Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
9 DECEMBER 2016. - Decreet houdende wijziging van diverse decreten, wat de optimalisatie van de organisatie en de rechtspleging van de Vlaamse bestuursrechtcolleges betreft
Titre
9 DECEMBRE 2016. - Décret modifiant divers décrets, en ce qui concerne l'optimisation de l'organisation et de la procédure des juridictions administratives flamandes
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (29)
Texte (29)
HOOFDSTUK 1. Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition préliminaire
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret rÚgle une matiÚre communautaire et régionale.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges
CHAPITRE 2. - Modifications du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes
Art. 2. In artikel 6 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De functie van beheerder, hoofd van het coördinatiebureau, hoofdgriffier, griffier, griffiemedewerker, coördinatiejurist en referendaris wordt opgenomen door personeelsleden van de dienst van de Bestuursrechtscolleges.".
  "De functie van beheerder, hoofd van het coördinatiebureau, hoofdgriffier, griffier, griffiemedewerker, coördinatiejurist en referendaris wordt opgenomen door personeelsleden van de dienst van de Bestuursrechtscolleges.".
Art. 2. Dans l'article 6 du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " La fonction de gestionnaire, de chef du bureau de coordination, de greffier en chef, de greffier, de collaborateur du greffe, de juriste de coordination et de référendaire est assumée par des membres du personnel du service des Juridictions administratives. ".
  " La fonction de gestionnaire, de chef du bureau de coordination, de greffier en chef, de greffier, de collaborateur du greffe, de juriste de coordination et de référendaire est assumée par des membres du personnel du service des Juridictions administratives. ".
Art. 3. In artikel 7, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt tussen de woorden "De hoofdgriffier" en de woorden "en de beheerder" de zinsnede ", het hoofd van het coördinatiebureau" ingevoegd.
Art. 3. Dans l'article 7, alinĂ©a 1er, du mĂȘme dĂ©cret, le membre de phrase " , le chef du bureau de coordination " est insĂ©rĂ© entre les mots " Le greffier en chef " et les mots " et le gestionnaire ".
Art. 4. In artikel 9 van hetzelfde decreet wordt tussen het zesde en het zevende lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de opmaak, de inhoud en de timing van het beleidsplan en de evaluatie ervan in het werkingsverslag.".
  "De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de opmaak, de inhoud en de timing van het beleidsplan en de evaluatie ervan in het werkingsverslag.".
Art. 4. Dans l'article 9 du mĂȘme dĂ©cret, il est insĂ©rĂ© entre les alinĂ©as six et sept un nouvel alinĂ©a, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Le Gouvernement flamand peut arrĂȘter les modalitĂ©s relatives Ă l'Ă©laboration, au contenu et au calendrier du plan d'orientation et de son Ă©valuation dans le rapport d'activitĂ©. ".
  " Le Gouvernement flamand peut arrĂȘter les modalitĂ©s relatives Ă l'Ă©laboration, au contenu et au calendrier du plan d'orientation et de son Ă©valuation dans le rapport d'activitĂ©. ".
Art. 5. In artikel 19 van hetzelfde decreet worden de woorden "vereenvoudigde procedure" vervangen door de woorden "verkorte procedure".
Art. 5. Dans l'article 19 du mĂȘme dĂ©cret, les mots " procĂ©dure simplifiĂ©e " sont remplacĂ©s par les mots " procĂ©dure abrĂ©gĂ©e ".
Art. 6. In artikel 20 van hetzelfde decreet wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen, die niet korter mogen zijn dan twintig dagen, behalve bij vervaltermijnen die betrekking hebben op de verzoeken tot tussenkomst in de vorderingen, ingesteld conform artikel 40, § 2.".
  "De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen, die niet korter mogen zijn dan twintig dagen, behalve bij vervaltermijnen die betrekking hebben op de verzoeken tot tussenkomst in de vorderingen, ingesteld conform artikel 40, § 2.".
Art. 6. Dans l'article 20 du mĂȘme dĂ©cret, l'alinĂ©a trois est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Le Gouvernement flamand arrĂȘte les Ă©chĂ©ances qui ne peuvent ĂȘtre infĂ©rieures Ă vingt jours, sauf en cas d'Ă©chĂ©ances qui ont trait aux demandes d'intervention dans les actions, introduites conformĂ©ment Ă l'article 40, § 2. ".
  " Le Gouvernement flamand arrĂȘte les Ă©chĂ©ances qui ne peuvent ĂȘtre infĂ©rieures Ă vingt jours, sauf en cas d'Ă©chĂ©ances qui ont trait aux demandes d'intervention dans les actions, introduites conformĂ©ment Ă l'article 40, § 2. ".
Art. 7. In artikel 21 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 200 euro.
  Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 of § 2, bedraagt 100 euro.
  Het rolrecht dat verschuldigd is per tussenkomende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot tussenkomst, bedraagt 100 euro per vordering waarin een verzoek tot tussenkomst is ingediend, ongeacht of de tussenkomst geldt voor een vordering tot vernietiging of voor een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 en § 2.";
  2° aan paragraaf 3, derde lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "De griffier vraagt deze bewijsstukken evenwel niet op in het geval het een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 2, betreft.";
  3° in paragraaf 5 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De griffier brengt, bij een vordering tot vernietiging en een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1, de verzoekende partij of de tussenkomende partij schriftelijk op de hoogte van het bedrag, verschuldigd conform paragraaf 1, of van de beslissing over de vrijstelling van de betaling van het rolrecht. De griffier vermeldt hierbij duidelijk de sanctie, zoals vermeld in paragraaf 6.";
  4° paragraaf 6 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 6. Bij een vordering tot schorsing, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, opgevraagd in de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag.
  Het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht, vermeld in het eerste lid, wordt overgelegd op de zitting waarop de vordering, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt behandeld.
  Als het rolrecht niet binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de dag na de betekening van de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag is betaald, is de proceshandeling waarop de kwijting betrekking heeft, niet ontvankelijk.
  Als de verzoekende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, worden de schorsing en de voorlopige maatregelen, die zouden zijn bevolen, conform artikel 40, § 2, en artikel 41, opgeheven conform de procedure, vermeld in artikel 40, § 13.
  Als de tussenkomende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, kan ze geen voortzetting vragen van de rechtspleging.
  De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd.";
  5° er wordt een paragraaf 7 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 7. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op verzoek van een partij, een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die ten gronde in het gelijk wordt gesteld.
  De Vlaamse Regering bepaalt de basisbedragen en de minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding.
  De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op gemotiveerde wijze, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Vlaamse Regering bepaalde minimum- en maximumbedragen te overschrijden. In zijn beoordeling houdt hij rekening met:
  1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;
  2° de complexiteit van de zaak;
  3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.
  Als de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het minimumbedrag bepaald door de Vlaamse Regering, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. In dat geval omkleedt de Raad voor Vergunningsbetwistingen zijn beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.
  Als meer partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van een of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, is het bedrag ervan maximaal het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Ze wordt door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tussen de partijen verdeeld.
  De tussenkomende partijen kunnen niet worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of die vergoeding genieten.
  Geen partij kan worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of die vergoeding genieten, als de procedure, vermeld in artikel 42, leidt tot een bekrachtigd bemiddelingsakkoord.''.
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 200 euro.
  Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 of § 2, bedraagt 100 euro.
  Het rolrecht dat verschuldigd is per tussenkomende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot tussenkomst, bedraagt 100 euro per vordering waarin een verzoek tot tussenkomst is ingediend, ongeacht of de tussenkomst geldt voor een vordering tot vernietiging of voor een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1 en § 2.";
  2° aan paragraaf 3, derde lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "De griffier vraagt deze bewijsstukken evenwel niet op in het geval het een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 2, betreft.";
  3° in paragraaf 5 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De griffier brengt, bij een vordering tot vernietiging en een vordering tot schorsing, ingediend conform artikel 40, § 1, de verzoekende partij of de tussenkomende partij schriftelijk op de hoogte van het bedrag, verschuldigd conform paragraaf 1, of van de beslissing over de vrijstelling van de betaling van het rolrecht. De griffier vermeldt hierbij duidelijk de sanctie, zoals vermeld in paragraaf 6.";
  4° paragraaf 6 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 6. Bij een vordering tot schorsing, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, opgevraagd in de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag.
  Het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht, vermeld in het eerste lid, wordt overgelegd op de zitting waarop de vordering, ingesteld conform artikel 40, § 2, wordt behandeld.
  Als het rolrecht niet binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de dag na de betekening van de beschikking of het arrest tot bepaling van de rechtsdag is betaald, is de proceshandeling waarop de kwijting betrekking heeft, niet ontvankelijk.
  Als de verzoekende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, worden de schorsing en de voorlopige maatregelen, die zouden zijn bevolen, conform artikel 40, § 2, en artikel 41, opgeheven conform de procedure, vermeld in artikel 40, § 13.
  Als de tussenkomende partij het rolrecht, verschuldigd conform paragraaf 1, niet tijdig heeft betaald, kan ze geen voortzetting vragen van de rechtspleging.
  De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd.";
  5° er wordt een paragraaf 7 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 7. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op verzoek van een partij, een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die ten gronde in het gelijk wordt gesteld.
  De Vlaamse Regering bepaalt de basisbedragen en de minimum- en maximumbedragen van de rechtsplegingsvergoeding.
  De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan, op gemotiveerde wijze, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Vlaamse Regering bepaalde minimum- en maximumbedragen te overschrijden. In zijn beoordeling houdt hij rekening met:
  1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;
  2° de complexiteit van de zaak;
  3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.
  Als de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het minimumbedrag bepaald door de Vlaamse Regering, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. In dat geval omkleedt de Raad voor Vergunningsbetwistingen zijn beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.
  Als meer partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van een of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, is het bedrag ervan maximaal het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Ze wordt door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tussen de partijen verdeeld.
  De tussenkomende partijen kunnen niet worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of die vergoeding genieten.
  Geen partij kan worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of die vergoeding genieten, als de procedure, vermeld in artikel 42, leidt tot een bekrachtigd bemiddelingsakkoord.''.
Art. 7. A l'article 21 du mĂȘme dĂ©cret, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Le droit de mise au rĂŽle dĂ» par partie requĂ©rante lors de l'introduction d'une requĂȘte en annulation, s'Ă©lĂšve Ă 200 euros.
  Le droit de mise au rĂŽle dĂ» par partie requĂ©rante lors de l'introduction d'une requĂȘte en suspension, introduite conformĂ©ment Ă l'article 40, § 1er ou § 2, s'Ă©lĂšve Ă 100 euros.
  Le droit de mise au rĂŽle dĂ» par partie intervenante lors de l'introduction d'une requĂȘte en intervention, s'Ă©lĂšve Ă 100 euros par action dans laquelle une requĂȘte en intervention est introduite, que l'intervention s'applique Ă une demande d'annulation ou Ă une demande de suspension, introduite conformĂ©ment Ă l'article 40, § 1er et § 2. " ;
  2° le paragraphe 3, alinéa 3, est complété par la phrase suivante :
  " Le greffier ne demande toutefois pas ces piÚces justificatives en cas d'une demande de suspension, introduite conformément à l'article 40, § 2. " ;
  3° dans le paragraphe 5, l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
  " En cas d'une demande d'annulation et d'une demande de suspension, introduite conformément à l'article 40, § 1er, le greffier communique par écrit à la partie requérante ou à la partie intervenante le montant dû conformément au paragraphe 1er, ou la décision sur l'exemption du paiement du droit de mise au rÎle. Le greffier mentionne clairement la sanction, telle que visée au paragraphe 6. " ;
  4° le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit :
  " § 6. En cas d'une demande de suspension, instituĂ©e conformĂ©ment Ă l'article 40, § 2, le droit de mise au rĂŽle, dĂ» conformĂ©ment au paragraphe 1er, est rĂ©clamĂ© dans la dĂ©cision ou l'arrĂȘt fixant la date d'audience.
  La preuve qu'un ordre de virement a été donné ou qu'un versement a été effectué afin de payer le droit de mise au rÎle, visé à l'alinéa 1er, est présentée à la session à laquelle la demande, instituée conformément à l'article 40, § 2, est traitée.
  Si le droit de mise au rĂŽle n'est pas payĂ© dans le dĂ©lai de huit jours Ă partir du jour aprĂšs la signification de la dĂ©cision ou de l'arrĂȘt fixant la date d'audience, l'acte de procĂ©dure auquel la dĂ©charge se rapporte, n'est pas recevable.
  Si la partie requérante n'a pas payé à temps le droit de mise au rÎle, dû conformément au paragraphe 1er, la suspension et les mesures provisoires qui seraient commandées conformément à l'article 40, § 2, et l'article 41, sont abrogées conformément à la procédure, visée à l'article 40, § 13.
  Si la partie intervenante n'a pas payé à temps le droit de mise au rÎle, dû conformément au paragraphe 1er, elle ne peut pas demander la continuation de la procédure.
  Le paiement tardif ne peut ĂȘtre rĂ©gularisĂ©. " ;
  5° il est inséré un paragraphe 7, rédigé comme suit :
  " § 7. Le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut octroyer, à la demande d'une partie, une indemnité de procédure, qui est une intervention forfaitaire dans les frais et honoraires de l'avocat de la partie qui a succombé sur le fond.
  Le Gouvernement flamand arrĂȘte les montants de base et les montants minimaux et maximaux de l'indemnitĂ© de procĂ©dure.
  Le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut réduire ou augmenter l'indemnité de maniÚre motivée, sans toutefois dépasser les montants minimaux et maximaux fixés par le Gouvernement flamand. Dans son évaluation, il tient compte :
  1° de la capacité financiÚre de la partie succombante, pour réduire le montant de l'indemnité ;
  2° de la complexité de l'affaire ;
  3° du caractÚre manifestement déraisonnable de la situation.
  Si la partie succombante bĂ©nĂ©ficie de l'aide juridique de deuxiĂšme ligne, l'indemnitĂ© de procĂ©dure est fixĂ©e au montant minimal arrĂȘtĂ© par le Gouvernement flamand, sauf en cas d'une situation manifestement dĂ©raisonnable. Dans ce cas, le Conseil pour les Contestations des Autorisations motive sa dĂ©cision de rĂ©duction ou d'augmentation par des raisons spĂ©ciales.
  Si plusieurs parties bénéficient de l'indemnité de procédure à charge d'une ou de plusieurs parties succombantes, le montant de l'indemnité s'élÚve au maximum au double de l'indemnité de procédure maximale à laquelle le bénéficiaire qui a le droit d'exiger l'indemnité la plus élevée, peut prétendre. Elle est répartie parmi les parties par le Conseil pour les Contestations des Autorisations.
  Les parties intervenantes ne peuvent pas ĂȘtre tenues au paiement de l'indemnitĂ© de procĂ©dure ou bĂ©nĂ©ficier de cette indemnitĂ©.
  Aucune partie ne peut ĂȘtre tenue au paiement de l'indemnitĂ© de procĂ©dure ou bĂ©nĂ©ficier de cette indemnitĂ©, si la procĂ©dure visĂ©e Ă l'article 42, aboutit Ă un accord de mĂ©diation validĂ©. ".
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Le droit de mise au rĂŽle dĂ» par partie requĂ©rante lors de l'introduction d'une requĂȘte en annulation, s'Ă©lĂšve Ă 200 euros.
  Le droit de mise au rĂŽle dĂ» par partie requĂ©rante lors de l'introduction d'une requĂȘte en suspension, introduite conformĂ©ment Ă l'article 40, § 1er ou § 2, s'Ă©lĂšve Ă 100 euros.
  Le droit de mise au rĂŽle dĂ» par partie intervenante lors de l'introduction d'une requĂȘte en intervention, s'Ă©lĂšve Ă 100 euros par action dans laquelle une requĂȘte en intervention est introduite, que l'intervention s'applique Ă une demande d'annulation ou Ă une demande de suspension, introduite conformĂ©ment Ă l'article 40, § 1er et § 2. " ;
  2° le paragraphe 3, alinéa 3, est complété par la phrase suivante :
  " Le greffier ne demande toutefois pas ces piÚces justificatives en cas d'une demande de suspension, introduite conformément à l'article 40, § 2. " ;
  3° dans le paragraphe 5, l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
  " En cas d'une demande d'annulation et d'une demande de suspension, introduite conformément à l'article 40, § 1er, le greffier communique par écrit à la partie requérante ou à la partie intervenante le montant dû conformément au paragraphe 1er, ou la décision sur l'exemption du paiement du droit de mise au rÎle. Le greffier mentionne clairement la sanction, telle que visée au paragraphe 6. " ;
  4° le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit :
  " § 6. En cas d'une demande de suspension, instituĂ©e conformĂ©ment Ă l'article 40, § 2, le droit de mise au rĂŽle, dĂ» conformĂ©ment au paragraphe 1er, est rĂ©clamĂ© dans la dĂ©cision ou l'arrĂȘt fixant la date d'audience.
  La preuve qu'un ordre de virement a été donné ou qu'un versement a été effectué afin de payer le droit de mise au rÎle, visé à l'alinéa 1er, est présentée à la session à laquelle la demande, instituée conformément à l'article 40, § 2, est traitée.
  Si le droit de mise au rĂŽle n'est pas payĂ© dans le dĂ©lai de huit jours Ă partir du jour aprĂšs la signification de la dĂ©cision ou de l'arrĂȘt fixant la date d'audience, l'acte de procĂ©dure auquel la dĂ©charge se rapporte, n'est pas recevable.
  Si la partie requérante n'a pas payé à temps le droit de mise au rÎle, dû conformément au paragraphe 1er, la suspension et les mesures provisoires qui seraient commandées conformément à l'article 40, § 2, et l'article 41, sont abrogées conformément à la procédure, visée à l'article 40, § 13.
  Si la partie intervenante n'a pas payé à temps le droit de mise au rÎle, dû conformément au paragraphe 1er, elle ne peut pas demander la continuation de la procédure.
  Le paiement tardif ne peut ĂȘtre rĂ©gularisĂ©. " ;
  5° il est inséré un paragraphe 7, rédigé comme suit :
  " § 7. Le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut octroyer, à la demande d'une partie, une indemnité de procédure, qui est une intervention forfaitaire dans les frais et honoraires de l'avocat de la partie qui a succombé sur le fond.
  Le Gouvernement flamand arrĂȘte les montants de base et les montants minimaux et maximaux de l'indemnitĂ© de procĂ©dure.
  Le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut réduire ou augmenter l'indemnité de maniÚre motivée, sans toutefois dépasser les montants minimaux et maximaux fixés par le Gouvernement flamand. Dans son évaluation, il tient compte :
  1° de la capacité financiÚre de la partie succombante, pour réduire le montant de l'indemnité ;
  2° de la complexité de l'affaire ;
  3° du caractÚre manifestement déraisonnable de la situation.
  Si la partie succombante bĂ©nĂ©ficie de l'aide juridique de deuxiĂšme ligne, l'indemnitĂ© de procĂ©dure est fixĂ©e au montant minimal arrĂȘtĂ© par le Gouvernement flamand, sauf en cas d'une situation manifestement dĂ©raisonnable. Dans ce cas, le Conseil pour les Contestations des Autorisations motive sa dĂ©cision de rĂ©duction ou d'augmentation par des raisons spĂ©ciales.
  Si plusieurs parties bénéficient de l'indemnité de procédure à charge d'une ou de plusieurs parties succombantes, le montant de l'indemnité s'élÚve au maximum au double de l'indemnité de procédure maximale à laquelle le bénéficiaire qui a le droit d'exiger l'indemnité la plus élevée, peut prétendre. Elle est répartie parmi les parties par le Conseil pour les Contestations des Autorisations.
  Les parties intervenantes ne peuvent pas ĂȘtre tenues au paiement de l'indemnitĂ© de procĂ©dure ou bĂ©nĂ©ficier de cette indemnitĂ©.
  Aucune partie ne peut ĂȘtre tenue au paiement de l'indemnitĂ© de procĂ©dure ou bĂ©nĂ©ficier de cette indemnitĂ©, si la procĂ©dure visĂ©e Ă l'article 42, aboutit Ă un accord de mĂ©diation validĂ©. ".
Art. 8. Aan hoofdstuk 3 van hetzelfde decreet wordt een afdeling 5 toegevoegd, die luidt als volgt:
  "Afdeling 5. Bepalingen die van toepassing zijn op het Milieuhandhavingscollege".
  "Afdeling 5. Bepalingen die van toepassing zijn op het Milieuhandhavingscollege".
Art. 8. Le chapitre 3 du mĂȘme dĂ©cret est complĂ©tĂ© par une section 5, rĂ©digĂ©e comme suit :
  " Section 5. Dispositions applicables à la Cour environnementale de la Région flamande ".
  " Section 5. Dispositions applicables à la Cour environnementale de la Région flamande ".
Art. 9. In hetzelfde decreet wordt aan afdeling 5, toegevoegd bij artikel 8, een artikel 31/1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 31/1. § 1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 100 euro.
  § 2. De verzoekende partij die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.
  De verzoekende partij richt daarvoor een verzoek aan het Milieuhandhavingscollege, gelijktijdig met de indiening van haar verzoekschrift.
  Als de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, ontbreken, vraagt de griffier die bij beveiligde zending op bij de verzoekende partij.
  De bewijsstukken worden bezorgd binnen een termijn van acht dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het derde lid.
  Als de bewijsstukken niet worden bezorgd binnen de termijn, vermeld in het vierde lid, wordt de verzoekende partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht.
  De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand.
  § 3. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel keer het recht als er verzoekende partijen zijn.
  § 4. De griffier brengt de verzoekende partij bij beveiligde zending op de hoogte van het bedrag, verschuldigd conform paragraaf 1, of van de beslissing over de vrijstelling van de betaling van het rolrecht. De griffier vermeldt hierbij duidelijk de sanctie, zoals vermeld in het derde lid.
  Het bedrag wordt gestort binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid.
  Als het bedrag niet binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, is gestort door de verzoekende partij, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
  De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd.".
  "Art. 31/1. § 1. Het rolrecht dat verschuldigd is per verzoekende partij bij de indiening van een verzoekschrift tot vernietiging, bedraagt 100 euro.
  § 2. De verzoekende partij die aantoont dat haar inkomsten ontoereikend zijn, is vrijgesteld van de betaling van enig rolrecht.
  De verzoekende partij richt daarvoor een verzoek aan het Milieuhandhavingscollege, gelijktijdig met de indiening van haar verzoekschrift.
  Als de bewijsstukken, vermeld in het eerste lid, ontbreken, vraagt de griffier die bij beveiligde zending op bij de verzoekende partij.
  De bewijsstukken worden bezorgd binnen een termijn van acht dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het derde lid.
  Als de bewijsstukken niet worden bezorgd binnen de termijn, vermeld in het vierde lid, wordt de verzoekende partij geacht afstand te doen van haar vraag tot vrijstelling van het rolrecht.
  De ontoereikendheid van de inkomsten wordt beoordeeld conform het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand.
  § 3. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel keer het recht als er verzoekende partijen zijn.
  § 4. De griffier brengt de verzoekende partij bij beveiligde zending op de hoogte van het bedrag, verschuldigd conform paragraaf 1, of van de beslissing over de vrijstelling van de betaling van het rolrecht. De griffier vermeldt hierbij duidelijk de sanctie, zoals vermeld in het derde lid.
  Het bedrag wordt gestort binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de betekening van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid.
  Als het bedrag niet binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, is gestort door de verzoekende partij, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
  De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd.".
Art. 9. Dans le mĂȘme dĂ©cret, la section 5, insĂ©rĂ©e par l'article 8, est complĂ©tĂ©e par un article 31/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 31/1. § 1er. Le droit de mise au rĂŽle dĂ» par partie requĂ©rante lors de l'introduction d'une requĂȘte en annulation, s'Ă©lĂšve Ă 100 euros.
  § 2. La partie requérante qui démontre que ses revenus sont insuffisants, est exemptée du paiement de quelconque droit de mise au rÎle.
  La partie requĂ©rante adresse Ă cet effet une demande Ă la Cour environnementale de la RĂ©gion flamande, simultanĂ©ment avec l'introduction de sa requĂȘte.
  Si les piÚces justificatives, visées à l'alinéa 1er, font défaut, le greffier les demande par envoi sécurisé à la partie requérante.
  Les piÚces justificatives sont transmises dans un délai de huit jours qui prend cours le jour suivant celui de la notification de l'envoi sécurisé, visée à l'alinéa trois.
  Si les piÚces justificatives ne sont pas transmises dans le délai, visé à l'alinéa 4, la partie requérante est censée renoncer à sa demande d'exemption du droit de mise au rÎle.
  L'insuffisance des revenus est jugĂ©e conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 18 dĂ©cembre 2003 dĂ©terminant les conditions de la gratuitĂ© totale ou partielle du bĂ©nĂ©fice de l'aide juridique de deuxiĂšme ligne et de l'assistance judiciaire.
  § 3. Des requĂȘtes collectives donnent lieu au paiement d'autant de fois le droit qu'il y a des parties requĂ©rantes.
  § 4. Le greffier communique par envoi sécurisé à la partie requérante le montant, dû conformément au paragraphe 1er, ou la décision sur l'exemption du paiement du droit de mise au rÎle. Le greffier mentionne clairement la sanction, telle que visée à l'alinéa 3.
  Le montant est versé dans un délai de quinze jours qui prend cours le jour suivant celui de la notification de l'envoi sécurisé, visée à l'alinéa premier.
  Si le montant n'est pas versé par la partie requérante dans le délai, visé à l'alinéa deux, le recours est déclaré irrecevable.
  Le paiement tardif ne peut ĂȘtre rĂ©gularisĂ©. ".
  " Art. 31/1. § 1er. Le droit de mise au rĂŽle dĂ» par partie requĂ©rante lors de l'introduction d'une requĂȘte en annulation, s'Ă©lĂšve Ă 100 euros.
  § 2. La partie requérante qui démontre que ses revenus sont insuffisants, est exemptée du paiement de quelconque droit de mise au rÎle.
  La partie requĂ©rante adresse Ă cet effet une demande Ă la Cour environnementale de la RĂ©gion flamande, simultanĂ©ment avec l'introduction de sa requĂȘte.
  Si les piÚces justificatives, visées à l'alinéa 1er, font défaut, le greffier les demande par envoi sécurisé à la partie requérante.
  Les piÚces justificatives sont transmises dans un délai de huit jours qui prend cours le jour suivant celui de la notification de l'envoi sécurisé, visée à l'alinéa trois.
  Si les piÚces justificatives ne sont pas transmises dans le délai, visé à l'alinéa 4, la partie requérante est censée renoncer à sa demande d'exemption du droit de mise au rÎle.
  L'insuffisance des revenus est jugĂ©e conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 18 dĂ©cembre 2003 dĂ©terminant les conditions de la gratuitĂ© totale ou partielle du bĂ©nĂ©fice de l'aide juridique de deuxiĂšme ligne et de l'assistance judiciaire.
  § 3. Des requĂȘtes collectives donnent lieu au paiement d'autant de fois le droit qu'il y a des parties requĂ©rantes.
  § 4. Le greffier communique par envoi sécurisé à la partie requérante le montant, dû conformément au paragraphe 1er, ou la décision sur l'exemption du paiement du droit de mise au rÎle. Le greffier mentionne clairement la sanction, telle que visée à l'alinéa 3.
  Le montant est versé dans un délai de quinze jours qui prend cours le jour suivant celui de la notification de l'envoi sécurisé, visée à l'alinéa premier.
  Si le montant n'est pas versé par la partie requérante dans le délai, visé à l'alinéa deux, le recours est déclaré irrecevable.
  Le paiement tardif ne peut ĂȘtre rĂ©gularisĂ©. ".
Art. 10. In artikel 33 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het tweede lid wordt opgeheven;
  2° het bestaande vijfde lid, dat het vierde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
  "Wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, omvatten de kosten ook het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in artikel 21, alsook de kosten, vermeld in artikel 42, § 5.";
  3° er wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Wat het Milieuhandhavingscollege betreft, omvatten de kosten ook het rolrecht, vermeld in artikel 31/1.".
  1° het tweede lid wordt opgeheven;
  2° het bestaande vijfde lid, dat het vierde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
  "Wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft, omvatten de kosten ook het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in artikel 21, alsook de kosten, vermeld in artikel 42, § 5.";
  3° er wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Wat het Milieuhandhavingscollege betreft, omvatten de kosten ook het rolrecht, vermeld in artikel 31/1.".
Art. 10. A l'article 33 du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par le dĂ©cret du 3 juillet 2015, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° l'alinéa deux est abrogé ;
  2° l'alinéa cinq existant, qui devient l'alinéa quatre, est remplacé par ce qui suit :
  " En ce qui concerne le Conseil pour les Contestations des Autorisations, les frais comprennent également le droit de mise au rÎle et l'indemnité de procédure, visés à l'article 21, ainsi que les frais, visés à l'article 42, § 5. " ;
  3° il est ajouté un alinéa, rédigé comme suit :
  " En ce qui concerne la Cour environnementale de la Région flamande, les frais comprennent également le droit de mise au rÎle, visé à l'article 31/1. ".
  1° l'alinéa deux est abrogé ;
  2° l'alinéa cinq existant, qui devient l'alinéa quatre, est remplacé par ce qui suit :
  " En ce qui concerne le Conseil pour les Contestations des Autorisations, les frais comprennent également le droit de mise au rÎle et l'indemnité de procédure, visés à l'article 21, ainsi que les frais, visés à l'article 42, § 5. " ;
  3° il est ajouté un alinéa, rédigé comme suit :
  " En ce qui concerne la Cour environnementale de la Région flamande, les frais comprennent également le droit de mise au rÎle, visé à l'article 31/1. ".
Art. 11. Aan artikel 35 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 3 juli 2015, worden een tweede en derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "In zijn arrest beslecht een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), alle aangevoerde middelen, waarvan het oordeelt dat de beoordeling nuttig kan zijn in geval van een nieuwe beslissing of een andere handeling van het bestuur.
  Een onwettigheid geeft alleen aanleiding tot een vernietiging, als de partij die ze aanvoert, wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid.".
  "In zijn arrest beslecht een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), alle aangevoerde middelen, waarvan het oordeelt dat de beoordeling nuttig kan zijn in geval van een nieuwe beslissing of een andere handeling van het bestuur.
  Een onwettigheid geeft alleen aanleiding tot een vernietiging, als de partij die ze aanvoert, wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid.".
Art. 11. L'article 35 du mĂȘme dĂ©cret, modifiĂ© par le dĂ©cret du 3 juillet 2015, est complĂ©tĂ© par un alinĂ©a 2 et un alinĂ©a 3, rĂ©digĂ©s comme suit :
  " Dans son arrĂȘt, une juridiction administrative flamande telle que visĂ©e Ă l'article 2, 1°, a) et b), statue sur tous les moyens apportĂ©s dont elle juge que l'Ă©valuation peut ĂȘtre utile en cas d'une nouvelle dĂ©cision ou d'un autre acte de l'administration.
  Une illégalité aboutit uniquement à une annulation si la partie qui l'avance, est lésée par l'illégalité invoquée. ".
  " Dans son arrĂȘt, une juridiction administrative flamande telle que visĂ©e Ă l'article 2, 1°, a) et b), statue sur tous les moyens apportĂ©s dont elle juge que l'Ă©valuation peut ĂȘtre utile en cas d'une nouvelle dĂ©cision ou d'un autre acte de l'administration.
  Une illégalité aboutit uniquement à une annulation si la partie qui l'avance, est lésée par l'illégalité invoquée. ".
Art. 12. Artikel 37 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 37. § 1. Na gehele of gedeeltelijke vernietiging kan een Vlaams bestuurs-rechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), de verwerende partij bevelen om met inachtneming van de overwegingen die opgenomen zijn in zijn uitspraak een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen. Het kan daarbij de volgende voorwaarden opleggen:
  1° welbepaalde rechtsregels of rechtsbeginselen moeten bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken;
  2° welbepaalde procedurele handelingen moeten voorafgaand aan de nieuwe beslissing worden gesteld;
  3° welbepaalde onregelmatige motieven of kennelijk onredelijke motieven mogen niet bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken.
  Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan aan het bevel, opgelegd conform het eerste lid, een ordetermijn verbinden voor de uitvoering ervan.
  De ordetermijn, vermeld in het tweede lid, wordt geschorst zolang een cassatieberoep, gericht tegen het arrest van het Vlaams bestuursrechtscollege dat dit bevel bevat, aanhangig is bij de Raad van State.
  § 2. Het Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, b), kan, als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, het arrest in de plaats stellen van die beslissing.".
  "Art. 37. § 1. Na gehele of gedeeltelijke vernietiging kan een Vlaams bestuurs-rechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), de verwerende partij bevelen om met inachtneming van de overwegingen die opgenomen zijn in zijn uitspraak een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen. Het kan daarbij de volgende voorwaarden opleggen:
  1° welbepaalde rechtsregels of rechtsbeginselen moeten bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken;
  2° welbepaalde procedurele handelingen moeten voorafgaand aan de nieuwe beslissing worden gesteld;
  3° welbepaalde onregelmatige motieven of kennelijk onredelijke motieven mogen niet bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken.
  Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan aan het bevel, opgelegd conform het eerste lid, een ordetermijn verbinden voor de uitvoering ervan.
  De ordetermijn, vermeld in het tweede lid, wordt geschorst zolang een cassatieberoep, gericht tegen het arrest van het Vlaams bestuursrechtscollege dat dit bevel bevat, aanhangig is bij de Raad van State.
  § 2. Het Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, b), kan, als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, het arrest in de plaats stellen van die beslissing.".
Art. 12. L'article 37 du mĂȘme dĂ©cret est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 37. § 1er. AprÚs l'annulation entiÚre ou partielle, une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b), peut ordonner la partie défenderesse de prendre une nouvelle décision ou de poser un autre acte, en respectant les considérations reprises dans son jugement. Elle peut imposer les conditions suivantes à cet effet :
  1° des rĂšgles de droit ou des principes de droit dĂ©terminĂ©s doivent ĂȘtre invoquĂ©s lors de la formation de la nouvelle dĂ©cision ;
  2° des actes procĂ©duraux dĂ©terminĂ©s doivent ĂȘtre effectuĂ©s prĂ©alablement Ă la nouvelle dĂ©cision ;
  3° des motifs irrĂ©guliers ou manifestement dĂ©raisonnables dĂ©terminĂ©s ne peuvent pas ĂȘtre invoquĂ©s lors de la formation de la nouvelle dĂ©cision.
  Une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b), peut lier un délai d'ordre à l'exécution de l'ordre, imposé conformément à l'alinéa 1er.
  Le dĂ©lai d'ordre, visĂ© Ă l'alinĂ©a 2, est suspendu tant qu'un recours de cassation, contre l'arrĂȘt de la juridiction administrative flamande contenant cet ordre, est en cours auprĂšs du Conseil d'Etat.
  § 2. La juridiction administrative flamande telle que visĂ©e Ă l'article 2, 1°, b), peut substituer l'arrĂȘt Ă la dĂ©cision, si la nouvelle dĂ©cision Ă prendre, ordonnĂ©e conformĂ©ment au paragraphe 1er, alinĂ©a 1er, rĂ©sulte d'une compĂ©tence liĂ©e de la partie dĂ©fenderesse. ".
  " Art. 37. § 1er. AprÚs l'annulation entiÚre ou partielle, une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b), peut ordonner la partie défenderesse de prendre une nouvelle décision ou de poser un autre acte, en respectant les considérations reprises dans son jugement. Elle peut imposer les conditions suivantes à cet effet :
  1° des rĂšgles de droit ou des principes de droit dĂ©terminĂ©s doivent ĂȘtre invoquĂ©s lors de la formation de la nouvelle dĂ©cision ;
  2° des actes procĂ©duraux dĂ©terminĂ©s doivent ĂȘtre effectuĂ©s prĂ©alablement Ă la nouvelle dĂ©cision ;
  3° des motifs irrĂ©guliers ou manifestement dĂ©raisonnables dĂ©terminĂ©s ne peuvent pas ĂȘtre invoquĂ©s lors de la formation de la nouvelle dĂ©cision.
  Une juridiction administrative flamande telle que visée à l'article 2, 1°, a) et b), peut lier un délai d'ordre à l'exécution de l'ordre, imposé conformément à l'alinéa 1er.
  Le dĂ©lai d'ordre, visĂ© Ă l'alinĂ©a 2, est suspendu tant qu'un recours de cassation, contre l'arrĂȘt de la juridiction administrative flamande contenant cet ordre, est en cours auprĂšs du Conseil d'Etat.
  § 2. La juridiction administrative flamande telle que visĂ©e Ă l'article 2, 1°, b), peut substituer l'arrĂȘt Ă la dĂ©cision, si la nouvelle dĂ©cision Ă prendre, ordonnĂ©e conformĂ©ment au paragraphe 1er, alinĂ©a 1er, rĂ©sulte d'une compĂ©tence liĂ©e de la partie dĂ©fenderesse. ".
Art. 13. In artikel 38 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan in het vernietigingsarrest, op verzoek van een partij, een dwangsom opleggen aan de verwerende partij, zolang die niet voldoet aan een bevel, gegeven met toepassing van artikel 37, ten voordele van de partij die om de oplegging van een dwangsom heeft verzocht.
  De dwangsom kan niet worden verbeurd voor het arrest waarbij ze is vastgesteld, wordt betekend.";
  2° in paragraaf 3, eerste en tweede lid, worden de woorden "verwerende partij" telkens vervangen door de zinsnede "partij, aan wie een dwangsom is opgelegd,".
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Een Vlaams bestuursrechtscollege als vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan in het vernietigingsarrest, op verzoek van een partij, een dwangsom opleggen aan de verwerende partij, zolang die niet voldoet aan een bevel, gegeven met toepassing van artikel 37, ten voordele van de partij die om de oplegging van een dwangsom heeft verzocht.
  De dwangsom kan niet worden verbeurd voor het arrest waarbij ze is vastgesteld, wordt betekend.";
  2° in paragraaf 3, eerste en tweede lid, worden de woorden "verwerende partij" telkens vervangen door de zinsnede "partij, aan wie een dwangsom is opgelegd,".
Art. 13. A l'article 38 du mĂȘme dĂ©cret, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Une juridiction administrative flamande telle que visĂ©e Ă l'article 2, 1°, a) en b), peut, sur la demande d'une partie, imposer dans l'arrĂȘt d'annulation une astreinte Ă la partie dĂ©fenderesse, tant qu'elle ne rĂ©pond pas Ă un ordre, donnĂ© en application de l'article 37, en faveur de la partie qui a demandĂ© l'imposition d'une astreinte.
  L'astreinte ne peut pas ĂȘtre encourue avant que l'arrĂȘt portant son Ă©tablissement, ne soit notifiĂ©. " ;
  2° dans le paragraphe 3, alinéas 1er et 2, les mots " partie défenderesse " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " partie à laquelle une astreinte est imposée, ".
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Une juridiction administrative flamande telle que visĂ©e Ă l'article 2, 1°, a) en b), peut, sur la demande d'une partie, imposer dans l'arrĂȘt d'annulation une astreinte Ă la partie dĂ©fenderesse, tant qu'elle ne rĂ©pond pas Ă un ordre, donnĂ© en application de l'article 37, en faveur de la partie qui a demandĂ© l'imposition d'une astreinte.
  L'astreinte ne peut pas ĂȘtre encourue avant que l'arrĂȘt portant son Ă©tablissement, ne soit notifiĂ©. " ;
  2° dans le paragraphe 3, alinéas 1er et 2, les mots " partie défenderesse " sont chaque fois remplacés par le membre de phrase " partie à laquelle une astreinte est imposée, ".
Art. 14. Artikel 40 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 40. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 14, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen op elk ogenblik de schorsing bevelen van de bestreden beslissing op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:
  1° de zaak hoogdringend is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot vernietiging;
  2° en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.
  § 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen op elk ogenblik de schorsing bevelen wegens uiterst dringende noodzakelijkheid op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:
  1° de zaak uiterst dringend noodzakelijk is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot schorsing als vermeld in paragraaf 1;
  2° en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.
  In voorkomend geval kan deze schorsing, op verzoek, bij wijze van voorlopige maatregel worden bevolen zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord. In dat geval worden in het arrest dat de voorlopige schorsing beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing.
  § 3. Het verzoekschrift, ingediend conform dit artikel, omschrijft de redenen op grond waarvan de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verzocht.
  § 4. Met behoud van de toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, wordt het schorsingsarrest, uitgesproken conform dit artikel, gewezen nadat de partijen zijn gehoord of behoorlijk opgeroepen.
  Als de verzoekende partij noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot schorsing verworpen.
  § 5. De Raad voor Vergunningsbetwistingen houdt, bij een vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel, op verzoek van de verwerende of de tussenkomende partij rekening met de waarschijnlijke gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging voor alle belangen die kunnen worden geschonden, alsook met het algemeen belang, en hij kan besluiten de schorsing niet te bevelen als de nadelige gevolgen ervan op een klaarblijkelijk onevenredige wijze zwaarder wegen dan de voordelen.
  § 6. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, wordt verworpen wegens het gebrek aan hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid kan een nieuwe vordering alleen worden ingediend als die steunt op nieuwe elementen die de hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid ervan rechtvaardigen. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing kan worden ingediend als het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van tijd.
  § 7. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, en een vordering tot vernietiging aanhangig worden gemaakt bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, en als de verzoeker, in de loop van de schorsingsprocedure, afstand doet van het door hem ingediende beroep of als de bestreden beslissing wordt ingetrokken, zodat er geen uitspraak meer hoeft te worden gedaan, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen in een en hetzelfde arrest uitspraak doen over de vordering tot schorsing en over de vordering tot vernietiging.
  § 8. De schorsing bevolen met toepassing van dit artikel wordt onmiddellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.
  § 9. Een verzoekschrift tot schorsing dat met toepassing van de procedure vermeld in dit artikel wordt ingesteld buiten de beroepstermijn bepaald in het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), kan geen middelen bevatten die niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging.
  § 10. Een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, stuit de vervaltermijnen voor de indiening van de nota's in het kader van de vordering tot vernietiging vanaf de datum van de ontvangst van het verzoekschrift door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tot de dag na de betekening van het ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging. De griffier brengt de partijen daarvan onmiddellijk op de hoogte.
  § 11. De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen waarbinnen de partijen het administratieve dossier en hun nota's indienen. Die vervaltermijnen mogen niet korter zijn dan vijftien dagen bij vorderingen die ingesteld zijn conform de procedure, vermeld in paragraaf 1.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de behandeling van de vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel.
  § 12. Het arrest dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing beveelt, conform dit artikel, kan op verzoek van een partij een dwangsom opleggen aan een andere partij ten voordele van de partij die om de oplegging van de dwangsom heeft verzocht. In dat geval is artikel 38, § 2 tot en met § 4, van overeenkomstige toepassing.
  § 13. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan de arresten waarbij de schorsing is bevolen, conform dit artikel, op verzoek van de partijen of op eigen initiatief opheffen.
  De opheffing is alleen mogelijk als nieuwe feiten, hetzij in rechte, hetzij in feite, zich voordoen of als de omstandigheden zodanig veranderd zijn dat de schorsing niet langer gerechtvaardigd is.
  De partijen worden uitgenodigd om te verschijnen op een zitting waarop de vordering tot opheffing wordt behandeld.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toepassing van de procedureregeling voor de opheffing van arresten, met inbegrip van het bepalen van termijnen en de organisatie van de zittingen, vermeld in dit artikel.".
  "Art. 40. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 14, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen op elk ogenblik de schorsing bevelen van de bestreden beslissing op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:
  1° de zaak hoogdringend is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot vernietiging;
  2° en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.
  § 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen op elk ogenblik de schorsing bevelen wegens uiterst dringende noodzakelijkheid op voorwaarde dat wordt aangetoond dat:
  1° de zaak uiterst dringend noodzakelijk is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot schorsing als vermeld in paragraaf 1;
  2° en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt.
  In voorkomend geval kan deze schorsing, op verzoek, bij wijze van voorlopige maatregel worden bevolen zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord. In dat geval worden in het arrest dat de voorlopige schorsing beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing.
  § 3. Het verzoekschrift, ingediend conform dit artikel, omschrijft de redenen op grond waarvan de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verzocht.
  § 4. Met behoud van de toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, wordt het schorsingsarrest, uitgesproken conform dit artikel, gewezen nadat de partijen zijn gehoord of behoorlijk opgeroepen.
  Als de verzoekende partij noch verschijnt, noch vertegenwoordigd is op de zitting, wordt de vordering tot schorsing verworpen.
  § 5. De Raad voor Vergunningsbetwistingen houdt, bij een vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel, op verzoek van de verwerende of de tussenkomende partij rekening met de waarschijnlijke gevolgen van de schorsing van de tenuitvoerlegging voor alle belangen die kunnen worden geschonden, alsook met het algemeen belang, en hij kan besluiten de schorsing niet te bevelen als de nadelige gevolgen ervan op een klaarblijkelijk onevenredige wijze zwaarder wegen dan de voordelen.
  § 6. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, wordt verworpen wegens het gebrek aan hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid kan een nieuwe vordering alleen worden ingediend als die steunt op nieuwe elementen die de hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid ervan rechtvaardigen. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing kan worden ingediend als het enige nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van tijd.
  § 7. Als een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, en een vordering tot vernietiging aanhangig worden gemaakt bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, en als de verzoeker, in de loop van de schorsingsprocedure, afstand doet van het door hem ingediende beroep of als de bestreden beslissing wordt ingetrokken, zodat er geen uitspraak meer hoeft te worden gedaan, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen in een en hetzelfde arrest uitspraak doen over de vordering tot schorsing en over de vordering tot vernietiging.
  § 8. De schorsing bevolen met toepassing van dit artikel wordt onmiddellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in paragraaf 13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.
  § 9. Een verzoekschrift tot schorsing dat met toepassing van de procedure vermeld in dit artikel wordt ingesteld buiten de beroepstermijn bepaald in het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), kan geen middelen bevatten die niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging.
  § 10. Een vordering tot schorsing, ingediend conform dit artikel, stuit de vervaltermijnen voor de indiening van de nota's in het kader van de vordering tot vernietiging vanaf de datum van de ontvangst van het verzoekschrift door de Raad voor Vergunningsbetwistingen tot de dag na de betekening van het ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging. De griffier brengt de partijen daarvan onmiddellijk op de hoogte.
  § 11. De Vlaamse Regering bepaalt de vervaltermijnen waarbinnen de partijen het administratieve dossier en hun nota's indienen. Die vervaltermijnen mogen niet korter zijn dan vijftien dagen bij vorderingen die ingesteld zijn conform de procedure, vermeld in paragraaf 1.
  De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de behandeling van de vordering tot schorsing ingediend conform dit artikel.
  § 12. Het arrest dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing beveelt, conform dit artikel, kan op verzoek van een partij een dwangsom opleggen aan een andere partij ten voordele van de partij die om de oplegging van de dwangsom heeft verzocht. In dat geval is artikel 38, § 2 tot en met § 4, van overeenkomstige toepassing.
  § 13. De Raad voor Vergunningsbetwistingen kan de arresten waarbij de schorsing is bevolen, conform dit artikel, op verzoek van de partijen of op eigen initiatief opheffen.
  De opheffing is alleen mogelijk als nieuwe feiten, hetzij in rechte, hetzij in feite, zich voordoen of als de omstandigheden zodanig veranderd zijn dat de schorsing niet langer gerechtvaardigd is.
  De partijen worden uitgenodigd om te verschijnen op een zitting waarop de vordering tot opheffing wordt behandeld.
  De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de toepassing van de procedureregeling voor de opheffing van arresten, met inbegrip van het bepalen van termijnen en de organisatie van de zittingen, vermeld in dit artikel.".
Art. 14. L'article 40 du mĂȘme dĂ©cret est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 40. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 14, le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut ordonner à tout moment la suspension de la décision contestée à condition qu'il soit démontré que :
  1° l'affaire est urgente, de sorte que son traitement est incompatible avec le délai de traitement d'une demande d'annulation ;
  2° et qu'au moins un moyen sérieux est apporté qui justifie à premiÚre vue l'annulation de la décision contestée.
  § 2. Sans prĂ©judice de l'application du paragraphe 1er, le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut ordonner Ă tout moment la suspension en raison de l'extrĂȘme urgence Ă condition qu'il soit dĂ©montrĂ© que :
  1° l'affaire est extrĂȘmement urgente, de sorte que son traitement est incompatible avec le dĂ©lai de traitement d'une demande de suspension telle que visĂ©e au paragraphe 1er ;
  2° et qu'au moins un moyen sérieux est apporté qui justifie à premiÚre vue l'annulation de la décision contestée.
  Le cas Ă©chĂ©ant, cette suspension peut ĂȘtre ordonnĂ©e sur demande Ă titre de mesure provisoire sans que les parties ou certaines d'entre elles aient Ă©tĂ© entendues. Dans ce cas, l'arrĂȘt qui ordonne la suspension provisoire convoque les parties dans les trois jours devant la chambre qui statue sur la confirmation de la suspension.
  § 3. La requĂȘte, introduite conformĂ©ment au prĂ©sent article, dĂ©crit les motifs sur la base desquels la suspension de l'exĂ©cution de la dĂ©cision contestĂ©e est demandĂ©e.
  § 4. Sans prĂ©judice de l'application de la procĂ©dure, visĂ©e au paragraphe 2, alinĂ©a 2, l'arrĂȘt de suspension, prononcĂ© conformĂ©ment au prĂ©sent article, est rendu aprĂšs que les parties ont Ă©tĂ© entendues ou dĂ»ment convoquĂ©es.
  Lorsque la partie requérante ne se présente pas ou n'est pas représentée lors de la séance, la demande de suspension est rejetée.
  § 5. En cas d'une demande de suspension introduite conformĂ©ment au prĂ©sent article, Ă la demande de la partie dĂ©fenderesse ou intervenante, le Conseil pour les Contestations des Autorisations tient compte des consĂ©quences probables de la suspension de l'exĂ©cution pour tous les intĂ©rĂȘts susceptibles d'ĂȘtre lĂ©sĂ©s, ainsi que de l'intĂ©rĂȘt gĂ©nĂ©ral, et il peut dĂ©cider de ne pas ordonner la suspension si les consĂ©quences nĂ©gatives de la suspension l'emportent de maniĂšre manifestement dĂ©raisonnable sur ses avantages.
  § 6. Lorsqu'une demande de suspension, introduite conformĂ©ment au prĂ©sent article, est rejetĂ©e Ă dĂ©faut d'urgence ou d'urgence extrĂȘme, une nouvelle demande ne peut ĂȘtre introduite que si celle-ci est basĂ©e sur de nouveaux Ă©lĂ©ments justifiant l'urgence ou l'urgence extrĂȘme de cette demande. Le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut en outre dĂ©terminer un dĂ©lai dans lequel aucune nouvelle demande de suspension ne peut ĂȘtre introduite si le seul nouvel Ă©lĂ©ment invoquĂ© consiste en le dĂ©roulement du temps.
  § 7. Si le Conseil pour les Contestations des Autorisations est saisi d'une demande de suspension, introduite conformĂ©ment au prĂ©sent article, et d'une demande d'annulation, et si le requĂ©rant renonce, au cours de la procĂ©dure de suspension, au recours qu'il a introduit, ou si la dĂ©cision contestĂ©e est retirĂ©e, de sorte qu'un jugement n'est plus nĂ©cessaire, le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut se prononcer dans un seul arrĂȘt sur la demande de suspension et la demande d'annulation.
  § 8. La suspension ordonnĂ©e en application du prĂ©sent article est immĂ©diatement abrogĂ©e, en application de la procĂ©dure visĂ©e au paragraphe 13, s'il paraĂźt qu'aucune requĂȘte en annulation n'est introduite dans le dĂ©lai de recours fixĂ© au dĂ©cret, visĂ© Ă l'article 2, 1°, b).
  § 9. Une requĂȘte en suspension instituĂ©e en application de la procĂ©dure visĂ©e au prĂ©sent article, en dehors du dĂ©lai fixĂ© au dĂ©cret, visĂ© Ă l'article 2, 1°, b), ne peut pas contenir de moyens non formulĂ©s dans la requĂȘte en annulation.
  § 10. Une demande de suspension, introduite conformĂ©ment au prĂ©sent article, interrompt les Ă©chĂ©ances pour l'introduction des notes dans le cadre de la demande d'annulation Ă partir de la date de rĂ©ception de la requĂȘte par le Conseil pour les Contestations des Autorisations jusqu'au jour suivant la notification de la demande introduite de continuation de la procĂ©dure. Le greffier en informe immĂ©diatement les parties.
  § 11. Le Gouvernement flamand fixe les Ă©chĂ©ances dans lesquelles les parties introduisent le dossier administratif et leurs notes. Ces Ă©chĂ©ances ne peuvent ĂȘtre infĂ©rieures Ă quinze jours en cas de demandes instituĂ©es conformĂ©ment Ă la procĂ©dure visĂ©e au paragraphe 1er.
  Le Gouvernement flamand arrĂȘte les modalitĂ©s concernant le traitement de la demande de suspension introduite conformĂ©ment au prĂ©sent article.
  § 12. L'arrĂȘt ordonnant la suspension de l'exĂ©cution de la dĂ©cision contestĂ©e, conformĂ©ment au prĂ©sent article, peut imposer Ă la demande d'une partie, une astreinte Ă une autre partie en faveur de la partie qui a demandĂ© l'imposition de l'astreinte. Dans ce cas, l'article 38, §§ 2 Ă 4 inclus, s'applique par analogie.
  § 13. A la demande des parties ou d'initiative, le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut abroger les arrĂȘts par lesquels la suspension est ordonnĂ©e.
  L'abrogation est uniquement possible lorsque de nouveaux faits, soit de droit, soit de fait, se présentent ou lorsque les circonstances ont tellement changées que la suspension n'est plus justifiée.
  Les parties sont invitĂ©es Ă comparaĂźtre lors d'une sĂ©ance oĂč la demande d'abrogation est traitĂ©e.
  Le Gouvernement flamand peut arrĂȘter des modalitĂ©s pour l'application du rĂ©gime de la procĂ©dure pour l'abrogation d'arrĂȘts, y compris la dĂ©termination des dĂ©lais et l'organisation des sĂ©ances visĂ©es au prĂ©sent article. ".
  " Art. 40. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 14, le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut ordonner à tout moment la suspension de la décision contestée à condition qu'il soit démontré que :
  1° l'affaire est urgente, de sorte que son traitement est incompatible avec le délai de traitement d'une demande d'annulation ;
  2° et qu'au moins un moyen sérieux est apporté qui justifie à premiÚre vue l'annulation de la décision contestée.
  § 2. Sans prĂ©judice de l'application du paragraphe 1er, le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut ordonner Ă tout moment la suspension en raison de l'extrĂȘme urgence Ă condition qu'il soit dĂ©montrĂ© que :
  1° l'affaire est extrĂȘmement urgente, de sorte que son traitement est incompatible avec le dĂ©lai de traitement d'une demande de suspension telle que visĂ©e au paragraphe 1er ;
  2° et qu'au moins un moyen sérieux est apporté qui justifie à premiÚre vue l'annulation de la décision contestée.
  Le cas Ă©chĂ©ant, cette suspension peut ĂȘtre ordonnĂ©e sur demande Ă titre de mesure provisoire sans que les parties ou certaines d'entre elles aient Ă©tĂ© entendues. Dans ce cas, l'arrĂȘt qui ordonne la suspension provisoire convoque les parties dans les trois jours devant la chambre qui statue sur la confirmation de la suspension.
  § 3. La requĂȘte, introduite conformĂ©ment au prĂ©sent article, dĂ©crit les motifs sur la base desquels la suspension de l'exĂ©cution de la dĂ©cision contestĂ©e est demandĂ©e.
  § 4. Sans prĂ©judice de l'application de la procĂ©dure, visĂ©e au paragraphe 2, alinĂ©a 2, l'arrĂȘt de suspension, prononcĂ© conformĂ©ment au prĂ©sent article, est rendu aprĂšs que les parties ont Ă©tĂ© entendues ou dĂ»ment convoquĂ©es.
  Lorsque la partie requérante ne se présente pas ou n'est pas représentée lors de la séance, la demande de suspension est rejetée.
  § 5. En cas d'une demande de suspension introduite conformĂ©ment au prĂ©sent article, Ă la demande de la partie dĂ©fenderesse ou intervenante, le Conseil pour les Contestations des Autorisations tient compte des consĂ©quences probables de la suspension de l'exĂ©cution pour tous les intĂ©rĂȘts susceptibles d'ĂȘtre lĂ©sĂ©s, ainsi que de l'intĂ©rĂȘt gĂ©nĂ©ral, et il peut dĂ©cider de ne pas ordonner la suspension si les consĂ©quences nĂ©gatives de la suspension l'emportent de maniĂšre manifestement dĂ©raisonnable sur ses avantages.
  § 6. Lorsqu'une demande de suspension, introduite conformĂ©ment au prĂ©sent article, est rejetĂ©e Ă dĂ©faut d'urgence ou d'urgence extrĂȘme, une nouvelle demande ne peut ĂȘtre introduite que si celle-ci est basĂ©e sur de nouveaux Ă©lĂ©ments justifiant l'urgence ou l'urgence extrĂȘme de cette demande. Le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut en outre dĂ©terminer un dĂ©lai dans lequel aucune nouvelle demande de suspension ne peut ĂȘtre introduite si le seul nouvel Ă©lĂ©ment invoquĂ© consiste en le dĂ©roulement du temps.
  § 7. Si le Conseil pour les Contestations des Autorisations est saisi d'une demande de suspension, introduite conformĂ©ment au prĂ©sent article, et d'une demande d'annulation, et si le requĂ©rant renonce, au cours de la procĂ©dure de suspension, au recours qu'il a introduit, ou si la dĂ©cision contestĂ©e est retirĂ©e, de sorte qu'un jugement n'est plus nĂ©cessaire, le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut se prononcer dans un seul arrĂȘt sur la demande de suspension et la demande d'annulation.
  § 8. La suspension ordonnĂ©e en application du prĂ©sent article est immĂ©diatement abrogĂ©e, en application de la procĂ©dure visĂ©e au paragraphe 13, s'il paraĂźt qu'aucune requĂȘte en annulation n'est introduite dans le dĂ©lai de recours fixĂ© au dĂ©cret, visĂ© Ă l'article 2, 1°, b).
  § 9. Une requĂȘte en suspension instituĂ©e en application de la procĂ©dure visĂ©e au prĂ©sent article, en dehors du dĂ©lai fixĂ© au dĂ©cret, visĂ© Ă l'article 2, 1°, b), ne peut pas contenir de moyens non formulĂ©s dans la requĂȘte en annulation.
  § 10. Une demande de suspension, introduite conformĂ©ment au prĂ©sent article, interrompt les Ă©chĂ©ances pour l'introduction des notes dans le cadre de la demande d'annulation Ă partir de la date de rĂ©ception de la requĂȘte par le Conseil pour les Contestations des Autorisations jusqu'au jour suivant la notification de la demande introduite de continuation de la procĂ©dure. Le greffier en informe immĂ©diatement les parties.
  § 11. Le Gouvernement flamand fixe les Ă©chĂ©ances dans lesquelles les parties introduisent le dossier administratif et leurs notes. Ces Ă©chĂ©ances ne peuvent ĂȘtre infĂ©rieures Ă quinze jours en cas de demandes instituĂ©es conformĂ©ment Ă la procĂ©dure visĂ©e au paragraphe 1er.
  Le Gouvernement flamand arrĂȘte les modalitĂ©s concernant le traitement de la demande de suspension introduite conformĂ©ment au prĂ©sent article.
  § 12. L'arrĂȘt ordonnant la suspension de l'exĂ©cution de la dĂ©cision contestĂ©e, conformĂ©ment au prĂ©sent article, peut imposer Ă la demande d'une partie, une astreinte Ă une autre partie en faveur de la partie qui a demandĂ© l'imposition de l'astreinte. Dans ce cas, l'article 38, §§ 2 Ă 4 inclus, s'applique par analogie.
  § 13. A la demande des parties ou d'initiative, le Conseil pour les Contestations des Autorisations peut abroger les arrĂȘts par lesquels la suspension est ordonnĂ©e.
  L'abrogation est uniquement possible lorsque de nouveaux faits, soit de droit, soit de fait, se présentent ou lorsque les circonstances ont tellement changées que la suspension n'est plus justifiée.
  Les parties sont invitĂ©es Ă comparaĂźtre lors d'une sĂ©ance oĂč la demande d'abrogation est traitĂ©e.
  Le Gouvernement flamand peut arrĂȘter des modalitĂ©s pour l'application du rĂ©gime de la procĂ©dure pour l'abrogation d'arrĂȘts, y compris la dĂ©termination des dĂ©lais et l'organisation des sĂ©ances visĂ©es au prĂ©sent article. ".
Art. 15. In artikel 41 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Als bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen conform artikel 40 een vordering tot schorsing of schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig wordt gemaakt kan hij als enige, op verzoek, bij voorraad en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 40, § 1, § 2 en § 5, alle nodige maatregelen bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten.";
  2° in het vierde lid wordt het woord "hoogdringendheid" telkens vervangen door de woorden "hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid";
  3° tussen het vijfde en het zesde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De maatregelen die bevolen zijn met toepassing van dit artikel worden onmiddellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in artikel 40, § 13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.";
  4° in het bestaande zesde lid, dat het zevende lid wordt, wordt de zinsnede "Artikel 40, § § 4 en 5, vindt toepassing" vervangen door de zinsnede "Artikel 40, § 12 en § 13, zijn van overeenkomstige toepassing".
  1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Als bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen conform artikel 40 een vordering tot schorsing of schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid aanhangig wordt gemaakt kan hij als enige, op verzoek, bij voorraad en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 40, § 1, § 2 en § 5, alle nodige maatregelen bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten.";
  2° in het vierde lid wordt het woord "hoogdringendheid" telkens vervangen door de woorden "hoogdringendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid";
  3° tussen het vijfde en het zesde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De maatregelen die bevolen zijn met toepassing van dit artikel worden onmiddellijk opgeheven, met toepassing van de procedure, vermeld in artikel 40, § 13, als blijkt dat binnen de beroepstermijn bepaald in het decreet, vermeld in artikel 2, 1°, b), geen verzoekschrift tot vernietiging is ingediend.";
  4° in het bestaande zesde lid, dat het zevende lid wordt, wordt de zinsnede "Artikel 40, § § 4 en 5, vindt toepassing" vervangen door de zinsnede "Artikel 40, § 12 en § 13, zijn van overeenkomstige toepassing".
Art. 15. A l'article 41 du mĂȘme dĂ©cret, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
  " Lorsque le Conseil pour les Contestations des Autorisations est saisi, conformĂ©ment Ă l'article 40, d'une demande de suspension ou de suspension pour cause d'extrĂȘme urgence, il est le seul Ă pouvoir ordonner, sur demande, Ă titre provisoire et aux conditions fixĂ©es Ă l'article 40, § 1er, § 2, et § 5, toutes mesures nĂ©cessaires pour protĂ©ger les intĂ©rĂȘts des parties ou des personnes ayant un intĂ©rĂȘt Ă la solution de l'affaire, Ă l'exception des mesures concernant les droits civils. " ;
  2° dans l'alinĂ©a quatre, le mot " urgence " est Ă chaque fois remplacĂ© par les mots " urgence ou urgence extrĂȘme " ;
  3° entre les alinéas cinq et six, il est inséré un nouvel alinéa, rédigé comme suit :
  " Les mesures ordonnĂ©es en application du prĂ©sent article sont immĂ©diatement abrogĂ©es, en application de la procĂ©dure visĂ©e Ă l'article 40, § 13, s'il paraĂźt qu'aucune requĂȘte en annulation n'est introduite dans le dĂ©lai de recours fixĂ© au dĂ©cret, visĂ© Ă l'article 2, 1°, b). " ;
  4° dans l'alinéa six existant, qui devient l'alinéa sept, le membre de phrase " L'article 40, §§ 4 et 5, s'applique " est remplacé par le membre de phrase " L'article 40, § 12 et § 13, s'applique par analogie ".
  1° l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
  " Lorsque le Conseil pour les Contestations des Autorisations est saisi, conformĂ©ment Ă l'article 40, d'une demande de suspension ou de suspension pour cause d'extrĂȘme urgence, il est le seul Ă pouvoir ordonner, sur demande, Ă titre provisoire et aux conditions fixĂ©es Ă l'article 40, § 1er, § 2, et § 5, toutes mesures nĂ©cessaires pour protĂ©ger les intĂ©rĂȘts des parties ou des personnes ayant un intĂ©rĂȘt Ă la solution de l'affaire, Ă l'exception des mesures concernant les droits civils. " ;
  2° dans l'alinĂ©a quatre, le mot " urgence " est Ă chaque fois remplacĂ© par les mots " urgence ou urgence extrĂȘme " ;
  3° entre les alinéas cinq et six, il est inséré un nouvel alinéa, rédigé comme suit :
  " Les mesures ordonnĂ©es en application du prĂ©sent article sont immĂ©diatement abrogĂ©es, en application de la procĂ©dure visĂ©e Ă l'article 40, § 13, s'il paraĂźt qu'aucune requĂȘte en annulation n'est introduite dans le dĂ©lai de recours fixĂ© au dĂ©cret, visĂ© Ă l'article 2, 1°, b). " ;
  4° dans l'alinéa six existant, qui devient l'alinéa sept, le membre de phrase " L'article 40, §§ 4 et 5, s'applique " est remplacé par le membre de phrase " L'article 40, § 12 et § 13, s'applique par analogie ".
Art. 16. In artikel 42 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "bestuursrechters, griffiers, referendarissen of" vervangen door de woorden "een personeelslid van de dienst van de Bestuursrechtscolleges";
  2° in paragraaf 3 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als het bemiddelingsakkoord wordt bekrachtigd, worden in afwijking van artikel 33, eerste lid, de kosten zoals vermeld in artikel 33, derde en vierde lid, gelijk verdeeld over de partijen, tenzij anders bepaald wordt in het bemiddelingsakkoord.";
  3° in paragraaf 4, 2°, wordt de zinsnede "paragraaf 3, derde lid" vervangen door de zinsnede "paragraaf 3, vierde lid";
  4° aan paragraaf 5 wordt de zinsnede ", alsook de kosten die voortvloeien uit de bemiddeling" toegevoegd.
  1° in paragraaf 2, tweede lid, wordt de zinsnede "bestuursrechters, griffiers, referendarissen of" vervangen door de woorden "een personeelslid van de dienst van de Bestuursrechtscolleges";
  2° in paragraaf 3 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als het bemiddelingsakkoord wordt bekrachtigd, worden in afwijking van artikel 33, eerste lid, de kosten zoals vermeld in artikel 33, derde en vierde lid, gelijk verdeeld over de partijen, tenzij anders bepaald wordt in het bemiddelingsakkoord.";
  3° in paragraaf 4, 2°, wordt de zinsnede "paragraaf 3, derde lid" vervangen door de zinsnede "paragraaf 3, vierde lid";
  4° aan paragraaf 5 wordt de zinsnede ", alsook de kosten die voortvloeien uit de bemiddeling" toegevoegd.
Art. 16. A l'article 42 du mĂȘme dĂ©cret, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " des juges administratifs, des greffiers, des référendaires ou " est remplacé par les mots " un membre du personnel du Service des Juridictions administratives " ;
  2° dans le paragraphe 3, il est inséré entre les alinéas premier et deux un nouvel alinéa, rédigé comme suit :
  " Si l'accord de médiation est ratifié, les frais tels que visés à l'article 33, alinéas 3 et 4, sont répartis de maniÚre égale sur les parties, par dérogation à l'article 33, alinéa 1er, sauf disposition contraire dans l'accord de médiation. " ;
  3° dans le paragraphe 4, 2°, le membre de phrase " paragraphe 3, alinéa trois " est remplacé par le membre de phrase " paragraphe 3, alinéa quatre " ;
  4° le paragraphe 5 est complété par le membre de phrase " , ainsi que les frais résultant de la médiation ".
  1° dans le paragraphe 2, alinéa 2, le membre de phrase " des juges administratifs, des greffiers, des référendaires ou " est remplacé par les mots " un membre du personnel du Service des Juridictions administratives " ;
  2° dans le paragraphe 3, il est inséré entre les alinéas premier et deux un nouvel alinéa, rédigé comme suit :
  " Si l'accord de médiation est ratifié, les frais tels que visés à l'article 33, alinéas 3 et 4, sont répartis de maniÚre égale sur les parties, par dérogation à l'article 33, alinéa 1er, sauf disposition contraire dans l'accord de médiation. " ;
  3° dans le paragraphe 4, 2°, le membre de phrase " paragraphe 3, alinéa trois " est remplacé par le membre de phrase " paragraphe 3, alinéa quatre " ;
  4° le paragraphe 5 est complété par le membre de phrase " , ainsi que les frais résultant de la médiation ".
Art. 17. In artikel 53 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Op zijn verzoek en op gemotiveerd advies van de eerste voorzitter kan de Vlaamse Regering een effectieve bestuursrechter die de leeftijd van zevenenzestig jaar heeft bereikt, machtigen om zijn ambt verder uit te oefenen tot de bestuursrechter de leeftijd van zeventig jaar heeft bereikt.";
  2° er worden een vierde tot en met een achtste lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "De machtiging, vermeld in het derde lid, is een jaar geldig en kan worden hernieuwd.
  De bestuursrechter die zijn ambt verder wil uitoefenen nadat hij de leeftijd van zevenenzestig jaar heeft bereikt, dient daarvoor ten vroegste achttien maanden vóór de dag waarop hij de leeftijd van zevenenzestig jaar heeft bereikt en uiterlijk negen maanden voor die dag een verzoek in bij de eerste voorzitter.
  De bestuursrechter die een verzoek om hernieuwing van de machtiging wil indienen dient dat uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de vorige machtiging in.
  De bestuursrechter bezorgt tegelijkertijd een kopie van zijn verzoek, of in voorkomend geval van zijn verzoek om hernieuwing, aan de Vlaamse Regering.
  De eerste voorzitter bezorgt zijn gemotiveerd advies binnen een termijn van een maand aan de Vlaamse Regering.".
  1° het derde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Op zijn verzoek en op gemotiveerd advies van de eerste voorzitter kan de Vlaamse Regering een effectieve bestuursrechter die de leeftijd van zevenenzestig jaar heeft bereikt, machtigen om zijn ambt verder uit te oefenen tot de bestuursrechter de leeftijd van zeventig jaar heeft bereikt.";
  2° er worden een vierde tot en met een achtste lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "De machtiging, vermeld in het derde lid, is een jaar geldig en kan worden hernieuwd.
  De bestuursrechter die zijn ambt verder wil uitoefenen nadat hij de leeftijd van zevenenzestig jaar heeft bereikt, dient daarvoor ten vroegste achttien maanden vóór de dag waarop hij de leeftijd van zevenenzestig jaar heeft bereikt en uiterlijk negen maanden voor die dag een verzoek in bij de eerste voorzitter.
  De bestuursrechter die een verzoek om hernieuwing van de machtiging wil indienen dient dat uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de vorige machtiging in.
  De bestuursrechter bezorgt tegelijkertijd een kopie van zijn verzoek, of in voorkomend geval van zijn verzoek om hernieuwing, aan de Vlaamse Regering.
  De eerste voorzitter bezorgt zijn gemotiveerd advies binnen een termijn van een maand aan de Vlaamse Regering.".
Art. 17. A l'article 53 du mĂȘme dĂ©cret, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° l'alinéa trois est remplacé par ce qui suit :
  " A sa demande et sur la proposition du premier président, le Gouvernement flamand peut autoriser un juge administratif effectif qui a atteint l'ùge de soixante-sept ans, à continuer à exercer sa fonction jusqu'à ce que le juge administratif ait atteint l'ùge de septante ans. " ;
  2° il est ajouté un alinéa quatre à huit inclus, rédigés comme suit :
  " L'autorisation, visĂ©e Ă l'alinĂ©a trois, vaut pour une pĂ©riode d'un an, et peut ĂȘtre renouvelĂ©e.
  Le juge administratif qui souhaite continuer à exercer sa fonction aprÚs avoir atteint l'ùge de soixante-sept ans, introduit à cet effet une demande auprÚs du premier président, au plus tÎt dix-huit mois avant le jour auquel il a atteint l'ùge de soixante-sept ans et au plus tard neuf mois avant ce jour.
  Le juge administratif qui souhaite introduire une demande de renouvellement de l'autorisation, doit l'introduire au plus tard six mois avant l'expiration de l'autorisation précédente.
  En mĂȘme temps, le juge administratif transmet une copie de sa demande, ou le cas Ă©chĂ©ant de sa demande de renouvellement, au Gouvernement flamand.
  Le premier président transmet son avis motivé au Gouvernement flamand dans le délai d'un mois. ".
  1° l'alinéa trois est remplacé par ce qui suit :
  " A sa demande et sur la proposition du premier président, le Gouvernement flamand peut autoriser un juge administratif effectif qui a atteint l'ùge de soixante-sept ans, à continuer à exercer sa fonction jusqu'à ce que le juge administratif ait atteint l'ùge de septante ans. " ;
  2° il est ajouté un alinéa quatre à huit inclus, rédigés comme suit :
  " L'autorisation, visĂ©e Ă l'alinĂ©a trois, vaut pour une pĂ©riode d'un an, et peut ĂȘtre renouvelĂ©e.
  Le juge administratif qui souhaite continuer à exercer sa fonction aprÚs avoir atteint l'ùge de soixante-sept ans, introduit à cet effet une demande auprÚs du premier président, au plus tÎt dix-huit mois avant le jour auquel il a atteint l'ùge de soixante-sept ans et au plus tard neuf mois avant ce jour.
  Le juge administratif qui souhaite introduire une demande de renouvellement de l'autorisation, doit l'introduire au plus tard six mois avant l'expiration de l'autorisation précédente.
  En mĂȘme temps, le juge administratif transmet une copie de sa demande, ou le cas Ă©chĂ©ant de sa demande de renouvellement, au Gouvernement flamand.
  Le premier président transmet son avis motivé au Gouvernement flamand dans le délai d'un mois. ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
CHAPITRE 3. - Modifications au décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art. 18. Aan artikel 16.4.39 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, vervangen bij het decreet van 23 december 2010 en gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014, worden een tweede lid en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "In afwijking van artikel 16.1.3, § 2, eerste lid, wordt de kennisgeving met een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel van de aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, behalve in geval van bewijs van het tegendeel door de geadresseerde. Daarbij geldt alleen de datum van de aanbieding door de postdiensten, en niet de feitelijke kennisneming van de aangetekende brief op een later tijdstip. De datum van de poststempel heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst.
  In afwijking van artikel 16.1.3, § 2, tweede lid, wordt de kennisgeving door afgifte tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de datum van het ontvangstbewijs.".
  "In afwijking van artikel 16.1.3, § 2, eerste lid, wordt de kennisgeving met een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel van de aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, behalve in geval van bewijs van het tegendeel door de geadresseerde. Daarbij geldt alleen de datum van de aanbieding door de postdiensten, en niet de feitelijke kennisneming van de aangetekende brief op een later tijdstip. De datum van de poststempel heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst.
  In afwijking van artikel 16.1.3, § 2, tweede lid, wordt de kennisgeving door afgifte tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de datum van het ontvangstbewijs.".
Art. 18. L'article 16.4.39 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, inséré par le décret du 21 décembre 2007, remplacé par le décret du 23 décembre 2010 et modifié par le décret du 4 avril 2014, est complété par un alinéa 2 et un alinéa 3, rédigés comme suit :
  " Par dérogation à l'article 16.1.3, § 2, alinéa 1er, la notification par lettre recommandée contre récépissé est censée avoir lieu le jour ouvrable qui suit la date du cachet de la poste de la lettre recommandée contre récépissé, sauf en cas de preuve du contraire par le destinataire. La date de présentation par le service des postes s'applique, et non pas la prise de connaissance de fait de la lettre recommandée à un moment ultérieur. La date du cachet de la poste fait foi tant pour l'envoi que pour la réception.
  Par dérogation à l'article 16.1.3, § 2, alinéa 2, la notification par remise contre récépissé est censée avoir lieu à la date du récépissé. ".
  " Par dérogation à l'article 16.1.3, § 2, alinéa 1er, la notification par lettre recommandée contre récépissé est censée avoir lieu le jour ouvrable qui suit la date du cachet de la poste de la lettre recommandée contre récépissé, sauf en cas de preuve du contraire par le destinataire. La date de présentation par le service des postes s'applique, et non pas la prise de connaissance de fait de la lettre recommandée à un moment ultérieur. La date du cachet de la poste fait foi tant pour l'envoi que pour la réception.
  Par dérogation à l'article 16.1.3, § 2, alinéa 2, la notification par remise contre récépissé est censée avoir lieu à la date du récépissé. ".
Art. 19. Aan artikel 16.4.44 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, vervangen bij het decreet van 23 december 2010 en gewijzigd bij het decreet van 4 april 2014, worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "In afwijking van artikel 16.1.3, § 2, eerste lid, wordt de kennisgeving met een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel van de aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, behalve in geval van bewijs van het tegendeel door de geadresseerde. Daarbij geldt alleen de datum van de aanbieding door de postdiensten, en niet de feitelijke kennisneming van de aangetekende brief op een later tijdstip. De datum van de poststempel heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst.
  In afwijking van artikel 16.1.3, § 2, tweede lid, wordt de kennisgeving door afgifte tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de datum van het ontvangstbewijs.".
  "In afwijking van artikel 16.1.3, § 2, eerste lid, wordt de kennisgeving met een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel van de aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, behalve in geval van bewijs van het tegendeel door de geadresseerde. Daarbij geldt alleen de datum van de aanbieding door de postdiensten, en niet de feitelijke kennisneming van de aangetekende brief op een later tijdstip. De datum van de poststempel heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst.
  In afwijking van artikel 16.1.3, § 2, tweede lid, wordt de kennisgeving door afgifte tegen ontvangstbewijs geacht plaats te vinden op de datum van het ontvangstbewijs.".
Art. 19. L'article 16.4.44 du mĂȘme dĂ©cret, insĂ©rĂ© par le dĂ©cret du 21 dĂ©cembre 2007, remplacĂ© par le dĂ©cret du 23 dĂ©cembre 2010 et modifiĂ© par le dĂ©cret du 4 avril 2014, est complĂ©tĂ© par un alinĂ©a 2 et un alinĂ©a 3, rĂ©digĂ©s comme suit :
  " Par dérogation à l'article 16.1.3, § 2, alinéa 1er, la notification par lettre recommandée contre récépissé est censée avoir lieu le jour ouvrable qui suit la date du cachet de la poste de la lettre recommandée contre récépissé, sauf en cas de preuve du contraire par le destinataire. La date de présentation par le service des postes s'applique, et non pas la prise de connaissance de fait de la lettre recommandée à un moment ultérieur. La date du cachet de la poste fait foi tant pour l'envoi que pour la réception.
  Par dérogation à l'article 16.1.3, § 2, alinéa 2, la notification par remise contre récépissé est censée avoir lieu à la date du récépissé. ".
  " Par dérogation à l'article 16.1.3, § 2, alinéa 1er, la notification par lettre recommandée contre récépissé est censée avoir lieu le jour ouvrable qui suit la date du cachet de la poste de la lettre recommandée contre récépissé, sauf en cas de preuve du contraire par le destinataire. La date de présentation par le service des postes s'applique, et non pas la prise de connaissance de fait de la lettre recommandée à un moment ultérieur. La date du cachet de la poste fait foi tant pour l'envoi que pour la réception.
  Par dérogation à l'article 16.1.3, § 2, alinéa 2, la notification par remise contre récépissé est censée avoir lieu à la date du récépissé. ".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen aan de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
CHAPITRE 4. - Modifications du Code flamand de l'Aménagement du Territoire
Art. 20. Aan artikel 4.8.11, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, laatst gewijzigd bij decreet van 18 december 2015, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een bij het dossier betrokken vergunningverlenende bestuursorgaan, dat nagelaten heeft een uitdrukkelijke beslissing te nemen in eerste administratieve aanleg, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen te wenden, behoudens overmacht.".
  "Een bij het dossier betrokken vergunningverlenende bestuursorgaan, dat nagelaten heeft een uitdrukkelijke beslissing te nemen in eerste administratieve aanleg, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen te wenden, behoudens overmacht.".
Art. 20. L'article 4.8.11, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, modifié en dernier lieu par le décret du 18 décembre 2015, est complété par un alinéa trois, rédigé comme suit :
  " Un organe d'administration associé au dossier, qui a omis de prendre une décision explicite en premiÚre instance administrative, est censée avoir renoncé à son droit de s'adresser au Conseil pour les Contestations des Autorisations, sauf en cas de force majeure. ".
  " Un organe d'administration associé au dossier, qui a omis de prendre une décision explicite en premiÚre instance administrative, est censée avoir renoncé à son droit de s'adresser au Conseil pour les Contestations des Autorisations, sauf en cas de force majeure. ".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen aan het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
CHAPITRE 5. - Modifications du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement
Art. 21. Aan artikel 105, § 2, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, die nagelaten heeft een uitdrukkelijke beslissing te nemen in eerste administratieve aanleg, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen te wenden, behoudens overmacht.".
  "De bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, die nagelaten heeft een uitdrukkelijke beslissing te nemen in eerste administratieve aanleg, wordt geacht te hebben verzaakt aan zijn recht om zich tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen te wenden, behoudens overmacht.".
Art. 21. L'article 105, § 2, du décret du 25 avril relatif au permis d'environnement est complété par un alinéa trois, rédigé comme suit :
  " L'autorité compétente, visée à l'article 15, qui a omis de prendre une décision explicite en premiÚre instance administrative, est censée avoir renoncé à son droit de s'adresser au Conseil pour les Contestations des Autorisations, sauf en cas de force majeure. ".
  " L'autorité compétente, visée à l'article 15, qui a omis de prendre une décision explicite en premiÚre instance administrative, est censée avoir renoncé à son droit de s'adresser au Conseil pour les Contestations des Autorisations, sauf en cas de force majeure. ".
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
Art. 22. Op de beroepen die werden ingediend vóór de inwerkingtreding van dit decreet zijn de artikelen 19, 20, 21, 33, 35, 40, 41 en 42 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges en de artikelen 16.4.39 en 16.4.44 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, van toepassing, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
  Op de vernietigingsarresten die worden uitgesproken na de inwerkingtreding van dit decreet zijn de artikelen 37 en 38 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges van toepassing zoals gewijzigd door dit decreet.
  Op de vernietigingsarresten die worden uitgesproken na de inwerkingtreding van dit decreet zijn de artikelen 37 en 38 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges van toepassing zoals gewijzigd door dit decreet.
Art. 22. Sont applicables aux recours introduits avant l'entrée en vigueur du présent décret, les articles 19, 20, 21, 33, 35, 40, 41 et 42 du décret du 4 avril 2014 relatif à l'organisation et à la procédure de certaines juridictions administratives flamandes et les articles 16.4.39 et 16.4.44 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, tels que d'application avant l'entrée en vigueur du présent décret.
  Sont applicables aux arrĂȘts d'annulation prononcĂ©s aprĂšs l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent dĂ©cret, les articles 37 et 38 du dĂ©cret du 4 avril 2014 relatif Ă l'organisation et Ă la procĂ©dure de certaines juridictions administratives flamandes, tels que modifiĂ©s par le prĂ©sent dĂ©cret.
  Sont applicables aux arrĂȘts d'annulation prononcĂ©s aprĂšs l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent dĂ©cret, les articles 37 et 38 du dĂ©cret du 4 avril 2014 relatif Ă l'organisation et Ă la procĂ©dure de certaines juridictions administratives flamandes, tels que modifiĂ©s par le prĂ©sent dĂ©cret.
Art. 23. Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum, en uiterlijk drie maanden na de publicatie van dit decreet in het Belgisch Staatsblad.
Art. 23. Le présent décret entre en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand, et au plus tard trois mois aprÚs la publication du présent décret au Moniteur belge.