindigen eens hij vaststelt dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld. Dit kan onder meer wanneer de betrokken partijen de raad in kennis stellen van hun wil om een einde te maken aan de bemiddeling. De hoge raad stelt de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2, daarvan per beveiligde zending in kennis.
  § 4. Vanaf de betekening van de bemiddelingsaanvraag in de procedure tot minnelijke schikking bedoeld in artikel 6.4.19, is de verjaring van de herstelvordering zoals bedoeld in artikel 6.3.3, § 3, en van het recht een bestuurlijke maatregel op te leggen zoals bedoeld in artikel 6.4.3, § 2, geschorst voor de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2.
  Vanaf de verzending van de bemiddelingsaanvraag in de procedure tot dading bedoeld in artikel 6.3.5, is de verjaring van het recht op uitvoeren van de definitieve rechterlijke herstelmaatregel geschorst voor de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2.
  De schorsing bedoeld in het eerste en tweede lid, neemt een einde vanaf de datum waarop:
  1° de hoge raad de beslissing tot niet-inaanmerkingneming van de bemiddelingsaanvraag aan de aanvrager betekent;
  2° een bemiddelingsakkoord bereikt wordt;
  3° de hoge raad de beëindiging van de bemiddeling omwille van de vaststelling dat de randvoorwaarden voor een geslaagde bemiddeling niet of niet langer zijn vervuld, betekent aan de betrokken partijen en desgevallend de betrokken derden bedoeld in paragraaf 2.".".
Art. 187. Dans le même décret, modifié par les décrets du 18 décembre 2015, du 4 mai 2016 et du 1er juillet 2016, il est inséré un article 70/4, libellé comme suit :
  " Art. 70/4. Au titre VI, chapitre III, section 2, du même code, il est inséré dans la sous-section 3/1, insérée sous l'article 70/2, un article 6.3.12/3, libellé comme suit :
  " Art. 6.3.12/3. § 1er. Depuis le début d'une procédure administrative jusqu' à un arrangement à l'amiable au sens de l'article 6.4.19 ou une procédure de transaction au sens de l'article 6.3.5, chaque partie intéressée peut demander au Conseil supérieur d'engager une médiation volontaire.
  Cela s'applique aussi en cas de refus d'un règlement à l'amiable ou d'une transaction par l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre.
  § 2. La demande d'ouverture d'une médiation volontaire est signifiée par envoi sécurisé au Conseil supérieur sous peine d'irrecevabilité.
  Dans la demande de médiation, le demandeur indique les personnes auxquelles appartiennent les droits réels sur le bien immobilier auquel se rapporte l'arrangement à l'amiable ou la transaction.
  Dans le cas où la demande de médiation n'est pas prise en compte, le Conseil Supérieur en avise par envoi sécurisé le demandeur, l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre de la commune compétente.
  Dans le cas où la demande de médiation est prise en compte, le Conseil supérieur en avise par envoi sécurisé les personnes visées aux deuxième et troisième alinéas.
  Les personnes visées aux deuxième et troisième alinéas sont désignées conjointement comme les parties concernées pour l'application de cet article.
  Le médiateur désigné par le Conseil supérieur peut également faire intervenir des tiers dans la médiation.
  § 3. Une médiation prend fin lorsque les parties concernées parviennent à un accord de conciliation.
  Sans préjudice du paragraphe 1er, le Conseil supérieur peut mettre fin à une médiation à tout moment dès qu'il constate que les conditions essentielles pour une médiation réussie ne sont pas ou plus remplies. C'est notamment possible si les parties concernées informent le Conseil supérieur de leur intention de mettre fin à la médiation. Le Conseil supérieur en informe par envoi sécurisé les parties concernées et, le cas échéant, les tiers concernés visés au paragraphe 2.
  § 4. A compter de la signification de la demande de médiation dans le cadre de la procédure d'arrangement à l'amiable visée à l'article 6.4.19, la prescription de la requête en réparation visée à l'article 6.3.3, § 3, et du droit d'imposer une mesure administrative visé à l'article 6.4.3, § 2, est suspendue pour les parties concernées et, le cas échéant, pour les tiers concernés visés au paragraphe 2.
  Dès l'envoi de la demande de médiation dans le cadre de la procédure de transaction visée à l'article 6.3.5, la prescription du droit d'exécution de la mesure de réparation judiciaire définitive est suspendue pour les parties concernées et, le cas échéant, pour les tiers concernés visés au paragraphe 2.
  La suspension visée aux premier et deuxièmes alinéas prend fin à partir de la date à laquelle :
  1° le Conseil supérieur signifie au demandeur la décision de non-prise en compte de la demande de médiation ;
  2° un accord de conciliation est atteint ;
  3° le Conseil supérieur, du fait qu'il est constaté que les conditions essentielles pour une médiation réussie ne sont pas ou plus remplies, signifie la clôture de la médiation aux parties concernées et, le cas échéant, aux tiers concernés visés au paragraphe 2. ". ".
Art. 188. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 18 december 2015, 4 mei 2016 en 1 juli 2016, wordt een artikel 70/5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 70/5. In titel VI, hoofdstuk III, afdeling 2, van dezelfde codex, wordt in onderafdeling 3/1, ingevoegd bij artikel 70/2, een artikel 6.3.12/4 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 6.3.12/4. § 1. Zolang de zaak niet in beraad is genomen, kan de reeds geadieerde rechter in elke stand van de procedure zoals bedoeld in artikel 6.3.1 en 6.3.3, op verzoek van een van de partijen in het geding, op verzoek van de overheid die de herstelmaatregel vordert of op eigen initiatief een gerechtelijke bemiddeling bij de hoge raad bevelen.
  De rechterlijke beslissing die een bemiddeling beveelt, legt de duur van de opdracht van de hoge raad vast, zonder dat deze drie maanden kan overschrijden. Zij vermeldt tevens de datum waarop de zaak is verdaagd.
  § 2. De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van de rechterlijke beslissing aan de partijen in het geding, de overheid die de herstelmaatregel vordert en de hoge raad.
  De door de hoge raad aangewezen bemiddelaar kan derden bij de bemiddeling betrekken. Dit geldt ook ten opzichte van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester indien geen van hen een rechterlijke herstelmaatregel heeft gevorderd.
  § 3. Als een bemiddelingsakkoord is bereikt, maakt de hoge raad dit over aan de rechtbank.
  Minstens meldt de hoge raad bij afloop van de bemiddelingsopdracht schriftelijk aan de rechter of er al dan niet een bemiddelingsakkoord is bekomen.
  De rechter behoudt niettemin de mogelijkheid om, zo hij dat opportuun acht en zowel de overheid die de herstelmaatregel vordert als de partijen in het geding ermee instemmen, de bemiddelingsopdracht van de hoge raad voor een door hem bepaalde termijn te verlengen.
  § 4. Gedurende de bemiddeling blijft de rechter geadieerd en kan hij op elk ogenblik de noodzakelijk geachte maatregel treffen. Op verzoek van de hoge raad kan hij ook vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn een einde maken aan de bemiddeling.
  § 5. Er is geen rechtsmiddel mogelijk tegen de beslissing waarbij de bemiddeling wordt bevolen, verlengd of beëindigd.".".
Art. 188. Dans le même décret, modifié par les décrets du 18 décembre 2015, du 4 mai 2016 et du 1er juillet 2016, il est inséré un article 70/5, libellé comme suit :
  " Art. 70/5. Au titre VI, chapitre III, section 2, du même code, il est inséré dans la sous-section 3/1, insérée sous l'article 70/2, un article 6.3.12/4, libellé comme suit :
  " Art. 6.3.12/4. § 1er. Tant que l'affaire n'a pas été mise en délibéré, le juge déjà saisi peut, à toute étape de la procédure visée aux articles 6.3.1 et 6.3.3, à la demande d'une des parties au procès, à la demande de l'autorité requérant la mesure de réparation ou de sa propre initiative, ordonner une médiation judiciaire devant le Conseil supérieur.
  La décision judiciaire ordonnant une médiation fixe la durée du mandat du Conseil supérieur, qui ne peut excéder trois mois. Elle mentionne également la date à laquelle l'affaire a été ajournée.
  § 2. Le Greffier adresse immédiatement une copie de la décision judiciaire aux parties au procès, à l'autorité requérant la mesure de réparation et au Conseil supérieur.
  Le médiateur désigné par le Conseil supérieur peut également faire intervenir des tiers dans la médiation. Cela vaut également pour l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, si aucun d'entre eux n'a requis une mesure de réparation judiciaire.
  § 3. Si un accord de conciliation est conclu, le Conseil supérieur transmet celui-ci au tribunal.
  A tout le moins, à l'issue du mandat de médiation, le Conseil supérieur communiquera au juge par écrit si un accord de conciliation a été conclu ou non.
  Néanmoins, le juge conserve le droit, s'il l'estime approprié et que tant l'autorité requérant la mesure de réparation que les parties au procès y consentent, de proroger le mandat de médiation du Conseil supérieur d'une période fixée par lui.
  § 4. Durant la médiation, le juge reste saisi et peut à tout moment prendre la mesure jugée nécessaire. A la demande du Conseil supérieur, il peut aussi mettre fin à la médiation avant l'expiration du délai fixé.
  § 5. Il n'y a pas de recours possible contre la décision ordonnant, prorogeant ou terminant la médiation. ". ".
Art. 189. In artikel 81 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 2 van het toe te voegen artikel 6.4.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vervangen door wat volgt:
  " § 2. Het recht om een bestuurlijke maatregel op te leggen verjaart als volgt:
  1° in ruimtelijk kwetsbaar gebied: na verloop van tien jaar;
  2° in open ruimtegebied: na verloop van tien jaar;
  3° in de andere gebieden: na verloop van vijf jaar.
  Bij bestuurlijke maatregelen voor stedenbouwkundige misdrijven neemt de termijn een aanvang hetzij de dag die volgt op de dag dat de procureur des Konings zijn beslissing, vermeld in artikel 6.2.13, § 3, houdende geen strafrechtelijke behandeling heeft meegedeeld, hetzij, bij gebrek aan een tijdige beslissing van de procureur des Konings, vanaf de dag nadat de termijn, vermeld in artikel 6.2.13, § 2, waarover de procureur des Konings beschikt, is verlopen.
  Bij bestuurlijke maatregelen voor stedenbouwkundige inbreuken neemt de verjaringstermijn een aanvang de dag die volgt op de dag dat de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld.".
Art. 189. A l'article 81 du même décret, le paragraphe 2 de l'article 6.4.3, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Le droit d'imposer une mesure administrative se prescrit comme suit :
  1° dans une zone vulnérable d'un point de vue spatial : au bout de dix années ;
  2° dans une zone d'espace ouvert : au bout de 10 années ;
  3° dans les autres zones : au bout de cinq années.
  Dans le cas de mesures administratives pour des délits urbanistiques, le délai prend cours soit le lendemain du jour où le procureur du Roi a notifié sa décision, visée à l'article 6.2.13, § 3, ne portant aucun traitement pénal, soit, en l'absence de décision du procureur du Roi en temps voulu, le jour de l'expiration du délai, visé à l'article 6.2.13, § 2, dont dispose le procureur du Roi.
  Dans le cas de mesures administratives pour des infractions urbanistiques, le délai de prescription prend cours le lendemain du jour où le premier acte ou la première omission délictueux, faisant ou non partie de faits liés par unité d'intention, a été commis. ".
Art. 190. In artikel 83 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.4.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen door wat volgt:
  "De verbalisanten ruimtelijke ordening en de agenten of officieren van de gerechtelijke politie kunnen mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van handelingen bevelen als ze vaststellen dat de handeling voldoet aan de materiële omschrijving van een misdrijf of inbreuk als vermeld in artikel 6.2.1 of 6.2.2. Het stakingsbevel is een preventieve en voorlopige maatregel en is gericht op het voorkomen van schendingen die betrekking hebben op het uitvoeren of voortzetten van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 of 4.2.15, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, hetzij zonder omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, en die wat het gebruik en de instandhouding betreft bijkomend:
  a) hetzij een verzwaring van de schade aan de goede ruimtelijke ordening toebrengen;
  b) hetzij door hun impact de ruimtelijke bestemming van het gebied in het gedrang brengen.";
  2° in paragraaf 1 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Bij schendingen inzake gebruik en instandhouding in ruimtelijk kwetsbare gebieden die onder het eerste lid vallen, kan uiterlijk tot twee jaar vanaf de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, een bevel tot staking worden gegeven. Buiten ruimtelijk kwetsbare gebieden is dat beperkt tot uiterlijk een jaar vanaf de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden.";
  3° in paragraaf 1 wordt in het tweede lid, dat het derde lid wordt, de zinsnede "ambtenaren, personeelsleden," vervangen door de woorden "verbalisanten ruimtelijke ordening en de".
Art. 190. A l'article 83 du même décret, à l'article 6.4.4, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er, premier alinéa, est remplacé par la disposition suivante :
  " Les agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire et les agents ou officiers de la police judiciaire peuvent ordonner verbalement sur place la cessation immédiate d'actes, s'ils constatent que ceux-ci répondent à la définition matérielle d'un délit ou d'une infraction, visée aux articles 6.2.1 ou 6.2.2. L'ordre de cessation est une mesure préventive et provisoire visant à prévenir les violations relatives à l'exécution ou à la poursuite des actes visés à l'article 4.2.1 ou 4.2.15, soit sans permis d'environnement pour des actes urbanistiques, soit sans permis d'environnement pour le lotissement de terrains, et qui, par ailleurs, en ce qui concerne l'utilisation et le maintien :
  a) soit aggravent les dommages causés au bon aménagement du territoire ;
  b) soit compromettent par leur impact la destination spatiale de la zone. " ;
  2° au paragraphe 1er, entre le premier et le deuxième alinéas, il est inséré l'alinéa suivant, libellé comme suit :
  " Dans le cas de violations portant sur l'utilisation et le maintien dans des zones vulnérables du point de vue spatial qui relèvent du premier alinéa, un ordre de cessation peut être émis jusqu'à deux ans après le premier acte ou la première mission délictueux, qu'ils fassent ou non partie de faits liés par unité d'intention. En dehors des zones vulnérables du point de vue spatial, ce délai est limité à un an au plus à compter du premier acte ou de la première omission délictueux, qu'ils fassent ou non partie de faits liés par unité d'intention. " ;
  3° au paragraphe 1er, dans le deuxième alinéa, qui devient le troisième alinéa, le membre de phrase " fonctionnaires, membres du personnel, " est remplacé par les mots " agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire et les ".
Art. 191. In artikel 84 van hetzelfde decreet wordt in het toe te voegen artikel 6.4.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de zinsnede "ambtenaren, personeelsleden," vervangen door de woorden "verbalisanten ruimtelijke ordening en de".
Art. 191. A l'article 84 du même décret, à l'article 6.4.5, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, le membre de phrase " fonctionnaires, membres du personnel, " est remplacé par les mots " agents verbalisateurs de l'aménagement du territoire et les ".
Art. 192. In artikel 88 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.4.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Tegen de beslissing tot toepassing van bestuursdwang kan de vermoedelijke overtreder beroep instellen bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde. Bij de beoordeling van de herstelmaatregelen is artikel 6.4.7, § 2, van overeenkomstige toepassing, met inbegrip van de mogelijkheid tot vermindering van de meerwaarde, op verzoek en ambtshalve. Het beroep heeft schorsende werking.";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de betekening van het beroepschrift wordt er over het beroep uitspraak gedaan, in voorkomend geval, na schriftelijk advies over de herstelmaatregel van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering als vermeld in artikel 6.3.12/1. De termijn van negentig dagen is geschorst vanaf de adviesaanvraag tot de dag dat het advies wordt verleend of tot de termijn voor het verlenen van advies is verstreken.
  De termijn van negentig dagen kan op voorwaarde van kennisgeving binnen die termijn aan de vermoedelijke overtreder en de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die de beslissing heeft genomen, eenmalig worden verlengd met negentig dagen. Bij gebrek aan een tijdige beslissing over het beroep vervalt de bestuurlijke maatregel. De vermoedelijke overtreder en de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester die de beslissing heeft genomen, wordt van het verval schriftelijk op de hoogte gebracht. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de kennisgeving van de beslissing over het beroep en de uitvoering van dit artikel.".
Art. 192. A l'article 88 du même décret, à l'article 6.4.8, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er, premier alinéa, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Le contrevenant présumé peut introduire un recours contre la décision d'appliquer la contrainte administrative auprès du Gouvernement flamand ou de son représentant autorisé. Lors de l'évaluation des mesures de réparation, l'article 6.4.7, § 2, s'applique par analogie, en ce compris la possibilité de réduction de la plus-value sur demande et d'office. Le recours a un effet suspensif. " ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Dans un délai de nonante jours à compter de la signification de la requête, une décision est rendue sur celle-ci, le cas échéant, après avis écrit sur la mesure de réparation du Conseil supérieur d'exécution du maintien, comme visé à l'article 6.3.12/1. Le délai de nonante jours est suspendu à compter de la demande d'avis jusqu'à la date à laquelle l'avis est rendu ou jusqu'à l'expiration du délai de remise de l'avis.
  Le délai de 90 jours peut être prolongé une seule fois de nonante jours supplémentaires sous réserve de notification dans ce délai au contrevenant présumé et à l'inspecteur urbaniste ou au bourgmestre qui a pris la décision. En l'absence d'une décision en temps voulu sur le recours, la mesure administrative échoit. Le contrevenant présumé et l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a pris la décision sont informés par écrit de la déchéance. Le Gouvernement flamand fixe les modalités de la communication de la décision sur le recours et l'exécution de cet article. ".
Art. 193. In artikel 89 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.4.9 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "bevoegde overheid" vervangen door de zinsnede "stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "bevoegde overheid" vervangen door de zinsnede "stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren,";
  3° paragraaf 1, derde lid, wordt vervangen door wat volgt:
  "Bij gebrek aan een betekening met bevel tot uitvoeren is alleen de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur bevoegd om een proces-verbaal van vaststelling op te stellen.";
  4° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "bevoegde overheid" vervangen door de zinsnede "stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester die de titel heeft laten betekenen met bevel tot uitvoeren," en wordt de zinsnede "andere bevoegde overheden, vermeld in het derde lid," vervangen door de zinsnede "stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester, die niet in de akte van betekening vermeld zijn als opdrachtgever".
Art. 193. A l'article 89 du même décret, à l'article 6.4.9, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, premier alinéa, les mots " l'autorité compétente " sont remplacés par le membre de phrase " l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution, " ;
  2° au paragraphe 1er, deuxième alinéa, les mots " l'autorité compétente " sont remplacés par le membre de phrase " l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution, " ;
  3° le paragraphe 1er, troisième alinéa, est remplacé par ce qui suit :
  " A défaut d'une signification avec ordre d'exécution, seul l'inspecteur urbaniste régional est compétent pour dresser un procès-verbal de constatation. " ;
  4° Au paragraphe 1er, quatrième alinéa, les mots " L'autorité compétente " sont remplacés par le membre de phrase " l'inspecteur urbaniste ou le bourgmestre qui a fait signifier le titre avec ordre d'exécution, et le membre de phrase " aux autres autorités visées au troisième alinéa, " est remplacé par le membre de phrase " à l'inspecteur urbaniste ou au bourgmestre, qui n'ont pas été mentionnés comme donneurs d'ordre dans l'acte de signification ".
Art. 194. In artikel 96 van hetzelfde decreet wordt in het toe te voegen artikel 6.4.15 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in paragraaf 1 het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "Tegen de beslissing tot het opleggen van een last onder dwangsom kan de vermoedelijke overtreder beroep instellen bij de Vlaamse Regering of haar gemachtigde. Bij de beoordeling van de herstelmaatregelen is artikel 6.4.7, § 2, van overeenkomstige toepassing, met inbegrip van de mogelijkheid tot vermindering van de meerwaarde, op verzoek en ambtshalve. Het beroep heeft schorsende werking.".
Art. 194. A l'article 96 du même décret, à l'article 6.4.15, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, au paragraphe 1er, le premier alinéa est remplacé par ce qui suit :
  " Le contrevenant présumé peut introduire un recours contre la décision d'imposer une charge sous astreinte auprès du Gouvernement flamand ou de son représentant autorisé. Lors de l'évaluation des mesures de réparation, l'article 6.4.7, § 2, s'applique par analogie, en ce compris la possibilité de réduction de la plus-value sur demande et d'office. Le recours a un effet suspensif. ".
Art. 195. In artikel 97 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.4.16 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel, kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, ambtshalve of op eenvoudig verzoek beslissen dat een opeisbare dwangsomschuld niet of maar gedeeltelijk wordt ingevorderd, zonder dat die beslissing betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. Er wordt in de beslissing rekening gehouden met de gestelde handelingen en de genomen engagementen met het oog op een correcte uitvoering van de hoofdveroordeling, alsook met de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel. De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden vastleggen en procedurele regelen bepalen voor de toepassing van dit lid.";
  2° er worden een vierde en vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "Met behoud van de toepassing van het derde lid kan het Vlaamse Gewest of de gemeente, respectievelijk vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen, op gemotiveerd verzoek tijdelijk of definitief afzien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. Dat kan voor het geheel of voor een gedeelte van de opeisbare schuldvordering zonder dat het betrekking kan hebben op de gerechts- en uitvoeringskosten die zijn gemaakt. De Vlaamse Regering respectievelijk het college van burgemeester en schepenen kunnen hun beslissingsbevoegdheid delegeren.
  Het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 6.3.4, § 5, zijn van overeenkomstige toepassing.".
Art. 195. A l'article 97 du même décret, à l'article 6.4.16, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " L'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, visé dans l'avis d'astreinte, peut, au nom de la Région flamande ou de la commune, d'office ou sur simple demande, décider qu'une astreinte exigible ne sera pas recouvrée ou ne le sera que partiellement, sans que cette décision puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. La décision tient compte des actions et engagements pris en vue d'une exécution correcte de la condamnation principale, ainsi que de la réalisation totale ou partielle de la réparation. Le Gouvernement flamand peut fixer des conditions plus spécifiques et des modalités de procédure pour l'application de cet article. " ;
  2° 2° il est ajouté un quatrième et un cinquième alinéas, libellés comme suit :
  Sans préjudice de l'application du troisième alinéa, la Région flamande ou la commune, représentée respectivement par le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins, peut, sur demande motivée, renoncer temporairement ou définitivement à la perception ultérieure d'une astreinte devenue exigible. Ladite renonciation est possible pour tout ou partie de la créance exigible, sans que cela puisse porter sur les frais de justice et d'exécution encourus. Le Gouvernement flamand ou le collège des bourgmestre et échevins peuvent déléguer leur pouvoir de décision.
  Les alinéas 2 à 5 de l'article 6.3.4, § 5, s'appliquent par analogie. ".
Art. 196. In artikel 98 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.4.17 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de woorden "stedenbouwkundige inspecteur die de dwangsomtitel heeft doen betekenen" vervangen door de zinsnede "gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van het uitvoerbare besluit, die respectievelijk optreedt namens het Vlaamse Gewest of de gemeente".
Art. 196. A l'article 98 du même décret, à l'article 6.4.17, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les mots " l'inspecteur urbaniste qui a fait signifier l'avis d'astreinte " sont remplacés par les mots " l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ou le bourgmestre, mentionné dans la signification de l'acte exécutoire, agissant respectivement au nom de la Région flamande ou de la commune ".
Art. 197. In artikel 101 van hetzelfde decreet worden in het toe te voegen artikel 6.4.19 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in paragraaf 1 de woorden "stedenbouwkundige inspecteur" vervangen door de zinsnede "gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur".
Art. 197. A l'article 101 du même décret, à l'article 6.4.19 du Code flamand de l'aménagement du territoire, paragraphe 1er, les mots " l'inspecteur urbaniste " sont remplacés par le membre de phrase " l'inspecteur urbaniste régional, l'inspecteur urbaniste communal ".
Art. 198. In artikel 112 van hetzelfde decreet worden in het vervangen artikel 7.7.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden tussen de woorden "beginnen de termijnen" en de zinsnede ", vermeld in artikel 6.3.3, § 3," de woorden "voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige misdrijven" ingevoegd;
  2° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als het recht om een herstelvordering in te stellen is ontstaan vóór de inwerkingtreding van artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en op die datum niet of verjaard is of verjaard verklaard is bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing, beginnen de verjaringstermijnen voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige inbreuken, vermeld in artikel 6.3.3, § 3, te lopen vanaf de inwerkingtreding van artikel 31 van het voormelde decreet, ongeacht wanneer de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan tien jaar in ruimtelijk kwetsbaar gebied en open ruimtegebied en vijf jaar in alle andere gebieden als het tot inbreuk verworden misdrijf is beëindigd vóór de inwerkingtreding van dat artikel 31.".
Art. 198. A l'article 112 du même décret, à l'article 7.7.2, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au premier alinéa, entre les mots " les délais " et le membre de phrase " visés à l'article 6.3.3, § 3 ", il est inséré le membre de phrase " pour les requêtes en réparation en cas de délits urbanistiques, " ;
  2° il est ajouté un quatrième alinéa, libellé comme suit :
  " Si le droit d'introduire une requête en réparation a été acquis avant l'entrée en vigueur de l'article 31 du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement, et n'est pas prescrit ou n'a pas été déclaré prescrit par une décision passée en force de chose jugée à cette date, les délais de prescription des requêtes en réparation pour les infractions urbanistiques, visés à l'article 6.3.3, § 3, commencent à courir à compter de l'entrée en vigueur de l'article 31 du décret précité, quel que soit le moment où le premier acte ou la première omission délictueux, faisant ou non partie de faits liés par intention unique, a été commis. Toutefois, la durée totale du délai de prescription ne doit pas dépasser dix années dans une zone vulnérable sur le plan spatial et dans une zone d'espace ouvert et cinq ans dans toutes les autres zones, si le délit devenu infraction a pris fin avant l'entrée en vigueur de cet article 31. ".
Art. 199. In artikel 114 van hetzelfde decreet wordt in het vervangende artikel 7.7.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening het getal "56" vervangen door het getal "55".
Art. 199. A l'article 114 du même décret, à l'article 7.7.4, inséré en remplacement, du Code flamand de l'aménagement du territoire, le nombre " 56 " est remplacé par le nombre " 55 ".
Art. 200. In artikel 116 van hetzelfde decreet wordt het toe te voegen artikel 7.7.6 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vervangen door wat volgt:
  "Art. 7.7.6. In afwijking van artikel 6.2.6 wordt de voorzetting van handelingen, werken of wijzigingen die voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning zijn vastgesteld, en die in strijd zijn met een stakingsbevel, bestraft conform de bepalingen van artikel 6.1.49 en 6.1.50, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet. Titel VI, hoofdstuk I, afdeling 7, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, blijft onverkort van toepassing op die feiten en op de administratieve geldboete die erop gegrond zijn of worden.
  Als de voortzetting van de handelingen, werken of wijzigingen in strijd met een bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding is uitgevoerd voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, wordt er een geldboete opgelegd conform de procedure van onderafdeling 3 van titel VI, hoofdstuk II, afdeling 3, met dien verstande dat de administratieve geldboete niet meer kan bedragen dan bepaald in artikel 6.1.49, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet.".
Art. 200. A l'article 116 du même décret, l'article 7.7.6, à ajouter, du Code flamand de l'aménagement du territoire, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 7.7.6. Par dérogation à l'article 6.2.6, la poursuite des actes, travaux ou modifications qui ont été adoptés avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement, et qui sont contraires à un ordre de cessation, est sanctionnée conformément aux dispositions des articles 6.1.49 et 6.1.50, telles qu'elles étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 dudit décret. Le titre VI, chapitre I, section 7, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret précité. Le titre VI, chapitre I, section 7, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret précité, reste applicable sans restrictions à ces faits et à l'amende administrative qui en a découlé ou en découle.
  Si la poursuite des actes, travaux ou modifications a été effectuée en violation d'un ordre de cessation, de la décision de ratification ou, le cas échéant, la décision en référé, avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret du 25 avril 2014 relatif au maintien du permis d'environnement, et est constatée après l'entrée en vigueur de l'article 41 de ce décret, une amende est infligée conformément à la procédure prévue à la sous-section 3 du titre VI, chapitre II, section 3, étant entendu que l'amende administrative ne peut pas être supérieure à ce qui a été fixé à l'article 6.1.49, tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur de l'article 41 du décret précité.
Art. 201. In artikel 128 van hetzelfde decreet wordt in het in te voegen artikel 16.3.23bis van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid in het eerste lid de zinsnede "ambtenaren, vermeld in artikel 6.2.4, eerste lid" vervangen door de zinsnede "personeelsleden, vermeld in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4° ".
Art. 201. A l'article 128 du même décret, à l'article 16.3.23bis, à insérer, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, au premier alinéa, le membre de phrase " Les fonctionnaires désignés par le collège des bourgmestre et échevins, visés à l'article 6.2.4, alinéa premier, " est remplacé par le membre de phrase " les membres du personnel désignés par le collège des bourgmestre et échevins, visés à l'article 6.2.5/1, § 1, alinéa premier, 3° et 4° ".
Art. 202. In artikel 129 van hetzelfde decreet wordt in het in te voegen artikel 16.3.24bis van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid in het eerste lid de zinsnede "ambtenaren, vermeld in artikel 6.2.4, eerste lid" vervangen door de zinsnede "personeelsleden, vermeld in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 3° en 4° ".
Art. 202. A l'article 129 du même décret, à l'article 16.3.24bis, à insérer, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, au premier alinéa, le membre de phrase " Les fonctionnaires désignés par le collège des bourgmestre et échevins, visés à l'article 6.2.4, alinéa premier, " est remplacé par le membre de phrase " les membres du personnel désignés par le collège des bourgmestre et échevins, visés à l'article 6.2.5/1, § 1, alinéa premier, 3° et 4° ".
Art. 203. In artikel 130 van hetzelfde decreet wordt in het toe te voegen derde lid van artikel 16.3.25 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid het woord "ambtenaren" vervangen door het woord "personeelsleden".
Art. 203. A l'article 130 du même décret, dans le troisième alinéa, à ajouter, de l'article 16.3.25 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, le mot " fonctionnaires " est remplacé par le mot " membres du personnel ".
Art. 204. In artikel 134 van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "16.4.21, 16.4.39, 16.4.44, 16.4.62, 16.4.63 en 16.4.65" vervangen door de zinsnede "16.4.39 en 16.4.44".
Art. 204. A l'article 134 du même décret, le membre de phrase " 16.4.21, 16.4.39, 16.4.44, 16.4.62, 16.4.63 et 16.4.65 " est remplacé par le membre de phrase " 16.4.39 et 16.4.44 ".
Art. 205. Artikel 135 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 205. L'article 135 du même décret est abrogé.
Art. 206. Artikel 136 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 136. Artikel 16.4.28 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij de decreten van 20 april 2012 en 25 april 2014, wordt opgeheven.".
Art. 206. L'article 136 du même décret est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 136. L'article16.4.28 du même décret, inséré par le décret du 21 décembre 2007 et modifié par les décrets des 20 avril 2012 et 25 avril 2014, est abrogé. ".
Art. 207. Artikel 137 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 207. L'article 137 du même décret est abrogé.
Art. 208. In artikel 138 van hetzelfde decreet wordt in het te wijzigen artikel 16.5.1, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid de zinsnede "in artikel 16.4.19, § 4" vervangen door de zinsnede "artikel 44 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges.".
Art. 208. A l'article 138 du même décret, à l'article 16.5.1, § 1, alinéa premier, à modifier, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, le membre de phrase " à l'article 16.4.19, § 4 " est remplacé par le membre de phrase " à l'article 44 du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes.".
HOOFDSTUK 12. - Wijzigingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten
CHAPITRE 12. - Modifications du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes
Art. 209. In artikel 14, 7°, van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten wordt punt a) vervangen door wat volgt:
  "a) de ruimtelijke beleidsplannen of het richtinggevende en bindende gedeelte van de ruimtelijke structuurplannen;".
Art. 209. A l'article 14, 7°, du décret du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes, le point a) est remplacé par ce qui suit :
  " a) aux plans de politique spatiale ou à la partie indicative et contraignante des schémas de structure d'aménagement ; ".
Art. 210. In artikel 23, derde lid, 6°, van hetzelfde decreet wordt punt a) vervangen door wat volgt:
  "a) de ruimtelijke beleidsplannen of het richtinggevende en bindende gedeelte van de ruimtelijke structuurplannen;".
Art. 210. A l'article 23, troisième alinéa, 6°, du même décret, le point a) est remplacé par ce qui suit :
  " a) aux plans de politique spatiale ou à la partie indicative et contraignante des schémas de structure d'aménagement ; ".
HOOFDSTUK 13. - Wijziging van het decreet van 18 december 2015 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw en energie
CHAPITRE 13. - Modifications du décret du 18 décembre 2015 portant diverses dispositions en matière d'environnement, d'aménagement du territoire, de nature, d'agriculture et d'énergie
Art. 211. Artikel 182 van het decreet van 18 december 2015 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw en energie wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 182. Artikel 115 treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van artikel 34 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.".
Art. 211. L'article 182 du décret du 18 décembre 2015 portant diverses dispositions en matière d'environnement, d'aménagement du territoire, de nature, d'agriculture et d'énergie, article 2015 est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 182. L'article 115 produit ses effets à la date d'entrée en vigueur de l'article 34 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement. ".
HOOFDSTUK 14. - Wijzigingen van het decreet van 4 mei 2016 houdende wijziging van diverse decreten ingevolge de integratie van de opdrachten van het agentschap Inspectie RWO in het departement Leefmilieu, Natuur en Energie en het agentschap Wonen-Vlaanderen, alsook betreffende de begrotingsfondsen en andere technische aanpassingen
CHAPITRE 14. - Modifications du décret du 4 mai 2016 modifiant divers décrets en conséquence de l'intégration des tâches de l'agence " Inspectie RWO " (Inspection de l'Aménagement du Territoire, de la Politique du Logement et du Patrimoine Immobilier) dans le Département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie et dans l'agence " Wonen-Vlaanderen " (Logement - Flandre), ainsi que concernant les fonds budgétaires et d'autres adaptations techniques
Art. 212. In artikel 7 van het decreet van 4 mei 2016 houdende wijziging van diverse decreten ingevolge de integratie van de opdrachten van het agentschap Inspectie RWO in het departement Leefmilieu, Natuur en Energie en het agentschap Wonen-Vlaanderen, alsook betreffende de begrotingsfondsen en andere technische aanpassingen wordt in het te wijzigen artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid paragraaf 2, 2°, vervangen door wat volgt:
  "2° de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de gewestelijke entiteit, vermeld in artikel 6.1.1, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, over de oplegging van een exclusieve of een alternatieve bestuurlijke geldboete als vermeld in artikel 6.2.2, 6.2.6 en 6.2.13, § 4, van die codex;".
Art. 212. A l'article 7 du décret du 4 mai 2016 modifiant divers décrets en conséquence de l'intégration des tâches de l'agence " Inspectie RWO " (Inspection de l'Aménagement du Territoire, de la Politique du Logement et du Patrimoine Immobilier) dans le Département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie et dans l'agence " Wonen-Vlaanderen " (Logement - Flandre), ainsi que concernant les fonds budgétaires et d'autres adaptations techniques, à l'article 16.4.19, à modifier, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, le paragraphe 2, 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° les recours qui sont introduits contre des décisions de l'entité régionale, visée à l'article 6.1.1, 2°, du Code flamand de l'aménagement du territoire, sur l'imposition d'une amende administrative exclusive ou alternative telle que visée aux articles 6.2.2, 6.2.6 et 6.2.13, § 4, de ce code ; ".
HOOFDSTUK 15. - Wijziging van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid
CHAPITRE 15. - Modification du décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale
Art. 213. In artikel 59, 2°, van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid wordt de zinsnede "1 januari 2018" vervangen door de woorden "een door de Vlaamse Regering per artikel vast te stellen datum".
Art. 213. A l'article 59, 2°, du décret du 15 juillet 2016 relatif à la politique d'implantation commerciale intégrale, le membre de phrase " le 1er janvier 2018 " est remplacé par les mots " à une date à fixer pour chaque article par le Gouvernement flamand ".
HOOFDSTUK 16. - Slotbepalingen
CHAPITRE 16. - Dispositions finales
Afdeling 1. - Overgangsmaatregelen
Section 1re. - Mesures transitoires
Onderafdeling 1. - Beleidsplanning
Sous-section 1re. - Planification de la politique
Art. 214. § 1. Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen blijft van kracht tot het wordt vervangen door het eerste Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.
  Artikel 2.1.2, § 2, § 3, § 6 en § 7, en artikel 2.2.7, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals ze golden tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23, blijven van toepassing zolang het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen van kracht is. De bepalingen in kwestie van voormelde codex gelden echter niet ten aanzien van de vaststelling van provinciale en gemeentelijke ruimtelijke beleidsplannen, noch ten aanzien van provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die vastgesteld worden nadat een eerste provinciaal of gemeentelijk beleidsplan ruimte is vastgesteld.
  Artikel 2.2.16, § 3, 1°, en artikel 2.2.23, § 2, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals ze golden tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet, aangevuld met de door dit decreet ingevoegde mogelijkheid om de definitieve vaststelling van het provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in kwestie te vernietigen, zijn van toepassing zolang het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen van kracht is. De bepalingen in kwestie van voormelde codex gelden echter niet ten aanzien van provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die vastgesteld worden nadat een eerste provinciaal of gemeentelijk beleidsplan ruimte is vastgesteld.
  § 2. Bij de definitieve vaststelling van beleidskaders van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen kan de Vlaamse Regering onderdelen van provinciale of gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen omschrijven of aanduiden die niet meer geldig zijn. De Vlaamse Regering wint hiervoor het advies in van de betrokken provincieraad of de gemeenteraad, al naargelang.
  De Vlaamse Regering kan, met toepassing van de modaliteiten van artikel 2.2.16 of artikel 2.2.23 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, een provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan schorsen of vernietigen dat uitvoering geeft aan een onderdeel van het provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk structuurplan dat niet meer geldig is door toepassing van het eerste lid.
  § 3. Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die voorlopig zijn vastgesteld op het ogenblik van de inwerkingtreding van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, kunnen definitief worden vastgesteld ter uitvoering van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen zoals het gold tot aan de inwerkingtreding van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, mits daarbij artikel 2.1.2, § 2, § 3 en § 6, en artikel 2.2.7, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals ze golden tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet of krachtens paragraaf 1, worden nageleefd.
Art. 214. § 1er. Le Schéma de structure d'aménagement de la Flandre reste en vigueur jusqu'à ce qu'il soit remplacé par le premier Plan de politique spatiale pour la Flandre.
  L'article 2.1.2, § 2, § 3, § 6 et § 7, et l'article 2.2.7, § 1, deuxième alinéa, du Code flamand de l'aménagement du territoire, tels qu'ils s'appliquaient jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'article 23, restent d'application tant que le Schéma de structure d'aménagement de la Flandre est en vigueur. Toutefois, les dispositions en question ne s'appliquent pas à l'adoption des plans de politique spatiale provinciaux et communaux, ni aux plans d'exécution spatiaux provinciaux et communaux qui sont adoptés après l'adoption d'un premier plan de politique spatiale provincial ou communal.
  L'article 2.2.16, § 3, 1°, et l'article 2.2.23, § 2, 1°, du Code flamand de l'aménagement du territoire, tels qu'ils s'appliquaient jusqu' à la date d'entrée en vigueur de l'article 23 de ce décret, complété par la possibilité, insérée par ce décret, d'annuler l'adoption définitive du plan d'exécution spatial provincial ou communal en question, sont d'application tant que le Schéma de structure d'aménagement de la Flandre est en vigueur. Cependant, les dispositions concernées du code précité ne s'appliquent pas aux plans d'exécution spatiaux provinciaux et communaux qui sont adoptés après l'adoption d'un premier plan de politique spatiale provincial ou communal.
  § 2. Lors de l'adoption finale des cadres politiques du Plan de politique spatiale pour la Flandre, le Gouvernement flamand peut définir ou désigner des parties des schémas de structure d'aménagement provinciaux ou communaux qui ne sont plus valables. Le Gouvernement flamand recueille à cet effet l'avis du conseil provincial ou communal compétent, selon le cas.
  En application des modalités de l'article 2.2.16 ou de l'article 2.2.23 du Code flamand de l'aménagement du territoire, le Gouvernement flamand peut suspendre ou abroger un plan d'exécution spatial provincial ou communal qui donne exécution à une partie du schéma de structure d'aménagement provincial ou communal qui n'est plus valable par application du premier alinéa.
  § 3. Les plans d'exécution spatiaux régionaux qui ont été adoptés provisoirement au moment de l'entrée en vigueur du Plan de politique spatiale pour la Flandre peuvent être adoptés définitivement en exécution du Schéma de structure d'aménagement de la Flandre tel qu'il s'appliquait jusqu'à l'entrée en vigueur du Plan de politique spatiale pour la Flandre, à condition que, à cet égard, l'article 2.1.2, § 2, § 3 et § 6, et l'article 2.2.7, § 1, deuxième alinéa du Code flamand de l'aménagement du territoire, tels qu'ils s'appliquaient jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'article 23 de ce décret ou en vertu du paragraphe 1er, soient respectés.
Art. 215. § 1. Een provinciaal ruimtelijk structuurplan blijft van kracht tot het wordt vervangen door een eerste provinciaal beleidsplan ruimte voor de provincie in kwestie.
  Artikel 2.1.2, § 2, § 3, § 6 en § 7, en artikel 2.2.12, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zoals ze golden tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet, blijven van toepassing zolang het provinciaal ruimtelijk structuurplan van kracht is. De bepalingen in kwestie van voormelde codex gelden echter niet ten aanzien van de vaststelling van gemeentelijke ruimtelijke beleidsplannen, noch ten aanzien van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die vastgesteld worden nadat een eerste gemeentelijk beleidsplan ruimte is vastgesteld.
  Artikel 2.2.16, § 3, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals het gold tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet, aangevuld met de door dit decreet ingevoegde mogelijkheid om de definitieve vaststelling van het betrokken provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan te vernietigen, is van toepassing zolang het provinciaal ruimtelijk structuurplan van kracht is.
  Artikel 2.2.23, § 2, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals het gold tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet, aangevuld met de door dit decreet ingevoegde mogelijkheid om de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in kwestie te vernietigen, is van toepassing zolang het provinciaal ruimtelijk structuurplan van kracht is. De bepaling in kwestie van voormelde codex geldt echter niet ten aanzien van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die vastgesteld worden nadat een eerste gemeentelijk beleidsplan ruimte is vastgesteld.
  § 2. Bij de definitieve vaststelling van beleidskaders van het provinciaal beleidsplan ruimte kan de provincieraad onderdelen van gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen omschrijven of aanduiden die niet meer geldig zijn. De provincieraad wint hiervoor het advies in van de betrokken gemeenteraad.
  De deputatie kan, met toepassing van de modaliteiten van artikel 2.2.23 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan schorsen dat uitvoering geeft aan een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan dat niet meer geldig is door toepassing van het eerste lid.
  § 3. Provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen die voorlopig zijn vastgesteld op het ogenblik van de inwerkingtreding van het provinciaal beleidsplan ruimte, kunnen definitief worden vastgesteld ter uitvoering van het provinciaal ruimtelijk structuurplan zoals het gold tot aan de inwerkingtreding van het provinciaal beleidsplan ruimte, mits daarbij artikel 2.1.2, § 2, § 3 en § 6, en artikel 2.2.12, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals ze golden tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet of krachtens paragraaf 1, worden nageleefd.
  De Vlaamse Regering kan, met toepassing van artikel 2.2.16 van de voormelde codex, een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan schorsen of vernietigen dat vastgesteld wordt in strijd met de voorwaarden, vermeld in het eerste lid.
Art. 215. § 1er. Un schéma de structure d'aménagement provincial reste en vigueur jusqu'à ce qu'il soit remplacé par un premier plan de politique spatiale provincial pour la province concernée.
  L'article 2.1.2, § 2, § 3, § 6 et § 7, et l'article 2.2.12, § 1, deuxième alinéa, du Code flamand de l'aménagement du territoire, tels qu'ils s'appliquaient jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'article 23 de ce décret, restent d'application tant que le Schéma de structure d'aménagement provincial est en vigueur. Toutefois, les dispositions en question ne s'appliquent pas à l'adoption des plans de politique spatiaux communaux ni aux plans d'exécution spatiaux communaux qui sont adoptés après l'adoption d'un premier plan de politique spatiale communal.
  L'article 2.2.16, § 3, 1°, du Code flamand de l'aménagement du territoire, tel qu'il s'appliquait jusqu' à la date d'entrée en vigueur de l'article 23 de ce décret, complété par la possibilité, insérée par ce décret, d'annuler l'adoption définitive du plan d'exécution spatial provincial ou communal en question, est d'application tant que le schéma de structure d'aménagement provincial est en vigueur.
  L'article 2.2.23, § 2, 1°, du Code flamand de l'aménagement du territoire, tel qu'il s'appliquait jusqu' à la date d'entrée en vigueur de l'article 23 de ce décret, complété par la possibilité, insérée par ce décret, d'abroger l'adoption définitive du plan d'exécution spatial communal concerné, est d'application tant que le schéma de structure d'aménagement provincial est en vigueur. Toutefois, la disposition concernée du code précité ne s'applique pas aux plans d'exécution spatiaux communaux qui sont adoptés après l'adoption d'un premier plan de politique spatiale communal.
  § 2. Lors de l'adoption finale des cadres politiques du plan de politique spatiale provincial, le Gouvernement flamand peut définir ou désigner des parties des schémas de structure d'aménagement communaux qui ne sont plus valables. Le conseil provincial recueille à cet effet l'avis du conseil communal concerné.
  En application des modalités de l'article 2.2.23 du Code flamand de l'aménagement du territoire, la députation peut suspendre un plan d'exécution spatial communal qui donne exécution à une partie du schéma de structure d'aménagement communal qui n'est plus valable par application du premier alinéa.
  § 3. Les plans d'exécution spatiaux régionaux qui ont été adoptés provisoirement au moment de l'entrée en vigueur du plan de politique spatiale provincial peuvent être adoptés définitivement en exécution du schéma de structure d'aménagement provincial tel qu'il s'appliquait jusqu'à l'entrée en vigueur du plan de politique spatiale provincial, à condition que, à cet égard, l'article 2.1.2, § 2, § 3 et § 6,, et l'article 2.2.12, § 1, deuxième alinéa du Code flamand de l'aménagement du territoire, tels qu'il s'appliquaient jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'article 23 de ce décret ou en vertu du paragraphe 1er, soient respectés.
  En application de l'article 2.2.16 du code précité, le Gouvernement flamand peut suspendre ou abroger un plan d'exécution spatial provincial qui est adopté en violation des conditions visées au premier alinéa.
Art. 216. § 1. Een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan blijft van kracht tot het wordt vervangen door een eerste gemeentelijk beleidsplan ruimte voor de gemeente in kwestie.
  Artikel 2.1.2, § 2, § 3, § 6 en § 7, en artikel 2.2.18, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals ze golden tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet, blijven van toepassing zolang het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van kracht is.
  Artikel 2.2.23, § 2, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals het gold tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet, aangevuld met de door dit decreet ingevoegde mogelijkheid om de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in kwestie te vernietigen, is van toepassing zolang het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van kracht is.
  § 2. Gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die voorlopig zijn vastgesteld op het ogenblik van de inwerkingtreding van het gemeentelijk beleidsplan ruimte, kunnen definitief worden vastgesteld ter uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zoals het gold tot aan de inwerkingtreding van het gemeentelijk beleidsplan ruimte, mits daarbij artikel 2.1.2, § 2, § 3 en § 6, en artikel 2.2.18, § 1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals ze golden tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet of krachtens paragraaf 1, worden nageleefd.
  De Vlaamse Regering of de deputatie kan, met toepassing van artikel 2.2.23 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan schorsen of vernietigen dat vastgesteld wordt in strijd met de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, met dien verstande dat de deputatie alleen kan schorsen.
Art. 216. § 1er. Un schéma de structure d'aménagement communal reste en vigueur jusqu'à ce qu'il soit remplacé par un premier plan de politique spatiale communal pour la commune concernée.
  L'article 2.1.2, § 2, § 3, § 6 et § 7, et l'article 2.2.18, § 1, deuxième alinéa, du Code flamand de l'aménagement du territoire, tels qu'ils s'appliquaient jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'article 23 de ce décret, restent d'application tant que le schéma de structure d'aménagement communal est en vigueur.
  L'article 2.2.23, § 2, 1°, du Code flamand de l'aménagement du territoire, tel qu'il s'appliquait jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'article 23 de ce décret, complété par la possibilité, insérée par ce décret, d'abroger l'adoption définitive du plan d'exécution spatial communal concerné, est d'application tant que le schéma de structure d'aménagement communal est en vigueur.
  § 2. Les plans d'exécution spatiaux communaux qui ont été adoptés provisoirement au moment de l'entrée en vigueur du plan de politique spatiale communal peuvent être adoptés définitivement en exécution du schéma de structure d'aménagement communal tel qu'il s'appliquait jusqu'à l'entrée en vigueur du plan de politique spatiale communal, à condition que, à cet égard, l'article 2.1.2, § 2, § 3 et § 6, et l'article 2.2.18, § 1, deuxième alinéa du Code flamand de l'aménagement du territoire, tels qu'ils s'appliquaient jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'article 23 de ce décret ou en vertu du paragraphe 1er, soient respectés.
  En application de l'article 2.2.23 du Code flamand de l'aménagement du territoire, le Gouvernement flamand ou la députation peut suspendre ou abroger un plan d'exécution spatial communal qui est adopté en violation des conditions visées au premier alinéa, étant entendu qu'une suspension ne peut être effectuée que par la seule députation.
Art. 217. § 1. Tot twee jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet kan een gemeenteraad respectievelijk een provincieraad nog een eerste gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of een volledige herziening van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, respectievelijk een volledige herziening van een provinciaal ruimtelijk structuurplan voorlopig vaststellen. De opmaak of herziening wordt dan afgewerkt met toepassing van de regels, zoals ze golden tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet.
  Als ondertussen het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen of een provinciaal beleidsplan ruimte voor de provincie in kwestie is vastgesteld, moeten bij de vaststelling van het eerste gemeentelijk ruimtelijk structuurplan of van de herziening van het gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk structuurplan de bepalingen van artikel 2.1.1, § 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening naar analogie worden toegepast.
  § 2. Na de periode, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kan een gemeenteraad of een provincieraad nog eenmalig een gedeeltelijke herziening van het gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk structuurplan doorvoeren, met toepassing van de regels, zoals ze golden tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 23 van dit decreet.
  Als ondertussen het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen of een provinciaal beleidsplan ruimte voor de provincie in kwestie is vastgesteld, moeten bij de herziening van het gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk structuurplan de bepalingen van artikel 2.1.1, § 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening naar analogie worden toegepast.
Art. 217. § 1er. Jusqu'à deux ans après la date d'entrée en vigueur de l'article 23 de ce décret, un conseil communal ou un conseil provincial peut encore adopter un premier schéma de structure d'aménagement communal ou une révision complète d'un schéma de structure d'aménagement communal ou une révision complète d'un schéma de structure d'aménagement provincial. L'adoption ou la révision sont alors finalisées en application des règles, telles qu'elles s'appliquaient jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'article 23 de ce décret.
  Si, dans l'intervalle, le Plan de politique spatiale pour la Flandre ou un plan de politique spatiale provincial pour la province concernée a été adopté, les dispositions de l'article 2.1.1, § 3, du Code flamand de l'aménagement du territoire doivent être appliquées par analogie lors de l'adoption du premier schéma de structure d'aménagement communal ou de la révision du schéma de structure d'aménagement communal ou provincial.
  § 2. Après la période visée au paragraphe 1er, premier alinéa, un conseil communal ou provincial peut procéder encore une seule fois à une révision partielle du schéma de structure d'aménagement communal ou provincial, en appliquant les règles, telles qu'elles étaient d'application jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'article 23 de ce décret.
  Si, dans l'intervalle, le Plan de politique spatiale pour la Flandre ou un plan de politique spatiale provincial pour la province concernée a été adopté, les dispositions de l'article 2.1.1, § 3, du Code flamand de l'aménagement du territoire doivent être appliquées par analogie lors de la révision du schéma de structure d'aménagement communal ou provincial.
Art. 218. Tot aan de eerste definitieve vaststelling van de strategische visie van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, kan de Vlaamse Regering ter uitvoering van de doelstellingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen binnen de perken van de begroting, subsidies verlenen aan provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare instellingen en aan private rechtspersonen die betrokken zijn bij een samenwerkingsverband voor het opzetten, coördineren en realiseren van een strategisch project.
  Subsidieaanvragen die zijn ingediend voor de datum van de eerste definitieve vaststelling van de strategische visie van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen worden verder afgehandeld volgens de daarvoor geldende voorwaarden en procedure.
Art. 218. Jusqu'à la première adoption définitive de la vision stratégique du Plan de politique spatiale pour la Flandre, et dans les limites du budget, le Gouvernement flamand peut, en exécution des objectifs formulés dans le Plan de politique spatiale pour la Flandre, octroyer des subsides aux provinces, communes, associations de communes, institutions publiques et à des entités juridiques privées qui sont impliquées dans un partenariat pour la mise en place, la coordination et la réalisation d'un projet stratégique.
  Les demandes de subsides introduites avant la date de la première adoption définitive de la vision stratégique du Plan de politique spatiale pour la Flandre continueront à être traitées conformément aux conditions et à la procédure applicables en la matière.
Onderafdeling 2. - Toezicht op ruimtelijke uitvoeringsplannen en verordeningen en aankoopplicht
Sous-section 2. - Surveillance des plans d'exécution spatiaux, des règlements et de l'obligation d'acquisition
Art. 219. Artikel 36, 37, 1°, 42 en 43 zijn van toepassing op ruimtelijke uitvoeringsplannen die definitief worden vastgesteld vanaf de datum van inwerkingtreding van voormelde artikelen.
Art. 219. Les articles 36, 37, 1°, 42 et 43 s'appliquent aux plans d'exécution spatiaux qui sont adoptées définitivement à compter de la date d'entrée en vigueur des articles susmentionnés.
Art. 220. Artikel 46, 2° en 4°, is van toepassing op stedenbouwkundige verordeningen die definitief worden vastgesteld vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 46, 2° en 4°.
Art. 220. L'article 46, 2° et 4° s'applique aux règlements urbanistiques qui sont adoptés définitivement à compter de la date d'entrée en vigueur de l'article 46, 2° et 4°.
Art. 221. Artikel 2.4.10 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals het gold tot voor de datum van inwerkingtreding van artikel 47 van dit decreet, blijft van toepassing op aanvragen tot verwerving die op ontvankelijke wijze zijn betekend voor de datum van inwerkingtreding van artikel 47 van dit decreet.
Art. 221. L'article 2.4.10 du Code flamand de l'aménagement du territoire, tel qu'il s'appliquait jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'article 47 de ce décret, continue de s'appliquer aux demandes d'acquisition qui ont été notifiées de manière recevable avant la date d'entrée en vigueur de l'article 47 de ce décret.
Onderafdeling 3. - Als watergevoelig openruimtegebied aangeduide gebieden
Sous-section 3. - Zones désignées comme zones d'espace ouvert vulnérables du point de vue de l'eau
Art. 222. Artikel 5.6.8, § 5, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening is van toepassing op delen van ruimtelijke uitvoeringsplannen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° de plannen zijn voorlopig vastgesteld voor de aanduiding van de gebieden als `watergevoelig open ruimtegebied', overeenkomstig artikel 5.6.8, § 1, van de voormelde codex;
  2° de plannen houden al rekening met het conflict dat bestaat tussen de verdere realisatie van de bestemming en de belangen van het watersysteem.
Art. 222. L'article 5.6.8, § 5, du Code flamand de l'aménagement du territoire s'applique à des parties des plans d'exécution spatiaux qui satisfont aux conditions suivantes :
  1° les plans ont été adoptés provisoirement avant la désignation des zones comme " zones vulnérables du point de vue de l'eau ", conformément à l'article 5.6.8, § 1, du code précité ;
  2° les plans tiennent déjà compte du conflit qui existe entre la réalisation ultérieure de la destination et les intérêts du système hydrologique.
Onderafdeling 4. - Planbaten
Sous-section 4. - Bénéfices résultant de la planification spatiale
Art. 223. Artikel 50 is van toepassing op ruimtelijke uitvoeringsplannen die voorlopig worden vastgesteld vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 50.
Art. 223. L'article 50 s'applique aux plans d'exécution spatiaux qui sont adoptés définitivement à compter de la date d'entrée en vigueur de l'article 50.
Onderafdeling 5. - Verkavelingsplicht vanaf twee onbebouwde kavels
Sous-section 5. - Obligation de lotissement à partir de deux lots non bâtis
Art. 224. Artikel 52, 4°, is van toepassing op vergunningsaanvragen die worden ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 52, 4°.
Art. 224. L'article 52, 4°, s'applique aux demandes d'autorisation qui sont introduites à compter de la date d'entrée en vigueur de l'article 52, 4°.
Onderafdeling 6. - Meldingen
Sous-section 6. - Déclarations
Art. 225. Handelingen, opgenomen in meldingsaktes voor stedenbouwkundige handelingen die zijn betekend voor de datum van inwerkingtreding van artikel 155, kunnen niet meer worden gestart twee jaar na de datum van inwerkingtreding van artikel 155.
Art. 225. Les actes, repris dans les actes de déclaration pour actes urbanistiques qui ont été signifiés avant la date d'entrée en vigueur de l'article 155, ne peuvent plus être lancés deux ans après la date d'entrée en vigueur de l'article 155.
Onderafdeling 7. - Verkavelingen meer dan vijftien jaar oud
Sous-section 7. - Lotissements vieux de plus de 15 ans
Art. 226. Artikel 62, 2°, 3° en 5°, is van toepassing op vergunningsaanvragen die worden ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 62, 2°, 3° en 5°.
Art. 226. L'article 62, 2°, 3° et 5°, s'applique aux demandes d'autorisation qui sont introduites après la date d'entrée en vigueur de l'article 62, 2°, 3° et 5°.
Onderafdeling 8. - Tweede of bijkomende bedrijfswoning en afwijkingen in het kader van onroerend erfgoed
Sous-section 8. - Deuxièmement appartement supervisé ou appartement supervisé supplémentaire et dérogations dans le cadre du patrimoine immobilier
Art. 227. Artikel 60 en artikel 63 zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die worden ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van voormelde artikelen.
Art. 227. L'article 60 et l'article 63 s'appliquent aux demandes d'autorisation qui sont introduites après la date d'entrée en vigueur des articles susmentionnés.
Onderafdeling 9. - Tuincentrum
Sous-section 9. - Jardinerie
Art. 228. Artikel 77 is van toepassing op aanvragen tot planologisch attest die worden ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 77.
Art. 228. L'article 77 s'applique aux demandes d'attestation planologique qui sont introduites après la date d'entrée en vigueur de ce décret.
Onderafdeling 10. - Herziening, opheffing of wijziging van verkavelingsvergunningen
Sous-section 10. - Révision, abrogation ou modification de permis de lotissement
Art. 229. Artikel 145 is van toepassing op aanvragen die worden opgestart vanaf de datum van inwerkingtreding van voormelde artikelen.
Art. 229. L'article 145 s'applique aux demandes qui sont lancées après la date d'entrée en vigueur des articles susmentionnés.
Art. 230. Artikel 146 is van toepassing op aanvragen die worden ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van voormelde artikelen.
Art. 230. L'article 146 s'applique aux demandes qui sont introduites après la date d'entrée en vigueur des articles susmentionnés.
Onderafdeling 11. - Vegetatiewijzigingen
Sous-section 11. - Modifications de la végétation
Art. 231. Alle vergunningen voor wijzigingen van de vegetatie die zijn verleend met toepassing van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, blijven van kracht na de inwerkingtreding van artikel 113 van dit decreet en worden beschouwd als omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
  De aanvragen van een vergunning voor wijzigingen van de vegetatie, vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu die vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 113 van dit decreet zijn ingediend, worden behandeld volgens de procedureregels van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, zoals die golden op het ogenblik van indiening van de aanvraag.
Art. 231. Toutes les autorisations de modification de la végétation qui ont été octroyées en application du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, restent en vigueur après l'entrée en vigueur de l'article 113 de ce décret et sont considérées comme permis d'environnement pour la modification de la végétation conformément au décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel et le décret du 25 avril 2014 concernant le permis d'environnement.
  Les demandes d'autorisation de modification de la végétation visées dans le décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel qui ont été introduites avant la date d'entrée en vigueur de l'article 113 de ce décret sont traitées conformément aux règles de procédure du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, telles que celles-ci s'appliquaient au moment de l'introduction de la demande.
Onderafdeling 12. - Gewijzigde beroepsmogelijkheid
Sous-section 12. - Possibilité de recours modifiée
Art. 232. Artikel 133, 2°, en artikel 151, 3°, zijn van toepassing op aanvragen voor een omgevingsvergunning die worden ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 133, 2°.
Art. 232. L'article 133, 2°, et l'article 151, 3° s'appliquent aux demandes de d'autorisation qui sont introduites après la date d'entrée en vigueur de l'article 133, 2°.
Afdeling 2. - Opheffingsbepaling
Section 2. - Disposition abrogatoire
Art. 233. Artikelen 95 tot en met 98 van dit decreet worden opgeheven op de datum van inwerkingtreding van artikel 30 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.
Art. 233. Les articles 95 à 98 inclus de ce décret sont abrogés à la date d'entrée en vigueur de l'article 30 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement.
Afdeling 3. - Inwerkingtredingsbepalingen
Section 3. - Dispositions d'entrée en vigueur
Art. 234. Artikel 20, 3°, treedt in werking op 1 januari 2019. De met toepassing van artikel 1.3.3, § 11, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening verleende vrijstellingen van de verplichting om een gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening op te richten, vervallen op dezelfde datum.
Art. 234. L'article 20, 3° entre en vigueur le 1er janvier 2019. Les dérogations à l'obligation de créer une commission communale pour l'aménagement du territoire, accordées en vertu de l'article 1.3.3.3, § 11 du Code flamand de l'aménagement du territoire, expireront à la même date.
Art. 235. Artikel 19 van dit decreet treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van artikel 2 van het decreet van 18 november 2016 houdende de vernieuwde taakstelling en gewijzigde financiering van de provincies.
  De leden van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening die door de deputatie voorgedragen zijn uit de diensten op provinciaal niveau voor cultuur worden geacht van rechtswege ontslagnemend te zijn op de datum van inwerkingtreding van artikel 19 van dit decreet.
  De leden die van rechtswege ontslagnemend zijn conform het tweede lid, worden vervangen door leden, gekozen uit een dubbeltal deskundigen inzake ruimtelijke ordening van het provinciebestuur, voorgedragen door de deputatie. Deze vervanging gebeurt bij de eerstvolgende aanpassing of hernieuwing van de samenstelling van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening na de inwerkingtreding van artikel 19 van dit decreet.
  In afwachting van de toepassing van het derde lid, wordt de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening geacht geldig te beraadslagen, ook zonder dat de ontslagnemende leden werden vervangen.
Art. 235. L'article 19 de ce décret entre en vigueur à la date d'entrée en vigueur de l'article 2 du décret du 18 novembre 2016 portant l'attribution de tâches rénovées et le financement modifié des provinces.
  Les membres de la commission provinciale pour l'aménagement du territoire présentés par la députation à partir des services de la culture au niveau provincial sont réputés être démissionnaires de plein droit à la date d'entrée en vigueur de l'article 19 de ce décret.
  Les membres démissionnaires de plein droit conformément au deuxième alinéa sont remplacés par des membres élus sur une liste double d'experts en aménagement du territoire de l'administration provinciale, présentés par la députation. Ce remplacement interviendra lors du prochain ajustement ou renouvellement de la composition de la commission provinciale pour l'aménagement du territoire après l'entrée en vigueur de l'article 19 de ce décret.
  En attendant l'application du troisième alinéa, la commission provinciale pour l'aménagement du territoire est réputée délibérer valablement, même sans que les membres démissionnaires soient remplacés.
Art. 236. Artikel 84 treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.
Art. 236. L'article 84 produit ses effets à la date d'entrée en vigueur de l'article 15 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement.
Art. 237. De Vlaamse Regering bepaalt de datum van inwerkingtreding van de volgende bepalingen:
  1° artikel 23;
  2° artikel 61;
  3° artikelen 91 en 92;
  4° artikel 101;
  5° artikelen 4, 5, 6, 1°, 7, 111, 2° en 3°, 112, 113, 1°, 121, 3°, 129, 2°, 133, 1°, 142, 148, 149, 4°, en 151, 2° ;
  6° artikelen 114, 115, 118, 119, 120, 121, 5°, 125, 126, 127, 128, 129, 4°, 135, 136, 137, 138, 143 en 147.
  De artikelen, vermeld in het eerste lid, 5°, treden ten vroegste in werking op 1 januari 2018.
Art. 237. Le Gouvernement flamand fixe la date d'entrée en vigueur des dispositions suivantes :
  1° l'article 23 ;
  2° l'article 61 ;
  3° les articles 91 et 92 ;
  4° l'article 101 ;
  5° les articles 4, 5, 6, 1°, 7, 111, 2° et 3°, 112, 113, 1°, 121, 3°, 129, 2°, 133, 1°, 142, 148, 149, 4°, et 151, 2° ;
  6° les articles 114, 115, 118, 119, 120, 121, 5°, 125, 126, 127, 128, 129, 4°, 135, 136, 137, 138, 143 et 147.
  Les articles visés au premier alinéa, 5°, entreront en vigueur au plus tôt le 1er janvier 2018.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 114; 115 fixée au 04-05-2018 par AGF 2018-03-09/09, art. 79)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 4 ; 5 ; 6,1° ; 7 ; 111,2°, 3° ; 112 ; 113 ; 121, 3° ; 129, 2° ; 133, 1° ; 142 ; 148 ; 149, 4° ; 151, 2° ; 118 ; 119 ; 120 ; 121, 5°; 125 à 128 ; 129, 4°; 135 à 138 ; 143 ; 147 fixée au 01-08-2018 par AGF 2018-03-09/09, art. 80)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 23 fixée au 05-05-2018 par AGF 2018-03-30/27, art. 87)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 91 et 92 fixée au 09-08-2018 par AGF 2018-06-15/11, art. 9)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 101 fixée au 07-03-2019 par AGF 2019-01-11/11, art. 5)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 61 fixée au 11-07-2019 par AGF 2019-05-10/08, art. 7)
Art. 238. De artikelen [1 85, 2°, ]1 87, 2°, en 88, 2°, treden in werking veertien dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de eerste aanduiding van watergevoelige openruimtegebieden met toepassing van artikel 5.6.8 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
  
Art. 238. Les articles [1 85, 2°,]1 87, 2°, et 88, 2°, entreront en vigueur 15 jours après la publication au Moniteur belge de la première désignation des zones d'espace ouvert vulnérables du point de vue de l'eau en application de l'article 5.6.8 du Code flamand de l'aménagement du territoire.
  
Art. 239. Artikel 103 treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van artikel 77 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.
Art. 239. L'article 103 produit ses effets à la date d'entrée en vigueur de l'article 77 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement.
Art. 240. Artikel 104 treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van artikel 83 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.
Art. 240. L'article 104 produit ses effets à la date d'entrée en vigueur de l'article 83 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement.
Art. 241. Artikel 105 treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van artikel 38/2 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.
Art. 241. L'article 105 produit ses effets à la date d'entrée en vigueur de l'article 38/2 du décret du 25 avril 2014 concernant le maintien du permis d'environnement.
Art. 242. De artikelen 106 en 107 treden in werking op de datum van inwerkingtreding van artikel 12 van het decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.
Art. 242. Les articles 106 et 107 produisent leurs effets à la date d'entrée en vigueur de l'article 12 du décret concernant le maintien du permis d'environnement.