Artikel 1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget wordt een punt 7° /1 ingevoegd dat luidt als volgt:
"7° /1 jeugdhulpverlening: de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 5, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp, de ondersteuning die geboden wordt door een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap, en een persoonlijke assistentiebudget als vermeld in artikel 1, § 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap;".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
24 FEBRUARI 2017. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de wijziging van een aantal besluiten van de Vlaamse Regering over de invoering van persoonsvolgende financiering
Titre
24 FEVRIER 2017. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand modifiant certains arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand sur l'introduction de l'aide financiĂšre personnalisĂ©e
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Go...
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouv...
CHAPITRE 3. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouve...
CHAPITRE 4. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouv...
CHAPITRE 5. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouv...
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
ANNEXE.
Tekst (32)
Texte (32)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget
CHAPITRE 1er. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif Ă l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes majeures handicapĂ©es et relatif Ă la mise Ă disposition dudit budget
Article 1er. Dans l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif Ă l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes majeures handicapĂ©es et relatif Ă la mise Ă disposition dudit budget, il est insĂ©rĂ© un point 7° /1 ainsi rĂ©digĂ© :
" 7° /1 aide Ă la jeunesse: l'aide Ă la jeunesse non directement accessible visĂ©e Ă l'article 5, 1°, 3°, 4°, 5° et 6°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 fĂ©vrier 2014 relatif Ă l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse, le soutien offert par un centre polyvalent pour personnes handicapĂ©es mineures au sens de l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 fĂ©vrier 2016 portant agrĂ©ment et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapĂ©es mineures, et un budget d'assistance personnelle tel que visĂ© Ă l'article 1er, § 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 2000 Ă©tablissant les conditions d'octroi d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapĂ©es ; ".
" 7° /1 aide Ă la jeunesse: l'aide Ă la jeunesse non directement accessible visĂ©e Ă l'article 5, 1°, 3°, 4°, 5° et 6°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 fĂ©vrier 2014 relatif Ă l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse, le soutien offert par un centre polyvalent pour personnes handicapĂ©es mineures au sens de l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 fĂ©vrier 2016 portant agrĂ©ment et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapĂ©es mineures, et un budget d'assistance personnelle tel que visĂ© Ă l'article 1er, § 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 2000 Ă©tablissant les conditions d'octroi d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapĂ©es ; ".
Art. 2. Artikel 2 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 2. Het agentschap kan een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning toewijzen aan meerderjarige personen met een handicap die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 20 en 21 van het decreet van 7 mei 2004, met uitzondering van de meerderjarige personen met een handicap met uitsluitend een of meerdere psychische stoornissen als vermeld in het handboek voor de classificatie van psychische stoornissen DSM - 5, de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen uitgezonderd.".
"Art. 2. Het agentschap kan een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning toewijzen aan meerderjarige personen met een handicap die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 20 en 21 van het decreet van 7 mei 2004, met uitzondering van de meerderjarige personen met een handicap met uitsluitend een of meerdere psychische stoornissen als vermeld in het handboek voor de classificatie van psychische stoornissen DSM - 5, de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen uitgezonderd.".
Art. 2. L'article 2 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 2. L'agence peut accorder un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles aux personnes majeures en situation de handicap répondant aux conditions visées aux articles 20 et 21 du décret du 7 mai 2004, à l'exception des personnes handicapées majeures atteintes d'un seul trouble mental ou de troubles mentaux multiples comme décrits dans le Manuel diagnostique et statistique des troubles mentaux (désigné par le sigle DSM-V, exception faite pour les troubles neurobiologiques du développement ".
" Art. 2. L'agence peut accorder un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles aux personnes majeures en situation de handicap répondant aux conditions visées aux articles 20 et 21 du décret du 7 mai 2004, à l'exception des personnes handicapées majeures atteintes d'un seul trouble mental ou de troubles mentaux multiples comme décrits dans le Manuel diagnostique et statistique des troubles mentaux (désigné par le sigle DSM-V, exception faite pour les troubles neurobiologiques du développement ".
Art. 3. Artikel 5 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 5. § 1. De datum van de aanvraag is de datum waarop het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering aan het agentschap wordt bezorgd op voorwaarde dat er binnen vijf maanden een multidisciplinair verslag wordt ingediend. Als het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering wordt bezorgd door de aanvrager zelf, geldt bijkomend de voorwaarde dat het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering wordt goedgekeurd door het agentschap. In dat geval vangt de termijn waar het multidisciplinair verslag moet worden ingediend, aan op de datum van de goedkeuring.
Als het agentschap aan de aanvrager heeft gevraagd het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering aan te passen als vermeld in artikel 10, eerste lid, blijft de datum waarop het initiële ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering is bezorgd, de datum van de aanvraag, op voorwaarde dat de aanpassingen worden bezorgd binnen drie maanden vanaf de datum waarop het agentschap heeft meegedeeld dat de praktische regels, vermeld in artikel 9, tweede lid, niet geheel werden gevolgd, en op voorwaarde dat het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering wordt goedgekeurd.
Als het multidisciplinaire verslag niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt bezorgd, is de datum van de aanvraag de laatste dag van de termijn waar het multidisciplinaire verslag moest worden bezorgd.
Als de aanpassingen, vermeld in artikel 10, niet binnen drie maanden worden bezorgd, is de datum van de aanvraag de datum waarop de aanpassingen worden bezorgd, op voorwaarde dat het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering wordt goedgekeurd.
Als de aanvrager of het multidisciplinaire team aantoont dat het multidisciplinaire verslag niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, kan worden bezorgd als gevolg van overmacht, blijft de datum van de aanvraag de datum waarop het ondersteuningsplan wordt bezorgd door de dienst Ondersteuningsplan of door de persoon met een handicap, op voorwaarde dat het ondersteuningsplan wordt goedgekeurd door het agentschap.
§ 2. Als de aanvrager de aanpassingen aan het ondersteuningsplan die het agentschap heeft gevraagd conform artikel 10, eerste lid, niet aan het agentschap bezorgt binnen de periode van drie maanden vermeld in het tweede lid van paragraaf 1, kent het agentschap een nieuwe periode van drie maanden toe om de gevraagde aanpassingen te bezorgen. Als de aanpassingen niet worden bezorgd binnen de nieuwe periode van drie maanden, wordt de aanvraag stop gezet.
Als het multidisciplinair verslag niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid van paragraaf 1, wordt bezorgd kent het agentschap een nieuwe termijn van vijf maanden toe om het multidisciplinair verslag te bezorgen. Als het multidisciplinair verslag niet wordt bezorgd binnen de voormelde nieuwe termijn van vijf maanden, wordt de aanvraag stopgezet.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel is de datum waarop het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering wordt bezorgd aan het agentschap, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, of de datum waarop de aanpassingen worden bezorgd, vermeld in paragraaf 1, tweede en vierde lid, de datum van de poststempel of de datum waarop het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering of de aanpassingen elektronisch worden verstuurd. ".
"Art. 5. § 1. De datum van de aanvraag is de datum waarop het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering aan het agentschap wordt bezorgd op voorwaarde dat er binnen vijf maanden een multidisciplinair verslag wordt ingediend. Als het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering wordt bezorgd door de aanvrager zelf, geldt bijkomend de voorwaarde dat het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering wordt goedgekeurd door het agentschap. In dat geval vangt de termijn waar het multidisciplinair verslag moet worden ingediend, aan op de datum van de goedkeuring.
Als het agentschap aan de aanvrager heeft gevraagd het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering aan te passen als vermeld in artikel 10, eerste lid, blijft de datum waarop het initiële ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering is bezorgd, de datum van de aanvraag, op voorwaarde dat de aanpassingen worden bezorgd binnen drie maanden vanaf de datum waarop het agentschap heeft meegedeeld dat de praktische regels, vermeld in artikel 9, tweede lid, niet geheel werden gevolgd, en op voorwaarde dat het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering wordt goedgekeurd.
Als het multidisciplinaire verslag niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt bezorgd, is de datum van de aanvraag de laatste dag van de termijn waar het multidisciplinaire verslag moest worden bezorgd.
Als de aanpassingen, vermeld in artikel 10, niet binnen drie maanden worden bezorgd, is de datum van de aanvraag de datum waarop de aanpassingen worden bezorgd, op voorwaarde dat het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering wordt goedgekeurd.
Als de aanvrager of het multidisciplinaire team aantoont dat het multidisciplinaire verslag niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, kan worden bezorgd als gevolg van overmacht, blijft de datum van de aanvraag de datum waarop het ondersteuningsplan wordt bezorgd door de dienst Ondersteuningsplan of door de persoon met een handicap, op voorwaarde dat het ondersteuningsplan wordt goedgekeurd door het agentschap.
§ 2. Als de aanvrager de aanpassingen aan het ondersteuningsplan die het agentschap heeft gevraagd conform artikel 10, eerste lid, niet aan het agentschap bezorgt binnen de periode van drie maanden vermeld in het tweede lid van paragraaf 1, kent het agentschap een nieuwe periode van drie maanden toe om de gevraagde aanpassingen te bezorgen. Als de aanpassingen niet worden bezorgd binnen de nieuwe periode van drie maanden, wordt de aanvraag stop gezet.
Als het multidisciplinair verslag niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid van paragraaf 1, wordt bezorgd kent het agentschap een nieuwe termijn van vijf maanden toe om het multidisciplinair verslag te bezorgen. Als het multidisciplinair verslag niet wordt bezorgd binnen de voormelde nieuwe termijn van vijf maanden, wordt de aanvraag stopgezet.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel is de datum waarop het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering wordt bezorgd aan het agentschap, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, of de datum waarop de aanpassingen worden bezorgd, vermeld in paragraaf 1, tweede en vierde lid, de datum van de poststempel of de datum waarop het ondersteuningsplan persoonsvolgende financiering of de aanpassingen elektronisch worden verstuurd. ".
Art. 3. L'article 5 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 5. § 1er. La date de la demande est la date de remise Ă l'agence du plan de soutien de l'aide financiĂšre personnalisĂ©e Ă condition qu'un rapport multidisciplinaire soit prĂ©sentĂ© dans les cinq mois. Lorsque le plan de soutien de l'aide financiĂšre personnalisĂ©e est soumis par le demandeur lui-mĂȘme, une condition supplĂ©mentaire s'applique, notamment que le plan de soutien de l'aide financiĂšre personnalisĂ©e soit approuvĂ© par l'agence. Dans ce cas, le dĂ©lai de prĂ©sentation du rapport multidisciplinaire prend cours Ă la date de l'approbation.
Lorsque l'agence a demandé au demandeur d'apporter des adaptations au plan de soutien de l'aide financiÚre personnalisée, comme prévues à l'article 10, alinéa 1er, la date de présentation du plan de soutien initial de l'aide financiÚre personnalisée reste la date de la demande à condition que les adaptations soient transmises dans les trois mois de la date à laquelle l'agence a communiqué que les rÚgles pratiques visées à l'article 9, alinéa 2, n'ont pas été entiÚrement respectées, et à condition que le plan de soutien de l'aide financiÚre personnalisée soit approuvé.
Lorsque le rapport multidisciplinaire n'est pas présenté dans le délai visé à l'alinéa 1er, la date de la demande est le dernier jour du délai de présentation du rapport multidisciplinaire.
Lorsque les adaptations visées à l'article 10 ne sont pas transmises dans les trois mois, la date de la demande est la date à laquelle les adaptations sont transmises, à condition que le plan de soutien de l'aide financiÚre personnalisée soit approuvé.
Lorsque le demandeur ou l'Ă©quipe multidisciplinaire dĂ©montre que le rapport multidisciplinaire ne peut pas ĂȘtre transmis dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, pour cause de force majeure, la date de la demande reste la date Ă laquelle le plan de soutien est prĂ©sentĂ© par le service Plan de Soutien ou par la personne en situation de handicap, Ă condition que le plan de soutien soit approuvĂ© par l'agence.
§ 2. Lorsque le demandeur ne transmet pas les adaptations du plan de soutien demandées par l'agence conformément à l'article 10, alinéa 1er, dans la période de trois mois visée à l'alinéa 2 du paragraphe 1er, l'agence accorde une nouvelle période de trois moins pour transmettre les adaptations demandées. Lorsque les adaptations ne sont pas transmises dans la nouvelle période de trois mois, il est mis un terme à la demande.
Lorsque le rapport multidisciplinaire n'est pas présenté dans le délai visé à l'alinéa 1er du paragraphe 1er, l'agence impartit un nouveau délai de cinq mois pour présenter le rapport multidisciplinaire. Lorsque le rapport multidisciplinaire n'est pas présenté dans le délai précité de cinq mois, il est mis un terme à la demande.
§ 3. Pour l'application du présent article, la date de présentation du plan de soutien de l'aide financiÚre personnalisée à l'agence, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou la date de présentation des adaptations, visée au paragraphe 1er, alinéas 2 et 4, est la date de la poste ou la date de présentation électronique du plan de soutien de l'aide financiÚre personnalisée ou des adaptations. ".
" Art. 5. § 1er. La date de la demande est la date de remise Ă l'agence du plan de soutien de l'aide financiĂšre personnalisĂ©e Ă condition qu'un rapport multidisciplinaire soit prĂ©sentĂ© dans les cinq mois. Lorsque le plan de soutien de l'aide financiĂšre personnalisĂ©e est soumis par le demandeur lui-mĂȘme, une condition supplĂ©mentaire s'applique, notamment que le plan de soutien de l'aide financiĂšre personnalisĂ©e soit approuvĂ© par l'agence. Dans ce cas, le dĂ©lai de prĂ©sentation du rapport multidisciplinaire prend cours Ă la date de l'approbation.
Lorsque l'agence a demandé au demandeur d'apporter des adaptations au plan de soutien de l'aide financiÚre personnalisée, comme prévues à l'article 10, alinéa 1er, la date de présentation du plan de soutien initial de l'aide financiÚre personnalisée reste la date de la demande à condition que les adaptations soient transmises dans les trois mois de la date à laquelle l'agence a communiqué que les rÚgles pratiques visées à l'article 9, alinéa 2, n'ont pas été entiÚrement respectées, et à condition que le plan de soutien de l'aide financiÚre personnalisée soit approuvé.
Lorsque le rapport multidisciplinaire n'est pas présenté dans le délai visé à l'alinéa 1er, la date de la demande est le dernier jour du délai de présentation du rapport multidisciplinaire.
Lorsque les adaptations visées à l'article 10 ne sont pas transmises dans les trois mois, la date de la demande est la date à laquelle les adaptations sont transmises, à condition que le plan de soutien de l'aide financiÚre personnalisée soit approuvé.
Lorsque le demandeur ou l'Ă©quipe multidisciplinaire dĂ©montre que le rapport multidisciplinaire ne peut pas ĂȘtre transmis dans le dĂ©lai visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, pour cause de force majeure, la date de la demande reste la date Ă laquelle le plan de soutien est prĂ©sentĂ© par le service Plan de Soutien ou par la personne en situation de handicap, Ă condition que le plan de soutien soit approuvĂ© par l'agence.
§ 2. Lorsque le demandeur ne transmet pas les adaptations du plan de soutien demandées par l'agence conformément à l'article 10, alinéa 1er, dans la période de trois mois visée à l'alinéa 2 du paragraphe 1er, l'agence accorde une nouvelle période de trois moins pour transmettre les adaptations demandées. Lorsque les adaptations ne sont pas transmises dans la nouvelle période de trois mois, il est mis un terme à la demande.
Lorsque le rapport multidisciplinaire n'est pas présenté dans le délai visé à l'alinéa 1er du paragraphe 1er, l'agence impartit un nouveau délai de cinq mois pour présenter le rapport multidisciplinaire. Lorsque le rapport multidisciplinaire n'est pas présenté dans le délai précité de cinq mois, il est mis un terme à la demande.
§ 3. Pour l'application du présent article, la date de présentation du plan de soutien de l'aide financiÚre personnalisée à l'agence, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou la date de présentation des adaptations, visée au paragraphe 1er, alinéas 2 et 4, est la date de la poste ou la date de présentation électronique du plan de soutien de l'aide financiÚre personnalisée ou des adaptations. ".
Art. 4. In artikel 34, eerste lid, van hetzelfde besluit worden tussen de woorden "integrale jeugdhulp" en de zinsnede ", wordt ingediend" de woorden "of is toegewezen door het agentschap" ingevoegd.
Art. 4. Dans l'article 34, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " ou est attribuĂ©e par l'agence " sont insĂ©rĂ©s entre le membre de phrase " l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse, " et le membre de phrase " est introduite ".
Art. 5. In artikel 37, § 1, 4°, van hetzelfde besluit worden tussen de woorden " integrale jeugdhulp" en de zinsnede ", niet overschrijdt" de woorden "of opgenomen in de beslissing van het agentschap tot toewijzing van jeugdhulpverlening" ingevoegd.
Art. 5. Dans l'article 37, § 1er, 4°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " ou reprise dans la dĂ©cision de l'agence attribuant l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse " sont insĂ©rĂ©s aprĂšs le membre de phrase " du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif Ă l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse ".
Art. 6. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering, van 4 maart 2016, 27 mei 2016, 10 juni 2016 en 24 juni 2016, wordt een artikel 54/1 ingevoegd dat luidt als volgt:
"Art. 54/1. In afwijking van artikel 35, § 3, wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat wordt toegewezen na een aanvraag tot herziening van het toegewezen budget, die wordt ingediend door een aanvrager aan wie een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning is toegewezen met toepassing van artikel 3 tot en met 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering, behalve als de herziening wordt gevraagd met toepassing van artikel 16 van het voormelde besluit, binnen elke prioriteitengroep gerangschikt met dezelfde datum als de datum waarmee de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat is toegewezen conform artikel 11 of 12 van het voormelde besluit, binnen de toegekende prioriteitengroep is gerangschikt, als de herziening alleen de toewijzing van een andere budgetcategorie maar geen wijziging van de toegekende prioriteitengroep tot gevolg heeft.".
"Art. 54/1. In afwijking van artikel 35, § 3, wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat wordt toegewezen na een aanvraag tot herziening van het toegewezen budget, die wordt ingediend door een aanvrager aan wie een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning is toegewezen met toepassing van artikel 3 tot en met 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering, behalve als de herziening wordt gevraagd met toepassing van artikel 16 van het voormelde besluit, binnen elke prioriteitengroep gerangschikt met dezelfde datum als de datum waarmee de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning dat is toegewezen conform artikel 11 of 12 van het voormelde besluit, binnen de toegekende prioriteitengroep is gerangschikt, als de herziening alleen de toewijzing van een andere budgetcategorie maar geen wijziging van de toegekende prioriteitengroep tot gevolg heeft.".
Art. 6. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 4 mars 2016, 27 mai 2016, 10 juin 2016 et 24 juin 2016, il est insĂ©rĂ© un article 54/1, rĂ©digĂ© comme suit :
" Art. 54/1. Par dĂ©rogation Ă l'article 35, § 3, la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles attribuĂ© aprĂšs une demande de rĂ©vision du budget attribuĂ© dĂ©posĂ©e par un demandeur bĂ©nĂ©ficiaire d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles en application des articles 3 Ă 14 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapĂ©es ayant une demande de soins active vers le financement personnalisĂ©, sauf si la rĂ©vision est demandĂ©e en application de l'article 16 de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, est classĂ©e dans chaque groupe prioritaire avec la mĂȘme date que la date de la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles attribuĂ© conformĂ©ment Ă l'article 11 ou 12 de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© est classĂ©e dans le groupe prioritaire attribuĂ©, lorsque la rĂ©vision entraĂźne uniquement l'attribution d'une autre catĂ©gorie budgĂ©taire mais pas de modification du groupe prioritaire attribuĂ©. ".
" Art. 54/1. Par dĂ©rogation Ă l'article 35, § 3, la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles attribuĂ© aprĂšs une demande de rĂ©vision du budget attribuĂ© dĂ©posĂ©e par un demandeur bĂ©nĂ©ficiaire d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles en application des articles 3 Ă 14 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapĂ©es ayant une demande de soins active vers le financement personnalisĂ©, sauf si la rĂ©vision est demandĂ©e en application de l'article 16 de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, est classĂ©e dans chaque groupe prioritaire avec la mĂȘme date que la date de la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles attribuĂ© conformĂ©ment Ă l'article 11 ou 12 de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© est classĂ©e dans le groupe prioritaire attribuĂ©, lorsque la rĂ©vision entraĂźne uniquement l'attribution d'une autre catĂ©gorie budgĂ©taire mais pas de modification du groupe prioritaire attribuĂ©. ".
Art. 7. In artikel 56 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zinsnede ",4° " geschrapt;
2° tussen het eerste lid en het tweede lid worden een tweede tot en met vierde lid ingevoegd die luiden als volgt:
"Artikel 37, § 1, 4°, treedt in werking op 1 januari 2017 voor de personen met een handicap die op het moment van de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruikmaken van een persoonlijke assistentiebudget dat is toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of dat is toegewezen door het agentschap.
Artikel 37, § 1, 4°, treedt in werking op 1 januari 2020 voor de personen met een handicap die op het moment van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruikmaken van een andere vorm van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening dan een persoonlijke assistentiebudget.
Bij wijze van overgangsmaatregel wordt het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor het bedrag van het budget dat is toegewezen en dat het bedrag van de subsidies die door het agentschap zijn betaald voor de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening niet overschrijdt, in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 op de volgende wijze ter beschikking gesteld aan de personen met een handicap die op het moment van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruikmaken van een andere vorm van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening dan een persoonlijke assistentiebudget:
1° in 2017: de personen met een handicap die geboren zijn in het jaar 1994 of vroeger;
2° in het jaar 2018: de personen met een handicap die geboren zijn in het jaar 1996 of vroeger;
3° in het jaar 2019: de personen met een handicap die geboren zijn in het jaar 1998 of vroeger.
In de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 wordt de persoon met een handicap die op het moment van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruik maakt van een andere vorm van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening dan een persoonlijke assistentiebudget en die conform het vierde lid nog niet in aanmerking komt voor een terbeschikkingstelling van het budget, ambtshalve in prioriteitengroep één als vermeld in artikel 23 van dit besluit geplaatst voor het bedrag van het budget dat is toegewezen en dat het bedrag van de subsidies die het agentschap zijn betaald voor de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening niet overschrijdt.
1° in het eerste lid wordt de zinsnede ",4° " geschrapt;
2° tussen het eerste lid en het tweede lid worden een tweede tot en met vierde lid ingevoegd die luiden als volgt:
"Artikel 37, § 1, 4°, treedt in werking op 1 januari 2017 voor de personen met een handicap die op het moment van de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruikmaken van een persoonlijke assistentiebudget dat is toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of dat is toegewezen door het agentschap.
Artikel 37, § 1, 4°, treedt in werking op 1 januari 2020 voor de personen met een handicap die op het moment van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruikmaken van een andere vorm van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening dan een persoonlijke assistentiebudget.
Bij wijze van overgangsmaatregel wordt het budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor het bedrag van het budget dat is toegewezen en dat het bedrag van de subsidies die door het agentschap zijn betaald voor de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening niet overschrijdt, in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 op de volgende wijze ter beschikking gesteld aan de personen met een handicap die op het moment van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruikmaken van een andere vorm van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening dan een persoonlijke assistentiebudget:
1° in 2017: de personen met een handicap die geboren zijn in het jaar 1994 of vroeger;
2° in het jaar 2018: de personen met een handicap die geboren zijn in het jaar 1996 of vroeger;
3° in het jaar 2019: de personen met een handicap die geboren zijn in het jaar 1998 of vroeger.
In de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 wordt de persoon met een handicap die op het moment van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning gebruik maakt van een andere vorm van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening dan een persoonlijke assistentiebudget en die conform het vierde lid nog niet in aanmerking komt voor een terbeschikkingstelling van het budget, ambtshalve in prioriteitengroep één als vermeld in artikel 23 van dit besluit geplaatst voor het bedrag van het budget dat is toegewezen en dat het bedrag van de subsidies die het agentschap zijn betaald voor de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening niet overschrijdt.
Art. 7. A l'article 56 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " , 4° " est supprimé :
2° il est inséré entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, des alinéas 2 à 4 ainsi rédigés :
" L'article 37, § 1er, 4°, entre en vigueur le 1er janvier 2017 pour les personnes en situation de handicap qui, au moment de la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles bénéficient d'un budget d'assistance personnelle attribué en application du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ou accordé par l'agence.
L'article 37, § 1er, 4°, entre en vigueur le 1er janvier 2020 pour les personnes en situation de handicap qui, au moment de la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles bénéficient d'une forme d'aide à la jeunesse non directement accessible autre qu'un budget d'assistance personnelle.
Par mesure transitoire, la mise à disposition du budget pour des soins et du soutien non directement accessibles pour le montant du budget qui est attribué et qui ne dépasse pas le montant des subventions payées par l'agence pour l'aide à la jeunesse non directement accessible dans la période du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2019 aux personnes en situation de handicap qui, au moment de la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles, utilisent une forme d'aide à la jeunesse non directement accessibles autre qu'un budget d'assistance personnelle, se fait comme suit :
1° en 2017: les personnes en situation de handicap nées en 1994 ou plus tÎt ;
2° en 2018: les personnes en situation de handicap nées en 1996 ou plus tÎt ;
3° en 2019: les personnes en situation de handicap nées en 1998 ou plus tÎt.
Dans la pĂ©riode du 1er janvier 2017 au 31 dĂ©cembre 2019, la personne en situation de handicap qui, au moment de la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles utilisent une forme d'aide Ă la jeunesse non directement accessible autre qu'un budget d'assistance personnelle et qui, conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 4, n'est pas encore Ă©ligible Ă une mise Ă disposition d'un budget, est placĂ©e d'office dans le groupe prioritaire 1 au sens de l'article 23 dudit arrĂȘtĂ© pour le montant du budget qui est attribuĂ© et qui ne dĂ©passe pas ce montant des subventions payĂ©es par l'agence pour l'aide Ă la jeunesse non directement accessibles.
1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " , 4° " est supprimé :
2° il est inséré entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, des alinéas 2 à 4 ainsi rédigés :
" L'article 37, § 1er, 4°, entre en vigueur le 1er janvier 2017 pour les personnes en situation de handicap qui, au moment de la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles bénéficient d'un budget d'assistance personnelle attribué en application du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ou accordé par l'agence.
L'article 37, § 1er, 4°, entre en vigueur le 1er janvier 2020 pour les personnes en situation de handicap qui, au moment de la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles bénéficient d'une forme d'aide à la jeunesse non directement accessible autre qu'un budget d'assistance personnelle.
Par mesure transitoire, la mise à disposition du budget pour des soins et du soutien non directement accessibles pour le montant du budget qui est attribué et qui ne dépasse pas le montant des subventions payées par l'agence pour l'aide à la jeunesse non directement accessible dans la période du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2019 aux personnes en situation de handicap qui, au moment de la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles, utilisent une forme d'aide à la jeunesse non directement accessibles autre qu'un budget d'assistance personnelle, se fait comme suit :
1° en 2017: les personnes en situation de handicap nées en 1994 ou plus tÎt ;
2° en 2018: les personnes en situation de handicap nées en 1996 ou plus tÎt ;
3° en 2019: les personnes en situation de handicap nées en 1998 ou plus tÎt.
Dans la pĂ©riode du 1er janvier 2017 au 31 dĂ©cembre 2019, la personne en situation de handicap qui, au moment de la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles utilisent une forme d'aide Ă la jeunesse non directement accessible autre qu'un budget d'assistance personnelle et qui, conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 4, n'est pas encore Ă©ligible Ă une mise Ă disposition d'un budget, est placĂ©e d'office dans le groupe prioritaire 1 au sens de l'article 23 dudit arrĂȘtĂ© pour le montant du budget qui est attribuĂ© et qui ne dĂ©passe pas ce montant des subventions payĂ©es par l'agence pour l'aide Ă la jeunesse non directement accessibles.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapĂ©es ayant une demande de soins active vers le financement personnalisĂ©
Art. 8. In artikel 11, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering wordt punt 5° opgeheven.
Art. 8. Dans l'article 11, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapĂ©es ayant une demande de soins active vers le financement personnalisĂ©, le point 5° est supprimĂ©.
Art. 9. In hetzelfde besluit wordt een artikel 27/1 ingevoegd dat luidt als volgt:
"Art. 27/1. In dit artikel wordt verstaan onder niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening: de jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 5, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp, en de ondersteuning die geboden wordt door een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap.
In de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 word het budget dat met toepassing van artikel 3 tot en met artikel 14 is toegewezen aan de personen met een handicap aan wie niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening is toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of is toegewezen door het agentschap, gefaseerd ter beschikking gesteld voor het bedrag van het budget dat is toegewezen en dat het bedrag van de subsidies die door het agentschap zijn betaald voor de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening niet overschrijdt.
Voor de terbeschikkingstellingen, vermeld in het tweede lid, gelden de volgende fasen:
1° in 2017 wordt het budget ter beschikking gesteld aan de personen met een handicap die geboren zijn in het jaar 1994 of vroeger en die in het jaar 2017 gebruik maken van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening;
2° in het jaar 2018 wordt het budget ter beschikking gesteld aan de personen met een handicap die geboren zijn in het jaar 1996 of vroeger en die in het jaar 2018 gebruik maken van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening;
3° in het jaar 2019 wordt het budget ter beschikking gesteld aan de personen met een handicap die geboren zijn in het jaar 1998 of vroeger en die in het jaar 2019 gebruik maken van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening.
Als het budget ter beschikking wordt gesteld aan de personen met een handicap, vermeld in het tweede lid, moeten ze conform artikel 16 een aanvraag tot herziening van de toegewezen budgetcategorie indienen bij het agentschap.
In afwijking van artikel 17, eerste lid, heeft de beslissing tot toewijzing na herziening uitwerking vanaf de eerste dag van de vierde maand na de datum die opgenomen is in de beslissing tot toewijzing als de budgetcategorie, vermeld in de beslissing tot toewijzing, na de herziening lager is dan het bedrag, vermeld in het tweede lid, dat ter beschikking gesteld is.
In afwijking van artikel 17, tweede lid, van dit besluit wordt het bedrag, vermeld in het tweede lid, verder ter beschikking gesteld als de budgetcategorie, vermeld in de beslissing tot toewijzing na de herziening hoger is dan de budgetcategorie, vermeld in de beslissing tot toewijzing, vermeld in artikel 14 van dit besluit. Het agentschap legt het dossier voor aan de regionale prioriteitencommissie, vermeld in artikel 23 van het besluit van 27 november 2015 voor het deel van de budgetcategorie dat het bedrag, vermeld in het tweede lid, overschrijdt.".
"Art. 27/1. In dit artikel wordt verstaan onder niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening: de jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 5, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp, en de ondersteuning die geboden wordt door een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap.
In de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 word het budget dat met toepassing van artikel 3 tot en met artikel 14 is toegewezen aan de personen met een handicap aan wie niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening is toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of is toegewezen door het agentschap, gefaseerd ter beschikking gesteld voor het bedrag van het budget dat is toegewezen en dat het bedrag van de subsidies die door het agentschap zijn betaald voor de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening niet overschrijdt.
Voor de terbeschikkingstellingen, vermeld in het tweede lid, gelden de volgende fasen:
1° in 2017 wordt het budget ter beschikking gesteld aan de personen met een handicap die geboren zijn in het jaar 1994 of vroeger en die in het jaar 2017 gebruik maken van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening;
2° in het jaar 2018 wordt het budget ter beschikking gesteld aan de personen met een handicap die geboren zijn in het jaar 1996 of vroeger en die in het jaar 2018 gebruik maken van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening;
3° in het jaar 2019 wordt het budget ter beschikking gesteld aan de personen met een handicap die geboren zijn in het jaar 1998 of vroeger en die in het jaar 2019 gebruik maken van niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening.
Als het budget ter beschikking wordt gesteld aan de personen met een handicap, vermeld in het tweede lid, moeten ze conform artikel 16 een aanvraag tot herziening van de toegewezen budgetcategorie indienen bij het agentschap.
In afwijking van artikel 17, eerste lid, heeft de beslissing tot toewijzing na herziening uitwerking vanaf de eerste dag van de vierde maand na de datum die opgenomen is in de beslissing tot toewijzing als de budgetcategorie, vermeld in de beslissing tot toewijzing, na de herziening lager is dan het bedrag, vermeld in het tweede lid, dat ter beschikking gesteld is.
In afwijking van artikel 17, tweede lid, van dit besluit wordt het bedrag, vermeld in het tweede lid, verder ter beschikking gesteld als de budgetcategorie, vermeld in de beslissing tot toewijzing na de herziening hoger is dan de budgetcategorie, vermeld in de beslissing tot toewijzing, vermeld in artikel 14 van dit besluit. Het agentschap legt het dossier voor aan de regionale prioriteitencommissie, vermeld in artikel 23 van het besluit van 27 november 2015 voor het deel van de budgetcategorie dat het bedrag, vermeld in het tweede lid, overschrijdt.".
Art. 9. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un article 27/1, rĂ©digĂ© comme suit :
" Art. 27/1. Dans le prĂ©sent article, on entend par aide Ă la jeunesse non directement accessible : l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse visĂ©e Ă l'article 5, 1°, 3°, 4°, 5° et 6°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 fĂ©vrier 2014 relatif Ă l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse et le soutien prĂ©vu par un centre multifonctionnel pour personnes handicapĂ©es mineures tel que visĂ© Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 fĂ©vrier 2016 portant agrĂ©ment et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapĂ©es mineures.
Dans la période du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2019, le budget qui est attribué en application des articles 3 à 14 aux personnes en situation de handicap à qui une aide à la jeunesse non directement accessible est attribuée en application du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ou est attribué par l'agence, est mis à disposition en phases pour le montant du budget qui est attribué et qui ne dépasse pas le montant des subventions payées par l'agence pour l'aide intégrale à la jeunesse non directement accessible.
Les mises à disposition visées à l'alinéa 2, se déroulent selon les phases suivantes :
1° en 2017, le budget est mis à disposition des personnes en situation de handicap qui sont nées en 1994 ou plus tÎt et qui utilisent dans l'année 2017 l'aide à la jeunesse non directement accessible ;
2° en 2018, le budget est mis à disposition des personnes en situation de handicap qui sont nées en 1996 ou plus tÎt et qui utilisent dans l'année 2018 l'aide à la jeunesse non directement accessible ;
3° en 2019, le budget est mis à disposition des personnes en situation de handicap qui sont nées en 1998 ou plus tÎt et qui utilisent dans l'année 2019 l'aide à la jeunesse non directement accessible.
Lorsque le budget est mis à disposition des personnes en situation de handicap visées à l'alinéa 2, ceux-ci doivent introduire, conformément à l'article 16, auprÚs de l'agence une demande de révision de la catégorie budgétaire attribuée.
Par dérogation à l'article 17, alinéa 1er, la décision d'attribution aprÚs révision produit ses effets le premier jour du quatriÚme mois aprÚs la date figurant dans la décision d'attribution lorsque la catégorie budgétaire visée dans la décision d'attribution, est inférieure, aprÚs révision, au montant visé à l'alinéa 2 qui est mis à disposition.
Par dĂ©rogation Ă l'article 17, alinĂ©a 2, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le montant visĂ© Ă l'alinĂ©a 2 continu Ă ĂȘtre mis Ă disposition lorsque la catĂ©gorie budgĂ©taire prĂ©vue Ă la dĂ©cision d'attribution est supĂ©rieure, aprĂšs rĂ©vision, Ă la catĂ©gorie budgĂ©taire prĂ©vue Ă la dĂ©cision d'attribution visĂ©e Ă l'article 14 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. L'agence soumet le dossier Ă la commission rĂ©gionale des prioritĂ©s, visĂ©e Ă l'article 23 de l'arrĂȘtĂ© du 27 novembre 2015 pour la partie de la catĂ©gorie budgĂ©taire qui dĂ©passe le montant visĂ© Ă l'alinĂ©a 2. ".
" Art. 27/1. Dans le prĂ©sent article, on entend par aide Ă la jeunesse non directement accessible : l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse visĂ©e Ă l'article 5, 1°, 3°, 4°, 5° et 6°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 fĂ©vrier 2014 relatif Ă l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse et le soutien prĂ©vu par un centre multifonctionnel pour personnes handicapĂ©es mineures tel que visĂ© Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 fĂ©vrier 2016 portant agrĂ©ment et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapĂ©es mineures.
Dans la période du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2019, le budget qui est attribué en application des articles 3 à 14 aux personnes en situation de handicap à qui une aide à la jeunesse non directement accessible est attribuée en application du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ou est attribué par l'agence, est mis à disposition en phases pour le montant du budget qui est attribué et qui ne dépasse pas le montant des subventions payées par l'agence pour l'aide intégrale à la jeunesse non directement accessible.
Les mises à disposition visées à l'alinéa 2, se déroulent selon les phases suivantes :
1° en 2017, le budget est mis à disposition des personnes en situation de handicap qui sont nées en 1994 ou plus tÎt et qui utilisent dans l'année 2017 l'aide à la jeunesse non directement accessible ;
2° en 2018, le budget est mis à disposition des personnes en situation de handicap qui sont nées en 1996 ou plus tÎt et qui utilisent dans l'année 2018 l'aide à la jeunesse non directement accessible ;
3° en 2019, le budget est mis à disposition des personnes en situation de handicap qui sont nées en 1998 ou plus tÎt et qui utilisent dans l'année 2019 l'aide à la jeunesse non directement accessible.
Lorsque le budget est mis à disposition des personnes en situation de handicap visées à l'alinéa 2, ceux-ci doivent introduire, conformément à l'article 16, auprÚs de l'agence une demande de révision de la catégorie budgétaire attribuée.
Par dérogation à l'article 17, alinéa 1er, la décision d'attribution aprÚs révision produit ses effets le premier jour du quatriÚme mois aprÚs la date figurant dans la décision d'attribution lorsque la catégorie budgétaire visée dans la décision d'attribution, est inférieure, aprÚs révision, au montant visé à l'alinéa 2 qui est mis à disposition.
Par dĂ©rogation Ă l'article 17, alinĂ©a 2, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le montant visĂ© Ă l'alinĂ©a 2 continu Ă ĂȘtre mis Ă disposition lorsque la catĂ©gorie budgĂ©taire prĂ©vue Ă la dĂ©cision d'attribution est supĂ©rieure, aprĂšs rĂ©vision, Ă la catĂ©gorie budgĂ©taire prĂ©vue Ă la dĂ©cision d'attribution visĂ©e Ă l'article 14 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. L'agence soumet le dossier Ă la commission rĂ©gionale des prioritĂ©s, visĂ©e Ă l'article 23 de l'arrĂȘtĂ© du 27 novembre 2015 pour la partie de la catĂ©gorie budgĂ©taire qui dĂ©passe le montant visĂ© Ă l'alinĂ©a 2. ".
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap
CHAPITRE 3. - Modification de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapĂ©es
Art. 10. In artikel 7, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende het vergunnen van aanbieders van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor personen met een handicap wordt de zinsnede "artikel 2" vervangen door de zinsnede "artikel 3".
Art. 10. Dans l'article 7, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant autorisation des offreurs de soins et de soutien non directement accessibles pour personnes handicapĂ©es, le membre de phrase " article 2 " est remplacĂ© par le membre de phrase " article 3 ".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016 over de oprichting van een regionale prioriteitencommissie, de toekenning van prioriteitengroepen, de vaststelling van de maatschappelijke noodzaak, de toeleiding naar ondersteuning, de afstemming en planning in het kader van persoonsvolgende financiering
CHAPITRE 4. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 mars 2016 relatif Ă la crĂ©ation d'une commission rĂ©gionale des prioritĂ©s, Ă l'identification de groupes prioritaires, Ă la dĂ©termination de la nĂ©cessitĂ© sociale, Ă l'orientation vers le soutien, ainsi qu'Ă l'harmonisation et la planification dans le cadre de l'aide financiĂšre personnalisĂ©e
Art. 11. Aan artikel 13, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2016 over de oprichting van een regionale prioriteitencommissie, de toekenning van prioriteitengroepen, de vaststelling van de maatschappelijke noodzaak, de toeleiding naar ondersteuning, de afstemming en planning in het kader van persoonsvolgende financiering worden een derde tot en met een vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
"In afwijking van het tweede lid wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van personen met een handicap aan wie jeugdhulpverlening, met uitzondering van een persoonlijke assistentiebudget was toegekend, binnen elke prioriteitengroep gerangschikt met een datum die drie jaar voorafgaat aan de datum van de aanvraag van het budget als aan de navolgende voorwaarden is voldaan:
1° de persoon met een handicap heeft gedurende minstens drie jaren voorafgaand aan de datum van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning onafgebroken op de intersectorale registratielijst, vermeld in artikel 26, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, gestaan;
2° het agentschap heeft gedurende de periode, vermeld in punt 1°, geen niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp voor de betrokken persoon met een handicap gefinancierd.
Als de jeugdhulpverlening die was toegekend bestond uit een persoonlijke assistentiebudget wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van de personen met een handicap die voldoen aan de voorwaarden vermeld in het derde lid, in afwijking van het derde lid binnen elke prioriteitengroep gerangschikt met de datum van de aanvraag van het persoonlijke assistentiebudget met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp decreet of met de datum waarop het agentschap de aanvraag om een persoonlijke assistentiebudget te verkrijgen, vermeld in artikel 3 van het besluit van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget, heeft ontvangen.
In dit artikel wordt verstaan onder jeugdhulpverlening: de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 5, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp en de ondersteuning die geboden wordt door een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap die is toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of is toegewezen door het agentschap.".
"In afwijking van het tweede lid wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van personen met een handicap aan wie jeugdhulpverlening, met uitzondering van een persoonlijke assistentiebudget was toegekend, binnen elke prioriteitengroep gerangschikt met een datum die drie jaar voorafgaat aan de datum van de aanvraag van het budget als aan de navolgende voorwaarden is voldaan:
1° de persoon met een handicap heeft gedurende minstens drie jaren voorafgaand aan de datum van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning onafgebroken op de intersectorale registratielijst, vermeld in artikel 26, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp, gestaan;
2° het agentschap heeft gedurende de periode, vermeld in punt 1°, geen niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp voor de betrokken persoon met een handicap gefinancierd.
Als de jeugdhulpverlening die was toegekend bestond uit een persoonlijke assistentiebudget wordt de vraag naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van de personen met een handicap die voldoen aan de voorwaarden vermeld in het derde lid, in afwijking van het derde lid binnen elke prioriteitengroep gerangschikt met de datum van de aanvraag van het persoonlijke assistentiebudget met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp decreet of met de datum waarop het agentschap de aanvraag om een persoonlijke assistentiebudget te verkrijgen, vermeld in artikel 3 van het besluit van 15 december 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden van toekenning van een persoonlijke-assistentiebudget aan personen met een handicap, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 over de indiening en de afhandeling van de aanvraag van een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over de terbeschikkingstelling van dat budget, heeft ontvangen.
In dit artikel wordt verstaan onder jeugdhulpverlening: de niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening, vermeld in artikel 5, 1°, 3°, 4°, 5° en 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp en de ondersteuning die geboden wordt door een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap die is toegekend met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp of is toegewezen door het agentschap.".
Art. 11. Dans l'article 13, § 2, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 mars 2016 relatif Ă la crĂ©ation d'une commission rĂ©gionale des prioritĂ©s, Ă l'identification de groupes prioritaires, Ă la dĂ©termination de la nĂ©cessitĂ© sociale, Ă l'orientation vers le soutien, ainsi qu'Ă l'harmonisation et la planification dans le cadre de l'aide financiĂšre personnalisĂ©e, il est insĂ©rĂ© des alinĂ©as 3 Ă 5 ainsi rĂ©digĂ©s :
" Par dérogation à l'alinéa 2, la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles de personnes en situation de handicap à qui était attribuée une aide à la jeunesse, à l'exception d'un budget d'assistance personnelle, est classée au sein de chaque groupe prioritaire avec une date précédant de trois ans celle de la demande du budget s'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° pendant au moins trois ans précédant la date de la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles, la personne en situation de handicap a figuré sans interruption sur la liste d'enregistrement intersectorielle visée à l'article 26, § 1er, alinéa 1er, 1°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
2° l'agence n'a financé pendant la période visée au point 1°, aucune aide à la jeunesse non directement accessible pour la personne handicapée concernée.
Lorsque l'aide Ă la jeunesse attribuĂ©e consistait d'un budget d'assistance personnelle, la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles des personnes en situation de handicap qui satisfont aux conditions visĂ©es Ă l'alinĂ©a 3, par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 3, est classĂ©e dans chaque groupe prioritaire avec la date de demande du budget d'assistance personnelle en application du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif Ă l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse ou avec la date Ă laquelle l'agence a reçu la demande d'un budget d'assistance personnelle visĂ©e Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 2000 Ă©tablissant les conditions d'octroi d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapĂ©es tel que d'application avant l'entrĂ©e en vigueur de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif Ă l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles pour personnes majeures handicapĂ©es et relatif Ă la mise Ă disposition dudit budget.
Dans le prĂ©sent article, on entend par aide Ă la jeunesse : l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse non directement accessible visĂ©e Ă l'article 5, 1°, 3°, 4°, 5° et 6°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 fĂ©vrier 2014 relatif Ă l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse et le soutien prĂ©vu par un centre multifonctionnel pour personnes handicapĂ©es mineures tel que visĂ© Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 fĂ©vrier 2016 portant agrĂ©ment et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapĂ©es mineures qui est attribuĂ© en application du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif Ă l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse ou qui est attribuĂ© par l'agence. ".
" Par dérogation à l'alinéa 2, la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles de personnes en situation de handicap à qui était attribuée une aide à la jeunesse, à l'exception d'un budget d'assistance personnelle, est classée au sein de chaque groupe prioritaire avec une date précédant de trois ans celle de la demande du budget s'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° pendant au moins trois ans précédant la date de la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles, la personne en situation de handicap a figuré sans interruption sur la liste d'enregistrement intersectorielle visée à l'article 26, § 1er, alinéa 1er, 1°, du décret du 12 juillet 2013 relatif à l'aide intégrale à la jeunesse ;
2° l'agence n'a financé pendant la période visée au point 1°, aucune aide à la jeunesse non directement accessible pour la personne handicapée concernée.
Lorsque l'aide Ă la jeunesse attribuĂ©e consistait d'un budget d'assistance personnelle, la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles des personnes en situation de handicap qui satisfont aux conditions visĂ©es Ă l'alinĂ©a 3, par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 3, est classĂ©e dans chaque groupe prioritaire avec la date de demande du budget d'assistance personnelle en application du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif Ă l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse ou avec la date Ă laquelle l'agence a reçu la demande d'un budget d'assistance personnelle visĂ©e Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 2000 Ă©tablissant les conditions d'octroi d'un budget d'assistance personnelle aux personnes handicapĂ©es tel que d'application avant l'entrĂ©e en vigueur de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015 relatif Ă l'introduction et au traitement de la demande d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles pour personnes majeures handicapĂ©es et relatif Ă la mise Ă disposition dudit budget.
Dans le prĂ©sent article, on entend par aide Ă la jeunesse : l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse non directement accessible visĂ©e Ă l'article 5, 1°, 3°, 4°, 5° et 6°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 fĂ©vrier 2014 relatif Ă l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse et le soutien prĂ©vu par un centre multifonctionnel pour personnes handicapĂ©es mineures tel que visĂ© Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 fĂ©vrier 2016 portant agrĂ©ment et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapĂ©es mineures qui est attribuĂ© en application du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif Ă l'aide intĂ©grale Ă la jeunesse ou qui est attribuĂ© par l'agence. ".
Art. 12. In hoofdstuk 6 van hetzelfde besluit wordt een artikel 52/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 52/1. Als een persoon met een handicap aan wie een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning werd toegewezen met toepassing van artikel 3 tot en met 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering, een herziening van de toegekende prioriteitengroep vraagt en bovengebruikelijke zorg in de huidige situatie inroept, moet een gemotiveerde inschatting van het multidisciplinair team van de parameter begeleidingsintensiteit die de nood aan ondersteuning door personen overdag uitdrukt en van de parameter permanentie die de nood aan aanwezigheid van en toezicht door personen overdag uitdrukt bij de aanvraag worden gevoegd.
In afwijking van artikel 12, § 2, beoordeelt de regionale prioriteitencommissie de bovengebruikelijke zorg in de huidige situatie door de budgetcategorie die werd toegewezen te vergelijken met de budgetcategorie die overeenstemt met de gemotiveerde inschatting van het multidisciplinair team van de parameters begeleidingsintensiteit en permanentie.
Als de budgetcategorie die is toegewezen twee budgetcategorieën lager is dan de budgetcategorie die overeenstemt met de met de gemotiveerde inschatting van het multidisciplinair team van de parameters begeleidingsintensiteit en permanentie, is er sprake van bovengebruikelijke zorg in de huidige situatie.".
"Art. 52/1. Als een persoon met een handicap aan wie een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning werd toegewezen met toepassing van artikel 3 tot en met 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering, een herziening van de toegekende prioriteitengroep vraagt en bovengebruikelijke zorg in de huidige situatie inroept, moet een gemotiveerde inschatting van het multidisciplinair team van de parameter begeleidingsintensiteit die de nood aan ondersteuning door personen overdag uitdrukt en van de parameter permanentie die de nood aan aanwezigheid van en toezicht door personen overdag uitdrukt bij de aanvraag worden gevoegd.
In afwijking van artikel 12, § 2, beoordeelt de regionale prioriteitencommissie de bovengebruikelijke zorg in de huidige situatie door de budgetcategorie die werd toegewezen te vergelijken met de budgetcategorie die overeenstemt met de gemotiveerde inschatting van het multidisciplinair team van de parameters begeleidingsintensiteit en permanentie.
Als de budgetcategorie die is toegewezen twee budgetcategorieën lager is dan de budgetcategorie die overeenstemt met de met de gemotiveerde inschatting van het multidisciplinair team van de parameters begeleidingsintensiteit en permanentie, is er sprake van bovengebruikelijke zorg in de huidige situatie.".
Art. 12. Dans le chapitre 6 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un article 52/1, rĂ©digĂ© comme suit :
" Art. 52/1. Lorsqu'une personne en situation de handicap Ă qui un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles a Ă©tĂ© attribuĂ© en application des articles 3 Ă 14 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapĂ©es ayant une demande de soins active vers le financement personnalisĂ©, demande une rĂ©vision du groupe prioritaire attribuĂ© et invoque les soins en complĂ©ment des soins habituels actuellement dispensĂ©s, une apprĂ©ciation motivĂ©e par l'Ă©quipe multidisciplinaire du paramĂštre " intensitĂ© d'accompagnement " exprimant le besoin de soutien par des personnes pendant la journĂ©e, et du paramĂštre " permanence " exprimant le besoin d'une prĂ©sence de et d'une surveillance par des personnes pendant la journĂ©e doit ĂȘtre jointe Ă la demande.
Par dérogation à l'article 12, § 2, la commission régionale des priorités évalue les soins en complément des soins habituels actuellement dispensés en comparant la catégorie budgétaire attribuée avec la catégorie budgétaire qui correspond à l'appréciation motivée de l'équipe multidisciplinaire des paramÚtres " intensité d'accompagnement " et " permanence ".
Lorsque la catégorie budgétaire attribuée est deux catégories en-dessous de la catégorie budgétaire qui correspond à l'appréciation motivée de l'équipe multidisciplinaire des paramÚtres " intensité d'accompagnement " et " permanence ", il s'agit de soins en complément des soins habituels actuellement dispensés. ".
" Art. 52/1. Lorsqu'une personne en situation de handicap Ă qui un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles a Ă©tĂ© attribuĂ© en application des articles 3 Ă 14 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapĂ©es ayant une demande de soins active vers le financement personnalisĂ©, demande une rĂ©vision du groupe prioritaire attribuĂ© et invoque les soins en complĂ©ment des soins habituels actuellement dispensĂ©s, une apprĂ©ciation motivĂ©e par l'Ă©quipe multidisciplinaire du paramĂštre " intensitĂ© d'accompagnement " exprimant le besoin de soutien par des personnes pendant la journĂ©e, et du paramĂštre " permanence " exprimant le besoin d'une prĂ©sence de et d'une surveillance par des personnes pendant la journĂ©e doit ĂȘtre jointe Ă la demande.
Par dérogation à l'article 12, § 2, la commission régionale des priorités évalue les soins en complément des soins habituels actuellement dispensés en comparant la catégorie budgétaire attribuée avec la catégorie budgétaire qui correspond à l'appréciation motivée de l'équipe multidisciplinaire des paramÚtres " intensité d'accompagnement " et " permanence ".
Lorsque la catégorie budgétaire attribuée est deux catégories en-dessous de la catégorie budgétaire qui correspond à l'appréciation motivée de l'équipe multidisciplinaire des paramÚtres " intensité d'accompagnement " et " permanence ", il s'agit de soins en complément des soins habituels actuellement dispensés. ".
Art. 13. In hoofdstuk 6 van hetzelfde besluit wordt een artikel 52/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 52/2. In afwijking van artikel 13, § 2, tweede lid worden de vragen naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning in het jaar 2017, op het niveau van de provincies chronologisch gerangschikt binnen elke prioriteitengroep.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de vragen naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van de personen met een handicap die gedomicilieerd zijn in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad conform het tweede lid gerangschikt in de prioriteitengroepen voor de provincie Vlaams-Brabant.".
"Art. 52/2. In afwijking van artikel 13, § 2, tweede lid worden de vragen naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning in het jaar 2017, op het niveau van de provincies chronologisch gerangschikt binnen elke prioriteitengroep.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de vragen naar een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van de personen met een handicap die gedomicilieerd zijn in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad conform het tweede lid gerangschikt in de prioriteitengroepen voor de provincie Vlaams-Brabant.".
Art. 13. Dans le chapitre 6 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un article 52/2, rĂ©digĂ© comme suit :
" Art. 52/2. Par dérogation à l'article 13, § 2, alinéa 2, les demandes d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles en 2017 sont classées chronologiquement dans chaque groupe prioritaire au niveau des provinces.
Pour l'application de l'alinéa 1er, les demandes d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles des personnes en situation de handicap qui sont domiciliés en région bilingue de Bruxelles-Capitale sont classées conformément à l'alinéa 2 dans les groupes prioritaires pour la province du Brabant flamand. ".
" Art. 52/2. Par dérogation à l'article 13, § 2, alinéa 2, les demandes d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles en 2017 sont classées chronologiquement dans chaque groupe prioritaire au niveau des provinces.
Pour l'application de l'alinéa 1er, les demandes d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles des personnes en situation de handicap qui sont domiciliés en région bilingue de Bruxelles-Capitale sont classées conformément à l'alinéa 2 dans les groupes prioritaires pour la province du Brabant flamand. ".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten
CHAPITRE 5. - Modifications de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapĂ©es qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisĂ© ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide Ă domicile vers une aide financiĂšre personnalisĂ©e et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide Ă domicile
Art. 14. Artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 4. Het agentschap gaat bij de vertaling van het persoonlijke-assistentiebudget in principe uit van het resultaat van de inschaling van de deskundigencommissie, vermeld in artikel 8, § 1, van het besluit van 15 december 2000, in voorkomend geval van de inschaling na de herziening, vermeld in artikel 8, § 2 of § 3, van het voormelde besluit, en geïndexeerd conform artikel 9, § 1, van het voormelde besluit. Het agentschap gaat bij de vertaling van het persoonlijke-assistentiebudget dat is toegewezen met toepassing van artikel 8bis van het voormelde besluit, uit van het maximumbedrag, vermeld in artikel 9, § 1, eerste lid, van het voormelde besluit, in voorkomend geval geïndexeerd conform artikel 9, § 1, van het voormelde besluit.
Als het persoonlijke-assistentiebudget gecombineerd wordt met ondersteuning, verleend door een FAM op de wijze, vermeld in artikel 10, § 4, tweede en derde lid, van het besluit van 15 december 2000, bepaalt het agentschap het bedrag van het persoonlijke-assistentiebudget dat conform artikel 6 of artikel 7 van dit besluit wordt vertaald in zorggebonden middelen, op basis van tabel 1 tot en met 6, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd. De ondersteuning door een FAM wordt vertaald conform artikel 5 van dit besluit.
Het agentschap bepaalt het resterende deel van het persoonlijke-assistentiebudget dat vertaald zal worden in zorggebonden middelen rekening houdend met de combinatie van het persoonlijke assistentiebudget met de ondersteuning van een FAM, vermeld in het tweede lid, in de maand augustus van het jaar 2016.
Als het persoonlijke-assistentiebudget gecombineerd wordt met ondersteuning, verleend door een MFC op de wijze, vermeld in artikel 10, § 4, tweede en derde lid, van het besluit van 15 december 2000, bepaalt het agentschap het bedrag van het persoonlijke-assistentiebudget dat vertaald wordt in zorggebonden middelen conform artikel 6 of artikel 7 van dit besluit, op basis van tabel 7 tot en met 9, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.
Als het persoonlijke-assistentiebudget gecombineerd wordt met residentiële en semi-residentiële voorzieningen die door gemeenschaps- of gewestoverheden worden gesubsidieerd op de wijze, vermeld in artikel 10, § 4, zesde en zevende lid, van het besluit van 15 december 2000, bepaalt het agentschap het bedrag van het persoonlijke-assistentiebudget dat vertaald wordt in zorggebonden middelen conform artikel 6 of artikel 7 van dit besluit, op basis van tabel 5, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.
Het agentschap bepaalt het resterende deel van het persoonlijke-assistentiebudget dat zal vertaald worden in zorggebonden middelen, vermeld in het vierde en vijfde lid, rekening houdend met de combinaties, vermeld in het vierde en vijfde lid, op 31 december 2016.".
"Art. 4. Het agentschap gaat bij de vertaling van het persoonlijke-assistentiebudget in principe uit van het resultaat van de inschaling van de deskundigencommissie, vermeld in artikel 8, § 1, van het besluit van 15 december 2000, in voorkomend geval van de inschaling na de herziening, vermeld in artikel 8, § 2 of § 3, van het voormelde besluit, en geïndexeerd conform artikel 9, § 1, van het voormelde besluit. Het agentschap gaat bij de vertaling van het persoonlijke-assistentiebudget dat is toegewezen met toepassing van artikel 8bis van het voormelde besluit, uit van het maximumbedrag, vermeld in artikel 9, § 1, eerste lid, van het voormelde besluit, in voorkomend geval geïndexeerd conform artikel 9, § 1, van het voormelde besluit.
Als het persoonlijke-assistentiebudget gecombineerd wordt met ondersteuning, verleend door een FAM op de wijze, vermeld in artikel 10, § 4, tweede en derde lid, van het besluit van 15 december 2000, bepaalt het agentschap het bedrag van het persoonlijke-assistentiebudget dat conform artikel 6 of artikel 7 van dit besluit wordt vertaald in zorggebonden middelen, op basis van tabel 1 tot en met 6, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd. De ondersteuning door een FAM wordt vertaald conform artikel 5 van dit besluit.
Het agentschap bepaalt het resterende deel van het persoonlijke-assistentiebudget dat vertaald zal worden in zorggebonden middelen rekening houdend met de combinatie van het persoonlijke assistentiebudget met de ondersteuning van een FAM, vermeld in het tweede lid, in de maand augustus van het jaar 2016.
Als het persoonlijke-assistentiebudget gecombineerd wordt met ondersteuning, verleend door een MFC op de wijze, vermeld in artikel 10, § 4, tweede en derde lid, van het besluit van 15 december 2000, bepaalt het agentschap het bedrag van het persoonlijke-assistentiebudget dat vertaald wordt in zorggebonden middelen conform artikel 6 of artikel 7 van dit besluit, op basis van tabel 7 tot en met 9, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.
Als het persoonlijke-assistentiebudget gecombineerd wordt met residentiële en semi-residentiële voorzieningen die door gemeenschaps- of gewestoverheden worden gesubsidieerd op de wijze, vermeld in artikel 10, § 4, zesde en zevende lid, van het besluit van 15 december 2000, bepaalt het agentschap het bedrag van het persoonlijke-assistentiebudget dat vertaald wordt in zorggebonden middelen conform artikel 6 of artikel 7 van dit besluit, op basis van tabel 5, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.
Het agentschap bepaalt het resterende deel van het persoonlijke-assistentiebudget dat zal vertaald worden in zorggebonden middelen, vermeld in het vierde en vijfde lid, rekening houdend met de combinaties, vermeld in het vierde en vijfde lid, op 31 december 2016.".
Art. 14. L'article 4 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 portant la transition de personnes handicapĂ©es qui font usage d'un budget d'assistance personnelle ou d'un budget personnalisĂ© ou qui sont soutenues par un centre d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures ou un service d'aide Ă domicile vers une aide financiĂšre personnalisĂ©e et portant la transition des centres d'offre de services flexible en faveur de personnes majeures et des services d'aide Ă domicile est remplacĂ© par ce qui suit :
" Art. 4. Pour la traduction en budget d'assistance personnelle, l'agence se fonde, en principe, sur le rĂ©sultat du classement par catĂ©gories effectuĂ© par la commission d'experts, visĂ©e Ă l'article 8, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 2000, le cas Ă©chĂ©ant, du classement aprĂšs la rĂ©vision visĂ©e Ă l'article 8, §§ 2 et 3, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© et indexĂ© conformĂ©ment Ă l'article 9, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©. Pour la traduction en budget d'assistance personnelle attribuĂ© en application de l'article 8bis de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, l'agence se fonde sur le montant maximum visĂ© Ă l'article 9, § 1er, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, le cas Ă©chĂ©ant, indexĂ© conformĂ©ment Ă l'article 9, § 1er de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©.
Lorsque le budget d'assistance personnelle est combinĂ© avec le soutien dispensĂ© par un FAM selon les modalitĂ©s prĂ©vues Ă l'article 10, § 4, alinĂ©as 2 et 3, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 2000, l'agence dĂ©termine le montant du budget d'assistance personnelle qui sera traduit conformĂ©ment Ă l'article 6 ou l'article 7 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en des moyens liĂ©s aux soins, sur la base des tableaux 1 Ă 6 figurant Ă l'annexe du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Le soutien dispensĂ© par un FAM est traduit conformĂ©ment Ă l'article 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
L'agence détermine la partie restante du budget d'assistance personnelle qui sera traduit en moyens liés aux soins, compte tenu de la combinaison du budget d'assistance personnelle avec le soutien accordé par un FAM visé à l'alinéa 2, dans le mois d'août 2016.
Lorsque le budget d'assistance personnelle est combinĂ© au soutien dispensĂ© par un MFC selon les modalitĂ©s prĂ©vues Ă l'article 10, § 4, alinĂ©as 2 et 3, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 2000, l'agence dĂ©termine le montant du budget d'assistance personnelle qui sera traduit, conformĂ©ment Ă l'article 6 ou l'article 7 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en moyens liĂ©s aux soins sur la base des tableaux 7 Ă 9 figurant Ă l'annexe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Lorsque le budget d'assistance personnelle est combinĂ© Ă un accueil dans des structures rĂ©sidentielles ou semi-rĂ©sidentielles subventionnĂ©es par les autoritĂ©s communautaires ou rĂ©gionales selon les modalitĂ©s prĂ©vues Ă l'article 10, § 4, alinĂ©as 6 et 7, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 2000, l'agence dĂ©termine le montant du budget d'assistance personnelle qui sera traduit,conformĂ©ment Ă l'article 6 ou l'article 7 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en moyens liĂ©s aux soins, sur la base du tableau 5 figurant Ă l'annexe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
L'agence détermine la partie restante du budget d'assistance personnelle qui sera traduit en moyens liés aux soins visés aux alinéas 4 et 5, compte tenu des combinaisons visées aux alinéas 4 et 5, au 31 décembre 2016. ".
" Art. 4. Pour la traduction en budget d'assistance personnelle, l'agence se fonde, en principe, sur le rĂ©sultat du classement par catĂ©gories effectuĂ© par la commission d'experts, visĂ©e Ă l'article 8, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 2000, le cas Ă©chĂ©ant, du classement aprĂšs la rĂ©vision visĂ©e Ă l'article 8, §§ 2 et 3, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© et indexĂ© conformĂ©ment Ă l'article 9, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©. Pour la traduction en budget d'assistance personnelle attribuĂ© en application de l'article 8bis de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, l'agence se fonde sur le montant maximum visĂ© Ă l'article 9, § 1er, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, le cas Ă©chĂ©ant, indexĂ© conformĂ©ment Ă l'article 9, § 1er de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©.
Lorsque le budget d'assistance personnelle est combinĂ© avec le soutien dispensĂ© par un FAM selon les modalitĂ©s prĂ©vues Ă l'article 10, § 4, alinĂ©as 2 et 3, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 2000, l'agence dĂ©termine le montant du budget d'assistance personnelle qui sera traduit conformĂ©ment Ă l'article 6 ou l'article 7 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en des moyens liĂ©s aux soins, sur la base des tableaux 1 Ă 6 figurant Ă l'annexe du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Le soutien dispensĂ© par un FAM est traduit conformĂ©ment Ă l'article 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
L'agence détermine la partie restante du budget d'assistance personnelle qui sera traduit en moyens liés aux soins, compte tenu de la combinaison du budget d'assistance personnelle avec le soutien accordé par un FAM visé à l'alinéa 2, dans le mois d'août 2016.
Lorsque le budget d'assistance personnelle est combinĂ© au soutien dispensĂ© par un MFC selon les modalitĂ©s prĂ©vues Ă l'article 10, § 4, alinĂ©as 2 et 3, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 2000, l'agence dĂ©termine le montant du budget d'assistance personnelle qui sera traduit, conformĂ©ment Ă l'article 6 ou l'article 7 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en moyens liĂ©s aux soins sur la base des tableaux 7 Ă 9 figurant Ă l'annexe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Lorsque le budget d'assistance personnelle est combinĂ© Ă un accueil dans des structures rĂ©sidentielles ou semi-rĂ©sidentielles subventionnĂ©es par les autoritĂ©s communautaires ou rĂ©gionales selon les modalitĂ©s prĂ©vues Ă l'article 10, § 4, alinĂ©as 6 et 7, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 2000, l'agence dĂ©termine le montant du budget d'assistance personnelle qui sera traduit,conformĂ©ment Ă l'article 6 ou l'article 7 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en moyens liĂ©s aux soins, sur la base du tableau 5 figurant Ă l'annexe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
L'agence détermine la partie restante du budget d'assistance personnelle qui sera traduit en moyens liés aux soins visés aux alinéas 4 et 5, compte tenu des combinaisons visées aux alinéas 4 et 5, au 31 décembre 2016. ".
Art. 15. In artikel 6, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de zinsnede "op 31 maart 2016" wordt vervangen door de zinsnede "in de maand augustus van het jaar 2016";
2° tussen de woorden "door een FAM" en de woorden "op de wijze" worden de woorden "of door een MFC" ingevoegd.
1° de zinsnede "op 31 maart 2016" wordt vervangen door de zinsnede "in de maand augustus van het jaar 2016";
2° tussen de woorden "door een FAM" en de woorden "op de wijze" worden de woorden "of door een MFC" ingevoegd.
Art. 15. A l'article 6, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont apportĂ©es les modifications suivantes :
1° le membre de phrase " au 31 mars 2016 " est remplacé par le membre de phrase " dans le mois d'août de l'année 2016 " ;
2° entre les mots " par un FAM " et les mots " selon les modalités visées " sont insérés les mots " ou par un MFC ".
1° le membre de phrase " au 31 mars 2016 " est remplacé par le membre de phrase " dans le mois d'août de l'année 2016 " ;
2° entre les mots " par un FAM " et les mots " selon les modalités visées " sont insérés les mots " ou par un MFC ".
Art. 16. In hoofdstuk 1, afdeling 2, van hetzelfde besluit wordt een artikel 8/1 ingevoegd dat luidt als volgt:
"Art. 8/1. Als de personen met een handicap die het persoonlijke assistentiebudget op 31 december 2016 combineren met ondersteuning, verleend door een MFC op de wijze, vermeld in artikel 10, § 4, tweede en derde lid, van het besluit van 15 december 2000, of combineren met residentiële en semi-residentiële voorzieningen die door de federale, communautaire of regionale overheden worden gesubsidieerd op de wijze, vermeld in artikel 10, § 4, zesde en zevende lid, van voormelde besluit, die combinatie na 1 januari 2017 stopzetten, wordt het aantal zorggebonden middelen dat het agentschap conform artikel 8 van dit besluit, heeft meegedeeld verhoogd met het bedrag dat conform artikel 4, vierde of vijfde lid, van dit besluit, in mindering is gebracht van het persoonlijke assistentiebudget gedeeld door 1,1194.".
"Art. 8/1. Als de personen met een handicap die het persoonlijke assistentiebudget op 31 december 2016 combineren met ondersteuning, verleend door een MFC op de wijze, vermeld in artikel 10, § 4, tweede en derde lid, van het besluit van 15 december 2000, of combineren met residentiële en semi-residentiële voorzieningen die door de federale, communautaire of regionale overheden worden gesubsidieerd op de wijze, vermeld in artikel 10, § 4, zesde en zevende lid, van voormelde besluit, die combinatie na 1 januari 2017 stopzetten, wordt het aantal zorggebonden middelen dat het agentschap conform artikel 8 van dit besluit, heeft meegedeeld verhoogd met het bedrag dat conform artikel 4, vierde of vijfde lid, van dit besluit, in mindering is gebracht van het persoonlijke assistentiebudget gedeeld door 1,1194.".
Art. 16. Dans le chapitre 1er, section 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, il est insĂ©rĂ© un article 8/1 rĂ©digĂ© comme suit :
" Art. 8/1. Lorsque des personnes handicapĂ©es qui combinent au 31 dĂ©cembre 2016 le budget d'assistance personnelle au soutien dispensĂ© par un MFC selon les modalitĂ©s prĂ©vues Ă l'article 10, § 4, alinĂ©as 2 et 3, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 2000, ou Ă un accueil dans des structures rĂ©sidentielles ou semi-rĂ©sidentielles subventionnĂ©es par les autoritĂ©s fĂ©dĂ©rales, communautaires ou rĂ©gionales selon les modalitĂ©s prĂ©vues Ă l'article 10, § 4, alinĂ©as 6 et 7, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, dĂ©cident de ne plus opter pour cette combinaison aprĂšs le 1er janvier 2017, le nombre de moyens liĂ©s aux soins que l'agence a communiquĂ© conformĂ©ment Ă l'article 8 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, est majorĂ© du montant qui est dĂ©duit conformĂ©ment Ă l'article 4, alinĂ©a 4 ou alinĂ©a 5, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, du budget d'assistance personnelle divisĂ© par 1,1194. ".
" Art. 8/1. Lorsque des personnes handicapĂ©es qui combinent au 31 dĂ©cembre 2016 le budget d'assistance personnelle au soutien dispensĂ© par un MFC selon les modalitĂ©s prĂ©vues Ă l'article 10, § 4, alinĂ©as 2 et 3, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 dĂ©cembre 2000, ou Ă un accueil dans des structures rĂ©sidentielles ou semi-rĂ©sidentielles subventionnĂ©es par les autoritĂ©s fĂ©dĂ©rales, communautaires ou rĂ©gionales selon les modalitĂ©s prĂ©vues Ă l'article 10, § 4, alinĂ©as 6 et 7, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©, dĂ©cident de ne plus opter pour cette combinaison aprĂšs le 1er janvier 2017, le nombre de moyens liĂ©s aux soins que l'agence a communiquĂ© conformĂ©ment Ă l'article 8 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, est majorĂ© du montant qui est dĂ©duit conformĂ©ment Ă l'article 4, alinĂ©a 4 ou alinĂ©a 5, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, du budget d'assistance personnelle divisĂ© par 1,1194. ".
Art. 17. Artikel 25 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2016, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"Art. 25. In het jaar 2017 start het agentschap een transitietraject. Het transitietraject heeft tot doel de vertaling van de geboden ondersteuning en de inschatting van de zorgzwaarte die door de FAM's en thuisbegeleidingsdiensten conform artikel 14 en artikel 15 werd uitgevoerd te analyseren, te evalueren en bij te sturen.".
"Art. 25. In het jaar 2017 start het agentschap een transitietraject. Het transitietraject heeft tot doel de vertaling van de geboden ondersteuning en de inschatting van de zorgzwaarte die door de FAM's en thuisbegeleidingsdiensten conform artikel 14 en artikel 15 werd uitgevoerd te analyseren, te evalueren en bij te sturen.".
Art. 17. L'article 25 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, abrogĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 dĂ©cembre 2016, est rĂ©tabli dans la rĂ©daction suivante :
" Art. 25. Dans l'année 2017, l'agence lance un processus de transition. Le processus de transition a pour but d'analyser, d'évaluer et d'ajuster la traduction en soutien offert et l'appréciation de l'importance du besoin en soins effectuée par les FAM et les services d'aide à domicile conformément aux articles 14 et 15. ".
" Art. 25. Dans l'année 2017, l'agence lance un processus de transition. Le processus de transition a pour but d'analyser, d'évaluer et d'ajuster la traduction en soutien offert et l'appréciation de l'importance du besoin en soins effectuée par les FAM et les services d'aide à domicile conformément aux articles 14 et 15. ".
Art. 18. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2016, worden een artikel 25/1 en 25/2 ingevoegd die luiden als volgt:
"Art. 25/1 Het agentschap bepaalt het verschil tussen de middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid, van dit besluit, en de middelen waarover de FAM of de thuisbegeleidingsdienst, die door het agentschap vergund zijn als aanbieder van niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning zou moeten kunnen beschikken overeenkomstig de bijgestuurde vertaling van de geboden ondersteuning en de bijgestuurde inschatting van de zorgzwaarte.
Art. 25/2. De verschillen, vermeld in artikel 25/2 worden in de periode 2018 tot en met 2019 gecorrigeerd. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze correcties zullen doorgevoerd worden.".
"Art. 25/1 Het agentschap bepaalt het verschil tussen de middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid, van dit besluit, en de middelen waarover de FAM of de thuisbegeleidingsdienst, die door het agentschap vergund zijn als aanbieder van niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning zou moeten kunnen beschikken overeenkomstig de bijgestuurde vertaling van de geboden ondersteuning en de bijgestuurde inschatting van de zorgzwaarte.
Art. 25/2. De verschillen, vermeld in artikel 25/2 worden in de periode 2018 tot en met 2019 gecorrigeerd. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze correcties zullen doorgevoerd worden.".
Art. 18. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 dĂ©cembre 2016, sont insĂ©rĂ©s des articles 25/1 et 25/2, rĂ©digĂ©s comme suit :
" Art. 25/1 L'agence dĂ©termine la diffĂ©rence entre les moyens visĂ©s Ă l'article 21er, alinĂ©a 1er, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et les moyens qui devraient ĂȘtre disponibles au FAM ou au service d'aide Ă domicile autorisĂ© par l'agence comme offreur de soins et de soutien non directement accessibles conformĂ©ment Ă la traduction adaptĂ©e en soutien offert et Ă l'apprĂ©ciation adaptĂ©e de l'importance du besoin en soins.
Art. 25/2. Les différences prévues à l'article 25/2 sont corrigées dans la période de 2018 à 2019. Le Gouvernement flamand détermine les modalités des corrections à apporter. ".
" Art. 25/1 L'agence dĂ©termine la diffĂ©rence entre les moyens visĂ©s Ă l'article 21er, alinĂ©a 1er, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et les moyens qui devraient ĂȘtre disponibles au FAM ou au service d'aide Ă domicile autorisĂ© par l'agence comme offreur de soins et de soutien non directement accessibles conformĂ©ment Ă la traduction adaptĂ©e en soutien offert et Ă l'apprĂ©ciation adaptĂ©e de l'importance du besoin en soins.
Art. 25/2. Les différences prévues à l'article 25/2 sont corrigées dans la période de 2018 à 2019. Le Gouvernement flamand détermine les modalités des corrections à apporter. ".
Art. 19. In artikel 26 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid worden de woorden "na overleg met de gebruikers en hun vertegenwoordigers" vervangen door de woorden "na een positief advies van het collectieve overlegorgaan";
2° aan het tweede lid wordt de zinsnede "als vermeld in artikel 8, § 2 en § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap" toegevoegd;
3° tussen het tweede en het derde lid worden twee leden ingevoegd die luiden als volgt:
"De overgang naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten is alleen mogelijk als het FAM kan aantonen dat het mogelijk is om alleen de woon- en leefkosten, vermeld in artikel 8, § 3, van het voormelde besluit van 4 februari 2011, aan te rekenen, en dat er intern compensaties werden gerealiseerd voor het deel van de financiële bijdragen dat de woon- en leefkosten oversteeg.
Het agentschap gaat in het tweede semester van 2019 na welke FAM's op 31 december 2018 de overgang naar een systeem van woon- en leefkosten nog niet hebben gemaakt. Die FAM's bezorgen uiterlijk op 31 december 2019 een plan van aanpak voor de overgang naar een systeem van woon- en leefkosten op 1 januari 2021.".
1° in het tweede lid worden de woorden "na overleg met de gebruikers en hun vertegenwoordigers" vervangen door de woorden "na een positief advies van het collectieve overlegorgaan";
2° aan het tweede lid wordt de zinsnede "als vermeld in artikel 8, § 2 en § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap" toegevoegd;
3° tussen het tweede en het derde lid worden twee leden ingevoegd die luiden als volgt:
"De overgang naar een systeem waarbij de gebruiker zelf instaat voor de woon- en leefkosten is alleen mogelijk als het FAM kan aantonen dat het mogelijk is om alleen de woon- en leefkosten, vermeld in artikel 8, § 3, van het voormelde besluit van 4 februari 2011, aan te rekenen, en dat er intern compensaties werden gerealiseerd voor het deel van de financiële bijdragen dat de woon- en leefkosten oversteeg.
Het agentschap gaat in het tweede semester van 2019 na welke FAM's op 31 december 2018 de overgang naar een systeem van woon- en leefkosten nog niet hebben gemaakt. Die FAM's bezorgen uiterlijk op 31 december 2019 een plan van aanpak voor de overgang naar een systeem van woon- en leefkosten op 1 januari 2021.".
Art. 19. A l'article 26 du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont apportĂ©es les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 2, les mots " aprÚs concertation avec les usagers et leurs représentants " sont remplacés par les mots " aprÚs avis positif de l'organe de concertation collective " ;
2° au deuxiĂšme alinĂ©a, il est ajoutĂ© le membre de phrase " tel que visĂ© Ă l'article 8, §§ 2 et 3, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2011 relatif aux conditions gĂ©nĂ©rales d'agrĂ©ment et Ă la gestion de la qualitĂ© des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapĂ©es " ;
3° entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3 sont insérés deux alinéas ainsi rédigés :
" Le passage Ă un systĂšme dans lequel l'usager prend en charge lui-mĂȘme les frais de logement et de subsistance est uniquement possible si le FAM peut dĂ©montrer qu'il est possible d'imputer uniquement les frais de logement et de subsistance visĂ©s Ă l'article 8, § 3, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© du 4 fĂ©vrier 2011, et que des compensations internes ont Ă©tĂ© rĂ©alisĂ©es pour la partie des contributions financiĂšres qui dĂ©passait les frais de logement et de subsistance.
Dans le second trimestre de 2019, l'agence examine quels FAM n'ont pas encore rĂ©alisĂ© le passage au systĂšme oĂč l'usager prend lui-mĂȘme en charge les frais de logement et de subsistance. Le 31 dĂ©cembre 2019 au plus tard, ces FAM transmettent un plan pour le passage Ă un systĂšme oĂč l'usager prend lui-mĂȘme en charge les frais de logement et de subsistance au 1er janvier 2021. ".
1° dans l'alinéa 2, les mots " aprÚs concertation avec les usagers et leurs représentants " sont remplacés par les mots " aprÚs avis positif de l'organe de concertation collective " ;
2° au deuxiĂšme alinĂ©a, il est ajoutĂ© le membre de phrase " tel que visĂ© Ă l'article 8, §§ 2 et 3, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2011 relatif aux conditions gĂ©nĂ©rales d'agrĂ©ment et Ă la gestion de la qualitĂ© des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapĂ©es " ;
3° entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3 sont insérés deux alinéas ainsi rédigés :
" Le passage Ă un systĂšme dans lequel l'usager prend en charge lui-mĂȘme les frais de logement et de subsistance est uniquement possible si le FAM peut dĂ©montrer qu'il est possible d'imputer uniquement les frais de logement et de subsistance visĂ©s Ă l'article 8, § 3, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© du 4 fĂ©vrier 2011, et que des compensations internes ont Ă©tĂ© rĂ©alisĂ©es pour la partie des contributions financiĂšres qui dĂ©passait les frais de logement et de subsistance.
Dans le second trimestre de 2019, l'agence examine quels FAM n'ont pas encore rĂ©alisĂ© le passage au systĂšme oĂč l'usager prend lui-mĂȘme en charge les frais de logement et de subsistance. Le 31 dĂ©cembre 2019 au plus tard, ces FAM transmettent un plan pour le passage Ă un systĂšme oĂč l'usager prend lui-mĂȘme en charge les frais de logement et de subsistance au 1er janvier 2021. ".
Art. 20. Artikel 27 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2016 wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
"Art. 27. Voor een FAM dat vergund is als een zorgaanbieder, met uitzondering van de FAM's, vermeld in artikel 13, § 2, 4°, wordt de vergoeding van de zorggebonden punten en de vergoeding voor de organisatiegebonden kosten verminderd met een bedrag dat wordt berekend op basis van de financiële bijdrage die conform hoofdstuk 4, afdeling 2, van het besluit van 26 februari 2016 zoals van kracht op 31 december 2016, bij de gebruikers zou moeten worden geïnd, en volgens de volgende formule:
te innen bijdragen - (werkingssubsidies - ((Personeelspunten FAM X 3,03) * 894,87 euro)."
85,85
"Art. 27. Voor een FAM dat vergund is als een zorgaanbieder, met uitzondering van de FAM's, vermeld in artikel 13, § 2, 4°, wordt de vergoeding van de zorggebonden punten en de vergoeding voor de organisatiegebonden kosten verminderd met een bedrag dat wordt berekend op basis van de financiële bijdrage die conform hoofdstuk 4, afdeling 2, van het besluit van 26 februari 2016 zoals van kracht op 31 december 2016, bij de gebruikers zou moeten worden geïnd, en volgens de volgende formule:
te innen bijdragen - (werkingssubsidies - ((Personeelspunten FAM X 3,03) * 894,87 euro)."
85,85
Art. 20. L'article 27 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, abrogĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 dĂ©cembre 2016 est rĂ©tabli dans la rĂ©daction suivante :
" Art. 27. Pour un FAM autorisĂ© par l'agence en tant que prestataire de soins, Ă l'exception des FAM visĂ©s Ă l'article 13, § 2, 4°, l'indemnisation des points liĂ©s aux soins et l'indemnisation des frais liĂ©s Ă l'organisation sont diminuĂ©es d'un montant calculĂ© sur la base de la contribution financiĂšre qui devrait ĂȘtre perçue auprĂšs des usagers conformĂ©ment au chapitre 4, section 2, de l'arrĂȘtĂ© du 26 fĂ©vrier 2016, tel qu'en vigueur au 31 dĂ©cembre 2016, en appliquant la formule suivante :
contributions Ă percevoir - (subventions de fonctionnement - ((Points de personnel FAM X 3,03) * 894,87 euro). "
85,85
" Art. 27. Pour un FAM autorisĂ© par l'agence en tant que prestataire de soins, Ă l'exception des FAM visĂ©s Ă l'article 13, § 2, 4°, l'indemnisation des points liĂ©s aux soins et l'indemnisation des frais liĂ©s Ă l'organisation sont diminuĂ©es d'un montant calculĂ© sur la base de la contribution financiĂšre qui devrait ĂȘtre perçue auprĂšs des usagers conformĂ©ment au chapitre 4, section 2, de l'arrĂȘtĂ© du 26 fĂ©vrier 2016, tel qu'en vigueur au 31 dĂ©cembre 2016, en appliquant la formule suivante :
contributions Ă percevoir - (subventions de fonctionnement - ((Points de personnel FAM X 3,03) * 894,87 euro). "
85,85
Art. 21. In hoofdstuk 6 van hetzelfde besluit worden een artikel 29/1 tot en met artikel 29/6 ingevoegd die luiden als volgt:
"Art. 29/1. In de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 kunnen de meerderjarige gebruikers van een FAM aan wie conform artikel 13 tot en met 23 een aantal zorggebonden punten is toegekend, en die gebruik maken van woon- en dagondersteuning aanspraak maken op zeven op zeven dagen woon- en dagondersteuning bij het FAM, dat als zorgaanbieder vergund is door het agentschap en dat hem op 31 december 2016 niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning biedt, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de betrokken persoon met een handicap dient conform artikel 24 een aanvraag tot herziening van het toegekende aantal zorggebonden middelen in;
2° het engagement van het FAM, vermeld in het eerste lid, en het engagement van de persoon met een handicap, vermeld in punt 2°, zijn opgenomen in de individuele dienstverleningsovereenkomst, vermeld in hoofdstuk 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap.
Het recht, vermeld in het eerste lid, vervalt als het budget, dat na de afhandeling van de aanvraag tot herziening is toegewezen, ter beschikking wordt gesteld of als de meerderjarige gebruiker, vermeld in het eerste lid, het FAM dat door het agentschap is vergund als zorgaanbieder verlaat.
Als de vergunde zorgaanbieder structureel ondersteuning biedt in het kader van het recht vermeld in het eerste lid, zal het agentschap tijdelijk bijkomende middelen toekennen aan de zorgaanbieder.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, bepaalt de minimale frequentie van het gebruik van woonondersteuning dat is vereist om aanspraak te kunnen maken op het recht, vermeld in het eerste lid, en bepaalt op welke wijze in bijkomende middelen zal voorzien worden.
Art. 29/2. De personen met een handicap aan wie conform artikel 13 tot en met 23 zorggebonden punten zijn toegekend of aan wie het agentschap een budget ter beschikking heeft gesteld en die deze zorggebonden punten of dit budget uitsluitend besteden voor dagondersteuning, kunnen jaarlijks gebruik maken van dertig dagen woonondersteuning en dagondersteuning bij een voorziening die daarvoor is erkend en die gesubsidieerd wordt door het agentschap, zonder dat zij daarvoor de toegekende zorggebonden middelen of het budget dat ter beschikking is gesteld moeten besteden.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° dagondersteuning: de dagondersteuning, vermeld in artikel 1, 3°, van het besluit van 27 november 2015;
2° woonondersteuning: de woonondersteuning,vermeld in artikel 1, 23°, van het voormelde besluit.
Art. 29/3. In het jaar 2017 stelt het agentschap een budget ter beschikking aan de volgende personen met een handicap:
1° personen met een handicap aan wie het agentschap een persoonsvolgende convenant heeft toegewezen, die nadien het FAM waar het persoonsvolgende convenant is ingezet, verlaten hebben terwijl het FAM de middelen die ressorteren uit de persoonsvolgende convenant, inzet voor de ondersteuning van een andere persoon met een handicap;
2° personen met een handicap aan wie het agentschap een persoonsvolgende convenant heeft toegewezen, dat gedeeltelijk is ingezet op 1 april 2016 en die aantonen dat ze in de loop van het jaar 2016 inspanningen hebben geleverd om mogelijkheden te zoeken om het toegewezen persoonsvolgende convenant volledig in te zetten;
3° personen met een handicap aan wie het agentschap een persoonsvolgende convenant heeft toegewezen, dat niet is ingezet op 1 april 2016 en dat gedeeltelijk is ingezet op 31 december 2016 en die aantonen dat de volledige inzet van het persoonsvolgende convenant wenselijk is;
4° personen met een handicap aan wie het agentschap een persoonsvolgende convenant heeft toegewezen, die noch op 1 april 2016 noch op 31 december 2016 is ingezet, en die aantonen dat ze in de loop van het jaar 2016 inspanningen hebben geleverd om mogelijkheden te zoeken om het toegewezen persoonsvolgende convenant in te zetten;
5° personen met een handicap aan wie het agentschap een persoonsvolgende convenant heeft toegewezen, dat wordt ingezet bij een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap of bij een thuisbegeleidingsdienst.
Het agentschap bepaalt het bedrag van het budget dat ter beschikking wordt gesteld wordt door de zorgvraag, die aanleiding was tot de toewijzing van een persoonsvolgende convenant, te vertalen naar ondersteuningsfuncties met maximale frequentie op basis van de rekentabel, opgenomen in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering.
In dit artikel wordt verstaan onder persoonsvolgende convenant: een persoonsvolgende convenant als vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 houdende maatregelen om tegemoet te komen aan de noodzaak tot leniging van dringende behoeften van personen met een handicap.
Art. 29/4. De beslissing van het agentschap, vermeld in artikel 23, vervalt op 1 januari 2020 als de ondersteuning in het FAM of de thuisbegeleidingsdienst die conform artikel 13 tot en met 23 is vertaald in een aantal zorggebonden middelen, is verleend op basis van een beslissing van het agentschap waarbij de toewijzing van de ondersteuning van het FAM of de thuisbegeleidingsdienst werd beperkt in de tijd behalve als vóór die datum een aanvraag tot herziening conform artikel 24 van dit besluit is ingediend.
Als de budgetcategorie, vermeld in de beslissing tot toewijzing, na de herziening, vermeld in het eerste lid, lager is dan het aantal zorggebonden middelen, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 23, stelt het agentschap de lagere budgetcategorie ter beschikking met ingang van de eerste dag van de vierde maand na de datum die opgenomen is in de beslissing tot toewijzing.
Als de budgetcategorie, vermeld in de beslissing tot toewijzing, na de herziening hoger is dan het aantal zorggebonden middelen dat conform artikel 23 van dit besluit is meegedeeld door het agentschap, kan het aantal zorggebonden middelen dat conform artikel 23 van dit besluit is meegedeeld door het agentschap, ook na 1 januari 2020 besteed worden als een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning. Het agentschap legt het dossier voor aan de regionale prioriteitencommissie, vermeld in artikel 23 van het besluit van 27 november 2015, voor het deel van de budgetcategorie dat het aantal zorggebonden middelen of de zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 23 van dit besluit, overschrijdt."
Art. 29/5. Als de persoon met een handicap aan wie conform artikel 13 tot en met 23 van dit besluit een aantal zorggebonden punten werd toegekend, een aanvraag tot herziening indient conform artikel 24 van dit besluit, en de budgetcategorie die na herziening wordt toegewezen hoger is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 23 van dit besluit, wordt het gedeelte van de budgetcategorie die na herziening is toegewezen dat het aantal zorggebonden punten vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 23, overschrijdt, binnen de middelen die vastgesteld zijn op de begroting van het agentschap voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van meerderjarige personen met een handicap, in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 ter beschikking gesteld ongeacht de prioriteitengroep, vermeld in artikel 23 van het besluit van 27 november 2015, die door de regionale prioriteitencommissie werd toegekend, als aan de navolgende voorwaarden is voldaan:
1° de betrokken persoon met een handicap verklaart dat hij niet langer beroep wil doen op de zorgaanbieder die vergund is door het agentschap, die hem op 31 december 2016 zorg en ondersteuning bood;
2° de persoon met een handicap heeft de zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 23 van dit besluit, sinds 1 januari 2017 tot op het moment dat de dienstverleningsovereenkomst met de betrokken zorgaanbieder afloopt onafgebroken besteed bij de zorgaanbieder, die hem op 31 december 2016 zorg en ondersteuning bood.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop en de termijn binnen dewelke de terbeschikkingstellingen, vermeld in het eerste lid, in de periode, vermeld in het eerste lid, zullen gebeuren.
Art. 29/6. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder bijstandsorganisatie: de bijstandsorganisaties die door het agentschap zijn vergund conform het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 houdende de vergunningsvoorwaarden en de subsidieregeling van bijstandsorganisaties om budgethouders bij te staan in het kader van persoonsvolgende financiering.
§ 2. In de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 kan het agentschap de bijstandsorganisaties subsidies toekennen die als volgt kunnen worden aangewend:
1° het verlenen van meer hoogdrempelige individuele bijstand als vermeld in artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering houdende de vergunningsvoorwaarden en de subsidieregeling van bijstandsorganisaties om budgethouders bij te staan in het kader van persoonsvolgende financiering, aan meerderjarige personen met een handicap aan wie conform artikel 13 tot en met 23 een aantal zorggebonden punten werd toegekend dat kan worden besteed als een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning en die op 31 december 2016 de ondersteuning van de FAM of de thuisbegeleidingsdienst niet combineerden met een persoonlijke- assistentiebudget;
2° het betalen van het lidgeld, vermeld in artikel 1 van het ministerieel besluit van 1 juli 2016 tot vaststelling van het lidgeld dat bijstandsorganisaties aanrekenen aan budgethouders in het kader van persoonsvolgende financiering, voor de personen met een handicap, vermeld in punt 1°.
Het totale bedrag van de subsidies, vermeld in het tweede lid, bedraagt jaarlijks maximaal 500.000 euro.
Het totale subsidiebedrag, vermeld in het tweede lid, wordt over de verschillende bijstandsorganisaties verdeeld op basis van een verdeelsleutel. Deze verdeelsleutel zal telkens na afloop van zes maanden door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, worden aangepast rekening houdend met het aantal leden van elke bijstandsorganisatie gedurende de afgelopen periode van zes maanden en rekening houdend met de meer hoogdrempelige individuele bijstand, vermeld in het eerste lid, 1°, die elke bijstandsorganisaties in de voorbije zes maanden heeft verleend en de vergoeding die hiervoor werd gehanteerd.
Voor de eerste zes maanden van het kalenderjaar 2017 geldt volgende verdeelsleutel:
1° Onafhankelijk leven: 38%;
3° Absoluut: 38%;
3° Alin: 12%;
4° ZOOM: 12%.
De bijstandsorganisaties registeren bij het agentschap permanent volgende gegevens:
1° de identificatiegegevens van de personen met een handicap voor wie het lidgeld, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt betaald;
2° de identificatiegegevens van de personen met een handicap aan wie hoogdrempelige individuele bijstand wordt verleend;
3° het bedrag van de vergoeding van de hoogdrempelige individuele bijstand, vermeld in punt 2°, dat wordt gehanteerd.
Het agentschap bepaalt de wijze waarop de registratie moet gebeuren.
De bijstandsorganisaties kunnen voor elke persoon met een handicap, vermeld in het eerste lid, 1°, voor de gehele periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 lidgelden en meer hoogdrempelige individuele bijstand registeren voor een totaal bedrag van maximum 300 euro en kunnen maximaal 20 % van het subsidiebedrag waarop de bijstandsorganisatie voor een semester recht heeft conform het derde lid en in voorkomend geval het vierde lid, aanwenden conform het eerste lid, 2°.
§ 3. Het agentschap betaalt 80% van de helft van het jaarlijks subsidiebedrag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, in de maand januari van het kalenderjaar waarop de subsidies betrekking hebben op basis van de verdeelsleutel, vermeld in paragraaf 2, derde lid, die voor het semester waarvoor de subsidies worden betaald, is vastgesteld.
In afwijking van het eerste lid betaalt het agentschap voor het eerste semester van het kalenderjaar 2017, 80% van de helft van het jaarlijks subsidiebedrag op basis van de verdeelsleutel, vermeld in paragraaf 2, vierde lid, in de maand maart van het jaar 2017.
Het agentschap betaalt 80% van de tweede helft van het jaarlijks subsidiebedrag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, in de maand juli van het kalenderjaar waarop de subsidies betrekking hebben op basis van de verdeelsleutel, vermeld in paragraaf 2, derde lid, die voor het semester waarvoor de subsidies worden betaald is vastgesteld.
In het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarop de subsidies, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, betrekking hebben, betaalt het agentschap de resterende 20% van de subsidies waarop de bijstandsorganisatie voor dat kalenderjaar recht heeft conform paragraaf 2, derde lid en in voorkomend geval vierde lid, zonder dat het totale subsidiebedrag dat het agentschap voor een kalenderjaar aan een bijstandsorganisatie betaalt - hoger kan zijn dan het totale bedrag van de lidgelden en de meer hoogdrempelige individuele bijstand die de bijstandsorganisatie voor dat kalenderjaar heeft geregistreerd.
Als het totale bedrag van de lidgelden en de meer hoogdrempelige individuele bijstand die de bijstandsorganisatie voor een kalenderjaar heeft geregistreerd lager is dan het subsidiebedrag dat het agentschap conform het eerste tot en met derde lid, voor dat kalenderjaar heeft betaald, moet de bijstandsorganisatie het verschil terugstorten aan het agentschap.
Als een bijstandsorganisatie een deel van de subsidies die het agentschap heeft betaald voor een kalenderjaar conform het vijfde lid moet terugbetalen of als het agentschap een deel van de subsidies waarop een bijstandsorganisatie voor een kalenderjaar recht heeft conform paragraaf 2, derde lid en in voorkomend geval vierde lid, conform het vierde lid niet kan betalen, kan het agentschap de subsidies die moeten worden terugbetaald of die niet kunnen worden betaald verdelen over de bijstandsorganisaties voor wie het totale bedrag van de lidgelden en de meer hoogdrempelige individuele bijstand die voor dat kalenderjaar zijn geregistreerd groter is dan het subsidiebedrag waarop de bijstandsorganisatie voor dat kalenderjaar recht heeft conform paragraaf 2, derde en in voorkomend geval vierde lid. De verdeling gebeurt rekening houdend met het verschil tussen het totale bedrag van de lidgelden en de meer hoogdrempelige individuele bijstand die de bijstandsorganisaties voor het kalenderjaar hebben geregistreerd en het totale subsidiebedrag waarop de bijstandsorganisaties voor dat kalenderjaar recht hebben conform paragraaf 2, derde lid en in voorkomend geval vierde lid. Het agentschap kan voor een kalenderjaar jaar evenwel niet meer subsidies betalen dan het totale bedrag van de lidgelden en de meer hoogdrempelige individuele bijstand die een bijstandsorganisatie voor dat kalenderjaar heeft geregistreerd.".
"Art. 29/1. In de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 kunnen de meerderjarige gebruikers van een FAM aan wie conform artikel 13 tot en met 23 een aantal zorggebonden punten is toegekend, en die gebruik maken van woon- en dagondersteuning aanspraak maken op zeven op zeven dagen woon- en dagondersteuning bij het FAM, dat als zorgaanbieder vergund is door het agentschap en dat hem op 31 december 2016 niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning biedt, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de betrokken persoon met een handicap dient conform artikel 24 een aanvraag tot herziening van het toegekende aantal zorggebonden middelen in;
2° het engagement van het FAM, vermeld in het eerste lid, en het engagement van de persoon met een handicap, vermeld in punt 2°, zijn opgenomen in de individuele dienstverleningsovereenkomst, vermeld in hoofdstuk 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap.
Het recht, vermeld in het eerste lid, vervalt als het budget, dat na de afhandeling van de aanvraag tot herziening is toegewezen, ter beschikking wordt gesteld of als de meerderjarige gebruiker, vermeld in het eerste lid, het FAM dat door het agentschap is vergund als zorgaanbieder verlaat.
Als de vergunde zorgaanbieder structureel ondersteuning biedt in het kader van het recht vermeld in het eerste lid, zal het agentschap tijdelijk bijkomende middelen toekennen aan de zorgaanbieder.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, bepaalt de minimale frequentie van het gebruik van woonondersteuning dat is vereist om aanspraak te kunnen maken op het recht, vermeld in het eerste lid, en bepaalt op welke wijze in bijkomende middelen zal voorzien worden.
Art. 29/2. De personen met een handicap aan wie conform artikel 13 tot en met 23 zorggebonden punten zijn toegekend of aan wie het agentschap een budget ter beschikking heeft gesteld en die deze zorggebonden punten of dit budget uitsluitend besteden voor dagondersteuning, kunnen jaarlijks gebruik maken van dertig dagen woonondersteuning en dagondersteuning bij een voorziening die daarvoor is erkend en die gesubsidieerd wordt door het agentschap, zonder dat zij daarvoor de toegekende zorggebonden middelen of het budget dat ter beschikking is gesteld moeten besteden.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° dagondersteuning: de dagondersteuning, vermeld in artikel 1, 3°, van het besluit van 27 november 2015;
2° woonondersteuning: de woonondersteuning,vermeld in artikel 1, 23°, van het voormelde besluit.
Art. 29/3. In het jaar 2017 stelt het agentschap een budget ter beschikking aan de volgende personen met een handicap:
1° personen met een handicap aan wie het agentschap een persoonsvolgende convenant heeft toegewezen, die nadien het FAM waar het persoonsvolgende convenant is ingezet, verlaten hebben terwijl het FAM de middelen die ressorteren uit de persoonsvolgende convenant, inzet voor de ondersteuning van een andere persoon met een handicap;
2° personen met een handicap aan wie het agentschap een persoonsvolgende convenant heeft toegewezen, dat gedeeltelijk is ingezet op 1 april 2016 en die aantonen dat ze in de loop van het jaar 2016 inspanningen hebben geleverd om mogelijkheden te zoeken om het toegewezen persoonsvolgende convenant volledig in te zetten;
3° personen met een handicap aan wie het agentschap een persoonsvolgende convenant heeft toegewezen, dat niet is ingezet op 1 april 2016 en dat gedeeltelijk is ingezet op 31 december 2016 en die aantonen dat de volledige inzet van het persoonsvolgende convenant wenselijk is;
4° personen met een handicap aan wie het agentschap een persoonsvolgende convenant heeft toegewezen, die noch op 1 april 2016 noch op 31 december 2016 is ingezet, en die aantonen dat ze in de loop van het jaar 2016 inspanningen hebben geleverd om mogelijkheden te zoeken om het toegewezen persoonsvolgende convenant in te zetten;
5° personen met een handicap aan wie het agentschap een persoonsvolgende convenant heeft toegewezen, dat wordt ingezet bij een multifunctioneel centrum voor minderjarige personen met een handicap als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap of bij een thuisbegeleidingsdienst.
Het agentschap bepaalt het bedrag van het budget dat ter beschikking wordt gesteld wordt door de zorgvraag, die aanleiding was tot de toewijzing van een persoonsvolgende convenant, te vertalen naar ondersteuningsfuncties met maximale frequentie op basis van de rekentabel, opgenomen in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap met een actieve zorgvraag naar persoonsvolgende financiering.
In dit artikel wordt verstaan onder persoonsvolgende convenant: een persoonsvolgende convenant als vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 houdende maatregelen om tegemoet te komen aan de noodzaak tot leniging van dringende behoeften van personen met een handicap.
Art. 29/4. De beslissing van het agentschap, vermeld in artikel 23, vervalt op 1 januari 2020 als de ondersteuning in het FAM of de thuisbegeleidingsdienst die conform artikel 13 tot en met 23 is vertaald in een aantal zorggebonden middelen, is verleend op basis van een beslissing van het agentschap waarbij de toewijzing van de ondersteuning van het FAM of de thuisbegeleidingsdienst werd beperkt in de tijd behalve als vóór die datum een aanvraag tot herziening conform artikel 24 van dit besluit is ingediend.
Als de budgetcategorie, vermeld in de beslissing tot toewijzing, na de herziening, vermeld in het eerste lid, lager is dan het aantal zorggebonden middelen, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 23, stelt het agentschap de lagere budgetcategorie ter beschikking met ingang van de eerste dag van de vierde maand na de datum die opgenomen is in de beslissing tot toewijzing.
Als de budgetcategorie, vermeld in de beslissing tot toewijzing, na de herziening hoger is dan het aantal zorggebonden middelen dat conform artikel 23 van dit besluit is meegedeeld door het agentschap, kan het aantal zorggebonden middelen dat conform artikel 23 van dit besluit is meegedeeld door het agentschap, ook na 1 januari 2020 besteed worden als een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning. Het agentschap legt het dossier voor aan de regionale prioriteitencommissie, vermeld in artikel 23 van het besluit van 27 november 2015, voor het deel van de budgetcategorie dat het aantal zorggebonden middelen of de zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 23 van dit besluit, overschrijdt."
Art. 29/5. Als de persoon met een handicap aan wie conform artikel 13 tot en met 23 van dit besluit een aantal zorggebonden punten werd toegekend, een aanvraag tot herziening indient conform artikel 24 van dit besluit, en de budgetcategorie die na herziening wordt toegewezen hoger is dan het aantal zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 23 van dit besluit, wordt het gedeelte van de budgetcategorie die na herziening is toegewezen dat het aantal zorggebonden punten vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 23, overschrijdt, binnen de middelen die vastgesteld zijn op de begroting van het agentschap voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning van meerderjarige personen met een handicap, in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 ter beschikking gesteld ongeacht de prioriteitengroep, vermeld in artikel 23 van het besluit van 27 november 2015, die door de regionale prioriteitencommissie werd toegekend, als aan de navolgende voorwaarden is voldaan:
1° de betrokken persoon met een handicap verklaart dat hij niet langer beroep wil doen op de zorgaanbieder die vergund is door het agentschap, die hem op 31 december 2016 zorg en ondersteuning bood;
2° de persoon met een handicap heeft de zorggebonden punten, vermeld in de beslissing, vermeld in artikel 23 van dit besluit, sinds 1 januari 2017 tot op het moment dat de dienstverleningsovereenkomst met de betrokken zorgaanbieder afloopt onafgebroken besteed bij de zorgaanbieder, die hem op 31 december 2016 zorg en ondersteuning bood.
De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop en de termijn binnen dewelke de terbeschikkingstellingen, vermeld in het eerste lid, in de periode, vermeld in het eerste lid, zullen gebeuren.
Art. 29/6. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder bijstandsorganisatie: de bijstandsorganisaties die door het agentschap zijn vergund conform het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2015 houdende de vergunningsvoorwaarden en de subsidieregeling van bijstandsorganisaties om budgethouders bij te staan in het kader van persoonsvolgende financiering.
§ 2. In de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 kan het agentschap de bijstandsorganisaties subsidies toekennen die als volgt kunnen worden aangewend:
1° het verlenen van meer hoogdrempelige individuele bijstand als vermeld in artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering houdende de vergunningsvoorwaarden en de subsidieregeling van bijstandsorganisaties om budgethouders bij te staan in het kader van persoonsvolgende financiering, aan meerderjarige personen met een handicap aan wie conform artikel 13 tot en met 23 een aantal zorggebonden punten werd toegekend dat kan worden besteed als een budget voor niet rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning en die op 31 december 2016 de ondersteuning van de FAM of de thuisbegeleidingsdienst niet combineerden met een persoonlijke- assistentiebudget;
2° het betalen van het lidgeld, vermeld in artikel 1 van het ministerieel besluit van 1 juli 2016 tot vaststelling van het lidgeld dat bijstandsorganisaties aanrekenen aan budgethouders in het kader van persoonsvolgende financiering, voor de personen met een handicap, vermeld in punt 1°.
Het totale bedrag van de subsidies, vermeld in het tweede lid, bedraagt jaarlijks maximaal 500.000 euro.
Het totale subsidiebedrag, vermeld in het tweede lid, wordt over de verschillende bijstandsorganisaties verdeeld op basis van een verdeelsleutel. Deze verdeelsleutel zal telkens na afloop van zes maanden door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, worden aangepast rekening houdend met het aantal leden van elke bijstandsorganisatie gedurende de afgelopen periode van zes maanden en rekening houdend met de meer hoogdrempelige individuele bijstand, vermeld in het eerste lid, 1°, die elke bijstandsorganisaties in de voorbije zes maanden heeft verleend en de vergoeding die hiervoor werd gehanteerd.
Voor de eerste zes maanden van het kalenderjaar 2017 geldt volgende verdeelsleutel:
1° Onafhankelijk leven: 38%;
3° Absoluut: 38%;
3° Alin: 12%;
4° ZOOM: 12%.
De bijstandsorganisaties registeren bij het agentschap permanent volgende gegevens:
1° de identificatiegegevens van de personen met een handicap voor wie het lidgeld, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt betaald;
2° de identificatiegegevens van de personen met een handicap aan wie hoogdrempelige individuele bijstand wordt verleend;
3° het bedrag van de vergoeding van de hoogdrempelige individuele bijstand, vermeld in punt 2°, dat wordt gehanteerd.
Het agentschap bepaalt de wijze waarop de registratie moet gebeuren.
De bijstandsorganisaties kunnen voor elke persoon met een handicap, vermeld in het eerste lid, 1°, voor de gehele periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 lidgelden en meer hoogdrempelige individuele bijstand registeren voor een totaal bedrag van maximum 300 euro en kunnen maximaal 20 % van het subsidiebedrag waarop de bijstandsorganisatie voor een semester recht heeft conform het derde lid en in voorkomend geval het vierde lid, aanwenden conform het eerste lid, 2°.
§ 3. Het agentschap betaalt 80% van de helft van het jaarlijks subsidiebedrag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, in de maand januari van het kalenderjaar waarop de subsidies betrekking hebben op basis van de verdeelsleutel, vermeld in paragraaf 2, derde lid, die voor het semester waarvoor de subsidies worden betaald, is vastgesteld.
In afwijking van het eerste lid betaalt het agentschap voor het eerste semester van het kalenderjaar 2017, 80% van de helft van het jaarlijks subsidiebedrag op basis van de verdeelsleutel, vermeld in paragraaf 2, vierde lid, in de maand maart van het jaar 2017.
Het agentschap betaalt 80% van de tweede helft van het jaarlijks subsidiebedrag, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, in de maand juli van het kalenderjaar waarop de subsidies betrekking hebben op basis van de verdeelsleutel, vermeld in paragraaf 2, derde lid, die voor het semester waarvoor de subsidies worden betaald is vastgesteld.
In het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarop de subsidies, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, betrekking hebben, betaalt het agentschap de resterende 20% van de subsidies waarop de bijstandsorganisatie voor dat kalenderjaar recht heeft conform paragraaf 2, derde lid en in voorkomend geval vierde lid, zonder dat het totale subsidiebedrag dat het agentschap voor een kalenderjaar aan een bijstandsorganisatie betaalt - hoger kan zijn dan het totale bedrag van de lidgelden en de meer hoogdrempelige individuele bijstand die de bijstandsorganisatie voor dat kalenderjaar heeft geregistreerd.
Als het totale bedrag van de lidgelden en de meer hoogdrempelige individuele bijstand die de bijstandsorganisatie voor een kalenderjaar heeft geregistreerd lager is dan het subsidiebedrag dat het agentschap conform het eerste tot en met derde lid, voor dat kalenderjaar heeft betaald, moet de bijstandsorganisatie het verschil terugstorten aan het agentschap.
Als een bijstandsorganisatie een deel van de subsidies die het agentschap heeft betaald voor een kalenderjaar conform het vijfde lid moet terugbetalen of als het agentschap een deel van de subsidies waarop een bijstandsorganisatie voor een kalenderjaar recht heeft conform paragraaf 2, derde lid en in voorkomend geval vierde lid, conform het vierde lid niet kan betalen, kan het agentschap de subsidies die moeten worden terugbetaald of die niet kunnen worden betaald verdelen over de bijstandsorganisaties voor wie het totale bedrag van de lidgelden en de meer hoogdrempelige individuele bijstand die voor dat kalenderjaar zijn geregistreerd groter is dan het subsidiebedrag waarop de bijstandsorganisatie voor dat kalenderjaar recht heeft conform paragraaf 2, derde en in voorkomend geval vierde lid. De verdeling gebeurt rekening houdend met het verschil tussen het totale bedrag van de lidgelden en de meer hoogdrempelige individuele bijstand die de bijstandsorganisaties voor het kalenderjaar hebben geregistreerd en het totale subsidiebedrag waarop de bijstandsorganisaties voor dat kalenderjaar recht hebben conform paragraaf 2, derde lid en in voorkomend geval vierde lid. Het agentschap kan voor een kalenderjaar jaar evenwel niet meer subsidies betalen dan het totale bedrag van de lidgelden en de meer hoogdrempelige individuele bijstand die een bijstandsorganisatie voor dat kalenderjaar heeft geregistreerd.".
Art. 21. Dans le chapitre 6 du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont insĂ©rĂ©s des articles 29/1 Ă 29/6 rĂ©digĂ©s comme suit :
" Art. 29/1. Dans la période du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2019, les usagers majeurs d'un FAM disposant conformément aux articles 13 à 23 d'un nombre de points liés aux soins et faisant usage d'un accompagnement au logement et de jour peuvent prétendre sept jours sur sept à un accompagnement de jour et au logement du FAM, qui est autorisé en tant que prestataire de soins par l'agence et qui lui offre des soins et de soutien non directement accessibles au 31 décembre 2016, lorsqu'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° la personne handicapée concernée présente conformément à l'article 24 une demande de révision du nombre attribué de moyens liés aux soins ;
2° l'engagement du FAM au sens de l'alinĂ©a 1er et l'engagement de la personne handicapĂ©e au sens du point 2° sont intĂ©grĂ©s dans le contrat individuel de services mentionnĂ© dans le chapitre 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2011 relatif aux conditions gĂ©nĂ©rales d'agrĂ©ment et Ă la gestion de la qualitĂ© des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapĂ©es.
Le droit visé à l'alinéa 1er échoit lorsque le budget qui est attribué aprÚs traitement de la demande de révision, est mis à disposition ou lorsque l'usager majeur visé à l'article 1er quitte le FAM qui est autorisé en tant que prestataire de soins par l'agence.
Lorsque le prestataire de soins autorisé offre un soutien structurel dans le cadre du droit visé à l'alinéa 1er, l'agence accordera temporairement des moyens supplémentaires au prestataire de soins.
Le Ministre flamand compétent pour l'assistance aux personnes détermine la fréquence minimale de l'utilisation de l'accompagnement au logement qui est requise pour pouvoir prétendre au droit visé à l'alinéa 1er, et détermine les modalités de mobilisation des moyens supplémentaires.
Art. 29/2. Les personnes handicapées auxquelles, conformément aux articles 13 à 23, des points liés aux soins sont attribués ou auxquelles l'agence a mis à disposition un budget et qui utilisent ces points liés aux soins ou ce budget uniquement pour l'accompagnement de jour, peuvent prétendre annuellement à 30 jours d'accompagnement au logement et de jour auprÚs d'une structure qui a été reconnue à cet effet et qui est subventionnée par l'agence, sans qu'elles soient tenues d'utiliser à cet effet les moyens liés aux soins ou le budget mis à disposition.
Dans l'alinéa 1er, il faut entendre par :
1° accompagnement de jour : l'assistance de jour, visĂ©e Ă l'article 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© du 27 novembre 2015 ;
2° accompagnement au logement : l'assistance au logement visĂ©e Ă l'article 1er, 23°, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©.
Art. 29/3. Dans l'année 2017, l'agence met à disposition un budget aux personnes handicapées suivantes :
1° des personnes en situation de handicap bénéficiaires d'une convention personnalisée attribuée par l'agence qui ont quitté ensuite le FAM dans lequel la convention personnalisée a été utilisée tandis que le FAM utilise les moyens prévus par la convention personnalisée pour une autre personne en situation de handicap ;
2° des personnes en situation de handicap bénéficiaires d'une convention personnalisée attribuée par l'agence qui a été partiellement utilisée au 1er avril 2016 et qui démontrent qu'elles ont fait des efforts au cours de l'année 2016 pour utiliser la totalité des moyens de la convention personnalisée attribuée ;
3° des personnes en situation de handicap bénéficiaires d'une convention personnalisée attribuée par l'agence qui n'est pas utilisée au 1er avril 2016 et qui est partiellement utilisée au 31 décembre 2016 et qui démontrent qu'il est souhaitable d'utiliser la totalité des moyens de la convention personnalisée ;
4° des personnes en situation de handicap bénéficiaires d'une convention personnalisée attribuée par l'agence qui n'est utilisée ni au 1er avril 2016 ni au 31 décembre 2016 et qui démontrent qu'elles ont fait des efforts au cours de l'année 2016 pour utiliser la totalité des moyens de la convention personnalisée attribuée ;
5° des personnes en situation de handicap bĂ©nĂ©ficiaires d'une convention personnalisĂ©e attribuĂ©e par l'agence qui est utilisĂ©e auprĂšs d'un centre multifonctionnel pour personnes handicapĂ©es mineures au sens de l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 fĂ©vrier 2016 portant agrĂ©ment et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapĂ©es mineures ou auprĂšs d'un service d'aide Ă domicile.
L'agence dĂ©termine le montant du budget qui est mis Ă disposition par la demande d'aide qui donnait lieu Ă l'attribution de la convention personnalisĂ©e, Ă traduire vers des fonctions d'accompagnement avec une frĂ©quence maximale sur la base d'un tableau de calcul figurant Ă l'annexe de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapĂ©es ayant une demande de soins active vers le financement personnalisĂ©.
Dans le prĂ©sent article, on entend par convention personnalisĂ©e : la convention personnalisĂ©e au sens de l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 portant des mesures visant Ă rencontrer les besoins urgents des personnes handicapĂ©es.
Art. 29/4. La dĂ©cision de l'agence visĂ©e Ă l'article 23, Ă©choit au 1er janvier 2020 lorsque l'accompagnement par un FAM ou le service d'aide Ă domicile qui a Ă©tĂ© traduit conformĂ©ment aux articles 13 Ă 23 en un nombre de moyens liĂ©s aux soins, est attribuĂ© sur la base d'une dĂ©cision de l'agence par laquelle l'attribution de l'accompagnement par le FAM ou le service d'aide Ă domicile a Ă©tĂ© limitĂ©e dans le temps sauf si avant cette date une demande de rĂ©vision a Ă©tĂ© dĂ©posĂ©e conformĂ©ment Ă l'article 24 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Lorsque la catégorie budgétaire visée à la décision d'attribution est inférieure, aprÚs la révision visée à l'alinéa 1er, au nombre de moyens liés aux soins prévu à la décision visée à l'article 23, l'agence met à disposition la catégorie budgétaire inférieure à compter du premier jour du quatriÚme mois aprÚs la date figurant dans la décision d'attribution.
Lorsque la catĂ©gorie budgĂ©taire visĂ©e Ă la dĂ©cision d'attribution est supĂ©rieure, aprĂšs rĂ©vision, au nombre de moyens liĂ©s aux soins qui est communiquĂ© par l'agence, conformĂ©ment Ă l'article 23 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le nombre de moyens liĂ©s aux soins communiquĂ© par l'agence conformĂ©ment Ă l'article 23 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, peut Ă©galement ĂȘtre affectĂ© aprĂšs le 1er janvier 2020 Ă un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles. L'agence transmet le dossier Ă la commission rĂ©gionale des prioritĂ©s visĂ©e Ă l'article de l'arrĂȘtĂ© du 27 novembre 2015 pour la partie de la catĂ©gorie budgĂ©taire qui dĂ©passe le nombre de moyens liĂ©s aux soins ou les points liĂ©s aux soins visĂ©s Ă la dĂ©cision mentionnĂ©e Ă l'article 23 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. "
Art. 29/5. Lorsque la personne handicapĂ©e Ă laquelle conformĂ©ment aux articles 13 Ă 23 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, un nombre de points liĂ©s aux soins a Ă©tĂ© attribuĂ©, dĂ©pose une demande de rĂ©vision conformĂ©ment Ă l'article 24 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et la catĂ©gorie budgĂ©taire est supĂ©rieure, aprĂšs rĂ©vision, au nombre de points liĂ©s aux soins mentionnĂ© dans la dĂ©cision visĂ©e Ă l'article 23 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, la partie de la catĂ©gorie budgĂ©taire attribuĂ©e aprĂšs la rĂ©vision qui dĂ©passe le nombre de points liĂ©s aux soins mentionnĂ© dans la dĂ©cision visĂ©e Ă l'article 23, est mise Ă disposition dans les limites des moyens fixĂ©s au budget de l'agence pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapĂ©es majeures, dans la pĂ©riode du 1er janvier 2017 au 31 dĂ©cembre 2019 nonobstant le groupe prioritaire, visĂ© Ă l'article 23 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015, qui a Ă©tĂ© attribuĂ© par la commission rĂ©gionale des prioritĂ©s, lorsqu'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° la personne handicapée concernée déclare qu'elle ne veut plus avoir recours au prestataire de soins autorisé par l'agence qui lui offrait des soins et du soutien au 31 décembre 2016 ;
2° la personne en situation de handicap a affectĂ© les points liĂ©s aux soins mentionnĂ©s dans la dĂ©cision visĂ©e Ă l'article 23 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, depuis le 1er janvier 2017 jusqu'Ă l'expiration du contrat de services avec le prestataire de soins concernĂ© qui lui dĂ©livrait des soins et du soutien au 31 dĂ©cembre 2016.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités et le délai qui seront applicables aux mises à disposition visées à l'alinéa 1er, dans la période visée à l'alinéa 1er.
Art. 29/6. § 1er. Dans le prĂ©sent article, on entend par organisations d'assistance : les organisations d'assistance autorisĂ©es par l'agence conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 dĂ©cembre 2015 portant conditions d'autorisation et rĂšglement de subventions des organisations d'assistance aux bĂ©nĂ©ficiaires d'enveloppe dans le cadre du financement personnalisĂ©.
§ 2. Dans la pĂ©riode du 1er janvier 2017 au 31 dĂ©cembre 2019, l'agence peut octroyer des subventions aux organisations d'assistance qui peuvent ĂȘtre utilisĂ©es comme suit :
1° la prestation d'une assistance individuelle moins accessible telle que visĂ©e Ă l'article 12 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 dĂ©cembre 2015 portant conditions d'autorisation et rĂšglement de subvention des organisations d'assistance aux bĂ©nĂ©ficiaires d'enveloppe dans le cadre du financement personnalisĂ©, Ă des personnes majeures en situation de handicap Ă qui, conformĂ©ment Ă l'article 13 Ă 23, il a Ă©tĂ© octroyĂ© un nombre de points liĂ©s aux soins qui peut ĂȘtre affectĂ© Ă un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles et qui au 31 dĂ©cembre 2016 ne combinaient pas le soutien du FAM ou du service d'aide Ă domicile et un budget d'assistance personnelle ;
2° le paiement de la cotisation de membre, visĂ©e Ă l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 1er juillet 2016 fixant la cotisation de membre que les organisations d'assistance demandent aux bĂ©nĂ©ficiaires d'enveloppe dans le cadre du financement personnalisĂ©, pour les personnes en situation de handicap, visĂ©es au point 1°.
Le montant total des subventions visé à l'alinéa 2 s'élÚve au maximum 500.000 euros par an.
Le montant total de subventions visé à l'alinéa 2 est réparti sur les différentes organisations d'assistance sur la base d'une clé de répartition. Chaque fois à l'issue d'un délai de six mois, cette clé de répartition sera adaptée par le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions, en tenant compte du nombre de membres de chaque organisation d'assistance pendant la période écoulée de six mois et tenant compte de l'assistance individuelle moins accessible visée à l'alinéa 1er, 1°, offerte par chaque organisation d'assistance dans les six mois écoulés et de l'indemnité qui a été appliquée à cet effet.
Pour les six premiers mois de l'année calendaire 2017, la clé de répartition suivante est d'application :
1° Onafhankelijk leven (Vie autonome): 38% ;
3° Absoluut : 38% ;
3° Alin : 12% ;
4° ZOOM : 12%.
Les organisations d'assistance enregistrent en permanence les données suivantes auprÚs de l'agence :
1° les données d'identification des personnes en situation de handicap pour qui la cotisation de membre visée à l'alinéa 1er, 2°, est payée ;
2° les données d'identification des personnes en situation de handicap à qui une assistance individuelle moins accessible est fournie ;
3° le montant de l'indemnisation de l'assistance individuelle moins accessible visée au point 2° qui est appliqué.
L'agence définit les modalités de l'enregistrement.
Les organisations d'assistance peuvent enregistrer pour chaque personne en situation de handicap visée à l'alinéa 1er, 1°, pour la période entiÚre du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2019, des cotisations de membre et l'assistance individuelle moins accessible pour un montant total de 300 euros au maximum et peuvent affecter, conformément à l'alinéa 1er, 2°, au maximum 20% du montant de la subvention auquel l'organisation d'assistance a droit pour un semestre conformément à l'alinéa 3 et, le cas échéant, l'alinéa 4.
§ 3. L'agence paie 80% de la moitié du montant annuel de la subvention visé au paragraphe 2, alinéa 2, au mois de janvier de l'année calendaire à laquelle les subventions se rapportent sur la base de la clé de répartition visée au paragraphe 2, alinéa 3, qui a été déterminée pour le semestre pour lequel les subventions sont payées.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'agence paie pour le premier semestre de l'année calendaire 2017, 80% de la moitié du montant annuel de la subvention sur la base de la clé de répartition visée au paragraphe 2, alinéa 4, dans le mois de mars de l'année 2017.
L'agence paie 80% de la deuxiÚme moitié du montant annuel de la subvention visé au paragraphe 2, alinéa 2, au mois de juillet de l'année calendaire à laquelle les subventions se rapportent sur la base de la clé de répartition visée au paragraphe 2, alinéa 3, qui est déterminée pour le semestre pour lequel les subventions sont payées.
Dans l'annĂ©e calendaire qui suit l'annĂ©e calendaire Ă laquelle les subventions visĂ©es au paragraphe 2, alinĂ©a 1er, se rapportent, l'agence paie les 20% restants des subventions auxquelles l'organisation d'assistance a droit pour cette annĂ©e calendaire conformĂ©ment au paragraphe 2, alinĂ©a 3, et, le cas Ă©chĂ©ant, alinĂ©a 4, sans que le montant total de la subvention que l'agence paie pour une annĂ©e calendaire Ă une organisation d'assistance puisse ĂȘtre supĂ©rieur au montant total des cotisations de membre et de l'assistance individuelle moins accessible que l'organisation d'assistance a enregistrĂ© pour cette annĂ©e calendaire.
Lorsque le montant total des cotisations de membre et de l'assistance individuelle moins accessible que l'organisation d'assistance a enregistrées pour une année calendaire est inférieur au montant de la subvention que l'agence a payé conformément aux alinéas 1er à 3, pour cette année calendaire, l'organisation d'assistance doit restituer la différence à l'agence.
Lorsqu'une organisation d'assistance doit restituer une partie des subventions payĂ©es par l'agence pour une annĂ©e calendaire conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 5 ou lorsque l'agence ne peut pas payer une partie des subventions auxquelles une organisation d'assistance a droit pour une annĂ©e calendaire conformĂ©ment au paragraphe 2, alinĂ©a 3 et, le cas Ă©chĂ©ant, alinĂ©a 4, conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 4, l'agence peut rĂ©partir les subventions Ă restituer ou ne pouvant pas ĂȘtre payĂ©es sur les organisations d'assistance pour lesquelles le montant total des cotisations de membre et de l'assistance individuelle moins accessible enregistrĂ©es pour cette annĂ©e calendaire est supĂ©rieur au montant de la subvention auquel l'organisation d'assistance a droit pour cette annĂ©e calendaire conformĂ©ment au paragraphe 2, alinĂ©a 3 et, le cas Ă©chĂ©ant, alinĂ©a 4. La rĂ©partition s'effectue en tenant compte de la diffĂ©rence entre le montant total des cotisations de membre et de l'assistance individuelle moins accessible que les organisations d'assistance a enregistrĂ©es pour l'annĂ©e calendaire et le montant total de la subvention auquel les organisations d'assistance ont droit pour cette annĂ©e calendaire conformĂ©ment au paragraphe 2, alinĂ©a 3 et, le cas Ă©chĂ©ant, alinĂ©a 4. L'agence ne peut pas payer pour une annĂ©e calendaire des subventions plus Ă©levĂ©es que le montant total des cotisations de membre et de l'assistance individuelle moins accessible qu'une organisation d'assistance a enregistrĂ©es pour cette annĂ©e calendaire. "
" Art. 29/1. Dans la période du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2019, les usagers majeurs d'un FAM disposant conformément aux articles 13 à 23 d'un nombre de points liés aux soins et faisant usage d'un accompagnement au logement et de jour peuvent prétendre sept jours sur sept à un accompagnement de jour et au logement du FAM, qui est autorisé en tant que prestataire de soins par l'agence et qui lui offre des soins et de soutien non directement accessibles au 31 décembre 2016, lorsqu'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° la personne handicapée concernée présente conformément à l'article 24 une demande de révision du nombre attribué de moyens liés aux soins ;
2° l'engagement du FAM au sens de l'alinĂ©a 1er et l'engagement de la personne handicapĂ©e au sens du point 2° sont intĂ©grĂ©s dans le contrat individuel de services mentionnĂ© dans le chapitre 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 4 fĂ©vrier 2011 relatif aux conditions gĂ©nĂ©rales d'agrĂ©ment et Ă la gestion de la qualitĂ© des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapĂ©es.
Le droit visé à l'alinéa 1er échoit lorsque le budget qui est attribué aprÚs traitement de la demande de révision, est mis à disposition ou lorsque l'usager majeur visé à l'article 1er quitte le FAM qui est autorisé en tant que prestataire de soins par l'agence.
Lorsque le prestataire de soins autorisé offre un soutien structurel dans le cadre du droit visé à l'alinéa 1er, l'agence accordera temporairement des moyens supplémentaires au prestataire de soins.
Le Ministre flamand compétent pour l'assistance aux personnes détermine la fréquence minimale de l'utilisation de l'accompagnement au logement qui est requise pour pouvoir prétendre au droit visé à l'alinéa 1er, et détermine les modalités de mobilisation des moyens supplémentaires.
Art. 29/2. Les personnes handicapées auxquelles, conformément aux articles 13 à 23, des points liés aux soins sont attribués ou auxquelles l'agence a mis à disposition un budget et qui utilisent ces points liés aux soins ou ce budget uniquement pour l'accompagnement de jour, peuvent prétendre annuellement à 30 jours d'accompagnement au logement et de jour auprÚs d'une structure qui a été reconnue à cet effet et qui est subventionnée par l'agence, sans qu'elles soient tenues d'utiliser à cet effet les moyens liés aux soins ou le budget mis à disposition.
Dans l'alinéa 1er, il faut entendre par :
1° accompagnement de jour : l'assistance de jour, visĂ©e Ă l'article 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© du 27 novembre 2015 ;
2° accompagnement au logement : l'assistance au logement visĂ©e Ă l'article 1er, 23°, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©.
Art. 29/3. Dans l'année 2017, l'agence met à disposition un budget aux personnes handicapées suivantes :
1° des personnes en situation de handicap bénéficiaires d'une convention personnalisée attribuée par l'agence qui ont quitté ensuite le FAM dans lequel la convention personnalisée a été utilisée tandis que le FAM utilise les moyens prévus par la convention personnalisée pour une autre personne en situation de handicap ;
2° des personnes en situation de handicap bénéficiaires d'une convention personnalisée attribuée par l'agence qui a été partiellement utilisée au 1er avril 2016 et qui démontrent qu'elles ont fait des efforts au cours de l'année 2016 pour utiliser la totalité des moyens de la convention personnalisée attribuée ;
3° des personnes en situation de handicap bénéficiaires d'une convention personnalisée attribuée par l'agence qui n'est pas utilisée au 1er avril 2016 et qui est partiellement utilisée au 31 décembre 2016 et qui démontrent qu'il est souhaitable d'utiliser la totalité des moyens de la convention personnalisée ;
4° des personnes en situation de handicap bénéficiaires d'une convention personnalisée attribuée par l'agence qui n'est utilisée ni au 1er avril 2016 ni au 31 décembre 2016 et qui démontrent qu'elles ont fait des efforts au cours de l'année 2016 pour utiliser la totalité des moyens de la convention personnalisée attribuée ;
5° des personnes en situation de handicap bĂ©nĂ©ficiaires d'une convention personnalisĂ©e attribuĂ©e par l'agence qui est utilisĂ©e auprĂšs d'un centre multifonctionnel pour personnes handicapĂ©es mineures au sens de l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 fĂ©vrier 2016 portant agrĂ©ment et subventionnement de centres multifonctionnels pour personnes handicapĂ©es mineures ou auprĂšs d'un service d'aide Ă domicile.
L'agence dĂ©termine le montant du budget qui est mis Ă disposition par la demande d'aide qui donnait lieu Ă l'attribution de la convention personnalisĂ©e, Ă traduire vers des fonctions d'accompagnement avec une frĂ©quence maximale sur la base d'un tableau de calcul figurant Ă l'annexe de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juin 2016 portant la transition de personnes handicapĂ©es ayant une demande de soins active vers le financement personnalisĂ©.
Dans le prĂ©sent article, on entend par convention personnalisĂ©e : la convention personnalisĂ©e au sens de l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 juillet 2002 portant des mesures visant Ă rencontrer les besoins urgents des personnes handicapĂ©es.
Art. 29/4. La dĂ©cision de l'agence visĂ©e Ă l'article 23, Ă©choit au 1er janvier 2020 lorsque l'accompagnement par un FAM ou le service d'aide Ă domicile qui a Ă©tĂ© traduit conformĂ©ment aux articles 13 Ă 23 en un nombre de moyens liĂ©s aux soins, est attribuĂ© sur la base d'une dĂ©cision de l'agence par laquelle l'attribution de l'accompagnement par le FAM ou le service d'aide Ă domicile a Ă©tĂ© limitĂ©e dans le temps sauf si avant cette date une demande de rĂ©vision a Ă©tĂ© dĂ©posĂ©e conformĂ©ment Ă l'article 24 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Lorsque la catégorie budgétaire visée à la décision d'attribution est inférieure, aprÚs la révision visée à l'alinéa 1er, au nombre de moyens liés aux soins prévu à la décision visée à l'article 23, l'agence met à disposition la catégorie budgétaire inférieure à compter du premier jour du quatriÚme mois aprÚs la date figurant dans la décision d'attribution.
Lorsque la catĂ©gorie budgĂ©taire visĂ©e Ă la dĂ©cision d'attribution est supĂ©rieure, aprĂšs rĂ©vision, au nombre de moyens liĂ©s aux soins qui est communiquĂ© par l'agence, conformĂ©ment Ă l'article 23 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le nombre de moyens liĂ©s aux soins communiquĂ© par l'agence conformĂ©ment Ă l'article 23 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, peut Ă©galement ĂȘtre affectĂ© aprĂšs le 1er janvier 2020 Ă un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles. L'agence transmet le dossier Ă la commission rĂ©gionale des prioritĂ©s visĂ©e Ă l'article de l'arrĂȘtĂ© du 27 novembre 2015 pour la partie de la catĂ©gorie budgĂ©taire qui dĂ©passe le nombre de moyens liĂ©s aux soins ou les points liĂ©s aux soins visĂ©s Ă la dĂ©cision mentionnĂ©e Ă l'article 23 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. "
Art. 29/5. Lorsque la personne handicapĂ©e Ă laquelle conformĂ©ment aux articles 13 Ă 23 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, un nombre de points liĂ©s aux soins a Ă©tĂ© attribuĂ©, dĂ©pose une demande de rĂ©vision conformĂ©ment Ă l'article 24 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et la catĂ©gorie budgĂ©taire est supĂ©rieure, aprĂšs rĂ©vision, au nombre de points liĂ©s aux soins mentionnĂ© dans la dĂ©cision visĂ©e Ă l'article 23 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, la partie de la catĂ©gorie budgĂ©taire attribuĂ©e aprĂšs la rĂ©vision qui dĂ©passe le nombre de points liĂ©s aux soins mentionnĂ© dans la dĂ©cision visĂ©e Ă l'article 23, est mise Ă disposition dans les limites des moyens fixĂ©s au budget de l'agence pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapĂ©es majeures, dans la pĂ©riode du 1er janvier 2017 au 31 dĂ©cembre 2019 nonobstant le groupe prioritaire, visĂ© Ă l'article 23 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 novembre 2015, qui a Ă©tĂ© attribuĂ© par la commission rĂ©gionale des prioritĂ©s, lorsqu'il est satisfait aux conditions suivantes :
1° la personne handicapée concernée déclare qu'elle ne veut plus avoir recours au prestataire de soins autorisé par l'agence qui lui offrait des soins et du soutien au 31 décembre 2016 ;
2° la personne en situation de handicap a affectĂ© les points liĂ©s aux soins mentionnĂ©s dans la dĂ©cision visĂ©e Ă l'article 23 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, depuis le 1er janvier 2017 jusqu'Ă l'expiration du contrat de services avec le prestataire de soins concernĂ© qui lui dĂ©livrait des soins et du soutien au 31 dĂ©cembre 2016.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités et le délai qui seront applicables aux mises à disposition visées à l'alinéa 1er, dans la période visée à l'alinéa 1er.
Art. 29/6. § 1er. Dans le prĂ©sent article, on entend par organisations d'assistance : les organisations d'assistance autorisĂ©es par l'agence conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 dĂ©cembre 2015 portant conditions d'autorisation et rĂšglement de subventions des organisations d'assistance aux bĂ©nĂ©ficiaires d'enveloppe dans le cadre du financement personnalisĂ©.
§ 2. Dans la pĂ©riode du 1er janvier 2017 au 31 dĂ©cembre 2019, l'agence peut octroyer des subventions aux organisations d'assistance qui peuvent ĂȘtre utilisĂ©es comme suit :
1° la prestation d'une assistance individuelle moins accessible telle que visĂ©e Ă l'article 12 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 11 dĂ©cembre 2015 portant conditions d'autorisation et rĂšglement de subvention des organisations d'assistance aux bĂ©nĂ©ficiaires d'enveloppe dans le cadre du financement personnalisĂ©, Ă des personnes majeures en situation de handicap Ă qui, conformĂ©ment Ă l'article 13 Ă 23, il a Ă©tĂ© octroyĂ© un nombre de points liĂ©s aux soins qui peut ĂȘtre affectĂ© Ă un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles et qui au 31 dĂ©cembre 2016 ne combinaient pas le soutien du FAM ou du service d'aide Ă domicile et un budget d'assistance personnelle ;
2° le paiement de la cotisation de membre, visĂ©e Ă l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 1er juillet 2016 fixant la cotisation de membre que les organisations d'assistance demandent aux bĂ©nĂ©ficiaires d'enveloppe dans le cadre du financement personnalisĂ©, pour les personnes en situation de handicap, visĂ©es au point 1°.
Le montant total des subventions visé à l'alinéa 2 s'élÚve au maximum 500.000 euros par an.
Le montant total de subventions visé à l'alinéa 2 est réparti sur les différentes organisations d'assistance sur la base d'une clé de répartition. Chaque fois à l'issue d'un délai de six mois, cette clé de répartition sera adaptée par le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions, en tenant compte du nombre de membres de chaque organisation d'assistance pendant la période écoulée de six mois et tenant compte de l'assistance individuelle moins accessible visée à l'alinéa 1er, 1°, offerte par chaque organisation d'assistance dans les six mois écoulés et de l'indemnité qui a été appliquée à cet effet.
Pour les six premiers mois de l'année calendaire 2017, la clé de répartition suivante est d'application :
1° Onafhankelijk leven (Vie autonome): 38% ;
3° Absoluut : 38% ;
3° Alin : 12% ;
4° ZOOM : 12%.
Les organisations d'assistance enregistrent en permanence les données suivantes auprÚs de l'agence :
1° les données d'identification des personnes en situation de handicap pour qui la cotisation de membre visée à l'alinéa 1er, 2°, est payée ;
2° les données d'identification des personnes en situation de handicap à qui une assistance individuelle moins accessible est fournie ;
3° le montant de l'indemnisation de l'assistance individuelle moins accessible visée au point 2° qui est appliqué.
L'agence définit les modalités de l'enregistrement.
Les organisations d'assistance peuvent enregistrer pour chaque personne en situation de handicap visée à l'alinéa 1er, 1°, pour la période entiÚre du 1er janvier 2017 au 31 décembre 2019, des cotisations de membre et l'assistance individuelle moins accessible pour un montant total de 300 euros au maximum et peuvent affecter, conformément à l'alinéa 1er, 2°, au maximum 20% du montant de la subvention auquel l'organisation d'assistance a droit pour un semestre conformément à l'alinéa 3 et, le cas échéant, l'alinéa 4.
§ 3. L'agence paie 80% de la moitié du montant annuel de la subvention visé au paragraphe 2, alinéa 2, au mois de janvier de l'année calendaire à laquelle les subventions se rapportent sur la base de la clé de répartition visée au paragraphe 2, alinéa 3, qui a été déterminée pour le semestre pour lequel les subventions sont payées.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'agence paie pour le premier semestre de l'année calendaire 2017, 80% de la moitié du montant annuel de la subvention sur la base de la clé de répartition visée au paragraphe 2, alinéa 4, dans le mois de mars de l'année 2017.
L'agence paie 80% de la deuxiÚme moitié du montant annuel de la subvention visé au paragraphe 2, alinéa 2, au mois de juillet de l'année calendaire à laquelle les subventions se rapportent sur la base de la clé de répartition visée au paragraphe 2, alinéa 3, qui est déterminée pour le semestre pour lequel les subventions sont payées.
Dans l'annĂ©e calendaire qui suit l'annĂ©e calendaire Ă laquelle les subventions visĂ©es au paragraphe 2, alinĂ©a 1er, se rapportent, l'agence paie les 20% restants des subventions auxquelles l'organisation d'assistance a droit pour cette annĂ©e calendaire conformĂ©ment au paragraphe 2, alinĂ©a 3, et, le cas Ă©chĂ©ant, alinĂ©a 4, sans que le montant total de la subvention que l'agence paie pour une annĂ©e calendaire Ă une organisation d'assistance puisse ĂȘtre supĂ©rieur au montant total des cotisations de membre et de l'assistance individuelle moins accessible que l'organisation d'assistance a enregistrĂ© pour cette annĂ©e calendaire.
Lorsque le montant total des cotisations de membre et de l'assistance individuelle moins accessible que l'organisation d'assistance a enregistrées pour une année calendaire est inférieur au montant de la subvention que l'agence a payé conformément aux alinéas 1er à 3, pour cette année calendaire, l'organisation d'assistance doit restituer la différence à l'agence.
Lorsqu'une organisation d'assistance doit restituer une partie des subventions payĂ©es par l'agence pour une annĂ©e calendaire conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 5 ou lorsque l'agence ne peut pas payer une partie des subventions auxquelles une organisation d'assistance a droit pour une annĂ©e calendaire conformĂ©ment au paragraphe 2, alinĂ©a 3 et, le cas Ă©chĂ©ant, alinĂ©a 4, conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 4, l'agence peut rĂ©partir les subventions Ă restituer ou ne pouvant pas ĂȘtre payĂ©es sur les organisations d'assistance pour lesquelles le montant total des cotisations de membre et de l'assistance individuelle moins accessible enregistrĂ©es pour cette annĂ©e calendaire est supĂ©rieur au montant de la subvention auquel l'organisation d'assistance a droit pour cette annĂ©e calendaire conformĂ©ment au paragraphe 2, alinĂ©a 3 et, le cas Ă©chĂ©ant, alinĂ©a 4. La rĂ©partition s'effectue en tenant compte de la diffĂ©rence entre le montant total des cotisations de membre et de l'assistance individuelle moins accessible que les organisations d'assistance a enregistrĂ©es pour l'annĂ©e calendaire et le montant total de la subvention auquel les organisations d'assistance ont droit pour cette annĂ©e calendaire conformĂ©ment au paragraphe 2, alinĂ©a 3 et, le cas Ă©chĂ©ant, alinĂ©a 4. L'agence ne peut pas payer pour une annĂ©e calendaire des subventions plus Ă©levĂ©es que le montant total des cotisations de membre et de l'assistance individuelle moins accessible qu'une organisation d'assistance a enregistrĂ©es pour cette annĂ©e calendaire. "
Art. 22. In de bijlage, die bij hetzelfde besluit, worden tabel 7 tot en met 9, opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd, toegevoegd.
Art. 22. A l'annexe au mĂȘme arrĂȘtĂ© sont ajoutĂ©s les tableaux 7 Ă 9 figurant Ă l'annexe jointe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
Art. 23. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 2016 met uitzondering van artikel 10 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2016 en artikel 17, 18 en artikel 21 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2017.
Art. 23. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© produit ses effets le 1er avril 2016, Ă l'exception de l'article 10, qui produit ses effets le 1er septembre 2016, et les articles 17, 18 et 21 qui produisent leurs effets le 1er janvier 2017.
Art. 24. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 24. Le Ministre flamand ayant l'assistance aux personnes dans ses attributions, est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 27-06-2017, p. 68415)
Art. N. (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 27-06-2017, p. 68426)