Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
23 DECEMBER 2016. - Decreet houdende de implementatie van de zesde staatshervorming en houdende diverse bepalingen met betrekking tot het beleidsdomein Werk en Sociale Economie
Titre
23 DECEMBRE 2016. - Décret portant mise en oeuvre de la sixiÚme réforme de l'Etat et portant diverses dispositions relatives au domaine politique de l'Emploi et de l'Economie sociale
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de besluitwet van ...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 19 fe...
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de organieke wet v...
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de herstelwet va...
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 30 ap...
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van de wet van 20 ju...
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het decreet houd...
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het decreet van ...
HOOFDSTUK 10. - Wijziging van het decreet van 7...
HOOFDSTUK 11. - Wijziging van het Sociaal Straf...
HOOFDSTUK 12. - Inwerkingtreding
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
CHAPITRE 2. - Modification de l'arrĂȘtĂ©-loi du 2...
CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 19 fév...
CHAPITRE 4. - Modification de la loi organique ...
CHAPITRE 5. - Modifications de la loi de redres...
CHAPITRE 6. - Modifications Ă la loi du 30 avri...
CHAPITRE 7. - Modifications de la loi du 20 jui...
CHAPITRE 8. - Modifications du décret du 30 avr...
CHAPITRE 9. - Modifications du décret du 7 mai ...
CHAPITRE 10. - Modification du décret du 7 mai ...
CHAPITRE 11. - Modification du Code pénal socia...
CHAPITRE 12. - Entrée en vigueur
Tekst (68)
Texte (68)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret rÚgle une matiÚre communautaire et régionale.
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
CHAPITRE 2. - Modification de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs
Art. 2. In artikel 8, § 12, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij het decreet van 24 april 2015, wordt tussen het woord "artikel" en het woord "en" de zinsnede ", met uitzondering van de bepalingen van paragraaf 4, derde lid, en paragraaf 10," ingevoegd.
Art. 2. Dans l'article 8, § 12, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 24 avril 2015, le membre de phrase ", Ă l'exception des dispositions du paragraphe 4, alinĂ©a trois, et paragraphe 10, " est insĂ©rĂ© entre le mot " article " et le mot " et ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen
CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 19 février 1965 relative à l'exercice, par les étrangers, des activités professionnelles indépendantes
Art. 3. In artikel 1, eerste lid, van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen, vervangen bij de wet van 2 februari 2001, wordt het woord "Koninkrijk" vervangen door de woorden "Vlaamse Gewest".
Art. 3. Dans l'article 1er, alinéa premier, de la loi du 19 février 1965 relative à l'exercice, par les étrangers, des activités professionnelles indépendantes, remplacé par la loi du 2 février 2001, les mots " du Royaume " sont remplacés par les mots " de la Région flamande ".
Art. 4. Artikel 2 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 2 februari 2001, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 2. De Vlaamse Regering kan bepaalde categorieën van vreemdelingen vrijstellen van de verplichting, vermeld in artikel 1, vanwege de aard van het beroep, of om andere redenen, met uitzondering van de redenen die betrekking hebben op de specifieke verblijfssituatie van de vreemdeling.".
  "Art. 2. De Vlaamse Regering kan bepaalde categorieën van vreemdelingen vrijstellen van de verplichting, vermeld in artikel 1, vanwege de aard van het beroep, of om andere redenen, met uitzondering van de redenen die betrekking hebben op de specifieke verblijfssituatie van de vreemdeling.".
Art. 4. L'article 2 de la mĂȘme loi, remplacĂ© par la loi du 2 fĂ©vrier 2001, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 2. Le Gouvernement flamand peut dispenser de l'obligation prévue à l'article 1er certaines catégories d'étrangers, soit en raison de la nature de la profession, soit pour d'autres raisons, à l'exception des raisons se rapportant à la situation de séjour spécifique des étrangers. "
  " Art. 2. Le Gouvernement flamand peut dispenser de l'obligation prévue à l'article 1er certaines catégories d'étrangers, soit en raison de la nature de la profession, soit pour d'autres raisons, à l'exception des raisons se rapportant à la situation de séjour spécifique des étrangers. "
Art. 5. In artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 28 juni 1984, 2 februari 2001, 1 mei 2006 en 1 maart 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "de afgevaardigde ambtenaar die door de Minister van Middenstand is aangewezen" vervangen door de woorden "de door de Vlaamse Regering aangewezen dienst";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "De Koning" en het woord "Hij" vervangen door de woorden "De Vlaamse Regering", en worden de woorden "afgevaardigde ambtenaar" vervangen door de woorden "aangewezen dienst";
  3° in paragraaf 3 worden de woorden "De Koning" en het woord "Hij" vervangen door de woorden "De Vlaamse Regering".
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "de afgevaardigde ambtenaar die door de Minister van Middenstand is aangewezen" vervangen door de woorden "de door de Vlaamse Regering aangewezen dienst";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "De Koning" en het woord "Hij" vervangen door de woorden "De Vlaamse Regering", en worden de woorden "afgevaardigde ambtenaar" vervangen door de woorden "aangewezen dienst";
  3° in paragraaf 3 worden de woorden "De Koning" en het woord "Hij" vervangen door de woorden "De Vlaamse Regering".
Art. 5. Dans l'article 3 de la mĂȘme loi, modifiĂ© par les lois des 28 juin 1984, 2 fĂ©vrier 2001, 1er mai 2006 et 1er mars 2007, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa premier, les mots " le fonctionnaire délégué désigné par le Ministre des Classes moyennes " sont remplacés par les mots " le service désigné par le Gouvernement flamand " ;
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa deux, les mots " Le Roi " et le mot " Il " sont remplacés par les mots " Le Gouvernement flamand ", et les mots " fonctionnaire délégué " sont remplacés par les mots " service désigné " ;
  3° dans le paragraphe 3, les mots " Le Roi " et le mot " Il " sont remplacés par les mots " Le Gouvernement flamand ".
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa premier, les mots " le fonctionnaire délégué désigné par le Ministre des Classes moyennes " sont remplacés par les mots " le service désigné par le Gouvernement flamand " ;
  2° dans le paragraphe 1er, alinéa deux, les mots " Le Roi " et le mot " Il " sont remplacés par les mots " Le Gouvernement flamand ", et les mots " fonctionnaire délégué " sont remplacés par les mots " service désigné " ;
  3° dans le paragraphe 3, les mots " Le Roi " et le mot " Il " sont remplacés par les mots " Le Gouvernement flamand ".
Art. 6. In artikel 6 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 1 mei 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "De afgevaardigde ambtenaar die door de Minister van Middenstand is aangewezen" vervangen door de woorden "De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst";
  2° in het tweede, vijfde en zevende lid worden de woorden "afgevaardigd ambtenaar" vervangen door de woorden "aangewezen dienst";
  3° in het tweede, derde, vierde, zesde en zevende lid worden de woorden "Minister van Middenstand" vervangen door de woorden "Vlaamse Regering";
  4° in het vierde en het zesde lid wordt het woord "zijn" vervangen door het woord "haar".
  1° in het eerste lid worden de woorden "De afgevaardigde ambtenaar die door de Minister van Middenstand is aangewezen" vervangen door de woorden "De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst";
  2° in het tweede, vijfde en zevende lid worden de woorden "afgevaardigd ambtenaar" vervangen door de woorden "aangewezen dienst";
  3° in het tweede, derde, vierde, zesde en zevende lid worden de woorden "Minister van Middenstand" vervangen door de woorden "Vlaamse Regering";
  4° in het vierde en het zesde lid wordt het woord "zijn" vervangen door het woord "haar".
Art. 6. Dans l'article 6 de la mĂȘme loi, remplacĂ© par la loi du 1er mai 2006, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa premier, les mots " Le fonctionnaire délégué désigné par le Ministre des Classes moyennes " sont remplacés par les mots " Le service désigné par le Gouvernement flamand " ;
  2° dans les alinéas deux, cinq et sept, les mots " le fonctionnaire délégué " sont remplacés par les mots " le service désigné " ;
  3° dans les alinéas deux, trois, quatre, six et sept, les mots " Ministre des Classes moyennes " sont remplacés par les mots " Gouvernement flamand " ;
  4° dans les alinéas quatre et six de la version néerlandaise, le mot " zijn " est remplacé par le mot " haar " ;
  1° dans l'alinéa premier, les mots " Le fonctionnaire délégué désigné par le Ministre des Classes moyennes " sont remplacés par les mots " Le service désigné par le Gouvernement flamand " ;
  2° dans les alinéas deux, cinq et sept, les mots " le fonctionnaire délégué " sont remplacés par les mots " le service désigné " ;
  3° dans les alinéas deux, trois, quatre, six et sept, les mots " Ministre des Classes moyennes " sont remplacés par les mots " Gouvernement flamand " ;
  4° dans les alinéas quatre et six de la version néerlandaise, le mot " zijn " est remplacé par le mot " haar " ;
Art. 7. In artikel 7 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 2 februari 2001, worden de woorden "Minister van Middenstand" vervangen door de woorden "door de Vlaamse Regering aangewezen dienst".
Art. 7. Dans l'article 7 de la mĂȘme loi, modifiĂ© par la loi du 2 fĂ©vrier 2001, les mots " Ministre des Classes moyennes " sont remplacĂ©s par les mots " Service dĂ©signĂ© par le Gouvernement flamand ".
Art. 8. In artikel 8 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 28 juni 1984, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "door de Koning voor de duur van zes jaar benoemd op voorstel van de Minister van Middenstand" vervangen door de woorden "door de Vlaamse Regering voor de duur van zes jaar benoemd";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 2. De Raad wordt voorgezeten door de voorzitter of een ondervoorzitter, en bestaat uit ten minste drie leden.";
  3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 3. De Vlaamse Regering kan een commissaris bij de Raad afvaardigen.".
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "door de Koning voor de duur van zes jaar benoemd op voorstel van de Minister van Middenstand" vervangen door de woorden "door de Vlaamse Regering voor de duur van zes jaar benoemd";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 2. De Raad wordt voorgezeten door de voorzitter of een ondervoorzitter, en bestaat uit ten minste drie leden.";
  3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 3. De Vlaamse Regering kan een commissaris bij de Raad afvaardigen.".
Art. 8. Dans l'article 8 de la mĂȘme loi, modifiĂ© par la loi du 28 juin 1984, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots " nommés par le Roi pour une durée de six ans, sur proposition du Ministre des Classes moyennes " sont remplacés par les mots " nommés par le Gouvernement flamand pour une durée de six ans " ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Le Conseil est présidé par le président ou un vice-président, et est composé de trois membres au moins. " ;
  3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Le Gouvernement flamand peut déléguer un commissaire auprÚs du Conseil. ".
  1° dans le paragraphe 1er, les mots " nommés par le Roi pour une durée de six ans, sur proposition du Ministre des Classes moyennes " sont remplacés par les mots " nommés par le Gouvernement flamand pour une durée de six ans " ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Le Conseil est présidé par le président ou un vice-président, et est composé de trois membres au moins. " ;
  3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Le Gouvernement flamand peut déléguer un commissaire auprÚs du Conseil. ".
Art. 9. In artikel 9 van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 2 wordt aangevuld met de woorden ", of onder Vlaamse ambtenaren niveau A, overeenkomstig titel 2 van deel VI van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid";
  2° in paragraaf 3 worden de woorden "waarvan het bedrag door de Koning zal bepaald worden op voorstel van de Minister van Middenstand" vervangen door de woorden "waarvan het bedrag door de Vlaamse Regering bepaald wordt".
  1° paragraaf 2 wordt aangevuld met de woorden ", of onder Vlaamse ambtenaren niveau A, overeenkomstig titel 2 van deel VI van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid";
  2° in paragraaf 3 worden de woorden "waarvan het bedrag door de Koning zal bepaald worden op voorstel van de Minister van Middenstand" vervangen door de woorden "waarvan het bedrag door de Vlaamse Regering bepaald wordt".
Art. 9. Dans l'article 9 de la mĂȘme loi, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le paragraphe 2 est complĂ©tĂ© par les mots ", ou parmi les fonctionnaires flamands de niveau A, conformĂ©ment au titre 2 de la partie VI de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 janvier 2006 fixant le statut du personnel des services des autoritĂ©s flamandes " ;
  2° dans le paragraphe 3, les mots " dont le montant sera déterminé par le Roi sur proposition du Ministre des Classes moyennes " sont remplacés par les mots " dont le montant sera déterminé par le Gouvernement flamand ".
  1° le paragraphe 2 est complĂ©tĂ© par les mots ", ou parmi les fonctionnaires flamands de niveau A, conformĂ©ment au titre 2 de la partie VI de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 13 janvier 2006 fixant le statut du personnel des services des autoritĂ©s flamandes " ;
  2° dans le paragraphe 3, les mots " dont le montant sera déterminé par le Roi sur proposition du Ministre des Classes moyennes " sont remplacés par les mots " dont le montant sera déterminé par le Gouvernement flamand ".
Art. 10. In artikel 10, § 1, van dezelfde wet wordt het woord "Koning" vervangen door de woorden "Vlaamse Regering".
Art. 10. Dans l'article 10, § 1er, de la mĂȘme loi, le mot " Roi " est remplacĂ© par les mots " Gouvernement flamand ".
Art. 11. Artikel 12 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 januari 1977, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 12. Het toezicht en de controle op de uitvoering van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan verlopen conform het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.".
  "Art. 12. Het toezicht en de controle op de uitvoering van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan verlopen conform het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.".
Art. 11. L'article 12 de la mĂȘme loi, modifiĂ© par la loi du 10 janvier 1977, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 12. La surveillance et le contrĂŽle de l'exĂ©cution de la prĂ©sente loi et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution s'effectuent conformĂ©ment aux dispositions du dĂ©cret relatif au contrĂŽle des lois sociales du 30 avril 2004. ".
  " Art. 12. La surveillance et le contrĂŽle de l'exĂ©cution de la prĂ©sente loi et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution s'effectuent conformĂ©ment aux dispositions du dĂ©cret relatif au contrĂŽle des lois sociales du 30 avril 2004. ".
Art. 12. Artikel 13 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 2 februari 2001, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 13. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek wordt een vreemdeling gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 250 tot 2500 euro, of met een van die straffen alleen, als hij in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan :
  1° een zelfstandige activiteit uitoefent zonder in het bezit te zijn van een beroepskaart;
  2° een zelfstandige activiteit uitoefent zonder de grenzen of de voorwaarden van de beroepskaart te respecteren;
  3° een zelfstandige activiteit uitoefent niettegenstaande de staking van de bedrijvigheid is gelast of de sluiting van de zaak is bevolen.".
  "Art. 13. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek wordt een vreemdeling gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 250 tot 2500 euro, of met een van die straffen alleen, als hij in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan :
  1° een zelfstandige activiteit uitoefent zonder in het bezit te zijn van een beroepskaart;
  2° een zelfstandige activiteit uitoefent zonder de grenzen of de voorwaarden van de beroepskaart te respecteren;
  3° een zelfstandige activiteit uitoefent niettegenstaande de staking van de bedrijvigheid is gelast of de sluiting van de zaak is bevolen.".
Art. 12. L'article 13 de la mĂȘme loi, modifiĂ© par la loi du 2 fĂ©vrier 2001, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 13. Sans prĂ©judice de l'application des articles 269 Ă 274 inclus du Code pĂ©nal, est puni d'un emprisonnement de six mois Ă trois ans et d'une amende de 250 Ă 2500 euros ou de l'une de ces peines seulement, l'Ă©tranger qui, en contravention avec la prĂ©sente loi et avec ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution :
  1° exerce une activitĂ© indĂ©pendante sans ĂȘtre titulaire d'une carte professionnelle ;
  2° exerce une activité indépendante sans respecter les limites ou les conditions de la carte professionnelle ;
  3° exerce une activité indépendante bien qu'il ait été enjoint de cesser son activité ou de fermer l'établissement exploité. ".
  " Art. 13. Sans prĂ©judice de l'application des articles 269 Ă 274 inclus du Code pĂ©nal, est puni d'un emprisonnement de six mois Ă trois ans et d'une amende de 250 Ă 2500 euros ou de l'une de ces peines seulement, l'Ă©tranger qui, en contravention avec la prĂ©sente loi et avec ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution :
  1° exerce une activitĂ© indĂ©pendante sans ĂȘtre titulaire d'une carte professionnelle ;
  2° exerce une activité indépendante sans respecter les limites ou les conditions de la carte professionnelle ;
  3° exerce une activité indépendante bien qu'il ait été enjoint de cesser son activité ou de fermer l'établissement exploité. ".
Art. 13. In dezelfde wet, het laatst gewijzigd bij de wet van 1 maart 2007, wordt een artikel 13/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 13/1. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek worden de volgende personen gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen :
  1° een vreemdeling die in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan een zelfstandige activiteit uitoefent zonder toegelaten of gemachtigd te zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België;
  2° een vreemdeling die door listige kunstgrepen aan te wenden een beroepskaart onrechtmatig verkrijgt of in zijn bezit heeft;
  3° eenieder die wetens en willens onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd of onjuiste documenten heeft bezorgd, om een beroepskaart ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
  4° eenieder die wetens en willens heeft nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken, om een beroepskaart ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden.".
  "Art. 13/1. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek worden de volgende personen gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen :
  1° een vreemdeling die in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan een zelfstandige activiteit uitoefent zonder toegelaten of gemachtigd te zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België;
  2° een vreemdeling die door listige kunstgrepen aan te wenden een beroepskaart onrechtmatig verkrijgt of in zijn bezit heeft;
  3° eenieder die wetens en willens onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd of onjuiste documenten heeft bezorgd, om een beroepskaart ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
  4° eenieder die wetens en willens heeft nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken, om een beroepskaart ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden.".
Art. 13. Dans la mĂȘme loi, modifiĂ©e en dernier lieu par la loi du 1er mars 2007, il est insĂ©rĂ© un article 13/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 13/1. Sans préjudice de l'application des articles 269 à 274 inclus du Code pénal, sont punis d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de 600 à 6000 euros ou de l'une de ces peines seulement :
  1° l'Ă©tranger qui, en contravention avec les dispositions de la prĂ©sente loi et avec ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, exerce une activitĂ© indĂ©pendante sans ĂȘtre admis ou autorisĂ© Ă un sĂ©jour de plus de trois mois ou Ă un Ă©tablissement en Belgique ;
  2° l'étranger qui obtient ou possÚde frauduleusement une carte professionnelle grùce à des manoeuvres frauduleuses ;
  3° chacun qui, sciemment, a fait des déclarations inexactes ou incomplÚtes ou a transmis des documents inexactes afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une carte professionnelle à injuste titre ;
  4° chacun qui, sciemment, a négligé ou a refusé de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements qu'ils sont tenus de fournir, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir une carte professionnelle à injuste titre. ".
  " Art. 13/1. Sans préjudice de l'application des articles 269 à 274 inclus du Code pénal, sont punis d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de 600 à 6000 euros ou de l'une de ces peines seulement :
  1° l'Ă©tranger qui, en contravention avec les dispositions de la prĂ©sente loi et avec ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, exerce une activitĂ© indĂ©pendante sans ĂȘtre admis ou autorisĂ© Ă un sĂ©jour de plus de trois mois ou Ă un Ă©tablissement en Belgique ;
  2° l'étranger qui obtient ou possÚde frauduleusement une carte professionnelle grùce à des manoeuvres frauduleuses ;
  3° chacun qui, sciemment, a fait des déclarations inexactes ou incomplÚtes ou a transmis des documents inexactes afin d'obtenir ou de faire obtenir ou de maintenir ou de faire maintenir une carte professionnelle à injuste titre ;
  4° chacun qui, sciemment, a négligé ou a refusé de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements qu'ils sont tenus de fournir, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir une carte professionnelle à injuste titre. ".
Art. 14. In dezelfde wet, het laatst gewijzigd bij de wet van 1 maart 2007, wordt een artikel 13/2 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 13/2. In geval van herhaling binnen vijf jaar kan de maximale straf, vermeld in artikel 13 en 13/1, op het dubbele van het maximum worden gebracht.".
  "Art. 13/2. In geval van herhaling binnen vijf jaar kan de maximale straf, vermeld in artikel 13 en 13/1, op het dubbele van het maximum worden gebracht.".
Art. 14. Dans la mĂȘme loi, modifiĂ©e en dernier lieu par la loi du 1er mars 2007, il est insĂ©rĂ© un article 13/2, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 13/2. En cas de rĂ©cidive dans les cinq ans, la sanction maximale visĂ©e aux articles 13 et 13/1 peut ĂȘtre reportĂ©e au double du maximum. ".
  " Art. 13/2. En cas de rĂ©cidive dans les cinq ans, la sanction maximale visĂ©e aux articles 13 et 13/1 peut ĂȘtre reportĂ©e au double du maximum. ".
Art. 15. In dezelfde wet, het laatst gewijzigd bij de wet van 1 maart 2007, wordt een artikel 13/3 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 13/3. § 1. Voor de inbreuken, vermeld in artikel 13 en 13/1, kan de rechter de veroordeelde het verbod opleggen om gedurende een periode van één maand tot drie jaar, zelf of via een tussenpersoon, de onderneming of inrichting waar de inbreuk is begaan, geheel of gedeeltelijk uit te baten of er onder gelijk welke hoedanigheid in dienst te worden genomen.
  Voor de inbreuken, vermeld in artikel 13 en 13/1, kan de rechter bovendien, als hij zijn beslissing met redenen omkleedt, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van de onderneming of inrichting waar de inbreuken zijn begaan, voor de duur van één maand tot drie jaar.
  § 2. De duur van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van paragraaf 1, gaat in vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of waarop zijn straf verjaard is, en, bij voorwaardelijke vrijlating, vanaf de dag van de invrijheidstelling, als die laatste niet ingetrokken wordt.
  De gevolgen van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van paragraaf 1 zullen evenwel een aanvang nemen zodra de veroordeling op tegenspraak of bij verstek definitief is.
  § 3. De rechter kan de straffen, vermeld in paragraaf 1, alleen opleggen als dat noodzakelijk is om de inbreuken te doen stoppen of om te voorkomen dat ze zich herhalen, op voorwaarde dat de veroordeling tot die straffen in verhouding staat tot het geheel van de betrokken sociaal-economische belangen.
  De straffen, vermeld in paragraaf 1, doen geen afbreuk aan de rechten van derden.".
  "Art. 13/3. § 1. Voor de inbreuken, vermeld in artikel 13 en 13/1, kan de rechter de veroordeelde het verbod opleggen om gedurende een periode van één maand tot drie jaar, zelf of via een tussenpersoon, de onderneming of inrichting waar de inbreuk is begaan, geheel of gedeeltelijk uit te baten of er onder gelijk welke hoedanigheid in dienst te worden genomen.
  Voor de inbreuken, vermeld in artikel 13 en 13/1, kan de rechter bovendien, als hij zijn beslissing met redenen omkleedt, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van de onderneming of inrichting waar de inbreuken zijn begaan, voor de duur van één maand tot drie jaar.
  § 2. De duur van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van paragraaf 1, gaat in vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of waarop zijn straf verjaard is, en, bij voorwaardelijke vrijlating, vanaf de dag van de invrijheidstelling, als die laatste niet ingetrokken wordt.
  De gevolgen van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van paragraaf 1 zullen evenwel een aanvang nemen zodra de veroordeling op tegenspraak of bij verstek definitief is.
  § 3. De rechter kan de straffen, vermeld in paragraaf 1, alleen opleggen als dat noodzakelijk is om de inbreuken te doen stoppen of om te voorkomen dat ze zich herhalen, op voorwaarde dat de veroordeling tot die straffen in verhouding staat tot het geheel van de betrokken sociaal-economische belangen.
  De straffen, vermeld in paragraaf 1, doen geen afbreuk aan de rechten van derden.".
Art. 15. Dans la mĂȘme loi, modifiĂ©e en dernier lieu par la loi du 1er mars 2007, il est insĂ©rĂ© un article 13/3, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 13/3. § 1er. Pour les infractions, visĂ©es aux articles 13 et 13/1, le juge peut interdire au condamnĂ© d'exploiter, pour un terme d'un mois Ă trois ans, soit par lui-mĂȘme, soit par personne interposĂ©e, tout ou partie de l'entreprise ou de l'Ă©tablissement oĂč l'infraction a Ă©tĂ© commise, ou d'y ĂȘtre employĂ© Ă quelque titre que ce soit.
  En outre, pour les infractions, visĂ©es aux articles 13 et 13/1, le juge peut ordonner, lorsqu'il motive sa dĂ©cision, la fermeture entiĂšre ou partielle de l'entreprise ou l'Ă©tablissement oĂč les infractions ont Ă©tĂ© commises, pour la durĂ©e d'un mois Ă trois ans.
  § 2. La durée de la peine qui est prononcée en application du paragraphe 1er, prend cours au jour auquel le condamné a subi sa peine ou auquel sa peine est prescrite, et, en cas d'exemption conditionnelle, à partir du jour de la libération, lorsque cette derniÚre n'est pas retirée.
  Cependant, les conséquences de la peine qui est prononcée en application du paragraphe 1er, prendront cours dÚs que la condamnation contradictoire ou par défaut, est définitive.
  § 3. Le juge peut uniquement infliger les peines visĂ©es au paragraphe 1er quand cela s'avĂšre nĂ©cessaire pour faire cesser l'infraction ou empĂȘcher sa rĂ©itĂ©ration, pour autant que la condamnation Ă ces peines soit proportionnĂ©e Ă l'ensemble des intĂ©rĂȘts socio-Ă©conomiques concernĂ©s.
  Les peines, visées au paragraphe 1er, ne portent pas préjudice aux droits de tiers. ".
  " Art. 13/3. § 1er. Pour les infractions, visĂ©es aux articles 13 et 13/1, le juge peut interdire au condamnĂ© d'exploiter, pour un terme d'un mois Ă trois ans, soit par lui-mĂȘme, soit par personne interposĂ©e, tout ou partie de l'entreprise ou de l'Ă©tablissement oĂč l'infraction a Ă©tĂ© commise, ou d'y ĂȘtre employĂ© Ă quelque titre que ce soit.
  En outre, pour les infractions, visĂ©es aux articles 13 et 13/1, le juge peut ordonner, lorsqu'il motive sa dĂ©cision, la fermeture entiĂšre ou partielle de l'entreprise ou l'Ă©tablissement oĂč les infractions ont Ă©tĂ© commises, pour la durĂ©e d'un mois Ă trois ans.
  § 2. La durée de la peine qui est prononcée en application du paragraphe 1er, prend cours au jour auquel le condamné a subi sa peine ou auquel sa peine est prescrite, et, en cas d'exemption conditionnelle, à partir du jour de la libération, lorsque cette derniÚre n'est pas retirée.
  Cependant, les conséquences de la peine qui est prononcée en application du paragraphe 1er, prendront cours dÚs que la condamnation contradictoire ou par défaut, est définitive.
  § 3. Le juge peut uniquement infliger les peines visĂ©es au paragraphe 1er quand cela s'avĂšre nĂ©cessaire pour faire cesser l'infraction ou empĂȘcher sa rĂ©itĂ©ration, pour autant que la condamnation Ă ces peines soit proportionnĂ©e Ă l'ensemble des intĂ©rĂȘts socio-Ă©conomiques concernĂ©s.
  Les peines, visées au paragraphe 1er, ne portent pas préjudice aux droits de tiers. ".
Art. 16. In artikel 14 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "vermeld in artikel 13, 2° tot 5° " vervangen door de zinsnede ", vermeld in artikel 13, 2° en 3°, en artikel 13/1, 2° tot en met 4° ";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "vermeld in artikel 13, 2° tot 5° " vervangen door de zinsnede ", vermeld in artikel 13, 2° en 3°, en artikel 13/1, 2° tot en met 4° ";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 16. Dans l'article 14 de la mĂȘme loi, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa premier, le membre de phrase " visées à l'article 13, 2° à 5° " est remplacé par le membre de phrase " visées à l'article 13, 2° et 3°, et l'article 13/1, 2° à 4° inclus " ;
  2° l'alinéa deux est abrogé.
  1° dans l'alinéa premier, le membre de phrase " visées à l'article 13, 2° à 5° " est remplacé par le membre de phrase " visées à l'article 13, 2° et 3°, et l'article 13/1, 2° à 4° inclus " ;
  2° l'alinéa deux est abrogé.
Art. 17. Artikel 15 van dezelfde wet wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 15. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V, maar met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken, vermeld in deze wet. In geval van herhaling is artikel 85 van het Strafwetboek niet van toepassing.".
  "Art. 15. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V, maar met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken, vermeld in deze wet. In geval van herhaling is artikel 85 van het Strafwetboek niet van toepassing.".
Art. 17. L'article 15 de la mĂȘme loi est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 15. Toutes les dispositions du Livre Ier du Code pénal, à l'exception du chapitre V, mais y compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par la présente loi. En cas de récidive, l'article 85 du Code pénal ne s'appliquera pas. ".
  " Art. 15. Toutes les dispositions du Livre Ier du Code pénal, à l'exception du chapitre V, mais y compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions prévues par la présente loi. En cas de récidive, l'article 85 du Code pénal ne s'appliquera pas. ".
Art. 18. In dezelfde wet, het laatst gewijzigd bij de wet van 1 maart 2007, wordt een artikel 15/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 15/1. De rechtsvorderingen die ontstaan uit de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, verjaren na verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.".
  "Art. 15/1. De rechtsvorderingen die ontstaan uit de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, verjaren na verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.".
Art. 18. Dans la mĂȘme loi, modifiĂ©e en dernier lieu par la loi du 1er mars 2007, il est insĂ©rĂ© un article 15/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 15/1. Les actions en justice rĂ©sultant de l'application de la prĂ©sente loi et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution se prescrivent aprĂšs cinq ans, aprĂšs le fait ayant causĂ© l'injonction. ".
  " Art. 15/1. Les actions en justice rĂ©sultant de l'application de la prĂ©sente loi et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution se prescrivent aprĂšs cinq ans, aprĂšs le fait ayant causĂ© l'injonction. ".
Art. 19. In dezelfde wet, het laatst gewijzigd bij de wet van 1 maart 2007, wordt een artikel 15/2 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 15/2. Behalve in geval van dringende noodzakelijkheid wint de Vlaamse Regering, ter uitvoering van de aan haar toegekende bevoegdheden, het advies in van de Adviescommissie voor Economische Migratie, bedoeld in artikel 19 van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.".
  "Art. 15/2. Behalve in geval van dringende noodzakelijkheid wint de Vlaamse Regering, ter uitvoering van de aan haar toegekende bevoegdheden, het advies in van de Adviescommissie voor Economische Migratie, bedoeld in artikel 19 van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.".
Art. 19. Dans la mĂȘme loi, modifiĂ©e en dernier lieu par la loi du 1er mars 2007, il est insĂ©rĂ© un article 15/2, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 15/2. Sauf en cas d'urgence, le Gouvernement flamand recueille, en exécution des compétences qui lui sont conférées, l'avis du Conseil consultatif pour la Migration économique, visé à l'article 19 de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers. ".
  " Art. 15/2. Sauf en cas d'urgence, le Gouvernement flamand recueille, en exécution des compétences qui lui sont conférées, l'avis du Conseil consultatif pour la Migration économique, visé à l'article 19 de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers. ".
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
CHAPITRE 4. - Modification de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale
Art. 20. In artikel 62ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, ingevoegd bij het decreet van 24 april 2015, wordt de zinsnede "57quater" vervangen door de zinsnede "57quater, § 1, § 2 en § 4, 2° ".
Art. 20. Dans l'article 62ter de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale, inséré par le décret du 24 avril 2015, le membre de phrase " 57quater " est remplacé par le membre de phrase " 57quater, § 1er, § 2 et § 4, 2° ".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen
CHAPITRE 5. - Modifications de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales
Art. 21. In de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015, wordt een artikel 106ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 106ter. De rechtsvorderingen die ontstaan uit de toepassing van deze afdeling en de uitvoeringsbesluiten ervan, verjaren na verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.".
  "Art. 106ter. De rechtsvorderingen die ontstaan uit de toepassing van deze afdeling en de uitvoeringsbesluiten ervan, verjaren na verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.".
Art. 21. Dans la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, modifiée en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2015, il est inséré un article 106ter, rédigé comme suit :
  " Art. 106ter. Les actions en justice rĂ©sultant de l'application de la prĂ©sente section et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution se prescrivent aprĂšs cinq ans, aprĂšs le fait ayant causĂ© l'injonction. ".
  " Art. 106ter. Les actions en justice rĂ©sultant de l'application de la prĂ©sente section et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution se prescrivent aprĂšs cinq ans, aprĂšs le fait ayant causĂ© l'injonction. ".
Art. 22. Aan artikel 107 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 6 juni 2010, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 2. Het toezicht en de controle op de uitvoering van deze afdeling en de uitvoeringsbesluiten ervan verlopen conform het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.".
  " § 2. Het toezicht en de controle op de uitvoering van deze afdeling en de uitvoeringsbesluiten ervan verlopen conform het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.".
Art. 22. A l'article 107 de la mĂȘme loi, remplacĂ© par la loi du 6 juin 2010, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, il est ajoutĂ© un paragraphe 2, rĂ©digĂ© comme suit :
  " § 2. La surveillance et le contrĂŽle de l'exĂ©cution de la prĂ©sente section et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution s'effectuent conformĂ©ment aux dispositions du dĂ©cret relatif au contrĂŽle des lois sociales du 30 avril 2004. ".
  " § 2. La surveillance et le contrĂŽle de l'exĂ©cution de la prĂ©sente section et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution s'effectuent conformĂ©ment aux dispositions du dĂ©cret relatif au contrĂŽle des lois sociales du 30 avril 2004. ".
Art. 23. Artikel 120 van dezelfde wet, vervangen bij het koninklijk besluit van 28 maart 1995 en gewijzigd bij de wetten van 5 september 2001, 27 december 2005 en 27 december 2006, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 120. De werkgevers kunnen bij het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie de terugbetaling verkrijgen van de uren betaald educatief verlof binnen de termijnen en overeenkomstig de overige voorwaarden en modaliteiten die ter zake door de Vlaamse Regering zijn bepaald. De Vlaamse Regering kan de terugbetaling beperken tot een forfaitair bedrag.".
  "Art. 120. De werkgevers kunnen bij het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie de terugbetaling verkrijgen van de uren betaald educatief verlof binnen de termijnen en overeenkomstig de overige voorwaarden en modaliteiten die ter zake door de Vlaamse Regering zijn bepaald. De Vlaamse Regering kan de terugbetaling beperken tot een forfaitair bedrag.".
Art. 23. L'article 120 de la mĂȘme loi, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 28 mars 1995 et modifiĂ© par les lois des 5 septembre 2001, 27 dĂ©cembre 2005 et 27 dĂ©cembre 2006, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 120. Les employeurs auprĂšs du Ministre flamand de l'Emploi et de l'Economie sociale peuvent obtenir le remboursement des heures du congĂ©-Ă©ducation payĂ© dans les dĂ©lais et conformĂ©ment aux autres conditions et modalitĂ©s en la matiĂšre arrĂȘtĂ©es par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand peut limiter le remboursement Ă un montant forfaitaire. ".
  " Art. 120. Les employeurs auprĂšs du Ministre flamand de l'Emploi et de l'Economie sociale peuvent obtenir le remboursement des heures du congĂ©-Ă©ducation payĂ© dans les dĂ©lais et conformĂ©ment aux autres conditions et modalitĂ©s en la matiĂšre arrĂȘtĂ©es par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand peut limiter le remboursement Ă un montant forfaitaire. ".
Art. 24. In artikel 124 van dezelfde wet, vervangen bij het decreet van 24 april 2015, wordt tussen het woord "wet" en het woord "en" de zinsnede ", met uitzondering van de bepalingen van artikel 115, 118 en 119," ingevoegd.
Art. 24. Dans l'article 124 de la mĂȘme loi, remplacĂ© par le dĂ©cret du 24 avril 2015, le membre de phrase ", Ă l'exception des dispositions des articles 115, 118 et 119 " est insĂ©rĂ© entre le mot " loi " et le mot " et ".
Art. 25. In artikel 137bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 december 1989 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 1995, de wet van 17 mei 2007 en het decreet van 18 december 2015, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. Om de terugbetaling te verkrijgen van de uren betaald educatief verlof vermeld in artikel 120, dient de werkgever de aanvraag per schooljaar in, uiterlijk op 31 december volgend op het einde van dat schooljaar. De uren betaald educatief verlof die toegekend zijn tussen 1 september van het jaar X en 31 augustus van het jaar X+1 worden geacht deel uit te maken van hetzelfde schooljaar.".
  " § 1. Om de terugbetaling te verkrijgen van de uren betaald educatief verlof vermeld in artikel 120, dient de werkgever de aanvraag per schooljaar in, uiterlijk op 31 december volgend op het einde van dat schooljaar. De uren betaald educatief verlof die toegekend zijn tussen 1 september van het jaar X en 31 augustus van het jaar X+1 worden geacht deel uit te maken van hetzelfde schooljaar.".
Art. 25. Dans l'article 137bis de la mĂȘme loi, insĂ©rĂ© par la loi du 22 dĂ©cembre 1989 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 28 mars 1995, la loi du 17 mai 2007 et le dĂ©cret du 18 dĂ©cembre 2015, le paragraphe 1er est remplacĂ© par ce qui suit :
  " § 1er. Pour obtenir le remboursement des heures de congĂ©-Ă©ducation payĂ© visĂ©es Ă l'article 120, l'employeur introduit la demande par annĂ©e scolaire, au plus tard le 31 dĂ©cembre suivant la fin de cette annĂ©e scolaire. Les heures de congĂ©-Ă©ducation payĂ© qui sont octroyĂ©es entre le 1er septembre de l'annĂ©e X et le 31 aoĂ»t de l'annĂ©e X+1 sont censĂ©es faire partie de la mĂȘme annĂ©e scolaire. ".
  " § 1er. Pour obtenir le remboursement des heures de congĂ©-Ă©ducation payĂ© visĂ©es Ă l'article 120, l'employeur introduit la demande par annĂ©e scolaire, au plus tard le 31 dĂ©cembre suivant la fin de cette annĂ©e scolaire. Les heures de congĂ©-Ă©ducation payĂ© qui sont octroyĂ©es entre le 1er septembre de l'annĂ©e X et le 31 aoĂ»t de l'annĂ©e X+1 sont censĂ©es faire partie de la mĂȘme annĂ©e scolaire. ".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers
CHAPITRE 6. - Modifications à la loi du 30 avril 1999 relative à l'emploi de travailleurs étrangers
Art. 26. Artikel 11 van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, vervangen bij de wet van 6 juni 2010 en gewijzigd bij de wet van 11 februari 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 11. Het toezicht en de controle op de uitvoering van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan verlopen conform het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.".
  "Art. 11. Het toezicht en de controle op de uitvoering van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan verlopen conform het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.".
Art. 26. L'article 11 de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers, remplacé par la loi du 6 juin 2010 et modifié par la loi du 11 février 2013, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 11. La surveillance et le contrĂŽle de l'exĂ©cution de la prĂ©sente loi et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution s'effectuent conformĂ©ment aux dispositions du dĂ©cret relatif au contrĂŽle des lois sociales du 30 avril 2004. ".
  " Art. 11. La surveillance et le contrĂŽle de l'exĂ©cution de la prĂ©sente loi et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution s'effectuent conformĂ©ment aux dispositions du dĂ©cret relatif au contrĂŽle des lois sociales du 30 avril 2004. ".
Art. 27. Artikel 12 van dezelfde wet, opgeheven door de wet van 6 juni 2010, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  "Art. 12. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek wordt een werkgever, zijn lasthebber of een aangestelde gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 250 tot 2500 euro, of met een van die straffen alleen, als hij in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan :
  1° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder dat hij een arbeidsvergunning heeft verkregen of als de buitenlandse onderdaan niet over een arbeidskaart beschikt;
  2° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder de grenzen of de voorwaarden van de arbeidsvergunning of arbeidskaart te respecteren;
  3° de arbeidskaart niet heeft teruggegeven aan de buitenlandse werknemer of als hij hem die arbeidskaart heeft bezorgd tegen betaling van een bedrag of tegen vergoeding in welke vorm ook.
  De geldboete die opgelegd wordt met toepassing van het eerste lid, 1° tot en met 3°, wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.
  § 2. In afwijking van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan de bijzondere verbeurdverklaring, die wordt opgelegd door de rechter, ook worden toegepast op de roerende goederen en op de onroerende goederen door incorporatie of door bestemming, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een inbreuk op dit artikel of die gediend hebben tot of bestemd waren voor het plegen van de inbreuk, zelfs als die goederen niet behoren tot de eigendom van de overtreder.".
  "Art. 12. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek wordt een werkgever, zijn lasthebber of een aangestelde gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 250 tot 2500 euro, of met een van die straffen alleen, als hij in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan :
  1° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder dat hij een arbeidsvergunning heeft verkregen of als de buitenlandse onderdaan niet over een arbeidskaart beschikt;
  2° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder de grenzen of de voorwaarden van de arbeidsvergunning of arbeidskaart te respecteren;
  3° de arbeidskaart niet heeft teruggegeven aan de buitenlandse werknemer of als hij hem die arbeidskaart heeft bezorgd tegen betaling van een bedrag of tegen vergoeding in welke vorm ook.
  De geldboete die opgelegd wordt met toepassing van het eerste lid, 1° tot en met 3°, wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.
  § 2. In afwijking van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan de bijzondere verbeurdverklaring, die wordt opgelegd door de rechter, ook worden toegepast op de roerende goederen en op de onroerende goederen door incorporatie of door bestemming, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een inbreuk op dit artikel of die gediend hebben tot of bestemd waren voor het plegen van de inbreuk, zelfs als die goederen niet behoren tot de eigendom van de overtreder.".
Art. 27. L'article 12 de la mĂȘme loi, abrogĂ© par la loi du 6 juin 2010, est rĂ©tabli dans la rĂ©daction suivante :
  " Art. 12. § 1er. Sans préjudice de l'application des articles 269 à 274 inclus du Code pénal, est puni d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 250 à 2500 euros ou de l'une de ces deux peines seulement, l'employeur, son préposé, ou un mandataire qui, en contravention avec les dispositions de la présente loi et avec ses mesures d'exécution :
  1° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger sans avoir obtenu un permis de travail ou lorsque le ressortissant étranger ne possÚde pas de carte de travail ;
  2° a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger sans respecter les limites ou les conditions du permis de travail ou de la carte de travail ;
  3° n'a pas remis la carte de travail au travailleur étranger ou le lui a remis moyennant paiement d'une somme ou d'une rétribution sous quelque forme que ce soit.
  L'amende qui est imposĂ©e en application de l'alinĂ©a premier, 1° Ă 3° inclus, est multipliĂ©e par le nombre de ressortissants Ă©trangers impliquĂ©s par l'infraction. L'amende multipliĂ©e ne peut toutefois ĂȘtre supĂ©rieur au centuple de l'amende maximale.
  § 2. Par dĂ©rogation Ă l'article 42, 1°, du Code pĂ©nal, la confiscation spĂ©ciale, qui est imposĂ©e par le juge, peut Ă©galement ĂȘtre appliquĂ©e aux biens mobiliers et immobiliers par incorporation ou par destination, ayant fait l'objet d'une infraction au prĂ©sent article ou qui ont servi ou Ă©taient destinĂ©s Ă commettre l'infraction, mĂȘme si ces biens n'appartiennent pas Ă la propriĂ©tĂ© du contrevenant. ".
  " Art. 12. § 1er. Sans préjudice de l'application des articles 269 à 274 inclus du Code pénal, est puni d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 250 à 2500 euros ou de l'une de ces deux peines seulement, l'employeur, son préposé, ou un mandataire qui, en contravention avec les dispositions de la présente loi et avec ses mesures d'exécution :
  1° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger sans avoir obtenu un permis de travail ou lorsque le ressortissant étranger ne possÚde pas de carte de travail ;
  2° a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger sans respecter les limites ou les conditions du permis de travail ou de la carte de travail ;
  3° n'a pas remis la carte de travail au travailleur étranger ou le lui a remis moyennant paiement d'une somme ou d'une rétribution sous quelque forme que ce soit.
  L'amende qui est imposĂ©e en application de l'alinĂ©a premier, 1° Ă 3° inclus, est multipliĂ©e par le nombre de ressortissants Ă©trangers impliquĂ©s par l'infraction. L'amende multipliĂ©e ne peut toutefois ĂȘtre supĂ©rieur au centuple de l'amende maximale.
  § 2. Par dĂ©rogation Ă l'article 42, 1°, du Code pĂ©nal, la confiscation spĂ©ciale, qui est imposĂ©e par le juge, peut Ă©galement ĂȘtre appliquĂ©e aux biens mobiliers et immobiliers par incorporation ou par destination, ayant fait l'objet d'une infraction au prĂ©sent article ou qui ont servi ou Ă©taient destinĂ©s Ă commettre l'infraction, mĂȘme si ces biens n'appartiennent pas Ă la propriĂ©tĂ© du contrevenant. ".
Art. 28. In dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en de wetten van 6 juni 2010 en 11 februari 2013, wordt een artikel 12/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 12/1. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek wordt de werkgever, zijn lasthebber of een aangestelde gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen, als hij in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan arbeid heeft doen of laten verrichten door een buitenlandse onderdaan die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België.
  De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.
  De rechter kan bovendien de straffen, vermeld in artikel 12/5 en 12/6, uitspreken.
  § 2. In afwijking van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan de bijzondere verbeurdverklaring, die wordt opgelegd door de rechter, ook worden toegepast op de roerende goederen en op de onroerende goederen door incorporatie of door bestemming, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een inbreuk op dit artikel of die gediend hebben tot of bestemd waren voor het plegen van de inbreuk, zelfs als die goederen niet behoren tot de eigendom van de overtreder.".
  "Art. 12/1. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek wordt de werkgever, zijn lasthebber of een aangestelde gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen, als hij in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan arbeid heeft doen of laten verrichten door een buitenlandse onderdaan die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België.
  De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.
  De rechter kan bovendien de straffen, vermeld in artikel 12/5 en 12/6, uitspreken.
  § 2. In afwijking van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan de bijzondere verbeurdverklaring, die wordt opgelegd door de rechter, ook worden toegepast op de roerende goederen en op de onroerende goederen door incorporatie of door bestemming, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een inbreuk op dit artikel of die gediend hebben tot of bestemd waren voor het plegen van de inbreuk, zelfs als die goederen niet behoren tot de eigendom van de overtreder.".
Art. 28. Dans la mĂȘme loi, modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© royal du 20 juillet 2000 et par les lois des 6 juin 2010 et 11 fĂ©vrier 2013, il est insĂ©rĂ© un article 12/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 12/1. § 1er. Sans prĂ©judice de l'application des articles 269 Ă 274 inclus du Code pĂ©nal, est puni d'un emprisonnement de six mois Ă trois ans et d'une amende pĂ©nale de 600 Ă 6000 euros ou de l'une de ces deux peines seulement, l'employeur, son prĂ©posĂ©, ou un mandataire qui, en contravention avec les dispositions de la prĂ©sente loi et avec ses mesures d'exĂ©cution, a fait ou a laissĂ© travailler un ressortissant Ă©tranger sans ĂȘtre admis ou autorisĂ© Ă un sĂ©jour de plus de trois mois ou Ă un Ă©tablissement en Belgique.
  L'amende est multipliĂ©e par le nombre de ressortissants Ă©trangers impliquĂ©s par l'infraction. L'amende multipliĂ©e ne peut toutefois ĂȘtre supĂ©rieure au centuple de l'amende maximale.
  En outre, le juge peut prononcer les peines, visées aux articles 12/5 et 12/6.
  § 2. Par dĂ©rogation Ă l'article 42, 1°, du Code pĂ©nal, la confiscation spĂ©ciale, qui est imposĂ©e par le juge, peut Ă©galement ĂȘtre appliquĂ©e aux biens mobiliers et immobiliers par incorporation ou par destination, ayant fait l'objet d'une infraction au prĂ©sent article ou qui ont servi ou Ă©taient destinĂ©s Ă commettre l'infraction, mĂȘme si ces biens n'appartiennent pas Ă la propriĂ©tĂ© du contrevenant. ".
  " Art. 12/1. § 1er. Sans prĂ©judice de l'application des articles 269 Ă 274 inclus du Code pĂ©nal, est puni d'un emprisonnement de six mois Ă trois ans et d'une amende pĂ©nale de 600 Ă 6000 euros ou de l'une de ces deux peines seulement, l'employeur, son prĂ©posĂ©, ou un mandataire qui, en contravention avec les dispositions de la prĂ©sente loi et avec ses mesures d'exĂ©cution, a fait ou a laissĂ© travailler un ressortissant Ă©tranger sans ĂȘtre admis ou autorisĂ© Ă un sĂ©jour de plus de trois mois ou Ă un Ă©tablissement en Belgique.
  L'amende est multipliĂ©e par le nombre de ressortissants Ă©trangers impliquĂ©s par l'infraction. L'amende multipliĂ©e ne peut toutefois ĂȘtre supĂ©rieure au centuple de l'amende maximale.
  En outre, le juge peut prononcer les peines, visées aux articles 12/5 et 12/6.
  § 2. Par dĂ©rogation Ă l'article 42, 1°, du Code pĂ©nal, la confiscation spĂ©ciale, qui est imposĂ©e par le juge, peut Ă©galement ĂȘtre appliquĂ©e aux biens mobiliers et immobiliers par incorporation ou par destination, ayant fait l'objet d'une infraction au prĂ©sent article ou qui ont servi ou Ă©taient destinĂ©s Ă commettre l'infraction, mĂȘme si ces biens n'appartiennent pas Ă la propriĂ©tĂ© du contrevenant. ".
Art. 29. In dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en de wetten van 6 juni 2010 en 11 februari 2013, wordt een artikel 12/2 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 12/2. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek wordt de werkgever, zijn lasthebber of een aangestelde gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen, als hij in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan op het ogenblik van de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land :
  1° niet vooraf nagegaan heeft of die over een geldige verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf beschikt;
  2° niet, ten minste voor de duur van de tewerkstelling, een afschrift of de gegevens van zijn verblijfsvergunning of van zijn andere machtiging tot verblijf beschikbaar gehouden heeft voor de bevoegde inspectiediensten.
  Als de verblijfsvergunning of de andere machtiging tot verblijf die de buitenlandse onderdaan voorlegt, een vervalsing is, is de sanctie, vermeld in het eerste lid, van toepassing als de werkgever ervan op de hoogte was dat het document vervalst was.
  De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.
  De rechter kan bovendien de straffen, vermeld in artikel 12/5 en 12/6, uitspreken.
  § 2. In afwijking van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan de bijzondere verbeurdverklaring, die wordt opgelegd door de rechter, ook worden toegepast op de roerende goederen en op de onroerende goederen door incorporatie of door bestemming, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een inbreuk op dit artikel of die gediend hebben tot of bestemd waren voor het plegen van de inbreuk, zelfs als die goederen niet behoren tot de eigendom van de overtreder.".
  "Art. 12/2. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek wordt de werkgever, zijn lasthebber of een aangestelde gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen, als hij in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan op het ogenblik van de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land :
  1° niet vooraf nagegaan heeft of die over een geldige verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf beschikt;
  2° niet, ten minste voor de duur van de tewerkstelling, een afschrift of de gegevens van zijn verblijfsvergunning of van zijn andere machtiging tot verblijf beschikbaar gehouden heeft voor de bevoegde inspectiediensten.
  Als de verblijfsvergunning of de andere machtiging tot verblijf die de buitenlandse onderdaan voorlegt, een vervalsing is, is de sanctie, vermeld in het eerste lid, van toepassing als de werkgever ervan op de hoogte was dat het document vervalst was.
  De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.
  De rechter kan bovendien de straffen, vermeld in artikel 12/5 en 12/6, uitspreken.
  § 2. In afwijking van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan de bijzondere verbeurdverklaring, die wordt opgelegd door de rechter, ook worden toegepast op de roerende goederen en op de onroerende goederen door incorporatie of door bestemming, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een inbreuk op dit artikel of die gediend hebben tot of bestemd waren voor het plegen van de inbreuk, zelfs als die goederen niet behoren tot de eigendom van de overtreder.".
Art. 29. Dans la mĂȘme loi, modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© royal du 20 juillet 2000 et par les lois des 6 juin 2010 et 11 fĂ©vrier 2013, il est insĂ©rĂ© un article 12/2, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 12/2. § 1er. Sans préjudice de l'application des articles 269 à 274 inclus du Code pénal, est puni d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de 600 à 6000 euros ou de l'une de ces peines seulement, l'employeur, son préposé, ou son mandataire qui, en contravention avec les dispositions de la présente loi et avec ses mesures d'exécution, au moment de l'emploi d'un ressortissant d'un pays tiers :
  1° n'a pas vérifié auparavant si celui-ci dispose d'un permis de séjour valable ou d'une autre autorisation de séjour ;
  2° n'a pas tenu à disposition, au moins pour la durée de l'occupation, une copie ou les données du permis de séjour ou de son autre autorisation pour les services d'inspection compétents.
  Lorsque le permis de séjour ou une autre autorisation de séjour présenté par le ressortissant étranger, est une falsification, la sanction, visée à l'alinéa premier, est applicable lorsque l'employeur était au courant de la falsification du document.
  L'amende est multipliĂ©e par le nombre de ressortissants Ă©trangers impliquĂ©s par l'infraction. L'amende multipliĂ©e ne peut toutefois ĂȘtre supĂ©rieure au centuple de l'amende maximale.
  En outre, le juge peut prononcer les peines, visées aux articles 12/5 et 12/6.
  § 2. Par dĂ©rogation Ă l'article 42, 1°, du Code pĂ©nal, la confiscation spĂ©ciale, qui est imposĂ©e par le juge, peut Ă©galement ĂȘtre appliquĂ©e aux biens mobiliers et immobiliers par incorporation ou par destination, ayant fait l'objet d'une infraction au prĂ©sent article ou qui Ă©taient utilisĂ©es ou destinĂ©es pour commettre l'infraction, mĂȘme si ces biens n'appartiennent pas Ă la propriĂ©tĂ© du contrevenant. ".
  " Art. 12/2. § 1er. Sans préjudice de l'application des articles 269 à 274 inclus du Code pénal, est puni d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de 600 à 6000 euros ou de l'une de ces peines seulement, l'employeur, son préposé, ou son mandataire qui, en contravention avec les dispositions de la présente loi et avec ses mesures d'exécution, au moment de l'emploi d'un ressortissant d'un pays tiers :
  1° n'a pas vérifié auparavant si celui-ci dispose d'un permis de séjour valable ou d'une autre autorisation de séjour ;
  2° n'a pas tenu à disposition, au moins pour la durée de l'occupation, une copie ou les données du permis de séjour ou de son autre autorisation pour les services d'inspection compétents.
  Lorsque le permis de séjour ou une autre autorisation de séjour présenté par le ressortissant étranger, est une falsification, la sanction, visée à l'alinéa premier, est applicable lorsque l'employeur était au courant de la falsification du document.
  L'amende est multipliĂ©e par le nombre de ressortissants Ă©trangers impliquĂ©s par l'infraction. L'amende multipliĂ©e ne peut toutefois ĂȘtre supĂ©rieure au centuple de l'amende maximale.
  En outre, le juge peut prononcer les peines, visées aux articles 12/5 et 12/6.
  § 2. Par dĂ©rogation Ă l'article 42, 1°, du Code pĂ©nal, la confiscation spĂ©ciale, qui est imposĂ©e par le juge, peut Ă©galement ĂȘtre appliquĂ©e aux biens mobiliers et immobiliers par incorporation ou par destination, ayant fait l'objet d'une infraction au prĂ©sent article ou qui Ă©taient utilisĂ©es ou destinĂ©es pour commettre l'infraction, mĂȘme si ces biens n'appartiennent pas Ă la propriĂ©tĂ© du contrevenant. ".
Art. 30. In dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en de wetten van 6 juni 2010 en 11 februari 2013, wordt een artikel 12/3 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 12/3. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek worden personen gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen, als ze in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan :
  1° een buitenlandse onderdaan België hebben laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld, of daaraan hebben bijgedragen, tenzij de buitenlandse onderdaan in het bezit is van een geldige arbeidskaart en met uitzondering van een buitenlandse onderdaan voor wie de werkgever na zijn aankomst in België een arbeidsvergunning kan verkrijgen om er te worden tewerkgesteld;
  2° een buitenlandse onderdaan hebben beloofd, tegen betaling van welke vergoeding ook, hetzij een betrekking voor hem te zoeken, hetzij hem een betrekking te bezorgen, hetzij formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
  3° van een buitenlandse onderdaan een vergoeding in welke vorm ook hebben geëist of aangenomen, hetzij om voor hem een betrekking te zoeken, hetzij om hem een betrekking te bezorgen, hetzij om formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
  4° als tussenpersoon zijn opgetreden tussen een buitenlandse onderdaan en een werkgever of de autoriteiten die zijn belast met de toepassing van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, of tussen een werkgever en diezelfde autoriteiten, waarbij daden zijn gesteld die hetzij die buitenlandse onderdaan, hetzij de werkgever, hetzij de vermelde autoriteiten op een dwaalspoor kunnen brengen.
  De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.
  De rechter kan bovendien de straffen, vermeld in artikel 12/5 en 12/6, uitspreken.
  § 2. In afwijking van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan de bijzondere verbeurdverklaring, die wordt opgelegd door de rechter, ook worden toegepast op de roerende goederen en op de onroerende goederen door incorporatie of door bestemming, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een inbreuk op dit artikel of die gediend hebben tot of bestemd waren voor het plegen van de inbreuk, zelfs als die goederen niet behoren tot de eigendom van de overtreder.".
  "Art. 12/3. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek worden personen gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen, als ze in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan :
  1° een buitenlandse onderdaan België hebben laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld, of daaraan hebben bijgedragen, tenzij de buitenlandse onderdaan in het bezit is van een geldige arbeidskaart en met uitzondering van een buitenlandse onderdaan voor wie de werkgever na zijn aankomst in België een arbeidsvergunning kan verkrijgen om er te worden tewerkgesteld;
  2° een buitenlandse onderdaan hebben beloofd, tegen betaling van welke vergoeding ook, hetzij een betrekking voor hem te zoeken, hetzij hem een betrekking te bezorgen, hetzij formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
  3° van een buitenlandse onderdaan een vergoeding in welke vorm ook hebben geëist of aangenomen, hetzij om voor hem een betrekking te zoeken, hetzij om hem een betrekking te bezorgen, hetzij om formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
  4° als tussenpersoon zijn opgetreden tussen een buitenlandse onderdaan en een werkgever of de autoriteiten die zijn belast met de toepassing van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, of tussen een werkgever en diezelfde autoriteiten, waarbij daden zijn gesteld die hetzij die buitenlandse onderdaan, hetzij de werkgever, hetzij de vermelde autoriteiten op een dwaalspoor kunnen brengen.
  De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.
  De rechter kan bovendien de straffen, vermeld in artikel 12/5 en 12/6, uitspreken.
  § 2. In afwijking van artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan de bijzondere verbeurdverklaring, die wordt opgelegd door de rechter, ook worden toegepast op de roerende goederen en op de onroerende goederen door incorporatie of door bestemming, die het voorwerp hebben uitgemaakt van een inbreuk op dit artikel of die gediend hebben tot of bestemd waren voor het plegen van de inbreuk, zelfs als die goederen niet behoren tot de eigendom van de overtreder.".
Art. 30. Dans la mĂȘme loi, modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© royal du 20 juillet 2000 et les lois des 6 juin 2010 et 11 fĂ©vrier 2013, il est insĂ©rĂ© un article 12/3, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 12/3. § 1er. Sans prĂ©judice de l'application des articles 269 Ă 274 inclus du Code pĂ©nal, sont punies d'un emprisonnement de six mois Ă trois ans et d'une amende de 600 Ă 6000 euros ou de l'une de ces peines seulement, les personnes qui, en contravention avec la prĂ©sente loi et avec ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution :
  1° ont fait entrer en Belgique un ressortissant Ă©tranger ou ont favorisĂ© l'entrĂ©e en Belgique de celui-ci en vue d'y ĂȘtre occupĂ©, sauf s'il s'agit d'un ressortissant Ă©tranger possĂ©dant un permis de travail valable et Ă l'exception du ressortissant Ă©tranger pour lequel l'employeur peut bĂ©nĂ©ficier d'un permis de travail postĂ©rieurement Ă son entrĂ©e en Belgique en vue d'y ĂȘtre occupĂ© ;
  2° ont promis à un ressortissant étranger, moyennant une rétribution sous forme quelconque, soit de lui chercher un emploi, soit de lui procurer un emploi, soit d'accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
  3° ont réclamé ou reçu d'un ressortissant étranger, une rétribution sous une forme quelconque, soit pour lui chercher un emploi, soit pour lui procurer un emploi, soit pour accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
  4° ont servi d'intermédiaire entre un ressortissant étranger et un employeur ou les autorités chargées de l'application des dispositions de la présente loi ou de ses mesures d'exécution, en accomplissant des actes susceptibles d'induire en erreur, soit ce ressortissant étranger, soit l'employeur, soit lesdites autorités.
  L'amende est multipliĂ©e par le nombre de ressortissants Ă©trangers impliquĂ©s dans l'infraction. L'amende multipliĂ©e ne peut toutefois ĂȘtre supĂ©rieure au centuple de l'amende maximale.
  En outre, le juge peut prononcer les peines, visées aux articles 12/5 et 12/6.
  § 2. Par dĂ©rogation Ă l'article 42, 1°, du Code pĂ©nal, la confiscation spĂ©ciale, qui est imposĂ©e par le juge, peut Ă©galement ĂȘtre appliquĂ©e aux biens mobiliers et immobiliers par incorporation ou par destination, ayant fait l'objet d'une infraction au prĂ©sent article ou qui Ă©taient utilisĂ©es ou destinĂ©es pour commettre l'infraction, mĂȘme si ces biens n'appartiennent pas Ă la propriĂ©tĂ© du contrevenant. ".
  " Art. 12/3. § 1er. Sans prĂ©judice de l'application des articles 269 Ă 274 inclus du Code pĂ©nal, sont punies d'un emprisonnement de six mois Ă trois ans et d'une amende de 600 Ă 6000 euros ou de l'une de ces peines seulement, les personnes qui, en contravention avec la prĂ©sente loi et avec ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution :
  1° ont fait entrer en Belgique un ressortissant Ă©tranger ou ont favorisĂ© l'entrĂ©e en Belgique de celui-ci en vue d'y ĂȘtre occupĂ©, sauf s'il s'agit d'un ressortissant Ă©tranger possĂ©dant un permis de travail valable et Ă l'exception du ressortissant Ă©tranger pour lequel l'employeur peut bĂ©nĂ©ficier d'un permis de travail postĂ©rieurement Ă son entrĂ©e en Belgique en vue d'y ĂȘtre occupĂ© ;
  2° ont promis à un ressortissant étranger, moyennant une rétribution sous forme quelconque, soit de lui chercher un emploi, soit de lui procurer un emploi, soit d'accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
  3° ont réclamé ou reçu d'un ressortissant étranger, une rétribution sous une forme quelconque, soit pour lui chercher un emploi, soit pour lui procurer un emploi, soit pour accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
  4° ont servi d'intermédiaire entre un ressortissant étranger et un employeur ou les autorités chargées de l'application des dispositions de la présente loi ou de ses mesures d'exécution, en accomplissant des actes susceptibles d'induire en erreur, soit ce ressortissant étranger, soit l'employeur, soit lesdites autorités.
  L'amende est multipliĂ©e par le nombre de ressortissants Ă©trangers impliquĂ©s dans l'infraction. L'amende multipliĂ©e ne peut toutefois ĂȘtre supĂ©rieure au centuple de l'amende maximale.
  En outre, le juge peut prononcer les peines, visées aux articles 12/5 et 12/6.
  § 2. Par dĂ©rogation Ă l'article 42, 1°, du Code pĂ©nal, la confiscation spĂ©ciale, qui est imposĂ©e par le juge, peut Ă©galement ĂȘtre appliquĂ©e aux biens mobiliers et immobiliers par incorporation ou par destination, ayant fait l'objet d'une infraction au prĂ©sent article ou qui Ă©taient utilisĂ©es ou destinĂ©es pour commettre l'infraction, mĂȘme si ces biens n'appartiennent pas Ă la propriĂ©tĂ© du contrevenant. ".
Art. 31. In dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en de wetten van 6 juni 2010 en 11 februari 2013, wordt een artikel 12/4 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 12/4. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek wordt een aannemer, buiten het kader van een keten van onderaannemers, of een intermediaire aannemer, in het kader van een dergelijke keten, gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen, als zijn rechtstreekse onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel 12/2 van deze wet, pleegt.
  In afwijking van het eerste lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer niet bestraft als ze in het bezit zijn van een schriftelijke verklaring waarin hun rechtstreekse onderaannemer bevestigt dat hij geen illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt en zal tewerkstellen.
  In afwijking van het tweede lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer die in het bezit zijn van de schriftelijke verklaring bestraft als ze, voorafgaand aan de inbreuk, vermeld in het eerste lid, op de hoogte zijn van het feit dat hun rechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving, vermeld in artikel 12/7, zijn.
  De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.
  § 2. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek worden een hoofdaannemer en een intermediaire aannemer, in het kader van een keten van onderaannemers, gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen, als hun onrechtstreekse onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel 12/2 van deze wet, pleegt, als ze, voorafgaand aan de door hen gepleegde inbreuk, op de hoogte zijn van het feit dat hun onrechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving, vermeld in artikel 12/7 van deze wet, zijn.
  De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.
  § 3. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek worden de volgende personen gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen :
  1° de opdrachtgever, buiten het kader van een onderaanneming, als zijn aannemer een van de inbreuken, vermeld in artikel 12/2 van deze wet, pleegt, en als de opdrachtgever, voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat zijn aannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving, vermeld in artikel 12/7 van deze wet, zijn;
  2° de opdrachtgever, binnen het kader van een onderaanneming, als de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel 12/2 van deze wet, pleegt, en als de opdrachtgever, voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving, vermeld in artikel 12/7 van deze wet, zijn.
  De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.".
  "Art. 12/4. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek wordt een aannemer, buiten het kader van een keten van onderaannemers, of een intermediaire aannemer, in het kader van een dergelijke keten, gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen, als zijn rechtstreekse onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel 12/2 van deze wet, pleegt.
  In afwijking van het eerste lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer niet bestraft als ze in het bezit zijn van een schriftelijke verklaring waarin hun rechtstreekse onderaannemer bevestigt dat hij geen illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt en zal tewerkstellen.
  In afwijking van het tweede lid worden de aannemer en de intermediaire aannemer die in het bezit zijn van de schriftelijke verklaring bestraft als ze, voorafgaand aan de inbreuk, vermeld in het eerste lid, op de hoogte zijn van het feit dat hun rechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving, vermeld in artikel 12/7, zijn.
  De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.
  § 2. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek worden een hoofdaannemer en een intermediaire aannemer, in het kader van een keten van onderaannemers, gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen, als hun onrechtstreekse onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel 12/2 van deze wet, pleegt, als ze, voorafgaand aan de door hen gepleegde inbreuk, op de hoogte zijn van het feit dat hun onrechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving, vermeld in artikel 12/7 van deze wet, zijn.
  De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.
  § 3. Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek worden de volgende personen gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen :
  1° de opdrachtgever, buiten het kader van een onderaanneming, als zijn aannemer een van de inbreuken, vermeld in artikel 12/2 van deze wet, pleegt, en als de opdrachtgever, voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat zijn aannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving, vermeld in artikel 12/7 van deze wet, zijn;
  2° de opdrachtgever, binnen het kader van een onderaanneming, als de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel 12/2 van deze wet, pleegt, en als de opdrachtgever, voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt. Het bewijs van dergelijke kennis kan de kennisgeving, vermeld in artikel 12/7 van deze wet, zijn.
  De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.".
Art. 31. Dans la mĂȘme loi, modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© royal du 20 juillet 2000 et par les lois des 6 juin 2010 et 11 fĂ©vrier 2013, il est insĂ©rĂ© un article 12/4, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 12/4. § 1er. Sans préjudice de l'application des articles 269 à 274 inclus du Code pénal, sont punies d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6000 euros ou de l'une de ces peines seulement, l'entrepreneur qui, en dehors du cadre de sous-traitants, ou l'entrepreneur intermédiaire, dans le cadre d'une telle chaßne, lorsque son sous-traitant direct commet une infraction telle que visée à l'article 12/2 de la présente loi.
  Par dérogation à l'alinéa premier, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire ne sont pas punis lorsqu'ils sont en possession d'une déclaration écrite dans laquelle leur sous-traitant direct confirme qu'il n'occupe et n'occupera aucun ressortissant de pays tiers y séjournant illégalement.
  Par dérogation à l'alinéa deux, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire étant en possession d'une déclaration écrite sont punis lorsqu'ils sont au courant, préalablement à l'infraction, visée à l'alinéa premier, du fait que leur sous-traitant direct occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers y séjournant illégalement. La notification, visée à l'article 12/7, peut faire foi de cette connaissance.
  L'amende est multipliĂ©e par le nombre de ressortissants Ă©trangers impliquĂ©s dans l'infraction. L'amende multipliĂ©e ne peut toutefois ĂȘtre supĂ©rieure au centuple de l'amende maximale.
  § 2. Sans préjudice de l'application des articles 269 à 274 inclus du Code pénal, sont punis d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6000 euros ou de l'une de ces peines seulement, l'entrepreneur principal et l'entrepreneur intermédiaire qui, dans le cadre d'une chaßne de sous-traitants, lorsque leur sous-traitant indirect commet une infraction telle que visée à l'article 12/2 de la présente loi, lorsqu'ils sont au courant, préalablement à l'infraction commise par eux, du fait que leur sous-traitant indirect occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers y séjournant illégalement. La notification, visée à l'article 12/7 de la présente loi, peut faire foi de cette connaissance.
  L'amende est multipliĂ©e par le nombre de ressortissants Ă©trangers impliquĂ©s dans l'infraction. L'amende multipliĂ©e ne peut toutefois ĂȘtre supĂ©rieure au centuple de l'amende maximale.
  § 3. Sans préjudice de l'application des articles 269 à 274 inclus du Code pénal, sont punis d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de 600 à 6000 euros ou de l'une de ces peines seulement :
  1° le donneur d'ordre, en dehors du cadre d'une sous-traitance, lorsque son entrepreneur commet l'une des infractions, visées à l'article 12/2 de la présente loi, et lorsque le donneur d'ordre est au courant, préalablement à l'infraction commise par lui, du fait que son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement. La notification, visée à l'article 12/7 de la présente loi, peut faire foi de cette connaissance ;
  2° le donneur d'ordre, dans le cadre d'une sous-traitance, lorsque le sous-traitant direct ou indirect de son entrepreneur commet une infraction, telle que visée à l'article 12/2 de la présente loi, et lorsque le donneur d'ordre est au courant, préalablement à l'infraction commise par lui, du fait que le sous-traitant direct ou indirect de son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement. La notification, visée à l'article 12/7 de la présente loi, peut faire foi de cette connaissance.
  L'amende est multipliĂ©e par le nombre de ressortissants Ă©trangers impliquĂ©s dans l'infraction. L'amende multipliĂ©e ne peut toutefois ĂȘtre supĂ©rieure au centuple de l'amende maximale. ".
  " Art. 12/4. § 1er. Sans préjudice de l'application des articles 269 à 274 inclus du Code pénal, sont punies d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6000 euros ou de l'une de ces peines seulement, l'entrepreneur qui, en dehors du cadre de sous-traitants, ou l'entrepreneur intermédiaire, dans le cadre d'une telle chaßne, lorsque son sous-traitant direct commet une infraction telle que visée à l'article 12/2 de la présente loi.
  Par dérogation à l'alinéa premier, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire ne sont pas punis lorsqu'ils sont en possession d'une déclaration écrite dans laquelle leur sous-traitant direct confirme qu'il n'occupe et n'occupera aucun ressortissant de pays tiers y séjournant illégalement.
  Par dérogation à l'alinéa deux, l'entrepreneur et l'entrepreneur intermédiaire étant en possession d'une déclaration écrite sont punis lorsqu'ils sont au courant, préalablement à l'infraction, visée à l'alinéa premier, du fait que leur sous-traitant direct occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers y séjournant illégalement. La notification, visée à l'article 12/7, peut faire foi de cette connaissance.
  L'amende est multipliĂ©e par le nombre de ressortissants Ă©trangers impliquĂ©s dans l'infraction. L'amende multipliĂ©e ne peut toutefois ĂȘtre supĂ©rieure au centuple de l'amende maximale.
  § 2. Sans préjudice de l'application des articles 269 à 274 inclus du Code pénal, sont punis d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende pénale de 600 à 6000 euros ou de l'une de ces peines seulement, l'entrepreneur principal et l'entrepreneur intermédiaire qui, dans le cadre d'une chaßne de sous-traitants, lorsque leur sous-traitant indirect commet une infraction telle que visée à l'article 12/2 de la présente loi, lorsqu'ils sont au courant, préalablement à l'infraction commise par eux, du fait que leur sous-traitant indirect occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers y séjournant illégalement. La notification, visée à l'article 12/7 de la présente loi, peut faire foi de cette connaissance.
  L'amende est multipliĂ©e par le nombre de ressortissants Ă©trangers impliquĂ©s dans l'infraction. L'amende multipliĂ©e ne peut toutefois ĂȘtre supĂ©rieure au centuple de l'amende maximale.
  § 3. Sans préjudice de l'application des articles 269 à 274 inclus du Code pénal, sont punis d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de 600 à 6000 euros ou de l'une de ces peines seulement :
  1° le donneur d'ordre, en dehors du cadre d'une sous-traitance, lorsque son entrepreneur commet l'une des infractions, visées à l'article 12/2 de la présente loi, et lorsque le donneur d'ordre est au courant, préalablement à l'infraction commise par lui, du fait que son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement. La notification, visée à l'article 12/7 de la présente loi, peut faire foi de cette connaissance ;
  2° le donneur d'ordre, dans le cadre d'une sous-traitance, lorsque le sous-traitant direct ou indirect de son entrepreneur commet une infraction, telle que visée à l'article 12/2 de la présente loi, et lorsque le donneur d'ordre est au courant, préalablement à l'infraction commise par lui, du fait que le sous-traitant direct ou indirect de son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement. La notification, visée à l'article 12/7 de la présente loi, peut faire foi de cette connaissance.
  L'amende est multipliĂ©e par le nombre de ressortissants Ă©trangers impliquĂ©s dans l'infraction. L'amende multipliĂ©e ne peut toutefois ĂȘtre supĂ©rieure au centuple de l'amende maximale. ".
Art. 32. In dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en de wetten van 6 juni 2010 en 11 februari 2013, wordt een artikel 12/5 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 12/5. § 1. Voor de inbreuken, vermeld in artikel 12/1 tot en met 12/3, kan de rechter de veroordeelde het verbod opleggen om gedurende een periode van één maand tot drie jaar, zelf of via een tussenpersoon, de onderneming of inrichting waar de inbreuk is begaan, geheel of gedeeltelijk uit te baten of er onder gelijk welke hoedanigheid ook in dienst te worden genomen.
  Voor de inbreuken, vermeld in artikel 12/1 tot en met 12/3, kan de rechter bovendien, als hij zijn beslissing ter zake met redenen omkleedt, de gehele of gedeeltelijke sluiting van de onderneming of inrichting waar de inbreuken zijn begaan, bevelen voor de duur van één maand tot drie jaar.
  § 2. De duur van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van paragraaf 1, gaat in vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of waarop zijn straf verjaard is, en, bij voorwaardelijke vrijlating, vanaf de dag van de invrijheidstelling, als die laatste niet ingetrokken wordt.
  De gevolgen van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van paragraaf 1 zullen evenwel een aanvang nemen zodra de veroordeling op tegenspraak of bij verstek definitief is.
  § 3. De rechter kan de straffen, vermeld in paragraaf 1, alleen opleggen als dat noodzakelijk is om de inbreuken te doen stoppen of om te voorkomen dat ze zich herhalen, op voorwaarde dat de veroordeling tot die straffen in verhouding staat tot het geheel van de betrokken sociaal-economische belangen.
  De straffen doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
  § 4. Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of van het arrest waarbij een verbod of sluiting wordt opgelegd met toepassing van paragraaf 1, wordt met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en een strafrechtelijke geldboete van 125 tot 1250 euro, of met een van die straffen alleen.".
  "Art. 12/5. § 1. Voor de inbreuken, vermeld in artikel 12/1 tot en met 12/3, kan de rechter de veroordeelde het verbod opleggen om gedurende een periode van één maand tot drie jaar, zelf of via een tussenpersoon, de onderneming of inrichting waar de inbreuk is begaan, geheel of gedeeltelijk uit te baten of er onder gelijk welke hoedanigheid ook in dienst te worden genomen.
  Voor de inbreuken, vermeld in artikel 12/1 tot en met 12/3, kan de rechter bovendien, als hij zijn beslissing ter zake met redenen omkleedt, de gehele of gedeeltelijke sluiting van de onderneming of inrichting waar de inbreuken zijn begaan, bevelen voor de duur van één maand tot drie jaar.
  § 2. De duur van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van paragraaf 1, gaat in vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of waarop zijn straf verjaard is, en, bij voorwaardelijke vrijlating, vanaf de dag van de invrijheidstelling, als die laatste niet ingetrokken wordt.
  De gevolgen van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van paragraaf 1 zullen evenwel een aanvang nemen zodra de veroordeling op tegenspraak of bij verstek definitief is.
  § 3. De rechter kan de straffen, vermeld in paragraaf 1, alleen opleggen als dat noodzakelijk is om de inbreuken te doen stoppen of om te voorkomen dat ze zich herhalen, op voorwaarde dat de veroordeling tot die straffen in verhouding staat tot het geheel van de betrokken sociaal-economische belangen.
  De straffen doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
  § 4. Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of van het arrest waarbij een verbod of sluiting wordt opgelegd met toepassing van paragraaf 1, wordt met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en een strafrechtelijke geldboete van 125 tot 1250 euro, of met een van die straffen alleen.".
Art. 32. Dans la mĂȘme loi, modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© royal du 20 juillet 2000 et par les lois des 6 juin 2010 et 11 fĂ©vrier 2013, il est insĂ©rĂ© un article 12/5, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 12/5. § 1er. Pour les infractions, visĂ©es aux articles 12/1 Ă 12/3 inclus, le juge peut interdire au condamnĂ© d'exploiter, pour un terme d'un mois Ă trois ans, soit par lui-mĂȘme, soit par personne interposĂ©e, tout ou partie de l'entreprise ou de l'Ă©tablissement oĂč l'infraction a Ă©tĂ© commise, ou d'y ĂȘtre employĂ© Ă quelque titre que ce soit.
  Pour les infractions visées aux articles 12/1 à 12/3 inclus, le juge peut, en outre, en motivant sa décision sur ce point, ordonner la fermeture, pour une durée d'un mois à trois ans, de tout ou partie de l'entreprise ou de l'établissement dans lequel les infractions ont été commises.
  § 2. La durĂ©e de la peine prononcĂ©e en application du paragraphe 1er court Ă compter du jour oĂč le condamnĂ© aura subi ou prescrit sa peine et, s'il est libĂ©rĂ© conditionnellement, Ă partir du jour de la libĂ©ration pour autant que celle-ci ne soit pas rĂ©voquĂ©e.
  Cependant, les conséquences de la peine qui est prononcée en application du paragraphe 1er, prendront cours dÚs que la condamnation contradictoire ou par défaut, est définitive.
  § 3. Le juge peut uniquement infliger les peines visĂ©es au paragraphe 1er quand cela s'avĂšre nĂ©cessaire pour faire cesser l'infraction ou empĂȘcher sa rĂ©itĂ©ration, pour autant que la condamnation Ă ces peines soit proportionnĂ©e Ă l'ensemble des intĂ©rĂȘts socio-Ă©conomiques concernĂ©s.
  Ces peines ne portent pas atteinte aux droits des tiers.
  § 4. Toute infraction Ă la disposition du jugement ou de l'arrĂȘt qui prononce une interdiction ou une fermeture en application du paragraphe 1er est punie, sans prĂ©judice de l'application des articles 269 Ă 274 inclus du Code pĂ©nal, d'un emprisonnement de huit jours Ă un an et une amende pĂ©nale de 125 Ă 1250 euros, ou de l'une de ces deux peines seulement. ".
  " Art. 12/5. § 1er. Pour les infractions, visĂ©es aux articles 12/1 Ă 12/3 inclus, le juge peut interdire au condamnĂ© d'exploiter, pour un terme d'un mois Ă trois ans, soit par lui-mĂȘme, soit par personne interposĂ©e, tout ou partie de l'entreprise ou de l'Ă©tablissement oĂč l'infraction a Ă©tĂ© commise, ou d'y ĂȘtre employĂ© Ă quelque titre que ce soit.
  Pour les infractions visées aux articles 12/1 à 12/3 inclus, le juge peut, en outre, en motivant sa décision sur ce point, ordonner la fermeture, pour une durée d'un mois à trois ans, de tout ou partie de l'entreprise ou de l'établissement dans lequel les infractions ont été commises.
  § 2. La durĂ©e de la peine prononcĂ©e en application du paragraphe 1er court Ă compter du jour oĂč le condamnĂ© aura subi ou prescrit sa peine et, s'il est libĂ©rĂ© conditionnellement, Ă partir du jour de la libĂ©ration pour autant que celle-ci ne soit pas rĂ©voquĂ©e.
  Cependant, les conséquences de la peine qui est prononcée en application du paragraphe 1er, prendront cours dÚs que la condamnation contradictoire ou par défaut, est définitive.
  § 3. Le juge peut uniquement infliger les peines visĂ©es au paragraphe 1er quand cela s'avĂšre nĂ©cessaire pour faire cesser l'infraction ou empĂȘcher sa rĂ©itĂ©ration, pour autant que la condamnation Ă ces peines soit proportionnĂ©e Ă l'ensemble des intĂ©rĂȘts socio-Ă©conomiques concernĂ©s.
  Ces peines ne portent pas atteinte aux droits des tiers.
  § 4. Toute infraction Ă la disposition du jugement ou de l'arrĂȘt qui prononce une interdiction ou une fermeture en application du paragraphe 1er est punie, sans prĂ©judice de l'application des articles 269 Ă 274 inclus du Code pĂ©nal, d'un emprisonnement de huit jours Ă un an et une amende pĂ©nale de 125 Ă 1250 euros, ou de l'une de ces deux peines seulement. ".
Art. 33. In dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en de wetten van 6 juni 2010 en 11 februari 2013, wordt een artikel 12/6 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 12/6. § 1. Voor de inbreuken, vermeld in artikel 12/1 tot en met 12/3, kan de rechter, bij de veroordeling van de werkgever, voor eigen rekening of als bestuurder, lid of bediende van een of andere vennootschap, vereniging, organisatie of onderneming, die werkgever verbieden gedurende een periode van één maand tot drie jaar het voormelde beroep rechtstreeks of onrechtstreeks en in welke hoedanigheid ook uit te oefenen.
  Voor de inbreuken, vermeld in artikel 12/1 tot en met 12/3, kan de rechter bovendien, als hij zijn beslissing ter zake met redenen omkleedt, de gehele of gedeeltelijke sluiting van de onderneming of van de vestigingen van de vennootschap, vereniging, organisatie of onderneming van de veroordeelde of waarvan de veroordeelde bestuurder is, bevelen voor een duur van één maand tot drie jaar.
  § 2. De duur van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van paragraaf 1, gaat in vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of waarop zijn straf verjaard is en, bij voorwaardelijke vrijlating, vanaf de dag van de invrijheidstelling, als die laatste niet ingetrokken wordt.
  Ze wordt evenwel van kracht vanaf de dag waarop de veroordeling, op tegenspraak of bij verstek, definitief geworden is.
  § 3. De rechter kan de straffen, vermeld in paragraaf 1, alleen opleggen als dat noodzakelijk is om de inbreuken te doen stoppen of om te voorkomen dat ze zich herhalen, op voorwaarde dat de veroordeling tot die straffen in verhouding staat tot het geheel van de betrokken sociaal-economische belangen.
  De straffen doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
  § 4. Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of van het arrest waarbij een verbod of sluiting wordt opgelegd met toepassing van paragraaf 1, wordt met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en een strafrechtelijke geldboete van 125 tot 1250 euro, of met een van die straffen alleen.".
  "Art. 12/6. § 1. Voor de inbreuken, vermeld in artikel 12/1 tot en met 12/3, kan de rechter, bij de veroordeling van de werkgever, voor eigen rekening of als bestuurder, lid of bediende van een of andere vennootschap, vereniging, organisatie of onderneming, die werkgever verbieden gedurende een periode van één maand tot drie jaar het voormelde beroep rechtstreeks of onrechtstreeks en in welke hoedanigheid ook uit te oefenen.
  Voor de inbreuken, vermeld in artikel 12/1 tot en met 12/3, kan de rechter bovendien, als hij zijn beslissing ter zake met redenen omkleedt, de gehele of gedeeltelijke sluiting van de onderneming of van de vestigingen van de vennootschap, vereniging, organisatie of onderneming van de veroordeelde of waarvan de veroordeelde bestuurder is, bevelen voor een duur van één maand tot drie jaar.
  § 2. De duur van de straf die wordt uitgesproken met toepassing van paragraaf 1, gaat in vanaf de dag waarop de veroordeelde zijn straf heeft ondergaan of waarop zijn straf verjaard is en, bij voorwaardelijke vrijlating, vanaf de dag van de invrijheidstelling, als die laatste niet ingetrokken wordt.
  Ze wordt evenwel van kracht vanaf de dag waarop de veroordeling, op tegenspraak of bij verstek, definitief geworden is.
  § 3. De rechter kan de straffen, vermeld in paragraaf 1, alleen opleggen als dat noodzakelijk is om de inbreuken te doen stoppen of om te voorkomen dat ze zich herhalen, op voorwaarde dat de veroordeling tot die straffen in verhouding staat tot het geheel van de betrokken sociaal-economische belangen.
  De straffen doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
  § 4. Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of van het arrest waarbij een verbod of sluiting wordt opgelegd met toepassing van paragraaf 1, wordt met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en een strafrechtelijke geldboete van 125 tot 1250 euro, of met een van die straffen alleen.".
Art. 33. Dans la mĂȘme loi, modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© royal du 20 juillet 2000 et par les lois des 6 juin 2010 et 11 fĂ©vrier 2013, il est insĂ©rĂ© un article 12/6, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 12/6. § 1er. Pour les infractions, visées aux articles 12/1 à 12/3 inclus, le juge peut, lors de la condamnation de l'employeur, pour son propre compte ou en tant qu'administrateur, membre ou employé d'une société, association, organisation ou entreprise, interdire à cet employeur, d'exercer, pour un terme d'un mois à trois ans, la profession précitée directement ou indirectement et dans quelle qualité que ce soit.
  Pour les infractions, visées aux articles 12/1 à 12/3 inclus, le juge peut, en outre, en motivant sa décision sur ce point, ordonner la fermeture, pour une durée d'un mois à trois ans, de tout ou partie de l'entreprise ou des établissements de la société, association, organisation ou entreprise du condamné ou dont le condamné est l'administrateur.
  § 2. La durĂ©e de la peine prononcĂ©e en application du paragraphe 1er court Ă compter du jour oĂč le condamnĂ© aura subi ou prescrit sa peine et, s'il est libĂ©rĂ© conditionnellement, Ă partir du jour de la libĂ©ration pour autant que celle-ci ne soit pas rĂ©voquĂ©e.
  Elle produit cependant ses effets Ă compter du jour oĂč la condamnation contradictoire ou par dĂ©faut est devenue dĂ©finitive.
  § 3. Le juge peut uniquement infliger les peines visĂ©es au paragraphe 1er quand cela s'avĂšre nĂ©cessaire pour faire cesser l'infraction ou empĂȘcher sa rĂ©itĂ©ration, pour autant que la condamnation Ă ces peines soit proportionnĂ©e Ă l'ensemble des intĂ©rĂȘts socio-Ă©conomiques concernĂ©s.
  Les peines ne portent pas atteinte aux droits des tiers.
  § 4. Toute infraction Ă la disposition du jugement ou de l'arrĂȘt qui prononce une interdiction ou une fermeture en application du paragraphe 1er est punie, sans prĂ©judice de l'application des articles 269 Ă 274 inclus du Code pĂ©nal, d'un emprisonnement de huit jours Ă un an et une amende pĂ©nale de 125 Ă 1250 euros, ou de l'une de ces peines seulement. ".
  " Art. 12/6. § 1er. Pour les infractions, visées aux articles 12/1 à 12/3 inclus, le juge peut, lors de la condamnation de l'employeur, pour son propre compte ou en tant qu'administrateur, membre ou employé d'une société, association, organisation ou entreprise, interdire à cet employeur, d'exercer, pour un terme d'un mois à trois ans, la profession précitée directement ou indirectement et dans quelle qualité que ce soit.
  Pour les infractions, visées aux articles 12/1 à 12/3 inclus, le juge peut, en outre, en motivant sa décision sur ce point, ordonner la fermeture, pour une durée d'un mois à trois ans, de tout ou partie de l'entreprise ou des établissements de la société, association, organisation ou entreprise du condamné ou dont le condamné est l'administrateur.
  § 2. La durĂ©e de la peine prononcĂ©e en application du paragraphe 1er court Ă compter du jour oĂč le condamnĂ© aura subi ou prescrit sa peine et, s'il est libĂ©rĂ© conditionnellement, Ă partir du jour de la libĂ©ration pour autant que celle-ci ne soit pas rĂ©voquĂ©e.
  Elle produit cependant ses effets Ă compter du jour oĂč la condamnation contradictoire ou par dĂ©faut est devenue dĂ©finitive.
  § 3. Le juge peut uniquement infliger les peines visĂ©es au paragraphe 1er quand cela s'avĂšre nĂ©cessaire pour faire cesser l'infraction ou empĂȘcher sa rĂ©itĂ©ration, pour autant que la condamnation Ă ces peines soit proportionnĂ©e Ă l'ensemble des intĂ©rĂȘts socio-Ă©conomiques concernĂ©s.
  Les peines ne portent pas atteinte aux droits des tiers.
  § 4. Toute infraction Ă la disposition du jugement ou de l'arrĂȘt qui prononce une interdiction ou une fermeture en application du paragraphe 1er est punie, sans prĂ©judice de l'application des articles 269 Ă 274 inclus du Code pĂ©nal, d'un emprisonnement de huit jours Ă un an et une amende pĂ©nale de 125 Ă 1250 euros, ou de l'une de ces peines seulement. ".
Art. 34. In dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en de wetten van 6 juni 2010 en 11 februari 2013, wordt een artikel 12/7 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 12/7. De sociaalrechtelijk inspecteurs kunnen de aannemers, vermeld in artikel 35/9 en 35/10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, schriftelijk ervan op de hoogte brengen dat hun rechtstreekse of onrechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.
  De sociaalrechtelijk inspecteurs kunnen de opdrachtgevers, vermeld in artikel 35/11 van de voormelde wet, schriftelijk ervan op de hoogte brengen dat hun aannemer of onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.
  De kennisgeving, vermeld in het eerste en het tweede lid, vermeldt :
  1° het aantal en de identiteit van de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen waarvan de inspectie heeft vastgesteld dat ze prestaties hebben geleverd in het raam van de activiteiten die de bestemmeling van de kennisgeving laat uitvoeren;
  2° de identiteit en het adres van de werkgever die de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, vermeld in punt 1°, heeft tewerkgesteld;
  3° de plaats waar de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen de prestaties, vermeld in punt 1°, hebben geleverd;
  4° de identiteit en het adres van de bestemmeling van de kennisgeving.
  Een afschrift van de kennisgeving wordt door de sociaal inspecteurs naar de werkgever gestuurd die de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, vermeld in het derde lid, 1°, heeft tewerkgesteld.".
  "Art. 12/7. De sociaalrechtelijk inspecteurs kunnen de aannemers, vermeld in artikel 35/9 en 35/10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, schriftelijk ervan op de hoogte brengen dat hun rechtstreekse of onrechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.
  De sociaalrechtelijk inspecteurs kunnen de opdrachtgevers, vermeld in artikel 35/11 van de voormelde wet, schriftelijk ervan op de hoogte brengen dat hun aannemer of onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.
  De kennisgeving, vermeld in het eerste en het tweede lid, vermeldt :
  1° het aantal en de identiteit van de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen waarvan de inspectie heeft vastgesteld dat ze prestaties hebben geleverd in het raam van de activiteiten die de bestemmeling van de kennisgeving laat uitvoeren;
  2° de identiteit en het adres van de werkgever die de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, vermeld in punt 1°, heeft tewerkgesteld;
  3° de plaats waar de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen de prestaties, vermeld in punt 1°, hebben geleverd;
  4° de identiteit en het adres van de bestemmeling van de kennisgeving.
  Een afschrift van de kennisgeving wordt door de sociaal inspecteurs naar de werkgever gestuurd die de illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, vermeld in het derde lid, 1°, heeft tewerkgesteld.".
Art. 34. Dans la mĂȘme loi, modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© royal du 20 juillet 2000 et les lois des 6 juin 2010 et 11 fĂ©vrier 2013, il est insĂ©rĂ© un article 12/7, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 12/7. Les inspecteurs des lois sociales peuvent informer les entrepreneurs, visés aux articles 35/9 et 35/10 de la loi du 12 avril 1965 concernant à la protection de la rémunération des travailleurs, par écrit que leur sous-traitant direct ou indirect occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement.
  Les inspecteurs des lois sociales peuvent informer par écrit les donneurs d'ordre, visés à l'article 35/11 de la loi précitée, que leur entrepreneur ou sous-traitant occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement.
  La notification, visée aux alinéas premier et deux, mentionne :
  1° le nombre et l'identité des ressortissants de pays tiers séjournant illégalement dont l'inspection a constaté qu'ils ont fourni des prestations dans le cadre des activités que le destinataire de la notification fait fournir ;
  2° l'identité et l'adresse de l'employeur ayant occupé des ressortissants de pays tiers séjournant illégalement, visés au point 1° ;
  3° le lieu oĂč les ressortissants de pays tiers sĂ©journant illĂ©galement, ont fourni les prestations, visĂ©es au point 1° ;
  4° l'identité et l'adresse du destinataire de la notification.
  Une copie de la notification est envoyée par les inspecteurs des lois sociales à l'employeur ayant occupé les ressortissants de pays tiers séjournant illégalement, visés à l'alinéa trois, 1°. ".
  " Art. 12/7. Les inspecteurs des lois sociales peuvent informer les entrepreneurs, visés aux articles 35/9 et 35/10 de la loi du 12 avril 1965 concernant à la protection de la rémunération des travailleurs, par écrit que leur sous-traitant direct ou indirect occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement.
  Les inspecteurs des lois sociales peuvent informer par écrit les donneurs d'ordre, visés à l'article 35/11 de la loi précitée, que leur entrepreneur ou sous-traitant occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement.
  La notification, visée aux alinéas premier et deux, mentionne :
  1° le nombre et l'identité des ressortissants de pays tiers séjournant illégalement dont l'inspection a constaté qu'ils ont fourni des prestations dans le cadre des activités que le destinataire de la notification fait fournir ;
  2° l'identité et l'adresse de l'employeur ayant occupé des ressortissants de pays tiers séjournant illégalement, visés au point 1° ;
  3° le lieu oĂč les ressortissants de pays tiers sĂ©journant illĂ©galement, ont fourni les prestations, visĂ©es au point 1° ;
  4° l'identité et l'adresse du destinataire de la notification.
  Une copie de la notification est envoyée par les inspecteurs des lois sociales à l'employeur ayant occupé les ressortissants de pays tiers séjournant illégalement, visés à l'alinéa trois, 1°. ".
Art. 35. Artikel 14 van dezelfde wet, opgeheven door de wet van 6 juni 2010, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  "Art. 14. In geval van herhaling binnen vijf jaar kan de maximale straf, vermeld in artikel 12 tot en met 12/4, op het dubbele van het maximum worden gebracht.".
  "Art. 14. In geval van herhaling binnen vijf jaar kan de maximale straf, vermeld in artikel 12 tot en met 12/4, op het dubbele van het maximum worden gebracht.".
Art. 35. L'article 14 de la mĂȘme loi, abrogĂ©e par la loi du 6 juin 2010, est rĂ©tabli dans la rĂ©daction suivante :
  " Art. 14. En cas de rĂ©cidive dans les cinq ans, la sanction maximale, visĂ©e aux articles 12 Ă 12/4 inclus, peut ĂȘtre reportĂ©e au double du maximum.
  " Art. 14. En cas de rĂ©cidive dans les cinq ans, la sanction maximale, visĂ©e aux articles 12 Ă 12/4 inclus, peut ĂȘtre reportĂ©e au double du maximum.
Art. 36. Artikel 15 van dezelfde wet, opgeheven door de wet van 6 juni 2010, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  "Art. 15. De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboetes waartoe zijn lasthebbers of aangestelden zijn veroordeeld.".
  "Art. 15. De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboetes waartoe zijn lasthebbers of aangestelden zijn veroordeeld.".
Art. 36. L'article 15 de la mĂȘme loi, abrogĂ© par la loi du 6 juin 2010, est rĂ©tabli dans la rĂ©daction suivante :
  " Art. 15. L'employeur est civilement responsable du paiement des amendes auxquelles ses mandataires ou préposés sont condamnés. ".
  " Art. 15. L'employeur est civilement responsable du paiement des amendes auxquelles ses mandataires ou préposés sont condamnés. ".
Art. 37. Artikel 16 van dezelfde wet, opgeheven door de wet van 6 juni 2010, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  "Art. 16. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V, maar met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken, vermeld in deze wet. In geval van herhaling is artikel 85 van het Strafwetboek niet van toepassing.".
  "Art. 16. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V, maar met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken, vermeld in deze wet. In geval van herhaling is artikel 85 van het Strafwetboek niet van toepassing.".
Art. 37. L'article 16 de la mĂȘme loi, abrogĂ© par la loi du 6 juin 2010, est rĂ©tabli dans la rĂ©daction suivante :
  " Art. 16. Toutes les dispositions du libre Ier du Code pénal, à l'exception du chapitre V, mais y compris le chapitre VII et l'article 85, s'appliquent aux infractions, visées à la présente loi. En cas de récidive, l'article 85 du Code pénal ne s'appliquera pas. ".
  " Art. 16. Toutes les dispositions du libre Ier du Code pénal, à l'exception du chapitre V, mais y compris le chapitre VII et l'article 85, s'appliquent aux infractions, visées à la présente loi. En cas de récidive, l'article 85 du Code pénal ne s'appliquera pas. ".
Art. 38. Artikel 17 van dezelfde wet, opgeheven door de wet van 6 juni 2010, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  "Art. 17. De rechtsvorderingen die ontstaan uit de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, verjaren na verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.".
  "Art. 17. De rechtsvorderingen die ontstaan uit de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, verjaren na verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.".
Art. 38. L'article 17 de la mĂȘme loi, abrogĂ© par la loi du 6 juin 2010, est rĂ©tabli dans la rĂ©daction suivante :
  " Art. 17. Les actions en justice rĂ©sultant de l'application de la prĂ©sente loi et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution se prescrivent aprĂšs cinq ans, aprĂšs le fait ayant causĂ© l'injonction. ".
  " Art. 17. Les actions en justice rĂ©sultant de l'application de la prĂ©sente loi et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution se prescrivent aprĂšs cinq ans, aprĂšs le fait ayant causĂ© l'injonction. ".
Art. 39. Artikel 19 van dezelfde wet wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 19. Behalve in geval van dringende noodzakelijkheid wint de Vlaamse Regering, ter uitvoering van de bevoegdheden die aan haar zijn toegekend, het advies in van de Adviescommissie voor Economische Migratie.
  De Adviescommissie voor Economische Migratie wordt opgericht in de SERV. De Adviescommissie organiseert overleg over bestaande of toekomstige beleidsmaatregelen op het vlak van economische migratie.
  De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling en de werkingsregels van de Adviescommissie voor Economische Migratie, en kan de opdrachten ervan specifiëren.".
  "Art. 19. Behalve in geval van dringende noodzakelijkheid wint de Vlaamse Regering, ter uitvoering van de bevoegdheden die aan haar zijn toegekend, het advies in van de Adviescommissie voor Economische Migratie.
  De Adviescommissie voor Economische Migratie wordt opgericht in de SERV. De Adviescommissie organiseert overleg over bestaande of toekomstige beleidsmaatregelen op het vlak van economische migratie.
  De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling en de werkingsregels van de Adviescommissie voor Economische Migratie, en kan de opdrachten ervan specifiëren.".
Art. 39. L'article 19 de la mĂȘme loi est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 19. Sauf en cas d'urgence, le Gouvernement flamand recueille, en exécution des compétences qui lui sont conférées, l'avis du conseil consultatif pour la Migration économique.
  La Commission consultative pour la Migration Economique est établie au sein du SERV. La Commission consultative organise une concertation sur les mesures politiques existantes ou futures dans le domaine de la migration économique.
  Le Gouvernement flamand détermine la composition et les rÚgles de fonctionnement de la Commission consultative pour la Migration économique, et en peut spécifier les tùches. ".
  " Art. 19. Sauf en cas d'urgence, le Gouvernement flamand recueille, en exécution des compétences qui lui sont conférées, l'avis du conseil consultatif pour la Migration économique.
  La Commission consultative pour la Migration Economique est établie au sein du SERV. La Commission consultative organise une concertation sur les mesures politiques existantes ou futures dans le domaine de la migration économique.
  Le Gouvernement flamand détermine la composition et les rÚgles de fonctionnement de la Commission consultative pour la Migration économique, et en peut spécifier les tùches. ".
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen
CHAPITRE 7. - Modifications de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité
Art. 40. In artikel 2 van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, het laatst gewijzigd bij wet van 22 juni 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, 4°, worden tussen het woord "personen" en het woord "die" de woorden "van wie de hoofdverblijfplaats in het Vlaamse Gewest gelegen is" ingevoegd;
  2° aan paragraaf 2, eerste lid, worden een punt i en een punt j toegevoegd, die luiden als volgt :
  "i. de onderneming verbindt zich ertoe geen werknemers en klanten direct of indirect te discrimineren als vermeld in artikel 2 van het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt;
  j. de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties te laten verrichten in een omgeving met onaanvaardbare risico's of gevaren voor de werknemers of in een omgeving waar de werknemers het slachtoffer zouden kunnen zijn van misbruiken of discriminatoire praktijken.";
  3° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 3. De adviescommissie, vermeld in paragraaf 2, wordt door de afdeling Toezicht en Handhaving van het Departement Werk en Sociale Economie op de hoogte gebracht van de overtredingen die aanleiding kunnen geven tot weigering of intrekking van een erkenning.".
  1° in paragraaf 1, 4°, worden tussen het woord "personen" en het woord "die" de woorden "van wie de hoofdverblijfplaats in het Vlaamse Gewest gelegen is" ingevoegd;
  2° aan paragraaf 2, eerste lid, worden een punt i en een punt j toegevoegd, die luiden als volgt :
  "i. de onderneming verbindt zich ertoe geen werknemers en klanten direct of indirect te discrimineren als vermeld in artikel 2 van het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt;
  j. de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties te laten verrichten in een omgeving met onaanvaardbare risico's of gevaren voor de werknemers of in een omgeving waar de werknemers het slachtoffer zouden kunnen zijn van misbruiken of discriminatoire praktijken.";
  3° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 3. De adviescommissie, vermeld in paragraaf 2, wordt door de afdeling Toezicht en Handhaving van het Departement Werk en Sociale Economie op de hoogte gebracht van de overtredingen die aanleiding kunnen geven tot weigering of intrekking van een erkenning.".
Art. 40. Dans l'article 2 de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, modifié en dernier lieu par la loi du 22 juin 2012, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, 4°, les mots " dont la résidence principale est située en Région flamande " sont insérés entre le mot " physiques " et le mot " qui " ;
  2° au paragraphe 2, alinéa premier, sont ajoutés les points i et j, rédigés comme suit :
  " i. l'entreprise s'engage à ne pas discriminer les travailleurs et les clients, ni directement ni indirectement, tel que visé à l'article 2 décret du 8 mai 2002 relatif à la participation proportionnelle sur le marché de l'emploi ;
  j. l'entreprise s'engage Ă ne faire fournir aucune prestation dans un environnement aux risques ou dangers inacceptables pour les travailleurs ou dans un environnement oĂč les travailleurs pourraient ĂȘtre victimes d'abus et de pratiques discriminatoires. " ;
  3° il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
  " § 3. La commission consultative, visées au paragraphe 2, est informée par la Division de la Surveillance et du Maintien du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale des contraventions qui peuvent donner lieu au refus ou retrait d'un agrément. ".
  1° dans le paragraphe 1er, 4°, les mots " dont la résidence principale est située en Région flamande " sont insérés entre le mot " physiques " et le mot " qui " ;
  2° au paragraphe 2, alinéa premier, sont ajoutés les points i et j, rédigés comme suit :
  " i. l'entreprise s'engage à ne pas discriminer les travailleurs et les clients, ni directement ni indirectement, tel que visé à l'article 2 décret du 8 mai 2002 relatif à la participation proportionnelle sur le marché de l'emploi ;
  j. l'entreprise s'engage Ă ne faire fournir aucune prestation dans un environnement aux risques ou dangers inacceptables pour les travailleurs ou dans un environnement oĂč les travailleurs pourraient ĂȘtre victimes d'abus et de pratiques discriminatoires. " ;
  3° il est ajouté un paragraphe 3, rédigé comme suit :
  " § 3. La commission consultative, visées au paragraphe 2, est informée par la Division de la Surveillance et du Maintien du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale des contraventions qui peuvent donner lieu au refus ou retrait d'un agrément. ".
Art. 41. Artikel 10ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 17 juni 2009 en hersteld bij het decreet van 24 april 2015, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 10ter. Het toezicht en de controle op de bepalingen van deze wet, met uitzondering van de bepalingen van afdeling 2 van hoofdstuk II, en de uitvoeringsbesluiten ervan, verlopen conform het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.".
  "Art. 10ter. Het toezicht en de controle op de bepalingen van deze wet, met uitzondering van de bepalingen van afdeling 2 van hoofdstuk II, en de uitvoeringsbesluiten ervan, verlopen conform het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.".
Art. 41. L'article 10ter de la mĂȘme loi, insĂ©rĂ© par la loi du 17 juin 2009 et rĂ©tabli par le dĂ©cret du 24 avril 2015, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 10ter. La surveillance et le contrĂŽle des dispositions de la prĂ©sente loi, Ă l'exception des dispositions de la section 2 du chapitre II et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution s'effectuent conformĂ©ment aux dispositions du dĂ©cret relatif au contrĂŽle des lois sociales du 30 avril 2004. ".
  " Art. 10ter. La surveillance et le contrĂŽle des dispositions de la prĂ©sente loi, Ă l'exception des dispositions de la section 2 du chapitre II et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution s'effectuent conformĂ©ment aux dispositions du dĂ©cret relatif au contrĂŽle des lois sociales du 30 avril 2004. ".
Art. 42. In artikel 10quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 17 juni 2009 en hersteld bij het decreet van 24 april 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt :
  "Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek worden de volgende personen gestraft met een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 500 euro :
  1° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die een werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp krijgt, geen voorrang geven bij de aanstelling voor een voltijdse betrekking of voor een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse dienstbetrekking waardoor hij een nieuwe deeltijdse arbeidsregeling verkrijgt waarvan de wekelijkse arbeidsduur hoger is dan die van de deeltijdse arbeidsregeling waarin hij al werkt;
  2° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de gebruiker vertegenwoordigen voor de toepassing van artikel 3, § 2, eerste lid, en artikel 6 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, of die de werknemer vertegenwoordigen om de dienstencheques te ondertekenen;
  3° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de dienstencheques niet gegroepeerd per maand waarin de prestaties effectief verricht zijn, ter betaling aan het uitgiftebedrijf bezorgen;
  4° de gebruiker of de werknemer die wetens en willens heeft deelgenomen aan de inbreuken, vermeld in punt 1° tot en met 3°. ";
  2° in het tweede lid wordt de zinsnede "2° en 3°, " opgeheven.
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt :
  "Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek worden de volgende personen gestraft met een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 500 euro :
  1° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die een werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp krijgt, geen voorrang geven bij de aanstelling voor een voltijdse betrekking of voor een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse dienstbetrekking waardoor hij een nieuwe deeltijdse arbeidsregeling verkrijgt waarvan de wekelijkse arbeidsduur hoger is dan die van de deeltijdse arbeidsregeling waarin hij al werkt;
  2° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de gebruiker vertegenwoordigen voor de toepassing van artikel 3, § 2, eerste lid, en artikel 6 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, of die de werknemer vertegenwoordigen om de dienstencheques te ondertekenen;
  3° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de dienstencheques niet gegroepeerd per maand waarin de prestaties effectief verricht zijn, ter betaling aan het uitgiftebedrijf bezorgen;
  4° de gebruiker of de werknemer die wetens en willens heeft deelgenomen aan de inbreuken, vermeld in punt 1° tot en met 3°. ";
  2° in het tweede lid wordt de zinsnede "2° en 3°, " opgeheven.
Art. 42. Dans l'article 10quater de la mĂȘme loi, insĂ©rĂ© par la loi du 17 juin 2009 et rĂ©tabli par le dĂ©cret du 24 avril 2015, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le premier alinéa est remplacé par ce qui suit :
  Sans préjudice de l'application des articles 269 à 274 inclus du Code pénal, les personnes suivantes sont punies d'une amende de 50 à 500 euros :
  1° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui n'accordent pas la priorité à un travailleur bénéficiant d'une allocation de chÎmage, d'un revenu d'intégration sociale ou d'une aide sociale financiÚre pendant son emploi à temps partiel, pour obtenir un emploi à temps plein ou un autre emploi à temps partiel, supplémentaire ou non, suite auquel il obtient un nouveau régime de travail à temps partiel dont la durée de travail hebdomadaire est supérieure à celle du régime de travail à temps partiel dans lequel il travaille déjà ;
  2° l'employeur, ses mandataires ou prĂ©posĂ©s qui reprĂ©sentent l'utilisateur pour l'application de l'article 3, § 2, alinĂ©a premier, et de l'article 6 de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 dĂ©cembre 2001 concernant les titres-services, ou reprĂ©sentent le travailleur pour signer les titres-services ;
  3° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui ne transmettent pas les titres-services regroupés par mois auquel les prestations sont effectivement accomplies, à la société émettrice en vue du paiement ;
  4° l'utilisateur ou le travailleur qui a sciemment participé aux infractions, visées aux points 1° à 3° inclus. "
  2° dans l'alinéa deux, le membre de phrase " 2° et 3° " est abrogé.
  1° le premier alinéa est remplacé par ce qui suit :
  Sans préjudice de l'application des articles 269 à 274 inclus du Code pénal, les personnes suivantes sont punies d'une amende de 50 à 500 euros :
  1° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui n'accordent pas la priorité à un travailleur bénéficiant d'une allocation de chÎmage, d'un revenu d'intégration sociale ou d'une aide sociale financiÚre pendant son emploi à temps partiel, pour obtenir un emploi à temps plein ou un autre emploi à temps partiel, supplémentaire ou non, suite auquel il obtient un nouveau régime de travail à temps partiel dont la durée de travail hebdomadaire est supérieure à celle du régime de travail à temps partiel dans lequel il travaille déjà ;
  2° l'employeur, ses mandataires ou prĂ©posĂ©s qui reprĂ©sentent l'utilisateur pour l'application de l'article 3, § 2, alinĂ©a premier, et de l'article 6 de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 dĂ©cembre 2001 concernant les titres-services, ou reprĂ©sentent le travailleur pour signer les titres-services ;
  3° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui ne transmettent pas les titres-services regroupés par mois auquel les prestations sont effectivement accomplies, à la société émettrice en vue du paiement ;
  4° l'utilisateur ou le travailleur qui a sciemment participé aux infractions, visées aux points 1° à 3° inclus. "
  2° dans l'alinéa deux, le membre de phrase " 2° et 3° " est abrogé.
Art. 43. Aan artikel 10quinquies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 17 juni 2009 en hersteld bij het decreet van 24 april 2015, wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "9° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de werknemer of klant niet behandelen op een respectvolle en niet-discriminerende wijze als vermeld in artikel 2, § 2, eerste lid, i en j.".
  "9° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de werknemer of klant niet behandelen op een respectvolle en niet-discriminerende wijze als vermeld in artikel 2, § 2, eerste lid, i en j.".
Art. 43. A l'article 10quinquies de la mĂȘme loi, insĂ©rĂ© par la loi du 17 juin 2009 et rĂ©tabli par le dĂ©cret du 24 avril 2015, il est ajoutĂ© un point 9°, rĂ©digĂ© comme suit :
  " 9° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui ne traitent pas le travailleur ou client de maniÚre respectueuse et non-discriminatoire, telle que visée à l'article 2, § 2, alinéa premier, i et j. ".
  " 9° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui ne traitent pas le travailleur ou client de maniÚre respectueuse et non-discriminatoire, telle que visée à l'article 2, § 2, alinéa premier, i et j. ".
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004
CHAPITRE 8. - Modifications du décret du 30 avril 2004 relatif au contrÎle des lois sociales
Art. 44. In artikel 2 van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004, het laatst gewijzigd bij het decreet van 4 maart 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt in punt 37° tussen de zinsnede "het hoofdstuk IV," en de zinsnede "afdeling 6" de zinsnede "afdeling 5 en" ingevoegd;
  2° in paragraaf 1 wordt aan punt 37° de zinsnede ", met uitzondering van de bepalingen van artikel 115, 118 en 119" toegevoegd;
  3° in paragraaf 1 wordt aan punt 40° de zinsnede ", met uitzondering van de bepalingen van paragraaf 4, derde lid, en paragraaf 10 van het voormelde artikel" toegevoegd;
  4° in paragraaf 1 wordt in punt 42° de zinsnede "57quater" vervangen door de zinsnede "57quater, § 1, § 2 en § 4, 2° ";
  5° in paragraaf 1 wordt aan punt 44° de zinsnede ", met uitzondering van afdeling 2 van hoofdstuk II" toegevoegd;
  6° in paragraaf 1 worden een punt 57° en een punt 58° toegevoegd, die luiden als volgt :
  "57° de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
  58° de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen.";
  7° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 3. De door de federale overheid aangewezen beëdigde ambtenaren beschikken over de bevoegdheden van sociaalrechtelijke inspecteurs wanneer zij optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de bepalingen van § 1, 57° en 58°. ".
  1° in paragraaf 1 wordt in punt 37° tussen de zinsnede "het hoofdstuk IV," en de zinsnede "afdeling 6" de zinsnede "afdeling 5 en" ingevoegd;
  2° in paragraaf 1 wordt aan punt 37° de zinsnede ", met uitzondering van de bepalingen van artikel 115, 118 en 119" toegevoegd;
  3° in paragraaf 1 wordt aan punt 40° de zinsnede ", met uitzondering van de bepalingen van paragraaf 4, derde lid, en paragraaf 10 van het voormelde artikel" toegevoegd;
  4° in paragraaf 1 wordt in punt 42° de zinsnede "57quater" vervangen door de zinsnede "57quater, § 1, § 2 en § 4, 2° ";
  5° in paragraaf 1 wordt aan punt 44° de zinsnede ", met uitzondering van afdeling 2 van hoofdstuk II" toegevoegd;
  6° in paragraaf 1 worden een punt 57° en een punt 58° toegevoegd, die luiden als volgt :
  "57° de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
  58° de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen.";
  7° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 3. De door de federale overheid aangewezen beëdigde ambtenaren beschikken over de bevoegdheden van sociaalrechtelijke inspecteurs wanneer zij optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de bepalingen van § 1, 57° en 58°. ".
Art. 44. Dans l'article 2 du décret du 30 avril 2004 relatif au contrÎle des lois sociales, modifié en dernier lieu par le décret du 4 mars 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, dans le point 37°, le membre de phrase " section 5 et " est inséré entre le membre de phrase " le chapitre IV. " et le membre de phrase " section 6 " ;
  2° dans le paragraphe 1er, au point 37°, il est ajouté le membre de phrase ", à l'exception des dispositions des articles 115, 118 et 119 " ;
  3° dans le paragraphe 1er, au point 40°, il est ajouté le membre de phrase ", à l'exception des dispositions du paragraphe 4, alinéa trois, et paragraphe 10 de l'article précité " ;
  4° dans le paragraphe 1er, dans le point 42°, le membre de phrase " 57quater " est remplacé par le membre de phrase " 57quater, § 1er, § 2 et § 4, 2° " :
  5° dans le paragraphe 1er, au point 44°, il est ajouté le membre de phrase ", à l'exception de la section 2 du chapitre II " ;
  6° le paragraphe 1er est complété par les points 57° et 58°, rédigés comme suit :
  " 57° la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers ;
  58° la loi du 19 février 1965 relative à l'exercice, par les étrangers, des activités professionnelles indépendantes. " ;
  7° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Les fonctionnaires assermentés désignés par l'autorité fédérale disposent des compétences des inspecteurs des lois sociales lorsqu'ils agissent dans le cadre de leur tùche de formation, médiation et surveillance conformément aux dispositions du § 1er, 57° et 58°. ".
  1° dans le paragraphe 1er, dans le point 37°, le membre de phrase " section 5 et " est inséré entre le membre de phrase " le chapitre IV. " et le membre de phrase " section 6 " ;
  2° dans le paragraphe 1er, au point 37°, il est ajouté le membre de phrase ", à l'exception des dispositions des articles 115, 118 et 119 " ;
  3° dans le paragraphe 1er, au point 40°, il est ajouté le membre de phrase ", à l'exception des dispositions du paragraphe 4, alinéa trois, et paragraphe 10 de l'article précité " ;
  4° dans le paragraphe 1er, dans le point 42°, le membre de phrase " 57quater " est remplacé par le membre de phrase " 57quater, § 1er, § 2 et § 4, 2° " :
  5° dans le paragraphe 1er, au point 44°, il est ajouté le membre de phrase ", à l'exception de la section 2 du chapitre II " ;
  6° le paragraphe 1er est complété par les points 57° et 58°, rédigés comme suit :
  " 57° la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers ;
  58° la loi du 19 février 1965 relative à l'exercice, par les étrangers, des activités professionnelles indépendantes. " ;
  7° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Les fonctionnaires assermentés désignés par l'autorité fédérale disposent des compétences des inspecteurs des lois sociales lorsqu'ils agissent dans le cadre de leur tùche de formation, médiation et surveillance conformément aux dispositions du § 1er, 57° et 58°. ".
Art. 45. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 4 maart 2016, wordt een artikel 2/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 2/1. Met behoud van toepassing van artikel 2 zijn de sociaalrechtelijke inspecteurs belast met de controle en het toezicht op de federale wetten en uitvoeringsbesluiten aangaande normen betreffende de arbeidskaart afgeleverd in het kader van de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen, conform de bepalingen van artikel 23 tot en met 39 van het Sociaal Strafwetboek.".
  "Art. 2/1. Met behoud van toepassing van artikel 2 zijn de sociaalrechtelijke inspecteurs belast met de controle en het toezicht op de federale wetten en uitvoeringsbesluiten aangaande normen betreffende de arbeidskaart afgeleverd in het kader van de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen, conform de bepalingen van artikel 23 tot en met 39 van het Sociaal Strafwetboek.".
Art. 45. Dans le mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© en dernier lieu par le dĂ©cret du 4 mars 2016, il est insĂ©rĂ© un article 2/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 2/1. Sans prĂ©judice de l'application de l'article 2, les inspecteurs des lois sociales sont chargĂ©s du contrĂŽle et de la surveillance des lois et arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution fĂ©dĂ©raux relatifs aux normes relatives au permis de travail dĂ©livrĂ© dans le cadre de la situation de sĂ©jour spĂ©cifique des personnes concernĂ©es, conformĂ©ment aux dispositions des articles 23 Ă 39 inclus du Code pĂ©nal social. ".
  " Art. 2/1. Sans prĂ©judice de l'application de l'article 2, les inspecteurs des lois sociales sont chargĂ©s du contrĂŽle et de la surveillance des lois et arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution fĂ©dĂ©raux relatifs aux normes relatives au permis de travail dĂ©livrĂ© dans le cadre de la situation de sĂ©jour spĂ©cifique des personnes concernĂ©es, conformĂ©ment aux dispositions des articles 23 Ă 39 inclus du Code pĂ©nal social. ".
Art. 46. In artikel 3 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2010, 10 december 2010, 22 november 2013, 19 december 2014 en 24 april 2015, wordt in punt 3° een punt h) toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "h) de vreemdeling die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent.".
  "h) de vreemdeling die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent.".
Art. 46. Dans l'article 3 du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par les dĂ©crets des 9 juillet 2010, 10 dĂ©cembre 2010, 22 novembre 2013, 19 dĂ©cembre 2014 et 24 avril 2015, au point 3°, il est ajoutĂ© un point h), rĂ©digĂ© comme suit :
  " h) l'étranger exerçant une activité professionnelle indépendante. ".
  " h) l'étranger exerçant une activité professionnelle indépendante. ".
Art. 47. Aan artikel 6/2, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt de volgende zin toegevoegd :
  "De ambtenaar die door de Vlaamse Regering aangewezen is, kan echter, met een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van de mededeling uitstellen voor een eenmalig hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Die beslissing wordt opgenomen in het dossier.".
  "De ambtenaar die door de Vlaamse Regering aangewezen is, kan echter, met een met redenen omklede beslissing, het tijdstip van de mededeling uitstellen voor een eenmalig hernieuwbare termijn van ten hoogste drie maanden. Die beslissing wordt opgenomen in het dossier.".
Art. 47. L'article 6/2, alinĂ©a deux, du mĂȘme dĂ©cret, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 9 juillet 2010, est complĂ©tĂ© par la phrase suivante :
  " Le fonctionnaire dĂ©signĂ© par le Gouvernement flamand, peut cependant, moyennant dĂ©cision motivĂ©e, reporter le moment de la communication pour un dĂ©lai qui peut ĂȘtre renouvelĂ© une fois de trois mois au maximum. Cette dĂ©cision est reprise au dossier. ".
  " Le fonctionnaire dĂ©signĂ© par le Gouvernement flamand, peut cependant, moyennant dĂ©cision motivĂ©e, reporter le moment de la communication pour un dĂ©lai qui peut ĂȘtre renouvelĂ© une fois de trois mois au maximum. Cette dĂ©cision est reprise au dossier. ".
Art. 48. In artikel 13/3 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 24 april 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden punt 1° en punt 2° opgeheven;
  2° aan paragraaf 2 wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "9° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de werknemer of klant niet behandelen op een respectvolle en niet-discriminerende wijze als vermeld in artikel 2, § 2, eerste lid, i en j, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen.".
  1° in paragraaf 1 worden punt 1° en punt 2° opgeheven;
  2° aan paragraaf 2 wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "9° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de werknemer of klant niet behandelen op een respectvolle en niet-discriminerende wijze als vermeld in artikel 2, § 2, eerste lid, i en j, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen.".
Art. 48. Dans l'article 13/3 du mĂȘme dĂ©cret, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 24 avril 2015, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 1er, les points 1° et 2° sont abrogés ;
  2° au paragraphe 2 il est ajouté un point 9°, rédigé comme suit :
  " 9° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui ne traitent pas le travailleur ou client de maniÚre respectueuse et non-discriminatoire, telle que visée à l'article 2, § 2, alinéa premier, i et j, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité. ".
  1° dans le paragraphe 1er, les points 1° et 2° sont abrogés ;
  2° au paragraphe 2 il est ajouté un point 9°, rédigé comme suit :
  " 9° l'employeur, ses mandataires ou préposés qui ne traitent pas le travailleur ou client de maniÚre respectueuse et non-discriminatoire, telle que visée à l'article 2, § 2, alinéa premier, i et j, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité. ".
Art. 49. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 4 maart 2016, wordt een artikel 13/4 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 13/4. § 1. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen en de uitvoeringsbesluiten ervan aan een vreemdeling een administratieve geldboete opgelegd worden van 500 tot 5000 euro als hij :
  1° een zelfstandige activiteit uitoefent zonder in het bezit te zijn van een beroepskaart;
  2° een zelfstandige activiteit uitoefent zonder de grenzen of de voorwaarden van de beroepskaart te respecteren;
  3° een zelfstandige activiteit uitoefent niettegenstaande de staking van de bedrijvigheid is gelast of de sluiting van de geëxploiteerde zaak is bevolen.".
  "Art. 13/4. § 1. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen en de uitvoeringsbesluiten ervan aan een vreemdeling een administratieve geldboete opgelegd worden van 500 tot 5000 euro als hij :
  1° een zelfstandige activiteit uitoefent zonder in het bezit te zijn van een beroepskaart;
  2° een zelfstandige activiteit uitoefent zonder de grenzen of de voorwaarden van de beroepskaart te respecteren;
  3° een zelfstandige activiteit uitoefent niettegenstaande de staking van de bedrijvigheid is gelast of de sluiting van de geëxploiteerde zaak is bevolen.".
Art. 49. Dans le mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© en dernier lieu par le dĂ©cret du 4 mars 2016, il est insĂ©rĂ© un article 13/4, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 13/4. § 1er. Aux conditions fixĂ©es par le prĂ©sent dĂ©cret, et dans la mesure oĂč les faits sont Ă©galement passibles de peines pĂ©nales, une amende administrative de 500 Ă 2500 euros peut ĂȘtre infligĂ©e Ă un Ă©tranger pour les infractions suivantes Ă la loi du 19 fĂ©vrier 1965 relative Ă l'exercice, par les Ă©trangers, des activitĂ©s professionnelles indĂ©pendantes et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, lorsqu'il :
  1° exerce une activitĂ© indĂ©pendante sans ĂȘtre titulaire d'une carte professionnelle ;
  2° exerce une activité indépendante sans respecter les limites ou les conditions de la carte professionnelle ;
  3° exerce une activité indépendante, bien qu'il ait été enjoint de cesser son activité, voire de fermer l'établissement exploité. ".
  " Art. 13/4. § 1er. Aux conditions fixĂ©es par le prĂ©sent dĂ©cret, et dans la mesure oĂč les faits sont Ă©galement passibles de peines pĂ©nales, une amende administrative de 500 Ă 2500 euros peut ĂȘtre infligĂ©e Ă un Ă©tranger pour les infractions suivantes Ă la loi du 19 fĂ©vrier 1965 relative Ă l'exercice, par les Ă©trangers, des activitĂ©s professionnelles indĂ©pendantes et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, lorsqu'il :
  1° exerce une activitĂ© indĂ©pendante sans ĂȘtre titulaire d'une carte professionnelle ;
  2° exerce une activité indépendante sans respecter les limites ou les conditions de la carte professionnelle ;
  3° exerce une activité indépendante, bien qu'il ait été enjoint de cesser son activité, voire de fermer l'établissement exploité. ".
Art. 50. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 4 maart 2016, wordt een artikel 13/5 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 13/5. § 1. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kunnen voor de volgende inbreuken op de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen en de uitvoeringsbesluiten ervan de volgende personen een administratieve geldboete van 1800 euro tot 18.000 euro krijgen :
  1° een vreemdeling die in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan een zelfstandige activiteit uitoefent zonder toegelaten of gemachtigd te zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België;
  2° een vreemdeling die door listige kunstgrepen aan te wenden een beroepskaart onrechtmatig verkrijgt of in zijn bezit heeft;
  3° eenieder die wetens en willens onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd of onjuiste documenten heeft bezorgd, om een beroepskaart ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
  4° eenieder die wetens en willens heeft nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken, om een beroepskaart ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden.".
  "Art. 13/5. § 1. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kunnen voor de volgende inbreuken op de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen en de uitvoeringsbesluiten ervan de volgende personen een administratieve geldboete van 1800 euro tot 18.000 euro krijgen :
  1° een vreemdeling die in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan een zelfstandige activiteit uitoefent zonder toegelaten of gemachtigd te zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België;
  2° een vreemdeling die door listige kunstgrepen aan te wenden een beroepskaart onrechtmatig verkrijgt of in zijn bezit heeft;
  3° eenieder die wetens en willens onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd of onjuiste documenten heeft bezorgd, om een beroepskaart ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
  4° eenieder die wetens en willens heeft nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die hij gehouden is te verstrekken, om een beroepskaart ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden.".
Art. 50. Dans le mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© en dernier lieu par le dĂ©cret du 4 mars 2016, il est insĂ©rĂ© un article 13/5, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 13/5. § 1er. Aux conditions fixĂ©es par le prĂ©sent dĂ©cret, et dans la mesure oĂč les faits sont Ă©galement passibles de peines pĂ©nales, une amende administrative de 1800 Ă 18 000 euros peut ĂȘtre infligĂ©e pour les infractions suivantes Ă la loi du 19 fĂ©vrier 1965 relative Ă l'exercice, par les Ă©trangers, des activitĂ©s professionnelles indĂ©pendantes et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, Ă :
  1° l'Ă©tranger qui, en contravention avec les dispositions de la prĂ©sente loi et avec ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, exerce une activitĂ© indĂ©pendante sans ĂȘtre admis ou autorisĂ© Ă un sĂ©jour de plus de trois mois ou Ă un Ă©tablissement en Belgique ;
  2° l'étranger qui obtient ou possÚde frauduleusement une carte professionnelle grùce à des manoeuvres frauduleuses ;
  3° chacun, qui, sciemment, a fait des déclarations inexactes ou incomplÚtes ou a transmis des documents inexactes afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir une carte professionnelle à injuste titre ;
  4° chacun qui, sciemment, a négligé ou a refusé de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements qu'ils sont tenus de fournir, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir une carte professionnelle à injuste titre. ".
  " Art. 13/5. § 1er. Aux conditions fixĂ©es par le prĂ©sent dĂ©cret, et dans la mesure oĂč les faits sont Ă©galement passibles de peines pĂ©nales, une amende administrative de 1800 Ă 18 000 euros peut ĂȘtre infligĂ©e pour les infractions suivantes Ă la loi du 19 fĂ©vrier 1965 relative Ă l'exercice, par les Ă©trangers, des activitĂ©s professionnelles indĂ©pendantes et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, Ă :
  1° l'Ă©tranger qui, en contravention avec les dispositions de la prĂ©sente loi et avec ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, exerce une activitĂ© indĂ©pendante sans ĂȘtre admis ou autorisĂ© Ă un sĂ©jour de plus de trois mois ou Ă un Ă©tablissement en Belgique ;
  2° l'étranger qui obtient ou possÚde frauduleusement une carte professionnelle grùce à des manoeuvres frauduleuses ;
  3° chacun, qui, sciemment, a fait des déclarations inexactes ou incomplÚtes ou a transmis des documents inexactes afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir une carte professionnelle à injuste titre ;
  4° chacun qui, sciemment, a négligé ou a refusé de faire des déclarations nécessaires ou de fournir des renseignements qu'ils sont tenus de fournir, afin d'obtenir ou de faire obtenir, de maintenir ou de faire maintenir une carte professionnelle à injuste titre. ".
Art. 51. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 4 maart 2016, wordt een artikel 13/6 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 13/6. § 1. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van 500 euro tot 5000 euro als hij :
  1° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder dat hij een arbeidsvergunning heeft verkregen, of als de buitenlandse onderdaan niet over een arbeidskaart beschikt;
  2° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder de grenzen of de voorwaarden van de arbeidsvergunning of arbeidskaart te respecteren;
  3° de arbeidskaart niet heeft teruggegeven aan de buitenlandse werknemer of hem die heeft bezorgd tegen betaling van een bedrag of tegen vergoeding in welke vorm ook.
  § 2. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan een administratieve geldboete opgelegd worden van 1800 euro tot 18.000 euro aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde als hij in strijd met de bepalingen van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België.
  § 3. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van 1800 euro tot 18.000 euro als hij op het ogenblik van de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land :
  1° niet vooraf nagegaan heeft of hij over een geldige verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf beschikt;
  2° niet, ten minste voor de duur van de tewerkstelling, een afschrift of de gegevens van zijn verblijfsvergunning of van zijn andere machtiging tot verblijf beschikbaar gehouden heeft voor de bevoegde inspectiediensten.
  § 4. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van 1800 euro tot 18.000 euro aan eenieder die :
  1° een buitenlandse onderdaan België heeft laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld, of daartoe heeft bijgedragen, tenzij de buitenlandse onderdaan in het bezit is van een geldige arbeidskaart en met uitzondering van de buitenlandse onderdaan voor wie de werkgever na zijn aankomst in België een arbeidsvergunning kan verkrijgen om er te worden tewerkgesteld;
  2° een buitenlandse onderdaan heeft beloofd, tegen betaling van welke vergoeding ook, hetzij een betrekking voor hem te zoeken, hetzij hem een betrekking te bezorgen, hetzij formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
  3° van een buitenlandse onderdaan een vergoeding in welke vorm ook heeft geëist of aangenomen, hetzij om voor hem een betrekking te zoeken, hetzij om hem een betrekking te bezorgen, hetzij om formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
  4° als tussenpersoon is opgetreden tussen een buitenlandse onderdaan en een werkgever of de autoriteiten die zijn belast met de toepassing van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, of tussen een werkgever en diezelfde autoriteiten, waarbij daden zijn gesteld die hetzij die buitenlandse onderdaan, hetzij de werkgever, hetzij de vermelde autoriteiten op een dwaalspoor kunnen brengen.
  § 5. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan, een administratieve geldboete opgelegd worden van 1800 euro tot 18.000 euro aan :
  1° een aannemer, buiten het kader van een keten van onderaannemers, of een intermediaire aannemer, in het kader van een dergelijke keten, als hun rechtstreekse onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel 12/2 van de voormelde wet, pleegt;
  2° een hoofdaannemer en intermediaire aannemer, in het kader van een keten van onderaannemers, als hun onrechtstreekse onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel 12/2 van de voormelde wet, pleegt, als ze, voorafgaand aan de door hen gepleegde inbreuk, op de hoogte zijn van het feit dat hun onrechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt;
  3° de opdrachtgever, buiten het kader van een onderaanneming, als zijn aannemer een van de inbreuken, vermeld in artikel 12/2 van de voormelde wet, pleegt, als de opdrachtgever, voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat zijn aannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt;
  4° de opdrachtgever, binnen het kader van een onderaanneming, als de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel 12/2 van de voormelde wet, pleegt, als de opdrachtgever, voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.".
  "Art. 13/6. § 1. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van 500 euro tot 5000 euro als hij :
  1° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder dat hij een arbeidsvergunning heeft verkregen, of als de buitenlandse onderdaan niet over een arbeidskaart beschikt;
  2° een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten zonder de grenzen of de voorwaarden van de arbeidsvergunning of arbeidskaart te respecteren;
  3° de arbeidskaart niet heeft teruggegeven aan de buitenlandse werknemer of hem die heeft bezorgd tegen betaling van een bedrag of tegen vergoeding in welke vorm ook.
  § 2. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan een administratieve geldboete opgelegd worden van 1800 euro tot 18.000 euro aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde als hij in strijd met de bepalingen van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een buitenlandse onderdaan arbeid heeft doen of laten verrichten die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België.
  § 3. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan aan de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van 1800 euro tot 18.000 euro als hij op het ogenblik van de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land :
  1° niet vooraf nagegaan heeft of hij over een geldige verblijfsvergunning of een andere machtiging tot verblijf beschikt;
  2° niet, ten minste voor de duur van de tewerkstelling, een afschrift of de gegevens van zijn verblijfsvergunning of van zijn andere machtiging tot verblijf beschikbaar gehouden heeft voor de bevoegde inspectiediensten.
  § 4. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete opgelegd worden van 1800 euro tot 18.000 euro aan eenieder die :
  1° een buitenlandse onderdaan België heeft laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld, of daartoe heeft bijgedragen, tenzij de buitenlandse onderdaan in het bezit is van een geldige arbeidskaart en met uitzondering van de buitenlandse onderdaan voor wie de werkgever na zijn aankomst in België een arbeidsvergunning kan verkrijgen om er te worden tewerkgesteld;
  2° een buitenlandse onderdaan heeft beloofd, tegen betaling van welke vergoeding ook, hetzij een betrekking voor hem te zoeken, hetzij hem een betrekking te bezorgen, hetzij formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
  3° van een buitenlandse onderdaan een vergoeding in welke vorm ook heeft geëist of aangenomen, hetzij om voor hem een betrekking te zoeken, hetzij om hem een betrekking te bezorgen, hetzij om formaliteiten te vervullen voor zijn tewerkstelling in België;
  4° als tussenpersoon is opgetreden tussen een buitenlandse onderdaan en een werkgever of de autoriteiten die zijn belast met de toepassing van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, of tussen een werkgever en diezelfde autoriteiten, waarbij daden zijn gesteld die hetzij die buitenlandse onderdaan, hetzij de werkgever, hetzij de vermelde autoriteiten op een dwaalspoor kunnen brengen.
  § 5. Onder de voorwaarden, vermeld in dit decreet, en als de feiten ook voor strafvervolging vatbaar zijn, kan voor de volgende inbreuken op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de uitvoeringsbesluiten ervan, een administratieve geldboete opgelegd worden van 1800 euro tot 18.000 euro aan :
  1° een aannemer, buiten het kader van een keten van onderaannemers, of een intermediaire aannemer, in het kader van een dergelijke keten, als hun rechtstreekse onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel 12/2 van de voormelde wet, pleegt;
  2° een hoofdaannemer en intermediaire aannemer, in het kader van een keten van onderaannemers, als hun onrechtstreekse onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel 12/2 van de voormelde wet, pleegt, als ze, voorafgaand aan de door hen gepleegde inbreuk, op de hoogte zijn van het feit dat hun onrechtstreekse onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt;
  3° de opdrachtgever, buiten het kader van een onderaanneming, als zijn aannemer een van de inbreuken, vermeld in artikel 12/2 van de voormelde wet, pleegt, als de opdrachtgever, voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat zijn aannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt;
  4° de opdrachtgever, binnen het kader van een onderaanneming, als de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een inbreuk als vermeld in artikel 12/2 van de voormelde wet, pleegt, als de opdrachtgever, voorafgaand aan de door hem gepleegde inbreuk, op de hoogte is van het feit dat de na zijn aannemer rechtstreeks of onrechtstreeks komende onderaannemer een of meer illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt.".
Art. 51. Dans le mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© en dernier lieu par le dĂ©cret du 4 mars 2016, il est insĂ©rĂ© un article 13/6, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 13/6. § 1er. Aux conditions, fixĂ©es par le prĂ©sent dĂ©cret, et dans la mesure oĂč les faits sont Ă©galement passibles de peines pĂ©nales, une amende administrative de 500 Ă 5000 euros peut ĂȘtre infligĂ©e Ă l'employeur, son mandataire ou prĂ©posĂ© pour les infractions suivantes Ă la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers et ses arrĂȘtĂ© d'exĂ©cution lorsqu'il :
  1° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger sans avoir obtenu un permis de travail ou qui ne dispose pas d'une carte de travail ;
  2° a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger sans respecter les limites ou les conditions du permis de travail ou de la carte de travail ;
  3° n'a pas remis la carte de travail au travailleur étranger ou le lui a remis moyennant paiement d'une somme ou d'une rétribution sous quelque forme que ce soit.
  § 2. Aux conditions, fixĂ©es par le prĂ©sent dĂ©cret, et dans la mesure oĂč les faits sont Ă©galement passibles de peines pĂ©nales, une amende administrative de 1800 Ă 18000 euros peut ĂȘtre infligĂ©e Ă l'employeur, son mandataire ou prĂ©posĂ© qui, en contravention avec les dispositions de la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers et avec ses arrĂȘtĂ© d'exĂ©cution, a fait ou a laissĂ© travailler un ressortissant Ă©tranger sans ĂȘtre admis ou autorisĂ© Ă un sĂ©jour de plus de trois mois ou Ă un Ă©tablissement en Belgique.
  § 3. Aux conditions, fixĂ©es par le prĂ©sent dĂ©cret, et dans la mesure oĂč les faits sont Ă©galement passibles de peines pĂ©nales, une amende administrative de 1800 Ă 18 000 euros peut ĂȘtre infligĂ©e Ă l'employeur, son mandataire ou prĂ©posĂ© pour les infractions suivantes Ă la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers et ses arrĂȘtĂ© d'exĂ©cution lorsqu'il, au moment de l'emploi d'un ressortissant d'un pays tiers :
  1° n'a pas vérifié auparavant si celui-ci dispose d'un permis de séjour valable ou d'une autre autorisation de séjour ;
  2° n'a pas tenu à disposition, au moins pour la durée de l'occupation, une copie ou les données de son permis de séjour ou de son autre autorisation de séjour aux services d'inspection compétents.
  § 4. Aux conditions, fixĂ©es par le prĂ©sent dĂ©cret, et dans la mesure oĂč les faits sont Ă©galement passibles de peines pĂ©nales, une amende administrative de 1800 Ă 18 000 euros peut ĂȘtre infligĂ©e Ă quiconque qui, pour les infractions suivantes Ă la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution :
  1° a fait entrer en Belgique un ressortissant Ă©tranger ou a favorisĂ© l'entrĂ©e en Belgique de celui-ci en vue d'y ĂȘtre occupĂ©, sauf s'il s'agit d'un ressortissant Ă©tranger possĂ©dant un permis de travail valable et Ă l'exception du ressortissant Ă©tranger pour lequel l'employeur peut bĂ©nĂ©ficier d'une autorisation d'occupation postĂ©rieurement Ă son entrĂ©e en Belgique en vue d'y ĂȘtre occupĂ© ;
  2° a promis à un ressortissant étranger, moyennant une rétribution sous forme quelconque, soit de lui chercher un emploi, soit de lui procurer un emploi, soit d'accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
  3° a réclamé ou reçu d'un ressortissant étranger, une rétribution sous une forme quelconque, soit pour lui chercher un emploi, soit pour lui procurer un emploi, soit pour accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
  4° a servi d'intermédiaire entre un ressortissant étranger et un employeur ou les autorités chargées de l'application des dispositions de la présente loi ou de ses mesures d'exécution, en accomplissant des actes susceptibles d'induire en erreur, soit ce ressortissant étranger, soit l'employeur, soit lesdites autorités.
  § 5. Aux conditions, fixĂ©es par le prĂ©sent dĂ©cret, et dans la mesure oĂč les faits sont Ă©galement passibles de peines pĂ©nales, une amende administrative de 1800 Ă 18 000 euros peut ĂȘtre infligĂ©e pour les infractions suivantes Ă la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, aux personnes suivantes :
  1° un entrepreneur, en dehors du cadre de sous-traitants, ou un entrepreneur intermédiaire, dans le cadre d'une telle chaßne, lorsque leur sous-traitant direct commet une infraction telle que visée à l'article 12/2 de la loi précitée ;
  2° un entrepreneur principal et un entrepreneur intermédiaire, dans le cadre d'une chaßne de sous-traitants, lorsque leur sous-traitant indirect commet une infraction, telles que visées à l'article 12/2 de la loi précitée, et lorsqu'ils sont au courant, préalablement à l'infraction commise par eux, du fait que leur sous-traitant indirect occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement ;
  3° le donneur d'ordre, en dehors du cadre d'une sous-traitance, lorsque son entrepreneur commet une des infractions, visées à l'article 12/2 de la loi précitée, lorsque le donneur d'ordre est au courant, préalablement à l'infraction commise par lui, du fait que son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement ;
  4° le donneur d'ordre, dans le cadre d'une sous-traitance, lorsque le sous-traitant direct ou indirect de son entrepreneur commet une infraction, telle que visée à l'article 12/2 de la loi précitée, et lorsque le donneur d'ordre est au courant, préalablement à l'infraction commise par lui, du fait que le sous-traitant direct ou indirect de son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement. ".
  " Art. 13/6. § 1er. Aux conditions, fixĂ©es par le prĂ©sent dĂ©cret, et dans la mesure oĂč les faits sont Ă©galement passibles de peines pĂ©nales, une amende administrative de 500 Ă 5000 euros peut ĂȘtre infligĂ©e Ă l'employeur, son mandataire ou prĂ©posĂ© pour les infractions suivantes Ă la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers et ses arrĂȘtĂ© d'exĂ©cution lorsqu'il :
  1° a fait ou a laissé travailler un ressortissant étranger sans avoir obtenu un permis de travail ou qui ne dispose pas d'une carte de travail ;
  2° a fait ou laissé travailler un ressortissant étranger sans respecter les limites ou les conditions du permis de travail ou de la carte de travail ;
  3° n'a pas remis la carte de travail au travailleur étranger ou le lui a remis moyennant paiement d'une somme ou d'une rétribution sous quelque forme que ce soit.
  § 2. Aux conditions, fixĂ©es par le prĂ©sent dĂ©cret, et dans la mesure oĂč les faits sont Ă©galement passibles de peines pĂ©nales, une amende administrative de 1800 Ă 18000 euros peut ĂȘtre infligĂ©e Ă l'employeur, son mandataire ou prĂ©posĂ© qui, en contravention avec les dispositions de la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers et avec ses arrĂȘtĂ© d'exĂ©cution, a fait ou a laissĂ© travailler un ressortissant Ă©tranger sans ĂȘtre admis ou autorisĂ© Ă un sĂ©jour de plus de trois mois ou Ă un Ă©tablissement en Belgique.
  § 3. Aux conditions, fixĂ©es par le prĂ©sent dĂ©cret, et dans la mesure oĂč les faits sont Ă©galement passibles de peines pĂ©nales, une amende administrative de 1800 Ă 18 000 euros peut ĂȘtre infligĂ©e Ă l'employeur, son mandataire ou prĂ©posĂ© pour les infractions suivantes Ă la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers et ses arrĂȘtĂ© d'exĂ©cution lorsqu'il, au moment de l'emploi d'un ressortissant d'un pays tiers :
  1° n'a pas vérifié auparavant si celui-ci dispose d'un permis de séjour valable ou d'une autre autorisation de séjour ;
  2° n'a pas tenu à disposition, au moins pour la durée de l'occupation, une copie ou les données de son permis de séjour ou de son autre autorisation de séjour aux services d'inspection compétents.
  § 4. Aux conditions, fixĂ©es par le prĂ©sent dĂ©cret, et dans la mesure oĂč les faits sont Ă©galement passibles de peines pĂ©nales, une amende administrative de 1800 Ă 18 000 euros peut ĂȘtre infligĂ©e Ă quiconque qui, pour les infractions suivantes Ă la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution :
  1° a fait entrer en Belgique un ressortissant Ă©tranger ou a favorisĂ© l'entrĂ©e en Belgique de celui-ci en vue d'y ĂȘtre occupĂ©, sauf s'il s'agit d'un ressortissant Ă©tranger possĂ©dant un permis de travail valable et Ă l'exception du ressortissant Ă©tranger pour lequel l'employeur peut bĂ©nĂ©ficier d'une autorisation d'occupation postĂ©rieurement Ă son entrĂ©e en Belgique en vue d'y ĂȘtre occupĂ© ;
  2° a promis à un ressortissant étranger, moyennant une rétribution sous forme quelconque, soit de lui chercher un emploi, soit de lui procurer un emploi, soit d'accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
  3° a réclamé ou reçu d'un ressortissant étranger, une rétribution sous une forme quelconque, soit pour lui chercher un emploi, soit pour lui procurer un emploi, soit pour accomplir des formalités en vue de son occupation en Belgique ;
  4° a servi d'intermédiaire entre un ressortissant étranger et un employeur ou les autorités chargées de l'application des dispositions de la présente loi ou de ses mesures d'exécution, en accomplissant des actes susceptibles d'induire en erreur, soit ce ressortissant étranger, soit l'employeur, soit lesdites autorités.
  § 5. Aux conditions, fixĂ©es par le prĂ©sent dĂ©cret, et dans la mesure oĂč les faits sont Ă©galement passibles de peines pĂ©nales, une amende administrative de 1800 Ă 18 000 euros peut ĂȘtre infligĂ©e pour les infractions suivantes Ă la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, aux personnes suivantes :
  1° un entrepreneur, en dehors du cadre de sous-traitants, ou un entrepreneur intermédiaire, dans le cadre d'une telle chaßne, lorsque leur sous-traitant direct commet une infraction telle que visée à l'article 12/2 de la loi précitée ;
  2° un entrepreneur principal et un entrepreneur intermédiaire, dans le cadre d'une chaßne de sous-traitants, lorsque leur sous-traitant indirect commet une infraction, telles que visées à l'article 12/2 de la loi précitée, et lorsqu'ils sont au courant, préalablement à l'infraction commise par eux, du fait que leur sous-traitant indirect occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement ;
  3° le donneur d'ordre, en dehors du cadre d'une sous-traitance, lorsque son entrepreneur commet une des infractions, visées à l'article 12/2 de la loi précitée, lorsque le donneur d'ordre est au courant, préalablement à l'infraction commise par lui, du fait que son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement ;
  4° le donneur d'ordre, dans le cadre d'une sous-traitance, lorsque le sous-traitant direct ou indirect de son entrepreneur commet une infraction, telle que visée à l'article 12/2 de la loi précitée, et lorsque le donneur d'ordre est au courant, préalablement à l'infraction commise par lui, du fait que le sous-traitant direct ou indirect de son entrepreneur occupe un ou plusieurs ressortissants de pays tiers séjournant illégalement. ".
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding"
CHAPITRE 9. - Modifications du décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle)
Art. 52. Aan artikel 5, § 1, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap ``Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding'', gewijzigd bij de decreten van 19 december 2008, 23 november 2012, 12 juli 2013, 24 april 2015 en 4 maart 2016, wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "9° met betrekking tot jongeren die niet ingeschreven zijn als werkzoekende, heeft de VDAB de taak om te voorzien in een passend aanbod voor jongeren die voldoen aan de volgende voorwaarden :
  a) ze zijn jonger dan 25 jaar;
  b) ze hebben het onderwijs verlaten en beschikken niet over een diploma of getuigschrift;
  c) ze volgen geen opleiding;
  d) ze verrichten geen beroepsarbeid of zelfstandige activiteit.
  De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de raad van bestuur, wat onder passend aanbod en diploma of getuigschrift moet worden verstaan.".
  "9° met betrekking tot jongeren die niet ingeschreven zijn als werkzoekende, heeft de VDAB de taak om te voorzien in een passend aanbod voor jongeren die voldoen aan de volgende voorwaarden :
  a) ze zijn jonger dan 25 jaar;
  b) ze hebben het onderwijs verlaten en beschikken niet over een diploma of getuigschrift;
  c) ze volgen geen opleiding;
  d) ze verrichten geen beroepsarbeid of zelfstandige activiteit.
  De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de raad van bestuur, wat onder passend aanbod en diploma of getuigschrift moet worden verstaan.".
Art. 52. A l'article 5, § 1er, du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", modifié par les décrets des 19 décembre 2008, 23 novembre 2012, 12 juillet 2013, 24 avril 2015 et 4 mars 2016, il est ajouté un point 9°, rédigé comme suit :
  " 9° en ce qui concerne les jeunes qui ne sont pas inscrits comme demandeurs d'emploi, la VDAB a la tùche de pourvoir à une offre adéquate pour les jeunes qui répondent aux conditions suivantes :
  a) ils ont moins de 25 ans ;
  b) ils ont quitté l'enseignement et ne disposent pas d'un diplÎme ni d'un certificat ;
  c) ils ne suivent aucune formation ;
  d) ils n'exercent aucune activité professionnelle ou aucune activité indépendante.
  Le Gouvernement flamand détermine, sur avis du conseil d'administration, ce qu'il convient d'entendre par offre adéquate et diplÎme ou certificat. ".
  " 9° en ce qui concerne les jeunes qui ne sont pas inscrits comme demandeurs d'emploi, la VDAB a la tùche de pourvoir à une offre adéquate pour les jeunes qui répondent aux conditions suivantes :
  a) ils ont moins de 25 ans ;
  b) ils ont quitté l'enseignement et ne disposent pas d'un diplÎme ni d'un certificat ;
  c) ils ne suivent aucune formation ;
  d) ils n'exercent aucune activité professionnelle ou aucune activité indépendante.
  Le Gouvernement flamand détermine, sur avis du conseil d'administration, ce qu'il convient d'entendre par offre adéquate et diplÎme ou certificat. ".
Art. 53. In artikel 14, derde lid, van hetzelfde decreet wordt het woord "drie" vervangen door het woord "twee".
Art. 53. Dans l'article 14, alinĂ©a trois, du mĂȘme dĂ©cret, le mot " trois " est remplacĂ© par le mot " deux ".
HOOFDSTUK 10. - Wijziging van het decreet van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités
CHAPITRE 10. - Modification du décret du 7 mai 2004 relatif au statut, au fonctionnement, aux tùches et aux compétences des partenariats régionaux agréés, des conseils socio-économiques de la région et des comités de concertation socio-économiques régionaux
Art. 54. Artikel 31 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités wordt opgeheven.
Art. 54. L'article 31 du décret du 7 mai 2004 relatif au statut, au fonctionnement, aux tùches et aux compétences des partenariats régionaux agréés, des conseils socio-économiques de la région et des comités de concertation socio-économiques régionaux est abrogé.
HOOFDSTUK 11. - Wijziging van het Sociaal Strafwetboek van 6 juni 2010
CHAPITRE 11. - Modification du Code pénal social du 6 juin 2010
Art. 55. Artikel 175 van het Sociaal Strafwetboek van 6 juni 2010, gewijzigd bij de wet van 11 februari 2013, wordt opgeheven.
Art. 55. L'article 175 du Code pénal social du 6 juin 2010, modifié par la loi du 11 février 2013, est abrogé.
HOOFDSTUK 12. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 12. - Entrée en vigueur
Art. 56. De bepalingen van dit decreet treden in werking op 1 januari 2017, met uitzondering van artikel 54, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2016.
Art. 56. Les dispositions du présent décret entrent en vigueur le 1er janvier 2017, à l'exception de l'article 54, qui entre en vigueur le 1er septembre 2016.