Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
26 APRIL 2017. - Wet houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft
Titre
26 AVRIL 2017. - Loi réglant l'institution d'un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne en ce qui concerne le Conseil d'Etat et le Conseil du Contentieux des Etrangers
Documentinformatie
Numac: 2017012158
Datum: 2017-04-26
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2017012158
Date: 2017-04-26
Moniteur: Voir
Tekst (15)
Texte (15)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne
Art. 2. Artikel 4 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
  " § 4. Voor de Raad van State is voor elk verzoekschrift dat een eis tot herstelvergoeding voor buitengewone, morele of materiële schade, een beroep tot nietigverklaring, een cassatieberoep, een verzoek tot schadevergoeding tot herstel, een administratief kort geding, een verzet, een derdenverzet of een beroep tot herziening inleidt, per verzoekende partij, een bijdrage aan het Fonds verschuldigd.
  De inning van de in het eerste lid bedoelde bijdrage is aan dezelfde regels onderworpen als deze voor de inning van de in artikel 30, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, bedoelde rechten.
  Voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is voor elke zaak die op de rol wordt ingeschreven, per verzoekende partij, een bijdrage aan het Fonds verschuldigd.
  Voor de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is de partij die de juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet, geen bijdrage aan het Fonds verschuldigd.
  De Koning bepaalt de nadere regels voor de invordering van de bijdrage aan het Fonds."
Art. 2. L'article 4 de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne est complété par le paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Devant le Conseil d'Etat une contribution au fonds est due, par partie requérante, pour chaque requête qui introduit une demande d'indemnité relative à la réparation d'un dommage exceptionnel, moral ou matériel, un recours en annulation, un recours en cassation, une demande en indemnité réparatrice, un référé administratif, une opposition, une tierce opposition ou un recours en révision.
  La perception de la contribution visée à l'alinéa 1er, est soumise aux mêmes règles que celles pour la perception des droits visés à l'article 30, § 1, alinéa 2, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
  Devant le Conseil du Contentieux des Etrangers, une contribution au fonds est due pour chaque affaire inscrite au rôle, par partie requérante.
  Devant le Conseil d'Etat et le Conseil du Contentieux des Etrangers, la partie qui bénéficie de l'aide juridique de deuxième ligne ou de l'assistance judiciaire n'est pas tenue de payer une contribution au fonds.
  Le Roi fixe les modalités de recouvrement de la contribution au fonds."
(NOTA : bij arrest nr.22/2020 van 13-02-2020 (B.St. 20-02-2020, p. 10056), heeft het Grondwettelijk Hof in dit artikel de woorden « per verzoekende partij » vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 22/2020 du 13-02-2020 (M.B. 20-02-2020, p. 10056), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article les mots " par partie requérante ")
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté du Régent du 23 août 1948 déterminant la procédure devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat
Art. 3. Artikel 66 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, vervangen bij het koninklijk besluit van 15 juli 1956 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 januari 2014 en 28 maart 2014, wordt aangevuld met de bepaling onder 6°, luidende :
  "6° de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand."
  De bepaling ingevoegd door het vorige lid kan door de Koning worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen.
Art. 3. L'article 66 de l'arrêté du Régent du 23 août 1948 déterminant la procédure devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat, remplacé par l'arrêté royal du 15 juillet 1956 et modifié par les arrêtés royaux des 30 janvier 2014 et 28 mars 2014, est complété par un 6° rédigé comme suit :
  "6° la contribution visée à l'article 4, § 4, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne."
  La disposition insérée par l'alinéa précédent peut être abrogée, complétée, modifiée ou remplacée par le Roi.
Art. 4. In artikel 68, tweede lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 25 april 2007 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 januari 2014, worden tussen de woorden "de rechten bedoeld in artikel 70" en "door de griffier" de woorden "en de in artikel 66, 6°, bedoelde bijdrage" ingevoegd.
  De bepaling ingevoegd door het vorige lid kan door de Koning worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen.
Art. 4. Dans l'article 68, alinéa 2, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 25 avril 2007 et modifié par l'arrêté royal du 30 janvier 2014, les mots "et la contribution visée à l'article 66, 6°, " sont insérés entre les mots "les droits visés à l'article 70" et "sont liquidées en débet".
  La disposition insérée par l'alinéa précédent peut être abrogée, complétée, modifiée ou remplacée par le Roi.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
CHAPITRE 4. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Art. 5. In de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wordt een artikel 39/68-1bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 39/68-1bis. § 1. De verzoekende partij is, behoudens in het geval zij hiervan vrijgesteld is, de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand verschuldigd.
  Wanneer de schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing wordt gevorderd, wordt de bijdrage bedoeld in het eerste lid, slechts onmiddellijk betaald voor de vordering tot schorsing. In dit geval is de bijdrage van het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts verschuldigd bij het instellen van een vordering tot voortzetting van de procedure, bedoeld in artikel 39/82, § 6, en wordt het gekweten door de persoon of de personen die de voortzetting van de procedure vorderen, onverminderd paragraaf 3.
  § 2. Indien de hoofdgriffier of de door hem aangewezen griffier vaststelt dat de verzoekende partij in het verzoekschrift vraagt te worden vrijgesteld van het betalen van de bijdrage, zoals voorzien in artikel 4, § 4, vierde alinea, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, zonder dat die bij het verzoekschrift de in artikel 39/69, § 1, tweede lid, 9°, bepaalde stukken heeft gevoegd, dan richt hij aan de verzoekende partij een brief waarbij wordt meegedeeld welke stukken ontbreken en waarbij die partij wordt verzocht binnen acht dagen haar verzoekschrift te regulariseren.
  De verzoekende partij die haar verzoekschrift regulariseert binnen acht dagen na de ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek, wordt geacht de vereiste stukken te hebben gevoegd bij het verzoekschrift op de datum van de verzending van het verzoekschrift.
  Indien de verzoekende partij het verzoekschrift niet of onvolledig regulariseert binnen acht dagen na de ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek, dan wordt zij, onverminderd de toepassing van artikel 39/69, § 1, derde lid, geacht afstand te hebben gedaan van haar verzoek tot vrijstelling van het betalen van de bijdrage.
  § 3. De kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter bepaalt in een beschikking of een bijdrage verschuldigd is, alsmede het bedrag van de bijdrage.
  De beoordeling van de in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, bepaalde voorwaarden geschiedt op basis van het verzoekschrift en de er op grond van artikel 39/69, § 1, tweede lid, bijgevoegde stukken.
  De uitspraak over de bijdrage geschiedt zonder rechtspleging en is niet vatbaar voor enig beroep.
  § 4. De betaling wordt verricht binnen een termijn van acht dagen, die ingaat op de dag dat de hoofdgriffier de betrokkene ter kennis brengt dat de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand verschuldigd is en waarbij hij tevens op de hoogte wordt gesteld van het verschuldigde bedrag.
  Indien dit bedrag niet binnen de in het eerste lid bepaalde termijn is gestort, wordt het beroep niet op de rol geplaatst. De niet-tijdige betaling kan niet worden geregulariseerd. Onverminderd de toepassing van artikel 39/68-1, § 5, tweede lid, wordt bij tijdige kwijting het beroep op de rol geplaatst en gaat de termijn bedoeld in artikel 39/76, § 3, in.
  In afwijking van paragraaf 2 en paragraaf 4, eerste lid, moet, wanneer toepassing wordt gemaakt van de versnelde procedures zoals bepaald in artikel 39/77 en 39/77/1, het bewijs van vrijstelling of betaling ten laatste op de zitting worden neergelegd.
  In afwijking van het tweede lid, moet, wanneer in de vordering tot schorsing, die gepaard gaat met een beroep tot nietigverklaring, de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, het bedrag betaald worden op het ogenblik dat de voortzetting van de procedure wordt gevraagd.
  Als met toepassing van artikel 39/82, § 3, eerste lid, de vordering tot schorsing zich uitsluitend beperkt tot een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, dan is het bedrag voor deze vordering tot schorsing verschuldigd bij het indienen van een verzoekschrift tot nietigverklaring.
  § 5. De Koning bepaalt de nadere regels van invordering van de bijdrage aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand."
Art. 5. Dans la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, il est inséré un article 39/68-1bis rédigé comme suit :
  "Art. 39/68-1bis. § 1er. Sauf si elle en est dispensée, la partie requérante est tenue de payer la contribution visée à l'article 4, § 4, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne.
  Lorsque la suspension de l'exécution d'une décision est demandée, la contribution visée à l'alinéa 1er n'est due immédiatement que pour la demande de suspension. Dans ce cas, la contribution n'est due pour la requête en annulation que lors de l'introduction d'une demande de poursuite de la procédure, visée à l'article 39/82, § 6, et est acquittée par la ou les personnes qui demandent la poursuite de la procédure, sans préjudice du paragraphe 3.
  § 2. Si le greffier en chef ou le greffier qu'il désigne constate que la partie requérante demande dans la requête à être dispensée du paiement de la contribution, prévue à l'article 4, § 4, alinéa 4, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne, sans qu'elle ait joint à la requête les pièces prévues à l'article 39/69, § 1er, alinéa 2, 9°, il adresse à la partie requérante une lettre qui indique les pièces manquantes et qui demande à cette partie de régulariser sa requête dans les huit jours.
  La partie requérante qui régularise sa requête dans les huit jours suivant la réception de la demande visée à l'alinéa 1er est réputée avoir joint les pièces requises à la requête à la date de l'envoi de la requête.
  La partie requérante qui ne régularise pas sa requête dans les huit jours suivant la réception de la demande visée à l'alinéa 1er ou qui la régularise de manière incomplète est réputée avoir renoncé à sa demande d'être dispensée du paiement de la contribution, sans préjudice de l'application de l'article 39/69, § 1er, alinéa 3.
  § 3. Le président de chambre ou le juge qu'il a désigné décide par ordonnance si une contribution est due et en détermine le montant.
  L'appréciation des conditions déterminées à l'article 4, § 4, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne s'effectue sur la base de la requête et des pièces y jointes en vertu de l'article 39/69, § 1er, alinéa 2.
  La décision relative à la contribution est prise sans procédure et n'est susceptible d'aucun recours.
  § 4. Le paiement est effectué dans un délai de huit jours, qui prend cours le jour où le greffier en chef informe la personne concernée que la contribution visée à l'article 4, § 4, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne est due et où cette personne est également informée du montant dû.
  Si ce montant n'est pas versé dans le délai fixé à l'alinéa 1er, le recours n'est pas inscrit au rôle. Le paiement tardif ne peut être régularisé. Sans préjudice de l'application de l'article 39/68-1, § 5, alinéa 2, le recours est inscrit au rôle et le délai visé à l'article 39/76, § 3, prend cours si le paiement est effectué à temps.
  Par dérogation au paragraphe 2 et au paragraphe 4, alinéa 1er, la preuve de la dispense ou du paiement doit être déposée au plus tard à l'audience lorsqu'il est fait application des procédures accélérées prévues aux articles 39/77 et 39/77/1.
  Par dérogation à l'alinéa 2, le montant doit, lorsque l'extrême urgence est invoquée dans la demande de suspension, accompagnée d'un recours en annulation, être payé au moment où la poursuite de la procédure est demandée.
  Si, en application de l'article 39/82, § 3, alinéa 1er, la demande de suspension se limite uniquement à une demande de suspension d'extrême urgence, le montant pour cette demande de suspension est dû lors de l'introduction d'une requête en annulation.
  § 5. Le Roi fixe les modalités de recouvrement de la contribution au fonds d'aide juridique de deuxième ligne."
Art. 6. In artikel 39/69 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 mei 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) paragraaf 1, tweede lid, wordt aangevuld met de bepaling onder 9°, luidende:
  "9° in voorkomend geval, het verzoek te genieten van de vrijstelling tot betaling van de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en de stukken waaruit die aanspraak blijkt, bevatten.";
  b) paragraaf 1, derde lid, wordt aangevuld met de bepaling onder 8°, luidende :
  "8° de beroepen waarvoor de geheven bijdrage aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand niet is gekweten.";
  c) in paragraaf 3 worden de woorden "of een bijdrage aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand" ingevoegd tussen de woorden "een rolrecht" en de woorden "verschuldigd is".".
Art. 6. Dans l'article 39/69 de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié en dernier lieu par la loi du 8 mai 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le paragraphe 1er, alinéa 2, est complété par un 9° rédigé comme suit :
  "9° le cas échéant, la demande de bénéficier d'une dispense de paiement de la contribution au fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne et les pièces qui font apparaître ce droit.";
  b) le paragraphe 1er, alinéa 3, est complété par le 8° rédigé comme suit :
  "8° les recours pour lesquels la contribution imposée au fonds d'aide juridique de deuxième ligne n'est pas acquittée.";
  c) dans le paragraphe 3, les mots "ou, si un droit de rôle est dû, à" sont remplacés par les mots "ou, si un droit de rôle ou une contribution au fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne sont dus, à".".
Art. 7. In artikel 39/76, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het eerste lid worden de woorden "of een bijdrage aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand" ingevoegd tussen de woorden "een rolrecht" en de woorden "dient te worden gekwijt";
  b) in het derde lid worden de woorden "of een bijdrage aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand" ingevoegd tussen de woorden "een rolrecht" en de woorden "dient te worden gekwijt".
Art. 7. Dans l'article 39/76, § 3, de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006 et modifié en dernier lieu par la loi du 10 avril 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans l'alinéa 1er, les mots `régularisation, ou si un droit de rôle doit être acquitté, à' sont remplacés par les mots `régularisation, ou si un droit de rôle ou une contribution au fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne doivent être acquittés, à';
  b) dans l'alinéa 3, les mots "régularisation, ou si un droit de rôle doit être acquitté, à" sont remplacés par les mots "régularisation, ou si un droit de rôle ou une contribution au fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne doivent être acquittés, à";".
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
CHAPITRE 5. - Modification de l'arrêté royal du 21 décembre 2006 fixant la procédure devant le Conseil du Contentieux des Etrangers
Art. 8. In het hoofdstuk 1/1 van koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, wordt een artikel 9/2bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 9/2bis. De betaling bedoeld in artikel 39/68-1bis, § 4, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, geschiedt uitsluitend rechtsgeldig door de storting op een rekening bij de Raad die wordt meegedeeld in de in artikel 39/68-1bis, § 3, eerste lid, van dezelfde wet bedoelde beschikking. Bij deze storting dient verplichtend het refertenummer dat wordt opgegeven in deze beschikking vermeld te worden. Enkel stortingen in euro met vermelding van het refertenummer zijn geldig."
  De bepaling ingevoegd door het vorige lid kan door de Koning worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen.
Art. 8. Dans le chapitre 1er/1 de l'arrêté royal du 21 décembre 2006 fixant la procédure devant le Conseil du Contentieux des Etrangers, il est inséré un article 9/2bis rédigé comme suit :
  "Art. 9/2bis. Pour être valable, le paiement visé à l'article 39/68-1bis, § 4, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, s'effectue uniquement par un versement sur un compte du Conseil qui est communiqué dans l'ordonnance visée à l'article 39/68-1bis, § 3, alinéa 1er, de la même loi. Ce versement doit obligatoirement mentionner la référence indiquée dans cette ordonnance. Sont seuls valables les versements en euros avec mention de cette référence.".
  La disposition insérée par l'alinéa précédent peut être abrogée, complétée, modifiée ou remplacée par le Roi.
HOOFDSTUK 6. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 6. - Entrée en vigueur
Art. 9. Deze wet treedt in werking op de door de Koning bepaalde datum. De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de in deze wet bedoelde zaken die ingeleid zijn vanaf deze datum.
Art. 9. La présente loi entre en vigueur à la date fixée par le Roi. Les dispositions de la présente loi s'appliquent aux affaires, visées dans cette loi, introduites à partir de cette date.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 2 à 4 fixée au 01-03-2018 par AR 2017-12-25/29, art. 47)