Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° scorecard: het rapport, vermeld in artikel 2, § 1, eerste lid;
2° toelichtingsnota: de nota, vermeld in artikel 2, § 2.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
5 SEPTEMBER 2017. - Ministerieel besluit houdende vaststelling van het kader voor de renovatietoets en de lokale woontoets en van het financiële kader ter uitvoering van [artikel [2.33/2], eerste lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021] <MB2020-12-15/07, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2021> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-09-2017 en tekstbijwerking tot 28-07-2023)
Titre
5 SEPTEMBRE 2017. - Arrêté ministériel fixant le cadre pour l'évaluation de la rénovation et l'évaluation locale du logement et le cadre financier en exécution de [l'article [2.33/2] alinéa premier, de l'arrêté Code flamand du Logement de 2021] <AM2023-03-09/12, art. 12, 005; En vigueur : 01-01-2023> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 13-09-2017 et mise à jour au 28-07-2023)
Documentinformatie
Numac: 2017040730
Datum: 2017-09-05
Info du document
Numac: 2017040730
Date: 2017-09-05
Inhoud
Tekst (17)
Texte (17)
HOOFDSTUK 1. - Definitie
CHAPITRE 1er. - Définition
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
1° fiche de score : le rapport, visé à l'article 2, § 1er, alinéa premier ;
2° notice explicative : la note, visée à l'article 2, § 2 ;
1° fiche de score : le rapport, visé à l'article 2, § 1er, alinéa premier ;
2° notice explicative : la note, visée à l'article 2, § 2 ;
HOOFDSTUK 2. - Het kader voor de renovatietoets
CHAPITRE 2. - Le cadre pour l'évaluation de la rénovation
Art.2. § 1. De initiatiefnemer bezorgt [2 het agentschap Wonen in Vlaanderen]2 conform [1 artikel 4.13, tweede lid, 4°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021]1 een rapport over de huidige staat van de gebouwen of woningen die deel uitmaken van het project, hierna scorecard te noemen.
In de scorecard geeft de initiatiefnemer een score van 1 (uitstekende staat) tot en met 6 (onherstelbaar) voor de volgende elementen die betrekking hebben op de staat van de gebouwen of woningen:
1° externe kenmerken;
2° isolatie;
3° interne kenmerken;
4° technische installaties.
Daarna worden de scores, vermeld in het tweede lid, per element vertaald in een score op 100: 6 is 0%, 5 is 20%, 4 is 40%, 3 is 60%, 2 is 80% en 1 is 100%.
Op basis van de scorecard stelt [2 het agentschap Wonen in Vlaanderen]2 voor de gebouwen of woningen een conditiescore vast, rekening houdend met de volgende weging van de verplichte elementen:
1° externe kenmerken: 30%;
2° isolatie: 30%;
3° interne kenmerken: 20%;
4° technische installaties: 20%.
In de scorecard geeft de initiatiefnemer aan of de huidige staat van de gebouwen of woningen wel (score van 0) of niet (score van 1) voldoet aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en woningkwaliteitsvereisten, vastgesteld bij of krachtens [1 artikel 3.1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]1. Als een element niet onderzocht kan worden, wordt dat aangegeven als `onbekend'.
Als een gebouw of woning niet voldoet aan een of meer van de veiligheids- en gezondheidsaspecten, vastgesteld bij of krachtens [1 artikel 3.1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]1, trekt [2 het agentschap Wonen in Vlaanderen]2 punten af van de conditiescore. Per aanwezig veiligheids- of gezondheidsrisico wordt de volgende negatieve score toegekend:
1° stabiliteit: -10%;
2° brandveiligheid: -10%;
3° veiligheid van de installaties: -15%;
4° gevaarlijke stoffen: -5%;
5° valbeveiliging: -5%;
6° binnenklimaat: -5%.
§ 2. De initiatiefnemer bezorgt [2 het agentschap Wonen in Vlaanderen]2 conform [1 artikel 4.13, tweede lid, 5°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021]1 een toelichtingsnota waarin hij:
1° de keuze motiveert die hij heeft gemaakt voor de vervangingsbouw of de investeringsverrichting;
2° een inschatting maakt van de planning van de werkzaamheden voor de volgende vijf jaar;
3° in voorkomend geval een beschrijving geeft van de voorgestelde fasering.
In de scorecard geeft de initiatiefnemer een score van 1 (uitstekende staat) tot en met 6 (onherstelbaar) voor de volgende elementen die betrekking hebben op de staat van de gebouwen of woningen:
1° externe kenmerken;
2° isolatie;
3° interne kenmerken;
4° technische installaties.
Daarna worden de scores, vermeld in het tweede lid, per element vertaald in een score op 100: 6 is 0%, 5 is 20%, 4 is 40%, 3 is 60%, 2 is 80% en 1 is 100%.
Op basis van de scorecard stelt [2 het agentschap Wonen in Vlaanderen]2 voor de gebouwen of woningen een conditiescore vast, rekening houdend met de volgende weging van de verplichte elementen:
1° externe kenmerken: 30%;
2° isolatie: 30%;
3° interne kenmerken: 20%;
4° technische installaties: 20%.
In de scorecard geeft de initiatiefnemer aan of de huidige staat van de gebouwen of woningen wel (score van 0) of niet (score van 1) voldoet aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en woningkwaliteitsvereisten, vastgesteld bij of krachtens [1 artikel 3.1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]1. Als een element niet onderzocht kan worden, wordt dat aangegeven als `onbekend'.
Als een gebouw of woning niet voldoet aan een of meer van de veiligheids- en gezondheidsaspecten, vastgesteld bij of krachtens [1 artikel 3.1 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]1, trekt [2 het agentschap Wonen in Vlaanderen]2 punten af van de conditiescore. Per aanwezig veiligheids- of gezondheidsrisico wordt de volgende negatieve score toegekend:
1° stabiliteit: -10%;
2° brandveiligheid: -10%;
3° veiligheid van de installaties: -15%;
4° gevaarlijke stoffen: -5%;
5° valbeveiliging: -5%;
6° binnenklimaat: -5%.
§ 2. De initiatiefnemer bezorgt [2 het agentschap Wonen in Vlaanderen]2 conform [1 artikel 4.13, tweede lid, 5°, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021]1 een toelichtingsnota waarin hij:
1° de keuze motiveert die hij heeft gemaakt voor de vervangingsbouw of de investeringsverrichting;
2° een inschatting maakt van de planning van de werkzaamheden voor de volgende vijf jaar;
3° in voorkomend geval een beschrijving geeft van de voorgestelde fasering.
Art.2. § 1er L'initiateur remet à [1 l'agence Habiter en Flandre]1 un rapport sur l'état actuel des bâtiments ou logements qui font partie du projet, ci-après dénommé " fiche de score ", conformément à l'article 6, alinéa deux, 4°, de l'arrêté Procédure Logement du 14 juillet 2017.
Sur la fiche de score, l'initiateur donne un score allant de 1 (état excellent) à 6 (irréparable) pour les éléments suivants qui ont rapport à l'état des bâtiments ou logements :
1° caractéristiques extérieures ;
2° isolation ;
3° caractéristiques intérieures ;
4° installations techniques.
Les scores, visés dans l'alinéa deux, sont ensuite, par élément, convertis en un score sur 100 : 6 équivaut à 0%, 5 équivaut à 20%, 4 équivaut à 40%, 3 équivaut à 60%, 2 équivaut à 80% et 1 équivaut à 100%.
[1 l'agence Habiter en Flandre]1 établit un score de condition pour les bâtiments ou logements sur la base de la fiche de score, tout en tenant compte de la pondération suivante des éléments obligatoires :
1° caractéristiques extérieures : 30% ;
2° isolation : 30% ;
3° caractéristiques intérieures : 20% ;
4° installations techniques : 20%.
L'initiateur indique sur la fiche de score si l'état actuel des bâtiments ou logements satisfait oui (score de 0) ou non (score de 1) aux normes élémentaires de sécurité, de salubrité et de qualité d'habitat, arrêtées par ou en vertu de l'article 5 du Code flamand du Logement. Si un élément ne peut pas être examiné, il est marqué de 'inconnu'.
Si un bâtiment ou logement ne satisfait pas à un ou à plusieurs aspects de sécurité et de salubrité, arrêtés par ou en vertu de l'article 5 du Code flamand du Logement, [1 l'agence Habiter en Flandre]1 déduit des points du score de condition. Par risque manifeste de sécurité ou de salubrité, le score négatif suivant est attribué :
1° stabilité : -10% ;
2° sécurité incendie : -10% ;
3° sécurité des installations : -15% ;
4° substances dangereuses : -5% ;
5° aménagement antichute : -5% ;
6° climat intérieur : -5%.
§ 2. Conformément à l'article 6, alinéa deux, 5° de l'arrêté Procédure Logement du 14 juillet 2017, l'initiateur remet à [1 l'agence Habiter en Flandre]1' une note explicative dans laquelle il :
1° motive le choix qu'il a fait en faveur de la construction de remplacement ou de l'opération d'investissement ;
2° fait une estimation du planning des travaux pour les cinq années suivantes ;
3° donne, le cas échéant, une description de l'étalement proposé des travaux.
Sur la fiche de score, l'initiateur donne un score allant de 1 (état excellent) à 6 (irréparable) pour les éléments suivants qui ont rapport à l'état des bâtiments ou logements :
1° caractéristiques extérieures ;
2° isolation ;
3° caractéristiques intérieures ;
4° installations techniques.
Les scores, visés dans l'alinéa deux, sont ensuite, par élément, convertis en un score sur 100 : 6 équivaut à 0%, 5 équivaut à 20%, 4 équivaut à 40%, 3 équivaut à 60%, 2 équivaut à 80% et 1 équivaut à 100%.
[1 l'agence Habiter en Flandre]1 établit un score de condition pour les bâtiments ou logements sur la base de la fiche de score, tout en tenant compte de la pondération suivante des éléments obligatoires :
1° caractéristiques extérieures : 30% ;
2° isolation : 30% ;
3° caractéristiques intérieures : 20% ;
4° installations techniques : 20%.
L'initiateur indique sur la fiche de score si l'état actuel des bâtiments ou logements satisfait oui (score de 0) ou non (score de 1) aux normes élémentaires de sécurité, de salubrité et de qualité d'habitat, arrêtées par ou en vertu de l'article 5 du Code flamand du Logement. Si un élément ne peut pas être examiné, il est marqué de 'inconnu'.
Si un bâtiment ou logement ne satisfait pas à un ou à plusieurs aspects de sécurité et de salubrité, arrêtés par ou en vertu de l'article 5 du Code flamand du Logement, [1 l'agence Habiter en Flandre]1 déduit des points du score de condition. Par risque manifeste de sécurité ou de salubrité, le score négatif suivant est attribué :
1° stabilité : -10% ;
2° sécurité incendie : -10% ;
3° sécurité des installations : -15% ;
4° substances dangereuses : -5% ;
5° aménagement antichute : -5% ;
6° climat intérieur : -5%.
§ 2. Conformément à l'article 6, alinéa deux, 5° de l'arrêté Procédure Logement du 14 juillet 2017, l'initiateur remet à [1 l'agence Habiter en Flandre]1' une note explicative dans laquelle il :
1° motive le choix qu'il a fait en faveur de la construction de remplacement ou de l'opération d'investissement ;
2° fait une estimation du planning des travaux pour les cinq années suivantes ;
3° donne, le cas échéant, une description de l'étalement proposé des travaux.
Wijzigingen
Art.3. [1 Het agentschap Wonen in Vlaanderen]1 geeft een positief advies als uit de scorecard en de toelichtingsnota blijkt dat de vervangingsbouw of de investeringsverrichting:
1° de woningen op duurzame wijze binnen de respectieve prijsplafonds laten beantwoorden aan de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen waarvoor [1 het agentschap Wonen in Vlaanderen]1 of de kwaliteitskamer een afwijking toestaan;
2° dringend en noodzakelijk zijn om de veiligheids- en gezondheidsaspecten van de bewoners te kunnen garanderen.
Als niet is voldaan aan een of elk van beide voorwaarden, vermeld in het eerste lid, geeft [1 het agentschap Wonen in Vlaanderen]1 een negatief advies.
1° de woningen op duurzame wijze binnen de respectieve prijsplafonds laten beantwoorden aan de normen en de bouwtechnische en conceptuele richtlijnen, uitgezonderd de richtlijnen waarvoor [1 het agentschap Wonen in Vlaanderen]1 of de kwaliteitskamer een afwijking toestaan;
2° dringend en noodzakelijk zijn om de veiligheids- en gezondheidsaspecten van de bewoners te kunnen garanderen.
Als niet is voldaan aan een of elk van beide voorwaarden, vermeld in het eerste lid, geeft [1 het agentschap Wonen in Vlaanderen]1 een negatief advies.
Art.3. [1 L'agence Habiter en Flandre]1 donne un avis positif s'il ressort de la fiche de score et de la note explicative que la construction de remplacement ou l'opération d'investissement :
1° rendent les logements durablement conformes aux normes et aux directives conceptuelles et en matière de construction dans les limites de leurs prix plafonds respectifs, à l'exception des directives pour lesquelles [1 l'agence Habiter en Flandre]1 ou la commission de la qualité accordent une dérogation ;
2° sont urgentes et nécessaires pour assurer les aspects de sécurité et de salubrité des habitants.
S'il n'a pas été satisfait à une ou à chacune des deux conditions, visées à l'alinéa premier, [1 l'agence Habiter en Flandre]1 donne un avis négatif.
1° rendent les logements durablement conformes aux normes et aux directives conceptuelles et en matière de construction dans les limites de leurs prix plafonds respectifs, à l'exception des directives pour lesquelles [1 l'agence Habiter en Flandre]1 ou la commission de la qualité accordent une dérogation ;
2° sont urgentes et nécessaires pour assurer les aspects de sécurité et de salubrité des habitants.
S'il n'a pas été satisfait à une ou à chacune des deux conditions, visées à l'alinéa premier, [1 l'agence Habiter en Flandre]1 donne un avis négatif.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 3. - Het kader voor de lokale woontoets
CHAPITRE 3. - Le cadre pour l'évaluation locale du logement
Art.4. [3 Een project dat voorziet in de nieuwbouw van sociale huurwoningen, en een project dat voorziet in de verwerving van een of meer goede woningen, passen in het bindend sociaal objectief van de gemeente als een van de volgende gevallen zich voordoet:
1° het project ligt in een gemeente met een positief saldo op de BSO-planner van het Projectportaal en het project overschrijdt met maximaal tien eenheden de BSO-planner,
2° het project ligt in een gemeente met een positief saldo op de convenant-planner van het Projectportaal en het project overschrijdt met maximaal tien eenheden de convenant-planner.
De BSO-planner, vermeld in het eerste lid, 1°, monitort het gerealiseerde en het geplande sociale huuraanbod in functie van het bindend sociaal objectief, waarbij:
1° voor het gerealiseerde sociale huuraanbod in de gemeente: het aanbod aan sociale huurwoningen volgens de meest recente jaarlijkse meting van het sociale huuraanbod, waarbij:
a) bijkomende sociale huurwoningen van sociale verhuurkantoren sinds de nulmeting pas meetellen als ten minste 90 % van het objectief voor sociale huurwoningen behaald is of behaald zal worden, rekening houdend met het gerealiseerde en geplande sociale huuraanbod;
b) [4 overdrachten waarvan de verkoopovereenkomst wordt gesloten na 31 oktober 2017, van sociale huurwoningen van een gemeente, OCMW, intergemeentelijk samenwerkingsverband, OCMW-vereniging of het Vlaams Woningfonds aan een woonmaatschappij niet meetellen;]4
2° voor het geplande sociale huuraanbod in de gemeente: het aanbod aan sociale huurwoningen volgens de meest recente Projectenlijst die [5 het agentschap Wonen in Vlaanderen]5 aan de beoordelingscommissie heeft voorgelegd.
De convenant-planner, vermeld in het eerste lid, 2°, monitort het gerealiseerde en het geplande sociale huuraanbod dat verwezenlijkt is met een sociaal woonbeleidsconvenant als vermeld in artikel 5.52, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
De gemeente kan voor een overschrijding met meer dan tien eenheden een gemotiveerd verzoek tot afwijking richten aan de Vlaamse minister bevoegd voor het woonbeleid.
In afwijking van het eerste lid passen de projecten, vermeld in het eerste lid, in het bindend sociaal objectief van de gemeente als ze louter gefinancierd worden op de wijze, vermeld in artikel 4.10, 2°, h), van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021. Dit lid is niet van toepassing op huurwoningen die worden gerealiseerd met een lening vanuit het Vlaams Financieringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant [5 of die volledig of gedeeltelijk gefinancierd wordt met middelen van de VMSW in het kader van haar opdracht, vermeld in artikel 4.15]5 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.]3
1° het project ligt in een gemeente met een positief saldo op de BSO-planner van het Projectportaal en het project overschrijdt met maximaal tien eenheden de BSO-planner,
2° het project ligt in een gemeente met een positief saldo op de convenant-planner van het Projectportaal en het project overschrijdt met maximaal tien eenheden de convenant-planner.
De BSO-planner, vermeld in het eerste lid, 1°, monitort het gerealiseerde en het geplande sociale huuraanbod in functie van het bindend sociaal objectief, waarbij:
1° voor het gerealiseerde sociale huuraanbod in de gemeente: het aanbod aan sociale huurwoningen volgens de meest recente jaarlijkse meting van het sociale huuraanbod, waarbij:
a) bijkomende sociale huurwoningen van sociale verhuurkantoren sinds de nulmeting pas meetellen als ten minste 90 % van het objectief voor sociale huurwoningen behaald is of behaald zal worden, rekening houdend met het gerealiseerde en geplande sociale huuraanbod;
b) [4 overdrachten waarvan de verkoopovereenkomst wordt gesloten na 31 oktober 2017, van sociale huurwoningen van een gemeente, OCMW, intergemeentelijk samenwerkingsverband, OCMW-vereniging of het Vlaams Woningfonds aan een woonmaatschappij niet meetellen;]4
2° voor het geplande sociale huuraanbod in de gemeente: het aanbod aan sociale huurwoningen volgens de meest recente Projectenlijst die [5 het agentschap Wonen in Vlaanderen]5 aan de beoordelingscommissie heeft voorgelegd.
De convenant-planner, vermeld in het eerste lid, 2°, monitort het gerealiseerde en het geplande sociale huuraanbod dat verwezenlijkt is met een sociaal woonbeleidsconvenant als vermeld in artikel 5.52, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
De gemeente kan voor een overschrijding met meer dan tien eenheden een gemotiveerd verzoek tot afwijking richten aan de Vlaamse minister bevoegd voor het woonbeleid.
In afwijking van het eerste lid passen de projecten, vermeld in het eerste lid, in het bindend sociaal objectief van de gemeente als ze louter gefinancierd worden op de wijze, vermeld in artikel 4.10, 2°, h), van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021. Dit lid is niet van toepassing op huurwoningen die worden gerealiseerd met een lening vanuit het Vlaams Financieringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant [5 of die volledig of gedeeltelijk gefinancierd wordt met middelen van de VMSW in het kader van haar opdracht, vermeld in artikel 4.15]5 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.]3
Wijzigingen
Art.4. Un projet dans lequel des constructions nouvelles de logements locatifs sociaux sont prévues et un projet dans lequel l'acquisition d'un ou de plusieurs bons logements est prévue, s'inscrivent dans l'objectif social contraignant de la commune si l'un des cas suivants se produit :
1° le projet se situe dans une commune qui n'a pas encore atteint et n'atteindra pas son objectif en matière de logements locatifs sociaux, compte tenu de l'offre de location sociale réalisée et planifiée ;
2° le projet s'inscrit dans une convention sur la politique de logement social telle que visée à l'article 4.1.4, § 3, alinéa deux du décret relatif à la politique foncière et immobilière.
Pour l'application de l'alinéa premier, les données suivantes sont utilisées :
1° l'offre de location sociale réalisée dans la commune : l'offre de logements locatifs sociaux selon le recensement annuel le plus récent de l'offre de location sociale, étant entendu que :
a) les logements locatifs sociaux supplémentaires mis à disposition par des bureaux de location sociale depuis la mesure de référence ne sont pris en compte que si au moins 90% de l'objectif pour les logements locatifs sociaux a été atteint ou sera atteint, compte tenu de l'offre de location sociale réalisée et planifiée ;
b) les transferts, dont le contrat de vente est conclu après le 31 octobre 2017, de logements locatifs sociaux d'une commune, CPAS, partenariat intercommunal ou association CPAS vers une société de logement social ne sont pas pris en compte ;
2° l'offre de location sociale planifiée dans la commune : l'offre de logements locatifs sociaux selon la Liste des projets la plus récente que [1 l'agence Habiter en Flandre]1 a présentée à la commission d'évaluation.
1° le projet se situe dans une commune qui n'a pas encore atteint et n'atteindra pas son objectif en matière de logements locatifs sociaux, compte tenu de l'offre de location sociale réalisée et planifiée ;
2° le projet s'inscrit dans une convention sur la politique de logement social telle que visée à l'article 4.1.4, § 3, alinéa deux du décret relatif à la politique foncière et immobilière.
Pour l'application de l'alinéa premier, les données suivantes sont utilisées :
1° l'offre de location sociale réalisée dans la commune : l'offre de logements locatifs sociaux selon le recensement annuel le plus récent de l'offre de location sociale, étant entendu que :
a) les logements locatifs sociaux supplémentaires mis à disposition par des bureaux de location sociale depuis la mesure de référence ne sont pris en compte que si au moins 90% de l'objectif pour les logements locatifs sociaux a été atteint ou sera atteint, compte tenu de l'offre de location sociale réalisée et planifiée ;
b) les transferts, dont le contrat de vente est conclu après le 31 octobre 2017, de logements locatifs sociaux d'une commune, CPAS, partenariat intercommunal ou association CPAS vers une société de logement social ne sont pas pris en compte ;
2° l'offre de location sociale planifiée dans la commune : l'offre de logements locatifs sociaux selon la Liste des projets la plus récente que [1 l'agence Habiter en Flandre]1 a présentée à la commission d'évaluation.
Wijzigingen
Art.5. Een project dat voorziet in de vervangingsbouw van sociale huurwoningen waarbij er sprake is van een toename met meer dan 20% ten opzichte van het huidige aantal sociale huurwoningen op projectniveau, en een project dat een investeringsverrichting omvat waarvoor een vergunning, een melding of een verhuisbeweging is vereist waarbij er sprake is van een toename met meer dan 20% ten opzichte van het huidige aantal sociale huurwoningen op projectniveau, passen binnen het bindend sociaal objectief van de gemeente als een van de gevallen, vermeld in artikel 4, eerste lid, zich voordoet.
[2 "De gemeente kan voor een overschrijding met meer dan tien eenheden een gemotiveerd verzoek tot afwijking richten aan de Vlaamse minister bevoegd voor het woonbeleid.]2
[1 In afwijking van het eerste lid passen de projecten, vermeld in het eerste lid, in het bindend sociaal objectief van de gemeente als ze louter gefinancierd worden op de wijze, vermeld in artikel 4.10, 2°, h), van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021. Dit lid is niet van toepassing op huurwoningen die worden gerealiseerd met een lening vanuit het Vlaams Financieringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant [3 of die volledig of gedeeltelijk gefinancierd wordt met middelen van de VMSW in het kader van haar opdracht, vermeld in artikel 4.15]3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.]1
[2 "De gemeente kan voor een overschrijding met meer dan tien eenheden een gemotiveerd verzoek tot afwijking richten aan de Vlaamse minister bevoegd voor het woonbeleid.]2
[1 In afwijking van het eerste lid passen de projecten, vermeld in het eerste lid, in het bindend sociaal objectief van de gemeente als ze louter gefinancierd worden op de wijze, vermeld in artikel 4.10, 2°, h), van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021. Dit lid is niet van toepassing op huurwoningen die worden gerealiseerd met een lening vanuit het Vlaams Financieringsfonds voor Grond- en Woonbeleid voor Vlaams-Brabant [3 of die volledig of gedeeltelijk gefinancierd wordt met middelen van de VMSW in het kader van haar opdracht, vermeld in artikel 4.15]3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.]1
Art.5. Un projet dans lequel la construction de remplacement de logements locatifs sociaux est prévue, qui générera un accroissement du nombre de logements locatifs sociaux de plus de 20% par rapport au nombre actuel de logements locatifs sociaux au niveau du projet et un projet comprenant une opération d'investissement pour laquelle une autorisation, une déclaration ou un déménagement sont exigés, qui générera un accroissement du nombre de logements locatifs sociaux de plus de 20% par rapport au nombre actuel de logements locatifs sociaux au niveau du projet, s'inscrivent dans l'objectif social contraignant de la commune, si un des cas, visés dans l'article 4, alinéa premier, se produit.
HOOFDSTUK 4. - Het financiële kader
CHAPITRE 4. - Le cadre financier
Art.6. Bij de opmaak van de meerjarenplanning en de kortetermijnplanning houdt de beoordelingscommissie binnen de perken van de kredieten die daarvoor beschikbaar zijn op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, rekening met:
1° het beleidsmatig investeringsprogramma, vermeld in [1 artikel 2.22 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]1;
2° [1 artikel 4.13, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;]1
3° de aangegane engagementen en overeenkomsten.
1° het beleidsmatig investeringsprogramma, vermeld in [1 artikel 2.22 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021]1;
2° [1 artikel 4.13, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;]1
3° de aangegane engagementen en overeenkomsten.
Art.6. Lors de l'établissement du planning pluriannuel et du planning à court terme, il est tenu compte des points suivants par la commission d'évaluation, dans les limites des crédits disponibles à cet effet au budget de la Communauté flamande :
1° le programme d'investissement politique, visé à l'article 22, § 2, du Code flamand du Logement ;
2° l'article 33, § 3, alinéa premier du Code flamand du Logement ;
3° les engagements et conventions conclus.
1° le programme d'investissement politique, visé à l'article 22, § 2, du Code flamand du Logement ;
2° l'article 33, § 3, alinéa premier du Code flamand du Logement ;
3° les engagements et conventions conclus.
Art.7. In dit artikel wordt verstaan onder een verrichting:
1° de nieuwbouw en de verwerving van één of meerdere goede woningen;
2° de investering in de renovatie, de verbetering of de aanpassing van verworven bebouwde onroerende goederen;
[1 3° de vervangingsbouw van verworven bebouwde onroerende goederen.]1
Bij de beslissing over de opname van een verrichting in de meerjarenplanning en de kortetermijnplanning houdt de beoordelingscommissie, respectievelijk [2 het agentschap Wonen in Vlaanderen]2 achtereenvolgens rekening met:
1° voorrang voor de verrichtingen die deel uitmaken van een CBO-oproep;
2° de chronologische volgorde volgens de datum waarop de verrichting principieel vatbaar is voor opname in de meerjarenplanning, respectievelijk principieel vatbaar is voor opname in de kortetermijnplanning.
1° de nieuwbouw en de verwerving van één of meerdere goede woningen;
2° de investering in de renovatie, de verbetering of de aanpassing van verworven bebouwde onroerende goederen;
[1 3° de vervangingsbouw van verworven bebouwde onroerende goederen.]1
Bij de beslissing over de opname van een verrichting in de meerjarenplanning en de kortetermijnplanning houdt de beoordelingscommissie, respectievelijk [2 het agentschap Wonen in Vlaanderen]2 achtereenvolgens rekening met:
1° voorrang voor de verrichtingen die deel uitmaken van een CBO-oproep;
2° de chronologische volgorde volgens de datum waarop de verrichting principieel vatbaar is voor opname in de meerjarenplanning, respectievelijk principieel vatbaar is voor opname in de kortetermijnplanning.
Art.7. Dans le présent article, on entend par 'opération' :
1° la construction nouvelle et l'acquisition d'un ou de plusieurs bons logements ;
2° l'investissement dans la rénovation, l'amélioration ou l'adaptation de biens immobiliers bâtis qui ont été acquis ;
[1 3° la construction de remplacement de biens immobiliers bâtis qui ont été acquis.]1
Au moment de la décision de la reprise d'une opération dans le planning pluriannuel et dans le planning à court terme, la commission d'évaluation, respectivement [2 l'agence Habiter en Flandre]2 tient successivement compte de :
1° la priorité des opérations qui font partie d'un appel ACMP ;
2° l'ordre chronologique selon la date à laquelle l'opération est en principe susceptible d'inscription dans le planning pluriannuel ou est en principe susceptible d'inscription dans le planning à court terme.
1° la construction nouvelle et l'acquisition d'un ou de plusieurs bons logements ;
2° l'investissement dans la rénovation, l'amélioration ou l'adaptation de biens immobiliers bâtis qui ont été acquis ;
[1 3° la construction de remplacement de biens immobiliers bâtis qui ont été acquis.]1
Au moment de la décision de la reprise d'une opération dans le planning pluriannuel et dans le planning à court terme, la commission d'évaluation, respectivement [2 l'agence Habiter en Flandre]2 tient successivement compte de :
1° la priorité des opérations qui font partie d'un appel ACMP ;
2° l'ordre chronologique selon la date à laquelle l'opération est en principe susceptible d'inscription dans le planning pluriannuel ou est en principe susceptible d'inscription dans le planning à court terme.
Art.8. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder verrichting: de investering in de renovatie, de verbetering of de aanpassing van eigen sociale huurwoningen en [1 vervangingsbouw van eigen sociale]1 huurwoningen.
§ 2. Bij de beslissing over de opname van een verrichting in de meerjarenplanning houdt de beoordelingscommissie rekening met de chronologische volgorde volgens de datum waarop de verrichting principieel vatbaar is voor opname in de meerjarenplanning.
De beoordelingscommissie kan in geval van beperkte budgetten beslissen om voorrang te verlenen aan projecten op basis van de conditiescore die de projecten in het kader van de renovatietoets hebben gekregen of op basis van de veiligheids- en gezondheidsaspecten van de gebouwen of woningen in de projecten.
§ 3. Bij de beslissing over de opname van een verrichting in de kortetermijnplanning houdt de beoordelingscommissie, respectievelijk [2 het agentschap Wonen in Vlaanderen]2 rekening met de chronologische volgorde volgens de datum waarop de verrichting principieel vatbaar is voor opname in de kortetermijnplanning.
De beoordelingscommissie kan in geval van beperkte budgetten beslissen om voorrang te verlenen aan projecten op basis van de conditiescore die de projecten in het kader van de renovatietoets hebben gekregen of op basis van de veiligheids- en gezondheidsaspecten van de gebouwen of woningen in de projecten.
§ 2. Bij de beslissing over de opname van een verrichting in de meerjarenplanning houdt de beoordelingscommissie rekening met de chronologische volgorde volgens de datum waarop de verrichting principieel vatbaar is voor opname in de meerjarenplanning.
De beoordelingscommissie kan in geval van beperkte budgetten beslissen om voorrang te verlenen aan projecten op basis van de conditiescore die de projecten in het kader van de renovatietoets hebben gekregen of op basis van de veiligheids- en gezondheidsaspecten van de gebouwen of woningen in de projecten.
§ 3. Bij de beslissing over de opname van een verrichting in de kortetermijnplanning houdt de beoordelingscommissie, respectievelijk [2 het agentschap Wonen in Vlaanderen]2 rekening met de chronologische volgorde volgens de datum waarop de verrichting principieel vatbaar is voor opname in de kortetermijnplanning.
De beoordelingscommissie kan in geval van beperkte budgetten beslissen om voorrang te verlenen aan projecten op basis van de conditiescore die de projecten in het kader van de renovatietoets hebben gekregen of op basis van de veiligheids- en gezondheidsaspecten van de gebouwen of woningen in de projecten.
Art.8. § 1er Dans le présent article, on entend par 'opération' : l'investissement dans la rénovation, l'amélioration ou l'adaptation des propres logements locatifs sociaux et dans [1 la construction de remplacement de propres logements locatifs sociaux]1.
§ 2. Au moment de la décision sur l'inscription d'une opération dans le planning pluriannuel, la commission d'évaluation tient compte de l'ordre chronologique selon la date à laquelle l'opération est en principe susceptible d'inscription dans le planning pluriannuel.
En cas de budgets limités, la commission d'évaluation peut décider de donner priorité à des projets sur la base du score de condition que les projets ont obtenu dans le cadre de l'évaluation de la rénovation ou sur la base des aspects de sécurité et de salubrité des bâtiments ou logements dans les projets.
§ 3. Au moment de la décision sur l'inscription d'une opération dans le planning à court terme, la commission d'évaluation, respectivement [2 l'agence Habiter en Flandre]2 tient compte de l'ordre chronologique selon la date à laquelle l'opération est en principe susceptible d'une inscription dans le planning à court terme.
En cas de budgets limités, la commission d'évaluation peut décider de donner priorité à des projets sur la base du score de condition que les projets ont obtenu dans le cadre de l'évaluation de la rénovation ou sur la base des aspects de sécurité et de salubrité des bâtiments ou logements dans les projets.
§ 2. Au moment de la décision sur l'inscription d'une opération dans le planning pluriannuel, la commission d'évaluation tient compte de l'ordre chronologique selon la date à laquelle l'opération est en principe susceptible d'inscription dans le planning pluriannuel.
En cas de budgets limités, la commission d'évaluation peut décider de donner priorité à des projets sur la base du score de condition que les projets ont obtenu dans le cadre de l'évaluation de la rénovation ou sur la base des aspects de sécurité et de salubrité des bâtiments ou logements dans les projets.
§ 3. Au moment de la décision sur l'inscription d'une opération dans le planning à court terme, la commission d'évaluation, respectivement [2 l'agence Habiter en Flandre]2 tient compte de l'ordre chronologique selon la date à laquelle l'opération est en principe susceptible d'une inscription dans le planning à court terme.
En cas de budgets limités, la commission d'évaluation peut décider de donner priorité à des projets sur la base du score de condition que les projets ont obtenu dans le cadre de l'évaluation de la rénovation ou sur la base des aspects de sécurité et de salubrité des bâtiments ou logements dans les projets.
Art.9. Bij de beslissing over de opname van een infrastructuurverrichting in de meerjarenplanning en de kortetermijnplanning houdt [1 het agentschap Wonen in Vlaanderen]1 rekening met de chronologische volgorde volgens de datum waarop de verrichting principieel vatbaar is voor opname in de meerjarenplanning, respectievelijk principieel vatbaar is voor opname in de kortetermijnplanning.
Art.9. Au moment de la décision sur l'inscription d'une opération d'infrastructure dans le planning pluriannuel et dans le planning à court terme, [1 l'agence Habiter en Flandre]1 tient compte de l'ordre chronologique selon la date à laquelle l'opération est en principe susceptible d'inscription dans le planning pluriannuel ou est en principe susceptible d'inscription dans le planning à court terme.
Wijzigingen
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions finales
Art.10. Het ministerieel besluit van 13 februari 2014 houdende vaststelling van het decretale beleidskader en het financiële kader ter uitvoering van artikel 4, eerste lid, van het Procedurebesluit Wonen van 25 oktober 2013, wordt opgeheven.
Art.10. L'arrêté ministériel du 13 février 2014 fixant le cadre politique décrétal et le cadre financier en exécution de l'article 4, alinéa premier, du Règlement de procédure Logement du 25 octobre 2013, est abrogé.
Art.11. In afwijking van artikel 4, tweede lid, 2°, wordt het geplande sociaal huuraanbod in de gemeente tot en met 31 december 2017 berekend als het aanbod aan bijkomende sociale huurwoningen in projecten waarvan de bouw- of investeringsverrichting volgens de meest recente beoordelingscommissie is opgenomen in de meerjarenplanning of in de kortetermijnplanning of waarvan voor de bouw- of investeringsverrichting middelen zijn toegewezen op een jaarbudget en de werkzaamheden nog niet zijn voltooid.
Art.11. Par dérogation à l'article 4, alinéa deux, 2° et jusqu'au 31 décembre 2017 compris, l'offre de location sociale planifiée dans la commune est calculée comme l'offre de logements locatifs sociaux supplémentaires dans des projets dont, selon la commission d'évaluation la plus récente, l'opération de construction ou d'investissement est inscrite dans le planning pluriannuel ou dans le planning à court terme ou dont des moyens ont été alloués sur un budget annuel pour l'opération de construction ou d'investissement dont les travaux n'ont pas encore été achevés.
Art. 12. Hoofdstuk 3 en 4 en artikel 10 en 11 treden in werking op 1 november 2017.
Art. 12. Les chapitres 3 et 4 et les articles 10 et 11 entrent en vigueur le 1er novembre 2017.