Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
21 APRIL 2017. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat betreft de optimalisatie van de organisatie en de rechtspleging van de Vlaamse bestuursrechtscolleges
Titre
21 AVRIL 2017. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand modifiant l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant la procĂ©dure devant certaines juridictions administratives flamandes, en ce qui concerne l'optimisation de l'organisation et de la procĂ©dure des juridictions administratives flamandes
Documentinformatie
Info du document
Tekst (73)
Texte (73)
Artikel 1. In artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017, wordt het woord "niet-ontvankelijkheid" vervangen door het woord "onontvankelijkheid".
Article 1er. Dans le texte nĂ©erlandais de l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant la procĂ©dure devant certaines juridictions administratives flamandes, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 fĂ©vrier 2017, les mots " niet-ontvankelijkheid " sont remplacĂ©s par le mot " onontvankelijkheid ".
Art. 2. In artikel 7 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "van de zaak" toegevoegd;
  2° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In dit artikel wordt verstaan onder zaak: de hoofdvordering en de eventuele aanvullende vorderingen."
  3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Elke wijziging van de woonplaatskeuze wordt voor elke zaak afzonderlijk en met een beveiligde zending uitdrukkelijk ter kennis gebracht van de griffier, met vermelding van het rolnummer van de zaak waarop de wijziging betrekking heeft.".
  1° aan paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "van de zaak" toegevoegd;
  2° aan paragraaf 1 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In dit artikel wordt verstaan onder zaak: de hoofdvordering en de eventuele aanvullende vorderingen."
  3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. Elke wijziging van de woonplaatskeuze wordt voor elke zaak afzonderlijk en met een beveiligde zending uitdrukkelijk ter kennis gebracht van de griffier, met vermelding van het rolnummer van de zaak waarop de wijziging betrekking heeft.".
Art. 2. A l'article 7 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est complété par les mots " de l'affaire " ;
  2° le paragraphe 1er est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " Dans le présent article, on entend par affaire : la demande principale et les demandes complémentaires éventuelles. "
  3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Chaque modification du choix de domicile est explicitement portée à la connaissance du greffier, séparément avant chaque procédure et par envoi sécurisé, avec mention du numéro de rÎle de l'affaire à laquelle a trait la modification. ".
  1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est complété par les mots " de l'affaire " ;
  2° le paragraphe 1er est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " Dans le présent article, on entend par affaire : la demande principale et les demandes complémentaires éventuelles. "
  3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Chaque modification du choix de domicile est explicitement portée à la connaissance du greffier, séparément avant chaque procédure et par envoi sécurisé, avec mention du numéro de rÎle de l'affaire à laquelle a trait la modification. ".
Art. 3. In artikel 8, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "In geval van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, kan de verzoeker het verzoekschrift aan het College bezorgen door het te sturen naar het e-mailadres dat daarvoor vastgesteld is. De verzoeker bezorgt, op straffe van onontvankelijkheid, het verzoekschrift uiterlijk de eerstvolgende werkdag conform het eerste lid.".
  "In geval van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, kan de verzoeker het verzoekschrift aan het College bezorgen door het te sturen naar het e-mailadres dat daarvoor vastgesteld is. De verzoeker bezorgt, op straffe van onontvankelijkheid, het verzoekschrift uiterlijk de eerstvolgende werkdag conform het eerste lid.".
Art. 3. Dans l'article 8, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 fĂ©vrier 2017, il est insĂ©rĂ©, entre les alinĂ©as 1er et 2, un nouvel alinĂ©a, rĂ©digĂ© comme suit :
  " En cas d'une demande de suspension d'extrĂȘme urgence, le requĂ©rant peut transmettre la requĂȘte au CollĂšge en l'envoyant Ă l'adresse e-mail Ă©tablie Ă cet effet. Sous peine d'irrecevabilitĂ©, le requĂ©rant transmet la requĂȘte au plus tard le premier jour ouvrable suivant, conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er. ".
  " En cas d'une demande de suspension d'extrĂȘme urgence, le requĂ©rant peut transmettre la requĂȘte au CollĂšge en l'envoyant Ă l'adresse e-mail Ă©tablie Ă cet effet. Sous peine d'irrecevabilitĂ©, le requĂ©rant transmet la requĂȘte au plus tard le premier jour ouvrable suivant, conformĂ©ment Ă l'alinĂ©a 1er. ".
Art. 4. In artikel 11, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "bij beschikking" opgeheven.
Art. 4. Dans l'article 11, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " , par disposition, " sont abrogĂ©s.
Art. 5. In artikel 15 van hetzelfde besluit wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoeker, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;".
  "1° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoeker, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;".
Art. 5. Dans l'article 15 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le point 1° est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 1° le nom, la qualité, le domicile ou le siÚge du requérant, le domicile choisi en Belgique, et le cas échéant un numéro de téléphone et une adresse e-mail ; ".
  " 1° le nom, la qualité, le domicile ou le siÚge du requérant, le domicile choisi en Belgique, et le cas échéant un numéro de téléphone et une adresse e-mail ; ".
Art. 6. In artikel 17, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, 3°, worden tussen het woord "woonplaatskeuze" en het woord "bevat" de woorden "in België" ingevoegd;
  2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De griffier schrijft een verzoekschrift houdende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid onmiddellijk in op het definitieve register.";
  3° in het tweede lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden "de dag na dag van deze van de betekening" vervangen door de woorden "de dag na de betekening".
  1° in het eerste lid, 3°, worden tussen het woord "woonplaatskeuze" en het woord "bevat" de woorden "in België" ingevoegd;
  2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De griffier schrijft een verzoekschrift houdende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid onmiddellijk in op het definitieve register.";
  3° in het tweede lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden "de dag na dag van deze van de betekening" vervangen door de woorden "de dag na de betekening".
Art. 6. A l'article 17, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 octobre 2015, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa 1er, 3°, les mots " en Belgique " sont insérés entre les mots " choix de domicile " et le mot " conformément " ;
  2° entre les alinéas 1er et 2, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
  " Le greffier inscrit une requĂȘte portant demande de suspension d'extrĂȘme urgence immĂ©diatement au registre dĂ©finitif. " ;
  3° dans l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, les mots " le jour aprÚs le jour de la notification " sont remplacés par les mots " le jour aprÚs la notification " .
  1° dans l'alinéa 1er, 3°, les mots " en Belgique " sont insérés entre les mots " choix de domicile " et le mot " conformément " ;
  2° entre les alinéas 1er et 2, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
  " Le greffier inscrit une requĂȘte portant demande de suspension d'extrĂȘme urgence immĂ©diatement au registre dĂ©finitif. " ;
  3° dans l'alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, les mots " le jour aprÚs le jour de la notification " sont remplacés par les mots " le jour aprÚs la notification " .
Art. 7. Artikel 18 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, wordt opgeheven.
Art. 7. L'article 18 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 octobre 2015, est abrogĂ©.
Art. 8. Artikel 19 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 19. De griffier betekent met een beveiligde zending een afschrift van het verzoekschrift aan:
  1° de verweerder;
  2° de belanghebbenden bij de zaak, als ze kunnen worden bepaald.".
  "Art. 19. De griffier betekent met een beveiligde zending een afschrift van het verzoekschrift aan:
  1° de verweerder;
  2° de belanghebbenden bij de zaak, als ze kunnen worden bepaald.".
Art. 8. L'article 19 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 fĂ©vrier 2017, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 19. Le greffier notifie par envoi sĂ©curisĂ© une copie de la requĂȘte :
  1° au défendeur ;
  2° aux intĂ©ressĂ©s de l'affaire, pour autant qu'ils puissent ĂȘtre dĂ©terminĂ©s. ".
  " Art. 19. Le greffier notifie par envoi sĂ©curisĂ© une copie de la requĂȘte :
  1° au défendeur ;
  2° aux intĂ©ressĂ©s de l'affaire, pour autant qu'ils puissent ĂȘtre dĂ©terminĂ©s. ".
Art. 9. In artikel 20, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt tussen de zinsnede "artikel 21, § 5, eerste lid," en de woorden "van het decreet" de zinsnede "of artikel 31/1, § 4, eerste lid," ingevoegd.
Art. 9. Dans l'article 20, alinĂ©a 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le membre de phrase " ou Ă l'article 31/1, § 4, alinĂ©a premier, " est insĂ©rĂ© entre le membre de phrase " Ă l'article 21, § 5, alinĂ©a premier, " et les mots " du dĂ©cret ".
Art. 10. In deel 1, hoofdstuk 2, afdeling 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017, worden een onderafdeling 1/1, die bestaat uit artikel 20/1, en een onderafdeling 1/2, die bestaat uit artikel 20/2, ingevoegd, die luiden als volgt:
  "Onderafdeling 1/1. - Rechtsplegingsvergoeding
  Art. 20/1. § 1. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in artikel 21, § 7, van het decreet, bedraagt 700 euro, het minimumbedrag 140 euro en het maximumbedrag 1400 euro.
  § 2. Het basis-, minimum- of maximumbedrag, vermeld in paragraaf 1, wordt verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met 20% van de voormelde bedragen, als het beroep tot nietigverklaring gepaard gaat met een vordering tot schorsing als vermeld in artikel 40, § 1, of artikel 40, § 2, van het decreet.
  De bedragen van de verhogingen, vermeld in het eerste lid, worden gecumuleerd, maar de op die manier verhoogde rechtsplegingsvergoeding mag niet meer bedragen dan 140% van het basis-, minimum- of maximumbedrag, vermeld in paragraaf 1.
  Er is geen verhoging verschuldigd als de toepassing van een verkorte procedure als vermeld in artikel 59/2 van dit besluit, leidt tot een einduitspraak of als de toepassing van artikel 71 van dit besluit leidt tot een vernietiging.
  Onderafdeling 1/2. - Kosten die voortvloeien uit de bemiddeling
  Art. 20/2. § 1. De kosten, vermeld in artikel 42, § 5, van het decreet, worden forfaitair vastgesteld op 700 euro per uitgevoerde bemiddelingsopdracht.
  § 2. Bij een bemiddelingsopdracht, uitgevoerd door een interne bemiddelaar, wordt het verschuldigde bedrag gestort op de rekening van het Fonds Bestuursrechtscolleges.
  Bij een bemiddelingsopdracht, uitgevoerd door een externe bemiddelaar, wordt het verschuldigde bedrag gestort op de rekening van de betrokken bemiddelaar.".
  "Onderafdeling 1/1. - Rechtsplegingsvergoeding
  Art. 20/1. § 1. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, vermeld in artikel 21, § 7, van het decreet, bedraagt 700 euro, het minimumbedrag 140 euro en het maximumbedrag 1400 euro.
  § 2. Het basis-, minimum- of maximumbedrag, vermeld in paragraaf 1, wordt verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met 20% van de voormelde bedragen, als het beroep tot nietigverklaring gepaard gaat met een vordering tot schorsing als vermeld in artikel 40, § 1, of artikel 40, § 2, van het decreet.
  De bedragen van de verhogingen, vermeld in het eerste lid, worden gecumuleerd, maar de op die manier verhoogde rechtsplegingsvergoeding mag niet meer bedragen dan 140% van het basis-, minimum- of maximumbedrag, vermeld in paragraaf 1.
  Er is geen verhoging verschuldigd als de toepassing van een verkorte procedure als vermeld in artikel 59/2 van dit besluit, leidt tot een einduitspraak of als de toepassing van artikel 71 van dit besluit leidt tot een vernietiging.
  Onderafdeling 1/2. - Kosten die voortvloeien uit de bemiddeling
  Art. 20/2. § 1. De kosten, vermeld in artikel 42, § 5, van het decreet, worden forfaitair vastgesteld op 700 euro per uitgevoerde bemiddelingsopdracht.
  § 2. Bij een bemiddelingsopdracht, uitgevoerd door een interne bemiddelaar, wordt het verschuldigde bedrag gestort op de rekening van het Fonds Bestuursrechtscolleges.
  Bij een bemiddelingsopdracht, uitgevoerd door een externe bemiddelaar, wordt het verschuldigde bedrag gestort op de rekening van de betrokken bemiddelaar.".
Art. 10. Dans la partie 1, chapitre 2, section 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 fĂ©vrier 2017, il est insĂ©rĂ© une sous-section 1/1, qui se compose de l'article 20/1, et une sous-section 1/2, qui se compose de l'article 20/2, rĂ©digĂ©es comme suit :
  " Sous-section 1/1. - Indemnité de procédure
  Art. 20/1. § 1er. Le montant de base de l'indemnité de procédure, visée à l'article 21, § 7, du décret, s'élÚve à 700 euros, le montant minimal étant 140 euros et le montant maximal étant 1400 euros.
  § 2. Le montant de base, le montant minimal ou le montant maximal, visé au paragraphe 1er, est majoré d'un montant correspondant à 20% des montants précités, si le recours en annulation va de pair avec une demande de suspension telle que visée à l'article 40, § 1er, ou l'article 40, § 2, du décret.
  Les montants des majorations, visés à l'alinéa 1er, sont cumulés mais l'indemnité de procédure ainsi majorée ne peut pas dépasser 140% du montant de base, du montant minimal ou du montant maximal, visé au paragraphe 1er.
  Aucune majoration n'est due si l'application d'une procĂ©dure abrĂ©gĂ©e telle que visĂ©e Ă l'article 59/2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, aboutit Ă un jugement final ou si l'application de l'article 71 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© aboutit Ă une annulation.
  Sous-section 1/2. - Frais résultant de la médiation
  Art. 20/2. § 1er. Les frais, visés à l'article 42, § 5, du décret, sont fixés forfaitairement à 700 euros par mission de médiation effectuée.
  § 2. En cas d'une mission de médiation, effectuée par un médiateur interne, le montant dû est versé sur le compte du Fonds des Juridictions administratives.
  En cas d'une mission de médiation, effectuée par un médiateur externe, le montant dû est versé sur le compte du médiateur concerné. ".
  " Sous-section 1/1. - Indemnité de procédure
  Art. 20/1. § 1er. Le montant de base de l'indemnité de procédure, visée à l'article 21, § 7, du décret, s'élÚve à 700 euros, le montant minimal étant 140 euros et le montant maximal étant 1400 euros.
  § 2. Le montant de base, le montant minimal ou le montant maximal, visé au paragraphe 1er, est majoré d'un montant correspondant à 20% des montants précités, si le recours en annulation va de pair avec une demande de suspension telle que visée à l'article 40, § 1er, ou l'article 40, § 2, du décret.
  Les montants des majorations, visés à l'alinéa 1er, sont cumulés mais l'indemnité de procédure ainsi majorée ne peut pas dépasser 140% du montant de base, du montant minimal ou du montant maximal, visé au paragraphe 1er.
  Aucune majoration n'est due si l'application d'une procĂ©dure abrĂ©gĂ©e telle que visĂ©e Ă l'article 59/2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, aboutit Ă un jugement final ou si l'application de l'article 71 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© aboutit Ă une annulation.
  Sous-section 1/2. - Frais résultant de la médiation
  Art. 20/2. § 1er. Les frais, visés à l'article 42, § 5, du décret, sont fixés forfaitairement à 700 euros par mission de médiation effectuée.
  § 2. En cas d'une mission de médiation, effectuée par un médiateur interne, le montant dû est versé sur le compte du Fonds des Juridictions administratives.
  En cas d'une mission de médiation, effectuée par un médiateur externe, le montant dû est versé sur le compte du médiateur concerné. ".
Art. 11. In artikel 24, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "deze afdeling" vervangen door de zinsnede "de artikelen 21 en 23".
Art. 11. Dans l'article 24, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " Ă la prĂ©sente section " sont remplacĂ©s par le membre de phrase " aux articles 21 et 23 ".
Art. 12. In deel 2, hoofdstuk 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, wordt afdeling 1, die bestaat uit artikel 26, vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 1. - Verkorte procedures
  Onderafdeling 1. - Algemeen
  Art. 26. § 1. De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter kan ambtshalve onderzoeken of het beroep volgens de vereenvoudigde procedure kan worden behandeld of alleen korte debatten vereist.
  § 2. In afwijking van artikel 27 kan de griffier de verweerder vragen om het administratief dossier in te dienen binnen een termijn van acht dagen.
  Als de verweerder het administratief dossier niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, indient, maant de griffier de verweerder aan om dat alsnog te doen binnen een door hem bepaalde termijn. Als de verweerder daaraan geen gevolg geeft, worden de door de verzoeker aangehaalde feiten als bewezen geacht, tenzij die feiten kennelijk onjuist zijn.
  Onderafdeling 2. - Vereenvoudigde procedure
  Art. 26/1. § 1. Een beroep kan worden behandeld volgens de vereenvoudigde procedure als:
  1° het beroep doelloos is;
  2° het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is;
  3° het College klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen;
  4° het beroep klaarblijkelijk ongegrond is.
  § 2. De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter stelt bij beschikking vast dat op het eerste gezicht het beroep doelloos is, het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is, het College klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen of het beroep klaarblijkelijk ongegrond is.
  De griffier betekent de beschikking aan de verzoeker. De verzoeker kan een verantwoordingsnota en overtuigingsstukken, die beide beperkt zijn tot de in de beschikking gedane vaststellingen, indienen binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de betekening van de beschikking.
  § 3. Nadat de termijn voor het indienen van een verantwoordingsnota is verstreken, kan de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter de zaak zonder verdere rechtspleging in beraad nemen.
  Als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter niet besluit dat het beroep doelloos is, dat het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is, dat het College klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen of dat het beroep klaarblijkelijk ongegrond is, dan wordt de procedure voortgezet volgens de gewone rechtspleging, vermeld in dit besluit.
  Onderafdeling 3. - Korte debatten
  Art. 26/2. § 1. De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter stelt bij beschikking vast:
  1° dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist;
  2° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de korte debatten zullen plaatsvinden;
  3° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;
  4° de termijn waarbinnen partijen een nota kunnen indienen.
  De griffier betekent de beschikking en een afschrift van het verzoekschrift aan de partijen.
  Gelijktijdig met het indienen van de nota, vermeld in het eerste lid, 4°, bezorgt elke partij een afschrift van die nota aan de andere partij.
  § 2. Na het horen van de partijen neemt de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter de zaak in beraad.
  Als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter niet besluit dat korte debatten volstaan, dan wordt de procedure voortgezet volgens de gewone rechtspleging, vermeld in dit besluit.".
  "Afdeling 1. - Verkorte procedures
  Onderafdeling 1. - Algemeen
  Art. 26. § 1. De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter kan ambtshalve onderzoeken of het beroep volgens de vereenvoudigde procedure kan worden behandeld of alleen korte debatten vereist.
  § 2. In afwijking van artikel 27 kan de griffier de verweerder vragen om het administratief dossier in te dienen binnen een termijn van acht dagen.
  Als de verweerder het administratief dossier niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, indient, maant de griffier de verweerder aan om dat alsnog te doen binnen een door hem bepaalde termijn. Als de verweerder daaraan geen gevolg geeft, worden de door de verzoeker aangehaalde feiten als bewezen geacht, tenzij die feiten kennelijk onjuist zijn.
  Onderafdeling 2. - Vereenvoudigde procedure
  Art. 26/1. § 1. Een beroep kan worden behandeld volgens de vereenvoudigde procedure als:
  1° het beroep doelloos is;
  2° het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is;
  3° het College klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen;
  4° het beroep klaarblijkelijk ongegrond is.
  § 2. De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter stelt bij beschikking vast dat op het eerste gezicht het beroep doelloos is, het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is, het College klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen of het beroep klaarblijkelijk ongegrond is.
  De griffier betekent de beschikking aan de verzoeker. De verzoeker kan een verantwoordingsnota en overtuigingsstukken, die beide beperkt zijn tot de in de beschikking gedane vaststellingen, indienen binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de betekening van de beschikking.
  § 3. Nadat de termijn voor het indienen van een verantwoordingsnota is verstreken, kan de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter de zaak zonder verdere rechtspleging in beraad nemen.
  Als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter niet besluit dat het beroep doelloos is, dat het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is, dat het College klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen of dat het beroep klaarblijkelijk ongegrond is, dan wordt de procedure voortgezet volgens de gewone rechtspleging, vermeld in dit besluit.
  Onderafdeling 3. - Korte debatten
  Art. 26/2. § 1. De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter stelt bij beschikking vast:
  1° dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist;
  2° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de korte debatten zullen plaatsvinden;
  3° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;
  4° de termijn waarbinnen partijen een nota kunnen indienen.
  De griffier betekent de beschikking en een afschrift van het verzoekschrift aan de partijen.
  Gelijktijdig met het indienen van de nota, vermeld in het eerste lid, 4°, bezorgt elke partij een afschrift van die nota aan de andere partij.
  § 2. Na het horen van de partijen neemt de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter de zaak in beraad.
  Als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter niet besluit dat korte debatten volstaan, dan wordt de procedure voortgezet volgens de gewone rechtspleging, vermeld in dit besluit.".
Art. 12. Dans la partie 2, chapitre 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 octobre 2015, la section 1re, comprenant l'article 26, est remplacĂ©e par ce qui suit :
  " Section 1re. - Procédures abrégées
  Sous-section 1re. - Généralités
  Art. 26. § 1er. Le prĂ©sident du CollĂšge ou le juge administratif dĂ©signĂ© par lui peut examiner d'office si le recours selon la procĂ©dure simplifiĂ©e peut ĂȘtre traitĂ© ou requiert uniquement des dĂ©bats succincts.
  § 2. Par dérogation à l'article 27, le greffier peut demander au défendeur d'introduire le dossier administratif dans un délai de huit jours.
  Lorsque le dĂ©fendeur n'introduit pas le dossier administratif dans le dĂ©lai, visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, le greffier somme le dĂ©fendeur d'y procĂ©der tout de mĂȘme dans un dĂ©lai fixĂ© par le greffier. Lorsque le dĂ©fendeur n'y donne pas suite, les faits citĂ©s par le requĂ©rant sont censĂ©s ĂȘtre prouvĂ©s, Ă moins que ces faits soient manifestement injustes.
  Sous-section 2. - Procédure simplifiée
  Art. 26/1. § 1er. Un recours peut ĂȘtre traitĂ© selon la procĂ©dure simplifiĂ©e si :
  1° le recours est sans objet ;
  2° le recours est manifestement irrecevable ;
  3° le CollÚge est manifestement incompétent pour prendre connaissance du recours ;
  4° le recours est manifestement non fondé.
  § 2. Le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui établit par disposition que, à premiÚre vue, le recours est sans objet, le recours est manifestement irrecevable, le CollÚge est manifestement incompétent pour prendre connaissance du recours, ou que le recours est manifestement non fondé.
  Le greffier notifie la disposition au requérant. Le requérant peut introduire une note justificative et des piÚces à conviction, qui sont toutes les deux limitées aux constations faites dans la disposition, dans un délai de quinze jours qui commence le jour aprÚs la notification de la disposition.
  § 3. AprÚs l'expiration du délai d'introduction d'une note justificative, le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui peut prendre l'affaire en considération sans procédure ultérieure.
  Si le prĂ©sident du CollĂšge ou le juge administratif dĂ©signĂ© par lui ne dĂ©cide pas que le recours est sans objet, que le recours est manifestement irrecevable, que le CollĂšge est manifestement incompĂ©tent pour prendre connaissance du recours, ou que le recours est manifestement non fondĂ©, la procĂ©dure est poursuivie selon la procĂ©dure ordinaire, visĂ©e au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Sous-section 3. - Débats succincts
  Art. 26/2. § 1er. Le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui établit par disposition :
  1° que le recours requiert, à premiÚre vue, uniquement des débats succincts ;
  2° le lieu, le jour et le moment de la sĂ©ance oĂč les dĂ©bats succincts auront lieu ;
  3° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ;
  4° le délai dans lequel les parties peuvent introduire une note.
  Le greffier notifie la disposition et une copie de la requĂȘte aux parties.
  Simultanément avec l'introduction de la note, visée à l'alinéa 1er, 4°, chaque partie transmet une copie de cette note à l'autre partie.
  § 2. AprÚs avoir entendu les parties, le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui, prend l'affaire en considération.
  Si le prĂ©sident du CollĂšge ou le juge administratif dĂ©signĂ© par lui ne dĂ©cide pas que des dĂ©bats succincts suffisent, la procĂ©dure est poursuivie selon la procĂ©dure ordinaire, visĂ©e au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. ".
  " Section 1re. - Procédures abrégées
  Sous-section 1re. - Généralités
  Art. 26. § 1er. Le prĂ©sident du CollĂšge ou le juge administratif dĂ©signĂ© par lui peut examiner d'office si le recours selon la procĂ©dure simplifiĂ©e peut ĂȘtre traitĂ© ou requiert uniquement des dĂ©bats succincts.
  § 2. Par dérogation à l'article 27, le greffier peut demander au défendeur d'introduire le dossier administratif dans un délai de huit jours.
  Lorsque le dĂ©fendeur n'introduit pas le dossier administratif dans le dĂ©lai, visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, le greffier somme le dĂ©fendeur d'y procĂ©der tout de mĂȘme dans un dĂ©lai fixĂ© par le greffier. Lorsque le dĂ©fendeur n'y donne pas suite, les faits citĂ©s par le requĂ©rant sont censĂ©s ĂȘtre prouvĂ©s, Ă moins que ces faits soient manifestement injustes.
  Sous-section 2. - Procédure simplifiée
  Art. 26/1. § 1er. Un recours peut ĂȘtre traitĂ© selon la procĂ©dure simplifiĂ©e si :
  1° le recours est sans objet ;
  2° le recours est manifestement irrecevable ;
  3° le CollÚge est manifestement incompétent pour prendre connaissance du recours ;
  4° le recours est manifestement non fondé.
  § 2. Le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui établit par disposition que, à premiÚre vue, le recours est sans objet, le recours est manifestement irrecevable, le CollÚge est manifestement incompétent pour prendre connaissance du recours, ou que le recours est manifestement non fondé.
  Le greffier notifie la disposition au requérant. Le requérant peut introduire une note justificative et des piÚces à conviction, qui sont toutes les deux limitées aux constations faites dans la disposition, dans un délai de quinze jours qui commence le jour aprÚs la notification de la disposition.
  § 3. AprÚs l'expiration du délai d'introduction d'une note justificative, le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui peut prendre l'affaire en considération sans procédure ultérieure.
  Si le prĂ©sident du CollĂšge ou le juge administratif dĂ©signĂ© par lui ne dĂ©cide pas que le recours est sans objet, que le recours est manifestement irrecevable, que le CollĂšge est manifestement incompĂ©tent pour prendre connaissance du recours, ou que le recours est manifestement non fondĂ©, la procĂ©dure est poursuivie selon la procĂ©dure ordinaire, visĂ©e au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Sous-section 3. - Débats succincts
  Art. 26/2. § 1er. Le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui établit par disposition :
  1° que le recours requiert, à premiÚre vue, uniquement des débats succincts ;
  2° le lieu, le jour et le moment de la sĂ©ance oĂč les dĂ©bats succincts auront lieu ;
  3° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ;
  4° le délai dans lequel les parties peuvent introduire une note.
  Le greffier notifie la disposition et une copie de la requĂȘte aux parties.
  Simultanément avec l'introduction de la note, visée à l'alinéa 1er, 4°, chaque partie transmet une copie de cette note à l'autre partie.
  § 2. AprÚs avoir entendu les parties, le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui, prend l'affaire en considération.
  Si le prĂ©sident du CollĂšge ou le juge administratif dĂ©signĂ© par lui ne dĂ©cide pas que des dĂ©bats succincts suffisent, la procĂ©dure est poursuivie selon la procĂ©dure ordinaire, visĂ©e au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. ".
Art. 13. In artikel 27, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de zinsnede "een geïnventariseerde administratief dossier, voor zover dat met toepassing van artikel 26, in kader van de vereenvoudigde procedure nog niet werd ingediend," wordt vervangen door de zinsnede "een geïnventariseerd administratief dossier, als dat nog niet werd ingediend,";
  2° de woorden "de dag na dag van" worden vervangen door de woorden "de dag na";
  3° de zinsnede "artikel 19" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 19, 1° ".
  1° de zinsnede "een geïnventariseerde administratief dossier, voor zover dat met toepassing van artikel 26, in kader van de vereenvoudigde procedure nog niet werd ingediend," wordt vervangen door de zinsnede "een geïnventariseerd administratief dossier, als dat nog niet werd ingediend,";
  2° de woorden "de dag na dag van" worden vervangen door de woorden "de dag na";
  3° de zinsnede "artikel 19" wordt vervangen door de zinsnede "artikel 19, 1° ".
Art. 13. A l'article 27, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le membre de phrase " un dossier administratif inventorié, pour autant qu'en application de l'article 26, dans le cadre de la procédure simplifiée, il n'ait pas encore été introduit, " est remplacé par le membre de phrase " un dossier administratif inventorié, si celui-ci n'a pas encore été introduit, " ;
  2° les mots " le jour aprÚs le jour de " sont remplacés par les mots " le jour aprÚs " ;
  3° le membre de phrase " article 19 " est remplacé par le membre de phrase " article 19, 1° ".
  1° le membre de phrase " un dossier administratif inventorié, pour autant qu'en application de l'article 26, dans le cadre de la procédure simplifiée, il n'ait pas encore été introduit, " est remplacé par le membre de phrase " un dossier administratif inventorié, si celui-ci n'a pas encore été introduit, " ;
  2° les mots " le jour aprÚs le jour de " sont remplacés par les mots " le jour aprÚs " ;
  3° le membre de phrase " article 19 " est remplacé par le membre de phrase " article 19, 1° ".
Art. 14. Artikel 28 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 28. De griffier betekent een afschrift van de antwoordnota aan de verzoeker of deelt hem mee dat de antwoordnota ontbreekt, en brengt de verzoeker ook op de hoogte van de neerlegging van het administratief dossier.".
  "Art. 28. De griffier betekent een afschrift van de antwoordnota aan de verzoeker of deelt hem mee dat de antwoordnota ontbreekt, en brengt de verzoeker ook op de hoogte van de neerlegging van het administratief dossier.".
Art. 14. L'article 28 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 28. Le greffier notifie une copie de la note de réponse au requérant, ou lui communique l'absence d'une note de réponse, et met le requérant également au courant du dépÎt du dossier administratif. ".
  " Art. 28. Le greffier notifie une copie de la note de réponse au requérant, ou lui communique l'absence d'une note de réponse, et met le requérant également au courant du dépÎt du dossier administratif. ".
Art. 15. In artikel 29 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "de dag na dag van" vervangen door de woorden "de dag na";
  2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Als de verweerder geen antwoordnota heeft ingediend, mag de verzoeker een toelichtende nota indienen binnen een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de betekening door de griffier van de mededeling dat er geen antwoordnota werd ingediend.".
  1° in het eerste lid worden de woorden "de dag na dag van" vervangen door de woorden "de dag na";
  2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Als de verweerder geen antwoordnota heeft ingediend, mag de verzoeker een toelichtende nota indienen binnen een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de betekening door de griffier van de mededeling dat er geen antwoordnota werd ingediend.".
Art. 15. A l'article 29 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " le jour aprÚs le jour de " sont remplacés par les mots " le jour aprÚs " ;
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Lorsque le défendeur n'a pas introduit de note de réponse, le requérant peut introduire une note explicative dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour aprÚs que le greffier a notifié la communication qu'aucune note de réponse n'a été introduite. ".
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " le jour aprÚs le jour de " sont remplacés par les mots " le jour aprÚs " ;
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Lorsque le défendeur n'a pas introduit de note de réponse, le requérant peut introduire une note explicative dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour aprÚs que le greffier a notifié la communication qu'aucune note de réponse n'a été introduite. ".
Art. 16. In deel 2, hoofdstuk 2, afdeling 2, van hetzelfde besluit wordt het opschrift "Sectie 3. - De laatste nota van de verweerder" opgeheven.
Art. 16. Dans la partie 2, chapitre 2, section 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, l'intitulĂ© " Section 3. La derniĂšre note du dĂ©fendeur " est abrogĂ©.
Art. 17. Artikel 30 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 30. De griffier betekent een afschrift van de wederantwoordnota of van de toelichtende nota aan de verweerder.".
  "Art. 30. De griffier betekent een afschrift van de wederantwoordnota of van de toelichtende nota aan de verweerder.".
Art. 17. L'article 30 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 30. Le greffier notifie une copie de la note de réponse en retour ou de la note explicative au défendeur. ".
  " Art. 30. Le greffier notifie une copie de la note de réponse en retour ou de la note explicative au défendeur. ".
Art. 18. Artikel 31 en 32 van hetzelfde besluit worden opgeheven.
Art. 18. Les articles 31 et 32 du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont abrogĂ©s.
Art. 19. In artikel 33, § 1, van hetzelfde besluit worden het tweede en het derde lid vervangen door wat volgt:
  "De kamer beslist over de noodzaak en relevantie om een getuige te horen.
  De kamer kan ook ambtshalve getuigen oproepen.".
  "De kamer beslist over de noodzaak en relevantie om een getuige te horen.
  De kamer kan ook ambtshalve getuigen oproepen.".
Art. 19. Dans l'article 33, § 1er, du mĂȘme dĂ©cret, les alinĂ©as 2 et 3 sont remplacĂ©s par ce qui suit :
  " La chambre décide de la nécessité et de la pertinence d'entendre un témoin.
  La chambre peut également convoquer des témoins d'office. ".
  " La chambre décide de la nécessité et de la pertinence d'entendre un témoin.
  La chambre peut également convoquer des témoins d'office. ".
Art. 20. In artikel 35, § 2, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "de dag na dag van" vervangen door de woorden "de dag na".
Art. 20. Dans l'article 35, § 2, et l'article 37, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ© les mots " le jour aprĂšs le jour de " sont remplacĂ©s par les mots " le jour aprĂšs ".
Art. 21. Artikel 41 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 41. § 1. De kamervoorzitter bepaalt bij beschikking:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot vernietiging wordt behandeld;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;
  3° de namen van de partijen die persoonlijk moeten verschijnen om toelichting te geven en de feiten waarover ze zullen worden gehoord, als de kamer heeft beslist om een partij te horen;
  4° de namen van de getuigen en de feiten waarover ze zullen worden gehoord, als de kamer heeft beslist een getuige te horen;
  5° in voorkomend geval, de namen van door de kamer opgeroepen deskundigen.
  § 2. Uiterlijk vijftien dagen voor de dag van de zitting brengt de griffier de partijen, en in voorkomend geval de getuigen of deskundigen, schriftelijk op de hoogte van de inhoud van de beschikking, vermeld in paragraaf 1, en deelt hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 en op het ogenblik dat de zaak in staat is, kan de kamer de zaak in beraad nemen als de partijen, met toepassing van artikel 16, zesde lid, van het decreet, in onderling overleg afzien van de behandeling van het beroep ter zitting.
  De partijen bezorgen daartoe gezamenlijk een afzonderlijk verzoek aan de kamervoorzitter.".
  "Art. 41. § 1. De kamervoorzitter bepaalt bij beschikking:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot vernietiging wordt behandeld;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;
  3° de namen van de partijen die persoonlijk moeten verschijnen om toelichting te geven en de feiten waarover ze zullen worden gehoord, als de kamer heeft beslist om een partij te horen;
  4° de namen van de getuigen en de feiten waarover ze zullen worden gehoord, als de kamer heeft beslist een getuige te horen;
  5° in voorkomend geval, de namen van door de kamer opgeroepen deskundigen.
  § 2. Uiterlijk vijftien dagen voor de dag van de zitting brengt de griffier de partijen, en in voorkomend geval de getuigen of deskundigen, schriftelijk op de hoogte van de inhoud van de beschikking, vermeld in paragraaf 1, en deelt hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 en op het ogenblik dat de zaak in staat is, kan de kamer de zaak in beraad nemen als de partijen, met toepassing van artikel 16, zesde lid, van het decreet, in onderling overleg afzien van de behandeling van het beroep ter zitting.
  De partijen bezorgen daartoe gezamenlijk een afzonderlijk verzoek aan de kamervoorzitter.".
Art. 21. L'article 41 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 41. § 1er. Le président de la chambre fixe par disposition :
  1° le lieu, le jour et le moment de la sĂ©ance oĂč la demande d'annulation est traitĂ©e ;
  2° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ;
  3° les noms des parties qui doivent comparaßtre en personne pour donner des explications et les faits au sujet desquels elles seront entendues, lorsque la chambre a décidé d'entendre une partie ;
  4° les noms des témoins et les faits au sujet desquels ils seront entendus, lorsque la chambre a décidé d'entendre un témoin ;
  5° le cas échéant, les noms des experts convoqués par la chambre.
  § 2. Au plus tard quinze jours avant le jour de la séance, le greffier informe les parties, et le cas échéant les témoins ou experts, par écrit du contenu de la disposition, visée au paragraphe 1er, et leur communique la composition de la chambre compétente.
  § 3. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, et au moment oĂč l'affaire est en Ă©tat, la chambre peut prendre l'affaire en considĂ©ration si les parties, en application de l'article 16, alinĂ©a 6, du dĂ©cret, renoncent de commun accord au traitement du recours en sĂ©ance.
  Les parties transmettent à cet effet conjointement une demande distincte au président de la chambre. ".
  " Art. 41. § 1er. Le président de la chambre fixe par disposition :
  1° le lieu, le jour et le moment de la sĂ©ance oĂč la demande d'annulation est traitĂ©e ;
  2° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ;
  3° les noms des parties qui doivent comparaßtre en personne pour donner des explications et les faits au sujet desquels elles seront entendues, lorsque la chambre a décidé d'entendre une partie ;
  4° les noms des témoins et les faits au sujet desquels ils seront entendus, lorsque la chambre a décidé d'entendre un témoin ;
  5° le cas échéant, les noms des experts convoqués par la chambre.
  § 2. Au plus tard quinze jours avant le jour de la séance, le greffier informe les parties, et le cas échéant les témoins ou experts, par écrit du contenu de la disposition, visée au paragraphe 1er, et leur communique la composition de la chambre compétente.
  § 3. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, et au moment oĂč l'affaire est en Ă©tat, la chambre peut prendre l'affaire en considĂ©ration si les parties, en application de l'article 16, alinĂ©a 6, du dĂ©cret, renoncent de commun accord au traitement du recours en sĂ©ance.
  Les parties transmettent à cet effet conjointement une demande distincte au président de la chambre. ".
Art. 22. In artikel 44 van hetzelfde besluit worden de woorden "de dag na dag van" vervangen door de woorden "de dag na".
Art. 22. Dans l'article 44 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " le jour aprĂšs le jour de " sont remplacĂ©s par les mots " le jour aprĂšs ".
Art. 23. In artikel 45, 1°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede ", de woonplaats of de zetel" opgeheven.
Art. 23. Dans l'article 45, 1°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le membre de phrase " , le domicile ou le siĂšge " est abrogĂ©.
Art. 24. In artikel 51, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, worden de woorden "de dag na dag van" vervangen door de woorden "de dag na".
Art. 24. Dans l'article 51, § 2, alinĂ©a 1er du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 octobre 2015, les mots " le jour aprĂšs le jour de " sont remplacĂ©s par les mots " le jour aprĂšs ".
Art. 25. In artikel 52, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de partij, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;".
  "1° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de partij, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;".
Art. 25. Dans l'article 52, § 2, alinĂ©a 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le point 1° est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 1° le nom, la qualité, le domicile ou le siÚge de la partie, le domicile choisi en Belgique, et le cas échéant un numéro de téléphone et une adresse e-mail ; ".
  " 1° le nom, la qualité, le domicile ou le siÚge de la partie, le domicile choisi en Belgique, et le cas échéant un numéro de téléphone et une adresse e-mail ; ".
Art. 26. In artikel 56 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt:
  " § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 15 bevat het verzoekschrift:
  1° een omschrijving van het belang van de verzoeker;
  2° in geval van een vordering tot schorsing bij hoogdringendheid, een uiteenzetting van de redenen die aantonen dat de schorsing hoogdringend is;
  3° in geval van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een uiteenzetting van de redenen die aantonen dat de schorsing uiterst dringend noodzakelijk is.
  4° als de verzoeker dat kent, het rolnummer waaronder het beroep is ingeschreven waarvan de vordering tot schorsing bij hoogdringendheid of de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid het accessorium vormt.".
  " § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 15 bevat het verzoekschrift:
  1° een omschrijving van het belang van de verzoeker;
  2° in geval van een vordering tot schorsing bij hoogdringendheid, een uiteenzetting van de redenen die aantonen dat de schorsing hoogdringend is;
  3° in geval van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een uiteenzetting van de redenen die aantonen dat de schorsing uiterst dringend noodzakelijk is.
  4° als de verzoeker dat kent, het rolnummer waaronder het beroep is ingeschreven waarvan de vordering tot schorsing bij hoogdringendheid of de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid het accessorium vormt.".
Art. 26. Dans l'article 56 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 octobre 2015, le paragraphe 1er est remplacĂ© par ce qui suit :
  " § 1er. Sans prĂ©judice de l'application de l'article 15, la requĂȘte comprend :
  1° une description de l'intĂ©rĂȘt du requĂ©rant ;
  2° en cas d'une demande de suspension d'urgence, un exposé des motifs qui démontrent que la suspension est urgente ;
  3° en cas d'une demande de suspension d'extrĂȘme urgence, un exposĂ© des motifs qui dĂ©montrent que la suspension est extrĂȘmement urgente ;
  4° si le requĂ©rant le connaĂźt, le numĂ©ro de rĂŽle sous lequel le recours est inscrit dont la demande de suspension d'urgence ou la demande de suspension d'extrĂȘme urgence est l'accessoire. ".
  " § 1er. Sans prĂ©judice de l'application de l'article 15, la requĂȘte comprend :
  1° une description de l'intĂ©rĂȘt du requĂ©rant ;
  2° en cas d'une demande de suspension d'urgence, un exposé des motifs qui démontrent que la suspension est urgente ;
  3° en cas d'une demande de suspension d'extrĂȘme urgence, un exposĂ© des motifs qui dĂ©montrent que la suspension est extrĂȘmement urgente ;
  4° si le requĂ©rant le connaĂźt, le numĂ©ro de rĂŽle sous lequel le recours est inscrit dont la demande de suspension d'urgence ou la demande de suspension d'extrĂȘme urgence est l'accessoire. ".
Art. 27. In deel 3, hoofdstuk 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 september 2014 en 2 oktober 2015, wordt afdeling 2, die bestaat uit artikel 59, vervangen door wat volgt:
  "Afdeling 2. - Verkorte procedures
  Onderafdeling 1. - Algemeen
  Art. 59. § 1. De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter kan ambtshalve onderzoeken of het beroep volgens de vereenvoudigde procedure kan worden behandeld of alleen korte debatten vereist.
  § 2. In afwijking van artikel 62, eerste lid, en 74, § 1, eerste lid, kan de griffier de verweerder vragen om het administratief dossier in te dienen binnen een termijn van acht dagen.
  Als het administratief dossier niet in het bezit is van de verweerder, brengt de verweerder de griffie daarvan onmiddellijk en schriftelijk op de hoogte en geeft hij aan waar het administratief dossier zich bij zijn weten bevindt. De griffier vordert het administratief dossier op bij het bestuursorgaan dat het onder zich heeft. Dat bestuursorgaan zendt het gevorderde dossier onmiddellijk naar de griffie.
  Als de verweerder niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, het administratief dossier indient, maant de griffier de verweerder aan om dat alsnog te doen binnen een door hem bepaalde termijn. Als de verweerder daaraan geen gevolg geeft, worden de door de verzoeker aangehaalde feiten als bewezen geacht, tenzij die feiten kennelijk onjuist zijn.
  Onderafdeling 2. - Vereenvoudigde procedure
  Art. 59/1. § 1. Een beroep kan worden behandeld volgens de vereenvoudigde procedure als:
  1° het beroep doelloos is;
  2° het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is;
  3° het College klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen;
  4° het beroep klaarblijkelijk ongegrond is.
  § 2. De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter stelt bij beschikking vast dat op het eerste gezicht het beroep doelloos is, het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is, het College klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen of het beroep klaarblijkelijk ongegrond is.
  De griffier betekent de beschikking aan de verzoeker. De verzoeker kan een verantwoordingsnota en overtuigingsstukken, die beide beperkt zijn tot de in de beschikking gedane vaststellingen, indienen binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de betekening van de beschikking.
  § 3. Nadat de termijn voor het indienen van een verantwoordingsnota is verstreken, kan de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter de zaak zonder verdere rechtspleging in beraad nemen.
  Als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter niet besluit dat het beroep doelloos is, dat het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is, dat het College klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen of dat het beroep klaarblijkelijk ongegrond is, dan wordt de procedure voortgezet volgens de gewone rechtspleging, vermeld in dit besluit.
  Onderafdeling 3. - Korte debatten
  Art. 59/2. § 1. De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter stelt bij beschikking vast:
  1° dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist;
  2° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de korte debatten zullen plaatsvinden;
  3° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;
  4° de namen van een of meer van de belanghebbenden, vermeld in artikel 20, eerste en tweede lid, van het decreet, als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter heeft beslist een of meer belanghebbenden op te roepen;
  5° de termijn waarbinnen de partijen en de belanghebbenden, vermeld in punt 4°, een nota kunnen indienen.
  De griffier betekent de beschikking en een afschrift van het verzoekschrift aan de partijen en de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 4°.
  Gelijktijdig met het indienen van de nota, vermeld in het eerste lid, 5°, bezorgt elke partij en belanghebbende, vermeld in het eerste lid, 4°, een afschrift van die nota aan de overige partijen en de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 4°.
  § 2. Na het horen van de partijen en de belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, neemt de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter de zaak in beraad.
  Als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter niet besluit dat korte debatten volstaan, dan wordt de procedure voortgezet volgens de gewone rechtspleging, vermeld in dit besluit.".
  "Afdeling 2. - Verkorte procedures
  Onderafdeling 1. - Algemeen
  Art. 59. § 1. De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter kan ambtshalve onderzoeken of het beroep volgens de vereenvoudigde procedure kan worden behandeld of alleen korte debatten vereist.
  § 2. In afwijking van artikel 62, eerste lid, en 74, § 1, eerste lid, kan de griffier de verweerder vragen om het administratief dossier in te dienen binnen een termijn van acht dagen.
  Als het administratief dossier niet in het bezit is van de verweerder, brengt de verweerder de griffie daarvan onmiddellijk en schriftelijk op de hoogte en geeft hij aan waar het administratief dossier zich bij zijn weten bevindt. De griffier vordert het administratief dossier op bij het bestuursorgaan dat het onder zich heeft. Dat bestuursorgaan zendt het gevorderde dossier onmiddellijk naar de griffie.
  Als de verweerder niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, het administratief dossier indient, maant de griffier de verweerder aan om dat alsnog te doen binnen een door hem bepaalde termijn. Als de verweerder daaraan geen gevolg geeft, worden de door de verzoeker aangehaalde feiten als bewezen geacht, tenzij die feiten kennelijk onjuist zijn.
  Onderafdeling 2. - Vereenvoudigde procedure
  Art. 59/1. § 1. Een beroep kan worden behandeld volgens de vereenvoudigde procedure als:
  1° het beroep doelloos is;
  2° het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is;
  3° het College klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen;
  4° het beroep klaarblijkelijk ongegrond is.
  § 2. De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter stelt bij beschikking vast dat op het eerste gezicht het beroep doelloos is, het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is, het College klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen of het beroep klaarblijkelijk ongegrond is.
  De griffier betekent de beschikking aan de verzoeker. De verzoeker kan een verantwoordingsnota en overtuigingsstukken, die beide beperkt zijn tot de in de beschikking gedane vaststellingen, indienen binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de betekening van de beschikking.
  § 3. Nadat de termijn voor het indienen van een verantwoordingsnota is verstreken, kan de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter de zaak zonder verdere rechtspleging in beraad nemen.
  Als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter niet besluit dat het beroep doelloos is, dat het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is, dat het College klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen of dat het beroep klaarblijkelijk ongegrond is, dan wordt de procedure voortgezet volgens de gewone rechtspleging, vermeld in dit besluit.
  Onderafdeling 3. - Korte debatten
  Art. 59/2. § 1. De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter stelt bij beschikking vast:
  1° dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist;
  2° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de korte debatten zullen plaatsvinden;
  3° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;
  4° de namen van een of meer van de belanghebbenden, vermeld in artikel 20, eerste en tweede lid, van het decreet, als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter heeft beslist een of meer belanghebbenden op te roepen;
  5° de termijn waarbinnen de partijen en de belanghebbenden, vermeld in punt 4°, een nota kunnen indienen.
  De griffier betekent de beschikking en een afschrift van het verzoekschrift aan de partijen en de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 4°.
  Gelijktijdig met het indienen van de nota, vermeld in het eerste lid, 5°, bezorgt elke partij en belanghebbende, vermeld in het eerste lid, 4°, een afschrift van die nota aan de overige partijen en de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 4°.
  § 2. Na het horen van de partijen en de belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, neemt de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter de zaak in beraad.
  Als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter niet besluit dat korte debatten volstaan, dan wordt de procedure voortgezet volgens de gewone rechtspleging, vermeld in dit besluit.".
Art. 27. Dans la partie 3, chapitre 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 26 septembre 2014 et 2 octobre 2015, la section 2, comprenant l'article 59, est remplacĂ©e par ce qui suit :
  " Section 2. - Procédures abrégées
  Sous-section 1re. - Généralités
  Art. 59. § 1er. Le prĂ©sident du CollĂšge ou le juge administratif dĂ©signĂ© par lui peut examiner d'office si le recours selon la procĂ©dure simplifiĂ©e peut ĂȘtre traitĂ© ou requiert uniquement des dĂ©bats succincts.
  § 2. Par dérogation à l'article 62, alinéa 1er, et à l'article 74, § 1er, alinéa 1er, le greffier peut demander au défendeur d'introduire le dossier administratif dans un délai de huit jours.
  Lorsque le dĂ©fendeur ne possĂšde pas le dossier administratif, le dĂ©fendeur en met au courant le greffe, immĂ©diatement et par Ă©crit, et il indique oĂč se trouve le dossier administratif Ă sa connaissance. Le greffier requiert le dossier administratif Ă l'organe administratif qui dĂ©tient le dossier administratif. Cet organe administratif envoie immĂ©diatement le dossier requis au greffe.
  Lorsque le dĂ©fendeur n'introduit pas le dossier administratif dans le dĂ©lai, visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, le greffier somme le dĂ©fendeur d'y procĂ©der tout de mĂȘme dans un dĂ©lai fixĂ© par lui. Lorsque le dĂ©fendeur n'y donne pas suite, les faits citĂ©s par le requĂ©rant sont censĂ©s ĂȘtre prouvĂ©s, Ă moins que ces faits soient manifestement injustes.
  Sous-section 2. - Procédure simplifiée
  Art. 59/1. § 1er. Un recours peut ĂȘtre traitĂ© selon la procĂ©dure simplifiĂ©e si :
  1° le recours est sans objet ;
  2° le recours est manifestement irrecevable ;
  3° le CollÚge est manifestement incompétent pour prendre connaissance du recours ;
  4° le recours est manifestement non fondé.
  § 2. Le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui établit par disposition que, à premiÚre vue, le recours est sans objet, le recours est manifestement irrecevable, le CollÚge est manifestement incompétent pour prendre connaissance du recours, ou que le recours est manifestement non fondé.
  Le greffier notifie la disposition au requérant. Le requérant peut introduire une note justificative et des piÚces à conviction, qui sont toutes les deux limitées aux constations faites dans la disposition, dans un délai de quinze jours qui commence le jour aprÚs la notification de la disposition.
  § 3. AprÚs l'expiration du délai d'introduction d'une note justificative, le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui peut prendre l'affaire en considération sans procédure ultérieure.
  Si le prĂ©sident du CollĂšge ou le juge administratif dĂ©signĂ© par lui ne dĂ©cide pas que le recours est sans objet, que le recours est manifestement irrecevable, que le CollĂšge est manifestement incompĂ©tent pour prendre connaissance du recours, ou que le recours est manifestement non fondĂ©, la procĂ©dure est poursuivie selon la procĂ©dure ordinaire, visĂ©e au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Sous-section 3. - Débats succincts
  Art. 59/2. § 1er. Le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui établit par disposition :
  1° que le recours requiert, à premiÚre vue, uniquement des débats succincts ;
  2° le lieu, le jour et le moment de la sĂ©ance oĂč les dĂ©bats succincts auront lieu ;
  3° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ;
  4° les noms d'un ou de plusieurs intéressés, tels que visés à l'article 20, alinéas 1er et 2 du décret, lorsque le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui a décidé d'entendre un ou plusieurs intéressés ;
  5° le délai dans lequel les parties et les intéressés, visés au point 4°, peuvent introduire une note.
  Le greffier notifie la disposition et une copie de la requĂȘte aux parties et aux intĂ©ressĂ©s, visĂ©s Ă l'alinĂ©a 1er, 4°.
  Simultanément avec l'introduction de la note, visée à l'alinéa 1er, 5°, chaque partie et intéressé, visés à l'alinéa 1er, 4°, transmet une copie de cette note aux autres parties et aux intéressés, visés à l'alinéa 1er, 4°.
  § 2. AprÚs avoir entendu les parties et les intéressés, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui, prend l'affaire en considération.
  Si le prĂ©sident du CollĂšge ou le juge administratif dĂ©signĂ© par lui ne dĂ©cide pas que des dĂ©bats succincts suffisent, la procĂ©dure est poursuivie selon la procĂ©dure ordinaire, visĂ©e au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. ".
  " Section 2. - Procédures abrégées
  Sous-section 1re. - Généralités
  Art. 59. § 1er. Le prĂ©sident du CollĂšge ou le juge administratif dĂ©signĂ© par lui peut examiner d'office si le recours selon la procĂ©dure simplifiĂ©e peut ĂȘtre traitĂ© ou requiert uniquement des dĂ©bats succincts.
  § 2. Par dérogation à l'article 62, alinéa 1er, et à l'article 74, § 1er, alinéa 1er, le greffier peut demander au défendeur d'introduire le dossier administratif dans un délai de huit jours.
  Lorsque le dĂ©fendeur ne possĂšde pas le dossier administratif, le dĂ©fendeur en met au courant le greffe, immĂ©diatement et par Ă©crit, et il indique oĂč se trouve le dossier administratif Ă sa connaissance. Le greffier requiert le dossier administratif Ă l'organe administratif qui dĂ©tient le dossier administratif. Cet organe administratif envoie immĂ©diatement le dossier requis au greffe.
  Lorsque le dĂ©fendeur n'introduit pas le dossier administratif dans le dĂ©lai, visĂ© Ă l'alinĂ©a 1er, le greffier somme le dĂ©fendeur d'y procĂ©der tout de mĂȘme dans un dĂ©lai fixĂ© par lui. Lorsque le dĂ©fendeur n'y donne pas suite, les faits citĂ©s par le requĂ©rant sont censĂ©s ĂȘtre prouvĂ©s, Ă moins que ces faits soient manifestement injustes.
  Sous-section 2. - Procédure simplifiée
  Art. 59/1. § 1er. Un recours peut ĂȘtre traitĂ© selon la procĂ©dure simplifiĂ©e si :
  1° le recours est sans objet ;
  2° le recours est manifestement irrecevable ;
  3° le CollÚge est manifestement incompétent pour prendre connaissance du recours ;
  4° le recours est manifestement non fondé.
  § 2. Le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui établit par disposition que, à premiÚre vue, le recours est sans objet, le recours est manifestement irrecevable, le CollÚge est manifestement incompétent pour prendre connaissance du recours, ou que le recours est manifestement non fondé.
  Le greffier notifie la disposition au requérant. Le requérant peut introduire une note justificative et des piÚces à conviction, qui sont toutes les deux limitées aux constations faites dans la disposition, dans un délai de quinze jours qui commence le jour aprÚs la notification de la disposition.
  § 3. AprÚs l'expiration du délai d'introduction d'une note justificative, le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui peut prendre l'affaire en considération sans procédure ultérieure.
  Si le prĂ©sident du CollĂšge ou le juge administratif dĂ©signĂ© par lui ne dĂ©cide pas que le recours est sans objet, que le recours est manifestement irrecevable, que le CollĂšge est manifestement incompĂ©tent pour prendre connaissance du recours, ou que le recours est manifestement non fondĂ©, la procĂ©dure est poursuivie selon la procĂ©dure ordinaire, visĂ©e au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Sous-section 3. - Débats succincts
  Art. 59/2. § 1er. Le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui établit par disposition :
  1° que le recours requiert, à premiÚre vue, uniquement des débats succincts ;
  2° le lieu, le jour et le moment de la sĂ©ance oĂč les dĂ©bats succincts auront lieu ;
  3° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ;
  4° les noms d'un ou de plusieurs intéressés, tels que visés à l'article 20, alinéas 1er et 2 du décret, lorsque le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui a décidé d'entendre un ou plusieurs intéressés ;
  5° le délai dans lequel les parties et les intéressés, visés au point 4°, peuvent introduire une note.
  Le greffier notifie la disposition et une copie de la requĂȘte aux parties et aux intĂ©ressĂ©s, visĂ©s Ă l'alinĂ©a 1er, 4°.
  Simultanément avec l'introduction de la note, visée à l'alinéa 1er, 5°, chaque partie et intéressé, visés à l'alinéa 1er, 4°, transmet une copie de cette note aux autres parties et aux intéressés, visés à l'alinéa 1er, 4°.
  § 2. AprÚs avoir entendu les parties et les intéressés, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, le président du CollÚge ou le juge administratif désigné par lui, prend l'affaire en considération.
  Si le prĂ©sident du CollĂšge ou le juge administratif dĂ©signĂ© par lui ne dĂ©cide pas que des dĂ©bats succincts suffisent, la procĂ©dure est poursuivie selon la procĂ©dure ordinaire, visĂ©e au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. ".
Art. 28. In deel 3, hoofdstuk 2, afdeling 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, wordt een artikel 59/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 59/3. De griffier stelt de belanghebbenden bij de zaak, als ze kunnen worden bepaald, in de mogelijkheid een verzoek tot tussenkomst in te dienen. Hij deelt mee in welke vorderingen op dat ogenblik een tussenkomst mogelijk is, rekening houdend met de stand van de zaak.
  Een belanghebbende bij de zaak die niet de mogelijkheid kreeg om een verzoek tot tussenkomst in te dienen, kan een verzoek tot tussenkomst indienen, als die tussenkomst de procedure niet vertraagt.".
  "Art. 59/3. De griffier stelt de belanghebbenden bij de zaak, als ze kunnen worden bepaald, in de mogelijkheid een verzoek tot tussenkomst in te dienen. Hij deelt mee in welke vorderingen op dat ogenblik een tussenkomst mogelijk is, rekening houdend met de stand van de zaak.
  Een belanghebbende bij de zaak die niet de mogelijkheid kreeg om een verzoek tot tussenkomst in te dienen, kan een verzoek tot tussenkomst indienen, als die tussenkomst de procedure niet vertraagt.".
Art. 28. Dans la partie 3, chapitre 2, section 3, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 octobre 2015, il est insĂ©rĂ© un article 59/3, rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 59/3. Le greffier offre aux intĂ©ressĂ©s de l'affaire, pour autant qu'ils puissent ĂȘtre dĂ©terminĂ©s, la possibilitĂ© d'introduire une requĂȘte en intervention. Il communique les demandes Ă©ligibles Ă une intervention Ă ce moment-lĂ , en tenant compte de l'Ă©tat de l'affaire.
  Un intĂ©ressĂ© de l'affaire qui n'a pas eu la possibilitĂ© d'introduire une requĂȘte en intervention, peut introduire une requĂȘte en intervention si cette intervention ne ralentit pas la procĂ©dure. ".
  " Art. 59/3. Le greffier offre aux intĂ©ressĂ©s de l'affaire, pour autant qu'ils puissent ĂȘtre dĂ©terminĂ©s, la possibilitĂ© d'introduire une requĂȘte en intervention. Il communique les demandes Ă©ligibles Ă une intervention Ă ce moment-lĂ , en tenant compte de l'Ă©tat de l'affaire.
  Un intĂ©ressĂ© de l'affaire qui n'a pas eu la possibilitĂ© d'introduire une requĂȘte en intervention, peut introduire une requĂȘte en intervention si cette intervention ne ralentit pas la procĂ©dure. ".
Art. 29. In artikel 60 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat:
  1° het opschrift "Verzoek tot tussenkomst", met aanduiding van de vordering waarvoor het verzoek tot tussenkomst geldt;
  2° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoeker tot tussenkomst, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;
  3° de vermelding van het rolnummer waaronder de vordering ingeschreven is, als hij dat kent;
  4° een omschrijving van het belang van de verzoeker tot tussenkomst;
  5° een inventaris van de overtuigingsstukken;
  6° in geval van tussenkomst in de vordering tot schorsing bij hoogdringendheid, de schriftelijke uiteenzetting over de gevorderde schorsing bij hoogdringendheid;
  7° in geval van tussenkomst in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, de schriftelijke uiteenzetting over de gevorderde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.".
  "Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat:
  1° het opschrift "Verzoek tot tussenkomst", met aanduiding van de vordering waarvoor het verzoek tot tussenkomst geldt;
  2° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoeker tot tussenkomst, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;
  3° de vermelding van het rolnummer waaronder de vordering ingeschreven is, als hij dat kent;
  4° een omschrijving van het belang van de verzoeker tot tussenkomst;
  5° een inventaris van de overtuigingsstukken;
  6° in geval van tussenkomst in de vordering tot schorsing bij hoogdringendheid, de schriftelijke uiteenzetting over de gevorderde schorsing bij hoogdringendheid;
  7° in geval van tussenkomst in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, de schriftelijke uiteenzetting over de gevorderde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.".
Art. 29. Dans l'article 60 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, l'alinĂ©a 2 est remplacĂ© par ce qui suit :
  " La requĂȘte est datĂ©e et comprend :
  1° l'intitulĂ© " RequĂȘte en intervention ", avec indication de la demande Ă laquelle la requĂȘte en intervention a trait ;
  2° le nom, la qualité, le domicile ou le siÚge du requérant en intervention, le domicile choisi en Belgique, et le cas échéant un numéro de téléphone et une adresse e-mail ;
  3° la mention du numéro de rÎle sous lequel la demande est inscrite, s'il le connaßt ;
  4° une description de l'intĂ©rĂȘt du requĂ©rant en intervention ;
  5° un inventaire des piÚces à conviction ;
  6° en cas d'intervention dans la procédure de demande de suspension d'urgence, l'exposé écrit concernant la suspension d'urgence requise ;
  7° en cas d'intervention dans la procĂ©dure de demande de suspension d'extrĂȘme urgence, l'exposĂ© Ă©crit concernant la suspension d'extrĂȘme urgence requise. "
  " La requĂȘte est datĂ©e et comprend :
  1° l'intitulĂ© " RequĂȘte en intervention ", avec indication de la demande Ă laquelle la requĂȘte en intervention a trait ;
  2° le nom, la qualité, le domicile ou le siÚge du requérant en intervention, le domicile choisi en Belgique, et le cas échéant un numéro de téléphone et une adresse e-mail ;
  3° la mention du numéro de rÎle sous lequel la demande est inscrite, s'il le connaßt ;
  4° une description de l'intĂ©rĂȘt du requĂ©rant en intervention ;
  5° un inventaire des piÚces à conviction ;
  6° en cas d'intervention dans la procédure de demande de suspension d'urgence, l'exposé écrit concernant la suspension d'urgence requise ;
  7° en cas d'intervention dans la procĂ©dure de demande de suspension d'extrĂȘme urgence, l'exposĂ© Ă©crit concernant la suspension d'extrĂȘme urgence requise. "
Art. 30. Artikel 61 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 61. § 1. Het verzoek tot tussenkomst wordt ingediend binnen een vervaltermijn van twintig dagen, die ingaat op de dag na de betekening van de brief waarin de griffier conform artikel 59/3 de belanghebbenden de mogelijkheid heeft geboden om een verzoek tot tussenkomst in te dienen.
  § 2. De griffier stelt de verzoeker tot tussenkomst in staat om het verzoekschrift tot tussenkomst te regulariseren als:
  1° de stukken, vermeld in artikel 60, derde lid, 1°, niet gevoegd zijn bij het verzoekschrift dat uitgaat van een rechtspersoon;
  2° het verzoekschrift niet is ondertekend door de verzoeker tot tussenkomst of zijn raadsman;
  3° het verzoekschrift geen woonplaatskeuze in België bevat als vermeld in artikel 7, § 1;
  4° het verzoekschrift geen vermelding van het rolnummer van de vordering of geen verklaring dat de verzoeker tot tussenkomst het rolnummer niet kent, bevat;
  5° de schriftelijke volmacht, vermeld in artikel 60, derde lid, 2°, niet bij het verzoekschrift gevoegd is;
  6° de stukken, vermeld in artikel 60, derde lid, 3°, niet bij het verzoekschrift gevoegd zijn;
  7° de inventaris van de overtuigingsstukken, die allemaal overeenkomstig die inventaris genummerd zijn, niet bij het verzoekschrift gevoegd is.
  De verzoeker tot tussenkomst die zijn verzoekschrift tijdig regulariseert, wordt geacht het te hebben ingediend op de datum van de eerste verzending of neerlegging.
  Een verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt geacht niet te zijn ingediend.
  De regularisatie vindt uiterlijk op een van de volgende tijdstippen plaats:
  1° het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot schorsing bij hoogdringendheid wordt behandeld;
  2° het tijdstip waarop de schriftelijke uiteenzetting, vermeld in artikel 75, wordt ingediend.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 wordt een verzoek tot tussenkomst in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend vanaf de dag na de betekening van de beschikking, vermeld in artikel 65, of het arrest, vermeld in artikel 65/1, en uiterlijk tot bij aanvang van de zitting waarop de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid of de bevestiging van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld.".
  "Art. 61. § 1. Het verzoek tot tussenkomst wordt ingediend binnen een vervaltermijn van twintig dagen, die ingaat op de dag na de betekening van de brief waarin de griffier conform artikel 59/3 de belanghebbenden de mogelijkheid heeft geboden om een verzoek tot tussenkomst in te dienen.
  § 2. De griffier stelt de verzoeker tot tussenkomst in staat om het verzoekschrift tot tussenkomst te regulariseren als:
  1° de stukken, vermeld in artikel 60, derde lid, 1°, niet gevoegd zijn bij het verzoekschrift dat uitgaat van een rechtspersoon;
  2° het verzoekschrift niet is ondertekend door de verzoeker tot tussenkomst of zijn raadsman;
  3° het verzoekschrift geen woonplaatskeuze in België bevat als vermeld in artikel 7, § 1;
  4° het verzoekschrift geen vermelding van het rolnummer van de vordering of geen verklaring dat de verzoeker tot tussenkomst het rolnummer niet kent, bevat;
  5° de schriftelijke volmacht, vermeld in artikel 60, derde lid, 2°, niet bij het verzoekschrift gevoegd is;
  6° de stukken, vermeld in artikel 60, derde lid, 3°, niet bij het verzoekschrift gevoegd zijn;
  7° de inventaris van de overtuigingsstukken, die allemaal overeenkomstig die inventaris genummerd zijn, niet bij het verzoekschrift gevoegd is.
  De verzoeker tot tussenkomst die zijn verzoekschrift tijdig regulariseert, wordt geacht het te hebben ingediend op de datum van de eerste verzending of neerlegging.
  Een verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt geacht niet te zijn ingediend.
  De regularisatie vindt uiterlijk op een van de volgende tijdstippen plaats:
  1° het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot schorsing bij hoogdringendheid wordt behandeld;
  2° het tijdstip waarop de schriftelijke uiteenzetting, vermeld in artikel 75, wordt ingediend.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 wordt een verzoek tot tussenkomst in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend vanaf de dag na de betekening van de beschikking, vermeld in artikel 65, of het arrest, vermeld in artikel 65/1, en uiterlijk tot bij aanvang van de zitting waarop de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid of de bevestiging van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld.".
Art. 30. L'article 61 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 octobre 2015, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 61. § 1er. La requĂȘte en intervention est introduite dans un dĂ©lai de vingt jours, qui commence le jour aprĂšs la notification de la lettre dans laquelle le greffier a offert aux intĂ©ressĂ©s la possibilitĂ© d'introduire une requĂȘte en intervention conformĂ©ment Ă l'article 59/3.
  § 2. Le greffier permet au requĂ©rant en intervention de rĂ©gulariser la requĂȘte en intervention si :
  1° les piĂšces, visĂ©es Ă l'article 60, alinĂ©a 3, 1°, ne sont pas jointes Ă la requĂȘte qui Ă©mane d'une personne morale ;
  2° la requĂȘte n'est pas signĂ©e par le requĂ©rant en intervention ou son conseil ;
  3° la requĂȘte ne comprend pas de choix de domicile en Belgique tel que visĂ© Ă l'article 7, § 1er ;
  4° la requĂȘte ne comprend pas de mention du numĂ©ro de rĂŽle de la demande, ou une dĂ©claration que le requĂ©rant en intervention ne connaĂźt pas le numĂ©ro de rĂŽle ;
  5° le mandat Ă©crit, visĂ© Ă l'article 60, alinĂ©a 3, 2°, n'est pas joint Ă la requĂȘte ;
  6° les piĂšces, visĂ©es Ă l'article 60, alinĂ©a 3, 3°, ne sont pas jointes Ă la requĂȘte ;
  7° l'inventaire des piĂšces Ă conviction qui sont toutes numĂ©rotĂ©es conformĂ©ment Ă cet inventaire, n'est pas joint Ă la requĂȘte.
  Le requĂ©rant en intervention qui rĂ©gularise sa requĂȘte Ă temps est censĂ© l'avoir introduite Ă la date du premier envoi ou dĂ©pĂŽt.
  Une requĂȘte qui n'est pas rĂ©gularisĂ©e ou qui est rĂ©gularisĂ©e de maniĂšre incomplĂšte ou tardive, est censĂ©e ne pas ĂȘtre introduite.
  Cette régularisation a lieu au plus tard à un des moments suivants :
  1° au moment de la sĂ©ance oĂč la demande de suspension d'urgence est traitĂ©e ;
  2° au moment oĂč l'exposĂ© Ă©crit, visĂ© Ă l'article 75, est introduit.
  § 3. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, une requĂȘte en intervention dans la demande de suspension d'extrĂȘme urgence est introduite Ă partir du jour aprĂšs la notification de la disposition, visĂ©e Ă l'article 65, ou de l'arrĂȘt, visĂ© Ă l'article 65/1, jusqu'au dĂ©but de la sĂ©ance Ă laquelle la demande de suspension d'extrĂȘme urgence ou la confirmation de la suspension d'extrĂȘme urgence est traitĂ©e au plus tard. ".
  " Art. 61. § 1er. La requĂȘte en intervention est introduite dans un dĂ©lai de vingt jours, qui commence le jour aprĂšs la notification de la lettre dans laquelle le greffier a offert aux intĂ©ressĂ©s la possibilitĂ© d'introduire une requĂȘte en intervention conformĂ©ment Ă l'article 59/3.
  § 2. Le greffier permet au requĂ©rant en intervention de rĂ©gulariser la requĂȘte en intervention si :
  1° les piĂšces, visĂ©es Ă l'article 60, alinĂ©a 3, 1°, ne sont pas jointes Ă la requĂȘte qui Ă©mane d'une personne morale ;
  2° la requĂȘte n'est pas signĂ©e par le requĂ©rant en intervention ou son conseil ;
  3° la requĂȘte ne comprend pas de choix de domicile en Belgique tel que visĂ© Ă l'article 7, § 1er ;
  4° la requĂȘte ne comprend pas de mention du numĂ©ro de rĂŽle de la demande, ou une dĂ©claration que le requĂ©rant en intervention ne connaĂźt pas le numĂ©ro de rĂŽle ;
  5° le mandat Ă©crit, visĂ© Ă l'article 60, alinĂ©a 3, 2°, n'est pas joint Ă la requĂȘte ;
  6° les piĂšces, visĂ©es Ă l'article 60, alinĂ©a 3, 3°, ne sont pas jointes Ă la requĂȘte ;
  7° l'inventaire des piĂšces Ă conviction qui sont toutes numĂ©rotĂ©es conformĂ©ment Ă cet inventaire, n'est pas joint Ă la requĂȘte.
  Le requĂ©rant en intervention qui rĂ©gularise sa requĂȘte Ă temps est censĂ© l'avoir introduite Ă la date du premier envoi ou dĂ©pĂŽt.
  Une requĂȘte qui n'est pas rĂ©gularisĂ©e ou qui est rĂ©gularisĂ©e de maniĂšre incomplĂšte ou tardive, est censĂ©e ne pas ĂȘtre introduite.
  Cette régularisation a lieu au plus tard à un des moments suivants :
  1° au moment de la sĂ©ance oĂč la demande de suspension d'urgence est traitĂ©e ;
  2° au moment oĂč l'exposĂ© Ă©crit, visĂ© Ă l'article 75, est introduit.
  § 3. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, une requĂȘte en intervention dans la demande de suspension d'extrĂȘme urgence est introduite Ă partir du jour aprĂšs la notification de la disposition, visĂ©e Ă l'article 65, ou de l'arrĂȘt, visĂ© Ă l'article 65/1, jusqu'au dĂ©but de la sĂ©ance Ă laquelle la demande de suspension d'extrĂȘme urgence ou la confirmation de la suspension d'extrĂȘme urgence est traitĂ©e au plus tard. ".
Art. 31. In deel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 september 2014 en 2 oktober 2015, wordt het opschrift van onderafdeling 1 vervangen door wat volgt:
  "Onderafdeling 1. - Schorsing bij hoogdringendheid".
  "Onderafdeling 1. - Schorsing bij hoogdringendheid".
Art. 31. Dans la partie 3, chapitre 2, section 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 26 septembre 2014 et 2 octobre 2015, l'intitulĂ© de la sous-section 1 est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Sous-section 1re. - Suspension d'urgence ".
  " Sous-section 1re. - Suspension d'urgence ".
Art. 32. In artikel 62 van hetzelfde besluit wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De verweerder dient het geïnventariseerde administratief dossier in binnen een vervaltermijn van twintig dagen, die ingaat op de dag na de betekening van het verzoekschrift, vermeld in artikel 19, 1°, als het administratief dossier nog niet werd ingediend.".
  "De verweerder dient het geïnventariseerde administratief dossier in binnen een vervaltermijn van twintig dagen, die ingaat op de dag na de betekening van het verzoekschrift, vermeld in artikel 19, 1°, als het administratief dossier nog niet werd ingediend.".
Art. 32. Dans l'article 62 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, l'alinĂ©a 1er est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Le dĂ©fendeur introduit le dossier administratif inventoriĂ© dans un dĂ©lai d'Ă©chĂ©ance de vingt jours, qui prend cours le jour aprĂšs la notification de la requĂȘte, visĂ©e Ă l'article 19, 1°, lorsque le dossier administratif n'a pas encore Ă©tĂ© introduit. ".
  " Le dĂ©fendeur introduit le dossier administratif inventoriĂ© dans un dĂ©lai d'Ă©chĂ©ance de vingt jours, qui prend cours le jour aprĂšs la notification de la requĂȘte, visĂ©e Ă l'article 19, 1°, lorsque le dossier administratif n'a pas encore Ă©tĂ© introduit. ".
Art. 33. In deel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 september 2014 en 2 oktober 2015, wordt het opschrift "Onderafdeling 2. - Zitting" opgeheven.
Art. 33. Dans la partie 3, chapitre 2, section 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 26 septembre 2014 et 2 octobre 2015, l'intitulĂ© " Sous-section 2. - SĂ©ance " est abrogĂ©.
Art. 34. In artikel 63 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, worden het eerste en het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "De kamervoorzitter bepaalt bij beschikking:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot schorsing bij hoogdringendheid wordt behandeld;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken.
  Uiterlijk zeven dagen voor de dag van de zitting brengt de griffier de partijen schriftelijk op de hoogte van de inhoud van de beschikking, vermeld in het eerste lid, en deelt de griffier hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee.".
  "De kamervoorzitter bepaalt bij beschikking:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot schorsing bij hoogdringendheid wordt behandeld;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken.
  Uiterlijk zeven dagen voor de dag van de zitting brengt de griffier de partijen schriftelijk op de hoogte van de inhoud van de beschikking, vermeld in het eerste lid, en deelt de griffier hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee.".
Art. 34. Dans l'article 63 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 octobre 2015, les alinĂ©as 1er et 2 sont remplacĂ©s par ce qui suit :
  " Le président de la chambre fixe par disposition :
  1° le lieu, le jour et le moment de la sĂ©ance oĂč la demande de suspension d'urgence est traitĂ©e ;
  2° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe.
  Au plus tard sept jours avant le jour de la séance, le greffier informe les parties par écrit du contenu de la disposition, visée à l'alinéa 1er, et leur communique la composition de la chambre compétente. ".
  " Le président de la chambre fixe par disposition :
  1° le lieu, le jour et le moment de la sĂ©ance oĂč la demande de suspension d'urgence est traitĂ©e ;
  2° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe.
  Au plus tard sept jours avant le jour de la séance, le greffier informe les parties par écrit du contenu de la disposition, visée à l'alinéa 1er, et leur communique la composition de la chambre compétente. ".
Art. 35. In deel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 september 2014 en 2 oktober 2015, wordt tussen artikel 63 en artikel 64 het opschrift "Onderafdeling 2. - Schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid" ingevoegd.
Art. 35. Dans la partie 3, chapitre 2, section 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ©e par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 26 septembre 2014 et 2 octobre 2015, l'intitulĂ© " Sous-section 2. - Suspension d'extrĂȘme urgence " est insĂ©rĂ© entre l'article 63 et l'article 64.
Art. 36. Artikel 64 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 64. Artikel 17, § 2, derde tot en met vijfde lid, artikel 19, 59, 59/1, 59/2 en 61, § 2, zijn niet van toepassing op de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.".
  "Art. 64. Artikel 17, § 2, derde tot en met vijfde lid, artikel 19, 59, 59/1, 59/2 en 61, § 2, zijn niet van toepassing op de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.".
Art. 36. L'article 64 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 64. L'article 17, § 2, alinĂ©as trois Ă cinq inclus, les articles 19, 59, 59/1, 59/2 et 61, § 2, ne s'appliquent pas Ă la demande de suspension d'extrĂȘme urgence. ".
  " Art. 64. L'article 17, § 2, alinĂ©as trois Ă cinq inclus, les articles 19, 59, 59/1, 59/2 et 61, § 2, ne s'appliquent pas Ă la demande de suspension d'extrĂȘme urgence. ".
Art. 37. In deel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 september 2014 en 2 oktober 2015, wordt het opschrift "Onderafdeling 3. - Schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid of schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid met vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen" opgeheven.
Art. 37. Dans la partie 3, chapitre 2, section 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ©e par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 26 septembre 2014 et 2 octobre 2015, l'intitulĂ© " Sous-section 3. - Suspension d'extrĂȘme urgence ou suspension d'extrĂȘme urgence avec demande d'ordonner des mesures provisoires " est abrogĂ©.
Art. 38. Artikel 65 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 65. § 1. De kamervoorzitter bepaalt bij beschikking:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld, eventueel te zijnen huize, zelfs op feestdagen en van dag tot dag of van uur tot uur;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;
  3° de namen van een of meer van de belanghebbenden, vermeld in artikel 20, eerste en tweede lid, van het decreet, als de kamer heeft beslist een of meer belanghebbenden op te roepen;
  De griffier betekent de beschikking onmiddellijk aan de partijen en aan de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 3°, en deelt hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee.
  Tegelijkertijd bezorgt de griffier een afschrift van het verzoekschrift houdende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aan de verweerder en aan de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 3°.
  § 2. De verweerder dient onmiddellijk het geïnventariseerde administratief dossier in, als het nog niet werd ingediend. Als de verweerder het administratief dossier niet van tevoren heeft toegezonden, overhandigt hij het ter zitting aan de kamervoorzitter, die de zitting kan schorsen om aan de andere partijen de gelegenheid te geven er inzage van te nemen.
  § 3. De verweerder kan een nota met opmerkingen over de gevorderde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid indienen vanaf de dag na de betekening van de beschikking, vermeld in paragraaf 1, en uiterlijk bij aanvang van de zitting waarop de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld. De verweerder bezorgt de nota tegelijkertijd aan de verzoeker en aan de belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°.
  De belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, kunnen met toepassing van artikel 60, tweede lid, 7°, in het verzoek tot tussenkomst een schriftelijke uiteenzetting over de gevorderde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid opnemen. Gelijktijdig met het indienen van het verzoek tot tussenkomst bezorgen de belanghebbenden het verzoek tot tussenkomst aan de verzoeker, de verweerder en de overige belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. "
  "Art. 65. § 1. De kamervoorzitter bepaalt bij beschikking:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld, eventueel te zijnen huize, zelfs op feestdagen en van dag tot dag of van uur tot uur;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;
  3° de namen van een of meer van de belanghebbenden, vermeld in artikel 20, eerste en tweede lid, van het decreet, als de kamer heeft beslist een of meer belanghebbenden op te roepen;
  De griffier betekent de beschikking onmiddellijk aan de partijen en aan de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 3°, en deelt hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee.
  Tegelijkertijd bezorgt de griffier een afschrift van het verzoekschrift houdende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aan de verweerder en aan de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 3°.
  § 2. De verweerder dient onmiddellijk het geïnventariseerde administratief dossier in, als het nog niet werd ingediend. Als de verweerder het administratief dossier niet van tevoren heeft toegezonden, overhandigt hij het ter zitting aan de kamervoorzitter, die de zitting kan schorsen om aan de andere partijen de gelegenheid te geven er inzage van te nemen.
  § 3. De verweerder kan een nota met opmerkingen over de gevorderde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid indienen vanaf de dag na de betekening van de beschikking, vermeld in paragraaf 1, en uiterlijk bij aanvang van de zitting waarop de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld. De verweerder bezorgt de nota tegelijkertijd aan de verzoeker en aan de belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°.
  De belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, kunnen met toepassing van artikel 60, tweede lid, 7°, in het verzoek tot tussenkomst een schriftelijke uiteenzetting over de gevorderde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid opnemen. Gelijktijdig met het indienen van het verzoek tot tussenkomst bezorgen de belanghebbenden het verzoek tot tussenkomst aan de verzoeker, de verweerder en de overige belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. "
Art. 38. L'article 65 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 octobre 2015, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 65. § 1er. Le président de la chambre fixe par disposition :
  1° le lieu, le jour et le moment de la sĂ©ance oĂč la demande de suspension d'extrĂȘme urgence est traitĂ©e, Ă©ventuellement Ă son domicile, mĂȘme pendant les jours fĂ©riĂ©s et de jour en jour ou d'heure en heure ;
  2° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ;
  3° les noms d'un ou de plusieurs intéressés, tels que visés à l'article 20, alinéas premier et deux, du décret, lorsque la chambre a décidé d'entendre un ou plusieurs intéressés ;
  Le greffier notifie immédiatement la disposition aux parties et aux intéressés, visés à l'alinéa premier, 3° et leur communique la composition de la chambre compétente.
  Le greffier transmet en mĂȘme temps une copie de la requĂȘte portant action en suspension d'extrĂȘme urgence au dĂ©fendeur et aux intĂ©ressĂ©s, visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier, 3°.
  § 2. Le défendeur introduit le dossier administratif inventorié sans délai, s'il n'a pas encore été introduit. Lorsque le défendeur n'a pas envoyé le dossier administratif à l'avance, il le transmet séance tenante au président de la chambre, qui peut suspendre la séance pour permettre aux autres parties d'en prendre connaissance.
  § 3. Le dĂ©fendeur peut introduire une note reprenant des remarques relatives Ă l'action en suspension d'extrĂȘme urgence Ă partir du jour de la notification de la disposition, visĂ©e au paragraphe 1er, jusqu'au dĂ©but de la sĂ©ance Ă laquelle l'action en suspension d'extrĂȘme urgence est traitĂ©e au plus tard. Le dĂ©fendeur transmet la note en mĂȘme temps au requĂ©rant et aux intĂ©ressĂ©s, visĂ©s au paragraphe 1er, alinĂ©a premier, 3°.
  Les intĂ©ressĂ©s, visĂ©s au paragraphe 1er, alinĂ©a premier, 3°, peuvent, en application de l'article 60, alinĂ©a deux, 7°, reprendre un exposĂ© Ă©crit concernant la suspension d'extrĂȘme urgence requise dans la requĂȘte en intervention. SimultanĂ©ment avec l'introduction de la requĂȘte en intervention, les intĂ©ressĂ©s transmettent la requĂȘte en intervention au requĂ©rant, au dĂ©fendeur et aux autres intĂ©ressĂ©s, visĂ©s au paragraphe 1er, alinĂ©a premier, 3°. "
  " Art. 65. § 1er. Le président de la chambre fixe par disposition :
  1° le lieu, le jour et le moment de la sĂ©ance oĂč la demande de suspension d'extrĂȘme urgence est traitĂ©e, Ă©ventuellement Ă son domicile, mĂȘme pendant les jours fĂ©riĂ©s et de jour en jour ou d'heure en heure ;
  2° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ;
  3° les noms d'un ou de plusieurs intéressés, tels que visés à l'article 20, alinéas premier et deux, du décret, lorsque la chambre a décidé d'entendre un ou plusieurs intéressés ;
  Le greffier notifie immédiatement la disposition aux parties et aux intéressés, visés à l'alinéa premier, 3° et leur communique la composition de la chambre compétente.
  Le greffier transmet en mĂȘme temps une copie de la requĂȘte portant action en suspension d'extrĂȘme urgence au dĂ©fendeur et aux intĂ©ressĂ©s, visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier, 3°.
  § 2. Le défendeur introduit le dossier administratif inventorié sans délai, s'il n'a pas encore été introduit. Lorsque le défendeur n'a pas envoyé le dossier administratif à l'avance, il le transmet séance tenante au président de la chambre, qui peut suspendre la séance pour permettre aux autres parties d'en prendre connaissance.
  § 3. Le dĂ©fendeur peut introduire une note reprenant des remarques relatives Ă l'action en suspension d'extrĂȘme urgence Ă partir du jour de la notification de la disposition, visĂ©e au paragraphe 1er, jusqu'au dĂ©but de la sĂ©ance Ă laquelle l'action en suspension d'extrĂȘme urgence est traitĂ©e au plus tard. Le dĂ©fendeur transmet la note en mĂȘme temps au requĂ©rant et aux intĂ©ressĂ©s, visĂ©s au paragraphe 1er, alinĂ©a premier, 3°.
  Les intĂ©ressĂ©s, visĂ©s au paragraphe 1er, alinĂ©a premier, 3°, peuvent, en application de l'article 60, alinĂ©a deux, 7°, reprendre un exposĂ© Ă©crit concernant la suspension d'extrĂȘme urgence requise dans la requĂȘte en intervention. SimultanĂ©ment avec l'introduction de la requĂȘte en intervention, les intĂ©ressĂ©s transmettent la requĂȘte en intervention au requĂ©rant, au dĂ©fendeur et aux autres intĂ©ressĂ©s, visĂ©s au paragraphe 1er, alinĂ©a premier, 3°. "
Art. 39. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 september 2014, 2 oktober 2015 en 10 februari 2017, wordt een artikel 65/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 65/1. § 1. Als de schorsing op verzoek bij wijze van voorlopige maatregel wordt bevolen zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord, bepaalt de kamer, in afwijking van artikel 65, in het arrest waarbij de voorlopige schorsing wordt bevolen:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de bevestiging van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld, eventueel te zijnen huize, zelfs op feestdagen en van dag tot dag of van uur tot uur;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;
  3° de namen van een of meer van de belanghebbenden, vermeld in artikel 20, eerste en tweede lid, van het decreet, als de kamer heeft beslist een of meer belanghebbenden op te roepen.
  De griffier betekent het arrest onmiddellijk aan de partijen en aan de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 3°, en deelt hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee.
  Tegelijkertijd bezorgt de griffier een afschrift van het verzoekschrift houdende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aan de verweerder en aan de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 3°.
  § 2. De verweerder dient onmiddellijk het geïnventariseerde administratief dossier in, als het nog niet werd ingediend. Als de verweerder het administratief dossier niet van te voren heeft toegezonden, overhandigt hij het ter zitting aan de kamervoorzitter, die de zitting kan schorsen om aan de andere partijen de gelegenheid te geven er inzage van te nemen.
  § 3. De verweerder kan een nota met opmerkingen over de gevorderde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid indienen vanaf de dag na de betekening van het arrest, vermeld in paragraaf 1, en uiterlijk bij aanvang van de zitting waarop de bevestiging van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld. De verweerder bezorgt tegelijkertijd de nota aan de verzoeker en aan de belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°.
  De belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, kunnen, met toepassing van artikel 60, tweede lid, 7°, in het verzoek tot tussenkomst een schriftelijke uiteenzetting over de gevorderde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid opnemen. Gelijktijdig met het indienen van het verzoek tot tussenkomst, bezorgen de belanghebbenden het verzoek tot tussenkomst aan de verzoeker, de verweerder en de overige belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. ".
  "Art. 65/1. § 1. Als de schorsing op verzoek bij wijze van voorlopige maatregel wordt bevolen zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord, bepaalt de kamer, in afwijking van artikel 65, in het arrest waarbij de voorlopige schorsing wordt bevolen:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de bevestiging van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld, eventueel te zijnen huize, zelfs op feestdagen en van dag tot dag of van uur tot uur;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;
  3° de namen van een of meer van de belanghebbenden, vermeld in artikel 20, eerste en tweede lid, van het decreet, als de kamer heeft beslist een of meer belanghebbenden op te roepen.
  De griffier betekent het arrest onmiddellijk aan de partijen en aan de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 3°, en deelt hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee.
  Tegelijkertijd bezorgt de griffier een afschrift van het verzoekschrift houdende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aan de verweerder en aan de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 3°.
  § 2. De verweerder dient onmiddellijk het geïnventariseerde administratief dossier in, als het nog niet werd ingediend. Als de verweerder het administratief dossier niet van te voren heeft toegezonden, overhandigt hij het ter zitting aan de kamervoorzitter, die de zitting kan schorsen om aan de andere partijen de gelegenheid te geven er inzage van te nemen.
  § 3. De verweerder kan een nota met opmerkingen over de gevorderde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid indienen vanaf de dag na de betekening van het arrest, vermeld in paragraaf 1, en uiterlijk bij aanvang van de zitting waarop de bevestiging van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt behandeld. De verweerder bezorgt tegelijkertijd de nota aan de verzoeker en aan de belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°.
  De belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, kunnen, met toepassing van artikel 60, tweede lid, 7°, in het verzoek tot tussenkomst een schriftelijke uiteenzetting over de gevorderde schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid opnemen. Gelijktijdig met het indienen van het verzoek tot tussenkomst, bezorgen de belanghebbenden het verzoek tot tussenkomst aan de verzoeker, de verweerder en de overige belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°. ".
Art. 39. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 26 septembre 2014, 2 octobre 2015 et 10 fĂ©vrier 2017, il est insĂ©rĂ© un article 65/1, rĂ©digĂ© comme suit :
  "Art. 65/1. § 1er. Si la suspension est ordonnĂ©e sur demande Ă titre de mesure provisoire sans que les parties ou certaines d'entre elles aient Ă©tĂ© entendues, la chambre dĂ©termine, par dĂ©rogation Ă l'article 65, dans l'arrĂȘt ordonnant la suspension provisoire :
  1° le lieu, le jour et le moment de la sĂ©ance Ă laquelle la confirmation de suspension d'extrĂȘme urgence est traitĂ©e, Ă©ventuellement Ă son domicile, mĂȘme pendant les jours fĂ©riĂ©s et de jour en jour ou d'heure en heure ;
  2° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ;
  3° les noms d'un ou de plusieurs intéressés, tels que visés à l'article 20, alinéas premier et deux du décret, lorsque la chambre a décidé d'entendre un ou plusieurs intéressés.
  Le greffier notifie immĂ©diatement l'arrĂȘt aux parties et aux intĂ©ressĂ©s, visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier, 3° et leur communique la composition de la chambre compĂ©tente.
  Le greffier transmet en mĂȘme temps une copie de la requĂȘte portant action en suspension d'extrĂȘme urgence au dĂ©fendeur et aux intĂ©ressĂ©s, visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier, 3°.
  § 2. Le défendeur introduit le dossier administratif inventorié sans délai, s'il n'a pas encore été introduit. Lorsque le défendeur n'a pas envoyé le dossier administratif à l'avance, il le transmet séance tenante au président de la chambre, qui peut suspendre la séance pour permettre aux autres parties d'en prendre connaissance.
  § 3. Le dĂ©fendeur peut introduire une note reprenant des remarques relatives Ă l'action en suspension d'extrĂȘme urgence Ă partir du jour de la signification de l'arrĂȘt, visĂ© au paragraphe 1er, jusqu'au dĂ©but de la sĂ©ance Ă laquelle la confirmation de l'action en suspension d'extrĂȘme urgence est traitĂ©e au plus tard. Le dĂ©fendeur transmet la note en mĂȘme temps au requĂ©rant et aux intĂ©ressĂ©s, visĂ©s au paragraphe 1er, alinĂ©a premier, 3°.
  Les intĂ©ressĂ©s, visĂ©s au paragraphe 1er, alinĂ©a premier, 3°, peuvent, en application de l'article 60, alinĂ©a deux, 7°, reprendre un exposĂ© Ă©crit concernant la suspension d'extrĂȘme urgence requise dans la requĂȘte en intervention. SimultanĂ©ment avec l'introduction de la requĂȘte en intervention, les intĂ©ressĂ©s transmettent la requĂȘte en intervention au requĂ©rant, au dĂ©fendeur et aux autres intĂ©ressĂ©s, visĂ©s au paragraphe 1er, alinĂ©a premier, 3°. ".
  "Art. 65/1. § 1er. Si la suspension est ordonnĂ©e sur demande Ă titre de mesure provisoire sans que les parties ou certaines d'entre elles aient Ă©tĂ© entendues, la chambre dĂ©termine, par dĂ©rogation Ă l'article 65, dans l'arrĂȘt ordonnant la suspension provisoire :
  1° le lieu, le jour et le moment de la sĂ©ance Ă laquelle la confirmation de suspension d'extrĂȘme urgence est traitĂ©e, Ă©ventuellement Ă son domicile, mĂȘme pendant les jours fĂ©riĂ©s et de jour en jour ou d'heure en heure ;
  2° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ;
  3° les noms d'un ou de plusieurs intéressés, tels que visés à l'article 20, alinéas premier et deux du décret, lorsque la chambre a décidé d'entendre un ou plusieurs intéressés.
  Le greffier notifie immĂ©diatement l'arrĂȘt aux parties et aux intĂ©ressĂ©s, visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier, 3° et leur communique la composition de la chambre compĂ©tente.
  Le greffier transmet en mĂȘme temps une copie de la requĂȘte portant action en suspension d'extrĂȘme urgence au dĂ©fendeur et aux intĂ©ressĂ©s, visĂ©s Ă l'alinĂ©a premier, 3°.
  § 2. Le défendeur introduit le dossier administratif inventorié sans délai, s'il n'a pas encore été introduit. Lorsque le défendeur n'a pas envoyé le dossier administratif à l'avance, il le transmet séance tenante au président de la chambre, qui peut suspendre la séance pour permettre aux autres parties d'en prendre connaissance.
  § 3. Le dĂ©fendeur peut introduire une note reprenant des remarques relatives Ă l'action en suspension d'extrĂȘme urgence Ă partir du jour de la signification de l'arrĂȘt, visĂ© au paragraphe 1er, jusqu'au dĂ©but de la sĂ©ance Ă laquelle la confirmation de l'action en suspension d'extrĂȘme urgence est traitĂ©e au plus tard. Le dĂ©fendeur transmet la note en mĂȘme temps au requĂ©rant et aux intĂ©ressĂ©s, visĂ©s au paragraphe 1er, alinĂ©a premier, 3°.
  Les intĂ©ressĂ©s, visĂ©s au paragraphe 1er, alinĂ©a premier, 3°, peuvent, en application de l'article 60, alinĂ©a deux, 7°, reprendre un exposĂ© Ă©crit concernant la suspension d'extrĂȘme urgence requise dans la requĂȘte en intervention. SimultanĂ©ment avec l'introduction de la requĂȘte en intervention, les intĂ©ressĂ©s transmettent la requĂȘte en intervention au requĂ©rant, au dĂ©fendeur et aux autres intĂ©ressĂ©s, visĂ©s au paragraphe 1er, alinĂ©a premier, 3°. ".
Art. 40. In deel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 september 2014 en 2 oktober 2015, wordt een onderafdeling 3, die bestaat uit artikel 65/2, ingevoegd, die luidt als volgt:
  "Onderafdeling 3. - Zitting
  Art. 65/2. De kamervoorzitter verklaart de zitting voor geopend. Hij leidt de zitting. De griffier stelt een proces-verbaal van de zitting op, dat hij samen met de kamervoorzitter ondertekent.
  De kamervoorzitter verklaart de debatten voor gesloten en neemt de zaak in beraad.".
  "Onderafdeling 3. - Zitting
  Art. 65/2. De kamervoorzitter verklaart de zitting voor geopend. Hij leidt de zitting. De griffier stelt een proces-verbaal van de zitting op, dat hij samen met de kamervoorzitter ondertekent.
  De kamervoorzitter verklaart de debatten voor gesloten en neemt de zaak in beraad.".
Art. 40. Dans la partie 3, chapitre 2, section 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ©e par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 26 septembre 2014 et 2 octobre 2015, il est ajoutĂ© une sous-section 3, constituĂ©e de l'article 65/2, rĂ©digĂ©e comme suit :
  " Sous-section 3. - Séance
  Art. 65/2. Le président de la chambre déclare la séance ouverte. Il préside la séance. Le greffier établit un procÚs-verbal de la séance, qu'il signe avec le président de la chambre.
  Le président de la chambre déclare les débats clos et prend l'affaire en considération . ".
  " Sous-section 3. - Séance
  Art. 65/2. Le président de la chambre déclare la séance ouverte. Il préside la séance. Le greffier établit un procÚs-verbal de la séance, qu'il signe avec le président de la chambre.
  Le président de la chambre déclare les débats clos et prend l'affaire en considération . ".
Art. 41. In deel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 september 2014 en 2 oktober 2015, wordt het opschrift van onderafdeling 4 vervangen door wat volgt:
  "Onderafdeling 4. Arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot schorsing bij hoogdringendheid of over de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid".
  "Onderafdeling 4. Arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot schorsing bij hoogdringendheid of over de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid".
Art. 41. Dans la partie 3, chapitre 2, section 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 26 septembre 2014 et 2 octobre 2015, l'intitulĂ© de la sous-section 4 est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Sous-section 4. - ArrĂȘt dans lequel il est rendu un jugement concernant la demande de suspension d'urgence ou concernant la demande de suspension d'extrĂȘme urgence. ".
  " Sous-section 4. - ArrĂȘt dans lequel il est rendu un jugement concernant la demande de suspension d'urgence ou concernant la demande de suspension d'extrĂȘme urgence. ".
Art. 42. In artikel 66 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in punt 1° wordt de zinsnede ", de woonplaats of de zetel" opgeheven;
  2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De kamer kan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het arrest bevelen.".
  1° in punt 1° wordt de zinsnede ", de woonplaats of de zetel" opgeheven;
  2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De kamer kan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het arrest bevelen.".
Art. 42. A l'article 66 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° dans le point 1°, le membre de phrase " , le domicile ou le siÚge " est abrogé ;
  2° il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
  " La chambre peut ordonner l'exĂ©cution immĂ©diate de l'arrĂȘt. ".
  1° dans le point 1°, le membre de phrase " , le domicile ou le siÚge " est abrogé ;
  2° il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
  " La chambre peut ordonner l'exĂ©cution immĂ©diate de l'arrĂȘt. ".
Art. 43. Artikel 68 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 68. De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot schorsing met toepassing van deze afdeling, aan de partijen en aan het college van burgemeester en schepenen op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft.".
  "Art. 68. De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot schorsing met toepassing van deze afdeling, aan de partijen en aan het college van burgemeester en schepenen op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft.".
Art. 43. L'article 68 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 68. Le greffier envoie immĂ©diatement une copie de l'arrĂȘt par lequel il est rendu un jugement concernant l'action en suspension, en application de la prĂ©sente section, aux parties et au collĂšge des bourgmestre et Ă©chevins au ressort desquels la demande de permis s'applique. ".
  " Art. 68. Le greffier envoie immĂ©diatement une copie de l'arrĂȘt par lequel il est rendu un jugement concernant l'action en suspension, en application de la prĂ©sente section, aux parties et au collĂšge des bourgmestre et Ă©chevins au ressort desquels la demande de permis s'applique. ".
Art. 44. In artikel 69 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 september 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geschorst heeft" vervangen door de woorden "de vordering tot schorsing heeft ingewilligd";
  2° in het tweede lid worden de woorden "de bestreden beslissing niet geschorst heeft" vervangen door de woorden "de vordering tot schorsing heeft verworpen";
  3° in het tweede lid wordt het woord "onweerlegbaar" opgeheven.
  1° in het eerste lid worden de woorden "de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geschorst heeft" vervangen door de woorden "de vordering tot schorsing heeft ingewilligd";
  2° in het tweede lid worden de woorden "de bestreden beslissing niet geschorst heeft" vervangen door de woorden "de vordering tot schorsing heeft verworpen";
  3° in het tweede lid wordt het woord "onweerlegbaar" opgeheven.
Art. 44. A l'article 69 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 26 septembre 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa premier, les mots "a suspendu l'exécution de la décision contestée" sont remplacés par les mots "a accepté l'action en suspension" ;
  2° à l'alinéa deux, les mots "n'a pas suspendu la décision contestée " sont remplacés par les mots " a rejeté l'action en suspension" ;
  3° dans l'alinéa deux le mot "irréfragable" est abrogé.
  1° à l'alinéa premier, les mots "a suspendu l'exécution de la décision contestée" sont remplacés par les mots "a accepté l'action en suspension" ;
  2° à l'alinéa deux, les mots "n'a pas suspendu la décision contestée " sont remplacés par les mots " a rejeté l'action en suspension" ;
  3° dans l'alinéa deux le mot "irréfragable" est abrogé.
Art. 45. Artikel 70 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 70. De griffier betekent het ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging aan de andere partijen.
  Als een vervaltermijn voor het indienen van een nota in het kader van de vordering tot vernietiging werd gestuit conform artikel 40, § 10, van het decreet, deelt de griffier, gelijktijdig met de betekening van het verzoek tot voortzetting, aan de partijen van wie de vervaltermijn werd gestuit, mee dat de vervaltermijn opnieuw aanvang neemt vanaf de dag na de betekening van het verzoek tot voortzetting.".
  "Art. 70. De griffier betekent het ingediende verzoek tot voortzetting van de rechtspleging aan de andere partijen.
  Als een vervaltermijn voor het indienen van een nota in het kader van de vordering tot vernietiging werd gestuit conform artikel 40, § 10, van het decreet, deelt de griffier, gelijktijdig met de betekening van het verzoek tot voortzetting, aan de partijen van wie de vervaltermijn werd gestuit, mee dat de vervaltermijn opnieuw aanvang neemt vanaf de dag na de betekening van het verzoek tot voortzetting.".
Art. 45. L'article 70 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 70. Le greffier notifie la l'introduction de la requĂȘte en poursuite de la procĂ©dure aux autres parties.
  Si une Ă©chĂ©ance pour l'introduction d'une note dans le cadre de la demande d'annulation a Ă©tĂ© interrompue conformĂ©ment Ă l'article 40, § 10 du dĂ©cret, le greffier communique, en mĂȘme temps que la notification de la requĂȘte en poursuite, aux parties dont l'Ă©chĂ©ance a Ă©tĂ© interrompue, que l'Ă©chĂ©ance reprend cours Ă partir du jour aprĂšs la notification de la requĂȘte en poursuite. ".
  " Art. 70. Le greffier notifie la l'introduction de la requĂȘte en poursuite de la procĂ©dure aux autres parties.
  Si une Ă©chĂ©ance pour l'introduction d'une note dans le cadre de la demande d'annulation a Ă©tĂ© interrompue conformĂ©ment Ă l'article 40, § 10 du dĂ©cret, le greffier communique, en mĂȘme temps que la notification de la requĂȘte en poursuite, aux parties dont l'Ă©chĂ©ance a Ă©tĂ© interrompue, que l'Ă©chĂ©ance reprend cours Ă partir du jour aprĂšs la notification de la requĂȘte en poursuite. ".
Art. 46. In artikel 71 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geschorst heeft" vervangen door de woorden "de vordering tot schorsing heeft ingewilligd";
  2° in het tweede lid worden de woorden "de dag na dag van" vervangen door de woorden "de dag na";
  3° het vijfde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Nadat de partijen werden gehoord, kan de kamer de bestreden beslissing onmiddellijk vernietigen of beslissen dat de rechtspleging wordt voortgezet.".
  1° in het eerste lid worden de woorden "de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geschorst heeft" vervangen door de woorden "de vordering tot schorsing heeft ingewilligd";
  2° in het tweede lid worden de woorden "de dag na dag van" vervangen door de woorden "de dag na";
  3° het vijfde lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Nadat de partijen werden gehoord, kan de kamer de bestreden beslissing onmiddellijk vernietigen of beslissen dat de rechtspleging wordt voortgezet.".
Art. 46. A l'article 71 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° à l'alinéa premier, les mots "a suspendu l'exécution de la décision contestée" sont remplacés par les mots "a accepté l'action en suspension" ;
  2° à l'alinéa deux les mots " le jour aprÚs le jour de " sont remplacés par les mots " le jour aprÚs " ;
  3° l'alinéa cinq est remplacé par ce qui suit :
  "AprÚs que les parties ont été entendues, la chambre peut immédiatement annuler la décision contestée ou décider que la procédure sera poursuivie. ".
  1° à l'alinéa premier, les mots "a suspendu l'exécution de la décision contestée" sont remplacés par les mots "a accepté l'action en suspension" ;
  2° à l'alinéa deux les mots " le jour aprÚs le jour de " sont remplacés par les mots " le jour aprÚs " ;
  3° l'alinéa cinq est remplacé par ce qui suit :
  "AprÚs que les parties ont été entendues, la chambre peut immédiatement annuler la décision contestée ou décider que la procédure sera poursuivie. ".
Art. 47. In artikel 72 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "de dag na dag van" vervangen door de woorden "de dag na";
  2° in paragraaf 2 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "Nadat de partijen werden gehoord, kan de kamer de afstand van geding uitspreken of beslissen dat de rechtspleging wordt voortgezet.".
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "de dag na dag van" vervangen door de woorden "de dag na";
  2° in paragraaf 2 wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "Nadat de partijen werden gehoord, kan de kamer de afstand van geding uitspreken of beslissen dat de rechtspleging wordt voortgezet.".
Art. 47. A l'article 72 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au paragraphe 1er les mots " le jour aprÚs le jour de " sont remplacés par les mots " le jour aprÚs " ;
  2° au paragraphe 2, l'alinéa trois est remplacé par la disposition suivante :
  "AprÚs que les parties ont été entendues, la chambre peut rendre un désistement d'instance ou décider que la procédure sera poursuivie.".
  1° au paragraphe 1er les mots " le jour aprÚs le jour de " sont remplacés par les mots " le jour aprÚs " ;
  2° au paragraphe 2, l'alinéa trois est remplacé par la disposition suivante :
  "AprÚs que les parties ont été entendues, la chambre peut rendre un désistement d'instance ou décider que la procédure sera poursuivie.".
Art. 48. In deel 3, hoofdstuk 2, afdeling 4, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 september 2014 en 2 oktober 2015, wordt het opschrift van onderafdeling 7 vervangen door wat volgt:
  "Onderafdeling 7. Opheffing van de schorsing of van voorlopige maatregelen".
  "Onderafdeling 7. Opheffing van de schorsing of van voorlopige maatregelen".
Art. 48. Dans la partie 3, chapitre 2, section 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ©e par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 26 septembre 2014 et 2 octobre 2015, l'intitulĂ© de la sous-section 7 est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Sous-section 7. - Abrogation de la suspension ou des mesures provisoires ".
  " Sous-section 7. - Abrogation de la suspension ou des mesures provisoires ".
Art. 49. Artikel 73 en 74 van hetzelfde besluit worden vervangen door wat volgt:
  "Art. 73. § 1. De vordering tot opheffing wordt bij verzoekschrift ingediend. Het verzoekschrift wordt gedagtekend en door een partij of door de raadsman van die partij ondertekend.
  Het verzoekschrift bevat:
  1° de opgave van het arrest waarin de schorsing of de voorlopige maatregelen werden bevolen;
  2° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoeker tot opheffing, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;
  3° een uiteenzetting van de nieuwe feiten of de veranderde omstandigheden waaruit blijkt dat de schorsing of de voorlopige maatregelen niet langer gerechtvaardigd zijn;
  4° een inventaris van de overtuigingsstukken.
  De verzoeker tot opheffing voegt bij het verzoekschrift:
  1° als hij een rechtspersoon is en geen raadsman heeft die advocaat is, een afschrift van zijn geldende en gecoördineerde statuten en van de akte van aanstelling van zijn organen, alsook het bewijs dat het daarvoor bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden;
  2° de schriftelijke volmacht van zijn raadsman als die geen advocaat is;
  3° de overtuigingsstukken die in de inventaris zijn vermeld en die overeenkomstig die inventaris genummerd zijn.
  § 2. De kamervoorzitter kan bij beschikking vaststellen dat er zich nieuwe feiten voordoen of dat de omstandigheden zodanig veranderd zijn dat de schorsing of de voorlopige maatregelen niet langer gerechtvaardigd lijken te zijn.
  § 3. De kamervoorzitter bepaalt bij beschikking:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de opheffing van de schorsing of van de voorlopige maatregelen wordt behandeld;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van de overtuigingsstukken;
  3° de termijn waarbinnen partijen een nota kunnen indienen over de vordering tot opheffing, vermeld in paragraaf 1, of over de vaststellingen van de kamervoorzitter, vermeld in paragraaf 2;
  De griffier betekent de beschikking aan de partijen en deelt hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee. In geval van toepassing van paragraaf 1 bezorgt de griffier een afschrift van het verzoekschrift tot opheffing van de schorsing of voorlopige maatregelen aan de overige partijen.
  Gelijktijdig met het indienen van de nota, vermeld in het eerste lid, 3°, bezorgt elke partij een afschrift van de nota aan de overige partijen.
  § 4. Als de verzoeker tot opheffing niet verschijnt en evenmin vertegenwoordigd is op de zitting, wordt zijn vordering afgewezen.
  De andere partijen die niet verschijnen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering tot opheffing, vermeld in paragraaf 1.
  § 5. De partijen die niet verschijnen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vaststellingen van de kamervoorzitter, vermeld in paragraaf 2.
  Art. 74. § 1. De verweerder dient een antwoordnota, een geïnventariseerd administratief dossier, als dat nog niet werd ingediend, en eventuele aanvullende en geïnventariseerde overtuigingsstukken in binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen, die ingaat:
  1° bij een vordering tot vernietiging, op de dag na de betekening van het afschrift van het verzoekschrift, vermeld in artikel 19, 1° ;
  2° bij een vordering tot schorsing die tegelijk met of na de vordering tot vernietiging werd ingediend, op de dag na de betekening van de brief waarin de griffier de verweerder in de mogelijkheid stelt een antwoordnota in te dienen.
  § 2. Als het administratief dossier niet in het bezit is van de verweerder, brengt de verweerder de griffie daarvan onmiddellijk en schriftelijk op de hoogte en geeft hij aan waar het administratief dossier zich bij zijn weten bevindt. De griffier vordert de mededeling ervan aan het bestuursorgaan dat het administratief dossier onder zich heeft. Dat bestuursorgaan zendt het gevorderde dossier onmiddellijk naar de griffie.
  Als de verweerder niet binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, het administratief dossier indient of aan het College meedeelt dat het administratief dossier niet in zijn bezit is, maant de griffier de verweerder aan om dat alsnog te doen binnen een door hem bepaalde termijn. Als de verweerder daaraan geen gevolg geeft, worden de door de verzoeker aangehaalde feiten als bewezen geacht, tenzij die feiten kennelijk onjuist zijn.".
  "Art. 73. § 1. De vordering tot opheffing wordt bij verzoekschrift ingediend. Het verzoekschrift wordt gedagtekend en door een partij of door de raadsman van die partij ondertekend.
  Het verzoekschrift bevat:
  1° de opgave van het arrest waarin de schorsing of de voorlopige maatregelen werden bevolen;
  2° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoeker tot opheffing, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;
  3° een uiteenzetting van de nieuwe feiten of de veranderde omstandigheden waaruit blijkt dat de schorsing of de voorlopige maatregelen niet langer gerechtvaardigd zijn;
  4° een inventaris van de overtuigingsstukken.
  De verzoeker tot opheffing voegt bij het verzoekschrift:
  1° als hij een rechtspersoon is en geen raadsman heeft die advocaat is, een afschrift van zijn geldende en gecoördineerde statuten en van de akte van aanstelling van zijn organen, alsook het bewijs dat het daarvoor bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden;
  2° de schriftelijke volmacht van zijn raadsman als die geen advocaat is;
  3° de overtuigingsstukken die in de inventaris zijn vermeld en die overeenkomstig die inventaris genummerd zijn.
  § 2. De kamervoorzitter kan bij beschikking vaststellen dat er zich nieuwe feiten voordoen of dat de omstandigheden zodanig veranderd zijn dat de schorsing of de voorlopige maatregelen niet langer gerechtvaardigd lijken te zijn.
  § 3. De kamervoorzitter bepaalt bij beschikking:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de opheffing van de schorsing of van de voorlopige maatregelen wordt behandeld;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van de overtuigingsstukken;
  3° de termijn waarbinnen partijen een nota kunnen indienen over de vordering tot opheffing, vermeld in paragraaf 1, of over de vaststellingen van de kamervoorzitter, vermeld in paragraaf 2;
  De griffier betekent de beschikking aan de partijen en deelt hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee. In geval van toepassing van paragraaf 1 bezorgt de griffier een afschrift van het verzoekschrift tot opheffing van de schorsing of voorlopige maatregelen aan de overige partijen.
  Gelijktijdig met het indienen van de nota, vermeld in het eerste lid, 3°, bezorgt elke partij een afschrift van de nota aan de overige partijen.
  § 4. Als de verzoeker tot opheffing niet verschijnt en evenmin vertegenwoordigd is op de zitting, wordt zijn vordering afgewezen.
  De andere partijen die niet verschijnen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering tot opheffing, vermeld in paragraaf 1.
  § 5. De partijen die niet verschijnen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vaststellingen van de kamervoorzitter, vermeld in paragraaf 2.
  Art. 74. § 1. De verweerder dient een antwoordnota, een geïnventariseerd administratief dossier, als dat nog niet werd ingediend, en eventuele aanvullende en geïnventariseerde overtuigingsstukken in binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen, die ingaat:
  1° bij een vordering tot vernietiging, op de dag na de betekening van het afschrift van het verzoekschrift, vermeld in artikel 19, 1° ;
  2° bij een vordering tot schorsing die tegelijk met of na de vordering tot vernietiging werd ingediend, op de dag na de betekening van de brief waarin de griffier de verweerder in de mogelijkheid stelt een antwoordnota in te dienen.
  § 2. Als het administratief dossier niet in het bezit is van de verweerder, brengt de verweerder de griffie daarvan onmiddellijk en schriftelijk op de hoogte en geeft hij aan waar het administratief dossier zich bij zijn weten bevindt. De griffier vordert de mededeling ervan aan het bestuursorgaan dat het administratief dossier onder zich heeft. Dat bestuursorgaan zendt het gevorderde dossier onmiddellijk naar de griffie.
  Als de verweerder niet binnen de termijn, vermeld in paragraaf 1, het administratief dossier indient of aan het College meedeelt dat het administratief dossier niet in zijn bezit is, maant de griffier de verweerder aan om dat alsnog te doen binnen een door hem bepaalde termijn. Als de verweerder daaraan geen gevolg geeft, worden de door de verzoeker aangehaalde feiten als bewezen geacht, tenzij die feiten kennelijk onjuist zijn.".
Art. 49. Les articles 73 et 74 du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont remplacĂ©s par ce qui suit :
  " Art. 73. § 1er. La demande d'abrogation est introduite par requĂȘte. La requĂȘte est datĂ©e et signĂ©e par une partie ou par son conseil.
  La requĂȘte comprend :
  1° l'indication de l'arrĂȘt dans lequel la suspension ou les mesures provisoires ont Ă©tĂ© ordonnĂ©es ;
  2° le nom, la qualité, le domicile ou le siÚge du requérant en abrogation, le domicile choisi en Belgique, et le cas échéant un numéro de téléphone et une adresse e-mail ;
  3° un exposé des nouveaux faits ou des circonstances changées dont il ressort que la suspension ou les mesures provisoires ne sont plus justifiées ;
  4° un inventaire des piÚces à conviction.
  Le requĂ©rant en abrogation joint Ă la requĂȘte :
  1° lorsqu'il est une personne morale et n'a pas de conseil qui est avocat, une copie de ses statuts en vigueur et coordonnés et de l'acte de désignation de ses organes, ainsi que la preuve que l'organe compétent en la matiÚre a décidé de soumettre l'affaire à la justice ;
  2° le mandat écrit de son conseil lorsque celui-ci n'est pas avocat ;
  3° les piÚces à conviction visées à l'inventaire et numérotées conformément à cet inventaire.
  § 2. Le président de la chambre peut constater par disposition que de nouveaux faits se produisent ou que les circonstances ont tellement changé que la suspension ou les mesures provisoires ne semblent plus justifiées.
  § 3. Le président de la chambre fixe par disposition :
  1° le lieu, le jour et le moment de la séance pendant laquelle l'abrogation de la suspension ou des mesures provisoires est traitée ;
  2° le dĂ©lai dans lequel les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ;
  3° le délai endéans lequel les parties peuvent introduire une note portant sur la demande d'abrogation, visée au paragraphe 1er, ou sur les constats du président de la chambre, visés au paragraphe 2 ;
  Le greffier notifie la disposition aux parties et leur communique la composition de la chambre compétente. Si le paragraphe 1er s'applique, le greffier transmet une copie de la demande d'abrogation de la suspension ou des mesures provisoires aux autres parties.
  Simultanément avec l'introduction de la note, visée à l'alinéa premier, 3°, chaque partie transmet une copie de la note aux autres parties.
  § 4. Lorsque le requérant en abrogation ne comparaßt pas et n'est pas non plus représenté lors de la séance, sa demande est rejetée.
  Les autres parties qui ne comparaissent pas ou qui ne sont pas reprĂ©sentĂ©es, sont censĂ©es ĂȘtre d'accord avec la demande d'abrogation, visĂ©e au paragraphe 1er.
  § 5. Les parties qui ne comparaissent pas ou qui ne sont pas reprĂ©sentĂ©es, sont censĂ©es ĂȘtre d'accord avec les constats du prĂ©sident de la chambre, visĂ©s au paragraphe 2.
  Art. 74. § 1er. Le défendeur introduit une note de réponse, un dossier administratif inventorié, s'il n'a pas encore été introduit, et d'éventuelles piÚces à conviction complémentaires et inventoriées dans un délai de quarante-cinq jours, qui prend cours :
  1° dans le cas d'une demande d'annulation, le jour aprĂšs la notification de la copie de la requĂȘte, visĂ©e Ă l'article 19, 1° ;
  2° dans le cas d'une demande d'annulation qui a été introduite ensemble avec ou aprÚs la demande d'annulation, le jour aprÚs la notification de la lettre par laquelle le greffier permet au défendeur d'introduire une note de réponse.
  § 2. Lorsque le dĂ©fendeur ne possĂšde pas le dossier administratif, le dĂ©fendeur en met au courant le greffe, immĂ©diatement et par Ă©crit, et il indique oĂč se trouve le dossier administratif Ă sa connaissance. Le greffier en requiert la communication Ă l'organe administratif qui dĂ©tient le dossier administratif. Cet organe administratif envoie immĂ©diatement le dossier requis au greffe.
  Lorsque le dĂ©fendeur n'introduit pas le dossier administratif ou ne communique pas au CollĂšge qu'il ne possĂšde pas le dossier administratif dans le dĂ©lai, visĂ© au paragraphe 1er, le greffier somme le dĂ©fendeur d'y procĂ©der tout de mĂȘme dans un dĂ©lai qu'il fixe. Lorsque le dĂ©fendeur n'y donne pas suite, les faits citĂ©s par le requĂ©rant sont censĂ©s ĂȘtre prouvĂ©s, Ă moins que ces faits soient manifestement injustes . ".
  " Art. 73. § 1er. La demande d'abrogation est introduite par requĂȘte. La requĂȘte est datĂ©e et signĂ©e par une partie ou par son conseil.
  La requĂȘte comprend :
  1° l'indication de l'arrĂȘt dans lequel la suspension ou les mesures provisoires ont Ă©tĂ© ordonnĂ©es ;
  2° le nom, la qualité, le domicile ou le siÚge du requérant en abrogation, le domicile choisi en Belgique, et le cas échéant un numéro de téléphone et une adresse e-mail ;
  3° un exposé des nouveaux faits ou des circonstances changées dont il ressort que la suspension ou les mesures provisoires ne sont plus justifiées ;
  4° un inventaire des piÚces à conviction.
  Le requĂ©rant en abrogation joint Ă la requĂȘte :
  1° lorsqu'il est une personne morale et n'a pas de conseil qui est avocat, une copie de ses statuts en vigueur et coordonnés et de l'acte de désignation de ses organes, ainsi que la preuve que l'organe compétent en la matiÚre a décidé de soumettre l'affaire à la justice ;
  2° le mandat écrit de son conseil lorsque celui-ci n'est pas avocat ;
  3° les piÚces à conviction visées à l'inventaire et numérotées conformément à cet inventaire.
  § 2. Le président de la chambre peut constater par disposition que de nouveaux faits se produisent ou que les circonstances ont tellement changé que la suspension ou les mesures provisoires ne semblent plus justifiées.
  § 3. Le président de la chambre fixe par disposition :
  1° le lieu, le jour et le moment de la séance pendant laquelle l'abrogation de la suspension ou des mesures provisoires est traitée ;
  2° le dĂ©lai dans lequel les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ;
  3° le délai endéans lequel les parties peuvent introduire une note portant sur la demande d'abrogation, visée au paragraphe 1er, ou sur les constats du président de la chambre, visés au paragraphe 2 ;
  Le greffier notifie la disposition aux parties et leur communique la composition de la chambre compétente. Si le paragraphe 1er s'applique, le greffier transmet une copie de la demande d'abrogation de la suspension ou des mesures provisoires aux autres parties.
  Simultanément avec l'introduction de la note, visée à l'alinéa premier, 3°, chaque partie transmet une copie de la note aux autres parties.
  § 4. Lorsque le requérant en abrogation ne comparaßt pas et n'est pas non plus représenté lors de la séance, sa demande est rejetée.
  Les autres parties qui ne comparaissent pas ou qui ne sont pas reprĂ©sentĂ©es, sont censĂ©es ĂȘtre d'accord avec la demande d'abrogation, visĂ©e au paragraphe 1er.
  § 5. Les parties qui ne comparaissent pas ou qui ne sont pas reprĂ©sentĂ©es, sont censĂ©es ĂȘtre d'accord avec les constats du prĂ©sident de la chambre, visĂ©s au paragraphe 2.
  Art. 74. § 1er. Le défendeur introduit une note de réponse, un dossier administratif inventorié, s'il n'a pas encore été introduit, et d'éventuelles piÚces à conviction complémentaires et inventoriées dans un délai de quarante-cinq jours, qui prend cours :
  1° dans le cas d'une demande d'annulation, le jour aprĂšs la notification de la copie de la requĂȘte, visĂ©e Ă l'article 19, 1° ;
  2° dans le cas d'une demande d'annulation qui a été introduite ensemble avec ou aprÚs la demande d'annulation, le jour aprÚs la notification de la lettre par laquelle le greffier permet au défendeur d'introduire une note de réponse.
  § 2. Lorsque le dĂ©fendeur ne possĂšde pas le dossier administratif, le dĂ©fendeur en met au courant le greffe, immĂ©diatement et par Ă©crit, et il indique oĂč se trouve le dossier administratif Ă sa connaissance. Le greffier en requiert la communication Ă l'organe administratif qui dĂ©tient le dossier administratif. Cet organe administratif envoie immĂ©diatement le dossier requis au greffe.
  Lorsque le dĂ©fendeur n'introduit pas le dossier administratif ou ne communique pas au CollĂšge qu'il ne possĂšde pas le dossier administratif dans le dĂ©lai, visĂ© au paragraphe 1er, le greffier somme le dĂ©fendeur d'y procĂ©der tout de mĂȘme dans un dĂ©lai qu'il fixe. Lorsque le dĂ©fendeur n'y donne pas suite, les faits citĂ©s par le requĂ©rant sont censĂ©s ĂȘtre prouvĂ©s, Ă moins que ces faits soient manifestement injustes . ".
Art. 50. Artikel 75 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 75. De tussenkomende partij dient een schriftelijke uiteenzetting en eventuele geïnventariseerde overtuigingsstukken in binnen een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat:
  1° bij een vordering tot vernietiging, op de dag na de betekening van de uitspraak over het verzoek tot tussenkomst;
  2° bij een vordering tot schorsing die tegelijk met of na de vordering tot vernietiging werd ingediend, op de dag na de betekening van de brief waarin de griffier de tussenkomende partij in de mogelijkheid stelt een schriftelijke uiteenzetting in te dienen.".
  "Art. 75. De tussenkomende partij dient een schriftelijke uiteenzetting en eventuele geïnventariseerde overtuigingsstukken in binnen een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat:
  1° bij een vordering tot vernietiging, op de dag na de betekening van de uitspraak over het verzoek tot tussenkomst;
  2° bij een vordering tot schorsing die tegelijk met of na de vordering tot vernietiging werd ingediend, op de dag na de betekening van de brief waarin de griffier de tussenkomende partij in de mogelijkheid stelt een schriftelijke uiteenzetting in te dienen.".
Art. 50. L'article 75 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 octobre 2015, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 75. La partie intervenante introduit un exposé écrit et d'éventuelles piÚces à conviction inventoriées dans un délai de trente jours, qui prend cours :
  1° dans le cas d'une demande d'annulation, le jour aprÚs la notification du prononcé de la demande d'intervention ;
  2° dans le cas d'une demande de suspension qui a été introduite ensemble avec ou aprÚs la demande d'annulation, le jour aprÚs la notification de la lettre par laquelle le greffier permet à la partie intervenante d'introduire un exposé écrit. ".
  " Art. 75. La partie intervenante introduit un exposé écrit et d'éventuelles piÚces à conviction inventoriées dans un délai de trente jours, qui prend cours :
  1° dans le cas d'une demande d'annulation, le jour aprÚs la notification du prononcé de la demande d'intervention ;
  2° dans le cas d'une demande de suspension qui a été introduite ensemble avec ou aprÚs la demande d'annulation, le jour aprÚs la notification de la lettre par laquelle le greffier permet à la partie intervenante d'introduire un exposé écrit. ".
Art. 51. In artikel 76, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt het woord "tijdige" opgeheven.
Art. 51. Dans l'article 76, alinĂ©a premier, du mĂȘme arrĂȘtĂ© les mots " Ă temps " sont abrogĂ©s.
Art. 52. Artikel 77 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 77. De verzoeker kan een wederantwoordnota indienen binnen een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de betekening van het afschrift van de antwoordnota.
  Als de verweerder geen antwoordnota heeft ingediend, mag de verzoeker een toelichtende nota indienen binnen een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de betekening door de griffier van de mededeling dat er geen antwoordnota werd ingediend.
  De verzoeker kan aan de wederantwoordnota of de toelichtende nota aanvullende, geïnventariseerde overtuigingsstukken toevoegen als hij nog niet over die stukken kon beschikken op het ogenblik waarop het verzoekschrift werd ingediend of als ze noodzakelijk zijn in de repliek op de antwoordnota van de verweerder of, in voorkomend geval, op de schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij.".
  "Art. 77. De verzoeker kan een wederantwoordnota indienen binnen een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de betekening van het afschrift van de antwoordnota.
  Als de verweerder geen antwoordnota heeft ingediend, mag de verzoeker een toelichtende nota indienen binnen een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de betekening door de griffier van de mededeling dat er geen antwoordnota werd ingediend.
  De verzoeker kan aan de wederantwoordnota of de toelichtende nota aanvullende, geïnventariseerde overtuigingsstukken toevoegen als hij nog niet over die stukken kon beschikken op het ogenblik waarop het verzoekschrift werd ingediend of als ze noodzakelijk zijn in de repliek op de antwoordnota van de verweerder of, in voorkomend geval, op de schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij.".
Art. 52. L'article 77 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 octobre 2015, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 77. Le requérant peut introduire une note de réponse en retour dans un délai d'échéance de trente jours, qui prend cours le jour aprÚs la notification de la copie de la note de réponse.
  Lorsque le défendeur n'a pas introduit de note de réponse, le requérant peut introduire une note explicative dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour aprÚs que le greffier a notifié la communication qu'aucune note de réponse n'a été introduite.
  Le requĂ©rant peut joindre des piĂšces Ă conviction inventoriĂ©es supplĂ©mentaires Ă la note de rĂ©ponse en retour ou Ă la note explicative, pour autant qu'il ne disposait pas encore de ces piĂšces au moment oĂč la requĂȘte a Ă©tĂ© introduite ou pour autant qu'elles sont nĂ©cessaires en rĂ©plique Ă la note de rĂ©ponse du dĂ©fendeur ou, le cas Ă©chĂ©ant, Ă l'exposĂ© Ă©crit de la partie intervenante. ".
  " Art. 77. Le requérant peut introduire une note de réponse en retour dans un délai d'échéance de trente jours, qui prend cours le jour aprÚs la notification de la copie de la note de réponse.
  Lorsque le défendeur n'a pas introduit de note de réponse, le requérant peut introduire une note explicative dans un délai de trente jours, qui prend cours le jour aprÚs que le greffier a notifié la communication qu'aucune note de réponse n'a été introduite.
  Le requĂ©rant peut joindre des piĂšces Ă conviction inventoriĂ©es supplĂ©mentaires Ă la note de rĂ©ponse en retour ou Ă la note explicative, pour autant qu'il ne disposait pas encore de ces piĂšces au moment oĂč la requĂȘte a Ă©tĂ© introduite ou pour autant qu'elles sont nĂ©cessaires en rĂ©plique Ă la note de rĂ©ponse du dĂ©fendeur ou, le cas Ă©chĂ©ant, Ă l'exposĂ© Ă©crit de la partie intervenante. ".
Art. 53. In artikel 78 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, wordt de zin "Als de verzoeker geen tijdige wederantwoordnota of toelichtende nota heeft ingediend, brengt de griffier de verweerder en, in geval van een tussenkomst, de tussenkomende partij op de hoogte van de laattijdigheid." opgeheven.
Art. 53. A l'article 78 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 octobre 2015, la phrase " Lorsque le requĂ©rant n'a pas introduit de note de rĂ©ponse en retour ou de note explicative Ă temps, le greffier met le requĂ©rant et, en cas d'intervention, la partie intervenante au courant de la tardivetĂ©. " est abrogĂ©e.
Art. 54. In deel 3, hoofdstuk 2, afdeling 5, onderafdeling 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, worden sectie 4, die bestaat uit artikel 79 en 80, en sectie 5, die bestaat uit artikel 81 en 82, opgeheven.
Art. 54. Dans la partie 3, chapitre 2, section 5, sous-section 1Ăšre du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ©e par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 octobre 2015, la section 4, constituĂ©e des articles 79 et 80, et la section 5, constituĂ©e des articles 81 et 82, sont abrogĂ©es.
Art. 55. In artikel 83, § 1, van hetzelfde besluit worden het tweede en het derde lid vervangen door wat volgt:
  "De kamer beslist over de noodzaak en relevantie om een getuige te horen.
  De kamer kan ook ambtshalve getuigen oproepen.".
  "De kamer beslist over de noodzaak en relevantie om een getuige te horen.
  De kamer kan ook ambtshalve getuigen oproepen.".
Art. 55. Dans l'article 83, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les alinĂ©as deux et trois sont remplacĂ©s par ce qui suit :
  " La chambre décide de la nécessité et de la pertinence d'entendre un témoin.
  La chambre peut également convoquer des témoins d'office. ".
  " La chambre décide de la nécessité et de la pertinence d'entendre un témoin.
  La chambre peut également convoquer des témoins d'office. ".
Art. 56. Artikel 85 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 85. § 1. De kamervoorzitter bepaalt bij beschikking:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot vernietiging wordt behandeld;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;
  3° de namen van de partijen die persoonlijk moeten verschijnen om toelichting te geven en de feiten waarover ze zullen worden gehoord, als de kamer heeft beslist een partij te horen;
  4° de namen van de getuigen en de feiten waarover ze zullen worden gehoord, als de kamer heeft beslist een getuige te horen.
  § 2. Uiterlijk vijftien dagen voor de dag van de zitting brengt de griffier de partijen, en in voorkomend geval de getuigen, schriftelijk op de hoogte van de inhoud van de beschikking, vermeld in paragraaf 1, en deelt de griffier hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 en op het ogenblik dat de zaak in staat is, kan de kamer de zaak in beraad nemen als de partijen met toepassing van artikel 16, zesde lid, van het decreet, in onderling overleg afzien van de behandeling van het beroep ter zitting.
  De partijen bezorgen daartoe gezamenlijk een afzonderlijk verzoek aan de kamervoorzitter.".
  "Art. 85. § 1. De kamervoorzitter bepaalt bij beschikking:
  1° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de vordering tot vernietiging wordt behandeld;
  2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;
  3° de namen van de partijen die persoonlijk moeten verschijnen om toelichting te geven en de feiten waarover ze zullen worden gehoord, als de kamer heeft beslist een partij te horen;
  4° de namen van de getuigen en de feiten waarover ze zullen worden gehoord, als de kamer heeft beslist een getuige te horen.
  § 2. Uiterlijk vijftien dagen voor de dag van de zitting brengt de griffier de partijen, en in voorkomend geval de getuigen, schriftelijk op de hoogte van de inhoud van de beschikking, vermeld in paragraaf 1, en deelt de griffier hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee.
  § 3. In afwijking van paragraaf 1 en op het ogenblik dat de zaak in staat is, kan de kamer de zaak in beraad nemen als de partijen met toepassing van artikel 16, zesde lid, van het decreet, in onderling overleg afzien van de behandeling van het beroep ter zitting.
  De partijen bezorgen daartoe gezamenlijk een afzonderlijk verzoek aan de kamervoorzitter.".
Art. 56. L'article 85 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 85. § 1er. Le président de la chambre fixe par disposition :
  1° le lieu, le jour et le moment de la séance pendant laquelle la demande d'annulation est traitée ;
  2° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ;
  3° les noms des parties qui doivent comparaßtre en personne pour donner des explications et les faits au sujet desquels elles seront entendues, lorsque la chambre a décidé d'entendre une partie ;
  4° les noms des témoins et les faits au sujet desquels ils seront entendus, lorsque la chambre a décidé d'entendre un témoin.
  § 2. Au plus tard quinze jours avant le jour de la séance, le greffier informe les parties, et le cas échéant les témoins, du contenu de la disposition, visée au paragraphe 1er, par écrit et leur communique la composition de la chambre compétente.
  § 3. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, et au moment oĂč l'affaire est en Ă©tat, la chambre peut prendre l'affaire en considĂ©ration si les parties, en application de l'article 16, alinĂ©a 6, du dĂ©cret, renoncent de commun accord au traitement du recours en sĂ©ance.
  Les parties transmettent à cet effet conjointement une demande distincte au président de la chambre. ".
  " Art. 85. § 1er. Le président de la chambre fixe par disposition :
  1° le lieu, le jour et le moment de la séance pendant laquelle la demande d'annulation est traitée ;
  2° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ;
  3° les noms des parties qui doivent comparaßtre en personne pour donner des explications et les faits au sujet desquels elles seront entendues, lorsque la chambre a décidé d'entendre une partie ;
  4° les noms des témoins et les faits au sujet desquels ils seront entendus, lorsque la chambre a décidé d'entendre un témoin.
  § 2. Au plus tard quinze jours avant le jour de la séance, le greffier informe les parties, et le cas échéant les témoins, du contenu de la disposition, visée au paragraphe 1er, par écrit et leur communique la composition de la chambre compétente.
  § 3. Par dĂ©rogation au paragraphe 1er, et au moment oĂč l'affaire est en Ă©tat, la chambre peut prendre l'affaire en considĂ©ration si les parties, en application de l'article 16, alinĂ©a 6, du dĂ©cret, renoncent de commun accord au traitement du recours en sĂ©ance.
  Les parties transmettent à cet effet conjointement une demande distincte au président de la chambre. ".
Art. 57. In artikel 87 van hetzelfde besluit worden de woorden "de dag na dag van" vervangen door de woorden "de dag na".
Art. 57. Dans l'article 87 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " le jour aprĂšs le jour de " sont remplacĂ©s par les mots " le jour aprĂšs ".
Art. 58. In artikel 88, 1°, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede ", de woonplaats of de zetel" opgeheven.
Art. 58. Dans l'article 88, 1° du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le membre de phrase " , le domicile ou le siĂšge " est abrogĂ©.
Art. 59. Artikel 91 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 91. De griffier betekent een afschrift van het arrest aan de partijen en aan het college van burgemeester en schepenen op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft.".
  "Art. 91. De griffier betekent een afschrift van het arrest aan de partijen en aan het college van burgemeester en schepenen op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft.".
Art. 59. L'article 91 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 91. Le greffier notifie une copie de l'arrĂȘt aux parties et au collĂšge des bourgmestre et Ă©chevins de la commune au ressort desquels la demande de permis s'applique. ".
  " Art. 91. Le greffier notifie une copie de l'arrĂȘt aux parties et au collĂšge des bourgmestre et Ă©chevins de la commune au ressort desquels la demande de permis s'applique. ".
Art. 60. In artikel 94, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, worden de woorden "de dag na dag van" vervangen door de woorden "de dag na".
Art. 60. Dans l'article 94, § 2, alinĂ©a premier du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 octobre 2015, les mots " le jour aprĂšs le jour de " sont remplacĂ©s par les mots " le jour aprĂšs ".
Art. 61. In artikel 95 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "met een gemotiveerd verzoek" vervangen door de woorden "met een afzonderlijk gemotiveerd verzoek";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de partijen, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;";
  3° in paragraaf 3 worden de woorden "de dag na dag van" vervangen door de woorden "de dag na".
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "met een gemotiveerd verzoek" vervangen door de woorden "met een afzonderlijk gemotiveerd verzoek";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de partijen, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;";
  3° in paragraaf 3 worden de woorden "de dag na dag van" vervangen door de woorden "de dag na".
Art. 61. A l'article 95 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au paragraphe 1er, les mots " par une requĂȘte motivĂ©e " sont remplacĂ©s par les mots " par une requĂȘte motivĂ©e distincte " ;
  2° au paragraphe 2, alinéa premier, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° le nom, la qualité, le domicile ou le siÚge de la partie, le domicile choisi en Belgique, et le cas échéant un numéro de téléphone et une adresse e-mail ; " ;
  3° au paragraphe 3 les mots " le jour aprÚs le jour de " sont remplacés par les mots " le jour aprÚs " .
  1° au paragraphe 1er, les mots " par une requĂȘte motivĂ©e " sont remplacĂ©s par les mots " par une requĂȘte motivĂ©e distincte " ;
  2° au paragraphe 2, alinéa premier, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° le nom, la qualité, le domicile ou le siÚge de la partie, le domicile choisi en Belgique, et le cas échéant un numéro de téléphone et une adresse e-mail ; " ;
  3° au paragraphe 3 les mots " le jour aprÚs le jour de " sont remplacés par les mots " le jour aprÚs " .
Art. 62. In artikel 97, tweede lid, 4°, artikel 98, eerste lid, en artikel 100, § 3, derde lid, 2°, van hetzelfde besluit worden de woorden "de dag na dag van" vervangen door de woorden "de dag na".
Art. 62. A l'article 97, alinĂ©a deux, 4°, Ă l'article 98, alinĂ©a premier et Ă l'article 100, § 3, alinĂ©a trois, 2° du mĂȘme arrĂȘtĂ© les mots " le jour aprĂšs le jour de " sont remplacĂ©s par les mots " le jour aprĂšs ".
Art. 63. Artikel 101 en 102 van hetzelfde besluit worden vervangen door wat volgt:
  "Art. 101. Zolang geen verzoek tot hervatting van het geding is ingediend conform artikel 102, blijft het overlijden van een partij, haar verandering van staat of de wijziging van de hoedanigheid waarin ze is opgetreden, zonder gevolg voor de behandeling van de zaak.
  Art. 102. § 1. De rechtsopvolger van een partij kan, vóór de sluiting van de debatten, het geding hervatten bij een verzoekschrift dat ondertekend is door de rechtsopvolger of zijn raadsman.
  Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat:
  1° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoeker, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;
  2° de redenen waarom het geding wordt hervat;
  3° de vermelding van het rolnummer waaronder de zaak is ingeschreven, als hij dat kent;
  4° een inventaris van de overtuigingsstukken, die overeenkomstig die inventaris genummerd zijn.
  De verzoeker tot hervatting voegt bij het verzoekschrift:
  1° als hij een rechtspersoon is en geen raadsman heeft die advocaat is, een afschrift van zijn geldende en gecoördineerde statuten en van de akte van aanstelling van zijn organen, alsook het bewijs dat het daarvoor bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden;
  2° de schriftelijke volmacht van zijn raadsman als die geen advocaat is;
  3° de overtuigingsstukken die in de inventaris zijn vermeld en waaruit de hoedanigheid van de rechtsopvolger blijkt.
  De griffier bezorgt een afschrift van het verzoekschrift aan de partijen.
  § 2. De vroeger neergelegde processtukken worden geacht te blijven gelden.".
  "Art. 101. Zolang geen verzoek tot hervatting van het geding is ingediend conform artikel 102, blijft het overlijden van een partij, haar verandering van staat of de wijziging van de hoedanigheid waarin ze is opgetreden, zonder gevolg voor de behandeling van de zaak.
  Art. 102. § 1. De rechtsopvolger van een partij kan, vóór de sluiting van de debatten, het geding hervatten bij een verzoekschrift dat ondertekend is door de rechtsopvolger of zijn raadsman.
  Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat:
  1° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de verzoeker, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;
  2° de redenen waarom het geding wordt hervat;
  3° de vermelding van het rolnummer waaronder de zaak is ingeschreven, als hij dat kent;
  4° een inventaris van de overtuigingsstukken, die overeenkomstig die inventaris genummerd zijn.
  De verzoeker tot hervatting voegt bij het verzoekschrift:
  1° als hij een rechtspersoon is en geen raadsman heeft die advocaat is, een afschrift van zijn geldende en gecoördineerde statuten en van de akte van aanstelling van zijn organen, alsook het bewijs dat het daarvoor bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden;
  2° de schriftelijke volmacht van zijn raadsman als die geen advocaat is;
  3° de overtuigingsstukken die in de inventaris zijn vermeld en waaruit de hoedanigheid van de rechtsopvolger blijkt.
  De griffier bezorgt een afschrift van het verzoekschrift aan de partijen.
  § 2. De vroeger neergelegde processtukken worden geacht te blijven gelden.".
Art. 63. Les articles 101 et 102 du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont remplacĂ©s par ce qui suit :
  " Art. 101. Tant qu'aucune demande de reprise d'instance n'a été introduite conformément à l'article 102, le décÚs d'une partie, le changement de son état ou la modification de la qualité dans laquelle elle a agi restent sans suite pour le traitement de l'affaire.
  Art. 102. § 1er. L'ayant cause d'une partie peut, avant la clĂŽture des dĂ©bats, reprendre l'instance par une requĂȘte signĂ©e par l'ayant cause ou par son conseil.
  La requĂȘte est datĂ©e et comprend :
  1° le nom, la qualité, le domicile ou le siÚge du requérant, le domicile choisi en Belgique, et le cas échéant un numéro de téléphone et une adresse e-mail ;
  2° les raisons de la reprise d'instance ;
  3° la mention du numéro de rÎle sous lequel l'affaire a été enregistré, s'il le connaßt ;
  4° un inventaire des piÚces à conviction, qui sont numérotées conformément à cet inventaire.
  Le requĂ©rant en reprise joint Ă la requĂȘte :
  1° lorsqu'il est une personne morale et n'a pas de conseil qui est avocat, une copie de ses statuts en vigueur et coordonnés et de l'acte de désignation de ses organes, ainsi que la preuve que l'organe compétent en la matiÚre a décidé de soumettre l'affaire à la justice ;
  2° le mandat écrit de son conseil lorsque celui-ci n'est pas avocat ;
  3° les piÚces à conviction mentionnées dans l'inventaire démontrant la qualité de l'ayant cause.
  Le greffier transmet une copie de la requĂȘte aux parties.
  § 2. Les piÚces de procÚs antérieurement introduits sont censés conserver leur validité. ".
  " Art. 101. Tant qu'aucune demande de reprise d'instance n'a été introduite conformément à l'article 102, le décÚs d'une partie, le changement de son état ou la modification de la qualité dans laquelle elle a agi restent sans suite pour le traitement de l'affaire.
  Art. 102. § 1er. L'ayant cause d'une partie peut, avant la clĂŽture des dĂ©bats, reprendre l'instance par une requĂȘte signĂ©e par l'ayant cause ou par son conseil.
  La requĂȘte est datĂ©e et comprend :
  1° le nom, la qualité, le domicile ou le siÚge du requérant, le domicile choisi en Belgique, et le cas échéant un numéro de téléphone et une adresse e-mail ;
  2° les raisons de la reprise d'instance ;
  3° la mention du numéro de rÎle sous lequel l'affaire a été enregistré, s'il le connaßt ;
  4° un inventaire des piÚces à conviction, qui sont numérotées conformément à cet inventaire.
  Le requĂ©rant en reprise joint Ă la requĂȘte :
  1° lorsqu'il est une personne morale et n'a pas de conseil qui est avocat, une copie de ses statuts en vigueur et coordonnés et de l'acte de désignation de ses organes, ainsi que la preuve que l'organe compétent en la matiÚre a décidé de soumettre l'affaire à la justice ;
  2° le mandat écrit de son conseil lorsque celui-ci n'est pas avocat ;
  3° les piÚces à conviction mentionnées dans l'inventaire démontrant la qualité de l'ayant cause.
  Le greffier transmet une copie de la requĂȘte aux parties.
  § 2. Les piÚces de procÚs antérieurement introduits sont censés conserver leur validité. ".
Art. 64. In artikel 104 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2, tweede lid, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de partijen, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, 5°, worden de woorden "en die overeenkomstig die inventaris genummerd zijn" opgeheven;
  3° in paragraaf 4 worden de woorden "van de gemeente waarin het betrokken onroerend goed gelegen is" vervangen door de woorden "op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft".
  1° in paragraaf 2, tweede lid, wordt punt 1° vervangen door wat volgt:
  "1° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de partijen, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een telefoonnummer en een e-mailadres;";
  2° in paragraaf 2, tweede lid, 5°, worden de woorden "en die overeenkomstig die inventaris genummerd zijn" opgeheven;
  3° in paragraaf 4 worden de woorden "van de gemeente waarin het betrokken onroerend goed gelegen is" vervangen door de woorden "op het ambtsgebied waarvan de vergunningsaanvraag betrekking heeft".
Art. 64. A l'article 104 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au paragraphe 2, alinéa deux, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° le nom, la qualité, le domicile ou le siÚge des parties, le domicile choisi en Belgique, et le cas échéant, un numéro de téléphone et une adresse e-mail ; " ;
  2° au paragraphe 2, alinéa deux, 5°, les mots " et qui sont numérotées conformément à cet inventaire " sont abrogés ;
  3° au paragraphe 4, les mots "de la commune dans laquelle se situe le bien immobilier concerné" sont remplacés par les mots "au ressort desquels la demande de permis s'applique".
  1° au paragraphe 2, alinéa deux, le point 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° le nom, la qualité, le domicile ou le siÚge des parties, le domicile choisi en Belgique, et le cas échéant, un numéro de téléphone et une adresse e-mail ; " ;
  2° au paragraphe 2, alinéa deux, 5°, les mots " et qui sont numérotées conformément à cet inventaire " sont abrogés ;
  3° au paragraphe 4, les mots "de la commune dans laquelle se situe le bien immobilier concerné" sont remplacés par les mots "au ressort desquels la demande de permis s'applique".
Art. 65. In artikel 105 van hetzelfde besluit worden de woorden "van de gemeente waarin het betrokken onroerend goed gelegen is" vervangen door de woorden "van het ambtsgebied waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft".
Art. 65. A l'article 105 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " de la commune dans laquelle se situe le bien immobilier concernĂ© " sont remplacĂ©s par les mots " au ressort desquels la demande de permis s'applique ".
Art. 66. In artikel 106 van hetzelfde besluit wordt het woord "overeenkomstig" opgeheven.
Art. 66. Dans la version nĂ©erlandaise de l'article 106 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le mot " overeenkomstig " est supprimĂ©.
Art. 67. In artikel 107, derde lid, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "artikel 19, eerste lid, 1°, " vervangen door de zinsnede "artikel 19, 1°, ".
Art. 67. A l'article 107, alinĂ©a trois, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, le membre de phrase " Ă l'article 19, alinĂ©a premier, 1° " est remplacĂ© par le membre de phrase " Ă l'article 19, 1°, ".
Art. 68. In artikel 108, eerste en tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "de dag na dag van" vervangen door de woorden "de dag na".
Art. 68. A l'article 108, alinĂ©as premier et deux du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " le jour aprĂšs le jour de " sont remplacĂ©s par les mots " le jour aprĂšs ".
Art. 69. In artikel 109 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 oktober 2015, worden het eerste en het tweede lid vervangen door wat volgt:
  "De partij die wil dat een getuige wordt gehoord, dient een afzonderlijk, gemotiveerd verzoek in binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van het verzoekschrift door de griffier. De kamer beslist over de noodzaak en relevantie van het horen van een getuige.
  De kamer kan ook ambtshalve getuigen oproepen.".
  "De partij die wil dat een getuige wordt gehoord, dient een afzonderlijk, gemotiveerd verzoek in binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van het verzoekschrift door de griffier. De kamer beslist over de noodzaak en relevantie van het horen van een getuige.
  De kamer kan ook ambtshalve getuigen oproepen.".
Art. 69. A l'article 109 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 2 octobre 2015, les alinĂ©as premier et deux sont remplacĂ©s par ce qui suit :
  " La partie qui souhaite qu'un tĂ©moin soit entendu, introduit une requĂȘte sĂ©parĂ©e, qui est motivĂ©e, dans un dĂ©lai d'Ă©chĂ©ance de quinze jours qui prend cours le jour aprĂšs la notification de la requĂȘte par le greffier. La chambre dĂ©cide de la nĂ©cessitĂ© et de la pertinence d'entendre un tĂ©moin.
  La chambre peut également convoquer des témoins d'office. ".
  " La partie qui souhaite qu'un tĂ©moin soit entendu, introduit une requĂȘte sĂ©parĂ©e, qui est motivĂ©e, dans un dĂ©lai d'Ă©chĂ©ance de quinze jours qui prend cours le jour aprĂšs la notification de la requĂȘte par le greffier. La chambre dĂ©cide de la nĂ©cessitĂ© et de la pertinence d'entendre un tĂ©moin.
  La chambre peut également convoquer des témoins d'office. ".
Art. 70. In artikel 111 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Uiterlijk zeven dagen voor de dag van de zitting brengt de griffier de partijen, de betrokkenen en de getuigen schriftelijk op de hoogte van de inhoud van de beschikking, vermeld in paragraaf 1, en deelt de griffier hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee.".
  1° in paragraaf 1 wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken;";
  2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. Uiterlijk zeven dagen voor de dag van de zitting brengt de griffier de partijen, de betrokkenen en de getuigen schriftelijk op de hoogte van de inhoud van de beschikking, vermeld in paragraaf 1, en deelt de griffier hen de samenstelling van de bevoegde kamer mee.".
Art. 70. A l'article 111 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au paragraphe 1er, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ; " ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Au plus tard sept jours avant le jour de la séance, le greffier informe les parties, les intéressés et les témoins du contenu de la disposition, visée au paragraphe 1er, par écrit et leur communique la composition de la chambre compétente.".
  1° au paragraphe 1er, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° le dĂ©lai dans lequel le dossier administratif et les piĂšces Ă conviction peuvent ĂȘtre consultĂ©s au greffe ; " ;
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Au plus tard sept jours avant le jour de la séance, le greffier informe les parties, les intéressés et les témoins du contenu de la disposition, visée au paragraphe 1er, par écrit et leur communique la composition de la chambre compétente.".
Art. 71. Op de vorderingen die werden ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges van toepassing, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
  Op eventuele aanvullende vorderingen waarvan de hoofdvordering werd ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges van toepassing, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
  Op eventuele aanvullende vorderingen waarvan de hoofdvordering werd ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges van toepassing, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 71. L'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant la procĂ©dure devant certaines juridictions administratives flamandes s'applique aux actions introduites avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, tel qu'il s'appliquait avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Aux Ă©ventuelles actions complĂ©mentaires dont l'action principale a Ă©tĂ© introduite avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant la procĂ©dure devant certaines juridictions administratives flamandes s'applique, tel qu'il s'appliquait avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Aux Ă©ventuelles actions complĂ©mentaires dont l'action principale a Ă©tĂ© introduite avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 portant la procĂ©dure devant certaines juridictions administratives flamandes s'applique, tel qu'il s'appliquait avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 72. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art. 72. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 73. De minister-president, bevoegd voor het algemeen regeringsbeleid, de Vlaamse minister, bevoegd voor de binnenlandse aangelegenheden, de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 73. Le Ministre-prĂ©sident, ayant la politique gĂ©nĂ©rale du gouvernement dans ses attributions, le Ministre flamand ayant les affaires intĂ©rieures dans ses attributions, le Ministre flamand ayant amĂ©nagement du territoire dans ses attributions, et le Ministre flamand ayant l'environnement dans ses attributions, sont chargĂ©s, chacun en ce qui le ou la concerne, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.