Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
16 JUNI 2017. - Decreet betreffende het onderwijs XXVII
Titre
16 JUIN 2017. - Décret relatif à l'enseignement XXVII
Documentinformatie
Numac: 2017030978
Datum: 2017-06-16
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2017030978
Date: 2017-06-16
Moniteur: Voir
Tekst (179)
Texte (179)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel I.1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article I.1. Le présent décret rÚgle une matiÚre communautaire.
HOOFDSTUK 2. - Decreet basisonderwijs
CHAPITRE 2. - Décret relatif à l'enseignement fondamental
Art. II.1. In artikel 3 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, het laatst gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt tussen punt 24° en punt 24° bis, een punt 24° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "24° /1 individueel aangepast curriculum : een curriculum waarbij leerdoelen op maat van de leerling met een verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs worden geformuleerd. De leerdoelen op maat van de leerling worden gekozen door de klassenraad in afstemming met de ouders, waar mogelijk de leerling, de CLB-medewerker en in voorkomend geval externe ondersteuners, vertrekkende van de ontwikkelingsdoelen en de leerdoelen die het bereiken van de eindtermen beogen. Dit curriculum kan, indien dit noodzakelijk is voor de leerling, ook gebaseerd worden op de ontwikkelingsdoelen van het buitengewoon onderwijs. Het curriculum wordt naargelang de studievoortgang van de leerling aangepast. Deze leerdoelen moeten worden nagestreefd en beogen de maximale ontplooiing van de leerling en een zo volwaardig mogelijke participatie aan het klas- en schoolgebeuren in de school voor gewoon onderwijs. Leerlingen die een individueel aangepast curriculum volgen komen niet in aanmerking voor het getuigschrift basisonderwijs behoudens wanneer voldaan is aan de voorwaarden van artikel 54;".
Art. II.1. Dans l'article 3 du décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, modifié en dernier lieu par le décret du 17 juin 2016, il est inséré entre le point 24° et le point 24° bis un point 24° /1 ainsi rédigé :
  " 24° /1 programme adaptĂ© individuellement : un programme formulant des objectifs d'apprentissage au plus prĂšs des besoins de l'Ă©lĂšve possĂ©dant un rapport qui donne accĂšs Ă  l'enseignement spĂ©cial. Les objectifs d'apprentissage en fonction des besoins de l'Ă©lĂšve sont choisis par le conseil de classe de concert avec les parents, si possible l'Ă©lĂšve, le collaborateur CLB et, le cas Ă©chĂ©ant, des intervenants extĂ©rieurs, Ă  partir des objectifs de dĂ©veloppement et des objectifs d'apprentissage qui visent Ă  atteindre les objectifs finaux. Si cela se rĂ©vĂšle nĂ©cessaire pour l'Ă©lĂšve, ce programme peut se fonder Ă©galement sur les objectifs de dĂ©veloppement de l'enseignement spĂ©cial. Au fur et Ă  mesure de la progression de l'Ă©lĂšve, le programme est adaptĂ©. Ces objectifs d'apprentissage doivent ĂȘtre poursuivis de sorte que l'Ă©lĂšve puisse s'Ă©panouir au maximum et participer aussi pleinement que possible Ă  la vie de la classe et de l'Ă©cole dans une Ă©cole d'enseignement ordinaire. Les Ă©lĂšves qui suivent un programme adaptĂ© individuellement ne sont pas Ă©ligibles au certificat d'enseignement fondamental sauf s'il est satisfait aux conditions de l'article 54 ; ".
Art. II.2. In artikel 13, § 1, 1°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 maart 2009 en vervangen door het decreet van 21 december 2012, wordt het getal "220" vervangen door het getal "250".
Art. II.2. A l'article 13, § 1er, 1°, du mĂȘme dĂ©cret, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 20 mars 2009 et remplacĂ© par le dĂ©cret du 21 dĂ©cembre 2012, le nombre " 220 " est remplacĂ© par le nombre " 250 ".
Art. II.3. In artikel 29, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2003, wordt de laatste zin vervangen door wat volgt :
  "Die keuze kunnen ze uiterlijk op 30 juni van het lopende schooljaar wijzigen voor het volgende schooljaar.".
Art. II.3. Dans l'article 29, alinĂ©a 1er, du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par le dĂ©cret du 14 fĂ©vrier 2003, la derniĂšre phrase est remplacĂ©e par la disposition suivante :
  " Ils peuvent changer ce choix pour l'année scolaire suivante au plus tard le 30 juin de l'année scolaire en cours. ".
Art. II.4. In artikel 37undecies, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, vervangen bij het decreet van 21 maart 2014 en gewijzigd bij de decreten van 19 juni 2015 en 17 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden, tussen de zinsnede "leerlingenbegeleiding," en het woord "over", de woorden "binnen een redelijke termijn na de inschrijving" ingevoegd;
  2° tussen het eerste lid en het tweede lid wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Op basis van het overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, vermeld in het eerste lid, beslist de school binnen een redelijke termijn en uiterlijk 60 kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn.".
Art. II.4. A l'article 37undecies, § 2, du mĂȘme dĂ©cret, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 25 novembre 2011, remplacĂ© par le dĂ©cret du 21 mars 2014 et modifiĂ© par les dĂ©crets des 19 juin 2015 et 17 juin 2016, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " dans un délai raisonnable aprÚs l'inscription " sont insérés entre le membre de phrase " à organiser " et les mots " une concertation avec les parents " ;
  2° entre les alinéas 1er et 2, il est inséré un nouvel alinéa 2 ainsi rédigé :
  " Sur la base de la concertation avec les parents, le conseil de classe et le centre d'encadrement des élÚves visée à l'alinéa 1er, l'école décide dans un délai raisonnable et au plus tard 60 jours calendaires dÚs le début de la fréquentation scolaire effective si les aménagements en réponse aux besoins de l'élÚve sont proportionnels ou disproportionnels. ".
Art. II.5. Artikel 43 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004 en gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 43. § 1. Het leergebied Frans is verplicht in het vijfde en zesde jaar gewoon lager onderwijs. Het leergebied Frans kan aangeboden worden vanaf het eerste jaar gewoon lager onderwijs in de scholen van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en, op voorwaarde dat de leerlingen het Nederlands voldoende beheersen, vanaf het derde jaar gewoon lager onderwijs in de scholen buiten het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
  § 2. De talen Frans en/of Duits en/of Engels kunnen facultatief aangeboden worden vanaf het derde jaar gewoon lager onderwijs, op voorwaarde dat de leerlingen het Nederlands voldoende beheersen.
  § 3. Taalinitiaties in het Frans, Engels en Duits behoren facultatief tot het onderwijsaanbod van het gewoon basisonderwijs.
  § 4. Het in paragraaf 2 en paragraaf 3 bedoelde aanbod wordt bepaald door het schoolbestuur met toepassing van de regelgeving inzake participatie.
  § 5. De onderwijsinspectie waakt over een kwaliteitsvolle invulling van het taalaanbod, vermeld in dit artikel.".
Art. II.5. L'article 43 du mĂȘme dĂ©cret insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 7 mai 2004 et modifiĂ© par le dĂ©cret du 19 juillet 2013 est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 43. § 1er. La discipline " français " est obligatoire dans la cinquiĂšme et la sixiĂšme annĂ©e d'Ă©tudes de l'enseignement primaire ordinaire. La discipline " français " peut ĂȘtre proposĂ©e Ă  partir de la premiĂšre annĂ©e de l'enseignement primaire ordinaire dans les Ă©coles de la RĂ©gion bilingue de Bruxelles-Capitale et, Ă  condition que les Ă©lĂšves maĂźtrisent suffisamment le nĂ©erlandais, Ă  partir de la troisiĂšme annĂ©e de l'enseignement primaire ordinaire dans les Ă©coles situĂ©es en dehors de la rĂ©gion bilingue de Bruxelles-Capitale.
  § 2. La langue française et/ou la langue allemande et/ou la langue anglaise peuvent ĂȘtre proposĂ©es facultativement Ă  partir de la troisiĂšme annĂ©e de l'enseignement primaire ordinaire Ă  la condition que les Ă©lĂšves aient une maĂźtrise suffisante du nĂ©erlandais.
  § 3. Les cours d'initiation à la langue française, anglaise et allemande appartiennent facultativement à l'offre d'enseignement de l'enseignement fondamental ordinaire.
  § 4. L'offre visée aux paragraphes 2 et 3 est déterminée par l'autorité scolaire en application de la législation relative à la participation.
  § 5. L'inspection de l'enseignement veille à garantir la qualité de l'enseignement des langues visées au présent article. ".
Art. II.6. In hoofdstuk V van hetzelfde decreet wordt een afdeling 2bis ingevoegd, die luidt als volgt :
  "Afdeling 2bis. - Gebruik van gevalideerde toetsen voor interne kwaliteitszorg".
Art. II.6. Au chapitre V du mĂȘme dĂ©cret, il est insĂ©rĂ© une section 2bis ainsi rĂ©digĂ©e :
  " Section 2bis. Utilisation de tests validés pour une assurance qualité interne ".
Art. II.7. In hetzelfde decreet wordt in afdeling 2bis een artikel 44ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 44ter. Op het einde van het gewoon lager onderwijs neemt de school van elke leerling, vanaf het schooljaar 2017-2018, een gevalideerde toets af voor ten minste twee leergebieden en vanaf het schooljaar 2018-2019 voor ten minste drie leergebieden.
  De resultaten van deze toetsafnames zijn gericht op het verkrijgen van informatie op schoolniveau over de mate waarin de leerlingenpopulatie de eindtermen bereikt en ze worden aangewend in het kader van interne kwaliteitszorg. De resultaten kunnen één van de elementen zijn waar de klassenraad rekening mee houdt bij de toekenning van een getuigschrift zoals bepaald in artikel 53.".
Art. II.7. Dans la section 2bis du mĂȘme dĂ©cret, il est insĂ©rĂ© un article 44ter ainsi rĂ©digĂ© :
  " Art. 44ter. A partir de l'année scolaire 2017-2018, l'école soumet chaque élÚve à la fin de l'enseignement primaire ordinaire à un test validé d'au moins deux domaines d'apprentissage et à partir de l'année scolaire 2018-2019 d'au moins trois domaines d'apprentissage.
  Les résultats des tests ont pour but de collecter des informations au niveau de l'école sur la mesure dans laquelle la population d'élÚves a atteint les objectifs finaux et sont utilisés dans le cadre de l'assurance qualité interne. Les résultats peuvent constituer l'un des éléments dont le conseil de classe tient compte pour attribuer un certificat au sens de l'article 53. ".
Art. II.8. Artikel 53 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 17 juni 2016, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 53. Voor zover haar scholen voldoen aan de voorwaarden, bepaald in de artikelen 45 en 62, kan ieder schoolbestuur, op voordracht en na beslissing van de klassenraad een getuigschrift uitreiken aan de regelmatige leerlingen uit het gewoon lager onderwijs.
  De klassenraad oordeelt autonoom welk getuigschrift een leerling krijgt :
  1° hetzij een getuigschrift basisonderwijs, dat aangeeft dat de regelmatige leerling in voldoende mate die doelen uit het leerplan die het bereiken van de eindtermen beogen heeft bereikt;
  2° hetzij, indien de leerling het in punt 1° vermelde getuigschrift basisonderwijs niet krijgt, een getuigschrift dat aangeeft welke doelen de leerling wel bereikt heeft.
  Het getuigschrift kan slechts uitgereikt worden aan leerlingen die vóór 1 januari van het lopende schooljaar al acht jaar geworden zijn.".
Art. II.8. L'article 53, du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par les dĂ©crets des 25 avril 2014 et 17 juin 2016, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 53. Pour autant que ses écoles satisfassent aux conditions fixées aux articles 45 et 62, chaque autorité scolaire peut, sur proposition et aprÚs décision du conseil de classe, délivrer un certificat aux élÚves réguliers de l'enseignement primaire ordinaire.
  Le conseil de classe détermine de façon autonome quel certificat sera délivré à une élÚve :
  1° soit un certificat d'enseignement fondamental spécifiant que l'élÚve régulier a suffisamment atteint les objectifs du programme d'études qui visent à atteindre les objectifs finaux ;
  2° soit si l'élÚve n'obtient pas le certificat d'enseignement fondamental visé au point 1°, un certificat qui spécifie les objectifs que l'élÚve a toutefois atteint.
  Le certificat ne peut ĂȘtre dĂ©livrĂ© qu'aux Ă©lĂšves ayant dĂ©jĂ  atteint l'Ăąge de huit ans avant le 1er janvier de l'annĂ©e scolaire en cours. ".
Art. II.9. Artikel 54 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 54. § 1. Aan leerlingen uit het buitengewoon lager onderwijs en aan leerlingen met een individueel aangepast curriculum in het gewoon lager onderwijs kan een getuigschrift basisonderwijs worden uitgereikt indien de voor deze leerlingen vooropgestelde leerdoelen door de onderwijsinspectie als gelijkwaardig worden beschouwd met die van het gewoon lager onderwijs.
  § 2. De in paragraaf 1 vermelde leerlingen die het getuigschrift basisonderwijs niet krijgen, ontvangen een getuigschrift dat aangeeft welke doelen de leerling wel heeft bereikt.".
Art. II.9. L'article 54 du mĂȘme dĂ©cret est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 54. § 1er. Aux Ă©lĂšves de l'enseignement fondamental spĂ©cial et aux Ă©lĂšves disposant d'un programme adaptĂ© individuellement dans l'enseignement primaire ordinaire, un certificat d'enseignement fondamental peut ĂȘtre dĂ©livrĂ© si les objectifs d'apprentissage dĂ©finis par l'inspection de l'enseignement pour ces Ă©lĂšves sont considĂ©rĂ©s comme Ă©quivalents Ă  ceux de l'enseignement primaire ordinaire.
  § 2. Les élÚves visés au paragraphe 1er qui n'obtiennent pas le certificat d'enseignement fondamental, reçoivent un certificat attestant les objectifs que l'élÚve a toutefois atteint. ".
Art. II.10. In artikel 55 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de eerste zin wordt opgeheven;
  2° in de tweede zin wordt het woord "basisonderwijs" opgeheven.
Art. II.10. A l'article 55, du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par le dĂ©cret du 4 avril 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° la premiÚre phrase est abrogée ;
  2° dans la deuxiÚme phrase, les mots " d'enseignement fondamental " sont abrogés ;
Art. II.11. In artikel 57 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014, worden de woorden "De regering bepaalt de procedure tot aflevering van het getuigschrift basisonderwijs alsook de vorm ervan" vervangen door de woorden "De regering bepaalt de modaliteiten, de vorm en de procedure tot aflevering van de getuigschriften zoals bepaald in artikel 53".
Art. II.11. Dans l'article 57 du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par le dĂ©cret du 4 avril 2014, les mots " Le gouvernement fixe la procĂ©dure de dĂ©livrance du certificat d'enseignement fondamental ainsi que la forme de celui-ci " sont remplacĂ©s par les mots " Le gouvernement fixe les modalitĂ©s, la forme et la procĂ©dure de dĂ©livrance des certificats d'enseignement au sens de l'article 53 ".
Art. II.12. In artikel 101 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt :
  " § 2. De conform paragraaf 1 nieuw opgerichte types van vrije keuze moeten op de eerste schooldag van oktober van het oprichtingsjaar voldoen aan de door de regering vastgelegde rationalisatienormen.".
Art. II.12. A l'article 101 du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par le dĂ©cret du 21 mars 2014, le paragraphe 2 est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " § 2. Les types de libre choix nouvellement créés conformément au paragraphe 1er doivent satisfaire au premier jour de classe d'octobre de l'année de création aux normes de rationalisation fixées par le gouvernement. ".
Art. II.13. In hetzelfde decreet wordt een artikel 139duodecies/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 139duodecies/1. In afwijking van de bepalingen van artikel 139duodecies en artikel 139terdecies, § 1, wordt de driejarige cyclus 2014-2015 tot en met 2016-2017 waarbij aan scholen een geïntegreerd ondersteuningsaanbod gelijke onderwijskansen wordt toegekend, verlengd tot en met het schooljaar 2017-2018 met behoud voor elke school van het aantal bijkomende lestijden.".
Art. II.13. Dans le mĂȘme dĂ©cret, il est insĂ©rĂ© un article 139duodecies/1 rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 139duodecies/1. Par dérogation aux dispositions de l'article 139duodecies et de l'article 139terdecies, § 1er, le cycle triennal des années scolaires 2014-2015 à 2016-2017, par lequel il est attribué aux écoles une offre d'appui intégrée " égalité des chances en éducation " est prolongé pour inclure l'année scolaire 2017-2018 avec maintien pour chaque école du nombre de périodes supplémentaires. ".
Art. II.14. Aan hoofdstuk XI van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 15 juli 2016, wordt een afdeling 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Afdeling 4. - Invoering van regionale ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs
  Art. 172quinquies. § 1. Met het oog op de invoering van ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs kent de Vlaamse Regering jaarlijks binnen de beschikbare budgettaire ruimte personeelsomkadering onder de vorm van begeleidingseenheden, lestijden, lesuren en uren toe aan het buitengewoon onderwijs. Het betreft :
  1° 32.587 begeleidingseenheden, waarvan 21.029 voor het basisonderwijs en 11.558 voor het secundair onderwijs;
  2° enerzijds de lestijden en uren, in toepassing van artikel 173septies van dit decreet en anderzijds de lesuren en uren in toepassing van artikel 314/5 van de Codex Secundair Onderwijs;
  3° het extra budget ten belope van 2120 lestijden voor het basisonderwijs en 1410 lesuren voor het secundair onderwijs en 2168 uren, waarvan 1302 voor het basisonderwijs en 886 voor het secundair onderwijs.
  Begeleidingseenheden kunnen naargelang de aard van de ondersteuning die nodig is, omgezet worden in lestijden, lesuren en uren.
  De lestijden, respectievelijk de lesuren, en uren, inclusief de omgezette begeleidingseenheden, worden voor scholen buitengewoon basisonderwijs beschouwd als extra lestijden en extra uren, zoals bedoeld in artikel 3, 14° en 14° bis, van dit decreet, en voor scholen buitengewoon secundair onderwijs als extra lesuren en uren.
  § 2. Op het totaal van de middelen, vermeld in paragraaf 1, 1° tot en met 3°, wordt jaarlijks een pakket aan begeleidingseenheden afgehouden voor de ondersteuning in het gewoon basis- of secundair onderwijs van leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking, waarover ze beschikken omdat ze, voor het basisonderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 16, § 2, van dit decreet of, voor het secundair onderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 352, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs en leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking, die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, 4° en 6°, van dit decreet, en artikel 10, § 1, eerste lid, 7°, van het voormelde decreet wat betreft een auditieve beperking of artikel 259, § 1, 2°, 4° en 6°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, en artikel 259, § 1, 7°, van dezelfde codex, wat betreft een auditieve beperking.
  De voorafname gebeurt naar rato van de procentuele toename of afname van het aantal leerlingen van de in het vorige lid vermelde types, die op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar zijn ingeschreven in een school voor gewoon onderwijs, in vergelijking met deze op de eerste schooldag van oktober 2016, voor wie in het schooljaar 2017-2018 in een pakket ten belope van 14.804 begeleidingseenheden wordt voorzien.
  De begeleidingseenheden worden door de Vlaamse Regering toegewezen aan de scholen voor buitengewoon onderwijs en worden aangewend om netoverstijgend de ondersteuningsvragen van scholen en centra gewoon onderwijs met betrekking tot leerlingen type 2, 4, 6 en 7 auditieve beperking te beantwoorden.
  § 3. Het budget, vermeld in paragraaf 1, verminderd met de jaarlijkse voorafname, vermeld in paragraaf 2, wordt door de Vlaamse Regering toegewezen aan ondersteuningsnetwerken en volledig toegekend aan de scholen buitengewoon onderwijs, voor de ondersteuning in het gewoon basis- of secundair onderwijs van leerlingen met een inschrijvingsverslag waarover ze beschikken omdat ze, voor het basisonderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 16, § 2, van dit decreet of, voor het secundair onderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 352, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs en leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type basisaanbod, 3, 9 of 7 spraak- of taalstoornis, die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van dit decreet, en artikel 10, § 1, eerste lid, 7°, van het voormelde decreet wat betreft een spraak- of taalstoornis of artikel 259, § 1, 1°, 3° en 8°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, en artikel 259, § 1, 7°, van dezelfde codex, wat betreft een spraak- of taalstoornis, waarbij :
  1° 70 % wordt verdeeld op basis van het leerlingenaantal op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar van de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk;
  2° 30 % wordt verdeeld op basis van het gemiddeld aantal leerlingen met een verslag, gemotiveerd verslag of inschrijvingsverslag in de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk op de eerste schooldag van februari van de zes voorafgaande schooljaren;
  3° in afwijking van punt 2° gelden als teldata :
  a) voor het schooljaar 2017-2018 : de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2011-2012 tot en met 2016-2017;
  b) voor het schooljaar 2018-2019 : de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van het schooljaar 2017-2018;
  c) voor het schooljaar 2019-2020 : de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019.
  Voor de middelen, vermeld in paragraaf 1, 2°, gebeurt deze verdeling afzonderlijk voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs.
  Scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs delen uiterlijk op 30 juni 2017 aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten mee met welke scholen zij op dit moment samenwerken in het kader van gon, ion en waarborg in functie van de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, en bij welk ondersteuningsnetwerk ze voor het schooljaar 2017-2018 aansluiten. Daarna moeten wijzigingen aan de samenstelling jaarlijks uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande schooljaar meegedeeld worden.
  Voor de vorming van de ondersteuningsnetwerken wordt maximaal ingezet op samenwerking met scholen van andere netten. Deze samenwerking kan minimaal volgende vormen aannemen :
  a) scholen kunnen indien ze dit wensen, opteren voor ondersteuning door een ondersteuningsnetwerk van een ander net;
  b) het versterken van de internettensamenwerking.
  Voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap maken de inrichtende machten tegen 1 januari 2018 sluitende afspraken over logische regionale gebieden waarbinnen er slechts een ondersteuningsnetwerk actief is en waarbij binnen die regio alle officiële scholen zich aansluiten en die over ondersteuning en begeleiding in het kader van ondersteuning van kinderen met specifieke onderwijsbehoeften, afspraken kunnen maken met eender welk ander ondersteuningsnetwerk.
  In het kader van deze afspraken kunnen scholen buitengewoon onderwijs middelen overdragen aan scholen buitengewoon onderwijs van een ondersteuningsnetwerk dat behoort tot een ander onderwijsnet.
  § 4. Het globale verlies op het niveau van een onderwijsnet ten gevolge van de berekeningswijze, vermeld in paragraaf 3, in vergelijking met de situatie op niveau van een onderwijsnet van waarborg en begeleidingseenheden gon, met uitzondering van de doelgroepen, bedoeld in paragraaf 2, in het schooljaar 2016-2017, wordt gecompenseerd voor een transitieperiode van de drie schooljaren 2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020 bij wijze van een garantiefonds, door het aandeel van de scholen en centra van het stijgende onderwijsnet procentueel te verminderen en het aandeel van de scholen en centra van het dalende onderwijsnet procentueel te vermeerderen naar rato van het vastgestelde verlies van het dalende onderwijsnet.
  De middelen die het dalende onderwijsnet op die wijze ontvangt, vallen onder de regie van dat onderwijsnet om de verliezen in het buitengewoon onderwijs te compenseren zodat er geen verlies is aan tewerkstelling en ondersteuning die vandaag bestaat. Deze middelen worden tijdens de transitieperiode ingezet voor de verdere ondersteuning van scholen en centra in het gewoon onderwijs van de onderwijsnetten.
  § 5. Voor ondersteuningsnetwerken die netoverstijgend zijn samengesteld fungeert de gemeenschappelijke vergadering, vermeld in paragraaf 9, als commissie. Voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden. Bij de toewijzing wordt rekening gehouden met volgende criteria : er mag geen verlies aan tewerkstelling en bestaande ondersteuning zijn zodat de verschuivingen zo maximaal mogelijk op een natuurlijke manier tot stand komen.
  De Vlaamse Regering wijst de omkadering, vermeld in paragraaf 3 en 4, toe aan de ondersteuningsnetwerken op voorstel van de commissies, vermeld in het eerste lid, en kent de omkadering toe aan de scholen voor buitengewoon onderwijs. De commissies houden bij hun voorstellen tijdens de transitieperiode rekening met de beoogde ondersteuning van de ondersteuningsnetwerken, zoals bepaald overeenkomstig paragraaf 3.
  In afwijking hiervan worden van de in paragraaf 1, 1°, vermelde 32.587 begeleidingseenheden 17.783 begeleidingseenheden door de Vlaamse Regering rechtstreeks terug verdeeld naar de scholen voor buitengewoon onderwijs die in het schooljaar 2016-2017 begeleidingen deden in het kader van het geïntegreerd onderwijs naar rato van :
  1° 100 % in het schooljaar 2017-2018;
  2° 66 % in het schooljaar 2018-2019;
  3° 33 % in het schooljaar 2019-2020.
  Het aandeel begeleidingseenheden waarover de commissies in de schooljaren 2018-2019 en 2019-2020 bevoegd worden, worden uitgedrukt in lestijden, lesuren en uren.
  § 6. Het personeelslid dat in een betrekking wordt aangesteld op basis van de lestijden, lesuren of uren als vermeld in het laatste lid van paragraaf 1, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid voor bepaalde duur. De bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs zijn, naargelang van het geval, van toepassing op deze aanstelling, met uitzondering van de volgende bepalingen :
  1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school waar de betrekking wordt opgericht, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid en is, naargelang van het geval, een reaffectatie, een wedertewerkstelling of een tewerkstelling. Indien deze aanstelling een tewerkstelling is, dan wordt ze beschouwd als een wedertewerkstelling;
  2° het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in de betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikelen 21 en 21bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, naargelang van het geval;
  3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking.
  § 7. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.
  § 8. In afwijking van artikel 8 tot en met artikel 15, artikel 16bis tot en met artikel 20, en artikel 22 tot en met artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de opdracht van het personeel in het basisonderwijs geldt voor het onderwijzend personeel, het paramedisch personeel, het medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel dat aangesteld wordt in een betrekking in het buitengewoon basisonderwijs tijdens het schooljaar 2017-2018 tot en met 2019-2020 een hoofdopdracht van 22 lestijden en een schoolopdracht van 26 klokuren.
  De hoofdopdracht bestaat in de ondersteuning van het onderwijzend personeel en van het kind dat de ondersteuning nodig heeft in het gewoon onderwijs.
  De tijd die nodig is voor professionalisering, overleg en samenwerking, coördinatietaken en dienstverplaatsingen maakt deel uit van de schoolopdracht.
  Middelen binnen een ondersteuningsnetwerk die niet rechtstreeks worden aangewend voor leerling- of leerkrachtgerichte ondersteuning moeten worden verantwoord en goedgekeurd door alle lokale onderhandelingscomités van de betrokken scholen.
  In het kader van de uitwerking van dit decreet zullen de competentiebegeleiders, vermeld in artikel VI.1 van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, in hun taakstelling bijzondere aandacht besteden aan de opdracht, vermeld in paragraaf 2, punt 4°, door hen effectief in te zetten om in de ondersteuningsnetwerken te werken aan expertiseontwikkeling.
  § 9. Een stuurgroep die wordt opgericht in de schoot van deze gemeenschappelijke vergadering van het Sectorcomité X - Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten - afdeling 2 - onderafdeling `Vlaamse Gemeenschap' en het Overkoepelend onderhandelingscomité gesubsidieerd vrij onderwijs, staat in voor de voorbereiding, opvolging en aansturing van de invoering van ondersteuningsnetwerken. De onderwijsinspectie en administratie zullen toezicht houden op de toekenning en aanwending van de middelen voor personeelsomkadering, vermeld in paragraaf 1, op de werking van de ondersteuningsnetwerken, de coördinatie en de aansturing van de teams en op de kwaliteit van de ondersteuning op niveau van het effect voor leraren, lerarenteams en leerlingen.
  § 10. De overheid zal een grondige evaluatie en monitoring doorvoeren waarvan de resultaten op 1 september 2019 beschikbaar zijn. Deze evaluatie zal uitgevoerd worden in samenspraak met de stuurgroep, vermeld in paragraaf 9, door een onafhankelijke commissie van experten en academici en heeft onder meer betrekking op :
  1° het gehanteerde verdelingsmechanisme;
  2° de personeelseffecten;
  3° de ondersteuning in de klas voor de leerling en de leerkracht en de leerlingenbewegingen;
  4° de doelmatige aanwending van de middelen.".
Art. II.14. Le chapitre XI du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par le dĂ©cret du 15 juillet 2016, est complĂ©tĂ© par une section 4, rĂ©digĂ©e comme suit :
  " Section 4. - Introduction de réseaux régionaux de soutien dans l'enseignement fondamental et secondaire
  Art. 172quinquies. § 1er. Au titre de l'introduction de réseaux de soutien dans l'enseignement fondamental et secondaire, le Gouvernement flamand accorde annuellement, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, à l'enseignement spécial un systÚme d'encadrement des personnels sous la forme d'unités d'accompagnement, de périodes de cours, d'heures de cours et d'heures. Il s'agit :
  1° de 32.587 unités d'accompagnement, dont 21.029 pour l'enseignement fondamental et 11.558 pour l'enseignement secondaire ;
  2° d'une part, des périodes de cours et des heures en application de l'article 173septies du présent décret et, d'autre part, des heures de cours et des heures en application de l'article 314/5 du Code de l'Enseignement secondaire ;
  3° du budget supplémentaire à concurrence de 2120 périodes de cours pour l'enseignement fondamental et de 1410 heures de cours pour l'enseignement secondaire et de 2168 heures, dont 1302 heures pour l'enseignement fondamental et 886 heures pour l'enseignement secondaire.
  En fonction de la nature du soutien nĂ©cessaire, les unitĂ©s d'accompagnement peuvent ĂȘtre converties en pĂ©riodes de cours, heures de cours et heures.
  Les périodes de cours, respectivement les heures de cours et les heures y compris les unités d'accompagnement converties sont considérées pour les écoles d'enseignement fondamental spécial comme des périodes supplémentaires et des heures supplémentaires au sens de l'article 3, 14° et 14° bis du présent décret et pour les écoles d'enseignement secondaire spécial comme des heures de cours et heures supplémentaires.
  § 2. De l'enveloppe globale des moyens visĂ©s au paragraphe 1er, 1° Ă  3°, un ensemble d'unitĂ©s d'accompagnement est dĂ©duit pour le soutien dans l'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire d'Ă©lĂšves en possession d'un rapport d'inscription pour le type 2, 4, 6 ou 7 dĂ©ficience auditive dont ils disposent parce qu'ils tombent, pour l'enseignement fondamental, dans le champ d'application de l'article 16, § 2, du prĂ©sent dĂ©cret ou, pour l'enseignement secondaire, dans le champ d'application de l'article 352, § 2, du Code de l'Enseignement secondaire et d'Ă©lĂšves en possession d'un rapport motivĂ© ou d'un rapport pour le type 2, 4, 6 ou 7 dĂ©ficience auditive, qui satisfont aux critĂšres visĂ©s Ă  l'article 10, § 1er, alinĂ©a 1er, 2°, 4° et 6° du prĂ©sent dĂ©cret, et Ă  l'article 10, § 1er, alinĂ©a 1er, 7°, du dĂ©cret prĂ©citĂ© pour ce qui est d'une dĂ©ficience auditive ou Ă  l'article 259, § 1er, 2°, 4° et 6° du Code de l'Enseignement secondaire du 17 dĂ©cembre 2010 et Ă  l'article 259, § 1er, 7°, du mĂȘme Code pour ce qui est d'une dĂ©ficience auditive.
  Le prélÚvement se fait en raison du pourcentage d'augmentation ou de diminution du nombre d'élÚves des types mentionnés à l'alinéa précédent, qui, au premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente sont inscrits dans une école d'enseignement ordinaire en comparaison avec ceux inscrits au premier jour de classe d'octobre 2016, pour qui, dans l'année scolaire 2017-2018, un ensemble d'unités d'accompagnement à concurrence de 14.804 unités d'accompagnement est prévu.
  Les unités d'accompagnement sont attribuées par le Gouvernement flamand aux écoles d'enseignement spécial et sont utilisées pour répondre aux demandes de soutien émanant des écoles et des centres d'enseignement ordinaire de tous les réseaux pour combler les besoins des élÚves des types 2, 4, 6 et 7 déficience auditive.
  § 3. Le budget, visĂ© au paragraphe 1er, rĂ©duit du prĂ©lĂšvement annuel visĂ© au paragraphe 2 est attribuĂ© par le Gouvernement flamand aux rĂ©seaux de soutien et est accordĂ© dans son ensemble aux Ă©coles d'enseignement spĂ©cial pour le soutien dans l'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire d'Ă©lĂšves en possession d'un rapport d'inscription dont ils disposent parce qu'ils tombent, pour l'enseignement fondamental, dans le champ d'application de l'article 16, § 2 du prĂ©sent dĂ©cret ou, pour l'enseignement secondaire, dans le champ d'application de l'article 352, § 2, du Code de l'Enseignement secondaire et d'Ă©lĂšves en possession d'un rapport motivĂ© ou d'un rapport du type offre de base, 3, 9 ou 7 trouble du langage ou linguistique, qui satisfont aux critĂšres visĂ©s Ă  l'article 10, § 1er, alinĂ©a 1er, 1°, 3° et 8° du prĂ©sent dĂ©cret, et Ă  l'article 10, § 1er, alinĂ©a 1er, 7° du dĂ©cret prĂ©citĂ© pour ce qui est d'un trouble du langage ou linguistique ou Ă  l'article 259, § 1er, 1°, 3° et 8° du Code de l'Enseignement secondaire du 17 dĂ©cembre 2010 et Ă  l'article 259, § 1er, 7° du mĂȘme Code pour ce qui est d'un trouble du langage ou linguistique, dont :
  1° 70 % est réparti sur la base du nombre d'élÚves au premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente des écoles et centres d'enseignement ordinaire du réseau de soutien ;
  2° 30 % est réparti sur la base du nombre moyen d'élÚves en possession d'un rapport, d'un rapport motivé ou d'un rapport d'inscription dans les écoles et centres d'enseignement ordinaire du réseau de soutien au premier jour de classe de février des six années scolaires précédentes ;
  3° par dérogation au point 2°, les dates de comptage suivantes s'appliquent :
  a) pour l'année scolaire 2017-2018 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2011-2012 à 2016-2017 ;
  b) pour l'année scolaire 2018-2019 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2012-2013 à 2016-2017 et le premier jour de classe de février de l'année scolaire 2017-2018 ;
  c) pour l'année scolaire 2019-2020 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2013-2014 à 2016-2017 et le premier jour de classe de février des années scolaires 2017-2018 et 2018-2019.
  Pour les moyens visés au paragraphe 1er, 2°, cette répartition se fait séparément pour l'enseignement fondamental et l'enseignement secondaire.
  Les Ă©coles d'enseignement ordinaire et spĂ©cial communiquent, le 30 juin 2017 au plus tard, Ă  l'Agence de Services d'Enseignement les Ă©coles avec lesquelles elles collaborent dans le cadre de l'enseignement intĂ©grĂ© (GON), de l'enseignement inclusif (ION) et du rĂ©gime de garanties en fonction du soutien des Ă©lĂšves Ă  besoins Ă©ducatifs spĂ©cifiques et le rĂ©seau de soutien auquel elles s'affilient pour l'annĂ©e scolaire 2017-2018. Par la suite, des modifications dans la composition doivent ĂȘtre communiquĂ©es chaque annĂ©e le 1er mars au plus tard de l'annĂ©e scolaire prĂ©cĂ©dente.
  Pour la formation de réseaux de soutien, un maximum d'efforts est fait pour faciliter la coopération avec les écoles des autres réseaux. Au minimum, cette coopération peut prendre les formes suivantes :
  a) les écoles peuvent, si elles le souhaitent, opter pour un soutien par un réseau de soutien d'un autre réseau ;
  b) le renforcement de la coopération inter-réseaux.
  Pour l'enseignement officiel subventionné et l'enseignement GO! de la Communauté flamande, les pouvoirs organisateurs concluent pour le 1er janvier 2018 des accords clairs sur les régions logiques dans lesquelles un seul réseau de soutien est actif et auquel, dans cette région, s'affilient toutes les écoles officielles et qui peuvent faire des accords sur le soutien et l'accompagnement dans le cadre du soutien d'enfants à besoins éducatifs spécifiques avec n'importe quel autre réseau.
  Dans le cadre de ces accords, des écoles d'enseignement spécial peuvent transférer des moyens à des écoles d'enseignement spécial d'un réseau de soutien appartenant à un autre réseau d'enseignement.
  § 4. La perte globale pour un réseau d'enseignement en raison du mode de calcul visé au paragraphe 3 en comparaison avec la situation d'un réseau d'enseignement " régime des garanties et unités d'accompagnement GON ", à l'exception des groupes-cibles visés au paragraphe 2, dans l'année scolaire 2016-2017, est compensée pour une période transitoire de trois années scolaires, à savoir les années scolaires 2017-2018, 2018-2019, 2019-2020, par voie d'un fonds de garanties, en diminuant en pourcentage la part des écoles et des centres du réseau d'enseignement qui affiche une hausse et en augmentant en pourcentage la part des écoles et des centres du réseau d'enseignement qui affiche une baisse au prorata de la perte constatée du réseau d'enseignement qui affiche une baisse.
  Les moyens ainsi obtenus par le rĂ©seau d'enseignement qui affiche une baisse sont gĂ©rĂ©s par ce rĂ©seau d'enseignement pour compenser les pertes dans l'enseignement spĂ©cial de maniĂšre Ă  ce qu'une perte d'emplois et d'appui telle qu'elle existe aujourd'hui soit Ă©vitĂ©e. Pendant la pĂ©riode de transition, ces moyens continuent Ă  ĂȘtre affectĂ©s au soutien des Ă©coles et des centres dans l'enseignement ordinaire des rĂ©seaux d'enseignement.
  § 5. Pour les rĂ©seaux de soutien organisĂ©s comme un dispositif inter-rĂ©seaux, la rĂ©union commune visĂ©e au paragraphe 9 agit en tant que commission. Pour l'enseignement libre subventionnĂ©, l'enseignement officiel subventionnĂ© et l'enseignement GO! de la CommunautĂ© flamande, il est créé chaque fois une commission qui se compose d'un nombre Ă©gal de reprĂ©sentants de l'enseignement GO! de la CommunautĂ© flamande, respectivement des associations reprĂ©sentatives des pouvoirs organisateurs et des groupements reprĂ©sentatifs des associations de personnels affiliĂ©es Ă  une organisation syndicale reprĂ©sentĂ©e dans le Sociaal Economische Raad van Vlaanderen. Au sein de la commission pour l'enseignement libre subventionnĂ©, une sous-commission peut ĂȘtre Ă©tablie pour un ou plusieurs groupes dans l'enseignement libre subventionnĂ© autre que l'enseignement libre catholique subventionnĂ©. Lors de l'attribution, il est tenu compte des critĂšres suivants : il ne peut pas y avoir de perte d'emplois et de soutien existant de maniĂšre Ă  ce que des glissements se produisent autant que possible de maniĂšre naturelle.
  Le Gouvernement flamand attribue l'encadrement visé aux paragraphes 3 et 4 aux réseaux de soutien sur la proposition des commissions visées à l'alinéa 1er et affecte l'encadrement aux écoles d'enseignement spécial. Pendant la période de transition, les commissions tiennent compte, dans leurs propositions, du soutien envisagé des réseaux de soutien tels que fixés conformément au paragraphe 3.
  Par dérogation à cette disposition, 17.783 unités d'accompagnement des 32.587 unités d'accompagnement visées sont directement réaffectées par le Gouvernement flamand aux écoles d'enseignement spécial qui assuraient des démarches d'accompagnement dans le cadre de l'enseignement intégré au prorata de :
  1° 100 % dans l'année scolaire 2017-2018 ;
  2° 66 % dans l'année scolaire 2018-2019 ;
  3° 33 % dans l'année scolaire 2019-2020.
  La part des unités d'accompagnement dont les commissions sont responsables dans les années scolaires 2018-2019 et 2019-2020 est exprimée en périodes de cours, heures de cours et heures.
  § 6. Le membre du personnel désigné dans un emploi sur la base des périodes de cours, heures de cours ou heures telles que visées au dernier alinéa du paragraphe 1er, est toujours désigné comme membre du personnel temporaire à durée déterminée. Les dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné s'appliquent, suivant le cas, à cette désignation, à l'exception des dispositions suivantes :
  1° l'emploi n'est pas rĂ©gi par la rĂ©glementation relative Ă  la mise en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi, Ă  la rĂ©affectation et Ă  la remise au travail. L'autoritĂ© scolaire de l'Ă©cole oĂč est organisĂ© l'emploi peut toutefois dĂ©signer, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi. Cette dĂ©signation se fait toujours moyennant le consentement du membre du personnel mis en disponibilitĂ© et constitue, suivant le cas, une rĂ©affectation, une remise au travail ou une mise au travail. Si cette dĂ©signation est une mise au travail, elle est considĂ©rĂ©e comme une remise au travail ;
  2° l'autorité scolaire de l'école à laquelle l'emploi est attribué n'est pas obligée de désigner à cet emploi un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, conformément aux articles 21 et 21bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou aux articles 23 et 23bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, suivant le cas ;
  3° l'emploi ne peut ĂȘtre dĂ©clarĂ© vacant. L'autoritĂ© scolaire ne peut en aucun cas nommer Ă  titre dĂ©finitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi.
  § 7. Les accords concernant l'employabilité des membres du personnel conclus par les écoles coopérantes dans ce projet, relÚvent de l'article 12quater du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et de l'article 17quater du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
  § 8. Par dĂ©rogation aux articles 8 Ă  15, aux articles 16bis Ă  20 et aux articles 22 Ă  23 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 juin 1997 relatif Ă  la charge du personnel dans l'enseignement fondamental, une charge principale de 22 pĂ©riodes de cours et une charge scolaire de 26 heures d'horloge s'appliquent au personnel enseignant, au personnel paramĂ©dical, mĂ©dical, social, psychologique et orthopĂ©dagogique qui est dĂ©signĂ© dans un emploi de l'enseignement fondamental spĂ©cial pendant les annĂ©es scolaires 2017-2018 Ă  2019-2020.
  La charge principale consiste à soutenir le personnel enseignant et l'enfant ayant besoin de soutien dans l'enseignement ordinaire.
  Le temps nécessaire pour la professionnalisation, la concertation et la coopération, les tùches de coordination et les déplacements de service fait partie de la charge scolaire.
  Des moyens d'un rĂ©seau de soutien qui ne sont pas affectĂ©s directement au soutien de l'Ă©lĂšve ou des enseignants doivent ĂȘtre justifiĂ©s et approuvĂ©s par tous les comitĂ©s locaux de nĂ©gociation des Ă©coles concernĂ©es.
  Dans le cadre de la prise d'effet du prĂ©sent dĂ©cret, les membres de l'Ă©quipe d'encadrement visĂ©s Ă  l'article VI.1 du dĂ©cret du 21 mars 2014 relatif Ă  des mesures pour les Ă©lĂšves Ă  besoins Ă©ducatifs spĂ©cifiques, Ă  savoir les accompagnateurs " dĂ©veloppement de compĂ©tences ", prĂȘteront, dans l'exĂ©cution de leur mission, une attention particuliĂšre Ă  la charge visĂ©e au paragraphe 2, 4°, en se consacrant efficacement au dĂ©veloppement d'expertise dans les rĂ©seaux de soutien.
  § 9. Un groupe de pilotage installé au sein de cette réunion commune du Comité sectoriel X - Enseignement (Communauté flamande), du Comité des services publics provinciaux et locaux - section 2 - sous-section " Communauté flamande " et du Comité coordinateur de négociation de l'enseignement libre subventionné, est chargé de la préparation, du suivi et du pilotage de l'introduction des réseaux de soutien. L'inspection de l'enseignement et l'administration contrÎleront l'octroi et l'affectation des moyens à l'encadrement du personnel visé au paragraphe 1er, le fonctionnement des réseaux de soutien, la coordination et le pilotage des équipes ainsi que la qualité du soutien au niveau des effets produits sur les enseignants, les équipes d'enseignants et les élÚves.
  § 10. L'autorité effectuera une évaluation et un suivi rigoureux dont les résultats seront disponibles le 1er septembre 2019. Cette évaluation sera faite en concertation avec le groupe de pilotage visé au paragraphe 9 par une commission indépendante d'experts et de personnes provenant des milieux universitaires et porte entre autres sur :
  1° le mécanisme de répartition appliqué ;
  2° les incidences sur le personnel ;
  3° le soutien en classe de l'élÚve et de l'enseignant et les mouvements des élÚves ;
  4° à l'affectation efficace des moyens. ".
Art. II.15. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2017.
  Artikel II.3 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2017.
  Artikel II.2 treedt in werking op 1 september 2018.
Art. II.15. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2017.
  L'article II.3 produit ses effets le 1er janvier 2017.
  L'article II.2 entre en vigueur le 1er septembre 2018.
HOOFDSTUK 3. -Secundair onderwijs
CHAPITRE 3. - Enseignement secondaire
Afdeling 1. - Codex Secundair Onderwijs
Section 1re. - Code de l'Enseignement secondaire
Art. III.1. In artikel 3 van de Codex Secundair Onderwijs, het laatst gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° er wordt een punt 15° /2 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "15° /2 individueel aangepast curriculum : een curriculum waarbij leerdoelen op maat van de leerling met een verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs worden geformuleerd. De leerdoelen op maat van de leerling worden gekozen door de klassenraad in afstemming met de ouders, waar mogelijk de leerling, de CLB-medewerker en in voorkomend geval externe ondersteuners, vertrekkende van het geheel van de leerdoelen van de betrokken opleiding. Dit curriculum kan, indien dit noodzakelijk is voor de leerling, gebaseerd worden op de ontwikkelingsdoelen van het buitengewoon onderwijs of op de opleidingsprofielen van opleidingsvorm 3. Het curriculum wordt naargelang de studievoortgang van de leerling aangepast. Deze leerdoelen moeten worden nagestreefd, en beogen de maximale ontplooiing van de leerling en een zo volwaardig mogelijke participatie aan het klas- en schoolgebeuren in de school voor gewoon onderwijs. Daarnaast beoogt dit curriculum ook ofwel de participatie aan de maatschappij, eventueel in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is, ofwel de arbeidsdeelname in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is, ofwel de tewerkstelling in een werkomgeving waar in ondersteuning voorzien is, ofwel de tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu, ofwel de verdere studies. Leerlingen die een individueel aangepast curriculum volgen komen niet in aanmerking voor de reguliere studiebewijzen van het gewoon voltijds secundair onderwijs, behoudens wanneer voldaan is aan de voorwaarden van artikel 115, § 1, derde lid;";
  2° er wordt een punt 40° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "40° /1 sociaal maatschappelijke training : een buitenschoolse training voor leerlingen van opleidingsvorm 1 met als doel ervaring op te doen met het oog op een zinvolle dagbesteding in het kader van wonen en vrije tijd, maar niet om beroepservaring op te doen gericht op latere betaalde of onbetaalde arbeid;".
Art. III.1. A l'article 3 du Code de l'Enseignement secondaire, modifié en dernier lieu par le décret du 17 juin 2016, sont apportées les modifications suivantes :
  1° il est inséré un point 15° /2 rédigé comme suit :
  " 15° /2 programme adaptĂ© individuellement : un programme formulant des objectifs d'apprentissage au plus prĂšs des besoins de l'Ă©lĂšve en possession d'un rapport donnant accĂšs Ă  l'enseignement spĂ©cial. Les objectifs d'apprentissage en fonction des besoins de l'Ă©lĂšve sont choisis par le conseil de classe de concert avec les parents, si possible, avec l'Ă©lĂšve, le collaborateur du CLB et, le cas Ă©chĂ©ant, avec des intervenants extĂ©rieurs, Ă  partir de l'ensemble des objectifs d'apprentissage de la formation concernĂ©e. Ce programme peut, si besoin est, prendre appui sur les objectifs de dĂ©veloppement de l'enseignement spĂ©cial ou sur les profils de formation de la forme d'enseignement 3. Au fur et Ă  mesure de la progression de l'Ă©lĂšve, le programme est adaptĂ©. Ces objectifs d'apprentissage doivent ĂȘtre poursuivis de sorte que l'Ă©lĂšve puisse s'Ă©panouir au maximum et participer aussi pleinement que possible Ă  la vie de la classe et de l'Ă©cole dans une Ă©cole d'enseignement ordinaire. En outre, ce programme vise Ă©galement soit la participation Ă  la sociĂ©tĂ©, Ă©ventuellement dans un environnement apportant un soutien appropriĂ©, soit la participation au marchĂ© de l'emploi dans un environnement professionnel apportant un soutien appropriĂ©, soit l'insertion professionnelle dans le circuit du travail ordinaire, soit les Ă©tudes ultĂ©rieures. Les Ă©lĂšves qui suivent un programme adaptĂ© individuellement ne sont pas Ă©ligibles aux titres rĂ©guliers de l'enseignement secondaire ordinaire Ă  temps plein, sauf s'il est satisfait aux conditions de l'article 115, § 1er, alinĂ©a 3 ; " ;
  2° il est inséré un point 40° /1 rédigé comme suit :
  " 40° /1 préparation à la vie sociale et sociétale : une éducation extrascolaire organisée pour des élÚves de la forme d'enseignement 1 leur permettant de mettre en place une bonne maßtrise du temps dans le cadre de la vie et des loisirs et non pour acquérir une expérience professionnelle s'axant sur un travail rémunéré ou non rémunéré ultérieur ; ".
Art. III.2. In artikel 98, § 1, eerste lid, van dezelfde codex wordt de laatste zin vervangen door wat volgt :
  "Die keuze kunnen ze uiterlijk op 30 juni van het lopende schooljaar wijzigen voor het volgende schooljaar.".
Art. III.2. Dans l'article 98, § 1er, alinĂ©a 1er, du mĂȘme Code, la derniĂšre phrase est remplacĂ©e par la disposition suivante :
  " Ils peuvent modifier ce choix pour l'année scolaire suivante au plus tard le 30 juin de l'année scolaire en cours. ".
Art. III.3. Aan artikel 110/9 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011 en vervangen bij het decreet van 25 april 2014, wordt een paragraaf 9 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 9. In geen enkel structuuronderdeel van het voltijds gewoon secundair onderwijs dat behoort tot een graad of onderwijsvorm waarvoor aan de school een minimumpakket is toegekend, kan tijdens het schooljaar van toekenning de inschrijving van een leerling worden geweigerd op basis van capaciteit of volzetverklaring als vermeld in dit artikel.".
Art. III.3. A l'article 110/9 du mĂȘme Code, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 25 novembre 2011 et remplacĂ© par le dĂ©cret du 25 avril 2014, il est ajoutĂ© un paragraphe 9, rĂ©digĂ© comme suit :
  " § 9. Pendant l'annĂ©e scolaire de l'octroi Ă  l'Ă©cole du capital minimum, la capacitĂ© ou la dĂ©claration d'occupation complĂšte telles que visĂ©es au prĂ©sent article ne peuvent ĂȘtre invoquĂ©es comme raison pour refuser l'inscription d'un Ă©lĂšve dans une subdivision structurelle de l'enseignement secondaire ordinaire Ă  temps plein appartenant Ă  un degrĂ© ou une forme d'enseignement faisant l'objet de l'octroi du capital minimum. ".
Art. III.4. In artikel 110/11, § 2, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 november 2011, vervangen bij het decreet van 21 maart 2014 en gewijzigd bij de decreten van 19 juni 2015 en 17 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt tussen de zinsnede "centrum voor leerlingenbegeleiding," en de zinsnede "over de aanpassingen", de zinsnede "binnen een redelijke termijn na de inschrijving", ingevoegd;
  2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Op basis van het overleg met de ouders, de klassenraad en het centrum voor leerlingenbegeleiding, vermeld in het eerste lid, beslist de school binnen een redelijke termijn na de inschrijving en uiterlijk binnen 60 kalenderdagen na de effectieve start van de lesbijwoning of de aanpassingen die de leerling nodig heeft proportioneel dan wel disproportioneel zijn.".
Art. III.4. A l'article 110/11, § 2, du mĂȘme Code, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 25 novembre 2011, remplacĂ© par le dĂ©cret du 21 mars 2014 et modifiĂ© par les dĂ©crets des 19 juin 2015 et 17 juin 2016, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " dans un délai raisonnable aprÚs l'inscription " est inséré entre le membre de phrase " et le centre d'encadrement des élÚves " et les mots " au sujet des aménagements nécessaires " ;
  2° il est inséré, entre les alinéas 1er et 2, un nouvel alinéa ainsi rédigé :
  " Sur la base d'une concertation avec les parents, le conseil de classe et le centre d'encadrement des élÚves visée à l'alinéa 1er, l'école décide dans un délai raisonnable aprÚs l'inscription et au plus tard 60 jours calendaires dÚs le début de la fréquentation scolaire effective si les aménagements en réponse aux besoins de l'élÚve sont proportionnels ou disproportionnels. ".
Art. III.5. In artikel 136/1, eerste lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011, vervangen bij het decreet van 19 juni 2015 en gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de inleiding van het eerste lid wordt vervangen door wat volgt :
  "De bepaling van artikel 252, § 1, a), 2), voor wat het voltijds secundair onderwijs betreft, sluit niet uit dat een deel van de vorming van het leerjaar waarin de leerling is ingeschreven, wordt verstrekt door leraars van een andere school voor voltijds gewoon secundair onderwijs, dan de school waarin de leerling is ingeschreven voor voltijds gewoon secundair onderwijs of buitengewoon secundair onderwijs en dit op een vestigingsplaats van die andere school. Indien van deze mogelijkheid tot samenwerking gebruik wordt gemaakt, dan zijn de volgende voorwaarden van toepassing :";
  2° in het eerste lid wordt punt 7° vervangen door wat volgt :
  "7° als het een leerling betreft van het buitengewoon secundair onderwijs die de lessen bijwoont in het gewoon secundair onderwijs, kan die maximaal op schooljaarbasis gemiddeld halftijds een deel van de vorming bijwonen in het gewoon onderwijs, maximaal op schooljaarbasis gemiddeld gedurende de helft van de wekelijkse lesuren van het structuuronderdeel van het buitengewoon onderwijs waarvoor hij is ingeschreven;".
Art. III.5. A l'article 136/1, alinĂ©a 1er, du mĂȘme Code, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 1er juillet 2011, remplacĂ© par le dĂ©cret du 19 juin 2015 et modifiĂ© par le dĂ©cret du 17 juin 2016, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° la phrase introductive de l'alinéa 1er est remplacée par la disposition suivante :
  " Pour ce qui est de l'enseignement secondaire à temps plein, la disposition de l'article 252, § 1er, a), 2), n'exclut pas qu'une partie de la formation de l'année d'études dans laquelle l'élÚve a été inscrit, est dispensée par des enseignants d'une école d'enseignement secondaire ordinaire à temps plein autre que l'école dans laquelle l'élÚve est inscrit pour l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein ou l'enseignement secondaire spécial et ce dans une implantation de cette autre école. S'il est fait usage de cette possibilité de coopération, les conditions suivantes s'appliquent : " ;
  2° à l'alinéa 1er, le point 7° est remplacé par la disposition suivante :
  " 7° s'il s'agit d'un élÚve de l'enseignement secondaire spécial fréquentant les cours de l'enseignement secondaire ordinaire, celui-ci peut fréquenter au maximum au fil d'une année scolaire en moyenne à mi-temps une partie de la formation dans l'enseignement ordinaire, et au maximum au fil d'une année scolaire en moyenne pendant la moitié des heures de cours hebdomadaires de la subdivision structurelle de l'enseignement spécial dans lequel il a été inscrit ; ".
Art. III.6. In artikel 171 van dezelfde codex wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
  "Onder scholen in opbouw wordt verstaan scholen die tijdens aaneensluitende schooljaren hun onderwijsaanbod uitbreiden hetzij leerjaar per leerjaar, hetzij met meer leerjaren gelijktijdig.".
Art. III.6. Dans l'article 171 du mĂȘme code, l'alinĂ©a 2 est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Par écoles en construction, il faut entendre les écoles qui élargissent progressivement leur offre d'enseignement pendant des années scolaires consécutives soit, année d'études par année d'études, soit par plusieurs années d'études simultanément. ".
Art. III.7. In artikel 175, § 3, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 19 juli 2013, wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
  "1° de splitsing wordt onmiddellijk voorafgegaan door een fusie van scholen die elk de toepasbare rationalisatienorm bereiken en past op die manier in een herstructurering die niet resulteert in een groter aantal scholen;".
Art. III.7. A l'article 175, § 3, du mĂȘme Code, remplacĂ© par le dĂ©cret du 19 juillet 2013, le point 1° est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " 1° la scission est immédiatement précédée par une fusion d'écoles qui atteignent toutes la norme de rationalisation applicable et s'inscrit ainsi dans une restructuration qui ne se traduit pas en une augmentation du nombre d'écoles ; ".
Art. III.8. Aan artikel 178, eerste lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 19 juli 2013, wordt de volgende zin toegevoegd :
  "De Vlaamse Regering kan voor een individuele school de voorwaarde opheffen die aan de programmatie van een dergelijk structuuronderdeel is gekoppeld als het een school betreft die in oprichting is zonder dat dat het gevolg is van een herstructurering van bestaande scholen.".
Art. III.8. L'article 178, alinĂ©a 1er, du mĂȘme Code, remplacĂ© par le dĂ©cret du 19 juillet 2013, est complĂ©tĂ© par la phrase suivante :
  " Le Gouvernement flamand peut exempter une école individuelle de la condition à laquelle la programmation d'une telle subdivision structurelle est subordonnée lorsqu'il s'agit d'une école en cours de création sans que cela soit la conséquence d'une restructuration d'écoles existantes. ".
Art. III.9. In artikel 179, eerste lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 17 juni 2016, wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
  "1° in de school of in een andere school van de scholengemeenschap wordt tegelijkertijd een ander structuuronderdeel opgeheven. Dat ander structuuronderdeel kan noch een vrij programmeerbaar structuuronderdeel noch het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers zijn;".
Art. III.9. A l'article 179, alinĂ©a 1er, du mĂȘme Code, remplacĂ© par le dĂ©cret du 17 juin 2016, le point 1° est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " 1° dans l'Ă©cole ou dans une autre Ă©cole du centre d'enseignement, une autre subdivision structurelle est supprimĂ©e en mĂȘme temps. Cette autre subdivision structurelle ne peut ĂȘtre une subdivision structurelle librement programmable ni l'annĂ©e d'accueil pour primo-arrivants allophones ; ".
Art. III.10. Aan artikel 206, § 1, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 19 juli 2013, wordt in het eerste lid de volgende zin toegevoegd :
  "De school waarnaar wordt overgeheveld mag geen school zijn die moet fuseren of afbouwen omdat de toepasbare rationalisatienorm niet wordt bereikt.".
Art. III.10. L'article 206, § 1er, du mĂȘme Code, remplacĂ© par le dĂ©cret du 19 juillet 2013, est complĂ©tĂ© dans l'alinĂ©a 1er par la phrase suivante :
  " L'Ă©cole Ă  laquelle le transfert est effectuĂ©, ne peut pas ĂȘtre une Ă©cole qui doit fusionner ou supprimer progressivement parce que la norme de rationalisation applicable n'est pas atteinte. ".
Art. III.11. In dezelfde codex wordt een artikel 231/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 231/1. In afwijking van de bepalingen van de artikelen 226, 227, § 1, en 231, § 1, wordt de driejarige cyclus 2014-2015 tot en met 2016-2017 waarbij aan scholen een geïntegreerd ondersteuningsaanbod gelijke onderwijskansen, eerste graad, wordt toegekend, verlengd tot en met het schooljaar 2017-2018 met behoud voor elke school van het aantal betrokken extra uren-leraar.".
Art. III.11. Dans le mĂȘme Code, il est insĂ©rĂ© un article 231/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 231/1. Par dérogation aux dispositions des articles 226, 227, § 1er, et 231, § 1er, le cycle triennal des années scolaires 2014-2015 à 2016-2017, pendant lequel il est attribué aux écoles une offre d'appui intégrée " égalité des chances en éducation ", premier degré, est prolongé pour inclure l'année scolaire 2017-2018 avec maintien pour chaque école du nombre de périodes-professeur supplémentaires concernées. ".
Art. III.12. In dezelfde codex wordt een artikel 241/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 241/1. In afwijking van de bepalingen van de artikelen 234, 235, § 1, en 240, § 1, wordt de driejarige cyclus 2014-2015 tot en met 2016-2017 waarbij aan scholen een geïntegreerd ondersteuningsaanbod gelijke onderwijskansen, tweede en derde graad, wordt toegekend, verlengd tot en met het schooljaar 2017-2018 met behoud voor elke school van het aantal betrokken extra uren-leraar/puntenwaarden.".
Art. III.12. Dans le mĂȘme Code, il est insĂ©rĂ© un article 241/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 241/1. Par dérogation aux dispositions des articles 234, 235, § 1er, et 240, § 1er, le cycle triennal des années scolaires 2014-2015 à 2016-2017, pendant lequel il est attribué aux écoles une offre d'appui intégrée " égalité des chances en éducation ", deuxiÚme et troisiÚme degrés, est prolongé pour inclure l'année scolaire 2017-2018 avec maintien pour chaque école du nombre de périodes-professeur supplémentaires/valeurs de point concernées. ".
Art. III.13. In artikel 260/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt de inleidende zinsnede "De bepaling van artikel 252, § 1, a), 2), voor wat het buitengewoon secundair onderwijs betreft," vervangen door de zinsnedes "De leerling die voldoet aan de toelatingsvoorwaarden moet om regelmatige leerling te zijn, van zodra met de effectieve lesbijwoning wordt gestart, de vorming van het structuuronderdeel waar hij is ingeschreven volledig en daadwerkelijk volgen in de school waar hij is ingeschreven, behalve in geval van gewettigde afwezigheid. De leerling die niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt een vrije leerling. Regelmatige leerling zijn in een bepaalde school,".
Art. III.13. Dans l'article 260/1 du mĂȘme Code, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 17 juin 2016, la phrase introductive " Pour ce qui est de l'enseignement secondaire spĂ©cial, la disposition de l'article 252, § 1er, a), 2) " est remplacĂ©e par les membres de phrase " Pour ĂȘtre un Ă©lĂšve rĂ©gulier, l'Ă©lĂšve qui satisfait aux conditions d'admission doit dĂšs qu'il commence effectivement Ă  frĂ©quenter les cours, suivre effectivement la totalitĂ© de la formation de la subdivision structurelle Ă  laquelle il est inscrit et dans l'Ă©cole oĂč il est inscrit, sauf en cas d'absence justifiĂ©e. L'Ă©lĂšve qui ne satisfait pas Ă  ces conditions devient un Ă©lĂšve libre. Etre un Ă©lĂšve rĂ©gulier dans une Ă©cole particuliĂšre, ".
Art. III.14. In artikel 293 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 21 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt in de tweede zin de zinsnede "er voor deze leerling uit opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2 geen plaats is in een voorziening van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" vervangen door de zinsnede "deze leerling uit opleidingsvorm 1 of opleidingsvorm 2 nog niet beschikt over een persoonsvolgend budget waarmee de gewenste dagondersteuning effectief is opgestart in het kader van het systeem van de persoonsvolgende financiering voor meerderjarigen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap";
  2° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
  "Een klassenraad kan de verlengingsaanvraag, vermeld in het eerste lid, ofwel accepteren ofwel weigeren. De klassenraad kan daarbij ofwel voorrang geven aan leerlingen met een eerste aanvraag tot verlenging op leerlingen met een tweede of een nog verdere verlengingsaanvraag, ofwel voorrang geven aan leerlingen met een context die meer ondersteuning noodzaakt boven leerlingen die een context hebben die minder ondersteuning noodzaakt. Leerlingen over wie de klassenraad een positieve beslissing neemt, voldoen aan de toelatingsvoorwaarden inzake de leeftijd. Leerlingen over wie een negatieve beslissing wordt genomen, voldoen niet aan de toelatingsvoorwaarden inzake leeftijd. Een leerling voor wie de gewenste ondersteuning in het kader van het systeem van de persoonsvolgende financiering voor meerderjarigen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap effectief opgestart is, komt niet in aanmerking voor verlengingen. Als de verlenging al aangevangen was voor de gewenste ondersteuning kon opstarten, kan de leerling ook verder ingeschreven blijven en zijn schooljaar afwerken, na de opstart van de gewenste ondersteuning, als de betrokken personen beoordelen dat het haalbaar is.";
  3° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt :
  "Een klassenraad kan ook beslissen om nooit verlengingen zoals hiervoor vermeld toe te staan. Als dit het geval is, neemt de school dat op in het schoolreglement.";
  4° in paragraaf 2, 3°, worden tussen de woorden "voor het eerst" en de woorden "in het buitengewoon onderwijs" de woorden "of opnieuw" ingevoegd;
  5° in paragraaf 3 wordt de zinsnede "op basis van een inschrijvingsverslag buitengewoon onderwijs of die toegelaten worden tot het geïntegreerd onderwijs op basis van paragraaf 2 van artikel 110/11" opgeheven.
Art. III.14. A l'article 293 du mĂȘme Code, remplacĂ© par le dĂ©cret du 21 mars 2014, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " s'il n'y pas de place pour cet élÚve de la forme d'enseignement 1 ou 2 dans une structure de la Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " dans la deuxiÚme phrase est remplacé par le membre de phrase " lorsque cet élÚve de la forme d'enseignement 1 ou la forme d'enseignement 2 ne dispose pas encore d'un budget personnalisé grùce auquel le soutien de jour souhaité a été effectivement démarré dans le cadre du systÚme de financement personnalisé à des personnes majeures de la Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " ;
  2° au paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Un conseil de classe peut accepter ou refuser la demande de prolongation visĂ©e Ă  l'alinĂ©a 1er. Dans ce contexte, le conseil de classe peut soit donner la prioritĂ© aux Ă©lĂšves introduisant une premiĂšre demande de prolongation par rapport aux Ă©lĂšves introduisant une deuxiĂšme ou mĂȘme suivante demande de prolongation, soit donner la prioritĂ© aux Ă©lĂšves dans une situation nĂ©cessitant plus de soutien par rapport aux Ă©lĂšves dans une situation nĂ©cessitant moins de soutien. Les Ă©lĂšves pour lesquels le conseil de classe prend une dĂ©cision positive, remplissent les conditions d'admission en matiĂšre d'Ăąge. Les Ă©lĂšves pour lesquels le conseil de classe prend une dĂ©cision nĂ©gative, ne remplissent pas les conditions d'admission en matiĂšre d'Ăąge. Un Ă©lĂšve pour lequel le soutien de jour souhaitĂ© a Ă©tĂ© effectivement dĂ©marrĂ© dans le cadre du systĂšme de financement personnalisĂ© Ă  des personnes majeures de la Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap n'est pas Ă©ligible Ă  une prolongation. Lorsque la prolongation avait dĂ©jĂ  pris cours avant le dĂ©marrage du soutien souhaitĂ©, l'Ă©lĂšve peut rester inscrit et finir l'annĂ©e scolaire aprĂšs le dĂ©marrage du soutien souhaitĂ© si les personnes concernĂ©es le jugent faisable. " ;
  3° au paragraphe 1er, le troisiÚme alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Un conseil de classe peut également décider de ne pas autoriser des prolongations susvisées. Si le conseil de classe prend cette décision, l'école intÚgre cette mesure dans le rÚglement d'école. " ;
  4° au paragraphe 2, 3°, les mots " ou une nouvelle fois " sont insérés entre les mots " s'inscrire pour la premiÚre fois " et les mots " dans l'enseignement secondaire spécial " ;
  5° au paragraphe 3, le membre de phrase " sur la base d'un rapport droit d'inscription enseignement spécial ou admis à l'enseignement intégré sur la base du paragraphe 2 de l'article 110/11, " est supprimé.
Art. III.15. In artikel 314/1, § 1, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011 en gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, worden de jaartallen "2014-2015, 2015-2016 en 2016-2017" vervangen door de jaartallen "2014-2015, 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018".
Art. III.15. Dans l'article 314/1, § 1er, du mĂȘme Code, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 1 juillet 2011 et modifiĂ© par le dĂ©cret du 17 juin 2016, les annĂ©es " 2014-2015, 2015-2016 et 2016-2017 " sont remplacĂ©es par les annĂ©es ", 2014-2015, 2015-2016, 2016-2017 et 2017-2018 ".
Art. III.16. In artikel 314/4 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011 en gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt het jaartal "2017" vervangen door het jaartal "2018".
Art. III.16. Dans l'article 314/4 du mĂȘme Code, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 1er juillet 2011 et modifiĂ© par le dĂ©cret du 17 juin 2016, l'annĂ©e " 2017 " est remplacĂ©e par l'annĂ©e " 2018 ".
Art. III.17. Aan deel V, titel 2, hoofdstuk 3, afdeling 1, van dezelfde codex wordt een onderafdeling 3/4 toegevoegd, die luidt als volgt :
  "Onderafdeling 3/4. - Invoering van regionale ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs
  Art. 314/8. § 1. Met het oog op de invoering van ondersteuningsnetwerken in het basis- en secundair onderwijs kent de Vlaamse Regering jaarlijks binnen de beschikbare budgettaire ruimte personeelsomkadering onder de vorm van begeleidingseenheden, lestijden, lesuren en uren toe aan het buitengewoon onderwijs. Het betreft :
  1° 32.587 begeleidingseenheden, waarvan 21.029 voor basisonderwijs en 11.558 voor het secundair onderwijs;
  2° enerzijds de lestijden en uren, in toepassing van artikel 173septies van het decreet basisonderwijs en anderzijds de lesuren en uren in toepassing van artikel 314/5 van deze codex;
  3° het extra budget ten belope van 2120 lestijden voor het basisonderwijs en 1410 lesuren voor het secundair onderwijs en 2168 uren, waarvan 1302 voor het basisonderwijs en 886 voor het secundair onderwijs.
  Begeleidingseenheden kunnen naargelang de aard van de ondersteuning die nodig is, omgezet worden in lestijden, lesuren en uren.
  De lestijden, respectievelijk de lesuren, en uren, inclusief de omgezette begeleidingseenheden, worden voor scholen buitengewoon basisonderwijs beschouwd als extra lestijden en extra uren, zoals bedoeld in artikel 3, 14° en 14° bis, van het decreet basisonderwijs, en voor scholen buitengewoon secundair onderwijs als extra lesuren en uren.
  § 2. Op het totaal van de middelen, vermeld in paragraaf 1, 1° tot en met 3°, wordt jaarlijks een pakket aan begeleidingseenheden afgehouden voor de ondersteuning in het gewoon basis- of secundair onderwijs van leerlingen met een inschrijvingsverslag type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking, waarover ze beschikken omdat ze, voor het basisonderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 16, § 2, van het decreet basisonderwijs of, voor het secundair onderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 352, § 2, van deze codex en leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type 2, 4, 6 of 7 auditieve beperking, die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, 4° en 6°, van het decreet basisonderwijs, en artikel 10, § 1, eerste lid, 7°, van het voormelde decreet wat betreft een auditieve beperking of artikel 259, § 1, 2°, 4° en 6°, van deze codex, en artikel 259, § 1, 7°, van dezelfde codex, wat betreft een auditieve beperking.
  De voorafname gebeurt naar rato van de procentuele toename of afname van het aantal leerlingen van de in het vorige lid vermelde types, die op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar zijn ingeschreven in een school voor gewoon onderwijs, in vergelijking met deze op de eerste schooldag van oktober 2016, voor wie in het schooljaar 2017-2018 in een pakket ten belope van 14.804 begeleidingseenheden wordt voorzien.
  De begeleidingseenheden worden door de Vlaamse Regering toegewezen aan de scholen voor buitengewoon onderwijs, en worden aangewend om netoverstijgend de ondersteuningsvragen van scholen en centra gewoon onderwijs met betrekking tot leerlingen type 2, 4, 6 en 7 auditieve beperking te beantwoorden.
  § 3. Het budget, vermeld in paragraaf 1, verminderd met de jaarlijkse voorafname vermeld in paragraaf 2, wordt door de Vlaamse Regering toegewezen aan ondersteuningsnetwerken en volledig toegekend aan de scholen buitengewoon onderwijs, voor de ondersteuning in het gewoon basis- of secundair onderwijs van leerlingen met een inschrijvingsverslag waarover ze beschikken omdat ze, voor het basisonderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 16, § 2, van het decreet basisonderwijs of, voor het secundair onderwijs, vallen onder de toepassing van artikel 352, § 2, van deze codex en leerlingen met een gemotiveerd verslag of een verslag type basisaanbod, 3, 9 of 7 spraak- of taalstoornis, die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, 3° en 8°, van het decreet basisonderwijs, en artikel 10, § 1, eerste lid, 7°, van het voormelde decreet wat betreft een spraak- of taalstoornis of artikel 259, § 1, 1°, 3° en 8°, van deze codex, en artikel 259, § 1, 7°, van dezelfde codex, wat betreft een spraak- of taalstoornis, waarbij :
  1° 70 % wordt verdeeld op basis van het leerlingenaantal op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar van de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk;
  2° 30 % wordt verdeeld op basis van het gemiddeld aantal leerlingen met een verslag, gemotiveerd verslag of inschrijvingsverslag in de scholen en centra voor gewoon onderwijs van het ondersteuningsnetwerk op de eerste schooldag van februari van de zes voorafgaande schooljaren;
  3° in afwijking van punt 2° gelden als teldata :
  a) voor het schooljaar 2017-2018 : de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2011-2012 tot en met 2016-2017;
  b) voor het schooljaar 2018-2019 : de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van het schooljaar 2017-2018;
  c) voor het schooljaar 2019-2020 : de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019.
  Voor de middelen, vermeld in paragraaf 1, 2°, gebeurt deze verdeling afzonderlijk voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs.
  Scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs delen uiterlijk op 30 juni 2017 aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten mee met welke scholen zij op dit moment samenwerken in het kader van gon, ion en waarborg in functie van de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, en bij welk ondersteuningsnetwerk ze voor het schooljaar 2017-2018 aansluiten. Daarna moeten wijzigingen aan de samenstelling jaarlijks uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande schooljaar worden meegedeeld.
  Voor de vorming van de ondersteuningsnetwerken wordt maximaal ingezet op samenwerking met scholen van andere netten. Deze samenwerking kan minimaal volgende vormen aannemen :
  a) scholen kunnen indien ze dit wensen, opteren voor ondersteuning door een ondersteuningsnetwerk van een ander net;
  b) het versterken van de internettensamenwerking.
  Voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap maken de inrichtende machten tegen 1 januari 2018 sluitende afspraken over logische regionale gebieden waarbinnen er slechts een ondersteuningsnetwerk actief is en waarbij binnen de regio alle officiële scholen zich aansluiten en die over ondersteuning en begeleiding in het kader van ondersteuning van kinderen met specifieke onderwijsbehoeften, afspraken kunnen maken met eender welk ander ondersteuningsnetwerk.
  In het kader van deze afspraken kunnen scholen van buitengewoon onderwijs middelen overdragen aan scholen buitengewoon onderwijs van een ondersteuningsnetwerk dat behoort tot een ander onderwijsnet.
  § 4. Het globale verlies op het niveau van een onderwijsnet ten gevolge van de berekeningswijze, vermeld in paragraaf 3, in vergelijking met de situatie op niveau van een onderwijsnet van waarborg en begeleidingseenheden gon, met uitzondering van de doelgroepen, bedoeld in paragraaf 2, in het schooljaar 2016-2017, wordt gecompenseerd voor een transitieperiode van de drie schooljaren 2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020 bij wijze van een garantiefonds, door het aandeel van de scholen en centra van het stijgende onderwijsnet procentueel te verminderen en het aandeel van de scholen en centra van het dalende onderwijsnet procentueel te vermeerderen naar rato van het vastgestelde verlies van het dalende onderwijsnet.
  De middelen die het dalende onderwijsnet op die wijze ontvangt, vallen onder de regie van dat onderwijsnet om de verliezen in het buitengewoon onderwijs te compenseren zodat er geen verlies is aan tewerkstelling en ondersteuning die vandaag bestaat. Deze middelen worden tijdens de transitieperiode ingezet voor de verdere ondersteuning van scholen en centra in het gewoon onderwijs van de onderwijsnetten.
  § 5. Voor ondersteuningsnetwerken die netoverstijgend zijn samengesteld fungeert de gemeenschappelijke vergadering, vermeld in § 9, als commissie. Voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden. Bij de toewijzing wordt rekening gehouden met de volgende criteria : er mag geen verlies aan tewerkstelling en bestaande ondersteuning zijn zodat de verschuivingen zo maximaal mogelijk op een natuurlijke manier tot stand komen.
  De Vlaamse Regering wijst de omkadering, vermeld in paragraaf 3 en paragraaf 4, toe aan de ondersteuningsnetwerken op voorstel van de commissies, vermeld in het eerste lid, en kent de omkadering toe aan de scholen voor buitengewoon onderwijs. De commissies houden bij hun voorstellen tijdens de transitieperiode rekening met de beoogde ondersteuning van de ondersteuningsnetwerken, zoals bepaald overeenkomstig paragraaf 3.
  In afwijking hiervan worden van de in paragraaf 1, 1°, vermelde 32.587 begeleidingseenheden 17.783 begeleidingseenheden door de Vlaamse Regering rechtstreeks terug verdeeld naar de scholen voor buitengewoon onderwijs die in het schooljaar 2016-2017 begeleidingen deden in het kader van het geïntegreerd onderwijs naar rato van :
  1° 100 % in het schooljaar 2017-2018;
  2° 66 % in het schooljaar 2018-2019;
  3° 33 % in het schooljaar 2019-2020.
  Het aandeel begeleidingseenheden waarover de commissies in de schooljaren 2018-2019 en 2019-2020 bevoegd worden, worden uitgedrukt in lestijden, lesuren en uren.
  § 6. Het personeelslid dat in een betrekking wordt aangesteld op basis van de lestijden, lesuren of uren als vermeld in het laatste lid van paragraaf 1, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid voor bepaalde duur. De bepalingen van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs zijn, naargelang van het geval, van toepassing op deze aanstelling, met uitzondering van de volgende bepalingen :
  1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering betreffende terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. Het schoolbestuur van de school waar de betrekking wordt opgericht, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling gebeurt steeds met instemming van het ter beschikking gestelde personeelslid en is, naargelang van het geval, een reaffectatie, een wedertewerkstelling of een tewerkstelling. Indien deze aanstelling een tewerkstelling is, dan wordt ze beschouwd als een wedertewerkstelling;
  2° het schoolbestuur van de school waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in de betrekking een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikelen 21 en 21bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs of artikelen 23 en 23bis van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs, naargelang van het geval;
  3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking.
  § 7. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs.
  § 8. In afwijking van artikel 2, 7, 7bis, 7quater, 9, 11, 13 en 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003 betreffende de vastlegging van de prestaties van een ambt in het buitengewoon secundair onderwijs en in afwijking van artikel 3, eerste lid, voor wat betreft het prestatiestelsel van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1994 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4 geldt tijdens het schooljaar 2017-2018 tot en met schooljaar 2019-2020 een aangepaste prestatieregeling voor het personeelslid dat aangesteld wordt in een betrekking in het buitengewoon secundair onderwijs.
  De wekelijkse prestaties in een voltijdse betrekking bedragen 26 klokuren. Binnen die 26 klokuren presteert het personeelslid een opdracht van 22 lesuren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het onderwijzend personeel of in een ambt van het paramedisch personeel, en een opdracht van 22 uren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.
  De opdracht van 22 lesuren of 22 uren, vermeld in het tweede lid, bestaat in de ondersteuning van het onderwijzend personeel en van de jongere die de ondersteuning nodig heeft in het gewoon onderwijs.
  De tijd die nodig is voor professionalisering, overleg en samenwerking, coördinatietaken en dienstverplaatsingen, maakt deel uit van de opdracht van 26 klokuren, vermeld in het tweede lid.
  De deelname aan oudercontacten en aan personeelsvergaderingen vallen buiten de wekelijkse opdracht van 26 klokuren. Deze opdrachten vallen niet noodzakelijk binnen de periode van normale aanwezigheid van de leerlingen.
  Middelen binnen een ondersteuningsnetwerk die niet rechtstreeks worden aangewend voor leerling- of leerkrachtgerichte ondersteuning moeten worden verantwoord en goedgekeurd door alle lokale onderhandelingscomités van de betrokken scholen.
  In het kader van de uitwerking van dit decreet zullen de competentiebegeleiders, vermeld in artikel VI.1 van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, in hun taakstelling bijzondere aandacht besteden aan de opdracht, vermeld in paragraaf 2, 4°, door hen effectief in te zetten om in de ondersteuningsnetwerken te werken aan expertiseontwikkeling.
  § 9. Een stuurgroep die wordt opgericht in de schoot van deze gemeenschappelijke vergadering van het Sectorcomité X - Onderwijs (Vlaamse Gemeenschap), het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten - afdeling 2 - onderafdeling `Vlaamse Gemeenschap' en het Overkoepelend onderhandelingscomité gesubsidieerd vrij onderwijs, staat in voor de voorbereiding, opvolging en aansturing van de invoering van ondersteuningsnetwerken. De onderwijsinspectie en administratie zullen toezicht houden op de toekenning en aanwending van de middelen voor personeelsomkadering, vermeld in paragraaf 1, op de werking van de ondersteuningsnetwerken, de coördinatie en de aansturing van de teams en op de kwaliteit van de ondersteuning op niveau van het effect voor leraren, lerarenteams en leerlingen.
  § 10. De overheid zal een grondige evaluatie en monitoring doorvoeren waarvan de resultaten op 1 september 2019 beschikbaar zijn. Deze evaluatie zal uitgevoerd worden in samenspraak met de stuurgroep, vermeld in paragraaf 9, door een onafhankelijke commissie van experten en academici en heeft onder meer betrekking op :
  1° het gehanteerde verdelingsmechanisme;
  2° de personeelseffecten;
  3° de ondersteuning in de klas voor de leerling en de leerkracht en de leerlingenbewegingen;
  4° de doelmatige aanwending van de middelen.".
Art. III.17. Il est insĂ©rĂ© dans la partie V, titre 2, chapitre 3, section 1re du mĂȘme Code, une sous-section 3/4 ainsi rĂ©digĂ©e :
  " Sous-section 3/4. - Introduction de réseaux régionaux de soutien dans l'enseignement fondamental et secondaire
  Art. 314/8. § 1er. Au titre de l'introduction de réseaux de soutien dans l'enseignement fondamental et secondaire, le Gouvernement flamand accorde chaque année, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, à l'enseignement spécial un systÚme d'encadrement du personnel sous la forme d'unités d'accompagnement, de périodes de cours, d'heures de cours et d'heures. Il s'agit :
  1° de 32.587 unités d'accompagnement, dont 21.029 pour l'enseignement fondamental et 11.558 pour l'enseignement secondaire ;
  2° d'une part, des périodes de cours et des heures en application de l'article 173septies du décret relatif à l'enseignement fondamental et, d'autre part, des heures de cours et des heures en application de l'article 314/5 du présent Code ;
  3° le budget supplémentaire à concurrence de 2120 périodes de cours pour l'enseignement fondamental et de 1410 heures de cours pour l'enseignement secondaire et de 2168 heures, dont 1302 pour l'enseignement fondamental et 886 pour l'enseignement secondaire.
  Les unitĂ©s d'accompagnement peuvent ĂȘtre converties selon la nature de l'encadrement nĂ©cessaire en pĂ©riodes de cours, heures de cours et heures.
  Les périodes de cours, respectivement heures de cours et heures y compris les unités d'accompagnement converties sont considérées pour les écoles d'enseignement fondamental spécial comme des périodes supplémentaires et des heures supplémentaires au sens de l'article 3, 14° et 14° bis du décret sur l'enseignement fondamental et pour les écoles d'enseignement secondaire spécial comme des heures de cours et des heures supplémentaires.
  § 2. De l'enveloppe globale des moyens visĂ©s au paragraphe 1er, 1° Ă  3°, un ensemble d'unitĂ©s d'accompagnement est dĂ©duit pour le soutien dans l'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire d'Ă©lĂšves en possession d'un rapport d'inscription pour le type 2, 4, 6 ou 7 dĂ©ficience auditive dont ils disposent parce qu'ils tombent, pour l'enseignement fondamental, dans le champ d'application de l'article 16, § 2 du dĂ©cret sur l'enseignement fondamental ou, pour l'enseignement secondaire, dans le champ d'application de l'article 352, § 2, du prĂ©sent Code et d'Ă©lĂšves en possession d'un rapport motivĂ© ou d'un rapport pour le type 2, 4, 6 ou 7 dĂ©ficience auditive, qui satisfont aux critĂšres visĂ©s Ă  l'article 10, § 1er, alinĂ©a 1er, 2°, 4° et 6° du dĂ©cret sur l'enseignement fondamental, et Ă  l'article 10, § 1er, alinĂ©a 1er, 7° du dĂ©cret prĂ©citĂ© pour ce qui est d'une dĂ©ficience auditive ou Ă  l'article 259, § 1er, 2°, 4° et 6° du prĂ©sent Code et Ă  l'article 259, § 1er, 7° du mĂȘme Code, pour ce qui est d'une dĂ©ficience auditive.
  Le prélÚvement se fait en raison du pourcentage d'augmentation ou de diminution du nombre d'élÚves des types mentionnés à l'alinéa précédent, qui, au premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente sont inscrits dans une école d'enseignement ordinaire en comparaison avec ceux inscrits au premier jour de classe d'octobre 2016, pour qui, dans l'année scolaire 2017-2018, un ensemble d'unités d'accompagnement à concurrence de 14.804 unités d'accompagnement est prévu.
  Les unités d'accompagnement sont attribuées par le Gouvernement flamand aux écoles d'enseignement spécial et sont utilisées pour répondre aux demandes de soutien émanant des écoles et des centres d'enseignement ordinaire de tous les réseaux pour combler les besoins des élÚves des types 2, 4, 6 et 7 déficience auditive.
  § 3. Le budget, visĂ© au paragraphe 1er, rĂ©duit du prĂ©lĂšvement annuel visĂ© au paragraphe 2 est attribuĂ© par le Gouvernement flamand aux rĂ©seaux de soutien et est accordĂ© dans son ensemble aux Ă©coles d'enseignement spĂ©cial pour le soutien dans l'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire d'Ă©lĂšves en possession d'un rapport d'inscription dont ils disposent parce qu'ils tombent, pour l'enseignement fondamental, dans le champ d'application de l'article 16, § 2 du prĂ©sent dĂ©cret ou, pour l'enseignement secondaire, dans le champ d'application de l'article 352, § 2, du prĂ©sent Code et d'Ă©lĂšves en possession d'un rapport motivĂ© ou d'un rapport du type offre de base, 3, 9 ou 7 trouble du langage ou linguistique, qui satisfont aux critĂšres visĂ©s Ă  l'article 10, § 1er, alinĂ©a 1er, 1°, 3° et 8° du dĂ©cret sur l'enseignement fondamental, et Ă  l'article 10, § 1er, alinĂ©a 1er, 7° du dĂ©cret prĂ©citĂ© pour ce qui est d'un trouble du langage ou linguistique ou Ă  l'article 259, § 1er, 1°, 3° et 8° du prĂ©sent Code et Ă  l'article 259, § 1er, 7° du mĂȘme Code pour ce qui est d'un trouble du langage ou linguistique, dont :
  1° 70 % est réparti sur la base du nombre d'élÚves au premier jour de classe de février de l'année scolaire précédente des écoles et centres d'enseignement ordinaire du réseau de soutien ;
  2° 30 % est réparti sur la base du nombre moyen d'élÚves en possession d'un rapport, d'un rapport motivé ou d'un rapport d'inscription dans les écoles et centres d'enseignement ordinaire du réseau de soutien au premier jour de classe de février des six années scolaires précédentes ;
  3° par dérogation au point 2°, les dates de comptage suivantes s'appliquent :
  a) pour l'année scolaire 2017-2018 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2011-2012 à 2016-2017 ;
  b) pour l'année scolaire 2018-2019 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2012-2013 à 2016-2017 et le premier jour de classe de février de l'année scolaire 2017-2018 ;
  c) pour l'année scolaire 2019-2020 : le premier jour de classe d'octobre des années scolaires 2013-2014 à 2016-2017 et le premier jour de classe de février des années scolaires 2017-2018 et 2018-2019.
  Pour les moyens visés au paragraphe 1er, 2°, cette répartition se fait séparément pour l'enseignement fondamental et pour l'enseignement secondaire.
  Les Ă©coles d'enseignement ordinaire et spĂ©cial communiquent, le 30 juin 2017 au plus tard, Ă  l'Agentschap voor Onderwijsdiensten (Agence de Services d'Enseignement) les Ă©coles avec lesquelles elles collaborent dans le cadre de l'enseignement intĂ©grĂ© (GON), de l'enseignement inclusif (ION) et du rĂ©gime de garanties en fonction du soutien des Ă©lĂšves Ă  besoins Ă©ducatifs spĂ©cifiques et le rĂ©seau de soutien auquel elles s'affilient pour l'annĂ©e scolaire 2017-2018. Par la suite, des modifications de la composition doivent ĂȘtre communiquĂ©es annuellement le 1er mars au plus tard de l'annĂ©e scolaire prĂ©cĂ©dente.
  Pour la formation de réseaux de soutien, un maximum d'efforts est fait pour faciliter la coopération avec les écoles des autres réseaux. Au minimum, cette coopération peut prendre les formes suivantes :
  a) les écoles peuvent, si elles le souhaitent, opter pour un soutien par un réseau de soutien d'un autre réseau ;
  b) le renforcement de la coopération inter-réseaux.
  Pour l'enseignement officiel subventionné et l'enseignement GO! de la Communauté flamande, les pouvoirs organisateurs concluent pour le 1er janvier 2018 des accords clairs sur les régions logiques dans lesquelles un seul réseau de soutien est actif et auquel, dans la région, s'affilient toutes les écoles officielles et qui peuvent faire des accords sur le soutien et l'encadrement dans le cadre du soutien d'enfants à besoins éducatifs spécifiques avec n'importe quel autre réseau.
  Dans le cadre de ces accords, les écoles d'enseignement spécial peuvent transférer des moyens à des écoles d'enseignement spécial d'un réseau de soutien appartenant à un autre réseau d'enseignement.
  § 4. La perte globale pour un réseau d'enseignement en raison du mode de calcul visé au paragraphe 3 en comparaison avec la situation d'un réseau d'enseignement " régime des garanties et unités d'accompagnement GON ", à l'exception des groupes-cibles visés au paragraphe 2, dans l'année scolaire 2016-2017, est compensée pour une période transitoire de trois années scolaires, à savoir les années scolaires 2017-2018, 2018-2019, 2019-2020, par voie d'un fonds de garanties, en diminuant en pourcentage la part des écoles et des centres du réseau d'enseignement qui affiche une hausse et en augmentant en pourcentage la part des écoles et des centres du réseau d'enseignement qui affiche une baisse au prorata de la perte constatée du réseau d'enseignement qui affiche une baisse.
  Les moyens ainsi obtenus par le rĂ©seau d'enseignement qui affiche une baisse sont gĂ©rĂ©s par ce rĂ©seau d'enseignement pour compenser les pertes dans l'enseignement spĂ©cial de maniĂšre Ă  ce qu'une perte d'emplois et d'appui telle qu'elle existe aujourd'hui soit Ă©vitĂ©e. Pendant la pĂ©riode de transition, ces moyens continuent Ă  ĂȘtre affectĂ©s au soutien des Ă©coles et des centres dans l'enseignement ordinaire des rĂ©seaux d'enseignement.
  § 5. Pour les rĂ©seaux de soutien organisĂ©s comme un dispositif inter-rĂ©seaux, la rĂ©union commune visĂ©e au § 9 agit en tant que commission. Pour l'enseignement libre subventionnĂ©, l'enseignement officiel subventionnĂ© et l'enseignement GO! de la CommunautĂ© flamande, il est créé chaque fois une commission qui se compose d'un nombre Ă©gal de reprĂ©sentants de l'enseignement GO! de la CommunautĂ© flamande, respectivement des associations reprĂ©sentatives des pouvoirs organisateurs et des groupements reprĂ©sentatifs des associations de personnels affiliĂ©es Ă  une organisation syndicale reprĂ©sentĂ©e dans le Sociaal Economische Raad van Vlaanderen. Au sein de la commission pour l'enseignement libre subventionnĂ©, une sous-commission peut ĂȘtre Ă©tablie pour un ou plusieurs groupes dans l'enseignement libre subventionnĂ© autre que l'enseignement libre catholique subventionnĂ©. Pour l'attribution, les critĂšres suivants doivent ĂȘtre respectĂ©s : il ne peut pas y avoir de perte d'emplois et de soutien existant de maniĂšre Ă  ce que des glissements se produisent autant que possible de maniĂšre naturelle.
  Le Gouvernement flamand attribue l'encadrement visé aux paragraphes 3 et 4 aux réseaux de soutien sur la proposition des commissions visées à l'alinéa 1er et affecte l'encadrement aux écoles d'enseignement spécial. Pendant la période de transition, les commissions tiennent compte, dans leurs propositions, du soutien envisagé des réseaux de soutien tels que fixés conformément au paragraphe 3.
  Par dérogation à cette disposition, 17.783 unités d'accompagnement des 32.587 unités d'accompagnement sont directement réaffectées par le Gouvernement flamand aux écoles d'enseignement spécial qui assuraient des démarches d'accompagnement dans le cadre de l'enseignement intégré au prorata de :
  1° 100 % pendant l'année scolaire 2017-2018 ;
  2° 66 % pendant l'année scolaire 2018-2019 ;
  3° 33 % pendant l'année scolaire 2019-2020.
  La part des unités d'accompagnement dont les commissions sont responsables dans les années scolaires 2018-2019 et 2019-2020 sont exprimées en périodes de cours, heures de cours et heures.
  § 6. Le membre du personnel désigné dans un emploi sur base des périodes de cours, heures de cours ou heures telles que visées au dernier alinéa du paragraphe 1er, est toujours désigné comme membre du personnel temporaire à durée déterminée. Les dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné s'appliquent, suivant le cas, à cette désignation, à l'exception des dispositions suivantes :
  1° l'emploi n'est pas rĂ©gi par la rĂ©glementation relative Ă  la mise en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi, Ă  la rĂ©affectation et Ă  la remise au travail. L'autoritĂ© scolaire de l'Ă©cole oĂč est organisĂ© l'emploi peut toutefois dĂ©signer, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilitĂ© par dĂ©faut d'emploi. Cette dĂ©signation se fait toujours moyennant le consentement du membre du personnel mis en disponibilitĂ© et constitue, suivant le cas, une rĂ©affectation, une remise au travail ou une mise au travail. Si cette dĂ©signation est une mise au travail, elle est considĂ©rĂ©e comme une remise au travail ;
  2° l'autorité scolaire de l'école à laquelle l'emploi est attribué n'est pas obligée de désigner à cet emploi un membre du personnel ayant acquis le droit à une désignation temporaire à durée ininterrompue, conformément aux articles 21 et 21bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire ou aux articles 23 et 23bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné, suivant le cas ;
  3° l'emploi ne peut ĂȘtre dĂ©clarĂ© vacant. L'autoritĂ© scolaire ne peut en aucun cas nommer Ă  titre dĂ©finitif, affecter ou muter un membre du personnel dans cet emploi.
  § 7. Les accords concernant l'employabilité des membres du personnel conclus par les écoles coopérantes dans ce projet, relÚvent de l'article 12quater du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et de l'article 17quater du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné.
  § 8. Par dĂ©rogation Ă  l'article 2, 7, 7bis, 7quater, 9, 11, 13 et 15 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 mars 2003 relatif Ă  la fixation des prestations d'une fonction dans l'enseignement secondaire spĂ©cial et par dĂ©rogation Ă  l'article 3, alinĂ©a 1er, pour ce qui est du rĂ©gime de prestations de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 dĂ©cembre 1994 relatif aux titres, aux Ă©chelles de traitement, au rĂ©gime de prestations et au statut pĂ©cuniaire dans l'enseignement secondaire spĂ©cial de la forme d'enseignement 4, un rĂ©gime de prestations adaptĂ© est d'application pendant les annĂ©es scolaires 2017-2018 Ă  2019-2020 au membre du personnel dĂ©signĂ© dans un emploi dans l'enseignement secondaire spĂ©cial.
  Les prestations hebdomadaires dans un emploi à temps plein s'élÚvent à 26 heures d'horloge. Dans les limites de ces 26 heures d'horloge, le membre du personnel accomplit une charge de 22 heures de cours lorsque le membre du personnel est désigné dans une fonction du personnel enseignant ou dans une fonction du personnel paramédical, et une charge de 22 heures lorsque le membre du personnel est désigné dans une fonction du personnel médical, social, psychologique ou orthopédagogique.
  La charge de 22 heures de cours ou 22 heures visées à l'alinéa 2 consiste en un soutien du personnel enseignant et du jeune qui a besoin d'aide dans l'enseignement ordinaire.
  Le temps nécessaire à la professionnalisation, la concertation et la coopération, aux tùches de coordination et aux déplacements de service fait partie de la charge de 26 heures d'horloge visées à l'alinéa 2.
  La participation aux contacts parents et aux réunions des personnels ne rentre pas dans le cadre de la charge hebdomadaire de 26 heures d'horloge. Ces charges ne tombent pas forcément dans la période de présence normale des élÚves.
  Des moyens d'un rĂ©seau de soutien qui ne sont pas affectĂ©s directement au soutien de l'Ă©lĂšve ou des enseignants doivent ĂȘtre justifiĂ©s et approuvĂ©s par tous les comitĂ©s locaux de nĂ©gociation des Ă©coles concernĂ©es.
  Dans le cadre de la prise d'effet du prĂ©sent dĂ©cret, les membres de l'Ă©quipe d'encadrement visĂ©s Ă  l'article VI.1 du dĂ©cret du 21 mars 2014 relatif Ă  des mesures pour les Ă©lĂšves Ă  besoins Ă©ducatifs spĂ©cifiques, Ă  savoir les accompagnateurs " dĂ©veloppement de compĂ©tences ", prĂȘteront, dans l'exĂ©cution de leur mission, une attention particuliĂšre Ă  la charge visĂ©e au paragraphe 2, 4°, en se consacrant efficacement au dĂ©veloppement d'expertise dans les rĂ©seaux de soutien.
  § 9. Un groupe de pilotage installé au sein de cette réunion commune du Comité sectoriel X - Enseignement (Communauté flamande), du Comité des services publics provinciaux et locaux - section 2 - sous-section " Communauté flamande " et du Comité coordinateur de négociation de l'enseignement libre subventionné, est chargé de la préparation, du suivi et du pilotage de l'introduction des réseaux de soutien. L'inspection de l'enseignement et l'administration contrÎleront l'octroi et l'affectation des moyens à l'encadrement du personnel visé au paragraphe 1er, le fonctionnement des réseaux de soutien, la coordination et le pilotage des équipes ainsi que la qualité du soutien au niveau des effets produits sur les enseignants, les équipes d'enseignants et les élÚves.
  § 10. L'autorité effectuera une évaluation et un suivi rigoureux dont les résultats seront disponibles le 1er septembre 2019. Cette évaluation sera faite en concertation avec le groupe de pilotage visé au paragraphe 9 par une commission indépendante d'experts et de personnes provenant des milieux universitaires et porte entre autres sur :
  1° le mécanisme de répartition appliqué ;
  2° les incidences sur le personnel ;
  3° le soutien en classe de l'élÚve et de l'enseignant et les mouvements des élÚves ;
  4° l'affectation efficace des moyens. ".
Art. III.18. In dezelfde codex wordt een artikel 322/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 322/1. In afwijking van de bepalingen van de artikelen 318, 319, § 1, en 322, § 1, wordt de driejarige cyclus 2014-2015 tot en met 2016-2017 waarbij aan scholen een geïntegreerd ondersteuningsaanbod gelijke onderwijskansen, wordt toegekend, verlengd tot en met het schooljaar 2017-2018 met behoud voor elke school van het aantal betrokken extra lesuren.".
Art. III.18. Dans le mĂȘme Code, il est insĂ©rĂ© un article 322/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 322/1. Par dérogation aux dispositions des articles 318, 319, § 1er, et 322, § 1er, le cycle triennal des années scolaires 2014-2015 à 2016-2017, pendant lequel il est attribué aux écoles une offre d'appui intégrée " égalité des chances en éducation ", est prolongé pour inclure l'année scolaire 2017-2018 avec maintien pour chaque école du nombre d'heures de cours supplémentaires concernées. ".
Art. III.19. In artikel 329, § 1, van dezelfde codex wordt tussen de zinsnede "tot en met 172" en de woorden "te vermenigvuldigen" de zinsnede ", voor de leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs, en op 1 oktober voor de leerlingen van het geïntegreerd onderwijs" ingevoegd.
Art. III.19. Dans l'article 329, § 1er du mĂȘme Code, la phrase " pour les Ă©lĂšves de l'enseignement secondaire spĂ©cial, et au 1er octobre pour les Ă©lĂšves de l'enseignement intĂ©grĂ© " est insĂ©rĂ©e entre le membre de phrase " Ă  172 inclus, " et le membre de phrase " par leur pondĂ©ration pour les caractĂ©ristiques de l'Ă©cole ".
Art. III.20. In dezelfde codex wordt in deel V het opschrift van titel 5 vervangen door wat volgt :
  "Titel 5. - Specifieke bepalingen over het geïntegreerd onderwijs en de speciale onderwijsleermiddelen".
Art. III.20. Dans la partie V du mĂȘme Code, l'intitulĂ© du titre 5 est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Titre 5. Dispositions spécifiques relatives à l'enseignement intégré et aux moyens spéciaux d'aide à l'enseignement ".
Art. III.21. In dezelfde codex wordt in deel V, titel 5, het opschrift van hoofdstuk 2 vervangen door wat volgt :
  "Hoofdstuk 2. - De speciale onderwijsleermiddelen".
Art. III.21. Dans la partie V du mĂȘme Code, l'intitulĂ© du titre 5 est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Chapitre 2. Moyens spéciaux d'aide à l'enseignement ".
Afdeling 2. - Decreet Leren en Werken
Section 2. - Décret relatif au systÚme d'apprentissage et de travail
Art. III.22. In artikel 3 van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij de decreten van 8 mei 2009, 19 juli 2013, 21 maart 2014, 10 juni 2016 en 17 juni 2016, wordt een punt 6° bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "6° bis individueel aangepast curriculum : een curriculum waarbij leerdoelen op maat van de leerling met een verslag voor toegang tot buitengewoon onderwijs worden geformuleerd. De leerdoelen op maat van de leerling worden gekozen door de klassenraad in afstemming met de ouders, waar mogelijk de leerling, de CLB-medewerker en in voorkomend geval externe ondersteuners, vertrekkende van de leerdoelen die de doelen, in voorkomend geval de eindtermen, van de algemene vorming en de doelen van de beroepsgerichte vorming, beogen. Dit curriculum kan, indien dit noodzakelijk is voor de leerling, gebaseerd worden op de ontwikkelingsdoelen van het buitengewoon onderwijs of op de opleidingsprofielen van opleidingsvorm 3. Het curriculum wordt naargelang de studievoortgang van de leerling aangepast. Deze leerdoelen moeten worden nagestreefd, en beogen de maximale ontplooiing van de leerling en een zo volwaardig mogelijke participatie aan het klas- en schoolgebeuren in de school voor gewoon onderwijs. Daarnaast beoogt dit curriculum ook ofwel de participatie aan de maatschappij, eventueel in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is, ofwel de arbeidsdeelname in een omgeving waar in ondersteuning voorzien is, ofwel de tewerkstelling in een werkomgeving waar in ondersteuning voorzien is, ofwel de tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu, ofwel de verdere studies. Leerlingen die een individueel aangepast curriculum volgen komen niet in aanmerking voor de reguliere studiebewijzen van het gewoon voltijds secundair onderwijs, behoudens wanneer voldaan is aan de voorwaarden van artikel 73bis, eerste lid;".
Art. III.22. Dans l'article 3 du décret du 10 juillet 2008 relatif au systÚme d'apprentissage et de travail en Communauté flamande, modifié par les décrets des 8 mai 2009, 19 juillet 2013, 21 mars 2014, 10 juin 2016 et 17 juin 2016, il est inséré un point 6° bis, rédigé comme suit :
  " 6° bis programme adaptĂ© individuellement : un programme formulant des objectifs d'apprentissage au plus prĂšs des besoins de l'Ă©lĂšve en possession d'un rapport donnant accĂšs Ă  l'enseignement spĂ©cial. Les objectifs d'apprentissage en fonction des besoins de l'Ă©lĂšve sont choisis par le conseil de classe de concert avec les parents, si possible, avec l'Ă©lĂšve, le collaborateur CLB et, le cas Ă©chĂ©ant, des intervenants extĂ©rieurs, Ă  partir des objectifs d'apprentissage dans le but d'atteindre les objectifs, le cas Ă©chĂ©ant, les objectifs finaux de la formation gĂ©nĂ©rale et les objectifs de la formation Ă  caractĂšre professionnel. Ce programme peut, si besoin est, prendre appui sur les objectifs de dĂ©veloppement de l'enseignement spĂ©cial ou sur les profils de formation de la forme d'enseignement 3. Au fur et Ă  mesure de la progression de l'Ă©lĂšve, le programme est adaptĂ©. Ces objectifs d'apprentissage doivent ĂȘtre poursuivis de sorte que l'Ă©lĂšve puisse s'Ă©panouir au maximum et participer aussi pleinement que possible Ă  la vie de la classe et de l'Ă©cole dans une Ă©cole d'enseignement ordinaire. En outre, ce programme vise Ă©galement soit la participation Ă  la sociĂ©tĂ©, Ă©ventuellement dans un environnement apportant un soutien appropriĂ©, soit la participation au marchĂ© de l'emploi dans un environnement professionnel apportant un soutien appropriĂ©, soit l'insertion professionnelle dans le circuit du travail ordinaire, soit les Ă©tudes ultĂ©rieures. Les Ă©lĂšves qui suivent un programme adaptĂ© individuellement ne sont pas Ă©ligibles aux titres rĂ©guliers de l'enseignement secondaire ordinaire Ă  temps plein, sauf s'il est satisfait aux conditions de l'article 73bis, § 1er ; ".
Art. III.23. Aan artikel 31 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014 en 10 juni 2016, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt een paragraaf 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 2. Voor de organisatie van de beroepsgerichte vorming en de algemene vorming en van activiteiten ter ondersteuning van de beroepsgerichte vorming en de algemene vorming kan een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen samenwerken met andere centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, met centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, met centra voor volwassenenonderwijs of met instellingen voor voltijds gewoon technisch of beroepssecundair onderwijs.
  In voorkomend geval wordt er tussen het centrum en de instelling in kwestie of tussen de twee centra in kwestie een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin alle noodzakelijk geachte afspraken en voorwaarden zijn opgenomen.".
Art. III.23. A l'article 31 du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par les dĂ©crets des 21 mars 2014 et 10 juin 2016, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, il est ajoutĂ© un paragraphe 2, rĂ©digĂ© comme suit :
  " § 2. Pour l'organisation de la formation à caractÚre professionnel et la formation générale et des activités à l'appui de la formation à caractÚre professionnel et la formation générale, un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises peut coopérer avec d'autres centres de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, des centres d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, des centres d'éducation des adultes ou avec des établissements d'enseignement secondaire technique ou professionnel ordinaire à temps plein.
  Le cas échéant, un accord de coopération est conclu entre le centre et l'établissement en question ou entre les deux centres concernés, définissant les modalités et conditions jugées nécessaires. ".
Art. III.24. In artikel 49 van hetzelfde decreet wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
  "Voor een jongere die zich pas inschrijft in het deeltijds beroepssecundair onderwijs na zijn leerplicht wordt de inschrijving in het centrum onmiddellijk beëindigd als uit de screening, vermeld in artikel 62, blijkt dat hij niet in arbeidsdeelname of in brugproject wordt ingeschaald.".
Art. III.24. A l'article 49 du mĂȘme dĂ©cret, l'alinĂ©a premier est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Il est immédiatement mis fin à l'inscription dans le centre d'un jeune qui ne s'inscrit qu'aprÚs la fin de son obligation scolaire dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, lorsqu'il ressort du screening visé à l'article 62 qu'il n'est pas inséré dans le marché du travail ou un projet-tremplin. ".
Art. III.25. In hetzelfde decreet wordt een artikel 58/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 58/1. Het centrumbestuur kan op grond van specifieke onderwijskundige argumenten en met het oog op het aanbieden van meer individuele leertrajecten, beslissen om voor een jongere of jongerengroep af te wijken van de voorwaarde, vermeld in de eerste zin van het eerste lid van artikel 58, en onder de volgende modaliteiten :
  1° het individueel vrijstellen van het volgen van bepaalde onderdelen van de opleiding gedurende een deel of het geheel van het schooljaar en de vervanging door andere onderdelen die de finaliteit van de opleiding niet aantasten, mits de klassenraad van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het begeleidingsteam van het centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, naargelang van het geval, een gunstige beslissing neemt én mits akkoord van de betrokken personen, voor een jongere die onderwijsbehoeften heeft omwille van :
  a) hetzij hoogbegaafdheid, zoals vastgesteld op basis van handelingsgerichte diagnostiek van het centrum voor leerlingenbegeleiding;
  b) hetzij tijdelijke leermoeilijkheden of leerachterstanden voor bepaalde onderdelen van de opleiding, die niet vallen onder de toepassing van artikel 30/1 of artikel 31;
  2° in voorkomend geval :
  a) kunnen individuele vrijstellingen nooit worden verleend voor het geheel van de algemene vorming of het geheel van de beroepsgerichte vorming;
  b) worden individuele vrijstellingen en vervangingen schriftelijk en gemotiveerd vastgelegd;
  c) doen individuele vrijstellingen en vervangingen geen afbreuk aan de studiebekrachtiging.".
Art. III.25. Dans le mĂȘme dĂ©cret, il est insĂ©rĂ© un article 58/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 58/1. En prenant appui sur des arguments pédagogiques spécifiques et en vue de proposer plus de parcours d'apprentissage individuels, l'autorité du centre peut décider de déroger, pour un jeune ou groupe de jeunes, à la condition visée à la premiÚre phrase de de l'alinéa 1er de l'article 58, selon les modalités suivantes :
  1° l'exemption individuelle de suivre certaines subdivisions de la formation pendant une partie de l'année scolaire ou l'année scolaire complÚte et le remplacement par d'autres subdivisions qui ne portent pas atteinte à la finalité de la subdivision structurelle, à condition que le conseil de classe du centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ou de l'équipe d'accompagnement du centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises, suivant le cas, prenne une décision favorable aprÚs l'accord des personnes concernées, pour un jeune à besoins éducatifs spécifiques en raison :
  a) soit de sa nature surdouée, constatée sur la base d'une évaluation diagnostique actionnelle effectuée par le centre d'encadrement des élÚves ;
  b) soit de difficultés d'apprentissage temporaires ou de retards scolaires pour certaines subdivisions de la formation, ne relevant pas de l'application de l'article 30/1 ou de l'article 31 ;
  2° le cas échéant :
  a) des exemptions individuelles ne peuvent jamais ĂȘtre accordĂ©es pour l'ensemble de la formation gĂ©nĂ©rale ou l'ensemble de la formation Ă  caractĂšre professionnel ;
  b) des exemptions individuelles et des remplacements sont fixés par écrit et motivés ;
  c) des exemptions individuelles et des remplacements ne portent pas préjudice à la validation des études. ".
Art. III.26. In hetzelfde decreet wordt een artikel 73bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 73bis. Indien aan de jongeren in het deeltijds beroepssecundair onderwijs met een verslag, vermeld in het eerste lid van artikel 58, in afwijking van artikel 70 en 71, een regulier studiebewijs van het deeltijds beroepssecundair onderwijs wordt uitgereikt, zal voorafgaand aan de uitreiking van deze studiebewijzen de overeenkomst van de doelen opgenomen in het individuele curriculum met de doelen, in voorkomend geval de eindtermen, van de algemene vorming en de doelen van de beroepsgerichte vorming zoals reglementair vastgelegd van het overeenkomstige structuuronderdeel, voorgelegd worden aan de onderwijsinspectie.".
Art. III.26. Dans le mĂȘme dĂ©cret, il est insĂ©rĂ© un article 73bis, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 73bis. La délivrance d'un titre régulier de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel aux jeunes dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel qui disposent d'un rapport tel que visé à l'alinéa 1er de l'article 58, par dérogation aux articles 70 et 71, requiert la soumission à l'Inspection de l'Enseignement, préalablement à la délivrance de ces titres, qui vérifiera l'adéquation entre les objectifs figurant au programme individuel et les objectifs, le cas échéant, les objectifs finaux, de la formation générale et les objectifs de la formation à caractÚre professionnel tels que réglementairement fixés pour la subdivision structurelle correspondante. ".
Art. III.27. In artikel 75 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt :
  "Een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen richt voor elke vestigingsplaats waar de leertijd wordt aangeboden, een begeleidingsteam op.";
  2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt :
  "Het begeleidingsteam bestaat uit de volgende stemgerechtigde leden die elk over één stem beschikken : de directeur van het centrum of zijn afgevaardigde die het begeleidingsteam voorzit, en, afhankelijk van de jongere, de trajectbegeleider, de lesgevers algemene en beroepsgerichte vorming en een afgevaardigde van het CLB.".
Art. III.27. A l'article 75 du mĂȘme dĂ©cret sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Un centre de formation des indépendants et des petites et moyennes entreprises crée une équipe d'accompagnement pour chaque implantation proposant l'apprentissage. " ;
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " L'équipe d'accompagnement se compose des membres suivants qui disposent chacun d'une seule voix délibérative : le directeur du centre ou son délégué qui préside l'équipe d'accompagnement, et, en fonction du jeune, l'accompagnateur de parcours, les enseignants de la formation générale et à vocation professionnelle et un délégué du centre d'encadrement des élÚves. ".
Art. III.28. In artikel 77 van hetzelfde decreet wordt het volledige eerste lid, vervangen bij het decreet van 17 juni 2016 en gewijzigd bij het decreet van 10 juni 2016, vervangen door wat volgt :
  "Het begeleidingsteam beslist over het verdere verloop van de leertijd van een jongere en of een jongere is geslaagd voor een opleiding.".
Art. III.28. Dans l'article 77 du mĂȘme dĂ©cret, l'alinĂ©a premier complet, remplacĂ© par le dĂ©cret du 17 juin 2016 et modifiĂ© par le dĂ©cret du 10 juin 2016, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " L'équipe d'accompagnement décide sur le déroulement ultérieur de l'apprentissage d'un jeune et si un jeune a réussi sa formation. ".
Art. III.29. Artikel 78 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 juni 2016, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 78. Het begeleidingsteam beslist op gemotiveerde wijze en deelt die beslissing schriftelijk en gemotiveerd mee aan de betrokken personen. Van de beslissingen van het begeleidingsteam wordt een proces-verbaal opgemaakt en worden er notulen gemaakt. Het proces-verbaal bevat de lijst van de geslaagde en niet-geslaagde jongeren. De notulen bevatten een synthese van de elementen die tot de beslissingen hebben geleid, waaronder eventueel het resultaat van een stemming. De processen-verbaal en de notulen moeten gedurende 30 jaar bewaard worden.".
Art. III.29. L'article 78 du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par le dĂ©cret du 10 juin 2016, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 78. L'Ă©quipe d'accompagnement se prononce par une dĂ©cision motivĂ©e et notifie par Ă©crit cette dĂ©cision motivĂ©e aux personnes concernĂ©es. Les dĂ©cisions de l'Ă©quipe d'accompagnement sont consignĂ©es dans un procĂšs-verbal et un compte-rendu en est rĂ©digĂ©. Le procĂšs-verbal comporte la liste des jeunes qui ont rĂ©ussi et ceux qui n'ont pas rĂ©ussi. Le compte-rendu comporte une synthĂšse des Ă©lĂ©ments qui ont conduit aux dĂ©cisions, y compris notamment le rĂ©sultat d'un vote Ă©ventuel. Les procĂšs-verbaux et les comptes rendus doivent ĂȘtre conservĂ©s durant 30 ans. ".
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
Section 3. - Entrée en vigueur
Art. III.30. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2017.
  Artikel III.2 en III.14, 1°, hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2017.
  Artikel III.26 treedt in werking op 1 juni 2017.
Art. III.30. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2017.
  Les articles III.2 et III.14, 1°, produisent leurs effets le 1er janvier 2017.
  L'article III.26 entre en vigueur le 1er juin 2017.
HOOFDSTUK 4. - Deeltijds kunstonderwijs
CHAPITRE 4. - Enseignement artistique Ă  temps partiel
Art. IV.1. In het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen `Muziek', `Woordkunst' en `Dans' wordt een artikel 26quater ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 26quater. § 1. Een instelling kan voor een leerling die beschikt over een verslag als vermeld in artikel 16 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 of een verslag als vermeld in artikel 352 van de Codex Secundair Onderwijs of voor een leerling die erkend is als persoon met een handicap krachtens een Vlaamse, een andere Belgische of een buitenlandse wetgeving, na overleg met de leerling of zijn ouders, binnen het gemeenschappelijk curriculum afwijken van de volgende bepalingen :
  1° de bepalingen over lessenroosters, vermeld in artikel 7 tot en met 10;
  2° de bepalingen over groeperingsvoorwaarden, vermeld in artikel 11;
  3° de bepalingen over de evaluatie, de proeven en de bekrachtiging van de studies, vermeld in artikel 29 tot en met 39.
  De directeur en leerkrachten motiveren de afwijkingen in functie van de leerwinst met het oog op het behalen van het attest, eindattest of getuigschrift. De inspectie en de verificatie kunnen de motivering op elk moment inkijken in de instelling.
  § 2. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om wijzigingen in dit artikel uit te voeren via een besluit van de Vlaamse Regering.".
Art. IV.1. Dans l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique Ă  temps partiel, orientations " Musique ", " Arts de la parole " et " Danse ", il est insĂ©rĂ© un article 26quater ainsi rĂ©digĂ© :
  " Art. 26quater. § 1er. Pour un élÚve en possession d'un rapport tel que visé à l'article 16 du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 ou d'un rapport tel que visé à l'article 352 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010, ou pour un élÚve qui est reconnu comme une personne handicapée en vertu d'une législation flamande, d'une autre législation belge ou étrangÚre, un établissement peut déroger, au sein du programme d'études commun, aux dispositions suivantes, aprÚs concertation avec l'élÚve ou ses parents :
  1° les dispositions concernant les horaires des cours, visées aux articles 7 à 10 ;
  2° les dispositions concernant les conditions de groupement, visées à l'article 11 ;
  3° les dispositions concernant l'évaluation, les épreuves et la validation des études au sens des articles 29 à 39.
  Le directeur et les enseignants motivent les dérogations en fonction des gains d'apprentissage en vue de l'obtention de l'attestation, de l'attestation finale ou du certificat. L'inspection et la vérification peuvent consulter la motivation auprÚs de l'établissement à tout moment.
  § 2. Le Gouvernement flamand est autorisĂ© Ă  modifier le prĂ©sent article par un arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand. ".
Art. IV.2. Artikel 26quater van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting `Beeldende kunst' wordt opgeheven.
Art. IV.2. L'article 26quater de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique Ă  temps partiel, orientation " Arts plastiques " est supprimĂ©.
Art. IV.3. In artikel IV.8 van het decreet van 17 juni 2016 betreffende het onderwijs XXVI wordt in het derde streepje de zinsnede "artikel 26ter en artikel 26quater" vervangen door de zinsnede "en artikel 26ter".
Art. IV.3. Dans l'article IV.8 du décret du 17 juin 2016 relatif à l'enseignement XXVI, le membre de phrase " l'article 26ter et l'article 26quater " est remplacé par le membre de phrase " et l'article 26ter ".
Art. IV.4. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2015
  Artikel IV.3 treedt in werking op 1 september 2016.
Art. IV.4. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2015.
  L'article IV.3 entre en vigueur le 1er septembre 2016.
HOOFDSTUK 5. - Volwassenenonderwijs
CHAPITRE 5. - Education des adultes
Art. V.1. In artikel 2 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° er wordt een punt 3° bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "3° bis bevolkingsdichtheid : het aantal inwoners per km in de vestigingsplaats volgens de meest recente berekening van de federale instantie die bevoegd is voor de coördinatie van de openbare statistiek. Voor de vestigingsplaats tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt de totale bevolking van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km. De in aanmerking te nemen bevolkingsdichtheid voor een centrum met meerdere vestigingsplaatsen wordt vastgesteld op grond van volgende berekening : de totale bevolking van deze gemeenten wordt gedeeld door de totale oppervlakte uitgedrukt in km;";
  2° in punt 45° worden de woorden "de functie" vervangen door de woorden "het ambt".
Art. V.1. A l'article 2 du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, modifié en dernier lieu par le décret du 23 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées :
  1° il est inséré un point 3° bis ainsi rédigé :
  " 3° bis densité de la population : le nombre d'habitants par km dans l'implantation suivant le calcul le plus récent effectué par l'instance fédérale qui est chargée de la coordination de la statistique publique. Pour l'implantation de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, la population totale de la région bilingue de Bruxelles-Capitale est divisée par la superficie totale exprimée en km. La densité de la population à prendre en considération pour un centre à plusieurs implantations est déterminée en appliquant le calcul suivant : la population totale de ces communes est divisée par la superficie totale exprimée en km ; " ;
  2° au point 45°, les mots " la fonction " sont remplacés par les termes " l'emploi ".
Art. V.2. In artikel 65 van hetzelfde decreet worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw tweede lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Als het een aanvraag betreft voor een vestigingsplaats die verder dan 25 km van de hoofdvestigingsplaats van het centrum voor volwassenenonderwijs gelegen is, dan zal een protocol van akkoord van de bevoegde lokale onderhandelingscomités van zowel het overhevelende als het ontvangende centrum, voor de Vlaamse Regering een zeer belangrijk element vormen bij de beoordeling van de aanvraag. De Vlaamse Regering motiveert haar beslissing indien deze afwijkt van het standpunt aangenomen in het protocol.";
  2° in paragraaf 2 en paragraaf 4 wordt de zinsnede "de overdracht van leraarsuren" telkens vervangen door de zinsnede "de overdracht van leraarsuren en/of punten".
Art. V.2. Dans l'article 65 du mĂȘme dĂ©cret, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au paragraphe 1er, il est inséré un nouvel alinéa 2 rédigé comme suit entre les alinéas 1er et 2 :
  " Lorsqu'il s'agit d'une demande pour une implantation Ă©loignĂ©e de plus de 25 km de l'implantation principale du centre d'Ă©ducation des adultes, le protocole d'accord des comitĂ©s de nĂ©gociation local compĂ©tents tant du centre d'Ă©ducation des adultes transfĂ©rant que du centre d'Ă©ducation des adultes recevant pour le Gouvernement flamand constituera un Ă©lĂ©ment trĂšs important dans l'Ă©valuation de la demande. Le Gouvernement flamand motive sa dĂ©cision au cas oĂč celle-ci dĂ©roge Ă  la position adoptĂ©e dans le protocole d'accord. " ;
  2° dans le paragraphe 2 et le paragraphe 4, le membre de phrase " le transfert de périodes/enseignant " est chaque fois remplacé par le membre de phrase " le transfert de périodes/enseignant et/ou de points ".
Art. V.3. In artikel 68, § 1, van hetzelfde decreet wordt het woord "functies" vervangen door het woord "ambten".
Art. V.3. Dans l'article 68, § 1er du mĂȘme dĂ©cret, les mots " les fonctions créées " sont remplacĂ©s par les mots " les emplois créés ".
Art. V.4. In artikel 85, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden "de functie" vervangen door de woorden "het ambt".
Art. V.4. A l'article 85, § 1er, du mĂȘme dĂ©cret, les mots " la fonction " sont remplacĂ©s par les mots " l'emploi ".
Art. V.5. In artikel 87 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "voltijdse functie" vervangen door de woorden "voltijds ambt";
  2° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "de functie" vervangen door de woorden "het ambt" en worden de woorden "deze functie" vervangen door de woorden "dit ambt";
  3° in paragraaf 2 wordt het woord "functies" vervangen door het woord "ambten";
  4° in paragraaf 3, eerste lid, wordt het woord "functies" vervangen door het woord "ambten", worden de woorden "elke functie" vervangen door de woorden "elk ambt" en worden de woorden "de functie" vervangen door de woorden "het ambt";
  5° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "elke functie" vervangen door de woorden "elk ambt".
Art. V.5. A l'article 87 du mĂȘme dĂ©cret, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots " une fonction à temps plein " sont remplacés par les mots " un emploi à temps plein " ;
  2° au paragraphe 1er, alinéa 3, les mots " la fonction " sont remplacés par les mots " l'emploi " et les mots " cette fonction " sont remplacés par les mots " cet emploi " ;
  3° au paragraphe 2, le mot " fonctions " est remplacé par le mot " emplois " ;
  4° au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " de fonctions " sont remplacés par les mots " d'emplois " et les mots " chaque fonction " sont remplacés par les mots " chaque emploi " et les mots " la fonction " sont remplacés par les mots " l'emploi " ;
  5° au paragraphe 3, alinéa 2, les mots " chaque fonction " sont remplacés par les mots " chaque emploi ".
Art. V.6. In artikel 88, § 1, 1°, van hetzelfde decreet worden de woorden "de functie" vervangen door de woorden "het ambt".
Art. V.6. Dans l'article 88, § 1er, 1° du mĂȘme dĂ©cret, les mots " la fonction dans laquelle " sont remplacĂ©s par les mots " l'emploi dans lequel ".
Art. V.7. In artikel 90 van hetzelfde decreet wordt het woord "functies" vervangen door het woord "ambten".
Art. V.7. Dans l'article 90 du mĂȘme dĂ©cret, les mots " de fonctions " sont remplacĂ©s par les mots " d'emplois ".
Art. V.8. In artikel 97 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 12 juli 2013 en 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. Een erkend centrum voor volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor de studiegebieden als vermeld in artikel 7 komt voor de financiering of subsidiëring voor het schooljaar n/n+1 in aanmerking wanneer het centrum voor volwassenenonderwijs aan één van de volgende voorwaarden voldoet :
  1° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van meer dan 300 inwoners per km wordt in aanmerking genomen, heeft tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n ten minste 700.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs behaald, waarbij de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n naar een ander centrum, niet meegerekend zijn;
  2° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van meer dan 300 inwoners per km wordt in aanmerking genomen, heeft op 1 september n ten minste de som van 700.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n;
  3° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van 300 of minder inwoners per km wordt in aanmerking genomen, heeft tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n ten minste 360.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs behaald, waarbij de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n naar een ander centrum, niet meegerekend zijn;
  4° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van 300 of minder inwoners per km wordt in aanmerking genomen, heeft op 1 september n ten minste de som van 360.000 lesurencursist in het secundair volwassenenonderwijs bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n;
  5° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats op 1 januari 2017 in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of in de rand- en taalgrensgemeenten of in de voormalige mijngemeente Beringen, Genk, Houthalen-Helchteren, Heusden-Zolder en Maasmechelen ligt, heeft tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n ten minste 525.000 lesurencursist behaald, waarbij de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n naar een ander centrum, niet meegerekend zijn;
  6° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvan de hoofdvestigingsplaats op 1 januari 2017 in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad of in de rand- en taalgrensgemeenten of in de voormalige mijngemeente Beringen, Genk, Houthalen-Helchteren, Heusden-Zolder en Maasmechelen ligt, heeft op 1 september n ten minste de som van 525.000 in het secundair volwassenenonderwijs bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n;
  7° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft onderwijsbevoegdheid voor maximaal één studiegebied als vermeld in artikel 7 en heeft tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n ten minste 200.000 lesurencursist in dit studiegebied behaald;
  8° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft onderwijsbevoegdheid voor maximaal één studiegebied als vermeld in artikel 7 en heeft op 1 september n ten minste de som van 200.000 lesurencursist bereikt, waarvan een deel de lesurencursist zijn die door het centrum tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n in dit studiegebied zijn behaald en een deel de lesurencursist die volgens de formule van artikel 98, § 1, aan de basis hebben gelegen van de berekening voor de overdracht van leraarsuren bij een overheveling van een of meer structuuronderdelen op 1 september n;
  9° het centrum voor volwassenenonderwijs heeft onderwijsbevoegdheid voor maximaal twee studiegebieden als vermeld in artikel 7, waarvan één studiegebied waarvoor op 1 februari 2017 geen enkel ander centrum voor volwassenenonderwijs onderwijsbevoegdheid heeft, en heeft tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n ten minste 200.000 lesurencursist in één van deze studiegebieden behaald.
  Een erkend centrum voor volwassenenonderwijs met onderwijsbevoegdheid voor uitsluitend de studiegebieden, vermeld in artikel 8, en/of uitsluitend de specifieke lerarenopleiding komt voor de financiering of subsidiëring voor het schooljaar n/n+1 in aanmerking wanneer het centrum voor volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n ten minste 120.000 lesurencursist heeft behaald.";
  2° paragraaf 3 wordt opgeheven;
  3° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "als het tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n ten minste 360.000 lesurencursist heeft behaald" vervangen door de volgende zinnen :
  "wanneer het aan één van de volgende voorwaarden voldoet :
  1° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van meer dan 300 inwoners per km wordt in aanmerking genomen, heeft tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n ten minste 850.000 lesurencursist behaald;
  2° het centrum voor volwassenenonderwijs waarvoor een bevolkingsdichtheid van 300 of minder inwoners per km wordt in aanmerking genomen, heeft tijdens de referteperiode van 1 april n-1 tot en met 31 maart n ten minste 360.000 lesurencursist behaald.";
  4° paragraaf 6 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 6. Als in de referteperiodes van 1 april n-2 tot en met 31 maart n niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, wordt de financiering of de subsidiëring van het structuuronderdeel of de structuuronderdelen in kwestie, zoals vermeld in paragraaf 1, van het centrum voor volwassenenonderwijs in kwestie afgebouwd tot nul vanaf het jaar n.
  Elk centrum dat de rationalisatienorm gedurende twee opeenvolgende referteperiodes niet bereikt heeft, moet op 1 september van het daaropvolgende schooljaar :
  1° hetzij fusioneren met een andere centrum;
  2° hetzij overgaan tot geleidelijke afbouw waarbij de cursisten, ingeschreven in het centrum voor volwassenenonderwijs op het moment dat beslist wordt tot afbouw, de aangevatte opleiding volledig en binnen een normaal tijdsbestek moeten kunnen beëindigen. Met een normaal tijdsbestek wordt bedoeld zonder onderbreking en zonder herhaling van een module. De afbouw tot nul moet gerealiseerd worden binnen een periode van drie schooljaren.".
Art. V.8. Dans l'article 97 du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par les dĂ©crets des 12 juillet 2013 et 19 dĂ©cembre 2014, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Un centre d'éducation des adultes agréé ayant compétence d'enseignement pour les disciplines telles que visées à l'article 7 est admissible au financement ou aux subventions pour l'année scolaire n/n+1 lorsque le centre d'éducation des adultes satisfait à une des conditions suivantes :
  1° le centre d'éducation des adultes pour lequel une densité de la population de plus de 300 habitants par km est prise en considération, a atteint, pendant la période de référence du 1er avril n-1 au 31 mars n, au moins 700.000 heures de cours/apprenant dans l'enseignement secondaire des adultes. Dans ce chiffre ne sont pas comprises les heures de cours/apprenant qui ont, suivant la formule de l'article 98, § 1er, servi de base au calcul du transfert des périodes/enseignant lors d'un transfert d'une ou plusieurs subdivisions structurelles à un autre centre au 1er septembre n ;
  2° le centre d'éducation des adultes pour lequel une densité de la population de plus de 300 habitants par km est prise en considération, a atteint au 1er septembre n, au moins la somme de 700.000 heures de cours/apprenant dans l'enseignement secondaire des adultes dont une partie sont les heures de cours/apprenant qui ont été atteints par le centre pendant la période de référence du 1er avril n-1 au 31 mars n et une partie les heures de cours/apprenant qui ont, suivant la formule de l'article 98, § 1er, servi de base au calcul du transfert des périodes/enseignant lors d'un transfert d'une ou plusieurs subdivisions structurelles au 1er septembre n ;
  3° le centre d'éducation des adultes pour lequel une densité de la population de 300 habitants ou moins par km est prise en considération, a atteint, pendant la période de référence du 1er avril n-1 au 31 mars n, au moins 360.000 heures de cours/apprenant dans l'enseignement secondaire des adultes. Dans ce chiffre ne sont pas comprises les heures de cours/apprenant qui ont, suivant la formule de l'article 98, § 1er, servi de base au calcul du transfert des périodes/enseignant lors d'un transfert d'une ou plusieurs subdivisions structurelles à un autre centre au 1er septembre n ;
  4° le centre d'éducation des adultes pour lequel une densité de la population de 300 habitants ou moins par km est prise en considération, a atteint au 1er septembre n, au moins la somme de 360.000 heures de cours/apprenant dans l'enseignement secondaire des adultes, dont une partie sont les heures de cours/apprenant qui ont été atteints par le centre pendant la période de référence du 1er avril n-1 au 31 mars n et une partie les heures de cours/apprenant qui ont, suivant la formule de l'article 98, § 1er, servi de base au calcul du transfert des périodes/enseignant lors d'un transfert d'une ou plusieurs subdivisions structurelles au 1er septembre n ;
  5° le centre d'éducation des adultes dont l'implantation principale est située au 1er janvier 2017 dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale ou dans les communes périphériques et des communes de la frontiÚre linguistique ou dans les anciennes communes miniÚres Beringen, Genk, Houthalen-Helchteren, Heusden-Zolder et Maasmechelen, a atteint, pendant la période de référence du 1er avril n-1 au 31 mars n au moins 525.000 heures de cours/apprenant. Dans ce chiffre ne sont pas comprises les heures de cours/apprenant qui ont, suivant la formule de l'article 98, § 1er, servi de base au calcul du transfert des périodes/enseignant lors d'un transfert d'une ou plusieurs subdivisions structurelles à un autre centre au 1er septembre n ;
  6° le centre d'éducation des adultes dont l'implantation principale est située au 1er janvier 2017 dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale ou dans les communes périphériques et des communes de la frontiÚre linguistique ou dans les anciennes communes miniÚres Beringen, Genk, Houthalen-Helchteren, Heusden-Zolder et Maasmechelen, a atteint au 1er septembre n au moins la somme de 525.000 heures de cours/apprenant dans l'enseignement secondaire des adultes, dont une partie sont les heures de cours/apprenant qui ont été atteints par le centre pendant la période de référence du 1er avril n-1 au 31 mars n et une partie les heures de cours/apprenant qui ont, suivant la formule de l'article 98, § 1er, servi de base au calcul du transfert des périodes/enseignant lors d'un transfert d'une ou plusieurs subdivisions structurelles au 1er septembre n ;
  7° le centre d'éducation des adultes détient la compétence d'enseignement pour au maximum une discipline comme prévue à l'article 7 et a atteint pendant la période de référence du 1er avril n-1 au 31 mars n au moins 200.000 heures de cours/apprenant dans cette discipline ;
  8° le centre d'éducation des adultes détient compétence d'enseignement pour au maximum une discipline comme prévue à l'article 7 et a atteint au 1er septembre n, au moins la somme de 200.000 heures de cours/apprenant, dont une partie sont les heures de cours/apprenant qui ont été atteints par le centre, pendant la période de référence du 1er avril n-1 au 31 mars n dans cette discipline et une partie les heures de cours/apprenant qui ont, suivant la formule de l'article 98, § 1er, servi de base au calcul du transfert des périodes/enseignant lors d'un transfert d'une ou plusieurs subdivisions structurelles au 1er septembre n ;
  9° le centre d'éducation des adultes détient la compétence d'enseignement pour au maximum deux disciplines comme prévues à l'article 7, dont une discipline pour laquelle aucun autre centre d'éducation des adultes ne détient compétence d'enseignement, et a atteint pendant la période de référence du 1er avril n-1 au 31 mars n au moins 200.000 heures de cours/apprenant dans une de ces disciplines.
  Un centre d'éducation des adultes agréé ayant compétence d'enseignement pour seules les disciplines comme prévues à l'article 8 et/ou seule la formation spécifique des enseignants est admissible au financement ou aux subventions pour l'année scolaire n/n+1 lorsque le centre d'éducation des adultes a atteint, pendant la période de référence du 1er avril n-1 au 31 mars n, au moins 120.000 heures de cours/apprenant. " ;
  2° le paragraphe 3 est abrogé ;
  3° dans le paragraphe 5, le membre de phrase " qu'à condition qu'il ait atteint, pendant la période de référence 1er avril n-1 - 31 mars n, au moins 360.000 heures de cours/apprenant " est remplacé par les phrases suivantes :
  " qu'à condition de répondre à une des conditions suivantes :
  1° le centre d'éducation des adultes pour lequel une densité de la population de plus de 300 habitants par km est prise en considération, a atteint pendant la période de référence du 1er avril n-1 au 31 mars n au moins 850.000 heures de cours/apprenant ;
  2° le centre d'éducation des adultes pour lequel une densité de la population de 300 habitants ou moins par km est prise en considération, a atteint pendant la période de référence du 1er avril n-1 au 31 mars n au moins 360.000 heures de cours/apprenant. " ;
  4° le paragraphe 6 est remplacé par les dispositions suivantes :
  " § 6. Le non-respect des conditions prévues au paragraphe 1er dans les périodes de référence du 1er avril n-2 au 31 mars n entraßnera la suppression progressive jusqu'à zéro à partir de l'année n de l'attribution d'un financement ou de subventions à la subdivision structurelle ou aux subdivisions structurelles en question au sens du paragraphe 1er, du centre d'éducation des adultes en question.
  Tout centre n'ayant pas atteint la norme de rationalisation pendant deux périodes de référence consécutives doit au 1er septembre de l'année scolaire suivante :
  1° soit fusionner avec un autre centre ;
  2° soit procĂ©der Ă  la suppression progressive tout en permettant aux apprenants inscrits dans le centre d'Ă©ducation des adultes au moment oĂč la suppression progressive est dĂ©cidĂ©e, d'achever complĂštement et dans un dĂ©lai normal la formation entamĂ©e. Par dĂ©lai normal, il faut entendre un dĂ©lai ininterrompu et sans recommencement d'un module. La suppression progressive jusqu'Ă  zĂ©ro doit ĂȘtre rĂ©alisĂ©e endĂ©ans une pĂ©riode de trois annĂ©es scolaires. ".
Art. V.9. In artikel 98, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 4° wordt het studiegebied `bibliotheek-, archief- en documentatiekunde' opgeheven;
  2° in punt 7° wordt tussen het studiegebied `algemene personenzorg,' en het studiegebied `Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2' het studiegebied `bibliotheek-, archief- en documentatiekunde' ingevoegd.
Art. V.9. Dans l'article 98, § 1er, alinĂ©a 2, du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par le dĂ©cret du 23 dĂ©cembre 2016, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au point 4°, la discipline " bibliotheek-, archief- en documentatiekunde " est supprimée ;
  2° au point 7°, la discipline " bibliotheek-, archief- en documentatiekunde " est insérée entre la discipline " algemene personenzorg, " et la discipline " Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 ".
Art. V.10. In artikel 100 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 4 vervangen door wat volgt :
  " § 4. Aan de puntenenveloppe waarop het centrum volgens artikel 105, § 3, recht heeft, wordt voor de toepassing van paragraaf 3 per voltijdse betrekking van directeur 130 punten toegevoegd. Als er een einde komt aan de aanstelling van de vastbenoemde directeur in het ambt van adjunct-directeur behoudt het centrum de toegevoegde punten. Deze bepaling geldt tot en met 31 augustus 2019.".
Art. V.10. Dans l'article 100 du mĂȘme dĂ©cret, le paragraphe 4 est remplacĂ© par les dispositions suivantes :
  " § 4. A l'enveloppe de points à laquelle le centre a droit en vertu de l'article 105, § 3, 130 points sont ajoutés en application du paragraphe 3 par emploi à temps plein de directeur. Lorsque la désignation du directeur nommé définitivement dans la fonction de directeur adjoint prend fin, le centre conserve ces points ajoutés. La présente disposition est valable jusqu'au 31 août 2019. ".
Art. V.11. In artikel 107ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2011 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2016, wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
  "1° de module(s) van opleidingen van het studiegebied `Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2' waarop de aanvraag betrekking heeft, wordt vermeld;".
Art. V.11. Dans l'article 107ter du mĂȘme dĂ©cret, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 1er juillet 2011 et modifiĂ© par le dĂ©cret du 23 dĂ©cembre 2016, le point 1° est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 1° il est fait mention du(des) module(s) des formations de la discipline " Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 " faisant l'objet de la demande ; ".
Art. V.12. In artikel 109 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 december 2016, wordt het woord "wachtuitkering" telkens vervangen door het woord "inschakelingsuitkering".
Art. V.12. Dans l'article 109 du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© en dernier lieu par le dĂ©cret du 23 dĂ©cembre 2016, les mots " allocation d'attente " sont chaque fois remplacĂ©s par les mots " allocation d'insertion ".
Art. V.13. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2017.
  Artikel V.1, 1°, en V.8 treden in werking op 1 september 2019.
  Artikel V.3, V.4, V.5, V.6 en V.7 treden in werking op 1 januari 2018.
  Artikel V.11 treedt in werking op 1 juli 2017.
Art. V.13. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2017.
  Les articles V.1, 1°, et V.8 entrent en vigueur le 1er septembre 2019.
  Les articles V.3, V.4, V.5, V.6 en V.7 entrent en vigueur le 1er janvier 2018.
  L'article V.11 entre en vigueur le 1er juillet 2017.
HOOFDSTUK 6. - Hoger onderwijs
CHAPITRE 6. - Enseignement supérieur
Afdeling 1. - Codex Hoger Onderwijs
Section 1re. - Code de l'Enseignement supérieur
Art. VI.1. In artikel I.3 van de Codex Hoger Onderwijs, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014 en 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 14°, a), wordt het leesteken ";" vervangen door de zinsnede ", of";
  2° in punt 14° wordt b) vervangen door wat volgt :
  "b) voldoet aan de voorwaarden, bepaald in artikel 9 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, en beantwoordt aan de financiële criteria voor het verkrijgen van een studiefinanciering in de Vlaamse Gemeenschap, of";
  3° punt 16° wordt vervangen door wat volgt :
  "16° bijna-beursstudent : een student die onderdaan is van een staat behorende tot de Europese Economische ruimte of voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 9 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap en die geen studietoelage van de Vlaamse Gemeenschap ontvangt, maar waarvan het referentie-inkomen ten hoogste 3000 euro ligt boven de financiële maximumgrens, bepaald in de regelgeving betreffende de studietoelagen. Het bedrag van 3000 euro wordt geïndexeerd overeenkomstig artikel II.218;";
  4° in punt 69° wordt in f) de zinsnede "II.245" vervangen door de zinsnede "II.246";
  5° in punt 69° wordt punt i), opgeheven bij decreet van 21 maart 2014, opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  "i) een individuele beslissing houdende de weigering tot inschrijving op basis van ontoereikend leerkrediet of een leerkrediet lager dan of gelijk aan 0, indien niet het gevolg van een algemene reglementaire bepaling.".
Art. VI.1. A l'article I.3 du Code de l'Enseignement supérieur, modifié par les décrets des 21 mars 2014 et 19 décembre 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au point 14°, a), le signe " ; " est remplacé par le membre de phrase " , ou " ;
  2° au 14°, le point b) est remplacé par la disposition suivante :
  " b) remplit les conditions visées à l'article 9 du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financiÚre aux études de la Communauté flamande et répond aux critÚres financiers d'obtention d'une aide financiÚre aux études de la Communauté flamande, ou " ;
  3° le point 16° est remplacé par la disposition suivante :
  " 16° quasi-boursier : un étudiant qui est ressortissant d'un état membre de l'Espace économique européen ou remplit les conditions fixées à l'article 9 du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financiÚre aux études de la Communauté flamande et qui ne bénéficie pas d'une allocation d'études de la Communauté flamande, mais dont le revenu de référence dépasse de 3.000 euros au maximum le plafond financier fixé dans la réglementation relative aux allocations d'études. Le montant de 3.000 euros est indexé conformément à l'article II.218 ; " ;
  4° dans le point 69°, le membre de phrase " II.245 " du point f) est remplacé par le membre de phrase " II.246 " ;
  5° dans le point 69°, le point i) abrogé par le décret du 21 mars 2014, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " i) une décision individuelle de refuser l'inscription en raison de l'insuffisance du crédit d'apprentissage ou d'un crédit d'apprentissage inférieur ou égal à 0, qui ne découle pas d'une disposition réglementaire générale. ".
Art. VI.2. In artikel II.42 van dezelfde codex wordt de zinsnede "artikel II.40" vervangen door de zinsnede "artikel II.41".
Art. VI.2. Dans l'article II.42 du mĂȘme Code, le membre de phrase " article II.40 " est remplacĂ© par le membre de phrase " article II.41 ".
Art. VI.3. In artikel II.43 van dezelfde codex wordt de zinsnede "artikel II.40" vervangen door de zinsnede "artikel II.41".
Art. VI.3. Dans l'article II.43 du mĂȘme Code, le membre de phrase " article II.40 " est remplacĂ© par le membre de phrase " article II.41 ".
Art. VI.4. Artikel II.73, § 8, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, wordt opgeheven.
Art. VI.4. L'article II.73, § 8 du mĂȘme Code modifiĂ© par le dĂ©cret du 19 juin 2015 est abrogĂ©.
Art. VI.5. In artikel II.85 van dezelfde codex wordt punt 2° vervangen door wat volgt :
  "2° audiovisuele en beeldende kunst, waarvoor :
  a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;
  b) in het academisch onderwijs de graden van bachelor of master kunnen worden verleend op voorwaarde dat het onderwijs verstrekt wordt in het kader van een School of Arts;".
Art. VI.5. Dans l'article II.85 du mĂȘme Code, le point 2° est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " 2° Audiovisuele en beeldende kunst (Arts audiovisuels et arts plastiques) :
  a) pour laquelle le grade de bachelor peut ĂȘtre confĂ©rĂ© dans l'enseignement supĂ©rieur professionnel Ă  condition que l'enseignement soit dispensĂ© dans le cadre d'une School of Arts ;
  b) pour laquelle les grades de bachelor ou de master peuvent ĂȘtre confĂ©rĂ©s dans l'enseignement acadĂ©mique Ă  condition que l'enseignement soit dispensĂ© dans le cadre d'une School of Arts ; ".
Art. VI.6. Aan artikel II.102 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 5. De bachelor-na-bacheloropleidingen, leidende tot de volgende bachelordiploma's, worden na het academiejaar 2021-2022 niet meer aangeboden :
  - bachelor in de intensieve zorg en spoedgevallenzorg;
  - bachelor in de oncologie;
  - bachelor in de pediatrie en neonatologie;
  - bachelor in de interdisciplinaire ouderenzorg;
  - bachelor in de operatieverpleegkunde;
  - bachelor in de palliatieve zorg;
  - bachelor in de geestelijke gezondheidszorg;
  - bachelor in de geriatrie;
  - bachelor in de sociale gezondheidszorg.
  In het academiejaar 2021-2022 kunnen nieuwe studenten zich niet inschrijven.
  Vanaf het academiejaar 2022-2023 kan het overeenstemmende diploma van bachelor niet meer worden uitgereikt.".
Art. VI.6. L'article II.102 du mĂȘme Code, modifiĂ© par le dĂ©cret du 19 juin 2015, est complĂ©tĂ© par un paragraphe 5 rĂ©digĂ© comme suit :
  " § 5. Les formations de bachelor aprÚs bachelor conduisant aux diplÎmes de bachelor suivants ne sont plus proposées aprÚs l'année académique 2021-2022 :
  - bachelor in de intensieve zorg en spoedgevallenzorg ;
  - bachelor in de oncologie ;
  - bachelor in de pediatrie en neonatologie ;
  - bachelor in de interdisciplinaire ouderenzorg ;
  - bachelor in de operatieverpleegkunde ;
  - bachelor in de palliatieve zorg ;
  - bachelor in de geestelijke gezondheidszorg ;
  - bachelor in de geriatrie ;
  - bachelor in de sociale gezondheidszorg.
  L'inscription de nouveaux étudiants dans l'année académique 2021-2022 est interdite.
  A compter de l'annĂ©e acadĂ©mique 2022-2023, le diplĂŽme correspondant de bachelor ne peut plus ĂȘtre dĂ©livrĂ©. ".
Art. VI.7. In deel 2, titel 3, van dezelfde codex wordt het opschrift van hoofdstuk 7 vervangen door "Inclusief hoger onderwijs".
Art. VI.7. Dans la partie 2, titre 3, du mĂȘme Code, l'intitulĂ© du chapitre 7er est remplacĂ© par " Enseignement supĂ©rieur inclusif ".
Art. VI.8. Artikel II.117 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. II.117. Ter ondersteuning van het beleid dat hogescholen en universiteiten voeren in het kader van inclusief hoger onderwijs wordt vanaf begrotingsjaar 2017 een extra bedrag toegevoegd aan de sociale toelage die krachtens artikel III.66 van deze codex jaarlijks aan de hogescholen en universiteiten wordt toegekend.".
Art. VI.8. L'article II.117 du mĂȘme Code est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. II.117. A l'appui de la politique menée par les instituts supérieurs et universités dans le cadre de l'enseignement supérieur inclusif, les instituts supérieurs et les universités seront, à partir de l'année budgétaire 2017, bénéficiaires d'un montant supplémentaire ajouté à l'allocation sociale attribuée annuellement aux instituts supérieurs et aux universités en vertu de l'article III.66 du présent Code. ".
Art. VI.9. Artikel II.118 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. II.118. Het in artikel II.117 bij de sociale toelage toegevoegde bedrag kan zoals bedoeld in artikel III.66 van deze codex enkel aangewend worden voor opleidingsgebonden materies inzake studenten met functiebeperkingen, zoals omschreven in artikel II.276, § 3, van deze codex.".
Art. VI.9. L'article II.118 du mĂȘme Code est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. II.118. Comme prĂ©vu par l'article III.66 du prĂ©sent Code, le montant ajoutĂ© en vertu de l'article II.117 Ă  l'allocation sociale ne peut ĂȘtre affectĂ© qu'aux matiĂšres liĂ©es Ă  la formation pour les Ă©tudiants ayant des limitations fonctionnelles au sens de l'article II.276, § 3 du prĂ©sent Code ".
Art. VI.10. Artikel II.119 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. II.119. De hogescholen en universiteiten rapporteren in het jaarverslag over studentenvoorzieningen over de globale inhoud van de begeleiding en de aanwending in functie van de ondersteuning van de student van het volgens artikel II.117 van deze codex aan de sociale toelage toegevoegde bedrag.".
Art. VI.10. L'article II.119 du mĂȘme Code est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. II.119. Dans le rapport annuel sur les services aux étudiants, les instituts supérieurs et universités rendent compte du contenu global de l'accompagnement et de l'affectation du montant ajouté à l'allocation sociale selon l'article II.117 pour le soutien de l'étudiant. ".
Art. VI.11. Artikel II.120 van dezelfde codex wordt opgeheven.
Art. VI.11. L'article II.120 du mĂȘme Code est abrogĂ©.
Art. VI.12. In artikel II.182 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, wordt een nieuwe paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt :
  " § 2/1. In afwijking van paragraaf 2, eerste lid, kan een instellingsbestuur voor een masteropleiding een bacheloropleiding in het hoger professioneel onderwijs aanwijzen als algemene toelatingsvoorwaarde, met behoud van toepassing van artikel II.183.".
Art. VI.12. Dans l'article II.182 du mĂȘme Code, modifiĂ© par le dĂ©cret du 21 mars 2014, il est insĂ©rĂ© un paragraphe 2/1 ainsi rĂ©digĂ© :
  " § 2/1. Par dérogation au paragraphe 2, alinéa 1er, une direction de l'institution peut désigner pour une formation de master une formation de bachelor dans l'enseignement supérieur professionnel comme condition générale d'admission sans préjudice de l'application de l'article II.183. ".
Art. VI.13. In artikel II.215 van dezelfde codex worden in punt 4° na de woorden "op basis van artikel 48/4" de woorden "of 49, § 1," ingevoegd.
Art. VI.13. Dans le point 4° de l'article II.215 du mĂȘme Code, les mots " ou de l'article 49, § 1er " sont insĂ©rĂ©s aprĂšs les mots " en vertu de l'article 48/4 ".
Art. VI.14. In artikel II.229 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 2014, wordt een tweede zin ingevoegd, die luidt als volgt :
  "De toepassing van dit artikel verwacht dat de student kan aantonen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden en dat hij kan aantonen dat hij de doelstellingen globaal genomen behaald heeft.".
Art. VI.14. Dans l'article II.229 du mĂȘme Code, modifiĂ© par le dĂ©cret du 21 mars 2014, il est insĂ©rĂ© une deuxiĂšme phrase ainsi rĂ©digĂ©e :
  " Le présent article attend de l'étudiant qu'il prouve qu'il est question de circonstances particuliÚres et qu'il puisse prouver qu'il a globalement atteint les objectifs. ".
Art. VI.15. In artikel II.265 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
  " § 1. In afwijking van artikel II.262, § 2, kan het instellingsbestuur vrij initiële anderstalige bachelor- of masteropleidingen aanbieden enkel en alleen als het gaat om :
  1° opleidingsprogramma's die specifiek in het kader van het International Course Programme van ontwikkelingssamenwerking voor buitenlandse studenten zijn ontworpen;
  2° anderstalige initiële bachelor- of masteropleidingen die geselecteerd zijn overeenkomstig de bepalingen van een Europees programma ter bevordering van de internationale samenwerking in het hoger onderwijs en waarbinnen multidiplomering of gezamenlijke diplomering wordt vooropgesteld;
  3° onderzoeksmasters, vermeld in artikel II.157.
  Voor de opleidingen, vermeld in punt 1° en 2°, loopt deze afwijking door wanneer de opleiding na afloop van de erkenning wordt voortgezet.".
Art. VI.15. A l'article II.265 du mĂȘme Code, modifiĂ© par le dĂ©cret du 17 juin 2016, le paragraphe 1er est remplacĂ© par ce qui suit :
  " § 1er. Par dérogation à l'article II.262, § 2, la direction de l'institution est autorisée à proposer des formations initiales de bachelor ou de master enseignées en langue étrangÚre à condition qu'il s'agisse :
  1° de programmes de formation spécifiquement conçus dans le cadre de l'International Course Programme de la coopération au développement à l'intention des étudiants étrangers ;
  2° de formations initiales de bachelor ou de master enseignées en langue étrangÚre qui sont sélectionnées conformément aux dispositions d'un programme européen visant à promouvoir la coopération internationale dans l'enseignement supérieur et dans le cadre duquel la diplÎmation multiple ou la co-diplÎmation est prévue ;
  3° de masters recherche, visés à l'article II.157.
  Pour les formations visĂ©es aux points 1° et 2°, cette dĂ©rogation reste applicable mĂȘme si la formation est poursuivie Ă  l'expiration de l'agrĂ©ment. ".
Art. VI.16. In artikel II.270 van dezelfde codex, gewijzigd met het decreet van 25 april 2014, wordt in paragraaf 2 de tweede zin vervangen door wat volgt :
  "Het instellingsbestuur voorziet een verplicht integratietraject dat garandeert dat het personeelslid na twee jaar minstens de Nederlandse taal beheerst op ERK-niveau A2, dat wordt afgesloten met het vereiste beheersingsniveau op ERK-niveau B2, en dat door het betrokken personeelslid wordt afgerond binnen de vijf jaar na zijn aanstelling of op het moment van zijn benoeming.".
Art. VI.16. Dans l'article II.270 du mĂȘme Code, modifiĂ© par le dĂ©cret du 25 avril 2014, la deuxiĂšme phrase du paragraphe 2 est remplacĂ©e par la disposition suivante :
  " La direction de l'institution prévoit un parcours d'intégration obligatoire qui garantit que le membre du personnel maßtrise aprÚs deux ans la langue néerlandaise au moins au niveau A2 du CECRL, qui se termine avec le niveau requis B2 du CECRL et qui est achevé par le membre du personnel dans les cinq ans de sa désignation ou au moment de sa nomination. ".
Art. VI.17. Artikel II.272/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 21 maart 2014, wordt opgeheven.
Art. VI.17. L'article II.272/1 du mĂȘme Code insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 21 mars 2014 est abrogĂ©.
Art. VI.18. Aan artikel II.276, § 3, van dezelfde codex wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "In het kader van redelijke aanpassingen kunnen studenten die omwille van hun functiebeperking bepaalde opleidingsonderdelen niet kunnen volgen, daarvoor vrijstelling krijgen indien zij vervangende onderwijsactiviteiten volgen. Het instellingsbestuur beslist in samenspraak met de betrokken student over de vrijstelling en legt de vervangende activiteiten vast.".
Art. VI.18. L'article II.276, § 3, du mĂȘme Code, est complĂ©tĂ© par un alinĂ©a 5 rĂ©digĂ© comme suit :
  " Dans le cadre d'aménagements raisonnables, les étudiants qui ne peuvent pas suivre certaines subdivisions de formation en raison de leur limitation fonctionnelle, peuvent obtenir une dispense s'ils suivent des activités d'enseignement de remplacement. La direction de l'institut supérieur statue sur la dispense en concertation avec l'étudiant concerné et fixe les activités de remplacement. ".
Art. VI.19. In artikel II.283 van dezelfde codex, gewijzigd met het decreet van 17 juni 2016, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Het verzoek bevat een feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren.".
Art. VI.19. A l'article II.283 du mĂȘme Code, modifiĂ© par le dĂ©cret du 17 juin 2016, il est ajoutĂ© un alinĂ©a 3 ainsi rĂ©digĂ© :
  " Le recours contient une description des faits et une motivation des objections invoquées. ".
Art. VI.20. In artikel II.294, § 2, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan het derde lid wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "4° een feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren.";
  2° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "De student kan in de procedure voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen geen nieuwe bezwaren aanvoeren, tenzij de grondslag ervan pas tijdens of na afhandeling van de interne beroepsprocedure aan het licht is gekomen, tenzij het bezwaar betrekking heeft op de wijze waarop het intern beroep werd behandeld of tenzij het bezwaar raakt aan de openbare orde.".
Art. VI.20. A l'article II.294, § 2, du mĂȘme Code, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° l'alinéa 3 est complété par un point 4° rédigé comme suit :
  " 4° une description des faits et une motivation des objections invoquées. " ;
  2° il est ajouté un alinéa 4 ainsi rédigé :
  " L'Ă©tudiant ne peut avancer de nouvelles objections dans la procĂ©dure de recours devant le Conseil pour des diffĂ©rends en matiĂšre de dĂ©cisions sur la progression des Ă©tudes, sauf si leur fondement n'est devenu clair qu'au cours ou qu'Ă  l'issue de la procĂ©dure interne de recours, sauf si l'objection a trait Ă  la maniĂšre dont le recours interne a Ă©tĂ© traitĂ© ou sauf si l'objection est dans l'intĂ©rĂȘt de l'ordre public. ".
Art. VI.21. Artikel II.313 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. II.313. § 1. Onder het gezag van de Raad voorziet de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap in de publicatie van de uitspraken op de website van de dienst en in een jaarlijks verslagboek, met uitzondering van de arresten die worden uitgesproken in uitvoering van artikel II.204, § 3, van de Codex Hoger Onderwijs.
  Bij de publicatie van de uitspraak wordt de identiteit van de student als procespartij, op diens uitdrukkelijk verzoek, weggelaten. Dit verzoek kan in het verzoekschrift of in voorkomend geval tot aan de sluiting van de debatten worden ingediend.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kunnen de in uitvoering van artikel II.204, § 3, van de Codex Hoger Onderwijs uitgesproken arresten onder voorbehoud van depersonalisatie worden gepubliceerd door beslissing van de voorzitter van de Raad wanneer deze arresten een belang kunnen hebben voor de rechtspraak of het juridisch onderzoek.
  § 3. In uitzonderlijke omstandigheden kan een natuurlijke persoon die partij was bij een geschil dat bij de Raad aanhangig was, op grond van gegevens waarvan hij geen kennis had vóór het indienen van het verzoekschrift of in voorkomend geval vóór de sluiting van de debatten, verzoeken dat de identiteit van de natuurlijke personen die hij aanwijst voortaan niet langer wordt vermeld in de publicatie van de arresten in digitaal formaat.
  Een natuurlijke persoon die geen partij was in het geding, maar een belang heeft bij de weglating van de identiteit bij de publicatie, kan eveneens een dergelijk verzoek indienen, mits dit belang wordt aangetoond. Het gemotiveerd verzoek wordt aan de voorzitter van de Raad gezonden. De voorzitter van de Raad beslist over het gemotiveerd verzoek.".
Art. VI.21. L'article II.313 du mĂȘme Code modifiĂ© par le dĂ©cret du 17 juin 2016 est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. II.313. § 1er. Sous l'autoritĂ© du Conseil, le service compĂ©tent de la CommunautĂ© flamande se charge de la publication des prononcĂ©s sur le site web du service et dans un livre de rapport annuel, Ă  l'exception des arrĂȘts prononcĂ©s en exĂ©cution de l'article II.204, § 3, du Code de l'Enseignement supĂ©rieur.
  Lors de la publication du prononcĂ©, l'identitĂ© de l'Ă©tudiant comme partie au litige est omise Ă  sa demande expresse. Cette demande peut ĂȘtre formulĂ©e dans la requĂȘte ou, le cas Ă©chĂ©ant, jusqu'Ă  la clĂŽture des dĂ©bats.
  § 2. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, alinĂ©a 1er, les arrĂȘts prononcĂ©s en exĂ©cution de l'article II.204, § 3, du Code de l'Enseignement supĂ©rieur peuvent ĂȘtre publiĂ©s sous rĂ©serve de dĂ©personnalisation par une dĂ©cision du prĂ©sident du Conseil lorsque ces arrĂȘts peuvent ĂȘtre importants pour la justice ou l'enquĂȘte juridique.
  § 3. Dans des circonstances exceptionnelles, une personne physique qui Ă©tait partie Ă  un litige dont le Conseil Ă©tait saisi, peut demander, sur la base de donnĂ©es dont elle n'avait pas connaissance avant l'introduction de la requĂȘte ou, le cas Ă©chĂ©ant, avant la clĂŽture des dĂ©bats, de ne plus mentionner l'identitĂ© des personnes physiques qu'elle dĂ©signe, dans la publication des arrĂȘts en format numĂ©rique.
  Une personne physique qui n'Ă©tait pas partie au litige mais qui a un intĂ©rĂȘt Ă  l'omission de l'identitĂ© lors de la publication, peut Ă©galement introduire une demande pareille Ă  condition que cet intĂ©rĂȘt soit dĂ©montrĂ©. La requĂȘte motivĂ©e est envoyĂ©e au prĂ©sident du Conseil. Le prĂ©sident du Conseil statue sur la requĂȘte motivĂ©e. ".
Art. VI.22. In artikel II.378, § 2, van dezelfde codex wordt de zinsnede "artikel II.140, § 5" vervangen door de zinsnede "artikel II.138, § 4".
Art. VI.22. A l'article II.378, § 2, du mĂȘme Code, le membre de phrase " article II.140, § 5 " est remplacĂ© par le membre de phrase " article II.138, § 4 ".
Art. VI.23. Aan artikel II.387/1 van dezelfde codex worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
  "In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden de opleidingen van bachelor in de verpleegkunde geacht geaccrediteerd te zijn tot en met het einde van het academiejaar 2021-2022.
  In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, 1°, worden de bachelor-na-bacheloropleiding `Bachelor in de interdisciplinaire ouderenzorg' en `Bachelor in de oncologie', aangeboden door Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen, Arteveldehogeschool en Karel de Grote-Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen, geacht geaccrediteerd te zijn tot het einde van het academisch jaar 2021-2022.''.
Art. VI.23. L'article II.387/1 du mĂȘme Code est complĂ©tĂ© par des alinĂ©as 2 et 3, rĂ©digĂ©s comme suit :
  " Par dĂ©rogation Ă  la disposition de l'alinĂ©a 1er, les formations de " bachelor in de verpleegkunde " sont censĂ©es ĂȘtre accrĂ©ditĂ©es jusqu'Ă  la fin de l'annĂ©e acadĂ©mique 2021-2022.
  Par dĂ©rogation Ă  la disposition de l'alinĂ©a 1er, 1°, les formations de bachelor aprĂšs bachelor " Bachelor in de interdisciplinaire ouderenzorg " et " Bachelor in de oncologie ", proposĂ©es par l'Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen, l'Arteveldehogeschool et la Karel de Grote-Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen, sont censĂ©es ĂȘtre accrĂ©ditĂ©es jusqu'Ă  la fin de l'annĂ©e acadĂ©mique 2021-2022.
Art. VI.24. In artikel III.13 van dezelfde codex wordt paragraaf 6 opgeheven.
Art. VI.24. Dans l'article III.13 du mĂȘme Code, le paragraphe 6 est abrogĂ©.
Art. VI.25. Artikel III.46 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, bij besluiten van de Vlaamse Regering van 5 september 2014 en van 19 december 2014 en bij de decreten van 19 juni 2015 en 8 juli 2016, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. III.46. § 1. Het bedrag van de investeringskredieten voor de hogescholen, uitgedrukt in euro, wordt als volgt vastgelegd :
Art. VI.25. L'article III.46 du mĂȘme Code, modifiĂ© par le dĂ©cret du 25 avril 2014, par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand du 5 septembre 2014 et du 19 dĂ©cembre 2014 et par les dĂ©crets du 19 juin 2015 et du 8 juillet 2016, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. III.46. § 1er. Le montant des crédits d'investissement pour les instituts supérieurs, exprimé en euros, est fixé comme suit :
Begrotingsjaar Gesubsidieerde vrije hogescholen Publiekrechtelijke hogescholen Totaal
2018 13.451.707 9.480.206 22.931.912
2019 13.146.999 9.189.141 22.336.140
2020 12.842.289 8.898.078 21.740.369
2021 12.537.581 8.607.015 21.144.596
2022 12.232.873 8.315.952 20.548.825
2023 11.928.164 8.024.889 19.953.053
Vanaf 2024 11.623.456 7.733.826 19.357.281
Begrotingsjaar Gesubsidieerde vrije hogescholen Publiekrechtelijke hogescholen Totaal2018 13.451.707 9.480.206 22.931.9122019 13.146.999 9.189.141 22.336.1402020 12.842.289 8.898.078 21.740.3692021 12.537.581 8.607.015 21.144.5962022 12.232.873 8.315.952 20.548.8252023 11.928.164 8.024.889 19.953.053Vanaf 2024 11.623.456 7.733.826 19.357.281
§ 2. De investeringskredieten zoals vastgelegd in paragraaf 1 worden als volgt verdeeld onder de hogescholen :
  1° de volgende bedragen op basis van de percentages vastgelegd per hogeschool in paragraaf 3 :
Année budgétaire Instituts supérieurs libres subventionnés Instituts supérieurs de droit public Total
2018 13.451.707 9.480.206 22.931.912
2019 13.146.999 9.189.141 22.336.140
2020 12.842.289 8.898.078 21.740.369
2021 12.537.581 8.607.015 21.144.596
2022 12.232.873 8.315.952 20.548.825
2023 11.928.164 8.024.889 19.953.053
A partir de 2024 11.623.456 7.733.826 19.357.281
Année budgétaire Instituts supérieurs libres subventionnés Instituts supérieurs de droit public Total2018 13.451.707 9.480.206 22.931.9122019 13.146.999 9.189.141 22.336.1402020 12.842.289 8.898.078 21.740.3692021 12.537.581 8.607.015 21.144.5962022 12.232.873 8.315.952 20.548.8252023 11.928.164 8.024.889 19.953.053A partir de 2024 11.623.456 7.733.826 19.357.281
§ 2. Les crédits d'investissement tels que fixés au paragraphe 1er sont répartis comme suit entre les instituts supérieurs :
  1° les montants suivants sur la base des pourcentages déterminés par institut supérieur dans le paragraphe 3 :
Begrotingsjaar Gesubsidieerde vrije hogescholen Publiekrechtelijke hogescholen Totaal
2018 8.071.024 5.688.124 13.759.148
2019 6.573.500 4.594.570 11.168.070
2020 5.136.916 3.559.231 8.696.148
2021 3.761.274 2.582.104 6.343.379
2022 2.446.575 1.663.190 4.109.765
2023 1.192.816 802.489 1.995.305
Vanaf 2024 0 0 0
Begrotingsjaar Gesubsidieerde vrije hogescholen Publiekrechtelijke hogescholen Totaal2018 8.071.024 5.688.124 13.759.1482019 6.573.500 4.594.570 11.168.0702020 5.136.916 3.559.231 8.696.1482021 3.761.274 2.582.104 6.343.3792022 2.446.575 1.663.190 4.109.7652023 1.192.816 802.489 1.995.305Vanaf 2024 0 0 0
2° de volgende bedragen op basis van het verdelingsmechanisme vastgelegd in paragraaf 4 :
Année budgétaire Instituts supérieurs libres subventionnés Instituts supérieurs de droit public Total
2018 8.071.024 5.688.124 13.759.148
2019 6.573.500 4.594.570 11.168.070
2020 5.136.916 3.559.231 8.696.148
2021 3.761.274 2.582.104 6.343.379
2022 2.446.575 1.663.190 4.109.765
2023 1.192.816 802.489 1.995.305
A partir de 2024 0 0 0
Année budgétaire Instituts supérieurs libres subventionnés Instituts supérieurs de droit public Total2018 8.071.024 5.688.124 13.759.1482019 6.573.500 4.594.570 11.168.0702020 5.136.916 3.559.231 8.696.1482021 3.761.274 2.582.104 6.343.3792022 2.446.575 1.663.190 4.109.7652023 1.192.816 802.489 1.995.305A partir de 2024 0 0 0
2° les montants suivants sur la base du mécanisme de répartition fixé au paragraphe 4 :
Begrotingsjaar Gesubsidieerde vrije hogescholen Publiekrechtelijke hogescholen Totaal
2018 5.380.683 3.792.082 9.172.765
2019 6.573.499 4.594.571 11.168.070
2020 7.705.374 5.338.847 13.044.221
2021 8.776.307 6.024.911 14.801.218
2022 9.786.298 6.652.762 16.439.060
2023 10.735.348 7.222.399 17.957.747
Vanaf 2024 11.623.456 7.733.826 19.357.281
Begrotingsjaar Gesubsidieerde vrije hogescholen Publiekrechtelijke hogescholen Totaal2018 5.380.683 3.792.082 9.172.7652019 6.573.499 4.594.571 11.168.0702020 7.705.374 5.338.847 13.044.2212021 8.776.307 6.024.911 14.801.2182022 9.786.298 6.652.762 16.439.0602023 10.735.348 7.222.399 17.957.747Vanaf 2024 11.623.456 7.733.826 19.357.281
§ 3. De bedragen vermeld in paragraaf 2, 1°, worden volgens de volgende percentages verdeeld over de hogescholen :
Année budgétaire Instituts supérieurs libres subventionnés Instituts supérieurs de droit public Total
2018 5.380.683 3.792.082 9.172.765
2019 6.573.499 4.594.571 11.168.070
2020 7.705.374 5.338.847 13.044.221
2021 8.776.307 6.024.911 14.801.218
2022 9.786.298 6.652.762 16.439.060
2023 10.735.348 7.222.399 17.957.747
A partir de 2024 11.623.456 7.733.826 19.357.281
Année budgétaire Instituts supérieurs libres subventionnés Instituts supérieurs de droit public Total2018 5.380.683 3.792.082 9.172.7652019 6.573.499 4.594.571 11.168.0702020 7.705.374 5.338.847 13.044.2212021 8.776.307 6.024.911 14.801.2182022 9.786.298 6.652.762 16.439.0602023 10.735.348 7.222.399 17.957.747A partir de 2024 11.623.456 7.733.826 19.357.281
§ 3. Les montants visés au paragraphe 2, 1°, sont répartis entre les instituts supérieurs en appliquant les pourcentages suivants :
Vrije gesubsidieerde hogescholen  
Arteveldehogeschool 10,08 %
LUCA School of Arts 9,75 %
Karel de Grote Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen 10,85 %
Katholieke Hogeschool Vives Noord 4,17 %
Thomas More Kempen 9.36 %
UC Leuven 10,35 %
UC Limburg 6,51 %
Thomas More Mechelen Antwerpen 12,01 %
Katholieke Hogeschool Vives Zuid 8,84 %
Odisee 18,07 %
Totaal vrij gesubsidieerde hogescholen 100,00 %
Publiekrechtelijke hogescholen
Erasmushogeschool Brussel 10,73 %
Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen 26,04 %
Hogeschool Gent 37,15 %
Hogeschool West-Vlaanderen 11,55 %
Hogeschool PXL 14,54 %
Totaal publiekrechtelijke hogescholen 100,00 %
Vrije gesubsidieerde hogescholen Arteveldehogeschool 10,08 % LUCA School of Arts 9,75 % Karel de Grote Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen 10,85 % Katholieke Hogeschool Vives Noord 4,17 % Thomas More Kempen 9.36 % UC Leuven 10,35 % UC Limburg 6,51 % Thomas More Mechelen Antwerpen 12,01 % Katholieke Hogeschool Vives Zuid 8,84 % Odisee 18,07 % Totaal vrij gesubsidieerde hogescholen 100,00 % Publiekrechtelijke hogescholen Erasmushogeschool Brussel 10,73 % Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen 26,04 % Hogeschool Gent 37,15 % Hogeschool West-Vlaanderen 11,55 % Hogeschool PXL 14,54 % Totaal publiekrechtelijke hogescholen 100,00 %
§ 4. De verdeling en de toewijzing per hogeschool van de investeringskredieten, vermeld in paragraaf 2, 2°, gebeurt binnen de respectieve enveloppes van de vrije gesubsidieerde hogescholen en de publiekrechtelijke hogescholen op basis van volgende criteria :
  1° voor alle professionele bacheloropleidingen, exclusief het hoger kunstonderwijs : het aantal opgenomen studiepunten door studenten onder diplomacontract ingeschreven in een professioneel gerichte bacheloropleiding of een bachelor-na-bacheloropleiding;
  2° voor het hoger kunstonderwijs : het aantal opgenomen studiepunten door studenten onder diplomacontract ingeschreven in een professioneel gerichte bacheloropleiding, een bachelor-na-bacheloropleiding, een academisch gerichte bacheloropleiding, een initiële masteropleiding, een schakelprogramma of een voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding.
  Deze opgenomen studiepunten worden per studiegebied of cluster van studiegebieden gewogen met de overeenkomstige puntengewichten :
Instituts supérieurs libres subventionnés  
Arteveldehogeschool 10,08 %
LUCA School of Arts 9,75 %
Karel de Grote Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen 10,85 %
Katholieke Hogeschool Vives Noord 4,17 %
Thomas More Kempen 9.36 %
UC Leuven 10,35 %
UC Limburg 6,51 %
Thomas More Mechelen Antwerpen 12,01 %
Katholieke Hogeschool Vives Zuid 8,84 %
Odisee 18,07 %
Total Instituts supérieurs libres subventionnés 100,00 %
Instituts supérieurs de droit public  
Erasmushogeschool Brussel 10,73 %
Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen 26,04 %
Hogeschool Gent 37,15 %
Hogeschool West-Vlaanderen 11,55 %
Hogeschool PXL 14,54 %
Total Instituts supérieurs de droit public 100,00 %
Instituts supérieurs libres subventionnés Arteveldehogeschool 10,08 %LUCA School of Arts 9,75 %Karel de Grote Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen 10,85 %Katholieke Hogeschool Vives Noord 4,17 %Thomas More Kempen 9.36 %UC Leuven 10,35 %UC Limburg 6,51 %Thomas More Mechelen Antwerpen 12,01 %Katholieke Hogeschool Vives Zuid 8,84 %Odisee 18,07 %Total Instituts supérieurs libres subventionnés 100,00 %Instituts supérieurs de droit public Erasmushogeschool Brussel 10,73 %Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen 26,04 %Hogeschool Gent 37,15 %Hogeschool West-Vlaanderen 11,55 %Hogeschool PXL 14,54 %Total Instituts supérieurs de droit public 100,00 %
§ 4. La répartition et l'attribution par institut supérieur des crédits d'investissement, visés à l'article 2, 2°, se fait dans les enveloppes respectives des instituts supérieurs libres subventionnés et des instituts supérieurs de droit public sur la base des critÚres suivants :
  1° pour toutes les formations professionnelles de bachelor, à l'exception de l'enseignement supérieur artistique : le nombre d'unités d'études engagées par des étudiants sous contrat de diplÎme inscrits dans une formation professionnelle de bachelor ou une formation de bachelor aprÚs bachelor ;
  2° pour l'enseignement supérieur artistique : le nombre d'unités d'études engagées par des étudiants sous contrat de diplÎme inscrits dans une formation professionnelle de bachelor, une formation de bachelor aprÚs bachelor, une formation académique de bachelor, une formation initiale de master, un programme de transition ou un programme préparatoire préalable à une formation initiale de master.
  Ces unités d'études engagées sont pondérées par discipline ou cluster de disciplines selon les pondérations suivantes :
Handelswetenschappen en bedrijfskunde 1
Sociaal-agogisch werk 1
Gezondheidszorg 1
Gezondheidszorg - Onderwijs 1
Gezondheidszorg - Onderwijs - Sociaal-agogisch werk 1
Onderwijs 1
Industriële wetenschappen en technologie 2,5
Nautische wetenschappen 2,5
Architectuur 2,5
Architectuur - Industriële wetenschappen en technologie 2,5
Biotechniek 2,5
Audiovisuele en beeldende kunst 2,5
Muziek en podiumkunsten 2,5
Toegepaste taalkunde 2,5
Productontwikkeling 2,5
Handelswetenschappen en bedrijfskunde 1Sociaal-agogisch werk 1Gezondheidszorg 1Gezondheidszorg - Onderwijs 1Gezondheidszorg - Onderwijs - Sociaal-agogisch werk 1Onderwijs 1Industriële wetenschappen en technologie 2,5Nautische wetenschappen 2,5Architectuur 2,5Architectuur - Industriële wetenschappen en technologie 2,5Biotechniek 2,5Audiovisuele en beeldende kunst 2,5Muziek en podiumkunsten 2,5Toegepaste taalkunde 2,5Productontwikkeling 2,5
Het aantal gewogen opgenomen studiepunten per hogeschool is gelijk aan de som van de producten van het aantal opgenomen studiepunten in ieder studiegebied of cluster van studiegebieden enerzijds en het overeenkomstige bepaalde puntengewicht.
  Voor de vaststelling van het gewogen aantal opgenomen studiepunten voor het begrotingsjaar t worden het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2.
  In afwijking van de bovenstaande puntengewichten, wordt voor de opleidingen `Biomedische laboratoriumtechnologie' en `Voedings- en dieetkunde' van het studiegebied Gezondheidszorg het puntengewicht 2,5 toegepast.
  § 5. De bedragen, vermeld in paragraaf 1 en 2, op prijsniveau 2017, worden jaarlijks aangepast als volgt : het bedrag wordt vermenigvuldigd met de gewogen evolutie van het jaarlijks gemiddelde van de index van de Associatie van Belgische Experten (ABEX-index) van de vijf voorlaatste kalenderjaren die voorafgaan aan het begrotingsjaar, uitgedrukt in percenten.
  § 6. Bij eventuele fusies van hogescholen worden de percentages zoals vastgelegd in paragraaf 3 van de fuserende hogescholen samengevoegd en toegekend aan de nieuwe hogeschool.".
Handelswetenschappen en bedrijfskunde (Sciences commerciales et gestion d'entreprise) 1
Sociaal-agogisch werk (Travail socio-éducatif) 1
Gezondheidszorg (Soins de santé) 1
Gezondheidszorg - Onderwijs (Soins de santé - Enseignement) 1
Gezondheidszorg - Onderwijs - Sociaal-agogisch werk (Soins de santé - Enseignement - Travail socio-éducatif) 1
Onderwijs (Enseignement) 1
Industriële wetenschappen en technologie (Sciences industrielles et technologie) 2,5
Nautische wetenschappen (Sciences nautiques) 2,5
Architectuur (Architecture) 2,5
Architectuur - Industriële wetenschappen en technologie (Architecture - Sciences industrielles et technologie) 2,5
Biotechniek (Biotechnique) 2,5
Audiovisuele en beeldende kunst (Arts audiovisuels et arts plastiques) 2,5
Muziek en podiumkunsten (Musique et arts de la scĂšne) 2,5
Toegepaste taalkunde (Linguistique appliquée) 2,5
Productontwikkeling (Conception de produits) 2,5
Handelswetenschappen en bedrijfskunde (Sciences commerciales et gestion d'entreprise) 1Sociaal-agogisch werk (Travail socio-éducatif) 1Gezondheidszorg (Soins de santé) 1Gezondheidszorg - Onderwijs (Soins de santé - Enseignement) 1Gezondheidszorg - Onderwijs - Sociaal-agogisch werk (Soins de santé - Enseignement - Travail socio-éducatif) 1Onderwijs (Enseignement) 1Industriële wetenschappen en technologie (Sciences industrielles et technologie) 2,5Nautische wetenschappen (Sciences nautiques) 2,5Architectuur (Architecture) 2,5Architectuur - Industriële wetenschappen en technologie (Architecture - Sciences industrielles et technologie) 2,5Biotechniek (Biotechnique) 2,5Audiovisuele en beeldende kunst (Arts audiovisuels et arts plastiques) 2,5Muziek en podiumkunsten (Musique et arts de la scÚne) 2,5Toegepaste taalkunde (Linguistique appliquée) 2,5Productontwikkeling (Conception de produits) 2,5
Le nombre d'unités d'études engagées pondérées par institut supérieur est égal à la somme des produits du nombre d'unités d'études engagées dans chaque discipline ou cluster de disciplines d'une part et la pondération fixée correspondante.
  Pour l'établissement du nombre d'unités d'études engagées pondérées pour l'année budgétaire t est pris en compte le nombre moyen d'unités d'études engagées sur les années académiques t-7/t-6 à t-3/t-2.
  Par dérogation aux pondérations précitées, une pondération de 2,5 est appliquée aux formations " Biomedische laboratoriumtechnologie " et " Voedings- en dieetkunde " de la discipline " Gezondheidszorg ". ".
  § 5. Les montants visés aux paragraphes 1er et 2, au niveau des prix 2017, sont adaptés annuellement comme suit : le montant est multiplié par l'évolution pondérée de la moyenne annuelle de l'indice de l'Association belge d'Experts (indice ABEX) des 5 années civiles pénultiÚmes qui précÚdent l'année budgétaire, exprimée en pourcentage.
  § 6. A l'occasion d'éventuelles fusions d'instituts supérieurs, les pourcentages tels que fixés au paragraphe 3 des instituts supérieurs fusionnants sont cumulés et attribués au nouvel institut supérieur fusionné. ".
Art. VI.26. Artikel III.46/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014, wordt opgeheven.
Art. VI.26. L'article III.46/1 du mĂȘme Code, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 25 avril 2014, est abrogĂ©.
Art. VI.27. Aan artikel III.54/1 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 1. Ten gevolge van de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten worden vanaf het begrotingsjaar 2018 volgende investeringskredieten toegekend aan de universiteiten :
Art. VI.27. A l'article III.54/1 du mĂȘme Code, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 25 avril 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Suite à l'intégration des formations académiques d'instituts supérieurs dans les universités, les crédits d'investissement suivants seront attribués aux universités à partir de l'année budgétaire 2018 :
Begrotingsjaar Bedrag in euro
2018 2.383.088
2019 2.978.860
2020 3.574.631
2021 4.170.404
2022 4.766.175
2023 5.361.947
Vanaf 2024 5.957.719";
Begrotingsjaar Bedrag in euro2018 2.383.0882019 2.978.8602020 3.574.6312021 4.170.4042022 4.766.1752023 5.361.947Vanaf 2024 5.957.719";
2° in paragraaf 2 wordt in het eerste lid het woord "investeringsmachtigingen" vervangen door het woord "investeringskredieten";
  3° in paragraaf 3 worden de woorden "De basisbedragen (prijsniveau 2013), vermeld in paragraaf 1," vervangen door de woorden "De bedragen, vermeld in paragraaf 1, zijn op prijsniveau 2017 en".
Année budgétaire Montant en euros
2018 2.383.088
2019 2.978.860
2020 3.574.631
2021 4.170.404
2022 4.766.175
2023 5.361.947
A partir de 2024 5.957.719 " ;
Année budgétaire Montant en euros2018 2.383.0882019 2.978.8602020 3.574.6312021 4.170.4042022 4.766.1752023 5.361.947A partir de 2024 5.957.719 " ;
2° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " autorisations d'investissement, visées " sont remplacés par les mots " crédits d'investissement, visés " ;
  3° au paragraphe 3, les mots " Les montants de base (niveau des prix 2013), visés au paragraphe 1er, " sont remplacés par les mots " Les montants visés au paragraphe 1er sont au niveau des prix 2017 et ".
Art. VI.28. Artikel III.67 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. III.67. § 1. De sociale toelage voor de hogescholen en de universiteiten bedraagt in totaal respectievelijk 24.455.616,52 euro en 22.142.976,89 euro op prijsniveau 2015. Het bedrag van de sociale toelage voor de universiteiten wordt vanaf 2016 verhoogd met 1.000.000 euro.
  Deze bedragen worden vanaf het begrotingsjaar 2016 met 2 % verminderd.
  In het begrotingsjaar 2017 wordt in het kader van artikel II.117 een bedrag van 400.000 euro toegevoegd aan het bedrag van de sociale toelage van de universiteiten en een bedrag van 934.000 euro toegevoegd aan het bedrag van de hogescholen. Vanaf begrotingsjaar 2018 worden deze bedragen verhoogd tot respectievelijk 1.200.000 euro jaarlijks toe te voegen aan het bedrag van de sociale toelage van de universiteiten en 2.800.000 euro, jaarlijks toe te voegen aan het bedrag van de sociale toelage van de hogescholen.
  § 2. De bedragen, berekend overeenkomstig dit artikel, worden binnen de perken van de jaarlijkse begrotingskredieten jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de volgende formule : I = 0,50 x (L1/L0) + 0,50 x (Cl/CO), waarbij
  1° I : de indexformule;
  2° L1/L0 : de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betreffende begrotingsjaar n en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van begrotingsjaar n-1;
  3° Cl/CO : de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betreffende begrotingsjaar n en de index van de consumptieprijzen op het einde van begrotingsjaar n-1.".
Art. VI.28. L'article III.67 du mĂȘme Code est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. III.67. § 1er. L'allocation sociale pour les instituts supérieurs et universités s'élÚve au total respectivement à 24.455.616,52 euros et 22.142.976,89 euros au niveau des prix 2015. Le montant de la subvention sociale des universités est majoré de 1.000.000 euros à partir de 2016.
  Ces montants sont réduits de 2 % à partir de l'année budgétaire 2016.
  Dans le cadre de l'article II.117, un montant de 400.000 euros s'ajoute au montant de l'allocation sociale dont les universités sont bénéficiaires et un montant de 934.000 euros au montant réservé aux instituts supérieurs dans l'année budgétaire 2017. A partir de l'année budgétaire 2018, ces montants sont majorés respectivement de 1.200.000 euros, à ajouter annuellement au montant de l'allocation sociale des universités et de 2.800.000 euros, à ajouter annuellement au montant de l'allocation sociale des instituts supérieurs.
  § 2. Dans les limites des crĂ©dits budgĂ©taires annuels, les montants calculĂ©s conformĂ©ment au prĂ©sent article sont indexĂ©s annuellement au moyen de la formule suivante : I = 0,50 x (L1/L0) + 0,50 x (Cl/CO), oĂč
  1° I est la formule d'indexation ;
  2° L1/L0 est le rapport entre l'indice estimé du coût salarial unitaire à la fin de l'année budgétaire n en question et l'indice du coût salarial unitaire à la fin de l'année budgétaire n-1 ;
  3° CI/C0 est le rapport entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire n en question et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire n-1. ".
Art. VI.29. In artikel IV.83 van dezelfde codex, gewijzigd bij decreet van 8 juli 2016 worden aan paragraaf 4 een nieuw tweede en derde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
  "Voor de universiteiten wordt de goedkeuring, vermeld in het eerste lid, beschouwd als verworven als de bevoegde regeringscommissaris en de afgevaardigde van financiën in hun analyse van de jaarrekening, rekening houdend met alle relevante informatie, een gunstig advies uitbrengen.
  Voor de hogescholen wordt de goedkeuring, vermeld in het eerste lid, beschouwd als verworven als de bevoegde regeringscommissaris in zijn analyse van de jaarrekening, rekening houdend met alle relevante informatie, een gunstig advies uitbrengt.".
Art. VI.29. A l'article IV.83 du mĂȘme Code, modifiĂ© par le dĂ©cret du 8 juillet 2016, il est ajoutĂ© au paragraphe 4 de nouveaux alinĂ©as 2 et 3 rĂ©digĂ©s comme suit :
  " L'approbation visĂ©e Ă  l'alinĂ©a 1er est censĂ©e ĂȘtre acquise par les universitĂ©s lorsque le commissaire du gouvernement compĂ©tent et le dĂ©lĂ©guĂ© des finances Ă©mettent un avis favorable dans leur analyse des comptes annuels en tenant compte de toutes les informations pertinentes.
  L'approbation visĂ©e Ă  l'alinĂ©a 1er est censĂ©e ĂȘtre acquise par les instituts supĂ©rieurs lorsque le commissaire du gouvernement compĂ©tent Ă©met un avis favorable dans son analyse des comptes annuels en tenant compte de toutes les informations pertinentes. ".
Art. VI.30. In dezelfde codex wordt een artikel IV.109/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. IV.109/1. In afwijking van de artikelen IV.95 en IV.108 van deze codex kan de Vlaamse Regering, voor de academiejaren 2017-2018 en 2018-2019 in het kader van de vervanging van een titularis, hetzij een commissaris van de Vlaamse Regering bij een universiteit tevens belasten met het toezicht op één of meer hogescholen en het toezicht op een andere universiteit, hetzij een commissaris van de Vlaamse Regering bij de hogescholen tevens belasten met het toezicht op één of meer universiteiten.".
Art. VI.30. Dans le mĂȘme Code, il est insĂ©rĂ© un article IV.109/1 rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. IV.109/1. Par dérogation aux articles IV.95 et IV.108 du présent Code, le Gouvernement flamand peut, pour les années académiques 2017-2018 et 2018-2019, dans le cadre du remplacement d'un titulaire, charger soit un commissaire du Gouvernement flamand auprÚs d'une université de procéder également au contrÎle d'un ou plusieurs instituts supérieurs et au contrÎle d'une autre université, soit un commissaire du Gouvernement flamand auprÚs des instituts supérieurs de procéder également au contrÎle d'une ou plusieurs universités. ".
Art. VI.31. In artikel V.44, § 1, van dezelfde codex wordt de zinsnede "de leeftijd van 65 jaar" vervangen door de woorden "de wettelijke pensioenleeftijd".
Art. VI.31. Dans l'article V.44, § 1er, du mĂȘme Code, le membre de phrase " l'Ăąge de 65 ans " est remplacĂ© par les mots " l'Ăąge lĂ©gal de la retraite ".
Art. VI.32. Aan artikel V.59 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt de zinsnede "de leeftijdsgrens van 65 jaar" vervangen door de woorden "de wettelijke pensioenleeftijd";
  2° in het eerste en het tweede lid wordt de zinsnede "de leeftijd van 65 jaar" vervangen door de woorden "de wettelijke pensioenleeftijd".
Art. VI.32. Dans l'article V.59 du mĂȘme Code, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " la limite d'ùge de 65 ans " est remplacé par les mots " l'ùge légal de la retraite " ;
  2° dans les alinéas 1er et 2, le membre de phrase " l'ùge de 65 ans " est remplacé par les mots " l'ùge légal de la retraite ".
Art. VI.33. In artikel V.106 van dezelfde codex wordt punt 5° opgeheven.
Art. VI.33. Dans l'article V.106 du mĂȘme Code, le point 5° est abrogĂ©.
Art. VI.34. Aan artikel V.110 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt punt 5° vervangen door wat volgt :
  "5° bij pensionering wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. De leden van het administratief en technisch personeel, vermeld in hoofdstuk 3, kunnen bij het bereiken van de pensioenleeftijd maar verder werken tot het einde van het academiejaar wanneer het hogeschoolbestuur hiermee instemt;";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de zinsnede "de leeftijd van 65 jaar" vervangen door de woorden "de wettelijke pensioenleeftijd".
Art. VI.34. Dans l'article V.110 du mĂȘme Code, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, le point 5° est remplacé par ce qui suit :
  " 5° lors de la mise à la retraite en raison de l'atteinte de l'ùge légal de la retraite ou à la fin de l'année académique pendant laquelle le membre du personnel a atteint l'ùge légal de la retraite. Les membres du personnel administratif et technique, visés au chapitre 3, au moment d'atteindre l'ùge légal de la retraite ne peuvent continuer à travailler jusqu'à la fin de l'année académique que lorsque la direction de l'institut supérieur exprime son consentement ; " ;
  2° au paragraphe 1er, alinéa 2, le membre de phrase " l'ùge de 65 ans " est remplacé par les mots " l'ùge légal de la retraite ".
Art. VI.35. Aan artikel V.111 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt punt 5° vervangen door wat volgt :
  "5° bij pensionering wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd of op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt. De leden van het administratief en technisch personeel, vermeld in hoofdstuk 3, kunnen bij het bereiken van de pensioenleeftijd maar verder werken tot het einde van het academiejaar wanneer het hogeschoolbestuur hiermee instemt;";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt de zinsnede "de leeftijd van 65 jaar" vervangen door de woorden "de wettelijke pensioenleeftijd".
Art. VI.35. Dans l'article V.111 du mĂȘme Code, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, le point 5° est remplacé par ce qui suit :
  " 5° lors de la mise à la retraite en raison de l'atteinte de l'ùge légal de la retraite ou à la fin de l'année académique pendant laquelle le membre du personnel a atteint l'ùge légal de la retraite. Les membres du personnel administratif et technique, visés au chapitre 3, au moment d'atteindre l'ùge légal de la retraite ne peuvent continuer à travailler jusqu'à la fin de l'année académique que lorsque la direction de l'institut supérieur exprime son consentement ; " ;
  2° au paragraphe 1er, alinéa 2, le membre de phrase " l'ùge de 65 ans " est remplacé par les mots " l'ùge légal de la retraite ".
Art. VI.36. In artikel V.259 van dezelfde codex wordt paragraaf 5 opgeheven.
Art. VI.36. Dans l'article V.259 du mĂȘme Code, le paragraphe 5 est abrogĂ©.
Afdeling 2. - Decreet houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen
Section 2. - Décret portant modification de divers décrets relatifs à l'" Universiteit Antwerpen "
Art. VI.37. In het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in titel II, hoofdstuk II, afdeling 2, wordt in artikel 7, § 1, een punt 11° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "11° drie leden uit het economische afnameveld van afgestudeerden van de universiteit, gecoöpteerd door de leden van de raad van bestuur, bedoeld in punt 1° tot 9°. ";
  2° in titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, wordt aan artikel 14 een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 4. De raad van bestuur kan zijn bevoegdheden zoals vermeld onder paragraaf 1, 7°, delegeren aan het bestuurscollege.".
Art. VI.37. Au décret du 22 décembre 1995 portant modification de divers décrets relatifs à l'" Universiteit Antwerpen ", les modifications suivantes sont apportées :
  1° au titre II, chapitre II, section 2, l'article 7, § 1er, est complété par un point 11° ainsi rédigé :
  " 11° trois membres des milieux économiques de recrutement des diplÎmes universitaires, cooptés par les membres du conseil d'administration visé aux points 1° à 9°. " ;
  2° au titre II, chapitre III, section 1re, l'article 14 est complété par un paragraphe 4 ainsi rédigé :
  " § 4. Le conseil d'administration peut déléguer ses compétences comme visées au paragraphe 1er, 7°, au collÚge administratif. ".
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
Section 3. - Entrée en vigueur
Art. VI.38. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2017.
  Artikel VI.5 en VI.12 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2013.
  Artikel VI.2, VI.3 en VI.22 hebben uitwerking met ingang van 1 oktober 2013.
  Artikel VI.24 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2017.
  Artikel VI.25, VI.26, VI.27 en VI.29 treden in werking op 1 januari 2018.
Art. VI.38. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2017.
  Les articles VI.5 et VI.12 produisent leurs effets le 1er septembre 2013.
  Les articles VI.2, VI.3 et VI.22 produisent leurs effets le 1er octobre 2013.
  L'article VI.24 produit ses effets le 1er janvier 2017.
  Les articles VI.25, VI.26, VI.27 et VI.29 entrent en vigueur le 1er janvier 2018.
HOOFDSTUK 7. - Decreten Rechtspositie Onderwijspersoneel
CHAPITRE 7. - Décrets Statut Personnel de l'enseignement
Afdeling 1. - Decreet betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs
Section 1re. - Décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire
Art. VII.1. In artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde leden van het Gemeenschapsonderwijs, het laatst gewijzigd bij het decreet van 25 april 2014, wordt in punt e) de zinsnede "zoals bepaald in artikel 82, a), c) en e)" vervangen door de zinsnede "zoals bepaald in artikel 82, a) en b)".
Art. VII.1. Dans l'article 4, § 1er, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire, modifié en dernier lieu par le décret du 25 avril 2014, le membre de phrase dans le point e) " prévu à l'article 82, a), c) et e) " est remplacé par le membre de phrase " prévue à l'article 82, a) et b) ".
Art. VII.2. In artikel 17, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999 en gewijzigd bij de decreten van 13 juli 2001, 22 juni 2007 en 25 april 2014, wordt punt 6° opgeheven.
Art. VII.2. Dans l'article 17, § 1er, du mĂȘme dĂ©cret, remplacĂ© par le dĂ©cret du 18 mai 1999 et modifiĂ© par les dĂ©crets des 13 juillet 2001, 22 juin 2007 et 25 avril 2014, le point 6° est abrogĂ©.
Art. VII.3. In artikel 42bis, § 4, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009 en gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt punt j) vervangen door wat volgt :
  "j) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties, gewettigd door sociale of familiale redenen, en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.".
Art. VII.3. Dans l'article 42bis, § 4, du mĂȘme dĂ©cret, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 8 mai 2009 et modifiĂ© par le dĂ©cret du 9 juillet 2010, le point j) est remplacĂ© par ce qui suit :
  " j) absence pour prestations rĂ©duites comme prĂ©vue au chapitre III de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s pour prestations rĂ©duites justifiĂ©s par des raisons sociales ou familiales et aux absences pour prestations rĂ©duites justifiĂ©es par des raisons de convenances personnelles, accordĂ©s aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves. ".
Art. VII.4. In hoofdstuk IX van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt in afdeling II een artikel 77novies ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 77novies. § 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden die gebruik hebben gemaakt van het recht om eenmalig het verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar te beëindigen en die na een werkhervatting opnieuw een verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar opnemen.
  § 2. In afwijking van de bepalingen betreffende tijdelijke aanstelling kan een personeelslid, vermeld in paragraaf 1, tijdens de duur van zijn verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar zijn tijdelijke aanstelling niet uitbreiden in vergelijking tot het volume van zijn tijdelijke aanstelling op de vooravond van het verlof. De toepassing van artikel 21 en artikel 21bis is eveneens beperkt tot het volume van zijn tijdelijke aanstelling op de vooravond van het verlof.
  § 3. Met behoud van de toepassing van de voorwaarden betreffende vaste benoeming, kan een personeelslid, vermeld in paragraaf 1, vast benoemd worden of zijn vaste benoeming slechts uitbreiden tot een volume dat maximaal gelijk is aan het volume van de prestaties die hij maximaal kan uitoefenen gedurende zijn verlof.
  § 4. Het deel van de vast benoemde opdracht waarvoor het personeelslid, vermeld in paragraaf 1, het verlof neemt, wordt een vacante betrekking.
  § 5. Het personeelslid wiens betrekking volgens paragraaf 4 als vacant wordt beschouwd, blijft na de vacantwording van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof.".
Art. VII.4. Dans la section II du chapitre IX du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© en dernier lieu par le dĂ©cret du 17 juin 2016, il est insĂ©rĂ© un article 77novies qui s'Ă©nonce comme suit :
  " Art. 77novies. § 1er. Le présent article est d'application aux membres du personnel ayant fait usage du droit de mettre une seule fois une fin anticipée au congé pour prestations réduites dÚs l'ùge de 55 ans et qui, aprÚs avoir repris le travail, prétendent à un nouveau congé pour prestations réduites dÚs l'ùge de 55 ans.
  § 2. Par dérogation aux dispositions relatives à une désignation temporaire, un membre du personnel visé au paragraphe 1er ne peut pas, pendant la durée de son congé pour prestations réduites dÚs l'ùge de 55 ans, étendre sa désignation temporaire en comparaison au volume de sa désignation temporaire à la veille du congé. L'application des articles 21 et 21bis est également limitée au volume de sa désignation temporaire à la veille du congé.
  § 3. Sans prĂ©judice de l'application des conditions relatives Ă  la nomination Ă  titre dĂ©finitif, un membre du personnel visĂ© au paragraphe 1er peut ĂȘtre nommĂ© Ă  titre dĂ©finitif ou ne peut Ă©tendre sa nomination Ă  titre dĂ©finitif que jusqu'Ă  un volume qui soit tout au plus Ă©gal au volume des prestations qu'il peut effectuer au maximum pendant son congĂ©.
  § 4. La partie de la charge assumée en qualité de nommé à titre définitif pour laquelle le membre du personnel prend le congé visé au paragraphe 1er, devient un emploi vacant.
  § 5. Le membre du personnel dont l'emploi est considéré vacant en application du paragraphe 4, conserve, aprÚs la déclaration de vacance dudit emploi, les positions administrative et pécuniaire liées à son congé. ".
Art. VII.5. In artikel 80 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 28 april 1993, 13 juli 2001 en 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het punt b) wordt opgeheven;
  2° in punt c) worden de woorden "wegens persoonlijke aangelegenheid" opgeheven;
  3° na het laatste lid worden vijf nieuwe leden toegevoegd, die luiden als volgt :
  "De wettelijke feestdagen, de weekends en de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie die, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk aansluiten bij een voorafgaande periode van afwezigheid voor verminderde prestaties, en die een nieuwe periode van afwezigheid voor verminderde prestaties onmiddellijk voorafgaan, worden eveneens als een periode van afwezigheid voor verminderde prestaties beschouwd.
  Onverminderd de berekeningswijze van de tijdens de zomervakantie toe te kennen uitgestelde bezoldiging en als in wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering vastgelegde voorwaarden wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten afwezigheid voor verminderde prestaties het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar een aantal kalenderdagen niet of niet volledig worden bezoldigd. Om dat aantal kalenderdagen te berekenen :
  1° worden alle kalenderdagen genoten afwezigheid voor verminderde prestaties opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
  2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
  3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.
  Als ten gevolge van die berekening het maandsalaris niet volledig verschuldigd is, wordt het in dertigsten verdeeld in overeenstemming met de regeling die in dit geval voor de vastbenoemde personeelsleden wordt toegepast.
  Onverminderd de berekeningswijze van de geldelijke anciënniteit voor tijdelijke personeelsleden met het recht op uitgestelde bezoldiging, komen de voormelde dagen wel in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van afwezigheid voor verminderde prestaties waarop het personeelslid nog recht heeft.
  In afwijking van de bepalingen van het vierde lid eindigt de afwezigheid voor verminderde prestaties, toegekend voor een volledig schooljaar of dienstjaar steeds bij het einde van dat schooljaar of dienstjaar, de zomervakantie inbegrepen.".
Art. VII.5. A l'article 80 du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par les dĂ©crets des 28 avril 1993, 13 juillet 2001 et 19 juillet 2013, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le point b) est abrogé ;
  2° dans le point c), les mots " pour des raisons de convenance personnelle " sont abrogés ;
  3° aprÚs le dernier alinéa sont ajoutés cinq nouveaux alinéas, ainsi rédigés :
  " Les jours fériés légaux, les week-ends et les vacances d'automne, de Noël, de Carnaval et de Pùques qui, en tout ou en partie, suivent immédiatement une période précédente d'absence pour prestations réduites, et qui précÚdent immédiatement une nouvelle période d'absence pour prestations réduites, sont également considérés comme une période d'absence pour prestations réduites.
  Sans préjudice du mode de calcul de la rémunération différée à accorder pendant les vacances d'été et si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les conditions fixées par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à une absence pour prestations réduites prise au cours de l'année scolaire ou de l'année de service, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours civils ne sera pas rémunéré ou ne sera rémunéré que partiellement pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou de cette année de service. Pour calculer ce nombre de jours civils :
  1° tous les jours civils d'absence pour prestations réduites pris sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou année de service ;
  2° le résultat est multiplié par 0,2 ;
  3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure.
  Lorsque, suite à ce calcul, le traitement mensuel n'est pas entiÚrement dû, il est divisé en trentiÚmes conformément au rÚglement qui est applicable dans ce cas aux membres du personnel nommés à titre définitif.
  Sans préjudice du mode de calcul de l'ancienneté pécuniaire pour les membres du personnel temporaires ayant droit à la rémunération différée, les jours précités entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire et ne sont pas comptés pour déterminer la durée de la période d'absence pour prestations réduites à laquelle le membre du personnel a encore droit.
  Par dérogation aux dispositions de l'alinéa 4, l'absence pour prestations réduites accordée pour une année scolaire ou année de service complÚte, se termine toujours à la fin de cette année scolaire ou année de service, y compris les vacances d'été. ".
Art. VII.6. Artikel 82 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003, 22 juni 2007, 8 mei 2009 en 19 juli 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 82. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 65 en 66 betreffende de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel kan het personeelslid onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden, zonder opzegging, ter beschikking worden gesteld :
  a) wegens ontstentenis van betrekking;
  b) wegens ziekte of gebrekkigheid;
  c) wegens persoonlijke aangelegenheden, voorafgaand aan het rustpensioen.
  In afwachting dat de Vlaamse Regering de voorwaarden ter zake vastlegt, blijven de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet geldende wettelijke of reglementaire bepalingen van toepassing.
  Een overeenkomstig a) en b) ter beschikking gesteld personeelslid kan gedurende twee jaar zijn aanspraken op een selectie- of bevorderingsambt en op bevordering tot een hoger salaris doen gelden.".
Art. VII.6. L'article 82 du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par les dĂ©crets des 14 fĂ©vrier 2003, 22 juin 2007, 8 mai 2009 et 19 juillet 2013, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 82. Sans prĂ©judice des dispositions des articles 65 et 66 concernant la mise en disponibilitĂ© par mesure disciplinaire, le membre du personnel peut ĂȘtre mis en disponibilitĂ© aux conditions fixĂ©es par le Gouvernement flamand et sans prĂ©avis :
  a) par défaut d'emploi ;
  b) pour maladie ou infirmité ;
  c) pour convenances personnelles précédant la pension de retraite.
  En attendant que le Gouvernement flamand détermine les conditions en la matiÚre, les dispositions légales ou réglementaires en vigueur au moment de l'entrée en vigueur du présent décret restent d'application.
  Un membre du personnel mis en disponibilité conformément aux a) et c), peut faire valoir ses droits à une fonction de sélection ou de promotion ou à l'avancement de traitement pendant deux ans. ".
Art. VII.7. In artikel 83, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003, 22 juni 2007 en 8 mei 2009, wordt punt 6° opgeheven.
Art. VII.7. Dans l'article 83, § 2, du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par les dĂ©crets des 14 fĂ©vrier 2003, 22 juin 2007 et 8 mai 2009, le point 6° est abrogĂ©.
Art. VII.8. In artikel 84 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 28 april 1993 en 8 mei 2009, wordt in punt a) de zinsnede "in artikel 82, eerste lid, c), e) en f)" vervangen door de zinsnede "in artikel 82, eerste lid, b) en c)".
Art. VII.8. A l'article 84 du mĂȘme dĂ©cret modifiĂ© par les dĂ©crets des 28 avril 1993 et 8 mai 2009, le membre de phrase dans le point a) " Ă  l'article 82, alinĂ©a premier, c), e) et f) " est remplacĂ© par le membre de phrase " Ă  l'article 82, alinĂ©a 1er, b) et c) ".
Art. VII.9. In artikel 86, 1°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2007, wordt punt c) opgeheven.
Art. VII.9. Dans l'article 86, 1°, du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par le dĂ©cret du 13 juillet 2007, le point c) est abrogĂ©.
Afdeling 2. - Decreet betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding
Section 2. - Décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élÚves
Art. VII.10. In artikel 4, § 5, eerste en tweede lid, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, ingevoegd bij het decreet van 7 juli 2006, vervangen bij het decreet van 4 juli 2008 en gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, worden tweemaal tussen de woorden "een affectatie," en de woorden "en een loopbaanonderbreking" de woorden "een zorgkrediet" ingevoegd.
Art. VII.10. Dans l'article 4, § 5, alinéas 1er et 2 du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres subventionnés d'encadrement des élÚves, inséré par le décret du 7 juillet 2006, remplacé par le décret du 4 juillet 2008 et modifié par le décret du 8 mai 2009, les mots " , d'un crédit-soins " sont insérés deux fois entre les mots " d'une affectation " et les mots " et d'une interruption de carriÚre ".
Art. VII.11. In artikel 6, § 1, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2013, wordt in punt f) de zinsnede "zoals bepaald in artikel 56, a, b, c en e" vervangen door de zinsnede "zoals bepaald in artikel 56, a en b".
Art. VII.11. Dans l'article 6, § 1er, du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© en dernier lieu par le dĂ©cret du 19 juillet 2013, le membre de phrase dans le point f) " prĂ©vue Ă  l'article 56, a), b), c) et e) " est remplacĂ© par le membre de phrase " prĂ©vue Ă  l'article 56, a) et b) ".
Art. VII.12. In artikel 19, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 7 juli 2006, 15 juni 2007, 22 juni 2007 en 8 mei 2009, wordt punt 4° opgeheven.
Art. VII.12. Dans l'article 19, § 1er, du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par les dĂ©crets des 7 juillet 2006, 15 juin 2007, 22 juin 2007 et 8 mai 2009, le point 4° est abrogĂ©.
Art. VII.13. In artikel 39bis, § 4, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 8 mei 2009 en gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2010, wordt punt i) vervangen door wat volgt :
  "i) afwezigheid voor verminderde prestaties zoals bepaald in hoofdstuk III van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 1990 betreffende het verlof voor verminderde prestaties, gewettigd door sociale of familiale redenen, en de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid ten gunste van de personeelsleden van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.".
Art. VII.13. Dans l'article 39bis, § 4, du mĂȘme dĂ©cret, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 8 mai 2009 et modifiĂ© par le dĂ©cret du 9 juillet 2010, le point i) est remplacĂ© par ce qui suit :
  " i) absence pour prestations rĂ©duites comme prĂ©vue au chapitre III de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 avril 1990 relatif aux congĂ©s pour prestations rĂ©duites justifiĂ©s par des raisons sociales ou familiales et aux absences pour prestations rĂ©duites justifiĂ©es par des raisons de convenances personnelles, accordĂ©s aux membres du personnel de l'enseignement et des centres d'encadrement des Ă©lĂšves. ".
Art. VII.14. In artikel 60, 1°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 13 juli 2001 en 13 juli 2007, wordt punt c) opgeheven.
Art. VII.14. Dans l'article 60, 1°, du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par les dĂ©crets des 13 juillet 2001 et 13 juillet 2007, le point c) est abrogĂ©.
Art. VII.15. In artikel 54 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 28 april 1993, 13 juli 2001 en 19 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt b) wordt opgeheven;
  2° in punt c) worden de woorden "wegens persoonlijke aangelegenheid" opgeheven;
  3° na het laatste lid worden vijf nieuwe leden toegevoegd, die luiden als volgt :
  "De wettelijke feestdagen, de weekends en de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie die, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk aansluiten bij een voorafgaande periode van afwezigheid voor verminderde prestaties, en die een nieuwe periode van afwezigheid voor verminderde prestaties onmiddellijk voorafgaan, worden eveneens als een periode van afwezigheid voor verminderde prestaties beschouwd.
  Onverminderd de berekeningswijze van de tijdens de zomervakantie toe te kennen uitgestelde bezoldiging en als in wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering vastgelegde voorwaarden wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten afwezigheid voor verminderde prestaties het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar een aantal kalenderdagen niet of niet volledig worden bezoldigd. Om dat aantal kalenderdagen te berekenen :
  1° worden alle kalenderdagen genoten afwezigheid voor verminderde prestaties opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
  2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
  3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.
  Als ten gevolge van die berekening het maandsalaris niet volledig verschuldigd is, wordt het in dertigsten verdeeld in overeenstemming met de regeling die in dit geval voor de vastbenoemde personeelsleden wordt toegepast.
  Onverminderd de berekeningswijze van de geldelijke anciënniteit voor tijdelijke personeelsleden met het recht op uitgestelde bezoldiging, komen de voormelde dagen wel in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van afwezigheid voor verminderde prestaties waarop het personeelslid nog recht heeft.
  In afwijking van de bepalingen van het vijfde lid eindigt de afwezigheid voor verminderde prestaties, toegekend voor een volledig schooljaar of dienstjaar steeds bij het einde van dat schooljaar of dienstjaar, de zomervakantie inbegrepen.".
Art. VII.15. A l'article 54 du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par les dĂ©crets des 28 avril 1993, 13 juillet 2001 et 19 juillet 2013, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le point b) est abrogé ;
  2° dans le point c), les mots " pour des raisons de convenance personnelle " sont abrogés ;
  3° aprÚs le dernier alinéa sont ajoutés cinq nouveaux alinéas, ainsi rédigés :
  " Les jours fériés légaux, les week-ends et les vacances d'automne, de Noël, de Carnaval et de Pùques qui, en tout ou en partie, suivent immédiatement une période précédente d'absence pour prestations réduites, et qui précÚdent immédiatement une nouvelle période d'absence pour prestations réduites, sont également considérés comme une période d'absence pour prestations réduites.
  Sans préjudice du mode de calcul de la rémunération différée à accorder pendant les vacances d'été et si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les conditions fixées par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à une absence pour prestations réduites prise au cours de l'année scolaire ou de l'année de service, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours civils ne sera pas rémunéré ou ne sera rémunéré que partiellement pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou de cette année de service. Pour calculer ce nombre de jours civils :
  1° tous les jours civils d'absence pour prestations réduites pris sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou année de service ;
  2° le résultat est multiplié par 0,2 ;
  3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure.
  Lorsque, suite à ce calcul, le traitement mensuel n'est pas entiÚrement dû, il est divisé en trentiÚmes conformément au rÚglement qui est applicable dans ce cas aux membres du personnel nommés à titre définitif.
  Sans préjudice du mode de calcul de l'ancienneté pécuniaire pour les membres du personnel temporaires ayant droit à la rémunération différée, les jours précités entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire et ne sont pas comptés pour déterminer la durée de la période d'absence pour prestations réduites à laquelle le membre du personnel a encore droit.
  Par dérogation aux dispositions de l'alinéa 5, l'absence pour prestations réduites accordée pour une année scolaire ou année de service complÚte, se termine toujours à la fin de cette année scolaire ou année de service, y compris les vacances d'été. ".
Art. VII.16. In titel II, hoofdstuk VI, van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt in afdeling 2 een artikel 51novies ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "Art. 51novies. § 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden die gebruik hebben gemaakt van het recht om eenmalig het verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar te beëindigen en die na een werkhervatting opnieuw een verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar opnemen.
  § 2. In afwijking van de bepalingen betreffende tijdelijke aanstelling kan een personeelslid, vermeld in paragraaf 1, tijdens de duur van zijn verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 55 jaar zijn tijdelijke aanstelling niet uitbreiden in vergelijking tot het volume van zijn tijdelijke aanstelling op de vooravond van het verlof. De toepassing van artikel 23 en artikel 23bis is eveneens beperkt tot het volume van zijn tijdelijke aanstelling op de vooravond van het verlof.
  § 3. Met behoud van de toepassing van de voorwaarden betreffende vaste benoeming kan een personeelslid, vermeld in paragraaf 1, vast benoemd worden of zijn vaste benoeming slechts uitbreiden tot een volume dat maximaal gelijk is aan het volume van de prestaties die hij maximaal kan uitoefenen gedurende zijn verlof.
  § 4. Het deel van de vast benoemde opdracht waarvoor het personeelslid, vermeld in paragraaf 1, het verlof neemt, wordt een vacante betrekking.
  § 5. Het personeelslid wiens betrekking volgens paragraaf 4 als vacant wordt beschouwd, blijft na de vacantwording van die betrekking in de administratieve en geldelijke toestand die verbonden is aan zijn verlof.".
Art. VII.16. Au titre II, chapitre VI, du mĂȘme dĂ©cret modifiĂ© en dernier lieu par le dĂ©cret du 17 juin 2016, il est ajoutĂ© dans la section 2 un article 51novies ainsi rĂ©digĂ© :
  " Art. 51novies. § 1er. Le présent article est d'application aux membres du personnel ayant fait usage du droit de mettre une seule fois une fin anticipée au congé pour prestations réduites dÚs l'ùge de 55 ans et qui, aprÚs avoir repris le travail, prétendent à un nouveau congé pour prestations réduites dÚs l'ùge de 55 ans.
  § 2. Par dérogation aux dispositions relatives à une désignation temporaire, un membre du personnel visé au paragraphe 1er ne peut pas, pendant la durée de son congé pour prestations réduites dÚs l'ùge de 55 ans, étendre sa désignation temporaire en comparaison au volume de sa désignation temporaire à la veille du congé. L'application des articles 23 et 23bis est également limitée au volume de sa désignation temporaire à la veille du congé.
  § 3. Sans prĂ©judice de l'application des conditions relatives Ă  la nomination Ă  titre dĂ©finitif, un membre du personnel visĂ© au paragraphe 1er peut ĂȘtre nommĂ© Ă  titre dĂ©finitif ou ne peut Ă©tendre sa nomination Ă  titre dĂ©finitif que jusqu'Ă  un volume qui soit tout au plus Ă©gal au volume des prestations qu'il peut effectuer au maximum pendant son congĂ©.
  § 4. La partie de la charge assumée en qualité de nommé à titre définitif pour laquelle le membre du personnel prend le congé visé au paragraphe 1er, devient un emploi vacant.
  § 5. Le membre du personnel dont l'emploi est considéré vacant en application du paragraphe 4, conserve, aprÚs la déclaration de vacance dudit emploi, les positions administrative et pécuniaire liées à son congé. ".
Art. VII.17. Artikel 56 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003, 22 juni 2007, 8 mei 2009 en 19 juli 2013, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 56. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 65 en 66 betreffende de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel kan het personeelslid onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden, zonder opzegging, ter beschikking worden gesteld :
  a) wegens ontstentenis van betrekking;
  b) wegens ziekte of gebrekkigheid;
  c) wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen.
  In afwachting dat de Vlaamse Regering de voorwaarden ter zake vastlegt, blijven de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet geldende wettelijke of reglementaire bepalingen van toepassing.
  Een overeenkomstig a) en b) ter beschikking gesteld personeelslid kan gedurende twee jaar zijn aanspraken op een selectie- of bevorderingsambt en op bevordering tot een hoger salaris doen gelden.".
Art. VII.17. L'article 56 du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par les dĂ©crets des 14 fĂ©vrier 2003, 22 juin 2007, 8 mai 2009 et 19 juillet 2013, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 56. Sans prĂ©judice des dispositions des articles 65 et 66 concernant la mise en disponibilitĂ© par mesure disciplinaire, le membre du personnel peut ĂȘtre mis en disponibilitĂ© aux conditions fixĂ©es par le Gouvernement flamand et sans prĂ©avis :
  a) par défaut d'emploi ;
  b) pour maladie ou infirmité ;
  c) pour convenances personnelles précédant la pension de retraite.
  En attendant que le Gouvernement flamand détermine les conditions en la matiÚre, les dispositions légales ou réglementaires en vigueur au moment de l'entrée en vigueur du présent décret restent d'application.
  Un membre du personnel mis en disponibilité conformément aux a) et b), peut faire valoir ses droits à une fonction de sélection ou de promotion ou à l'avancement de traitement pendant deux ans. ".
Art. VII.18. In artikel 57, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 14 februari 2003, 22 juni 2007 en 8 mei 2009, wordt punt 6° opgeheven.
Art. VII.18. Dans l'article 57, § 2, du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par les dĂ©crets des 14 fĂ©vrier 2003, 22 juin 2007 et 8 mai 2009, le point 6° est abrogĂ©.
Art. VII.19. In artikel 58 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 28 april 1993 en 8 mei 2009, wordt in punt a) de zinsnede "in artikel 56, eerste lid, c) en f)" vervangen door de zinsnede "in artikel 56, eerste lid, b) en c)".
Art. VII.19. A l'article 58 du mĂȘme dĂ©cret modifiĂ© par les dĂ©crets des 28 avril 1993 et 8 mai 2009, le membre de phrase dans le point a) " Ă  l'article 56, alinĂ©a premier, c) et f " est remplacĂ© par le membre de phrase " Ă  l'article 56, alinĂ©a 1er, b) et c) ".
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
Section 3. - Entrée en vigueur
Art. VII.20. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2017.
Art. VII.20. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2017.
HOOFDSTUK 8. - Decreet Kwaliteit van onderwijs
CHAPITRE 8. - Décret relatif à la qualité de l'enseignement
Art. VIII.1. In artikel 16 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs worden in paragraaf 7, ingevoegd bij het decreet van 17 juni 2016, de woorden "en voor het schooljaar 2016-2017" vervangen door de volgende woorden "tot en met het schooljaar 2018-2019".
Art. VIII.1. Dans l'article 16 du décret du 8 mai 2009 relatif à la qualité de l'enseignement, les mots dans le paragraphe 7 inséré par le décret du 17 juin 2016 " et pour l'année scolaire 2016-2017 " sont remplacés par les mots suivants " jusqu'à l'année scolaire 2018-2019 incluse ".
Art. VIII.2. In artikel 49, § 4, van hetzelfde decreet wordt punt 4° opgeheven.
Art. VIII.2. A l'article 49, § 4, du mĂȘme dĂ©cret, le 4° est abrogĂ©.
Art. VIII.3. In artikel 144 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt punt 2° opgeheven;
  2° in het eerste lid worden in punt 3° de woorden "wegens persoonlijke aangelegenheden" opgeheven;
  3° na het tweede lid worden vijf nieuwe leden toegevoegd, die luiden als volgt :
  "De wettelijke feestdagen, de weekends en de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie die, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk aansluiten bij een voorafgaande periode van afwezigheid voor verminderde prestaties, en die een nieuwe periode van afwezigheid voor verminderde prestaties onmiddellijk voorafgaan, worden eveneens als een periode van afwezigheid voor verminderde prestaties beschouwd.
  Onverminderd de berekeningswijze van de tijdens de zomervakantie toe te kennen uitgestelde bezoldiging en als in wettelijke of reglementaire bepalingen of in de door de Vlaamse Regering vastgelegde voorwaarden wordt vermeld dat als gevolg van een tijdens het schooljaar of dienstjaar genoten afwezigheid voor verminderde prestaties het salaris tijdens het jaarlijkse vakantieverlof in evenredige mate wordt verminderd, heeft dat tot gevolg dat in de zomervakantie van dat schooljaar of dienstjaar een aantal kalenderdagen niet worden bezoldigd. Om dat aantal kalenderdagen te berekenen :
  1° worden alle kalenderdagen genoten afwezigheid voor verminderde prestaties opgeteld met een maximum van driehonderd dagen per schooljaar of dienstjaar;
  2° wordt het resultaat met 0,2 vermenigvuldigd;
  3° wordt het resultaat naar de lagere eenheid afgerond.
  Als ten gevolge van die berekening het maandsalaris niet volledig verschuldigd is, wordt het in dertigsten verdeeld in overeenstemming met de regeling die in dit geval voor de vastbenoemde personeelsleden wordt toegepast.
  Onverminderd de berekeningswijze van de geldelijke anciënniteit voor tijdelijke personeelsleden met het recht op uitgestelde bezoldiging, komen de voormelde dagen wel in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van afwezigheid voor verminderde prestaties waarop het personeelslid nog recht heeft.
  In afwijking van de bepalingen van het vierde lid eindigt de afwezigheid voor verminderde prestaties, toegekend voor een volledig schooljaar of dienstjaar steeds bij het einde van dat schooljaar of dienstjaar, de zomervakantie inbegrepen.".
Art. VIII.3. A l'article 144 du mĂȘme dĂ©cret, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa 1er, le point 2° est abrogé ;
  2° dans l'alinéa 1er, les mots " pour convenance personnelle " sont supprimés ;
  3° aprÚs l'alinéa 2 sont ajoutés cinq nouveaux alinéas ainsi rédigés :
  " Les jours fériés légaux, les week-ends et les vacances d'automne, de Noël, de Carnaval et de Pùques qui, en tout ou en partie, suivent immédiatement une période précédente d'absence pour prestations réduites, et qui précÚdent immédiatement une nouvelle période d'absence pour prestations réduites, sont également considérés comme une période d'absence pour prestations réduites.
  Sans préjudice du mode de calcul de la rémunération différée à accorder pendant les vacances d'été et si les dispositions légales ou réglementaires précitées ou les conditions fixées par le Gouvernement flamand stipulent que, suite à une absence pour prestations réduites prise au cours de l'année scolaire ou de l'année de service, le traitement est réduit proportionnellement pendant le congé annuel de vacances, cela a pour conséquence qu'un nombre de jours civils ne sera pas rémunéré pendant les vacances d'été de cette année scolaire ou de cette année de service. Pour calculer ce nombre de jours civils :
  1° tous les jours civils d'absence pour prestations réduites pris sont additionnés, avec un maximum de trois cent jours par année scolaire ou année de service ;
  2° le résultat est multiplié par 0,2 ;
  3° le résultat est arrondi à l'unité inférieure.
  Lorsque, suite à ce calcul, le traitement mensuel n'est pas entiÚrement dû, il est divisé en trentiÚmes conformément au rÚglement qui est applicable dans ce cas aux membres du personnel nommés à titre définitif.
  Sans préjudice du mode de calcul de l'ancienneté pécuniaire pour les membres du personnel temporaires ayant droit à la rémunération différée, les jours précités entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire et ne sont pas comptés pour déterminer la durée de la période d'absence pour prestations réduites à laquelle le membre du personnel a encore droit.
  Par dérogation aux dispositions de l'alinéa 4, l'absence pour prestations réduites accordée pour une année scolaire ou année de service complÚte, se termine toujours à la fin de cette année scolaire ou année de service, y compris les vacances d'été. ".
Art. VIII.4. Artikel 146 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 146. Het personeelslid kan, onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden, ter beschikking worden gesteld wegens :
  1° ziekte;
  2° persoonlijke aangelegenheden, voorafgaand aan het rustpensioen.
  Een personeelslid dat ter beschikking gesteld is om de reden, vermeld in het eerste lid, 1°, kan gedurende twee jaar zijn aanspraak op een ander ambt en op bevordering tot een hoger salaris doen gelden.
  In afwachting dat de Vlaamse Regering de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, vaststelt, gelden voor de personeelsleden de bepalingen die van toepassing zijn op de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.".
Art. VIII.4. L'article 146 du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par le dĂ©cret du 17 juin 2016, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 146. Le membre du personnel peut, aux conditions fixĂ©es par le Gouvernement flamand, ĂȘtre mis en disponibilitĂ© pour cause de :
  1° maladie ;
  2° pour convenances personnelles précédant la pension de retraite.
  Le membre du personnel mis en disponibilité pour la raison, visée l'alinéa 1er, 1°, peut faire valoir ses droits à une autre fonction ou à l'avancement de traitement pendant deux ans.
  En attendant que le Gouvernement flamand fixe les conditions visées à l'alinéa 1er, les dispositions applicables aux membres du personnel de l'enseignement communautaire sont d'application aux personnels. ".
Art. VIII.5. In artikel 148 van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "vermeld in artikel 146, eerste lid, 1°, 2°, en 3° " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 146, eerste lid".
Art. VIII.5. Dans l'article 148 du mĂȘme dĂ©cret, le membre de phrase " visĂ©es Ă  l'article 146, premier alinĂ©a, 1°, 2° et 3° " sont remplacĂ©s par les mots " visĂ©es Ă  l'article 146, alinĂ©a 1er ".
Art. VIII.6. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2017.
Art. VIII.6. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2017.
HOOFDSTUK 9. - Diverse bepalingen
CHAPITRE 9. - Dispositions diverses
Afdeling 1. - Wet tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving
Section 1re. - Loi modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement
Art. IX.1. In artikel 13, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving wordt punt 3°, ingevoegd bij decreet van 7 december 2007 en gewijzigd bij het decreet van 16 maart 2012, vervangen door wat volgt :
  "3° de werken die beantwoorden aan de door de Vlaamse Gemeenschap gestelde normen op het vlak van energie.".
Art. IX.1. Dans l'article 13, § 1er, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, le point 3° inséré par le décret du 7 décembre 2007 et modifié par le décret du 16 mars 2012, est remplacé par ce qui suit :
  " 3° les travaux répondant aux normes énergétiques fixées par le Gouvernement flamand. ".
Afdeling 2. - Decreet betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding
Section 2. - Décret relatif aux centres d'encadrement des élÚves
Art. IX.2. Aan artikel 61 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2011, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "In afwijking van het eerste lid kunnen ook op 1 september 2017 twee of meer centra fuseren. In voorkomend geval is de omkadering voor het schooljaar 2017-2018 van het centrum dat door fusie ontstaat, gelijk aan de som van de omkadering die in de periode voorafgaand aan de fusie werd toegekend aan elk afzonderlijk centrum dat bij de fusie is betrokken.".
Art. IX.2. Dans l'article 61 du décret du 1er décembre 1998 relatif aux centres d'encadrement des élÚves, modifié par le décret du 17 juin 2011, il est ajouté un alinéa 3 rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, deux centres ou plus peuvent également procéder à une fusion au 1er septembre 2017. Le cas échéant, l'encadrement pour l'année scolaire 2017-2018 du centre né de la fusion est égal à la somme de l'encadrement attribué dans la période précédant la fusion attribué à chaque centre distinct concerné dans la fusion. ".
Art. IX.3. In artikel 67, derde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2003 en bij het decreet van 17 juni 2011, wordt het woord "drie" vervangen door het woord "vier".
Art. IX.3. A l'article 67, alinĂ©a 3, du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par le dĂ©cret du 14 fĂ©vrier 2003 et par le dĂ©cret du 17 juin 2011, le mot " trois " est remplacĂ© par le mot " quatre ".
Afdeling 3. - Decreet betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad
Section 3. - Décret relatif à la participation à l'école et au " Vlaamse Onderwijsraad " (Conseil flamand de l'Enseignement)
Art. IX.4. In artikel 48, eerste lid, van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad, vervangen bij het decreet van 4 april 2014, wordt de eerste zin vervangen door wat volgt :
  "De pedagogische raad, de leerlingenraad en de ouderraad in het onderwijs gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap kunnen op verzoek van de schoolraad maar ook op eigen initiatief, een schriftelijk advies uitbrengen over alle aangelegenheden, vermeld in artikel 21.
  De pedagogische raad, de leerlingenraad en de ouderraad in het onderwijs, gefinancierd door de Vlaamse Gemeenschap, kunnen op vraag van de schoolraad maar ook op eigen initiatief een schriftelijk advies uitbrengen over alle aangelegenheden vermeld in artikel 11, § 1, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs.".
Art. IX.4. A l'article 48, alinéa 1er, du décret du 2 avril 2004 relatif à la participation à l'école et au " Vlaamse Onderwijsraad " (Conseil flamand de l'Enseignement), remplacé par le décret du 4 avril 2014, la premiÚre phrase est remplacée par ce qui suit :
  " Le conseil pédagogique, le conseil des délégués d'élÚves et le conseil des parents dans l'enseignement subventionné par la Communauté flamande peuvent rendre par écrit des avis à la demande du conseil scolaire et de leur propre initiative sur toutes les matiÚres prévues à l'article 21.
  Le conseil pédagogique, le conseil des délégués d'élÚves et le conseil des parents dans l'enseignement financé par la Communauté flamande peuvent rendre par écrit des avis à la demande du conseil scolaire et de leur propre initiative sur toutes les matiÚres prévues à l'article 11, § 1er, du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire. ".
Art. IX.5. In artikel 70 van hetzelfde decreet wordt na de zinsnede "de begroting regelen" de volgende zinsnede ingevoegd "en de decreten betreffende bekrachtiging van codificaties en coördinaties van regelgeving".
Art. IX.5. Dans l'article 70 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, aprĂšs le membre de phrase " des dĂ©crets rĂ©glant annuellement le budget ", le membre de phrase suivant est insĂ©rĂ© " et des dĂ©crets sanctionnant la codification et la coordination de la rĂ©glementation ".
Afdeling 4. - Decreet tot oprichting van het Vlaams Agentschap voor Ondernemingsvorming - Syntra Vlaanderen
Section 4. - Décret portant création de l'agence " Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen (Agence flamande pour la formation d'entrepreneurs - Syntra Vlaanderen) "
Art. IX.6. In artikel 44, tweede lid, 2°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor Ondernemingsvorming - Syntra Vlaanderen, ingevoegd bij het decreet van 20 april 2012, worden in punt c) de woorden "of van de leerling" opgeheven.
Art. IX.6. Dans l'article 44, alinéa 2, 2°, du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen " (Agence flamande pour la formation d'entrepreneurs - Syntra Vlaanderen), inséré par le décret du 20 avril 2012, au point c), les mots " ou de l'apprenti " sont supprimés.
Afdeling 5. - Decreet betreffende de organisatie van tijdelijke projecten
Section 5. - Décret relatif à l'organisation de projets temporaires
Art. IX.7. In artikel 4, § 5, van het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs wordt aan het eerste lid de volgende zin toegevoegd :
  "Een besluit van de Vlaamse Regering tot uitbreiding van een bestaand tijdelijk project wordt niet ter bekrachtiging aan het Vlaams Parlement voorgelegd als het, wat afwijkingen van wettelijke en decretale bepalingen betreft die voor dat project zijn toegestaan, bij eerder door het Vlaams Parlement bekrachtigd besluit van de Vlaamse Regering, enkel het toepassingsgebied van die afwijkingen verruimt en geen nieuwe inhoudelijke afwijkingen toevoegt.".
Art. IX.7. Dans l'article 4, § 5, du décret du 9 décembre 2005 relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement, la phrase suivante est ajoutée au premier alinéa :
  " Un arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand portant extension d'un projet temporaire existant n'est pas soumis Ă  la sanction du Parlement flamand lorsqu'il, pour ce qui est des dĂ©rogations aux dispositions lĂ©gales et dĂ©crĂ©tales autorisĂ©es pour ledit projet par un arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand sanctionnĂ© au prĂ©alable par le Parlement flamand, n'Ă©largit que le champ d'application de ces dĂ©rogations sans introduire de nouvelles dĂ©rogations. ".
Afdeling 6. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de bij decreet te bekrachtigen decretale specifieke eindtermen `topsport', algemeen en technisch secundair onderwijs
Section 6. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand dĂ©finissant les objectifs finaux spĂ©cifiques dĂ©crĂ©taux " sport de haut niveau " Ă  sanctionner par dĂ©cret - enseignement secondaire gĂ©nĂ©ral et technique
Art. IX.8. In punt 1.4 van de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2006 tot vaststelling van de bij decreet te bekrachtigen decretale specifieke eindtermen `topsport' Algemeen en technisch secundair onderwijs, bekrachtigd bij decreet van 2 juni 2006, en gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011, worden de woorden "het BLOSO" vervangen door de woorden "Sport Vlaanderen".
Art. IX.8. Dans le point 1.4 de l'annexe Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 mars 2006 dĂ©finissant les objectifs finaux spĂ©cifiques dĂ©crĂ©taux " sport de haut niveau " Ă  sanctionner par dĂ©cret - enseignement secondaire gĂ©nĂ©ral et technique, sanctionnĂ© par le dĂ©cret du 2 juin 2006 et modifiĂ© par le dĂ©cret du 1er juillet 2011, les mots " du BLOSO " sont remplacĂ©s par les mots " de Sport Vlaanderen ".
Afdeling 7. - Decreet betreffende de studiefinanciering
Section 7. - Décret relatif à l'aide financiÚre aux études de la Communauté flamande
Art. IX.9. In artikel 5 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 15°, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt de eerste zin aangevuld met de zinsnede ", of twee personen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres waarbij de ene persoon kinderen van de andere persoon fiscaal ten laste neemt";
  2° in punt 45°, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008, wordt het woord "aankomstverklaring" vervangen door de woorden "attest van immatriculatie".
Art. IX.9. A l'article 5 du décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financiÚre aux études de la Communauté flamande sont apportées les modifications suivantes :
  1° au point 5°, modifiĂ© par le dĂ©cret du 8 mai 2009, la premiĂšre phrase est complĂ©tĂ©e par le membre de phrase " , ou deux personnes ayant leur rĂ©sidence principale Ă  la mĂȘme adresse dont l'une prend fiscalement Ă  charge les enfants de l'autre personne " ;
  2° au point 45°, inséré par le décret du 4 juillet 2008, les mots " par une déclaration d'arrivée " sont remplacés par les mots " par une attestation d'immatriculation ".
Art. IX.10. In artikel 9, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, wordt punt 6° vervangen door wat volgt :
  "6° leerlingen of studenten met een buitenlandse nationaliteit die toegelaten zijn tot een verblijf van bepaalde duur in België op basis van de artikelen 49, § 1, of 49/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;".
Art. IX.10. Dans l'article 9, § 2, du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par le dĂ©cret du 8 mai 2009, le point 6° est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 6° les élÚves ou étudiants de nationalité étrangÚre qui sont admis à séjourner en Belgique pour une durée déterminée en vertu des articles 49, § 1er, ou 49/2, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accÚs au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ; ".
Art. IX.11. In artikel 23 van hetzelfde decreet, gewijzigd met het decreet van 4 juli 2008 en van 1 juli 2011, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 4. In afwijking van § 3 is de student die vanaf het academiejaar 2016-2017 ingeschreven is voor de opleiding verpleegkunde van 240 studiepunten, studietoelagegerechtigd voor het behalen van zijn eerste bachelordiploma totdat hij maximaal 300 studiepunten verworven heeft voor het volgen van bacheloropleidingen.
  In afwijking van § 3 is de student die reeds een bachelordiploma behaald heeft en vanaf het academiejaar 2016-2017 is ingeschreven voor de opleiding verpleegkunde van 240 studiepunten, studietoelagegerechtigd voor het behalen van zijn tweede bachelordiploma totdat hij in totaal maximaal 480 studiepunten verworven heeft voor het volgen van bacheloropleidingen.".
Art. IX.11. L'article 23 du mĂȘme dĂ©cret modifiĂ© par le dĂ©cret du 4 juillet 2008 et du 1er juillet 2011 est complĂ©tĂ© par un paragraphe 4, rĂ©digĂ© comme suit :
  " § 4. Par dérogation au § 3, l'étudiant qui est inscrit à partir de l'année académique 2016-2017 pour la formation de nursing de 240 unités d'études a droit à une allocation d'études pour l'obtention de son premier diplÎme de bachelor jusqu'à ce qu'il ait acquis au total maximum 300 unités d'études pour avoir suivi des formations de bachelor.
  Par dérogation au § 3, l'étudiant ayant déjà obtenu un diplÎme de bachelor et qui est inscrit à partir de l'année académique 2016-2017 à la formation de nursing de 240 unités d'études a droit à une allocation d'études pour l'obtention de son deuxiÚme diplÎme de bachelor jusqu'à ce qu'il ait acquis au total maximum 480 unités d'études pour avoir suivi des formations de bachelor. ".
Art. IX.12. In artikel 34, § 1, 2°, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 17 juni 2016, worden de woorden "fiscaal ten laste is van" telkens vervangen door de woorden "zijn hoofdverblijfplaats heeft bij".
Art. IX.12. A l'article 34, § 1er, 2°, du mĂȘme dĂ©cret, remplacĂ© par le dĂ©cret du 17 juin 2016, les mots " est fiscalement Ă  charge " sont chaque fois remplacĂ©s par les mots " a sa rĂ©sidence principale chez ".
Afdeling 8. - Decreet houdende oprichting van onderhandelingscomités voor de basiseducatie en voor het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs
Section 8. - Décret portant création de comités de négociation pour l'éducation de base et le " Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs " (Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes)
Art. IX.13. Aan artikel 17 van het decreet van 23 januari 2009 houdende oprichting van onderhandelingscomités voor de basiseducatie en voor het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
  "In afwijking van de vorige zin zal het mandaat van de personeelsafgevaardigden in de LOC's drie jaar duren voor de periode van 2017-2020.".
Art. IX.13. L'article 17 du décret du 23 janvier 2009 portant création de comités de négociation pour l'éducation de base et le " Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs " (Centre flamand d'Aide à l'Education des Adultes) est complété par une phrase ainsi rédigée :
  " Par dérogation à la phrase précédente, le mandat des délégués du personnel dans les LOC est d'une durée de trois ans pour la période de 2017-2020. ".
Afdeling 9. - Tijdelijk project Schoolbank op de werkplek
Section 9. - Projet temporaire " Schoolbank op de werkplek "
Art. IX.14. Aan artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 april 2016 betreffende het tijdelijke project `schoolbank op de werkplek' rond duaal leren in het secundair onderwijs, bekrachtigd bij decreet van 10 juni 2016, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Als het niet mogelijk is een beroep te doen op de voltallige klassenraad van het laatste structuuronderdeel dat door de leerling in kwestie is gevolgd, kunnen de trajectbegeleider van de opleiding en de school binnen het tijdelijke project die door de betrokken personen worden gekozen, een alternatieve werkwijze vastleggen om tot desbetreffend advies te komen.".
Art. IX.14. A l'article 9 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 22 avril 2016 relatif au projet temporaire " schoolbank op de werkplek " (apprentissage en milieu scolaire ainsi que sur le lieu de travail) relatif Ă  l'apprentissage en alternance dans l'enseignement secondaire, sanctionnĂ© par le dĂ©cret du 10 juin 2016, il est ajoutĂ© un alinĂ©a 2 ainsi rĂ©digĂ© :
  " Lorsqu'il n'est pas possible de faire appel au conseil de classe dans son ensemble de la derniÚre subdivision structurelle que l'élÚve a suivie, l'accompagnateur de parcours de la formation et l'école réalisant le projet temporaire choisis par les personnes intéressées peuvent définir une méthode alternative pour arriver à l'avis en la matiÚre. ".
Art. IX.15. In artikel 19 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de huidige tekst wordt ondergebracht in een paragraaf 1;
  2° een paragraaf 2 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
  " § 2. De leerlingen van de opleiding groen- en tuinbeheer worden bijgeteld bij de leerlingen van de opleiding tuinbouwarbeider van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs met het oog op het bereiken van de norm van 40 leerlingen voor toekenning van een extra voltijdse betrekking in het ambt van leraar secundair onderwijs, belast met beroepsgerichte vorming.
  Deze maatregel gebeurt in afwijking van artikel 308/1 van de Codex Secundair Onderwijs.".
Art. IX.15. A l'article 19 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le texte actuel devient le paragraphe 1er ;
  2° il est ajouté un paragraphe 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Les élÚves de la formation " groen- en tuinbeheer " (gestion d'espaces verts et de jardins) sont additionnés aux élÚves de la formation tuinbouwarbeider " horticulteur " de la forme d'enseignement 3 de l'enseignement secondaire spécial afin d'atteindre la norme de 40 élÚves pour l'attribution d'un emploi à temps plein supplémentaire dans la fonction de professeur de l'enseignement secondaire chargé de la formation à vocation professionnelle.
  Cette mesure est prise par dérogation à l'article 308/1 du Code de l'Enseignement secondaire. ".
Art. IX.16. In artikel 20 van hetzelfde besluit wordt in punt 1° de zinsnede "Voor het schooljaar 2016-2017" vervangen door de zinsnede "Voor het schooljaar waarin een school met leerlingen in het tijdelijke project stapt,".
Art. IX.16. Dans l'article 20 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le membre de phrase " Pour l'annĂ©e scolaire 2016-2017, " dans le point 1° est remplacĂ© par le membre de phrase " Pour l'annĂ©e scolaire dans laquelle une Ă©cole s'engage avec les Ă©lĂšves dans un projet temporaire, ".
Art. IX.17. Aan artikel 23 van hetzelfde besluit wordt een punt 21° toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "21° de voorzitter van het Vlaams Partnerschap.".
Art. IX.17. L'article 23 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© par un point 21° ainsi rĂ©digĂ© :
  " 21° le président du Partenariat flamand. ".
Art. IX.18. Aan artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende het tijdelijke project `schoolbank op de werkplek' rond duaal leren in de leertijd wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  "Als het niet mogelijk is een beroep te doen op de voltallige klassenraad van het laatste structuuronderdeel dat door de leerling in kwestie is gevolgd in het secundair onderwijs of het begeleidingsteam van de laatste opleiding die de leerling binnen de leertijd heeft gevolgd, kunnen de trajectbegeleider van de opleiding en het centrum binnen het tijdelijke project die door de betrokken personen worden gekozen, een alternatieve werkwijze vastleggen om tot desbetreffend advies te komen.".
Art. IX.18. A l'article 9 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 relatif au projet temporaire " schoolbank op de werkplek " (apprentissage en milieu scolaire et sur le lieu de travail) consacrĂ© Ă  la formation en alternance en pĂ©riode d'apprentissage, sanctionnĂ© par le dĂ©cret du 10 juin 2016, il est ajoutĂ© un alinĂ©a ainsi rĂ©digĂ© :
  " Lorsqu'il n'est pas possible de faire appel au conseil de classe dans son ensemble de la derniÚre subdivision structurelle que l'élÚve a suivie dans l'enseignement secondaire ou à l'équipe d'accompagnement de la derniÚre formation que l'élÚve a suivie pendant l'apprentissage, l'accompagnateur de parcours de la formation et le centre réalisant le projet temporaire et choisis par les personnes intéressées peuvent définir une méthode alternative pour arriver à l'avis en la matiÚre. ".
Afdeling 10. - Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs
Section 10. - Codification de certaines dispositions relatives Ă  l'enseignement
Art. IX.19. In het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel II.34 wordt de zinsnede "artikel II.38" vervangen door de zinsnede "artikel II.35";
  2° in artikel III.5 wordt het woord "ervan" geschrapt;
  3° in artikel III.10 wordt driemaal de zinsnede "artikel III.11" vervangen door de zinsnede "artikel III.9";
  4° in artikel V.32 worden na het woord "gemeentedecreet", de woorden "of de nieuwe gemeentewet" toegevoegd;
  5° in artikel V.47 worden de woorden "in vorig artikel" vervangen door de woorden "in artikel V.41";
  6° in artikel V.51 wordt de zinsnede "artikel V.47" vervangen door de zinsnede "artikel V.41";
  7° in artikel V.75 wordt paragraaf 5 opgeheven;
  8° in artikel XI.1 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) er wordt een punt 38° bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "38° bis het decreet van 9 december 2005 betreffende de organisatie van tijdelijke projecten in het onderwijs;";
  b) er wordt een punt 39° bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "39° bis het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur;";
  c) er wordt een punt 41° bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "41° bis het decreet van 7 december 2007 betreffende energieprestaties in scholen;";
  d) er worden de punten 54°, 55° en 56° toegevoegd, die luiden als volgt :
  "54° het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen;
  55° het decreet van 25 november 2016 betreffende de alternatieve financiering van schoolinfrastructuur via projectspecifieke DBFM-overeenkomsten;
  56° het decreet betreffende het onderwijs XXVII.";
  9° in artikel XII.1 wordt punt 4° vervangen door wat volgt :
  "4° in artikel 4, § 1, van de wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer wordt de zinsnede "artikel 4 van de wet van 29 mei 1959" vervangen door de zinsnede "artikel IV.34 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs";";
  10° in artikel XII.1, 20° en 21°, wordt het getal "56" vervangen door het getal "56/1";
  11° in artikel XII.1, 52°, worden de volgende woorden toegevoegd aan punt 3° :
  "en het decreet betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken";
  12° in artikel X.II.1, 92°, wordt de zinsnede "artikel 2" vervangen door de zinsnede "artikel 4";
  13° in artikel XII.1, 110°, wordt de zinsnede "III.19, III.20" vervangen door de zinsnede "III.18, III.19, III.20";
  14° in artikel XII.1, 120°, wordt de zinsnede "artikel 1" vervangen door de zinsnede "artikel 2";
  15° in artikel XII.1, 124°, wordt de zinsnede "artikel V.67" vervangen door de zinsnede "artikel V.66";
  16° in artikel XII.1, 136°, wordt de zinsnede "artikel 1" vervangen door de zinsnede "artikel 2";
  17° in artikel XII.1, 137°, wordt de zinsnede "artikel V.61" vervangen door de zinsnede "artikel V.60";
  18° in artikel XII.1, 146°, wordt de zinsnede "artikel II.64" vervangen door de zinsnede "artikel II.58".
Art. IX.19. A l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives Ă  l'enseignement, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° dans l'article II.34, le membre de phrase " l'article II.38 " est remplacé par le membre de phrase " l'article II.35 " ;
  2° dans l'article III.5, le mot " ervan " dans le texte néerlandais est supprimé ;
  3° dans l'article III.10, le membre de phrase " l'article III.11 " est trois fois remplacé par le membre de phrase " l'article III.9 " ;
  4° dans l'article V.32, les mots " ou de la nouvelle loi communale " sont ajoutés aprÚs les mots " du décret communal " ;
  5° dans l'article V.47, les mots " à l'article précédent " sont remplacés par les mots " à l'article V.41 " ;
  6° dans l'article V.51, le membre de phrase " l'article V.47 " est remplacé par le membre de phrase " l'article V.41 " ;
  7° dans l'article V.75, le paragraphe 5 est abrogé ;
  8° à l'article XI.1 sont apportées les modifications suivantes :
  a) il est ajouté un point 38° bis, rédigé comme suit :
  " 38° bis le décret du 9 décembre 2005 relatif à l'organisation de projets temporaires dans l'enseignement ; " ;
  b) il est inséré un point 39° bis ainsi rédigé :
  " 39° bis le décret du 7 juillet 2006 relatif au mouvement de rattrapage pour l'infrastructure scolaire ; " ;
  c) il est inséré un point 41° bis ainsi rédigé :
  " 41° bis le décret du 7 décembre 2007 relatif aux performances énergétiques dans les écoles ; " ;
  d) il est inséré des points 54°, 55° et 56° ainsi rédigés :
  " 54° le décret du 10 juin 2016 réglant certains aspects des formations en alternance ;
  55° le décret du 25 novembre 2016 relatif au financement alternatif de l'infrastructure scolaire par le biais de conventions DBFM spécifiques d'un projet ;
  56° le décret relatif à l'enseignement XXVII. " ;
  9° le point 4° de l'article XII.1 est remplacé par la disposition suivante :
  " 4° dans l'article 4, § 1er, de la loi du 15 juillet 1983 portant création du Service national de Transport scolaire, le membre de phrase " l'article 4 de la loi du 29 mai 1959 " est remplacé par le membre de phrase " l'article IV.34 de la codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement " ; " ;
  10° à l'article XII.1, 20° et 21°, le nombre " 56 " est remplacé par le nombre " 56/1 " ;
  11° à l'article XII.1, 52°, les mots suivants sont ajoutés au point 3° :
  " et au décret relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques " ;
  12° à l'article X.II.1, 92°, le membre de phrase " l'article 2 " est remplacé par le membre de phrase " l'article 4 " ;
  13° à l'article X.II.1, 110°, le membre de phrase " III.19, III.20 " est remplacé par le membre de phrase " III.18, III.19, III.20 " ;
  14° à l'article XII.1, 120°, le membre de phrase " l'article 1er " est remplacé par le membre de phrase " l'article 2 " ;
  15° à l'article X.II.1, 124°, le membre de phrase " l'article V.67 " est remplacé par le membre de phrase " l'article V.66 " ;
  16° à l'article XII.1, 136°, le membre de phrase " l'article 1er " est remplacé par le membre de phrase " l'article 2 " ;
  17° à l'article XII.1, 137°, le membre de phrase " l'article V.61 " est remplacé par le membre de phrase " l'article V.60 " ;
  18° à l'article XII.1, 146°, le membre de phrase " l'article II.64 " est remplacé par le membre de phrase " l'article II.58 ".
Art. IX.20. In het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel III.4, § 2, 4°, worden de woorden ", behoudens een door de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, verleende vrijstelling met het oog op bijzondere en exceptionele omstandigheden" opgeheven;
  2° aan artikel III.9, § 2, wordt de volgende zin toegevoegd :
  "Internaten en tehuizen die niet aan de behoudsnorm voldoen, blijven gefinancierd of gesubsidieerd als het internaat of tehuis op de vorige teldag wel aan de geldende norm voldeed.";
  3° aan artikel IV.19 worden een tweede tot en met een zesde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
  "Vanaf 1 januari 2017 wordt de op 1 juni 2016 door de Vlaamse onderwijsbegroting gefinancierde personeelsformatie van 811 uren in het ambt van verpleger en 5832 uren in het ambt van kinderverzorger als vast benoemd of contractueel titularis in de peutertuinen en kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalige hoofdstedelijk gebied Brussel geleidelijk afgebouwd.
  Telkens wanneer een vast benoemde of contractueel aangestelde titularis uit dienst treedt, vermindert het toegestane volume financierbare uren met het aantal financierbare uren dat betrokkene presteerde.
  Deze afbouwregeling geldt totdat het aantal uren dat gefinancierd wordt binnen de begroting Onderwijs nog 2880 uren, voor de totaliteit van de beide ambten van verpleger en kinderverzorger, bedraagt.
  Telkens een vast benoemde of contractueel aangestelde titularis voltijds of deeltijds afwezig is voor een periode en het totaal aantal gefinancierde uren niet gedaald is tot onder de 2880 uren, voor de totaliteit van de beide ambten van verpleger en kinderverzorger, kan geen vervanger worden aangesteld die een salaris ontvangt van het agentschap onderwijsdiensten.
  De middelen die jaarlijks vrijkomen door toepassing van het derde en het vijfde lid worden geherinvesteerd in de onderwijsbegroting.";
  4° artikel IV.22 wordt opgeheven;
  5° in artikel V.29 wordt een punt 4° ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "4° de personeelsleden bedoeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.";
  6° in artikel V.41 wordt een punt 5° ingevoegd, dat luidt als volgt :
  "5° de personeelsleden, bedoeld in artikel 3 van het decreet van 7 juli 2017 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden in de basiseducatie.".
Art. IX.20. A l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 28 octobre 2016 portant codification de certaines dispositions relatives Ă  l'enseignement, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° à l'article III.4, § 2, 4°, les mots " , sauf dispense accordée par le Ministre flamand chargé de l'enseignement en raison de circonstances particuliÚres et exceptionnelles " sont abrogés ;
  2° le § 2 de l'article III.9 est complété par la phrase suivante :
  " Les internats et homes d'accueil ne rĂ©pondant pas Ă  la norme de maintien continuent Ă  ĂȘtre financĂ©s ou subventionnĂ©s si l'internat ou le home d'accueil satisfaisait Ă  la norme applicable au jour de comptage prĂ©cĂ©dent. " ;
  3° l'article IV.19 est complété par des alinéas 2 à 6 ainsi rédigés :
  " A compter du 1er janvier 2017, les effectifs financés le 1er juin 2016 par le budget flamand de l'enseignement comptant 811 heures dans la fonction d'infirmier et 5832 heures dans la fonction de puériculteur en tant que titulaire statutaire ou contractuel dans les prégardiennats et garderies de l'enseignement communautaire en région bilingue de Bruxelles-Capitale, sont progressivement réduits.
  Chaque fois qu'un titulaire statutaire ou contractuel quitte le service, le volume autorisé d'heures admissibles au financement est diminué du nombre d'heures admissibles au financement presté par l'intéressé.
  Cette suppression progressive vaut jusqu'à ce que le nombre d'heures financé par le budget de l'Enseignement s'élÚve à 2880 heures pour la totalité des deux fonctions d'infirmier et de puériculteur.
  Chaque fois qu'un titulaire statutaire ou contractuel est absent Ă  temps plein ou partiel pour une pĂ©riode et le nombre total d'heures financĂ©es n'a pas baissĂ© en dessous de 2880 heures pour la totalitĂ© des deux fonctions d'infirmier et de puĂ©riculteur, aucun remplaçant bĂ©nĂ©ficiaire d'un traitement de l' " Agentschap voor Onderwijsdiensten " ne peut ĂȘtre dĂ©signĂ©.
  Les moyens libérés annuellement en application des alinéas 3 et 5 sont réinvestis dans le budget de l'enseignement. ".
  4° l'article IV.22 est abrogé ;
  5° dans l'article V.29, il est inséré un point 4° ainsi rédigé :
  " 4° membres du personnel visés à l'article 3, § 1er, du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel dans l'éducation de base. " ;
  6° dans l'article V.41, il est inséré un point 5° ainsi rédigé :
  " 5° membres du personnel visés à l'article 3 du décret du 7 juillet 2017 relatif au statut des membres du personnel dans l'éducation de base. ".
Afdeling 11. - Opheffingsbepaling
Section 11. - Disposition abrogatoire
Art. IX.21. Het koninklijk besluit van 25 oktober 1967 betreffende het zeelyceum in De Haan wordt opgeheven.
Art. IX.21. L'arrĂȘtĂ© royal du 25 octobre 1967 relatif au LycĂ©e Marin Ă  De Haan est abrogĂ©.
Afdeling 12. - Inwerkingtreding
Section 12. - Entrée en vigueur
Art. IX.22. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2017.
  Artikel IX.6, IX.9, 2°, en IX.10 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2016.
  Artikel IX.19 en IX.20, 3° en 4°, hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2017.
  Artikel IX.20, 5° en 6°, treedt in werking op 1 januari 2018.
  Artikel IX.11 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2016 tot en met 31 augustus 2019.
Art. IX.22. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2017.
  Les articles IX.6, IX.9, 2°, et IX.10 produisent leurs effets le 1er septembre 2016.
  Les articles IX.19 en IX.20, 3° et 4° produisent leurs effets le 1er janvier 2017.
  L'article IX.20, 5° et 6°, entre en vigueur le 1er janvier 2018.
  L'article IX.11 produit ses effets du 1er septembre 2016 au 31 août 2019 inclus.