Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
13 JULI 2017. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-07-2017 en tekstbijwerking tot 03-11-2025)
Titre
13 JUILLET 2017. - Arrêté royal fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 19-07-2017 et mise à jour au 03-11-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL I. - Toepassingsgebied, definities en alg... HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities HOOFDSTUK II. - Algemene principes TITEL II. - Toelagen HOOFDSTUK I. - Ambtshalve toegekende toelagen Afdeling 1. - Onvoorwaardelijk toegekende toelagen Onderafdeling 1. - Vakantiegeld Onderafdeling 2. - Eindejaarstoelage Afdeling 2. - Haard- en standplaatstoelage toeg... Afdeling 2/1. [1 - Toelage voor het arts- of ta... Afdeling 3. - Toelagen toegekend wegens het ein... Onderafdeling 1. - Toelage wegens ontslag Onderafdeling 2. - Compenserende toelage HOOFDSTUK II. - Toelagen verbonden aan ongewone... Afdeling 1. - Directietoelage Afdeling 2. - Toelage voor de uitoefening van e... Afdeling 3. - Toelage voor opleidingsactiviteit Afdeling 4. - Creatie van specifieke toelagen HOOFDSTUK III. - Toelagen verbonden aan de spec... Afdeling 1. - Wachttoelage Afdeling 2. - Toelage voor onregelmatige presta... Afdeling 3. - Toelage voor werk in opeenvolgend... Afdeling 4. - Toelage voor bijkomende prestaties HOOFDSTUK IV. - Taaltoelage Afdeling 1. [1 - Algemene bepaling]1 Afdeling 2. [1 - Taaltoelage - administratieve ... Afdeling 3. [1 - taaltoelage - gebarentaal]1 TITEL III. - Vergoedingen HOOFDSTUK I. - Vergoeding voor verplaastingskos... HOOFDSTUK II. - Vergoedingen voor reiskosten Afdeling 1. - Principes Afdeling 2. - Gebruik van het gemeenschappelijk... Afdeling 3. - Gebruik van een persoonlijk voertuig Afdeling 3bis. [1 - Deelmobiliteit]1 Afdeling 4. - Ander vervoermiddel HOOFDSTUK III. - Vergoeding voor het gebruik va... HOOFDSTUK IV. - Vergoeding voor verblijfkosten Afdeling 1. - Principe Afdeling 2. - Vergoeding voor verblijfkosten in... Afdeling 3. - Vergoeding voor verblijfkosten in... HOOFDSTUK V. - Vergoeding wegens begrafeniskosten HOOFDSTUK VI. - Vergoeding voor telewerkkosten HOOFDSTUK VI/1. [1 Vergoeding voor het gebruik ... HOOFDSTUK VI/2. [1 Vergoeding voor representati... HOOFDSTUK VII. - Creatie van specifieke vergoed... TITEL IIIbis. [1 - Andere voordelen]1 Afdeling I. [1 - Fietsleasing]1 TITEL IV. - Opheffende en wijzigende bepalingen HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk bes... HOOFDSTUK II. - Wijziging van het koninklijk be... HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk b... HOOFDSTUK IV. - Wijziging van het koninklijk be... HOOFDSTUK V. - Wijziging van het koninklijk bes... HOOFDSTUK VI. - Wijziging van het koninklijk be... HOOFDSTUK VII. - Wijziging van het koninklijk b... HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van het koninklijk ... HOOFDSTUK IX. - Wijziging van het koninklijk be... HOOFDSTUK X. - Wijziging van het koninklijk bes... HOOFDSTUK XI. - Wijziging van het ministerieel ... HOOFDSTUK XII. - Opheffingsbepalingen TITEL V. - Bewarende, overgangs- en slotbepalingen BIJLAGE.
Inhoud
TITRE Ier. - Champ d'application, définitions e... CHAPITRE Ier. - Champ d'application et définitions CHAPITRE II. - Principes généraux TITRE II. - Allocations CHAPITRE Ier. - Allocations octroyées d'office Section 1ère. - Allocations octroyées inconditi... Sous-section 1ère. - Pécule de vacances Sous-section 2. - Allocation de fin d'année Section 2. - Allocation de foyer et résidence o... Section 2/1. [1 - Allocation octroyée au membre... Section 3. - Allocations octroyées en raison de... Sous-section 1ère. - Allocation de départ Sous-section 2. - Allocation compensatoire CHAPITRE II. - Allocations liées à des prestati... Section 1ère. - Allocation de direction Section 2. - Allocation pour l'exercice d'une f... Section 3. - Allocation pour activité de formation Section 4. - Création d'allocations spécifiques CHAPITRE III. - Allocations liées à une organis... Section 1re. - Allocation de garde Section 2. - Allocation pour prestations irrégu... Section 3. - Allocation de travail par équipes ... Section 4. - Allocation pour prestations supplé... CHAPITRE IV. - Allocation linguistique Section 1. [1 - Disposition générale]1 Section 2. [1 - Allocation linguistique - langu... Section 3. [1 - Allocation linguistique - langu... TITRE III. - Indemnités CHAPITRE Ier. - Indemnité pour frais de déplace... CHAPITRE II. - Indemnités pour frais de parcours Section Ire. - Principes Section 2. - Utilisation des moyens de transpor... Section 3. - Utilisation d'un véhicule personnel Section 3bis. [1 - Mobilité partagée]1 Section 4. - Autre moyen de transport CHAPITRE III. - Indemnité pour l'utilisation de... CHAPITRE IV. - Indemnité pour frais de séjour Section 1re. - Principe Section 2. - Indemnité pour frais de séjour en ... Section 3. - Indemnité pour frais de séjour à l... CHAPITRE V. - Indemnité pour frais funéraires CHAPITRE VI. - Indemnité pour frais de télétravail CHAPITRE VI/1. [1 Indemnité pour frais d'usage ... CHAPITRE VI/2. [1 Indemnité pour frais de repré... CHAPITRE VII. - Création d'indemnités spécifiques TITRE IIIbis. [1 - Autres avantages]1 Section I. [1 - Leasing vélo]1 TITRE IV. - Dispositions abrogatoires et modifi... CHAPITRE Ier. - Modification de l'arrêté royal ... CHAPITRE II. - Modification de l'arrêté royal d... CHAPITRE III. - Modification de l'arrêté royal ... CHAPITRE IV. - Modification de l'arrêté royal d... CHAPITRE V. - Modification de l'arrêté royal du... CHAPITRE VI. - Modification de l'arrêté royal d... CHAPITRE VII. - Modification de l'arrêté royal ... CHAPITRE VIII. - Modification de l'arrêté royal... CHAPITRE IX. - Modification de l'arrêté royal d... CHAPITRE X. - Modification de l'arrêté royal du... CHAPITRE XI. - Modification de l'arrêté ministé... CHAPITRE XII. - Dispositions abrogatoires TITRE V. - Dispositions de sauvegarde, transito... ANNEXE.
Tekst (201)
Texte (201)
TITEL I. - Toepassingsgebied, definities en algemene principes
TITRE Ier. - Champ d'application, définitions et principes généraux
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities
CHAPITRE Ier. - Champ d'application et définitions
Artikel 1. § 1. Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 zijn de bepalingen van titel II betreffende de toelage voor de uitoefening van een hogere functie en de toelage wegens ontslag niet van toepassing op de stagiairs.
  In afwijking van paragraaf 1 zijn de bepalingen van dit besluit echter slechts van toepassing op de mandaathouders wat betreft artikel 15 en de in titel II bedoelde eindejaarstoelage en titel III, die bestaat uit de artikelen 63 tot 100.
  In afwijking echter van het tweede lid en van artikel 2, eerste lid, 23° zijn hoofdstukken IV en V van titel III niet van toepassing op de mandaathouder als zijn totale bezoldiging voorziet in de forfaitaire terugbetaling van onkosten. Hoofdstukken I tot III van titel III zijn niet van toepassing op de mandaathouder als hem een dienstvoertuig ter beschikking werd gesteld.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 zijn de bepalingen van titel II betreffende de wachttoelagen, de toelagen voor onregelmatige prestaties en de toelagen voor werk in opeenvolgende ploegen niet van toepassing :
  1° op de personeelsleden van de permanente eenheden van de Civiele Bescherming die een vierentwintiguursdienst moeten verrichten;
  2° op de personeelsleden van de gesloten centra onder het beheer van de Algemene Directie van de Dienst Vreemdelingenzaken voor wie nachtprestaties, feestdagen of weekenden tot hun normaal uurrooster behoren;
  3° [1 ...]1
  4° op de personeelsleden van de noodoproepencentrales 100, 101 en 112;
  5° op de personeelsleden van de buitendiensten van het Directoraat-Generaal Penitentiaire Inrichtingen;
  6° op de burgerlijke ambtenaren bekleed met een bijzondere graad van het stafdepartement Inlichtingen en Veiligheid van het Ministerie van Landsverdediging.
  [1 § 4. In afwijking van paragraaf 1 zijn de bepalingen van titel II betreffende de toelagen voor onregelmatige prestaties en voor werk in opeenvolgende ploegen niet van toepassing op de personeelsleden die de permanentie verzekeren binnen de Algemene Directie van het Nationaal Crisiscentrum van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken.]1
  § 4. In afwijking van paragraaf 1 zijn de bepalingen van titel II betreffende de taaltoelage eveneens van toepassing op de leden van de beleidscellen, van de cel Algemene Beleidscoördinatie, van de cellen Algemeen Beleid en van de secretariaten van de ministers en van de Staatssecretarissen die geen deel uitmaken van het federaal openbaar ambt.
  § 5. Het gebruik van de mannelijke vorm in dit besluit is gemeenslachtig.
  
Article 1er. § 1er. Le présent arrêté s'applique aux membres du personnel de la fonction publique fédérale.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les dispositions du Titre II relatives à l'allocation pour l'exercice d'une fonction supérieure et à l'allocation de départ, ne sont pas applicables aux stagiaires.
  Par dérogation au paragraphe 1er, les dispositions du présent arrêté ne sont toutefois applicables au mandataire qu'en ce qui concerne l'article 15 et l'allocation de fin d'année visée au titre II, ainsi que le titre III, comprenant les articles 63 à 100.
  Toutefois, par dérogation à l'alinéa 2 et à l'article 2, alinéa 1er, 23°, les chapitres IV et V du Titre III ne s'appliquent pas au mandataire lorsque sa rémunération totale prévoit le remboursement forfaitaire de frais. Les chapitres I à III du Titre III ne s'appliquent pas au mandataire lorsqu'un véhicule de fonction a été mis à sa disposition.
  § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, les dispositions du Titre II relatives aux allocations de garde, pour prestations irrégulières, et de travail par équipes successives, ne s'appliquent pas :
  1° aux membres du personnel des unités permanentes de la Protection Civile, astreints au service des vingt-quatre heures;
  2° aux membres du personnel des centres fermés gérés par la Direction Générale de l'Office des Etrangers dont l'horaire normal de travail comprend des prestations de nuit, de jours fériés ou de week-end;
  3° [1 ...]1
  4° aux membres du personnel des centres d'appels urgents 100, 101 et 112;
  5° aux membres du personnel des services extérieurs de la Direction Générale des Etablissements pénitentiaires;
  6° aux agents civils revêtus d'un grade spécifique du département d'état-major Renseignement et Sécurité du Ministère de la Défense.
  [1 § 4. Par dérogation au paragraphe 1er, les dispositions du titre II relatives aux allocations pour prestations irrégulières et de travail par équipes successives ne s'appliquent pas aux membres du personnel qui assurent la permanence à la Direction générale du Centre de crise National du Service public fédéral Intérieur.]1
  § 4. Par dérogation au paragraphe 1er, les dispositions du titre II relatives à l'allocation linguistique sont également applicables aux membres des cellules stratégiques, de la cellule de Coordination Générale de la Politique, des cellules de Politique Générale et des secrétariats des ministres et des secrétaires d'Etat qui n'appartiennent pas à la fonction publique fédérale.
  § 5. L'usage du masculin dans le présent arrêté est épicène.
  
Art.2. In dit besluit verstaat men onder :
  1° federale dienst : een federale overheidsdienst, een programmatorische federale overheidsdienst, het Ministerie van Landsverdediging alsook de diensten die ervan afhangen, of een van de rechtspersonen bedoeld in artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken;
  2° federaal openbaar ambt : het geheel van de federale diensten;
  3° federale overheidsdiensten : de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten, alsook de diensten die ervan afhangen;
  4° openbare instellingen van sociale zekerheid : de instellingen die vallen onder het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, in toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
  5° instellingen van openbaar nut : de rechtspersonen bedoeld in artikel 1, 3°, van de voormelde wet van 22 juli 1993 die geen openbare instellingen van sociale zekerheid zijn;
  6° overheidsdienst : de administratie die door een overheid is ingesteld om haar verplichte wettelijke opdrachten te verzekeren;
  7° personeelslid : elke werknemer die tot een federale dienst behoort;
  8° ambtenaar : elk personeelslid van een federale dienst van wie de arbeidsrelatie met de overheid eenzijdig door deze overheid wordt bepaald;
  9° stagiair : de ambtenaar die een stage vervult, niet vastbenoemd is en de eed niet heeft afgelegd in deze functie;
  10° contractueel : elk personeelslid dat met een arbeidsovereenkomst in dienst wordt genomen in een federale dienst;
  11° mandaathouder : de ambtenaar die in een federale dienst een management- of een staffunctie uitoefent in het kader van een mandaat van bepaalde duur;
  12° leidend ambtenaar : de voorzitter van het directiecomité van een federale overheidsdienst, de voorzitter van een programmatorische federale overheidsdienst, de leidend ambtenaar of de ambtenaar belast met het dagelijks beheer van een openbare instelling van sociale zekerheid of van een instelling van openbaar nut, de ambtenaar die de directieraad van het Ministerie van Landsverdediging voorzit;
  13° P&O-directeur : de directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie of, in de federale diensten waar deze functie niet is toegekend, de directeur of de verantwoordelijke van de dienst belast met het humanresourcesmanagement of, bij gebrek hieraan, de verantwoordelijke van de personeelsdienst;
  14° directiecomité : het directiecomité voor een federale overheidsdienst of een programmatorische federale overheidsdienst of de directieraad voor het Ministerie van Landsverdediging en voor een van de rechtspersonen bedoeld in artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken;
  15° werkdag : alle dagen van de week, met uitzondering van zaterdagen, zondagen en feestdagen;
  16° arbeidsdag : de dagen waarop een personeelslid diensten moet presteren volgens zijn werkrooster;
  17° feestdag : alle dagen bedoeld in artikel 14, § 1 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen;
  18° nacht : de periode bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector;
  19° dag, maand, trimester, kwadrimester, semester, jaar : dag, maand, trimester, kwadrimester, semester, jaar, zoals ze in de kalender voorkomen;
  20° indexeringsregeling : de koppeling aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de regels voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld;
  21° ouderschapsverlof : het onbezoldigd ouderschapsverlof evenals het ouderschapsverlof toegekend in het kader van de voltijdse of deeltijdse loopbaanonderbreking;
  22° verlof verbonden aan de bescherming van het moederschap : het verlof of de arbeidsonderbreking bedoeld in artikelen 39 en 42 tot 43bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 18, tweede lid, van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd;
  23° bezoldiging : de wedde, de schaalbonificatie en, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende de bijzondere bepalingen met betrekking tot de bezoldigingsregeling van het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën, het complement, het weddecomplement en het weddesupplement;
  24° administratieve standplaats : de plaats waar het personeelslid zijn functie hoofdzakelijk uitoefent;
  25° werkplaats : de plaats waar het personeelslid zich werkelijk bevindt om zijn functie uit te oefenen;
  26° voertuig : het motorvoertuig, met inbegrip van de motorfiets en de bromfiets;
  [1 27° Directoraat-generaal: het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning.]1
  De uitdrukking "personeelslid" bedoeld in de definities in 7°, 8° en 10° van het eerste lid moet worden begrepen als "burgerpersoneelslid" als ze betrekking heeft op het Ministerie van Landsverdediging.
  Als een bevoegdheid gedelegeerd wordt, verbiedt de uitdrukking "of aan zijn afgevaardigde" niet dat de bevoegdheid aan meerdere personen gedelegeerd wordt.
  Als het akkoord van de inspecteur van Financiën wordt gevraagd krachtens artikelen 28 en 31 wordt dit akkoord gegeven door de afgevaardigde van de minister van Begroting voor de instellingen bedoeld in het eerste lid, 4° en 5°.
  
Art.2. Dans le présent arrêté, on entend par :
  1° service fédéral : un service public fédéral, un service public fédéral de programmation, le Ministère de la Défense ainsi que les services qui en dépendent, ou une des personnes morales visées à l'article 1er, 3°, de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique;
  2° fonction publique fédérale : l'ensemble des services fédéraux;
  3° services publics fédéraux : les services publics fédéraux et les services publics fédéraux de programmation, ainsi que les services qui en dépendent;
  4° institutions publiques de sécurité sociale : les institutions relevant de l'arrêté royal du 3 avril 1997 portant des mesures en vue de la responsabilisation des institutions publiques de sécurité sociale en application de l'article 47 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
  5° organismes d'intérêt public : les personnes morales visées à l'article 1er, 3°, de la loi du 22 juillet 1993 précitée qui ne sont pas des institutions publiques de sécurité sociale;
  6° service public : l'administration mise en place par une autorité publique pour assurer ses missions légales obligatoires;
  7° membre du personnel : tout travailleur appartenant à un service fédéral;
  8° agent : tout membre du personnel d'un service fédéral dont la relation de travail avec l'autorité est définie unilatéralement par celle-ci;
  9° stagiaire : l'agent qui accomplit un stage, n'est pas nommé à titre définitif et n'a pas prêté serment dans cette fonction;
  10° contractuel : tout membre du personnel engagé au sein d'un service fédéral par un contrat de travail;
  11° mandataire : l'agent qui exerce au sein d'un service fédéral une fonction de management ou une fonction d'encadrement, dans le cadre d'un mandat à durée déterminée;
  12° fonctionnaire dirigeant : le président du comité de direction d'un service public fédéral, le président d'un service public fédéral de programmation, le fonctionnaire dirigeant ou l'agent chargé de la gestion journalière d'une institution publique de sécurité sociale ou d'un organisme d'intérêt public, l'agent qui préside le conseil de direction du ministère de la Défense;
  13° directeur P&O : le directeur du service d'encadrement Personnel et Organisation ou, dans les services fédéraux où cette fonction n'est pas attribuée, le directeur ou le responsable du service chargé de la gestion des ressources humaines ou, à défaut, le responsable du service du personnel;
  14° comité de direction : le comité de direction pour un service public fédéral ou un service public fédéral de programmation ou le conseil de direction pour le ministère de la Défense et pour une des personnes morales visées à l'article 1er, 3°, de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique;
  15° jour ouvrable : tous les jours de la semaine à l'exception des samedis, des dimanches et des jours fériés;
  16° jour ouvré : les jours où des services doivent être prestés par un membre du personnel, selon son horaire de travail;
  17° jour férié : tous les jours visés à l'article 14, § 1er de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat;
  18° nuit : la période visée à l'article 10, alinéa 2, de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public;
  19° jour, mois, trimestre, quadrimestre, semestre, année : jour, mois, trimestre, quadrimestre, semestre, année tels qu'ils figurent au calendrier;
  20° régime d'indexation : la liaison aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément aux règles prescrites par la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation de l'Etat de certaines dépenses du secteur public;
  21° congé parental : le congé parental non rémunéré de même que celui octroyé dans le cadre de l'interruption de carrière, qu'il soit à temps plein ou à temps partiel;
  22° congé lié à la protection de la maternité : le congé ou l'interruption de travail visés aux articles 39 et 42 à 43bis de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou à l'article 18, alinéa 2, de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail;
  23° rémunération : le traitement, la bonification d'échelle ainsi que, tels que visés à l'arrêté royal du 3 mars 2005 fixant les dispositions particulières concernant le statut pécuniaire des membres du personnel du Service public fédéral Finances, le complément, le complément de traitement et le supplément de traitement;
  24° résidence administrative : le lieu où le membre du personnel exerce principalement sa fonction;
  25° lieu de travail : le lieu où le membre du personnel se trouve réellement pour exécuter sa fonction;
  26° véhicule : le véhicule à moteur en ce compris la motocyclette et le cyclomoteur;
  [1 27° Direction générale : la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui.]1
  L'expression " membre du personnel " visée dans les définitions des 7°, 8° et 10° de l'alinéa 1er se comprend comme " membre du personnel civil " lorsqu'elle concerne le ministère de la Défense.
  Lorsqu'une compétence est déléguée, l'expression " ou à son délégué " n'interdit pas que la compétence soit déléguée à plusieurs personnes.
  Lorsque l'accord de l'Inspecteur des Finances est sollicité en vertu des articles 28 et 31, cet accord est donné par le délégué du ministre du Budget pour les organismes visés à l'alinéa 1er, 4° et 5°.
  
HOOFDSTUK II. - Algemene principes
CHAPITRE II. - Principes généraux
Art.3. Er wordt een toelage toegekend aan het personeelslid, hetzij ambtshalve, hetzij wegens verrichte prestaties die niet als normaal kunnen worden beschouwd vergeleken met de uitoefening van de functie, hetzij wegens een specifieke organisatie van de arbeidstijd, hetzij na het slagen voor een proef.
  Worden beschouwd als een ambtshalve toegekende toelage :
  1° het vakantiegeld en de eindejaarstoelage, onvoorwaardelijk toegekend;
  2° de haard- en standplaatstoelage toegekend wegens de persoonlijke situatie van het personeelslid;
  [1 2/1° de toelage voor het arts- of tandartspersoneelslid toegekend wegens de specificiteit van de functie;]1
  3° de toelage wegens ontslag en de compenserende vergoeding, toegekend wegens het einde van de arbeidsrelatie.
  Worden beschouwd als een toelage verbonden aan prestaties die niet als normaal kunnen worden beschouwd vergeleken met de uitoefening van de functie :
  1° de directietoelage;
  2° de toelage voor de uitoefening van een hogere functie;
  3° de toelage voor opleidingsactiviteiten;
  4° in voorkomend geval de toelage gecreëerd in toepassing van afdeling 4 van het hoofdstuk II van titel II.
  Worden beschouwd als een toelage verbonden aan de specifieke organisatie van de arbeidstijd :
  1° de wachttoelage;
  2° de toelage voor onregelmatige prestaties;
  3° de toelage voor werk in opeenvolgende ploegen;
  4° de toelage voor bijkomende prestaties.
  De taaltoelage wordt beschouwd als een toelage verbonden aan het slagen voor een proef.
  
Art.3. Une allocation est octroyée au membre du personnel soit d'office, soit en raison de prestations accomplies qui ne peuvent être considérées comme normales par rapport à l'exercice de la fonction, soit en raison d'une organisation spécifique de la durée de travail, soit suite à la réussite d'épreuve.
  Sont considérées comme une allocation octroyée d'office :
  1° le pécule de vacances et l'allocation de fin d'année, octroyés inconditionnellement;
  2° l'allocation de foyer et de résidence octroyée en raison de la situation personnelle du membre du personnel;
  [1 2/1° l'allocation destinée au membre du personnel médecin ou dentiste octroyée en raison de la spécificité de la fonction ;]1
  3° l'allocation de départ et l'allocation compensatoire, octroyées en raison de la fin de la relation de travail.
  Sont considérées comme une allocation liée à des prestations qui ne peuvent être considérées comme normales par rapport à l'exercice de la fonction :
  1° l'allocation de direction;
  2° l'allocation pour l'exercice d'une fonction supérieure;
  3° l'allocation pour activités de formation;
  4° le cas échéant, l'allocation créée en application de la section 4, du chapitre II du Titre II.
  Sont considérées comme une allocation liée à une organisation spécifique de la durée du travail :
  1° l'allocation de garde;
  2° l'allocation pour prestations irrégulières;
  3° l'allocation de travail par équipes successives;
  4° l'allocation pour prestations supplémentaires.
  Est considérée comme une allocation liée à la réussite d'épreuve, l'allocation linguistique.
  
Art.4. Voor de directietoelage, de toelage voor de uitoefening van een hogere functie [1 , de toelage voor het arts- of een tandartspersoneelslid toegekend wegens de specificiteit van de functie]1 of voor alle specifieke toelagen is de toelage niet verschuldigd als :
  1° het personeelslid om eender welke reden meer dan dertig opeenvolgende werkdagen afwezig is; de schorsing van de toelage gebeurt met terugwerkende kracht op de eerste dag van de afwezigheid;
  2° ofwel als het personeelslid het voordeel van zijn bezoldiging verliest of een wachtgeld geniet; de schorsing van de toelage gebeurt vanaf de eerste dag.
  Behoudens bijzondere bepalingen is de toelage naar rato verschuldigd als de bezoldiging zelf naar rato wordt betaald.
  Hij houdt op verschuldigd te zijn als niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan.
  Komen niet in aanmerking voor de registratie van de dertig werkdagen, bepaald in het eerste lid, 1° :
  1° een ouderschapsverlof en een verlof verbonden aan de bescherming van het moederschap;
  2° de recuperaties die worden toegekend in het kader van de overschrijdingen van de grens die is bepaald in de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector;
  3° een jaarlijks vakantieverlof;
  4° een afwezigheid door een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte.
  
Art.4. Pour l'allocation de direction, l'allocation pour l'exercice d'une fonction supérieure [1 , l'allocation destinée au membre du personnel médecin ou dentiste octroyée en raison de la spécificité de la fonction]1 ou pour toute allocation spécifique, l'allocation n'est pas due lorsque :
  1° soit le membre du personnel est absent, pour quelque raison que ce soit, pendant plus de trente jours ouvrables successifs; la suspension de l'allocation s'opère avec effet rétroactif au premier jour de l'absence;
  2° soit le membre du personnel perd le bénéfice de sa rémunération ou bénéficie d'une rémunération d'attente; la suspension de l'allocation s'opère dès le premier jour.
  Sauf dispositions particulières, l'allocation est due au prorata lorsque la rémunération est elle-même payée au prorata.
  Elle cesse d'être due lorsque les conditions ne sont plus remplies.
  Ne sont pas pris en compte pour la comptabilisation des trente jours ouvrables visés à l'alinéa 1er, 1° :
  1° un congé parental et un congé lié à la protection de la maternité;
  2° les récupérations accordées dans le cadre des dépassements à la limite fixée dans la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public;
  3° un congé annuel de vacances;
  4° une absence due à un accident du travail, à un accident sur le chemin du travail ou à une maladie professionnelle.
  
Art.5. Er wordt een vergoeding toegekend aan het personeelslid dat verplicht is om naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie werkelijke onkosten te dragen die niet beschouwd kunnen worden als normaal, of ze nu al dan niet inherent zijn aan de functie.
Art.5. Une indemnité est accordée au membre du personnel qui est astreint à supporter des frais réels à l'occasion de l'exercice de sa fonction et qui ne peuvent être considérés comme normaux, qu'ils soient inhérents ou non à la fonction.
Art.6. Iedere vergoeding wordt toegekend op basis van de bewijsstukken van het bestaan van werkelijke onkosten, die het personeelslid verstrekt.
  De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde weigert de terugbetaling van de kosten als hij ze ongerechtvaardigd vindt. In voorkomend geval vermindert hij ze als hij ze overdreven vindt of normaliter vermeden hadden kunnen worden.
Art.6. Toute indemnité est accordée sur la base des justificatifs de l'existence de frais réels que le membre du personnel fournit.
  Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué refuse le remboursement des frais lorsqu'il les estime injustifiés. Le cas échéant, il les réduit lorsqu'il les estime exagérés ou auraient normalement pu être évités.
Art.7. Behoudens bijzondere bepalingen, als de functie waaraan een forfaitaire vergoeding is verbonden niet wordt uitgeoefend, wordt de betaling van de bedoelde vergoeding geschorst.
Art.7. Sauf dispositions particulières, lorsque la fonction à laquelle une indemnité forfaitaire est attachée n'est pas exercée, le paiement de ladite indemnité est suspendu.
Art.8. De agglomeraties die inzake vergoedingen in aanmerking moeten worden genomen, zijn de volgende :
  a) Brusselse agglomeratie : Anderlecht, Oudergem, Sint-Agatha-Berchem, Brussel, Etterbeek, Evere, Vorst, Ganshoren, Elsene, Jette, Koekelberg, Sint-Jans-Molenbeek, Sint-Gillis, Sint-Joost-ten-Node, Schaarbeek, Ukkel, Watermaal-Bosvoorde, Sint-Lambrechts-Woluwe en Sint-Pieters-Woluwe.
  b) De als volgt gevormde agglomeraties :
  1) Antwerpen : Antwerpen, Mortsel, Zwijndrecht.
  2) Charleroi : Charleroi, Châtelet, Courcelles, [1 Farciennes,]1 Fontaine-l'Evêque, Montignies-le-Tilleul.
  3) Gent : Gent, Merelbeke.
  4) Luik : Ans, Beyne-Heusay, Flémalle, Herstal, Luik, Saint-Nicolas, Seraing.
  5) Borinage : Boussu, [1 Dour,]1 Frameries, Bergen, Quaregnon, Quiévrain, Saint-Ghislain.
  6) Centrum-Henegouwen : Chapelle-lez-Herlaimont, La Louvière, Manage, Morlanwelz.
  7) Oostende : Bredene, Oostende.
  8) Verviers : Dison, Verviers.
  
Art.8. En matière d'indemnités, les agglomérations à prendre en considération sont les suivantes :
  a) Agglomération bruxelloise : Anderlecht, Auderghem, Berchem-Sainte-Agathe, Bruxelles, Etterbeek, Evere, Forest, Ganshoren, Ixelles, Jette, Koekelberg, Molenbeek-Saint-Jean, Saint-Gilles, Saint-Josse-ten-Node, Schaerbeek, Uccle, Watermael-Boitsfort, Woluwe-Saint-Lambert et Woluwe-Saint-Pierre.
  b) Les agglomérations formées comme suit :
  1) Anvers : Anvers, Mortsel, Zwijndrecht.
  2) Charleroi : Charleroi, Châtelet, Courcelles, [1 Farciennes,]1 Fontaine-l'Evêque, Montignies-le-Tilleul.
  3) Gand : Gand, Merelbeke.
  4) Liege : Ans, Beyne-Heusay, Flémalle, Herstal, Liège, Saint-Nicolas, Seraing.
  5) Borinage : Boussu, [1 Dour,]1 Frameries, Mons, Quaregnon, Quiévrain, Saint-Ghislain.
  6) Centre-Hainaut : Chapelle-lez-Herlaimont, La Louvière, Manage, Morlanwelz.
  7) Ostende : Bredene, Ostende.
  8) Verviers : Dison, Verviers.
  
Art.9. Behoudens bijzondere bepalingen geldt de indexeringsregeling voor de toelagen en vergoedingen.
  Tenzij andersluidende bepaling zijn ze verbonden aan de spilindex 138,01. Bij de berekening ervan wordt geen rekening gehouden met de derde decimaal in het eindresultaat.
Art.9. Sauf dispositions particulières, les allocations et indemnités bénéficient du régime d'indexation.
  Sauf disposition contraire, elles sont rattachées à l'indice pivot 138,01. Leur calcul est réalisé en négligeant la troisième décimale dans le résultat final.
Art.10. Het genot van de toelagen en vergoedingen van dit besluit is niet cumuleerbaar met het genot van elk ander voordeel of elke andere vergoeding voor dezelfde prestaties of onkosten.
Art.10. Le bénéfice des allocations et indemnités du présent arrêté n'est pas cumulable avec le bénéfice de tout autre avantage ou indemnité pour les mêmes prestations ou frais.
Art.11. § . 1. Voor de toepassing van hoofdstukken II en IV van titel III en om dienstredenen moet de administratieve standplaats zo worden bepaald dat de reis- en verblijfkosten zoveel mogelijk worden beperkt. Hij kan door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde worden vastgesteld op de verblijfplaats van het personeelslid.
  De toegekende vergoeding mag in geen geval meer bedragen dan die die zou worden toegekend als de verplaatsingen de administratieve standplaats als begin- en eindpunt zouden hebben.
  § . 2. Als de administratieve standplaats om dienstredenen niet overeenkomt met de plaats waar de centrale administratie of de buitendienst gevestigd is, wordt deze schriftelijk door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde vastgesteld.
  Voor de toepassing van de hoofdstukken II en IV van titel III betreffende respectievelijk de vergoeding voor reiskosten en de vergoeding voor verblijfskosten bedoeld in dit besluit, mag de administratieve standplaats niet overeenstemmen met de plaats waar het telewerk of het werk in een satellietkantoor verricht wordt.
Art.11. § . 1er. Pour l'application des chapitres II et IV du Titre III et pour des raisons de service, la résidence administrative doit être fixée de manière à réduire autant que possible les frais de parcours et de séjour. La résidence administrative peut être fixée par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué au lieu de résidence du membre du personnel.
  En aucun cas, l'indemnité accordée ne peut être supérieure à celle qui serait octroyée si les déplacements avaient comme point de départ et de retour la résidence administrative.
  § . 2. Lorsque, pour des raisons de service, la résidence administrative ne coïncide pas avec le lieu où l'administration centrale ou le service extérieur est établi, elle est fixée, par écrit, par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué.
  Pour l'application des chapitres II et IV du titre III relatifs respectivement à l'indemnité pour frais de parcours et l'indemnité pour frais de séjour visés dans le présent arrêté, la résidence administrative ne peut correspondre au lieu où s'effectue le télétravail ou le travail en bureau satellite.
Art.12. Voor de toepassing van artikel 30, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen in uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders zijn de toelagen en vergoedingen bedoeld in dit besluit waarvan de toekenningsmodaliteiten voor 1 augustus 1990 werden vastgesteld geacht toegekend te zijn in uitvoering van de bepalingen zoals ze van kracht waren op 31 augustus 2017.
Art.12. Pour l'application de l'article 30, 4°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, les allocations et indemnités visées au présent arrêté dont les modalités d'octroi ont été fixées avant le 1er août 1990 sont censées être accordées en exécution des dispositions telles qu'elles étaient en vigueur au 31 août 2017.
TITEL II. - Toelagen
TITRE II. - Allocations
HOOFDSTUK I. - Ambtshalve toegekende toelagen
CHAPITRE Ier. - Allocations octroyées d'office
Afdeling 1. - Onvoorwaardelijk toegekende toelagen
Section 1ère. - Allocations octroyées inconditionnellement
Onderafdeling 1. - Vakantiegeld
Sous-section 1ère. - Pécule de vacances
Art.13. Elk jaar wordt een vakantiegeld toegekend aan het personeelslid.
Art.13. Un pécule de vacances est octroyé chaque année au membre du personnel.
Art.14. § 1. Het vakantiegeld vertegenwoordigt 92% van de bezoldiging die verschuldigd is of verschuldigd had moeten zijn in de maand maart van het lopende jaar, verhoogd met 92% van een twaalfde van de premie voor competentieontwikkeling verschuldigd in de voorgaande maand september, zoals ingesteld door artikel 36ter, §§ 1 tot 3, en 5, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddenschalen der aan verscheidene federale overheidsdiensten gemene graden en door artikel 36, § 1, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvat de bezoldiging, in afwijking van artikel 2, eerste lid, 23°, eveneens de haardtoelage of de eventuele standplaatstoelage.
  De in het eerste lid bedoelde bezoldiging en twaalfde stemmen overeen met voltijdse prestaties gedurende het voorgaande jaar, dat het referentiejaar wordt genoemd.
  § 2. Het vakantiegeld wordt op evenredige wijze beperkt als de bezoldiging niet voltijds of tijdens het hele referentiejaar betaald werd.
  De vermindering verbonden aan het deeltijds werken wordt aan hetzelfde prorata berekend als de bezoldiging. Er wordt evenwel geen vermindering toegepast in het geval van verminderde prestaties wegens medische redenen.
  De vermindering verbonden aan de niet-betaalde dagen wordt vastgesteld door middel van een breuk waarvan de teller het aantal betaalde dagen is en de noemer het aantal arbeidsdagen. Als het aantal uren varieert naargelang van de dagen zijn de teller en de noemer de overeenstemmende uuraantallen.
  Hebben, in afwijking van het derde lid, geen invloed op de berekening van het vakantiegeld :
  1° de verloven verbonden aan een ouderschapsverlof;
  2° het ziekteverlof en de disponibiliteit;
  3° het moederschapsbeschermingsverlof.
  § 3. Het vakantiegeld wordt verhoogd met 92% van de maandelijkse toelage betaald in het kader van de vrijwillige vierdagenweek in toepassing van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid.
  § 4. Het personeelslid dat jonger is dan 25 jaar op de laatste dag van het referentiejaar en dat in dienst is getreden binnen de vier maanden na het beëindigen van de studies geniet een vakantiegeld alsof zijn prestaties het hele referentiejaar hadden bestreken.
  § 5. Het vakantiegeld wordt betaald [1 uiterlijk]1 in mei, behalve bij beëindiging van de arbeidsrelatie. In dat geval wordt het vakantiegeld op hetzelfde moment betaald als de laatste bezoldiging. De basis van de berekening ervan is die van de laatste gepresteerde maand. De referentieperiode is het geheel van de maanden waarvoor het personeelslid geen vakantiegeld heeft ontvangen.
  
Art.14. § 1er. Le pécule de vacances représente 92 % de la rémunération due ou qui aurait été due au mois de mars de l'année en cours augmentée de 92% d'un douzième de la prime de développement des compétences due au mois de septembre précédent, telle qu'instituée par l'article 36ter, §§ 1er à 3, et 5, de l'arrêté royal du 10 avril 1995 fixant les échelles de traitement des grades communs à plusieurs services publics fédéraux ainsi que l'article 36, § 1er, de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale.
  Pour l'application du présent chapitre, par dérogation à l'article 2, alinéa 1er, 23°, la rémunération comprend également l'allocation de foyer ou l'allocation de résidence éventuelle.
  La rémunération et le douzième visés à l'alinéa 1er correspondent à des prestations à temps plein pendant l'année précédente, dite année de référence.
  § 2. Le pécule est réduit à due concurrence si la rémunération n'a pas été payée à temps plein ou durant toute l'année de référence.
  La réduction liée au travail à temps partiel est calculée au même prorata que la rémunération. Toutefois, il n'est pas appliqué de réduction dans le cas des prestations réduites pour raisons médicales.
  La réduction liée aux jours non payés est fixée par une fraction dont le numérateur est le nombre de jours payés et le dénominateur le nombre de jours ouvrés. Si le nombre d'heures varie selon les jours, le numérateur et le dénominateur sont les nombres d'heures correspondants.
  Par dérogation à l'alinéa 3, n'ont pas d'impact sur le calcul du pécule de vacances :
  1° les congés liés à un congé parental;
  2° le congé pour maladie et la disponibilité;
  3° le congé lié à la protection de la maternité.
  § 3. Le pécule est augmenté de 92 % de l'allocation mensuelle versée dans le cadre de la semaine volontaire de quatre jours en application de la loi du 10 avril 1995 sur la redistribution du temps de travail.
  § 4. Le membre du personnel âgé de moins de 25 ans le dernier jour de l'année de référence et qui est entré en service dans les quatre mois qui suivent la fin de ses études bénéficie d'un pécule de vacances comme si ses prestations avaient couvert l'entièreté de l'année de référence.
  § 5. Le pécule de vacances est payé [1 au plus tard]1 en mai, sauf en cas de fin de la relation de travail. Dans ce cas, le pécule de vacances est payé en même temps que la dernière rémunération. La base de son calcul est celle du dernier mois presté. La période de référence est l'ensemble des mois pour lesquels le membre du personnel n'a pas perçu de pécule de vacances.
  
Art.15. In afwijking van artikel 14, § 1 wordt het vakantiegeld van de mandaathouders berekend op de volgende basis :
  1° een forfaitair gedeelte vastgesteld op 1.177,96 euro voor het jaar 2017;
  2° een variabel gedeelte dat gelijk is aan 13,2 % van de maandelijkse bezoldiging van de maand maart.
  Het forfaitaire gedeelte wordt elk jaar aangepast volgens een breuk waarvan de noemer de gezondheidsindex van de maand januari van het voorgaande jaar is en de teller de gezondheidsindex van de maand januari van het beschouwde jaar.
  Voor het overige zijn de bepalingen van artikel 14 van toepassing.
Art.15. Par dérogation à l'article 14, § 1er, le pécule de vacances des mandataires est calculé sur la base suivante :
  1° une partie forfaitaire fixée à 1.177,96 euros pour l'année 2017;
  2° une partie variable équivalant à 13,2 % de la rémunération mensuelle du mois de mars.
  La partie forfaitaire est adaptée chaque année selon une fraction dont le dénominateur est l'indice santé du mois de janvier de l'année précédente et le numérateur l'indice santé du mois de janvier de l'année considérée.
  Pour le surplus, les dispositions de l'article 14 sont d'application.
Onderafdeling 2. - Eindejaarstoelage
Sous-section 2. - Allocation de fin d'année
Art.16. Elk jaar wordt een eindejaarstoelage toegekend aan het personeelslid.
Art.16. Une allocation de fin d'année est octroyée chaque année au membre du personnel.
Art.17. § 1. De eindejaarstoelage is samengesteld uit een forfaitair gedeelte en twee gedeeltes die variëren naargelang van de bezoldiging.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvat de bezoldiging, in afwijking van artikel 2, eerste lid, 23°, eveneens de haardtoelage of de eventuele standplaatstoelage.
  De in het eerste lid bedoelde bezoldiging stemt overeen met voltijdse prestaties gedurende de periode van 1 januari tot 30 september van het beschouwde jaar, die de referentieperiode wordt genoemd.
  § 2. Het forfaitaire gedeelte wordt vastgesteld op 718,32 euro voor het jaar 2016. In dat forfaitaire gedeelte wordt een bedrag van 337,3647 euro geacht te zijn vastgesteld voor 1 augustus 1990.
  Het forfaitaire gedeelte en het bedrag van 337,3647 euro worden elk jaar aangepast volgens een breuk waarvan de noemer de afgevlakte index van de maand oktober van het jaar daarvoor is en de teller de afgevlakte index van de maand oktober van het beschouwde jaar.
  Het eerste variabele gedeelte vertegenwoordigt 2,5% van de jaarlijkse bezoldiging verhoogd met de premie voor competentieontwikkeling, zoals ingesteld door artikel 36ter, §§ 1 tot 3, en 5, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddenschalen der aan verscheidene federale overheidsdiensten gemene graden en door artikel 36, § 1, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. De jaarlijkse bezoldiging is die die dient of gediend zou hebben als basis voor de berekening van de bezoldiging van de maand oktober van het beschouwde jaar en de premie voor competentieontwikkeling is die die betaald wordt of betaald geweest zou zijn in de maand september van het beschouwde jaar.
  Het tweede variabele gedeelte vertegenwoordigt 7% van de bezoldiging van dezelfde maand oktober of van die die verschuldigd geweest zou zijn voor deze maand.
  Dit tweede variabele gedeelte wordt echter op 100,95 euro gebracht als het resultaat van de berekening lager is dan dit bedrag en wordt tot 201,90 euro beperkt als het resultaat van de berekening hoger is dan dit bedrag.
  Voor het personeelslid dat de gewaarborgde bezoldiging geniet overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de ministeries is het bedrag dat in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het gedeelte dat varieert naargelang van de jaarlijkse bezoldiging en van het gedeelte dat varieert naargelang van de maandelijkse bezoldiging van de eindejaarstoelage dat van de gewaarborgde bezoldiging.
  § 3. De eindejaarstoelage wordt op evenredige wijze verminderd als de bezoldiging niet voltijds of tijdens de referentieperiode werd betaald.
  De vermindering verbonden aan het deeltijds werk wordt aan hetzelfde prorata berekend als de bezoldiging.
  De vermindering verbonden aan de niet-betaalde dagen wordt vastgesteld door middel van een breuk waarvan de teller het aantal betaalde dagen is en de noemer het aantal arbeidsdagen. Als het aantal uren varieert naargelang van de dagen zijn de teller en de noemer de overeenstemmende uuraantallen.
  In afwijking van het derde lid hebben de verloven verbonden aan een ouderschapsverlof geen invloed op de berekening van de eindejaarstoelage.
  Als de ambtenaar in disponibiliteit geplaatst werd, wordt de eindejaarstoelage voor de periode van disponibiliteit berekend naar rato van het percentage van de bezoldiging dat het wachtgeld vertegenwoordigt.
  Als de contractueel een uitkering heeft ontvangen van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gedurende de hele referentieperiode of een deel ervan wordt de eindejaarstoelage berekend naar rato van het percentage van de bezoldiging dat deze vergoeding vertegenwoordigt.
  § 4. De eindejaarstoelage wordt [1 uiterlijk]1 in december betaald, behalve bij beëindiging van de arbeidsrelatie. In dat geval wordt de eindejaarstoelage op hetzelfde moment betaald als de laatste bezoldiging. Voor de berekening ervan is het forfaitaire gedeelte het laatste dat in aanmerking werd genomen en wordt het variabele gedeelte berekend op basis van de laatste betaalde maand.
  § 5. Voor de bedragen van 100,95 euro en 201,90 euro geldt de indexeringsregeling. Ze worden vastgelegd op de spilindex 138,01.
  
Art.17. § 1er. L'allocation de fin d'année est composée d'une partie forfaitaire et de deux parties variant avec la rémunération.
  Pour l'application du présent chapitre, par dérogation à l'article 2, alinéa 1er, 23°, la rémunération comprend également l'allocation de foyer ou l'allocation de résidence éventuelle.
  La rémunération visée à l'alinéa 1er correspond à des prestations à temps plein pendant la période allant du 1er janvier au 30 septembre de l'année considérée, dite période de référence.
  § 2. La partie forfaitaire est fixée à 718,32 euros pour l'année 2016. Dans cette partie forfaitaire, un montant de 337,3647 euros est censé avoir été fixé avant le 1er août 1990.
  La partie forfaitaire et le montant de 337,3647 euros sont adaptés chaque année selon une fraction dont le dénominateur est l'indice lissé du mois d'octobre de l'année précédente et le numérateur l'indice lissé du mois d'octobre de l'année considérée.
  La première partie variable représente 2,5 % de la rémunération annuelle augmentée de la prime de développement des compétences, telle qu'instituée par l'article 36ter, §§ 1er à 3, et 5, de l'arrêté royal du 10 avril 1995 fixant les échelles de traitement des grades communs à plusieurs services publics fédéraux ainsi que l'article 36, § 1er, de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale. La rémunération annuelle est celle qui sert ou aurait servi de base au calcul de la rémunération du mois d'octobre de l'année considérée et la prime de développement de compétence est celle qui est payée ou qui aurait été payée au mois de septembre de l'année considérée.
  La seconde partie variable représente 7 % de la rémunération du même mois d'octobre ou de celle qui aurait été due pour ce mois.
  Toutefois, cette seconde partie variable est portée à 100,95 euros si le résultat du calcul est inférieur à ce montant et limitée à 201,90 euros si le résultat du calcul est supérieur à ce montant.
  Pour le membre du personnel qui bénéficie de la rétribution garantie conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 29 juin 1973 accordant une rétribution garantie à certains agents des ministères, le montant à prendre en considération pour le calcul de la partie variant avec la rétribution annuelle et de la partie variant avec la rétribution mensuelle de l'allocation de fin d'année est celui de la rétribution garantie.
  § 3. L'allocation de fin d'année est réduite à due concurrence si la rémunération n'a pas été payée à temps plein ou durant toute la période de référence.
  La réduction liée au travail à temps partiel est calculée au même prorata que la rémunération.
  La réduction liée aux jours non payés est fixée par une fraction dont le numérateur est le nombre de jours payés et le dénominateur le nombre de jours ouvrés. Si le nombre d'heures varie selon les jours, le numérateur et le dénominateur sont les nombres d'heures correspondants.
  Par dérogation à l'alinéa 3, les congés liés à un congé parental n'ont pas d'impact sur le calcul de l'allocation de fin d'année.
  Lorsque l'agent a été placé en disponibilité, l'allocation de fin d'année est calculée pour la période de disponibilité à concurrence du pourcentage de la rémunération que la rémunération d'attente représente.
  Lorsque le contractuel a perçu une indemnité de l'assurance soins de santé et indemnités pendant tout ou partie de la période de référence, l'allocation de fin d'année est calculée à concurrence du pourcentage de la rémunération que représente cette indemnité.
  § 4. L'allocation de fin d'année est payée [1 au plus tard]1 en décembre, sauf en cas de fin de la relation de travail. Dans ce cas, l'allocation de fin d'année est payée en même temps que la dernière rémunération. Pour son calcul, la partie forfaitaire est la dernière qui a été prise en compte et la partie variable est calculée sur la base du dernier mois payé.
  § 5. Les montants de 100,95 euros et 201,90 euros bénéficient du régime d'indexation. Ils sont fixés à l'indice-pivot 138,01.
  
Art. 17bis. [1 § 1. In afwijking van artikel 17, § 4 kiest het personeelslid vóór het begin van de in artikel 17, § 1 vermelde referentieperiode ervoor de eindejaarstoelage geheel of gedeeltelijk om te zetten in een theoretisch budget waarbinnen hij kan kiezen voor duurzame maatschappelijke voordelen.
   § 2. Het personeelslid dat in toepassing van § 1 kiest voor de omzetting van de hele eindejaarstoelage of een deel ervan in een theoretisch budget in het kader waarvan hij andere voordelen kiest, ziet af van het recht op de hele eindejaarstoelage of een deel ervan dat overeenkomt met de periode waarop de voordelen betrekking hebben.
   Onverminderd het eerste lid wordt, wanneer de omzetting van de eindejaarstoelage in toepassing van § 1 gedeeltelijk is of wanneer er een saldo overblijft van het in § 1 bedoelde theoretische budget, het resterende saldo jaarlijks als toelage uitbetaald aan het personeelslid.]1

  
Art. 17bis. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 17, § 4, le membre du personnel choisit, avant le début de la période de référence mentionnée à l'article 17, § 1er, de convertir tout ou partie de l'allocation de fin d'année en un budget théorique dans les limites duquel il peut opter pour des avantages sociétaux durables.
   § 2. Le membre du personnel qui choisit en application du § 1er, la conversion de tout ou partie de l'allocation de fin d'année en un budget théorique dans le cadre duquel il opte pour d'autres avantages, renonce au droit à la totalité ou la partie de l'allocation de fin d'année correspondant à la période sur laquelle portent les avantages.
   Sans préjudice de l'alinéa 1er, lorsque la conversion de l'allocation de fin d'année en application du § 1er est partielle ou s'il reste un solde du budget théorique visé au § 1er, le solde restant est versé annuellement au membre du personnel sous forme d'allocation.]1

  
Afdeling 2. - Haard- en standplaatstoelage toegekend wegens de persoonlijke situatie van het personeelslid
Section 2. - Allocation de foyer et résidence octroyée en raison de la situation personnelle du membre du personnel
Art.18. § 1. Aan het personeelslid van wie de jaarlijkse bezoldiging lager ligt dan of gelijk is aan 16.100 euro wordt een haard- of een standplaatstoelage toegekend.
  De haardtoelage bedraagt 720 euro voor voltijdse prestaties.
  De standplaatstoelage bedraagt 360 euro voor voltijdse prestaties.
  § 2. Het personeelslid van wie de jaarlijkse bezoldiging tussen 16.100 euro en 18.330 euro bedraagt, ontvangt een verminderde haard- of standplaatstoelage.
  De verminderde haardtoelage bedraagt 360 euro voor voltijdse prestaties.
  De verminderde standplaatstoelage bedraagt 180 euro voor voltijdse prestaties.
  De verminderde toelage wordt evenwel in voorkomend geval verhoogd zodat de som van de bezoldiging en de verminderde toelage, verminderd met de inhouding bestemd voor de financiering van het wettelijke pensioen, niet lager is dan de som die het personeelslid ontvangen zou hebben als zijn bezoldiging 16.100 euro bedragen zou hebben.
  § 3. Het personeelslid van wie de jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan 18.330 euro ontvangt een gedeeltelijke toelage, zodat de som van de bezoldiging en de gedeeltelijke toelage, verminderd met de inhouding bestemd voor de financiering van het wettelijke pensioen, niet lager is dan de som die het personeelslid ontvangen zou hebben indien zijn bezoldiging 18.330 euro bedragen zou hebben.
  § 4. De haard- en standplaatstoelage worden volgens dezelfde verhoudingen en volgens dezelfde modaliteiten betaald als de bezoldiging.
  Ze worden niet toegekend voor bijkomende functies.
  De in disponibiliteit geplaatste ambtenaar, met inbegrip van de stagiair, geniet noch de haard-, noch de standplaatstoelage.
  § 5. Voor de bedragen van 16.100 euro en 18.330 euro geldt de indexeringsregeling. Ze zijn verbonden aan de spilindex 138,01.
Art.18. § 1er Une allocation de foyer ou une allocation de résidence est octroyée au membre du personnel dont la rémunération annuelle est inférieure ou égale à 16.100 euros.
  L'allocation de foyer est de 720 euros pour des prestations à temps plein.
  L'allocation de résidence est de 360 euros pour des prestations à temps plein.
  § 2. Le membre du personnel dont la rémunération annuelle est comprise entre 16.100 euros et 18.330 euros perçoit une allocation réduite, soit de foyer, soit de résidence.
  L'allocation de foyer réduite est de 360 euros pour des prestations à temps plein.
  L'allocation de résidence réduite est de 180 euros pour des prestations à temps plein.
  Toutefois, l'allocation réduite est le cas échéant augmentée de manière à ce que la somme de la rémunération et de l'allocation réduite, diminuée de la retenue destinée au financement de la pension légale, ne soit pas inférieure à la somme que le membre du personnel aurait perçue si sa rémunération avait été de 16.100 euros.
  § 3. Le membre du personnel dont la rémunération annuelle est supérieure à 18.330 euros perçoit une allocation partielle de manière à ce que la somme de la rémunération et de l'allocation partielle, diminuée de la retenue destinée au financement de la pension légale, ne soit pas inférieure à la somme que le membre du personnel aurait perçue si sa rémunération avait été de 18.330 euros.
  § 4. L'allocation de foyer et l'allocation de résidence sont payées dans les mêmes proportions et selon les mêmes modalités que la rémunération.
  Elles ne sont pas attribuées du chef de fonctions accessoires.
  L'agent, en ce compris le stagiaire, placé en disponibilité ne bénéficie ni de l'allocation de foyer ni de l'allocation de résidence.
  § 5. Les montants de 16.100 euros et 18.330 euros bénéficient du régime d'indexation. Ils sont rattachés à l'indice-pivot 138,01.
Art.19. De haardtoelage wordt toegekend aan het in artikel 18 bedoelde personeelslid van wie de echtgeno(o)t(e) deze toelage niet ontvangt, noch een vergelijkbare toelage van een andere werkgever.
  De in het eerste lid bedoelde echtgeno(o)te(e) is de persoon van hetzelfde of van een ander geslacht met wie het personeelslid als koppel samenleeft op dezelfde woonplaats.
  De haardtoelage wordt eveneens toegekend aan het alleenstaande personeelslid van wie een of meer kinderen deel uitmaken van het gezin en recht geven op kinderbijslag.
  In geval van wijziging van de situatie in de loop van de maand geniet het personeelslid de gunstigste regeling voor de volledige maand.
  De P&O-directeur of zijn afgevaardigde laat zich alle getuigschriften die nuttig zijn voor de toepassing van dit artikel overhandigen door het personeelslid.
Art.19. L'allocation de foyer est attribuée au membre du personnel visé à l'article 18 et dont le conjoint ne reçoit pas cette allocation, ni une allocation analogue d'un autre employeur.
  Le conjoint visé à l'alinéa premier est la personne de même sexe ou de sexe différent avec laquelle le membre du personnel vit en couple au même domicile.
  L'allocation de foyer est également attribuée au membre du personnel isolé dont un ou plusieurs enfants font partie du ménage et sont bénéficiaires d'allocations familiales.
  En cas de modification de la situation en cours de mois, le membre du personnel bénéficie du régime le plus favorable pour le mois entier.
  Le directeur P&O ou son délégué se fait délivrer par le membre du personnel toute attestation utile à l'application du présent article.
Art.20. De standplaatstoelage wordt toegekend aan het in artikel 18 bedoelde personeelslid dat de haardtoelage niet geniet.
Art.20. L'allocation de résidence est attribuée au membre du personnel visé à l'article 18 qui ne bénéficie pas de l'allocation de foyer.
Afdeling 2/1. [1 - Toelage voor het arts- of tandartspersoneelslid toegekend wegens de specificiteit van de functie]1
Section 2/1. [1 - Allocation octroyée au membre du personnel médecin ou dentiste en raison de la spécificité de la fonction]1
Art. 20/1. [1 Er wordt een toelage van 530,65 euro per maand toegekend aan het personeelslid dat een functie uitoefent waarvoor het diploma van master in de geneeskunde of master in de tandheelkunde is vereist, wegens de specificiteit van de functie.
   Er wordt een aanvullende toelage van 530,65 euro per maand toegekend aan het personeelslid bedoeld in het eerste lid wegens de specificiteit van de functie, als hij geen andere medische- of tandartspraktijk uitoefent buiten het federaal openbaar ambt.
   Er wordt een aanvullende toelage van 1.061,30 euro per maand toegekend aan het personeelslid bedoeld in het eerste lid wegens de specificiteit van de functie, als het voor hem verboden is een andere medische- of tandartspraktijk uit te oefenen buiten het federaal openbaar ambt vanwege een wettelijke of reglementaire bepaling.
   De toelagen bedoeld in het tweede en derde lid kunnen niet worden gecumuleerd.]1

  
Art. 20/1. [1 Une allocation de 530,65 euros par mois est octroyée, en raison de la spécificité de la fonction, au membre du personnel qui exerce une fonction pour laquelle un diplôme de master en médecine ou de master en sciences dentaires est requis.
   Une allocation complémentaire de 530,65 euros par mois est octroyée, en raison de la spécificité de la fonction, au membre du personnel visé à l'alinéa 1er, s'il n'exerce aucune autre pratique médicale en dehors de la fonction de médecin ou de dentiste susmentionnée en dehors de la fonction publique fédérale.
   Une allocation complémentaire de 1.061,30 euros par mois est octroyée, en raison de la spécificité de la fonction, au membre du personnel visé à l'alinéa 1er, s'il lui est interdit d'exercer tout autre pratique médicale en dehors de la fonction publique fédérale sur la base d'une disposition légale ou réglementaire.
   Les allocations visées aux alinéas 2 et 3 ne sont pas cumulables.]1

  
Afdeling 3. - Toelagen toegekend wegens het einde van de arbeidsrelatie
Section 3. - Allocations octroyées en raison de la fin de la relation de travail
Onderafdeling 1. - Toelage wegens ontslag
Sous-section 1ère. - Allocation de départ
Art.21. Er wordt een toelage wegens ontslag toegekend aan de wegens beroepsongeschiktheid ontslagen ambtenaar.
  Het bedrag van de toelage is gelijk :
  1° aan twaalf maal de laatste maandelijkse bezoldiging als de ambtenaar ten minste 20 jaar dienstanciënniteit heeft;
  2° aan acht maal de laatste maandelijkse bezoldiging als de ambtenaar ten minste 10 jaar dienstanciënniteit heeft;
  3° aan zes maal de laatste maandelijkse bezoldiging als de ambtenaar minder dan 10 jaar dienstanciënniteit heeft.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvat de bezoldiging, in afwijking van artikel 2, eerste lid, 23°, eveneens de haardtoelage of de eventuele standplaatstoelage.
  De in aanmerking te nemen bezoldiging stemt overeen met voltijdse prestaties.
Art.21. Une allocation de départ est accordée à l'agent licencié pour inaptitude professionnelle.
  Le montant de l'allocation est égal à :
  1° douze fois la dernière rémunération mensuelle si l'agent compte au moins une ancienneté de service de 20 ans;
  2° huit fois la dernière rémunération mensuelle si l'agent compte au moins une ancienneté de service de 10 ans;
  3° six fois la dernière rémunération mensuelle si l'agent compte une ancienneté de service de moins de 10 ans.
  Pour l'application du présent chapitre, par dérogation à l'article 2, alinéa 1er, 23°, la rémunération comprend également l'allocation de foyer ou l'allocation de résidence éventuelle.
  La rémunération à prendre en considération correspond à des prestations à temps plein.
Onderafdeling 2. - Compenserende toelage
Sous-section 2. - Allocation compensatoire
Art.22. Er wordt een compenserende toelage toegekend aan het personeelslid dat :
  1° hetzij wegens dienstnoodwendigheden zijn jaarlijks vakantieverlof niet geheel of gedeeltelijk heeft kunnen opnemen voor zijn definitieve ambtsneerlegging;
  2° hetzij zonder vooropzeg de hoedanigheid van personeelslid verliest en ten gevolge van dit vertrek met onmiddellijke ingang zijn jaarlijks vakantieverlof niet geheel of gedeeltelijk heeft kunnen opnemen.
  Het bedrag is gelijk aan de laatste activiteitsbezoldiging van het personeelslid die overeenkomt met het aantal niet-opgenomen dagen jaarlijks vakantieverlof.
  Indien het personeelslid zijn opgespaard jaarlijks vakantieverlof niet heeft opgenomen vooraleer hij de dienst verlaat, heeft hij recht op een compensatietoelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste activiteitsbezoldiging van het personeelslid die overeenstemt met het aantal niet-opgenomen dagen jaarlijks vakantieverlof.
  De niet-opgenomen dagen worden uitgedrukt in een breuk waarvan de teller het aantal niet-opgenomen dagen is en de noemer het aantal arbeidsdagen. Als het aantal uren varieert naargelang van de dagen, zijn de teller en de noemer de overeenstemmende uuraantallen.
  Voor de toepassing van deze onderafdeling omvat de bezoldiging, in afwijking van artikel 2, eerste lid, 23°, eveneens de haardtoelage of de eventuele standplaatstoelage, alsook de toelage voor de uitoefening van een hogere functie.
  In geval van overlijden van het personeelslid wordt de compenserende toelage voor de niet-opgenomen dagen jaarlijks vakantieverlof aan de erfgenamen uitbetaald, met in begrip van het opgespaard jaarlijks vakantieverlof.
Art.22. Une allocation compensatoire est octroyée au membre du personnel qui :
  1° soit, par suite des nécessités du service, n'a pu prendre tout ou partie de son congé annuel de vacances avant la cessation définitive de ses fonctions;
  2° soit perd sans préavis la qualité de membre du personnel et, suite à ce départ avec effet immédiat, n'a pu prendre tout ou partie de son congé annuel de vacances.
  Le montant est égal à la dernière rémunération d'activité du membre du personnel qui correspond au nombre de jours de congé annuel de vacances non pris.
  Si le membre du personnel n'a pas pris son congé annuel de vacances épargné avant de quitter le service, il bénéficie d'une allocation compensatoire dont le montant est égal à la dernière rémunération d'activité du membre du personnel qui correspond au nombre de jours de congé annuel de vacances non pris.
  Les jours non pris s'expriment dans une fraction dont le numérateur est le nombre de jours non pris et le dénominateur le nombre de jours ouvrés. Si le nombre d'heures varie selon les jours, le numérateur et le dénominateur sont les nombres d'heures correspondants.
  Pour l'application de la présente sous-section, par dérogation à l'article 2, alinéa 1er, 23°, la rémunération comprend également l'allocation de foyer ou l'allocation de résidence éventuelle, ainsi que l'allocation pour l'exercice d'une fonction supérieure.
  En cas de décès du membre du personnel, l'allocation compensatoire pour les jours de congé annuel de vacances non pris est payée aux héritiers, y compris les jours de congé annuel de vacances épargnés.
HOOFDSTUK II. - Toelagen verbonden aan ongewone prestaties
CHAPITRE II. - Allocations liées à des prestations anormales
Afdeling 1. - Directietoelage
Section 1ère. - Allocation de direction
Art.23. Er wordt een directietoelage toegekend aan het personeelslid van het niveau B, C of D dat :
  1° hetzij rechtstreeks een team van minstens tien personeelsleden beheert;
  2° hetzij rechtstreeks een team van minstens vijf personeelsleden beheert en voor zover hij daarvoor door de leidend ambtenaar werd aangewezen.
  De directietoelage wordt jaarlijks vastgesteld op 1000 euro.
Art.23. Une allocation de direction est octroyée au membre du personnel de niveau B, C ou D :
  1° soit qui gère de manière directe une équipe d'au moins dix membres du personnel;
  2° soit qui gère de manière directe une équipe d'au moins cinq membres du personnel et pour autant qu'il y ait été désigné par le fonctionnaire dirigeant.
  L'allocation de direction est fixée annuellement à 1000 euros.
Art.24. In afwijking van artikel 23 verliest een personeelslid het voordeel van de directietoelage als hij een hogere functie uitoefent op het niveau A, B of C.
Art.24. Par dérogation à l'article 23, un membre du personnel perd le bénéfice de l'allocation de direction lorsqu'il exerce une fonction supérieure au niveau A, B ou C.
Art.25. De directietoelage wordt maandelijks betaald, per twaalfde, tezelfdertijd als de bezoldiging.
Art.25. L'allocation de direction est payée mensuellement, par douzième, en même temps que la rémunération.
Afdeling 2. - Toelage voor de uitoefening van een hogere functie
Section 2. - Allocation pour l'exercice d'une fonction supérieure
Art.26. Er wordt een toelage toegekend aan de ambtenaar die door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde, met zijn akkoord, werd aangewezen om tijdelijk een hogere functie uit te oefenen gedurende een minimumduur van dertig ononderbroken dagen.
  Onder "hogere functie" wordt verstaan een functie die tot een hoger niveau of een hogere klasse behoort dan die waarin de ambtenaar is benoemd.
Art.26. Une allocation est accordée à l'agent qui a été désigné par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué, moyennant son accord, pour exercer temporairement une fonction supérieure pendant une durée minimum ininterrompue de 30 jours.
  Par " fonction supérieure ", on entend une fonction relevant d'un niveau supérieur ou d'une classe supérieure à celui ou celle où l'agent est nommé.
Art.27. De toelage voor de uitoefening van een hogere functie is gelijk aan het verschil, vastgesteld op de datum van de aanwijzing, tussen de weddeschaal toegewezen aan de graad of klasse waarin hij is benoemd en de weddeschaal die hem zou worden toegekend als hij wordt bevorderd tot de graad of de klasse waartoe de hogere functie behoort.
  De geldelijke anciënniteit van de ambtenaar die is aangewezen om een hogere functie uit te oefenen wordt bepaald overeenkomstig artikel 13 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.
  Een verlengingsakte leidt niet tot de herberekening van de toelage.
Art.27. L'allocation pour l'exercice d'une fonction supérieure est égale à la différence, constatée à la date de la désignation, entre l'échelle de traitement affectée au grade ou à la classe où il est nommé et l'échelle de traitement qui lui serait octroyée s'il était promu au grade ou à la classe dont relève la fonction supérieure.
  L'ancienneté pécuniaire de l'agent désigné pour exercer une fonction supérieure est définie conformément à l'article 13 de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale.
  Un acte de prolongation n'entraîne pas de recalcul de l'allocation.
Art.28. § 1. De aanwijzing bepaald in artikel 26 gebeurt als er niet in een betrekking, in een functie die onontbeerlijk is voor de goede werking van de dienst, kan worden voorzien door aanwerving, overgang naar het hogere niveau of bevordering naar de hogere klasse en de dringende noodzaak om hier tijdelijk in te voorzien vastgesteld is.
  Om aangewezen te worden daarenboven :
  1° voldoet de ambtenaar op de datum van de aanwijzing aan de statutaire voorwaarden om bevorderd te worden door overgang naar de graad of de klasse waartoe de hogere functie behoort;
  2° maakt de ambtenaar niet het voorwerp uit van een andere niet-uitgewiste tuchtstraf dan de terechtwijzing;
  3° is de ambtenaar die ambtenaar die het meest geschikt geacht wordt om het hoofd te bieden aan de onmiddellijke noodwendigheden van de dienst of wiens aanwijzing het minste nadelen oplevert voor de goede werking van de dienst.
  § 2. Als de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde vaststelt dat het onmogelijk is om de hogere functie in te vullen kan hij, in afwijking van paragraaf 1, tweede lid, 1° en 2°, bij een met redenen omklede beslissing en met het akkoord van de inspecteur van Financiën, er een andere ambtenaar in aanwijzen.
  In dat geval wordt de aanwijzing voor de uitoefening van een hogere functie in een betrekking die overeenstemt met een graad ingedeeld in de niveaus C of B voorbehouden aan de ambtenaar die titularis is van een graad van het onmiddellijk lagere niveau.
  In geval van een aanwijzing in een betrekking die overeenstemt met de klasse A1 wordt de aanwijzing voorbehouden aan de ambtenaar die titularis is van een graad van het niveau B of het niveau C.
  De aanwijzing voor de uitoefening van een hogere functie in een betrekking van de klasse A2, A4 of A5 wordt voorbehouden aan de ambtenaar benoemd in de onmiddellijk lagere klasse. De aanwijzing voor de uitoefening van een hogere functie in een betrekking van de klasse A3 wordt voorbehouden aan de ambtenaar benoemd in de klasse A1 of A2.
Art.28. § 1er. La désignation définie à l'article 26 s'effectue lorsqu'un emploi, dans une fonction indispensable au bon fonctionnement du service, ne peut être pourvu par recrutement, par accession au niveau supérieur ou par promotion à la classe supérieure, et que l'urgence à y pourvoir temporairement est établie.
  En outre, pour être désigné, l'agent :
  1° remplit, à la date de la désignation, les conditions statutaires pour être promu par accession au grade ou à la classe dont relève la fonction supérieure;
  2° ne fait pas l'objet d'une peine disciplinaire, qui n'est pas effacée, autre que le rappel à l'ordre;
  3° est l'agent jugé le plus apte à faire face aux nécessités immédiates du service ou dont la désignation entraîne le moins d'inconvénients pour la bonne marche du service.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 2, 1° et 2°, lorsque le fonctionnaire dirigeant ou son délégué constate qu'il est impossible de pourvoir à la fonction supérieure, il peut, par décision motivée et moyennant accord de l'Inspecteur des Finances, y affecter un autre agent.
  Dans ce cas, la désignation pour l'exercice d'une fonction supérieure dans un emploi correspondant à un grade classé dans les niveaux C ou B est réservée à l'agent titulaire d'un grade du niveau immédiatement inférieur.
  Dans le cas d'une désignation dans un emploi correspondant à la classe A1, la désignation est réservée à l'agent titulaire d'un grade du niveau B ou du niveau C.
  La désignation pour l'exercice d'une fonction supérieure dans un emploi de la classe A2, A4, A5 est réservée à l'agent nommé dans la classe immédiatement inférieure. La désignation pour l'exercice d'une fonction supérieure dans un emploi de la classe A3 est réservée à l'agent nommé dans la classe A1 ou A2.
Art.29. § 1. Een hogere functie kan worden uitgeoefend in een betrekking die niet wordt bekleed door de titularis ervan of in een definitief vacante betrekking.
  § 2. Als de aanwijzing in een hogere functie wordt gedaan in een betrekking die niet wordt bekleed door de titularis ervan, heeft ze uitwerking gedurende een eerste periode van maximum zes maanden.
  De in het eerste lid gedefineerde aanwijzing kan na deze periode hernieuwd worden. Ze blijft uitwerking hebben zolang ze noodzakelijk is voor de goede werking van de dienst en uiterlijk tot de terugkeer van de titularis van de betrekking.
  Als de betrekking vacant verklaard wordt, wordt de uitoefening van de hogere functie voortgezet in toepassing van paragraaf 3.
  § 3. Als de aanwijzing in een hogere functie in een definitief vacante betrekking wordt gedaan, heeft ze uitwerking gedurende een eerste periode van maximum zes maanden.
  Ze kan na deze periode worden hernieuwd voor een periode die niet langer duurt dan zes maanden, op voorwaarde dat de procedure om de betrekking definitief toe te kennen op gang werd gebracht en op regelmatige wijze werd voortgezet.
  Ze kan vervolgens eenmaal of meermaals verlengd worden voor een nieuwe periode van niet meer dan zes maanden als en enkel als de op gang gebrachte procedure om de definitief vacante betrekking toe te kennen niet of nog niet heeft geleid tot de benoeming van een kandidaat.
Art.29. § 1er. Une fonction supérieure peut s'exercer dans un emploi non occupé par son titulaire ou dans un emploi définitivement vacant.
  § 2. Lorsque la désignation à une fonction supérieure est faite dans un emploi non occupé par son titulaire, elle produit ses effets pendant une première période de six mois maximum.
  La désignation définie à l'alinéa 1er peut être renouvelée après cette période. Elle garde ses effets aussi longtemps qu'elle reste indispensable au bon fonctionnement du service et au plus tard jusqu'au retour du titulaire de l'emploi.
  Si l'emploi est déclaré vacant, l'exercice de la fonction supérieure se poursuit en application du paragraphe 3.
  § 3. Lorsque la désignation à une fonction supérieure est faite dans un emploi définitivement vacant, elle produit ses effets pendant une première période de six mois maximum.
  Elle peut être renouvelée après cette première période pour une période n'excédant pas six mois à la condition que la procédure pour attribuer définitivement l'emploi a été engagée et s'est poursuivie de manière régulière.
  Elle peut être prolongée ensuite une ou plusieurs fois pour une nouvelle période n'excédant pas six mois, si et seulement si la procédure engagée pour attribuer l'emploi définitivement vacant n'a pas abouti ou pas encore abouti à la nomination d'un candidat.
Art.30. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde kan de uitoefening van een hogere functie te allen tijde opschorten of beëindigen.
  De ambtenaar kan te allen tijde afzien van de uitoefening van een hogere functie.
Art.30. Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué peut à tout moment suspendre ou mettre fin à l'exercice d'une fonction supérieure.
  L'agent peut à tout moment renoncer à l'exercice d'une fonction supérieure.
Art.31. § 1. Elke aanwijzing in een hogere functie en elke verlenging worden ter akkoord voorgelegd aan de inspecteur van Financiën.
  § 2. Op het moment van de aanwijzing of van de verlenging kan evenwel een met redenen omklede vrijstelling van akkoord worden gegeven door de inspecteur van Financiën als hij dat gepast vindt.
  Een vrijstelling van akkoord heeft een geldigheidsduur van hoogstens twaalf maanden. Ze kan echter te allen tijde worden ingetrokken door de inspecteur van Financiën, zonder terugwerkende kracht.
  § 3. Een driemaandelijkse staat van de verlengingen van aanwijzingen gerealiseerd op basis van de vrijstelling van akkoord wordt meegedeeld aan de inspecteur van Financiën.
Art.31. § 1er. Chaque désignation à une fonction supérieure ainsi que chaque prolongation est soumise à accord de l'Inspecteur des Finances.
  § 2. Toutefois, au moment de la désignation ou de la prolongation, une dispense d'accord motivée peut être donnée par l'Inspecteur des Finances s'il l'estime opportun.
  Une dispense d'accord a une durée de validité de douze mois au plus. Elle peut toutefois être retirée à tout moment par l'Inspecteur des Finances, sans effet rétroactif.
  § 3. Un état trimestriel des prolongations de désignations réalisées sur base de la dispense d'accord est communiqué à l'Inspecteur des Finances.
Art.32. De aanwijzings- of verlengingsakte vermeldt minstens :
  1° of de betrekking in kwestie een betrekking is die niet door de titularis ervan wordt bekleed of een definitief vacante betrekking is;
  2° in voorkomend geval de naam van de titularis of de laatste titularis van de betrekking, naargelang de betrekking niet bekleed of definitief vacant is;
  3° de motivering van het onontbeerlijke karakter van de functie;
  4° het bedrag van de toelage berekend in toepassing van artikel 27;
  5° in voorkomend geval of de procedure om de betrekking definitief toe te kennen op gang werd gebracht en op regelmatige wijze werd voortgezet of als de op gang gebrachte procedure om de definitief vacante betrekking toe te kennen niet heeft geleid tot de opmaak van een lijst van geslaagden.
Art.32. L'acte de désignation ou de prolongation indique au moins :
  1° si l'emploi concerné est un emploi non occupé par son titulaire ou un emploi définitivement vacant;
  2° le cas échéant, le nom du titulaire ou dernier titulaire de l'emploi, selon qu'il est non occupé ou définitivement vacant;
  3° la motivation du caractère indispensable de la fonction;
  4° le montant de l'allocation calculé en application de l'article 27;
  5° le cas échéant, si la procédure pour attribuer définitivement l'emploi a été engagée et s'est poursuivie de manière régulière ou si la procédure engagée pour attribuer l'emploi définitivement vacant n'a pas abouti à la constitution d'une liste de lauréats.
Art.33. De ambtenaar aangewezen in een hogere functie oefent alle voorrechten verbonden aan deze functie uit.
Art.33. L'agent désigné dans une fonction supérieure exerce toutes les prérogatives attachées à cette fonction.
Art.34. De uitoefening van een hogere functie geeft geen enkele aanspraak op een vaste benoeming in de klasse of de graad van deze functie.
  Als de ambtenaar die een hogere functie uitoefent echter vervolgens, zonder dat er een onderbreking is, bevorderd wordt tot de graad of de klasse van deze functie, wordt hij voor de schaal-, de graad- of de klasseanciënniteit beschouwd als zijnde bevorderd op de datum waarop hij werd aangewezen om deze hogere functie uit te oefenen, zonder dat deze datum verder terug kan gaan dan de datum waarop de betrokkene aan alle statutaire voorwaarden voldeed om bevorderd te worden tot de klasse of de graad van de betrekking waaraan hij is toegewezen of dan de datum waarop deze betrekking definitief vacant werd.
  De in het tweede lid bepaalde terugwerkende kracht is slechts van toepassing voor zover hij gunstiger is voor de ambtenaar.
Art.34. L'exercice d'une fonction supérieure ne confère aucun titre à une nomination définitive à la classe ou au grade de cette fonction.
  Toutefois, lorsque l'agent qui exerce une fonction supérieure est ensuite, sans qu'il y ait interruption, promu au grade ou à la classe de cette fonction, il est considéré, pour l'ancienneté d'échelle, de grade ou de classe, comme ayant été promu à la date à laquelle il a été désigné pour exercer cette fonction supérieure, sans que cette date puisse remonter au-delà ni de la date à laquelle l'intéressé a rempli toutes les conditions statutaires pour être promu à la classe ou au grade de l'emploi auquel il est affecté, ni de la date à laquelle cet emploi s'est trouvé définitivement vacant.
  La rétroactivité définie à l'alinéa 2 ne s'applique que pour autant qu'elle soit plus favorable pour l'agent.
Art.35. In de graad of de klasse waarin hij is benoemd, krijgt de ambtenaar de hogere weddeschaal of de schaalbonificatie [1 ...]1.
  [1 ...]1
  
Art.35. Dans le grade ou la classe où il est nommé, l'agent obtient l'échelle de traitement supérieure ou la bonification d'échelle [1 ...]1.
  [1 ...]1
  
Afdeling 3. - Toelage voor opleidingsactiviteit
Section 3. - Allocation pour activité de formation
Art.36. Er wordt een toelage voor opleidingsactiviteit, die naargelang van het geval door het directiecomité of de directieraad van de federale dienst erkend wordt, toegekend aan het personeelslid dat naast de hem toegewezen functie en zonder dat dit deel uitmaakt van zijn normale activiteiten als taak heeft cursussen of opleidingen te geven in het federaal openbaar ambt.
Art.36. Une allocation pour activité de formation, reconnue selon le cas par le comité de direction ou par le conseil de direction du service fédéral, est accordée au membre du personnel qui, outre la fonction qui lui a été attribuée, et sans que cela fasse partie de ses activités normales, est chargé de donner des cours ou des formations au sein de la fonction publique fédérale.
Art.37. De toelage wordt vastgesteld op 180,00 euro per dag cursus.
  Een dag cursus bevat zes uur minimum. De prestaties van minder dan zes uur worden echter naar rato van zes uur uitbetaald.
  Het bedrag van de toelage dekt eveneens de tijd besteed aan de voorbereiding van de cursussen of de opleidingen en in voorkomend geval de correctie van de proeven verbonden aan deze cursussen of opleidingen.
Art.37. L'allocation est fixée à 180,00 euros par journée de cours.
  Une journée de cours comprend six heures minimum. Toutefois, les prestations de moins de six heures sont payées au prorata de six heures.
  Le montant de l'allocation couvre également le temps consacré à la préparation des cours ou des formations et le cas échéant la correction des épreuves liées à ces cours ou ces formations.
Afdeling 4. - Creatie van specifieke toelagen
Section 4. - Création d'allocations spécifiques
Art.38. Er wordt een specifieke toelage toegekend aan het personeelslid wegens verrichte prestaties die niet als normaal kunnen worden beschouwd ten aanzien van de uitoefening van de functie en als deze prestaties niet zijn gedekt door een in dit besluit vastgestelde toelage.
  Een specifieke toelage wordt steeds vastgelegd in een reglementaire tekst met algemene reikwijdte en is nooit nominatief.
  De specifieke toelage mag geen terugwerkende kracht hebben. Ze treedt slechts in werking na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art.38. Une allocation spécifique est attribuée au membre du personnel en raison de prestations accomplies qui ne peuvent être considérées comme normales par rapport à l'exercice de la fonction et lorsque ces prestations ne sont pas couvertes par une allocation définie dans le présent arrêté.
  Une allocation spécifique s'exprime toujours dans un texte réglementaire de portée générale et n'est jamais nominative.
  L'allocation spécifique ne peut pas avoir d'effet rétroactif. Elle n'entre en vigueur qu'après sa publication au Moniteur belge.
Art.39. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde ziet erop toe dat er geen enkele specifieke toelage wordt toegekend als het personeelslid niet daadwerkelijk de functie uitoefent volgens de bijzondere voorwaarden die de toekenning ervan rechtvaardigen.
  De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde moet de toekenning van de specifieke toelage opschorten of intrekken als niet meer aan de bijzondere voorwaarden die de toekenning ervan rechtvaardigden wordt voldaan. Hij brengt het personeelslid hiervan vooraf op de hoogte.
Art.39. Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué veille à ce qu'aucune allocation spécifique ne soit octroyée si le membre du personnel n'exerce pas effectivement la fonction dans les conditions particulières qui justifient son octroi.
  Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué doit suspendre ou supprimer l'octroi de l'allocation spécifique si les conditions particulières qui ont justifié son octroi ne sont plus réunies. Il en informe au préalable le membre du personnel.
Art.40. Onverminderd de regels betreffende de administratieve en de begrotingscontrole worden de toelagen vastgesteld door Onze bevoegde Minister of Ministers, na beraadslaging in de Ministerraad.
Art.40. Sans préjudice des règles relatives au contrôle administratif et budgétaire, les allocations sont fixées par Notre ou Nos Ministres compétents, après délibération en conseil des ministres.
Art.41. De deelneming van het personeel aan jury's, comités, raden of commissies die zitting hebben in de federale diensten geeft geen aanleiding tot de toekenning van een toelage.
  De koninklijke of ministeriële besluiten betreffende de toekenning van de toelagen kunnen echter uitzonderingen op de in het eerste lid vermelde regel bevatten als de bedoelde deelneming geregeld drukke bezigheden met zich meebrengt die directe bijkomende prestaties vergen die buiten het kader vallen van de normale activiteit van het personeelslid.
Art.41. La participation du personnel à des jurys, comités, conseils ou commissions siégeant au sein des services fédéraux ne donne pas lieu à l'octroi d'une allocation.
  Les arrêtés royaux ou ministériels relatifs à l'octroi des allocations peuvent toutefois prévoir des exceptions à la règle énoncée à l'alinéa 1er lorsque la participation visée entraîne régulièrement des sujétions absorbantes nécessitant des prestations supplémentaires directes sortant du cadre de l'activité normale du membre du personnel.
HOOFDSTUK III. - Toelagen verbonden aan de specifieke organisatie van de arbeidstijd
CHAPITRE III. - Allocations liées à une organisation spécifique de la durée du travail
Afdeling 1. - Wachttoelage
Section 1re. - Allocation de garde
Art.42. Er wordt een wachttoelage toegekend aan het personeelslid dat een actieve of passieve wachtdienst verzorgt.
  Onder passieve wachtdienst verstaat men de verplichting voor een personeelslid om buiten zijn diensturen bereikbaar en beschikbaar te zijn zonder zich echter te moeten verplaatsen.
  Onder actieve wachtdienst verstaat men de verplichting voor een personeelslid om buiten zijn diensturen niet alleen bereikbaar en beschikbaar te zijn, maar ook om zich te kunnen verplaatsen.
Art.42. Une allocation de garde est accordée au membre du personnel qui assure un service de garde active ou passive.
  Par service de garde passive, on entend l'obligation pour un membre du personnel, en dehors de ses heures de service, d'être joignable et disponible sans cependant devoir se déplacer.
  Par service de garde active, on entend l'obligation pour un membre du personnel, en dehors de ses heures de service, non seulement d'être joignable et disponible mais aussi de pouvoir se déplacer.
Art.43. Onder de wachtperiode "tijdens de week" verstaat men de ononderbroken of onderbroken periode, met een minimumduur van 15 uur en met een maximumduur van 24 uur, van maandag tot vrijdag.
  Onder de wachtperiode "tijdens het weekend" verstaat men de ononderbroken of onderbroken periode, met een minimumduur van 15 uur en met een maximumduur van 24 uur, die volledig of gedeeltelijk plaatsvindt op zaterdag, zondag of een feestdag.
Art.43. Par période de garde " de semaine ", on entend la période continue ou discontinue, d'une durée minimum de 15 heures et d'une durée maximum de 24 heures, du lundi au vendredi.
  Par période de garde " du week-end ", on entend la période continue ou discontinue, d'une durée minimum de 15 heures et d'une durée maximum de 24 heures, qui se déroule en tout ou en partie sur un samedi, un dimanche ou un jour férié.
Art.44. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde beslist over de organisatie van wachtdiensten en stelt hiervoor op vrijwillige basis personeelsleden aan of laat hen aanstellen.
Art.44. Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué décide de l'organisation de services de garde et y désigne ou y fait désigner, sur une base volontaire, les membres du personnel.
Art.45. De volgende forfaitaire toelagen worden toegekend aan het personeelslid :
  1° een forfaitaire toelage van 20,00 euro voor een passieve wachtdienst geleverd gedurende een wachtperiode "tijdens de week";
  2° een forfaitaire toelage van 30,00 euro voor een actieve wachtdienst geleverd gedurende een wachtperiode "tijdens de week";
  3° een forfaitaire toelage van 35,00 euro voor een passieve wachtdienst geleverd gedurende een wachtperiode "tijdens het weekend";
  4° een forfaitaire toelage van 50,00 euro voor een actieve wachtdienst geleverd gedurende een wachtperiode "tijdens het weekend".
Art.45. Les allocations forfaitaires suivantes sont octroyées au membre du personnel :
  1° une allocation forfaitaire de 20,00 euros pour un service de garde passive accompli pendant une période de garde " de semaine ";
  2° une allocation forfaitaire de 30,00 euros pour un service de garde active accompli pendant une période de garde " de semaine ";
  3° une allocation forfaitaire de 35,00 euros pour un service de garde passive accompli pendant une période de garde " du weekend ";
  4° une allocation forfaitaire de 50,00 euros pour un service de garde active accompli pendant une période de garde " du weekend ".
Art.46. Deze afdeling is niet van toepassing op het personeelslid van wie de functie vereist dat hij permanent bereikbaar is.
Art.46. La présente section n'est pas applicable au membre du personnel dont la fonction exige d'être joignable de manière permanente.
Afdeling 2. - Toelage voor onregelmatige prestaties
Section 2. - Allocation pour prestations irrégulières
Art.47. Er wordt een toelage toegekend aan het personeelslid dat prestaties moet verrichten buiten de normale uurroosters.
  Als prestaties buiten de normale uurroosters worden beschouwd de prestaties verricht tijdens de nacht en de prestaties verricht op zaterdag, zondag of feestdagen.
  De prestaties verricht tussen 18 uur en 20 uur worden gelijkgesteld met prestaties verricht tijdens de nacht, voor zover deze eindigen om of na 22 uur.
  Elk deel van een uur dat gelijk is aan of langer duurt dan dertig minuten, waarin prestaties zijn verricht buiten de normale uurroosters, wordt beschouwd als een uur prestatie. Het wordt weggelaten als het deze duur niet bereikt.
  Voor de toepassing van dit artikel worden niet bedoeld :
  1° het personeelslid dat in opeenvolgende ploegen werkt in de zin van artikelen 51 en 52;
  2° het personeelslid van wie het normale uurrooster prestaties 's nachts, tijdens feestdagen of tijdens het weekend omvat.
Art.47. Une allocation est octroyée au membre du personnel qui est astreint à des prestations en dehors des horaires ordinaires de travail.
  Sont considérées comme prestations en dehors des horaires ordinaires de travail celles effectuées la nuit, ainsi que celles effectuées le samedi, le dimanche ou un jour férié.
  Sont assimilées à des prestations effectuées la nuit celles effectuées entre dix-huit heures et vingt heures pour autant qu'elles se terminent à ou après vingt-deux heures.
  Chaque fraction d'heure égale ou supérieure à trente minutes pour laquelle des prestations ont été effectuées en dehors des horaires ordinaires de travail est considérée comme une heure de prestation. Elle est négligée si elle n'atteint pas cette durée.
  Pour l'application du présent article, n'est pas visé :
  1° le membre du personnel qui travaille par équipes successives au sens des articles 51 et 52;
  2° le membre du personnel dont l'horaire normal de travail comprend des prestations de nuit, de jour férié ou de week-end.
Art.48. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde beslist over de organisatie van prestaties buiten de normale uurroosters en stelt hiervoor op vrijwillige basis personeelsleden aan of laat hen aanstellen.
  Telewerk geeft geen recht op de toelage voor prestaties buiten de normale uurroosters, behoudens andersluidende beslissing van de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde.
Art.48. Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué décide de l'organisation de prestations en dehors des horaires ordinaires de travail et y désigne ou y fait désigner, sur une base volontaire, des membres du personnel.
  Le télétravail ne donne pas droit à l'allocation pour prestations en dehors des horaires ordinaires de travail, sauf décision en sens contraire du fonctionnaire dirigeant ou de son délégué.
Art.49. De toelage voor prestaties buiten de normale uurroosters is, per uur prestatie, gelijk aan 1/1976e van de brutojaarbezoldiging, genomen als basis voor de berekening van de bezoldiging van de maand waarin de prestaties verricht werden, als deze verricht werden op een zon- of feestdag of tijdens de nacht die aan een zon- of feestdag voorafgaat, aan 50 % van dit bedrag in de andere gevallen.
Art.49. L'allocation pour prestations en dehors des horaires ordinaires de travail est égale, par heure de prestation, à 1/1976ème de la rémunération annuelle brute prise comme base du calcul de la rémunération du mois pendant lequel les prestations ont été effectuées si celles-ci ont été réalisées le dimanche ou un jour férié, ou la nuit qui précède un dimanche ou un jour férié, à 50% de ce montant dans les autres cas.
Art.50. Het personeelslid dat prestaties moet verrichten buiten de normale uurroosters kan in plaats van de in artikel 47 bedoelde toelage opteren voor een inhaalrust.
  In dat geval stemt de inhaalrust overeen met een recuperatie aan 200% van de gepresteerde tijd als het personeelslid prestaties heeft verricht op een zondag of een feestdag of tijdens de nacht die aan een zon- of feestdag voorafgaat en aan 150% van de gepresteerde tijd in de andere gevallen.
  De inhaalrust wordt genomen naar keuze van het personeelslid, met het akkoord van zijn hiërarchische meerdere.
Art.50. Le membre du personnel astreint à des prestations en dehors des horaires ordinaires de travail peut, en lieu et place de l'allocation visée à l'article 47, opter pour un repos compensatoire.
  Dans ce cas, le repos compensatoire correspond à une récupération à 200% du temps presté si le membre du personnel a effectué des prestations le dimanche ou un jour férié, ou la nuit qui précède un dimanche ou un jour férié, et à 150% du temps presté dans les autres cas.
  Le repos compensatoire est pris au choix du membre du personnel moyennant accord de son supérieur hiérarchique.
Afdeling 3. - Toelage voor werk in opeenvolgende ploegen
Section 3. - Allocation de travail par équipes successives
Art.51. Er wordt een toelage voor werk in opeenvolgende ploegen toegekend aan het personeelslid dat dergelijk werk verricht.
  De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde beslist over de organisatie van het werk in opeenvolgende ploegen.
  Als werk in opeenvolgende ploegen wordt beschouwd een wijze van werkorganisatie waarbij de werknemers na elkaar op dezelfde werkposten tewerkgesteld zijn volgens een bepaald rooster, ook bij toerbeurt en al dan niet continu, met als gevolg dat de werknemers over een bepaalde periode van dagen of weken op verschillende tijdstippen moeten werken.
  Het werk in opeenvolgende ploegen gebeurt op vrijwillige basis, behalve als het personeelslid werd aangeworven voor een functie die het vereist, als hij heeft verzocht ertoe aangewezen te worden of ernaar overgeplaatst te worden of als zijn arbeidsovereenkomst erin voorziet.
  Het personeelslid van wie het uurrooster gewone prestaties van meer dan 10 uur gedurende een periode van 24 uur omvat, wordt niet beschouwd als werkend in opeenvolgende ploegen.
Art.51. Une allocation de travail par équipes successives est accordée au membre du personnel qui l'effectue.
  Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué décide de l'organisation du travail par équipes successives.
  Est considéré comme travail par équipes successives le mode d'organisation du travail selon lequel les travailleurs sont occupés successivement sur les mêmes postes de travail, selon un certain rythme, y compris le rythme rotatif, et qui peut être de type continu ou discontinu, entraînant pour les travailleurs la nécessité d'accomplir un travail à des heures différentes sur une période donnée de jours et de semaines.
  Le travail par équipes successives s'effectue sur une base volontaire sauf si le membre du personnel a été recruté pour une fonction qui l'exige, s'il y a sollicité son affectation ou sa mutation ou si son contrat de travail le prévoit.
  Le membre du personnel dont l'horaire comprend des prestations ordinaires de plus de 10 heures pendant une période de 24 heures n'est pas considéré comme travaillant en équipes successives.
Art.52. De toelage voor werk in opeenvolgende ploegen is, per uur prestatie, gelijk aan een percentage van 1/1976e van de brutojaarbezoldiging genomen als basis voor de berekening van de bezoldiging van de maand waarin het werk in opeenvolgende ploegen verricht werd.
  Voor de toepassing van deze afdeling omvat de bezoldiging, in afwijking van artikel 2, eerste lid, 23°, het complement, het weddecomplement en het weddesupplement niet.
  Het in het eerste lid bepaalde percentage bedraagt :
  1° 10% als het personeelslid uitsluitend tijdens de week werkt zonder werk te verrichten tussen tweeëntwintig uur en zes uur;
  2° 15% als het personeelslid :
  - tijdens de week en het weekend werkt zonder werk te verrichten tussen tweeëntwintig uur en zes uur;
  - tijdens de week, evenals tussen tweeëntwintig en zes uur werkt, zonder werk te verrichten tijdens het weekend;
  3° 20% als het personeelslid tijdens de week, tijdens het weekend en tussen tweeëntwintig uur en zes uur werkt;
  4° 25 % als het personeelslid uitsluitend tijdens het weekend en tussen tweeëntwintig uur en zes uur werkt, of enkel een van beide. Prestaties verricht van twintig tot tweeëntwintig uur of van zes tot acht uur, om het even welke dag, mogen evenwel in aanmerking worden genomen als ze niet meer dan 25% van het totaal van de prestatie bedragen.
  De toelage voor werk in opeenvolgende ploegen wordt maandelijks na het vervallen van de termijn betaald.
Art.52. L'allocation de travail par équipes successives est égale, par heure de prestation, à un pourcentage de 1/1976ème de la rémunération annuelle brute prise comme base du calcul de la rémunération du mois pendant lequel le travail par équipes successives a été effectué.
  Pour l'application de la présente section, par dérogation à l'article 2, alinéa 1er, 23°, la rémunération ne comprend pas le complément, le complément de traitement et le supplément de traitement.
  Le pourcentage défini à l'alinéa 1er est de :
  1° 10 % lorsque le membre du personnel travaille uniquement la semaine sans effectuer de travail entre vingt-deux heures et six heures;
  2° 15 % lorsque le membre du personnel :
  - travaille la semaine et le week-end sans effectuer de travail entre vingt-deux heures et six heures;
  - travaille la semaine, également entre vingt-deux heures et six heures, sans effectuer de travail le week-end;
  3° 20 % lorsque le membre du personnel travaille la semaine, le week-end et entre vingt-deux heures et six heures;
  4° 25 % lorsque le membre du personnel travaille uniquement le week-end et entre vingt-deux heures et six heures, ou l'un des deux seulement. Toutefois, des prestations effectuées de vingt à vingt-deux heures ou de six à huit heures peuvent être prises en compte, n'importe quel jour, si elles n'excèdent pas 25 % du total de la prestation.
  L'allocation de travail par équipes successives est payée mensuellement à terme échu.
Afdeling 4. - Toelage voor bijkomende prestaties
Section 4. - Allocation pour prestations supplémentaires
Art.53. Er wordt een toelage toegekend aan het personeelslid dat bijkomende prestaties verricht waarvoor hem, met zijn akkoord, geen inhaalrust werd toegekend.
  Worden als bijkomende prestaties beschouwd de prestaties verricht boven de maximale beperkingen bepaald door de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector als er zich onvoorziene omstandigheden voordoen die dringende maatregelen vereisen.
  Elk deel van een uur dat gelijk is aan of langer duurt dan dertig minuten, waarin bijkomende prestaties werden verricht, wordt beschouwd als een uur prestatie. Het wordt weggelaten als het deze duur niet bereikt.
Art.53. Une allocation est accordée au membre du personnel qui effectue des prestations supplémentaires pour lesquelles, avec son accord, aucun repos compensatoire n'a été octroyé.
  Sont considérées comme des prestations supplémentaires les prestations effectuées au-delà des limites maximales prévues par la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public, lors de la survenance de circonstances imprévisibles nécessitant des mesures urgentes.
  Chaque fraction d'heure égale ou supérieure à trente minutes pour laquelle des prestations supplémentaires ont été effectuées est considérée comme une heure de prestation. Elle est négligée si elle n'atteint pas cette durée.
Art.54. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde beslist over de organisatie van de bijkomende prestaties en stelt hiervoor op vrijwillige basis personeelsleden aan of laat hen aanstellen.
  De inspecteur van Financiën, of de afgevaardigde van de minister van Begroting voor de instellingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 4° en 5°, wordt hier maandelijks over ingelicht.
Art.54. Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué décide de l'organisation des prestations supplémentaires et y désigne ou y fait désigner, sur une base volontaire, des membres du personnel.
  L'Inspecteur des Finances, ou le délégué du ministre du Budget pour les organismes visés à l'article 2, alinéa 1er, 4° et 5°, en est informé mensuellement.
Art.55. De toelage voor bijkomende prestaties is, per uur prestatie, gelijk aan 1/1976e van de brutojaarbezoldiging, genomen als basis voor de berekening van de bezoldiging van de maand waarin de prestaties verricht werden.
Art.55. L'allocation pour prestations supplémentaires est égale, par heure de prestation, à 1/1976ème de la rémunération annuelle brute prise comme base du calcul de la rémunération du mois pendant lequel les prestations ont été effectuées.
HOOFDSTUK IV. - Taaltoelage
CHAPITRE IV. - Allocation linguistique
Afdeling 1. [1 - Algemene bepaling]1
Section 1. [1 - Disposition générale]1
Art.56. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° "gecoördineerde wetten" : de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, samengevat op 18 juli 1966;
  2° "het koninklijk besluit betreffende de taalexamens" : het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de voornoemde gecoördineerde wetten;
  [1 3° administratieve talen: de Nederlandse, de Franse of de Duitse taal die wordt erkend in bestuurszaken door de gecoördineerde wetten;
   4° gebarentaal: visuele gebarentaal eigen aan de dovengemeenschap die overeenstemt met een van de landstalen, respectievelijk Frans, Nederlands of Duits.]1

  
Art.56. Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
  1° " lois coordonnées " : les lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966;
  2° " l'arrêté royal relatif aux examens linguistiques " : l'arrêté royal du 8 mars 2001 fixant les conditions de délivrance des certificats de connaissances linguistiques prévus à l'article 53 des lois coordonnées précitées;
  [1 3° langues administratives : langue française, langue néerlandaise ou langue allemande reconnue en matière administrative par les lois coordonnées ;
   4° langue des signes : langue visuo-gestuelle propre à la communauté des sourds qui correspond à une des langues nationales, respectivement la langue française, la langue néerlandaise ou la langue allemande.]1

  
Afdeling 2. [1 - Taaltoelage - administratieve talen]1
Section 2. [1 - Allocation linguistique - langues administratives]1
Art.57. Er wordt een taaltoelage toegekend aan het personeelslid dat aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden voldoet :
  1° voor een examencommissie, samengesteld [1 door de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]1, het bewijs hebben geleverd van de kennis van de tweede of de derde landstaal, of een beslissing [1 van de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]1 hebben geleverd die hem op grond van zijn diploma vrijstelt van de verplichting om het taalexamen af te leggen;
  2° toegewezen zijn aan een centrale dienst of aan een uitvoeringsdienst waarvan de activiteit het hele land bestrijkt of aan een plaatselijke of gewestelijke dienst waarvan het activiteitsgebied een van de gemeenten omvat bedoeld in artikelen 5 tot 8 van de gecoördineerde wetten;
  3° dit aanvragen.
  Het aanvragen van de taaltoelage en deze taaltoelage genieten impliceert dat men kan gevraagd worden gebruik te maken van een andere landstaal naargelang van het bewezen competentieniveau in het kader van zijn betrekkingen met de diensten, met de personeelsleden of met particulieren.
  
Art.57. Une allocation linguistique est accordée au membre du personnel qui réunit les trois conditions cumulatives suivantes :
  1° avoir apporté la preuve, devant une commission d'examen constituée [1 par le directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]1, qu'il connait la deuxième ou la troisième langue nationale, ou a produit une décision [1 du directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]1 l' exemptant, sur la base de son diplôme, de l'obligation de subir l'examen linguistique;
  2° être affecté à un service central ou à un service d'exécution dont l'activité s'étend à tout le pays ou à un service local ou régional dont le ressort d'activité comprend une des communes visées aux articles 5 à 8 des lois coordonnées;
  3° en faire la demande.
  Le fait de demander l'allocation linguistique et d'en bénéficier implique d'être appellé à pratiquer une autre langue nationale, selon le niveau de compétences attesté, dans le cadre de ses rapports avec les services, avec les membres du personnel ou avec les particuliers.
  
Art.58. Het bedrag van de toelage varieert naargelang van het taalexamen waarvoor men geslaagd is. Als het personeelslid een vrijstellingsbeslissing inroept, verkrijgt hij de toelage die toegekend is aan het personeelslid dat geslaagd is voor het examen bepaald in artikel 7 van het koninklijk besluit betreffende de taalexamens.
  Het bedrag van de toelage wordt vastgesteld overeenkomstig de tabel van de bijlage van dit besluit, waarin het bewijs vermeld is door de bepaling van het koninklijk besluit betreffende de taalexamens op grond waarvan het bewijs wordt uitgereikt en, in voorkomend geval, door het niveau van de taalkennis waarmee dit bewijs overeenstemt.
Art.58. Le montant de l'allocation varie selon l'examen linguistique réussi. Si le membre du personnel se prévaut d'une décision d'exemption, il obtient l'allocation accordée au membre du personnel ayant réussi l'examen prévu à l'article 7 de l'arrêté royal relatif aux examens linguistiques.
  Le montant de l'allocation est fixé conformément au tableau de l'annexe du présent arrêté, dans lequel le certificat est mentionné par la disposition de l'arrêté royal relatif aux examens linguistiques sur la base de laquelle le certificat est délivré et, le cas échéant, par le niveau de la connaissance linguistique auquel ce certificat correspond.
Art.59. Als een personeelslid voldoet aan de toekenningsvoorwaarden van meerdere toelagen voor de kennis van dezelfde taal krijgt hij slechts de hoogste toelage.
  [1 Onverminderd het eerste lid, als het personeelslid aan de voorwaarden voldoet voor de toekenning van meerdere toelagen voor de kennis van drie talen bedoeld respectievelijk in artikel 57 en in voorkomend geval in artikel 62bis krijgt hij de overeenkomstige toelagen.]1
  
Art.59. Si un membre du personnel satisfait aux conditions d'octroi de plusieurs allocations pour la connaissance de la même langue, il n'obtient que l'allocation la plus élevée.
  [1 Sans préjudice de l'alinéa 1er, si le membre du personnel satisfait aux conditions d'octroi de plusieurs allocations pour la connaissance de trois langues visées respectivement à l'article 57 et, le cas échéant, à l'article 62bis, il obtient les allocations correspondantes.]1
  
Art.60. Het personeelslid bedoeld in artikel 43, § 6, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, aangewezen door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde, krijgt de hoogste toelage van de tabel van de voornoemde bijlage.
Art.60. Le membre du personnel visé à l'article 43, § 6, alinéa 2, des lois coordonnées, désigné par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué, bénéficie de l'allocation la plus élevée du tableau de l'annexe précitée.
Art.61. De toelage is verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand na de maand waarin het personeelslid aan de in artikel 57 bedoelde toekenningsvoorwaarden voldoet.
Art.61. L'allocation est due à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le membre du personnel réunit les conditions d'octroi visées à l'article 57.
Art.62. [1 De toelage wordt maandelijks tegelijkertijd met de bezoldiging betaald.
   De toelage is niet verschuldigd:
   1° bij afwezigheid, meer dan dertig opeenvolgende werkdagen om eender welke reden. De schorsing van de toelage gebeurt met terugwerkende kracht tot de eerste dag van de afwezigheid.
   Echter, worden de afwezigheden omwille van de volgende redenen niet in aanmerking genomen voor de dertig opeenvolgende werkdagen:
   - ziekteverlof;
   - arbeidsongeval, ongeval op weg naar of van het werk of beroepsziekte;
   - ouderschapsverlof en loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof;
   - adoptieverlof, opvangverlof, pleegzorgverlof, pleegouderverlof;
   - loopbaanonderbreking om palliatieve zorgen of medische bijstand te verstrekken en de loopbaanonderbreking voor mantelzorg;
   - verlof verbonden aan de moederschapsbescherming;
   - jaarlijks vakantieverlof;
   - recuperaties als gevolg van inhaalrust of -verlof dat wordt toegekend in het kader van de overschrijdingen van de grens die is bepaald in de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector.
   2° wanneer het personeelslid het voordeel van zijn bezoldiging verliest. De schorsing gaat in vanaf de eerste dag.
   De toelage is naar rato verschuldigd als de bezoldiging zelf naar rato wordt betaald. De toelage wordt echter niet verminderd als het personeelslid een verlof geniet wegens verminderde prestaties die gewettigd zijn door een chronische ziekte, een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van of naar het werk of een beroepsziekte.]1

  
Art.62. [1 L'allocation est liquidée mensuellement en même temps que la rémunération.
   L'allocation n'est pas due :
   1. en cas d'absence de plus de trente jours ouvrables successifs à quelque titre que ce soit. La suspension de l'allocation s'opère avec effet rétroactif au premier jour de l'absence.
   Toutefois, ne sont pas pris en compte pour les trente jours ouvrables successifs, les absences pour :
   - congé de maladie ;
   - accident du travail, accident sur le chemin du travail ou maladie professionnelle ;
   - congé parental et interruption de carrière pour congé parental ;
   - congé d'adoption, congé d'accueil, congé pour soins d'accueil, congé parental d'accueil ;
   - interruption de la carrière pour assurer des soins palliatifs ou une assistance médicale et l'interruption de carrière pour aidants proches ;
   - congé lié à la protection de la maternité;
   - congé annuel de vacances;
   - récupérations octroyées en raison du repos compensatoire accordé dans le cadre des dépassements à la limite fixée dans la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public.
   1° lorsque le membre du personnel perd le bénéfice de sa rémunération. La suspension s'opère dès le premier jour.
   L'allocation est due au prorata lorsque la rémunération est elle-même payée au prorata. Toutefois, l'allocation n'est pas réduite si le membre du personnel exerce ses fonctions par prestations réduites justifiées par une maladie chronique ou par un accident du travail, un accident sur le chemin du travail ou une maladie professionnelle. ]1

  
Afdeling 3. [1 - taaltoelage - gebarentaal]1
Section 3. [1 - Allocation linguistique - langue des signes]1
Art. 62bis. [1 Er wordt een taaltoelage voor gebarentaal toegekend aan het personeelslid dat voldoet aan de volgende cumulatieve toekenningsvoorwaarden:
   1° het bewijs geleverd hebben dat men in het bezit is van een certificaat van kennis van gebarentaal uitgereikt door een instelling voor taalonderwijs erkend door een van de Gemeenschappen;
   2° deze aanvragen.
   De directeur-generaal van het directoraat-generaal valideert de conformiteit van het in punt 1° bedoelde taalcertificaat met inachtneming van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.]1

  
Art. 62bis. [1 Une allocation linguistique pour la langue des signes est accordée au membre du personnel qui réunit les conditions cumulatives d'octroi suivantes :
   1° avoir apporté la preuve de la possession d'un certificat de connaissance de la langue des signes délivré par un établissement d'enseignement des langues agréé par une des Communautés ;
   2° en faire la demande.
   Le directeur général de la Direction générale valide la conformité du certificat linguistique visé au point 1° dans le respect du Cadre Européen Commun de Références pour les Langues.]1

  
Art. 62ter. [1 Het bedrag van de taaltoelage varieert naargelang van het vereiste taalvaardigheidsniveau van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen.
   Het personeelslid ontvangt het bedrag van de taaltoelage - gebarentaal vermeld in kolom 2 van de onderstaande tabel dat overeenkomt met het taalvaardigheidsniveau van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen vermeld in kolom 1 van de betreffende tabel.
Art. 62ter. [1 Le montant de l'allocation linguistique varie selon le niveau de compétences linguistiques requis du Cadre Européen Commun de Référence pour les Langues.
   Le membre du personnel obtient le montant de l'allocation linguistique - langue des signes mentionné dans la colonne 2 du tableau ci-dessous qui correspond au niveau de compétences linguistiques Cadre Européen Commun de Référence pour les Langues repris dans la colonne 1 dudit tableau.
Niveau de compétence linguistique:
   Taalvaardigheidsniveau:
Montant de l'allocation
   Bedrag van de toelage
B1 50 EUR
B2 60 EUR
C1 90 EUR
C2 110 EUR
Niveau de compétence linguistique:
   Taalvaardigheidsniveau: Montant de l'allocation
   Bedrag van de toelage B1 50 EUR B2 60 EUR C1 90 EUR C2 110 EUR
De artikelen 59, 61 en 62 zijn van toepassing op de in deze afdeling bedoelde taaltoelage - gebarentaal.]1
  
Niveau de compétence linguistique:
   Taalvaardigheidsniveau:
Montant de l'allocation
   Bedrag van de toelage
B1 50 EUR
B2 60 EUR
C1 90 EUR
C2 110 EUR
Niveau de compétence linguistique:
   Taalvaardigheidsniveau: Montant de l'allocation
   Bedrag van de toelage B1 50 EUR B2 60 EUR C1 90 EUR C2 110 EUR
Les articles 59, 61 et 62 s'appliquent à l'allocation linguistique - langue des signes visées dans la présente section.]1
  
TITEL III. - Vergoedingen
TITRE III. - Indemnités
HOOFDSTUK I. - Vergoeding voor verplaastingskosten tussen de woonplaats en de werkplaats
CHAPITRE Ier. - Indemnité pour frais de déplacement entre la résidence et le lieu de travail
Art.63. Het personeelslid geniet gratis vervoer op het Belgische grondgebied tussen zijn woonplaats en zijn werkplaats als hij gebruik maakt van het gemeenschappelijk openbaar vervoer.
  De toepassing van het eerste lid wordt verwezenlijkt door middel van akkoorden met de ondernemingen NMBS, DE LIJN, MIVB en SRWT-TEC krachtens welke het personeelslid gratis een abonnement of treinkaarten tweede klas ontvangt.
  De kosteloosheid van de verplaatsingen met het gemeenschappelijk openbaar vervoer wordt toegekend op voorwaarde dat steeds de meest voordelige manier voor de betrokken federale dienst wordt gekozen.
  Voor dezelfde maand kunnen slechts voor één woonplaats een abonnement of treinkaarten toegekend worden.
Art.63. Le membre du personnel bénéficie de la gratuité du transport sur le territoire belge entre sa résidence et son lieu de travail lorsqu'il utilise les transports en commun publics.
  La mise en oeuvre de l'alinéa 1er se réalise par des accords avec les sociétés SNCB, DE LIJN, STIB et SRWT-TEC aux termes desquels le membre du personnel reçoit gratuitement un abonnement ou des cartes-train de deuxième classe.
  La gratuité des déplacements par les transports en commun publics est accordée à condition de toujours choisir le mode le plus avantageux pour le service fédéral concerné.
  Pour le même mois, il ne peut être accordé d'abonnement ou de cartes-train que pour une seule résidence.
Art.64. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde kent een compenserende vergoeding toe aan het personeelslid dat bewijst dat hij het gemeenschappelijk openbaar vervoer niet kan gebruiken om een van de volgende redenen :
  1° een lichamelijke verhindering laat tijdelijk of permanent niet toe het gemeenschappelijk openbaar vervoer te gebruiken;
  2° De werkplaats is gelegen op meer dan drie kilometer van de dichtstbijzijnde halteplaats van een openbaar vervoermiddel;
  3° Het onregelmatige uurrooster of prestaties in opeenvolgende ploegen sluiten het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer uit over een afstand van ten minste drie kilometer.
  [1 Het bedrag van de compenserende vergoeding is, per afgelegde kilometer, gelijk aan het bedrag bepaald in artikel 19, § 2, 4°, c), 1e lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders]1.
  [1 In afwijking van artikel 9 is het bedrag van de vergoeding niet onderworpen aan de indexeringsregeling.
   De berekeningswijze van de afgelegde afstand wordt bepaald door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde. In geval van betwisting wordt de afstand berekend door het Nationaal Geografisch Instituut op basis van de officiële middenschalige referentiegegevens.]1

  
Art.64. Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué octroie une indemnité compensatoire au membre du personnel qui prouve qu'il lui est impossible d'utiliser les transports en commun publics pour une des raisons suivantes :
  1° un empêchement physique ne permet pas l'utilisation des transports en commun publics de manière temporaire ou permanente;
  2° le lieu de travail est éloigné de plus de trois kilomètres de l'arrêt de transport en commun public le plus proche;
  3° l'horaire de travail irrégulier ou des prestations en équipes successives excluent l'utilisation des transports en commun publics sur une distance d'au moins trois kilomètres.
  [1 Le montant de l'indemnité compensatoire est égal, par kilomètre parcouru, au montant qui est fixé à l'article 19, § 2, 4°, c), alinéa 1er, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]1
  [1 Par dérogation à l'article 9, le montant de l'indemnité n'est pas soumis au régime d'indexation.
   Le mode de calcul de la distance parcourue est déterminé par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué. En cas de contestation, la distance est calculée par l'Institut Géographique National sur base de données officielles de références à moyenne échelle. ]1
.
  
Art. 64/1. [1 In afwijking van artikel 63, tweede lid, worden de verplaatsingskosten van het woon-werkverkeer van het personeelslid dat een persoon met een handicap is bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende de inclusie van personen met een handicap en redelijke aanpassingen tijdens selecties op diens vraag terugbetaald aan de prijs van een reis in eerste klas wanneer hij gebruik maakt van het gemeenschappelijk openbaar vervoer en het vervoermiddel meerdere klassen heeft.
   Hij geniet het bedrag van de kilometervergoeding berekend overeenkomstig artikel 74 wanneer hij voor het woon-werkverkeer gebruik maakt van een persoonlijk voertuig.]1

  
Art. 64/1. [1 Par dérogation à l'article 63, alinéa 2, les frais de déplacement liés au déplacement entre la résidence et le lieu de travail du membre du personnel porteur d'un handicap visé à l'article 1er de l'arrêté royal du 6 octobre 2005 portant l'inclusion des personnes handicapées et des aménagements raisonnables lors de sélections sont remboursés à la demande du membre du personnel à concurrence du prix d'un voyage en train en première classe s'il utilise un transport en commun public et le moyen de transport comporte plusieurs classes.
   Il bénéfice du montant de l'indemnité kilométrique calculée conformément à l'article 74 s'il utilise un véhicule personnel pour le déplacement entre sa résidence et son lieu de travail.]1

  
Art.65. Het personeelslid dat de kosteloosheid van het gemeenschappelijk openbaar vervoer geniet voor het woon-werkverkeer kan de in artikel 64 bedoelde compenserende vergoeding niet genieten. De cumulatie van deze kosteloosheid en deze vergoeding wordt echter gemachtigd :
  1° in geval van een tijdelijke lichamelijke verhindering die hem belet het gemeenschappelijk openbaar vervoer te gebruiken;
  2° in geval van een bevel om zich dringend te melden op zijn werkplaats;
  3° voor het personeelslid bedoeld in artikel 64, eerste lid, 3° op de dagen en uren waarop verplaatsingen met het gemeenschappelijk openbaar vervoer onmogelijk zijn;
  4° in geval van specifieke omstandigheden, beoordeeld door de leidend ambtenaar, die de verplaatsing via het gemeenschappelijk openbaar vervoer moeilijk mogelijk maken.
Art.65. Le membre du personnel qui bénéficie de la gratuité du transport en commun public pour le déplacement entre sa résidence et son lieu de travail ne peut pas bénéficier de l'indemnité compensatoire visée à l'article 64. Toutefois, le cumul de cette gratuité et de cette indemnité est autorisé :
  1° en cas d'empêchement physique temporaire qui l'empêche d'utiliser les transports en commun publics;
  2° en cas d'ordre de se présenter d'urgence sur son lieu de travail;
  3° pour le membre du personnel visé à l'article 64, alinéa 1er, 3°, aux jours et heures où le déplacement est impossible par les transports en commun publics;
  4° en cas de circonstances particulières, appréciées par le fonctionnaire dirigeant, qui rendent le déplacement difficilement possible par les transports en commun publics.
Art.66. Het personeelslid dient zijn aanvraag voor het verkrijgen van de vergoeding in bij de dienst die daartoe aangewezen is door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde en volgens de modaliteiten die deze bepaalt. Onverminderd artikel 6 vermeldt de aanvraag de reisweg tussen de woonplaats en de werkplaats, de redenen waarom het onmogelijk is het gemeenschappelijk openbaar vervoer te gebruiken en de datums en periodes van deze verplaatsingen.
  De onmogelijkheid om het gemeenschappelijk openbaar vervoer te gebruiken wordt bewezen :
  a) in 1° van artikelen 64, eerste lid, en 65, door een medisch attest dat in geval van twijfel ter controle aan MEDEX wordt voorgelegd; in sommige gevallen mag worden aanvaard dat het voertuig door een derde persoon wordt bestuurd;
  b) in 2° en 3° van artikel 64, eerste lid, en 3° van artikel 65, door attesten van de maatschappijen voor gemeenschappelijk openbaar vervoer die de betrokken streek bedienen, waarin duidelijk verklaard wordt dat er geen, of toch zeker niet op de nodige tijdstippen, gemeenschappelijk openbaar vervoer wordt aangeboden; deze attesten mogen in voorkomend geval vervangen worden door afdrukken via internet van de dienstregelingen van de betrokken maatschappijen;
  c) in 2° van artikel 65 door een attest van de overheid die de betrokkene oproept waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat elk uitstel of tijdverlies ernstige nadelige gevolgen zou hebben;
  d) De moeilijkheid om het gemeenschappelijk openbaar vervoer te gebruiken voor 4° van artikel 65 wordt bewezen door een attest van de maatschappijen voor gemeenschappelijk openbaar vervoer of op enige andere wijze in voorkomend geval.
Art.66. Le membre du personnel introduit sa demande d'obtention de l'indemnité auprès du service désigné à cet effet par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué et selon les modalités que celui-ci détermine. Sans préjudice de l'article 6, la demande indique l'itinéraire entre la résidence et le lieu de travail, les raisons de l'impossibilité d'utiliser les transports en commun publics et les dates et périodes de ces déplacements.
  L'impossibilité d'utiliser les transports en commun publics est prouvée :
  a) pour le 1° des articles 64, alinéa 1er, et 65, par un certificat médical qui est présenté en cas de doute pour contrôle à MEDEX; dans certains cas, il peut être accepté que le véhicule soit conduit par un tiers;
  b) pour les 2° et 3° de l'article 64, alinéa 1er, et le 3° de l'article 65, par des attestations des sociétés de transports en commun publics, qui desservent la région concernée, dans lesquelles il est clairement affirmé qu'il n'y a aucune offre, ou du moins pas aux moments nécessaires, de transports en commun publics; ces attestations peuvent le cas échéant être remplacées par des copies obtenues via internet des horaires des sociétés concernées;
  c) pour le 2° de l'article 65, par une attestation de l'autorité qui convoque l'intéressé, dans laquelle il est explicitement mentionné que tout délai ou perte de temps aurait des conséquences défavorables sérieuses;
  d) La difficulté d'utiliser les transports en commun publics pour le 4° de l'article 65 est prouvée par une attestation des sociétés de transports en commun publics ou le cas échéant par tout autre moyen.
Art.67. Als het personeelslid zelf een of meer vervoerbewijzen heeft aangekocht, worden de kosten hiervan bij het verstrijken van de geldigheidsperiode terugbetaald tegen afgifte van dit/deze vervoerbewijs/vervoerbewijzen.
  Als personeelsleden die aan de voorwaarden voldoen samen gereisd hebben in een eigen voertuig, wordt de compenserende vergoeding enkel aan de bestuurder toegekend.
Art.67. Lorsque le membre du personnel a acheté personnellement un ou des titres de transport, le coût lui en est remboursé à l'expiration de la période de validité, contre remise du ou des titres de transport.
  Lorsque des membres du personnel qui satisfont aux conditions, ont voyagé ensemble au moyen d'un véhicule personnel, l'indemnité compensatoire est octroyée au seul conducteur.
HOOFDSTUK II. - Vergoedingen voor reiskosten
CHAPITRE II. - Indemnités pour frais de parcours
Afdeling 1. - Principes
Section Ire. - Principes
Art.68. Het personeelslid dat zich moet verplaatsen naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie heeft recht op de terugbetaling van zijn reiskosten. Uit dien hoofde wordt hem een vergoeding toegekend.
Art.68. Le membre du personnel astreint à se déplacer à l'occasion de l'exercice de sa fonction a droit au remboursement de ses frais de parcours. Il lui est alloué de ce chef une indemnité.
Art.69. De vergoeding voor reiskosten wordt toegekend als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan :
  1° De verplaatsing werd gedaan voor de behoeften van de dienst;
  2° De verplaatsing werd toegestaan door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde;
  3° De verplaatsing werd gedaan met het gemeenschappelijk openbaar vervoer of het eigen voertuig van het personeelslid.
  De onder 2° bedoelde voorwaarde kan een algemene voorwaarde zijn als de aard zelf van de functie van het personeelslid regelmatige verplaatsingen inhoudt.
Art.69. L'indemnité pour frais de parcours est allouée si les conditions cumulatives suivantes sont remplies :
  1° le déplacement a été effectué pour les besoins du service;
  2° le déplacement a été autorisé par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué;
  3° le déplacement a été effectué au moyen des transports en commun publics ou du véhicule personnel du membre du personnel.
  La condition visée sous 2° peut être générale lorsque la nature même de la fonction du membre du personnel implique des déplacements réguliers.
Art.70. [1 De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde keurt het vervoermiddel dat het meest verantwoord is goed, rekening houdend met de volgende criteria: kostprijs, snelheid en duurzaamheid
   De keuze voor luchtvervoer is uitgesloten wanneer de verplaatsing voor de uitoefening van de functie een verplaatsing van minder dan vijfhonderd kilometer vereist, behalve als wordt vastgesteld dat:
   - reizen met een ander vervoermiddel dan luchtvervoer een onevenredig verlies van tijd of middelen met zich meebrengt;
   - redenen van internationale of nationale veiligheid of, in voorkomend geval, andere ernstige redenen de reis verhinderen.
   Elke federale dienst bezorgt jaarlijks vóór 1 mei een volledig verslag aan de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning over het gebruik van vervoermiddelen tijdens de dienstopdrachten van het voorafgaande jaar.]1

  
Art.70. [1 Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué donne son accord sur le moyen de transport le plus responsable, en tenant en compte les critères suivants : le coût, la rapidité et la durabilité.
   Le choix du transport aérien est exclu lorsque le déplacement à l'occasion de l'exercice de la fonction exige un déplacement de moins de cinq cents kilomètres sauf s'il est établi que soit :
   - le voyage par un moyen de transport autre que le transport aérien entraîne une perte disproportionnée de temps ou de ressources ;
   - des raisons de sécurité internationale ou nationale, le cas échéant, d'autres raisons sérieuses empêchent le voyage.
   Chaque service fédéral fournit annuellement, avant le 1er mai, un rapport complet au Service public fédéral Stratégie et Appui sur l'utilisation des moyens de transport lors des missions de service de l'année précédente.]1

  
Art.71. Het personeelslid dient de aanvraag voor het verkrijgen van de vergoeding in bij de dienst die daartoe aangewezen is door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde en volgens de modaliteiten die deze bepaalt.
  Onverminderd artikel 6 en naargelang van het geval vermeldt de aanvraag voor het verkrijgen van de vergoeding de datum van de verplaatsing, de reden van de verplaatsing en de reisweg.
  Als een eigen voertuig wordt gebruikt, vermeldt de aanvraag eveneens het aantal afgelegde kilometers.
Art.71. Le membre du personnel introduit la demande d'obtention de l'indemnité auprès du service désigné à cet effet par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué et selon les modalités que celui-ci détermine.
  Sans préjudice de l'article 6 et selon le cas, la demande d'obtention de l'indemnité indique la date du déplacement, la raison du déplacement, ainsi que l'itinéraire.
  Dans le cas de l'utilisation d'un véhicule personnel, la demande d'obtention indique également le nombre de kilomètres parcourus.
Afdeling 2. - Gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer
Section 2. - Utilisation des moyens de transport en commun public
Art.72. De reiskosten verbonden aan het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer worden terugbetaald ten bedrage van de prijs van een reis in tweede klas als het vervoermiddel meerdere klassen heeft.
  De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde :
  - reikt hiertoe de machtigingen uit om het gemeenschappelijk openbaar vervoer te gebruiken voor de behoeften van de dienst en legt de modaliteiten vast volgens welke het personeelslid gratis openbaar vervoer krijgt;
  - kan hiertoe een abonnement, dat vrije verplaatsing mogelijk maakt in een aantal plaatsen die hij bepaalt, toekennen aan het personeelslid dat meerdere keren per week in deze plaatsen verplaatsingen moet doen voor de behoeften van de dienst.
  In afwijking van het eerste lid worden de verplaatsingskosten verbonden aan het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer door een persoon met een handicap, zoals bepaald in [1 artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende de inclusie van personen met een handicap en redelijke aanpassingen tijdens selecties]1, terugbetaald ten bedrage van de prijs van een reis in eerste klas.
  
Art.72. Les frais de parcours liés à l'utilisation des transports en commun publics sont remboursés à concurrence du prix pour un voyage en 2ème classe lorsque le moyen de transport comporte plusieurs classes.
  A cet effet, le fonctionnaire dirigeant ou son délégué :
  - délivre les autorisations d'utiliser les transports en commun publics pour les besoins du service et fixe les modalités selon lesquelles le membre du personnel en obtient la gratuité;
  - peut octroyer un abonnement permettant le libre parcours dans un ensemble de localités qu'il détermine au membre du personnel qui doit effectuer plusieurs fois par semaine des déplacements pour les besoins du service dans ces localités.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les frais de déplacement liés à l'utilisation des transports en commun publics par une personne handicapée, telle que définie à l'[1 article 1er de l'arrêté royal du 6 octobre 2005 portant l'inclusion des personnes handicapées et des aménagements raisonnables lors de sélections]1, sont remboursés à concurrence du prix pour un voyage en première classe.
  
Afdeling 3. - Gebruik van een persoonlijk voertuig
Section 3. - Utilisation d'un véhicule personnel
Art.73. De reiskosten verbonden aan het gebruik van een eigen voertuig worden forfaitair terugbetaald op basis van een kilometervergoeding, naar rato van de kilometers afgelegd voor de dienst.
  Onverminderd artikel 69 worden de kosten slechts terugbetaald voor zover de verplaatsing plaatsvindt buiten de agglomeratie van de administratieve standplaats als er een bestaat, of, als dat niet het geval is, buiten de gemeente van de administratieve standplaats. Echter, wanneer de aard zelf van de functie van het personeelslid regelmatige verplaatsingen impliceert, kan de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde de vergoeding toekennen zelfs als die verplaatsingen plaatsvinden binnen de agglomeratie van de administratieve standplaats als er een bestaat, of, als dat niet het geval is, binnen de gemeente van de administratieve standplaats. Het gebied van een agglomeratie is het gebied bepaald in artikel 8.
  [1 In afwijking van het tweede lid worden de kosten terugbetaald als het personeelslid zich verplaatst met zijn woonplaats als vertrek- of eindpunt.]1.
  De toestemming om een eigen voertuig te gebruiken is slechts geldig tot 31 december van elk jaar. De toestemming legt het toegestane jaarlijkse maximumaantal kilometers vast en eventueel de plaats waar de administratieve standplaats is gevestigd. Het maximumaantal kilometers kan per dienst worden vastgelegd.
  De berekeningswijze van de afgelegde afstand wordt bepaald door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde. In geval van betwisting wordt de afstand berekend door het Nationaal Geografisch Instituut op basis van de officiële middenschalige referentiegegevens. Behoudens bijzondere omstandigheden die hij beoordeelt, betaalt de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde geen kosten terug die een afstand dekken die langer is dan die tussen de administratieve standplaats [1 of in voorkomend geval, de woonplaats]1 en de plaats van de dienstprestaties.
  
Art.73. Les frais de parcours liés à l'utilisation d'un véhicule personnel sont remboursés forfaitairement, sur la base d'une indemnité kilométrique, au prorata des kilomètres parcourus pour le service.
  Sans préjudice de l'article 69, les frais ne sont remboursés que pour autant que le déplacement ait lieu à l'extérieur de l'agglomération de la résidence administrative s'il en existe une ou, à défaut, à l'extérieur de la commune de la résidence administrative. Toutefois, lorsque la nature même de la fonction du membre du personnel implique des déplacements réguliers, le fonctionnaire dirigeant ou son délégué peut accorder l'indemnité même si ces déplacements ont lieu à l'intérieur de l'agglomération de la résidence administrative s'il en existe une ou, à défaut, à l'intérieur de la commune de la résidence administrative. Le ressort d'une agglomération est celui défini à l'article 8.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 2, les frais sont remboursés lorsque le membre du personnel se déplace avec comme point de départ ou de retour sa résidence.]1.
  L'autorisation d'utiliser un véhicule personnel n'est valable que jusqu'au 31 décembre de chaque année. L'autorisation fixe le maximum kilométrique annuel autorisé et éventuellement la localité où est fixée la résidence administrative. Le maximum kilométrique peut être fixé par service.
  Le mode de calcul de la distance parcourue est déterminé par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué. En cas de contestation, la distance est calculée par l'Institut Géographique National sur base de données officielles de références à moyenne échelle. Sauf circonstances particulières qu'il apprécie, le fonctionnaire dirigeant ou son délégué ne rembourse pas de frais couvrant une distance excédant celle qui sépare la résidence administrative [1 ou, le cas échéant, la résidence]1 et le lieu des prestations de service.
  
Art.74. § 1. Het bedrag van de kilometervergoeding bestaat uit twee delen.
  [1 Het eerste deel bedraagt 80% van het vorige bedrag van de kilometervergoeding, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer het gemiddelde van de afgevlakte gezondheidsindexen van de eerste twee maanden van twee kwartalen voordien is en de teller het gemiddelde van de afgevlakte gezondheidsindexen van de eerste twee maanden van het voorgaande kwartaal; het verkregen resultaat wordt berekend tot op vijf decimalen.
   Het tweede deel bedraagt 20% van de vorige kilometervergoeding, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer de som is van de gemiddelde officiële maandelijkse tarieven voor benzine 95 RON E10 en gasolie diesel B7 van de eerste twee maanden van twee kwartalen voordien en de teller de som van de gemiddelde officiële maandelijkse tarieven n voor benzine 95 RON E10 en gasolie diesel B7 van de eerste twee maanden van het voorgaande kwartaal; het verkregen resultaat wordt berekend tot op vijf decimalen.]1

  De dagelijkse maximumprijzen zijn de prijzen die bekendgemaakt worden door de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie.
  Het totaalbedrag van de kilometervergoeding wordt vastgelegd tot op vier decimalen.
  § 2. Voor de berekening van het bedrag van de kilometervergoeding op 1 juli 2017 wordt het bedrag van het voorgaande jaar vastgelegd op 0,3460 euro.
  [1 Het bedrag van de kilometervergoeding wordt elk kwartaal herzien.]1
  In afwijking van artikel 9 is het bedrag van de kilometervergoeding niet onderworpen aan de indexeringsregeling.
  
Art.74. § 1er. Le montant de l'indemnité kilométrique est composé de 2 parties.
  [1 La première partie représente 80 % du montant de l'indemnité kilométrique précédente, multiplié par une fraction dont le dénominateur est la moyenne des indices santé lissés des deux premiers mois des deux trimestres précédents et le numérateur la moyenne des indices santé lissés des deux premiers mois du trimestre précédent; le résultat obtenu est établi jusqu'à la cinquième décimale inclusivement.
   La deuxième partie représente 20 % de l'indemnité kilométrique précédente, multiplié par une fraction dont le dénominateur est la somme des prix officiels mensuels moyens pour l'essence 95 RON E10 et le diesel B7 des deux premiers mois des deux trimestres précédents et le numérateur la somme des prix officiels mensuels moyens pour l'essence 95 RON E10 et le diesel B7 des deux premiers mois du trimestre précédent ; le résultat obtenu est établi jusqu'à la cinquième décimale inclusivement.]1

  Les prix journaliers maximums sont ceux communiqués par le Service public fédéral Economie, PME, Classes moyennes et Energie.
  Le montant total de l'indemnité kilométrique est établi jusqu'à la quatrième décimale inclusivement.
  § 2. Pour le calcul du montant de l'indemnité kilométrique à la date du 1er juillet 2017, le montant de l'année précédente est fixé à 0,3460 euro.
  [1 Le montant de l'indemnité kilométrique est revu trimestriellement.]1
  Par dérogation à l'article 9 le montant de l'indemnité kilométrique n'est pas soumis au régime d'indexation.
  
Art. 74bis. [1 In afwijking van artikel 74, § 2, tweede lid wordt het bedrag van de kilometervergoeding tijdelijk vastgesteld op 0,4020 euro voor de periode van 1 maart 2022 tot 30 juni 2022.]1
  
Art. 74bis. [1 Par dérogation à l'article 74, § 2, alinéa 2, le montant de l'indemnité kilométrique est fixé temporairement, pour la période du 1er mars 2022 au 30 juin 2022 à 0,4020 euro.]1
  
Afdeling 3bis. [1 - Deelmobiliteit]1
Section 3bis. [1 - Mobilité partagée]1
Art. 74ter. [1 Het personeelslid dat zich voor de uitoefening van zijn functie verplaatst via deelmobiliteit krijgt de werkelijke kosten terugbetaald inclusief, in voorkomend geval, de totale kosten van het abonnement.
   Hij draagt de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen tijdens de bovenvermelde verplaatsingen.
   Voor de toepassing van het eerste lid stelt de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde de modaliteiten vast voor de terugbetaling van de werkelijke kosten.]1

  
Art. 74ter. [1 Le membre du personnel qui se déplace à l'occasion de l'exercice de sa fonction grâce à la mobilité partagée bénéficie du remboursement des frais réels en ce compris, le cas échéant, le coût total de l'abonnement.
   Il porte, pendant les déplacements susmentionnés, l'équipement de protection individuelle approprié.
   Pour l'application de l'alinéa 1er, le fonctionnaire dirigeant ou son délégué fixe les modalités de remboursement des frais réels.]1

  
Afdeling 4. - Ander vervoermiddel
Section 4. - Autre moyen de transport
Art.75. In uitzonderlijke gevallen waarin het personeelslid niet in staat was het openbaar vervoer in tweede klas of zijn eigen voertuig [1 of zijn fiets of een systeem van gedeelde mobiliteit, met uitzondering van elektrische steps]1 te gebruiken en een ander vervoermiddel heeft moeten gebruiken waarvan het gebruik gerechtvaardigd is door de aard en de dringendheid van de opdracht worden de werkelijke onkosten terugbetaald.
  
Art.75. Dans des cas exceptionnels où le membre du personnel n'a pas été à même d'utiliser les moyens de transport en commun en deuxième classe ou son véhicule personnel [1 ou sa bicyclette ou un système de mobilité partagée, à l'exception des trottinettes électriques]1 et a dû recourir à tout autre moyen de transport dont l'utilisation se justifie par la nature et l'urgence de la mission, les frais réels sont remboursés.
  
HOOFDSTUK III. - Vergoeding voor het gebruik van de fiets
CHAPITRE III. - Indemnité pour l'utilisation de la bicyclette
Art.76. § 1. Er wordt een vergoeding toegekend door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde aan het personeelslid dat een fiets gebruikt, hetzij voor de verplaatsingen van minstens één kilometer tussen de woonplaats en de werkplaats en vice versa, één keer per dag, hetzij voor de behoeften van de dienst.
  Als de vergoeding betrekking heeft op de verplaatsingen van de woonplaats naar de werkplaats en vice versa wordt het voorafgaande akkoord van de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde gevraagd.
  Onder fiets verstaat men elk voertuig met twee wielen voorzien van pedalen, aangedreven door de spierkracht van de fietser en eventueel voorzien van een bijkomend type van aandrijving met als primaire doel trapondersteuning te bieden, en waarvan de aandrijfkracht onderbroken wordt als het voertuig een maximale snelheid van 25 km per uur bereikt.
  Een motorisch aangedreven of niet-motorisch aangedreven rolstoel of een ander licht, niet-motorisch aangedreven vervoermiddel wordt gelijkgesteld met het gebruik van de fiets.
  [1 Het gebruik van een speed pedelec wordt gelijkgesteld met het gebruik van de fiets.]1
  § 2. Het bedrag van de vergoeding is, per afgelegde kilometer, gelijk aan het bedrag dat elk jaar voor het gebruik van de fiets van belasting kan worden vrijgesteld door de belastingadministratie.
  [2 Voor de berekening van het bedrag van de vergoeding wordt het totaal van afgelegde kilometers naar boven afgerond op de gehele getal.]2
  In afwijking van artikel 9 is het bedrag van de vergoeding voor het gebruik van de fiets niet onderworpen aan de indexeringsregeling.
  
Art.76. § 1er. Une indemnité est accordée par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué au membre du personnel qui utilise une bicyclette soit pour les déplacements du lieu de résidence au lieu de travail d'au moins un kilomètre, et vice-versa, une fois par jour, soit pour les besoins du service.
  Lorsque l'indemnité concerne les déplacements du lieu de résidence au lieu de travail, et vice-versa, l'accord préalable du fonctionnaire dirigeant ou de son délégué est sollicité.
  Par bicyclette, on entend tout véhicule à deux roues, équipé de pédales, propulsé par l'énergie musculaire du cycliste, éventuellement équipé, dans le but premier d'aider au pédalage, d'un mode de propulsion auxiliaire dont l'alimentation est interrompue lorsque le véhicule atteint une vitesse maximale de 25 km à l'heure.
  Est assimilé à l'utilisation de la bicyclette un fauteuil roulant motorisé ou non-motorisé ou un autre moyen de transport léger non motorisé.
  [1 L'utilisation d'un speed pedelec est assimilée à l'utilisation de la bicyclette.]1
  § 2. Le montant de l'indemnité est égal, par kilomètre parcouru, au montant qui, chaque année, pour l'utilisation de la bicyclette, peut être exonéré d'impôt par l'administration fiscale.
  [2 Pour le calcul du montant de l'indemnité, le total des kilomètres parcourus est arrondi à l'unité supérieure. ]2
  Par dérogation à l'article 9 le montant de l'indemnité pour l'utilisation de la bicyclette n'est pas soumis au régime d'indexation.
  
Art.77. Het fietsen mag voorafgaan aan of volgen op aanvullend gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer of van het eigen voertuig. De vergoeding kan evenwel nooit gecumuleerd worden met een tegemoetkoming in de kosten van het openbaar vervoer of van het eigen voertuig voor eenzelfde traject tijdens dezelfde periode.
Art.77. L'utilisation de la bicyclette peut précéder ou être postérieure à l'utilisation complémentaire des transports en commun publics ou du véhicule personnel. L'indemnité ne peut toutefois jamais être cumulée avec une intervention dans les frais de transports publics ou du véhicule personnel pour un même trajet au cours de la même période.
Art.78. Het afgelegde traject moet niet noodzakelijkerwijs het kortste traject zijn, maar moet het meest aangewezen traject zijn voor fietsers, met bijzondere aandacht voor veiligheid.
Art.78. Le trajet parcouru ne doit pas nécessairement être le trajet le plus court mais il doit être le plus indiqué pour les cyclistes, avec une attention particulière à la sécurité.
Art.79. [1 Ten minste om de zes maanden maakt het begunstigde personeelslid een overzicht]1 op van de met de fiets afgelegde verplaatsingen, met vermelding van de datums van de verplaatsing, het aantal kilometers per traject, het totale aantal afgelegde kilometers en de vergoeding waar hij recht op heeft. Vervolgens dient hij zijn aanvraag voor het verkrijgen van de fietsvergoeding in bij de dienst die daartoe is aangewezen door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde en volgens de modaliteiten die deze bepaalt.
  [1 ...]1.
  
Art.79. [1 Au moins tous les six mois, le membre du personnel établit un état ]1 des déplacements effectués à bicyclette avec mention des dates de déplacement, du nombre de kilomètres par trajet, du nombre total de kilomètres parcourus et de l'indemnité à laquelle il a droit. Il introduit ensuite sa demande d'obtention de l'indemnité de bicyclette auprès du service désigné à cet effet par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué et selon les modalités que celui-ci détermine.
  [1 ...]1.
  
HOOFDSTUK IV. - Vergoeding voor verblijfkosten
CHAPITRE IV. - Indemnité pour frais de séjour
Afdeling 1. - Principe
Section 1re. - Principe
Art.80. Het personeelslid dat zich naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie op vraag van de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde moet verplaatsen heeft recht op de terugbetaling van zijn verblijfkosten. Er wordt hem uit dien hoofde een dagelijkse forfaitaire vergoeding toegekend.
Art.80. Le membre du personnel astreint à se déplacer à l'occasion de l'exercice de sa fonction, à la demande du fonctionnaire dirigeant ou de son délégué, a droit au remboursement de ses frais de séjour. Il lui est alloué de ce chef une indemnité forfaitaire journalière.
Art.81. Het betrokken personeelslid dient zijn aanvraag voor het verkrijgen van de vergoeding in bij de dienst die daartoe is aangewezen door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde en volgens de modaliteiten die deze bepaalt.
  Onverminderd artikel 6 vermeldt de aanvraag voor het verkrijgen van de vergoeding in elk geval de datum van de verplaatsing, de reden van de verplaatsing en de duur van de verplaatsing.
Art.81. Le membre du personnel intéressé introduit sa demande d'obtention de l'indemnité auprès du service désigné à cet effet par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué et selon les modalités que celui-ci détermine.
  Sans préjudice de l'article 6 la demande d'obtention de l'indemnité indique dans tous les cas la date du déplacement, la raison du déplacement et la durée du déplacement.
Art.82. Dit hoofdstuk is van toepassing op het personeelslid van een federale dienst, dat zich in die hoedanigheid verplaatst om in rechte te gaan getuigen.
  De betrokkene mag in geen geval de reisvergoeding ontvangen die bepaald is in het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.
Art.82. Le présent chapitre est applicable au membre du personnel d'un service fédéral qui, en cette qualité, se déplace pour témoigner en justice.
  En aucun cas, l'intéressé ne peut recevoir l'indemnité de voyage prévue au règlement général sur les frais de justice en matière répressive.
Afdeling 2. - Vergoeding voor verblijfkosten in België
Section 2. - Indemnité pour frais de séjour en Belgique
Art.86. Als de aard zelf van de functie van het personeelslid regelmatige prestaties buiten de administratieve standplaats impliceert, kan de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde beslissen een maandelijkse forfaitaire vergoeding toe te kennen die gelijkstaat met een aantal keren [1 10 euro]1. Dat aantal is identiek voor alle personeelsleden van een federale overheidsdienst, of van een deel ervan, die dezelfde functie uitoefenen. Het wordt vastgesteld op basis van het gemiddelde van de voltijdse prestaties volbracht door deze personeelsleden tijdens het voorgaande jaar.
  [1 De vergoeding wordt toegekend als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
   1° de verplaatsingen geven er geen aanleiding toe dat de federale dienst of een derde de kost van de maaltijden op zich neemt;
   2° de verplaatsingen geven geen aanleiding tot enig ander voordeel om maaltijdkosten te dekken.]1

  De maandelijkse forfaitaire vergoeding mag nooit hoger liggen dan zestien keer [1 het bedrag opgenomen in het eerste lid, dat als virtueel dagelijks bedrag geldt]1 voor een personeelslid met voltijdse prestaties. Het maximum wordt naar rato bepaald voor deeltijdse prestaties.
  De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde past jaarlijks het in het eerste lid bedoelde aantal aan. Hij brengt de personeelsleden hier vooraf van op de hoogte.
  In afwijking van artikel 7 is de maandelijkse forfaitaire vergoeding niet verschuldigd voor iedere periode waarin de uitoefening van de functie onderbroken wordt tijdens een duur van dertig ononderbroken dagen, evenwel met uitzondering van het jaarlijks vakantieverlof.
  
Art.86. Lorsque la nature même de la fonction du membre du personnel implique des prestations régulières à l'extérieur de la résidence administrative, le fonctionnaire dirigeant ou son délégué peut décider d'octroyer une indemnité forfaitaire mensuelle équivalant à un certain nombre de fois [1 10 euros]1. Ce nombre est identique pour l'ensemble des membres du personnel d'un service fédéral, ou d'une partie de celui-ci, exerçant la même fonction. Il est fixé sur la base de la moyenne des prestations à temps plein accomplies par ces membres du personnel au cours de l'année précédente.
  [1 L'indemnité est allouée si les conditions cumulatives suivantes sont remplies :
   1° les déplacements ne donnent pas lieu à la prise en charge par le service fédéral ou par un tiers du repas ;
   2 les déplacements ne donnent lieu à aucun autre avantage visant à couvrir des frais de repas.]1

  L'indemnité forfaitaire mensuelle ne peut jamais dépasser seize fois [1 le montant repris à l'alinéa 1er, qui vaut comme montant virtuel journalier]1 pour un membre du personnel ayant des prestations à temps plein. Le maximum est déterminé au prorata pour des prestations à temps partiel.
  Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué adapte annuellement le nombre visé à l'alinéa 1er. Il en informe les membres du personnel au préalable.
  Par dérogation à l'article 7, l'indemnité forfaitaire mensuelle n'est pas due pour chaque période d'interruption de l'exercice de la fonction d'une durée continue de trente jours, à l'exclusion des jours de congés annuels de vacances.
  
Art.87. In de gevallen bedoeld in artikel 86, als de woonplaats van het personeelslid werd vastgesteld als administratieve standplaats, kan de leidend ambtenaar beslissen om de maandelijkse forfaitaire vergoeding aan te vullen met een vergoeding die [1 enerzijds]1 de kosten verbonden aan de kosten voor internettoegang en de kosten verbonden aan het telefoongebruik dekt [1 en anderzijds de kantoorkosten]1.
  [1 Het bedrag van de bovenvermelde vergoeding komt overeen met de som van eenmaal het in artikel 96, derde 3, eerste streepje, bedoelde forfaitair basisbedrag ter dekking van de kosten voor internettoegang en de kosten verbonden aan het telefoongebruik en tweemaal het in artikel 96, derde lid, tweede streepje, bedoelde forfaitair bedrag ter dekking van de kantoorkosten.]1
  In afwijking van artikel 9 is het bedrag van de vergoeding niet onderworpen aan de indexeringsregeling.
  
Art.87. Dans les cas visés à l'article 86, lorsque la résidence administrative a été fixée à la résidence du membre du personnel, le fonctionnaire dirigeant peut décider de compléter l'indemnité forfaitaire mensuelle par une indemnité couvrant [1 d'une part]1 les coûts liés aux frais d'accès à internet et les frais liés à l'usage du téléphone [1 et, d'autre part, les frais de bureau]1.
  [1 Le montant de l'indemnité susmentionnée correspond à l'addition formée par une fois le montant de base forfaitaire visé à l'article 96, alinéa 3, premier tiret, pour couvrir les frais d'accès à internet et les frais liés à l'usage du téléphone et deux fois le montant forfaitaire visé à l'article 96, alinéa 3, second tiret pour couvrir les frais de bureau.]1
  Par dérogation à l'article 9, le montant de l'indemnité n'est pas soumis au régime d'indexation.
  
Art.88. § 1. Er wordt een aanvullende dagelijkse forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten, die bedoeld is om de huisvestingskosten te dekken, toegekend aan het personeelslid dat in België buiten zijn woonplaats moet logeren naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie.
  § 2. De vergoeding wordt toegekend als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan :
  1° de verplaatsing is verder dan een straal van 75 kilometer buiten de agglomeratie van de administratieve standplaats als er één bestaat, of, als er geen bestaat, verder dan een straal van 75 kilometer buiten de gemeente van de administratieve standplaats;
  2° de verplaatsing geeft er geen aanleiding toe dat de federale dienst de kost van de huisvesting op zich neemt;
  3° de verplaatsing geeft geen aanleiding tot enig ander voordeel van dezelfde aard.
  De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde kan echter afwijken van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden in omstandigheden die hij uitzonderlijk acht.
  Het gebied van een agglomeratie is dat gebied bepaald in artikel 8.
  De berekeningswijze van de afstand van de verplaatsing wordt bepaald door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde. In geval van betwisting wordt de afstand berekend door het Nationaal Geografisch Instituut op basis van de officiële middenschalige referentiegegevens.
  § 3. Het bedrag van de forfaitaire vergoeding voor huisvestingskosten wordt vastgelegd op 75,00 euro per nacht.
Art.88. § . 1er. Une indemnité forfaitaire journalière complémentaire pour frais de séjour visant à couvrir les frais de logement est accordée au membre du personnel astreint à loger en Belgique hors de sa résidence à l'occasion de l'exercice de sa fonction.
  § . 2. L'indemnité est allouée si les conditions cumulatives suivantes sont remplies :
  1° le déplacement est supérieur à un rayon de 75 kilomètres en dehors de l'agglomération de la résidence administrative s'il en existe une, ou à défaut à un rayon de 75 kilomètres en dehors de la commune de la résidence administrative;
  2° le déplacement ne donne pas lieu à la prise en charge du logement par le service fédéral;
  3° le déplacement ne donne lieu à aucun autre avantage de même nature.
  Toutefois, le fonctionnaire dirigeant ou son délégué peut déroger aux conditions visées à l'alinéa 1er dans des circonstances qu'il juge exceptionnelles.
  Le ressort d'une agglomération est celui défini à l'article 8.
  Le mode de calcul de la distance du déplacement est déterminé par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué. En cas de contestation, la distance est calculée par l'Institut Géographique National sur base de données officielles de références à moyenne échelle
  § . 3. Le montant de l'indemnité forfaitaire pour frais de logement est fixé à 75,00 euros par nuitée.
Afdeling 3. - Vergoeding voor verblijfkosten in het buitenland
Section 3. - Indemnité pour frais de séjour à l'étranger
Art.89. Er wordt een forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten toegekend aan het personeelslid dat door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde belast is met een dienstopdracht in het buitenland of dat in internationale commissies zetelt.
Art.89. Une indemnité forfaitaire pour frais de séjour est accordée au membre du personnel qui est chargé par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué d'une mission de service à l'étranger ou qui siège dans des commissions internationales.
Art.90. Het personeelslid ontvangt dezelfde dagelijkse forfaitaire verblijfsvergoeding als die toegekend aan de afgevaardigden en ambtenaren die afhangen van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
  De dagelijkse forfaitaire vergoeding is die van categorie 1.
  De herziening van de bedragen van de dagelijkse forfaitaire vergoedingen gebeurt overeenkomstig de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op de afgevaardigden en ambtenaren die afhangen van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
  Als er echter rechtstreeks maaltijdkosten ten laste worden genomen door de federale dienst, de buitenlandse overheid of de buitenlandse instelling, dan wordt de dagelijkse forfaitaire vergoeding naar rato verminderd.
Art.90. Le membre du personnel perçoit la même indemnité forfaitaire journalière de séjour que celle allouée aux représentants et aux fonctionnaires dépendant du Service public fédéral Affaires Etrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement.
  L'indemnité forfaitaire journalière est celle de la catégorie 1.
  La révision des montants des indemnités forfaitaires journalières s'opère conformément aux dispositions règlementaires applicables aux représentants et aux fonctionnaires dépendant du Service public fédéral Affaires Etrangères, Commerce extérieur et Coopération au développement.
  Toutefois, si des frais de repas sont directement pris en charge par le service fédéral, l'autorité étrangère ou l'organisme étranger, l'indemnité forfaitaire journalière est réduite au prorata.
Art.91. Er wordt een aanvullende vergoeding voor verblijfkosten om de huisvestingskosten te dekken toegekend aan het personeelslid dat door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde met een dienstopdracht belast is of dat in internationale commissies moet zetelen, waarvoor hij moet logeren.
  De vergoeding is gelijk aan de werkelijke huisvestingskosten per nacht en dit ten bedrage van de maximale huisvestingsvergoeding die wordt toegekend aan de afgevaardigden en ambtenaren die afhangen van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Er kunnen evenwel geval per geval met redenen omklede overschrijdingen worden toegestaan door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde.
  De vergoeding wordt toegestaan op vertoon van bewijsstukken en voor zover er geen enkel voordeel van dezelfde aard aan het personeelslid is toegekend.
  De herziening van het bedrag van de maximale vergoeding gebeurt overeenkomstig de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op de afgevaardigden en ambtenaren die afhangen van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Art.91. Une indemnité complémentaire pour frais de séjour visant à couvrir les frais de logement est accordée au membre du personnel qui est chargé par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué d'une mission de service, ou qui est amené à siéger dans des commissions internationales, pour laquelle il est amené à devoir loger.
  L'indemnité est égale aux frais de logement réels par nuit et ce, à concurrence de l'indemnité maximale de logement qui est octroyée aux représentants et aux fonctionnaires dépendant du Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement. Des dépassements motivés peuvent toutefois être accordés au cas par cas par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué.
  L'indemnité est accordée sur présentation de pièces justificatives et pour autant qu'aucun avantage de même nature ne soit octroyé au membre du personnel.
  La réactualisation du montant de l'indemnité maximale s'opère conformément aux dispositions règlementaires applicables aux représentants et aux fonctionnaires dépendant du Service public fédéral Affaires Etrangères, Commerce extérieur et Coopération au développement.
HOOFDSTUK V. - Vergoeding wegens begrafeniskosten
CHAPITRE V. - Indemnité pour frais funéraires
Art.92. Bij overlijden van een personeelslid wordt een vergoeding wegens begrafeniskosten toegekend aan de persoon of verdeeld onder de personen die bewijst/bewijzen dat hij/zij de begrafeniskosten op zich heeft/hebben genomen.
  Worden evenwel uitgesloten van de vergoeding wegens begrafeniskosten :
  1° de personen op wie de artikelen 727 en 729 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn;
  2° begrafenisondernemers, hun verwanten, hun aangestelden of lasthebbers, behoudens wanneer zij de echtgenoot/echtgenote, de wettelijk samenwonende of een bloed- of aanverwant tot de derde graad zijn van de overledene;
  3° de privaatrechtelijke rechtspersonen die, in uitvoering van een verzekeringscontract, de gemaakte begrafeniskosten geheel of gedeeltelijk ten laste hebben genomen.
Art.92. Une indemnité pour frais funéraires est octroyée, en cas de décès d'un membre du personnel, à la personne ou partagée entre les personnes qui justifient avoir assumé les frais funéraires.
  Sont toutefois exclus de l'indemnité pour frais funéraires :
  1° les personnes auxquelles s'appliquent les articles 727 et 729 du Code civil;
  2° les entrepreneurs de pompes funèbres, leurs parents, leurs préposés ou mandataires, sauf s'ils sont le conjoint, le cohabitant légal ou un parent ou allié jusqu'au troisième degré du défunt;
  3° les personnes morales de droit privé qui, en exécution d'un contrat d'assurance, ont pris en charge une partie ou la totalité des frais funéraires exposés.
Art.93. De vergoeding wordt toegekend :
  1° als de overledene een ambtenaar is, als deze zich de dag vóór het overlijden volgens zijn werkrooster in dienstactiviteit, in disponibiliteit of in non-activiteit om verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid te verrichten bevindt;
  2° als de overledene een contractueel is, als deze zich de dag vóór het overlijden in een situatie bevindt waarin hij geldelijke anciënniteit verwerft of in een van de situaties bedoeld in artikel 86, § 1, 1° a) en b), 2° en 3° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
Art.93. L'indemnité est allouée :
  1° si le défunt est un agent, lorsque celui-ci se trouve, la veille du décès, en activité de service, en disponibilité ou en non-activité selon son horaire de travail dans le cadre de prestations réduites pour convenance personnelles;
  2° si le défunt est un contractuel, lorsque celui-ci se trouve, la veille du décès, dans une situation où il acquiert de l'ancienneté pécuniaire ou dans une des situations visées à l'article 86, § 1er, 1° a) et b), 2° et 3° de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
Art.94. De vergoeding wegens begrafeniskosten komt overeen met de bezoldiging die volledig verschuldigd is of volledig verschuldigd had moeten zijn voor de maand die aan het overlijden voorafgaat.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvat de bezoldiging, in afwijking van artikel 2, eerste lid, 23°, eveneens de haardtoelage of de eventuele standplaatstoelage, alsook de toelage voor de uitoefening van een hogere functie.
  De vergoeding wegens begrafeniskosten kan echter niet hoger liggen dan een twaalfde van het bedrag vastgelegd in toepassing van artikel 39, eerste, derde en vierde lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
Art.94. L'indemnité pour frais funéraires correspond à la rémunération entièrement due ou qui aurait été entièrement due pour le mois précédant le décès.
  Pour l'application du présent chapitre, par dérogation à l'article 2, alinéa 1er, 23°, la rémunération comprend également l'allocation de foyer ou l'allocation de résidence éventuelle, ainsi que l'allocation pour l'exercice d'une fonction supérieure.
  Toutefois, l'indemnité pour frais funéraires ne peut dépasser le douzième du montant fixé en application de l'article 39, alinéas 1er, 3 et 4, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
Art.95. De vergoeding wegens begrafeniskosten wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag van een vergoeding die om dezelfde reden wordt toegekend op basis van andere wettelijke of reglementaire bepalingen.
Art.95. Par dérogation à l'article 10, l'indemnité pour frais funéraires est diminuée, le cas échéant, du montant d'une indemnité accordée pour la même raison sur la base d'autres dispositions légales ou réglementaires.
HOOFDSTUK VI. - Vergoeding voor telewerkkosten
CHAPITRE VI. - Indemnité pour frais de télétravail
Art.96. Er wordt een vergoeding toegekend aan het personeelslid dat telewerk verricht.
  [1 De vergoeding voor telewerkkosten dekt de verbindings- en communicatiekosten en is een tussenkomst in de kantoorkosten.]1
  [1 De vergoeding bestaat uit twee delen:
   - een forfaitair basisbedrag van 20 euro per maand als tussenkomst voor de verbindings- en communicatiekosten;
   - een forfaitair bedrag van [2 16,89 euro]2 per maand als tussenkomst in de kantoorkosten.
   Het forfaitair bedrag voor tussenkomst in de kantoorkosten wordt toegekend voor elke maand waarin er minstens vier dagen telewerk werd verricht.]1

  In afwijking van artikel 9 is het [2 forfaitair basisbedrag als tussenkomst voor de verbindings- en communicatiekosten]2 niet onderworpen aan de indexeringsregeling.
  
Art.96. Une indemnité est accordée au membre du personnel qui effectue du télétravail.
  [1 L'indemnité pour frais de télétravail couvre les coûts de connexion et de communication et est une intervention dans les frais de bureau.]1
  [1 L'indemnité se compose de deux parties :
   - un montant de base forfaitaire de 20 euros par mois comme intervention dans les coûts de connexion et de communication ;
   - un montant forfaitaire de [2 16,89 euros]2 par mois comme intervention dans les frais de bureau.
   Le montant forfaitaire comme intervention dans les frais de bureau est octroyé pour chaque mois au cours duquel au moins quatre jours de télétravail ont été effectués.]1

  Par dérogation à l'article 9 le [2 montant de base forfaitaire pour l'intervention dans les coûts de connexion et de communication]2 n'est pas soumis au régime d'indexation.
  
HOOFDSTUK VI/1. [1 Vergoeding voor het gebruik van een persoonlijke mobiele telefoon.]1
CHAPITRE VI/1. [1 Indemnité pour frais d'usage d'un téléphone mobile personnel.]1
Art. 96/1. [1 § 1. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde kent op basis van een aanvraag van het personeelslid een maandelijkse forfaitaire vergoeding toe voor het gebruik van een persoonlijke mobiele telefoon in het kader van zijn functie.
   § 2. Deze vergoeding bedraagt minimaal 7,5 euro en maximaal 15 euro per maand.
   In afwijking van artikel 9 is het bedrag van de vergoeding niet onderworpen aan de indexeringsregeling.
   § 3. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde bepaalt de functies waarvoor het gebruik van een mobiele telefoon nuttig is, en het bedrag van de verschuldigde vergoeding voor elke functie of functiecategorie.
   De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde houden ten minste rekening met een van de volgende criteria die verband houden met de daadwerkelijke uitoefening van de functie:
   - de coördinatie- of directierol;
   - de frequentie van contact met (interne of externe) klanten;
   - de verwachte responstijd;
   - de specifieke beperkingen van de uitoefening .
   § 4. In afwijking van artikel 7 is de vergoeding niet verschuldigd voor elke periode van onderbreking van de uitoefening van de functie gedurende een doorlopende termijn van dertig dagen, met uitzondering van de dagen van het jaarlijks vakantieverlof, de recuperatiedagen omwille van inhaalrust en het inhaalverlof toegekend in het kader van de overschrijdingen van de grens die is bepaald in de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector en de verlofdagen verbonden aan de bescherming van het moederschap.]1

  
Art. 96/1. [1 § 1er. Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué octroie sur base d'une demande du membre du personnel une indemnité forfaitaire mensuelle pour l'usage d'un téléphone mobile personnel dans le cadre de sa fonction.
   § 2. Le montant de l'indemnité est de minimum 7,5 euros et de maximum à 15 euros par mois.
   Par dérogation à l'article 9, le montant de l'indemnité n'est pas soumis au régime d'indexation.
   § 3. Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué fixe les fonctions pour lesquelles l'usage d'un téléphone mobile est utile, ainsi que le montant de l'indemnité due pour chaque fonction ou catégorie de fonctions.
   Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué prend en compte au minimum l'un des critères suivants en lien avec l'exercice effectif de la fonction :
   - le rôle de coordination ou de direction ;
   - la fréquence des contacts avec des clients internes ou externes ;
   - le délai de réactivité attendu ;
   - les contraintes spécifiques d'exercice.
   § 4. Par dérogation à l'article 7, l'indemnité n'est pas due pour chaque période d'interruption de l'exercice de la fonction d'une durée continue de trente jours, à l'exclusion des jours de congés annuels de vacances, les jours de récupération octroyés en raison du repos compensatoire accordé dans le cadre des dépassements à la limite fixée dans la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public et des jours de congés liés à la protection de la maternité.]1

  
HOOFDSTUK VI/2. [1 Vergoeding voor representatiekosten]1
CHAPITRE VI/2. [1 Indemnité pour frais de représentation]1
Art. 96/2. [1 Aan het personeelslid gedetacheerd bij de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de Europese Unie wordt een maandelijkse forfaitaire vergoeding van een bedrag van 706,50 EUR toegekend waarvan 412,05 EUR als basisvergoeding en 294,45 EUR als voorschot op representatiekosten.
   De vergoeding wordt toegekend op voorwaarde dat het personeelslid over een specifieke ervaring beschikt en deze als noodzakelijk erkend wordt voor de uitoefening van de functie in het kader van de detachering.]1

  
Art. 96/2. [1 Il est octroyé au membre du personnel détaché auprès de la Représentation permanente de Belgique auprès de l'Union Européenne, une indemnité forfaitaire mensuelle d'un montant de 706,50 EUR dont 412,05 EUR pour indemnité de base et 294,45 EUR pour avance sur frais de représentation.
   L'indemnité est octroyée à condition que le membre du personnel dispose d'une expérience spécifique et qu'elle soit reconnue nécessaire pour exercer la fonction dans le cadre du détachement.]1

  
Art. 96/3. [1 De forfaitaire vergoeding wordt maandelijks na het vervallen van de termijn betaald.
   De toelage is naar rato verschuldigd als de bezoldiging zelf naar rato wordt betaald.
   In afwijking van artikel 7 is de vergoeding niet verschuldigd voor elke periode van onderbreking van de uitoefening van de functie gedurende een doorlopende termijn van dertig dagen, met uitzondering van de dagen van het jaarlijks vakantieverlof.
   Aan het einde van elk kwartaal zal het gedetacheerde personeelslid volgens de modaliteiten voorgeschreven door de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde het gebruik van de voorschotten op de representatiekosten verantwoorden. Als het verantwoorde bedrag lager ligt dan het totaalbedrag van de voorschotten, dan wordt het verschil tussen het bedrag van de vergoeding en het verantwoorde bedrag gerecupereerd door vermindering of terugbetaling.]1

  
Art. 96/3. [1 L'indemnité forfaitaire est payée mensuellement à terme échu.
   L'indemnité est due au prorata lorsque la rémunération est elle-même payée au prorata.
   Par dérogation à l'article 7, l'indemnité n'est pas due pour chaque période d'interruption de l'exercice de la fonction d'une durée continue de trente jours, à l'exclusion des jours de congés annuels de vacances.
   Au terme de chaque trimestre, le membre du personnel détaché justifie selon les modalités prescrites par le fonctionnaire dirigeant ou son délégué, l'utilisation des avances sur les frais de représentation. Si le montant justifié est inférieur au montant total des avances, la différence entre le montant de l'indemnité et le montant justifié est récupérée par retenue ou remboursement.]1

  
Art. 96/4. [1 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, wanneer ze aangesteld zijn bij de Permanente vertegenwoordiging van België bij de Europese Unie en bij de Permanente vertegenwoordiging van België bij de NAVO.]1
  
Art. 96/4. [1 Le présent chapitre ne s'applique pas aux membres du personnel du Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement lorsqu'ils sont affectés à la Représentation permanente de Belgique auprès de l'Union Européenne et de la Représentation permanente de la Belgique auprès de l'OTAN. ]1
  
HOOFDSTUK VII. - Creatie van specifieke vergoedingen
CHAPITRE VII. - Création d'indemnités spécifiques
Art.97. Er wordt een specifieke vergoeding toegekend aan het personeelslid dat naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie andere werkelijke onkosten moet dragen dan die gedekt door de in dit besluit vastgelegde vergoedingen, die niet beschouwd kunnen worden als normaal, of ze nu al dan niet inherent zijn aan de functie, om terugkerende kosten te dekken die werkelijk zijn gemaakt tijdens de uitoefening van de functie.
  Een specifieke vergoeding wordt steeds vastgelegd in een reglementaire tekst met algemene reikwijdte en is nooit nominatief.
  De specifieke vergoeding mag geen terugwerkende kracht hebben. Ze treedt slechts in werking na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art.97. Il est accordé une indemnité spécifique au membre du personnel qui est astreint à supporter des frais réels à l'occasion de l'exercice de sa fonction, autres que ceux couverts par les indemnités définies dans le présent arrêté, qui ne peuvent être considérés comme normaux, qu'ils soient inhérents ou non à la fonction, et de manière à couvrir des frais récurrents réellement exposés dans l'exercice des fonctions.
  Une indemnité spécifique s'exprime toujours dans un texte réglementaire de portée générale et n'est jamais nominative.
  L'indemnité spécifique ne peut pas avoir d'effet rétroactif. Elle n'entre en vigueur qu'après sa publication au Moniteur belge.
Art.98. Als de toestand die aanleiding geeft tot de toekenning van een vergoeding zich herhaaldelijk kan voordoen, kan het bedrag van deze vergoeding forfaitair worden vastgesteld.
  De maandelijkse forfaitaire vergoeding staat gelijk met een aantal keren de dagelijkse vergoeding bedoeld in artikel 97. Dit aantal wordt vastgelegd op basis van de effectieve prestaties van het personeelslid in de voorgaande maanden.
  De maandelijkse forfaitaire vergoeding mag nooit hoger liggen dan zestien keer de dagelijkse forfaitaire vergoeding voor een personeelslid met voltijdse prestaties. Het maximum wordt naar rato vastgesteld voor deeltijdse prestaties.
  De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde past het in het tweede lid bedoelde aantal aan telkens hij dat nodig acht. Hij brengt het personeelslid hier vooraf van op de hoogte.
  Het aantal dagen dat in aanmerking wordt genomen voor de maandelijkse forfaitaire vergoeding wordt evenwel verminderd met het aantal arbeidsdagen tijdens dewelke het personeelslid zijn functie niet daadwerkelijk heeft uitgeoefend.
Art.98. Lorsque la situation qui donne lieu à l'octroi d'une indemnité est susceptible de se reproduire, le montant de cette indemnité peut être établi forfaitairement.
  L'indemnité forfaitaire mensuelle est équivalente à un certain nombre de fois l'indemnité journalière visée à l'article 97. Ce nombre est fixé sur la base des prestations effectives du membre du personnel dans les mois précédents.
  L'indemnité forfaitaire mensuelle ne peut jamais dépasser seize fois l'indemnité forfaitaire journalière pour un membre du personnel ayant des prestations à temps plein. Le maximum est déterminé au prorata pour des prestations à temps partiel.
  Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué adapte le nombre visé à l'alinéa 2 chaque fois qu'il l'estime nécessaire. Il en informe le membre du personnel au préalable.
  Le nombre de jours pris en compte pour l'indemnité forfaitaire mensuelle est toutefois diminué du nombre de jours ouvrés pendant lesquels le membre du personnel n'a pas effectivement exercé sa fonction.
Art.99. De leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde ziet erop toe dat er geen specifieke vergoeding wordt toegekend die niet overeenstemt met kosten die werkelijk gemaakt worden of die, onder normale omstandigheden, gemaakt zouden moeten worden.
  In toepassing van het eerste lid schort de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde de toekenning van eerder toegekende specifieke vergoedingen op of trekt ze in. Hij brengt het personeelslid hiervan vooraf op de hoogte.
Art.99. Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué veille à ce qu'aucune indemnité spécifique ne soit octroyée qui ne corresponde pas à des frais réellement exposés ou qui, dans des conditions normales, devraient être exposés.
  En application de l'alinéa 1er, le fonctionnaire dirigeant ou son délégué suspend ou supprime l'octroi d'indemnités spécifiques précédemment attribuées. Il en informe au préalable le membre du personnel.
Art.100. Onverminderd de regels betreffende de administratieve en budgettaire controle worden de vergoedingen vastgesteld door Onze bevoegde Minister of Ministers, na beraadslaging in de Ministerraad.
Art.100. Sans préjudice des règles relatives au contrôle administratif et budgétaire, les indemnités sont fixées par Notre ou Nos Ministres compétents, après délibération en conseil des ministres.
TITEL IIIbis. [1 - Andere voordelen]1
TITRE IIIbis. [1 - Autres avantages]1
Afdeling I. [1 - Fietsleasing]1
Section I. [1 - Leasing vélo]1
Art. 100/1. [1 Het personeelslid dat in toepassing van artikel 17bis ervoor kiest de eindejaarstoelage geheel of gedeeltelijk om te zetten in een theoretisch budget bouwt, op basis van de in artikel 17, § 1, derde lid, bedoelde referentieperiode en volgens dezelfde modaliteiten, het budget ter financiering van de voordelen in het kader van de fietsleasing op.
   De Minister van Ambtenarenzaken stelt het algemene kader vast voor de toegang tot en de werkingsmodaliteiten van de fietsleasing dat op de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt zoals vastgelegd bij artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzakenvan toepassing is.]1

  
Art. 100/1. [1 Le membre du personnel qui choisit, en application de l'article 17bis, de convertir tout ou partie de l'allocation de fin d'année en un budget théorique constitue, sur base de la période de référence visée à l'article 17, § 1er alinéa 3, et selon les mêmes modalités, le budget pour financer les avantages dans le cadre du leasing vélo .
   Le ministre de la fonction publique fixe le cadre général relatif à l'accès et aux modalités de fonctionnement du leasing vélo qui est d'application pour les membres du personnel de la fonction publique fédérale administrative telle que définie par l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique.]1

  
TITEL IV. - Opheffende en wijzigende bepalingen
TITRE IV. - Dispositions abrogatoires et modificatives
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel
CHAPITRE Ier. - Modification de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat
Art.101. In artikel 49, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, vervangen bij het koninklijk besluit van 19 november 2008, worden de woorden "artikel 8bis van het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen, toelagen en premies van alle aard toegekend aan het personeel van de federale overheidsdiensten" vervangen door de woorden "artikel 8 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt".
Art.101. Dans l'article 49, § 1, alinéa 3, de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, remplacé par l'arrêté royal du 19 novembre 2008, les mots " l'article 8bis de l'arrêté royal du 26 mars 1965 portant réglementation générale des indemnités, allocations et primes quelconques accordées au personnel des services publics fédéraux " sont remplacés par les mots " l'article 8 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ".
HOOFDSTUK II. - Wijziging van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten
CHAPITRE II. - Modification de l'arrêté royal du 18 janvier 1965 portant réglementation générale en matière de frais de parcours
Art.102. In hoofdstuk I van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2016, wordt voor artikel 1, dat artikel 1bis wordt, een nieuw artikel ingevoegd, luidende :
  "Art. 1. Artikelen 1 tot 15 zijn niet van toepassing op de personeelsleden die onder het toepassingsgebied vallen van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.".
Art.102. Dans le chapitre I de l'arrêté royal du 18 janvier 1965 portant réglementation générale en matière de frais de parcours, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 3 août 2016, il est inséré, avant l'article 1er qui devient l'article 1erbis, un nouvel article rédigé comme suit :
  " Art. 1er. Les articles 1 à 15 ne sont pas applicables aux membres du personnel qui tombent sous le champ d'application de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale. ".
Art.103. Artikel 16 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  "Art. 16. De secretaris-generaal van het ministerie van Landsverdediging, de opperofficieren, de eerste voorzitters en de procureurs-generaal van het Hof van Cassatie en van de Hoven van Beroep, de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken, de voorzitter van het College van het openbaar ministerie, de eerste voorzitter en de auditeur-generaal van de raad van State, de voorzitters van het Grondwettelijk Hof en de afgevaardigd bestuurder van Selor mogen voor dienstreizen gebruik maken van hun eigen voertuig.
  Zij komen in aanmerking voor de vergoeding op overlegging van een verklaring op erewoord met opgave van het aantal kilometers die in het belang van de dienst worden afgelegd.
  De betrokken Minister stelt het toegestane jaarlijkse maximumaantal kilometers vast zonder dat dit maximumaantal meer mag bedragen dan 18.000 kilometer per jaar. ".
Art.103. L'article 16 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 16. Le secrétaire général du ministère de la Défense, les officiers généraux, les premiers présidents et procureurs généraux de la Cour de Cassation et des Cours d'Appel, le président du collège des cours et tribunaux, le président du collège du ministère public, le premier président et l'auditeur général du conseil d'Etat, les présidents de la Cour constitutionnelle et l'administrateur délégué de Selor sont autorisés à utiliser leur voiture personnelle pour leurs déplacements de service.
  Ils bénéficient de l'indemnité sur production d'une déclaration sur l'honneur établissant le nombre de kilomètres parcourus dans l'intérêt de service.
  Le Ministre intéressé fixe le maximum kilométrique annuel autorisé sans que ce maximum ne puisse excéder 18.000 kilomètres par an. ".
Art.104. In artikel 16bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 mei 1999 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 september 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid, worden de woorden "binnen de perken die bij artikel 12 zijn vastgelegd en eventueel de gemeente waarvan sprake is in artikel 14, tweede lid" vervangen door de woorden "en eventueel de plaats waar de administratieve standplaats is gevestigd";
  2° het derde lid word opgeheven.
Art.104. Dans l'article 16bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 26 mai 1999 et modifié par l'arrêté royal du 5 septembre 2002, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 2, les mots " dans les limites fixées par l'article 12 et, éventuellement, la localité dont il est question dans l'article 14, alinéa 2 " sont remplacés par les mots " et, éventuellement, la localité où est fixée la résidence administrative ";
  2° l'alinéa 3 est abrogé.
Art.105. In artikel 17 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 november 2008, wordt de derde zin "In die gevallen zijn op hen de bepalingen van de artikelen 12 en 13 niet van toepassing." opgeheven.
Art.105. Dans l'article 17 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 19 novembre 2008, la troisième phrase " Dans ces cas, les dispositions des articles 12 et 13 ne leur sont pas applicables. " est abrogée.
HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddenschalen der aan verscheidene federale overheidsdiensten gemene graden
CHAPITRE III. - Modification de l'arrêté royal du 10 avril 1995 fixant les échelles de traitement des grades communs à plusieurs services publics fédéraux
Art.106. In artikel 36ter, § 2, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de weddenschalen der aan verscheidene federale overheidsdiensten gemene graden, hernummerd bij het koninklijk besluit van 4 augustus 2004 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 januari 2006 en 22 november 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In het tweede lid wordt de zin "De premie voor competentieontwikkeling wordt in aanmerking genomen voor een twaalfde van de Copernicuspremie, bedoeld in het koninklijk besluit van 10 juli 2002 tot toekenning van een Copernicuspremie aan sommige personeelsleden van de rijksbesturen, die erop volgt." opgeheven.
  2° In het derde lid wordt de zin "onder dezelfde voorwaarden, wordt ze niet in aanmerking genomen voor de berekening van Copernicuspremie." opgeheven.
Art.106. Dans l'article 36ter, § 2, de l'arrêté royal du 10 avril 1995 fixant les échelles de traitement des grades communs à plusieurs services publics fédéraux, renuméroté par l'arrêté royal royal du 4 août 2004 et modifiés par les arrêtés royaux des 30 janvier 2006 et 22 novembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 2, la phrase " La prime de développement des compétences est prise en compte à concurrence d'un douzième pour la prime Copernic, visée dans l'arrêté royal du 10 juillet 2002 accordant une prime Copernic à certains agents des administrations de l'Etat, qui suit. " est abrogée;
  2° à l'alinéa 3, la phrase " Dans les mêmes conditions, elle n'est pas prise en compte pour le calcul de la prime Copernic. " est abrogée.
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
CHAPITRE IV. - Modification de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat
Art.107. In artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 oktober 2009, 14 november 2011, 20 september 2012 en 9 maart 2017, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art.107. A l'article 12 de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, modifié par les arrêtés royaux des 7 octobre 2009, 14 novembre 2011, 20 septembre 2012 et 9 mars 2017, le paragraphe 2 est abrogé.
HOOFDSTUK V. - Wijziging van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel
CHAPITRE V. - Modification de l'arrêté royal du 22 décembre 2000 concernant la sélection et la carrière des agents de l'Etat
Art.108. In artikel 19 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 11 december 2001, 4 augustus 2004, 10 augustus 2005 en 19 november 2008, worden de woorden "van de artikelen 1 en 5 van het besluit van de Regent van 30 maart 1950 de toekenning regelend van toelagen wegens buitengewone prestaties, van de artikelen 1 en 6 van het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen en toelagen van alle aard toegekend aan het personeel van de federale overheidsdiensten" vervangen door de woorden "van de artikelen 41, 47 tot 50 en 53 tot 55 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt".
  Artikel 20 van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een paragraaf 3 die als volgt luidt :
  " § 3. Dit artikel is niet van toepassing op de personeelsleden die een toelage voor opleidingsactiviteit genieten bedoeld in de artikelen 36 en 37 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.".
Art.108. A l'article 19 de l'arrêté royal du 22 décembre 2000 concernant la sélection et la carrière des agents de l'Etat, modifié par les arrêtés royaux des 11 décembre 2001, 4 août 2004, 10 août 2005 et 19 novembre 2008, les mots " aux articles 1er et 5 de l'arrêté du Régent du 30 mars 1950 réglant l'octroi d'allocations pour prestations à titre exceptionnel, aux articles 1er et 6 de l'arrêté royal du 26 mars 1965 portant réglementation générale des indemnités et allocations quelconques accordées au personnel des services publics fédéraux, " sont remplacés par les mots " aux articles 41, 47 à 50 et 53 à 55 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale".
  L'article 20 du même arrêté est complété par un paragraphe 3 rédigé comme suit :
  " § 3. Le présent article ne s'applique pas aux membres du personnel qui bénéficient d'une allocation pour activité de formation visée aux articles 36 et 37 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale. ".
HOOFDSTUK VI. - Wijziging van het koninklijk besluit van 10 juli 2002 tot toekenning van een Copernicuspremie aan sommige personeelsleden van de rijksbesturen
CHAPITRE VI. - Modification de l'arrêté royal du 10 juillet 2002 accordant une prime Copernic à certains agents des administrations de l'Etat
Art.109. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 juli 2002 tot toekenning van een Copernicuspremie aan sommige personeelsleden van de rijksbesturen, vervangen bij het koninklijk besluit van 7 mei 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) 1° wordt opgeheven;
  b) in 2° worden de woorden "; - het Federaal Planbureau" opgeheven.
Art.109. A l'article 1er de l'arrêté royal du 10 juillet 2002 accordant une prime Copernic à certains agents des administrations de l'Etat, remplacé par l'arrêté royal du 7 mai 2003, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le 1° est abrogé;
  b) au 2°, les mots " ; - le Bureau fédéral du Plan " sont abrogés.
HOOFDSTUK VII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 22 november 2006 betreffende het telewerk en het satellietwerk in het federaal administratief openbaar ambt
CHAPITRE VII. - Modification de l'arrêté royal du 22 novembre 2006 relatif au télétravail et au travail en bureau satellite dans la fonction publique fédérale administrative
Art.110. In artikel 10 van het koninklijk besluit van 22 november 2006 betreffende het telewerk en het satellietwerk in het federaal administratief openbaar ambt, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 maart 2017, worden het tweede en het derde lid opgeheven.
Art.110. A l'article 10 de l'arrêté royal du 22 novembre 2006 relatif au télétravail et au travail en bureau satellite dans la fonction publique fédérale administrative, modifié par l'arrêté royal du 9 mars 2017, les alinéas 2 et 3 sont abrogés.
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 betreffende de ten laste neming van de kosten inzake openbaar vervoer in woonwerkverkeer van de federale personeelsleden door de staat en sommige federale openbare instellingen
CHAPITRE VIII. - Modification de l'arrêté royal du 3 mai 2007 portant la prise en charge des frais de déplacement par les transports publics de la résidence au lieu de travail des membres du personnel fédéral par l'Etat et certains organismes publics fédéraux
Art.111. In artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 betreffende de ten laste neming van de kosten inzake openbaar vervoer in woonwerkverkeer van de federale personeelsleden door de staat en sommige federale openbare instellingen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de bepaling onder 1° wordt opgeheven;
  b) de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt : "2° van de krijgsmacht van het Ministerie van Defensie;";
  c) de bepaling onder 3° wordt opgeheven.
Art.111. Dans l'article 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 3 mai 2007 portant la prise en charge des frais de déplacement par les transports publics de la résidence au lieu de travail des membres du personnel fédéral par l'Etat et certains organismes publics fédéraux, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le 1° est abrogé;
  b) le 2° est remplacé par ce qui suit : " 2° des forces armées du ministère de la Défense; ";
  c) le 3° est abrogé.
HOOFDSTUK IX. - Wijziging van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt
CHAPITRE IX. - Modification de l'arrêté royal du 24 septembre 2013 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale
Art.112. In het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 november 2015 en 3 augustus 2016, wordt het artikel 2 aangevuld door een lid dat als volgt luidt :
  "De uitdrukking "personeelslid" bedoeld in de definities in 6°, 7° en 9° van het eerste lid moet worden begrepen als "lid van het burgerpersoneel" als ze betrekking heeft op het Ministerie van Landsverdediging.".
Art.112. Dans l'arrêté royal du 24 septembre 2013 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale, modifié par les arrêté royaux des 23 novembre 2015 et 3 août 2016, l'article 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " L'expression " membre du personnel " visée dans les définitions des 6°, 7° et 9° de l'alinéa 1er se comprend comme " membre du personnel civil " lorsqu'elle concerne le ministère de la Défense. ".
Art.113. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 november 2015 en 3 augustus 2016, wordt artikel 36 vervangen als volgt :
  "Art. 36. Er wordt een toelage wegens ontslag toegekend aan het personeelslid dat wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid.
  Het bedrag van de toelage wordt vastgelegd in het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen in het federaal openbaar ambt.".
Art.113. Dans le même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 23 novembre 2015 et 3 août 2016, l'article 36 est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 36. Une allocation de départ est accordée à l'agent licencié pour inaptitude professionnelle.
  Le montant de l'allocation est fixé dans l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités dans la fonction publique fédérale. ".
HOOFDSTUK X. - Wijziging van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt
CHAPITRE X. - Modification de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale
Art.114. In het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2016, wordt het artikel 2 aangevuld door een lid dat als volgt luidt :
  "De uitdrukking "personeelslid" bedoeld in de definities in 6°, 7° en 9° van het eerste lid moet worden begrepen als "lid van het burgerpersoneel" als ze betrekking heeft op het Ministerie van Landsverdediging."
Art.114. Dans l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale, modifié par l'arrêté royal du 3 août 2016, l'article 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " L'expression " membre du personnel " visée dans les définitions des 6°, 7° et 9° de l'alinéa 1er se comprend comme " membre du personnel civil " lorsqu'elle concerne le ministère de la Défense. ".
Art.115. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2016, wordt het hoofdstuk VII, dat de artikelen 29 tot 34 bevat, opgeheven.
Art.115. Dans le même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 3 août 2016, le chapitre VII comprenant les articles 29 à 34 est abrogé.
HOOFDSTUK XI. - Wijziging van het ministerieel besluit van 25 oktober 1966 tot vaststelling van de toelagen verleend aan de personen belast met het geven van cursussen of conferenties aan het personeel van het Ministerie van Financiën
CHAPITRE XI. - Modification de l'arrêté ministériel du 25 octobre 1966 fixant les allocations accordées aux personnes chargées de donner des cours ou des conférences au personnel du Ministère des Finances
Art.116. In het ministerieel besluit van 25 oktober 1966 tot vaststelling van de toelagen verleend aan de personen belast met het geven van cursussen of conferenties aan het personeel van de Federale Overheidsdienst Financiën, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 18 januari 1975, 15 juli 2002 en 13 december 2013, worden artikelen 1, 2, § 2, 3, 3bis en 4, opgeheven.
Art.116. Dans l'arrêté ministériel du 25 octobre 1966 fixant les allocations accordées aux personnes chargées de donner des cours ou des conférences au personnel du Service public fédéral Finances, modifié par les arrêtés ministériels des 18 janvier 1975, 15 juillet 2002 et 13 décembre 2013, les articles 1, 2, § 2, 3, 3bis et 4, sont abrogés.
HOOFDSTUK XII. - Opheffingsbepalingen
CHAPITRE XII. - Dispositions abrogatoires
Art.117. Worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 12 oktober 1964 tot vaststelling van de bezoldiging van hen die hun medewerking verlenen voor de opleiding en de voortgezette opleiding van het Rijkspersoneel gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 maart 1995, 10 april 1995, 11 december 2001, 5 september 2002 en 4 augustus 2004;
  2° het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der federale overheidsdiensten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 december 1990, 4 maart 1993, 5 september 2002 en 4 augustus 2004;
  3° het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen, toelagen en premies van alle aard toegekend aan het personeel van de federale overheidsdiensten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 6 februari 1967, 2 maart 1989, 5 september 2002, 3 augustus 2004, 22 november 2006 en 3 augustus 2016;
  4° het koninklijk besluit van 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's lands algemeen bestuur, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2016;
  5° het koninklijk besluit van 8 augustus 1983 betreffende de uitoefening van een hoger ambt in de rijksbesturen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2016;
  6° het koninklijk besluit van 30 juni 1988 betreffende de toekenning van forfaitaire vergoedingen voor verblijfkosten aan het personeel van de inspectie van de Dienst voor Administratieve Controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 2001;
  7° het koninklijk besluit van 1 fébruari 1993 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten aan zekere personeelsleden van de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
  8° het koninklijk besluit van 9 september 1993 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten aan sommige personeelsleden van het Fonds voor Arbeidsongevallen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 oktober 1997, 20 december 2007 en 19 mei 2010;
  9° het koninklijk besluit van 30 december 1993 houdende toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan sommige ambtenaren van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 maart 1998;
  10° het koninklijk besluit van 11 oktober 1997 betreffende de toekenning van een vergoeding voor toegangskosten tot het internet aan sommige personeelsleden van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 augustus 2011;
  11° het koninklijk besluit van 8 juli 2005 tot regeling van de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van een lid van het personeel van een federale overheidsdienst;
  12° het koninklijk besluit van 26 april 2007 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan de personeelsleden belast met een rondreizende functie van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
  13° het koninklijk besluit van 2 augustus 2007 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden belast met het ontwikkelen van projecten in sommige overheidsdiensten;
  14° het koninklijk besluit van 12 februari 2008 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan de personeelsleden belast met een rondreizende functie van de centrale cel van de Gemeenschappelijke Dienst voor preventie en bescherming op het werk voor sommige federale overheidsdiensten;
  15° het koninklijk besluit van 28 november 2008 tot vervanging, voor het personeel van sommige overheidsdiensten, van het koninklijk besluit van 23 oktober 1979 houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ten laste van de Schatkist bezoldigd ambt, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 december 2009 en 10 september 2010;
  16° het koninklijk besluit van 13 juni 2010 tot toekenning van toelagen voor tweetaligheid aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt;
  17° het koninklijk besluit van 13 juni 2010 houdende toekenning van een vergoeding voor het gebruik van de fiets aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt;
  18° het koninklijk besluit van 11 februari 2013 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden van het federaal administratief openbaar ambt die bepaalde prestaties verrichten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 maart 2016;
  19° het koninklijk besluit van 21 december 2013 betreffende de afstand afgelegd per motorrijwiel of per autovoertuig die, voor de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Financiën, in aanmerking wordt genomen voor de toekenning van een vergoeding wegens verblijfkosten;
  20° het koninklijk besluit van 21 december 2013 betreffende de berekening van de kilometervergoeding, voor de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Financiën, voor de dienstreizen waarbij de woonplaats van het personeelslid het vertrek- en/of eindpunt is;
  21° het koninklijk besluit van 23 november 2014 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan sommige personeelsleden van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
  22° het ministerieel besluit van 30 maart 1954 houdende toekenning van rondreisvergoedingen aan ambtenaren en beambten van de Dienst voor Inspectie en Economische Onderzoekingen, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 4 december 2001;
  23° het ministerieel besluit van 4 september 1964 houdende toekenning van rondreisvergoedingen aan ambtenaren en beambten van het Nationaal Instituut voor de Statistiek, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 4 december 2001;
  24° het ministerieel besluit van 28 maart 1967 tot toekenning van een rondreisvergoeding aan ambtenaren en beambten van het Ministerie van Sociale Voorzorg die uitsluitend reizende functies uitoefenen, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 2 juni 1972;
  25° het ministerieel besluit van 19 november 1973 tot vaststelling voor de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Financiën van sommige vergoedingen wegens verblijfkosten, gewijzigd bij de ministeriele besluiten van 18 februari 1975, 15 juli 2002, 13 december 2013 en 4 juni 2014;
  26° het ministerieel besluit van 18 februari 1975 tot toekenning van een vergoeding voor verplaatsingskosten aan de personeelsleden van de Administratie der douane en accijnzen tewerkgesteld in bepaalde gebieden van de haven te Antwerpen of in bepaalde grenskantoren, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 15 juli 2002;
  27° het ministerieel besluit van 17 juni 1991 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan zekere personeelsleden van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
  28° het ministerieel besluit van 4 september 1991 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan zekere personeelsleden van het Ministerie van Sociale Voorzorg, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 16 oktober 2001;
  29° het ministerieel besluit van 16 mei 1997 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan de personeelsleden, belast met een rondreizende functie, van het Ministerie van Middenstand en Landbouw;
  30° het ministerieel besluit van 18 januari 2007 houdende de toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfkosten aan sommige personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;
  31° het ministerieel besluit van 4 juli 2007 tot toekenning van een forfaitaire maandvergoeding aan de personeelsleden van de Inspectiedienst van de Programmatorische Federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie;
  32° het ministerieel besluit van 10 november 2009 tot vaststelling van de verblijfsvergoedingen toegekend aan de immigratieambtenaren van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken;
  33° het ministerieel besluit van 21 juli 2011 houdende vaststelling van de verblijfsvergoedingen en huisvestingskosten toegekend aan de personeelsleden van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen die zich in opdracht naar het buitenland begeven of zetelen in internationale commissies;
  34° het ministerieel besluit van 25 april 2014 tot toekenning van een forfaitaire vergoeding wegens verblijfskosten aan zekere personeelsleden van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
Art.117. Sont abrogés :
  1° l'arrêté royal du 12 octobre 1964 fixant la rétribution des personnes qui prêtent leur concours à la formation et au perfectionnement du personnel de l'Etat, modifié par les arrêtés royaux des 17 mars 1995, 10 avril 1995, 11 décembre 2001, 5 septembre 2002 et 4 août 2004;
  2° L'arrêté royal du 24 décembre 1964 fixant les indemnités pour frais de séjour des membres du personnel des services publics fédéraux, modifié par les arrêtés royaux du 4 décembre 1990, 4 mars 1993, 5 septembre 2002 et 4 août 2004;
  3° L'arrêté royal du 26 mars 1965 portant réglementation générale des indemnités, allocations et primes quelconques accordées au personnel des services publics fédéraux, modifié par les arrêtés royaux du 6 février 1967, 2 mars 1989, 5 septembre 2002, 3 août 2004, 22 novembre 2006 et 3 août 2016;
  4° L'arrêté royal du 30 janvier 1979 relatif à l'octroi d'un pécule de vacances aux agents de l'administration générale du Royaume, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 3 août 2016;
  5° L'arrêté royal du 8 août 1983 relatif à l'exercice d'une fonction supérieure dans les administrations de l'Etat, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 3 août 2016;
  6° L'arrêté royal du 30 juin 1988 relatif à l'octroi d'indemnités forfaitaires pour frais de séjour au personnel d'inspection du service du contrôle administratif de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, modifié par l'arrêté royal du 4 décembre 2001;
  7° L'arrêté royal du 1er février 1993 relatif à l'octroi d'une indemnité pour frais de séjour à certains membres du personnel de l'Office national de sécurité sociale;
  8° L'arrêté royal du 9 septembre 1993 relatif à l'octroi d'une indemnité forfaitaire pour frais de séjour à certains agents du Fonds des accidents du travail, modifié par les arrêtés royaux du 16 octobre 1997, 20 décembre 2007 et 19 mai 2010;
  9° L'arrêté royal 30 décembre 1993 relatif à l'octroi d'une indemnité forfaitaire pour frais de séjour à certains agents de l'Office national de l'Emploi, modifié par l'arrêté royal du 27 mars 1998;
  10° L'arrêté royal du 11 octobre 1997 relatif à l'octroi d'une indemnité pour frais d'accès au réseau internet à certains agents de l'Institut national d'Assurance maladie-invalidité, modifié par l'arrêté royal du 19 août 2011;
  11° L'arrêté royal du 8 juillet 2005 réglant l'octroi d'une indemnité pour frais funéraires en cas de décès d'un membre du personnel d'un service public fédéral;
  12° L'arrêté royal du 26 avril 2007 octroyant une indemnité forfaitaire pour frais de séjour aux membres du personnel de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire chargés d'une fonction itinérante,;
  13° L'arrêté royal du 2 août 2007 accordant une allocation aux membres du personnel chargés du développement de projets au sein de certains services publics;
  14° L'arrêté royal du 12 février 2008 octroyant une indemnité forfaitaire pour frais de séjour aux membres du personnel de la cellule centrale du Service commun pour la prévention et la protection au travail pour certains services publics fédéraux chargés d'une fonction itinérante;
  15° L'arrêté royal du 28 novembre 2008 remplaçant, pour le personnel de certains services publics, l'arrêté royal du 23 octobre 1979 accordant une allocation de fin d'année à certains titulaires d'une fonction rémunérée à charge du Trésor public, modifié par les arrêtés royaux du 9 décembre 2009 et 10 septembre 2010;
  16° L'arrêté royal du 13 juin 2010 accordant des allocations pour bilinguisme aux membres du personnel de la fonction publique administrative fédérale;
  17° L'arrêté royal du 13 juin 2010 accordant une indemnité pour l'utilisation de la bicyclette aux membres du personnel de la fonction publique fédérale administrative;
  18° L'arrêté royal du 11 février 2013 octroyant une allocation aux membres du personnel de la fonction publique fédérale administrative qui effectuent certaines prestations, modifié par l'arrêté royal du 13 mars 2016;
  19° L'arrêté royal du 21 décembre 2013 concernant la distance parcourue à motocyclette ou en automobile qui, pour les membres du personnel du Service public fédéral Finances, peut être prise en considération pour l'octroi d'une indemnité pour frais de séjour;
  20° L'arrêté royal du 21 décembre 2013 concernant le calcul de l'indemnité kilométrique, pour les membres du personnel du Service public fédéral Finances, pour les déplacements de service ayant pour point de départ et/ou de retour la résidence habituelle du membre du personnel;
  21° L'arrêté royal du 23 novembre 2014 relatif à l'octroi d'une indemnité forfaitaire pour frais de séjour à certains agents de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants;
  22° L'arrêté ministériel du 30 mars 1954 portant octroi d'indemnités de tournée à des fonctionnaires et agents du service d'Inspection et d'Enquêtes économiques, modifié par l'arrêté ministériel du 4 décembre 2001;
  23° L'arrêté ministériel du 4 septembre 1964 portant octroi d'indemnités de tournée à des fonctionnaires et agents de l'institut national de Statistique, modifié par l'arrêté ministériel du 4 décembre 2001;
  24° L'arrêté ministériel du 28 mars 1967 octroyant une indemnité de tournée aux fonctionnaires et agents du Ministère de la Prévoyance sociale exerçant exclusivement des fonctions itinérantes, modifié par l'arrêté ministériel du 2 juin 1972;
  25° L'arrêté ministériel du 19 novembre 1973 fixant certaines indemnités pour frais de séjour pour les agents du Service public fédéral Finances, modifié par les arrêtés ministériels des 18 février 1975, 15 juillet 2002, 13 décembre 2013 et 4 juin 2014;
  26° L'arrêté ministériel du 18 février 1975 octroyant une indemnité pour frais de déplacement aux agents de l'Administration des douanes et accises, qui exercent dans certaines régions du port d'Anvers ou dans certains bureaux-frontière, modifié par l'arrêté ministériel du 15 juillet 2002;
  27° L'arrêté ministériel du 17 juin 1991 fixant le montant de l'indemnité forfaitaire pour frais de séjour à certains agents du Ministère de l'emploi et du travail;
  28° L'arrêté ministériel du 4 septembre 1991 relatif à l'octroi d'une indemnité pour frais de séjour à certains agents du Ministère de la Prévoyance sociale, modifié par l'arrêté ministériel du 16 octobre 2001;
  29° L'arrêté ministériel du 16 mai 1997 octroyant une indemnité forfaitaire pour frais de séjour au personnel chargé d'une fonction itinérante du Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture;
  30° L'arrêté ministériel 18 janvier 2007 relatif à l'octroi d'une indemnité forfaitaire pour frais de séjour à certains membres du personnel du Service public fédéral Mobilité et Transports;
  31° L'arrêté ministériel du 4 juillet 2007 relatif à l'octroi d'une indemnité forfaitaire mensuelle aux membres du personnel du Service d'Inspection du Service public fédéral de Programmation Intégration sociale, Lutte contre la Pauvreté et Economie sociale;
  32° L'arrêté ministériel du 10 novembre 2009 fixant les indemnités de séjour octroyées aux fonctionnaires à l'immigration du Service public fédéral Intérieur;
  33° L'arrêté ministériel 21 juillet 2011 portant l'établissement d'indemnités de séjour et de logement octroyées aux membres du personnel de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire qui se rendent en mission à l'étranger ou qui siègent dans des commissions internationales;
  34° L'arrêté ministériel 25 avril 2014 relatif à l'octroi d'une indemnité forfaitaire pour frais de séjour à certains agents du SPF Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie.
TITEL V. - Bewarende, overgangs- en slotbepalingen
TITRE V. - Dispositions de sauvegarde, transitoires et finales
Art.118. De personeelsleden van de niveaus B en C die een directietoelage genieten op de datum van inwerkingtreding van dit besluit behouden het voordeel van deze directietoelage.
  De personeelsleden van het niveau D die een directietoelage genieten op de datum van inwerkingtreding van dit besluit krijgen het bedrag van 1000 euro.
  De directietoelage wordt berekend en uitbetaald volgens de modaliteiten die van kracht waren op 31 augustus 2017.
Art.118. Les membres du personnel des niveaux B et C qui bénéficient d'une allocation de direction à la date l'entrée en vigueur du présent arrêté conservent le bénéfice de cette allocation de direction.
  Les membres du personnel du niveau D qui bénéficient d'une allocation de direction à la date l'entrée en vigueur du présent arrêté obtiennent le montant de 1000 euros.
  L'allocation de direction est calculée et versée selon les modalités qui étaient en vigueur le 31 août 2017.
Art.119. De personeelsleden die een projecttoelage genieten overeenkomstig het koninklijk besluit van 2 augustus 2007 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden belast met het ontwikkelen van projecten in sommige overheidsdiensten behouden ze tot het einde van het project.
  De projecttoelage wordt berekend en uitbetaald volgens de modaliteiten die van kracht waren op 31 augustus 2017.
Art.119. Les membres du personnel qui bénéficient d'une allocation de projet conformément à l'arrêté royal du 2 août 2007 accordant une allocation aux membres du personnel chargés du développement de projets au sein de certains services publics la conservent jusqu'au terme du projet.
  L'allocation de projet est calculée et versée selon les conditions et modalités qui étaient en vigueur le 31 août 2017.
Art.120. De uitoefening van een hogere functie die aan de gang is op de datum van inwerkingtreding van dit besluit behoudt zijn uitwerking, overeenkomstig de bepalingen zoals ze van kracht waren, gedurende een periode van maximaal 12 maanden en behoudens andersluidende, behoorlijk met redenen omklede beslissing van de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde.
Art.120. Les exercices d'une fonction supérieure en cours à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté maintiennent leurs effets, conformément aux dispositions telles qu'elles étaient alors en vigueur, pendant une période de 12 mois maximum et sauf décision contraire dûment motivée du fonctionnaire dirigeant ou de son délégué.
Art.121. De personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit reizende ambtsbetrekkingen uitoefenen en een maandelijkse forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten of voor kosten wegens rondreizen genieten overeenkomstig de koninklijke en ministériële besluiten bedoeld in het artikel 117, 6° tot 9°, 12°, 14°, 21° tot 24°, 27° tot 34°, blijven deze vergoeding genieten als het bedrag toegekend overeenkomstig artikel 86 minder voordelig is.
  De maandelijkse forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten of kosten wegens rondreizen wordt berekend en uitbetaald volgens de modaliteiten die van kracht waren op 31 augutsus 2017.
Art.121. Les membres du personnel qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, exercent des fonctions itinérantes et bénéficient d'une indemnité forfaitaire mensuelle pour frais de séjour ou frais de tournée conformément aux arrêtés royaux et ministériels visés à l'article 117, 6° à 9°, 12°, 14°, 21° à 24°, 27° à 34°, continuent de bénéficier de cette indemnité si le montant octroyé conformément à l'article 86 est moins favorable.
  L'indemnité forfaitaire mensuelle pour frais de séjour ou frais de tournée est calculée et versée selon les modalités qui étaient en vigueur le 31 août 2017.
Art.122. De besluiten die van kracht zijn op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit en die zijn genomen in uitvoering van artikel 7 van het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen, toelagen en premies van alle aard toegekend aan het personeel van de federale overheidsdiensten, worden beschouwd te zijn genomen in uitvoering van de artikelen 40 en 100 van dit besluit.
Art.122. Les arrêtés en vigueur à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté et qui ont été pris en exécution de l'article 7 de l'arrêté royal du 26 mars 1965 portant réglementation générale des indemnités, allocations, et primes quelconques accordées au personnel des services publics fédéraux, sont considérés comme pris en exécution des articles 40 et 100 du présent arrêté.
Art.123. De bepalingen van het ministerieel besluit van 18 december 2013 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen die werken in opeenvolgende ploegen en die dienen te werken tijdens een weekend, een feestdag of tussen tweeëntwintig en zes uur moeten niet worden beschouwd als een cumulatie in de zin van artikel 10 van dit besluit.
Art.123. Les dispositions de l'arrêté ministériel du 18 décembre 2013 octroyant une allocation aux membres du personnel de l'Administration générale des Douanes et Accises qui travaillent par équipes successives et doivent travailler durant un week-end, un jour férié ou entre vingt-deux et six heures ne sont pas à considérer comme formant un cumul au sens de l'article 10 du présent arrêté.
Art.124. De volgende besluiten houden op van toepassing te zijn op de in dit besluit bedoelde personeelsleden :
  1° het koninklijk besluit van 24 oktober 1951 betreffende het verlenen van bijzondere toelagen aan de personen belast met cursussen voor beroepsleiding in het Ministerie van Economische Zaken en Middenstand, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 2001;
  2° het koninklijk besluit van 13 oktober 1964 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen welke worden toegekend aan de personen die niet tot het leger behoren en belast zijn met het houden van voordrachten of het volbrengen van andere prestaties en behoeve van de militairen van de Krijgsmacht, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 2001;
  3° het koninklijk besluit van 19 februari 1974 betreffende de toelagen en vergoedingen verleend aan de personen die met de vorming van het burgerlijk personeel zijn belast, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 mei 1993 en 4 december 2001;
  4° het koninklijk besluit van 16 april 1975 betreffende de beroepsopleiding van het personeel van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 2001;
  5° het koninklijk besluit van 8 mei 1979 tot toekenning van sommige toelagen en vergoedingen aan de personen die met de vorming van het personeel van het Nationaal Geografisch Instituut zijn belast, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 2001;
  6° het ministerieel besluit van 30 juni 1960 houdende inrichting van vakcursussen voor het niet-voltijds tewerkgestelde personeel van het Korps Burgerlijke Bescherming, gewijzigd bij de ministeriele besluiten van 10 april 1995, 18 maart 1998 en 3 mei 2002;
  7° het ministerieel besluit van 13 februari 1998 betreffende de beroepsopleiding van het personeel van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen;
  8° het ministerieel besluit van 22 oktober 1998 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden van de Civiele Bescherming die belast zijn met een opleidingsactiviteit, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 3 mei 2002.
Art.124. Cessent d'être applicables aux membres du personnel visés au présent arrêté les arrêtés suivants :
  1° L'arrêté royal du 24 octobre 1951 relatif à l'octroi d'allocations spéciales aux personnes chargées de cours de formation professionnelle au Ministère des Affaires économiques et des Classes moyennes, modifié par l'arrêté royal du 4 décembre 2001;
  2° L'arrêté royal du 13 octobre 1964 fixant les allocations et indemnités accordées aux personnes étrangères à l'armée, chargées de donner des conférences ou d'effectuer d'autres prestations destinées aux militaires des Forces armées, modifié par l'arrêté royal du 4 décembre 2001;
  3° L'arrêté royal du 19 février 1974 relatif aux allocations et indemnités accordées aux personnes chargées de la formation du personnel civil, modifié par les arrêtés royaux des 17 mai 1993 et 4 décembre 2001;
  4° L'arrêté royal du 16 avril 1975 concernant la formation professionnelle du personnel de l'Office national de l'Emploi, modifié par l'arrêté royal du 4 décembre 2001;
  5° L'arrêté royal du 8 mai 1979 accordant certaines allocations et indemnités aux personnes chargées de la formation du personnel de l'Institut géographique national, modifié par l'arrêté royal du 4 décembre 2001;
  6° L'arrêté ministériel du 30 juin 1960 organisant les cours professionnels pour le personnel employé à temps réduit au Corps de Protection civile, modifié par les arrêtés ministériel des 10 avril 1995, 18 mars 1998 et 3 mai 2002;
  7° L'arrêté ministériel du 13 février 1998 concernant la formation professionnelle du personnel de la Caisse auxiliaire de Paiement des Allocations de Chômage;
  8° L'arrêté ministériel du 22 octobre 1998 accordant une allocation aux agents de la Protection civile chargés d'une activité de formation, modifié par l'arrêté ministériel du 3 mai 2002.
Art.125. Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de tweede maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van :
  1° artikelen 53 tot en met 55, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2017;
  2° artikel 86 dat, voor de rondreizende functies in inspectiediensten, uitwerking heeft op 1 juli 2017.
Art.125. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er jour du deuxième mois qui suit celui au cours duquel il est publié au Moniteur belge à l'exception :
  1° des articles 53 à 55 inclus qui produisent leurs effets au 1er janvier 2017;
  2° de l'article 86 qui, pour les fonctions itinérantes dans les services d'inspection, produit ses effets au 1er juillet 2017.
Art.126. Onze Ministers zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.126. Nos Ministres sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage bij het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot toekenning van de toelagen voor tweetaligheid aan de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, die het bedrag van de taaltoelage vaststelt
Art. N. Annexe à l'arrêté royal du 13 juillet 2017 accordant des allocations pour bilinguisme aux membres du personnel de la Fonction publique administrative fédérale, fixant le montant de l'allocation linguistique
Certificat
  Bewijs
Montant de l'allocation mensuelle
  Bedrag van de maandelijkse toelage
art. 8 20 EUR
art. 9, § 1er, connaissance élémentaire ou art. 10 /
  art. 9, § 1, elementaire kennis of art. 10
40 EUR
art. 9, § 2, connaissance élémentaire ou art. 14, alinéa 2 ou art. 9, § 1er, connaissance élémentaire et art. 8 /
  art. 9, § 2, elementaire kennis of art. 14, tweede lid of art. 9, § 1, elementaire kennis en art. 8
50 EUR
art. 9, § 1er, connaissance suffisante ou art. 11 /
  art. 9, § 1, voldoende kennis of art. 11
60 EUR
art. 14, alinéa 1er /art. 14, eerste lid 90 EUR
art. 9, § 2, connaissance suffisante ou art. 12 ou art. 13 ou art. 9, § 1er, connaissance suffisante et art. 11 /
  art. 9, § 2, voldoende kennis of art. 12 of art. 13 of art. 9, § 1, voldoende kennis en art. 11
110 EUR
art. 7 niveau D 75 EUR
art. 7 niveau C 80 EUR
art. 7 niveau B ou A/art. 7 niveau B of A 110 EUR
Certificat
  Bewijs Montant de l'allocation mensuelle
  Bedrag van de maandelijkse toelageart. 8 20 EURart. 9, § 1er, connaissance élémentaire ou art. 10 /
  art. 9, § 1, elementaire kennis of art. 10 40 EURart. 9, § 2, connaissance élémentaire ou art. 14, alinéa 2 ou art. 9, § 1er, connaissance élémentaire et art. 8 /
  art. 9, § 2, elementaire kennis of art. 14, tweede lid of art. 9, § 1, elementaire kennis en art. 8 50 EURart. 9, § 1er, connaissance suffisante ou art. 11 /
  art. 9, § 1, voldoende kennis of art. 11 60 EURart. 14, alinéa 1er /art. 14, eerste lid 90 EURart. 9, § 2, connaissance suffisante ou art. 12 ou art. 13 ou art. 9, § 1er, connaissance suffisante et art. 11 /
  art. 9, § 2, voldoende kennis of art. 12 of art. 13 of art. 9, § 1, voldoende kennis en art. 11 110 EURart. 7 niveau D 75 EURart. 7 niveau C 80 EURart. 7 niveau B ou A/art. 7 niveau B of A 110 EUR
Certificat
  Bewijs
Montant de l'allocation mensuelle
  Bedrag van de maandelijkse toelage
art. 8 20 EUR
art. 9, § 1er, connaissance élémentaire ou art. 10 /
  art. 9, § 1, elementaire kennis of art. 10
40 EUR
art. 9, § 2, connaissance élémentaire ou art. 14, alinéa 2 ou art. 9, § 1er, connaissance élémentaire et art. 8 /
  art. 9, § 2, elementaire kennis of art. 14, tweede lid of art. 9, § 1, elementaire kennis en art. 8
50 EUR
art. 9, § 1er, connaissance suffisante ou art. 11 /
  art. 9, § 1, voldoende kennis of art. 11
60 EUR
art. 14, alinéa 1er /art. 14, eerste lid 90 EUR
art. 9, § 2, connaissance suffisante ou art. 12 ou art. 13 ou art. 9, § 1er, connaissance suffisante et art. 11 /
  art. 9, § 2, voldoende kennis of art. 12 of art. 13 of art. 9, § 1, voldoende kennis en art. 11
110 EUR
art. 7 niveau D 75 EUR
art. 7 niveau C 80 EUR
art. 7 niveau B ou A/art. 7 niveau B of A 110 EUR
Certificat
  Bewijs Montant de l'allocation mensuelle
  Bedrag van de maandelijkse toelageart. 8 20 EURart. 9, § 1er, connaissance élémentaire ou art. 10 /
  art. 9, § 1, elementaire kennis of art. 10 40 EURart. 9, § 2, connaissance élémentaire ou art. 14, alinéa 2 ou art. 9, § 1er, connaissance élémentaire et art. 8 /
  art. 9, § 2, elementaire kennis of art. 14, tweede lid of art. 9, § 1, elementaire kennis en art. 8 50 EURart. 9, § 1er, connaissance suffisante ou art. 11 /
  art. 9, § 1, voldoende kennis of art. 11 60 EURart. 14, alinéa 1er /art. 14, eerste lid 90 EURart. 9, § 2, connaissance suffisante ou art. 12 ou art. 13 ou art. 9, § 1er, connaissance suffisante et art. 11 /
  art. 9, § 2, voldoende kennis of art. 12 of art. 13 of art. 9, § 1, voldoende kennis en art. 11 110 EURart. 7 niveau D 75 EURart. 7 niveau C 80 EURart. 7 niveau B ou A/art. 7 niveau B of A 110 EUR