Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° Adviescommissie Sociale Economie: de Adviescommissie Sociale Economie, vermeld in artikel 35 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
  2° beschutte werkplaats: de beschutte werkplaats, erkend conform artikel 79 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van het decreet van 12 juli 2013;
  3° DAEB-besluit van 20 december 2011: het besluit (EG) nr. 2012/2l/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen;
  4° decreet van 12 juli 2013: het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
  5° departement: het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie;
  6° [2 6° kwaliteitsmanagementsysteem: het kwaliteitsmodel, zoals bedoeld in artikel 5 van het decreet van 29 maart 2019 betreffende het kwaliteits- en registratiemodel van dienstverleners in het beleidsdomein Werk en Sociale Economie;]2
  7° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie;
  8° sociale werkplaats: de sociale werkplaats, erkend overeenkomstig het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van het decreet van 12 juli 2013;
  9° [1 algemene groepsvrijstellingsverordening: de verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.]1
 Â
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
17 FEBRUARI 2017. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-04-2017 en tekstbijwerking tot 29-01-2026)
Titre
17 FEVRIER 2017. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective(NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă partir du 18-04-2017 et mise Ă jour au 29-01-2026)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK 1. - Definities
HOOFDSTUK 1/1. [1 - Europees steunkader]1
HOOFDSTUK 2. - Subsidievoorwaarden
Afdeling 1. - Maatwerkbedrijven
Afdeling 2. - Maatwerkafdelingen
HOOFDSTUK 3. - Indicering van de doelgroepwerkn...
HOOFDSTUK 4. - Evaluatie van de behoefte aan we...
HOOFDSTUK 5. - Aanvraag van ondersteuning
Afdeling 1. - Aanmelding
Afdeling 2. - Aanvraag tot toekenning van een c...
HOOFDSTUK 6. - Werkondersteunende maatregelen
Afdeling 1. - Loonpremie
Afdeling 2. - Begeleiding op de werkvloer
Afdeling 3. - Werkondersteunende maatregelen bi...
Afdeling 4. - Uitsluitingsgronden
HOOFDSTUK 7. - Organisatieondersteunende maatre...
HOOFDSTUK 8. - Gemeenschappelijke subsidiebepal...
HOOFDSTUK 9. - Doorstroom
Afdeling 1. - Beoordeling van de kansen op door...
Afdeling 2. - Interne doorstroom
Afdeling 3. - Externe doorstroom
Onderafdeling 1. - Doorstroombegeleiding
Onderafdeling 2. - Mandaat tot doorstroombegele...
Onderafdeling 3. - Vergoeding van de doorstroom...
HOOFDSTUK 9/1. [1 - Beroep]1
HOOFDSTUK 10. - Enclavewerking
HOOFDSTUK 11. - Adviescommissie Sociale Economie
HOOFDSTUK 12. - Toezicht, handhaving en sancties
HOOFDSTUK 13. - Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK 14. - Slotbepalingen
Inhoud
CHAPITRE 1er. - Définitions
CHAPITRE 1/1. [1 - Cadre d'aide européen]1
CHAPITRE 2. - Conditions de subvention
Section 1re. - Entreprises de travail adapté
Section 2. - Départements de travail adapté
CHAPITRE 3. - Indication des travailleurs de gr...
CHAPITRE 4. - Evaluation du besoin de mesures d...
CHAPITRE 5. - Demande d'aide
Section 1. - Présentation
Section 2. - Demande d'octroi d'un contingent d...
CHAPITRE 6. - Mesures d'aide Ă l'emploi
Section 1re. - Prime salariale
Section 2. - Accompagnement sur le lieu de travail
Section 3. - Mesures d'aide Ă l'emploi en cas d...
Section 4. - Conditions d'exclusion
CHAPITRE 7. - Mesures d'aide organisationnelle
CHAPITRE 8. - Dispositions communes relatives a...
CHAPITRE 9. - Transition
Section 1re. - Evaluation des chances de transi...
Section 2. - Transition interne
Section 3. - Transition externe
Sous-section 1re. - Accompagnement de transition
Sous-section 2. - Mandat d'accompagnement de tr...
Sous-section 3. - Indemnité de l'accompagnement...
CHAPITRE 9/1. [1 - Recours]1
CHAPITRE 10. - Travail en enclave
CHAPITRE 11. - Commission consultative pour l'E...
CHAPITRE 12. - ContrĂŽle, maintien et sanctions
CHAPITRE 13. - Dispositions modificatives
CHAPITRE 14. - Dispositions finales
Tekst (155)
Texte (155)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Article 1er. Dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
  1° Commission consultative pour l'Economie Sociale : la Commission consultative pour l'Economie Sociale, visée à l'article 35 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
  2° atelier protégé : l'atelier protégé, agréé conformément à l'article 79 du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006, tel qu'applicable avant l'entrée en vigueur du décret du 12 juillet 2013 ;
  3° dĂ©cision SIEG du 20 dĂ©cembre 2011: la DĂ©cision (CE) 2012/21/UE de la Commission du 20 dĂ©cembre 2011 relative Ă l'application de l'article 106, paragraphe 2, du TraitĂ© sur le fonctionnement de l'Union europĂ©enne aux aides d'Etat sous forme de compensations de service public octroyĂ©es Ă certaines entreprises chargĂ©es de la gestion de services d'intĂ©rĂȘt Ă©conomique gĂ©nĂ©ral ;
  4° décret du 12 juillet 2013 : le décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans la cadre de l'intégration collective ;
  5° département : le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale du MinistÚre flamand de l'Emploi et de l'Economie sociale ;
  6° [2 systÚme de gestion de la qualité : le modÚle de qualité tel que visé à l'article 5 du décret du 29 mars 2019 relatif au modÚle de qualité et d'enregistrement des prestataires de services dans le domaine politique de l'Emploi et de l'Economie sociale ;]2
  7° ministre : le Ministre flamand ayant l'économie sociale dans ses attributions ;
  8° atelier social : l'atelier social, agréé conformément au décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux, tel que d'application avant l'entrée en vigueur du décret du 12 juillet 2013 ;
  9° [1 rÚglement général d'exemption par catégorie : le rÚglement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aide compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du Traité.]1
 Â
  1° Commission consultative pour l'Economie Sociale : la Commission consultative pour l'Economie Sociale, visée à l'article 35 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
  2° atelier protégé : l'atelier protégé, agréé conformément à l'article 79 du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006, tel qu'applicable avant l'entrée en vigueur du décret du 12 juillet 2013 ;
  3° dĂ©cision SIEG du 20 dĂ©cembre 2011: la DĂ©cision (CE) 2012/21/UE de la Commission du 20 dĂ©cembre 2011 relative Ă l'application de l'article 106, paragraphe 2, du TraitĂ© sur le fonctionnement de l'Union europĂ©enne aux aides d'Etat sous forme de compensations de service public octroyĂ©es Ă certaines entreprises chargĂ©es de la gestion de services d'intĂ©rĂȘt Ă©conomique gĂ©nĂ©ral ;
  4° décret du 12 juillet 2013 : le décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans la cadre de l'intégration collective ;
  5° département : le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale du MinistÚre flamand de l'Emploi et de l'Economie sociale ;
  6° [2 systÚme de gestion de la qualité : le modÚle de qualité tel que visé à l'article 5 du décret du 29 mars 2019 relatif au modÚle de qualité et d'enregistrement des prestataires de services dans le domaine politique de l'Emploi et de l'Economie sociale ;]2
  7° ministre : le Ministre flamand ayant l'économie sociale dans ses attributions ;
  8° atelier social : l'atelier social, agréé conformément au décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux, tel que d'application avant l'entrée en vigueur du décret du 12 juillet 2013 ;
  9° [1 rÚglement général d'exemption par catégorie : le rÚglement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aide compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du Traité.]1
 Â
HOOFDSTUK 1/1. [1 - Europees steunkader]1
CHAPITRE 1/1. [1 - Cadre d'aide européen]1
Art. 1/1. [1 Behoudens wat betreft de vergoeding voor de doorstroombegeleiding aan de gemandateerde dienstververlener, bepaald in artikel 77, wordt alle steun die toegekend wordt met toepassing van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, verleend binnen de grenzen en de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk I, II en III, deel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.]1
 Â
 Â
Art. 1/1. [1 Sauf en ce qui concerne l'indemnitĂ© pour l'accompagnement de transition au prestataire de services mandatĂ©, prĂ©vue Ă l'article 77, toute aide octroyĂ©e en application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution est accordĂ©e dans les limites et conditions visĂ©es au chapitre Ier, II et III, partie 6, du rĂšglement gĂ©nĂ©ral d'exemption par catĂ©gorie.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 1/2. [1 De onderneming die een steunaanvraag indient, mag op de datum van de toekenning van de steun geen onderneming in moeilijkheden zijn als vermeld in artikel 2, 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
  De onderneming mag ook geen procedure op basis van Europees of nationaal recht hebben lopen, waarbij toegekende steun wordt teruggevorderd als vermeld in artikel 1, lid 4, van de voormelde verordening.
  Er kan geen steun worden toegekend met toepassing van dit besluit of voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer naar derde landen of voor werkzaamheden die afhangen van het gebruik van binnenlandse goederen, vermeld in artikel 1, lid 2, van de voormelde verordening.
  Er kan geen steun worden toegekend met toepassing van dit besluit voor activiteiten van ondernemingen in de sectoren, vermeld in artikel 1, lid 3, van de voormelde verordening.
  De steun kan niet worden toegekend als hij leidt tot een schending van het Unierecht als vermeld in artikel 1, lid 5, van de voormelde verordening.
  Als een onderneming een individuele steuntoekenning krijgt van meer dan 500.000 euro, worden de gegevens, vermeld in bijlage III van de voormelde verordening, gepubliceerd op de transparantiewebsite die de Europese Commissie ontwikkeld heeft.]1
 Â
  De onderneming mag ook geen procedure op basis van Europees of nationaal recht hebben lopen, waarbij toegekende steun wordt teruggevorderd als vermeld in artikel 1, lid 4, van de voormelde verordening.
  Er kan geen steun worden toegekend met toepassing van dit besluit of voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer naar derde landen of voor werkzaamheden die afhangen van het gebruik van binnenlandse goederen, vermeld in artikel 1, lid 2, van de voormelde verordening.
  Er kan geen steun worden toegekend met toepassing van dit besluit voor activiteiten van ondernemingen in de sectoren, vermeld in artikel 1, lid 3, van de voormelde verordening.
  De steun kan niet worden toegekend als hij leidt tot een schending van het Unierecht als vermeld in artikel 1, lid 5, van de voormelde verordening.
  Als een onderneming een individuele steuntoekenning krijgt van meer dan 500.000 euro, worden de gegevens, vermeld in bijlage III van de voormelde verordening, gepubliceerd op de transparantiewebsite die de Europese Commissie ontwikkeld heeft.]1
 Â
Art. 1/2. [1 L'entreprise qui introduit une demande d'aide ne peut ĂȘtre une entreprise en difficultĂ©s Ă la date de l'octroi de l'aide, telle que visĂ©e Ă l'article 2, 18, du rĂšglement gĂ©nĂ©ral d'exemption par catĂ©gorie.
  L'entreprise ne peut pas non plus avoir entamé de procédure en vertu du droit européen ou national, par laquelle l'aide octroyée est récupérée, tel que visé à l'article 1er, alinéa 4, du rÚglement précité.
  Aucune aide ne peut ĂȘtre octroyĂ©e en application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou pour des travaux liĂ©s Ă l'exportation vers des pays tiers ou pour des travaux subordonnĂ©s Ă l'utilisation de marchandises nationales, visĂ©es Ă l'article 1er, alinĂ©a 2, du rĂšglement prĂ©citĂ©.
  Aucune aide ne peut ĂȘtre octroyĂ©e en application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© en faveur d'activitĂ©s d'entreprises dans les secteurs visĂ©s Ă l'article 1er, alinĂ©a 3, du rĂšglement prĂ©citĂ©.
  L'aide ne peut ĂȘtre octroyĂ©e si elle entraĂźne une violation du droit de l'Union, tel que visĂ© Ă l'article 1er, alinĂ©a 5, du rĂšglement prĂ©citĂ©.
  Si une entreprise obtient l'octroi d'une aide individuelle supérieure à 500.000 euros, les données visées en annexe III au rÚglement précité sont publiées sur le site web de transparence, développé par la Commission européenne.]1
 Â
  L'entreprise ne peut pas non plus avoir entamé de procédure en vertu du droit européen ou national, par laquelle l'aide octroyée est récupérée, tel que visé à l'article 1er, alinéa 4, du rÚglement précité.
  Aucune aide ne peut ĂȘtre octroyĂ©e en application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ou pour des travaux liĂ©s Ă l'exportation vers des pays tiers ou pour des travaux subordonnĂ©s Ă l'utilisation de marchandises nationales, visĂ©es Ă l'article 1er, alinĂ©a 2, du rĂšglement prĂ©citĂ©.
  Aucune aide ne peut ĂȘtre octroyĂ©e en application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© en faveur d'activitĂ©s d'entreprises dans les secteurs visĂ©s Ă l'article 1er, alinĂ©a 3, du rĂšglement prĂ©citĂ©.
  L'aide ne peut ĂȘtre octroyĂ©e si elle entraĂźne une violation du droit de l'Union, tel que visĂ© Ă l'article 1er, alinĂ©a 5, du rĂšglement prĂ©citĂ©.
  Si une entreprise obtient l'octroi d'une aide individuelle supérieure à 500.000 euros, les données visées en annexe III au rÚglement précité sont publiées sur le site web de transparence, développé par la Commission européenne.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 1/3. [1 De toegekende steun heeft een stimulerend effect als vermeld in artikel 32, lid 3, en artikel 33, lid 3, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
  Dit betekent dat de aanwerving een nettotoename vertegenwoordigt van het aantal werknemers in de onderneming in kwestie.
  Als de aanwerving, in vergelijking met het gemiddelde van de voorbije twaalf maanden, geen nettotoename vertegenwoordigt van het aantal werknemers in de onderneming in kwestie, zijn de vacatures ontstaan ten gevolge van ontslag op initiatief van de werknemer, van een handicap, van ouderdomspensionering, van vermindering van de werktijd op initiatief van de werknemer of van gewettigd ontslag om dringende redenen, en niet door afvloeiingen.]1
 Â
  Dit betekent dat de aanwerving een nettotoename vertegenwoordigt van het aantal werknemers in de onderneming in kwestie.
  Als de aanwerving, in vergelijking met het gemiddelde van de voorbije twaalf maanden, geen nettotoename vertegenwoordigt van het aantal werknemers in de onderneming in kwestie, zijn de vacatures ontstaan ten gevolge van ontslag op initiatief van de werknemer, van een handicap, van ouderdomspensionering, van vermindering van de werktijd op initiatief van de werknemer of van gewettigd ontslag om dringende redenen, en niet door afvloeiingen.]1
 Â
Art. 1/3. [1 L'aide octroyée a un effet d'incitation tel que visé à l'article 32, alinéa 3, et à l'article 33, alinéa 3, du rÚglement général d'exemption par catégorie.
  Cela signifie que le recrutement représente une augmentation nette du nombre de travailleurs dans l'entreprise concernée.
  Si le recrutement, par rapport à la moyenne des douze derniers mois, ne représente pas une augmentation nette du nombre de travailleurs dans l'entreprise en question, les emplois vacants ont été créés à la suite du licenciement à l'initiative du travailleur, d'un handicap, d'une mise à la retraite, d'une réduction du temps de travail à l'initiative du travailleur ou d'un licenciement légitime pour motif grave, et non par licenciements.]1
 Â
  Cela signifie que le recrutement représente une augmentation nette du nombre de travailleurs dans l'entreprise concernée.
  Si le recrutement, par rapport à la moyenne des douze derniers mois, ne représente pas une augmentation nette du nombre de travailleurs dans l'entreprise en question, les emplois vacants ont été créés à la suite du licenciement à l'initiative du travailleur, d'un handicap, d'une mise à la retraite, d'une réduction du temps de travail à l'initiative du travailleur ou d'un licenciement légitime pour motif grave, et non par licenciements.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 1/4. [1 De steun is niet cumuleerbaar met de-minimissteun en steun vanuit het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) voor dezelfde kosten die in aanmerking komen, als die cumulatie ertoe zou leiden dat de steunintensiteit hoger uitkomt dan de steunintensiteiten, vermeld in artikel 1/6.]1
 Â
 Â
Art. 1/4. [1 L'aide n'est pas cumulable avec l'aide de minimis et l'aide du Fonds social europĂ©en (FSE) et du Fonds europĂ©en de dĂ©veloppement rĂ©gional (FEDER) pour les mĂȘmes coĂ»ts admissibles si ce cumul conduit Ă une intensitĂ© d'aide supĂ©rieure aux intensitĂ©s d'aide visĂ©es Ă l'article 1/6.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 1/5. [1 Als de individuele aanmeldingsdrempels, vermeld in artikel 4 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, overschreden worden, wordt de voorgenomen steun met het oog op goedkeuring voorafgaandelijk aangemeld bij de Europese Commissie, binnen de grenzen en de voorwaarden, vermeld in artikel 107 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en moet de Europese Commissie deze steun goedkeuren.]1
 Â
 Â
Art. 1/5. [1 Si les seuils de notification individuels visés à l'article 4 du rÚglement général d'exemption par catégorie sont dépassés, l'aide envisagée est notifiée préalablement à la Commission européenne aux fins de son approbation, dans les limites et conditions prévues à l'article 107 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne et la Commission européenne doit l'autoriser.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 1/6. [1 De steunintensiteit mag de volgende percentages niet overschrijden:
  1° loonsubsidies voor uiterst kwetsbare werknemers: ten hoogste 50% van de kosten die in aanmerking komen;
  2° loonsubsidies voor werknemers met een handicap: ten hoogste 75% van de kosten die in aanmerking komen;
  3° ter compensatie van de bijkomende kosten van de tewerkstelling van werknemers met een handicap: ten hoogste 100% van de kosten die in aanmerking komen;
  4° begeleiding van uiterst kwetsbare personen: ten hoogste 50% van de kosten die in aanmerking komen.
  Als de hoogste steunintensiteit of het hoogste steunbedrag, vermeld in artikelen 32, 33, 34 en 35 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, wordt overschreden, worden de vergoedingen die buiten dit besluit zijn verkregen, in mindering gebracht.]1
 Â
  1° loonsubsidies voor uiterst kwetsbare werknemers: ten hoogste 50% van de kosten die in aanmerking komen;
  2° loonsubsidies voor werknemers met een handicap: ten hoogste 75% van de kosten die in aanmerking komen;
  3° ter compensatie van de bijkomende kosten van de tewerkstelling van werknemers met een handicap: ten hoogste 100% van de kosten die in aanmerking komen;
  4° begeleiding van uiterst kwetsbare personen: ten hoogste 50% van de kosten die in aanmerking komen.
  Als de hoogste steunintensiteit of het hoogste steunbedrag, vermeld in artikelen 32, 33, 34 en 35 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, wordt overschreden, worden de vergoedingen die buiten dit besluit zijn verkregen, in mindering gebracht.]1
 Â
Art. 1/6. [1 L'intensité de l'aide ne peut dépasser les pourcentages suivants :
  1° subventions salariales en faveur des travailleurs extrĂȘmement vulnĂ©rables : jusqu'Ă 50 % des coĂ»ts admissibles ;
  2° subventions salariales en faveur des travailleurs handicapées : jusqu'à 75 % des coûts admissibles ;
  3° pour compenser les coûts supplémentaires liés à l'emploi de travailleurs handicapés : jusqu'à 100 % des coûts admissibles ;
  4° accompagnement de personnes extrĂȘmement vulnĂ©rables : jusqu'Ă 50 % des coĂ»ts admissibles.
  Si l'intensitĂ© d'aide la plus Ă©levĂ©e ou le montant d'aide le plus Ă©levĂ© visĂ© aux articles 32, 33, 34 et 35 du rĂšglement gĂ©nĂ©ral d'exemption par catĂ©gorie est dĂ©passĂ©, les indemnitĂ©s obtenues en dehors du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont dĂ©duites.]1
 Â
  1° subventions salariales en faveur des travailleurs extrĂȘmement vulnĂ©rables : jusqu'Ă 50 % des coĂ»ts admissibles ;
  2° subventions salariales en faveur des travailleurs handicapées : jusqu'à 75 % des coûts admissibles ;
  3° pour compenser les coûts supplémentaires liés à l'emploi de travailleurs handicapés : jusqu'à 100 % des coûts admissibles ;
  4° accompagnement de personnes extrĂȘmement vulnĂ©rables : jusqu'Ă 50 % des coĂ»ts admissibles.
  Si l'intensitĂ© d'aide la plus Ă©levĂ©e ou le montant d'aide le plus Ă©levĂ© visĂ© aux articles 32, 33, 34 et 35 du rĂšglement gĂ©nĂ©ral d'exemption par catĂ©gorie est dĂ©passĂ©, les indemnitĂ©s obtenues en dehors du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont dĂ©duites.]1
 Â
Wijzigingen
HOOFDSTUK 2. - Subsidievoorwaarden
CHAPITRE 2. - Conditions de subvention
Afdeling 1. - Maatwerkbedrijven
Section 1re. - Entreprises de travail adapté
Art. 2. § 1. Het maatwerkbedrijf stelt voor het aantal doelgroepwerknemers op jaarbasis gemiddeld minimaal twintig voltijdsequivalenten tewerk. Op jaarbasis behoort minimaal 65 % van het totale werknemersbestand van het maatwerkbedrijf tot de categorie van doelgroepwerknemers, vermeld in artikel 3, 2°, a) en b), van het decreet van 12 juli 2013.
  De minister bepaalt de methodiek die het departement hanteert zowel voor de becijfering van de op jaarbasis gemiddeld twintig voltijds equivalenten van tewerkgestelde doelgroepwerknemers als voor de becijfering van het totale werknemersbestand van het maatwerkbedrijf.
  § 2. Het startende maatwerkbedrijf voldoet binnen [1 vier jaar]1 vanaf de datum van de toekenning van het contingent van de werkondersteunende maatregelen, vermeld in artikel 30, aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
 Â
  De minister bepaalt de methodiek die het departement hanteert zowel voor de becijfering van de op jaarbasis gemiddeld twintig voltijds equivalenten van tewerkgestelde doelgroepwerknemers als voor de becijfering van het totale werknemersbestand van het maatwerkbedrijf.
  § 2. Het startende maatwerkbedrijf voldoet binnen [1 vier jaar]1 vanaf de datum van de toekenning van het contingent van de werkondersteunende maatregelen, vermeld in artikel 30, aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
 Â
Wijzigingen
Art. 2. § 1er. L'entreprise de travail adapté emploie, en ce qui concerne le nombre de travailleurs de groupe cible, en moyenne au moins vingt équivalents à temps plein par an. Sur base annuelle, au moins 65 % du nombre total des travailleurs de l'entreprise de travail adapté appartient à la catégorie des travailleurs de groupe cible visés à l'article 3, 2°, a) et b), du décret du 12 juillet 2013.
  Le ministre détermine la méthode à utiliser par le département, tant pour le calcul de la moyenne de vingt équivalents à temps plein de travailleurs de groupe cible occupés que pour calculer lenombre total de travailleurs de l'entreprise de travail adapté.
  § 2. L'entreprise de travail adapté débutante répond dans [1 quatre ans]1, à compter de la date de l'octroi du contingent des mesures d'aide à l'emploi visé à l'article 30, aux conditions visées au paragraphe1er, alinéa premier.
 Â
  Le ministre détermine la méthode à utiliser par le département, tant pour le calcul de la moyenne de vingt équivalents à temps plein de travailleurs de groupe cible occupés que pour calculer lenombre total de travailleurs de l'entreprise de travail adapté.
  § 2. L'entreprise de travail adapté débutante répond dans [1 quatre ans]1, à compter de la date de l'octroi du contingent des mesures d'aide à l'emploi visé à l'article 30, aux conditions visées au paragraphe1er, alinéa premier.
 Â
Wijzigingen
Art. 3. [1 Het maatwerkbedrijf hanteert een kwaliteitsmanagementsysteem.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 3. [1 L'entreprise de travail adapté utilise un systÚme de gestion de la qualité.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 4. Het maatwerkbedrijf rapporteert jaarlijks aan de hand van een duurzaamheidsverslag over zijn bedrijfsvoering. Het duurzaamheidsverslag omvat minimaal een toelichting over:
  1° het beleid, de strategie en het organisatieprofiel van de onderneming;
  2° het management, het bestuur en de democratische besluitvorming binnen de onderneming;
  3° de inschakeling, de begeleiding, de begeleide tewerkstelling in de enclavewerking, de opleiding, de duurzame loopbanen en de doorstroom van medewerkers;
  4° de milieu-impact van de bedrijfsvoering;
  5° de maatschappelijke inbedding van de onderneming;
  6° de economische en financiële prestaties.
  De minister bepaalt:
  1° de indicatoren en descriptoren waarover het maatwerkbedrijf minimaal rapporteert;
  2° het duurzaamheidsverslagmodel dat gebaseerd is op een of meer internationaal erkende duurzaamheidsverslagmodellen.
  Het maatwerkbedrijf bezorgt het duurzaamheidsverslag jaarlijks uiterlijk op 31 juli aan zijn stakeholders en aan het departement, waarbij het eerste duurzaamheidsverslag wordt ingediend op 31 juli 2020.
  1° het beleid, de strategie en het organisatieprofiel van de onderneming;
  2° het management, het bestuur en de democratische besluitvorming binnen de onderneming;
  3° de inschakeling, de begeleiding, de begeleide tewerkstelling in de enclavewerking, de opleiding, de duurzame loopbanen en de doorstroom van medewerkers;
  4° de milieu-impact van de bedrijfsvoering;
  5° de maatschappelijke inbedding van de onderneming;
  6° de economische en financiële prestaties.
  De minister bepaalt:
  1° de indicatoren en descriptoren waarover het maatwerkbedrijf minimaal rapporteert;
  2° het duurzaamheidsverslagmodel dat gebaseerd is op een of meer internationaal erkende duurzaamheidsverslagmodellen.
  Het maatwerkbedrijf bezorgt het duurzaamheidsverslag jaarlijks uiterlijk op 31 juli aan zijn stakeholders en aan het departement, waarbij het eerste duurzaamheidsverslag wordt ingediend op 31 juli 2020.
Art. 4. L'entreprise de travail adapté fait annuellement rapport sur sa gestion à l'aide d'un rapport de durabilité. Le rapport de durabilité contient au moins une notice sur :
  1° la politique, la stratégie et le profil organisationnel de l'entreprise ;
  2° la gestion, l'administration et la prise de décision démocratique au sein de l'entreprise ;
  3° l'intégration, l'accompagnement, l'emploi accompagné dans le travail en enclave, la formation, les carriÚres durables et la transition de collaborateurs ;
  4° l'impact sur l'environnement de l'exploitation ;
  5° l'ancrage dans la société de l'entreprise ;
  6° les prestations économiques et financiÚres.
  Le ministre détermine :
  1° les indicateurs et descripteurs au sujet desquels l'entreprise de travail adapté doit, au minimum, rendre des comptes ;
  2° le modÚle de rapport de durabilité basé sur un ou plusieurs modÚles de rapport de durabilité reconnus au niveau international.
  L'entreprise de travail adaptĂ© transmet le rapport de durabilitĂ© Ă ses parties prenantes et au dĂ©partement au plus tard le 31 juillet de chaque annĂ©e, le premier rapport de durabilitĂ© devant ĂȘtre soumis pour le 31 juillet 2020.
  1° la politique, la stratégie et le profil organisationnel de l'entreprise ;
  2° la gestion, l'administration et la prise de décision démocratique au sein de l'entreprise ;
  3° l'intégration, l'accompagnement, l'emploi accompagné dans le travail en enclave, la formation, les carriÚres durables et la transition de collaborateurs ;
  4° l'impact sur l'environnement de l'exploitation ;
  5° l'ancrage dans la société de l'entreprise ;
  6° les prestations économiques et financiÚres.
  Le ministre détermine :
  1° les indicateurs et descripteurs au sujet desquels l'entreprise de travail adapté doit, au minimum, rendre des comptes ;
  2° le modÚle de rapport de durabilité basé sur un ou plusieurs modÚles de rapport de durabilité reconnus au niveau international.
  L'entreprise de travail adaptĂ© transmet le rapport de durabilitĂ© Ă ses parties prenantes et au dĂ©partement au plus tard le 31 juillet de chaque annĂ©e, le premier rapport de durabilitĂ© devant ĂȘtre soumis pour le 31 juillet 2020.
Art. 7. § 1. [1 Als uit de opvolging van de bedrijfsvoering via het duurzaamheidsverslag, vermeld in artikel 4 van dit besluit, blijkt dat de globale tewerkstelling van de doelgroepwerknemers in het gedrang komt,]1 kan de minister na het advies van het departement bevelen tot managementondersteuning, vermeld in hoofdstuk 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2017 tot bepaling van de voorwaarden voor de toekenning van de subsidie voor managementadvies, vermeld in artikel 12 van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen, of tot de ondersteuning, vermeld in hoofdstuk 4 van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen ten behoeve van het maatwerkbedrijf.
  § 2. De managementondersteuning omvat een deskundig bedrijfsadvies dat specifieke, waardevolle en toekomstgerichte schriftelijke raadgevingen omvat ter verbetering van de financieel-economische situatie van de onderneming. Het voormelde bedrijfsadvies omvat:
  1° een analyse van de probleemstelling;
  2° het eigenlijk advies;
  3° de ondersteuning bij de opmaak van een schriftelijk actieplan dat voor een periode van achttien maanden een systematisch overzicht geeft van de maatregelen die door het maatwerkbedrijf zullen worden uitgevoerd.
  Het actieplan, vermeld in het eerste lid, 3°, geeft meetindicatoren ter verbetering en de streefdata voor de realisatie van elke maatregel op.
  De raad van bestuur van het maatwerkbedrijf neemt kennis van het actieplan, vermeld in het eerste lid, 3°, uiterlijk negen maanden na het bevel tot managementondersteuning en bezorgt een afschrift van de kennisgeving en het actieplan aan het departement.
 Â
  § 2. De managementondersteuning omvat een deskundig bedrijfsadvies dat specifieke, waardevolle en toekomstgerichte schriftelijke raadgevingen omvat ter verbetering van de financieel-economische situatie van de onderneming. Het voormelde bedrijfsadvies omvat:
  1° een analyse van de probleemstelling;
  2° het eigenlijk advies;
  3° de ondersteuning bij de opmaak van een schriftelijk actieplan dat voor een periode van achttien maanden een systematisch overzicht geeft van de maatregelen die door het maatwerkbedrijf zullen worden uitgevoerd.
  Het actieplan, vermeld in het eerste lid, 3°, geeft meetindicatoren ter verbetering en de streefdata voor de realisatie van elke maatregel op.
  De raad van bestuur van het maatwerkbedrijf neemt kennis van het actieplan, vermeld in het eerste lid, 3°, uiterlijk negen maanden na het bevel tot managementondersteuning en bezorgt een afschrift van de kennisgeving en het actieplan aan het departement.
 Â
Wijzigingen
Art. 7. § 1er. [1 S'il ressort du suivi de la gestion d'entreprise par le biais du rapport de durabilitĂ© visĂ© Ă l'article 4 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, que l'emploi global des travailleurs de groupe-cible est mis en pĂ©ril,]1 le ministre peut, sur avis du dĂ©partement, ordonner l'aide Ă la gestion, visĂ©e au chapitre 3 de l'arrĂȘtĂ© du 27 janvier 2017 du Gouvernement flamand fixant les conditions d'octroi de la subvention pour la consultation en gestion, visĂ©e Ă l'article 12 du dĂ©cret du 17 fĂ©vrier 2012 relatif Ă l'appui Ă l'entrepreneuriat dans le domaine de l'Ă©conomie sociale et Ă la stimulation de l'entrepreneuriat socialement responsable, ou au soutien, mentionnĂ© au chapitre 4 du dĂ©cret 17 fĂ©vrier 2012 relatif Ă l'appui Ă l'entrepreneuriat dans le domaine de l'Ă©conomie sociale et Ă la stimulation de l'entrepreneuriat socialement responsable, au profit de l'entreprise de travail adaptĂ©.
  § 2. L'aide à la gestion comprend un conseil aux entreprises spécialisé comprenant des recommandations écrites spécifiques, valables et orientées vers l'avenir, visant à améliorer la situation économique et financiÚre de l'entreprise. Le conseil aux entreprises précité comprend :
  1° une analyse des problÚmes ;
  2° le conseil proprement dit ;
  3° l'assistance lors de l'établissement d'un plan d'action écrit donnant un aperçu systématique couvrant une période de dix-huit mois des mesures qui seront mises en oeuvre par l'entreprise de travail adapté.
  Le plan d'action visé à l'alinéa premier, 3°, fournit des indicateurs de mesure pour améliorer la situation et indique les dates limites pour la mise en oeuvre de chaque mesure.
  Le conseil d'administration de l'entreprise de travail adapté prend connaissance du plan d'action visé à l'alinéa premier, 3°, au plus tard neuf mois de l'ordre d'aide à la gestion et remet une copie de la notification et du plan d'action au département.
 Â
  § 2. L'aide à la gestion comprend un conseil aux entreprises spécialisé comprenant des recommandations écrites spécifiques, valables et orientées vers l'avenir, visant à améliorer la situation économique et financiÚre de l'entreprise. Le conseil aux entreprises précité comprend :
  1° une analyse des problÚmes ;
  2° le conseil proprement dit ;
  3° l'assistance lors de l'établissement d'un plan d'action écrit donnant un aperçu systématique couvrant une période de dix-huit mois des mesures qui seront mises en oeuvre par l'entreprise de travail adapté.
  Le plan d'action visé à l'alinéa premier, 3°, fournit des indicateurs de mesure pour améliorer la situation et indique les dates limites pour la mise en oeuvre de chaque mesure.
  Le conseil d'administration de l'entreprise de travail adapté prend connaissance du plan d'action visé à l'alinéa premier, 3°, au plus tard neuf mois de l'ordre d'aide à la gestion et remet une copie de la notification et du plan d'action au département.
 Â
Wijzigingen
Afdeling 2. - Maatwerkafdelingen
Section 2. - Départements de travail adapté
Art. 8. De maatwerkafdeling stelt voor het aantal doelgroepwerknemers op jaarbasis gemiddeld minimaal vijf voltijdsequivalenten tewerk.
  De minister bepaalt de methodiek die het departement hanteert voor de becijfering van het gemiddelde op jaarbasis van vijf voltijdsequivalenten van tewerkgestelde doelgroepwerknemers van de maatwerkafdeling.
  De startende maatwerkafdeling voldoet binnen twee jaar vanaf de datum van de toekenning van het contingent van de werkondersteunende maatregelen, vermeld in artikel 30, aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid.
  De minister bepaalt de methodiek die het departement hanteert voor de becijfering van het gemiddelde op jaarbasis van vijf voltijdsequivalenten van tewerkgestelde doelgroepwerknemers van de maatwerkafdeling.
  De startende maatwerkafdeling voldoet binnen twee jaar vanaf de datum van de toekenning van het contingent van de werkondersteunende maatregelen, vermeld in artikel 30, aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid.
Art. 8. Le département de travail adapté emploie, en ce qui concerne le nombre de travailleurs de groupe cible, en moyenne au moins cinq équivalents à temps plein sur base annuelle.
  Le ministre détermine la méthode à utiliser par le département pour le calcul de la moyenne sur base annuelle de 5 équivalents à temps plein de travailleurs de groupe cible employés au département de travail adapté.
  Le département débutant de travail adapté répond, dans les deux ans à compter de la date d'octroi du contingent des mesures d'aide à l'emploi visé à l'article 31, à la condition visée à l'alinéa premier.
  Le ministre détermine la méthode à utiliser par le département pour le calcul de la moyenne sur base annuelle de 5 équivalents à temps plein de travailleurs de groupe cible employés au département de travail adapté.
  Le département débutant de travail adapté répond, dans les deux ans à compter de la date d'octroi du contingent des mesures d'aide à l'emploi visé à l'article 31, à la condition visée à l'alinéa premier.
Art. 9. [1 De maatwerkafdeling hanteert een kwaliteitsmanagementsysteem.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 9. [1 Le département de travail adapté utilise un systÚme de gestion de la qualité.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 10. De maatwerkafdeling rapporteert jaarlijks aan de hand van een duurzaamheidsverslag over haar werking. Het duurzaamheidsverslag omvat minimaal een toelichting over:
  1° de inschakeling, begeleiding, de opleiding, de duurzame loopbanen en de doorstroom van medewerkers;
  2° de milieu-impact van de bedrijfsvoering;
  3° de maatschappelijke inbedding van de maatwerkafdeling.
  De minister bepaalt:
  1° de indicatoren en descriptoren waarover de maatwerkafdeling minimaal rapporteert;
  2° het duurzaamheidsverslagmodel dat is gebaseerd op een of meer internationaal erkende duurzaamheidsverslagmodellen.
  De maatwerkafdeling bezorgt het duurzaamheidsverslag jaarlijks uiterlijk op 31 juli aan zijn stakeholders en aan het departement, waarbij het eerste duurzaamheidsverslag wordt ingediend op 31 juli 2020.
  1° de inschakeling, begeleiding, de opleiding, de duurzame loopbanen en de doorstroom van medewerkers;
  2° de milieu-impact van de bedrijfsvoering;
  3° de maatschappelijke inbedding van de maatwerkafdeling.
  De minister bepaalt:
  1° de indicatoren en descriptoren waarover de maatwerkafdeling minimaal rapporteert;
  2° het duurzaamheidsverslagmodel dat is gebaseerd op een of meer internationaal erkende duurzaamheidsverslagmodellen.
  De maatwerkafdeling bezorgt het duurzaamheidsverslag jaarlijks uiterlijk op 31 juli aan zijn stakeholders en aan het departement, waarbij het eerste duurzaamheidsverslag wordt ingediend op 31 juli 2020.
Art. 10. Le département de travail adapté fait annuellement rapport sur son fonctionnement au moyen d'un rapport de durabilité. Le rapport de durabilité contient au moins une notice sur :
  1° l'intégration, l'accompagnement, la formation, les carriÚres durables et la transition des collaborateurs ;
  2° l'impact environnemental de l'exploitation ;
  3° l'ancrage dans la société du département de travail adapté.
  Le Ministre détermine :
  1° les indicateurs et descripteurs dont le département de travail adapté fait au minimum rapport ;
  2° le modÚle de rapport de durabilité basé sur un ou plusieurs modÚles de rapport de durabilité internationalement reconnus.
  Le dĂ©partement de travail adaptĂ© remet le rapport de durabilitĂ© Ă ses parties prenantes et au dĂ©partement au plus tard le 31 juillet de chaque annĂ©e, le premier rapport de durabilitĂ© devant ĂȘtre remis pour le 31 juillet 2020.
  1° l'intégration, l'accompagnement, la formation, les carriÚres durables et la transition des collaborateurs ;
  2° l'impact environnemental de l'exploitation ;
  3° l'ancrage dans la société du département de travail adapté.
  Le Ministre détermine :
  1° les indicateurs et descripteurs dont le département de travail adapté fait au minimum rapport ;
  2° le modÚle de rapport de durabilité basé sur un ou plusieurs modÚles de rapport de durabilité internationalement reconnus.
  Le dĂ©partement de travail adaptĂ© remet le rapport de durabilitĂ© Ă ses parties prenantes et au dĂ©partement au plus tard le 31 juillet de chaque annĂ©e, le premier rapport de durabilitĂ© devant ĂȘtre remis pour le 31 juillet 2020.
HOOFDSTUK 3. - Indicering van de doelgroepwerknemers
CHAPITRE 3. - Indication des travailleurs de groupe-cible
Art. 12. [1 Personen die beschikken over een advies collectief maatwerk komen in aanmerking voor ondersteuning als doelgroepwerknemer.
  De VDAB kent een advies collectief maatwerk toe aan de persoon die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
  1° de persoon behoort tot een van de categorieën, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap, en heeft behoefte aan werkondersteunende maatregelen;
  2° de persoon heeft een arbeidsbeperking, op grond van een indicering op basis van de indicaties, vermeld in artikel 13 van dit besluit, die de VDAB of een dienstverlener die de VDAB heeft aangewezen, heeft uitgevoerd, die een behoefte aan werkondersteunende maatregelen aangeeft.
  Het advies collectief maatwerk, vermeld in het tweede lid, vervalt na vijf jaar als de persoon nog werkzoekend is. De VDAB stelt in voorkomend geval opnieuw de behoefte aan werkondersteunende maatregelen vast van de voormelde persoon.
  Met behoud van de toepassing van het tweede en derde lid kent de VDAB een advies collectief maatwerk toe aan de uiterst kwetsbare persoon, vermeld in artikel 3, 2°, c), van het decreet van 12 juli 2013, die op grond van een indicering op basis van de indicaties, vermeld in artikel 13 van dit besluit, die de VDAB of een dienstverlener die de VDAB heeft aangewezen, heeft uitgevoerd, gedurende maximaal twee jaar een behoefte aan werkondersteunende maatregelen heeft.]1
 Â
  De VDAB kent een advies collectief maatwerk toe aan de persoon die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
  1° de persoon behoort tot een van de categorieën, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap, en heeft behoefte aan werkondersteunende maatregelen;
  2° de persoon heeft een arbeidsbeperking, op grond van een indicering op basis van de indicaties, vermeld in artikel 13 van dit besluit, die de VDAB of een dienstverlener die de VDAB heeft aangewezen, heeft uitgevoerd, die een behoefte aan werkondersteunende maatregelen aangeeft.
  Het advies collectief maatwerk, vermeld in het tweede lid, vervalt na vijf jaar als de persoon nog werkzoekend is. De VDAB stelt in voorkomend geval opnieuw de behoefte aan werkondersteunende maatregelen vast van de voormelde persoon.
  Met behoud van de toepassing van het tweede en derde lid kent de VDAB een advies collectief maatwerk toe aan de uiterst kwetsbare persoon, vermeld in artikel 3, 2°, c), van het decreet van 12 juli 2013, die op grond van een indicering op basis van de indicaties, vermeld in artikel 13 van dit besluit, die de VDAB of een dienstverlener die de VDAB heeft aangewezen, heeft uitgevoerd, gedurende maximaal twee jaar een behoefte aan werkondersteunende maatregelen heeft.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 12. [1 Les personnes disposant d'un avis relatif au travail adapté collectif sont admissibles pour recevoir l'aide pour travailleur de groupe-cible.
  L'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle (VDAB) rend un avis relatif au travail adapté collectif à la personne qui remplit l'une des conditions suivantes :
  1° la personne appartient Ă l'une des catĂ©gories visĂ©es Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 relatif Ă l'intĂ©gration professionnelle des personnes atteintes d'un handicap Ă l'emploi, et a besoin de mesures d'aide Ă l'emploi ;
  2° la personne souffre d'un handicap au travail, en vertu d'une indication sur la base des indications visĂ©es Ă l'article 13 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, effectuĂ©e par le VDAB ou par un prestataire de services dĂ©signĂ© par le VDAB, indiquant un besoin de mesures d'aide Ă l'emploi.
  L'avis relatif au travail adapté collectif, visé à l'alinéa 2, échoit aprÚs cinq ans si la personne est encore demandeur d'emploi. Le cas échéant, le VDAB constate à nouveau le besoin de mesures d'aide à l'emploi de la personne précitée.
  Sans prĂ©judice de l'application des alinĂ©as 2 et 3, le VDAB8 rend un avis relatif au travail adaptĂ© collectif Ă la personne trĂšs vulnĂ©rable visĂ©e Ă l'article 3, 2°, c), du dĂ©cret du 12 juillet 2013, qui, en vertu d'une indication sur la base des indications visĂ©es Ă l'article 13 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, effectuĂ©e par le VDAB ou par un prestataire de services dĂ©signĂ© par le VDAB, a besoin de mesures d'aide Ă l'emploi pendant deux ans au maximum.]1
 Â
  L'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle (VDAB) rend un avis relatif au travail adapté collectif à la personne qui remplit l'une des conditions suivantes :
  1° la personne appartient Ă l'une des catĂ©gories visĂ©es Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 relatif Ă l'intĂ©gration professionnelle des personnes atteintes d'un handicap Ă l'emploi, et a besoin de mesures d'aide Ă l'emploi ;
  2° la personne souffre d'un handicap au travail, en vertu d'une indication sur la base des indications visĂ©es Ă l'article 13 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, effectuĂ©e par le VDAB ou par un prestataire de services dĂ©signĂ© par le VDAB, indiquant un besoin de mesures d'aide Ă l'emploi.
  L'avis relatif au travail adapté collectif, visé à l'alinéa 2, échoit aprÚs cinq ans si la personne est encore demandeur d'emploi. Le cas échéant, le VDAB constate à nouveau le besoin de mesures d'aide à l'emploi de la personne précitée.
  Sans prĂ©judice de l'application des alinĂ©as 2 et 3, le VDAB8 rend un avis relatif au travail adaptĂ© collectif Ă la personne trĂšs vulnĂ©rable visĂ©e Ă l'article 3, 2°, c), du dĂ©cret du 12 juillet 2013, qui, en vertu d'une indication sur la base des indications visĂ©es Ă l'article 13 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, effectuĂ©e par le VDAB ou par un prestataire de services dĂ©signĂ© par le VDAB, a besoin de mesures d'aide Ă l'emploi pendant deux ans au maximum.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 13. De minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, stellen na het advies van de VDAB en na overleg in de commissie sociale economie, als vermeld in artikel 6 van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen, de lijst met indicaties vast vermeld in artikel 7 van het decreet van 12 juli 2013, op basis van de International Classification of Functioning, Disability and Health, referentieclassificatie van de Wereldgezondheidsorganisatie, op grond waarvan personen met een arbeidsbeperking als vermeld in artikel 12, tweede lid, 2°, en derde lid, van dit besluit, worden erkend.
Art. 13. Le ministre et le ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions Ă©tablissent, sur avis du VDAB et aprĂšs concertation dans la Commission pour l'Economie Sociale telle que visĂ©e Ă l'article 6 du dĂ©cret du 17 fĂ©vrier 2012 relatif Ă l'appui Ă l'entrepreneuriat dans le domaine de l'Ă©conomie sociale et Ă la stimulation de l'entrepreneuriat socialement responsable, la liste des indications visĂ©e Ă l'article 7 du dĂ©cret du 12 juillet 2013, sur la base du International Classification of Functioning, Disability and Health, classification de rĂ©fĂ©rence de l'Organisation mondiale de la SantĂ©, en vertu de laquelle les personnes atteintes d'un handicap Ă l'emploi, telles que visĂ©es Ă l'article 12, alinĂ©a deux, 2°, et alinĂ©a trois du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, sont reconnues comme telles.
HOOFDSTUK 4. - Evaluatie van de behoefte aan werkondersteunende maatregelen
CHAPITRE 4. - Evaluation du besoin de mesures d'aide Ă l'emploi
Art. 14. De vastgestelde behoefte aan werkondersteunende maatregelen is gedurende maximaal vijf jaar geldig vanaf de datum van aanwerving van de doelgroepwerknemer door het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling.
  De VDAB evalueert de behoefte aan werkondersteunende maatregelen van de doelgroepwerknemer voor het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid.
  Met behoud van de toepassing van het tweede lid blijft de meest recente vaststelling van de behoefte aan werkondersteunende maatregelen van kracht, tot zolang de VDAB geen evaluatie heeft doorgevoerd.
  Met behoud van de toepassing van het eerste lid kan de VDAB de geldigheidsduur van de behoefte aan werkondersteunende maatregelen aanpassen met het oog op de stabiliteit van de geïndiceerde problematiek van de doelgroepwerknemer.
  De VDAB evalueert de behoefte aan werkondersteunende maatregelen van de doelgroepwerknemer voor het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid.
  Met behoud van de toepassing van het tweede lid blijft de meest recente vaststelling van de behoefte aan werkondersteunende maatregelen van kracht, tot zolang de VDAB geen evaluatie heeft doorgevoerd.
  Met behoud van de toepassing van het eerste lid kan de VDAB de geldigheidsduur van de behoefte aan werkondersteunende maatregelen aanpassen met het oog op de stabiliteit van de geïndiceerde problematiek van de doelgroepwerknemer.
Art. 14. Le besoin constaté de mesures d'aide à l'emploi est valable pendant cinq ans au maximum à compter de la date de recrutement du travailleur de groupe cible par l'entreprise ou le département de travail adapté.
  Le VDAB évalue le besoin de mesures d'aide à l'emploi du travailleur de groupe cible avant l'expiration du délai visé à l'alinéa premier.
  Sans préjudice de l'application de l'alinéa deux, la constatation la plus récente du besoin de mesures d'aide à l'emploi reste en vigueur tant que le VDAB n'a pas effectué d'évaluation.
  Sans préjudice de l'application de l'alinéa premier, le VDAB peut adapter la durée de validité du besoin de mesures d'aide à l'emploi en vue de la stabilité de la problématique indiquée du travailleur de groupe cible.
  Le VDAB évalue le besoin de mesures d'aide à l'emploi du travailleur de groupe cible avant l'expiration du délai visé à l'alinéa premier.
  Sans préjudice de l'application de l'alinéa deux, la constatation la plus récente du besoin de mesures d'aide à l'emploi reste en vigueur tant que le VDAB n'a pas effectué d'évaluation.
  Sans préjudice de l'application de l'alinéa premier, le VDAB peut adapter la durée de validité du besoin de mesures d'aide à l'emploi en vue de la stabilité de la problématique indiquée du travailleur de groupe cible.
Art. 15. § 1. De doelgroepwerknemer, het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling kunnen voor het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 14, eerste lid, om een evaluatie van de VDAB verzoeken, maar niet eerder dan:
  1° het derde jaar van tewerkstelling van de doelgroepwerknemer;
  2° het derde jaar dat volgt op een eerdere evaluatie.
  In afwijking van het eerste lid, kan de VDAB op verzoek van de doelgroepwerknemer, het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling, altijd de behoefte aan werkondersteunende maatregelen evalueren op grond van:
  1° gewijzigde en geattesteerde medische redenen;
  2° een door een partner die erkend is door de VDAB, geattesteerde bijkomende problematiek op het vlak van een psychosociale beperking als vermeld in artikel 3, 2°, b), van het decreet van 12 juli 2013, als de VDAB van oordeel is dat die een invloed heeft op de al geattesteerde ondersteuningsbehoefte van de doelgroepwerknemer als vermeld in artikel 3, 2°, a) van het decreet van 12 juli 2013.
  § 2. De VDAB bezorgt aan het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling en de doelgroepwerknemer een evaluatieformulier.
  Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling registreren hun evaluatieformulier[1 en het persoonlijk ontwikkelingsplan]1 minimaal tien dagen voor de aanvang van het evaluatiegesprek in de databank die de VDAB daarvoor beheert.
  De evaluatie, vermeld in paragraaf 1, vindt minimaal plaats aan de hand van:
  1° het persoonlijk ontwikkelingsplan;
  2° de bespreking van het evaluatieformulier van het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling, vermeld in het eerste lid;
  3° een gesprek met de doelgroepwerknemer, in voorkomend geval aan de hand van zijn evaluatieformulier, vermeld in het eerste lid.
  4° in voorkomend geval, de geattesteerde medische reden of bijkomend problematiek, zoals vermeld in § 1, tweede lid, 1° en 2°.
 Â
  1° het derde jaar van tewerkstelling van de doelgroepwerknemer;
  2° het derde jaar dat volgt op een eerdere evaluatie.
  In afwijking van het eerste lid, kan de VDAB op verzoek van de doelgroepwerknemer, het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling, altijd de behoefte aan werkondersteunende maatregelen evalueren op grond van:
  1° gewijzigde en geattesteerde medische redenen;
  2° een door een partner die erkend is door de VDAB, geattesteerde bijkomende problematiek op het vlak van een psychosociale beperking als vermeld in artikel 3, 2°, b), van het decreet van 12 juli 2013, als de VDAB van oordeel is dat die een invloed heeft op de al geattesteerde ondersteuningsbehoefte van de doelgroepwerknemer als vermeld in artikel 3, 2°, a) van het decreet van 12 juli 2013.
  § 2. De VDAB bezorgt aan het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling en de doelgroepwerknemer een evaluatieformulier.
  Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling registreren hun evaluatieformulier[1 en het persoonlijk ontwikkelingsplan]1 minimaal tien dagen voor de aanvang van het evaluatiegesprek in de databank die de VDAB daarvoor beheert.
  De evaluatie, vermeld in paragraaf 1, vindt minimaal plaats aan de hand van:
  1° het persoonlijk ontwikkelingsplan;
  2° de bespreking van het evaluatieformulier van het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling, vermeld in het eerste lid;
  3° een gesprek met de doelgroepwerknemer, in voorkomend geval aan de hand van zijn evaluatieformulier, vermeld in het eerste lid.
  4° in voorkomend geval, de geattesteerde medische reden of bijkomend problematiek, zoals vermeld in § 1, tweede lid, 1° en 2°.
 Â
Wijzigingen
Art. 15. § 1er. Le travailleur de groupe cible, l'entreprise ou le département de travail adapté peuvent, avant l'expiration du délai visé à l'article 14, alinéa premier, demander une évaluation au VDAB, mais au plus tÎt :
  1° dans la troisiÚme année de l'occupation du travailleur de groupe cible ;
  2° dans la troisiÚme année suivant une évaluation antérieure.
  Par dérogation à l'alinéa premier, le VDAB peut, à la demande du travailleur de groupe cible, de l'entreprise de travail adapté ou du département de travail adapté, toujours évaluer le besoin de mesures d'aide à l'emploi sur la base de :
  1° raisons médicales modifiées et attestées
  2° une problématique supplémentaire attestée par un partenaire agréé par le VDAB concernant une limitation psychosociale telle que visée à l'article 3, 2°, b) du décret du 12 juillet 2013, si le VDAB estime que lladite limitation a une influence sur le besoin d'aide déjà attesté du travailleur de groupe cible tel que mentionné à l'article 3, 2°, a) du décret du 12 juillet 2013.
  § 2. Le VDAB remet un formulaire d'évaluation à l'entreprise ou au département de travail adapté et au travailleur de groupe cible.
  L'entreprise de travail adapté et le département de travail adapté enregistrent leur formulaire d'évaluation [1 et le plan de développement personnel]1 dans la base de données gérée à cet effet par le VDAB au moins dix jours avant le début de l'entretien d'évaluation.
  L'évaluation visée au paragraphe 1er, est effectuée au moins au moyen :
  1° du plan de développement personnel ;
  2° de la discussion du formulaire d'évaluation de l'entreprise ou du département de travail adapté visé à alinéa premier ;
  3° d'un entretien avec le travailleur de groupe cible, le cas échéant à l'aide de son formulaire d'évaluation visé à l'alinéa premier.
  4° le cas échéant, du motif médical ou de la problématique supplémentaire attestés, tels que visés au § 1er, alinéa deux, 1° en 2°.
 Â
  1° dans la troisiÚme année de l'occupation du travailleur de groupe cible ;
  2° dans la troisiÚme année suivant une évaluation antérieure.
  Par dérogation à l'alinéa premier, le VDAB peut, à la demande du travailleur de groupe cible, de l'entreprise de travail adapté ou du département de travail adapté, toujours évaluer le besoin de mesures d'aide à l'emploi sur la base de :
  1° raisons médicales modifiées et attestées
  2° une problématique supplémentaire attestée par un partenaire agréé par le VDAB concernant une limitation psychosociale telle que visée à l'article 3, 2°, b) du décret du 12 juillet 2013, si le VDAB estime que lladite limitation a une influence sur le besoin d'aide déjà attesté du travailleur de groupe cible tel que mentionné à l'article 3, 2°, a) du décret du 12 juillet 2013.
  § 2. Le VDAB remet un formulaire d'évaluation à l'entreprise ou au département de travail adapté et au travailleur de groupe cible.
  L'entreprise de travail adapté et le département de travail adapté enregistrent leur formulaire d'évaluation [1 et le plan de développement personnel]1 dans la base de données gérée à cet effet par le VDAB au moins dix jours avant le début de l'entretien d'évaluation.
  L'évaluation visée au paragraphe 1er, est effectuée au moins au moyen :
  1° du plan de développement personnel ;
  2° de la discussion du formulaire d'évaluation de l'entreprise ou du département de travail adapté visé à alinéa premier ;
  3° d'un entretien avec le travailleur de groupe cible, le cas échéant à l'aide de son formulaire d'évaluation visé à l'alinéa premier.
  4° le cas échéant, du motif médical ou de la problématique supplémentaire attestés, tels que visés au § 1er, alinéa deux, 1° en 2°.
 Â
Wijzigingen
Art. 16. De evaluatie, vermeld in artikel 15, § 1, kan aanleiding geven tot de vaststelling van een wijzigende behoefte aan werkondersteunende maatregelen voor de doelgroepwerknemer. De vaststelling van de wijzigende behoefte heeft betrekking op de hoogte van de loonpremie of de intensiteit van de begeleiding op de werkvloer. De VDAB beslist daarover binnen een termijn van twintig werkdagen na afloop van het evaluatiegesprek. De VDAB brengt de werkgever, de doelgroepwerknemer en het departement op de hoogte van zijn beslissing.
  Als een wijzigende behoefte aan werkondersteunende maatregelen door de VDAB wordt vastgesteld, wordt de toekenning van de werkondersteunende maatregelen overeenstemmend aangepast vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin is beslist om de wijziging door te voeren.
  Als een wijzigende behoefte aan werkondersteunende maatregelen door de VDAB wordt vastgesteld, wordt de toekenning van de werkondersteunende maatregelen overeenstemmend aangepast vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin is beslist om de wijziging door te voeren.
Art. 16. L'évaluation visée à l'article 15, § 1er, peut donner lieu à la constatation d'un besoin changeant de mesures d'aide à l'emploi pour le travailleur de groupe cible. La constatation du besoin changeant a trait au montant de la prime salariale ou l'intensité de l'accompagnement sur le lieu de travail. Le VDAB en décide dans un délai de vingt jours ouvrables de la date à laquelle l'entretien d'évaluation a eu lieu. Le VDAB informe l'employeur, le travailleur de groupe cible et le département de sa décision.
  Lorsqu'un besoin changeant de mesures d'aide à l'emploi est constaté par le VDAB, l'octroi de mesures d'aide à l'emploi est proportionnellement adapté à partir du trimestre suivant le trimestre au cours duquel il a été décidé de mettre en oeuvre le changement.
  Lorsqu'un besoin changeant de mesures d'aide à l'emploi est constaté par le VDAB, l'octroi de mesures d'aide à l'emploi est proportionnellement adapté à partir du trimestre suivant le trimestre au cours duquel il a été décidé de mettre en oeuvre le changement.
HOOFDSTUK 5. - Aanvraag van ondersteuning
CHAPITRE 5. - Demande d'aide
Afdeling 1. - Aanmelding
Section 1. - Présentation
Art. 17. Met het oog op de steunaanvraag meldt de onderneming zich aan bij het departement. Het departement stelt daarvoor een elektronisch aanvraagformulier ter beschikking.
  De aanmeldingsvoorwaarden zijn:
  1° voor de ondernemingen, die om steun als maatwerkbedrijf verzoeken, de opgave van:
  a) de missie, de waarden en de visie van de onderneming;
  b) de activiteiten en strategische doelstellingen van de onderneming;
  c) het bestaande of nog te implementeren kwaliteitsmanagementsysteem;
  d) de geplande aanwerving van de doelgroepwerknemers;
  e) het geplande opleidingsbeleid en de vastgelegde begeleiding voor de doelgroepwerknemers;
  f) het engagement van de onderneming om voor iedere doelgroepwerknemer nuttig, lonend en individueel passend werk te verschaffen;
  2° voor de ondernemingen, die om steun als maatwerkafdeling verzoeken, de opgave van:
  a) de activiteiten van de onderneming en de plaats van de doelgroepwerknemers in het organigram van de onderneming;
  b) de geplande aanwerving van de doelgroepwerknemers;
  c) het geplande opleidingsbeleid en de vastgelegde begeleiding voor de doelgroepwerknemers;
  d) het engagement van de onderneming of werking binnen de onderneming om iedere doelgroepwerknemer nuttig, lonend en individueel passend werk te verschaffen.
  De minister kan de aanmeldingsvoorwaarden nader bepalen.
  De aanmeldingsvoorwaarden zijn:
  1° voor de ondernemingen, die om steun als maatwerkbedrijf verzoeken, de opgave van:
  a) de missie, de waarden en de visie van de onderneming;
  b) de activiteiten en strategische doelstellingen van de onderneming;
  c) het bestaande of nog te implementeren kwaliteitsmanagementsysteem;
  d) de geplande aanwerving van de doelgroepwerknemers;
  e) het geplande opleidingsbeleid en de vastgelegde begeleiding voor de doelgroepwerknemers;
  f) het engagement van de onderneming om voor iedere doelgroepwerknemer nuttig, lonend en individueel passend werk te verschaffen;
  2° voor de ondernemingen, die om steun als maatwerkafdeling verzoeken, de opgave van:
  a) de activiteiten van de onderneming en de plaats van de doelgroepwerknemers in het organigram van de onderneming;
  b) de geplande aanwerving van de doelgroepwerknemers;
  c) het geplande opleidingsbeleid en de vastgelegde begeleiding voor de doelgroepwerknemers;
  d) het engagement van de onderneming of werking binnen de onderneming om iedere doelgroepwerknemer nuttig, lonend en individueel passend werk te verschaffen.
  De minister kan de aanmeldingsvoorwaarden nader bepalen.
Art. 17. En vue de la demande d'aide, l'entreprise s'enregistre auprÚs du département. A cet effet, le département met à disposition un formulaire de demande électronique.
  Les conditions d'enregistrement sont les suivantes :
  1° pour les entreprises qui demandent de l'aide comme entreprise de travail adapté, la mention de :
  a) la mission, les valeurs et la vision de l'entreprise ;
  b) les activités et les objectifs stratégiques de l'entreprise ;
  c) le systÚme de gestion de la qualité existant ou encore à mettre en oeuvre ;
  d) le recrutement envisagé des travailleurs de groupe cible ;
  e) la politique de formation envisagée et l'accompagnement prévu pour les travailleurs de groupe cible ;
  f) l'engagement de l'entreprise de créer un emploi utile, lucratif et approprié pour chaque travailleur de groupe cible ;
  2° pour les entreprises qui demandent de l'aide comme département de travail adapté, la mention :
  a) des activités de l'entreprise et de la place des travailleurs de groupe cible dans l'organigramme de l'entreprise ;
  b) du recrutement envisagé des travailleurs de groupe cible ;
  e) de la politique de formation envisagée et de 'accompagnement prévu pour les travailleurs de groupe cible ;
  f) de l'engagement de l'entreprise ou de l'organisation au sein de l'entreprise de créer un emploi utile, lucratif et approprié pour chaque travailleur de groupe cible.
  Le ministre peut préciser les modalités d'enregistrement.
  Les conditions d'enregistrement sont les suivantes :
  1° pour les entreprises qui demandent de l'aide comme entreprise de travail adapté, la mention de :
  a) la mission, les valeurs et la vision de l'entreprise ;
  b) les activités et les objectifs stratégiques de l'entreprise ;
  c) le systÚme de gestion de la qualité existant ou encore à mettre en oeuvre ;
  d) le recrutement envisagé des travailleurs de groupe cible ;
  e) la politique de formation envisagée et l'accompagnement prévu pour les travailleurs de groupe cible ;
  f) l'engagement de l'entreprise de créer un emploi utile, lucratif et approprié pour chaque travailleur de groupe cible ;
  2° pour les entreprises qui demandent de l'aide comme département de travail adapté, la mention :
  a) des activités de l'entreprise et de la place des travailleurs de groupe cible dans l'organigramme de l'entreprise ;
  b) du recrutement envisagé des travailleurs de groupe cible ;
  e) de la politique de formation envisagée et de 'accompagnement prévu pour les travailleurs de groupe cible ;
  f) de l'engagement de l'entreprise ou de l'organisation au sein de l'entreprise de créer un emploi utile, lucratif et approprié pour chaque travailleur de groupe cible.
  Le ministre peut préciser les modalités d'enregistrement.
Art. 18. Het departement beoordeelt de ontvankelijkheid van de aanvraag aan de hand van de volgende criteria:
  1° de aanvraag is ingediend met het elektronische aanvraagformulier;
  2° de aanvraag is volledig en correct ingevuld, conform de voorwaarden van het model van het elektronische aanvraagformulier, vermeld in artikel 17.
  De aanvrager van wie de aanvraag ontvankelijk is, wordt daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht binnen zeven kalenderdagen na de ontvangst.
  De aanvrager van wie de aanvraag niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen zeven kalenderdagen na de ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen.
  1° de aanvraag is ingediend met het elektronische aanvraagformulier;
  2° de aanvraag is volledig en correct ingevuld, conform de voorwaarden van het model van het elektronische aanvraagformulier, vermeld in artikel 17.
  De aanvrager van wie de aanvraag ontvankelijk is, wordt daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht binnen zeven kalenderdagen na de ontvangst.
  De aanvrager van wie de aanvraag niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen zeven kalenderdagen na de ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen.
Art. 18. Le département évalue la recevabilité de la demande au moyen des critÚres suivants :
  1° la demande a été introduite au moyen du formulaire de demande électronique ;
  2° la demande a été dûment et correctement complétée, conformément aux conditions du modÚle de formulaire de demande électronique, telles que visées à l'article 17.
  Le demandeur dont la demande est recevable, en est avisé par écrit dans les sept jours calendaires à dater de la réception de la demande.
  Le demandeur dont la demande n'est pas recevable, en est avisé par écrit dans les sept jours calendaires à dater de la réception de la demande. Cette notification mentionne les motivations et la possibilité d'introduction d'une nouvelle demande.
  1° la demande a été introduite au moyen du formulaire de demande électronique ;
  2° la demande a été dûment et correctement complétée, conformément aux conditions du modÚle de formulaire de demande électronique, telles que visées à l'article 17.
  Le demandeur dont la demande est recevable, en est avisé par écrit dans les sept jours calendaires à dater de la réception de la demande.
  Le demandeur dont la demande n'est pas recevable, en est avisé par écrit dans les sept jours calendaires à dater de la réception de la demande. Cette notification mentionne les motivations et la possibilité d'introduction d'une nouvelle demande.
Art. 19. Het departement doet binnen vijfenveertig kalenderdagen na de ontvankelijkheidsverklaring een inhoudelijk onderzoek naar de aanmeldingsvoorwaarden.
  De termijn, vermeld in het eerste lid, wordt geschorst zolang het departement de onderneming om aanvullende informatie heeft verzocht en het die informatie niet heeft ontvangen.
  De termijn, vermeld in het eerste lid, wordt geschorst zolang het departement de onderneming om aanvullende informatie heeft verzocht en het die informatie niet heeft ontvangen.
Art. 19. Le département effectue un examen de fond relatif aux conditions d'enregistrement dans les quarante-cinq jours calendaires à compter de la déclaration de recevabilité de la demande.
  Le délai visé à l'alinéa premier est suspendu tant que le département n'a pas reçu les informations supplémentaires, qu'elle a demandées à l'entreprise.
  Le délai visé à l'alinéa premier est suspendu tant que le département n'a pas reçu les informations supplémentaires, qu'elle a demandées à l'entreprise.
Art. 20. Het departement legt zijn advies voor aan de Adviescommissie Sociale Economie.
  [1 De Adviescommissie Sociale Economie organiseert een overleg binnen zestig dagen na de datum waarop de aanvrager de beslissing over de ontvankelijkheid, vermeld in artikel 18, heeft ontvangen.]1
  De onderneming die haar aanvraag wil toelichten voor de Adviescommissie Sociale Economie ontvangt minimaal veertien kalenderdagen voor de zitting een uitnodiging van het departement.
 Â
  [1 De Adviescommissie Sociale Economie organiseert een overleg binnen zestig dagen na de datum waarop de aanvrager de beslissing over de ontvankelijkheid, vermeld in artikel 18, heeft ontvangen.]1
  De onderneming die haar aanvraag wil toelichten voor de Adviescommissie Sociale Economie ontvangt minimaal veertien kalenderdagen voor de zitting een uitnodiging van het departement.
 Â
Wijzigingen
Art. 20. Le département soumet son avis à la Commission consultative pour l'Economie Sociale.
  [1 La Commission consultative pour l'Economie sociale organise une concertation dans un délai de soixante jours suivant la date à laquelle le demandeur a reçu la décision de recevabilité visée à l'article 18.]1
  L'entreprise qui souhaite expliciter sa demande devant la Commission consultative pour l'Economie Sociale reçoit une invitation du département au moins quatorze jours avant la séance.
 Â
  [1 La Commission consultative pour l'Economie sociale organise une concertation dans un délai de soixante jours suivant la date à laquelle le demandeur a reçu la décision de recevabilité visée à l'article 18.]1
  L'entreprise qui souhaite expliciter sa demande devant la Commission consultative pour l'Economie Sociale reçoit une invitation du département au moins quatorze jours avant la séance.
 Â
Wijzigingen
Art. 21. De Adviescommissie Sociale Economie adviseert de minister over de aanvraag uiterlijk tien kalenderdagen na afloop van de zitting.
Art. 21. La Commission consultative pour l'Economie Sociale remet son avis sur la demande au ministre au plus tard dix jours calendaires aprÚs la séance.
Art. 22. Na het advies van de Adviescommissie Sociale Economie kan de minister aan de onderneming, naargelang van het geval, het label maatwerkbedrijf of maatwerkafdeling toekennen.
Art. 22. AprÚs l'avis de la Commission consultative pour l'Economie Sociale, le ministre peut accorder à l'entreprise le label " entreprise de travail adapté " ou " division de travail adapté ", selon le cas.
Art. 23. De onderneming die niet akkoord gaat met de beslissing van de minister, vermeld in artikel 22, kan binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de datum van de ontvangst van voormelde beslissing, een gemotiveerd verzoek tot heroverweging indienen bij de minister.
  De minister legt dat verzoek voor aan een heroverwegingscommissie die wordt opgericht in het departement. De heroverwegingscommissie formuleert haar advies aan de minister binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen.
  De minister beslist tot toekenning van het label maatwerkbedrijf of het label maatwerkafdeling.
  De minister legt dat verzoek voor aan een heroverwegingscommissie die wordt opgericht in het departement. De heroverwegingscommissie formuleert haar advies aan de minister binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen.
  De minister beslist tot toekenning van het label maatwerkbedrijf of het label maatwerkafdeling.
Art. 23. L'entreprise qui n'est pas d'accord avec la décision du ministre, visée à l'article 22, peut introduire une demande de réexamen motivée auprÚs du ministre dans un délai de trente jours calendaires à partir de la date de réception de la décision précitée.
  Le ministre soumet cette demande à une commission de réexamen qui est établie au sein du département. La commission de réexamen formule son avis au ministre dans un délai de quarante-cinq jours calendaires.
  Le ministre décide de l'attribution du label " entreprise de travail adapté " ou " division de travail adapté ".
  Le ministre soumet cette demande à une commission de réexamen qui est établie au sein du département. La commission de réexamen formule son avis au ministre dans un délai de quarante-cinq jours calendaires.
  Le ministre décide de l'attribution du label " entreprise de travail adapté " ou " division de travail adapté ".
Art. 24. Het label maatwerkbedrijf en het label maatwerkafdeling hebben een geldigheidsduur van vijf jaar vanaf de datum van beslissing van de minister.
  Vanaf de datum van de toekenning van het contingent, vermeld in artikel 30, zijn het label maatwerkbedrijf en het label maatwerkafdeling geldig voor onbepaalde duur.
  Vanaf de datum van de toekenning van het contingent, vermeld in artikel 30, zijn het label maatwerkbedrijf en het label maatwerkafdeling geldig voor onbepaalde duur.
Art. 24. Les labels " entreprise de travail adapté " et " département de travail adapté " ont une durée de validité de cinq ans à dater de la décision du ministre.
  A dater de l'octroi du contingent visé à l'article 30, les labels " entreprise de travail adapté " et " département de travail adapté " sont valables pour une durée indéterminée.
  A dater de l'octroi du contingent visé à l'article 30, les labels " entreprise de travail adapté " et " département de travail adapté " sont valables pour une durée indéterminée.
Art. 25. De minister kan op verzoek van het departement het label intrekken of schorsen als het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling de subsidievoorwaarden niet naleeft.
Art. 25. Sur demande du département, le Ministre peut retirer ou suspendre le label lorsque l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté ne respecte pas les conditions de subvention.
Afdeling 2. - Aanvraag tot toekenning van een contingent van werkondersteunende maatregelen
Section 2. - Demande d'octroi d'un contingent de mesures d'aide Ă l'emploi
Art. 26. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling kunnen een elektronische aanvraag indienen tot toekenning van een contingent van werkondersteunende maatregelen als de minister daartoe beslist.
  Het contingent van werkondersteunende maatregelen wordt aangevraagd en toegewezen aan de hand van een oproepsysteem.
  De minister bepaalt bij iedere oproep na het advies van de Adviescommissie Sociale Economie de verdelingscriteria en de prioriteitscriteria.
  De minister deelt de oproep mee aan de Vlaamse Regering.
  Het contingent van werkondersteunende maatregelen wordt aangevraagd en toegewezen aan de hand van een oproepsysteem.
  De minister bepaalt bij iedere oproep na het advies van de Adviescommissie Sociale Economie de verdelingscriteria en de prioriteitscriteria.
  De minister deelt de oproep mee aan de Vlaamse Regering.
Art. 26. L'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté peuvent introduire une demande électronique pour l'octroi d'un contingent de mesures d'aide à l'emploi si le ministre en décide ainsi.
  Le contingent de mesures d'aide à l'emploi est demandé et attribué à l'aide d'un systÚme d'appel.
  Pour chaque appel, le ministre détermine, suivant l'avis de la Commission consultative pour l'Economie Sociale, les critÚres de répartition et les critÚres de priorité.
  Le ministre communique l'appel au Gouvernement flamand.
  Le contingent de mesures d'aide à l'emploi est demandé et attribué à l'aide d'un systÚme d'appel.
  Pour chaque appel, le ministre détermine, suivant l'avis de la Commission consultative pour l'Economie Sociale, les critÚres de répartition et les critÚres de priorité.
  Le ministre communique l'appel au Gouvernement flamand.
Art. 27. Het departement beoordeelt de ontvankelijkheid van de aanvraag binnen zeven kalenderdagen na het afsluiten van de oproep aan de hand van de volgende criteria:
  1° de aanvraag is ingediend met het elektronische aanvraagformulier, vermeld in artikel 17;
  2° de aanvraag is volledig en correct ingevuld conform de voorwaarden van het model van aanvraagformulier, vermeld in artikel 17.
  1° de aanvraag is ingediend met het elektronische aanvraagformulier, vermeld in artikel 17;
  2° de aanvraag is volledig en correct ingevuld conform de voorwaarden van het model van aanvraagformulier, vermeld in artikel 17.
Art. 27. Le département évalue dans les sept jours calendaires suivant la clÎture de l'appel la recevabilité de la demande au moyen des critÚres suivants :
  1° la demande a été introduite au moyen du formulaire de demande électronique, visé à l'article 17 ;
  2° la demande a été dûment et correctement complétée, conformément aux conditions du modÚle de formulaire de demande électronique, visé à l'article 17.
  1° la demande a été introduite au moyen du formulaire de demande électronique, visé à l'article 17 ;
  2° la demande a été dûment et correctement complétée, conformément aux conditions du modÚle de formulaire de demande électronique, visé à l'article 17.
Art. 28. Het departement onderzoekt de aanvragen binnen [1 dertig]1 kalenderdagen na de ontvankelijkheidsverklaring.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 28. Le département examine les demandes dans les [1 trente ]1 jours calendaires suivant la déclaration de recevabilité.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 29. De minister beslist tot toekenning van het contingent van werkondersteunende maatregelen binnen veertien kalenderdagen na de ontvangst van het resultaat van het onderzoek van het departement.
  De minister brengt de onderneming daarvan op de hoogte.
  De minister brengt de onderneming daarvan op de hoogte.
Art. 29. Le ministre dĂ©cide de l'attribution d'un contingent de mesures d'aide Ă l'emploi dans les quatorze jours calendaires Ă dater de la rĂ©ception des rĂ©sultats de l'enquĂȘte menĂ©e par le dĂ©partement.
  Le ministre en informe l'entreprise.
  Le ministre en informe l'entreprise.
Art. 30. De beslissing ressorteert gevolgen op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op de datum van de beslissing.
Art. 30. La décision prend effet à partir du premier jour du trimestre suivant la date de la décision.
Art. 31. De toekenning van het contingent aan werkondersteunende maatregelen wordt jaarlijks in het derde kwartaal verminderd of verhoogd door het departement.
  De vermindering wordt automatisch beslist voor ieder maatwerkbedrijf waarbij de invulling van het toegekende contingent op kalenderjaarbasis minder dan 90% bedraagt van het toegekende contingent op jaarbasis. Het contingent wordt verminderd met het verschil in percentage tussen de effectieve invullingsgraad op kalenderjaarbasis en de invullingsgraad van 90% van het toegekende contingent, rekening houdend met een minimale schaalgrootte van twintig voltijdsequivalenten van doelgroepwerknemers.
  Het vrijgekomen contingent binnen de maatwerkbedrijven wordt per één voltijdsequivalent automatisch herverdeeld aan de maatwerkbedrijven met meer dan 95% invulling op jaarbasis, waarbij het maatwerkbedrijf met de hoogste invullingsgraad als eerste in aanmerking komt.
  De invulling in het jaar in kwestie wordt gemeten aan de hand van de contractuele prestatiebreuk van alle doelgroepwerknemers met loonkosten in het jaar in kwestie.
  De vermindering wordt automatisch beslist voor iedere maatwerkafdeling waarbij de invulling van het toegekende contingent op kalenderjaarbasis minder dan 90 % bedraagt van het toegekende contingent op jaarbasis. Het contingent wordt, rekening houdend met een minimale schaalgrootte van vijf voltijdsequivalenten van doelgroepwerknemers, verminderd met het verschil in percentage tussen de effectieve invullingsgraad op kalenderjaarbasis en de invullingsgraad van 90% van het toegekende contingent.
  De invulling in het jaar in kwestie wordt gemeten aan de hand van de contractuele prestatiebreuk van alle doelgroepwerknemers met loonkosten in het jaar in kwestie.
  De beslissing, vermeld in het tweede en het vijfde lid, heeft ingang de eerste dag van het vierde kwartaal.
  [1 In afwijking van het derde lid beslist de minister over het aandeel en de datum van toekenning van het vrijgekomen contingent dat in 2025 voor herverdeling in aanmerking komt. Het aandeel van het contingent dat voor herverdeling in aanmerking komt wordt per een voltijdsequivalent automatisch herverdeeld onder maatwerkbedrijven met meer dan 95% invulling op jaarbasis, waarbij het maatwerkbedrijf met de hoogste invullingsgraad als eerste in aanmerking komt.]1
 Â
  De vermindering wordt automatisch beslist voor ieder maatwerkbedrijf waarbij de invulling van het toegekende contingent op kalenderjaarbasis minder dan 90% bedraagt van het toegekende contingent op jaarbasis. Het contingent wordt verminderd met het verschil in percentage tussen de effectieve invullingsgraad op kalenderjaarbasis en de invullingsgraad van 90% van het toegekende contingent, rekening houdend met een minimale schaalgrootte van twintig voltijdsequivalenten van doelgroepwerknemers.
  Het vrijgekomen contingent binnen de maatwerkbedrijven wordt per één voltijdsequivalent automatisch herverdeeld aan de maatwerkbedrijven met meer dan 95% invulling op jaarbasis, waarbij het maatwerkbedrijf met de hoogste invullingsgraad als eerste in aanmerking komt.
  De invulling in het jaar in kwestie wordt gemeten aan de hand van de contractuele prestatiebreuk van alle doelgroepwerknemers met loonkosten in het jaar in kwestie.
  De vermindering wordt automatisch beslist voor iedere maatwerkafdeling waarbij de invulling van het toegekende contingent op kalenderjaarbasis minder dan 90 % bedraagt van het toegekende contingent op jaarbasis. Het contingent wordt, rekening houdend met een minimale schaalgrootte van vijf voltijdsequivalenten van doelgroepwerknemers, verminderd met het verschil in percentage tussen de effectieve invullingsgraad op kalenderjaarbasis en de invullingsgraad van 90% van het toegekende contingent.
  De invulling in het jaar in kwestie wordt gemeten aan de hand van de contractuele prestatiebreuk van alle doelgroepwerknemers met loonkosten in het jaar in kwestie.
  De beslissing, vermeld in het tweede en het vijfde lid, heeft ingang de eerste dag van het vierde kwartaal.
  [1 In afwijking van het derde lid beslist de minister over het aandeel en de datum van toekenning van het vrijgekomen contingent dat in 2025 voor herverdeling in aanmerking komt. Het aandeel van het contingent dat voor herverdeling in aanmerking komt wordt per een voltijdsequivalent automatisch herverdeeld onder maatwerkbedrijven met meer dan 95% invulling op jaarbasis, waarbij het maatwerkbedrijf met de hoogste invullingsgraad als eerste in aanmerking komt.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 31. Le département réduit ou augmente le contingent de mesures d'aide à l'emploi au cours du troisiÚme trimestre de chaque année.
  La décision d'une réduction est prise automatiquement pour chaque entreprise de travail adapté, dont la réalisation du contingent octroyé sur base de l'année civile est inférieure à 90% du contingent octroyé sur base annuelle. Le contingent est réduit en fonction de la différence en pourcentage entre le taux de réalisation effectif du contingent octroyé sur base de l'année civile et le taux de réalisation de 90% du contingent octroyé, compte tenu d'une grandeur d'échelle minimum de vingt équivalents à temps plein de travailleurs de groupe cible.
  Le contingent libéré dans les entreprises de travail adapté est automatiquement redistribué par équivalent à temps plein en faveur des entreprises de travail adapté ayant un taux de réalisation supérieur à 95% sur base annuelle, l'entreprise de travail adapté ayant le taux de réalisation le plus élevé étant prise en considération en premier.
  La réalisation dans l'année concernée est mesurée à l'aide de la fraction de prestation contractuelle de tous les travailleurs de groupe cible ayant occasionné des frais salariaux au cours de l'année en question.
  La décision de réduction est prise automatiquement pour chaque département de travail adapté, dont la réalisation du contingent octroyé sur base de l'année civile est inférieure à 90% du contingent octroyé sur base annuelle. Compte tenu d'une grandeur d'échelle minimale de cinq travailleurs de groupe-cible équivalents temps plein, le contingent est réduit en fonction de la différence en pourcentage entre le taux de réalisation effectif du contingent octroyé pour l'année civile et le taux de réalisation 90% du contingent octroyé.
  La réalisation dans l'année concernée est mesurée à l'aide de la fraction de prestation contractuelle de tous les travailleurs de groupe cible ayant occasionné des frais salariaux au cours de l'année en question.
  La décision visée aux alinéas deux et cinq, produit ses effets le premier jour du quatriÚme trimestre.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 3, le ministre décide de la proportion et de la date d'attribution du quota libéré éligible à la redistribution en 2025. La proportion du quota éligible à la redistribution est automatiquement redistribuée par équivalent temps plein aux entreprises de travail adapté dont le taux de remplissage est supérieur à 95 % sur une base annuelle, l'entreprise de travail adapté au taux de remplissage le plus élevé étant la premiÚre éligible.]1
 Â
  La décision d'une réduction est prise automatiquement pour chaque entreprise de travail adapté, dont la réalisation du contingent octroyé sur base de l'année civile est inférieure à 90% du contingent octroyé sur base annuelle. Le contingent est réduit en fonction de la différence en pourcentage entre le taux de réalisation effectif du contingent octroyé sur base de l'année civile et le taux de réalisation de 90% du contingent octroyé, compte tenu d'une grandeur d'échelle minimum de vingt équivalents à temps plein de travailleurs de groupe cible.
  Le contingent libéré dans les entreprises de travail adapté est automatiquement redistribué par équivalent à temps plein en faveur des entreprises de travail adapté ayant un taux de réalisation supérieur à 95% sur base annuelle, l'entreprise de travail adapté ayant le taux de réalisation le plus élevé étant prise en considération en premier.
  La réalisation dans l'année concernée est mesurée à l'aide de la fraction de prestation contractuelle de tous les travailleurs de groupe cible ayant occasionné des frais salariaux au cours de l'année en question.
  La décision de réduction est prise automatiquement pour chaque département de travail adapté, dont la réalisation du contingent octroyé sur base de l'année civile est inférieure à 90% du contingent octroyé sur base annuelle. Compte tenu d'une grandeur d'échelle minimale de cinq travailleurs de groupe-cible équivalents temps plein, le contingent est réduit en fonction de la différence en pourcentage entre le taux de réalisation effectif du contingent octroyé pour l'année civile et le taux de réalisation 90% du contingent octroyé.
  La réalisation dans l'année concernée est mesurée à l'aide de la fraction de prestation contractuelle de tous les travailleurs de groupe cible ayant occasionné des frais salariaux au cours de l'année en question.
  La décision visée aux alinéas deux et cinq, produit ses effets le premier jour du quatriÚme trimestre.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 3, le ministre décide de la proportion et de la date d'attribution du quota libéré éligible à la redistribution en 2025. La proportion du quota éligible à la redistribution est automatiquement redistribuée par équivalent temps plein aux entreprises de travail adapté dont le taux de remplissage est supérieur à 95 % sur une base annuelle, l'entreprise de travail adapté au taux de remplissage le plus élevé étant la premiÚre éligible.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 31/1. [1 In geval van een crisis met een ernstige sociale en economische impact kan de minister afwijken van de automatische vermindering van het contingent aan werkondersteunende maatregelen zoals vermeld in artikel 31.]1
 Â
 Â
Art. 31/1. [1 En cas de crise ayant un impact social et économique grave, le ministre peut déroger à la diminution automatique du contingent attribué de mesures d'aide à l'emploi, tel que prévu à l'article 31.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
HOOFDSTUK 6. - Werkondersteunende maatregelen
CHAPITRE 6. - Mesures d'aide Ă l'emploi
Art. 32. Met het oog op de uitbetaling van de werkondersteunende maatregelen registreren het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling de tewerkstelling van de doelgroepwerknemers in de toepassing die de VDAB ter beschikking stelt.
Art. 32. En vue du paiement des mesures d'aide à l'emploi, l'entreprise et le département de travail adapté enregistrent l'emploi de travailleurs de groupe cible dans l'application mise à disposition par le VDAB.
Afdeling 1. - Loonpremie
Section 1re. - Prime salariale
Art. 33. De loonpremie wordt toegekend [1 met inachtneming van de voorwaarden van de algemene groepsvrijstellingsverordening]1.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 33. La prime salariale est octroyée [1 dans le respect des conditions du rÚglement général d'exemption par catégorie]1.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 34. De loonpremie wordt vastgesteld aan de hand van een percentage van het geplafonneerde referteloon. Het percentage van het geplafonneerde referteloon is afhankelijk van de behoefte aan werkondersteunende maatregelen, naargelang het geval:
  1° 40%;
  2° 45%;
  3° 50%;
  4° 55%;
  5° 60%;
  6° 65%;
  7° 75%.
  Het percentage van het geplafonneerde referteloon is 45% voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 3, 2°, c, van het decreet van 12 juli 2013.
  [1 De kosten die in aanmerking komen zoals vermeld in artikel 2, punt 31 van de groepsvrijstellingsverordening, zijn de loonkosten gedurende maximaal 24 maanden vanaf de aanwerving van een uiterst kwetsbare werknemer.
  Voor de werknemer met een handicap zijn de kosten die in aanmerking komen zoals vermeld in artikel 2, punt 31 van de groepsvrijstellingsverordening, de loonkosten gedurende de hele periode waarin de werknemer in dienst is.]1
 Â
  1° 40%;
  2° 45%;
  3° 50%;
  4° 55%;
  5° 60%;
  6° 65%;
  7° 75%.
  Het percentage van het geplafonneerde referteloon is 45% voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 3, 2°, c, van het decreet van 12 juli 2013.
  [1 De kosten die in aanmerking komen zoals vermeld in artikel 2, punt 31 van de groepsvrijstellingsverordening, zijn de loonkosten gedurende maximaal 24 maanden vanaf de aanwerving van een uiterst kwetsbare werknemer.
  Voor de werknemer met een handicap zijn de kosten die in aanmerking komen zoals vermeld in artikel 2, punt 31 van de groepsvrijstellingsverordening, de loonkosten gedurende de hele periode waarin de werknemer in dienst is.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 34. La prime salariale est fixée à l'aide d'un pourcentage du salaire de référence plafonné. Le pourcentage du salaire de référence plafonné dépend du besoin de mesures d'aide à l'emploi et s'élÚve, selon le cas, à :
  1° 40 %;
  2° 45 %;
  3° 50 %;
  4° 55 %;
  5° 60 %;
  6° 65 %;
  7° 75 %;
  Le pourcentage du salaire de référence plafonné est de 45 % pour le travailleur de groupe cible, visé à l'article 3, 2°, c, du décret du 12 juillet 2013.
  [1 Les coûts admissibles tels que visés à l'article 2, point 31, du rÚglement d'exemption par catégorie sont les coûts salariaux pendant une période maximale de 24 mois à compter de l'embauche d'un travailleur hautement vulnérable.
  Pour le travailleur handicapé les coûts admissibles tels que visés à l'article 2, point 31, du rÚglement d'exemption par catégorie sont les coûts salariaux pendant toute la période pendant laquelle le travailleur est employé.]1
 Â
  1° 40 %;
  2° 45 %;
  3° 50 %;
  4° 55 %;
  5° 60 %;
  6° 65 %;
  7° 75 %;
  Le pourcentage du salaire de référence plafonné est de 45 % pour le travailleur de groupe cible, visé à l'article 3, 2°, c, du décret du 12 juillet 2013.
  [1 Les coûts admissibles tels que visés à l'article 2, point 31, du rÚglement d'exemption par catégorie sont les coûts salariaux pendant une période maximale de 24 mois à compter de l'embauche d'un travailleur hautement vulnérable.
  Pour le travailleur handicapé les coûts admissibles tels que visés à l'article 2, point 31, du rÚglement d'exemption par catégorie sont les coûts salariaux pendant toute la période pendant laquelle le travailleur est employé.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 35. Het referteloon is samengesteld uit de volgende bestanddelen die daadwerkelijk door de werkgever worden uitbetaald voor de bezoldiging van de doelgroepwerknemer:
  1° het loon, vermeld in artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en zoals als dusdanig gekwalificeerd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  2° alle verplichte werkgeversbijdragen die verschuldigd zijn conform artikel 38, § 3 en § 3bis, § 3undecies en § 3quinquies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
  De verminderingen van sociale zekerheidsbijdragen ten voordele van de werkgever, en de verminderingen, vermeld in titel IV, hoofdstuk 7, van de Programmawet (I) van 24 december 2002, worden daarbij in mindering gebracht.
  1° het loon, vermeld in artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en zoals als dusdanig gekwalificeerd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  2° alle verplichte werkgeversbijdragen die verschuldigd zijn conform artikel 38, § 3 en § 3bis, § 3undecies en § 3quinquies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
  De verminderingen van sociale zekerheidsbijdragen ten voordele van de werkgever, en de verminderingen, vermeld in titel IV, hoofdstuk 7, van de Programmawet (I) van 24 december 2002, worden daarbij in mindering gebracht.
Art. 35. Le salaire de référence est composé des éléments suivants qui sont effectivement payés par l'employeur dans le cadre de la rémunération du travailleur de groupe cible :
  1° le salaire, visĂ© Ă l'article 14 de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs et qualifiĂ© comme tel par l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale ;
  2° toutes les cotisations patronales obligatoires dues conformément à l'article 38, § 3 et § 3 bis, § 3 undecies et § 3 quinquies de la loi du 29 juin 1981 portant les principes généraux de sécurité sociale pour les travailleurs.
  Les réductions des cotisations de sécurité sociale au profit de l'employeur, et celles visées au titre IV, chapitre 7, de la Loi-programme (I) du 24 décembre 2002, en sont décomptées.
  1° le salaire, visĂ© Ă l'article 14 de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs et qualifiĂ© comme tel par l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale ;
  2° toutes les cotisations patronales obligatoires dues conformément à l'article 38, § 3 et § 3 bis, § 3 undecies et § 3 quinquies de la loi du 29 juin 1981 portant les principes généraux de sécurité sociale pour les travailleurs.
  Les réductions des cotisations de sécurité sociale au profit de l'employeur, et celles visées au titre IV, chapitre 7, de la Loi-programme (I) du 24 décembre 2002, en sont décomptées.
Art. 36. Voor de berekening van de loonpremie van de doelgroepwerknemers die in dienst zijn van de maatwerkbedrijven wordt het referteloon geplafonneerd tot 1,4 van het gewaarborgde gemiddelde minimum maandinkomen, vermeld in artikel 3, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen.
  Voor de berekening van de loonpremie van de doelgroepwerknemers in dienst van de maatwerkafdelingen, wordt het referteloon geplafonneerd tot het dubbel van het gewaarborgde gemiddelde minimum maandinkomen, vermeld in artikel 3, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen.
  Voor de berekening van de loonpremie van de doelgroepwerknemers in dienst van de maatwerkafdelingen, wordt het referteloon geplafonneerd tot het dubbel van het gewaarborgde gemiddelde minimum maandinkomen, vermeld in artikel 3, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen.
Art. 36. Pour le calcul de la prime salariale des travailleurs de groupe cible occupés par les entreprises de travail adapté, le salaire de référence est plafonné à 1, 4 du revenu mensuel moyen minimum garanti, mentionné à l'article 3, alinéa premier, de la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 relative à la garantie d'un revenu mensuel moyen minimum.
  Pour le calcul de la prime salariale des travailleurs de groupe cible occupés par les départements de travail adapté, le salaire de référence est plafonné au double du revenu minimum mensuel moyen garanti visé à l'article 3, alinéa premier, de la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 relative à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen.
  Pour le calcul de la prime salariale des travailleurs de groupe cible occupés par les départements de travail adapté, le salaire de référence est plafonné au double du revenu minimum mensuel moyen garanti visé à l'article 3, alinéa premier, de la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 relative à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen.
Art. 37. Voor de maatwerkbedrijven wordt het geplafonneerde referteloon verhoogd met:
  1° forfaitaire loonkosten bepaald op vier procent van het geplafonneerde referteloon;
  2° alle supplementaire werkgeversbijdragen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, met uitzondering van de solidariteitsbijdrage wegens het ontbreken van Dimona en de solidariteitsbijdrage in de door de werkgever terugbetaalde verkeersboetes;
  3° de loonkosten ten laste van de werkgever, veroorzaakt door arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte, ongeval van gemeen recht, arbeidsongeval of beroepsziekte conform artikel 52, 54, 70, 71, 72 van de wet van 3 juli 1978 betreffende arbeidsovereenkomsten en artikel 3 en 10 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis tot aanpassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12 van 28 juni 1973 betreffende het toekennen van een gewaarborgd maandloon aan de werklieden in geval van arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte, ongeval van gemeen recht, arbeidsongeval of beroepsziekte, aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en artikel 3 en 10 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 13bis tot aanpassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 13 van 28 juni 1973 betreffende het toekennen van een gewaarborgd maandloon aan sommige bedienden in geval van arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte, ongeval van gemeen recht, arbeidsongeval of beroepsziekte, aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
  1° forfaitaire loonkosten bepaald op vier procent van het geplafonneerde referteloon;
  2° alle supplementaire werkgeversbijdragen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, met uitzondering van de solidariteitsbijdrage wegens het ontbreken van Dimona en de solidariteitsbijdrage in de door de werkgever terugbetaalde verkeersboetes;
  3° de loonkosten ten laste van de werkgever, veroorzaakt door arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte, ongeval van gemeen recht, arbeidsongeval of beroepsziekte conform artikel 52, 54, 70, 71, 72 van de wet van 3 juli 1978 betreffende arbeidsovereenkomsten en artikel 3 en 10 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis tot aanpassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12 van 28 juni 1973 betreffende het toekennen van een gewaarborgd maandloon aan de werklieden in geval van arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte, ongeval van gemeen recht, arbeidsongeval of beroepsziekte, aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en artikel 3 en 10 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 13bis tot aanpassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 13 van 28 juni 1973 betreffende het toekennen van een gewaarborgd maandloon aan sommige bedienden in geval van arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte, ongeval van gemeen recht, arbeidsongeval of beroepsziekte, aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Art. 37. Pour les entreprises de travail adapté, le salaire de référence plafonné est majoré :
  1° des frais salariaux forfaitaires fixés à quatre pour cent du salaire de référence plafonné ;
  2° de toutes les cotisations patronales supplémentaires de l'Office National de sécurité Sociale, à l'exception de la cotisation de solidarité en raison d'absence de Dimona et de la cotisation de solidarité sur les amendes routiÚres remboursées par l'employeur ;
  3° des frais salariaux à charge de l'employeur, causés par une incapacité de travail résultant d'une maladie, d'un accident de droit commun, d'un accident de travail ou d'une maladie professionnelle conformément aux articles 52, 54, 70, 71, 72 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et aux articles 3 et 10 de la convention collective du travail n° 12 bis adaptant la convention de travail n° 12 du 28 juin 1973 concernant l'octroi d'un salaire mensuel garanti aux ouvriers en cas d'incapacité de travail résultant d'une maladie, d'un accident de droit commun, d'un accident de travail ou d'une maladie professionnelle, à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et aux articles 3 et 10 de la convention collective de travail n° 13 bis adaptant à la convention collective de travail n° 13 du 28 juin 1973 concernant l'octroi d'un salaire mensuel garanti à certains employés en cas d'incapacité de travail résultant d'une maladie, d'un accident de droit commun, d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, à la loi du 3 juillet relative aux contrats de travail.
  1° des frais salariaux forfaitaires fixés à quatre pour cent du salaire de référence plafonné ;
  2° de toutes les cotisations patronales supplémentaires de l'Office National de sécurité Sociale, à l'exception de la cotisation de solidarité en raison d'absence de Dimona et de la cotisation de solidarité sur les amendes routiÚres remboursées par l'employeur ;
  3° des frais salariaux à charge de l'employeur, causés par une incapacité de travail résultant d'une maladie, d'un accident de droit commun, d'un accident de travail ou d'une maladie professionnelle conformément aux articles 52, 54, 70, 71, 72 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et aux articles 3 et 10 de la convention collective du travail n° 12 bis adaptant la convention de travail n° 12 du 28 juin 1973 concernant l'octroi d'un salaire mensuel garanti aux ouvriers en cas d'incapacité de travail résultant d'une maladie, d'un accident de droit commun, d'un accident de travail ou d'une maladie professionnelle, à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et aux articles 3 et 10 de la convention collective de travail n° 13 bis adaptant à la convention collective de travail n° 13 du 28 juin 1973 concernant l'octroi d'un salaire mensuel garanti à certains employés en cas d'incapacité de travail résultant d'une maladie, d'un accident de droit commun, d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, à la loi du 3 juillet relative aux contrats de travail.
Art. 37/1. [1 Voor de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020 wordt de loonpremie van de doelgroepwerknemer verhoogd met een percentage van 4 % met als doelstelling de tewerkstelling van doelgroepwerknemers en begeleiders op een veilige manier te organiseren rekening houdend met de regels rond social distancing en andere voorzorgsmaatregelen om de verspreiding van het coronavirus zoveel als mogelijk tegen te gaan.
  In het kader van deze verhoogde loonpremie wordt op het niveau van de onderneming sociaal overleg gepleegd over de invoering van extra beschermende maatregelen ingevolge het coronavirus. ]1
 Â
  In het kader van deze verhoogde loonpremie wordt op het niveau van de onderneming sociaal overleg gepleegd over de invoering van extra beschermende maatregelen ingevolge het coronavirus. ]1
 Â
Art. 37/1. [1 Pour la période du 1er avril 2020 au 30 juin 2020, la prime salariale du travailleur de groupe-cible est majorée de 4 % dans le but d'organiser l'emploi des travailleurs de groupe-cible et des accompagnateurs de maniÚre sûre, en tenant compte des rÚgles de la distanciation sociale et des autres mesures de précaution dans le but d'endiguer au maximum la propagation du coronavirus.
  Dans le cadre de cette prime salariale majorée, une concertation sociale est organisée au niveau de l'entreprise concernant l'introduction de mesures de protection supplémentaires en raison du coronavirus. ]1
 Â
  Dans le cadre de cette prime salariale majorée, une concertation sociale est organisée au niveau de l'entreprise concernant l'introduction de mesures de protection supplémentaires en raison du coronavirus. ]1
 Â
Wijzigingen
Art. 38. § 1. De loonpremie voor de doelgroepwerknemer is cumuleerbaar met andere steunmaatregelen als een dergelijke cumulatie er niet toe leidt dat de met toepassing van dit besluit geïndiceerde steunintensiteit wordt overschreden [1 als vermeld in artikel 1/6]1.
  Als de geïndiceerde steunintensiteit wordt overschreden, worden de buiten dit besluit verworven vergoedingen volledig in mindering gebracht van de loonpremie.
  § 2. De loonpremie voor de doelgroepwerknemer is niet cumuleerbaar met:
  1° de vergoeding voor het inschakelingstraject van de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 24 van het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie;
  2° de Vlaamse ondersteuningspremie voor personen met een arbeidshandicap, vermeld in hoofdstuk VI van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap;
  3° de loonpremie voor de invoegwerknemer, vermeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2005 betreffende de erkenning en financiering van de invoegbedrijven;
  4° de premie, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot toekenning van aanwervingsincentives voor langdurig werkzoekenden;
  [1 5° andere maatregelen die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op dezelfde kosten die in aanmerking komen. Die maatregelen kunnen alleen gecumuleerd worden conform artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.]1
 Â
  Als de geïndiceerde steunintensiteit wordt overschreden, worden de buiten dit besluit verworven vergoedingen volledig in mindering gebracht van de loonpremie.
  § 2. De loonpremie voor de doelgroepwerknemer is niet cumuleerbaar met:
  1° de vergoeding voor het inschakelingstraject van de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 24 van het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie;
  2° de Vlaamse ondersteuningspremie voor personen met een arbeidshandicap, vermeld in hoofdstuk VI van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap;
  3° de loonpremie voor de invoegwerknemer, vermeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2005 betreffende de erkenning en financiering van de invoegbedrijven;
  4° de premie, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot toekenning van aanwervingsincentives voor langdurig werkzoekenden;
  [1 5° andere maatregelen die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op dezelfde kosten die in aanmerking komen. Die maatregelen kunnen alleen gecumuleerd worden conform artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 38. § 1er. La prime salariale pour le travailleur de groupe cible est cumulable avec d'autres mesures d'aide lorsqu'un tel cumul n'engendre pas un dĂ©passement de l'intensitĂ© des aides indiquĂ©e en application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© [1 tel que visĂ© Ă l'article 1er/6]1.
  Lorsque l'intensitĂ© des aides indiquĂ©e est dĂ©passĂ©e, les indemnitĂ©s acquises en dehors du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont entiĂšrement dĂ©duites de la prime salariale.
  § 2. La prime salariale pour le travailleur de groupe cible n'est pas cumulable avec :
  1° l'indemnité pour le trajet d'insertion du travailleur de groupe-cible, visé à l'article 24 du décret du 22 novembre 2013 relatif à l'économie de services locaux ;
  2° la prime flamande de soutien pour personnes atteintes d'un handicap, visĂ©e au chapitre VI de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 relatif Ă l'intĂ©gration professionnelle des personnes atteintes d'un handicap Ă l'emploi ;
  3° la prime salariale pour le travailleur d'insertion, visée à l'article 11 du décret du Gouvernement flamand du 15 juillet 2015 relatif à l'agrément et au financement des entreprises d'insertion ;
  4° la prime, visĂ©e Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2017 portant octroi d'allocations de primes Ă l'embauche de demandeurs d'emploi de longue durĂ©e;
  [1 5° d'autres mesures qui concernent en tout ou en partie les mĂȘmes frais qui sont admissibles. Ces mesures ne peuvent ĂȘtre cumulĂ©es que conformĂ©ment Ă l'article 8 du rĂšglement gĂ©nĂ©ral d'exemption par catĂ©gorie.]1
 Â
  Lorsque l'intensitĂ© des aides indiquĂ©e est dĂ©passĂ©e, les indemnitĂ©s acquises en dehors du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont entiĂšrement dĂ©duites de la prime salariale.
  § 2. La prime salariale pour le travailleur de groupe cible n'est pas cumulable avec :
  1° l'indemnité pour le trajet d'insertion du travailleur de groupe-cible, visé à l'article 24 du décret du 22 novembre 2013 relatif à l'économie de services locaux ;
  2° la prime flamande de soutien pour personnes atteintes d'un handicap, visĂ©e au chapitre VI de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 relatif Ă l'intĂ©gration professionnelle des personnes atteintes d'un handicap Ă l'emploi ;
  3° la prime salariale pour le travailleur d'insertion, visée à l'article 11 du décret du Gouvernement flamand du 15 juillet 2015 relatif à l'agrément et au financement des entreprises d'insertion ;
  4° la prime, visĂ©e Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2017 portant octroi d'allocations de primes Ă l'embauche de demandeurs d'emploi de longue durĂ©e;
  [1 5° d'autres mesures qui concernent en tout ou en partie les mĂȘmes frais qui sont admissibles. Ces mesures ne peuvent ĂȘtre cumulĂ©es que conformĂ©ment Ă l'article 8 du rĂšglement gĂ©nĂ©ral d'exemption par catĂ©gorie.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 39. De loonpremie wordt berekend op basis van de gegevens, vermeld in de aangifte bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, vermeld in artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en de uitvoeringsbesluiten ervan.
  Een wijziging in de aangifte bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ressorteert automatisch in een herberekening van de loonpremie bij de jaarafrekening van het jaar waarop de wijziging die doorgegeven is aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid betrekking heeft. Wijzigingen die niet via de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid meegedeeld worden, komen niet of niet meer in aanmerking voor herberekening van de loonpremie.
  Een wijziging in de aangifte bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ressorteert automatisch in een herberekening van de loonpremie bij de jaarafrekening van het jaar waarop de wijziging die doorgegeven is aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid betrekking heeft. Wijzigingen die niet via de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid meegedeeld worden, komen niet of niet meer in aanmerking voor herberekening van de loonpremie.
Art. 39. La prime salariale est calculĂ©e sur la base des donnĂ©es, visĂ©es Ă la dĂ©claration Ă l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale, visĂ©e Ă l'article 21 de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs et des arrĂȘtĂ©s y portant exĂ©cution.
  Une modification de la déclaration à l'Office national de sécurité sociale débouche automatiquement sur un recalcul de la prime salariale lors du décompte annuel de l'année sur laquelle porte la modification notifiée à l'Office national de Sécurité sociale. Les modifications qui ne sont pas notifiées via l'Office national de sécurité sociale ne sont pas ou plus éligibles au recalcul de la prime salariale.
  Une modification de la déclaration à l'Office national de sécurité sociale débouche automatiquement sur un recalcul de la prime salariale lors du décompte annuel de l'année sur laquelle porte la modification notifiée à l'Office national de Sécurité sociale. Les modifications qui ne sont pas notifiées via l'Office national de sécurité sociale ne sont pas ou plus éligibles au recalcul de la prime salariale.
Art. 39/1. [1 Onverminderd de bepalingen in artikel 39 zal een wijziging in de aangifte bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet ressorteren in een herberekening van de tijdelijk verhoogde loonpremie, zoals bepaald in artikel 37/1. ]1
 Â
 Â
Art. 39/1. [1 Sans préjudice des dispositions de l'article 39, une modification dans la déclaration auprÚs de l'Office national de Sécurité sociale ne débouchera pas sur un recalcul de la prime salariale temporairement majorée, telle que fixée à l'article 37/1. ]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Afdeling 2. - Begeleiding op de werkvloer
Section 2. - Accompagnement sur le lieu de travail
Art. 40. De vergoeding voor de begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemers vermeld in artikel 3, 2°, a) en b), van het decreet van 12 juli 2013 wordt toegekend met inachtneming van de voorwaarden, [1 vermeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening]1.
  De vergoeding voor de begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemers vermeld in artikel 3, 2°, c), van het decreet van 12 juli 2013 wordt toegekend met in achtneming van [1 de voorwaarden, vermeld in artikel 35 van de algemene groepsvrijstellingsverordening]1.
  [1 De begeleidingspremie voor de doelgroepwerknemer is cumuleerbaar met andere steunmaatregelen als een dergelijke cumulatie er niet toe leidt dat de steunintensiteit die met toepassing van dit besluit geïndiceerd is, wordt overschreden. Als de geïndiceerde steunintensiteit wordt overschreden, worden de vergoedingen die buiten dit besluit verworven zijn, volledig in mindering gebracht van de begeleidingspremie.
  De kosten die in aanmerking komen zoals vermeld in artikel 35, punt 2, a) en b), van de groepsvrijstellingsverordening, zijn de kosten om medewerkers uitsluitend in te zetten voor de begeleiding van de uiterst kwetsbare werknemer gedurende maximaal 24 maanden.]1
 Â
  De vergoeding voor de begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemers vermeld in artikel 3, 2°, c), van het decreet van 12 juli 2013 wordt toegekend met in achtneming van [1 de voorwaarden, vermeld in artikel 35 van de algemene groepsvrijstellingsverordening]1.
  [1 De begeleidingspremie voor de doelgroepwerknemer is cumuleerbaar met andere steunmaatregelen als een dergelijke cumulatie er niet toe leidt dat de steunintensiteit die met toepassing van dit besluit geïndiceerd is, wordt overschreden. Als de geïndiceerde steunintensiteit wordt overschreden, worden de vergoedingen die buiten dit besluit verworven zijn, volledig in mindering gebracht van de begeleidingspremie.
  De kosten die in aanmerking komen zoals vermeld in artikel 35, punt 2, a) en b), van de groepsvrijstellingsverordening, zijn de kosten om medewerkers uitsluitend in te zetten voor de begeleiding van de uiterst kwetsbare werknemer gedurende maximaal 24 maanden.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 40. L'indemnité pour l'accompagnement sur le lieu de travail des travailleurs de groupe cible visés à l'article 3, 2°, a) et b), du décret du 12 juillet 2013, est accordée moyennant le respect des conditions [1 visées au rÚglement général d'exemption par catégorie]1.
  L'indemnité pour l'accompagnement sur le lieu de travail des travailleurs de groupe cible visés à l'article 3, 2°, c), du décret du 12 juillet 2013, est accordée moyennant le respect [1 des conditions visées à l'article 35 du rÚglement général d'exemption par catégorie]1.
  [1 La prime d'accompagnement pour le travailleur de groupe-cible est cumulable avec d'autres mesures d'aide lorsqu'une telle cumulation n'a pas pour effet que l'intensitĂ© de l'aide indiquĂ©e en application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, soit dĂ©passĂ©e. Lorsque l'intensitĂ© de l'aide indiquĂ©e est dĂ©passĂ©e, les indemnitĂ©s acquises en dehors du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont entiĂšrement dĂ©duites de la prime d'accompagnement.
  Les coĂ»ts admissibles visĂ©s Ă l'article 35, point 2, a) et b), du rĂšglement d'exemption par catĂ©gorie sont les coĂ»ts liĂ©s Ă l'affectation exclusive des collaborateurs Ă l'accompagnement du travailleur extrĂȘmement vulnĂ©rable pendant une pĂ©riode maximale de 24 mois.]1
 Â
  L'indemnité pour l'accompagnement sur le lieu de travail des travailleurs de groupe cible visés à l'article 3, 2°, c), du décret du 12 juillet 2013, est accordée moyennant le respect [1 des conditions visées à l'article 35 du rÚglement général d'exemption par catégorie]1.
  [1 La prime d'accompagnement pour le travailleur de groupe-cible est cumulable avec d'autres mesures d'aide lorsqu'une telle cumulation n'a pas pour effet que l'intensitĂ© de l'aide indiquĂ©e en application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, soit dĂ©passĂ©e. Lorsque l'intensitĂ© de l'aide indiquĂ©e est dĂ©passĂ©e, les indemnitĂ©s acquises en dehors du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont entiĂšrement dĂ©duites de la prime d'accompagnement.
  Les coĂ»ts admissibles visĂ©s Ă l'article 35, point 2, a) et b), du rĂšglement d'exemption par catĂ©gorie sont les coĂ»ts liĂ©s Ă l'affectation exclusive des collaborateurs Ă l'accompagnement du travailleur extrĂȘmement vulnĂ©rable pendant une pĂ©riode maximale de 24 mois.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 41. § 1. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling maken conform artikel 15, tweede lid, 1° en 3°, van het decreet van 12 juli 2013 in overleg met de doelgroepwerknemer een persoonlijk ontwikkelingsplan op dat tot doel heeft de competenties van de doelgroepwerknemer op te volgen en te ontwikkelen met het oog op zijn functioneren op de werkvloer en zijn kansen om door te stromen.
  [1 Het persoonlijk ontwikkelingsplan omvat een actieplan op maat van de doelgroepwerknemer dat al de volgende elementen bevat:
  1° de persoonsgegevens van de doelgroepwerknemer;
  2° de huidige generieke en technische competenties van de doelgroepwerknemer;
  3° de toekomstige generieke en technische competenties van de doelgroepwerknemer;
  4° minimaal twee verbeteracties voor de generieke of technische competenties van de doelgroepwerknemer.]1.
  In het tweede lid, 2°, wordt verstaan onder generieke competenties: de competenties die betrekking hebben op de wijze waarop de doelgroepwerknemer omgaat met informatie, taken, relaties, en het eigen functioneren op de werkvloer in een concrete dagelijkse werksituatie.
  In het tweede lid, 3°, wordt verstaan onder technische competenties: de noodzakelijke competenties om verwachte resultaten op de werkvloer die eigen zijn aan een welbepaalde functie te realiseren.
  § 2. Het departement bezorgt aan het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling een model van persoonlijk ontwikkelingsplan.
  [1 ...]1
 Â
  [1 Het persoonlijk ontwikkelingsplan omvat een actieplan op maat van de doelgroepwerknemer dat al de volgende elementen bevat:
  1° de persoonsgegevens van de doelgroepwerknemer;
  2° de huidige generieke en technische competenties van de doelgroepwerknemer;
  3° de toekomstige generieke en technische competenties van de doelgroepwerknemer;
  4° minimaal twee verbeteracties voor de generieke of technische competenties van de doelgroepwerknemer.]1.
  In het tweede lid, 2°, wordt verstaan onder generieke competenties: de competenties die betrekking hebben op de wijze waarop de doelgroepwerknemer omgaat met informatie, taken, relaties, en het eigen functioneren op de werkvloer in een concrete dagelijkse werksituatie.
  In het tweede lid, 3°, wordt verstaan onder technische competenties: de noodzakelijke competenties om verwachte resultaten op de werkvloer die eigen zijn aan een welbepaalde functie te realiseren.
  § 2. Het departement bezorgt aan het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling een model van persoonlijk ontwikkelingsplan.
  [1 ...]1
 Â
Wijzigingen
Art. 41. § 1er. ConformĂ©ment Ă l'article 15, alinĂ©a deux, 1° et 3°, du dĂ©cret du 12 juillet 2013, l'entreprise de travail adaptĂ© et le dĂ©partement de travail adaptĂ© Ă©tablissent, en concertation avec le travailleur de groupe cible, un plan de dĂ©veloppement personnel ayant pour but de suivre et de dĂ©velopper les compĂ©tences du travailleur de groupe cible, avec un intĂ©rĂȘt particulier pour son fonctionnement sur le lieu de travail et ses perspectives d'Ă©volution.
  [1 Le plan de développement personnel comporte un plan d'action adapté au travailleur de groupe-cible contenant l'ensemble des éléments suivants :
  1° les données à caractÚre personnel du travailleur de groupe-cible ;
  2° les compétences génériques et techniques actuelles du travailleur de groupe-cible ;
  3° les compétences génériques et techniques futures du travailleur de groupe-cible ;
  4° au moins deux actions d'amélioration au niveau des compétences génériques ou techniques du travailleur de groupe-cible. ]1
  Dans l'alinéa deux, 2°, on entend par compétences génériques : les compétences ayant trait à la façon dont le travailleur de groupe cible s'accommode des informations, des tùches, des relations et son propre fonctionnement sur le lieu de travail dans une situation professionnelle concrÚte et quotidienne.
  Dans l'alinéa deux, 3°, on entend par compétences techniques : les compétences nécessaires pour réaliser sur le lieu du travail les résultats escomptés qui sont propres à une certaine fonction.
  § 2. Le département transmet à l'entreprise et au département de travail adapté un modÚle de plan de développement personnel.
  [1 ...]1
 Â
  [1 Le plan de développement personnel comporte un plan d'action adapté au travailleur de groupe-cible contenant l'ensemble des éléments suivants :
  1° les données à caractÚre personnel du travailleur de groupe-cible ;
  2° les compétences génériques et techniques actuelles du travailleur de groupe-cible ;
  3° les compétences génériques et techniques futures du travailleur de groupe-cible ;
  4° au moins deux actions d'amélioration au niveau des compétences génériques ou techniques du travailleur de groupe-cible. ]1
  Dans l'alinéa deux, 2°, on entend par compétences génériques : les compétences ayant trait à la façon dont le travailleur de groupe cible s'accommode des informations, des tùches, des relations et son propre fonctionnement sur le lieu de travail dans une situation professionnelle concrÚte et quotidienne.
  Dans l'alinéa deux, 3°, on entend par compétences techniques : les compétences nécessaires pour réaliser sur le lieu du travail les résultats escomptés qui sont propres à une certaine fonction.
  § 2. Le département transmet à l'entreprise et au département de travail adapté un modÚle de plan de développement personnel.
  [1 ...]1
 Â
Wijzigingen
Art. 42. [1 Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling richten de verbeteracties, vermeld in artikel 41, § 1, tweede lid, 4°, op doorstroom bij doelgroepwerknemers met een lage begeleidingsbehoefte.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 42. [1 L'entreprise de travail adapté et le département de travail adapté orientent les actions d'amélioration visées à l'article 41, § 1er, alinéa 2, 4°, sur la transition des travailleurs de groupe-cible ayant un faible besoin d'accompagnement.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 43. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling evalueren jaarlijks de competentieontwikkeling van de doelgroepwerknemer met een persoonlijk gesprek. Ze sturen op basis van die resultaten het persoonlijk ontwikkelingsplan voor het volgende jaar bij.
Art. 43. L'entreprise de travail adapté et le département de travail adapté évaluent le développement des compétences du travailleur de groupe cible dans un entretien personnel. Ces résultats servent de base pour ajuster le plan de développement personnel de l'année suivante.
Art. 44. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling passen de arbeidsomstandigheden aan de door het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling gedetecteerde behoeften van de doelgroepwerknemer aan.
  In het eerste lid wordt verstaan onder arbeidsomstandigheden: de fysieke, sociale en psychologische eigenschappen van de werkomgeving.
  In het eerste lid wordt verstaan onder arbeidsomstandigheden: de fysieke, sociale en psychologische eigenschappen van de werkomgeving.
Art. 44. L'entreprise de travail adapté et le département de travail adapté adaptent les conditions de travail aux besoins du travailleur de groupe cible détectés par l'entreprise de travail adapté et le département de travail adapté.
  Dans l'alinéa premier, on entend par conditions de travail : les caractéristiques physiques, sociales et psychologiques de milieu professionnel.
  Dans l'alinéa premier, on entend par conditions de travail : les caractéristiques physiques, sociales et psychologiques de milieu professionnel.
Art. 45. § 1. De personen die instaan voor de begeleiding van de doelgroepwerknemers beschikken over de kerncompetenties samenwerken, communiceren en persoonsgericht werken.
  Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling voorzien daarvoor in een opleidingsplan met bijbehorende opleiding. De opleiding vangt aan binnen zes maanden na de indiensttreding van de begeleider. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling coachen de begeleider gedurende twaalf maanden.
  De minister bepaalt welke opleiding aan de opleidingsvoorwaarden voldoet.
  Opleidingsvertrekkers kunnen een voorstel van opleiding voordragen aan het departement dat daarover binnen dertig dagen na ontvangst aan de minister een advies formuleert.
  § 2. Het opleidingsplan met bijbehorende opleiding, vermeld in paragraaf 1, is niet vereist voor de begeleider die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
  1° de begeleider heeft al een opleiding als vermeld in paragraaf 1, derde lid, gevolgd;
  2° de begeleider beschikt over minimaal twee jaar aantoonbare relevante beroepservaring;
  3° de begeleider beschikt over een relevante titel van beroepsbekwaamheid als vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid;
  [1 4° de begeleider beschikt over een relevant bewijs van een beroepskwalificatie als vermeld in artikel 8 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.]1
  De minister stelt de in aanmerking komende ervaringsbewijzen [1 en beroepskwalificaties]1 vast na het advies van het departement.
 Â
  Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling voorzien daarvoor in een opleidingsplan met bijbehorende opleiding. De opleiding vangt aan binnen zes maanden na de indiensttreding van de begeleider. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling coachen de begeleider gedurende twaalf maanden.
  De minister bepaalt welke opleiding aan de opleidingsvoorwaarden voldoet.
  Opleidingsvertrekkers kunnen een voorstel van opleiding voordragen aan het departement dat daarover binnen dertig dagen na ontvangst aan de minister een advies formuleert.
  § 2. Het opleidingsplan met bijbehorende opleiding, vermeld in paragraaf 1, is niet vereist voor de begeleider die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
  1° de begeleider heeft al een opleiding als vermeld in paragraaf 1, derde lid, gevolgd;
  2° de begeleider beschikt over minimaal twee jaar aantoonbare relevante beroepservaring;
  3° de begeleider beschikt over een relevante titel van beroepsbekwaamheid als vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid;
  [1 4° de begeleider beschikt over een relevant bewijs van een beroepskwalificatie als vermeld in artikel 8 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur.]1
  De minister stelt de in aanmerking komende ervaringsbewijzen [1 en beroepskwalificaties]1 vast na het advies van het departement.
 Â
Wijzigingen
Art. 45. § 1er. Les personnes chargées de l'accompagnement des travailleurs de groupe cible disposent des compétences clé de coopération, de communication et d'une approche centrée sur la personne.
  A cet effet, l'entreprise de travail adapté et le département de travail adapté prévoient un plan de formation assorti de la formation concernée. La formation commence dans les six mois à dater de l'entrée en service de l'accompagnateur. L'entreprise de travail adapté et le département de travail adapté assurent le coaching de l'accompagnateur pendant douze mois.
  Le ministre détermine la formation qui répond aux conditions de formation.
  Des organismes de formation peuvent proposer une formation au département qui rendra un avis au ministre dans les trente jours à dater de la réception de la proposition.
  § 2. Le plan de formation assorti de la formation concernée, visé au paragraphe 1er, n'est pas requis pour l'accompagnateur qui répond à l'une des conditions suivantes :
  1° l'accompagnateur a déjà suivi une formation telle que visée au paragraphe 1er, alinéa trois ;
  2° l'accompagnateur dispose d'au moins deux ans d'expérience professionnelle pertinente démontrable ;
  3° l'accompagnateur est titulaire d'un titre pertinent de compétence professionnelle tel que visé à l'article 4, § 1er, du décret du 30 avril 2004 relatif à l'obtention d'un titre de compétence professionnelle;
  [1 4° l'accompagnateur est titulaire d'un certificat pertinent de qualification professionnelle tel que visé à l'article 8 du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications.]1
  Le ministre détermine les titres d'expérience [1 et les qualifications professionnelles]1 éligibles sur avis du département.
 Â
  A cet effet, l'entreprise de travail adapté et le département de travail adapté prévoient un plan de formation assorti de la formation concernée. La formation commence dans les six mois à dater de l'entrée en service de l'accompagnateur. L'entreprise de travail adapté et le département de travail adapté assurent le coaching de l'accompagnateur pendant douze mois.
  Le ministre détermine la formation qui répond aux conditions de formation.
  Des organismes de formation peuvent proposer une formation au département qui rendra un avis au ministre dans les trente jours à dater de la réception de la proposition.
  § 2. Le plan de formation assorti de la formation concernée, visé au paragraphe 1er, n'est pas requis pour l'accompagnateur qui répond à l'une des conditions suivantes :
  1° l'accompagnateur a déjà suivi une formation telle que visée au paragraphe 1er, alinéa trois ;
  2° l'accompagnateur dispose d'au moins deux ans d'expérience professionnelle pertinente démontrable ;
  3° l'accompagnateur est titulaire d'un titre pertinent de compétence professionnelle tel que visé à l'article 4, § 1er, du décret du 30 avril 2004 relatif à l'obtention d'un titre de compétence professionnelle;
  [1 4° l'accompagnateur est titulaire d'un certificat pertinent de qualification professionnelle tel que visé à l'article 8 du décret du 30 avril 2009 relatif à la structure des certifications.]1
  Le ministre détermine les titres d'expérience [1 et les qualifications professionnelles]1 éligibles sur avis du département.
 Â
Wijzigingen
Art. 46. De werkvloerbegeleider ondersteunt de doelgroepwerknemer met het oog op de uitoefening van zijn taak, vermeld in artikel 15, tweede lid, 2°, van het decreet van 12 juli 2013.
  De lage intensiteit van coaching door de werkvloerbegeleider omvat:
  1° de werkvloerbegeleider is bereikbaar voor de doelgroepwerknemer;
  2° de werkvloerbegeleider volgt dagelijks de taakuitvoering op en stuurt de uitvoering bij als dat nodig is;
  3° de werkvloerbegeleider geeft wekelijks feedback aan de doelgroepwerknemer over zijn functioneren en taken;
  4° verhoudingsgewijs wordt het streefcijfer van dertien te begeleiden doelgroepwerknemers met lage begeleidingsintensiteit per werkvloerbegeleider gehaald.
  De gemiddelde intensiteit van coaching door de werkvloerbegeleider omvat:
  1° de werkvloerbegeleider is permanent bereikbaar voor de doelgroepwerknemer;
  2° de werkvloerbegeleider volgt meermaals per dag de taakuitvoering op en stuurt de uitvoering bij als dat nodig is;
  3° de werkvloerbegeleider stuurt dagelijks het functioneren van de doelgroepwerknemer bij als dat nodig is;
  4° verhoudingsgewijs wordt het streefcijfer van tien te begeleiden doelgroepwerknemers met gemiddelde begeleidingsintensiteit per werkvloerbegeleider gehaald.
  De hoge intensiteit van coaching door de werkvloerbegeleider omvat:
  1° de werkvloerbegeleider is permanent bereikbaar en beschikbaar voor de doelgroepwerknemer;
  2° de werkvloerbegeleider volgt permanent de taakuitvoering op;
  3° de werkvloerbegeleider stuurt permanent het functioneren van de doelgroepwerknemer bij indien nodig;
  4° verhoudingsgewijs wordt het streefcijfer van zeven te begeleiden doelgroepwerknemers met hoge begeleidingsintensiteit per werkvloerbegeleider gehaald.
  De lage intensiteit van coaching door de werkvloerbegeleider omvat:
  1° de werkvloerbegeleider is bereikbaar voor de doelgroepwerknemer;
  2° de werkvloerbegeleider volgt dagelijks de taakuitvoering op en stuurt de uitvoering bij als dat nodig is;
  3° de werkvloerbegeleider geeft wekelijks feedback aan de doelgroepwerknemer over zijn functioneren en taken;
  4° verhoudingsgewijs wordt het streefcijfer van dertien te begeleiden doelgroepwerknemers met lage begeleidingsintensiteit per werkvloerbegeleider gehaald.
  De gemiddelde intensiteit van coaching door de werkvloerbegeleider omvat:
  1° de werkvloerbegeleider is permanent bereikbaar voor de doelgroepwerknemer;
  2° de werkvloerbegeleider volgt meermaals per dag de taakuitvoering op en stuurt de uitvoering bij als dat nodig is;
  3° de werkvloerbegeleider stuurt dagelijks het functioneren van de doelgroepwerknemer bij als dat nodig is;
  4° verhoudingsgewijs wordt het streefcijfer van tien te begeleiden doelgroepwerknemers met gemiddelde begeleidingsintensiteit per werkvloerbegeleider gehaald.
  De hoge intensiteit van coaching door de werkvloerbegeleider omvat:
  1° de werkvloerbegeleider is permanent bereikbaar en beschikbaar voor de doelgroepwerknemer;
  2° de werkvloerbegeleider volgt permanent de taakuitvoering op;
  3° de werkvloerbegeleider stuurt permanent het functioneren van de doelgroepwerknemer bij indien nodig;
  4° verhoudingsgewijs wordt het streefcijfer van zeven te begeleiden doelgroepwerknemers met hoge begeleidingsintensiteit per werkvloerbegeleider gehaald.
Art. 46. L'accompagnateur sur le lieu de travail soutient le travailleur de groupe cible en vue de l'exécution de sa tùche visée à l'article 15, alinéa deux, 2°, du décret du 12 juillet 2013.
  La faible intensité de coaching par l'accompagnateur sur le lieu de travail comprend :
  1° l'accompagnateur sur le lieu de travail est joignable par le travailleur de groupe cible ;
  2° l'accompagnateur sur le lieu de travail suit quotidiennement l'exécution de tùches et l'ajuste si nécessaire ;
  3° l'accompagnateur sur le lieu de travail donnes d feed-back au travailleur de groupe cible sur sa maniÚre de fonctionner et sur ses tùches ;
  4° l'objectif de treize travailleurs de groupe cible à faible intensité d'accompagnement par accompagnateur sur le lieu du travail, calculé de maniÚre proportionnelle, est atteint.
  L'intensité moyenne de coaching par l'accompagnateur sur le lieu de travail comprend :
  1° l'accompagnateur sur le lieu de travail est joignable en permanence par le travailleur de groupe cible ;
  2° l'accompagnateur sur le lieu de travail suit l'exécution des tùches plusieurs fois par jour et l'ajuste si nécessaire ;
  3° l'accompagnateur sur le lieu de travail ajuste quotidiennement la maniÚre de fonctionner du travailleur de groupe cible si nécessaire ;
  4° l'objectif de dix travailleurs de groupe cible à intensité moyenne d'accompagnement par accompagnateur sur le lieu du travail, calculé de maniÚre proportionnelle, est atteint.
  La forte intensité de coaching par l'accompagnateur sur le lieu de travail comprend :
  1° l'accompagnateur sur le lieu de travail est en permanence joignable et disponible par le travailleur de groupe cible ;
  2° l'accompagnateur sur le lieu de travail assure en permanence le suivi de l'exécution des tùches ;
  3° l'accompagnateur sur le lieu de travail ajuste en permanence le la maniÚre de fonctionner du travailleur de groupe cible si nécessaire ;
  4° l'objectif de sept travailleurs de groupe cible à faible intensité d'accompagnement par accompagnateur sur le lieu du travail, calculé de maniÚre proportionnelle, est atteint.
  La faible intensité de coaching par l'accompagnateur sur le lieu de travail comprend :
  1° l'accompagnateur sur le lieu de travail est joignable par le travailleur de groupe cible ;
  2° l'accompagnateur sur le lieu de travail suit quotidiennement l'exécution de tùches et l'ajuste si nécessaire ;
  3° l'accompagnateur sur le lieu de travail donnes d feed-back au travailleur de groupe cible sur sa maniÚre de fonctionner et sur ses tùches ;
  4° l'objectif de treize travailleurs de groupe cible à faible intensité d'accompagnement par accompagnateur sur le lieu du travail, calculé de maniÚre proportionnelle, est atteint.
  L'intensité moyenne de coaching par l'accompagnateur sur le lieu de travail comprend :
  1° l'accompagnateur sur le lieu de travail est joignable en permanence par le travailleur de groupe cible ;
  2° l'accompagnateur sur le lieu de travail suit l'exécution des tùches plusieurs fois par jour et l'ajuste si nécessaire ;
  3° l'accompagnateur sur le lieu de travail ajuste quotidiennement la maniÚre de fonctionner du travailleur de groupe cible si nécessaire ;
  4° l'objectif de dix travailleurs de groupe cible à intensité moyenne d'accompagnement par accompagnateur sur le lieu du travail, calculé de maniÚre proportionnelle, est atteint.
  La forte intensité de coaching par l'accompagnateur sur le lieu de travail comprend :
  1° l'accompagnateur sur le lieu de travail est en permanence joignable et disponible par le travailleur de groupe cible ;
  2° l'accompagnateur sur le lieu de travail assure en permanence le suivi de l'exécution des tùches ;
  3° l'accompagnateur sur le lieu de travail ajuste en permanence le la maniÚre de fonctionner du travailleur de groupe cible si nécessaire ;
  4° l'objectif de sept travailleurs de groupe cible à faible intensité d'accompagnement par accompagnateur sur le lieu du travail, calculé de maniÚre proportionnelle, est atteint.
Art. 47. Binnen het toegekende contingent opent de aanwerving van een doelgroepwerknemer het recht op een begeleidingspremie voor het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling als de onderneming de tewerkstelling registreert in een toepassing die de VDAB ter beschikking stelt.
Art. 47. Dans les limites du contingent attribué, le recrutement d'un travailleur de groupe cible donne droit à une prime d'accompagnement pour l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté si l'entreprise enregistre l'emploi dans une application mise à disposition par le VDAB.
Art. 48. § 1. De vergoeding voor de begeleiding bestaat uit:
  1° een forfaitair aandeel van de begeleidingsvergoeding, ter compensatie van de taken, vermeld in artikel 15, tweede lid, 1°, 3°, 4°, en 6°, van het decreet van 12 juli 2013;
  2° een variabel aandeel van de begeleidingspremie, naar gelang van de begeleidingsgraad die van toepassing is, ter compensatie van de taken, vermeld in artikel 15, tweede lid, 2° en 5°, van het voormelde decreet.
  § 2. Het forfaitaire aandeel van de begeleidingsvergoeding, vermeld in paragraaf 1, 1°, bedraagt [1 537,92 ]1op kwartaalbasis, uitbetaald per tewerkgestelde doelgroepwerknemer met loonkosten in het kwartaal in kwestie, ongeacht zijn contractuele prestatiebreuk, als het aantal doelgroepwerknemers het aantal toegekende voltijds equivalenten per werkplaats, verhoogd met de factor [1 1,30 ]1 niet overschrijdt.
  Het variabele aandeel van de begeleidingspremie, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt uitbetaald per tewerkgestelde doelgroepwerknemer met loonkosten in het kwartaal in kwestie, rekening houdend met zijn contractuele prestatiebreuk en voor zover het toegekende aantal voltijdsequivalente eenheden het aantal toegekende voltijdsequivalenten per werkplaats niet overschrijdt.
  Het variabele aandeel van de begeleidingspremie bedraagt:
  1° 300,13 euro per kwartaal per doelgroepwerknemer die aan de hand van een lage intensiteit wordt begeleid;
  2° 622,97 euro per kwartaal per doelgroepwerknemer die aan de hand van een gemiddelde intensiteit wordt begeleid;
  3° 1107,21 euro per kwartaal per doelgroepwerknemer die aan de hand van een hoge intensiteit wordt begeleid.
 Â
  1° een forfaitair aandeel van de begeleidingsvergoeding, ter compensatie van de taken, vermeld in artikel 15, tweede lid, 1°, 3°, 4°, en 6°, van het decreet van 12 juli 2013;
  2° een variabel aandeel van de begeleidingspremie, naar gelang van de begeleidingsgraad die van toepassing is, ter compensatie van de taken, vermeld in artikel 15, tweede lid, 2° en 5°, van het voormelde decreet.
  § 2. Het forfaitaire aandeel van de begeleidingsvergoeding, vermeld in paragraaf 1, 1°, bedraagt [1 537,92 ]1op kwartaalbasis, uitbetaald per tewerkgestelde doelgroepwerknemer met loonkosten in het kwartaal in kwestie, ongeacht zijn contractuele prestatiebreuk, als het aantal doelgroepwerknemers het aantal toegekende voltijds equivalenten per werkplaats, verhoogd met de factor [1 1,30 ]1 niet overschrijdt.
  Het variabele aandeel van de begeleidingspremie, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt uitbetaald per tewerkgestelde doelgroepwerknemer met loonkosten in het kwartaal in kwestie, rekening houdend met zijn contractuele prestatiebreuk en voor zover het toegekende aantal voltijdsequivalente eenheden het aantal toegekende voltijdsequivalenten per werkplaats niet overschrijdt.
  Het variabele aandeel van de begeleidingspremie bedraagt:
  1° 300,13 euro per kwartaal per doelgroepwerknemer die aan de hand van een lage intensiteit wordt begeleid;
  2° 622,97 euro per kwartaal per doelgroepwerknemer die aan de hand van een gemiddelde intensiteit wordt begeleid;
  3° 1107,21 euro per kwartaal per doelgroepwerknemer die aan de hand van een hoge intensiteit wordt begeleid.
 Â
Wijzigingen
Art. 48. § 1er. L'indemnité pour l'accompagnement est composée :
  1° d'une tranche forfaitaire de l'indemnité d'accompagnement, en compensation des tùches visées à l'article 15, alinéa deux, 1°, 3°, 4°, et 6°, du décret du 12 juillet 2013 ;
  2° d'une tranche variable de la prime d'accompagnement, en fonction du degré d'accompagnement applicable, en compensation des tùches prévues à l'article 15, alinéa deux, 2° et 5°, du décret précité.
  § 2. La tranche forfaitaire de l'indemnité d'accompagnement visée au paragraphe 1er, 1°, s'élÚve à [1 537,92 euros ]1par trimestre, payée par travailleur de groupe cible occupé occasionnant des frais salariaux dans le trimestre en question, quelle que soit sa fraction de prestation contractuelle si le nombre de travailleurs de groupe-cible ne dépasse pas le nombre octroyé d'équivalents à temps plein, majoré par un facteur de [1 1,30 ]1 par lieu de travail.
  La tranche variable de la prime d'accompagnement visée au paragraphe 1er, 2°, est payée par travailleur de groupe cible occupé occasionnant des frais salariaux dans le trimestre en question, en tenant compte de sa fraction de prestation contractuelle et pour autant que le nombre octroyé d'unités équivalents à temps plein ne dépasse pas le nombre octroyé d'équivalents à temps plein attribués par lieu de travail.
  La tranche variable de la prime d'accompagnement s'élÚve à :
  1° 300,13 euros par trimestre par travailleur de groupe cible accompagné à faible intensité ;
  2° 622,97 euros par trimestre par travailleur de groupe cible accompagné à intensité moyenne ;
  3° 1107,21 euros par trimestre par travailleur de groupe cible accompagné à forte intensité ;
 Â
  1° d'une tranche forfaitaire de l'indemnité d'accompagnement, en compensation des tùches visées à l'article 15, alinéa deux, 1°, 3°, 4°, et 6°, du décret du 12 juillet 2013 ;
  2° d'une tranche variable de la prime d'accompagnement, en fonction du degré d'accompagnement applicable, en compensation des tùches prévues à l'article 15, alinéa deux, 2° et 5°, du décret précité.
  § 2. La tranche forfaitaire de l'indemnité d'accompagnement visée au paragraphe 1er, 1°, s'élÚve à [1 537,92 euros ]1par trimestre, payée par travailleur de groupe cible occupé occasionnant des frais salariaux dans le trimestre en question, quelle que soit sa fraction de prestation contractuelle si le nombre de travailleurs de groupe-cible ne dépasse pas le nombre octroyé d'équivalents à temps plein, majoré par un facteur de [1 1,30 ]1 par lieu de travail.
  La tranche variable de la prime d'accompagnement visée au paragraphe 1er, 2°, est payée par travailleur de groupe cible occupé occasionnant des frais salariaux dans le trimestre en question, en tenant compte de sa fraction de prestation contractuelle et pour autant que le nombre octroyé d'unités équivalents à temps plein ne dépasse pas le nombre octroyé d'équivalents à temps plein attribués par lieu de travail.
  La tranche variable de la prime d'accompagnement s'élÚve à :
  1° 300,13 euros par trimestre par travailleur de groupe cible accompagné à faible intensité ;
  2° 622,97 euros par trimestre par travailleur de groupe cible accompagné à intensité moyenne ;
  3° 1107,21 euros par trimestre par travailleur de groupe cible accompagné à forte intensité ;
 Â
Wijzigingen
Afdeling 3. - Werkondersteunende maatregelen bij aanwerving
Section 3. - Mesures d'aide Ă l'emploi en cas de recrutement
Art. 50. Bij aanwerving door het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling bedraagt de ondersteuningsgraad:
  1° een loonpremie van 60% als vermeld in artikel 34, eerste lid, 5°, en een hoge intensiteit van begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1° en 2°, met een geattesteerde of geïndiceerde hoge ondersteuningsbehoefte;
  2° een loonpremie van 60% als vermeld in artikel 34, eerste lid, 5°, en een gemiddelde intensiteit van begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1° en 2°, met een geattesteerde of geïndiceerde hoge ondersteuningsbehoefte;
  3° een loonpremie van 45% als vermeld in artikel 34, eerste lid, 2°, en een hoge intensiteit van begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1° en 2°, met een geattesteerde of geïndiceerde hoge begeleidingsbehoefte;
  4° een loonpremie van 45% als vermeld in artikel 34, eerste lid, 2°, en een gemiddelde intensiteit van begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1° en 2°, met een geattesteerde of geïndiceerde gemiddelde begeleidingsbehoefte;
  5° een loonpremie van 45% als vermeld in artikel 34, tweede lid, en een lage intensiteit van begeleiding op de werkvloer, voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, derde lid.
  Het departement evalueert uiterlijk om de twee jaar de ondersteuningsgraad in functie van de tewerkstellingskansen van de doelgroepwerknemers met de hoogste ondersteuningsbehoefte.
  [1 6° een loonpremie van 45% als vermeld in artikel 34, eerste lid, 2°, en een gemiddelde intensiteit van begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1° en 2°, die wordt wedertewerkgesteld als vermeld in artikel 57/1]1
 Â
  1° een loonpremie van 60% als vermeld in artikel 34, eerste lid, 5°, en een hoge intensiteit van begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1° en 2°, met een geattesteerde of geïndiceerde hoge ondersteuningsbehoefte;
  2° een loonpremie van 60% als vermeld in artikel 34, eerste lid, 5°, en een gemiddelde intensiteit van begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1° en 2°, met een geattesteerde of geïndiceerde hoge ondersteuningsbehoefte;
  3° een loonpremie van 45% als vermeld in artikel 34, eerste lid, 2°, en een hoge intensiteit van begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1° en 2°, met een geattesteerde of geïndiceerde hoge begeleidingsbehoefte;
  4° een loonpremie van 45% als vermeld in artikel 34, eerste lid, 2°, en een gemiddelde intensiteit van begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1° en 2°, met een geattesteerde of geïndiceerde gemiddelde begeleidingsbehoefte;
  5° een loonpremie van 45% als vermeld in artikel 34, tweede lid, en een lage intensiteit van begeleiding op de werkvloer, voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, derde lid.
  Het departement evalueert uiterlijk om de twee jaar de ondersteuningsgraad in functie van de tewerkstellingskansen van de doelgroepwerknemers met de hoogste ondersteuningsbehoefte.
  [1 6° een loonpremie van 45% als vermeld in artikel 34, eerste lid, 2°, en een gemiddelde intensiteit van begeleiding op de werkvloer voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1° en 2°, die wordt wedertewerkgesteld als vermeld in artikel 57/1]1
 Â
Wijzigingen
Art. 50. En cas de recrutement par l'entreprise de travail adapté et le département de travail adapté, le degré d'aide s'élÚve à :
  1° une prime salariale de 60 % telle que visée à l'article 34, alinéa premier, 5°, et une forte intensité d'accompagnement sur le lieu de travail pour le travailleur de groupe cible, visé à l'article 12, alinéa deux, 1° et 2°, qui a un besoin d'aide élevé attesté ou indiqué.
  3° une prime salariale de 60 % telle que visée à l'article 34, alinéa premier, 5°, et une intensité moyenne d'accompagnement sur le lieu de travail pour le travailleur de groupe cible, visé à l'article 12, alinéa deux, 1° et 2°, qui a un besoin d'aide élevé attesté ou indiqué.
  3° une prime salariale de 45 % telle que visée à l'article 34, alinéa premier, 2°, et une forte élevée d'accompagnement sur le lieu de travail pour le travailleur de groupe cible, visé à l'article 12, alinéa deux, 1° et 2°, qui a un besoin d'aide élevé attesté ou indiqué.
  4° une prime salariale de 45 % telle que visée à l'article 34, alinéa premier, 2°, et une intensité moyenne d'accompagnement sur le lieu de travail pour le travailleur de groupe cible, visé à l'article 12, alinéa deux, 1° et 2°, qui a un besoin d'aide moyen attesté ou indiqué.
  5° une prime salariale de 45 % telle que visée à l'article 34, alinéa deux, et une faible intensité d'accompagnement sur le lieu de travail pour le travailleur de groupe cible, visé à l'article 12, alinéa trois.
  Au moins tous les deux ans, le département évalue le degré d'aide en fonction des opportunités d'emploi des travailleurs de groupe cible ayant le besoin d'aide le plus élevé.
  [1 6° une prime salariale de 45 % telle que visée à l'article 34, alinéa 1er, 2°, et une intensité moyenne d'accompagnement sur le lieu de travail pour le travailleur de groupe-cible, figurant à l'article 12, alinéa 2, 1° et 2°, qui est réaffecté comme visé à l'article 57/1]1
 Â
  1° une prime salariale de 60 % telle que visée à l'article 34, alinéa premier, 5°, et une forte intensité d'accompagnement sur le lieu de travail pour le travailleur de groupe cible, visé à l'article 12, alinéa deux, 1° et 2°, qui a un besoin d'aide élevé attesté ou indiqué.
  3° une prime salariale de 60 % telle que visée à l'article 34, alinéa premier, 5°, et une intensité moyenne d'accompagnement sur le lieu de travail pour le travailleur de groupe cible, visé à l'article 12, alinéa deux, 1° et 2°, qui a un besoin d'aide élevé attesté ou indiqué.
  3° une prime salariale de 45 % telle que visée à l'article 34, alinéa premier, 2°, et une forte élevée d'accompagnement sur le lieu de travail pour le travailleur de groupe cible, visé à l'article 12, alinéa deux, 1° et 2°, qui a un besoin d'aide élevé attesté ou indiqué.
  4° une prime salariale de 45 % telle que visée à l'article 34, alinéa premier, 2°, et une intensité moyenne d'accompagnement sur le lieu de travail pour le travailleur de groupe cible, visé à l'article 12, alinéa deux, 1° et 2°, qui a un besoin d'aide moyen attesté ou indiqué.
  5° une prime salariale de 45 % telle que visée à l'article 34, alinéa deux, et une faible intensité d'accompagnement sur le lieu de travail pour le travailleur de groupe cible, visé à l'article 12, alinéa trois.
  Au moins tous les deux ans, le département évalue le degré d'aide en fonction des opportunités d'emploi des travailleurs de groupe cible ayant le besoin d'aide le plus élevé.
  [1 6° une prime salariale de 45 % telle que visée à l'article 34, alinéa 1er, 2°, et une intensité moyenne d'accompagnement sur le lieu de travail pour le travailleur de groupe-cible, figurant à l'article 12, alinéa 2, 1° et 2°, qui est réaffecté comme visé à l'article 57/1]1
 Â
Wijzigingen
Art. 51. De minister bepaalt, na het advies van de VDAB en na het overleg in de Commissie Sociale Economie vermeld in artikel 6 van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen, na het advies van de Inspectie van Financiën en na het advies van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begroting, de attesten en indicaties die recht geven op de ondersteuningsgraden, vermeld in artikel 50 van dit besluit.
  De VDAB evalueert om de twee jaar de doelmatigheid van de attesten en indicaties, vermeld in het eerste lid.
  De minister brengt de Vlaamse Regering op de hoogte van de attesten en indicaties, vermeld in het eerste lid.
  De VDAB evalueert om de twee jaar de doelmatigheid van de attesten en indicaties, vermeld in het eerste lid.
  De minister brengt de Vlaamse Regering op de hoogte van de attesten en indicaties, vermeld in het eerste lid.
Art. 51. Le ministre dĂ©termine, aprĂšs avis du VDAB et aprĂšs concertation avec la Commission Economie Sociale telle que visĂ©e Ă l'article 6 du dĂ©cret du 17 fĂ©vrier 2012 relatif Ă l'appui Ă l'entrepreneuriat dans le domaine de l'Ă©conomie sociale et Ă la stimulation de l'entrepreneuriat socialement responsable, et aprĂšs avis de l'Inspection des Finances et du ministre flamand chargĂ© des finances et du budget, les attestations et les indications qui donnent droit aux degrĂ©s d'aide, visĂ©s Ă l'article 50 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Tous les deux ans, le VDAB évalue l'efficacité des attestations et indications visées à l'alinéa premier.
  Le ministre informe le Gouvernement flamand des attestations et indications visées à l'alinéa premier.
  Tous les deux ans, le VDAB évalue l'efficacité des attestations et indications visées à l'alinéa premier.
  Le ministre informe le Gouvernement flamand des attestations et indications visées à l'alinéa premier.
Afdeling 4. - Uitsluitingsgronden
Section 4. - Conditions d'exclusion
Art. 52. De steun voor de werkondersteunende maatregelen is niet cumuleerbaar met:
  1° de tewerkstelling in het kader van dienstencheques voor de erkende onderneming, vermeld in artikel 2, § 1, 6°, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
  2° de tewerkstelling als jobstudent;
  3° de tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, en artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
  1° de tewerkstelling in het kader van dienstencheques voor de erkende onderneming, vermeld in artikel 2, § 1, 6°, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
  2° de tewerkstelling als jobstudent;
  3° de tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, en artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Art. 52. L'aide pour les mesures d'aide Ă l'emploi n'est pas cumulable avec :
  1° l'emploi dans le cadre des titre-services au service de l'entreprise agréée visée à l'article 2, § 1er, 6°, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité ;
  2° l'emploi comme étudiant jobiste ;
  3° l'emploi en application de l'article 60, § 7, et de l'article 61 de la Loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale.
  1° l'emploi dans le cadre des titre-services au service de l'entreprise agréée visée à l'article 2, § 1er, 6°, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité ;
  2° l'emploi comme étudiant jobiste ;
  3° l'emploi en application de l'article 60, § 7, et de l'article 61 de la Loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale.
HOOFDSTUK 7. - Organisatieondersteunende maatregelen
CHAPITRE 7. - Mesures d'aide organisationnelle
Art. 53. De steun voor organisatieondersteunende maatregelen wordt toegekend [1 met inachtneming van de voorwaarden, vermeld in artikel 34 van de algemene groepsvrijstellingsverordening]1.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 53. Le soutien pour les mesures d'aide organisationnelle est octroyée [1 dans le respect des conditions visées à l'article 34 du rÚglement général d'exemption par catégorie]1.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 54. De steun voor sociale dienstverlening voor de doelgroepwerknemer, vermeld in artikel 19, tweede lid, 3°, van het decreet van 12 juli 2013, moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° de sociale dienstverlening is duidelijk zichtbaar binnen het organigram van de onderneming;
  2° minimaal één werknemer met een bachelordiploma sociaal werk[1 ...]1 bekleedt de functie van de sociale dienstverlening binnen het maatwerkbedrijf.[2 De minister kan de diplomavoorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, uitbreiden met diplomavoorwaarden of werkervaringen die de minister gelijkwaardig acht.]2
 Â
  1° de sociale dienstverlening is duidelijk zichtbaar binnen het organigram van de onderneming;
  2° minimaal één werknemer met een bachelordiploma sociaal werk[1 ...]1 bekleedt de functie van de sociale dienstverlening binnen het maatwerkbedrijf.[2 De minister kan de diplomavoorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, uitbreiden met diplomavoorwaarden of werkervaringen die de minister gelijkwaardig acht.]2
 Â
Wijzigingen
Art. 54. L'aide pour l'organisation de prestations sociales au profit du travailleur de groupe cible, visée à l'article 19, alinéa deux, 3°, du décret du 12 juillet 2013, doit remplir les conditions suivantes :
  1° l'organisation de prestations sociales est clairement visible dans l'organigramme de l'entreprise ;
  2° la fonction de l'organisation de prestations sociales au sein de l'entreprise de travail adapté est assumée par au minimum un travailleur titulaire d'un diplÎme de bachelier en sciences sociales [1 ]1.
 Â
  1° l'organisation de prestations sociales est clairement visible dans l'organigramme de l'entreprise ;
  2° la fonction de l'organisation de prestations sociales au sein de l'entreprise de travail adapté est assumée par au minimum un travailleur titulaire d'un diplÎme de bachelier en sciences sociales [1 ]1.
 Â
Wijzigingen
Art. 55. De subsidie voor organisatieondersteunende maatregelen wordt uitbetaald volgens de volgende voorwaarden:
  1° het maatwerkbedrijf ontvangt per kwartaal een organisatiesubsidie naar rato van het aantal tewerkgestelde voltijdsequivalenten van doelgroepwerknemers als vermeld in artikel 12, tweede lid, met loonkosten in het kwartaal in kwestie, waarbij het aantal in rekening te nemen voltijdsequivalenten van doelgroepwerknemers nooit hoger kan zijn dan de toegekende capaciteit voor het kwartaal in kwestie;
  2° de subsidie bestaat uit een basisbedrag van [1 [2 842,22 ]2]1 euro per kwartaal per voltijdsequivalent van een tewerkgestelde doelgroepwerknemer als vermeld in artikel 12, tweede lid.
  Het basisbedrag, vermeld in het eerste lid, wordt verhoogd voor de eerste tot en met de honderdste voltijdsequivalent van een tewerkgestelde doelgroepwerknemer als vermeld in artikel 12, tweede lid, met 76,50 euro per voltijdsequivalent per kwartaal.
 Â
  1° het maatwerkbedrijf ontvangt per kwartaal een organisatiesubsidie naar rato van het aantal tewerkgestelde voltijdsequivalenten van doelgroepwerknemers als vermeld in artikel 12, tweede lid, met loonkosten in het kwartaal in kwestie, waarbij het aantal in rekening te nemen voltijdsequivalenten van doelgroepwerknemers nooit hoger kan zijn dan de toegekende capaciteit voor het kwartaal in kwestie;
  2° de subsidie bestaat uit een basisbedrag van [1 [2 842,22 ]2]1 euro per kwartaal per voltijdsequivalent van een tewerkgestelde doelgroepwerknemer als vermeld in artikel 12, tweede lid.
  Het basisbedrag, vermeld in het eerste lid, wordt verhoogd voor de eerste tot en met de honderdste voltijdsequivalent van een tewerkgestelde doelgroepwerknemer als vermeld in artikel 12, tweede lid, met 76,50 euro per voltijdsequivalent per kwartaal.
 Â
Art. 55. La subvention pour les mesures d'aide organisationnelle est payée suivant les conditions suivantes :
  1° l'entreprise de travail adaptĂ© reçoit par trimestre une subvention organisationnelle au prorata du nombre d'Ă©quivalents Ă temps plein de travailleurs de groupe cible employĂ©s, tels que mentionnĂ©s Ă l'article 12, alinĂ©a deux, occasionnant des coĂ»ts salariaux dans le trimestre en question, le nombre d'Ă©quivalents Ă temps plein de travailleurs de groupe cible Ă prendre en compte ne pouvant jamais ĂȘtre plus Ă©levĂ© que le capacitĂ© attribuĂ©e pour le trimestre en question ;
  2° la subvention consiste en un montant de base de [1 [2 842,22 ]2-1 euros par trimestre par travailleur de groupe cible équivalent à temps plein employé tel que visé à l'article 12, alinéa deux.
  Le montant de base visé à l'alinéa premier, est majoré de 76,50 euros par trimestre pour le premier au centiÚme travailleur de groupe cible équivalent à temps plein employé tel que visé à l'article 12, alinéa deux, par équivalent à temps plein.
 Â
  1° l'entreprise de travail adaptĂ© reçoit par trimestre une subvention organisationnelle au prorata du nombre d'Ă©quivalents Ă temps plein de travailleurs de groupe cible employĂ©s, tels que mentionnĂ©s Ă l'article 12, alinĂ©a deux, occasionnant des coĂ»ts salariaux dans le trimestre en question, le nombre d'Ă©quivalents Ă temps plein de travailleurs de groupe cible Ă prendre en compte ne pouvant jamais ĂȘtre plus Ă©levĂ© que le capacitĂ© attribuĂ©e pour le trimestre en question ;
  2° la subvention consiste en un montant de base de [1 [2 842,22 ]2-1 euros par trimestre par travailleur de groupe cible équivalent à temps plein employé tel que visé à l'article 12, alinéa deux.
  Le montant de base visé à l'alinéa premier, est majoré de 76,50 euros par trimestre pour le premier au centiÚme travailleur de groupe cible équivalent à temps plein employé tel que visé à l'article 12, alinéa deux, par équivalent à temps plein.
 Â
Art. 56. Het maatwerkbedrijf toont de impact aan van de steun voor de organisatieondersteunende maatregelen op zijn bedrijfsvoering conform artikel 4, 5, en 6.
Art. 56. L'entreprise de travail adapté démontre l'impact de l'aide pour les mesures d'aide organisationnelle sur sa gestion conformément aux articles 4, 5 et 6.
HOOFDSTUK 8. - Gemeenschappelijke subsidiebepalingen
CHAPITRE 8. - Dispositions communes relatives aux subventions
Art. 57. Het recht op de steun voor de werkondersteunende maatregelen is begrensd tot het toegekende contingent aan werkondersteunende maatregelen, uitgedrukt in voltijdsequivalenten voor de werkondersteunende maatregelen.
  De invulling van het contingent wordt gemeten aan de hand van de contractuele prestatiebreuk voor alle doelgroepwerknemers die loonkosten genereren, waarbij de doelgroepwerknemers met de hoogste ondersteuningsbehoefte als eerste in aanmerking worden genomen, gevolgd door de doelgroepwerknemers met de hoogste contractuele prestatiebreuk.
  De invulling van het contingent wordt gemeten aan de hand van de contractuele prestatiebreuk voor alle doelgroepwerknemers die loonkosten genereren, waarbij de doelgroepwerknemers met de hoogste ondersteuningsbehoefte als eerste in aanmerking worden genomen, gevolgd door de doelgroepwerknemers met de hoogste contractuele prestatiebreuk.
Art. 57. Le droit à l'aide pour les mesures d'aide à l'emploi est plafonné au contingent octroyé de mesures d'aide à l'emploi, exprimé en équivalents temps plein pour les mesures d'aide à l'emploi.
  La réalisation du contingent est mesurée à l'aide de la fraction de prestation contractuelle pour tous les travailleurs de groupe cible générant des coûts salariaux, les travailleurs de groupe cible ayant le besoin d'aide le plus élevé étant pris en compte en premier, suivis par les travailleurs de groupe cible ayant la fraction de prestation la plus élevée.
  La réalisation du contingent est mesurée à l'aide de la fraction de prestation contractuelle pour tous les travailleurs de groupe cible générant des coûts salariaux, les travailleurs de groupe cible ayant le besoin d'aide le plus élevé étant pris en compte en premier, suivis par les travailleurs de groupe cible ayant la fraction de prestation la plus élevée.
Art. 57/1. [1 Voor de wedertewerkstelling, vermeld in artikel 22, tweede lid, van het decreet van 12 juli 2013, gelden al de volgende voorwaarden:
  1° de VDAB evalueert de doelgroepwerknemer en beoordeelt zijn kansen op doorstroom naar een reguliere arbeidsomgeving als gunstig;
  2° de arbeidsovereenkomst van de persoon die is doorgestroomd, wordt beëindigd binnen een termijn van maximaal achttien maanden vanaf de startdatum van zijn reguliere tewerkstelling om een reden die vreemd is aan zijn wil, in een van de volgende gevallen:
  a) ondanks de redelijke aanpassingen op de werkvloer en de tegemoetkoming van werkondersteunende maatregelen conform het decreet van 14 januari 2022 is de tewerkstelling in de reguliere arbeidsomgeving niet langer mogelijk om een van de volgende redenen:
  1) een wijziging in de reguliere arbeidsomgeving;
  2) een wijziging van de functievereisten van de tewerkstelling;
  3) een gewijzigde gezondheidsreden;
  4) een wijziging van de sociale situatie van de persoon;
  b) de arbeidsovereenkomst van de persoon wordt binnen achttien maanden na zijn indiensttreding niet verlengd;
  c) de werkgever beëindigt de arbeidsovereenkomst van de persoon binnen achttien maanden na de indiensttreding.]1
 Â
  1° de VDAB evalueert de doelgroepwerknemer en beoordeelt zijn kansen op doorstroom naar een reguliere arbeidsomgeving als gunstig;
  2° de arbeidsovereenkomst van de persoon die is doorgestroomd, wordt beëindigd binnen een termijn van maximaal achttien maanden vanaf de startdatum van zijn reguliere tewerkstelling om een reden die vreemd is aan zijn wil, in een van de volgende gevallen:
  a) ondanks de redelijke aanpassingen op de werkvloer en de tegemoetkoming van werkondersteunende maatregelen conform het decreet van 14 januari 2022 is de tewerkstelling in de reguliere arbeidsomgeving niet langer mogelijk om een van de volgende redenen:
  1) een wijziging in de reguliere arbeidsomgeving;
  2) een wijziging van de functievereisten van de tewerkstelling;
  3) een gewijzigde gezondheidsreden;
  4) een wijziging van de sociale situatie van de persoon;
  b) de arbeidsovereenkomst van de persoon wordt binnen achttien maanden na zijn indiensttreding niet verlengd;
  c) de werkgever beëindigt de arbeidsovereenkomst van de persoon binnen achttien maanden na de indiensttreding.]1
 Â
Art. 57/1. [1 Pour le réemploi visé à l'article 22, paragraphe 2, du décret du 12 juillet 2013, les conditions suivantes sont déjà d'application :
  1° le VDAB évalue le travailleur de groupe-cible et estime que ses chances de transition à un milieu de travail régulier sont favorables ;
  2° le contrat de travail de la personne ayant effectué la transition est résilié dans un délai maximum de dix-huit mois à compter de la date de début de son emploi régulier pour une raison indépendante de sa volonté dans l'un des cas suivants :
  a) malgré les aménagements raisonnables sur le lieu de travail et l'octroi de mesures d'aide au travail conformément au décret du 14 janvier 2022, l'emploi dans le milieu de travail habituel n'est plus possible pour l'une des raisons suivantes :
  1) un changement dans le milieu de travail habituel ;
  2) un changement dans les exigences de la fonction de l'emploi ;
  3) une raison de santé modifiée ;
  4) un changement dans la situation sociale de la personne ;
  b) le contrat de travail de la personne n'est pas prolongé dans les dix-huit mois suivant son entrée en fonction ;
  c) l'employeur met fin au contrat de travail de la personne dans les dix-huit mois suivant son entrée en service.]1
 Â
  1° le VDAB évalue le travailleur de groupe-cible et estime que ses chances de transition à un milieu de travail régulier sont favorables ;
  2° le contrat de travail de la personne ayant effectué la transition est résilié dans un délai maximum de dix-huit mois à compter de la date de début de son emploi régulier pour une raison indépendante de sa volonté dans l'un des cas suivants :
  a) malgré les aménagements raisonnables sur le lieu de travail et l'octroi de mesures d'aide au travail conformément au décret du 14 janvier 2022, l'emploi dans le milieu de travail habituel n'est plus possible pour l'une des raisons suivantes :
  1) un changement dans le milieu de travail habituel ;
  2) un changement dans les exigences de la fonction de l'emploi ;
  3) une raison de santé modifiée ;
  4) un changement dans la situation sociale de la personne ;
  b) le contrat de travail de la personne n'est pas prolongé dans les dix-huit mois suivant son entrée en fonction ;
  c) l'employeur met fin au contrat de travail de la personne dans les dix-huit mois suivant son entrée en service.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 57/2. [1 Het maatwerkbedrijf dient een aanvraag in bij het departement voor de wedertewerkstelling van de persoon, vermeld in artikel 57/1.]1
 Â
 Â
Art. 57/2. [1 L'entreprise de travail adapté introduit auprÚs du département une demande de remise au travail de la personne visée à l'article 57/1.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 57/3. [1 Met behoud van de toepassing van artikel 57/1 kan de minister voor een periode van twaalf maanden bijkomende werkondersteunende en organisatieondersteunende maatregelen toekennen aan het maatwerkbedrijf dat wedertewerkstellingen realiseert.
  Het bijkomende contingent wordt naar rato van de contractuele prestatiebreuk van de wedertewerkgestelde doelgroepwerknemer verrekend en toegekend aan het maatwerkbedrijf, waarbij de invulling van het toegekende contingent in het laatst afgerekende kwartaal meer dan 99% bedraagt.
  De minister kan op verzoek van het maatwerkbedrijf de periode van toekenning van een bijkomend contingent eenmalig verlengen voor een nieuwe periode van twaalf maanden als de invulling van het contingent over de periode van de vier laatst afgerekende kwartalen meer dan 99% bedraagt.
  De invulling van het toegekende contingent wordt bepaald aan de hand van de contractuele prestatiebreuk van alle doelgroepwerknemers met loonkosten in het kwartaal in kwestie, waarbij doelgroepwerknemers met loonkosten die niet rechtstreeks verband houden met de prestaties die in het kwartaal geleverd zijn, worden uitgesloten.
  De minister kan de procedurevoorwaarden voor de toekenning nader bepalen]1
 Â
  Het bijkomende contingent wordt naar rato van de contractuele prestatiebreuk van de wedertewerkgestelde doelgroepwerknemer verrekend en toegekend aan het maatwerkbedrijf, waarbij de invulling van het toegekende contingent in het laatst afgerekende kwartaal meer dan 99% bedraagt.
  De minister kan op verzoek van het maatwerkbedrijf de periode van toekenning van een bijkomend contingent eenmalig verlengen voor een nieuwe periode van twaalf maanden als de invulling van het contingent over de periode van de vier laatst afgerekende kwartalen meer dan 99% bedraagt.
  De invulling van het toegekende contingent wordt bepaald aan de hand van de contractuele prestatiebreuk van alle doelgroepwerknemers met loonkosten in het kwartaal in kwestie, waarbij doelgroepwerknemers met loonkosten die niet rechtstreeks verband houden met de prestaties die in het kwartaal geleverd zijn, worden uitgesloten.
  De minister kan de procedurevoorwaarden voor de toekenning nader bepalen]1
 Â
Art. 57/3. [1 Sans préjudice de l'application de l'article 57/1, le ministre peut, pour une période de douze mois, accorder des mesures complémentaires d'aide à l'emploi et d'aide à l'organisation à l'entreprise de travail adapté qui réalise des remises au travail.
  Le contingent supplémentaire est décompté au prorata de la fraction des prestations contractuelles du travailleur de groupe-cible remis au travail et est attribué à l'entreprise de travail adapté, si la concrétisation du contingent attribué dépasse 99 % au cours du dernier trimestre décompté.
  Le ministre peut, à la demande de l'entreprise de travail adapté, prolonger la période d'attribution d'un contingent supplémentaire une fois pour une nouvelle période de douze mois si l'utilisation du contingent dépasse 99 % sur la période des quatre derniers trimestres écoulés.
  La concrétisation du contingent alloué est déterminée sur la base de la fraction des prestations contractuelle de tous les travailleurs de groupe-cible avec coûts salariaux au cours du trimestre concerné, les travailleurs de groupe-cible dont les coûts salariaux ne sont pas directement liés aux prestations fournies au cours du trimestre étant exclus.
  Le ministre peut préciser les conditions de procédure de l'attribution. ]1
 Â
  Le contingent supplémentaire est décompté au prorata de la fraction des prestations contractuelles du travailleur de groupe-cible remis au travail et est attribué à l'entreprise de travail adapté, si la concrétisation du contingent attribué dépasse 99 % au cours du dernier trimestre décompté.
  Le ministre peut, à la demande de l'entreprise de travail adapté, prolonger la période d'attribution d'un contingent supplémentaire une fois pour une nouvelle période de douze mois si l'utilisation du contingent dépasse 99 % sur la période des quatre derniers trimestres écoulés.
  La concrétisation du contingent alloué est déterminée sur la base de la fraction des prestations contractuelle de tous les travailleurs de groupe-cible avec coûts salariaux au cours du trimestre concerné, les travailleurs de groupe-cible dont les coûts salariaux ne sont pas directement liés aux prestations fournies au cours du trimestre étant exclus.
  Le ministre peut préciser les conditions de procédure de l'attribution. ]1
 Â
Wijzigingen
Art. 58. De werkondersteunende en de organisatieondersteunende maatregelen worden toegekend binnen de begrotingskredieten die jaarlijks beschikbaar zijn.
  Als uit betalings- en simulatiegegevens blijkt dat het jaarlijks beschikbare krediet dreigt overschreden te worden, zal de minister afdoende maatregelen voorstellen aan de Vlaamse Regering om die overschrijding tegen te gaan.
  Als uit betalings- en simulatiegegevens blijkt dat het jaarlijks beschikbare krediet dreigt overschreden te worden, zal de minister afdoende maatregelen voorstellen aan de Vlaamse Regering om die overschrijding tegen te gaan.
Art. 58. Les mesures d'aide à l'emploi et organisationnelles sont attribuées dans les limites des crédits budgétaires qui sont mis à disposition annuellement.
  S'il ressort des donnĂ©es de paiement et de simulation que le crĂ©dit mis Ă disposition annuellement risque d'ĂȘtre dĂ©passĂ©, le ministre proposera des mesures efficaces au Gouvernement flamand afin de prĂ©venir ce dĂ©passement.
  S'il ressort des donnĂ©es de paiement et de simulation que le crĂ©dit mis Ă disposition annuellement risque d'ĂȘtre dĂ©passĂ©, le ministre proposera des mesures efficaces au Gouvernement flamand afin de prĂ©venir ce dĂ©passement.
Art. 59. De steun, vermeld in artikel 48 en 55, volgt de evolutie van de gezondheidsindex met als basismaand januari 2017.
  Het nieuwe bedrag is van toepassing na verloop van een wachtmaand.
  Het nieuwe bedrag is van toepassing na verloop van een wachtmaand.
Art. 59. L'aide visée aux articles 48 et 55 suit l'évolution de l'indice santé, le mois de base étant mars 2017.
  Le nouveau montant est d'application aprÚs un mois d'attente.
  Le nouveau montant est d'application aprÚs un mois d'attente.
Art. 60. Het recht op de steun voor de werkondersteunende maatregelen neemt een aanvang vanaf het kwartaal waarin de doelgroepwerknemer wordt tewerkgesteld, en eindigt op het einde van het kwartaal waarin de doelgroepwerknemer doorstroomt.
Art. 60. Le droit à l'aide pour les mesures d'aide à l'emploi prend effet à partir du trimestre pendant lequel le travailleur de groupe cible est occupé, et prend fin à la fin du trimestre durant lequel le travailleur de groupe cible effectue sa transition.
Art. 61. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling krijgen een maandelijks voorschot dat is gebaseerd op het voortschrijdend gemiddelde van de vier voorgaande kwartaalafrekeningen en dat rekening houdt met de evolutie van de gezondheidsindex. [1 De tijdelijk verhoogde loonpremie, zoals bepaald in artikel 37/1 maakt geen deel uit van de kwartaalafrekening die als basis geldt voor de berekening van het maandelijks voorschot.]1
  In voorkomend geval wordt het maandelijkse voorschot verhoogd met het nieuw toegekende contingent aan ondersteuningspakketten, vermenigvuldigd met een refertebedrag.
  De minister bepaalt het refertebedrag, vermeld in het tweede lid.
 Â
  In voorkomend geval wordt het maandelijkse voorschot verhoogd met het nieuw toegekende contingent aan ondersteuningspakketten, vermenigvuldigd met een refertebedrag.
  De minister bepaalt het refertebedrag, vermeld in het tweede lid.
 Â
Wijzigingen
Art. 61. L'entreprise de travail adapté et le département de travail adapté reçoivent une avance mensuelle qui est basée sur la moyenne mobile des quatre décomptes trimestriels précédents et qui tient compte de l'évolution de l'indice santé. [1 La prime salariale temporairement majorée, telle que fixée à l'article 37/1, ne fait pas partie du décompte trimestriel qui constitue la base pour le calcul de l'avance mensuelle.]1
  Le cas échéant, l'avance mensuelle est majorée du contingent de paquets d'aide nouvellement attribué, multiplié par le montant de référence.
  Le ministre détermine le montant de référence visé à l'alinéa deux.
 Â
  Le cas échéant, l'avance mensuelle est majorée du contingent de paquets d'aide nouvellement attribué, multiplié par le montant de référence.
  Le ministre détermine le montant de référence visé à l'alinéa deux.
 Â
Wijzigingen
Art. 62. Om te onderzoeken of en in welke mate de betrokkene recht heeft op een subsidie, raadpleegt het departement de noodzakelijke gegevens bij de authentieke gegevensbronnen, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 houdende de uitvoering van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer.
Art. 62. Dans le but d'examiner si et dans quelle mesure la personne concernĂ©e a droit Ă une subvention, le dĂ©partement consulte les donnĂ©es nĂ©cessaires dans les sources authentiques de donnĂ©es visĂ©es Ă l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 mai 2009 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 18 juillet 2008 relatif Ă l'Ă©change Ă©lectronique de donnĂ©es administratives.
Art. 63. Het teveel aan toegekende subsidies wordt automatisch, zonder ingebrekestelling, ingehouden op de eerstvolgende uitbetaling.
Art. 63. L'excédent de subventions octroyées est retenue automatiquement, sans mise en demeure, sur le premier paiement suivant.
Art. 63/1. [1 Ingeval van een crisis met een ernstige sociale en economische impact kan de minister beslissen om het teveel aan toegekende subsidies in afwijking van artikel 63 niet automatisch terug te vorderen.]1
 Â
 Â
Art. 63/1. [1 En cas de crise ayant un impact social et économique grave, le ministre peut décider, par dérogation à l'article 63, de ne pas procéder au recouvrement des subventions trop perçues.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 64. Het maatwerkbedrijf en de maatwerkafdeling brengen het departement onmiddellijk op de hoogte van:
  1° iedere wijziging die ertoe kan leiden dat niet langer voldaan wordt aan de subsidievoorwaarden;
  2° iedere wijziging die een invloed kan hebben op het bedrag en de aard van de toe te kennen steun;
  3° iedere wijziging van de rechtsvorm en de hoofdactiviteiten van de onderneming.
  1° iedere wijziging die ertoe kan leiden dat niet langer voldaan wordt aan de subsidievoorwaarden;
  2° iedere wijziging die een invloed kan hebben op het bedrag en de aard van de toe te kennen steun;
  3° iedere wijziging van de rechtsvorm en de hoofdactiviteiten van de onderneming.
Art. 64. L'entreprise de travail adapté et le département de travail adapté informent le département sans délai de :
  1° toute modification qui pourrait mener à ce que les conditions de subvention ne soient plus satisfaites ;
  2° toute modification qui pourrait avoir une influence sur le montant et la nature de l'aide à octroyer ;
  3° toute modification relative à la forme juridique et aux activités principales de l'entreprise.
  1° toute modification qui pourrait mener à ce que les conditions de subvention ne soient plus satisfaites ;
  2° toute modification qui pourrait avoir une influence sur le montant et la nature de l'aide à octroyer ;
  3° toute modification relative à la forme juridique et aux activités principales de l'entreprise.
HOOFDSTUK 9. - Doorstroom
CHAPITRE 9. - Transition
Afdeling 1. - Beoordeling van de kansen op doorstroom
Section 1re. - Evaluation des chances de transition
Art. 65. Bij de beoordeling van de kansen op doorstroom, vermeld in artikel 23, tweede lid, van het decreet van 12 juli 2013, houdt de VDAB rekening met:
  1° de persoonlijke situatie van de doelgroepwerknemer op het vlak van:
  a) gezondheid;
  b) mobiliteit;
  c) leeftijd;
  d) familiale situatie;
  e) financiële situatie;
  f) het vermogen en de motivatie tot zelfstandig loopbaanbeheer;
  2° de continuïteit op het vlak van de bedrijfsvoering van het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling. De VDAB kan in voorkomend geval de aanvang van een doorstroomtraject met maximaal zes maanden uitstellen als de onmiddellijke uitvoering van het doorstroomtraject de kwaliteitsvolle bedrijfsvoering van het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling in de weg staat;
  3° de mogelijkheid van een duurzame reguliere tewerkstelling zonder ondersteuning overeenkomstig dit besluit in de regio van de woonplaats van de doelgroepwerknemer.
  Bij de beoordeling van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, onderzoekt de VDAB of de persoonlijke situatie van de doelgroepwerknemer hem toelaat te voldoen aan de reguliere arbeidsvoorwaarden.
  De minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, kunnen de lijst met factoren, vermeld in het eerste lid, 1°, nader bepalen.
  1° de persoonlijke situatie van de doelgroepwerknemer op het vlak van:
  a) gezondheid;
  b) mobiliteit;
  c) leeftijd;
  d) familiale situatie;
  e) financiële situatie;
  f) het vermogen en de motivatie tot zelfstandig loopbaanbeheer;
  2° de continuïteit op het vlak van de bedrijfsvoering van het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling. De VDAB kan in voorkomend geval de aanvang van een doorstroomtraject met maximaal zes maanden uitstellen als de onmiddellijke uitvoering van het doorstroomtraject de kwaliteitsvolle bedrijfsvoering van het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling in de weg staat;
  3° de mogelijkheid van een duurzame reguliere tewerkstelling zonder ondersteuning overeenkomstig dit besluit in de regio van de woonplaats van de doelgroepwerknemer.
  Bij de beoordeling van de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, onderzoekt de VDAB of de persoonlijke situatie van de doelgroepwerknemer hem toelaat te voldoen aan de reguliere arbeidsvoorwaarden.
  De minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, kunnen de lijst met factoren, vermeld in het eerste lid, 1°, nader bepalen.
Art. 65. Lors de l'évaluation des chances de transition, visée à l'article 23, alinéa deux, du décret du 12 juillet 2013, le VDAB tient compte de :
  1° la situation personnelle du travailleur de groupe cible sur le plan de :
  a) la santé ;
  b) la mobilité ;
  c) l'ùge ;
  d) la situation familiale ;
  e) la situation financiÚre ;
  f) la capacité et la motivation de gérer sa carriÚre de façon autonome ;
  2° la continuité sur le plan de la gestion de l'entreprise de travail adapté ou du département de travail adapté. Le VDAB peut, le cas échéant, reporter de six mois au maximum le début du parcours de transition si l'exécution immédiate du parcours de transition entrave la bonne gestion de l'entreprise de travail adapté ou du département de travail adapté ;
  3° la possibilitĂ© d'un emploi rĂ©gulier durable sans aide conformĂ©ment au prĂ©sent arrĂȘtĂ© dans la rĂ©gion du domicile du travailleur de groupe cible.
  Lors de l'évaluation de la condition, visées à l'alinéa premier, 1°, le VDAB examine si la situation personnelle du travailleur de groupe cible lui permet de répondre aux conditions de travail réguliÚres.
  Le ministre et le Ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions peuvent préciser la liste des facteurs visée à l'alinéa premier, 1°.
  1° la situation personnelle du travailleur de groupe cible sur le plan de :
  a) la santé ;
  b) la mobilité ;
  c) l'ùge ;
  d) la situation familiale ;
  e) la situation financiÚre ;
  f) la capacité et la motivation de gérer sa carriÚre de façon autonome ;
  2° la continuité sur le plan de la gestion de l'entreprise de travail adapté ou du département de travail adapté. Le VDAB peut, le cas échéant, reporter de six mois au maximum le début du parcours de transition si l'exécution immédiate du parcours de transition entrave la bonne gestion de l'entreprise de travail adapté ou du département de travail adapté ;
  3° la possibilitĂ© d'un emploi rĂ©gulier durable sans aide conformĂ©ment au prĂ©sent arrĂȘtĂ© dans la rĂ©gion du domicile du travailleur de groupe cible.
  Lors de l'évaluation de la condition, visées à l'alinéa premier, 1°, le VDAB examine si la situation personnelle du travailleur de groupe cible lui permet de répondre aux conditions de travail réguliÚres.
  Le ministre et le Ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions peuvent préciser la liste des facteurs visée à l'alinéa premier, 1°.
Afdeling 2. - Interne doorstroom
Section 2. - Transition interne
Art. 66. Als de VDAB bij de evaluatie van oordeel is dat de kansen op doorstroom gunstig zijn, kan het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling beslissen om de doelgroepwerknemer in dienst te houden.
  Het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling neemt een beslissing en brengt de VDAB op de hoogte uiterlijk zeven kalenderdagen na de datum van de gunstige beoordeling door de VDAB. In voorkomend geval worden de werkondersteunende maatregelen beëindigd vanaf de laatste dag van het kwartaal waarin de beslissing van het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling wordt betekend aan de VDAB.
  De VDAB licht het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling in over de beschikbare steunmaatregelen op maat van de doelgroepwerknemer, los van dit besluit.
  Het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling neemt een beslissing en brengt de VDAB op de hoogte uiterlijk zeven kalenderdagen na de datum van de gunstige beoordeling door de VDAB. In voorkomend geval worden de werkondersteunende maatregelen beëindigd vanaf de laatste dag van het kwartaal waarin de beslissing van het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling wordt betekend aan de VDAB.
  De VDAB licht het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling in over de beschikbare steunmaatregelen op maat van de doelgroepwerknemer, los van dit besluit.
Art. 66. Lorsque le VDAB, dans son évaluation, estime que les chances de transition sont favorables, l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté peuvent décider de maintenir le travailleur de groupe cible en service.
  L'entreprise de travail adaptĂ© ou le dĂ©partement de travail adaptĂ© prend une dĂ©cision et en informe le VDAB au plus tard sept jours calendaires Ă compter de la date de l'Ă©valuation favorable par le VDAB. Le cas Ă©chĂ©ant, les mesures d'aide Ă l'emploi sont arrĂȘtĂ©es le dernier jour du trimestre dans lequel la dĂ©cision de l'entreprise de travail adaptĂ© ou du dĂ©partement de travail adaptĂ© est notifiĂ©e au VDAB.
  Le VDAB informe l'entreprise de travail adaptĂ© ou le dĂ©partement de travail adaptĂ© sur les mesures d'aide disponibles Ă la mesure du travailleur de groupe cible, indĂ©pendamment du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  L'entreprise de travail adaptĂ© ou le dĂ©partement de travail adaptĂ© prend une dĂ©cision et en informe le VDAB au plus tard sept jours calendaires Ă compter de la date de l'Ă©valuation favorable par le VDAB. Le cas Ă©chĂ©ant, les mesures d'aide Ă l'emploi sont arrĂȘtĂ©es le dernier jour du trimestre dans lequel la dĂ©cision de l'entreprise de travail adaptĂ© ou du dĂ©partement de travail adaptĂ© est notifiĂ©e au VDAB.
  Le VDAB informe l'entreprise de travail adaptĂ© ou le dĂ©partement de travail adaptĂ© sur les mesures d'aide disponibles Ă la mesure du travailleur de groupe cible, indĂ©pendamment du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Afdeling 3. - Externe doorstroom
Section 3. - Transition externe
Art. 67. De VDAB kan binnen de perken van het begrotingskrediet een extern doorstroomtraject opstarten voor de doelgroepwerknemer.
  In het eerste lid wordt verstaan onder extern doorstroomtraject: de doorstroombegeleiding, vermeld in artikel 68, naar een werkvloer, vreemd aan het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling.
  De VDAB bepaalt de datum van de aanvang van het doorstroomtraject in overleg met de doelgroepwerknemer, het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling en de dienstverlener.
  Het doorstroomtraject vangt aan binnen drie maanden nadat de kansen op doorstroom door de VDAB gunstig werden beoordeeld, behalve in het geval, vermeld in artikel 65, eerste lid, 2° [1 en in het geval van een crisis met een ernstige sociale en economische impact die als dusdanig door de minister is erkend]1.
 Â
  In het eerste lid wordt verstaan onder extern doorstroomtraject: de doorstroombegeleiding, vermeld in artikel 68, naar een werkvloer, vreemd aan het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling.
  De VDAB bepaalt de datum van de aanvang van het doorstroomtraject in overleg met de doelgroepwerknemer, het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling en de dienstverlener.
  Het doorstroomtraject vangt aan binnen drie maanden nadat de kansen op doorstroom door de VDAB gunstig werden beoordeeld, behalve in het geval, vermeld in artikel 65, eerste lid, 2° [1 en in het geval van een crisis met een ernstige sociale en economische impact die als dusdanig door de minister is erkend]1.
 Â
Wijzigingen
Art. 67. Dans les limites du crédit budgétaire disponible, le VDAB peut lancer un parcours de transition externe pour le travailleur de groupe cible.
  Dans l'alinéa premier, on entend par parcours de transition externe : l'accompagnement de transition, visé à l'article 68, vers un lieu de travail, indépendant de l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté.
  Le VDAB détermine la date de début du parcours de transition en concertation avec le travailleur de groupe cible, l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté et le prestataire de services.
  Le parcours de transition commence dans les trois mois suivant l'évaluation favorable des chances de transition par le VDAB, sauf dans le cas visé à l'article 65, alinéa premier, 2° [1 et en cas de crise ayant un impact social et économique grave reconnu comme tel par le ministre]1.
 Â
  Dans l'alinéa premier, on entend par parcours de transition externe : l'accompagnement de transition, visé à l'article 68, vers un lieu de travail, indépendant de l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté.
  Le VDAB détermine la date de début du parcours de transition en concertation avec le travailleur de groupe cible, l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté et le prestataire de services.
  Le parcours de transition commence dans les trois mois suivant l'évaluation favorable des chances de transition par le VDAB, sauf dans le cas visé à l'article 65, alinéa premier, 2° [1 et en cas de crise ayant un impact social et économique grave reconnu comme tel par le ministre]1.
 Â
Wijzigingen
Onderafdeling 1. - Doorstroombegeleiding
Sous-section 1re. - Accompagnement de transition
Art. 68. [1 § 1. De gemandateerde dienstverlener staat voor een periode van maximaal negen maanden in voor de doorstroombegeleiding op maat van de doelgroepwerknemer en op basis van de volgende onderdelen:
  1° het voortraject, waarbij de begeleiding van de doelgroepwerknemer gericht is op al de volgende elementen:
  a) sollicitatietraining geven. In de voormelde training wordt de doelgroepwerknemer voorbereid op sollicitaties.
  b) een passende job op maat van de interesses, competenties en mogelijkheden van de doelgroepwerknemer zoeken;
  c) de doelgroepwerknemer ondersteunen bij de vervulling van de randvoorwaarden voor reguliere tewerkstelling;
  2° de jobmatching, die bestaat uit zoeken naar een of meer stages in samenspraak met de doelgroepwerknemer op basis van een reëel jobaanbod bij een stageverlenende organisatie;
  3° de stage, waarbij de dienstverlener de stageverlenende organisatie en de doelgroepwerknemer minstens ondersteuning biedt bij al de volgende elementen:
  a) het onthaal van de doelgroepwerknemer;
  b) de aanpassing van de doelgroepwerknemer en de arbeidsomgeving;
  c) de werkprocessen en de functie van de doelgroepwerknemer;
  d) de communicatie met de doelgroepwerknemer;
  e) de coaching van de doelgroepwerknemer en de stageverlenende organisatie;
  f) specifieke vragen die inherent zijn aan de stageverlening aan de doelgroepwerknemer;
  g) de actualisering van het persoonlijk ontwikkelingsplan van de doelgroepwerknemer op basis van zijn doorstroomresultaten op het einde van de stage;
  4° de nazorgbegeleiding, vanaf de indiensttreding bij de reguliere werkgever, die bijkomende raadgevingen aan de werkgever en de doelgroepwerknemer omvat die gericht zijn op de duurzame tewerkstelling bij de reguliere werkgever.
  § 2. Tijdens het doorstroomtraject, vermeld in paragraaf 1, stelt het maatwerkbedrijf de doelgroepwerknemer vrij van arbeidsprestaties voor de uitvoering van het doorstroomtraject.
  De stage, vermeld in paragraaf 1, 3°, wordt beëindigd met een evaluatiegesprek tussen de betrokken partijen. De gemandateerde dienstverlener brengt de VDAB op de hoogte van de stageresultaten.
  § 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 en 2 kan de VDAB de duur van de doorstroomtrajecten tijdelijk opschorten in geval van een crisis met een ernstige sociale en economische impact die de minister als dusdanig erkent.]1
 Â
  1° het voortraject, waarbij de begeleiding van de doelgroepwerknemer gericht is op al de volgende elementen:
  a) sollicitatietraining geven. In de voormelde training wordt de doelgroepwerknemer voorbereid op sollicitaties.
  b) een passende job op maat van de interesses, competenties en mogelijkheden van de doelgroepwerknemer zoeken;
  c) de doelgroepwerknemer ondersteunen bij de vervulling van de randvoorwaarden voor reguliere tewerkstelling;
  2° de jobmatching, die bestaat uit zoeken naar een of meer stages in samenspraak met de doelgroepwerknemer op basis van een reëel jobaanbod bij een stageverlenende organisatie;
  3° de stage, waarbij de dienstverlener de stageverlenende organisatie en de doelgroepwerknemer minstens ondersteuning biedt bij al de volgende elementen:
  a) het onthaal van de doelgroepwerknemer;
  b) de aanpassing van de doelgroepwerknemer en de arbeidsomgeving;
  c) de werkprocessen en de functie van de doelgroepwerknemer;
  d) de communicatie met de doelgroepwerknemer;
  e) de coaching van de doelgroepwerknemer en de stageverlenende organisatie;
  f) specifieke vragen die inherent zijn aan de stageverlening aan de doelgroepwerknemer;
  g) de actualisering van het persoonlijk ontwikkelingsplan van de doelgroepwerknemer op basis van zijn doorstroomresultaten op het einde van de stage;
  4° de nazorgbegeleiding, vanaf de indiensttreding bij de reguliere werkgever, die bijkomende raadgevingen aan de werkgever en de doelgroepwerknemer omvat die gericht zijn op de duurzame tewerkstelling bij de reguliere werkgever.
  § 2. Tijdens het doorstroomtraject, vermeld in paragraaf 1, stelt het maatwerkbedrijf de doelgroepwerknemer vrij van arbeidsprestaties voor de uitvoering van het doorstroomtraject.
  De stage, vermeld in paragraaf 1, 3°, wordt beëindigd met een evaluatiegesprek tussen de betrokken partijen. De gemandateerde dienstverlener brengt de VDAB op de hoogte van de stageresultaten.
  § 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 en 2 kan de VDAB de duur van de doorstroomtrajecten tijdelijk opschorten in geval van een crisis met een ernstige sociale en economische impact die de minister als dusdanig erkent.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 68. [1 § 1er. Le prestataire de services mandaté est chargé pour une période maximale de neuf mois de l'accompagnement de transition du travailleur de groupe-cible, sur la base des éléments suivants :
  1° l'avant-trajet, dans le cadre duquel l'accompagnement du travailleur de groupe-cible est axé sur tous les éléments suivants :
  a) l'entraßnement à la recherche d'un emploi. Pendant la formation susmentionnée, le travailleur du groupe-cible est préparé aux postulations.
  b) la recherche d'un emploi adaptĂ© en fonction des intĂ©rĂȘts, compĂ©tences et possibilitĂ©s du travailleur de groupe-cible ;
  c) le soutien du travailleur de groupe-cible en ce qui concerne l'accomplissement des conditions préalables à un emploi régulier ;
  2° la mise en adéquation du profil du travailleur de groupe-cible avec des offres d'emploi, qui consiste en la recherche d'un ou plusieurs stages en concertation avec le travailleur de groupe-cible sur la base d'une offre d'emploi réelle auprÚs d'une organisation proposant des stages ;
  3° le stage, durant lequel le prestataire de services aide l'organisation proposant des stages et le travailleur de groupe-cible concernant tous les éléments suivants :
  a) l'accueil du travailleur de groupe-cible ;
  b) l'adaptation du travailleur de groupe-cible et du milieu de travail ;
  c) les processus de travail et la fonction du travailleur de groupe-cible ;
  d) la communication avec le travailleur de groupe-cible ;
  e) le coaching du travailleur de groupe-cible et de l'organisation proposant des stages ;
  f) les questions spécifiques inhérentes à la proposition de stages au travailleur de groupe-cible ;
  g) la mise à jour du plan de développement personnel du travailleur de groupe-cible, sur la base de ses résultats de transition à la fin du stage ;
  4° le suivi, à partir de l'entrée en service auprÚs de l'employeur régulier, comprend des conseils supplémentaires à l'employeur et au travailleur de groupe-cible axés sur l'emploi durable auprÚs de l'employeur régulier.
  § 2. Lors du trajet de transition visé au paragraphe 1er, l'entreprise de travail adapté dispensent le travailleur de groupe-cible de prestations de travail pour l'exécution du trajet de transition.
  Le stage visé au paragraphe 1er, 3°, s'achÚve par un entretien d'évaluation entre les parties concernées. Le prestataire de services mandaté informe le VDAB des résultats du stage.
  § 3. Sans préjudice de l'application des paragraphes 1er, 2 et 3, le VDAB peut suspendre temporairement la durée des trajets de transition en cas de crise ayant un impact social et économique grave reconnu comme tel par le ministre.]1
 Â
  1° l'avant-trajet, dans le cadre duquel l'accompagnement du travailleur de groupe-cible est axé sur tous les éléments suivants :
  a) l'entraßnement à la recherche d'un emploi. Pendant la formation susmentionnée, le travailleur du groupe-cible est préparé aux postulations.
  b) la recherche d'un emploi adaptĂ© en fonction des intĂ©rĂȘts, compĂ©tences et possibilitĂ©s du travailleur de groupe-cible ;
  c) le soutien du travailleur de groupe-cible en ce qui concerne l'accomplissement des conditions préalables à un emploi régulier ;
  2° la mise en adéquation du profil du travailleur de groupe-cible avec des offres d'emploi, qui consiste en la recherche d'un ou plusieurs stages en concertation avec le travailleur de groupe-cible sur la base d'une offre d'emploi réelle auprÚs d'une organisation proposant des stages ;
  3° le stage, durant lequel le prestataire de services aide l'organisation proposant des stages et le travailleur de groupe-cible concernant tous les éléments suivants :
  a) l'accueil du travailleur de groupe-cible ;
  b) l'adaptation du travailleur de groupe-cible et du milieu de travail ;
  c) les processus de travail et la fonction du travailleur de groupe-cible ;
  d) la communication avec le travailleur de groupe-cible ;
  e) le coaching du travailleur de groupe-cible et de l'organisation proposant des stages ;
  f) les questions spécifiques inhérentes à la proposition de stages au travailleur de groupe-cible ;
  g) la mise à jour du plan de développement personnel du travailleur de groupe-cible, sur la base de ses résultats de transition à la fin du stage ;
  4° le suivi, à partir de l'entrée en service auprÚs de l'employeur régulier, comprend des conseils supplémentaires à l'employeur et au travailleur de groupe-cible axés sur l'emploi durable auprÚs de l'employeur régulier.
  § 2. Lors du trajet de transition visé au paragraphe 1er, l'entreprise de travail adapté dispensent le travailleur de groupe-cible de prestations de travail pour l'exécution du trajet de transition.
  Le stage visé au paragraphe 1er, 3°, s'achÚve par un entretien d'évaluation entre les parties concernées. Le prestataire de services mandaté informe le VDAB des résultats du stage.
  § 3. Sans préjudice de l'application des paragraphes 1er, 2 et 3, le VDAB peut suspendre temporairement la durée des trajets de transition en cas de crise ayant un impact social et économique grave reconnu comme tel par le ministre.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 69. Binnen de perken van het jaarlijks goedgekeurde begrotingskrediet kent de Vlaamse Regering aan het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling tijdens de duur van de stage, vermeld in artikel 68, § 1, 3°, aan de stagiair-doelgroepwerknemer een loonpremie van maximaal 75% toe, als vermeld in artikel 34, eerste lid, 7°.
  De stageverlenende organisatie betaalt voor de stagiair-werknemer gedurende de stageperiode een stagepremie voor het bedrag van de resterende maandelijkse brutoloonkosten aan het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling.
  De stageverlenende organisatie betaalt voor de stagiair-werknemer gedurende de stageperiode een stagepremie voor het bedrag van de resterende maandelijkse brutoloonkosten aan het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling.
Art. 69. Dans les limites du crédit budgétaire approuvé annuellement, le Gouvernement flamand octroie à l'entreprise de travail adapté ou au département de travail adapté pendant la durée du stage visé à l'article 68, § 1er, 3°, au travailleur de groupe cible stagiaire, une prime salariale de 75 % au maximum, telque visé à l'article 34, alinéa premier, 7°.
  Pendant la période de stage l'organisation proposant des stages paie une prime de stage à concurrence des coûts salariaux bruts mensuels restants pour le travailleur stagiaire à l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté.
  Pendant la période de stage l'organisation proposant des stages paie une prime de stage à concurrence des coûts salariaux bruts mensuels restants pour le travailleur stagiaire à l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté.
Art. 70. De VDAB evalueert het doorstroomtraject van de doelgroepwerknemer die niet doorstroomt.
  De VDAB kan met het oog op die evaluatie, vermeld in het eerste lid:
  1° de gewijzigde behoefte aan werkondersteunende maatregelen opnieuw vaststellen conform artikel 8 en 11, eerste lid, van het decreet van 12 juli 2013;
  2° een nieuw doorstroomtraject opstarten op basis van een reële vacature, conform artikel 23, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet.
  In afwachting van de opstart van een nieuw doorstroomtraject, vermeld in het eerste lid, 2°, stelt de VDAB de minimale behoefte aan werkondersteunende maatregelen vast voor de doelgroepwerknemer die alleen om redenen die onafhankelijk zijn van zijn wil, niet is doorgestroomd.
  Als een nieuw doorstroomtraject wordt opgestart, kan de VDAB beslissen dat de gemandateerde dienstverlener de fase van het voortraject, vermeld in artikel 68, § 1, 1°, niet opnieuw hoeft uit te voeren.
  De werkondersteunende maatregelen, verleend conform dit besluit, worden beëindigd als de VDAB vaststelt dat de doelgroepwerknemer aan de volgende voorwaarden voldoet:
  1° de doelgroepwerknemer heeft geen ondersteuning of een lagere vorm van ondersteuning nodig dan die vermeld in dit besluit;
  2° de doelgroepwerknemer wil uit vrije wil niet doorstromen.
  De VDAB brengt het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling op de hoogte van zijn beslissing uiterlijk vijf werkdagen na de vaststelling van de voorwaarden, vermeld in het vijfde lid.
  Het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling brengt binnen dertig kalenderdagen het departement op de hoogte van opzegtermijn met een afschrift van de opzeggingsbrief.
  De werkondersteunende maatregel wordt stopgezet uiterlijk op het einde van het kwartaal waarin de opzegtermijn afloopt.
  Als het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling nalaat om binnen dertig kalenderdagen het afschrift van de opzeggingsbrief aan het departement te bezorgen, wordt de steunverlening automatisch beëindigd op het einde van het kwartaal waarin de VDAB de kennisgeving, vermeld in het zesde lid, heeft gedaan.
  De VDAB kan met het oog op die evaluatie, vermeld in het eerste lid:
  1° de gewijzigde behoefte aan werkondersteunende maatregelen opnieuw vaststellen conform artikel 8 en 11, eerste lid, van het decreet van 12 juli 2013;
  2° een nieuw doorstroomtraject opstarten op basis van een reële vacature, conform artikel 23, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet.
  In afwachting van de opstart van een nieuw doorstroomtraject, vermeld in het eerste lid, 2°, stelt de VDAB de minimale behoefte aan werkondersteunende maatregelen vast voor de doelgroepwerknemer die alleen om redenen die onafhankelijk zijn van zijn wil, niet is doorgestroomd.
  Als een nieuw doorstroomtraject wordt opgestart, kan de VDAB beslissen dat de gemandateerde dienstverlener de fase van het voortraject, vermeld in artikel 68, § 1, 1°, niet opnieuw hoeft uit te voeren.
  De werkondersteunende maatregelen, verleend conform dit besluit, worden beëindigd als de VDAB vaststelt dat de doelgroepwerknemer aan de volgende voorwaarden voldoet:
  1° de doelgroepwerknemer heeft geen ondersteuning of een lagere vorm van ondersteuning nodig dan die vermeld in dit besluit;
  2° de doelgroepwerknemer wil uit vrije wil niet doorstromen.
  De VDAB brengt het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling op de hoogte van zijn beslissing uiterlijk vijf werkdagen na de vaststelling van de voorwaarden, vermeld in het vijfde lid.
  Het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling brengt binnen dertig kalenderdagen het departement op de hoogte van opzegtermijn met een afschrift van de opzeggingsbrief.
  De werkondersteunende maatregel wordt stopgezet uiterlijk op het einde van het kwartaal waarin de opzegtermijn afloopt.
  Als het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling nalaat om binnen dertig kalenderdagen het afschrift van de opzeggingsbrief aan het departement te bezorgen, wordt de steunverlening automatisch beëindigd op het einde van het kwartaal waarin de VDAB de kennisgeving, vermeld in het zesde lid, heeft gedaan.
Art. 70. Le VDAB évalue le parcours de transition du travailleur de groupe cible qui ne fait pas de transition.
  Le VDAB peut, en vue de l'évaluation visée à l'alinéa premier :
  1° constater à nouveau le besoin modifié de mesures d'aide à l'emploi conformément aux articles 8 et 11, alinéa premier, du décret du 12 juillet 2013 ;
  2° initier un nouveau parcours de transition sur la base d'un poste à pourvoir réel, conformément à l'article 23, alinéa premier, 2°, du décret précité.
  Dans l'attente de l'initiation d'un nouveau parcours de transition visé à l'alinéa premier, 2°, le VDAB détermine le besoin minimum de mesures d'aide à l'emploi pour le travailleur de groupe cible qui n'a pas fait de transition uniquement pour des raisons indépendantes de sa volonté.
  Lorsqu'un nouveau parcours de transition est initié, le VDAB peut décider que le prestataire de services mandaté ne doit pas effectuer une nouvelle fois la phase de l'avant-trajet visé à l'article 68, § 1er, 1°.
  Les mesures d'aide Ă l'emploi, accordĂ©es conformĂ©ment au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, sont arrĂȘtĂ©es lorsque le VDAB constate que le travailleur de groupe cible rĂ©pond aux conditions suivantes :
  1° le travailleur de groupe cible n'a besoin d'aucune aide ou d'un niveau d'aide infĂ©rieur que celui mentionnĂ© au prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  2° le travailleur de groupe cible ne veut pas faire de transition de sa propre initiative.
  Le VDAB informe l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté de sa décision au plus tard cinq jours ouvrables à dater de la constatation des conditions mentionnées à l'alinéa cinq.
  L'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté informe le département dans les trente jours calendaires du délai de préavis au moyen d'une copie de la lettre de préavis.
  La mesure d'aide Ă l'emploi est arrĂȘtĂ©e au plus tard Ă la fin du trimestre dans lequel le dĂ©lai de prĂ©avis expire.
  Lorsque l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté omet de transmettre la copie de la lettre de préavis au département dans les trente jours calendaires, l'octroi d'aide prend automatiquement fin à la fin du trimestre dans lequel le VDAB a fait la notification, visée à l'alinéa six.
  Le VDAB peut, en vue de l'évaluation visée à l'alinéa premier :
  1° constater à nouveau le besoin modifié de mesures d'aide à l'emploi conformément aux articles 8 et 11, alinéa premier, du décret du 12 juillet 2013 ;
  2° initier un nouveau parcours de transition sur la base d'un poste à pourvoir réel, conformément à l'article 23, alinéa premier, 2°, du décret précité.
  Dans l'attente de l'initiation d'un nouveau parcours de transition visé à l'alinéa premier, 2°, le VDAB détermine le besoin minimum de mesures d'aide à l'emploi pour le travailleur de groupe cible qui n'a pas fait de transition uniquement pour des raisons indépendantes de sa volonté.
  Lorsqu'un nouveau parcours de transition est initié, le VDAB peut décider que le prestataire de services mandaté ne doit pas effectuer une nouvelle fois la phase de l'avant-trajet visé à l'article 68, § 1er, 1°.
  Les mesures d'aide Ă l'emploi, accordĂ©es conformĂ©ment au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, sont arrĂȘtĂ©es lorsque le VDAB constate que le travailleur de groupe cible rĂ©pond aux conditions suivantes :
  1° le travailleur de groupe cible n'a besoin d'aucune aide ou d'un niveau d'aide infĂ©rieur que celui mentionnĂ© au prĂ©sent arrĂȘtĂ© ;
  2° le travailleur de groupe cible ne veut pas faire de transition de sa propre initiative.
  Le VDAB informe l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté de sa décision au plus tard cinq jours ouvrables à dater de la constatation des conditions mentionnées à l'alinéa cinq.
  L'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté informe le département dans les trente jours calendaires du délai de préavis au moyen d'une copie de la lettre de préavis.
  La mesure d'aide Ă l'emploi est arrĂȘtĂ©e au plus tard Ă la fin du trimestre dans lequel le dĂ©lai de prĂ©avis expire.
  Lorsque l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté omet de transmettre la copie de la lettre de préavis au département dans les trente jours calendaires, l'octroi d'aide prend automatiquement fin à la fin du trimestre dans lequel le VDAB a fait la notification, visée à l'alinéa six.
Art. 71. De VDAB wijst de dienstverlener aan die het doorstroomtraject uitvoert in overleg met de doelgroepwerknemer op basis van:
  1° zijn nabijheid met, naargelang het geval, het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling;
  2° zijn kennis van het lokale netwerk van betrokken actoren;
  3° zijn ervaring met de inschakeling van werkzoekenden met een vergelijkbaar profiel in een normaal economisch circuit.
  De externe organisatie die betrokken is bij de beoordeling van de kansen op doorstroom van de doelgroepwerknemer, kan zelf niet optreden als dienstverlener voor de doorstroombegeleiding.
  1° zijn nabijheid met, naargelang het geval, het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling;
  2° zijn kennis van het lokale netwerk van betrokken actoren;
  3° zijn ervaring met de inschakeling van werkzoekenden met een vergelijkbaar profiel in een normaal economisch circuit.
  De externe organisatie die betrokken is bij de beoordeling van de kansen op doorstroom van de doelgroepwerknemer, kan zelf niet optreden als dienstverlener voor de doorstroombegeleiding.
Art. 71. Le VDAB désigne le prestataire de services effectuant le parcours de transition en concertation avec le travailleur de groupe cible sur la base de :
  1° sa proximité avec, selon le cas, l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté ;
  2° ses connaissances du réseau local des acteurs concernés ;
  3° son expérience avec l'insertion des demandeurs d'emploi possédant un profil comparable dans un circuit économique régulier.
  L'organisation externe impliquĂ©e dans l'Ă©valuation des chances de transition du travailleur de groupe cible ne peut pas agir lui-mĂȘme en tant que prestataire de services pour l'accompagnement de transition.
  1° sa proximité avec, selon le cas, l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté ;
  2° ses connaissances du réseau local des acteurs concernés ;
  3° son expérience avec l'insertion des demandeurs d'emploi possédant un profil comparable dans un circuit économique régulier.
  L'organisation externe impliquĂ©e dans l'Ă©valuation des chances de transition du travailleur de groupe cible ne peut pas agir lui-mĂȘme en tant que prestataire de services pour l'accompagnement de transition.
Onderafdeling 2. - Mandaat tot doorstroombegeleiding
Sous-section 2. - Mandat d'accompagnement de transition
Art. 72. § 1. De onderneming die doorstroomtrajecten als vermeld in artikel 68, wil uitvoeren, dient een mandaataanvraag in bij de VDAB.
  De onderneming toont daarbij minstens aan dat ze aan de volgende voorwaarden voldoet:
  1° [1 de onderneming beschikt over een kwaliteitsmodel als bedoeld in artikel 5 van het decreet van 29 maart 2019 betreffende het kwaliteits- en registratiemodel van dienstverleners in het beleidsdomein Werk en Sociale Economie;]1
  2° de onderneming beschikt over de nodige faciliteiten om de dienstverlening uit te voeren;
  3° de onderneming toont haar professionele deskundigheid op het vlak van begeleiding van personen met een arbeidsbeperking, als vermeld in artikel 12, tweede lid;
  4° de onderneming heeft aantoonbare resultaten wat betreft de inschakeling van doelgroepwerknemers in het normaal economisch circuit;
  5° de onderneming heeft een methodische aanpak van de dienstverlening, die voldoet aan de bepalingen, vermeld in artikel 68.
  De minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, kunnen die voorwaarden nader bepalen.
  § 2. De VDAB gaat na of de onderneming voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.
  § 3. De minister bepaalt de nadere voorwaarden voor de indiening en behandeling van de aanvraag.
 Â
  De onderneming toont daarbij minstens aan dat ze aan de volgende voorwaarden voldoet:
  1° [1 de onderneming beschikt over een kwaliteitsmodel als bedoeld in artikel 5 van het decreet van 29 maart 2019 betreffende het kwaliteits- en registratiemodel van dienstverleners in het beleidsdomein Werk en Sociale Economie;]1
  2° de onderneming beschikt over de nodige faciliteiten om de dienstverlening uit te voeren;
  3° de onderneming toont haar professionele deskundigheid op het vlak van begeleiding van personen met een arbeidsbeperking, als vermeld in artikel 12, tweede lid;
  4° de onderneming heeft aantoonbare resultaten wat betreft de inschakeling van doelgroepwerknemers in het normaal economisch circuit;
  5° de onderneming heeft een methodische aanpak van de dienstverlening, die voldoet aan de bepalingen, vermeld in artikel 68.
  De minister en de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, kunnen die voorwaarden nader bepalen.
  § 2. De VDAB gaat na of de onderneming voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.
  § 3. De minister bepaalt de nadere voorwaarden voor de indiening en behandeling van de aanvraag.
 Â
Wijzigingen
Art. 72. § 1er. L'entreprise souhaitant effectuer des parcours de transition tels que visés à l'article 68, introduit une demande de mandat auprÚs du VDAB.
  L'entreprise démontre au moins qu'elle répond aux conditions suivantes :
  1° [1 l'entreprise dispose d'un modÚle de qualité tel que visé à l'article 5 du décret du 29 mars 2019 relatif au modÚle de qualité et d'enregistrement des prestataires de services dans le domaine politique de l'Economie et de l'Economie sociale ;]1
  2° l'entreprise dispose des facilités nécessaires pour effectuer les services ;
  3° l'entreprise montre son expertise professionnelle en matiÚre d'accompagnement de personnes atteintes d'un handicap à l'emploi, telles que visées à l'article 12, alinéa deux ;
  4° l'entreprise peut produire des résultats démontrables au niveau de l'insertion des travailleurs de groupe cible dans le circuit économique régulier ;
  5° l'entreprise a une approche méthodique dans la prestation des services, qui répond aux dispositions visées à l'article 68.
  Le ministre et le ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions peuvent préciser ces conditions.
  § 2. Le VDAB vérifie si l'entreprise répond aux conditions visées au paragraphe 1er.
  § 3. Le ministre précises les conditions pour l'introduction et le traitement de la demande.
 Â
  L'entreprise démontre au moins qu'elle répond aux conditions suivantes :
  1° [1 l'entreprise dispose d'un modÚle de qualité tel que visé à l'article 5 du décret du 29 mars 2019 relatif au modÚle de qualité et d'enregistrement des prestataires de services dans le domaine politique de l'Economie et de l'Economie sociale ;]1
  2° l'entreprise dispose des facilités nécessaires pour effectuer les services ;
  3° l'entreprise montre son expertise professionnelle en matiÚre d'accompagnement de personnes atteintes d'un handicap à l'emploi, telles que visées à l'article 12, alinéa deux ;
  4° l'entreprise peut produire des résultats démontrables au niveau de l'insertion des travailleurs de groupe cible dans le circuit économique régulier ;
  5° l'entreprise a une approche méthodique dans la prestation des services, qui répond aux dispositions visées à l'article 68.
  Le ministre et le ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions peuvent préciser ces conditions.
  § 2. Le VDAB vérifie si l'entreprise répond aux conditions visées au paragraphe 1er.
  § 3. Le ministre précises les conditions pour l'introduction et le traitement de la demande.
 Â
Wijzigingen
Art. 73. Na het positieve advies van de VDAB verleent de minister aan de onderneming een mandaat tot uitvoering van doorstroomtrajecten met een looptijd van zes jaar.
  De minister brengt de onderneming schriftelijk op de hoogte van de toekenningsvoorwaarden van het mandaat, in het bijzonder van:
  1° de looptijd van het mandaat;
  2° de omschrijving van de openbare diensttaken in het kader van de doorstroombegeleiding;
  3° een beschrijving van het compensatiemechanisme en de parameters voor de berekening, monitoring en herziening van de compensatie;
  4° de regelingen om eventuele overcompensatie te vermijden en terug te vorderen;
  5° de opgave van de wettelijke rechtsgrondslag voor het mandaat;
  6° de niet-overdraagbaarheid van het mandaat.
  De minister brengt de onderneming schriftelijk op de hoogte van de toekenningsvoorwaarden van het mandaat, in het bijzonder van:
  1° de looptijd van het mandaat;
  2° de omschrijving van de openbare diensttaken in het kader van de doorstroombegeleiding;
  3° een beschrijving van het compensatiemechanisme en de parameters voor de berekening, monitoring en herziening van de compensatie;
  4° de regelingen om eventuele overcompensatie te vermijden en terug te vorderen;
  5° de opgave van de wettelijke rechtsgrondslag voor het mandaat;
  6° de niet-overdraagbaarheid van het mandaat.
Art. 73. AprÚs l'avis positif du VDAB, le ministre accorde à l'entreprise un mandat d'exécution de parcours de transition d'une durée de six ans.
  Le ministre informe l'entreprise par écrit des conditions d'octroi du mandat, en particulier :
  1° la durée du mandat ;
  2° la description des tùches de service public dans le cadre de l'accompagnement de transition ;
  3° une description du mécanisme de compensation et des paramÚtres pour le calcul, le monitoring et la révision de la compensation ;
  4° les modalités de prévention et de récupération d'éventuelles surcompensations ;
  5° la mention de la base légale pour le mandat ;
  6° la non-transférabilité du mandat ;
  Le ministre informe l'entreprise par écrit des conditions d'octroi du mandat, en particulier :
  1° la durée du mandat ;
  2° la description des tùches de service public dans le cadre de l'accompagnement de transition ;
  3° une description du mécanisme de compensation et des paramÚtres pour le calcul, le monitoring et la révision de la compensation ;
  4° les modalités de prévention et de récupération d'éventuelles surcompensations ;
  5° la mention de la base légale pour le mandat ;
  6° la non-transférabilité du mandat ;
Art. 74. Met behoud van de toepassing van de voorwaarden, vermeld in artikel 72, § 1, tweede lid, voldoet de gemandateerde onderneming tijdens de looptijd van het mandaat aan de volgende voorwaarden:
  1° de gemandateerde onderneming handelt op een objectieve, respectvolle en niet-discriminerende wijze conform de bepalingen van het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt;
  2° de gemandateerde onderneming eerbiedigt de persoonlijke levenssfeer en verwerkt persoonsgegevens conform [1 de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens]1;
  3° de gemandateerde onderneming kan voor de uitvoering van de dienstverlening alleen een beroep doen op onderaannemers, als die gemandateerd zijn;
  4° de gemandateerde onderneming hanteert een boekhouding die inkomsten en uitgaven die verband houden met de doorstroomtrajecten, alsook de parameters, vermeld in artikel 78 van dit besluit, voor de toerekening van de kosten en de inkomsten, transparant afzondert;
  5° de gemandateerde onderneming registreert de volgende doorstoomtrajectgegevens:
  a) de identificatiegegevens van de begeleide persoon;
  b) de aanvangsdatum, status en datum van beëindiging van het doorstroomtraject;
  c) het resultaat van het doorstroomtraject;
  d) de actualisering van het persoonlijk ontwikkelingsplan op het einde van het doorstoomtraject;
  6° de gemandateerde onderneming bezorgt op verzoek van de VDAB de informatiegegevens die de VDAB nodig acht om controle op de dienstverlening uit te oefenen.
  De VDAB kan naast de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, aanvullende richtlijnen uitvaardigen op het vlak van de te hanteren boekhouding met het oog op de rechtmatigheidscontrole van kosten en inkomsten, en kan naast de verplichting, vermeld in het eerste lid, 6°, bijkomende registratieverplichtingen bepalen.
 Â
  1° de gemandateerde onderneming handelt op een objectieve, respectvolle en niet-discriminerende wijze conform de bepalingen van het decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt;
  2° de gemandateerde onderneming eerbiedigt de persoonlijke levenssfeer en verwerkt persoonsgegevens conform [1 de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens]1;
  3° de gemandateerde onderneming kan voor de uitvoering van de dienstverlening alleen een beroep doen op onderaannemers, als die gemandateerd zijn;
  4° de gemandateerde onderneming hanteert een boekhouding die inkomsten en uitgaven die verband houden met de doorstroomtrajecten, alsook de parameters, vermeld in artikel 78 van dit besluit, voor de toerekening van de kosten en de inkomsten, transparant afzondert;
  5° de gemandateerde onderneming registreert de volgende doorstoomtrajectgegevens:
  a) de identificatiegegevens van de begeleide persoon;
  b) de aanvangsdatum, status en datum van beëindiging van het doorstroomtraject;
  c) het resultaat van het doorstroomtraject;
  d) de actualisering van het persoonlijk ontwikkelingsplan op het einde van het doorstoomtraject;
  6° de gemandateerde onderneming bezorgt op verzoek van de VDAB de informatiegegevens die de VDAB nodig acht om controle op de dienstverlening uit te oefenen.
  De VDAB kan naast de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, aanvullende richtlijnen uitvaardigen op het vlak van de te hanteren boekhouding met het oog op de rechtmatigheidscontrole van kosten en inkomsten, en kan naast de verplichting, vermeld in het eerste lid, 6°, bijkomende registratieverplichtingen bepalen.
 Â
Wijzigingen
Art. 74. Sans préjudice de l'application des conditions visées à l'article 72, § 1er, alinéa deux, l'entreprise mandatée répond pendant la durée du mandat aux conditions suivantes :
  1° l'entreprise mandatée agit de maniÚre objective, respectueuse et non discriminatoire, conformément aux dispositions du décret du 8 mai 2002 relatif à participation proportionnelle sur le marché de l'emploi ;
  2° l'entreprise mandatée respecte la vie privée et traite les données à caractÚre personnel conformément [1 à la réglementation sur la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractÚre personnel]1 ;
  3° l'entreprise mandatée ne peut, pour l'exécution des services, faire appel aux sous-traitants que lorsque ceux-ci sont mandatés ;
  4° l'entreprise mandatĂ©e tient une comptabilitĂ© qui sĂ©pare de façon transparente les revenus et dĂ©penses relatifs aux parcours de transition, ainsi que les paramĂštres visĂ©s Ă l'article 78 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, pour le calculdes coĂ»ts et revenus ;
  5° l'entreprise mandatée enregistre les données suivantes relatives au parcours de transition :
  a) les données d'identification de la personne accompagnée ;
  b) la date de début, le statut et la date de fin du parcours de transition ;
  c) le résultat du parcours de transition ;
  d) l'actualisation du plan de développement personnel à la fin du parcours de transition ;
  6° l'entreprise mandatée remet, sur demande du VDAB, les données d'information que le VDAB juge nécessaires pour exercer le contrÎle sur la prestation des services.
  Outre la condition visée à l'alinéa premier, 4°, le VDAB peut établir des directives complémentaires dans le domaine de la comptabilité à tenir en vue du contrÎle de la légitimité des coûts et revenus et peut, outre l'obligation visée à l'alinéa premier, 6°, déterminer des obligations d'enregistrement supplémentaires.
 Â
  1° l'entreprise mandatée agit de maniÚre objective, respectueuse et non discriminatoire, conformément aux dispositions du décret du 8 mai 2002 relatif à participation proportionnelle sur le marché de l'emploi ;
  2° l'entreprise mandatée respecte la vie privée et traite les données à caractÚre personnel conformément [1 à la réglementation sur la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractÚre personnel]1 ;
  3° l'entreprise mandatée ne peut, pour l'exécution des services, faire appel aux sous-traitants que lorsque ceux-ci sont mandatés ;
  4° l'entreprise mandatĂ©e tient une comptabilitĂ© qui sĂ©pare de façon transparente les revenus et dĂ©penses relatifs aux parcours de transition, ainsi que les paramĂštres visĂ©s Ă l'article 78 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, pour le calculdes coĂ»ts et revenus ;
  5° l'entreprise mandatée enregistre les données suivantes relatives au parcours de transition :
  a) les données d'identification de la personne accompagnée ;
  b) la date de début, le statut et la date de fin du parcours de transition ;
  c) le résultat du parcours de transition ;
  d) l'actualisation du plan de développement personnel à la fin du parcours de transition ;
  6° l'entreprise mandatée remet, sur demande du VDAB, les données d'information que le VDAB juge nécessaires pour exercer le contrÎle sur la prestation des services.
  Outre la condition visée à l'alinéa premier, 4°, le VDAB peut établir des directives complémentaires dans le domaine de la comptabilité à tenir en vue du contrÎle de la légitimité des coûts et revenus et peut, outre l'obligation visée à l'alinéa premier, 6°, déterminer des obligations d'enregistrement supplémentaires.
 Â
Wijzigingen
Art. 75. De VDAB staat in voor de evaluatie en de monitoring van de mandaten doorstroombegeleiding.
  De VDAB kan de minister adviseren om het mandaat in te trekken als de gemandateerde onderneming:
  1° niet of onvoldoende de doorstroombegeleiding, vermeld in artikel 68, uitvoert;
  2° onvoldoende succesvolle doorstroomresultaten bereikt.
  Voor de beoordeling van de voorwaarde, vermeld in het tweede lid, 2°, wordt een minimum vooropgesteld van 75% van de trajecten die een fase 3 afsluiten vooropgesteld.
  De minister betekent zijn beslissing aan de onderneming en bezorgt een afschrift van de beslissing aan de VDAB.
  De VDAB kan de minister adviseren om het mandaat in te trekken als de gemandateerde onderneming:
  1° niet of onvoldoende de doorstroombegeleiding, vermeld in artikel 68, uitvoert;
  2° onvoldoende succesvolle doorstroomresultaten bereikt.
  Voor de beoordeling van de voorwaarde, vermeld in het tweede lid, 2°, wordt een minimum vooropgesteld van 75% van de trajecten die een fase 3 afsluiten vooropgesteld.
  De minister betekent zijn beslissing aan de onderneming en bezorgt een afschrift van de beslissing aan de VDAB.
Art. 75. Le VDAB assure l'évaluation et le contrÎle des mandats relatifs à l'accompagnement de transition.
  Le VDAB peut conseiller au ministre de retirer le mandat si l'entreprise mandatée:
  1° n'exécute pas, ou pas suffisamment l'accompagnement de transition, visé à l'article 68 ;
  2° n'atteint pas suffisamment de bons résultats de transition .
  Pour l'évaluation de la condition visée à l'alinéa deux, 2°, un minimum de 75 % des parcours clÎturant une phase 3, est envisagé.
  Le ministre notifie sa décision à l'entreprise et remet une copie de la décision au VDAB.
  Le VDAB peut conseiller au ministre de retirer le mandat si l'entreprise mandatée:
  1° n'exécute pas, ou pas suffisamment l'accompagnement de transition, visé à l'article 68 ;
  2° n'atteint pas suffisamment de bons résultats de transition .
  Pour l'évaluation de la condition visée à l'alinéa deux, 2°, un minimum de 75 % des parcours clÎturant une phase 3, est envisagé.
  Le ministre notifie sa décision à l'entreprise et remet une copie de la décision au VDAB.
Art. 76. Het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling als gemandateerde onderneming staat in voor de doorstroombegeleiding van de eigen doelgroepwerknemer als de VDAB en de doelgroepwerknemer daarmee akkoord gaan.
Art. 76. En tant qu'entreprise mandatée, l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté assure l'accompagnement de transition de son propre travailleur de groupe cible lorsque le VDAB et le travailleur de groupe cible marquent leur accord.
Onderafdeling 3. - Vergoeding van de doorstroombegeleiding
Sous-section 3. - Indemnité de l'accompagnement de transition
Art. 77. De vergoeding voor de doorstroombegeleiding aan de gemandateerde dienstverlener wordt toegekend met inachtneming van het DAEB-besluit van 20 december 2011.
Art. 77. L'indemnité pour l'accompagnement de transition accordée au prestataire de services mandaté est octroyée en respectant la décision SIEG du 20 décembre 2011.
Art. 78. [1 ...]1.
  [1 ...]1.
  De dienstverlener kan de vergoeding in het kader van de doorstroomtrajecten niet cumuleren met enige andere vorm van steun voor de begeleiding van dezelfde doelgroepwerknemer in het kader van zijn doorstroomtraject.
 Â
  [1 ...]1.
  De dienstverlener kan de vergoeding in het kader van de doorstroomtrajecten niet cumuleren met enige andere vorm van steun voor de begeleiding van dezelfde doelgroepwerknemer in het kader van zijn doorstroomtraject.
 Â
Wijzigingen
Art. 78. [1 ...]1.
  [1 ...]1.
  Le prestataire de services ne peut cumuler l'indemnitĂ© dans le cadre des parcours de transition avec aucune autre forme d'aide pour l'accompagnement du mĂȘme travailleur de groupe cible dans le cadre de son parcours de transition.
 Â
  [1 ...]1.
  Le prestataire de services ne peut cumuler l'indemnitĂ© dans le cadre des parcours de transition avec aucune autre forme d'aide pour l'accompagnement du mĂȘme travailleur de groupe cible dans le cadre de son parcours de transition.
 Â
Wijzigingen
HOOFDSTUK 9/1. [1 - Beroep]1
CHAPITRE 9/1. [1 - Recours]1
Art. 78/1. [1 De doelgroepwerknemer, het maatwerkbedrijf of de maatwerkafdeling dient op straffe van verval bij de raad van bestuur van de VDAB een gemotiveerd verzoek tot heroverweging in binnen 45 dagen vanaf de datum van de kennisname van de beslissing van de VDAB, vermeld in artikel 29, eerste lid, van het decreet van 12 juli 2013.
  De raad van bestuur van de VDAB beslist over het heroverwegingsverzoek op basis van het advies van de heroverwegingscommissie, vermeld in het zesde lid, binnen dertig dagen nadat de raad van bestuur van de VDAB het advies heeft ontvangen.
  De multidisciplinair samengestelde heroverwegingscommissie wordt aangesteld door de raad van bestuur van de VDAB en bestaat uit de volgende leden:
  1° twee leden, voorgedragen door de VDAB, onder wie de voorzitter;
  2° twee leden en een externe deskundige, voorgedragen door elk van de gespecialiseerde diensten, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008 tot vaststelling van de regels voor de erkenning en financiering door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding van de gespecialiseerde trajectbepalings- en -begeleidingsdienst, de gespecialiseerde arbeidsonderzoeksdiensten en de gespecialiseerde opleidings-, begeleidings- en bemiddelingsdiensten;
  3° twee leden, voorgedragen door de gebruikersorganisaties, vermeld in artikel 1, 16°, van het voormelde besluit.
  De voorgedragen leden zijn deskundig door ervaring of bezitten een andere bewezen deskundigheid op het vlak van arbeidsproblematieken van personen met een arbeidshandicap.
  Op verzoek van de heroverwegingscommissie kunnen externe deskundigen uitgenodigd worden. Die externe deskundigen hebben een raadgevende stem.
  De heroverwegingscommissie brengt haar advies uit binnen zestig dagen nadat ze het heroverwegingsdossier heeft ontvangen. De raad van bestuur van de VDAB bepaalt de nadere regels over de werking van de heroverwegingscommissie.]1
 Â
  De raad van bestuur van de VDAB beslist over het heroverwegingsverzoek op basis van het advies van de heroverwegingscommissie, vermeld in het zesde lid, binnen dertig dagen nadat de raad van bestuur van de VDAB het advies heeft ontvangen.
  De multidisciplinair samengestelde heroverwegingscommissie wordt aangesteld door de raad van bestuur van de VDAB en bestaat uit de volgende leden:
  1° twee leden, voorgedragen door de VDAB, onder wie de voorzitter;
  2° twee leden en een externe deskundige, voorgedragen door elk van de gespecialiseerde diensten, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2008 tot vaststelling van de regels voor de erkenning en financiering door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding van de gespecialiseerde trajectbepalings- en -begeleidingsdienst, de gespecialiseerde arbeidsonderzoeksdiensten en de gespecialiseerde opleidings-, begeleidings- en bemiddelingsdiensten;
  3° twee leden, voorgedragen door de gebruikersorganisaties, vermeld in artikel 1, 16°, van het voormelde besluit.
  De voorgedragen leden zijn deskundig door ervaring of bezitten een andere bewezen deskundigheid op het vlak van arbeidsproblematieken van personen met een arbeidshandicap.
  Op verzoek van de heroverwegingscommissie kunnen externe deskundigen uitgenodigd worden. Die externe deskundigen hebben een raadgevende stem.
  De heroverwegingscommissie brengt haar advies uit binnen zestig dagen nadat ze het heroverwegingsdossier heeft ontvangen. De raad van bestuur van de VDAB bepaalt de nadere regels over de werking van de heroverwegingscommissie.]1
 Â
Art. 78/1. [1 Le travailleur de groupe-cible, l'entreprise de travail adapté ou le département de travail adapté introduit, sous peine de déchéance, une demande motivée de reconsidération auprÚs du conseil d'administration du VDAB dans les 45 jours suivant la date de prise de connaissance de la décision du VDAB, visée à l'article 29, alinéa premier, du décret du 12 juillet 2013.
  Le conseil d'administration du VDAB décide de la demande de reconsidération sur la base de l'avis de la commission de reconsidération, visé à l'alinéa six, dans les trente jours suivant le jour auquel le conseil d'administration du VDAB a reçu l'avis.
  La commission de reconsidération multidisciplinaire est désignée par le conseil d'administration du VDAB et se compose des membres suivants :
  1° deux membres, présentés par le VDAB, dont le président ;
  2° deux membres et un expert externe, prĂ©sentĂ©s par chacun des services spĂ©cialisĂ©s, visĂ©s Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 fĂ©vrier 2008 Ă©tablissant les rĂšgles pour l'agrĂ©ment et le financement par le " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " du service spĂ©cialisĂ© pour la dĂ©finition et l'accompagnement de parcours, des services spĂ©cialisĂ©s d'Ă©tude de l'emploi et des services spĂ©cialisĂ©s de formation, d'accompagnement et de mĂ©diation ;
  3° deux membres, prĂ©sentĂ©s par les organisations d'usagers, visĂ©es Ă l'article 1, 16°, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©.
  Les membres présentés sont des experts par expérience ou disposent d'une autre expertise prouvée dans le domaine des problématiques à l'emploi des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi.
  A la demande de la commission de reconsidĂ©ration, des experts externes peuvent ĂȘtre invitĂ©s. Ces experts externes ont voix consultative.
  La commission de reconsidération émet son avis dans les soixante jours de la réception du dossier de reconsidération. Le conseil d'administration du VDAB détermine les modalités relatives au fonctionnement de la commission de reconsidération.]1
 Â
  Le conseil d'administration du VDAB décide de la demande de reconsidération sur la base de l'avis de la commission de reconsidération, visé à l'alinéa six, dans les trente jours suivant le jour auquel le conseil d'administration du VDAB a reçu l'avis.
  La commission de reconsidération multidisciplinaire est désignée par le conseil d'administration du VDAB et se compose des membres suivants :
  1° deux membres, présentés par le VDAB, dont le président ;
  2° deux membres et un expert externe, prĂ©sentĂ©s par chacun des services spĂ©cialisĂ©s, visĂ©s Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 15 fĂ©vrier 2008 Ă©tablissant les rĂšgles pour l'agrĂ©ment et le financement par le " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " du service spĂ©cialisĂ© pour la dĂ©finition et l'accompagnement de parcours, des services spĂ©cialisĂ©s d'Ă©tude de l'emploi et des services spĂ©cialisĂ©s de formation, d'accompagnement et de mĂ©diation ;
  3° deux membres, prĂ©sentĂ©s par les organisations d'usagers, visĂ©es Ă l'article 1, 16°, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©.
  Les membres présentés sont des experts par expérience ou disposent d'une autre expertise prouvée dans le domaine des problématiques à l'emploi des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi.
  A la demande de la commission de reconsidĂ©ration, des experts externes peuvent ĂȘtre invitĂ©s. Ces experts externes ont voix consultative.
  La commission de reconsidération émet son avis dans les soixante jours de la réception du dossier de reconsidération. Le conseil d'administration du VDAB détermine les modalités relatives au fonctionnement de la commission de reconsidération.]1
 Â
Wijzigingen
HOOFDSTUK 10. - Enclavewerking
CHAPITRE 10. - Travail en enclave
Art. 79. De begeleide inschakeling van een of meer doelgroepwerknemers in de kernactiviteit van een andere onderneming of een andere organisatie waarmee het maatwerkbedrijf samenwerkt, heeft een onlosmakelijk verband of vormt een onderdeel van de productie of de handelsactiviteit van die onderneming of die organisatie.
  De begeleide inschakeling omvat een permanente en kwaliteitsvolle begeleiding op de werkvloer van de andere onderneming of andere organisatie door een gekwalificeerde werkvloerbegeleider die in dienst is van het maatwerkbedrijf.
  De begeleide inschakeling omvat een permanente en kwaliteitsvolle begeleiding op de werkvloer van de andere onderneming of andere organisatie door een gekwalificeerde werkvloerbegeleider die in dienst is van het maatwerkbedrijf.
Art. 79. L'insertion accompagnée d'un ou plusieurs travailleurs de groupe cible dans l'activité principale d'une autre entreprise ou organisation avec laquelle l'entreprise de travail adapté collabore, est indissociablement liée à la production ou l'activité commerciale,ou constitue un dispositif, de cette entreprise ou organisation.
  L'insertion accompagnée comporte un accompagnement permanent de qualité sur le lieu de travail de l'autre entreprise ou organisation par un accompagnateur sur le lieu de travail qualifié, employé par l'entreprise de travail adapté.
  L'insertion accompagnée comporte un accompagnement permanent de qualité sur le lieu de travail de l'autre entreprise ou organisation par un accompagnateur sur le lieu de travail qualifié, employé par l'entreprise de travail adapté.
Art. 80. Het maatwerkbedrijf bezorgt minimaal een werkdag voor de start van de enclavewerking een afschrift van de schriftelijke overeenkomst aan het departement.
  Met behoud van de toepassing van artikel 33, eerste lid van het decreet van 12 juli 2013, vermeldt de schriftelijke overeenkomst:
  1° de duur van de opdracht, door vermelding van de aanvangs- en einddatum;
  2° de nauwkeurige plaats van de tewerkstelling, door vermelding van adresgegevens en in voorkomend geval de coördinaten van de werkplaats;
  3° de werktijdregeling van de doelgroepwerknemers en de begeleiders.
  Met behoud van de toepassing van artikel 33, eerste lid van het decreet van 12 juli 2013, vermeldt de schriftelijke overeenkomst:
  1° de duur van de opdracht, door vermelding van de aanvangs- en einddatum;
  2° de nauwkeurige plaats van de tewerkstelling, door vermelding van adresgegevens en in voorkomend geval de coördinaten van de werkplaats;
  3° de werktijdregeling van de doelgroepwerknemers en de begeleiders.
Art. 80. Au moins un jour ouvrable avant le début du travail en enclave, l'entreprise de travail adapté remet au département une copie du contrat écrit.
  Sans préjudice de l'application de l'article 33, alinéa premier, du décret du 12 juillet 2013, le contrat écrit comprend les éléments suivants :
  1° la durée de la mission, avec mention des dates de début et de fin ;
  2° le lieu de travail exact, avec mention de l'adresse et, le cas échéant, des coordonnées du lieu de travail ;
  3° le régime du temps de travail des travailleurs de groupe cible et des accompagnateurs.
  Sans préjudice de l'application de l'article 33, alinéa premier, du décret du 12 juillet 2013, le contrat écrit comprend les éléments suivants :
  1° la durée de la mission, avec mention des dates de début et de fin ;
  2° le lieu de travail exact, avec mention de l'adresse et, le cas échéant, des coordonnées du lieu de travail ;
  3° le régime du temps de travail des travailleurs de groupe cible et des accompagnateurs.
HOOFDSTUK 11. - Adviescommissie Sociale Economie
CHAPITRE 11. - Commission consultative pour l'Economie Sociale
Art. 81. Er wordt een Adviescommissie Sociale Economie opgericht als vermeld in artikel 35 van het decreet van 12 juli 2013.
  De Adviescommissie Sociale Economie adviseert de minister bij de uitoefening van de opdrachten, vermeld in artikel 35, eerste lid, van het decreet van 12 juli 2013.
  De Adviescommissie Sociale Economie adviseert de minister bij de uitoefening van de opdrachten, vermeld in artikel 35, eerste lid, van het decreet van 12 juli 2013.
Art. 81. Une Commission consultative pour l'Economie sociale est établie, telle que mentionnée à l'article 35 du décret du 12 juillet 2013.
  La Commission consultative pour l'Economie Sociale conseille le ministre lors de l'exécution des missions visées à l'article 35 du décret du 12 juillet 2013.
  La Commission consultative pour l'Economie Sociale conseille le ministre lors de l'exécution des missions visées à l'article 35 du décret du 12 juillet 2013.
Art. 82. De Adviescommissie Sociale Economie is samengesteld uit:
  1° een voorzitter, die een personeelslid van het departement is;
  2° drie vertegenwoordigers van de representatieve interprofessionele werkgeversorganisaties;
  3° drie vertegenwoordigers van de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties;
  4° drie vertegenwoordigers, aangewezen door de leden van de Commissie Sociale Economie, vermeld in artikel 7, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen;
  5° drie vertegenwoordigers van de representatieve sectorale werknemersorganisaties;
  6° een vertegenwoordiger van de lokale besturen;
  7° een vertegenwoordiger van het departement;
  8° een vertegenwoordiger van de VDAB;
  9° een vertegenwoordiger van de SERV.
  In het eerste lid, 4°, wordt verstaan onder Commissie Sociale Economie: de Commissie Sociale Economie, vermeld in hoofdstuk 3 van het voormelde decreet.
  [1 10° een vertegenwoordiger van de uitzendsector.]1
 Â
  1° een voorzitter, die een personeelslid van het departement is;
  2° drie vertegenwoordigers van de representatieve interprofessionele werkgeversorganisaties;
  3° drie vertegenwoordigers van de representatieve interprofessionele werknemersorganisaties;
  4° drie vertegenwoordigers, aangewezen door de leden van de Commissie Sociale Economie, vermeld in artikel 7, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen;
  5° drie vertegenwoordigers van de representatieve sectorale werknemersorganisaties;
  6° een vertegenwoordiger van de lokale besturen;
  7° een vertegenwoordiger van het departement;
  8° een vertegenwoordiger van de VDAB;
  9° een vertegenwoordiger van de SERV.
  In het eerste lid, 4°, wordt verstaan onder Commissie Sociale Economie: de Commissie Sociale Economie, vermeld in hoofdstuk 3 van het voormelde decreet.
  [1 10° een vertegenwoordiger van de uitzendsector.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 82. La Commission consultative pour l'Economie Sociale se compose :
  1° d'un président, qui est un membre du personnel du département ;
  2° de trois représentants des organisations représentatives interprofessionnelles des employeurs ;
  3° de trois représentants des organisations représentatives interprofessionnelles des travailleurs ;
  4° de trois représentants, désignés par les membres de la Commission pour l'Economie Sociale, visés à l'article 7, § 1er, alinéa premier, 2°, du décret du 17 février 2012 relatif à l'appui à l'entrepreneuriat dans le domaine de l'économie sociale et à la stimulation de l'entrepreneuriat socialement responsable ;
  5° de trois représentants des organisations représentatives sectorielles des travailleurs ;
  6° d'un représentant des pouvoirs locaux ;
  7° d'un représentant du département ;
  8° d'un représentant du VDAB ;
  9° d'un représentant du SERV.
  Dans l'alinéa premier, 4°, on entend par Commission pour l'Economie Sociale : la Commission pour l'Economie Sociale, visée au chapitre 3 du décret précité.
  [1 10° d'un représentant du secteur intérimaire.]1
 Â
  1° d'un président, qui est un membre du personnel du département ;
  2° de trois représentants des organisations représentatives interprofessionnelles des employeurs ;
  3° de trois représentants des organisations représentatives interprofessionnelles des travailleurs ;
  4° de trois représentants, désignés par les membres de la Commission pour l'Economie Sociale, visés à l'article 7, § 1er, alinéa premier, 2°, du décret du 17 février 2012 relatif à l'appui à l'entrepreneuriat dans le domaine de l'économie sociale et à la stimulation de l'entrepreneuriat socialement responsable ;
  5° de trois représentants des organisations représentatives sectorielles des travailleurs ;
  6° d'un représentant des pouvoirs locaux ;
  7° d'un représentant du département ;
  8° d'un représentant du VDAB ;
  9° d'un représentant du SERV.
  Dans l'alinéa premier, 4°, on entend par Commission pour l'Economie Sociale : la Commission pour l'Economie Sociale, visée au chapitre 3 du décret précité.
  [1 10° d'un représentant du secteur intérimaire.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 83. De leden van de Adviescommissie Sociale Economie worden door de minister na voordracht door de instanties, vermeld in artikel 82, benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar.
Art. 83. Les membres de la Commission consultative pour l'Economie Sociale sont nommés par le ministre sur proposition des instances visées à l'article 82, pour une période renouvelable de six ans.
Art. 84. De Adviescommissie Sociale Economie organiseert maandelijks een overleg met het oog op de adviesopdracht, vermeld in artikel 35, eerste lid, 1°, van het decreet van 12 juli 2013.
Art. 84. La Commission consultative pour l'Economie Sociale organise une concertation mensuelle en vue de la mission d'avis, visée à l'article 35, alinéa premier, 1°, du décret du 12 juillet 2013.
Art. 85. Het jaarlijkse monitoringsrapport, vermeld in artikel 35, eerste lid, 3° van het decreet van 12 juli 2013, wordt opgemaakt door het departement en bevat minimaal:
  1° het doelbereik van de maatregel per categorie van doelgroepwerknemers, vermeld in artikel 3, 2°, van het voormelde decreet van 12 juli 2013;
  2° een toelichting over de regionale indicatoren en de spreiding van de maatregel.
  1° het doelbereik van de maatregel per categorie van doelgroepwerknemers, vermeld in artikel 3, 2°, van het voormelde decreet van 12 juli 2013;
  2° een toelichting over de regionale indicatoren en de spreiding van de maatregel.
Art. 85. Le rapport de monitoring annuel visé à l'article 35, alinéa premier, 3°, du décret du 12 juillet 2013, est établi par le département et comprend au moins :
  1° la mesure dans laquelle la mesure par catégorie de travailleurs de groupe cible visés à l'article 3, 2°, du décret du 12 juillet 2013, est atteinte ;
  2° une explication sur les indicateurs régionaux et l'étendue de la mesure.
  1° la mesure dans laquelle la mesure par catégorie de travailleurs de groupe cible visés à l'article 3, 2°, du décret du 12 juillet 2013, est atteinte ;
  2° une explication sur les indicateurs régionaux et l'étendue de la mesure.
Art. 86. De Adviescommissie Sociale Economie waakt bij iedere toewijzing van de werkondersteunende maatregelen als vermeld in artikel 35, eerste lid, 2°, van het decreet van 12 juli 2013, over de tewerkstelling van de personen met de hoogste ondersteuningsbehoefte en geeft daarover advies aan de minister.
Art. 86. Pour chaque attribution de mesures d'aide à l'emploi visée à l'article 35, alinéa premier, 2°, du décret du 12 juillet 2013, la Commission consultative pour l'Economie Sociale veille à l'emploi des personnes ayant le besoin d'aide le plus élevé et formule un avis à ce sujet au ministre.
Art. 87. Het huishoudelijk reglement van de Adviescommissie Sociale Economie bepaalt minimaal:
  1° de bevoegdheden van de voorzitter;
  2° de wijze van bijeenroeping en beraadslaging;
  3° de vaststelling van de agendapunten;
  4° de datum en de plaats van het overleg;
  5° de bekendmaking van de handelingen;
  6° de werking en de taken van het secretariaat;
  Het departement neemt het secretariaat van de Adviescommissie Sociale Economie waar.
  Het departement bepaalt, in samenspraak met de voorzitter, het tijdstip en de agenda van de vergaderingen.
  1° de bevoegdheden van de voorzitter;
  2° de wijze van bijeenroeping en beraadslaging;
  3° de vaststelling van de agendapunten;
  4° de datum en de plaats van het overleg;
  5° de bekendmaking van de handelingen;
  6° de werking en de taken van het secretariaat;
  Het departement neemt het secretariaat van de Adviescommissie Sociale Economie waar.
  Het departement bepaalt, in samenspraak met de voorzitter, het tijdstip en de agenda van de vergaderingen.
Art. 87. Le rÚglement d'ordre intérieur de la Commission consultative pour l'Economie Sociale détermine au moins :
  1° les compétences du président ;
  2° le mode de convocation et de délibération ;
  3° la détermination des points à l'ordre du jour ;
  4° la date et le lieu de la réunion ;
  5° la publication des actions ;
  6° le fonctionnement et les missions du secrétariat ;
  Le département assure le secrétariat de la Commission consultative pour l'Economie Sociale.
  Le département détermine, en concertation avec le président, la date et l'ordre du jour des réunions.
  1° les compétences du président ;
  2° le mode de convocation et de délibération ;
  3° la détermination des points à l'ordre du jour ;
  4° la date et le lieu de la réunion ;
  5° la publication des actions ;
  6° le fonctionnement et les missions du secrétariat ;
  Le département assure le secrétariat de la Commission consultative pour l'Economie Sociale.
  Le département détermine, en concertation avec le président, la date et l'ordre du jour des réunions.
Art. 88. Voor de adviesopdracht, vermeld in artikel 35, eerste lid, 1°, van het decreet van 12 juli 2013, zijn alleen de leden, vermeld in artikel 82, eerste lid, 2°, 3°, 7°, en 8°, van dit besluit, stemgerechtigd.
  Voor de adviesopdrachten, vermeld in artikel 35, eerste lid, 2° en 3°, van het decreet van 12 juli 2013, zijn alle leden, vermeld in artikel 82 van dit besluit, stemgerechtigd.
  Voor de adviesopdrachten, vermeld in artikel 35, eerste lid, 2° en 3°, van het decreet van 12 juli 2013, zijn alle leden, vermeld in artikel 82 van dit besluit, stemgerechtigd.
Art. 88. Pour la mission de conseil visĂ©e Ă l'article 35, alinĂ©a premier, 1°, du dĂ©cret du 12 juillet 2013, seuls les membres visĂ©s Ă l'article 82, alinĂ©a premier, 2°, 3°, 7° et 8° du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ont voix dĂ©libĂ©rative.
  Pour les missions de conseil visĂ©es Ă l'article 35, alinĂ©a premier, 2° et 3°, du dĂ©cret du 12 juillet 2013, tous les membres visĂ©s Ă l'article 82 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ont voix dĂ©libĂ©rative.
  Pour les missions de conseil visĂ©es Ă l'article 35, alinĂ©a premier, 2° et 3°, du dĂ©cret du 12 juillet 2013, tous les membres visĂ©s Ă l'article 82 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ont voix dĂ©libĂ©rative.
HOOFDSTUK 12. - Toezicht, handhaving en sancties
CHAPITRE 12. - ContrĂŽle, maintien et sanctions
Art. 89. Onrechtmatig ontvangen subsidies worden in mindering gebracht van al vaststaande maar nog niet uitbetaalde subsidies.
Art. 89. Les subventions indûment reçues sont déduites des subventions déjà fixées mais pas encore payées.
Art. 90. De minister kan in de volgende gevallen beslissen geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien:
  1° bij een administratieve vergissing, als de begunstigde van de onrechtmatig ontvangen subsidies te goeder trouw is;
  2° in de gevallen waarin onrechtmatig ontvangen subsidies niet in mindering kunnen worden gebracht van reeds vaststaande maar nog niet uitbetaalde subsidies, als de omvang van het terug te vorderen bedrag gering is en niet in verhouding staat tot de kosten van de terugvordering.
  De afstand van terugvordering is evenwel uitgesloten bij :
  1° de inbreuken, vermeld in artikel 38 en 39 van het decreet van 12 juli 2013;
  2° de overschrijding van de hoogste steunintensiteit of het hoogste steunbedrag, vermeld in artikel 48 van het decreet van 12 juli 2013.
  1° bij een administratieve vergissing, als de begunstigde van de onrechtmatig ontvangen subsidies te goeder trouw is;
  2° in de gevallen waarin onrechtmatig ontvangen subsidies niet in mindering kunnen worden gebracht van reeds vaststaande maar nog niet uitbetaalde subsidies, als de omvang van het terug te vorderen bedrag gering is en niet in verhouding staat tot de kosten van de terugvordering.
  De afstand van terugvordering is evenwel uitgesloten bij :
  1° de inbreuken, vermeld in artikel 38 en 39 van het decreet van 12 juli 2013;
  2° de overschrijding van de hoogste steunintensiteit of het hoogste steunbedrag, vermeld in artikel 48 van het decreet van 12 juli 2013.
Art. 90. Le ministre peut décider de renoncer entiÚrement ou partiellement au recouvrement dans les cas suivants :
  1° en cas d'une erreur administrative, lorsque le bénéficiaire des subventions indûment reçues est de bonne foi ;
  2° dans les cas pour lesquels les subventions indĂ»ment reçues ne peuvent ĂȘtre dĂ©duites des subventions dĂ©jĂ fixĂ©es mais non encore payĂ©es, lorsque l'ampleur du montant Ă recouvrer est modeste et n'est pas proportionnelle aux frais de recouvrement;
  La renonciation au recouvrement est toutefois exclue dans les cas suivants :
  1° les infractions visées aux articles 38 et 39 du décret du 12 juillet 2013 ;
  2° le dépassement de l'intensité de l'aide la plus élevée ou le montant de l'aide le plus élevé, visés à l'article 48 du décret du 12 juillet 2013.
  1° en cas d'une erreur administrative, lorsque le bénéficiaire des subventions indûment reçues est de bonne foi ;
  2° dans les cas pour lesquels les subventions indĂ»ment reçues ne peuvent ĂȘtre dĂ©duites des subventions dĂ©jĂ fixĂ©es mais non encore payĂ©es, lorsque l'ampleur du montant Ă recouvrer est modeste et n'est pas proportionnelle aux frais de recouvrement;
  La renonciation au recouvrement est toutefois exclue dans les cas suivants :
  1° les infractions visées aux articles 38 et 39 du décret du 12 juillet 2013 ;
  2° le dépassement de l'intensité de l'aide la plus élevée ou le montant de l'aide le plus élevé, visés à l'article 48 du décret du 12 juillet 2013.
HOOFDSTUK 13. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 13. - Dispositions modificatives
Art. 91. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 1993 tot
  veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 16° wordt opgeheven;
  2° punt 17° wordt vervangen door wat volgt:
  " 17° maatwerkbedrijf: de onderneming, vermeld in artikel 3, 5°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, voordien erkend als een sociale werkplaats, conform het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van het voormelde decreet van 12 juli 2013;".
  veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 16° wordt opgeheven;
  2° punt 17° wordt vervangen door wat volgt:
  " 17° maatwerkbedrijf: de onderneming, vermeld in artikel 3, 5°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, voordien erkend als een sociale werkplaats, conform het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van het voormelde decreet van 12 juli 2013;".
Art. 91. A l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 27 octobre 1993
  portant gĂ©nĂ©ralisation du rĂ©gime des contractuels subventionnĂ©s, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 juin 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le point 16° est abrogé ;
  2° le point 17° est remplacé par ce qui suit :
  " 17° entreprise de travail adapté : l'entreprise visée à l'article 3, 5° du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective, agréée auparavant comme atelier social, conformément au décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux, tel que d'application avant l'entrée en vigueur du décret du 12 juillet 2013 précité ; ".
  portant gĂ©nĂ©ralisation du rĂ©gime des contractuels subventionnĂ©s, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 juin 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le point 16° est abrogé ;
  2° le point 17° est remplacé par ce qui suit :
  " 17° entreprise de travail adapté : l'entreprise visée à l'article 3, 5° du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective, agréée auparavant comme atelier social, conformément au décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux, tel que d'application avant l'entrée en vigueur du décret du 12 juillet 2013 précité ; ".
Art. 92. In artikel 3, § 1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008, wordt de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 7° wordt vervangen door wat volgt:
  "7° de doelgroepwerknemers van het maatwerkbedrijf, vermeld in artikel 3, 2°, b), van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;";
  2° punt 12° wordt vervangen door wat volgt:
  "12° de niet-werkende werkzoekenden die worden aangeworven als werkvloerbegeleider als vermeld in artikel 46 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;".
  1° punt 7° wordt vervangen door wat volgt:
  "7° de doelgroepwerknemers van het maatwerkbedrijf, vermeld in artikel 3, 2°, b), van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;";
  2° punt 12° wordt vervangen door wat volgt:
  "12° de niet-werkende werkzoekenden die worden aangeworven als werkvloerbegeleider als vermeld in artikel 46 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;".
Art. 92. A l'article 3, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 juillet 2008, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° le point 7° est remplacé par ce qui suit :
  " 7° les travailleurs de groupe cible de l'entreprise de travail adapté, visés à l'article 3, 2°, b), du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ; " ;
  2° le point 12° est remplacé par ce qui suit :
  " 12° les demandeurs d'emploi inoccupĂ©s qui sont recrutĂ©s comme accompagnateur sur le lieu de travail tel que visĂ© Ă l'article 46 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2017 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective ; ".
  1° le point 7° est remplacé par ce qui suit :
  " 7° les travailleurs de groupe cible de l'entreprise de travail adapté, visés à l'article 3, 2°, b), du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ; " ;
  2° le point 12° est remplacé par ce qui suit :
  " 12° les demandeurs d'emploi inoccupĂ©s qui sont recrutĂ©s comme accompagnateur sur le lieu de travail tel que visĂ© Ă l'article 46 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2017 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective ; ".
Art. 93. In artikel 6bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 1996, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Met toepassing van artikel 94 van de wet en binnen de perken van het begrotingskrediet kan een maatwerkbedrijf aanspraak maken op de loonpremie, vermeld in artikel 12 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, voor de werknemers, vermeld in artikel 3, § 1, 7°, van dit besluit.";
  2° paragraaf 1 bis wordt opgeheven;
  3° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. In toepassing van artikel 94 van de wet en binnen de perken van het begrotingskrediet kan een maatwerkbedrijf aanspraak maken op de omkaderingspremie voor het omkaderingspersoneelslid volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 15, 16 en 17 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling en de uitvoeringsbesluiten van de bepalingen van het voormelde decreet.";
  4° paragraaf 2ter en paragraaf 2 quater worden vervangen door wat volgt:
  " § 2ter. Als aanvulling op de omkaderingspremie, vermeld in paragraaf 2bis, eerste lid, en binnen de perken van het begrotingskrediet kunnen de sociale werkplaatsen aanspraak maken op een toelage voor de eindejaarspremie op basis van het aantal door de minister erkende omkaderingspersoneelsleden, belast met de begeleiding van de arbeidszorgmedewerkers.
  De toelage bedraagt 803,92 euro per voltijdsequivalent van een erkend omkaderingspersoneelslid.";
  " § 2quater. In het kader van de managementondersteuning en binnen de perken van het begrotingskrediet kunnen de sociale werkplaatsen aanspraak maken op een managementsubsidie op basis van het aantal door de minister erkende omkaderingspersoneelsleden, belast met de begeleiding van de arbeidszorg medewerkers.
  Die managementsubsidie bedraagt 200 euro per voltijds equivalent van een erkend omkaderingspersoneelslid";
  5° paragraaf 5 wordt opgeheven.
  1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 1. Met toepassing van artikel 94 van de wet en binnen de perken van het begrotingskrediet kan een maatwerkbedrijf aanspraak maken op de loonpremie, vermeld in artikel 12 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, voor de werknemers, vermeld in artikel 3, § 1, 7°, van dit besluit.";
  2° paragraaf 1 bis wordt opgeheven;
  3° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 2. In toepassing van artikel 94 van de wet en binnen de perken van het begrotingskrediet kan een maatwerkbedrijf aanspraak maken op de omkaderingspremie voor het omkaderingspersoneelslid volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 15, 16 en 17 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling en de uitvoeringsbesluiten van de bepalingen van het voormelde decreet.";
  4° paragraaf 2ter en paragraaf 2 quater worden vervangen door wat volgt:
  " § 2ter. Als aanvulling op de omkaderingspremie, vermeld in paragraaf 2bis, eerste lid, en binnen de perken van het begrotingskrediet kunnen de sociale werkplaatsen aanspraak maken op een toelage voor de eindejaarspremie op basis van het aantal door de minister erkende omkaderingspersoneelsleden, belast met de begeleiding van de arbeidszorgmedewerkers.
  De toelage bedraagt 803,92 euro per voltijdsequivalent van een erkend omkaderingspersoneelslid.";
  " § 2quater. In het kader van de managementondersteuning en binnen de perken van het begrotingskrediet kunnen de sociale werkplaatsen aanspraak maken op een managementsubsidie op basis van het aantal door de minister erkende omkaderingspersoneelsleden, belast met de begeleiding van de arbeidszorg medewerkers.
  Die managementsubsidie bedraagt 200 euro per voltijds equivalent van een erkend omkaderingspersoneelslid";
  5° paragraaf 5 wordt opgeheven.
Art. 93. A l'article 6bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 5 mars 1996, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 1998 et modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 juin 2014, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1. En application de l'article 94 de la loi et dans les limites des crĂ©dits budgĂ©taires, une entreprise de travail adaptĂ© peut prĂ©tendre Ă la prime salariale visĂ©e Ă l'article 12 du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective, pour les travailleurs visĂ©s Ă l'article 3, § 1er, 7°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. " ;
  2° le paragraphe 1bis est abrogé ;
  3° le paragraphe 2e est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. En application de l'article 94 de la loi et dans les limites du crĂ©dit budgĂ©taire, une entreprise de travail adaptĂ© peut prĂ©tendre Ă la prime d'encadrement pour le membre du personnel d'encadrement selon les conditions visĂ©es aux articles 15, 16 et 17 du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective et des arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution des dispositions du dĂ©cret prĂ©citĂ©. " ;
  4° les paragraphes 2ter et 2quater sont remplacés par ce qui suit :
  " § 2ter. Comme complément à la prime d'encadrement prévue au paragraphe 2bis, alinéa premier, et dans les limites du crédit budgétaire, les ateliers sociaux peuvent prétendre à une allocation pour la prime de fin d'année sur la base du nombre de membres du personnel d'encadrement agréés par le ministre, chargés de l'accompagnement des collaborateurs dans l'assistance par le travail.
  L'allocation s'élÚve à 803,92 euros par équivalent temps plein de membre du personnel d'encadrement agréé. " ;
  " § 2quater. Dans le cadre de l'aide à la gestion et dans les limites du crédit budgétaire, les ateliers sociaux peuvent prétendre à une subvention de gestion sur la base du nombre de membres du personnel d'encadrement agréés par le ministre, chargés de l'accompagnement des collaborateurs dans l'assistance par le travail.
  La subvention de gestion s'élÚve à 200 euros par équivalent temps plein de membre du personnel d'encadrement agréé " ;
  5° le paragraphe 5 est abrogé ;
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1. En application de l'article 94 de la loi et dans les limites des crĂ©dits budgĂ©taires, une entreprise de travail adaptĂ© peut prĂ©tendre Ă la prime salariale visĂ©e Ă l'article 12 du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective, pour les travailleurs visĂ©s Ă l'article 3, § 1er, 7°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. " ;
  2° le paragraphe 1bis est abrogé ;
  3° le paragraphe 2e est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. En application de l'article 94 de la loi et dans les limites du crĂ©dit budgĂ©taire, une entreprise de travail adaptĂ© peut prĂ©tendre Ă la prime d'encadrement pour le membre du personnel d'encadrement selon les conditions visĂ©es aux articles 15, 16 et 17 du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective et des arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution des dispositions du dĂ©cret prĂ©citĂ©. " ;
  4° les paragraphes 2ter et 2quater sont remplacés par ce qui suit :
  " § 2ter. Comme complément à la prime d'encadrement prévue au paragraphe 2bis, alinéa premier, et dans les limites du crédit budgétaire, les ateliers sociaux peuvent prétendre à une allocation pour la prime de fin d'année sur la base du nombre de membres du personnel d'encadrement agréés par le ministre, chargés de l'accompagnement des collaborateurs dans l'assistance par le travail.
  L'allocation s'élÚve à 803,92 euros par équivalent temps plein de membre du personnel d'encadrement agréé. " ;
  " § 2quater. Dans le cadre de l'aide à la gestion et dans les limites du crédit budgétaire, les ateliers sociaux peuvent prétendre à une subvention de gestion sur la base du nombre de membres du personnel d'encadrement agréés par le ministre, chargés de l'accompagnement des collaborateurs dans l'assistance par le travail.
  La subvention de gestion s'élÚve à 200 euros par équivalent temps plein de membre du personnel d'encadrement agréé " ;
  5° le paragraphe 5 est abrogé ;
Art. 94. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2014, wordt een artikel 31bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 31bis. De aanwerving van de werknemers, vermeld in artikel 3, § 1, 7°, is niet onderworpen aan de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk IV, met uitzondering van artikel 19 en 30.".
  "Art. 31bis. De aanwerving van de werknemers, vermeld in artikel 3, § 1, 7°, is niet onderworpen aan de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk IV, met uitzondering van artikel 19 en 30.".
Art. 94. Au mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 juin 2014, il est insĂ©rĂ© un article 31bis rĂ©digĂ© comme suit :
  " Art. 31bis. Le recrutement de travailleurs visés à l'article 3, § 1er, 7°, n'est pas soumis aux conditions visées au chapitre IV, à l'exception des articles 19 et 30. ".
  " Art. 31bis. Le recrutement de travailleurs visés à l'article 3, § 1er, 7°, n'est pas soumis aux conditions visées au chapitre IV, à l'exception des articles 19 et 30. ".
Art. 95. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998 tot uitvoering van het decreet inzake sociale werkplaatsen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 juli 2001, 14 december 2001 en 1 juli 2016, worden [1 punt 3°, punt 6°, punt 7°]1 tot en met 9°, en punt 11° tot en met 14° opgeheven.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 95. A l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 dĂ©cembre 1998 portant exĂ©cution du dĂ©cret relatif aux atelier sociaux, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand du 14 juillet 2001, du 14 dĂ©cembre 2001 et du 1er juillet 2016, [1 les points 3°, 6°, 7°,]1 Ă 9° inclus, et 11° Ă 14° inclus, sont abrogĂ©s.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 96. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2016, worden hoofdstuk II, dat bestaat uit artikel 2, hoofdstuk III, dat bestaat uit artikel 3, hoofdstuk IV, dat bestaat uit artikel 4 tot en met 8, hoofdstuk V, dat bestaat uit artikel 9 tot en met 12, hoofdstuk VI, dat bestaat uit artikel 13, en hoofdstuk VII, dat bestaat uit artikel 14 tot en met 17, opgeheven.
Art. 96. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© en dernier lieu par le arrĂȘte du Gouvernement flamand du 1 juillet 2016, le chapitre II, qui comprend l'article 2, le chapitre III, qui comprend l'article 3, le chapitre IV, qui comprend les articles 4 Ă 8 inclus, le chapitre V, qui comprend les articles 9 Ă 12 inclus, le chapitre VI, qui comprend l'article 13 et le chapitre VII, qui comprend les articles 14 Ă 17 inclus, sont abrogĂ©s.
Art. 97. Artikel 18 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999, wordt opgeheven.
Art. 97. L'article 18 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 juin 1999, est abrogĂ©.
Art. 98. Artikel 18bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2006, en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2016, wordt opgeheven.
Art. 98. L'article 18 bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 22 septembre 2006 et modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er juillet 2016, est abrogĂ©.
Art. 99. [1 Artikel 19 en 20 van hetzelfde besluit worden opgeheven.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 99. [1 Les articles 19 et 20 du mĂȘme arrĂȘtĂ© sont abrogĂ©s.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 100. Artikel 22 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 september 2006 en 1 juli 2016, wordt opgeheven.
Art. 100. L'article 22 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 14 dĂ©cembre 2001 et modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 22 septembre 2006 et 1er juillet 2016, est abrogĂ©.
Art. 101. Artikel 23 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2016, wordt opgeheven.
Art. 101. L'article 23 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er juillet 2016, est abrogĂ©.
Art. 102. Artikel 24 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 102. L'article 24 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est abrogĂ©.
Art. 103. Artikel 28 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 en 1 juli 2016, wordt opgeheven.
Art. 103. L'article 28 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 8 juin 1999 et 1er juillet 2016, est abrogĂ©.
Art. 104. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2011 tot vaststelling van de investeringssubsidies voor de beschutte werkplaatsen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juni 2014, wordt punt 3° vervangen door wat volgt:
  "3° capaciteit: het gedeelte binnen het globale contingent dat toegekend is aan de werkplaats met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, dat bestaat uit de personen met een arbeidshandicap, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;".
  "3° capaciteit: het gedeelte binnen het globale contingent dat toegekend is aan de werkplaats met toepassing van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, dat bestaat uit de personen met een arbeidshandicap, vermeld in artikel 12, tweede lid, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;".
Art. 104. A l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 30 septembre 2011 fixant les subventions d'investissement pour les ateliers protĂ©gĂ©s, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 20 juin 2014, le point 3° est remplacĂ© par ce qui suit :
  " 3° capacitĂ© : la partie du contingent global octroyĂ©e Ă l'atelier en application du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective et de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2017 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans la cadre de l'intĂ©gration collective, comprenant les personnes souffrant d'un handicap au travail, visĂ©es Ă l'article 12, alinĂ©a 2, 1°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2017 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective ; ".
  " 3° capacitĂ© : la partie du contingent global octroyĂ©e Ă l'atelier en application du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective et de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2017 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans la cadre de l'intĂ©gration collective, comprenant les personnes souffrant d'un handicap au travail, visĂ©es Ă l'article 12, alinĂ©a 2, 1°, de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 fĂ©vrier 2017 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective ; ".
Art. 105. In artikel 4, eerste lid, artikel 7, 2°, en artikel 11, tweede lid, 1°, a), van hetzelfde besluit worden de woorden "werknemers met een arbeidshandicap" telkens vervangen door de woorden "personen met een arbeidshandicap".
Art. 105. Dans l'article 4, alinĂ©a premier, article 7, 2°, et l'article 11, alinĂ©a deux, 1°, a), du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " employĂ©s souffrant d'un handicap au travail " sont Ă chaque fois remplacĂ©s par les mots " personnes souffrant d'un handicap au travail ".
HOOFDSTUK 14. - Slotbepalingen
CHAPITRE 14. - Dispositions finales
Art. 106. De volgende regelingen worden opgeheven:
  1° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1996 houdende subsidieregeling van het loon en de sociale lasten van de werknemers in de beschutte werkplaatsen die erkend zijn door het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2016;
  2° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1999 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden van de beschutte werkplaatsen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2016;
  3° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, behoudens het artikel 109;
  Met toepassing van artikel 59, tweede lid van het decreet van 12 juli 2013 blijven de volgende regelingen nog van toepassing zolang de minister dat noodzakelijk acht :
  1° artikel 1, 3 [1 , 6 en 12]1 van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2004 en 16 juli 2010;
  2° artikel 79, § 1, van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006, gewijzigd bij het decreet van 21 november 2008.
 Â
  1° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1996 houdende subsidieregeling van het loon en de sociale lasten van de werknemers in de beschutte werkplaatsen die erkend zijn door het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2016;
  2° het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1999 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden van de beschutte werkplaatsen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 2016;
  3° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, behoudens het artikel 109;
  Met toepassing van artikel 59, tweede lid van het decreet van 12 juli 2013 blijven de volgende regelingen nog van toepassing zolang de minister dat noodzakelijk acht :
  1° artikel 1, 3 [1 , 6 en 12]1 van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen, gewijzigd bij de decreten van 30 april 2004 en 16 juli 2010;
  2° artikel 79, § 1, van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006, gewijzigd bij het decreet van 21 november 2008.
 Â
Wijzigingen
Art. 106. Les réglementations suivantes sont abrogées :
  1° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1996 rĂ©glant l'octroi d'interventions dans la rĂ©munĂ©ration et les charges sociales des travailleurs employĂ©s par les ateliers protĂ©gĂ©s, agréés par le " Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie " (Agence flamande de Subventionnement de l'Emploi et de l'Economie sociale), modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1 juillet 2016 ;
  2° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 dĂ©cembre 1999 fixant les conditions d'agrĂ©ment des ateliers protĂ©gĂ©s, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er juillet 2016 ;
  3° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 2014 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective, Ă l'exception de l'article 109 ;
  En application de l'article 59, alinéa deux du décret du 12 juillet 2013, les rÚglements suivants restent applicables aussi longtemps que le ministre l'estime nécessaire :
  1° les articles 1er, 3 [1 , 6 et 12]1 du décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux, modifié par les décrets des 30 avril 2004 et 16 juillet 2010 ;
  2° l'article 79, § 1er, du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006, modifié par le décret du 21 novembre 2008.
 Â
  1° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1996 rĂ©glant l'octroi d'interventions dans la rĂ©munĂ©ration et les charges sociales des travailleurs employĂ©s par les ateliers protĂ©gĂ©s, agréés par le " Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie " (Agence flamande de Subventionnement de l'Emploi et de l'Economie sociale), modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1 juillet 2016 ;
  2° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 dĂ©cembre 1999 fixant les conditions d'agrĂ©ment des ateliers protĂ©gĂ©s, modifiĂ© en dernier lieu par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 1er juillet 2016 ;
  3° l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 2014 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective, Ă l'exception de l'article 109 ;
  En application de l'article 59, alinéa deux du décret du 12 juillet 2013, les rÚglements suivants restent applicables aussi longtemps que le ministre l'estime nécessaire :
  1° les articles 1er, 3 [1 , 6 et 12]1 du décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux, modifié par les décrets des 30 avril 2004 et 16 juillet 2010 ;
  2° l'article 79, § 1er, du décret du 23 décembre 2005 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2006, modifié par le décret du 21 novembre 2008.
 Â
Wijzigingen
Art. 107. [1 De beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen blijven elk hun erkenning behouden tot uiterlijk 30 juni 2028.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 107. [1 Les ateliers protégés et les ateliers sociaux conservent leur agrément jusqu'au 30 juin 2028 au plus tard.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 108. § 1. De beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen worden vrijgesteld van de aanmeldingsplicht, vermeld in artikel 17, en verkrijgen op 1 januari 2019 op automatische wijze het label van maatwerkbedrijf. [1 Die automatische toekenning van het label vervalt met retroactieve inwerkingtreding als de Europese Commissie de steun aan de bedrijven conform artikel 107 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie niet goedkeurt wegens overschrijding van de individuele aanmeldingsdrempels zoals vermeld in artikel 1/5 van dit besluit.]1
  De minister beslist tot de toekenning van het contingent aan werkondersteunende maatregelen aan het maatwerkbedrijf overeenkomstig het contingent dat uiterlijk op 31 december 2018 is toegekend.
  § 2. Werkondersteunende maatregelen worden volgens de volgende voorwaarden toegekend:
  1° de doelgroepwerknemers die uiterlijk op 31 maart 2017 zijn tewerkgesteld in een beschutte werkplaats, hebben vanaf 1 april 2017 recht op de ondersteuningsgraad, vermeld in artikel 50, eerste lid, 4° ;
  2° de zwakke werknemers, vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1996 houdende subsidieregeling van het loon en de sociale lasten van de werknemers in de beschutte werkplaatsen die erkend zijn door het Departement Werk en Sociale Economie, en die uiterlijk op 31 maart 2017 in dienst zijn getreden, hebben vanaf 1 april 2017 recht op de ondersteuningsgraad, vermeld in artikel 50, eerste lid, 1° ;
  3° de doelgroepwerknemers, die uiterlijk op 31 maart 2017 zijn tewerkgesteld in een sociale werkplaats, hebben vanaf 1 april 2017 recht op de ondersteuningsgraad, vermeld in artikel 50, eerste lid, 1° ;
  4° de doelgroepwerknemers, die vanaf 1 april 2017 in dienst treden in een beschutte of sociale werkplaats, zijn vanaf 1 januari 2019 gerechtigd op het werkondersteuningspakket conform artikel 50;
  5° de personen, die als doelgroepwerknemers tussen 1 april 2017 en 31 december 2018 in dienst treden in een sociale werkplaats, en die niet over een advies collectief maatwerk beschikken, zijn vanaf 1 januari 2019 gerechtigd op het werkondersteuningspakket, vermeld in artikel 50, eerste lid, 3°.
  § 3. Werkondersteunende maatregelen worden volgens de volgende voorwaarden toegekend aan maatwerkbedrijven waaraan het label is toegekend conform paragraaf 1, eerste lid:
  1° voor de doelgroepwerknemers die uiterlijk op 31 december 2018 zijn tewerkgesteld, worden de werkondersteunende maatregelen toegekend voor onbepaalde duur;
  2° 10% van de doelgroepwerknemers, vermeld in punt 1°, komt in aanmerking voor evaluatie.
  De minister bepaalt de voorwaarden voor de bepaling van het percentage, vermeld in 2°.
  Het departement bezorgt aan de VDAB een nominatieve lijst met doelgroepwerknemers die in aanmerking komen voor evaluatie. De VDAB bepaalt het tijdstip van de evaluatie.
 Â
  De minister beslist tot de toekenning van het contingent aan werkondersteunende maatregelen aan het maatwerkbedrijf overeenkomstig het contingent dat uiterlijk op 31 december 2018 is toegekend.
  § 2. Werkondersteunende maatregelen worden volgens de volgende voorwaarden toegekend:
  1° de doelgroepwerknemers die uiterlijk op 31 maart 2017 zijn tewerkgesteld in een beschutte werkplaats, hebben vanaf 1 april 2017 recht op de ondersteuningsgraad, vermeld in artikel 50, eerste lid, 4° ;
  2° de zwakke werknemers, vermeld in artikel 3, § 2, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1996 houdende subsidieregeling van het loon en de sociale lasten van de werknemers in de beschutte werkplaatsen die erkend zijn door het Departement Werk en Sociale Economie, en die uiterlijk op 31 maart 2017 in dienst zijn getreden, hebben vanaf 1 april 2017 recht op de ondersteuningsgraad, vermeld in artikel 50, eerste lid, 1° ;
  3° de doelgroepwerknemers, die uiterlijk op 31 maart 2017 zijn tewerkgesteld in een sociale werkplaats, hebben vanaf 1 april 2017 recht op de ondersteuningsgraad, vermeld in artikel 50, eerste lid, 1° ;
  4° de doelgroepwerknemers, die vanaf 1 april 2017 in dienst treden in een beschutte of sociale werkplaats, zijn vanaf 1 januari 2019 gerechtigd op het werkondersteuningspakket conform artikel 50;
  5° de personen, die als doelgroepwerknemers tussen 1 april 2017 en 31 december 2018 in dienst treden in een sociale werkplaats, en die niet over een advies collectief maatwerk beschikken, zijn vanaf 1 januari 2019 gerechtigd op het werkondersteuningspakket, vermeld in artikel 50, eerste lid, 3°.
  § 3. Werkondersteunende maatregelen worden volgens de volgende voorwaarden toegekend aan maatwerkbedrijven waaraan het label is toegekend conform paragraaf 1, eerste lid:
  1° voor de doelgroepwerknemers die uiterlijk op 31 december 2018 zijn tewerkgesteld, worden de werkondersteunende maatregelen toegekend voor onbepaalde duur;
  2° 10% van de doelgroepwerknemers, vermeld in punt 1°, komt in aanmerking voor evaluatie.
  De minister bepaalt de voorwaarden voor de bepaling van het percentage, vermeld in 2°.
  Het departement bezorgt aan de VDAB een nominatieve lijst met doelgroepwerknemers die in aanmerking komen voor evaluatie. De VDAB bepaalt het tijdstip van de evaluatie.
 Â
Wijzigingen
Art. 108. § 1er . Les ateliers protĂ©gĂ©s et les ateliers sociaux sont exemptĂ©s de l'obligation de notification telle que visĂ©e Ă l'article 17 et obtiennent automatiquement le label d'entreprise de travail adaptĂ© Ă la date du 1er janvier 2019. [1 Cette attribution automatique du label expire avec effet rĂ©troactif si la Commission europĂ©enne n'approuve pas l'aide aux entreprises conformĂ©ment Ă l'article 107 du TraitĂ© sur le fonctionnement de l'Union europĂ©enne en raison du dĂ©passement des seuils de notification individuels visĂ©s Ă l'article 1/5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.]1
  La ministre décide de l'attribution à une entreprise de travail adapté d'un contingent de mesures d'aide à l'emploi conformément au contingent qui est octroyé au plus tard le 31 décembre 2018.
  § 2. Les mesures d'aide à l'emploi sont octroyées selon les conditions suivantes :
  1° les travailleurs de groupe cible employés dans un atelier protégé au plus tard le 31 mars 2017, ont droit, à partir du 1er avril 2017, au degré d'aide visé à l'article 50, alinéa premier, 4° ;
  2° les employĂ©s fragilisĂ©s, visĂ©s Ă l'article 3, § 2, alinĂ©a trois de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1996 rĂ©glant l'octroi d'interventions dans la rĂ©munĂ©ration et les charges sociales des travailleurs employĂ©s par les ateliers protĂ©gĂ©s, agréés par le " Departement Werk en Sociale Economie " (DĂ©partement de l'Emploi et de l'Economie sociale), employĂ©s au plus tard le 31 mars 2017, ont Ă partir du 1er avril 2017 droit au degrĂ© d'aide visĂ© Ă l'article 50, alinĂ©a premier, 1° ;
  3° les travailleurs de groupe cible employés dans un atelier social au plus tard le 31 mars 2017, ont droit, à partir du 1er avril 2017, au degré d'aide visé à l'article 50, alinéa premier, 1° ;
  4° les travailleurs de groupe cible entrant en service dans un atelier social ou protégé à partir du 1er avril 2017, ont à partir du 1er janvier 2019 droit aux mesures d'aide conformément à l'article 50 ;
  5° les personnes, qui en tant travailleurs de groupe cible entrent en service dans un atelier social entre le 1er avril 2017 et le 31 décembre 2018, et qui ne disposent pas d'un avis de travail adapté collectif, ont à partir du 1er janvier 2019 droit aux mesures d'aide visée à l'article 50, alinéa premier, 3°.
  § 3. Les mesures d'aide à l'emploi sont accordées aux entreprises de travail adapté auxquelles est accordé le label conformément au paragraphe 1er, alinéa premier, selon les conditions suivantes :
  1° pour les travailleurs de groupe cible qui sont occupés au plus tard le 31 décembre 2018 les mesures d'aide à l'emploi sont accordées pour une durée indéterminée ;
  2° 10 % des travailleurs de groupe cible, visés au point 1°, sont éligibles à l'évaluation.
  Le ministre détermine les modalités de fixation du pourcentage, visé au 2°.
  Le département remet au VDAB une liste nominative des travailleurs de groupe cible éligibles à l'évaluation. Le VDAB fixe le moment de l'évaluation.
 Â
  La ministre décide de l'attribution à une entreprise de travail adapté d'un contingent de mesures d'aide à l'emploi conformément au contingent qui est octroyé au plus tard le 31 décembre 2018.
  § 2. Les mesures d'aide à l'emploi sont octroyées selon les conditions suivantes :
  1° les travailleurs de groupe cible employés dans un atelier protégé au plus tard le 31 mars 2017, ont droit, à partir du 1er avril 2017, au degré d'aide visé à l'article 50, alinéa premier, 4° ;
  2° les employĂ©s fragilisĂ©s, visĂ©s Ă l'article 3, § 2, alinĂ©a trois de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1996 rĂ©glant l'octroi d'interventions dans la rĂ©munĂ©ration et les charges sociales des travailleurs employĂ©s par les ateliers protĂ©gĂ©s, agréés par le " Departement Werk en Sociale Economie " (DĂ©partement de l'Emploi et de l'Economie sociale), employĂ©s au plus tard le 31 mars 2017, ont Ă partir du 1er avril 2017 droit au degrĂ© d'aide visĂ© Ă l'article 50, alinĂ©a premier, 1° ;
  3° les travailleurs de groupe cible employés dans un atelier social au plus tard le 31 mars 2017, ont droit, à partir du 1er avril 2017, au degré d'aide visé à l'article 50, alinéa premier, 1° ;
  4° les travailleurs de groupe cible entrant en service dans un atelier social ou protégé à partir du 1er avril 2017, ont à partir du 1er janvier 2019 droit aux mesures d'aide conformément à l'article 50 ;
  5° les personnes, qui en tant travailleurs de groupe cible entrent en service dans un atelier social entre le 1er avril 2017 et le 31 décembre 2018, et qui ne disposent pas d'un avis de travail adapté collectif, ont à partir du 1er janvier 2019 droit aux mesures d'aide visée à l'article 50, alinéa premier, 3°.
  § 3. Les mesures d'aide à l'emploi sont accordées aux entreprises de travail adapté auxquelles est accordé le label conformément au paragraphe 1er, alinéa premier, selon les conditions suivantes :
  1° pour les travailleurs de groupe cible qui sont occupés au plus tard le 31 décembre 2018 les mesures d'aide à l'emploi sont accordées pour une durée indéterminée ;
  2° 10 % des travailleurs de groupe cible, visés au point 1°, sont éligibles à l'évaluation.
  Le ministre détermine les modalités de fixation du pourcentage, visé au 2°.
  Le département remet au VDAB une liste nominative des travailleurs de groupe cible éligibles à l'évaluation. Le VDAB fixe le moment de l'évaluation.
 Â
Wijzigingen
Art. 109. § 1. Artikel 109 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, wordt ingetrokken.
  § 2.Voor de periode van 1 april 2015 tot op het ogenblik waarop de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve Inschakeling en het ministerieel besluit van 26 maart 2015 tot uitvoering van artikel 13 en 51 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling en het artikel 13 van het besluit van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet lokale diensteneconomie van 22 november 2013 werden geschorst ten gevolge van het arrest nr. 233.620 van de Raad van State wordt evenwel, onverminderd de intrekking als bedoeld in paragraaf 1, aan het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling uitvoering gegeven door het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling en de uitvoeringsbesluiten daarvan, met uitzondering van artikel 109 van het voormelde besluit van 19 december 2014.
  De toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, behoudens artikel 109 van het voormelde besluit van 19 december 2014, sluit voor de periode bedoeld in het vorige lid, de toepassing uit van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1996 `houdende subsidieregeling van het loon en de sociale lasten van de werknemers in de beschutte werkplaatsen die erkend zijn door het Departement voor Werk en Sociale Economie' en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1999 `tot vaststellingen van de erkenningsvoorwaarden van de beschutte werkplaatsen'.
  § 2.Voor de periode van 1 april 2015 tot op het ogenblik waarop de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve Inschakeling en het ministerieel besluit van 26 maart 2015 tot uitvoering van artikel 13 en 51 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling en het artikel 13 van het besluit van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet lokale diensteneconomie van 22 november 2013 werden geschorst ten gevolge van het arrest nr. 233.620 van de Raad van State wordt evenwel, onverminderd de intrekking als bedoeld in paragraaf 1, aan het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling uitvoering gegeven door het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling en de uitvoeringsbesluiten daarvan, met uitzondering van artikel 109 van het voormelde besluit van 19 december 2014.
  De toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, behoudens artikel 109 van het voormelde besluit van 19 december 2014, sluit voor de periode bedoeld in het vorige lid, de toepassing uit van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1996 `houdende subsidieregeling van het loon en de sociale lasten van de werknemers in de beschutte werkplaatsen die erkend zijn door het Departement voor Werk en Sociale Economie' en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1999 `tot vaststellingen van de erkenningsvoorwaarden van de beschutte werkplaatsen'.
Art. 109. § 1er . L'article 109 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 2014 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collectiveest retirĂ©.
  § 2. Pour la pĂ©riode allant du 1er avril 2015 jusqu'au moment de la suspension, Ă la suite de l'arrĂȘt n° 233.620 du Conseil d'Etat, de l'exĂ©cution de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 2014 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective et de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 26 mars 2015 portant exĂ©cution des articles 13 et 51 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 2014 portant exĂ©cution du dĂ©cret 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective et de l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© du 19 dĂ©cembre 2014 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 22 novembre 2013 relatif Ă l'Ă©conomie de services locaux, le dĂ©cret de 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective est toutefois mis en oeuvre, sans prĂ©judice du retrait tel que visĂ© au paragraphe 1er, par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 2014 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective et les arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution de ce dernier Ă l'exception de l'article 109 de l'arrĂȘtĂ© du 19 dĂ©cembre 2014 prĂ©citĂ©.
  Pour ce qui est de la pĂ©riode visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, l'application de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 2014 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective, Ă l'exception de l'article 109 de l'arrĂȘtĂ© du 19 dĂ©cembre 2014 prĂ©citĂ©, exclut l'application de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1996 rĂ©glant l'octroi d'interventions dans la rĂ©munĂ©ration et les charges sociales des travailleurs employĂ©s par les ateliers protĂ©gĂ©s, agréés par le " Departement voor Werk en Sociale Economie " (DĂ©partement de l'Emploi et de l'Economie sociale) et l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 dĂ©cembre 1999 fixant les conditions d'agrĂ©ment des ateliers protĂ©gĂ©s.
  § 2. Pour la pĂ©riode allant du 1er avril 2015 jusqu'au moment de la suspension, Ă la suite de l'arrĂȘt n° 233.620 du Conseil d'Etat, de l'exĂ©cution de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 2014 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective et de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 26 mars 2015 portant exĂ©cution des articles 13 et 51 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 2014 portant exĂ©cution du dĂ©cret 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective et de l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© du 19 dĂ©cembre 2014 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 22 novembre 2013 relatif Ă l'Ă©conomie de services locaux, le dĂ©cret de 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective est toutefois mis en oeuvre, sans prĂ©judice du retrait tel que visĂ© au paragraphe 1er, par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 2014 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective et les arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution de ce dernier Ă l'exception de l'article 109 de l'arrĂȘtĂ© du 19 dĂ©cembre 2014 prĂ©citĂ©.
  Pour ce qui est de la pĂ©riode visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, l'application de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 2014 portant exĂ©cution du dĂ©cret du 12 juillet 2013 relatif au travail adaptĂ© dans le cadre de l'intĂ©gration collective, Ă l'exception de l'article 109 de l'arrĂȘtĂ© du 19 dĂ©cembre 2014 prĂ©citĂ©, exclut l'application de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 dĂ©cembre 1996 rĂ©glant l'octroi d'interventions dans la rĂ©munĂ©ration et les charges sociales des travailleurs employĂ©s par les ateliers protĂ©gĂ©s, agréés par le " Departement voor Werk en Sociale Economie " (DĂ©partement de l'Emploi et de l'Economie sociale) et l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 17 dĂ©cembre 1999 fixant les conditions d'agrĂ©ment des ateliers protĂ©gĂ©s.
Art. 110. Het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling treedt inwerking op 1 januari 2019, met uitzondering van volgende bepalingen die inwerking treden op 1 april 2017:
  1° artikel 35;
  2° artikel 59, eerste lid.
  Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019, met uitzondering van volgende bepalingen die in werking treden op 1 april 2017:
  1° artikel 106, eerste lid, 3° en hoofdstuk 11, dat bestaat uit artikel 81 tot en met 88;
  2° artikel 108, § 2, punt 1° tot en met 5° ;
  3° het artikel 109.
  1° artikel 35;
  2° artikel 59, eerste lid.
  Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2019, met uitzondering van volgende bepalingen die in werking treden op 1 april 2017:
  1° artikel 106, eerste lid, 3° en hoofdstuk 11, dat bestaat uit artikel 81 tot en met 88;
  2° artikel 108, § 2, punt 1° tot en met 5° ;
  3° het artikel 109.
Art. 110. Le décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective entre en vigueur le 1er avril 2019, à l'exception des dispositions suivantes qui entrent en vigueur le 1er avril 2017 :
  1° article 35 ;
  2° l'article 59, alinéa premier.
  Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er janvier 2019, Ă l'exception des dispositions suivantes qui entrent en vigueur le 1er avril 2017 :
  1° l'article 106, alinéa premier, 3° et le chapitre 11, qui comprend les articles 81 à 88 inclus ;
  2° l'article 108, § 2, 1° à 5° inclus ;
  3° l'article 109.
  1° article 35 ;
  2° l'article 59, alinéa premier.
  Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er janvier 2019, Ă l'exception des dispositions suivantes qui entrent en vigueur le 1er avril 2017 :
  1° l'article 106, alinéa premier, 3° et le chapitre 11, qui comprend les articles 81 à 88 inclus ;
  2° l'article 108, § 2, 1° à 5° inclus ;
  3° l'article 109.
Art. 111. De Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 111. Le ministre flamand qui a l'Ă©conomie sociale dans ses attributions et le Ministre flamand qui a la politique de l'emploi dans ses attributions sont chargĂ©s, chacun en ce qui le ou la concerne, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.