Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
13 JULI 2017. - Ordonnantie houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017 tussen de Federale Overheid, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot het beheer van de dienst voor de regularisatie van gewestelijke belastingen en niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen en de oprichting van een regularisatiesysteem van niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen, tot invoering van een fiscaal regularisatiesysteem beperkt in de tijd en tot invoering van maatregelen tot bestrijding van misbruik en fiscale fraude
Titre
13 JUILLET 2017. - Ordonnance portant assentiment à l'Accord de coopération du 20 février 2017 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à la gestion du service pour la régularisation des impôts régionaux et des capitaux fiscalement prescrits non scindés et à la mise en place d'un système de régularisation des capitaux fiscalement prescrits non scindés, instaurant un régime de régularisation fiscale limité dans le temps et instaurant des mesures en vue de lutter contre les abus et les fraudes fiscales
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Inleiding
HOOFDSTUK II. - Instemming met het samenwerking...
HOOFDSTUK III. - Invoering van een in de tijd b...
HOOFDSTUK IV. - Aanpassing van de fiscale wetbo...
Afdeling 1. - Wijzigingen aan het Wetboek der r...
Afdeling 2. - Wijzigingen aan het Wetboek der s...
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
BIJLAGE.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Introduction
CHAPITRE II. - Assentiment à l'accord de coopér...
CHAPITRE III. - Instauration d'un régime de rég...
CHAPITRE IV. . - Adaptation des codes fiscaux e...
Section 1re. - Modifications au Code des droits...
Section 2. - Modifications au Code des droits d...
Section 3. - Entrée en vigueur
ANNEXE.
Tekst (26)
Texte (26)
HOOFDSTUK I. - Inleiding
CHAPITRE Ier. - Introduction
Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Article 1er. La présente ordonnance règle une matière visée à l'article 39 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - Instemming met het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017 tussen de federale overheid, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot het beheer van de dienst voor de regularisatie van gewestelijke belastingen en niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen en de oprichting van een regularisatiesysteem van niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen
CHAPITRE II. - Assentiment à l'accord de coopération du 20 février 2017 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à la gestion du service pour la régularisation des impôts régionaux et des capitaux fiscalement prescrits non scindés et à la mise en place d'un système de régularisation des capitaux fiscalement prescrits non scindés
Art. 2. Instemming wordt verleend met het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017 tussen de federale overheid, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot het beheer van de dienst voor de regularisatie van gewestelijke belastingen en niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen en de oprichting van een regularisatiesysteem van niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen en dat gevoegd is bij de onderhavige ordonnantie.
Art. 2. Il est porté assentiment à l'accord de coopération du 20 février 2017 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à la gestion du service pour la régularisation des impôts régionaux et des capitaux fiscalement prescrits non scindés et à la mise en place d'un système de régularisation des capitaux fiscalement prescrits non scindés qui est annexé à la présente ordonnance.
HOOFDSTUK III. - Invoering van een in de tijd beperkt fiscaal regularisatiesysteem
CHAPITRE III. - Instauration d'un régime de régularisation fiscale limité dans le temps
Art. 3. § 1. Kunnen het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte beoogd in artikel 1, 5°, van het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017 tussen de federale overheid, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot het beheer van de dienst voor de regularisatie van gewestelijke belastingen en niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen en de oprichting van een regularisatiesysteem van niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen, hierna vernoemd als " het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017 " :
- de sommen, kapitalen of roerende waarden op dewelke verjaarde successierechten verschuldigd zijn voor zover deze sommen, kapitalen of roerende waarden deel uitmaken van de nalatenschap van een rijksinwoner of die geacht worden er deel van uit te maken waarvoor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd is op grond van artikel 3, 4°, artikel 4, § 1, en artikel 5, § 2, 4° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten ;
- de sommen, kapitalen of roerende waarden op dewelke niet-verjaarde successierechten verschuldigd zijn voor zover deze sommen, kapitalen of roerende waarden deel uitmaken van de nalatenschap van een rijksinwoner of die geacht worden er deel van uit te maken waarvoor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd is op grond van artikel 3, 4°, artikel 4, § 1, en artikel 5, § 2, 4° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten ;
- de sommen, kapitalen of roerende waarden op dewelke verjaarde registratierechten verschuldigd zijn voor zover deze sommen, kapitalen of roerende waarden voortkomen uit handelingen waarvoor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd is op grond van artikel 3, 6° tot en met 8°, artikel 4, § 1, en artikel 5, § 2, 6° tot en met 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten ;
- de sommen, kapitalen of roerende waarden op dewelke niet-verjaarde registratierechten verschuldigd zijn voor zover deze sommen, kapitalen of roerende waarden voortkomen uit handelingen waarvoor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd is op grond van artikel 3, 6° tot en met 8°, artikel 4, § 1, en artikel 5, § 2, 6° tot en met 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten.
In afwijking van het voorgaande lid, moeten het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte, beoogd in artikel 1, 5°, van het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017, de sommen, kapitalen of roerende waarden waarop :
1. niet verjaarde successierechten of registratierechten verschuldigd zijn indien cumulatief :
a)de inkomsten voortkomende uit deze sommen, kapitalen of roerende waarden het voorwerp uitmaken van een fiscale regularisatie in het kader van de wet van 21 juli 2016 tot invoering van een permanent systeem inzake fiscale en sociale regularisatie ;
b) de aangever niet aantoont, aan de hand van een schriftelijk bewijs, desgevallend aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen, dat de sommen, kapitalen of roerende waarden onderworpen zijn geweest, naar gelang het geval, aan de successierechten of de registratierechten beoogd in het eerste lid.
2. verjaarde successierechten of registratierechten verschuldigd zijn indien de twee volgende voorwaarden verenigd zijn :
a) de inkomsten voortkomende uit deze sommen, kapitalen of roerende waarden het voorwerp uitmaken van een fiscale regularisatie in het kader van de wet van 21 juli 2016 tot invoering van een permanent systeem inzake fiscale en sociale regularisatie ;
b) de aangever niet aantoont, aan de hand van een schriftelijk bewijs, desgevallend aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen, dat de sommen, kapitalen of roerende waarden onderworpen zijn geweest, naar gelang het geval, aan de successierechten of de registratierechten beoogd in het eerste lid.
§ 2. Onder verjaarde successierechten, wordt verstaan de successierechten ten aanzien waarvan de fiscale administratie op het ogenblik van de indiening van de regularisatieaangifte geen heffingsbevoegdheid meer kan uitoefenen in hoofde van diegene op wiens naam de regularisatieaangifte is ingediend ingevolge het verstrijken van de termijnen bedoeld in de artikelen 137, 139, 1401 en 1402 van het Wetboek der successierechten.
§ 3. Onder verjaarde registratierechten, wordt verstaan de registratierechten ten aanzien waarvan de fiscale administratie op het ogenblik van de indiening van de regularisatieaangifte geen heffingsbevoegdheid meer kan uitoefenen in hoofde van diegene op wiens naam de regularisatieaangifte is ingediend ingevolge het verstrijken van de termijnen bedoeld in de artikelen 214, 216, 2171 en 2172 of 218 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
§ 4. De verjaarde rechten beoogd in de paragrafen 2 en 3 komen voort uit misdrijven beoogd in artikel 9.
§ 5. De sommen, kapitalen of roerende waarden beoogd door het onderhavige artikel kunnen het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte uitsluitend tot en met 31 december 2020.
- de sommen, kapitalen of roerende waarden op dewelke verjaarde successierechten verschuldigd zijn voor zover deze sommen, kapitalen of roerende waarden deel uitmaken van de nalatenschap van een rijksinwoner of die geacht worden er deel van uit te maken waarvoor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd is op grond van artikel 3, 4°, artikel 4, § 1, en artikel 5, § 2, 4° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten ;
- de sommen, kapitalen of roerende waarden op dewelke niet-verjaarde successierechten verschuldigd zijn voor zover deze sommen, kapitalen of roerende waarden deel uitmaken van de nalatenschap van een rijksinwoner of die geacht worden er deel van uit te maken waarvoor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd is op grond van artikel 3, 4°, artikel 4, § 1, en artikel 5, § 2, 4° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten ;
- de sommen, kapitalen of roerende waarden op dewelke verjaarde registratierechten verschuldigd zijn voor zover deze sommen, kapitalen of roerende waarden voortkomen uit handelingen waarvoor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd is op grond van artikel 3, 6° tot en met 8°, artikel 4, § 1, en artikel 5, § 2, 6° tot en met 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten ;
- de sommen, kapitalen of roerende waarden op dewelke niet-verjaarde registratierechten verschuldigd zijn voor zover deze sommen, kapitalen of roerende waarden voortkomen uit handelingen waarvoor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd is op grond van artikel 3, 6° tot en met 8°, artikel 4, § 1, en artikel 5, § 2, 6° tot en met 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten.
In afwijking van het voorgaande lid, moeten het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte, beoogd in artikel 1, 5°, van het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017, de sommen, kapitalen of roerende waarden waarop :
1. niet verjaarde successierechten of registratierechten verschuldigd zijn indien cumulatief :
a)de inkomsten voortkomende uit deze sommen, kapitalen of roerende waarden het voorwerp uitmaken van een fiscale regularisatie in het kader van de wet van 21 juli 2016 tot invoering van een permanent systeem inzake fiscale en sociale regularisatie ;
b) de aangever niet aantoont, aan de hand van een schriftelijk bewijs, desgevallend aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen, dat de sommen, kapitalen of roerende waarden onderworpen zijn geweest, naar gelang het geval, aan de successierechten of de registratierechten beoogd in het eerste lid.
2. verjaarde successierechten of registratierechten verschuldigd zijn indien de twee volgende voorwaarden verenigd zijn :
a) de inkomsten voortkomende uit deze sommen, kapitalen of roerende waarden het voorwerp uitmaken van een fiscale regularisatie in het kader van de wet van 21 juli 2016 tot invoering van een permanent systeem inzake fiscale en sociale regularisatie ;
b) de aangever niet aantoont, aan de hand van een schriftelijk bewijs, desgevallend aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen, dat de sommen, kapitalen of roerende waarden onderworpen zijn geweest, naar gelang het geval, aan de successierechten of de registratierechten beoogd in het eerste lid.
§ 2. Onder verjaarde successierechten, wordt verstaan de successierechten ten aanzien waarvan de fiscale administratie op het ogenblik van de indiening van de regularisatieaangifte geen heffingsbevoegdheid meer kan uitoefenen in hoofde van diegene op wiens naam de regularisatieaangifte is ingediend ingevolge het verstrijken van de termijnen bedoeld in de artikelen 137, 139, 1401 en 1402 van het Wetboek der successierechten.
§ 3. Onder verjaarde registratierechten, wordt verstaan de registratierechten ten aanzien waarvan de fiscale administratie op het ogenblik van de indiening van de regularisatieaangifte geen heffingsbevoegdheid meer kan uitoefenen in hoofde van diegene op wiens naam de regularisatieaangifte is ingediend ingevolge het verstrijken van de termijnen bedoeld in de artikelen 214, 216, 2171 en 2172 of 218 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
§ 4. De verjaarde rechten beoogd in de paragrafen 2 en 3 komen voort uit misdrijven beoogd in artikel 9.
§ 5. De sommen, kapitalen of roerende waarden beoogd door het onderhavige artikel kunnen het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte uitsluitend tot en met 31 december 2020.
Art. 3. § 1er. Peuvent faire l'objet d'une déclaration-régularisation visée à l'article 1er, 5°, de l'accord de coopération du 20 février 2017 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à la gestion du service pour la régularisation des impôts régionaux et des capitaux fiscalement prescrits non scindés et à la mise en place d'un système de régularisation des capitaux fiscalement prescrits non scindés, dénommés ci-après " l'accord de coopération du 20 février 2017 " :
- les sommes, capitaux ou valeurs mobilières sur lesquels des droits de succession prescrits sont dus dans la mesure où ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières font partie de la succession d'un habitant du Royaume ou étaient censés en faire partie pour lesquels la Région de Bruxelles-Capitale est compétente en vertu de l'article 3, 4°, de l'article 4, § 1er, et de l'article 5, § 2, 4°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions ;
- les sommes, capitaux ou valeurs mobilières sur lesquels des droits de succession non prescrits sont dus dans la mesure où ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières font partie de la succession d'un habitant du Royaume ou sont censés en faire partie, pour lesquels la Région de Bruxelles-Capitale est compétente en vertu de l'article 3, 4°, de l'article 4, § 1er, et de l'article 5, § 2, 4°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions ;
- les sommes, capitaux ou valeurs mobilières sur lesquels des droits d'enregistrement prescrits sont dus dans la mesure où ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières proviennent d'actes pour lesquels la Région de Bruxelles-Capitale est compétente en vertu de l'article 3, 6° à 8°, de l'article 4, § 1er, et de l'article 5, § 2, 6° à 8°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions ;
- les sommes, capitaux ou valeurs mobilières sur lesquels des droits d'enregistrement non prescrits sont dus dans la mesure où ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières proviennent d'actes pour lesquels la Région de Bruxelles-Capitale est compétente en vertu de l'article 3, 6° à 8°, de l'article 4, § 1er, et de l'article 5, § 2, 6° à 8°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions.
Par dérogation à l'alinéa précédent, doivent faire l'objet d'une déclaration-régularisation, visée à l'article 1er, 5°, de l'accord de coopération du 20 février 2017, les sommes, capitaux ou valeurs mobilières sur lesquels :
1. des droits de succession ou des droits d'enregistrement non prescrits sont dus, si, cumulativement :
a)les revenus provenant de ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières font l'objet d'une régularisation fiscale en vertu de la loi du 21 juillet 2016 visant à instaurer un système permanent de régularisation fiscale et sociale ;
b) le déclarant ne démontre pas au moyen d'une preuve écrite, complétée le cas échéant par d'autres moyens de preuve tirés du droit commun, à l'exception du serment et de la preuve par témoins, que ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières ont été soumis selon les cas, aux droits de succession ou aux droits d'enregistrement visés à l'alinéa 1er.
2. des droits de succession ou des droits d'enregistrement prescrits sont dus lorsque les deux conditions suivantes sont réunies :
a) les revenus provenant de ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières font l'objet d'une régularisation fiscale en vertu de la loi du 21 juillet 2016 visant à instaurer un système permanent de régularisation fiscale et sociale ;
b) le déclarant ne démontre pas au moyen d'une preuve écrite, complétée le cas échéant par d'autres moyens de preuve tirés du droit commun, à l'exception du serment et de la preuve par témoins, que ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières ont été soumis selon les cas, aux droits de succession ou aux droits d'enregistrement visés à l'alinéa 1er.
§ 2. Par droits de succession prescrits, on entend les droits de succession à l'égard desquels l'administration fiscale ne peut plus exercer au moment de l'introduction de la déclaration-régularisation de pouvoir de perception dans le chef de celui au nom duquel la déclaration-régularisation est introduite suite à l'expiration des délais visés aux articles 137, 139, 1401 et 1402 du Code des droits de succession.
§ 3. Par droits d'enregistrement prescrits, on entend les droits d'enregistrement à l'égard desquels l'administration fiscale ne peut plus exercer au moment de l'introduction de la déclaration-régularisation de pouvoir de perception dans le chef de celui au nom duquel la déclaration-régularisation est introduite suite à l'expiration des délais visés aux articles 214, 216, 2171 et 2172 ou 218 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
§ 4. Les droits prescrits visés aux paragraphes 2 et 3 sont issus des infractions visées à l'article 9.
§ 5. Les sommes, capitaux ou valeurs mobilières visés par le présent article peuvent faire l'objet d'une déclaration-régularisation uniquement jusqu'au 31 décembre 2020.
- les sommes, capitaux ou valeurs mobilières sur lesquels des droits de succession prescrits sont dus dans la mesure où ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières font partie de la succession d'un habitant du Royaume ou étaient censés en faire partie pour lesquels la Région de Bruxelles-Capitale est compétente en vertu de l'article 3, 4°, de l'article 4, § 1er, et de l'article 5, § 2, 4°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions ;
- les sommes, capitaux ou valeurs mobilières sur lesquels des droits de succession non prescrits sont dus dans la mesure où ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières font partie de la succession d'un habitant du Royaume ou sont censés en faire partie, pour lesquels la Région de Bruxelles-Capitale est compétente en vertu de l'article 3, 4°, de l'article 4, § 1er, et de l'article 5, § 2, 4°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions ;
- les sommes, capitaux ou valeurs mobilières sur lesquels des droits d'enregistrement prescrits sont dus dans la mesure où ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières proviennent d'actes pour lesquels la Région de Bruxelles-Capitale est compétente en vertu de l'article 3, 6° à 8°, de l'article 4, § 1er, et de l'article 5, § 2, 6° à 8°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions ;
- les sommes, capitaux ou valeurs mobilières sur lesquels des droits d'enregistrement non prescrits sont dus dans la mesure où ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières proviennent d'actes pour lesquels la Région de Bruxelles-Capitale est compétente en vertu de l'article 3, 6° à 8°, de l'article 4, § 1er, et de l'article 5, § 2, 6° à 8°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions.
Par dérogation à l'alinéa précédent, doivent faire l'objet d'une déclaration-régularisation, visée à l'article 1er, 5°, de l'accord de coopération du 20 février 2017, les sommes, capitaux ou valeurs mobilières sur lesquels :
1. des droits de succession ou des droits d'enregistrement non prescrits sont dus, si, cumulativement :
a)les revenus provenant de ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières font l'objet d'une régularisation fiscale en vertu de la loi du 21 juillet 2016 visant à instaurer un système permanent de régularisation fiscale et sociale ;
b) le déclarant ne démontre pas au moyen d'une preuve écrite, complétée le cas échéant par d'autres moyens de preuve tirés du droit commun, à l'exception du serment et de la preuve par témoins, que ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières ont été soumis selon les cas, aux droits de succession ou aux droits d'enregistrement visés à l'alinéa 1er.
2. des droits de succession ou des droits d'enregistrement prescrits sont dus lorsque les deux conditions suivantes sont réunies :
a) les revenus provenant de ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières font l'objet d'une régularisation fiscale en vertu de la loi du 21 juillet 2016 visant à instaurer un système permanent de régularisation fiscale et sociale ;
b) le déclarant ne démontre pas au moyen d'une preuve écrite, complétée le cas échéant par d'autres moyens de preuve tirés du droit commun, à l'exception du serment et de la preuve par témoins, que ces sommes, capitaux ou valeurs mobilières ont été soumis selon les cas, aux droits de succession ou aux droits d'enregistrement visés à l'alinéa 1er.
§ 2. Par droits de succession prescrits, on entend les droits de succession à l'égard desquels l'administration fiscale ne peut plus exercer au moment de l'introduction de la déclaration-régularisation de pouvoir de perception dans le chef de celui au nom duquel la déclaration-régularisation est introduite suite à l'expiration des délais visés aux articles 137, 139, 1401 et 1402 du Code des droits de succession.
§ 3. Par droits d'enregistrement prescrits, on entend les droits d'enregistrement à l'égard desquels l'administration fiscale ne peut plus exercer au moment de l'introduction de la déclaration-régularisation de pouvoir de perception dans le chef de celui au nom duquel la déclaration-régularisation est introduite suite à l'expiration des délais visés aux articles 214, 216, 2171 et 2172 ou 218 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
§ 4. Les droits prescrits visés aux paragraphes 2 et 3 sont issus des infractions visées à l'article 9.
§ 5. Les sommes, capitaux ou valeurs mobilières visés par le présent article peuvent faire l'objet d'une déclaration-régularisation uniquement jusqu'au 31 décembre 2020.
Art. 4. In afwijking van artikel 3, § 1, kunnen niet geregulariseerd worden :
1. de successierechten verschuldigd op de sommen, kapitalen of roerende waarden die deel uitmaken van de nalatenschap van een rijksinwoner of die geacht worden er deel van uit te maken in de volgende gevallen :
a) de nalatenschap is opengevallen na 31 december 2016 ;
b) de nalatenschap, opengevallen vóór 1 januari 2017, heeft niet het voorwerp uitgemaakt van een aangifte van nalatenschap ingediend vóór 1 juli 2017 of binnen de termijn voor dewelke de administratie haar schriftelijk akkoord gegeven heeft vóór deze datum.
2. de registratierechten verschuldigd op de sommen, kapitalen of roerende waarden die voortkomen uit handelingen die geregistreerd zijn geweest na 15 juni 2017 of die dit hadden moeten zijn.
1. de successierechten verschuldigd op de sommen, kapitalen of roerende waarden die deel uitmaken van de nalatenschap van een rijksinwoner of die geacht worden er deel van uit te maken in de volgende gevallen :
a) de nalatenschap is opengevallen na 31 december 2016 ;
b) de nalatenschap, opengevallen vóór 1 januari 2017, heeft niet het voorwerp uitgemaakt van een aangifte van nalatenschap ingediend vóór 1 juli 2017 of binnen de termijn voor dewelke de administratie haar schriftelijk akkoord gegeven heeft vóór deze datum.
2. de registratierechten verschuldigd op de sommen, kapitalen of roerende waarden die voortkomen uit handelingen die geregistreerd zijn geweest na 15 juni 2017 of die dit hadden moeten zijn.
Art. 4. Par dérogation à l'article 3, § 1er, ne peuvent pas être régularisés :
1. les droits de succession dus sur les sommes, capitaux ou valeurs mobilières qui font partie de la succession d'un habitant du Royaume ou qui sont censés en faire partie dans les cas suivants :
a) la succession est ouverte après le 31 décembre 2016 ;
b) la succession, ouverte avant le 1er janvier 2017, n'a pas fait l'objet d'une déclaration de succession introduite avant le 1er juillet 2017 ou dans le délai sur lequel l'administration a marqué son accord par écrit avant cette date.
2. les droits d'enregistrement dus sur les sommes, capitaux ou valeurs mobilières qui proviennent d'actes qui ont été enregistrés après le 15 juin 2017 ou qui auraient dû l'être.
1. les droits de succession dus sur les sommes, capitaux ou valeurs mobilières qui font partie de la succession d'un habitant du Royaume ou qui sont censés en faire partie dans les cas suivants :
a) la succession est ouverte après le 31 décembre 2016 ;
b) la succession, ouverte avant le 1er janvier 2017, n'a pas fait l'objet d'une déclaration de succession introduite avant le 1er juillet 2017 ou dans le délai sur lequel l'administration a marqué son accord par écrit avant cette date.
2. les droits d'enregistrement dus sur les sommes, capitaux ou valeurs mobilières qui proviennent d'actes qui ont été enregistrés après le 15 juin 2017 ou qui auraient dû l'être.
Art. 5. De sommen, kapitalen of roerende waarden beoogd door artikel 3 kunnen slechts geregulariseerd worden voor zover de aangever, in de zin van artikel 1, 7°, van het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017, de aard van de te regulariseren rechten en de periode waartoe de te regulariseren rechten behoren aantoont aan de hand van schriftelijk bewijs, desgevallend aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen.
Zonder afbreuk te doen aan artikel 9, kunnen niet geregulariseerd worden de sommen, kapitalen of roerende waarden die verbonden zijn met :
1. terrorisme of financiering van terrorisme ;
2. georganiseerde misdaad ;
3. illegale handel in verdovende middelen ;
4. illegale handel in wapens, goederen en handelswaren, met inbegrip van antipersoonsmijnen en/of clustermunitie ;
5. handel in clandestiene werkkrachten ;
6. mensenhandel ;
7. uitbuiting van prostitutie ;
8. illegaal gebruik bij dieren van stoffen met hormonale werking of illegale handel in dergelijke stoffen ;
9. illegale handel in menselijke organen of weefsels ;
10. fraude ten nadele van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen ;
11. verduistering door personen die een openbare functie uitoefenen en corruptie ;
12. ernstige milieucriminaliteit ;
13. namaak van muntstukken of bankbiljetten ;
14. namaak van goederen ;
15. piraterij ;
16. beursdelicten ;
17. onwettig openbaar aantrekken van spaargelden of het verlenen van beleggingsdiensten, diensten van valutahandel of van geldoverdracht zonder vergunning ;
18. oplichting, gijzeling, diefstal of afpersing of misdrijven die verband houden met een staat van faillissement.
De regularisatie-aangifte moet gepaard gaan met een bondige verklaring omtrent het fraudeschema, alsook omtrent de omvang en de oorsprong van de geregulariseerde niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde sommen en kapitalen, de periode waarin deze ontstaan zijn en de voor de geregulariseerde bedragen gebruikte financiële rekeningen.
Zonder afbreuk te doen aan artikel 9, kunnen niet geregulariseerd worden de sommen, kapitalen of roerende waarden die verbonden zijn met :
1. terrorisme of financiering van terrorisme ;
2. georganiseerde misdaad ;
3. illegale handel in verdovende middelen ;
4. illegale handel in wapens, goederen en handelswaren, met inbegrip van antipersoonsmijnen en/of clustermunitie ;
5. handel in clandestiene werkkrachten ;
6. mensenhandel ;
7. uitbuiting van prostitutie ;
8. illegaal gebruik bij dieren van stoffen met hormonale werking of illegale handel in dergelijke stoffen ;
9. illegale handel in menselijke organen of weefsels ;
10. fraude ten nadele van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen ;
11. verduistering door personen die een openbare functie uitoefenen en corruptie ;
12. ernstige milieucriminaliteit ;
13. namaak van muntstukken of bankbiljetten ;
14. namaak van goederen ;
15. piraterij ;
16. beursdelicten ;
17. onwettig openbaar aantrekken van spaargelden of het verlenen van beleggingsdiensten, diensten van valutahandel of van geldoverdracht zonder vergunning ;
18. oplichting, gijzeling, diefstal of afpersing of misdrijven die verband houden met een staat van faillissement.
De regularisatie-aangifte moet gepaard gaan met een bondige verklaring omtrent het fraudeschema, alsook omtrent de omvang en de oorsprong van de geregulariseerde niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde sommen en kapitalen, de periode waarin deze ontstaan zijn en de voor de geregulariseerde bedragen gebruikte financiële rekeningen.
Art. 5. Les sommes, capitaux ou valeurs mobilières visés à l'article 3 ne sont régularisés que pour autant que le déclarant, au sens de l'article 1er, 7°, de l'accord de coopération du 20 février 2017, démontre, au moyen d'une preuve écrite, complétée le cas échéant par d'autres moyens de preuve tirés du droit commun, à l'exception du serment et de la preuve par témoins, la nature des droits à régulariser et la période à laquelle appartiennent les droits à régulariser.
Sans préjudice de l'article 9, ne peuvent pas être régularisés les sommes, capitaux ou valeurs mobilières qui sont liés :
1. au terrorisme ou au financement du terrorisme ;
2. à la criminalité organisée ;
3. au trafic illicite de stupéfiants ;
4. au trafic illicite d'armes, de biens et de marchandises en ce compris les mines anti-personnel et/ou les sous-munitions ;
5. au trafic de main-d'oeuvre clandestine ;
6. à la traite des êtres humains ;
7. à l'exploitation de la prostitution ;
8. à l'utilisation illégale, chez les animaux, de substances à effet hormonal ou au commerce illégal de telles substances ;
9. au trafic illicite d'organes ou de tissus humains ;
10. à la fraude au préjudice des intérêts financiers des Communautés européennes ;
11. au détournement par des personnes exerçant une fonction publique et à la corruption ;
12. à la criminalité environnementale grave ;
13. à la contrefaçon de monnaie ou de billets de banque ;
14. à la contrefaçon de biens ;
15. à la piraterie ;
16. à un délit boursier ;
17. à un appel public irrégulier à l'épargne public ou de la fourniture de services d'investissement, de commerce de devises ou de transferts de fonds sans agrément ;
18. à une escroquerie, à une prise d'otages, un vol ou une extorsion ou une infraction liée à l'état de faillite.
La déclaration-régularisation doit être accompagnée d'une explication succincte du schéma de fraude, ainsi que de l'ampleur et de l'origine des sommes et capitaux fiscalement prescrits non scindés régularisés, de la période pendant laquelle ceux-ci sont apparus et des comptes financiers utilisés pour les montants régularisés.
Sans préjudice de l'article 9, ne peuvent pas être régularisés les sommes, capitaux ou valeurs mobilières qui sont liés :
1. au terrorisme ou au financement du terrorisme ;
2. à la criminalité organisée ;
3. au trafic illicite de stupéfiants ;
4. au trafic illicite d'armes, de biens et de marchandises en ce compris les mines anti-personnel et/ou les sous-munitions ;
5. au trafic de main-d'oeuvre clandestine ;
6. à la traite des êtres humains ;
7. à l'exploitation de la prostitution ;
8. à l'utilisation illégale, chez les animaux, de substances à effet hormonal ou au commerce illégal de telles substances ;
9. au trafic illicite d'organes ou de tissus humains ;
10. à la fraude au préjudice des intérêts financiers des Communautés européennes ;
11. au détournement par des personnes exerçant une fonction publique et à la corruption ;
12. à la criminalité environnementale grave ;
13. à la contrefaçon de monnaie ou de billets de banque ;
14. à la contrefaçon de biens ;
15. à la piraterie ;
16. à un délit boursier ;
17. à un appel public irrégulier à l'épargne public ou de la fourniture de services d'investissement, de commerce de devises ou de transferts de fonds sans agrément ;
18. à une escroquerie, à une prise d'otages, un vol ou une extorsion ou une infraction liée à l'état de faillite.
La déclaration-régularisation doit être accompagnée d'une explication succincte du schéma de fraude, ainsi que de l'ampleur et de l'origine des sommes et capitaux fiscalement prescrits non scindés régularisés, de la période pendant laquelle ceux-ci sont apparus et des comptes financiers utilisés pour les montants régularisés.
Art. 6. § 1. De geregulariseerde niet-verjaarde registratierechten zijn onderworpen aan een heffing overeenkomstig het normale belastingtarief dat op hen van toepassing was op het moment dat voormelde rechten verschuldigd waren vermeerderd met 22 procentpunten.
Bij het bepalen van de heffing beoogd in het eerste lid, wordt met geen enkel abattement rekening gehouden noch met enige vermindering van de verschuldigde rechten.
§ 2. De geregulariseerde niet-verjaarde successierechten zijn onderworpen aan een heffing overeenkomstig het normale belastingtarief dat op hen van toepassing was op het moment dat voormelde rechten verschuldigd waren vermeerderd met 22 procentpunten.
Bij het bepalen van de heffing beoogd in het eerste lid, wordt met geen enkel abattement rekening gehouden noch met enige vermindering van de verschuldigde rechten.
§ 3. De geregulariseerde verjaarde registratie- en successierechten zijn onderworpen aan een heffing van een tarief van 37 procent op :
1. de sommen, kapitalen of roerende waarden die deel uitmaken van de nalatenschap van een rijksinwoner of die geacht worden er deel van uit te maken ;
2. de sommen, kapitalen of roerende waarden voortkomende uit handelingen voor dewelke registratierechten verschuldigd waren.
Bij het bepalen van de heffing beoogd in het eerste lid, wordt met geen enkel abattement rekening gehouden noch met verminderingen van de verschuldigde rechten.
§ 4. Vanaf 1 januari 2018, worden de in de paragrafen 1 tot en met 3 bedoelde heffingen vermeerderd als volgt :
a) 22 procentpunten worden 23 procentpunten ;
b) 37 procent wordt 38 procent.
Vanaf 1 januari 2019, worden de, na toepassing van het eerste lid verkregen heffingen, vermeerderd als volgt :
a) 23 procentpunten worden 24 procentpunten ;
b) 38 procent wordt 39 procent.
Vanaf 1 januari 2020, worden de, na toepassing van het tweede lid verkregen heffingen, vermeerderd als volgt :
a) 24 procentpunten worden 25 procentpunten ;
b) 39 procent wordt 40 procent.
Bij het bepalen van de heffing beoogd in het eerste lid, wordt met geen enkel abattement rekening gehouden noch met enige vermindering van de verschuldigde rechten.
§ 2. De geregulariseerde niet-verjaarde successierechten zijn onderworpen aan een heffing overeenkomstig het normale belastingtarief dat op hen van toepassing was op het moment dat voormelde rechten verschuldigd waren vermeerderd met 22 procentpunten.
Bij het bepalen van de heffing beoogd in het eerste lid, wordt met geen enkel abattement rekening gehouden noch met enige vermindering van de verschuldigde rechten.
§ 3. De geregulariseerde verjaarde registratie- en successierechten zijn onderworpen aan een heffing van een tarief van 37 procent op :
1. de sommen, kapitalen of roerende waarden die deel uitmaken van de nalatenschap van een rijksinwoner of die geacht worden er deel van uit te maken ;
2. de sommen, kapitalen of roerende waarden voortkomende uit handelingen voor dewelke registratierechten verschuldigd waren.
Bij het bepalen van de heffing beoogd in het eerste lid, wordt met geen enkel abattement rekening gehouden noch met verminderingen van de verschuldigde rechten.
§ 4. Vanaf 1 januari 2018, worden de in de paragrafen 1 tot en met 3 bedoelde heffingen vermeerderd als volgt :
a) 22 procentpunten worden 23 procentpunten ;
b) 37 procent wordt 38 procent.
Vanaf 1 januari 2019, worden de, na toepassing van het eerste lid verkregen heffingen, vermeerderd als volgt :
a) 23 procentpunten worden 24 procentpunten ;
b) 38 procent wordt 39 procent.
Vanaf 1 januari 2020, worden de, na toepassing van het tweede lid verkregen heffingen, vermeerderd als volgt :
a) 24 procentpunten worden 25 procentpunten ;
b) 39 procent wordt 40 procent.
Art. 6. § 1er. Les droits d'enregistrement non prescrits régularisés sont soumis à un prélèvement conforme au taux normal d'imposition qui leur était applicable au moment auquel lesdits droits étaient dus, majoré de 22 points de pourcentage.
Lors de la détermination du prélèvement visé à l'alinéa 1er, il n'est tenu compte d'aucun abattement ni d'aucune réduction des droits dus.
§ 2. Les droits de succession non prescrits régularisés sont soumis à un prélèvement conforme au taux normal d'imposition qui leur était applicable au moment auquel lesdits droits étaient dus, majoré de 22 points de pourcentage.
Lors de la détermination du prélèvement visé à l'alinéa 1er, il n'est tenu compte d'aucun abattement ni d'aucune réduction des droits dus.
§ 3. Les droits d'enregistrement et de succession prescrits régularisés sont soumis à un prélèvement à un taux de 37 pour cent sur :
1. les sommes, capitaux ou valeurs mobilières qui faisaient partie de la succession d'un habitant du Royaume ou qui étaient censés en faire partie ;
2. les sommes, capitaux ou valeurs mobilières provenant d'actes pour lesquels des droits d'enregistrement étaient dus.
Lors de la détermination du prélèvement visé à l'alinéa 1er, il n'est tenu compte d'aucun abattement ou de réductions des droits dus.
§ 4. A partir du 1er janvier 2018, les prélèvements repris aux paragraphes 1er à 3 sont majorés comme suit :
a) 22 points de pourcentage deviennent 23 points de pourcentage ;
b) 37 pour cent devient 38 pour cent.
A partir du 1er janvier 2019, les prélèvements obtenus après application de l'alinéa 1er, sont majorés comme suit :
a) 23 points de pourcentage deviennent 24 points de pourcentage ;
b) 38 pour cent devient 39 pour cent.
A partir du 1er janvier 2020, les prélèvements obtenus après application de l'alinéa 2, sont majorés comme suit :
a) 24 points de pourcentage deviennent 25 points de pourcentage ;
b) 39 pour cent devient 40 pour cent.
Lors de la détermination du prélèvement visé à l'alinéa 1er, il n'est tenu compte d'aucun abattement ni d'aucune réduction des droits dus.
§ 2. Les droits de succession non prescrits régularisés sont soumis à un prélèvement conforme au taux normal d'imposition qui leur était applicable au moment auquel lesdits droits étaient dus, majoré de 22 points de pourcentage.
Lors de la détermination du prélèvement visé à l'alinéa 1er, il n'est tenu compte d'aucun abattement ni d'aucune réduction des droits dus.
§ 3. Les droits d'enregistrement et de succession prescrits régularisés sont soumis à un prélèvement à un taux de 37 pour cent sur :
1. les sommes, capitaux ou valeurs mobilières qui faisaient partie de la succession d'un habitant du Royaume ou qui étaient censés en faire partie ;
2. les sommes, capitaux ou valeurs mobilières provenant d'actes pour lesquels des droits d'enregistrement étaient dus.
Lors de la détermination du prélèvement visé à l'alinéa 1er, il n'est tenu compte d'aucun abattement ou de réductions des droits dus.
§ 4. A partir du 1er janvier 2018, les prélèvements repris aux paragraphes 1er à 3 sont majorés comme suit :
a) 22 points de pourcentage deviennent 23 points de pourcentage ;
b) 37 pour cent devient 38 pour cent.
A partir du 1er janvier 2019, les prélèvements obtenus après application de l'alinéa 1er, sont majorés comme suit :
a) 23 points de pourcentage deviennent 24 points de pourcentage ;
b) 38 pour cent devient 39 pour cent.
A partir du 1er janvier 2020, les prélèvements obtenus après application de l'alinéa 2, sont majorés comme suit :
a) 24 points de pourcentage deviennent 25 points de pourcentage ;
b) 39 pour cent devient 40 pour cent.
Art. 7. § 1. Als de regularisatieaangifte gerealiseerd is overeenkomstig de artikelen van de onderhavige ordonnantie alsook die van het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017, heeft de definitieve betaling, uitgevoerd zonder enig voorbehoud van de heffingen vermeld in artikel 6, § 1, tot gevolg dat de sommen, kapitalen of roerende waarden op dewelke de rechten verschuldigd waren, voor het overige niet langer onderworpen zijn of niet langer onderworpen kunnen zijn aan eender welk recht zoals voorzien in het Wetboek der registratie-, hypotheek en griffierechten voor zover ze betrekking hebben op de registratierechten vermeld in artikel 3 met inbegrip van de boetes en nalatigheidsinteresten die daarin voorzien zijn.
§ 2. Als de regularisatieaangifte uitgevoerd is overeenkomstig de artikelen van de onderhavige ordonnantie alsook die van het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017, heeft de definitieve betaling, uitgevoerd zonder enig voorbehoud van de heffingen vermeld in artikel 6, § 2, tot gevolg dat de sommen, kapitalen of roerende waarden op dewelke de rechten verschuldigd waren, voor het overige niet langer onderworpen zijn of niet langer onderworpen kunnen zijn aan eender welk recht zoals voorzien in het Wetboek der successierechten met inbegrip van de boetes en nalatigheidsinteresten die daarin voorzien zijn.
§ 2. Als de regularisatieaangifte uitgevoerd is overeenkomstig de artikelen van de onderhavige ordonnantie alsook die van het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017, heeft de definitieve betaling, uitgevoerd zonder enig voorbehoud van de heffingen vermeld in artikel 6, § 2, tot gevolg dat de sommen, kapitalen of roerende waarden op dewelke de rechten verschuldigd waren, voor het overige niet langer onderworpen zijn of niet langer onderworpen kunnen zijn aan eender welk recht zoals voorzien in het Wetboek der successierechten met inbegrip van de boetes en nalatigheidsinteresten die daarin voorzien zijn.
Art. 7. § 1er. Si la déclaration-régularisation est réalisée conformément aux articles de la présente ordonnance ainsi qu'à ceux de l'accord de coopération du 20 février 2017, le paiement définitif, effectué sans aucune réserve des prélèvements mentionnés à l'article 6, § 1er, a pour conséquence que les sommes, capitaux ou valeurs mobilières sur lesquels les droits étaient dus, ne sont plus ou ne peuvent plus être pour le surplus soumis à aucun droit tel que prévu par le Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe pour autant qu'ils se rapportent aux droits d'enregistrement mentionnés à l'article 3, en ce compris aux amendes et intérêts de retard qui y sont prévus.
§ 2. Si la déclaration-régularisation est réalisée conformément aux articles de la présente ordonnance ainsi qu'à ceux de l'accord de coopération du 20 février 2017, le paiement définitif, effectué sans aucune réserve des prélèvements mentionnés à l'article 6, § 2, a pour conséquence que les sommes, capitaux ou valeurs mobilières sur lesquels les droits étaient dus, ne sont plus ou ne peuvent plus être pour le surplus soumis à aucun droit tel que prévu par le Code des droits de succession, en ce compris aux amendes et intérêts de retard qui y sont prévus.
§ 2. Si la déclaration-régularisation est réalisée conformément aux articles de la présente ordonnance ainsi qu'à ceux de l'accord de coopération du 20 février 2017, le paiement définitif, effectué sans aucune réserve des prélèvements mentionnés à l'article 6, § 2, a pour conséquence que les sommes, capitaux ou valeurs mobilières sur lesquels les droits étaient dus, ne sont plus ou ne peuvent plus être pour le surplus soumis à aucun droit tel que prévu par le Code des droits de succession, en ce compris aux amendes et intérêts de retard qui y sont prévus.
Art. 8. Noch de regularisatieaangifte, noch de betaling van de heffingen, noch het regularisatieattest overgemaakt door het Contactpunt hebben enig effect indien :
1. de geregulariseerde sommen, kapitalen of roerende waarden voortkomen uit een misdrijf bedoeld in artikel 505 van het Strafwetboek, behoudens wanneer deze uitsluitend zijn verkregen uit misdrijven :
a) als bedoeld in de artikelen 206 en 206bis van het Wetboek der registratie- hypotheek- en griffierechten indien deze artikelen betrekking hebben op de registratierechten vermeld in artikel 3 ;
b) als bedoeld in de artikelen 133 en 133bis van het Wetboek der successierechten.
2. de geregulariseerde sommen, kapitalen of roerende waarden voortkomen uit een misdrijf bedoeld in artikel 5, § 3, van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme met uitzondering van het misdrijf bedoeld in artikel 5, § 3, 1°, elfde streepje van dezelfde wet, en het misdrijf " misbruik van vennootschapsgoederen " en " misbruik van vertrouwen ", voor zover zij geregulariseerd zijn overeenkomstig de artikelen van het onderhavige hoofdstuk ;
3. vóór de indiening van de regularisatieaangifte, de aangever schriftelijk in kennis gesteld is van lopende specifieke onderzoekdaden ofwel door een Belgische gerechtelijke instantie ofwel door een Belgische belastingadministratie ;
4. reeds een regularisatieaangifte werd ingediend ten behoeve van dezelfde aangever sinds de datum van de inwerkingtreding van de artikelen van het onderhavige hoofdstuk.
1. de geregulariseerde sommen, kapitalen of roerende waarden voortkomen uit een misdrijf bedoeld in artikel 505 van het Strafwetboek, behoudens wanneer deze uitsluitend zijn verkregen uit misdrijven :
a) als bedoeld in de artikelen 206 en 206bis van het Wetboek der registratie- hypotheek- en griffierechten indien deze artikelen betrekking hebben op de registratierechten vermeld in artikel 3 ;
b) als bedoeld in de artikelen 133 en 133bis van het Wetboek der successierechten.
2. de geregulariseerde sommen, kapitalen of roerende waarden voortkomen uit een misdrijf bedoeld in artikel 5, § 3, van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme met uitzondering van het misdrijf bedoeld in artikel 5, § 3, 1°, elfde streepje van dezelfde wet, en het misdrijf " misbruik van vennootschapsgoederen " en " misbruik van vertrouwen ", voor zover zij geregulariseerd zijn overeenkomstig de artikelen van het onderhavige hoofdstuk ;
3. vóór de indiening van de regularisatieaangifte, de aangever schriftelijk in kennis gesteld is van lopende specifieke onderzoekdaden ofwel door een Belgische gerechtelijke instantie ofwel door een Belgische belastingadministratie ;
4. reeds een regularisatieaangifte werd ingediend ten behoeve van dezelfde aangever sinds de datum van de inwerkingtreding van de artikelen van het onderhavige hoofdstuk.
Art. 8. Ni la déclaration-régularisation, ni le paiement des prélèvements, ni l'attestation-régularisation transmise par le Point de contact ne produisent d'effets si :
1. les sommes, capitaux ou valeurs mobilières régularisés proviennent d'une infraction visée à l'article 505 du Code pénal, sauf lorsque ceux-ci ont été acquis exclusivement par des infractions :
a) visées aux articles 206 et 206bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe si ces articles se rapportent aux droits d'enregistrement repris à l'article 3 ;
b) visées aux articles 133 et 133bis du Code des droits de succession.
2. les sommes, capitaux ou valeurs mobilières régularisés proviennent d'une infraction visée à l'article 5, § 3, de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, à l'exception de l'infraction visée à l'article 5, § 3, 1°, onzième tiret de la même loi, et de l'infraction d'" abus de biens sociaux " et d'" abus de confiance ", s'ils sont régularisés conformément aux articles du présent chapitre ;
3. avant l'introduction de la déclaration-régularisation, le déclarant est informé par écrit d'actes d'investigation spécifiques en cours soit par une instance judiciaire belge, soit par une administration fiscale belge ;
4. une déclaration-régularisation est déjà introduite en faveur du même déclarant depuis la date de l'entrée en vigueur des articles du présent chapitre.
1. les sommes, capitaux ou valeurs mobilières régularisés proviennent d'une infraction visée à l'article 505 du Code pénal, sauf lorsque ceux-ci ont été acquis exclusivement par des infractions :
a) visées aux articles 206 et 206bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe si ces articles se rapportent aux droits d'enregistrement repris à l'article 3 ;
b) visées aux articles 133 et 133bis du Code des droits de succession.
2. les sommes, capitaux ou valeurs mobilières régularisés proviennent d'une infraction visée à l'article 5, § 3, de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, à l'exception de l'infraction visée à l'article 5, § 3, 1°, onzième tiret de la même loi, et de l'infraction d'" abus de biens sociaux " et d'" abus de confiance ", s'ils sont régularisés conformément aux articles du présent chapitre ;
3. avant l'introduction de la déclaration-régularisation, le déclarant est informé par écrit d'actes d'investigation spécifiques en cours soit par une instance judiciaire belge, soit par une administration fiscale belge ;
4. une déclaration-régularisation est déjà introduite en faveur du même déclarant depuis la date de l'entrée en vigueur des articles du présent chapitre.
Art. 9. § 1. De personen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven als bedoeld in de artikelen 206 en 206bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten in zoverre deze artikelen betrekking hebben op de registratierechten die vermeld zijn in artikel 3, eerste lid van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, aan misdrijven zoals bedoeld in de artikelen 133 et 133bis van het Wetboek der successierechten of aan de misdrijven omschreven in artikel 505 van het Strafwetboek, in zoverre die betrekking hebben op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de voormelde misdrijven zijn verkregen of op de goederen en waarden die in de plaats ervan gesteld zijn of op de inkomsten uit de belegde voordelen, evenals de personen die mededaders of medeplichtigen zijn aan dergelijke misdrijven in de zin van de artikelen 66 en 67 van het Strafwetboek, zijn vrijgesteld van strafvervolging uit dien hoofde, indien zij niet vóór de datum van de indiening van de regularisatieaangifte beoogd in artikel 1, 5°, van het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017, het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek uit hoofde van deze misdrijven en indien een regularisatieaangifte gedaan werd onder de voorwaarden van de onderhavige ordonnantie alsook die van het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017 en indien de ingevolge die regularisatieaangifte verschuldigde heffing definitief en zonder enig voorbehoud betaald werd.
§ 2. Voor alle misdrijven, andere dan deze bepaald in paragraaf 1, kunnen de in paragraaf 1 bedoelde personen nog steeds het voorwerp uitmaken van strafvervolging.
De personen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven omschreven in de artikelen 193 tot en met 197, 489 tot en met 490bis, 491 en 492bis van het Strafwetboek, aan misdrijven omschreven in het artikel 16 van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen, aan misdrijven omschreven in het artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 oktober 2006 houdende maatregelen ter controle van het grensoverschrijdend verkeer van liquide middelen, aan misdrijven omschreven in de verschillende strafbepalingen van het Wetboek van vennootschappen, en die werden begaan met het oog op het plegen van of het vergemakkelijken van de in paragraaf 1 bedoelde misdrijven of die het gevolg zijn van de in paragraaf 1 bedoelde misdrijven, blijven voor deze misdrijven vrijgesteld van bestraffing, indien zij vóór de datum van de indiening van de regularisatieaangifte overeenkomstig de bepalingen van de onderhavige ordonnantie alsook overeenkomstig deze van het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017 niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek uit hoofde van deze misdrijven, indien zij een regularisatieaangifte hebben gedaan onder de voorwaarden van de onderhavige ordonnantie alsook die van het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017 en indien zij definitief en zonder enige voorbehoud de verschuldigde heffing overeenkomstig onderhavige ordonnantie betaald hebben.
De bepalingen van het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op mededaders en medeplichtigen die geen regularisatieaangifte hebben ingediend.
De bepalingen beoogd in het eerste tot en met het derde lid, doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
§ 2. Voor alle misdrijven, andere dan deze bepaald in paragraaf 1, kunnen de in paragraaf 1 bedoelde personen nog steeds het voorwerp uitmaken van strafvervolging.
De personen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven omschreven in de artikelen 193 tot en met 197, 489 tot en met 490bis, 491 en 492bis van het Strafwetboek, aan misdrijven omschreven in het artikel 16 van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen, aan misdrijven omschreven in het artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 oktober 2006 houdende maatregelen ter controle van het grensoverschrijdend verkeer van liquide middelen, aan misdrijven omschreven in de verschillende strafbepalingen van het Wetboek van vennootschappen, en die werden begaan met het oog op het plegen van of het vergemakkelijken van de in paragraaf 1 bedoelde misdrijven of die het gevolg zijn van de in paragraaf 1 bedoelde misdrijven, blijven voor deze misdrijven vrijgesteld van bestraffing, indien zij vóór de datum van de indiening van de regularisatieaangifte overeenkomstig de bepalingen van de onderhavige ordonnantie alsook overeenkomstig deze van het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017 niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek uit hoofde van deze misdrijven, indien zij een regularisatieaangifte hebben gedaan onder de voorwaarden van de onderhavige ordonnantie alsook die van het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017 en indien zij definitief en zonder enige voorbehoud de verschuldigde heffing overeenkomstig onderhavige ordonnantie betaald hebben.
De bepalingen van het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op mededaders en medeplichtigen die geen regularisatieaangifte hebben ingediend.
De bepalingen beoogd in het eerste tot en met het derde lid, doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
Art. 9. § 1er. Les personnes qui se sont rendues coupables d'infractions visées aux articles 206 et 206bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, pour autant que ces articles se rapportent aux droits d'enregistrement qui sont mentionnés à l'article 3, alinéa 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, d'infractions visées aux articles 133 et 133bis du Code des droits de succession ou d'infractions visées à l'article 505 du Code pénal, dans la mesure où elles visent les avantages patrimoniaux tirés directement des infractions précitées ou les biens et valeurs qui leur ont été substitués ou les revenus de ces avantages investis, ainsi que les personnes qui sont coauteurs ou complices de telles infractions au sens des articles 66 et 67 du Code pénal, sont exonérées de poursuites pénales de ce chef si elles n'ont pas fait l'objet, avant la date de l'introduction de la déclaration-régularisation visées à l'article 1er, 5°, de l'accord de coopération du 20 février 2017, d'une information ou d'une instruction judiciaire du chef de ces infractions et si une déclaration-régularisation est effectuée dans les conditions de la présente ordonnance ainsi que de celles de l'accord de coopération du 20 février 2017 et si le prélèvement dû en raison de cette déclaration-régularisation est payé définitivement et sans aucune réserve.
§ 2. Pour toutes les infractions, autres que celles définies dans le paragraphe 1er, les personnes visées au paragraphe 1er peuvent toujours faire l'objet de poursuites pénales.
Les personnes qui se sont rendues coupables des infractions définies aux articles 193 à 197, 489 à 490bis, 491 et 492bis du Code pénal, des infractions définies à l'article 16 de la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité des entreprises, des infractions définies à l'article 12 de l'arrêté royal du 5 octobre 2006 portant certaines mesures relatives au contrôle du transport transfrontalier d'argent liquide, des infractions aux différentes dispositions pénales du Code des sociétés, et qui ont été commises en vue de commettre ou de faciliter les infractions définies au paragraphe 1er ou qui résultent des infractions définies au paragraphe 1er, restent pour ces infractions exonérées de sanction, si elles n'ont pas fait l'objet avant la date de l'introduction de la déclaration-régularisation conformément aux dispositions de la présente ordonnance ainsi qu'à celles de l'accord de coopération du 20 février 2017, d'une information ou d'une instruction judiciaire du chef de ces infractions, si elles ont effectué une déclaration-régularisation dans les conditions de la présente ordonnance ainsi que de celles de l'accord de coopération du 20 février 2017 et si elles ont payé définitivement et sans aucune réserve le prélèvement dû conformément à la présente ordonnance.
Les dispositions des alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables aux coauteurs et complices qui n'ont pas déposé une déclaration-régularisation.
Les dispositions visées aux alinéas 1er à 3, ne portent pas atteinte aux droits de tiers.
§ 2. Pour toutes les infractions, autres que celles définies dans le paragraphe 1er, les personnes visées au paragraphe 1er peuvent toujours faire l'objet de poursuites pénales.
Les personnes qui se sont rendues coupables des infractions définies aux articles 193 à 197, 489 à 490bis, 491 et 492bis du Code pénal, des infractions définies à l'article 16 de la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité des entreprises, des infractions définies à l'article 12 de l'arrêté royal du 5 octobre 2006 portant certaines mesures relatives au contrôle du transport transfrontalier d'argent liquide, des infractions aux différentes dispositions pénales du Code des sociétés, et qui ont été commises en vue de commettre ou de faciliter les infractions définies au paragraphe 1er ou qui résultent des infractions définies au paragraphe 1er, restent pour ces infractions exonérées de sanction, si elles n'ont pas fait l'objet avant la date de l'introduction de la déclaration-régularisation conformément aux dispositions de la présente ordonnance ainsi qu'à celles de l'accord de coopération du 20 février 2017, d'une information ou d'une instruction judiciaire du chef de ces infractions, si elles ont effectué une déclaration-régularisation dans les conditions de la présente ordonnance ainsi que de celles de l'accord de coopération du 20 février 2017 et si elles ont payé définitivement et sans aucune réserve le prélèvement dû conformément à la présente ordonnance.
Les dispositions des alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables aux coauteurs et complices qui n'ont pas déposé une déclaration-régularisation.
Les dispositions visées aux alinéas 1er à 3, ne portent pas atteinte aux droits de tiers.
HOOFDSTUK IV. - Aanpassing van de fiscale wetboeken ter bestrijding van misbruik en fiscale fraude
CHAPITRE IV. . - Adaptation des codes fiscaux en vue de lutter contre les abus et les fraudes fiscales
Afdeling 1. - Wijzigingen aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
Section 1re. - Modifications au Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe
Art. 10. Artikel 206 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, vervangen door de wet van 10 februari 1981, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1986, bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, bij de wet van 27 december 2006 en bij de wet van 20 september 2012, wordt aangevuld met een derde lid dat luidt als volgt :
" Wanneer de overtreding werd begaan in het kader van een registratierecht dat een gewestelijke belasting is in de zin van artikel 3, eerste lid, 6° tot 8° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, wordt het bedrag van het in het eerste lid bepaalde maximum van de boete gebracht op 500.000 euro in geval van overtreding van de regels voor deze belastingen met uitzondering van die met betrekking tot de procedureregels. ".
" Wanneer de overtreding werd begaan in het kader van een registratierecht dat een gewestelijke belasting is in de zin van artikel 3, eerste lid, 6° tot 8° van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, wordt het bedrag van het in het eerste lid bepaalde maximum van de boete gebracht op 500.000 euro in geval van overtreding van de regels voor deze belastingen met uitzondering van die met betrekking tot de procedureregels. ".
Art. 10. L'article 206 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, remplacé par la loi du 10 février 1981, modifiée par la loi du 4 août 1986, par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, par l'arrêté royal du 13 juillet 2001, par la loi du 27 décembre 2006 et par la loi du 20 septembre 2012, est complété par un alinéa 3 rédigé comme suit :
" Lorsque l'infraction est commise dans le cadre d'un droit d'enregistrement qui est un impôt régional au sens de l'article 3, alinéa 1er, 6° à 8°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, le montant du maximum de l'amende fixé à l'alinéa 1er est porté à 500.000 euros en cas de contravention aux règles régissant ces impôts, à l'exception de celles relatives aux règles de procédure. ".
" Lorsque l'infraction est commise dans le cadre d'un droit d'enregistrement qui est un impôt régional au sens de l'article 3, alinéa 1er, 6° à 8°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, le montant du maximum de l'amende fixé à l'alinéa 1er est porté à 500.000 euros en cas de contravention aux règles régissant ces impôts, à l'exception de celles relatives aux règles de procédure. ".
Art. 11. Artikel 206bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1981, en in laatste instantie gewijzigd door de wet van 4 augustus 1986, wordt aangevuld met een vierde lid dat luidt als volgt :
" Wanneer de overtreding werd begaan in het kader van een registratierecht dat een gewestelijke belasting is in de zin van artikel 3, eerste lid, 6° tot 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, wordt het bedrag van het in het eerste en het tweede lid bepaalde maximum van de boete gebracht op 500.000 euro in geval van overtreding van de regels voor deze belastingen met uitzondering van die met betrekking tot de procedureregels. ".
" Wanneer de overtreding werd begaan in het kader van een registratierecht dat een gewestelijke belasting is in de zin van artikel 3, eerste lid, 6° tot 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, wordt het bedrag van het in het eerste en het tweede lid bepaalde maximum van de boete gebracht op 500.000 euro in geval van overtreding van de regels voor deze belastingen met uitzondering van die met betrekking tot de procedureregels. ".
Art. 11. L'article 206bis du même Code, inséré par la loi du 10 février 1981, et modifié en dernier lieu par la loi du 4 août 1986, est complété par un alinéa 4 rédigé comme suit :
" Lorsque l'infraction est commise dans le cadre d'un droit d'enregistrement qui est un impôt régional au sens de l'article 3, alinéa 1er, 6° à 8°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, le montant du maximum de l'amende fixé aux alinéas 1er et 2 est porté à 500.000 euros en cas de contravention aux règles régissant ces impôts, à l'exception de celles relatives aux règles de procédure. ".
" Lorsque l'infraction est commise dans le cadre d'un droit d'enregistrement qui est un impôt régional au sens de l'article 3, alinéa 1er, 6° à 8°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, le montant du maximum de l'amende fixé aux alinéas 1er et 2 est porté à 500.000 euros en cas de contravention aux règles régissant ces impôts, à l'exception de celles relatives aux règles de procédure. ".
Art. 12. Artikel 207bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1981, en in laatste instantie gewijzigd door de wet van 4 augustus 1986, wordt aangevuld met een derde lid dat luidt als volgt :
" Wanneer het verbod werd geschonden in het kader van een registratierecht dat een gewestelijke belasting is in de zin van artikel 3, eerste lid, 6° tot 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, wordt het bedrag van het in het eerste lid bepaalde maximum van de boete gebracht op 500.000 euro in geval van overtreding van de verboden in het kader van deze belastingen met uitzondering van die met betrekking tot de procedureregels. ".
" Wanneer het verbod werd geschonden in het kader van een registratierecht dat een gewestelijke belasting is in de zin van artikel 3, eerste lid, 6° tot 8°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, wordt het bedrag van het in het eerste lid bepaalde maximum van de boete gebracht op 500.000 euro in geval van overtreding van de verboden in het kader van deze belastingen met uitzondering van die met betrekking tot de procedureregels. ".
Art. 12. L'article 207bis du même Code, inséré par la loi du 10 février 1981, et modifié en dernier lieu par la loi du 4 août 1986, est complété par un alinéa 3 rédigé comme suit :
" Lorsque l'interdiction est enfreinte dans le cadre d'un droit d'enregistrement qui est un impôt régional au sens de l'article 3, alinéa 1er, 6° à 8° de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, le montant du maximum de l'amende fixé à l'alinéa 1er est porté à 500.000 euros en cas d'infraction aux interdictions dans le cadre de ces impôts, à l'exception de celles relatives aux règles de procédure. ".
" Lorsque l'interdiction est enfreinte dans le cadre d'un droit d'enregistrement qui est un impôt régional au sens de l'article 3, alinéa 1er, 6° à 8° de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions, le montant du maximum de l'amende fixé à l'alinéa 1er est porté à 500.000 euros en cas d'infraction aux interdictions dans le cadre de ces impôts, à l'exception de celles relatives aux règles de procédure. ".
Afdeling 2. - Wijzigingen aan het Wetboek der successierechten
Section 2. - Modifications au Code des droits de succession
Art. 13. Artikel 5 van het Wetboek der successierechten wordt vervangen door hetgeen volgt :
" Art. 5. De langstlevende echtgenoot, aan wie een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen toekent, wordt voor de heffing der rechten van successie en van overgang bij overlijden, gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, bij gebrek aan een afwijking van de gelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder levenden of een bepaling wegens overlijden geheel of gedeeltelijk verkrijgt. ".
" Art. 5. De langstlevende echtgenoot, aan wie een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen toekent, wordt voor de heffing der rechten van successie en van overgang bij overlijden, gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, bij gebrek aan een afwijking van de gelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder levenden of een bepaling wegens overlijden geheel of gedeeltelijk verkrijgt. ".
Art. 13. L'article 5 du Code des droits de succession est remplacé par ce qui suit :
" Art. 5. L'époux survivant, auquel une convention de mariage non sujette aux règles relatives aux donations attribue plus que la moitié du patrimoine commun, est assimilé, pour la perception des droits de succession et de mutation par décès, à l'époux survivant qui, en l'absence d'une dérogation au partage égal du patrimoine commun, recueille, en tout ou en partie, la portion de l'autre époux, en vertu d'une donation entre vifs ou d'une disposition à cause de mort. ".
" Art. 5. L'époux survivant, auquel une convention de mariage non sujette aux règles relatives aux donations attribue plus que la moitié du patrimoine commun, est assimilé, pour la perception des droits de succession et de mutation par décès, à l'époux survivant qui, en l'absence d'une dérogation au partage égal du patrimoine commun, recueille, en tout ou en partie, la portion de l'autre époux, en vertu d'une donation entre vifs ou d'une disposition à cause de mort. ".
Art. 14. In artikel 133 van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 10 februari 1981, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1986, bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1. het bedrag " 12.500 " wordt vervangen door het bedrag " 500.000 " ;
2. het wordt aangevuld met een tweede lid dat luidt als volgt :
" In afwijking van het eerste lid bedraagt de maximale boete voor het overtreden van de bepalingen met betrekking tot de proceduregels 12.500 euro. ".
1. het bedrag " 12.500 " wordt vervangen door het bedrag " 500.000 " ;
2. het wordt aangevuld met een tweede lid dat luidt als volgt :
" In afwijking van het eerste lid bedraagt de maximale boete voor het overtreden van de bepalingen met betrekking tot de proceduregels 12.500 euro. ".
Art. 14. Dans l'article 133 du même Code, remplacé par la loi du 10 février 1981, modifié par la loi du 4 août 1986, par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, ainsi que par l'arrêté royal du 13 juillet 2001, les modifications suivantes sont apportées :
1. le nombre " 12.500 " est remplacé par le nombre " 500.000 " ;
2. il est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, l'amende maximale pour la contravention aux dispositions relatives aux règles de procédure est de 12.500 euros. ".
1. le nombre " 12.500 " est remplacé par le nombre " 500.000 " ;
2. il est complété par un alinéa 2 rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, l'amende maximale pour la contravention aux dispositions relatives aux règles de procédure est de 12.500 euros. ".
Art. 15. In artikel 133bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1981, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1986, bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000 en bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1. in het eerste lid wordt het bedrag " 12.500 " vervangen door het bedrag " 500.000 " ;
2. het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin : " In het geval dat dit valse getuigschrift afgegeven werd of gebruikt werd in het kader van een inbreuk op een procedureregel, wordt het maximum van de boete vastgesteld op 12.500 euro. " ;
3. in het tweede lid wordt het bedrag " 12.500 " vervangen door het bedrag " 500.000 " ;
4. het tweede lid wordt aangevuld met de volgende zin : " In het geval dat dit valse getuigschrift afgegeven werd of gebruikt werd in het kader van een inbreuk op een procedureregel, wordt het maximum van de boete vastgesteld op 12.500 euro. ".
1. in het eerste lid wordt het bedrag " 12.500 " vervangen door het bedrag " 500.000 " ;
2. het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin : " In het geval dat dit valse getuigschrift afgegeven werd of gebruikt werd in het kader van een inbreuk op een procedureregel, wordt het maximum van de boete vastgesteld op 12.500 euro. " ;
3. in het tweede lid wordt het bedrag " 12.500 " vervangen door het bedrag " 500.000 " ;
4. het tweede lid wordt aangevuld met de volgende zin : " In het geval dat dit valse getuigschrift afgegeven werd of gebruikt werd in het kader van een inbreuk op een procedureregel, wordt het maximum van de boete vastgesteld op 12.500 euro. ".
Art. 15. Dans l'article 133bis du même Code, inséré par la loi du 10 février 1981, modifié par la loi du 4 août 1986, par l'arrêté royal du 20 juillet 2000 et par l'arrêté royal du 13 juillet 2001, les modifications suivantes sont apportées :
1. dans l'alinéa 1er, le nombre " 12.500 " est remplacé par le nombre " 500.000 " ;
2. l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante : " Dans le cas où ce faux certificat aura été établi ou utilisé dans le cadre d'une infraction à une règle de procédure, le maximum de l'amende est fixé à 12.500 euros. " ;
3. dans l'alinéa 2, le nombre " 12.500 " est remplacé par le nombre " 500.000 " ;
4. l'alinéa 2 est complété par la phrase suivante : " Dans le cas où ce faux certificat aura été établi ou utilisé dans le cadre d'une infraction à une règle de procédure, le maximum de l'amende est fixé à 12.500 euros. ".
1. dans l'alinéa 1er, le nombre " 12.500 " est remplacé par le nombre " 500.000 " ;
2. l'alinéa 1er est complété par la phrase suivante : " Dans le cas où ce faux certificat aura été établi ou utilisé dans le cadre d'une infraction à une règle de procédure, le maximum de l'amende est fixé à 12.500 euros. " ;
3. dans l'alinéa 2, le nombre " 12.500 " est remplacé par le nombre " 500.000 " ;
4. l'alinéa 2 est complété par la phrase suivante : " Dans le cas où ce faux certificat aura été établi ou utilisé dans le cadre d'une infraction à une règle de procédure, le maximum de l'amende est fixé à 12.500 euros. ".
Art. 16. In artikel 133quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 10 februari 1981, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1986, bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000 alsook bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1. het bedrag " 12.500 " wordt vervangen door het bedrag " 500.000 " ;
2. het enige lid wordt aangevuld als volgt : " In het geval dat het verbod of de sluiting was uitgesproken in het kader van een inbreuk op een proceduregel, wordt het maximum van de boete vastgesteld op 12.500 euro. ".
1. het bedrag " 12.500 " wordt vervangen door het bedrag " 500.000 " ;
2. het enige lid wordt aangevuld als volgt : " In het geval dat het verbod of de sluiting was uitgesproken in het kader van een inbreuk op een proceduregel, wordt het maximum van de boete vastgesteld op 12.500 euro. ".
Art. 16. Dans l'article 133quater du même Code, inséré par la loi du 10 février 1981, modifié par la loi du 4 août 1986, par l'arrêté royal du 20 juillet 2000 ainsi que par l'arrêté royal du 13 juillet 2001, les modifications suivantes sont apportées :
1. le nombre " 12.500 " est remplacé par le nombre " 500.000 " ;
2. l'alinéa unique est complété comme suit : " Dans le cas où l'interdiction ou la fermeture aura été prononcée dans le cadre d'une infraction à une règle de procédure, le maximum de l'amende est fixé à 12.500 euros. ".
1. le nombre " 12.500 " est remplacé par le nombre " 500.000 " ;
2. l'alinéa unique est complété comme suit : " Dans le cas où l'interdiction ou la fermeture aura été prononcée dans le cadre d'une infraction à une règle de procédure, le maximum de l'amende est fixé à 12.500 euros. ".
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
Section 3. - Entrée en vigueur
Art. 17. Deze ordonnantie treedt in werking op 1 juli 2017 behalve voor :
1. de hoofdstukken I en II die in werking treden op de dag die volgt op de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de laatste wetgevende handeling tot instemming met het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017 tussen de Federale Overheid, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest over het beheer van de dienst met betrekking tot de regularisatie van de regionale belastingen en de niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen ;
2. artikel 13 dat van toepassing is op alle aangiften van nalatenschap ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van de onderhavige ordonnantie en alleen voor de beoogde huwelijksovereenkomsten afgesloten of gewijzigd vanaf 1 juli.
1. de hoofdstukken I en II die in werking treden op de dag die volgt op de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de laatste wetgevende handeling tot instemming met het samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017 tussen de Federale Overheid, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest over het beheer van de dienst met betrekking tot de regularisatie van de regionale belastingen en de niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen ;
2. artikel 13 dat van toepassing is op alle aangiften van nalatenschap ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van de onderhavige ordonnantie en alleen voor de beoogde huwelijksovereenkomsten afgesloten of gewijzigd vanaf 1 juli.
Art. 17. La présente ordonnance entre en vigueur le 1er juillet 2017, sauf pour :
1. les chapitres Ier et II, qui entrent en vigueur le jour qui suit la publication au Moniteur belge du dernier acte législatif d'assentiment à l'accord de coopération du 20 février 2017 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à la gestion du service pour la régularisation des impôts régionaux et des capitaux fiscalement prescrits non scindés ;
2. l'article 13, qui est applicable à toutes les déclarations de succession déposées à partir de l'entrée en vigueur de la présente ordonnance et seulement pour les conventions de mariage visées contractées ou modifiées à partir du 1er juillet 2014.
1. les chapitres Ier et II, qui entrent en vigueur le jour qui suit la publication au Moniteur belge du dernier acte législatif d'assentiment à l'accord de coopération du 20 février 2017 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à la gestion du service pour la régularisation des impôts régionaux et des capitaux fiscalement prescrits non scindés ;
2. l'article 13, qui est applicable à toutes les déclarations de succession déposées à partir de l'entrée en vigueur de la présente ordonnance et seulement pour les conventions de mariage visées contractées ou modifiées à partir du 1er juillet 2014.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Samenwerkingsakkoord van 20 februari 2017 tussen de Federale Overheid, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot het beheer van de dienst voor de regularisatie van gewestelijke belastingen en niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen en de oprichting van een regularisatiesysteem van niet uitsplitsbare fiscaal verjaarde kapitalen.
(NOTA : voor het samenwerkingsakkoord, zie 2017-02-20/21)
(NOTA : voor het samenwerkingsakkoord, zie 2017-02-20/21)
Art. N. Accord de coopération du 20 février 2017 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à la gestion du service pour la régularisation des impôts régionaux et des capitaux fiscalement prescrits non scindés et à la mise en place d'un système de régularisation des capitaux fiscalement prescrits non scindés.
(NOTE : pour l'Accord de coopération, voir 2017-02-20/21)
(NOTE : pour l'Accord de coopération, voir 2017-02-20/21)